8e Zondag van Pascha – het Heilig Pinksteren, de Nederdaling van de Heilige Geest – het Woord van God daalt op de mensheid neer

      En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende:
            Indien iemand dorst heeft, hij dient tot Mij te komen en dient te drinken!
Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt,
stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien’.
        Dit zei Hij van de Geest, welke zij, die tot Geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.
Sommigen dan uit de menigte, die naar deze woorden geluisterd hadden, spraken:
      Deze is waarlijk de profeet’.
Anderen zeiden:
      Deze is de Christus; weer anderen zeiden:
      De Christus komt toch niet uit Galilea? Zegt de Schrift niet, dat de Christus komt uit het 
geslacht van David en van het dorp Betlehem, waar David was?
Er ontstond dan verdeeldheid bij de menigte om Hem; en sommigen van hen wilden Hem grijpen, maar niemand sloeg de handen aan Hem.
De dienaars dan gingen naar de overpriesters en Farizeeën en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet medegebracht?
De dienaars nu antwoordden hun: Nooit heeft een mens zo gesproken, als deze mens spreekt!
De Farizeeën dan antwoordden hun: Zijt gij soms ook verleid?  Heeft soms een van de oversten in Hem geloofd, of van de Farizeeën?
Maar die menigte, die de Wet niet kent, vervloekt zijn zij!
          Nicodemus, die vroeger tot Hem was gekomen, een van hen, zei tot hen:
        Veroordeelt onze wet dan een mens, tenzij men zich eerst van hem op de hoogte gesteld heeft en kennis genomen van wat hij doet?
Zij antwoordden en zeiden tot hem:
        Zijt gij soms ook uit Galilea? Ga maar na en zie, dat uit Galilea geen profeet opstaat
John.7: 37-52; 8: 12.

    En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen.
En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen;
en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken.
       Nu waren er Joden te Jeruzalem woonachtig, vrome mannen uit alle volken onder de hemel; en toen dit geluid gekomen was, liep de menigte te hoop en verbaasde zich, want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
      En buiten zichzelf van verwondering zeiden zij:
Zie, zijn niet al dezen, die daar spreken, Galileeers? En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Capadocië, Pontus en Asia, Frygie2 en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden God’s sprekenHand.2: 1-11.

De lege zetel tussen Petrus & Paulus is voor ‘dè Leraar’, de heer van de Kosmos treed uit de duisternis naar het Licht; The empty seat between Peter & Paul is for ‘the Teacher’, the lord of the Cosmos is coming from the darkness to the Light.

    En gij, kinderen van Sion, juicht en verheugt u in de Heer, uw God, want Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid; ja, regenstromen laat Hij voor u neerdalen, vroege regen en late regen, zoals voorheen. De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen.
Ik zal u vergoeden de jaren, toen de sprinkhaan [alles] opvrat, de verslinder en de kaalvreter en de knager, mijn groot leger dat Ik op u afzond.
Gij zult volop en tot verzadiging eten, en gij zult loven de Naam van de Heer, uw God, Die wonderbaar met u gehandeld heeft; Mijn Volk zal nimmermeer te schande worden.
Dàn zult gij weten, dat Ik in het midden van Israël [de Kerk] ben, en dat Ik, de Heer uw God ben, en niemand anders; Mijn volk zal nimmermeer te schande worden.
Daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft en uw zonen en uw 
dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. Ook op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten.
Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen.
De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt.
En het zal geschieden, dat ieder die de Naam des Heren aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de Heer gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de Heer zal roepen.
>  Want zie, in die dagen en te dien tijde, wanneer Ik een keer zal brengen in het lot van Juda en van Jeruzalem, zal Ik alle Volkeren verzamelen en afvoeren naar het dal van Josafat [Hebr.= ‘De Heer heeft geoordeeld‘], en Ik zal aldaar met hen in het gericht treden ter oorzake van Mijn Volk en van Mijn erfdeel Israël [de Kerk], dat zij onder de volkeren verstrooid hebben, terwijl zij Mijn land verdeelden, en over Mijn volk het lot wierpen, en een jongen gaven voor een hoer en een meisje verkochten voor wijn, opdat zij konden drinken.
En voorts, wat wilt gij van Mij, gij Tyros [Hebr.= ‘benauwen’] en Sidon [Hebr.= ‘jacht, gejaagd’] en alle landstreken van Filistea Hebr.=‘land van gasten of land van tijdelijke bewoners’]?
Wilt gij Mij vergelding bewijzen?
Maar indien gij het Mij vergelden wilt, snel, ijlings zal Ik de vergelding op uw eigen hoofd doen nederdalen. Want gij hebt Mijn zilver en Mijn goud weggenomen, Mijn kostbare schatten naar uw tempels gebracht
Joël 2:23-3:5. 

