Het Orthodoxe Paasfeest – het Liturgisch gebeuren en uitleg van de diensten vormen tezamen een geheel.

God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou wordenJohn.3: 17.
Zijn Zoon, onze Heer en Zaligmaker heeft ons immers gezegd: 
Je hebt niets -‘meer òf minder’- nodig dan Mijn Genadegaven, want
jouw kracht wordt eerst zichtbaar in jouw zwakheid
2Cor.12: 9.

        De volgorde van het Christelijk Paasfeest is voor ons Orthodoxen vastgelegd in het Pascha-boek, de weergave van de liturgische diensten welke van de ochtend van Witte donderdag tot en met de diensten van de Paasnacht, welke vaak tot in de kleine uurtjes kunnen voortduren.
        Pascha is het allerhoogste Feest dat naast het Hoogfeest van
Kerst, de geboorte in het vlees van onze Heer en Verlosser en
Pinksteren de geboorte van de Kerk, het Lichaam van de Heer, welke in die op
Christus berichtte [Christo-centrische] Orthodoxe Kerk groots worden gevierd.
        Wij belijden vanaf onze doop/aanname in de Orthodoxe Broeder- zusterschap dat wij Christus belijden als onze Koning en God. We vergeten maar al te vaak dat God’s Koninkrijk reeds gekomen is en dat wij dóór de doop mede-burgers geworden zijn en dat wij beloofd hebben onze trouw aan ‘dìt Koninkrijk‘ bóven àlles te stellen.
        Wij dienen ons derhalve ten alle tijde te herinneren dat Christus Zich [op Palmzondag] maar voor een paar uur werkelijk als Koning in onze belevingswereld op aarde heeft kunnen manifesteren – de mens verschilt ‘tè veel‘ van het Goddelijke en staat God naar ‘hèt Leven‘ . . . . .

doodsengel by Nicolas Aselt

        Pascha is de voortzetting van het in Oude Testament bekende Pesach feest, hetgeen letterlijk [over-] springen betekent, denk daarbij aan een jong lammetje dat langs trekt, daarbij wordt gedacht aan ‘de engel van de dood’ die voorbij ging zie: Ex.12: 13.
        Wij bouwen hier op aarde aan het Hemels Koninkrijk van Vrede en Gerechtigheid en als zodanig heeft onze Heer en Verlosser de zondelast van deze wereld weggenomen en leidt Hij ons – zowel hier op aarde als in het ‘hier-na-maals’ naar de Hemelse Vrede.

        De vier Evangelisten hebben elk op hun eigen bijzondere wijze, met hart, ziel,  vanuit verstandelijke menselijke vermogens de geschiedenis verhaald van het leven van Christus.
Het leven van onze Heer en Zaligmaker is , in zinnen, woorden en leestekens verweven met het Oude Testament, met de Thora van Mozes, de boeken van de Profeten en de Psalmen.
Dit geldt eveneens voor de Orthodoxe hymnen, die in de verschillende [land’s-]talen worden gezongen, in alle talen op dezelfde dag, dezelfde teksten, die helaas niet door iedereen worden begrepen.

Litie Palmzondag:
tn.1    De Al-Heilige Geest ,
Die ook de navolgers
[vanuit het hart] leerde in vreemde talen te spreken,
heeft de onschuldige kinderen der Hebreeën aangedreven te roepen:
Hosanna in den hoge, gezegend Hij Die komt, de Koning van Israël
[de Kerk]”.

        De teksten van het Evangelie hebben dezelfde achtergrond als die van de Joodse Leer en zijn soms letterlijk, via rechtstreekse citaten, nog vaker door subtiele verwijzingen,  die in eerste instantie alleen bestemd lijken voor oren die zeer vertrouwd zijn met de Joods- Christelijke Literatuur.
        Op een enkeling in sommige van de Christus-belijdende Joodse gemeenschappen na,  beschouwt iedere Jood ‘Christus’ slechts als een Profeet, terwijl de Christelijk Leer vasthoudt aan hetgeen Christus Zelf verkondigd heeft, namelijk dat
        Hij “de Zoon van God” is en als ‘geheel God’ en ‘geheel mens’ voor
ons is nedergedaald uit de maagd Maria, de Theotokos en onder ons heeft gewoond.
        Dit is heel lang door maar al te veel Christelijke Bijbeluitleggers niet begrepen, maar een goed luisteraar heeft maar een half woord nodig, want
Christus, Zelf was  afkomstig uit de boom van Jesse en
legt o.a. aan de Emmaüsgangers uit dat,
        Zijn Missie voortkomt uit/aan de hand van de Psalmen en de Profeten.
Het is nog maar sinds enkele decennia dat – her en der in leerhuizen – en
op enkele theologische leerstoelen vanuit dit inzicht opnieuw naar al die merkwaardige en unieke teksten wordt gekeken.

Het Mysterie van de Drie-eenheid

        Voor ons Christenen is God – ‘in de hoedanigheid van de Heilige Drieëenheid’ –
onafgebroken ‘scheppend’ aanwezig in de wereld en vormt Hij nog steeds
– via de Heilige Geest – de leidraad van het evoluerend proces van het Geloof.

