Maandag na de Zondag van Maria van Egypte, voorafgaand aan Lazaros Zaterdag/Palmzondag

God roept iedereen!

    Zo zegt de Heer, uw Verlosser, de Heilige van Israël [de Kerk]:
Ik ben de Heer, uw God, Die u leert, opdat het u wel zal gaan; Die u de weg doet betreden, die gij dient te gaan.
      Och, dat jullie naar mijn Geboden zouden luisteren; dan zou jullie Vrede zijn als een rivier en uw Gerechtigheid als de golven van de zee; dan zou jullie nageslacht zijn als het zand en jullie nakomelingschap als de korrels daarvan; hun naam zou niet uitgeroeid noch verdelgd worden voor Mijn Aangezicht.
      Trekt uit Babel[on], ontvlucht de Chaldeëen.
Verkondigt het met jubelgeklank, doet dit horen, verbreidt het tot aan het einde der aarde; zegt: de Heer heeft Zijn knecht Jaäcob verlost.
  Zij leden geen dorst, toen Hij hen door de woestijnen leidde;
  Hij deed voor hen water uit de rots stromen;
  Hij toch spleet de rots, zodat het water vloeide.
      De goddelozen, zegt de Heer, hebben geen vrede.

toezichthouder Egberti met z’n spelleiders, Stad’s bibliotheek Trier [Duitsland].

Hoort naar Mij, gij kustlanden [Lage Landen] en luistert, jullie natiën in de verte.
De Heer heeft mij geroepen van moeders lijf aan, van de schoot van
mijn moeder af aan heeft Hij mijn naam vermeld.
  En Hij maakte mijn mond als een scherp zwaard;
  in de schaduw van Zijn Hand verborg Hij mij.
  Hij maakte mij tot een puntige pijl, in Zijn pijlkoker stak Hij mij.
  En Hij zei tot mij: – Gij zijt mijn knecht, Israël, in wie Ik Mij zal verheerlijken -.
Doch ik zei: – Tevergeefs heb ik mij afgemat, voor niets en vruchteloos mijn kracht verbruikt -.
Evenwel, mijn recht is bij de Heer en mijn vergelding is bij Mijn God – Isaiah 48: 17- 49: 4.

