Woensdag in de Lichte week, de 1e week na Pascha – ‘Zie, het lam God’s’ en tot hen die Hem volgden zei Hij: ‘Wat zoekt Gij?’ en zij: ‘Meester -, waar houdt Gij verblijf?’.

Mysterie van de steriele vijgenboom

    De volgende dag stond Johannes [de Doper] daar weer met twee van zijn discipelen.
En toen hij Jezus zag gaan, zei hij: Zie, het lam Gods!
En de twee discipelen hoorden hem dat zeggen en volgden Jezus. Maar Jezus keerde Zich om en zag, dat zij Hem volgden, en Hij zei tot hen:
       Wat zoekt gij?
Zij zeiden tot Hem: Rabbi – wat, vertaald, wil zeggen: Meester -, waar houdt Gij verblijf?
Hij sprak tot hen:
Komt en gij zult het zien. Zij kwamen dan en zagen, waar Hij verblijf hield, en
zij bleven die dag bij Hem; het was omstreeks het tiende uur.
     Andreas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden en Hem gevolgd waren; deze vond eerst zijn broeder Simon en zei tot hem: ‘Wij hebben gevonden de Messias’, wat betekent: ‘Christus’.
Hij leidde hem tot Jezus. Jezus zag hem aan en zei:
    ‘Gij zijt Simon, de zoon van Johannes, gij zult heten Kefas, wat vertaald wordt met Petrus.
De volgende dag wilde Hij naar Galilea vertrekken en Hij vond Filippus.
En Jezus zei tot hem: Volg Mij. Filippus nu was uit Betsaïda, de stad van Andreas en Petrus.
Filippus vond Nathanaël en zei tot hem:
‘ Wij hebben Hem gevonden, van Wie Mozes in de wet 
geschreven heeft en de profeten, Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth’.
En Nathanaël [Hebr.= ‘`geschenk van God` – Bar-Tôlmay, =‘zoon van Tolmai’ of ‘zoon van de ploegvoren’] zei tot hem:
‘ Kan uit Nazareth iets goeds komen?
Filippus zeide tot hem: ‘Kom en zie’.
Jezus zag Nathanaël tot Zich komen en zei van hem:
         Zie, waarlijk een Israeliet, in wie geen bedrog is!’.
Nathanael zei tot Hem: Vanwaar kent Gij mij?
Jezus antwoordde en zei tot hem: ‘ Eer Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgenboom’.
Nathanaël antwoordde Hem: ‘ Rabbi, Gij zijt de Zoon van God, Gij zijt de Koning van Israël!’.
Jezus antwoordde en zeide tot hem: ‘  Omdat Ik tot u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgenboom, gelooft gij? Gij zult grotere dingen zien dan dezeJohn.1: 35-51.

bij: ‘Heer ik roep’ vespers woensdag:
tn.5.    Door Uw kostbaar Kruis, o Christus,
hebt U de duivel te schande gemaakt: want
door Uw Opstanding hebt U de scherpte ontnomen aan de prikkel van de zonde.
U hebt ons gered uit de macht van de dood;
daarom verheerlijken wij U, de Één geborene”.

Christus roept ook Petrus

    Mannen van Israël, hoort deze woorden:
‘Jezus, de Nazoreeër, een man u van God’s-wege aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door Hem in uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet, deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood.
God evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden.
Want David zegt van Hem: Ik zag de Heer te allen tijde voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou. Daarom is mijn hart verheugd en mijn tong verblijd, ja, ook mijn vlees zal nog een schuilplaats vinden in hope, omdat Gij mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch uw heilige ontbinding doen zien.
Gij hebt mij wegen ten leven doen kennen; Gij zult mij vervullen met verheuging voor uw aangezicht.
Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij en gestorven en begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag.
Daar hij nu een profeet was en wist, dat God hem onder ede gezworen had een uit de vrucht van zijn lendenen op zijn troon te doen zitten, heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan het dodenrijk is overgelaten, noch zijn vlees ontbinding heeft gezien.
Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.
Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte van de Heiligen Geest van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gij en ziet en hoort.
Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf:
‘ De Heer heeft gezegd tot mijn Heer: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten’.

Christus, Verlosser

Dus moet ook het gehele huis van Israël zeker weten, dat God Hem en tot Heer en tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt.
Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere 
apostelen: ‘  Wat moeten wij doen, mannen broeders?’.
En Petrus antwoordde hun:
Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de Naam van Jezus Christus
Hand.2:22- 38a.

Roeping heeft te maken met je taak in het leven. Want je hebt een taak in je leven en een deel van je leven gebruik je om uit te vinden wat die taak nu precies is. Wat staat mij nu eigenlijk te doen? Wat is de taak die mij past.
⁌   Wàt wordt er van mij gevraagd,
⁌   Wàt is goed voor mij om te doen,
⁌   Wàt wil God van mij.
Lucas Mattheus en Marcus vertellen over mensen die plotseling losgescheurd worden uit hun leven.
Ophouden, zegt onze Heer en Verlosser, tegen hen, we gaan iets anders doen. Niet meer doorgaan zoals je deed, het roer moet om, het dient helemaal anders te gaan. Jouw leven wordt op de kop gezet, het is tevens een achter je laten, verlating, een uittocht.
⁌   Je oude leven achter je laten.
⁌   Je werk achter je laten
⁌   Je ouders verlaten, weggaan.
– Weggaan uit wie je bent en wat je doet -.

Johannes de Doper

Johannes vertelt over een ander soort mensen. Andreas en nog een ander. Zij zijn allang op drift. Hun leven is helemaal niet zo vast. Zij zijn al heel lang aan het zoeken. Ze hebben een tijdje met Johannes de Doper meegelopen en nu stuurt Johannes hen door.
Aan hen vraagt Christus, ‘de Messias’ : ‘Wat zoeken jullie?’.
Niet een spectaculair en onverwacht: ‘volg mij!’.
Maar waar zijn jullie naar op zoek? Jullie komen naar mij en blijkbaar hebben jullie vragen. Vragen over je leven, over hoe het verder moet met de samenleving.
En de discipelen antwoorden:
‘Meester, waar houdt u verblijf? Waar woont U, waar kunnen we U plaatsen.
En onze Heer en Verlosser zegt: “ kom, dan zal je het zien”.
In de tekst van de Hebreeuwse schrijver staat:
Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; 
want Mijn juk is zacht en Mijn last is lichtMatth.11: 28-30.
Onze Heer en Verlosser is hier vandaag uitnodigend, gooit
niet onmiddellijk alle sluizen onmiddellijk open, zegt: ‘ Kom maar?‘.
Kom maar kijken in Mijn woning en kijk er maar rond’.
Bij Johannes is geroepen worden:
komen in het huis des Heren [Zijn Woning, Zijn Tempel, jouw hart]’.
In de andere Evangeliën gaat het vooral over alles wat je achter je laat.
Bij Johannes over waar je terecht komt. Onze Heer en Verlosser nodigt mensen uit om bij Hem te komen [eten, op de koffie].
Gastvrij: ‘kom maar’.
Roeping en ‘leerling, dienaar zijn‘ van Onze Heer heeft te maken met door Jezus thuis ontvangen worden’ kind aan huis ‘bij Hem’ in je stille hoek te worden. er vertrouwd mee te geraken.
Het gaat er om dat jij, zwervende en zoekende mens, een ‘thuis in het hart‘ vindt.
Een huis dat jou kan omkleden als een tweede huid. Een huis dat jou kan maken tot bewoner van dat huis, Zijn huis, jouw hart.