Litie Palmzondag:
tn.2.    Ere zij U, o Christus, Die in den hoge op God’s troon gezeteld zijt, en nu opgewacht wordt door Uw kostbaar Kruis.
Daarom verheugt zich de dochter Sion en juichen de volkeren der aarde; de kinderen dragen twijgen; de Leerlingen spreiden hun kleding uit.
Heel de wereld heeft geleerd tot U te roepen:
Gezegend zijt Gij, Verlosser, ontferm U over ons“.

Het Joodse volk is in haar oude verwachting blijven hangen en wacht nog steeds op de ‘Messias’ en verwachten dus dat Hij nog steeds moet komen aan het einde der tijden, terwijl de navolgers van Christus spreken over hetzelfde moment als
de wederkomst van de “Zoon van God”.
In Christus blijft immers niets hetzelfde, want alles is vervuld,
getranscendeerd, en heeft een nieuwe betekenis gekregen.
          Alles wat onze Heer en Verlosser, Jezus Christus doet en zegt,
zegt en doet hij al het ware reeds vanuit de plek waar Hij thuis hoort:
in de schoot van de Vader’; Zijn en onze vader.
Het lijkt wel of de harde werkelijkheid: de ‘honger’-lijders,
zij die wenen en zij die dorsten naar gerechtigheid al overwonnen is;
alsof het nog slechts een korte tijd zal duren tot
het Koninkrijk van God definitief zal aanbreken.

        De Kerkvaders hebben de Vasten dikwijls vergeleken met de tocht door de woestijn van het uitverkoren Volk, veertig jaar/dagen lang.
Uit de Blijde Boodschap weten we, dat God, om Zijn Volk voor wanhoop te bewaren, alsmede om Zijn uiteindelijke doel kenbaar te maken, vele Mysteriën/Wonderen heeft verricht zolang de tocht duurde;
. . . . . overeenkomstig daarmee spreken de Kerkvaders op soortgelijke wijze over de veertig dagen van de Vasten.
        Algemeen wordt aangenomen dat in de tweede eeuw de Kerk slechts een hele korte vastentijd kende voor de jaarlijkse viering van Pascha en deze werd tevens niet op alle plaatsen op dezelfde manier gehouden.
Zoals we deze nu kennen is de Grote en Heilige Vasten de vrucht van een lange en uitermate complexe historische ontwikkeling, waarvan nog niet alle aspecten zijn bestudeerd.
        Wel is duidelijk dat de Vasten voor de mens het terugvinden is van zijn – ‘bij de doop’ – ingezegende Geloof, het is tevens het terugvinden van het Leven, van
de Goddelijke bedoeling ervan, van de sacrale diepte van het Geloof.

       Hoewel het uiteindelijk doel van de Vasten het Pascha is, het beloofde land van het Hemels Koninkrijk, is er aan het einde van elke week van de Vasten een bepaalde ‘onderbreking’ – een vooruitlopen op die bestemming.
        Het zijn twee “Eucharistische” dagen – zaterdag en zondag – die voor de geestelijke tocht die de Vasten is, een bijzonder betekenis hebben.
Als de Sabbat in z’n diepste geestelijke realiteit de aanwezigheid is van het  Goddelijke ‘Zéér Goede’ in de structuur van deze wereld, dan is het ook ‘deze wereld’ die in Christus in een ‘nieuw Licht’ is gezet en door Hem tot iets ‘nieuws’ is gemaakt.
        Christus schenkt de mens het Koninkrijk van God dat “niet van deze wereld is”.
En hierin wordt het essentiële “breekpunt” bereikt, dat voor de navolger van Christus alle dingen nieuw maakt;
        het ‘goed-zijn‘ van de wereld en van alles wat de wereld bevat, verwijst nu naar hun laatste vervulling in God, naar het Koninkrijk dat gaat komen en dat Zich in al haar Heerlijkheid eerst ten volle zal manifesteren nádàt ‘deze wereld’ door Hem beeindigd is.
Bovendien heeft deze wereld door het verwerpen van Christus, als de “Zoon van God” zichzelf bekend tot de macht van de “Prins van deze wereld” en is:
        Wij weten, dat wij uit God zijn en de gehele wereld in het boze ligt. Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Dit is de waarachtige God en het eeuwige leven1John.5: 19.20.

        De Sabbath, de 7e dag van de voltooing van de Schepping, de dag van “deze wereld” werd -‘in Christus’- de dag van de verwachting, de dag vóór de dag des Heren.

‘open’ baring; ‘open’ birth

        De transformatie van de Sabbath vond plaats op de Grote en Heilige Sabbath, toen Christus, nadat ‘al Zijn Werken vervuld waren‘ in het graf rustte.
        De dag daarna, “ de eerste dag ná de Sabbath” de 8e dag, straalde
het Leven op uit het levenschenkende graf en tot de Myron-dragende vrouwen werd gezegd: “Verheugt U !!!”.
De leerlingen “ konden het van blijdschap niet geloven en verwonderden zich”.
De twee, die onderweg waren en Christus ontmoetten in Emmaüs -‘Lucas en Cleophas’- kregen persoonlijk van de verrezen Heer, die zij vanwege zijn verrezen staat [hun ogen waren bevangen], zodat zij Hem niet herkenden, hetgeen eerst aan hen duidelijk werd bij het breken van het Brood.
Zij haastten zich vervolgens om deze ontmoeting aan de Apostelen te melden en zeiden tegen elkaar: “     Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?“.
         Met de Opstanding/Verrijzenis nam de eerste dag van de nieuwe schepping een aanvang.
Aan de nieuwe dag neemt de Kerk, [het Lichaam van Christus] deel op zondag en ze begint een nieuw leven op zondag. Toch leeft ze en beweegt ze zich in de tijd van “deze wereld”, die in haar Mystieke/Wonderbare diepte Sabbath is geworden, want volgens Paulus:
“  Indien u dàn met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand van God. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
Want u bent allen gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God.
Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in Heerlijkheid
Col. 1-4.