Isaäc zegent Jaäcob Rijksmuseum

    Toen Isaäc oud geworden was, werden zijn ogen zo verzwakt, dat hij niet zien kon. Hij riep zijn oudste zoon Esau en zeide tot hem: Mijn zoon. En deze zei tot hem: Hier ben ik.
      En hij zei: Zie toch, ik ben oud geworden, ik weet de dag van mijn dood niet.
Nu dan, neem toch uw wapentuig, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit, het veld in en schiet voor mij een stuk wild; bereid mij dan een smakelijk gerecht, zoals ik het gaarne heb, en breng het mij, opdat ik zal eten; dan zal ik u zegenen, eer ik sterf.
      Rebekka had geluisterd, toen Isäac tot zijn zoon Esau sprak.
Nadat Esau het veld ingegaan was om een stuk wild te schieten en het [zijn] [vader] te brengen, zei Rebekka tot haar zoon Jaäcob: Zie, ik heb uw vader horen spreken tot uw broeder Esau:
Breng mij toch een stuk wild en bereid mij een smakelijk gerecht, opdat ik zal eten, en ik zal u voor mijn dood zegenen voor het aangezicht des Heren.
       Nu dan, mijn zoon, luister naar mij in wat ik u gebied. Ga naar de kudde, haal mij vandaar twee geitenbokjes, dan zal ik die tot een smakelijk gerecht voor uw vader bereiden, zoals hij het gaarne heeft. Breng dit dan aan uw vader om te eten, opdat hij u zal zegenen voor zijn dood.
Maar Jaäcob zei tot zijn moeder Rebekka: Zie, mijn broeder Esau is een ruig man, en ik ben een onbehaard man.
Misschien zal mijn vader mij betasten; dan zal ik in zijn ogen zijn als iemand, die de spot met hem drijft, en ik zal vloek over mij brengen en geen zegen.
Maar zijn moeder zei tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon; luister nu naar mij en ga ze mij halen.
– Toen ging hij ze halen en bracht ze aan zijn moeder, en zijn moeder bereidde een smakelijk 
gerecht, zoals zijn vader het gaarne had. Ook nam Rebekka de beste klederen van haar oudste zoon Esau, die bij haar in huis waren, en liet ze haar jongste zoon Jaäcob aantrekken. En de vellen der geitenbokjes trok zij over zijn handen en over zijn gladde hals.
– Toen stelde zij het smakelijk gerecht en het brood, dat zij bereid had, haar zoon Jaäcob ter hand.
       Daarop kwam hij bij zijn vader en zei:
Mijn vader. En deze zei: Hier ben ik; wie zijt gij, mijn zoon?
       En Jaäcob zei tot zijn vader:
Ik ben Esau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan zoals gij tot mij gesproken hebt. Richt u op, ga zitten en eet van mijn wildbraad, opdat gij mij moogt zegenen.
Daarop zeide Isaak tot zijn zoon: Wat hebt gij het spoedig gevonden, mijn zoon! En Jaäcob zei: Omdat de Heer, uw God, mij deed slagen.
– Toen zei Isaäc tot Jaäcob: Kom toch dichterbij, opdat ik u betaste, mijn zoon, of gij inderdaad 
mijn zoon Esau zijt of niet. Jaäcob dan kwam dichterbij tot zijn vader Isaäc, en deze betastte hem. En hij zeide: De stem is Jaäcob’s stem, maar de handen zijn Esaus handen. Doch hij herkende hem niet, omdat zijn handen behaard waren evenals de handen van zijn broeder Esau. En hij wilde hem zegenen en zei: Zijt gij inderdaad mijn zoon Esau zelf? En hij zei: Ja.
– Toen zei Isaäc: Zet het dicht bij mij, dan wil ik eten van het wildbraad van mijn zoon, opdat ik u zegene. Toen zette hij het dicht bij hem, en hij at; ook bracht hij hem wijn, en hij dronk.
– Daarna zei zijn vader Isaäc tot hem: Kom toch dichterbij en kus mij, mijn zoon.
En hij kwam dichterbij en kuste hem. Toen hij de geur van zijn klederen rook, zegende hij hem en zei: Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van het veld, dat de Here gezegend heeft.
              God zal u geven van de dauw van de hemelen en van de vette streken der aarde, en overvloed van koren en most. Volkeren zullen u dienen, en natiën zich voor jou neerwerpen; wees heerser over jouw broederen, en de zonen van jouw moeder zullen zich voor jou nederbuigen.
Wie jij vervloekt, zij vervloekt, en wie jij zegent, zij gezegend’.
– Toen Isaäc geëindigd had Jaäcob te zegenen en Jaäcob nog maar nauwelijks van zijn vader Isaäc naar buiten was gegaan, kwam zijn broeder Esau van de jacht.
Ook hij bereidde een smakelijk gerecht en bracht dat aan zijn vader. En hij zei tot zijn vader: ‘Mijn vader richte zich op en zal eten van het wildbraad van zijn zoon, opdat gij mij zegent’.
– En zijn vader Isaäc zei tot hem: Wie zijt gij? En hij zei: Ik ben uw eerstgeboren zoon Esau.
– Toen schrok Isaak geweldig en hij zei: Wie was het dan toch, die het wild geschoten en mij gebracht heeft? En ik heb van alles gegeten, eer jij tot mij  kwam en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend zijn.
Zodra Esau de woorden van zijn vader hoorde, gaf hij een luide en bittere schreeuw, en hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!
– Toen zeide deze: Uw broeder is met bedrog gekomen en heeft uw zegen weggenomen.
En hij zei: Noemt men hem niet terecht Jaäcob, omdat hij mij nu al tweemaal bedrogen heeft? Mijn eerstgeboorterecht heeft hij weggenomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen weggenomen. En hij zei: Hebt gij voor mij geen zegen overgehouden?
– Toen antwoordde Isaäc en zei tot Esau: ‘Zie, ik heb hem tot een heerser over jou gesteld, en al zijn broederen heb ik hem tot knechten gegeven, en van koren en most heb ik hem voorzien; wat kan ik dan voor jou doen, mijn zoon?’.
Daarop zei Esau tot zijn vader: Hebt gij slechts deze ene zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Esau verhief zijn stem en weende.
Toen antwoordde zijn vader Isaäc en zei tot hem:
Zie, ver van de vette streken der aarde zal jouw woonplaats zijn, en zonder dauw des hemels 
van boven. Maar van uw zwaard zult gij leven en jouw broeder zult jij dienen. En het zal geschieden, wanneer jij je krachtig inspant, dat jij zijn juk van jouw hals zult afrukken.
En Esau koesterde wrok tegen Jaäcob om de zegen, waarmee zijn vader hem gezegend had, en Esau zei bij zichzelf:
De dagen van de rouw over mijn vader zijn aanstaande; dan zal ik mijn broeder Jaäcob doden
Genesis 27: 1-41.

