8e dinsdag na Pinksteren – 6e Augustus, De Heilige Transfiguratie van onze Heer en Verlosser Jezus Christus

Studie van de Blijde Boodschap

    En zes dagen later nam Jezus Petrus en Jakobus en zijn broeder Johannes mee en Hij leidde hen een hoge berg op, in de eenzaamheid.
En Zijn gedaante veranderde voor hun ogen en Zijn gelaat straalde gelijk de zon en Zijn klederen werden wit als het licht.
       En zie, hun verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken.
Petrus antwoordde en zei tot Jezus:

‘Heer, het is goed dat we hier zijn’

‘ Heer, het is goed, dat wij hier zijn; indien Gij het wilt, zal ik hier drie tenten opslaan, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een.
       Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zei:
‘ Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!
       Toen de discipelen dit hoorden, wierpen zij zich op hun aangezicht ter aarde en werden zeer bevreesd.
En Jezus kwam bij hen, raakte hen aan en zei: ‘Staat op en weest niet bevreesd’.
Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij niemand dan Jezus alleen.
En terwijl zij van de berg afdaalden, gebood Jezus hun, zeggende: Vertelt niemand dit gezicht, voordat de Zoon des mensen uit de doden is opgewekt“ Matth.17: 1-9.

    Beijvert u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen; want als gij dit doet, zult gij nimmer struikelen.
Want zo zal u rijkelijk worden verleend de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van onze Heer en Heiland, Jezus Christus.
Daarom zal het steeds mijn voornemen zijn u hieraan te herinneren, hoewel gij het weet en in de waarheid, die bij u is, versterkt zijt.
Ik acht het mijn plicht, zolang ik in deze tent ben, u door herinnering wakker te houden, want ik weet, dat het afleggen van mijn tent spoedig komt, zoals ook onze Here Jezus Christus mij heeft doen weten.
       Maar ik zal mij beijveren, dat gij ook na mijn heengaan telkens weer aan deze dingen kunt denken.
       Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Heer Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn Majesteit.
       Want Hij heeft van God, de Vader, eer en Heerlijkheid ontvangen, toen zulk een stem van de hoogwaardige Heerlijkheid tot Hem kwam:
            ‘ Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb’.
En deze stem hebben ook wij uit de hemel horen komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren.
En wij achten het profetische woord [daarom] des te vaster, en gij doet wel er acht op te geven als 
op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten2Petr.1: 10-19.

Op de onvermijdelijke weg naar de dood en de daarop volgende verwachtte periode probeer je als mens orde te scheppen over die naderende sterfelijkheid.
Je weet wat je te wachten staat, waarop je door de verkondigde Waarheid probeert deze te doorgronden, maar dit beheersen en uiteindelijk volledig bevatten, is voor een mens een onmogelijkheid. God laat Zich immers niet inpakken. Tijd bestaat uit niets, het is een abstractie, want bij God bestaat geen tijd. De afstand van God en mens is ook niet te overbruggen en het enige wat overblijft is dat we enige betekenis trachten te verkrijgen aan de wijze waarop wij ons in de tijd voortbewegen.
Het einde is een kwestie van tijd, die naderbij komt en hoe dichter je nadert hoe meer de relatie me de tijd ons verontrust.
Doch onze Heer zegt: ‘Staat op en weest niet bevreesd’.
Je probeert als mens orde te scheppen over die sterfelijkheid en tracht vanuit eigen joods-christelijke cultuur de ‘overwinning‘ te behalen op het naderend wangedrocht.
Zo zongen we de afgelopen zondag:
       “   De scharen der Engelen stonden aan Christus’ graf
        en de wachters lagen als dood.
        Bij het graf stond Maria Magdalena zoekend het alleruiterst Lichaam van haar Heer.
        Hij heeft de hel overwonnen, zonder erdoor te worden aangetast. Hij heeft de Maagd ontmoet, Levenschenkende,
Die uit de dood zijt opgestaan. Heer, ere aan UApolytikion tn.6.

