Woensdag in de Lichte week, de 1e week na Pascha – ‘Zie, het lam God’s’ en tot hen die Hem volgden zei Hij: ‘Wat zoekt Gij?’ en zij: ‘Meester -, waar houdt Gij verblijf?’.

Mysterie van de steriele vijgenboom

    De volgende dag stond Johannes [de Doper] daar weer met twee van zijn discipelen.
En toen hij Jezus zag gaan, zei hij: Zie, het lam Gods!
En de twee discipelen hoorden hem dat zeggen en volgden Jezus. Maar Jezus keerde Zich om en zag, dat zij Hem volgden, en Hij zei tot hen:
       Wat zoekt gij?
Zij zeiden tot Hem: Rabbi – wat, vertaald, wil zeggen: Meester -, waar houdt Gij verblijf?
Hij sprak tot hen:
Komt en gij zult het zien. Zij kwamen dan en zagen, waar Hij verblijf hield, en
zij bleven die dag bij Hem; het was omstreeks het tiende uur.
     Andreas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden en Hem gevolgd waren; deze vond eerst zijn broeder Simon en zei tot hem: ‘Wij hebben gevonden de Messias’, wat betekent: ‘Christus’.
Hij leidde hem tot Jezus. Jezus zag hem aan en zei:
    ‘Gij zijt Simon, de zoon van Johannes, gij zult heten Kefas, wat vertaald wordt met Petrus.
De volgende dag wilde Hij naar Galilea vertrekken en Hij vond Filippus.
En Jezus zei tot hem: Volg Mij. Filippus nu was uit Betsaïda, de stad van Andreas en Petrus.
Filippus vond Nathanaël en zei tot hem:
‘ Wij hebben Hem gevonden, van Wie Mozes in de wet 
geschreven heeft en de profeten, Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth’.
En Nathanaël [Hebr.= ‘`geschenk van God` – Bar-Tôlmay, =‘zoon van Tolmai’ of ‘zoon van de ploegvoren’] zei tot hem:
‘ Kan uit Nazareth iets goeds komen?
Filippus zeide tot hem: ‘Kom en zie’.
Jezus zag Nathanaël tot Zich komen en zei van hem:
         Zie, waarlijk een Israeliet, in wie geen bedrog is!’.
Nathanael zei tot Hem: Vanwaar kent Gij mij?
Jezus antwoordde en zei tot hem: ‘ Eer Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgenboom’.
Nathanaël antwoordde Hem: ‘ Rabbi, Gij zijt de Zoon van God, Gij zijt de Koning van Israël!’.
Jezus antwoordde en zeide tot hem: ‘  Omdat Ik tot u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgenboom, gelooft gij? Gij zult grotere dingen zien dan dezeJohn.1: 35-51.

bij: ‘Heer ik roep’ vespers woensdag:
tn.5.    Door Uw kostbaar Kruis, o Christus,
hebt U de duivel te schande gemaakt: want
door Uw Opstanding hebt U de scherpte ontnomen aan de prikkel van de zonde.
U hebt ons gered uit de macht van de dood;
daarom verheerlijken wij U, de Één geborene”.

Christus roept ook Petrus

    Mannen van Israël, hoort deze woorden:
‘Jezus, de Nazoreeër, een man u van God’s-wege aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door Hem in uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet, deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood.
God evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden.
Want David zegt van Hem: Ik zag de Heer te allen tijde voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou. Daarom is mijn hart verheugd en mijn tong verblijd, ja, ook mijn vlees zal nog een schuilplaats vinden in hope, omdat Gij mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch uw heilige ontbinding doen zien.
Gij hebt mij wegen ten leven doen kennen; Gij zult mij vervullen met verheuging voor uw aangezicht.
Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij en gestorven en begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag.
Daar hij nu een profeet was en wist, dat God hem onder ede gezworen had een uit de vrucht van zijn lendenen op zijn troon te doen zitten, heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan het dodenrijk is overgelaten, noch zijn vlees ontbinding heeft gezien.
Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.
Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte van de Heiligen Geest van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gij en ziet en hoort.
Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf:
‘ De Heer heeft gezegd tot mijn Heer: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten’.

Christus, Verlosser

Dus moet ook het gehele huis van Israël zeker weten, dat God Hem en tot Heer en tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt.
Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere 
apostelen: ‘  Wat moeten wij doen, mannen broeders?’.
En Petrus antwoordde hun:
Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de Naam van Jezus Christus
Hand.2:22- 38a.

Roeping heeft te maken met je taak in het leven. Want je hebt een taak in je leven en een deel van je leven gebruik je om uit te vinden wat die taak nu precies is. Wat staat mij nu eigenlijk te doen? Wat is de taak die mij past.
⁌   Wàt wordt er van mij gevraagd,
⁌   Wàt is goed voor mij om te doen,
⁌   Wàt wil God van mij.
Lucas Mattheus en Marcus vertellen over mensen die plotseling losgescheurd worden uit hun leven.
Ophouden, zegt onze Heer en Verlosser, tegen hen, we gaan iets anders doen. Niet meer doorgaan zoals je deed, het roer moet om, het dient helemaal anders te gaan. Jouw leven wordt op de kop gezet, het is tevens een achter je laten, verlating, een uittocht.
⁌   Je oude leven achter je laten.
⁌   Je werk achter je laten
⁌   Je ouders verlaten, weggaan.
– Weggaan uit wie je bent en wat je doet -.