onderweg-naar-god, de-pelgrim

Ja, vandaag wordt nog eens nadrukkelijk datgene herhaald hetgeen gisteren over de navolger van Christus werd gezegd, opdat het in uw hart zal beklijven:
Een navolger van Christus is iemand die zoekt en telkenmale door de Heer wordt gezocht, iemand die luistert en naar wie geluisterd wordt.
Hij/Zij weerspiegelt zijn tijd en staat er toch buiten, een navolger van Christus is altijd alert en nooit onverschillig.
Hij/Zij is zowel boodschapper van God voor de mensen als de boodschapper van de mensen bij God.
In zijn/haar (half-)slaap/gebed verneemt hij/zij z’n/haar opdrachten, op het eerste gezicht maar een tragisch eenzaam figuur:
– Hij/Zij probeert de hoogste graad van zelfverwerkelijking te bereiken.
– Hij/Zij geeft zich totaal over aan God.
– Hij/Zij weet alles [door gebed] uit de Eerste Hand;
– Hij/Zij wordt daardoor God’s klankbord en daardoor heeft hij/zij de kenmerken:
– Hij/Zij treedt nimmer juichend van blijdschap op,
zelfs niet in zijn/haar triomf.
– Hij/Zij valt niet op ondanks z’n/haar krachtig uiterlijk en welluidende stem.
– Hij/Zij is fysiek sterk maakt daardoor indruk op z’n/haar omgeving.
– Hij/Zij komt op als een legende voor en wordt weer tot een legende.
– Hij/Zij is een tijdgenoot van iedereen komt onverwacht uit de hoek.
– Hij/Zij draagt eenvoudige kleding met ’n lederen een gordel om zijn lenden.
– Hij/Zij heeft weinig balast als bagage, soms een stok in de hand, soms lang haar,
soms geitenharen sokken en sandalen.
– Hij/Zij is werkloos [vrijgesteld], dakloos en daardoor veelal niet gehuwd, dan wel is hij/zij gehuwd als beeltenis van zijn/haar Verbond met God.
– Hij/Zij komt met weinig of niets rond.
– Hij/Zij is taai, stormachtig, meedogenloos, kortaangebonden, onbuigzaam,
hoewel hij/zij zeer vredelievend van aard is.
– Hij/Zij luistert heel goed naar iemand.
– Hij/Zij geeft met korte overduidelijk zinnen te kennen wat hij/zij bedoelt.
– Hij/Zij is de eenzaamste mens ter wereld, leeft met de onzichtbare God.
– Hij/Zij heeft een afkeer van zwakte en compromissen.
– Hij/Zij roept vrees en afschuw op.
De trotsen dienen naar zijn/haar mening te buigen; de nederigen zullen altijd worden bemoedigd. Hij/Zij strijdt tegen onrecht/ en Hij/zij verbindt zich met alle joods-, christelijke stromingen.
– Hij/Zij behoort slechts toe aan God.