       Na het antwoord op de roep van onze Heer en de god-mens-ontmoeting begint de mens als adolescent aan een tumultueuze romantische relatie.
Naast bevrijding worden we onderworpen aan genoemde sterflijkheid en vormt onze weg een zielige en onontkoombare onderneming van het lineaire en onveranderlijke pad van geboorte tot de dood in de wereld.
Het lezen van de Blijde Boodschap, het navolgen van de Pedagogie van de Heer en het vervolgens beschrijven van hetgeen je tegenkomt kan als pijnlijk worden ervaren
– het is immers een scheiding van de wereld, een jezelf afsluiten van de wereld,
door Christus’ Pedagogie in je leven te realiseren.
       De geïncarneerde God, welke van God in de wereld komt is gekomen om de schade te herstellen die wordt veroorzaakt door de vernietiging en de zonde van de schepping. Net zoals het oorspronkelijke gesproken Woord van God zowel de wereld als de mens schiep, met andere woorden met dezelfde authenticiteit,
⁌   wordt de mens als een nieuw schepsel door de Zoon van God herschapen;
⁌   wordt de mens ledemaat van Zijn Lichaam, de Kerk en daarmee erfgenaam van de Goddelijke Genadegave;
⁌   wordt de mens vrij van blindheid, van demonische soevereiniteit verlosst,
⁌   wordt hij verlost van de zonde welke de dood veroorzaakt.
       Een persoon die daarop Zijn Pedagogie, Zijn Blijde Boodschap volgt, gaat lezen, memoreren en schrijft, leert zichzelf van  de input van zijn op de wereld gerichte zintuigen’ af te sluiten of op z’n minst af te remmen, teneinde
de reacties van zijn lichamelijke neigingen af te remmen of totaal te beheersen.
Aldus wordt energie gestoken om -‘tot oefening welke kunst baart’- te komen,
te trainen en al doende na te blijven denken over de vastgelegde woorden.
Je verzet je als vanzelfsprekend tegen je omgeving, het milieu welke zich ‘buiten’  bevindt – om tot onderscheidingsvermogen te komen.
       Gesteund door de zekerheid die de Genadegave als ondersteuning biedt
•   vormt dit in eerste instantie een moeizame en pijnlijke inspanning voor het individu, zo laten psychologen en sociologen weten.
       Door de persoonlijke inzet en de moeite te nemen wordt men zich uiteindelijk bewust van het innerlijke zelf als een entiteit die kan worden gescheiden van het omgeving en zijn input wordt
van boven gestuurd, hetgeen leidt tot mentale actie.

Apostles with Christ

Veel mensen geloven dat slechts God ‘alleen’ onze toekomst in hemel of hel bepaalt, maar ze vergeten dat we als medewerkers van en aan God onderhorig zijn; God heeft de mens na de val laten voortbestaan om het goede, het volmaakte na te streven.
        Hoe we uiteindelijk de Hemel, de aanwezigheid van God, zullen ervaren,
wordt bepaald door hoe ons hart bereid is om Zijn Liefde te ervaren.
Met andere woorden, hoewel we ons allemaal in de hemel zullen bevinden,
als onze harten zich niet op de juiste plaats bevindt, zullen we onze eigen hel creëren.
       Maar al te vaak horen we onder wereld de uitdrukking “naam maken voor jezelf” of een variatie daarop, zoals het ‘je eigen carrière najagen’ – ik doe wel deze of gene studie en ‘ik’ ben ‘boven Jan‘.
– wanneer we spreken over hoe we omgaan met de samenleving, ook met de Kerk. We zijn omringd door mensen, die ‘naam [?]’ gemaakt hebben, en
zich als zodanig gedragen.
       Maar we zijn allen ‘dienaren van Christus’ en hebben allen dezelfde opdracht;
deze opdracht is slechts in nederigheid te aanvaarden en punctueel te volbrengen, hetgeen ons wordt opgedragen. Zodra er sprake is van Macht en onderscheid ten opzichte van de ander, klopt het hele levensverhaal van die persoon, die gemeenschap niet meer.
       Wij zijn immers op weg naar het Licht en zoals onze Heer ons heeft geleerd
is dat alleen te bereiken door ‘af-te-zien’- door ascese.