Johannes de Doper

Johannes vertelt over een ander soort mensen. Andreas en nog een ander. Zij zijn allang op drift. Hun leven is helemaal niet zo vast. Zij zijn al heel lang aan het zoeken. Ze hebben een tijdje met Johannes de Doper meegelopen en nu stuurt Johannes hen door.
Aan hen vraagt Christus, ‘de Messias’ : ‘Wat zoeken jullie?’.
Niet een spectaculair en onverwacht: ‘volg mij!’.
Maar waar zijn jullie naar op zoek? Jullie komen naar mij en blijkbaar hebben jullie vragen. Vragen over je leven, over hoe het verder moet met de samenleving.
En de discipelen antwoorden:
‘Meester, waar houdt u verblijf? Waar woont U, waar kunnen we U plaatsen.
En onze Heer en Verlosser zegt: “ kom, dan zal je het zien”.
In de tekst van de Hebreeuwse schrijver staat:
Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; 
want Mijn juk is zacht en Mijn last is lichtMatth.11: 28-30.
Onze Heer en Verlosser is hier vandaag uitnodigend, gooit
niet onmiddellijk alle sluizen onmiddellijk open, zegt: ‘ Kom maar?‘.
Kom maar kijken in Mijn woning en kijk er maar rond’.
Bij Johannes is geroepen worden:
komen in het huis des Heren [Zijn Woning, Zijn Tempel, jouw hart]’.
In de andere Evangeliën gaat het vooral over alles wat je achter je laat.
Bij Johannes over waar je terecht komt. Onze Heer en Verlosser nodigt mensen uit om bij Hem te komen [eten, op de koffie].
Gastvrij: ‘kom maar’.
Roeping en ‘leerling, dienaar zijn‘ van Onze Heer heeft te maken met door Jezus thuis ontvangen worden’ kind aan huis ‘bij Hem’ in je stille hoek te worden. er vertrouwd mee te geraken.
Het gaat er om dat jij, zwervende en zoekende mens, een ‘thuis in het hart‘ vindt.
Een huis dat jou kan omkleden als een tweede huid. Een huis dat jou kan maken tot bewoner van dat huis, Zijn huis, jouw hart.

In deze tijd is dàt belangrijk. Voorheen was het in onze samenleving vooral nodig om je los te maken van allerlei zaken. Het moest helemaal anders. Het was de tijd van de breuk met de vaders van de samenleving; met gezag’s-dragers, leraren, predikanten. Met je eigen vader en moeder. Het was de tijd van zelfstandig ‘op weg gaan’; ‘samen onderweg’ werd het samengaan van de kerken genoemd, je verliet je oude kerk en aanvaardde een pelgrimstocht. Mensen gingen op weg en beleefden hun leven als een nooit eindigende tocht.

Vasten en gebed, na het kerkbezoek

In onze tijd zijn we vooral ook op zoek naar een huis om in te wonen, een je thuis wonen in de Tempel waarvan het Oude Testament al zei: ” Maar dit Woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te volbrengen. Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwadeDeut. 30: 14,15.
Het is een spiritueel huis, jouw hart, waar je je geestelijk thuis voelt, waar
je door Christus gevoed wordt en een zekere veiligheid ervaart.
Want je bent al losgerukt genoeg; door al die toestanden in de wereld weet eigenlijk nauwelijks [nog] waar je thuishoort.
Wij mensen hebben behoefte aan een woning waar je je thuis kan voelen, om
je ‘thuis’ te voelen, je als een bewoner te ervaren van je eigen leven.
De zoekende mens wordt daar gevonden; hij vindt een thuis, maar hij wordt ook zelf gevonden, door Onze Heer en Verlosser.

bij: ‘Heer ik roep’ vespers woensdag:

tn.5.    Hij, Die de Opstanding schenkt aan het geslacht der mensen,
werd als lam ter dood gebracht.
Voor hem beefden de heersers van de onderwereld:
hun poorten sprongen op van smart, toen

Christus, de Heer der Heerlijkheid dáár binnentrad.
Hij riep tot de geboeiden:
‘ Komt naar buiten’; en
tot de bewoners der duisternis:

‘Komt naar het Licht’”.

tn.5.    Welk een Mysterie [= ‘wonder’] !
De Schepper der Onlichamelijken heeft in het vlees het lijden ondergaan.
Maar de Vriend der mensen is opgestaan, als de Onsterflijke.
Komt, geslachten der volkeren, val voor Hem neer, want
door Zijn Barmhartigheid zijn wij uit het bedrog bevrijd, en
leerden om te bezingen de éne God in Drie Personen
”.