Basilica van Constantijn de Grote, Trier [Duitsland]
En volgend op het mooie relaas van de Profeet Isaiah worden we opnieuw geconfronteerd met Kerkelijk historische intriges; de strijd om wie wel niet de eerst zal zijn – wie ontvangt God’s zegen en zie opnieuw wordt de zegen door list ontvangen.
Je hebt immers de eeuwen door haantjes de voorste voortgebracht, die macht en invloed najagen, ja zelfs het hoogste – de zegen van ‘God de Vader‘ – gebruiken om maar persoonlijke winst en roem te behalen.
“ . . . Bij ons in huis [de Kerk] doen wij het niet op die manier
– jullie weten dat het er in de wereld anders aan toe gaat, dáár kom je toezichthouders tegen en regenten der volkeren aan wie zij door de eeuwen heen onderhorig zijn geweest, die gezamenlijk optrokken en gezamenlijk heerschappij over anderen voeren en degenen die boven de navolgers van Christus gesteld zijn oefenen nog steeds macht over hen uit.
Maar . . . . . als het aan Mij [Christus] ligt, en
Ik neem aan dat dàt nagevolgd wordt,
zal degene die groot wil zijn,
groot zijn in het dienen en
zich van al wat in de wereld gebruikelijk is distantiëren
’.
    Maar laat ons dit alles terzijde stellen, wij navolgers weten de Waarheid aan onze zijde en de uitdrukking ‘iets op je kerfstok hebben’ gebruiken we nog steeds om aan te geven dat een bepaald persoon verkeerde dingen heeft gedaan.
De uitdrukking is afkomstig uit de vroegere herberg, waar echte kerfstokken werden gebruikt.
Wie veel op zijn kerfstok had, diende dè grote Dienstverlener, de herbergier nog heel wat terug betalen, dus ònze tijd zal het wel duren.
En zo zou het eveneens gebeuren bij aartsvader Jaäcob, maar  daarover later, uiteindelijk zou ook deze ondanks z’n slinkse wegen worden verlost en zou
opgenomen worden in de kring der Heiligen.

rotsen zee wolken duisternis

De getrouwen lijden geen dorst, wanneer de Heer en Verlosser hen door de woestijnen heen leidt; Hij doet voor hen water uit de rots stromen; Hij toch splijt de rots, zodat het water zal vloeien.
      De goddelozen, zegt de Heer, hebben geen vrede“.
We gaan nu met z’n allen de laatste week van de Grote en Heilige Vasten in.
Degenen die ijverig hebben gewerkt, kunnen de knopen van hun strijd tegen het kwaad tellen, hun lichamelijke en spirituele verworvenheden op een rijtje zetten
en God danken voor de hen verleende Genadegaven.
Maar wees er niet verlegen om wanneer je het Vasten niet in alle perfectie hebt kunnen volbrengen, onze Heer en Verlosser is geen krentenweger, Die kijkt naar het hart. Hij kijkt niet naar uiterlijkheden, maar kent als geen ander de goede bedoelingen en de strijd die je voert.
Onze Heer en Verlosser riep ons op tot de hoogste hoogten en heeft begrip voor het feit dat je het weer niet hebt gehaald. 
Je bent echter nog in de gelegenheid de draad weer op te pakken, kijk vooruit en laat het verleden rusten
– het einde van de grote en Heilige Vasten is nabij –
verman jezelf en geef nog een aardige eindspurt; gebruik de resterende tijd om  mogelijk onvermogen te maskeren.
Ter aanmoediging geeft de Heer ons bovenstaande lezing van Isaiah teneinde onze ijver te versterken en onze vastberadenheid te vernieuwen. 
God leidde de Vaders van het Oude Verbond, zelfs Jaäcob, die in het geniep Esau’s zegening verwierf. Onze Verlosser laat ons nu zien hoe we verder kunnen; Hij zet opnieuw de koers voor ons uit, aan Hem komt immers het richtsnoer toe.
Indien het er in de voorafgaande periode aan innige vrede, gerechtigheid en
vruchtbare voordelen van de strijd ontbrak,  herinnert onze genadige Heer 
ons nu aan de wonderbare zegeningen die voortvloeien uit het onderhouden van Zijn geboden. Hij richt Zich notabene rechtstreeks tot ons in de Lage Landen:
    De Heer heeft mij geroepen van moeders lijf aan, van  de schoot van mijn moeder af aan heeft Hij mijn naam vermeld.
En Hij maakte mijn mond als een scherp zwaard; in de schaduw van Zijn Hand verborg Hij mij.
Hij maakte mij tot een puntige pijl, in Zijn pijlkoker stak Hij mij.
En Hij zei tot mij:  Gij zijt mijn knecht, Israël [Kerk],
in wie Ik Mij zal verheerlijken“.