We hebben de voorbereidingsperiode achter ons gelaten en komen nu tot het moment dat we het punt bereiken waarop we ons hebben voorbereid en doen wat we doen.
Het Evangelie van Johannes neemt ten opzichte van de andere drie, die
meer op elkaar lijken, een bijzondere positie in.
Het is later geschreven, vanuit een ‘grotere afstand tot het leven’ [= ‘helicoptervieuw’] welke de Evangeliën immers beschrijven; de gehele Blijde Boodschap is een afspiegeling van ‘ons eigen leven‘.
Het lijkt alsof Johannes heel dat gebeuren vanuit de hoogte, van bovenaf aanschouwt.
Niet voor niets wordt hij in de Kerkelijke Traditie vereenzelvigd met de adelaar en zijn hoge vlucht. Alles wat onze Heer en Verlosser doet en zegt, zegt en doet Hij al het ware reeds vanuit de plek waar  Hij – ‘als geheel God en toch geheel mens‘ – thuis hoort:
in de schoot van de Vader’;
Zijn’ en ‘onze Vader, Die in de Hemelen zijt . . .

Nôtre Dame

Het lijkt wel of de harde werkelijkheid hier wordt geopenbaard, nèt zoals juist – dit jaar – in deze heilige periode – nota bene -:
het boegbeeld van de Theotokos, de ‘Nôtre Dame’ in het hart van Europa in brand staat.
                Zij die hongeren en dorstten naar Gerechtigheid, worden in de weergave van Johannes aangeduid alsof alles al overwonnen is; alsof het nog slechts een korte tijd zal duren tot het Hemels Koninkrijk, de Heerschappij van God definitief zal aanbreken.
               Wij Orthodoxen zijn op de hoogte van een Moeder God’s Icoon, die wanneer deze van de Heilige berg verdwijnt, de asceten in hun achterhoofd de mededeling meegeeft dat ook zij daar dienen te verdwijnen, het einde der tijden is dan op handen.
               Ook onze Heer en Zaligmaker wordt bij Johannes niet getoond met  ‘bloed, zweet en tranen’ en zondet het ‘God, mijn God, waarom mij verlaten’.
Het drama, zoals dit verwoord is bij de andere drie Evangelisten is gericht op ons zwaarmoedige gedragen lijden in plaats van het Hemel-juichend ‘Alleluja’, de overwinning op de zonde.
Daar behoef je je rijkelui’s portemonnee niet voor te trekken, dat beleven wij in de stilte van ons hart, onze tempel. 

Bij Johannes wordt heel bedeesd aangegeven:
Zie het Lam van God, Dat de zondelast de wereld uit-d[r]aagt” om aan te geven “  Heer ik ben niet waardig, dat U komt onder mijn dak, maar spreek slechts één enkel Woord en ik zal gezond worden”.
       Daarmee belijden wij dat wij wanneer wij God naderen ons bewust zijn van:
    Heer, ik Geloof en belijd dat Gij de Christus zijt, de Zoon van de Levende God; in de wereld gekomen om zondaar, onder wie ik de eerste ben, te verlossen . . . . .”.
            Net als veel schrijvers is Johannes zich er diep van bewust dat het niet alleen om het schrijven van een drama gaat, maar om het bespelen van de menselijke ego als instrument van de Goddelijke Voorzienigheid;
– in werkelijkheid onderkent de mens dat er een groot verschil bestaat tussen
lezen en beleven van de Blijde Boodschap en het werkelijk in de praktijk toepassen:
            Het is onmogelijk te realiseren zonder de Goddelijke Genadegaven vanuit den Hoge”.
Zij beseffen maar al te goed dat het als navolger van Christus gaat om hetgeen Paulus stelt:
    Indien ik hetgeen ik afgebroken heb, weer opbouw,
bewijs ik daardoor, dat ik zelf een
overtreder ben.
Want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te leven.
Mèt Christus ben ik gekruisigd, en tòch leef ik,
[dat is] niet meer ‘mijn’ ik [ego], maar Christus leeft in mij.
En voor zover ik nu
[nog] in het vlees leef
leef ik door het Geloof in ‘ de Zoon van God’,
Die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.
Ik ontneem aan de Genade God’s haar kracht niet; want
indien er gerechtigheid door de wet is,
dan is Christus tevergeefs gestorven
Gal.2: 18-21.
            Maar weet wel om met de H. Augustinus te spreken
De spijs wordt ons gegeven voor de geest, teneinde
het beest in ons tot andere daden aan te zetten
”.
            Veel artiesten zouden geweldig zijn in het schrijven van hymnes, maar
ze kunnen in het geheel niet zingen of instrumenten bespelen en
indien ze dat al doen valt de betekenis weg omdat
ze minder bekwaam zijn dan anderen, die andere talenten bezitten.
            Zo bezitten wij gezamenlijk als en in ‘het Lichaam van Christus
de volheid, waarnaar wij zó hevig naar verlangen.
            Liturgisch gezien zoals voor-af-gaand is beschreven
is Lazarus-zaterdag het voorfeest van Palmzondag;
beide feesten hebben immers een gemeenschappelijk thema:
Triomf en Overwinning.
De zaterdag toont ons de Vijand, dat is de dood;
            Palm-zondag verkondigt de betekenis van de Overwinning als
de zege van het Hemels Koninkrijk.
            Het is als het aanvaarden door de wereld van haar ‘énige Koning‘,
Jezus Christus, dè ‘énige Heer’, tot “Heerlijkheid van God, de Vader“.
“     Het uur is gekomen, [en het is – ‘ hier en nu’ – dat de Zoon des mensen verheerlijkt moet worden.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft,
blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.
       Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar
wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwigen leven.
       Indien iemand Mij wil dienen, dient hij Mij na te volgen Mij, en waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn. Indien iemand Mij dienen wil, de Vader zal hem erenJohn.12: 23-28.
“     Je Leven liefhebben heeft tot gevolg dat je verloren gaat, maar
wie zijn leven haat in deze wereld, zal  het bewaren ten eeuwigen leven” John.12: 25.