In deze tijd is dàt belangrijk. Voorheen was het in onze samenleving vooral nodig om je los te maken van allerlei zaken. Het moest helemaal anders. Het was de tijd van de breuk met de vaders van de samenleving; met gezag’s-dragers, leraren, predikanten. Met je eigen vader en moeder. Het was de tijd van zelfstandig ‘op weg gaan’; ‘samen onderweg’ werd het samengaan van de kerken genoemd, je verliet je oude kerk en aanvaardde een pelgrimstocht. Mensen gingen op weg en beleefden hun leven als een nooit eindigende tocht.

Vasten en gebed, na het kerkbezoek

In onze tijd zijn we vooral ook op zoek naar een huis om in te wonen, een je thuis wonen in de Tempel waarvan het Oude Testament al zei: ” Maar dit Woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te volbrengen. Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwadeDeut. 30: 14,15.
Het is een spiritueel huis, jouw hart, waar je je geestelijk thuis voelt, waar
je door Christus gevoed wordt en een zekere veiligheid ervaart.
Want je bent al losgerukt genoeg; door al die toestanden in de wereld weet eigenlijk nauwelijks [nog] waar je thuishoort.
Wij mensen hebben behoefte aan een woning waar je je thuis kan voelen, om
je ‘thuis’ te voelen, je als een bewoner te ervaren van je eigen leven.
De zoekende mens wordt daar gevonden; hij vindt een thuis, maar hij wordt ook zelf gevonden, door Onze Heer en Verlosser.

bij: ‘Heer ik roep’ vespers woensdag:

tn.5.    Hij, Die de Opstanding schenkt aan het geslacht der mensen,
werd als lam ter dood gebracht.
Voor hem beefden de heersers van de onderwereld:
hun poorten sprongen op van smart, toen

Christus, de Heer der Heerlijkheid dáár binnentrad.
Hij riep tot de geboeiden:
‘ Komt naar buiten’; en
tot de bewoners der duisternis:

‘Komt naar het Licht’”.

tn.5.    Welk een Mysterie [= ‘wonder’] !
De Schepper der Onlichamelijken heeft in het vlees het lijden ondergaan.
Maar de Vriend der mensen is opgestaan, als de Onsterflijke.
Komt, geslachten der volkeren, val voor Hem neer, want
door Zijn Barmhartigheid zijn wij uit het bedrog bevrijd, en
leerden om te bezingen de éne God in Drie Personen
”.

tn.5.  “  U zingen wij de avondzang, o Avondloos Licht, Die op het einde der tijden
[voor ons persoonlijk, vlak ná onze dood, want bij God bestaat geen tijd]
als een spiegel voor de wereld zijt opgestraald in ons menselijk vlees.
Gij zijt neergedaald in het dodenrijk om de duisternis te verdrijven:
Gij toont het Licht van de Opstanding aan alle volkeren.
Schenker van het licht, Heer, eer aan U”.

tn.5.    Laat ons Christus verheerlijken, Die
ons het Heil heeft [doen zien] gebracht, want
doordat hij uit de doden is opgestaan,
is de wereld van het bedrog bevrijd.
De Koren der Engelen juichen, want
de waan der demonen moet wijken;
de gevallen Adam staat op, en
de stand is teniet gedaan
”.

tn.5.    De verachters der Wet
zeiden tot de 
wachters: verbergt Christus’ Opstanding;
hier is geld en zegt dan, dat
terwijl jullie sliepen, de Dode geroofd werd uit het graf; dat
kan immers niemand bestrijden!
Maar wie heeft ooit gehoord dat er een dode werd geroofd, en
zeker als die als die reeds met Myron gezalfd is
?
Neemt men hem dan naakt, en laat de winkels achter in het graf?
Laat u toch niet bedriegen: leert uit de worden van de Profeten, en
erkent dat Hij in waarheid de Verlosser van de wereld is,
de Geweldige in Kracht”.

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest

tn.5.    Heer, U hebt de Hades beroofd; U hebt de dood vertreden: 
U bent onze Redder.
Door Uw kostbaar Kruis hebt U heel de wereld verlicht:
ontferm U over ons
”.

  Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN”.

tn.5.  “  De Rode Zee was eens de voorafbeelding van de maagdelijke Bruid:
daar spleet Mozes het water, en hier is Gabriël, de
bedienaar van het Mysterie [het wonder].
Daar heeft eens Israël de diepte door-kruist, maar nu heeft de Maagd zonder zaad Christus gebaard.
De zee bleef ontoegankelijk na Israëls doortocht, zoals de Vlekkeloze ongerept gebleven is na de Geboorte van Emmanuel
[Hebr.=’God (is) met ons’]
Gij, de Zijnde van alle eeuwigheid, Die
ons als Mens verschenen zijt:
God, ontferm U over ons
”.

    God, luister naar mijn gebed en veracht mijn smeken niet; geef acht op mij en verhoor mij.
Ik ben bedroefd in mijn gedachten, ik ben ontsteld door het schreeuwen van mijn vijand en de verdrukking door de zondaar.
Want zij hebben mij overladen met ongerechtigheid, vol woede strijden zij tegen mij.
Mijn hart is in mij ontsteld, doodsangst heeft mij overvallen.
Vrees en ontzetting zijn over mij gekomen, duisternis heeft mij bedekt.
Daarom zeg ik: wie geeft mij vleugels als een duif, om weg te vliegen en rust te vinden ?
Zie, ik zou ver weg vluchten, om te gaan wonen in de woestijn.
Daar zou ik God verwachten, die mij redt van kleinmoedigheid en uit de storm.
Werp hen in zee, o Heer, verdeel hun tongen, want ik zie onrecht en tegenspraak in de stad.
Dag en nacht gaan zij rond op haar muren, onrecht en slagen zijn in haar midden, en  onrecht-vaardigheid; geweld en bedrog wijken niet van haar straten.
Zo het de vijand was die mij verwenste, dat zou ik verdragen.
En als hij die mij haat, hoogmoedig over mij had gesproken, dan had ik mij voor hem verborgen.
Maar gij, mens, mijn tweede ik, die mij leidde, mijn vertrouweling !
Die door uw bijzijn de maaltijd verzoette, die eensgezind met mij wandelde in het Huis van God !
Dat de dood over hem zal komen, dat zij levend in de hades storten, want misdadigheid woont midden in hun huizen.
Ik heb tot God geroepen en de Heer heeft mij verhoord.
s’ Avonds en s’morgens en s’middags zal ik het zeggen en verkondigen; dan zal Hij mijn stem verhoren.
Hij zal mijn ziel in vrede bevrijden van hen die mij benauwen, want met velen omringen zij mij.
God zal mij verhoren en hen vernederen, Hij die is voor alle eeuwen.
Voor hen is er geen losgeld, daar zij God niet vrezen, Hij strekt zijn hand uit ter vergelding.
Zij hebben zijn verbond onteerd: nu zijn zij verdeeld door de toorn van Zijn gelaat, en hun harten zijn in benauwdheid.
Hun woorden schenen zachter dan olie, maar het waren schichten.
Werp uw zorg[en] op de Heer en hij zal u er door heen dragen; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten dat de gerechte wankelt.
Hen echter God, haalt Gij neer in de kuil van het verderf.
De mannen van bloed en bedrog bereiken nog niet de helft van hun dagen, maar ik, Heer, wil vertrouwen op UPsalm 54[55] vert. ROK. ’s-Gravenhage

Apostich
tn.5.
  Gij, Christus, onze Verlosser, Die
zonder de Hemelen te verlaten op aarde vlees zijt geworden;
U verheerlijken wij met onze zang.
Want om ons hebt U het Kruis op U genomen;
Gij hebt de dood ondergaan voor ons geslacht als de Menslievende Heer.
Gij hebt de poorten van de hel verbrijzeld en
zijt opgestaan op de derde dag om onze zielen te verlossen
”.