Prophet Isaiah, fresco – 15th cnt, Church of the Holy Cross, Paleochorio, Cyprus

Vanaf Isaiah 41 wordt er over de ‘knecht’ van de Heer gesproken.
Oorspronkelijk was het boek Isaiah één aaneensluitend geheel; de onder-verdeling is door de georganiseerde kerkelijke gebruikers aangebracht, die toezichthouders hadden behoefte aan structuur.
    Maar gij, Israël, mijn knecht, Jaäcob, die Ik uitverkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham, gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht, Ik heb u uitverkoren en u niet versmaadIsaiah 41: 8,9.
In het vervolg op bovenstaande wordt de term gebruikt voor Isaiah in eigen  persoon, het is overduidelijk dat hier met ‘de knecht van de Heer’ Isaiah i.p.v. Israël wordt bedoeld.
      Maar nu zegt de Heer der Heerscharen, de Eeuwige, Die mij van de moederschoot 
aan vormde tot Zijn knecht, om Jaäcob tot Hem terug te brengen en om Israël [het Volk] tot Hem vergaderd te doen worden [en ik werd geëerd in de ogen des Heren en mijn God was mijn sterkte].
Hij zegt dan: ‘     Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jaäcob weer op te richten en de bewaarden van Israël [de Kerk] terug te brengen; Ik stel u tot een licht van de volkeren, opdat Mijn heil zal reiken tot het einde van de aarde’Isaiah 49: 5,6.
Isiaiah noemt zich hier ‘een knecht van de Heer’ die de taak heeft het volk Israël [de Kerk] weer tot de oorspronkelijke weg, de weg van God [de Geboden]  terug te brengen.
Vervolgens kan het  naast de betekenis van het volk Israël ook de Heer Zelf, als de Zoon van God,  [de door Isaiah verwachte Messias] betekenen. Maar dan zeker niet alleen als de Zoon van God, maar tevens voor als de navolgers van Christus als onderdeel van het volk Israël [de Kerk].
De taak van de Christus wordt immers tot eer en heil van God – in het hier en nu – verwezenlijkt door ons, hoewel wij zondaars zijn trekken wij nu de kar tot Heerlijkheid van God de Vader.
    Zie, Mijn knecht, die Ik ondersteun; Mijn uitverkorene, in Wie Ik een wel-behagen heb.  Ik heb Mijn Geest op hem gelegd:
Hij zal de volkeren het recht openbaren. Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. Het geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal Hij niet uitdoven; naar Waarheid zal Hij het recht openbaren. 
Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot Hij op aarde het recht zal hebben gebracht; en op Zijn wetsonderricht zullen de kustlanden [de Lage Landen] wachtenIsaiah 42: 1-4.
Gaat het hier in de persoon van Isaiah niet om de Messias, Die hij verwacht en heeft hij het eveneens niet over degenen, die Christus zullen navolgen, de Christenen.