➥✥➥ In de logica van de wereld is dit onaanvaardbaar:
Sommige naasten, die zich hier te lande vermaken aan de wereldse geneugten, lopen rond met het idee dat naarmate het aantal Christenen door vergrijzing en
vertrek uit dit leven afneemt ook de Kerk zal verdwijnen.
            Niets is minder waar de Kerk gelooft dat doordat deze martelaren, die om Christus wil hun leven hebben voltooid, de Kerk, ‘het Lichaam van Christus’, juist doen opbloeien.
Diegenen, die stierven in de getuigenis aan de Levende God, werden juist aan de Kerk en haar getuigenis in de wereld toegevoegd, omdat zij door hun bloed van de Vader, Die in de Hemelen verblijft getuigen.

Jan Hus, spiezer chronik 1485

            Zó heerst ook onder sommige toezichthouders het idee dat zij wanneer zij individuen of groepen van individuen letterlijk of figuurlijk – ‘ in de kerkelijke ban doen ‘ – ; zij de Kerk behoeden voor afglijden.
Niets is minder waar, degenen, die in de getuigenis aan de Éne, de Heilige en ondeelbare Drieëenheid het leven achter zich lieten, zijn allen een getuigenis voor hun nazaten.
Het enige wat een magistraat in dit soort situaties tot taak heeft is dat hij die functie slechts op zich heeft genomen om het Geloof in ‘Christus als zoon van God, de Vader, in de Heilige Geest’ te versterken in geval van zwakte of twijfel.
Het lijkt normaal te zijn geworden dat een bisschop en z’n spelleider in de eerste plaats de opponent – ‘verwijdert/opzij schuift/dood’ – om God’s kuddeke te beschermen – een gemeenschap gedijt èchter alleen door het lijden en sterven van de toezichthouder/de spelleider, want God leidt Zijn Kerk slechts op ‘Zijn’ manier, met behulp van Martelaren.

De “wolk van getuigen” zoals een schrijver dit omschrijft, is het fundament van het Koninkrijk der Hemelen; slechts ‘zij’ moedigen ons uit den hoge aan om hen te blijven volgen.
Dat is de reden waarom de Orthodoxe Kerk het gelovige Volk voorhoudt naast de Blijde Boodschap, de levens van de Heiligen te bestuderen.
Zij zijn ‘de Groten’ onder ons en ons het meest nabij, die ons “de Grote Liefde van Christus”, onze Heer tot bewijs voorhouden.
Het uiteindelijke doel is inzicht te verkrijgen in wat de mens zelf zou kunnen doen om het eeuwig Leven te bereiken; dit blijft ten alle tijde een inzicht in een streven naar; aangezien een mens slechts door Genadegaven in staat wordt gesteld daarin een bepaalde positie te bereiken.
            Ieder mens krijgt evenveel Genadegaven en mogelijkheden aangeboden,
ieder mens is voor God gelijk en zal door praktische beoefening van de door gebed en vasten [ascese] verkregen inzichten een bepaald niveau bereiken.
            Eenmaal zo’n bepaald niveau bereikt heeft dit de volgende strijd tot gevolg en dat is de dientengevolge toegenomen aanvallen van de tegenstrever blijven te weerstaan.
            Ook hierin geldt het gezegde in de Taal der Lage Landen, welke mij door een cenobiet levend asceet bevestigd werd: “ Hoe groter de geest, hoe groter het beest”, duidend op het feit dat er met zo’n persoon maar moeilijk ‘samen’ te leven is. Het christelijk koningschap ontleent z’n grandeur niet aan bij voortduring een grotere kroon opzetten, dan goed voor je is, of een vergulde metershoge staf en een een troon, die boven alles uitstijgt. Daarom wordt ons ook door de Blijde Boodschap voorgehouden, dat het voldoende is zijn/haar persoonlijk leven in deze wereld te haten en alleen al dit gegeven zal diegene bewaren ten eeuwigen leven.
            Het streven daar-naar-toe is reeds een martelaarschap en in alle eenvoud voor ons gelovigen weggelegd en daarbij dienen we ons voor te  houden dat slechts God ons hart kent en uiteindelijk zal oordelen.