tn.5.  “  U zingen wij de avondzang, o Avondloos Licht, Die op het einde der tijden
[voor ons persoonlijk, vlak ná onze dood, want bij God bestaat geen tijd]
als een spiegel voor de wereld zijt opgestraald in ons menselijk vlees.
Gij zijt neergedaald in het dodenrijk om de duisternis te verdrijven:
Gij toont het Licht van de Opstanding aan alle volkeren.
Schenker van het licht, Heer, eer aan U”.

tn.5.    Laat ons Christus verheerlijken, Die
ons het Heil heeft [doen zien] gebracht, want
doordat hij uit de doden is opgestaan,
is de wereld van het bedrog bevrijd.
De Koren der Engelen juichen, want
de waan der demonen moet wijken;
de gevallen Adam staat op, en
de stand is teniet gedaan
”.

tn.5.    De verachters der Wet
zeiden tot de 
wachters: verbergt Christus’ Opstanding;
hier is geld en zegt dan, dat
terwijl jullie sliepen, de Dode geroofd werd uit het graf; dat
kan immers niemand bestrijden!
Maar wie heeft ooit gehoord dat er een dode werd geroofd, en
zeker als die als die reeds met Myron gezalfd is
?
Neemt men hem dan naakt, en laat de winkels achter in het graf?
Laat u toch niet bedriegen: leert uit de worden van de Profeten, en
erkent dat Hij in waarheid de Verlosser van de wereld is,
de Geweldige in Kracht”.

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest

tn.5.    Heer, U hebt de Hades beroofd; U hebt de dood vertreden: 
U bent onze Redder.
Door Uw kostbaar Kruis hebt U heel de wereld verlicht:
ontferm U over ons
”.

  Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN”.

tn.5.  “  De Rode Zee was eens de voorafbeelding van de maagdelijke Bruid:
daar spleet Mozes het water, en hier is Gabriël, de
bedienaar van het Mysterie [het wonder].
Daar heeft eens Israël de diepte door-kruist, maar nu heeft de Maagd zonder zaad Christus gebaard.
De zee bleef ontoegankelijk na Israëls doortocht, zoals de Vlekkeloze ongerept gebleven is na de Geboorte van Emmanuel
[Hebr.=’God (is) met ons’]
Gij, de Zijnde van alle eeuwigheid, Die
ons als Mens verschenen zijt:
God, ontferm U over ons
”.

    God, luister naar mijn gebed en veracht mijn smeken niet; geef acht op mij en verhoor mij.
Ik ben bedroefd in mijn gedachten, ik ben ontsteld door het schreeuwen van mijn vijand en de verdrukking door de zondaar.
Want zij hebben mij overladen met ongerechtigheid, vol woede strijden zij tegen mij.
Mijn hart is in mij ontsteld, doodsangst heeft mij overvallen.
Vrees en ontzetting zijn over mij gekomen, duisternis heeft mij bedekt.
Daarom zeg ik: wie geeft mij vleugels als een duif, om weg te vliegen en rust te vinden ?
Zie, ik zou ver weg vluchten, om te gaan wonen in de woestijn.
Daar zou ik God verwachten, die mij redt van kleinmoedigheid en uit de storm.
Werp hen in zee, o Heer, verdeel hun tongen, want ik zie onrecht en tegenspraak in de stad.
Dag en nacht gaan zij rond op haar muren, onrecht en slagen zijn in haar midden, en  onrecht-vaardigheid; geweld en bedrog wijken niet van haar straten.
Zo het de vijand was die mij verwenste, dat zou ik verdragen.
En als hij die mij haat, hoogmoedig over mij had gesproken, dan had ik mij voor hem verborgen.
Maar gij, mens, mijn tweede ik, die mij leidde, mijn vertrouweling !
Die door uw bijzijn de maaltijd verzoette, die eensgezind met mij wandelde in het Huis van God !
Dat de dood over hem zal komen, dat zij levend in de hades storten, want misdadigheid woont midden in hun huizen.
Ik heb tot God geroepen en de Heer heeft mij verhoord.
s’ Avonds en s’morgens en s’middags zal ik het zeggen en verkondigen; dan zal Hij mijn stem verhoren.
Hij zal mijn ziel in vrede bevrijden van hen die mij benauwen, want met velen omringen zij mij.
God zal mij verhoren en hen vernederen, Hij die is voor alle eeuwen.
Voor hen is er geen losgeld, daar zij God niet vrezen, Hij strekt zijn hand uit ter vergelding.
Zij hebben zijn verbond onteerd: nu zijn zij verdeeld door de toorn van Zijn gelaat, en hun harten zijn in benauwdheid.
Hun woorden schenen zachter dan olie, maar het waren schichten.
Werp uw zorg[en] op de Heer en hij zal u er door heen dragen; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten dat de gerechte wankelt.
Hen echter God, haalt Gij neer in de kuil van het verderf.
De mannen van bloed en bedrog bereiken nog niet de helft van hun dagen, maar ik, Heer, wil vertrouwen op UPsalm 54[55] vert. ROK. ’s-Gravenhage

Apostich
tn.5.
  Gij, Christus, onze Verlosser, Die
zonder de Hemelen te verlaten op aarde vlees zijt geworden;
U verheerlijken wij met onze zang.
Want om ons hebt U het Kruis op U genomen;
Gij hebt de dood ondergaan voor ons geslacht als de Menslievende Heer.
Gij hebt de poorten van de hel verbrijzeld en
zijt opgestaan op de derde dag om onze zielen te verlossen
”.