Weg door de woestijn

Vanaf de tocht door de woestijn welke het God’s Volk uit de slavernij in Egypte heeft geleid, verzekerd God ons dat Hij ons individueel zal begeleiden;
indien wij Christus navolgen in God’s geboden verlaat Hij ons niet ondanks onze ongerechtigheden;
God weet dat wij mensen zijn en Hij begeleid ons als een liefdevolle Vader.
Hij spoort ons aan om het Babylon van onze passies te ontvluchten – om de genotzucht van de wereld uit de weg te gaan door de Verlossing in de Verlosser, Zijn Zoon te omhelzen en volgens de voorschriften ervan te leven Isaiah 48: 20-21.
En Hij waarschuwt ons dat de goddelozen het leven niet zullen beërven Isaiah 48: 22.
De Almachtige God, de Heer der Heerscharen, de Eeuwige spoort ons verder aan,
Zijn volk van het Nieuwe Verbond, acht te slaan op onze Verlosser,
De Gekozen Dienaar van God, Degene die voortkwam uit de schoot van de Maagd, belichaamt in Zichzelf het gehele ware Israël [de Kerk].
Hoewel Zijn Passie tevergeefs een arbeid lijkt, herinnert Christus ons eraan dat
de beloning van God bij Hem is, de Opgestane, de Verrezene Isaiah 49: 1-4.
Merk op dat God ons ertoe aanzet om ons te herinneren dat onze inspanningen,
als Zijn pelgrims, een door God geplande Pedagogische aanwijzing zijn:
”       Ik ben jouw God, die jou heeft laten zien hoe je de weg kunt vinden waarin je moet lopen” Isaiah 48: 17.
Indien we ons aan het vasten houden en worstelen vanuit ons onvermogen en berouw tonen zullen we het Hemels Koninkrijk [God’s heilige onderkomen, Zijn Huis] binnengaan “in Geloof, eerbied en vrees voor God”.
Onze “Vrede [zal] zijn als een rivier en [onze] Gerechtigheid als een golf van de zee “ Isaiah 48: 18.
God verlangt dat ons vasten ons vruchtbaar maakt als gevolg van rechtschapen gedachten en daden, zodat “[ons] zaad ook als het zand zou zijn  Isaiah 48: 19.
En het zal God aangenaam zijn en leven’s-vervullende resultaten opleveren
voor degenen die de strijd aangaan en alles in het werk stellen om waarachtig getrouw te zijn.

Amsterdam, knieling bij uitdragen vooraf-gewijde-gaven

Schenk daarom aandacht en wees je bewust van de Vrede, Die vanuit je hart vloeit wanneer je tijdens de vasten een van de vele diensten bijwoont.
Probeer als het enigszins kan deel te nemen aan de aangeboden dienst van de voor-af-gewijde gaven en ontmoet in een verduisterde Kerk heel intiem het Lichaam en het Bloed van onze Heer en Verlosser.
Wees je bewust van de reiniging die vasten en het gebed je hart vervult.
Wees je bewust van de kleine stukjes vooruitgang [op de ladder van Climacos] en de momenten van goedgunstigheid welke deze periode van het jaar ons toch maar gegeven wordt.
Wees je ten diepste bewust van de uitroep van de heilige Johannes Chrysostomos:
Laat niemand rouwen dat hij/zij steeds maar weer opnieuw is gevallen;
want de vergeving komt voort uit het graf en de Opgestane Heer​​“ [preek van Pasen].
God beveelt ons “Trekt uit Babel[on], ontvlucht de ChaldeeënIsaiah 48: 20.
Broeders, zusters, die met ons Christus navolgen, die overtuigd zijn dat wij Christus navolgen, Die is Opgestaan/Verrezen, want “de Heer heeft Zijn dienaar Jaäcob bevrijdIsaiah 48: 20.
Christus is onder ons, Hij is en zal zijn”, Hij is aanwezig en leidt ons door de woestijn Isaiah 48: 21.
  Leg de oude mens af en bekleed je met de nieuwe mens; alleen de goddelozen die zich van Christus afkeren, hun eigen hooghartige weg gaan zal het ontbreken van de Vreugde hun verraad kenbaar maken Isaiah 48: 22.
  Christus Zelf spreekt ons vervolgens persoonlijk aan:
Luister naar mij. . . . Hij riep jou mij bij je naam vanaf jouw geboorte uit de moederschoot” 
Isaiah 49: 1.
  En Hij maakte “Mijn mond [mijn pen] als een scherp zwaardIsaiah 49: 2.
Als een lijdend mens, vervulde de Heer en Verlosser de taak van het oude Israël [de Kerk].
  Daarom zegt God tot Hem:
Gij, Mijn Zoon, bent Mijn dienaar, o Israël [Kerk],  in Wie ik zal worden verheerlijktIsaiah 49: 3.