Ach, schamperde Nathanaël toen hij over Jezus hoorde,
kan er uit Nazareth ooit iets goeds komen’.
Maar onze Heer en Verlosser ziet door het cynisme [van de wereld] van Nathanaël heen.
‘Een Israëliet [kerkganger] in wie geen bedrog is’ noemt Hij Nathanaël [de kerkganger.
Dat is het beeld van Nathanaël dat Jezus voor ogen heeft:
‘Nathanaël’ [kerkganger],  jij weet het misschien zelf niet, maar
je bent een mens zonder bedrog .
Onze Heer en Verlosser ziet méér in ons navolgers,
dan wij in onszelf zien [dan ons lief is].
‘Ik zag u onder de vijgenboom’ – zitten onder de vijgenboom,
visioen van vrede, van recht, ‘Ik zag u onder de vijgenboom’.
Misschien heeft u als Nathanaël nog nooit onder een vijgenboom gezeten.
Was u onrustig op weg, Vondt u nooit de Vrede en de rust, die u lief heeft,
had u nooit een huis, groeiden er nooit vruchten in uw tuin.
Maar onze Heer en verlosser ziet u zitten – onder welke boom dan ook; als
een mens van goddelijke vrede.

Hij roept ons:
“   Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en
Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en
gij zult rust vinden voor uw zielen; 
want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth. 11: 28-30.
En indien je dan gevonden bent en eentijdje meeloopt, jij jezelf bekleed hebt met Christus, dan word je door jouw voorbeeld, door jouw doen en laten, ook een ander voorbeeld voor anderen.
Het gaat in de eerste plaats om jou persoonlijk en om jouw ontmoeting en weg, die jij gaat volgen met Christus.
Johannes laat hier al bij de roeping van de leerlingen zien hoe dat gaat bij een mens:
steeds wordt een mens weer zelf -‘ naar Christus’- gebracht, want de mens die bij Christus moet komen dat bent u.
U wordt geroepen als die andere discipel, en je gaat hem achterna, want dit wil je niet missen, dit gaat jouw Leven aan.
Jij gaat naar de woning van onze Heer en Verlosser, Zijn Lichaam, de Kerk – om daar te zijn. Misschien om daar alleen maar eens rond te kijken, òf ook om daar te zitten en honderduit te praten.
Om al je vragen op tafel te leggen, maar vooral om je daar ‘thuis’ te voelen – om gekend te worden.
Om datgene te beleven en dàn nòg véél mooiere,
véél grotere dingen te gaan zien, dan
waarvan je ooit had kunnen dromen.

Dinsdag in de Lichte week, de 1e week na Pascha – Christus onthult ‘Zijn Glorie’


    [Doch Petrus stond op en liep snel naar het graf. En toen hij zich bukte, zag hij alleen de windsels. En hij ging weg, bij zichzelf.]
Petrus was verbaasd over wat er mocht gebeurd zijn.
       En zie, twee van hen waren juist op die dag op weg naar een dorp, zestig stadien van Jeruzalem verwijderd, genaamd Emmaüs, en zij spraken met elkander over al wat voorgevallen was.      En het geschiedde, terwijl zij daarover spraken en van gedachten wisselden, dat Jezus zelf bij hen kwam en met hen meeging.
      Maar hun ogen waren bevangen, zodat zij Hem niet herkenden.
Hij zei tot hen:
Wat zijn dit voor gesprekken, die gij al wandelende met elkander voert? En zij bleven met somber gelaat staan.
      Een dan van hen, genaamd Cleophas, antwoordde en zei tot Hem:
Zijt Gij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen geschied is?
      En Hij zei tot hen: Wat dan? Zij zeiden tot Hem:
Hetgeen geschied is met Jezus de Nazarener, een man, die een Profeet was, Machtig in Werk en Woord voor God en het ganse volk, en hoe Hem onze overpriesters en oversten overgegeven hebben om Hem ter dood te veroordelen en Hem gekruisigd hebben.
Wij echter leefden in de hoop, dat Hij het was, die  Israël [de kerk] verlossen zou. Maar met dit al is het thans reeds de derde dag, sinds dit geschied is. Maar ook hebben enige vrouwen uit ons midden ons doen ontstellen: zij waren in de vroegte bij het graf geweest en hadden Zijn Lichaam niet gevonden en zijn toen komen zeggen, dat zij ook een verschijning van engelen gezien hadden, die zeiden, dat Hij leeft. En enigen van de onzen zijn naar het graf gegaan en hebben het zo bevonden, als de vrouwen ook gezegd hadden, maar Hem hebben zij niet gezien.
En Hij zei tot hen:
O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de Profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in Zijn Heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de Profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had’.
En zij naderden het dorp, waar zij heengingen, en Hij deed, alsof Hij verder zou gaan.
En zij drongen sterk bij Hem aan en zeiden: Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is reeds gedaald. En Hij ging binnen om bij hen te blijven.

Emmaus, het breken van het Brood

En het geschiedde, toen Hij met hen aanlag, dat Hij het brood nam,
de zegen uitsprak, het brak en hun toereikte.
En hun ogen werden geopend en zij herkendenHem; en Hij verdween uit hun midden.
En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?
En zij stonden op en keerden terzelfder tijd terug naar Jeruzalem en zij vonden de elven en die bij hen waren, vergaderd, en dezen zeiden:
‘ De Heer is waarlijk opgewekt en is aan Simon verschenen.
En zij verhaalden wat onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend was bij het breken van het broodLuc.24: 12-35.

bij Heer, ik roep . . . . .
tn.4.    De poorten van de onderwereld hebt U verbrijzeld, Heer,
en door Uw dood hebt U het rijk van de dood vernietigd.
Het geslacht der mensen hebt U uit het bederf bevrijd,
want U schenkt Leven en On-bederflijk-heid aan de wereld,
en de grote Genade
”.

    Maar Petrus stond met de elven op, en hij verhief zijn stem en sprak hen toe:
Gij Joden en allen, die te Jeruzalem woonachtig zijt, dit zij u bekend en neemt mijn woorden ter ore.
Want deze mensen zijn niet dronken, zoals gij veronderstelt, want het is het derde uur van de dag; 
maar dit is het, waarvan gesproken is door de Profeet Joel:
    En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouderen zullen dromen dromen:
     Ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren.
En Ik zal wonderen geven in de Hemelen boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt. En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, 
behouden zal worden’Hand.2: 14-21.

Slagvaardigheid, op cruciale momenten
In de verslaglegging van de Evangelisten over de Opstanding van onze Heer en Verlosser klinken in eerste instantie helemaal geen ‘Alleluia’s’.
Integendeel; er was sprake van schrik, verwarring en verbazing.
Om te beginnen bij de vrouwen die ontdekken dat het graf leeg is.
In de weergave van Marcus, die wij overigens dit jaar [2019] op deze dag als een heilige Apostel uit de 70 gedenken – is hun ontzetting zeer groot “dat ze niemand iets zeiden, want zij waren zeer bevreesd”.
Mattheüs geeft aan dat zij ‘met vrees en grote blijdschap’ weggegaan waren; hij is de enige evangelist die ook maar iets over ‘vreugde’ zegt.
In het Lucas-evangelie gaan de vrouwen terug naar de leerlingen om te vertellen wat ze zagen. Die geloven er natuurlijk niets van, doen het af als ‘vrouwenpraat’ en gaan weer over tot de orde van de dag; behalve Petrus:
Als Petrus hoort dat er iets aan de hand is met het graf, wil
hij natuurlijk haantje de voorste zijn!
Hij staat op en loopt er snel heen.
In het Johannes-evangelie krijgt hij gezelschap
– ook Johannes loopt, nee, rent mee.
Naarmate ze dichterbij het graf komen krijgt hij zelfs een voorsprong.
Johannes loopt sneller, sneller dan Petrus.
Even haalt Petrus hem in, maar dan gaat Johannes hem weer voorbij.
Het is alsof er een wedren wordt gehouden, ‘verwarring alom!’.
Lucas laat Petrus in z’n eentje bij het graf komen. Hij verhaalt:
”     En toen hij zich bukte, zag hij alleen de windselen. en hij ging weg, bij zichzelf verbaasd over wat er gebeurd mocht zijn”. Einde bericht.
Een verslag van gebeurtenissen met een ‘open’ einde waarin verbazing overheerst. Inderdaad te vroeg om ‘Alleluia’ te roepen en grote woorden te gebruiken [waarvoor het in deze wereld misschien altijd wel te vroeg blijft].
Lucas geeft zijn lezers niets anders in handen dan de windsels in het lege graf [hij windt er geen doekjes om]: de resten van een vroeger bestaan die daar achtergelaten zijn alsof ze hun beste tijd hebben gehad.
En juist dàt geeft te denken !!! Voor vroegtijdige aanpak van jezelf is het misschien nú nog niet te laat.