Ach, schamperde Nathanaël toen hij over Jezus hoorde,
kan er uit Nazareth ooit iets goeds komen’.
Maar onze Heer en Verlosser ziet door het cynisme [van de wereld] van Nathanaël heen.
‘Een Israëliet [kerkganger] in wie geen bedrog is’ noemt Hij Nathanaël [de kerkganger.
Dat is het beeld van Nathanaël dat Jezus voor ogen heeft:
‘Nathanaël’ [kerkganger],  jij weet het misschien zelf niet, maar
je bent een mens zonder bedrog .
Onze Heer en Verlosser ziet méér in ons navolgers,
dan wij in onszelf zien [dan ons lief is].
‘Ik zag u onder de vijgenboom’ – zitten onder de vijgenboom,
visioen van vrede, van recht, ‘Ik zag u onder de vijgenboom’.
Misschien heeft u als Nathanaël nog nooit onder een vijgenboom gezeten.
Was u onrustig op weg, Vondt u nooit de Vrede en de rust, die u lief heeft,
had u nooit een huis, groeiden er nooit vruchten in uw tuin.
Maar onze Heer en verlosser ziet u zitten – onder welke boom dan ook; als
een mens van goddelijke vrede.

Hij roept ons:
“   Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en
Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en
gij zult rust vinden voor uw zielen; 
want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth. 11: 28-30.
En indien je dan gevonden bent en eentijdje meeloopt, jij jezelf bekleed hebt met Christus, dan word je door jouw voorbeeld, door jouw doen en laten, ook een ander voorbeeld voor anderen.
Het gaat in de eerste plaats om jou persoonlijk en om jouw ontmoeting en weg, die jij gaat volgen met Christus.
Johannes laat hier al bij de roeping van de leerlingen zien hoe dat gaat bij een mens:
steeds wordt een mens weer zelf -‘ naar Christus’- gebracht, want de mens die bij Christus moet komen dat bent u.
U wordt geroepen als die andere discipel, en je gaat hem achterna, want dit wil je niet missen, dit gaat jouw Leven aan.
Jij gaat naar de woning van onze Heer en Verlosser, Zijn Lichaam, de Kerk – om daar te zijn. Misschien om daar alleen maar eens rond te kijken, òf ook om daar te zitten en honderduit te praten.
Om al je vragen op tafel te leggen, maar vooral om je daar ‘thuis’ te voelen – om gekend te worden.
Om datgene te beleven en dàn nòg véél mooiere,
véél grotere dingen te gaan zien, dan
waarvan je ooit had kunnen dromen.

Dinsdag in de Lichte week, de 1e week na Pascha – Christus onthult ‘Zijn Glorie’


    [Doch Petrus stond op en liep snel naar het graf. En toen hij zich bukte, zag hij alleen de windsels. En hij ging weg, bij zichzelf.]
Petrus was verbaasd over wat er mocht gebeurd zijn.
       En zie, twee van hen waren juist op die dag op weg naar een dorp, zestig stadien van Jeruzalem verwijderd, genaamd Emmaüs, en zij spraken met elkander over al wat voorgevallen was.      En het geschiedde, terwijl zij daarover spraken en van gedachten wisselden, dat Jezus zelf bij hen kwam en met hen meeging.
      Maar hun ogen waren bevangen, zodat zij Hem niet herkenden.
Hij zei tot hen:
Wat zijn dit voor gesprekken, die gij al wandelende met elkander voert? En zij bleven met somber gelaat staan.
      Een dan van hen, genaamd Cleophas, antwoordde en zei tot Hem:
Zijt Gij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen geschied is?
      En Hij zei tot hen: Wat dan? Zij zeiden tot Hem:
Hetgeen geschied is met Jezus de Nazarener, een man, die een Profeet was, Machtig in Werk en Woord voor God en het ganse volk, en hoe Hem onze overpriesters en oversten overgegeven hebben om Hem ter dood te veroordelen en Hem gekruisigd hebben.
Wij echter leefden in de hoop, dat Hij het was, die  Israël [de kerk] verlossen zou. Maar met dit al is het thans reeds de derde dag, sinds dit geschied is. Maar ook hebben enige vrouwen uit ons midden ons doen ontstellen: zij waren in de vroegte bij het graf geweest en hadden Zijn Lichaam niet gevonden en zijn toen komen zeggen, dat zij ook een verschijning van engelen gezien hadden, die zeiden, dat Hij leeft. En enigen van de onzen zijn naar het graf gegaan en hebben het zo bevonden, als de vrouwen ook gezegd hadden, maar Hem hebben zij niet gezien.
En Hij zei tot hen:
O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de Profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in Zijn Heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de Profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had’.
En zij naderden het dorp, waar zij heengingen, en Hij deed, alsof Hij verder zou gaan.
En zij drongen sterk bij Hem aan en zeiden: Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is reeds gedaald. En Hij ging binnen om bij hen te blijven.