 

rupsjenooit genoeg‘; theVery HungryCaterpillar,’never enough

    Wee de bloedstad, louter leugen, vol van verscheuring, zonder ophouden rovend! Hoor, zweepgeklap! hoor, geratel van wielen [ronkende motoren!] en jagende paarden [-krachten] en opspringende wagens, steigerende rossen en vlammende zwaarden en bliksemende lansen, en tal van verslagenen, een menigte doden, en eindeloos veel lijken; men struikelt over hun lijken.
Vanwege de vele hoererijen der hoer, uitnemend in bevalligheid, meesteres in toverkunsten, volkeren verkopend door haar hoererijen, en geslachten door haar toverkunsten.
Zie, Ik zal u! luidt het woord van de Heer der heerscharen, Ik til uw slippen op tot aan uw aangezicht, en Ik laat aan de volkeren uw naaktheid zien, aan de koninkrijken uw schaamte.
Ik werp vuil op u, Ik maak u te schande en stel u ten toon, zodat al wie u ziet, van u wegvlucht en zegt: ‘ Verwoest is Nineve [Hebr.= ‘het nageslacht is blijvend’]! Wie zal haar beklagen? waar zal ik troosters voor u zoeken?
Nahum 3: 1-7.
    Ik zal u afscheiden van de volkeren en u bijeen verzamelen uit alle landen en Ik zal u brengen naar uw eigen land; Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onrein-heden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees gevenEzechiël 36: 24-26

    Toen het dan avond was op die eerste dag van de week en ter plaatse, waar
de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden,
kwam Jezus en stond in hun midden en zei tot hen: ‘Vrede zij u!’.
En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde.
De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Heer zagen.
Jezus dan zei nogmaals tot hen:
Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u.
En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zei tot hen:
    Ontvangt de Heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; 
wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend“ John.20: 19-23.

U hoort het ieder zondag opnieuw:     Vrede zij u!en bij de daadwerkelijke ontmoeting met uw Heer, uw onsterfelijke Koning:    Dit heeft uw lippen aangeraakt, uw ongerechtigheden weggenomen, en u van uw zonden gereinigd’.

Wapenschild van het Grieks-orthodoxe Patriarchaat van Antiochië en het gehele oosten.

Ja, we zijn inderdaad afgescheiden van een wereld om ons heen [‘αντι & oxi‘ = ‘tegen en neen‘, tegen al wat je oog ziet, nl. stelselmatig egoïsme]:
⁌   waar leugen en bedrog hoogtij viert.
⁌   waar tal van verslagenen, een menigte doden en eindeloos veel lijken aan ons blikveld voorbij trekken; waar men over de slachtoffers van [oorlog’s-]geweld struikelt.
⁌   waar de Moloch waaraan alles wordt opgeofferd hoog spel speelt, zich niets ontziend verrijkt.
⁌   waar het volk wordt opgejaagd naar steeds maar meer, méér productie, méér consumptie, méér [miljeu-] verontreiniging.
⁌   waar jongeren worden opgeleid tot prestatieslaven, slechts weinigen zullen hun ideaal

‘Een op de 10 jongeren krijgt te maken met jeugdzorg’; ‘One in 10 young people is confronted with youth care’.

verwezenlijken; 10% van hen heeft op jonge leeftijd psychologische hulp nodig om staande te blijven.
⁌   waar door manifestaties, protestmarsen de huidige tijdgeest wordt bestendigd, teneinde op het wereldtoneel te mogen meeblazen.
⁌   een multicultureel land, waar men na 50 jaar nog steeds niet aan het feit gewend is, dat men ‘multi‘-cultureel is en waar men door een paspoort-uitreiking op weg zou mogen gaan naar een ‘nieuwe’ [consumenten-]ponent in het leven van alle dag.
⁌   een land dat in allerlei clubjes is verdeeld, waarbij iedereen zowel letterlijk als figuurlijk voor eigen parochie lijkt te prediken, waar ‘eendrachtig‘ samengaan niet langer gewoon is.

En nogmaals horen we:
‘   Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u.
Ondanks alle tegenwerking trachten we de Blijde Boodschap in ons eigen kleine wereldje ‘waar’ te maken, door gewoon als volgeling van Christus, ‘de Verlosser van de wereld’ – Zijn Pedagogie, Zijn Leer – uit te dragen.
Daarover spreken, schrijven en lezen wij en zoeken wij contact met anderen, want het Geloof in God’s Barmhartigheid met de mensheid gaat nimmer verloren; het is de enig [overgebleven] hoop die de gehele mensheid nog rest.