bij Heer, ik roep . . . . .
tn.4.    Engelen en mensen, Verlosser, bezingen [in Geloof] Uw Opstanding,
waardoor de einden van de wereld zijn verlicht, en
waardoor wij allen zijn verlostuit de slavernij van de vijand.
Dááròm roepen wij to U:
Levenschenker, Al-Machtige Redder, wees onze Verlosser door Uw Opstanding,
als de enig Menslievende.
U hebt de ijzeren poorten gebroken en hun grendels verbrijzeld, Christus God;
het gevallen geslacht der mensen hebt U tot leven gewekt.
Dááròm roepen wij als uit één mond tot U
”.

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest

tn.4.    Buiten de tijd en vóór alle eeuwen, bent U, Heer,
voortgekomen uit de Vader.
Onbegrijpelijk voor de mensen en ondoorgrondelijk is Uw Menswording uit de Maagd.
maar vreeswekkend voor de duivel en zijn engelen is Uw nederdaling in de onderwereld:
U hebt de dood vetreden en U bent opgestaan op de derde dag;
U schenkt onvergankelijkheid aan de mensen en de grote Genade
”.

  Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen”.

tn.4.    De door U tot voorvader van God geworden Profeet David heeft over
U geprofeteerd tot Hem Die grote dingen aan u gedaan heeft:
De Koningin staat aan Uw rechterhand.
Want Hij heeft u als de levenschenkende Moeder getoond,
Die als God goed vond om zonder vader uit u mens te worden;
om Zijn Icoon te herstellen, die door hartstochten bedorven was;
en om het in de bergen verdwaalde schaap op Zijn schouders te nemen,
om het thuis te brengen naar de Vader en
het te verenigen met de Krachten der Hemelen.
En ook om de wereld te verlossen Moeder Gods:
Christus, de grote en rijke Genade”.

        Met mijn stem riep ik tot de Heer, met mijn stem riep ik tot God, en Hij heeft mij verhoord. Ten dage van mijn beproeving heb ik God gezocht, des nachts strekte ik mijn handen naar Hem uit; en ik werd niet teleurgesteld.
Mijn ziel was ontroostbaar, maar toen dacht ik aan God en werd verheugd.
Ik bleef aan Hem denken, al was mijn geest kleinmoedig.
Mijn ogen bleven waakzaam; ik was sprakeloos van angst.
Ik dacht aan de dagen van vroeger, ik herinnerde mij de vervlogen jaren.
‘s Nachts overwoog ik met mijn hart, ik doorzocht mijn geest.
De Heer zal toch niet voor eeuwig verstoten? Zou Hij nooit meer goedgunstig zijn ?Zou Hij Zijn barmhartigheid tot het einde toe ontkennen, van geslacht tot geslacht?Zou God vergeten zich te ontfermen? Zou Zijn toorn Zijn ontferming kunnen weerhouden?
Toen zei ik: ‘Nu wil ik een nieuw begin maken’, dit is de verandering van de hand van de Allerhoogste.
Ik zal de werken des Heren gedenken; ja, ik zal mij Uw wonderdaden vanaf de beginne in herinnering roepen.
Ik wil al Uw werken overwegen, en nadenken over wat Gij gedaan hebt.
God, in het heiligdom is Uw weg; welke God is groot als onze God?
Gij zijt de God die wonderen doet; Gij hebt onder de volkeren Uw macht doen kennen.
Door Uw arm hebt Gij Uw volk bevrijd: de zonen van Jacob en Jozef.
De wateren zagen U, God, de wateren aanschouwden U en werden bevreesd; de afgrond ontstelde met groot gedruis van wateren.
De wolken lieten hun stem weerklinken, want zij werden door Uw pijlen doorboord.
Het geluid van Uw donder rolde langs het uitspansel, ¥
Uw bliksemstralen lichten over de wereld, de aarde beefde in geweldige siddering.
In de zee zijn Uw wegen, Uw paden in uitgestrekte wateren, zodat Uw spoor niet gevonden kan worden.
Maar Uw volk hebt Gij geleid als een kudde schapen, door de hand van Mozes en Aäron”  Psalm 76[77] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Prokimen
tn.8.    Met mijn stem riep ik tot de Heer; met mijn stem tot God.
en Hij heeft mij verhoord”.

⁌   Ten dage van mijn beproeving heb ik God gezocht; in de nacht strekte ik mijn handen naar Hem uit, en ik werd niet teleurgesteld.
⁌   Mijn ziel was ontroostbaar, maar toen dacht ik aan God en werd verheugd.
⁌  God in het heiligdom [van mijn hart] is Uw weg: welke god is groter als onze God?

➽ ➻ ➙ En dit is nu het antwoord waar wij het in al onze vragen mee zullen moeten doen:
Wij geloven dat de God, Die wij in onze beproeving hebben gezocht en Die ons nimmer teleur heeft gesteld ons op het einde der tijden [en dat is onmiddellijk ná onze dood, want bij God bestaat geen tijd] ons als Overwinnaar op de dood staat op te wachten staat en ons als de Menslievende in Zijn Hemels Koninkrijk opneemt.
♥︎ ♥︎ ♥︎ Het enige wat Hij ons heeft meegegeven is Zijn Blijde Boodschap.
Lucas geeft weer dat dit wèl het allerlaatste is wat Christus ons nog kan meegeven op onze pelgrimstocht naar het Hemels Koninkrijk – het laatste sprankje en vooruitzicht is de hoop, die je kunt opbouwen door de Blijde Boodschap – van kaft tot kaft -, van begin tot eind te lezen en eerst dan in staat te blijken dat jouw Hoop en basis geeft aan een gefundeerd Geloof,
en Hij zegt [formuleert dit] tot de twee apostelen Lucas en Cleophas onderweg naar Emmaüs [naar de Hebr.= ‘warme baden’]:
      O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de Profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in Zijn Heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de Profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had“.
Dompel je vervolgens pas ‘onder‘ in de Vreugde van “Zijn Avond-loos Licht“.