Emmaus, het breken van het Brood

En het geschiedde, toen Hij met hen aanlag, dat Hij het brood nam,
de zegen uitsprak, het brak en hun toereikte.
En hun ogen werden geopend en zij herkendenHem; en Hij verdween uit hun midden.
En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?
En zij stonden op en keerden terzelfder tijd terug naar Jeruzalem en zij vonden de elven en die bij hen waren, vergaderd, en dezen zeiden:
‘ De Heer is waarlijk opgewekt en is aan Simon verschenen.
En zij verhaalden wat onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend was bij het breken van het broodLuc.24: 12-35.

bij Heer, ik roep . . . . .
tn.4.    De poorten van de onderwereld hebt U verbrijzeld, Heer,
en door Uw dood hebt U het rijk van de dood vernietigd.
Het geslacht der mensen hebt U uit het bederf bevrijd,
want U schenkt Leven en On-bederflijk-heid aan de wereld,
en de grote Genade
”.

    Maar Petrus stond met de elven op, en hij verhief zijn stem en sprak hen toe:
Gij Joden en allen, die te Jeruzalem woonachtig zijt, dit zij u bekend en neemt mijn woorden ter ore.
Want deze mensen zijn niet dronken, zoals gij veronderstelt, want het is het derde uur van de dag; 
maar dit is het, waarvan gesproken is door de Profeet Joel:
    En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouderen zullen dromen dromen:
     Ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren.
En Ik zal wonderen geven in de Hemelen boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt. En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, 
behouden zal worden’Hand.2: 14-21.

Slagvaardigheid, op cruciale momenten
In de verslaglegging van de Evangelisten over de Opstanding van onze Heer en Verlosser klinken in eerste instantie helemaal geen ‘Alleluia’s’.
Integendeel; er was sprake van schrik, verwarring en verbazing.
Om te beginnen bij de vrouwen die ontdekken dat het graf leeg is.
In de weergave van Marcus, die wij overigens dit jaar [2019] op deze dag als een heilige Apostel uit de 70 gedenken – is hun ontzetting zeer groot “dat ze niemand iets zeiden, want zij waren zeer bevreesd”.
Mattheüs geeft aan dat zij ‘met vrees en grote blijdschap’ weggegaan waren; hij is de enige evangelist die ook maar iets over ‘vreugde’ zegt.
In het Lucas-evangelie gaan de vrouwen terug naar de leerlingen om te vertellen wat ze zagen. Die geloven er natuurlijk niets van, doen het af als ‘vrouwenpraat’ en gaan weer over tot de orde van de dag; behalve Petrus:
Als Petrus hoort dat er iets aan de hand is met het graf, wil
hij natuurlijk haantje de voorste zijn!
Hij staat op en loopt er snel heen.
In het Johannes-evangelie krijgt hij gezelschap
– ook Johannes loopt, nee, rent mee.
Naarmate ze dichterbij het graf komen krijgt hij zelfs een voorsprong.
Johannes loopt sneller, sneller dan Petrus.
Even haalt Petrus hem in, maar dan gaat Johannes hem weer voorbij.
Het is alsof er een wedren wordt gehouden, ‘verwarring alom!’.
Lucas laat Petrus in z’n eentje bij het graf komen. Hij verhaalt:
”     En toen hij zich bukte, zag hij alleen de windselen. en hij ging weg, bij zichzelf verbaasd over wat er gebeurd mocht zijn”. Einde bericht.
Een verslag van gebeurtenissen met een ‘open’ einde waarin verbazing overheerst. Inderdaad te vroeg om ‘Alleluia’ te roepen en grote woorden te gebruiken [waarvoor het in deze wereld misschien altijd wel te vroeg blijft].
Lucas geeft zijn lezers niets anders in handen dan de windsels in het lege graf [hij windt er geen doekjes om]: de resten van een vroeger bestaan die daar achtergelaten zijn alsof ze hun beste tijd hebben gehad.
En juist dàt geeft te denken !!! Voor vroegtijdige aanpak van jezelf is het misschien nú nog niet te laat.

bij Heer, ik roep . . . . .
tn.4.    Engelen en mensen, Verlosser, bezingen [in Geloof] Uw Opstanding,
waardoor de einden van de wereld zijn verlicht, en
waardoor wij allen zijn verlostuit de slavernij van de vijand.
Dááròm roepen wij to U:
Levenschenker, Al-Machtige Redder, wees onze Verlosser door Uw Opstanding,
als de enig Menslievende.
U hebt de ijzeren poorten gebroken en hun grendels verbrijzeld, Christus God;
het gevallen geslacht der mensen hebt U tot leven gewekt.
Dááròm roepen wij als uit één mond tot U
”.

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest

tn.4.    Buiten de tijd en vóór alle eeuwen, bent U, Heer,
voortgekomen uit de Vader.
Onbegrijpelijk voor de mensen en ondoorgrondelijk is Uw Menswording uit de Maagd.
maar vreeswekkend voor de duivel en zijn engelen is Uw nederdaling in de onderwereld:
U hebt de dood vetreden en U bent opgestaan op de derde dag;
U schenkt onvergankelijkheid aan de mensen en de grote Genade
”.

  Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen”.

tn.4.    De door U tot voorvader van God geworden Profeet David heeft over
U geprofeteerd tot Hem Die grote dingen aan u gedaan heeft:
De Koningin staat aan Uw rechterhand.
Want Hij heeft u als de levenschenkende Moeder getoond,
Die als God goed vond om zonder vader uit u mens te worden;
om Zijn Icoon te herstellen, die door hartstochten bedorven was;
en om het in de bergen verdwaalde schaap op Zijn schouders te nemen,
om het thuis te brengen naar de Vader en
het te verenigen met de Krachten der Hemelen.
En ook om de wereld te verlossen Moeder Gods:
Christus, de grote en rijke Genade”.

        Met mijn stem riep ik tot de Heer, met mijn stem riep ik tot God, en Hij heeft mij verhoord. Ten dage van mijn beproeving heb ik God gezocht, des nachts strekte ik mijn handen naar Hem uit; en ik werd niet teleurgesteld.
Mijn ziel was ontroostbaar, maar toen dacht ik aan God en werd verheugd.
Ik bleef aan Hem denken, al was mijn geest kleinmoedig.
Mijn ogen bleven waakzaam; ik was sprakeloos van angst.
Ik dacht aan de dagen van vroeger, ik herinnerde mij de vervlogen jaren.
‘s Nachts overwoog ik met mijn hart, ik doorzocht mijn geest.
De Heer zal toch niet voor eeuwig verstoten? Zou Hij nooit meer goedgunstig zijn ?Zou Hij Zijn barmhartigheid tot het einde toe ontkennen, van geslacht tot geslacht?Zou God vergeten zich te ontfermen? Zou Zijn toorn Zijn ontferming kunnen weerhouden?
Toen zei ik: ‘Nu wil ik een nieuw begin maken’, dit is de verandering van de hand van de Allerhoogste.
Ik zal de werken des Heren gedenken; ja, ik zal mij Uw wonderdaden vanaf de beginne in herinnering roepen.
Ik wil al Uw werken overwegen, en nadenken over wat Gij gedaan hebt.
God, in het heiligdom is Uw weg; welke God is groot als onze God?
Gij zijt de God die wonderen doet; Gij hebt onder de volkeren Uw macht doen kennen.
Door Uw arm hebt Gij Uw volk bevrijd: de zonen van Jacob en Jozef.
De wateren zagen U, God, de wateren aanschouwden U en werden bevreesd; de afgrond ontstelde met groot gedruis van wateren.
De wolken lieten hun stem weerklinken, want zij werden door Uw pijlen doorboord.
Het geluid van Uw donder rolde langs het uitspansel, ¥
Uw bliksemstralen lichten over de wereld, de aarde beefde in geweldige siddering.
In de zee zijn Uw wegen, Uw paden in uitgestrekte wateren, zodat Uw spoor niet gevonden kan worden.
Maar Uw volk hebt Gij geleid als een kudde schapen, door de hand van Mozes en Aäron”  Psalm 76[77] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Prokimen
tn.8.    Met mijn stem riep ik tot de Heer; met mijn stem tot God.
en Hij heeft mij verhoord”.

⁌   Ten dage van mijn beproeving heb ik God gezocht; in de nacht strekte ik mijn handen naar Hem uit, en ik werd niet teleurgesteld.
⁌   Mijn ziel was ontroostbaar, maar toen dacht ik aan God en werd verheugd.
⁌  God in het heiligdom [van mijn hart] is Uw weg: welke god is groter als onze God?

➽ ➻ ➙ En dit is nu het antwoord waar wij het in al onze vragen mee zullen moeten doen:
Wij geloven dat de God, Die wij in onze beproeving hebben gezocht en Die ons nimmer teleur heeft gesteld ons op het einde der tijden [en dat is onmiddellijk ná onze dood, want bij God bestaat geen tijd] ons als Overwinnaar op de dood staat op te wachten staat en ons als de Menslievende in Zijn Hemels Koninkrijk opneemt.
♥︎ ♥︎ ♥︎ Het enige wat Hij ons heeft meegegeven is Zijn Blijde Boodschap.
Lucas geeft weer dat dit wèl het allerlaatste is wat Christus ons nog kan meegeven op onze pelgrimstocht naar het Hemels Koninkrijk – het laatste sprankje en vooruitzicht is de hoop, die je kunt opbouwen door de Blijde Boodschap – van kaft tot kaft -, van begin tot eind te lezen en eerst dan in staat te blijken dat jouw Hoop en basis geeft aan een gefundeerd Geloof,
en Hij zegt [formuleert dit] tot de twee apostelen Lucas en Cleophas onderweg naar Emmaüs [naar de Hebr.= ‘warme baden’]:
      O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de Profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in Zijn Heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de Profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had“.
Dompel je vervolgens pas ‘onder‘ in de Vreugde van “Zijn Avond-loos Licht“.