       Christus is inderdaad Opgestaan/Verrezen!
”          Belijdt de Heer, want Hij is goed, want eeuwig duurt Zijn Barmhartigheid.
Getuigt dit, gij die bevrijd zijt door de Heer; die Hij bevrijd heeft uit de hand van uw vijand.
Want Hij heeft hen bijeengebracht uit alle streken: vanuit het oosten, het zuiden,

Petrus [lopend over het water] wordt gered, Codex Egberti – fol. 27v

het noorden en de zee. Sommigen verdwaalden in de woestijn, in waterloos land, en vonden geen weg naar een bewoonde plaats.
Zij leden honger en dorst: hun ziel bezweek in hun binnenste.
Zij riepen tot de heer in hun beproeving, en Hij verloste hen uit de nood.
Hij leidde hen naar een goede weg, zodat zij aankwamen in een bewoonde streek.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen.
Want Hij heeft de smachtende ziel verzadigd, en de hongerige met goederen vervuld.
Anderen waren gezeten in het duister, in de schaduw des doods, ellendig, in de boeien geslagen.
Want zij hadden God’s woorden bitter gemaakt, de raad van de Allerhoogste geminacht.
Toen werd hun hart door kwelling vernederd; zij werden zwak, en er was niemand die hielp.

Christus geeft voedsel aan de Volkeren, Codex Egberti – Fol047

Maar zij riepen tot de Heer in hun beproeving, en Hij verloste hen uit hun nood. Hij voerde hen weg uit het duister van de schaduw des doods; Hij verbrak hun boeien.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid, om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen. Hij heeft immers de bronzen poorten verbrijzeld de ijzeren grendels verbroken.
Hij heeft hen opgeheven van de weg hunner boosheid, want om hun ongerechtigheden waren zij vernederd.
Hun ziel walgde van elke spijs, zij stonden reeds voor de poorten des doods.
Maar zij riepen tot de Heer in hun beproeving, en Hij verloste hen uit hun nood.

Genezing van de Blindgeborene bij Jericho, Codex Egberti – Fol 031

Hij zond Zijn woord uit om hen te genezen; Hij ontrukte hen aan hun ondergang.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen.
Dat zij Hem opdragen een offer van lof; dat zij met blijdschap Zijn werken bejubelen.
In schepen kozen weer anderen zee, zij deden hun werk op de grote wateren.
Zij zagen de werken des heren: Zijn wonderdaden in de geweldige diepte.
Hij sprak, en een stormwind stak op: de golven werden opgezweept.
Zij vlogen omhoog naar de hemel, en vielen omlaag in de diepte:  hun ziel kromp ineen van ellende.