Het is reeds lange tijd -‘ook in de Kerk’-, een traditie geworden om een ​​soort erfenis achter te laten voor toekomstige generaties om ons als persoon aan de wereld [als heilig] op te werpen, te laten kennen.
Sommigen onder ons suggereren zelfs dat deze trend verband houdt met onze genetische afkomst, dat onze familiaire afkomst bepaalt dat we ons gedwongen voelen onze egoïstische bekendheid trachten te verspreiden.
        Stel je toch eens voor dat je als persoon of familie voor de wereld in de vergetelheid zou geraken? Maar wie of wat is de wereld, die is toch alleen met ‘zichzelf‘ bezig.
        Daartegenover staat dat wij ‘de Eer en Glorie van onze Heer en Zaligmaker’ nastreven; ‘het Koninkrijk van God’ is belangrijker dan welke familieband dan ook.
        Zelfs in de relatie van onze Heer en Zijn familie trad een verandering op.
Aanvankelijk reisden de Moeder God’s en Zijn broers met Hem mee John.2: 12;
maar later overheerst het ongeloof John.7: 3-5.
Onze Heer neemt afstand van hen Marc.3: 35.
Er dient onder de volgelingen in die drie jaar ‘openbaar leven‘ van de Heer een omslag in hun houding te hebben plaatsgevonden. In Handelingen 1 worden Zijn Moeder en Zijn broeders immers tot de kern van de Christelijke Gemeenschap gerekend. 
Onder de Christenen in Palestina gaf het enige ‘status’ wanneer je familie was van de Heer, maar heel belangrijk is dit zoals blijkt echter nooit geweest.en geworden en als ‘status’ een rol is gaan spelen is dat een menselijke luchtspiegeling.

Er is nooit en te nimmer sprake geweest van zoiets als een ‘Jezus’-dynastie en zowel Jaäcobus als Justus [Judas] beginnen hun brieven niet met een opmerking dat ‘zij’ een ‘broeder des heren‘ zijn, maar zij noemen zich ‘als kind van God‘ en navolger van Christus simpelweg ‘dienaar van Jezus, de Christus’ en worden uiteindelijk
helden van Christus’ [= hoofd-item van het jeugd- en kinderkamp 2019 van de AOiN].
De steeds weer terugkerende als een soort yel –  melodie, die tijdens het kamp gezongen werd: https://youtu.be/QfCdprwMQ1o ;
vert:Ik heb de hemel lief, hoe kan ik de Vader van God bereiken en mij vrij maken en gelijk Zijn zoon leven, de geboden onderhouden om zonden in alle bedoelingen te vermijden‘ [het Patriarchale koor H. Ephraïm de Syriër, Damascus].
Het afsluitend kamplied gezongen bij het slot-kampvuur:
https://www.youtube.com/watch?v=0HlHQVZbyxs&feature=youtu.be;
vert: Goede Herder, wij bevelen dit klooster aan, vanwege het feit dat in Syrië de kinderkampen altijd in de nabijheid van hun kloosters werd gehouden en in dank aan de asceten werd afgesloten.