Profeet Isaiah, Michaël Angelo [1509], sixtijnse kapel Rome
    Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de Heerlijkheid des Heren gaat over u op.
Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Heer opgaan en Zijn Heerlijkheid zal over u gezien worden.
Volkeren zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang.
Hef uw ogen op en zie rondom:
       
zij allen verzamelen zich, komen tot u; uw zonen komen van verre en uw dochters worden op de heup aangedragen’.
Dàn zult gij het zien en stralen van Vreugde; uw hart zal zich ontroerd verruimen, want tot u zal de rijkdom der zee zich wenden, het vermogen der volkeren zal tot u komen.   Een menigte kamelen zal u overdekken, jonge kamelen van Midjan en Efa; uit Seba zullen zij allen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen en de roemrijke daden des Heren blijde verkondigen. Al de schapen van Kedar zullen zich voor u verzamelen, de rammen van Nebajot zullen zich u ten dienste stellen; zij zullen als een welgevallig offer op Mijn Altaar komen en aan Mijn luisterrijk Huis zal Ik luister verlenen.
Wie zijn dezen, die als een wolk komen aangevlogen en als duiven naar hun til?
Want op Mij zullen de kustlanden wachten; en de schepen van Tarsis zullen de eerste zijn om uw zonen van verre aan te brengen; hun zilver en goud voeren zij mee,  ter ere van de naam des Heren, van uw God, voor de Heilige van Israël [de Kerk], omdat Hij u luister verleend heeft.
Vreemdelingen zullen uw muren herbouwen en hun koningen zullen u dienen, want in mijn toorn heb Ik u geslagen, maar in mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd.
En uw poorten zullen bestendig openstaan, dag noch nacht zullen zij gesloten worden, opdat men tot u zal inbrengen het vermogen der volkeren, terwijl hun koningen worden meegevoerd.
Want het volk en het koninkrijk, die u niet willen dienen, zullen te gronde gaan, en die volken zullen zeker verwoest worden.
De Heerlijkheid van de Libanon zal tot u komen, cipres, plataan en dennenboom tezamen, om de plaats van mijn heiligdom op te luisteren; en de plaats van Mijn voeten zal Ik heerlijk maken.
De zonen van uw verdrukkers zullen deemoedig tot u komen, aan uw voeten zullen al uw versmaders zich neerwerpen en zij zullen u noemen:
De stad des Heren, het Sion van de Heilige van Israël [de Kerk].
Terwijl gij eertijds verlaten waart en gehaat, zodat niemand door u heentrok,
zal Ik u stellen tot een eeuwige praal, tot een vreugde voor geslacht op geslacht.
En gij zult de melk der volken zuigen, ja koninklijke borsten zuigen, en gij zult weten, dat Ik, de Heer, uw Redder ben en uw Verlosser, de Machtige van JaäcobIsaiah 60: 1-16.

♥︎ ♥︎ ♥︎Sta op, Jerusalem, word verlicht, want uw licht komt en de Heerlijkheid des Heren gaat over u op”.
Sinds de vroegste oudheid heeft deze passage gediend als de tweede van vijftien lessen die worden gelezen tijdens de paaswake die begint met Vespers op Grote en Heilige zaterdag.
In de vele kloosters [waaronder, die op de berg Athos], waar de gehele nachtwake nog steeds als het grootste schouw-spel van het jaar wordt gevierd, wordt deze passage altijd als hoogtepunt gelezen.
Vervolgens draaien de grote lampen tegengesteld om elkaar heen,
de iconen-krans van de apostelen om de grote middenlamp vol kaarsen heen – het is een lichtspel, zo indrukwekkend; je moet het ‘ééns in je leven‘ meemaken; je bent op aarde, maar je wordt in lichaam en geest opgevoerd naar de Hemelen:
sta op, Hemels Jerusalem”, want “Christus is waarlijk opgestaan”.

de doop, bekleed worden met Christus

In het vroege christendom werd het doop-Mysterie in deze nacht aan de catechumenen tijdens dezelfde wake geopenbaard – de riten van de Goddelijke nachtdienst van de Verrijzenis werden naar en lange nacht  met een Vesperale Goddelijke Liturgie afgesloten;eerst dan mocht na debet Mysterie van de doop aan de catechumenen als afsluiting van de inwijding in het Mysterie de ontmoeting met de Heer in de H. Communie plaatsvinden.
In de wereld, in de plaatselijke gemeenschappen werd de totaliteit van deze overweldigende manifestatie van de Hemel op aarde uit de Vesperale Liturgie van de h. Basilius de Grote [vanwege ongeduld/ haast, weelds onvermogen] weggelaten, die reeds een aanvang neemt op zaterdagmorgen.

Zalvings olie – Anoitng oil, Ex.30: 23.