De Liturgie van de Palmzondag vangt aan met de Grote Vespers, waarin uit de lezingen van het boek der Schepping [Gen.49:1,2- 8-12], het boek Zefanja oproept ons te verheugen en dit luidkeels te verkondigen, terwijl de Profetie van Zacharia overduidelijke is:
    Jubel luid, u dochter van Sion; juich, u dochter van Jeruzalem!
Zie, uw koning komt tot u,
Hij is Rechtvaardig en als Verlosser zegevierend,
Hij is nederig en rijdt op een ezelshengst,
een jong van een ezelin [= een lastdier]
”.
Uit de mond van kinderen en zuigelingen
         hebt Gij U lof bereid.
        Heer, onze Heer en Verlosser,
        hoe wonderbaar is Uw Naam
        over heel de aarde

”   De Verlosser komt heden bij de stad Jerusalem,
zo vervult Hij de Blijde Boodschap. want
allen nemen Palmtakken in hun handen en
breidden hun klederen uit onder Zijn voeten, 
daar zij weten dat Hij in Waarheid onze God is,
tot Wie de Cherubijnen onophoudelijk roepen:
gezegend bent U Zie zo rijk aan Barmhartigheid bent;
ontferm U over ons“.

Lazarus zaterdag, feestdag voorafgaand aan Palmzondag, welke als een belofte van de gemeenschappelijke Opstanding wordt beschouwd

    Er was iemand ziek, Lazarus [Hebr.= ‘ God helpt hem’] van Bethanië [Hebr.= ‘huis van dadels of huis van ellende’], het dorp van Maria [Hebr.= ‘ hun opstand’, inspiratiebron van de Blijde Boodschap] en haar zuster Martha [Hebr.= ‘ zij was opstandig’].
Maria was het, die de Heer gezalfd had met Myron en Zijn voeten met haar haren had afgedroogd. En haar broeder Lazarus was ziek.
De zusters dan zonden Hem [de Heer en Meester van hun Leven] bericht:
  Heer, zie, die Gij liefhebt, is ziek’.
Toen Jezus het hoorde, zei Hij: ‘ Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt zal worden.
Jezus nu had Martha en haar zuster [Maria] en [Zijn vriend en volgeling] Lazarus lief. Toen Hij dan hoorde, dat hij ziek was, bleef Hij daarop nog twee dagen ter plaatse, waar Hij was;
daarna echter zei Hij tot zijn discipelen:
Laten wij weer naar Judea
[Hebr.= ‘ jehoed (Aramees) het gebied van de 
stam van Juda (Hebr.=‘ het gebied waar de Heer geprezen zal worden’)] gaan.
De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi [Hebr.=‘ eerwaarde, titel voor een leraar], onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat U weer daarheen? [oftewel, hoe haalt U het in Uw hoofd].
Jezus antwoordde: ‘ Gaan er geen twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het Licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het Licht niet in hem is’.
Zo sprak Hij [tot hen en ons] en daarna zei Hij tot hen:
‘ Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar
Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken’.
De discipelen zeiden dan tot Hem: Heer, als hij slaapt, zal hij herstellen.
Doch Jezus had het bedoeld van zijn dood; zij echter meenden, dat
Hij het van de rust van de slaap bedoelde.
Toen zeide Jezus ronduit tot hen:
Lazarus is gestorven, en het verblijdt Mij om u, dat Ik daar niet geweest ben,  opdat gij tot Geloof komt; maar laten wij tot hem gaan’.
            Thomas [Hebr.= ‘tweeling’] dan, genaamd Didymus [Gr.= Δίδυμος, d.i. ‘Tweeling(broer’)], zei tot zijn medediscipelen: ‘ Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’.
Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag.
Bethanië [Hebr.= ‘huis van dadels of huis van ellende’] nu was dichtbij Jeruzalem [Hebr.= ‘maak dubbel vrede’, vrede lerend’] gelegen, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën [lett. 2,8 km.;  3×5= 15, heeft in zich 5, het getal van de Genade en 3 het getal van Goddelijke volmaaktheid].
Vele uit de Joden waren tot Martha en Maria gekomen om haar te troosten over haar broeder.
Toen nu Martha hoorde, dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, doch Maria bleef in huis zitten.
Martha dan zei tot Jezus: ‘Heer, indien gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn. Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert’.
Jezus zeide tot haar: ‘Uw broeder zal Opstaan’.
Martha zei tot Hem: ‘Ik weet, dat hij zal Opstaan/Verrijzen bij de Opstanding ten jongsten dage.
Jezus zeide tot haar:
Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, 
en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven’; gelooft gij dat?
Zij zei tot Hem:
  Ja, Heer, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de 
wereld komen zou’. [deze formulering wordt ook in de Orthodoxe doop gebruikt]
En na deze woorden ging zij heen en riep haar zuster Maria in stilte en zei:
‘ Daar is de Meester en Hij roept u’.
En toen zij dat hoorde, stond zij ijlings op en ging tot Hem;
Jezus echter was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats, waar Martha Hem ontmoet had.
            De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende, dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
        Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zeide tot Hem: Heer, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn.
Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar meegekomen waren, zag wenen, werd Hij verbolgen in de geest en diep ontroerd, en Hij zei:
Waar hebt gij hem gelegd?
Zij zeiden tot Hem:
‘Heer, kom en zie’.
Jezus weende.
De Joden dan zeiden: ‘Zie, hoe lief Hij hem had!’.
Maar sommigen van hen zeiden:
‘ Had Hij, die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf?’.
Jezus dan, wederom bij Zichzelf verbolgen, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan.
Jezus zei: ‘  Neemt de steen weg!
Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem:
  Heer, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag.
Jezus zei tot haar:
‘ Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?’.
Zij namen dan de steen weg. En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zei:
   
Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de menigte, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt’.
En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luide stem:
‘ Lazarus, kom naar buiten!’.
De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden.
Jezus zeide tot hen: 
Maakt hem los en laat hem heengaan’.
Vele der Joden dan, die tot Maria gekomen waren en aanschouwd hadden wat Hij gedaan had, geloofden in HemJohn.11: 1-45.

Garisson Church by Kevin Connor

    Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen,
dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehaaglijke wijze met
eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur [zie uitleg bij Zondag Maria van Egypte].
Laat de broederlijke liefde blijven.
Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen,
zonder het te weten, engelen geherbergd.
Denkt aan de gevangenen, alsof gij met hen gevangen waart;
aan hen, die mishandeld worden, als
[mensen], die ook zelf een lichaam hebt.
Het huwelijk [sex] zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld, want
hoereerders en echtbrekers zal God oordelen.
Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn,
weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd:
Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten.
Dááròm kunnen wij met vertrouwen zeggen:
De Heer is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?
Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord God’s tot u hebben gesproken;
let op het einde van hun wandel en volgt hun [aan de dag gelegd,
waarachtig in Christus gepraktiseerd] Geloof na. 
Jezus Christus is [immers] gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheidHebr.12: 28 – 13: 8.

  Op U, Heer, vertrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.
Red mij en bevrijd mij in Uw rechtvaardigheid; neig Uw oor tot mij, haast U mij te bevrijden.
Wees voor mij een beschermende God, een toevluchtsoord om mij te redden.
Want Gij zijt mijn sterkte en mijn toevlucht; om Uw naam zult Gij mij leiden en voeden.
Gij bevrijdt mij uit de strik, die zij heimelijk hadden gespannen.
Heer, Gij zijt mijn Beschermer: in Uw handen beveel ik mijn geest.
Gij hebt mij verlost, Heer God der waarheid; Gij haat allen die aan ijdelheid hechten.
Op de Heer stel ik mijn vertrouwen; ik juich en verheug mij over Uw barmhartigheid.
Want Gij ziet neer op mijn vernedering, Gij verlost mijn ziel uit de verdrukking.
Gij hebt mij niet opgesloten in de hand van de vijand, mijn voeten hebt Gij in de vrije ruimte gesteld.
Heer, wees mij genadig, want ik word gekweld; mijn oog is ontsteld door verdriet, mijn ziel en mijn hart zwak en ziek.
Want in smart gaat mijn leven voorbij, mijn jaren vergaan in zuchten.
Mijn kracht is door ellende in zwakheid veranderd, mijn beenderen zijn ontsteld.
Niet slechts al mijn vijanden versmaden mij, maar mijn buren [naasten] nog meer:
ik ben een schrik voor mijn bekenden.
Die mij zien vluchten van mij weg, als een dode ben ik weggewist uit hun hart.
Ik ben als een gebroken vat, ik hoor hoe velen kwaad tegen mij beramen.
Toen zij tegen mij bijeenkwamen, besloten zij om mij het leven te ontnemen.
Maar ik vertrouw op U, o Heer, en zeg: Gij zijt mijn God, in Uw handen ligt mijn lot.
Bevrijd mij uit de hand van de vijand, van hen die mij achtervolgen.
Doe Uw aanschijn lichten over Uw dienaar, red mij in Uw barmhartigheid.
Heer, laat mij niet beschaamd staan omdat ik U heb aangeroepen,
maar laat de goddeloze te schande worden en afdalen in de hades.
Doe bedrieglijke lippen verstommen, die kwaad spreken tegen de gerechte met trots en hoon.
Heer, hoe groot is de overvloed van Uw Goedheid, die Gij verborgen hebt voor wie U vrezen.
Die Gij bewijst aan hen die op U vertrouwen, voor het oog van de zonen der mensen.
Gij verbergt hen in het verborgene van Uw aangezicht voor het oproer der mensen.
Gij beschut hen in een tent voor de tegenspraak van hun tong.
Gezegend zij de Heer, want wonderbaar was Zijn barmhartigheid in de versterkte stad.
In mijn verbijstering had ik gezegd: ik ben verworpen uit Uw ogen.
Maar daarom hebt Gij de stem van mijn smeking verhoord, toen ik tot U had geroepen.
Bemint de Heer, al Zijn ingewijden, want de Heer zoekt de waarheid.
Hij zal allen die hoogmoedig handelen overvloedig vergelden.
Wees een mens [man en vrouw], sterk uw hart, gij allen die vertrouwt op de Heer“.
Psalm 30[31] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

    De mensen nu namen dan de steen van het graf van Lazarus weg.
En onze Heer en Verlosser, de Zoon van God, sloeg de ogen opwaarts en zei
[in gebed]:
Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt.
Zelf wist Ik,
[was ik ervan overtuigd] dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de menigte mensen, die rondom Mij staat [Mijn Vrienden en Volgelingen], heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebtJohn.11: 41,42.