    Strek je moedig uit naar wàt wel niet allemaal vóór je ligt en
vergeet wàt achter je ligt en de dingen die deze wereld bezig houden,
en zie niet om naar wie uitbundiger [schijndood] verder leven, de zwakkeren,
maar let op datgene waarvoor jij gekomen bent en wat jij [door je Verbond met God] op je hebt genomen.
Want wie vooruit wil gaan dient elke dag opnieuw te beginnen en
geen enkel [moeilijk] werk uit de weg te gaan en
geen enkel moment in hoogmoed voorbij te laten gaan

uit: ‘n bemoediging voor jonge asceten

    Laat de spelleiders [priesters], de dienaren des Heren, tussen de voorhal en het altaar wenen en zeggen:
‘ [‘  Red, Heer, Uw Volk en zegen Uw Erfdeel’-  ] geef uw erfdeel niet prijs aan de smaad, zodat de heidenen met hen zouden spotten.Waarom zou men onder de volkeren zeggen: ‘Waar is hun God?’. Toen nam de Heer het op voor Zijn land en Hij kreeg medelijden met Zijn VolkJoël 2: 17,18.
    Dan zult gij weten, dat Ik in het midden van Israël [de Kerk] ben, en dat Ik, de Heer uw God ben, en niemand anders; Mijn Volk zal nimmermeer te schande worden.
            Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. Ook op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstortenJoël 2: 27-29.

De profeet Joël voorzegt een nederdaling van de Geest van God.
Eeuwen later verklaart de apostel Petrus zijn aankomst:
Want deze mensen zijn niet dronken, zoals gij veronderstelt,
want het is het derde uur van de dag; maar dit is het, waarvan
gesproken is door de profeet 
JoelHand.2: 15,16.
We leven in de dagen die Joel voorzag:
”    Dìt is de dag, die de Heer heeft gemaakt;
laten wij daarop juichen en ons verheugenPsalm 117 [118]: 24.
God heeft ons “geheiligd door de Kracht en
de werkzaamheid van de H. Geest
” [Dooplitanie]
begenadigd, is ons genadig geweest.
. Inderdaad, “    we hebben de Hemelse Geest ontvangen. . .
want Hij heeft ons gered

hymne na de ontmoeting met onze Verlosser in de Goddelijke Liturgie.
            Overweeg het Mysterie, [het Wonder] van deze vervulling, die
reden is tot vreugde en blijdschap als “kinderen van SionJoël 2: 23!
Door de Heer is dit geschied;
het is wonderbaar in onze ogen” Psalm 117[118]: 23.

In de loop van onze levensjaren, zijn “de sprinkhaan en de veelvreter . . .
de plaag en de rups”, d.w.z. onze zonden ” weggeëbd” naar
onze “spirituele vitaliteit” Joël 2: 25.
òf zijn we op weg zó-vèr te komen,
in ieder geval een beginnetje te maken.

Onszelf te ontdoen van het oude leven in onze harten en zielen,
die allesverslindende horde [ongedierte] komt op ons af als
een “groot leger“, het vreet onze vreugde, vrede en zuiverheid weg.
            De Heer staat toe dat deze gevolgen ons treffen als
gevolg van onze overtredingen en overtredingen.

☛            Maar laten we [over-]duidelijk zijn:
we laten deze zwerm immers het geestelijke voedsel dat God ons zou geven
toch niet van ‘ons [dagelijk’s] brood eten.
🌈            Maar op dit moment heeft de Heer Jezus Christus, die volledig onze menselijkheid heeft aangenomen, een plaats voor ons klaargemaakt aan Zijn hemelse feesttafel.
🌈            We hebben tenslotte het potentieel om van het leven te genieten als zijn eigen zonen en dochters.
🌈            Hij verlangt ernaar dat we als beroerde kinderen thuiskomen als ontwaakte verloren kinderen.

Kom, laat ons “overvloedig eten en tevreden zijn . . . 
            [en genieten van de Pinksterpicknick, die in diverse parochies in een nabijgelegen park wordt gehouden]
            . . . Prijs de Naam van de Heer [onze] God voor wat Hij ons zo wonderlijk heeft aangedaanJoël 2: 26.