De woorden klinken bekend, maar deze passage van Isaiah inspireerde de H. Johannes Damaskinos in de samenstelling van zijn Paascanon, en met name de 9e Ode.  De H. Theodoret van Cyrus geeft een korte en uitstekende samenvatting van Isaiah’s visie:
De voorspelling bestaat in zichzelf uit drie onderwerpen:
1.]. het profeteert, zoals in grote lijnen, de reconstructie van Jeruzalem die plaats vond onder Cyrus en onder Darius [589-456 BC];
2.]. Het geeft zoals een afbeelding ‘versterkt en met heel veel kleuren omgeven’ het beeld weer 
met meer precieze contouren van de waarheid, de pracht van de Heilige Katholieke en Apostolische Kerk; en toch
3.]. Brengt het eveneens het origineel van de weergave/icoon  naar voren, dat wil zeggen het toekomstige leven en de hemelse stad God’s.
Laten we ons concentreren op het gegeven van hoe de profetie van Isaiah de zeven aspecten van de Kerk onthult,
♨︎ ✥ ♨︎ de werkelijkheden welke worden gemanifesteerd in het -‘hier en nu’- en ‘al dàtgéne wàt nog dient te komen‘:
      Want daar de wet slechts een schaduw heeft van de toekomstige goederen, niet de gestalte van die dingen zelf, is zij nimmer in staat ieder jaar met dezelfde offeranden, die onafgebroken gebracht worden, degenen, die toetreden, te volmaken.
        Immers, zou anders het offeren daarvan niet opgehouden zijn, doordat degenen, die de dienst verrichten, na eenmaal gereinigd te zijn, generlei besef van zonden meer hadden?
        Doch door die offeranden werden ieder jaar de zonden in gedachtenis gebracht;  want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen.
        Daarom zegt Hij bij zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; in brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehadHebr.10: 1-6.

1.] . God’s Volk dient een licht [lichtend voorbeeld] in duisternis te zijn. Omdat Christus het Licht in de Kerk leeft, zij onthult op unieke wijze – ‘Zijn Glorie’ –.
Het schijnt in de Kerk, [Zijn Lichaam] ondanks de duisternis van ongeloof, verwarring en zonde die de aarde bedekt.
-‘Zijn Glorie‘- maakt het mogelijk dat heersers en naties, die verlichting ontvangen in dit Licht en Helderheid [Waarheid] gaan  wandelen [Isaiah 60: 1-3].
2.]. De Kerk, [Zijn Lichaam] is de samenkomst van Zijn verstrooide kinderen.
We kunnen onze ogen oplichten en zien hoe vandaag de kinderen van God worden verzameld uit vele naties waar de Orthodoxie nooit eerder bekend was [Isaiah 60: 4].
3.]. De Kerk, [Zijn Lichaam] is de bewaarplaats van de geestelijke rijkdom van de naties. Welke door de eeuwen heen in de Kerk grote spirituele schatten hebben verkregen, bekomen!
Vandaag blijven ze in haar stromen als een Centrale opslagplaats van de culturele erfenis, het goddelijk erfdeel, een baken van Waarheid [Isaiah 60: 5,6]
4.]. De Kerk [Zijn Lichaam] biedt aanvaardbare offers aan God aan.
Waarom zou er zo’n toestroom van mensen en spiritualiteit zijn?
Het omvat een onschatbare Rijkdom.
Is het niet dat er “aanvaardbare offers op [zijn] altaar mogen staan ?, en
[dat zijn] huis van gebed zal zijn en verheerlijkt zal worden ?”[Isaiah 60: 7], en
dat” de Heilige van Israël verheerlijkt wordt ?”[Isaiah 60: 9].
5.]. De Kerk [Zijn Lichaam] is de ontvanger van de grote Beloften,
die aan het oude Israël zijn gedaan.
Gods Volk heeft de Zijne ervaren; afwisselende toorn en Genadegaven
door de eeuwen heen [Isaiah 60: 10].
Toch zijn de poorten van de Kerk [Zijn Lichaam] open gebleven voor alle volkeren [Isaiah 60: 11], 
hebben de koningen van vele naties de Heer gediend [Isaiah 60: 11], en zijn regeringen die de Heer steevast geweigerd hebben omgekomen [Isaiah 60: 12].
De zonen van hen die de Kerk [Zijn Lichaam] op deemoedige wijze dienden” vereren haar nu met ontzag voor God’s Grootheid [Isaiah 60: 14].
6.]. De Kerk, het Lichaam van Christus, is het ware Sion.
Tegenwoordig wordt de kerk met recht “Zion” genoemd, de term die in de negende ode wordt 
van de Paascanon. gebruikt.
Ze is letterlijk de “Stad van de Heer, Sion van de Heilige van Israël” [Isaiah 60: 14].
7.]. De Kerk, het Lichaam van Christus] is een gemeenschap gevuld met eeuwigdurende en eeuwige blijdschap.
Ja, de kerk exposeert alleen onvolmaakt de transformerende kracht van het Licht dat in haar blijft. Niettemin is zij “de bewaarplaats van ‘eeuwige’ Vreugde “[Isaiah 60: 15] voor de gelovigen
– zij die weten dat Christus is: “dè Heer, Die  u redt en de God van Israël die voor jou als mens zorgt“[Isaiah 60: 16].
”  Verheug u, o Hemels Jeruzalem, en spring op van vreugde,
in zoverre u Christus de Koning aanschouwt zoals
een bruidegom komt 
uit het graf”. uit de Paasstichier

“sta op”– wereld, aanschouw ‘uw Heiland’ !!!