Profeet Isaiah, Michaël Angelo [1509], sixtijnse kapel Rome
    Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de Heerlijkheid des Heren gaat over u op.
Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Heer opgaan en Zijn Heerlijkheid zal over u gezien worden.
Volkeren zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang.
Hef uw ogen op en zie rondom:
       
zij allen verzamelen zich, komen tot u; uw zonen komen van verre en uw dochters worden op de heup aangedragen’.
Dàn zult gij het zien en stralen van Vreugde; uw hart zal zich ontroerd verruimen, want tot u zal de rijkdom der zee zich wenden, het vermogen der volkeren zal tot u komen.   Een menigte kamelen zal u overdekken, jonge kamelen van Midjan en Efa; uit Seba zullen zij allen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen en de roemrijke daden des Heren blijde verkondigen. Al de schapen van Kedar zullen zich voor u verzamelen, de rammen van Nebajot zullen zich u ten dienste stellen; zij zullen als een welgevallig offer op Mijn Altaar komen en aan Mijn luisterrijk Huis zal Ik luister verlenen.
Wie zijn dezen, die als een wolk komen aangevlogen en als duiven naar hun til?
Want op Mij zullen de kustlanden wachten; en de schepen van Tarsis zullen de eerste zijn om uw zonen van verre aan te brengen; hun zilver en goud voeren zij mee,  ter ere van de naam des Heren, van uw God, voor de Heilige van Israël [de Kerk], omdat Hij u luister verleend heeft.
Vreemdelingen zullen uw muren herbouwen en hun koningen zullen u dienen, want in mijn toorn heb Ik u geslagen, maar in mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd.
En uw poorten zullen bestendig openstaan, dag noch nacht zullen zij gesloten worden, opdat men tot u zal inbrengen het vermogen der volkeren, terwijl hun koningen worden meegevoerd.
Want het volk en het koninkrijk, die u niet willen dienen, zullen te gronde gaan, en die volken zullen zeker verwoest worden.
De Heerlijkheid van de Libanon zal tot u komen, cipres, plataan en dennenboom tezamen, om de plaats van mijn heiligdom op te luisteren; en de plaats van Mijn voeten zal Ik heerlijk maken.
De zonen van uw verdrukkers zullen deemoedig tot u komen, aan uw voeten zullen al uw versmaders zich neerwerpen en zij zullen u noemen:
De stad des Heren, het Sion van de Heilige van Israël [de Kerk].
Terwijl gij eertijds verlaten waart en gehaat, zodat niemand door u heentrok,
zal Ik u stellen tot een eeuwige praal, tot een vreugde voor geslacht op geslacht.
En gij zult de melk der volken zuigen, ja koninklijke borsten zuigen, en gij zult weten, dat Ik, de Heer, uw Redder ben en uw Verlosser, de Machtige van JaäcobIsaiah 60: 1-16.

♥︎ ♥︎ ♥︎Sta op, Jerusalem, word verlicht, want uw licht komt en de Heerlijkheid des Heren gaat over u op”.
Sinds de vroegste oudheid heeft deze passage gediend als de tweede van vijftien lessen die worden gelezen tijdens de paaswake die begint met Vespers op Grote en Heilige zaterdag.
In de vele kloosters [waaronder, die op de berg Athos], waar de gehele nachtwake nog steeds als het grootste schouw-spel van het jaar wordt gevierd, wordt deze passage altijd als hoogtepunt gelezen.
Vervolgens draaien de grote lampen tegengesteld om elkaar heen,
de iconen-krans van de apostelen om de grote middenlamp vol kaarsen heen – het is een lichtspel, zo indrukwekkend; je moet het ‘ééns in je leven‘ meemaken; je bent op aarde, maar je wordt in lichaam en geest opgevoerd naar de Hemelen:
sta op, Hemels Jerusalem”, want “Christus is waarlijk opgestaan”.

de doop, bekleed worden met Christus

In het vroege christendom werd het doop-Mysterie in deze nacht aan de catechumenen tijdens dezelfde wake geopenbaard – de riten van de Goddelijke nachtdienst van de Verrijzenis werden naar en lange nacht  met een Vesperale Goddelijke Liturgie afgesloten;eerst dan mocht na debet Mysterie van de doop aan de catechumenen als afsluiting van de inwijding in het Mysterie de ontmoeting met de Heer in de H. Communie plaatsvinden.
In de wereld, in de plaatselijke gemeenschappen werd de totaliteit van deze overweldigende manifestatie van de Hemel op aarde uit de Vesperale Liturgie van de h. Basilius de Grote [vanwege ongeduld/ haast, weelds onvermogen] weggelaten, die reeds een aanvang neemt op zaterdagmorgen.

Zalvings olie – Anoitng oil, Ex.30: 23.

De woorden klinken bekend, maar deze passage van Isaiah inspireerde de H. Johannes Damaskinos in de samenstelling van zijn Paascanon, en met name de 9e Ode.  De H. Theodoret van Cyrus geeft een korte en uitstekende samenvatting van Isaiah’s visie:
De voorspelling bestaat in zichzelf uit drie onderwerpen:
1.]. het profeteert, zoals in grote lijnen, de reconstructie van Jeruzalem die plaats vond onder Cyrus en onder Darius [589-456 BC];
2.]. Het geeft zoals een afbeelding ‘versterkt en met heel veel kleuren omgeven’ het beeld weer 
met meer precieze contouren van de waarheid, de pracht van de Heilige Katholieke en Apostolische Kerk; en toch
3.]. Brengt het eveneens het origineel van de weergave/icoon  naar voren, dat wil zeggen het toekomstige leven en de hemelse stad God’s.
Laten we ons concentreren op het gegeven van hoe de profetie van Isaiah de zeven aspecten van de Kerk onthult,
♨︎ ✥ ♨︎ de werkelijkheden welke worden gemanifesteerd in het -‘hier en nu’- en ‘al dàtgéne wàt nog dient te komen‘:
      Want daar de wet slechts een schaduw heeft van de toekomstige goederen, niet de gestalte van die dingen zelf, is zij nimmer in staat ieder jaar met dezelfde offeranden, die onafgebroken gebracht worden, degenen, die toetreden, te volmaken.
        Immers, zou anders het offeren daarvan niet opgehouden zijn, doordat degenen, die de dienst verrichten, na eenmaal gereinigd te zijn, generlei besef van zonden meer hadden?
        Doch door die offeranden werden ieder jaar de zonden in gedachtenis gebracht;  want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen.
        Daarom zegt Hij bij zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; in brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehadHebr.10: 1-6.

1.] . God’s Volk dient een licht [lichtend voorbeeld] in duisternis te zijn. Omdat Christus het Licht in de Kerk leeft, zij onthult op unieke wijze – ‘Zijn Glorie’ –.
Het schijnt in de Kerk, [Zijn Lichaam] ondanks de duisternis van ongeloof, verwarring en zonde die de aarde bedekt.
-‘Zijn Glorie‘- maakt het mogelijk dat heersers en naties, die verlichting ontvangen in dit Licht en Helderheid [Waarheid] gaan  wandelen [Isaiah 60: 1-3].
2.]. De Kerk, [Zijn Lichaam] is de samenkomst van Zijn verstrooide kinderen.
We kunnen onze ogen oplichten en zien hoe vandaag de kinderen van God worden verzameld uit vele naties waar de Orthodoxie nooit eerder bekend was [Isaiah 60: 4].
3.]. De Kerk, [Zijn Lichaam] is de bewaarplaats van de geestelijke rijkdom van de naties. Welke door de eeuwen heen in de Kerk grote spirituele schatten hebben verkregen, bekomen!
Vandaag blijven ze in haar stromen als een Centrale opslagplaats van de culturele erfenis, het goddelijk erfdeel, een baken van Waarheid [Isaiah 60: 5,6]
4.]. De Kerk [Zijn Lichaam] biedt aanvaardbare offers aan God aan.
Waarom zou er zo’n toestroom van mensen en spiritualiteit zijn?
Het omvat een onschatbare Rijkdom.
Is het niet dat er “aanvaardbare offers op [zijn] altaar mogen staan ?, en
[dat zijn] huis van gebed zal zijn en verheerlijkt zal worden ?”[Isaiah 60: 7], en
dat” de Heilige van Israël verheerlijkt wordt ?”[Isaiah 60: 9].
5.]. De Kerk [Zijn Lichaam] is de ontvanger van de grote Beloften,
die aan het oude Israël zijn gedaan.
Gods Volk heeft de Zijne ervaren; afwisselende toorn en Genadegaven
door de eeuwen heen [Isaiah 60: 10].
Toch zijn de poorten van de Kerk [Zijn Lichaam] open gebleven voor alle volkeren [Isaiah 60: 11], 
hebben de koningen van vele naties de Heer gediend [Isaiah 60: 11], en zijn regeringen die de Heer steevast geweigerd hebben omgekomen [Isaiah 60: 12].
De zonen van hen die de Kerk [Zijn Lichaam] op deemoedige wijze dienden” vereren haar nu met ontzag voor God’s Grootheid [Isaiah 60: 14].
6.]. De Kerk, het Lichaam van Christus, is het ware Sion.
Tegenwoordig wordt de kerk met recht “Zion” genoemd, de term die in de negende ode wordt 
van de Paascanon. gebruikt.
Ze is letterlijk de “Stad van de Heer, Sion van de Heilige van Israël” [Isaiah 60: 14].
7.]. De Kerk, het Lichaam van Christus] is een gemeenschap gevuld met eeuwigdurende en eeuwige blijdschap.
Ja, de kerk exposeert alleen onvolmaakt de transformerende kracht van het Licht dat in haar blijft. Niettemin is zij “de bewaarplaats van ‘eeuwige’ Vreugde “[Isaiah 60: 15] voor de gelovigen
– zij die weten dat Christus is: “dè Heer, Die  u redt en de God van Israël die voor jou als mens zorgt“[Isaiah 60: 16].
”  Verheug u, o Hemels Jeruzalem, en spring op van vreugde,
in zoverre u Christus de Koning aanschouwt zoals
een bruidegom komt 
uit het graf”. uit de Paasstichier