Wat heeft God gedaan?
In de Goddelijke Liturgie herinnert Johannes Chrysostomos ons eraan dat
Hij “ – niet opgehouden is om alle dingen te doen – ” totdat
” Hij ons ‘naar de Hemel heeft gebracht’, en. . .
ons begiftigd heeft met [Zijn] Hemels Koninkrijk dat zal komen’”.
God Zelf nam vlees van de Maagd.
De Zoon van God
”, Die “Zelf heeft geleden en verleid is geworden . . . want doordat Hij Zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komenHebr.2: 18.
En wat meer is,
Hij is inderdaad “waarachtig voedsel” voor ons, Zijn Volk:
– ‘Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem‘ -.
      Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij. Dit is het brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid levenJohn.6: 55-58.
Kom dan sluit u aan bij de velen die ‘niet’-afgehaakt zijn, maar stug doorzetten en het Woord blijven volgen, ondanks datgene wat de wereld, ‘de veelvraat‘ ons voorhoudt [het rupsje: ‘nooit genoeg‘]

Door in God herboren te worden is als het herstellen van een gebroken ladder naar de Hemel; Being restored into God is like mending a broken ladder to Heaven

Overweeg de huidige toestand van ons leven in Christus.
Als leden van de Kerk van de levende God, ” wanneer we elkaar onze zonden belijden, verwijdert de Heer onze schaamte voor altijd” Joël 2: 26.
Luister naar Hem:
Weet dat ik in het midden van Israël [uw Kerk] ben; dat
Ik de Heer, uw God ben
Joël 2: 27.
Hij laat ons douchen met “de vroege en late regenJoël 2: 23 van de Heilige Geest.
Inderdaad, we bidden tot een goede God en vragen Hem tijdens de anafora om
Uw Heilige Geest over ons en deze gaven neer te zenden”.
Verbeelden wij ons dat Hij
de gebeden van Zijn geliefde niet eert?
De Heilige Geest valt inderdaad op ons om
het Koninkrijk der hemelen tot stoutmoedigheid” ten
opzichte van onze God te vervullen.
De Heer bedoelt echt om “ons [de] jaren te herstellen . . .
toen de sprinkhaan [alles] opvrat, de verslinder en
de kaalvreter en de knager alles van
ons hebben weg gegeten
Joël 2: 25.

Kinderen van Sion, laat ons
ons verblijden en ons verheugenJoël 2:23,
de schaamte van onze zonden in de vergetelheid werpen
van Zijn genade en vergeving;
laten we “dromen dromen, en . . . zie visioenen
van wat God onder ons kan uitwerken
Joël 3: 1.
Laten we nooit aarzelen om
de Naam van de Heer aan te roepen’, het Jezusgebed, dat
we gered kunnen worden, want
‘ op de berg Sion en Jeruzalem zal verlossing zijn,
zoals de Heer zelf heeft gezegd
Joël 3: 5.
Vergeet nooit dat
       Hij Die uit de doden is opgestaan,
Christus, onze ware God. . .
[is] ons Genadig en [redt] ons, want Hij is goed en
heeft al de mensen [van de mensheid] lief

slotgebed.

          Moge de zegening van de Heer en Zijn Genade
ons bereiken door Zijn genade en liefde voor de mensheid,
nu en altijd, en in alle eeuwen. Amen
”.
gebed van de gewijde.

De Geboorte van de Kerk:

‘En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw hart en gedachten in Christus Jezus bewaren’ [Phil 4, 7]

De straten van Jeruzalem werden zo’n 2000 jaar geleden gevuld toen het vuur van de Heilige Geest viel op de in verenigd gebed zijnde Gelovigen en ongeveer 3000 oplettende Joden werden gered.
Het is een tijd waarin God Zijn volk beveelt om
een vrijwillige bijdrage te geven [voor het voortbestaan], als verjaarscadeau aan de Kerk.
Weet wèl de christelijke gemeenschappen in Nederland dienen zichzelf in stand te houden;
er is immers een strikte scheiding tussen Kerk en Staat.
De mensen moesten iets meebrengen,
geven in verhouding tot hoe God ‘hèn’ heeft gezegend.
Niemand mag voor de Heer verschijnen met lege handen:
ieder van u dient een geschenk mee te brengen in
verhouding tot de manier waarop de Heer, uw God,
u heeft gezegend
Deut.16: 16-17.
U kunt dit doen door de bank maandelijks opdracht te geven
een vast bedrag over te maken, àl is het maar € 5.00 per maand
– tien maal dit bedrag van een minimum inkomen telt ook aan.
Bedenk wèl dat wanneer u per maand een veel hoger bedrag aan
uw mobiele telefoonmaatschappij overmaakt, dat
het lijntje naar de Hemel eveneens ‘open’ dient te worden gehouden.
Menige parochie en zeker die van het Patriarchaat Antiochië
[Hebr.= ‘pertinent tegen de wereldse invloed’]
heeft uw bijdrage hard nodig.

Hoe?   Heel eenvoudig, u kunt nu nooit meer zeggen,
ik weet niet hoe:
NL82INGB0008428523
             tnv, Heilige Moeder Gods Parochie.

God bracht ons naar deze plaats en gaf ons dit land,
een land vloeiende van melk en honing; en
nu
breng ik de eerstelingen van de grond die
u, Heer, mij gegeven hebt” Deut.26: 5-10.