Wij zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.
De ziel van de mens betekent daarbij
het geestelijk beginsel in de mens,
welke bij het heengaan naar het hogere, het buitenaardse,
afscheid neemt van het lichaam.
De ziel wordt beschouwd als het diepste wezen van
de mens en het meest waardevolle in hem/haar.

Geen mens keerde ooit terug uit de dood en slechts in de grote en heilige week, welke dit weekend een aanvang neemt worden we geconfronteerd met de Opstanding uit de doden.
Onze Heer en Verlosser is voor ons het Lichtend voorbeeld en vandaag wordt ons voorgehouden dat Zijn beste vriend Lazarus [Hebr.= ‘God helpt hem’] eveneens uit de doden wordt opgewekt.
Toch lieten beiden niet veel los over ‘de overzijde’.
En wie er het Oude of Nieuwe Testament op naslaat, treft
allesbehalve een uitgewerkt of eenduidig beeld aan van het hiernamaals.
We treffen wel een groot aantal beeldspraken, metaforen en parabels aan.
Denk aan de ‘Profetische visioenen’ van Daniël en Ezechiël, opgetekend
in de gelijknamige boeken, of herkenbaar
aan de hartenkreten van de psalmist om
zijn lichaam en ziel niet aan de dood prijs te geven [o.a Psalm 31].
Onze Heer en Verlosser spreekt over het naderend Hemels Koninkrijk van
Zijn Hemelse Vader eveneens in beelden en gelijkenissen:
  een naderende oogsttijdMarc.4: 29;
  de dood die komt als een dief in de nachtMatth.24: 43;
  het omhakken van onvruchtbare bomenLuc.13: 9;
  een plaats van geween en tandengeknarsMatth.8: 12 en
  het scheiden van schapen en bokkenMatth.25: 31-46.
            Wat in de geschiedenis van vandaag duidelijk wordt is
dat onze Heer en Verlosser Zijn beste vrienden
  en wie anders zijn dat die ‘Zijn navolgelingen zijn
door God worden geholpen’ tot in de dood aan toe!
Dit is een van de essentiële hoogtepunten van ons Christelijk Geloof :

Wij geloven in één God de Vader,
de Al-Machtige Vader [‘de Albeheerser’],
Schepper van Hemel en aarde,
van al het zichtbare en onzichtbare, En in één Heer, Jezus Christus,
geboren uit de Vader vóór alle eeuwen.
Licht uit Licht, ware God uit de ware God,
geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader en door Wie alles geworden is . . . . .
Die om ons, mensen, en om onze Verlossing,
uit de hemel is neergedaald; en vlees heeft aangenomen door de Heilige Geest en de Maagd Maria, en mens geworden is.
Die voor ons onder Pontius Pilatus gekruisigd is, geleden heeft en begraven is,
Die opgestaan is op de derde dag, volgens de Schriften [de Blijde Boodschap];
Die opgevaren is naar de hemelen en zetelt aan de rechterhand van de Vader.
Die zal wederkomen in Heerlijkheid, 
om levenden en doden te oordelen, en
aan Wiens Rijk geen einde zal zijn.
En in de Heilige Geest, Heer en Levend-maker, Die uitgaat van de Vader, en
aanbeden en verheerlijkt wordt tezamen met de Vader en de Zoon;
Die door de Profeten gesproken heeft.
En in één Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk.
Wij belijden één doop tot vergeving van zonden.
Wij verwachten de Opstanding van de doden en
het leven van de toekomstige Eeuwigheid. AMEN

Onze Heer en Verlosser zal ieder van Zijn Volgelingen,
Zijn vrienden, die bij Hem horen, ‘nèt zoals Lazarus  opwekken.
Terwijl de dood ons niet zal scheiden van God,
zal Hij op een voor de Vader zekere dag
terugkomen en ieder van ons uit onze graven roepen.
Zijn overwinning op de dood bij het lege graf en
Zijn overwinning op de dood voor Lazarus,
herinnert ons eraan dat de dood op zijn ergst
niet meer is dan een rustgevende slaap.
Hij zal ons uit die slaap roepen en
ons in Heerlijkheid en Triomf bij Zich brengen.
Wij zullen Zijn “wekroep”:
– ‘ Lazarus [Hebr.= ‘ God helpt hem‘], kom naar buiten!’ –
horen en Opstaan/Verrijzen,
want de dood kan ons niet opeisen.
Wij zijn in de doop met Christus gestorven, zodat
de zonde en de dood
ons niet langer zal kunnen claimen.
Wij wachten nog op de
volledige verwerkelijking van Zijn Opstanding
in onze levens, maar
wij zijn er van overtuigd dat
Die gaat komen.