de doop, bekleed worden met Christus

Zij schudden en slingerden als waren zij dronken al hun bedrevenheid schoot tekort. Toen riepen zij tot de Heer in hun beproeving, en hij ontrukte hen aan hun nood. Want Hij gaf bevel aan de storm, en die werd tot kalmte; Hij deed de golven bedaren. Hoe verheugden zij zich over die rust, terwijl Hij hen voerde naar de verlangde haven.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen.
Dat zij hem verheffen in de bijeenkomst van het volk, hem loven in de zitting der oudsten.
Ook maakte Hij stromen tot een woestijn, waterlopen tot dorstig land.
Vruchtbare grond tot een zoutmoeras, om de slechtheid van die daar woonden. Maar ook heeft Hij woestijn in plassen veranderd in de dorre grond stroomt nu water.
Daar deed Hij de hongerigen wonen; zij bouwden daar steden tot hun verblijf.
Zij zaaiden akkers en plantten wijngaarden; deze droegen rijkelijk vrucht.
Hij zegende hen, en zij vermenigvuldigden zich uitermate; ook hun vee maakte Hij talrijk.
Dan weer werd hun aantal gering, zij werden gekweld door verdrukking, ellende en smart.
Verachting kwam neer op hun vorsten: Hij deed hen verdwalen in ongebaande streken.
Maar de arme hielp Hij uit zijn gebrek: Hij maakte zijn gezin tot een kudde.
Mogen de oprechten dit zien en zich verheugen; moge alle ongerechtigheid de mond worden gestopt.
Wie is wijs om dit alles te houden ? Wie wil de barmhartigheden van de Heer verstaan ? Psalm 106 [107] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

slot Vespers 6e maandag
Gezegend zij de Heer, God van Israël van eeuwigheid tot in de eeuwen der eeuwen.
Wees verheven boven de Hemelen, o God; over heel de aarde zij Uw Heerlijkheid

Mijn hart is bereid, o God, mijn hart is bereid:
ik wil zingen en psalmodiëren in Uw Heerlijkheid.
Ontwaak mijn lofzang, ontwaak psalter en harp;
ik wil opstaan in de vroege morgen
”.

Ik wil U belijden onder de volkeren, aan allen, die mij omgeven, Heer,
en psalmzingen voor U onder de heidenen; want groot boven de Hemelen is Uw Barmhartigheid, tot aan de wolken reikt Uw Waarheid”.
Opdat Uw geliefden bevrijd mogen worden:
schenk redding door Uw rechterhand en verhoor mij:
God heeft gesproken in Zijn Heiligdom:
ik zal mij verheffen
”.

Salomo & Boek Spreuken

    Wie het gebod bewaart, bewaart zijn leven; maar wie niet let op zijn wandel, zal sterven. Wie zich over de arme ontfermt, leent aan de Heer; Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
Kastijd uw zoon, wanneer er nog hoop is, maar laat u niet verleiden hem te doden.
Een doldriftige moet boeten, want als gij helpen wilt, maakt gij het erger.
Luister naar raad en neem vermaning aan, opdat gij ten slotte wijs wordt.
Vele zijn de overleggingen in het hart des mensen, maar de raad des Heren, die zal bestaan. Het aantrekkelijke van de mens is zijn welwillendheid; beter is een arme dan een leugenachtig mens.
De vreze des Heren is ten leven; men overnacht verzadigd, door het kwaad niet bezocht.
Al heeft de luiaard zijn hand in de schotel gestoken, hij brengt ze niet eens aan de mond.
Slaat gij de spotter, dan wordt de onverstandige schrander, tuchtigt gij de verstandige, hij put er kennis uitSpreuken 19: 16-25.

bij de Apostichen:
tn.4.    Bevrijd ons, Verlosser, van de ziel-beschadigende hebzucht,
en maak ons tot metgezel van de arme Lazaros in de schoort van Abraham.
Want Gij Die rijk zijt in barmhartigheid, zijt vrijwillig arm geworden voor ons.
Gij hebt ons vanuit het bederf omhoog gevoerd tot de onvergankelijkheid,
als medelijdende en menslievende God
    [herh.]

tn.4.   Gij Die het dulden der Heilige Martelaren aanvaard hebt,
neem ook onze hymnen aan, Menslievende,
en schenk ons omwille van hun gebeden
de grote Barmhartigheid
”.

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.     Amen
”.

tn.4.   Verlos ons uit onze noden, Moeder van Christus, onze God,
die de Schepper van de kosmos bewaard hebt,
opdat wij altijd roepen tot u:
verheug u, Beschermster van onze zielen
”.