Als dienaren zijn wij allen op weg naar God, we gaan de berg op, evenals Mozes de berg besteeg en de wolk z’n weg bedekte:
    de Heerlijkheid des Heren rustte op de berg Sinaï en de wolk bedekte hem zes dagen lang; op de zevende dag riep Hij tot Mozes midden uit de wolkEx. 24: 16.
Johannes de Theoloog verklaart: “Niemand heeft ooit God gezien
1John.4: 12
.
Maar op een andere plaats geeft deze Evangelist de woorden van Christus aan Philippus weer: “Hij die Mij [door de Genade van Genezing] heeft gezien, heeft de Vader gezienJohn.14: 9.
Op de een of andere manier zijn beide uitspraken waarachtig, ondanks het feit dat ze tegenstrijdig lijken. De twee uitdrukkingen bij elkaar brengen de Waarheid in evenwicht betreffende onze ‘kijk op’ God.
Enerzijds dient het visioen [het aanschouwen] van God in Heerlijkheid
angstaanjagend te zijn voor de gevallen, zondige mensheid – een ondraaglijke zicht.
     Zoals we bij Vespers voor de Transfiguratie formuleren, het is ‘een zien van een vriendelijk Licht’ . . . dat misschien niet wordt gezien.
Aan de ander kant dienen we de bewering van Johannes de Theoloog over Christus niet over het hoofd zien, die bestond vóór de tijd en toch werd hij geïncarneerd als een mens die ‘wij met onze eigen ogen hebben mogen aanschouwen . . . we hebben gekeken en onze handen hebben hem aangeraakt, betreffende het Woord des levens [dat] aldus werd gemanifesteerd, en wij zijn daar . . . . . getuigen van1John.1: 1-2.

Christus, onze God, werd mens om ons een volledig zicht op God te openbaren
op een manier die begrijpelijk is voor het menselijk [in-]zicht. De Heer waarnemen als de God-Mens opent voor ons de weg om Hem echt te aanschouwen.
De drie discipelen waren samen met Christus naar/op de berg Thabor,
waar Hij ‘Zich in volledig waarneembare Heerlijkheid openbaarde als stralend Licht‘,
Zijn Goddelijkheid werd daardoor eveneens waarneembaar door de apostelen, die Hem op deze tocht vergezelden.
Dientengevolge vielen zij voor Zijn overweldigende uitstraling neer.
De aanblik van de getransfigureerde God-Mens was zo overweldigend dat ze
ter aarde op hun gezicht neervielen’ . . . . . door verbazing overmand werden.

Mozes, by Rembrandt Harmenszn. van Rijn; De Thora [Wet] is door Mozes overgedragen, maar de goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomenJohn.1: 17

Vandaar dat vandaag eveneens de passage uit Exodus wordt gelezen, hetgeen aangeeft dat dit een waarachtige icoon, een venster op de eeuwigheid is, hetgeen zonder dat het direct gezegd wordt inhoudt dat we door deze icoon
de Glorie van God voor ogen kunnen stellen;
de icoon stelt ons – ‘als een doorkijkje’ in staat aan dit Mysterie deel te nemen.
Petrus, Jaäcobus en Johannes de Theoloog gingen op aandringen van de Heer “een hoge berg”, de berg Thabor  op [Thab, Hebr.=‘heuvel of terp’; Thab-era= ‘brandend’] Matth.17: 1.

Mozes overkomt hetzelfde: “Mozes stond op met zijn assistent Joshua en zij gingen op naar de berg van God” Ex.24: 13.
Mozes en Joshua gaan op weg wanneer hun wordt geboden:
– “Kom naar Mij” – Ex.24: 12, net als:
– “Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt”- Matth.11: 28.
Ons is niet verhaald hoe Mozes de stem van God hoort, hoewel
de Heer niet aanwezig is in het vlees John.1: 14, maar we begrijpen wèl dat de Profeet Mozes luistert met het oor van zijn hart – ‘zijn geestelijk oor’ 1Kon.9: 15.
De discipelen van Jezus hoorden de Heer met hun fysieke oren en tòch, in hun hart hebben zij méér gehoord – want anders dan Zijn andere volgelingen
wilden zij Hem niet verlaten John.6: 66-68, toen het navolger-schap van Christus penibel, [gevaarlijk-pijnlijk-moeilijk-hachelijk] werd. Degenen die het hoorden volgden Hem trouw.