Theophany, Transfiguration & Opstanding van Lazaros, Sinaï-icon

  Allen verwachten van u, dat Gij hun voedsel geeft te rechter tijd.
Gij geeft het hun, en zij zamelen in; Gij opent Uw hand, en
allen worden met het goede verzadigd.
Maar als Gij Uw aangezicht afwendt, dan worden zij verbijsterd,
Gij neemt hun adem weg, en zij bezwijken: zij keren terug tot hun stof.
Gij zendt Uw Geest uit, en zij worden herschapen:
  Gij maakt nieuw het aanschijn der aarde’.
‘ Hoe groot zijn Uw werken o Heer’:
‘ Gij hebt alles moet wijsheid gemaakt’

uit Psalm 103 [104]: vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Apolytikion metten
tn1.
    Als een belofte van de gemeenschappelijke Opstanding
hebt Gij voor Uw Lijden Lazaros uit de doden opgewekt, Christus God.
Laat ons daarom, evenals de kinderen, de symbolen dragen van de zegepraal,
en tot u roepen, Overwinnaar van de dood:
Hasanna in den hoge;
gezegend Hij, Die komt in de Naam des Heren
’.  [herh.]

Kathismazang metten
tn.1.
    Gij had medelijden met de tranen van Martha en Maria
en Gij liet de steen van het graf afwentelen, Christus God;
Gij hebt de dode geroepen en doen Opstaan/Verrijzen,
opdat wij zouden geloven aan de Opstanding der wereld.
Ere zij Uw Heerschappij, Verlosser,
ere zij de Volheid van Uw Macht, Leven-schenker;
ere zij U, Die door Uw Woord alles tot het Zijn heft gebracht
”.

Kathismazang metten
tn.8.    Gij, Die als Schepper, alles tevoren weet,
hebt aan Uw Leerlingen [en ons] voorzegd:
Onze vriend Lazarus is heden ontslapen.
Gij hebt geweend en tot de Vader gebeden, en
hebt hem die gij liefhad geroepen.
Toen werd Lazarus uit de hades opgewekt; en daarom roepen wij tot U:
Aanvaard Christus God, de lof die wij wagen U aan te bieden en
verleen ons allen Uw Heerlijkheid
”.

Kondakion metten
tn.2.    Christus, de Waarheid, de Vreugde van allen en
het Licht en de Opstanding van de wereld,
is in Zijn Godheid verschenen op aarde.
Hij is het Voorbeeld van onze Opstanding/Verrijzenis en
schenkt aan allen God’s vergiffenis”.

Ikos metten
tn.2.    De Schepper van alles heeft tevoren Zijn Leerlingen gezegd:
Broeders en bekenden [navolgers], onze vriend is ontslapen.
Daaruit zien wij dat Gij alles weet, Gij Die immers alles geschapen heeft;
laat ons dan op weg gaan om
deze bijzondere begrafenis te zien, en het treuren van Maria.
En bij het graf van Lazarus zal Ik [Christus] een wonder verrichten als
voorspel van de Kruisiging, Die aan allen God’s Vergiffenis schenkt”.

God wist onze zonde – met wortel en al – God is niet zoals de mens bij wie de herinnering [onder invloed van de tegenstrever] maar blijft steken.
Daarom wordt de boeteling geheel opnieuw – als bij de doop – gezuiverd,
elke smet is uitgeroeid en is de herboren dopeling witter dan de meest smetteloze sneeuw.
We zijn allen zondaars, niemand uitgezonderd, we zijn het allemaal. 

Door de vergiffenis worden wij zondaars nieuwe schepselen, vervuld van de Geest en vol vreugde.
Een nieuw begin vangt voor ons aan: een nieuw hart, een nieuwe geest, een nieuw leven.
Wij, vergeven zondaars, die deze van God verkregen Genadegave hebben aanvaard, kunnen zelfs aan anderen leren niet meer te zondigen.
Maar zult u daarop zeggen, ‘ik ben zwak, ik val, sta op en val opnieuw’.
Ook al val je opnieuw, ‘ sta dan opnieuw op en zet je ‘in’ enige volgende val te voorkomen. Wanneer een peuter valt, wat doe jij dan als ouder?
Steekt hem/haar de hand toe en help hem/haar overeind.
Zo doet onze Vader, Die in de Hemelen zijt eveneens.

Als je uit zwakheid in zonde valt, steek je hand uit:
jouw Heer en Verlosser zal ze grijpen en je helpen opstaan.
Dat is de waardigheid van Gods vergiffenis!
De waardigheid die de vergeving door God ons schenkt, bestaat hierin
ons waarachtig te helpen, ons op de been te brengen, want
Hij heeft man en vrouw geschapen om rechtop te staan.
De vergiffenis van God is wat wij allen nodig hebben en
dit is nu de Groot’s-heid van Zijn Barmhartigheid.
Een Genadegave die elke vergeven zondaar geroepen is te
delen met iedere broeder en zuster die wij ontmoeten,
we zitten immers allen in hetzelfde schuitje.
Allen die de Heer aan onze zijde heeft geplaatst,
gezinsleden, vrienden, collega’s, parochianen…
allen hebben zoals wij, grote behoefte in de nood aan
God’s Barmhartigheid.
Vergiffenis krijgen is mooi, maar indien je keer op keer vergiffenis
wilt verkrijgen – schenk dan op jouw beurt vergeving en
dat toon je door voor elkaar te bidden
– het gebed stapelt immers ‘brandende kolen‘.
Want veelal zal het door verschillende oorzaken niet mogelijk zijn
tot een onderling ‘gedegen en grondig‘ gesprek te komen;
ego’s kunnen veelal nogal verschillen.