“sta op”– wereld, aanschouw ‘uw Heiland’ !!!

 

Maandag in de Lichte week, van de vernieuwing – niemand heeft God ooit gezien, ik Johannes Profeet en Voorloper, de Doper ben de Christus niet

De Verloren Zoon, ets van Jan Luyken [1649-1712]

    Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die aan de boezem van de Vader is, Die  heeft Hem doen kennen.
           En dit was het getuigenis [over Hem] van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en Levieten tot hem zonden om hem te vragen: Wie zijt gij?                  En hij beleed en ontkende het niet; en hij beleed: ‘Ik ben de Christus niet’.
En zij vroegen hem: Wat dan? Zijt gij Elia? En hij zei: ‘Ik ben het niet’. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: ‘Neen’.
Zij zeiden dan tot hem: ‘ Wie zijt gij? Wij moeten toch antwoord geven aan hen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelf?
            Hij zei:
Ik ben de stem van een die roept in de woestijn: Maakt recht de weg des Heren, gelijk de P
rofeet Isaiah gesproken heeft’.
En er waren sommigen afgezonden uit de Farizeeën. En zij vroegen hem en zeiden tot hem:
            ‘ Waarom doopt gij dan, indien gij de Christus niet zijt, noch Elia, noch de profeet?
Johannes antwoordde hun en zei:
            Ik doop met water; midden onder u staat Hij, van wie gij niet weet, Hij, Die ná mij komt, Wiens schoenriem ik niet waardig ben los te maken.
Dit geschiedde te Bethanië over de Jordaan, waar Johannes doopteJohn.1: 18-28.

    Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, genaamd de Olijfberg, die dicht bij Jeruzalem is, een Sabbath’s-reis daar vandaan.
En toen zij in de stad gekomen waren, gingen zij naar de bovenzaal, waar zij verblijf hielden: Petrus en Johannes en Jaäcobus en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeus en Mattheüs, Jaäcobus, de zoon van Alpheüs, en Simon de Zeloot en Judas, de zoon van Jaäcobus.
       Deze allen bleven eendrachtig volharden in het gebed, met enige vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders.
En in die dagen stond  Petrus [door de H. Geest gedreven] op onder de broeders
– en er was een groep van ongeveer honderd twintig personen bijeen – en hij sprak:
           Mannen broeders, het schriftwoord moest in vervulling gaan, dat de Heilige Geest voorheen bij monde van David gesproken heeft aangaande Judas die de gids is geweest van hen, die Jezus gevangen namen; want hij werd tot ons getal gerekend en had aandeel aan deze bediening gekregen.
     Er moet dan van de mannen, die zich bij ons hebben aangesloten in al de tijd, dat de Heer Jezus bij ons in – en uitgegaan is, te beginnen met de doop van Johannes tot de dag, dat Hij van ons werd opgenomen, een van hen met ons getuige worden van Zijn Opstanding.
     En zij stelden er twee voor: Jozef [Hebr.= ‘de Heer heeft toegevoegd’], genaamd Barsabbas [Hebr.= ‘zoon van Sabbas’], die de bijnaam Justus [Hebr.= ‘ de Heer is rechtvaardig, geeft redding’] had, en Matthias [Hebr.= ‘geschenk van God’].
     En zij baden en zeiden: Wijs Gij, Heer, die aller harten kent, die ene aan, die Gij van deze twee hebt uitgekozen, om de plaats van deze dienst en dit apostelschap in te nemen, waarvan Judas vervallen is om naar zijn eigen plaats te gaan.
     En zij lieten hen loten en het lot viel op Matthias en hij werd gekozen verklaard bij de elf apostelenHand.1: 12-17; 21-26.

uit: ‘Heer ik roep – 2e vespers aan de voor-avond van deze maandag:
tn.2.  ”    Hem Die vóór alle eeuwen door de Vader is voortgebracht,
God het Woord, dat vlees heeft aangenomen uit de Maagd Maria,
komt laat ons Hem aanbidden; want
ná Zijn Kruisdood werd Hij begraven, zoals Hij gewild had.
En opgestaan uit de doden, verloste Hij mij, de verloren mens“.

We gaan vandaag over in een vervolg op Pascha, een hoogtepunt in onze wedloop, pelgrimstocht, naar het Hemels Koninkrijk in onze tijd, welke wij het Pentecostarion noemen, een nieuwe fase:

Rusten aan het hart van de Vader‘ [russ. icoon]; ‘ Rest at the heart of the Father‘ [russian icon].

Niemand onder ons mensen heeft God ooit gezien, ook Johannes niet, die stelde “ik ben de Christus niet” [m.a.w. ‘Ik zal niet veroordelen, het oordeel is aan God, de Zoon‘] – maar midden in/onder u mensen staat Hij, Die u niet kent !!!
⁌    – òf het het -‘hier en nu’- is
⁌    – òf in de periode dat de Zoon van God, Die Zich onder de mensen bevond,         ⁌      – slechts Hij, Die aan de boezem/het hart van de Vader is,
⁌    – is Hij, Die Hem [de Vader] door de Heilige Geest heeft doen kennen.
Hoe heeft Christus Zijn Vader immers aan ons getoond
⁌     – ‘juist’ in Zijn Blijde Boodschap, in Zijn Pedagogie en
⁌     – Hij heeft ons Zijn Pedagogie voorgeleefd.
Toen de resterende apostelen naar Jeruzalem van de berg, genaamd de Olijfberg terugkeerden, die dicht bij het -‘gisteren nog zo bezongen’- Jeruzalem is,
een Sabbath’s-reis daar vandaan, beseften zij dat zij niet meer compleet waren.
Het getal ‘tien’ is immers de som van drie en zeven, beide bijzondere getallen in de Bijbel. Het getal tien staat voor veelheid, compleetheid en perfectie.
Het getal twaalf speelt eveneens een grote rol in het oude en nieuwe testament; ook in dit getal wordt vaak aangegeven dat het gaat om iets dat compleet is. Soms wordt aangegeven omdat je twaalf krijgt als je 3 en 4 met elkaar vermenigvuldig. En ook die twee getallen zijn weer heel bijzonder in de Pedagogie van de Blijde Boodschap.
Wanneer je naar de bijbelse historische geschiedenis kijkt
zie je dat twaalf inderdaad iets laat zien dat compleet is en
vergeet niet dat Christus bij de uit- wegzending van de apostelen
opdracht gaf twee aan twee erop uit te trekken [een door twee deelbaar aantal apostelen]. Op cruciale momenten ontstaat er bij het ontbreken van één doorslaggevende persoon een duidelijke leemte in slagvaardigheid – een rancune in kennis en vaardigheid; dit werd reeds in den beginne onderkent en daartoe besloot men [door de Heilige Geest ingegeven] de leemte op te vullen, een wijziging aan te brengen.
Zie hoe [politiek-] correct het in handelingen door Lucas wordt geformuleerd:
    het schriftwoord moest in vervulling gaan, dat de Heilige Geest voorheen bij monde van David gesproken heeft aangaande Judas, die de gids is geweest van hen, die Jezus gevangen namen; want hij werd tot ons getal gerekend en had aandeel aan deze bediening gekregen”.
•  Weet wel wij mensen moge; Judas niet veroordelen:
⁌    hij kreeg spijt, smeet de zilverlingen naar het hoofd van het Sanhedrin, het rechtscollege in een adem genoemd met de schriftgeleerden en de Farizeeën
⁌    hij werd tot het getal van de Apostelen gerekend en had aandeel aan hun bediening gekregen, had op zijn manier zijn strepen verdiend.
⁌    hij moest vanwege onvoldoende standvastigheid en het ontbreken van kwaliteit het veld ruimen.