Toen Mozes “naar de berg” van God ging Ex.24: 13, liet hij de gemeenschap van Israël beneden achter. Aldus is hij gescheiden van het gezelschap van zijn mede-Israëlieten, behalve Joshua.
Evenzo, wanneer de drie discipelen op gaan met de Heer, is het ‘op zichzelf’, een afgezonderde eenheid Matth.17: 1.
De aanblik van God is niet geopenbaard aan de gewone massa, de menigte.
God beschermt Zijn ontmoeting met Mozes, want Hij “bedekte de berg met een wolkEx.24: 15, zoals:
“wie onder de schutse der Allerhoogste verblijft en onder de bescherming woont van de God des Hemels” Psalm 90[91].
Voorts gaat de profeet Mozes niet de berg op naar God, maar wacht hij zes dagen [tot de zondag?] op de helling tot de Heer hem [in de communie ontmoet] in de wolk aanspreekt die de top bedekt Ex.24: 16.

Let hier op de parallel.
Wanneer Mozes God in de wolk ontmoet;
was de aanblik van de Glorie des Heren als
een brandend vuur waarneembaar op de top van de berg
voor de kinderen van Israël
Ex 24: 17.
Evenzo, terwijl de drie discipelen zich bovenop de berg Thabor
met de Heer bevinden, “overschaduwde een heldere wolk henMatth.17: 5.
De aanblik van de getransfigureerde Heer
heeft grote invloed op de discipelen van Jezus gemaakt, want
– zij worden “zwaar van slaap” bij
het zien van de Meester in HeerlijkheidLuc.9: 32
voor zover zij het konden dragen.
– zij zijn gewoon overweldigd.

Transfiguration, door Theophan de Griek 15e eeuw

       Laten we -gesteund door de Geest- ons allen naar de berg van de Heer begeven en naar het huis van onze God gaan, om met de Zijnen te aanschouwen, de Glorie als van een enige Zoon van de Vader, ter ere van de Leven-schenkende Drie-eenheid.

In al wat je leest kun je nog dieper gaan en vergelijkingen trekken tussen het boek Exodus en de weg van de Christen als pelgrim beschreven in Matth.11:
        Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet:
blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het Evangelie. 
En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt.
Terwijl dezen heengingen, begon Jezus tot de scharen te zeggen van Johannes:
  Wat zijt gij in de woestijn gaan aanschouwen? Een riet, door de wind bewogen?
Maar wat zijt gij gaan zien? Een mens in [opgedoft in] weelderige kleding?
Zie, die weelderige kleding dragen, zijn aan de hoven der koningen
[Brussel en andere hoofdsteden].
Maar waarom zijt gij dan gegaan? Om een profeet te zien?
Ja, Ik zeg u, zelfs meer dan een profeet. Deze is het, van wie geschreven staat:
    Zie, Ik zend Mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen bereiden zal. 
Voorwaar, Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan Johannes de Doper, maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan hijMatth.11: 4-11.
        Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der Hemelen zich baan met geweld en  geweldenaars grijpen ernaar.
Want al de Profeten en de Wet [de Thora]  hebben geprofeteerd tot Johannes toe; en
indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou. Wie oren heeft, die hore!
Doch waarmee zal Ik dit [wereld’s] geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen, die op de [financiële en economische] markten zitten en de anderen toeroepen:
Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen en gij hebt geen misbaar gemaakt.
Want Johannes is gekomen, niet etende en niet drinkende, en zij [de farizeeën] zeggen: Hij heeft een boze geest’. De Zoon des mensen is gekomen, wel etende en drinkende, en zij zeggen: ‘   Zie, een vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars. En de wijsheid is gerechtvaardigd op grond van haar werkenMatth.11: 12-19.
        Toen begon onze Heer en Verlosser de steden [van onze wereld], waarin de meeste krachten door Hem verricht waren te verwijten, dat zij zich niet bekeerd hadden: Wee u, Chorazin [Hebr.= ‘rokende oven’], wee u, Betsaïda [Hebr.=‘huis van vis’]! Want indien in Tyrus
[‘Tyrisch’, Hebr.=‘purper’, kleur gewonnen uit de purperslak, kleur die gereserveerd werd voor de in de wereld ‘zichzelf’ verhevenen, de koningen en keizers’] en Sidon [Hebr.=‘havenstad aan de Syrisch-Libanese kust, welke van oudsher onder heidense invloed is gebleven, zoals ook Egypte’] die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as [teken van boete] bekeerd hebben.
Doch Ik zeg u, het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in de dag van het oordeel dan voor u. En gij, Kafarnaüm
[Hebr.=‘dorp van rust’], zult gij tot de Hemel verheven worden? Tot het dodenrijk zult gij nederdalen; want indien in Sodom [afgeleid van Hebr. ‘Anash’= ‘ziek zijn‘]
de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, het zou gebleven zijn tot de dag van heden.
Maar Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom [‘het ‘ziek’, verworden land’] draaglijker zijn in de dag van het [laatste] oordeel dan voor uMatth.11: 20-24.
        Te dien tijde hief Jezus aan en zei: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kleine kinderen geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U. Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren.
Komt [dan] tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;  neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 25-30.