  • Jezus Christus, de uiteindelijke Rechter, over de mens

    en ondanks Judas’ droevig einde, ingegeven door de macht van de tegenstrever, mogen ‘wij’ christenen ‘niet’ oordelen; opdat ook wij zoals Christus ons leert onze schuldenaren dienen te vergeven.
    Wat er in ons leven ook plaatsvindt, blijf ten alle tijd in gebed voor de zieken en daar behoren zelfs jouw grootste vijanden toe opdat wij zelf niet veroordeeld zullen worden.
    Er is er maar Één, Die oordeelt en dat is Hij Die gezeten is op de Troon van Zijn Vader.

Om terug te komen op de keuze tot het invullen van het hiaat, het lot viel op Matthias.
Matthias is een naam van Griekse komaf, die net als naam’s-variant Mattheüs is afgeleid van de Bijbelse naam Mattathias [die leefde tot 165 v.Chr.], die weer is afgeleid van de Hebreeuwse de naam Mattitjah(u) “geschenk van God”. Bedenk in alles wat ons overkomt – dat God, de leidende hand heeft in bepaalde processen en dat de mens uiteindelijk z’n hoofd zal dien te buigen.

En het verlengde ligt de halsstarrige afwijzing door Israël, de Hebreeën van Christus:
We kunnen daarbij terugkijken op hetgeen in de lezing van Profeet Zacharias
in het eerste uur van afgelopen Grote en Heilige Vrijdag werd gesteld:
En zij vestigden mijn loon op dertig zilver-stukkenZach.11: 12.
Oftewel: ‘Wat ben Ik, jullie Zoon van God’ jullie waard?’.
Wij jubelen sinds gisteren, ‘ de magistrale stralende dag‘ in de schittering van Pascha, want God heeft in Zijn Genade Zijn aangezicht op ons gericht :
Glans [op uw gezecht], laat uw verkregen Licht schijnen, o Nieuw Jeruzalem, want de Heerlijkheid van de Heer is Opgestaan”.
Waarom lezen we dàn vandaag de afwijzing door Israël van haar Herder?
Vervuld in het stralende Paas-Licht, lezen we deze verzen van vorige week vrijdag opnieuw
‘wij’ die allen verenigd zijn met Christus:
De God nu van de Vrede, Die onze Heer Jezus, ‘de grote herder van de schapen’door het bloed van een eeuwig verbond heeft teruggebracht uit de doden, zal u in alle goed bevestigen, om ‘Zijn Wil te doen’, terwijl Hij aan ons doe, wat in zijn ogen welbehaaglijk is door Jezus Christus. Hem zij de Heerlijkheid in alle eeuwigheid AmenHebr.13: 20,21.
Daar wordt opnieuw een appèl gedaan op onze dove-mansoren:
    Één is Heilig, één is Heer, Jezus Christus, tot Heerlijkheid van God, de Vader, AMEN” uit de Goddelike Liturgie.
Rijk òf arm, machtig òf ondergeschikt, God weet wèl wàt goed is voor Zijn kinderen en leidt ons  door het lijden heen, door het Kruis te [ver-]dragen, in de goede richting.
En daarom kom je telkenmale de plaatsnaam Bethanië [Hebr.= ‘huis van dadels of huis van ellende’] tegen, ook vandaag in de lezing over Johannes de Doper.

Zeshonderd jaar vóór de grote ommezwaai/ markant middelpunt, kloof in de geschiedenis van de mensheid, verleende de Heer een inzicht aan de Profeet Zacharia [Hebr.= ‘de Heer herinnert Zich’] om Zijn volk te waar-schuwen dat er een tijd zou komen dat:
    Men in benauwdheid door de zee trekken, en in de zee de golven slaan; en alle diepten van de Nijl zullen uitdrogen. Zo zal de trots van Assur neerstorten, en de scepter van Egypte zal verdwijnenZach.10: 11.
Toch zou de meerderheid van het oude Israël
de ware Herder, de ware Verlosser afwijzen.
Als gevolg hiervan zouden de Kanaänieten onder het Nieuwe Verbond overheersen over het Volk van God Volk. Kanaänieten is de naam van de vroegere inwoners van het land Israël, Feniciërs, dat wil zeggen de heidenen.
De herder die Zijn volk leidde in de oudheid, ‘wierp‘ Zijn staf, Zijn steun en toeverlaat als oud-vuil weggegooid,
Israël gooide God overboord – ‘verbreekt [Mijn] Verbond dat Ik, uw God, met alle mensen sloot‘ en luidt een tijd in – van ‘verlating’, van ‘eenzaam ronddolen’:
  Ja, Ik zal hen terugbrengen uit het land Egypte, en hen uit Assur vergaderen; Ik zal hen brengen naar het land Gilead [Herbr.= [‘getuigen-hoop‘] en de Libanon [Hebr.=’witheid‘]; doch dit zal voor hen ‘niet‘ toereikend zijn“ Zach.10: 10.

Terwijl wij ‘vol van Vreugde’ de triomfantelijke Opstanding van onze Heer en Heiland, Jezus Christus, vieren, mogen we niet vergeten te rouwen om wat er in het oude Israël gebeurde. God heeft veel wonderen verricht onder onze voorgangers, die vroegere mensen van God’s Oude Verbond !!!
Zie daarin hoeveel Hij net als van ons, ‘van hen‘ hield, Hij trekt immers met zondaars op!
Toch verachtten de overpriesters en ouderlingen Hem en het Koninkrijk dat Hij – naast aan hen – aan alle volkeren van de wereld aanbood.
Hij bood ook aan hen ‘het Leven‘ aan, op zoek naar hun ware aanbidding, net zoals Hij het aan ons aanbiedt. Bedenk wèl, datgene wàt je vergelijkt is Genade, een gave om niets, van God, de Vader.
Wij hebben niets, maar dàn óók ‘niets‘ aan onszelf te danken.

We dienen daarom nooit toe te staan ​​dat de rampspoed die hen overkomt
onze harten verlaat totdat ze hersteld zijn, zoals Paulus duidelijk belooft:
    Let dan op de goedertierenheid [=Genadegaven, met veel medeleven] van God en Zijn gestrengheid: over de gevallenen gestrengheid, maar over u goedertierenheid van God, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden.
Maar ook zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weer geënt worden; God is immers bij machte hen opnieuw [op de wijnstok of olijfboom] te enten. Want indien gij uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort, weggekapt en tegen uw natuur op de edele olijf geënt zijt, hoeveel te meer zullen dezen, naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden. Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding is over Israël [ook over de Kerk!] gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal geheel Israël [ook dat gevallen deel van de Kerk]  behouden worden, gelijk geschreven staat:
‘De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jaäcob afwenden
Rom.11: 22-26.