En dáár – door de Genade van God – inzicht in verkregen te hebben, mogen wij vervolgens [in de Vesper] zingen:
Wij hebben het ware Licht aanschouwd,
het ware Geloof gevonden,
wij aanbidden de Heilige Drieëenheid,
Deze heeft ons gered
”.

1e Antifoon [Goddelijke Liturgie]:
1. – Groot is de heer en alle lof waardig,
inde stad van onze God, op Zijn heilige berg
”.  [refr.]
     Door de gebeden van de Moeder God’s, o Heiland, red ons’ [=refr.]
2. – “Gij grondvest de bergen in Uw Kracht; Gij hebt U omgoot met Macht”.  [refr.]
3. – “Gij bekleedt U met luister en pracht, Gij omhult U met ‘Licht’ als een mantel”.  [refr.]
4. – “Laat de bergen juichen voor het aangezicht van de Heer, want Hij komt om de aarde te oordelen”.  [refr.]
     ‘Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN”.

2e Antifoon [Goddelijke Liturgie]:
1. – “Haar grondvesten zijn op de heilige bergen, de Heer bemint Sion’s poorten”.  [refr.]
     Verlos o Zoon van God, Die op de Thabor verheerlijkt zijt, ons die tot u zingen: Alleluja’ [=refr.]
2. – “Over U zijn roemrijke dingen gezegd; gij zijt de stad van God”.  [refr.]
3. – “Elke mens zal zeggen: Moeder Sion, want de mensheid is in haar geboren”.  [refr.]
4. – “De allerhoogste heeft haar gegrondvest”.  [refr.]
     Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN”.
3e Antifoon [Goddelijke Liturgie]:
1. – “Uw Barmhartigheden Heer, wil ik zingen in eeuwigheid”.
Apolytikion [vervolgens als refr.]
tn.7.    Gij werd verheerlijkt op de berg, o Christus God, en
aan Uw Leerlingen toonde Gij Uw Heerlijkheid.
Doe ook ons, zondaars Uw eeuwig Licht stralen:
Gij, Die ons het Licht schenkt, eer aan U
”.
2. – “De Hemelen blijde Uw wonderen, o Heer, en Uw Waarachtigheid in de Kerk der Heiligen”.  [refr.]
3. – “Zalig is het Volk dat weet te juichen; Heer, zij zullen wandelen in het Licht van Uw aanschijn”.  [refr.]
     Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN”.
Kondakion
tn.7.
    Op de berg werd Gij verheerlijkt, en
vol verbazing mochten Uw Leerlingen Uw Heerlijkheid aanschouwen.
Opdat zij, wanneer zij U gekruisigd zouden zien,
Uw Lijden als vrijwillig zouden erkennen, en
aan de wereld zouden verkondigen, dat
Gij in Waarheid zijt de Af-glans van de Vader
”.