Het kan dan ook niet anders of we dienen te teksten van het Oude Testament te blijven onderzoeken, zoals we vandaag de teksten van Zacharias uitdiepen;
Ze spreken profetisch een moment van oordeel uit en daarbij dient te worden aangetekend, dat oordelen ‘absoluut geen veroordeling’ inhoudt; er is slechts sprake van een afweging van kwaliteit ten opzicht van geschikt en on-geschikt in de functie als dienaar of slaaf en dat houdt een afweging in [goed of minder goed/ ronduit slecht].
Het is profetisch een moment van oordeel uit de mond van een Profeet door God, de Heer der Heerscharen:
    Toen heb ik Mijn staf [Mijn steun en toeverlaat aan hen], Mijn Lieflijkheid aan hen genomen en die verbroken, tenietdoende Mijn Verbond, dat ik met alle volkeren gesloten had. Dus werd het te dien dage verbroken; zó hebben de ellendigste onder de schapen, die op mij letten, bemerkt, dat dit een woord des Heren was en is, ook in onze dagen. En ik heb tot hen gezegd: Indien het goed is in uw ogen, geeft mijn loon, maar indien niet, laat het. Toen wogen zij Mijn loon af: ‘dertig zilverstukken’“ Zach.11: 10-12.

God verwijdert Zijn bedekking [Zijn toerusting] over Zijn oude Volk,
werpt een herder op tegen het land“, een heerser die niet “de verstrooide zal zoeken, noch de gewonden zal genezen, zelfs niet de gezonde zal leiden. Maar in plaats daarvan . . . verslinden. . . de keuzemogelijkheden“ –
    Want zie, Ik stel een Herder in het land: naar wat verdelgd dreigt te worden, zal Hij niet omzien; het verstrooide zal hij niet opzoeken, het gewonde zal Hij niet trachten te helen, het uitgeputte zal Hij niet verzorgen; maar het vlees van de vette beesten [= varkens] zal Hij eten, en hun hoeven zal Hij afrukkenZach.11: 16.

Op Grote en Heilige Vrijdag werd het Oude Verbond verbroken.
Toch bleven er te midden van Israël een paar getrouwen achter, rond welke de heidense Kanaänieten zich snel verzamelden
– want zij ontdekten “ dat dit een woord des Heren was/is”  Zach.11: 11.
Zij kozen ervoor om getrouw met Hem te staan, verder de pelgrimstocht van het leven aan te gaan:
    En bij het [Groot en Heilig] Kruis van Jezus stonden Zijn moeder en de zuster van Zijn moeder, Maria van Cleophas en Maria van Magdala. Toen dan Jezus Zijn moeder zag en de discipel, die 
Hij liefhad, bij haar staande, zei Hij tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.
Daarna zeide Hij tot de discipel: Zie, uw moeder.
En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis. Hierna zei Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden
“ ​​John.19: 25- 28.
Let op de ironie in de tijd:
de meeste gelovigen van het oude Israël zagen hun goede herder als slechts een gewone slaaf/dienaar.
De Mozaïsche wet vereist dat als de stier van een man “een mannelijke of vrouwelijke slaaf sterft, hij hun heer dertig sikkelen zilver zal betalenExodus 21: 32.  [Bedenk het gaat over toendertijd èn het -‘hier en het nu’-]
Een slaaf is precies dertig zilverstukken waard!
Door middel van Zijn profeet Zacharias laat de Heer ons de implicaties van Zijn verraad beschouwen: “Zij stelden mijn loon vast op dertig zilverlingen” Zach.11: 12. Aldus betaalde het oude Israël de Heer eeuwenlang terug van liefde, bevrijding en zorg!

➽      Zie de betekenis van “Mijn loon” niet over het hoofd in:
    Maar de Heer zei tot mij:
    Werp dat de pottenbakker toe; een heerlijke prijs waarop Ik hunnerzijds geschat ben! En ik heb de dertig zilverstukken genomen en die in het huis des Heren de pottenbakker toegeworpen
Zach.11: 13.
In het visioen van Zacharia roept God hem hier [ toen, zowel als in het -‘hier en nu’-] zojuist op om die dertig zilverstukken “in de smeltoven te laten vallen en te kijken of het bewezen is“.
Op de vreselijke dag van het verraad van Christus viel het werpen van het zilver in de smelter van oordeel voor de goddeloze verrader Judas:
    Toen kreeg Judas, die Hem verraden had, berouw, daar hij zag, dat Hij ver[- be]oordeeld was, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug, en hij sprak:
‘ Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verraden!’
[hij toonde dus berouw, had spijt]
Maar zij [het Sanhedrin, de menselijke rechtbank] zeiden:
‘Wat gaat ons dit aan?. Gij moet zelf maar zien wat ervan komt!’
[ze lieten hem in de steek]. 
En de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich;
daarop ging hij heen en
[in totale wanhoop, vereenzaming zonder God] verhing hij zich” Matth. 27: 3-5.

Hoe zit het met ons? Navolgers van Christus, bepalen we ooit een prijs
op onze relatie met de Leven-schenker
– stellen we ook een limiet,  onderhandelen
we misschien zelfs over een mislukte overeenkomst?
Laten wij de volle prijs betalen die Hij vraagt ​​en alles
wat we doen aan de onschatbare Redder begaan ?!?
♨︎✥♨︎    Lees:
zetten wij ons inderdaad met hart en ziel in voor het voortbestaan van onze geheiligde gemeenschap – iedere keer opnieuw, wanneer wij ons inzetten tot samenkomen?
Òf onderhandelen we alleen maar, vinden wij het wel best en profiteren we van de inzet van enkelen.
Òf onderhandelen we over de prijs van de Kerkbijdrage en geven als we af-en-toe eens opdagen, een fooi [spelen het spel voor de buitenwereld mee]
⁌   in het bewustzijn dat het openhouden van het telefoonlijntje naar God bij onze telefoonmaatschappij al op z’n minst 30 Euri per maand kost?
⁌   zijn we ons bewust, dat we alleen maar tekenen voor de bijdrage aan de Parochie van 30 euri en laten de realisatie van de [automatische] overschrijving van dit bedrag aan de penningmeester gewoon maar zitten?

“    Hoe Goddelijk beminlijk, hoe aller-zoetst is Uw stem,
want U [God] hebt ons verzekerd, dat U [als herder] mèt ons zult zijn,
[en wel] tot aan het einde van de eeuwen der eeuwen, o Christus.
Gelovigen, ‘navolgers van Christus’, dìt hebben wij als anker van hoop en
daarom verheugen wij ons
”, maakt het totaal niet uit wat
het ons aan inzet [lijden] of geld kost.

➽ ➥ ➙ Daarom dienen wij de navolgers van Christus te onderwijzen,
systematisch catechese-lessen te geven aan zowel jong als oud,
opdat zij niet in hun onnozelheid een spel blijven spelen,
slechts voor de buitenwereld deelname aan
de Kerkelijke aangelegenheden vertonen,
want dàn zijn we zoals de Profeten het reeds aangaven
niet meer of minder dàn het zelfde Volk van het Oude Verbond:
”     Mannen broeders, het schriftwoord moest in vervulling gaan, dat de Heilige Geest voorheen bij monde van David gesproken heeft aangaande [het verraad in]  Judas die de gids is geweest van hen, die Jezus gevangen namen; want hij werd tot ons getal gerekend en had aandeel aan deze bediening gekregen“.

  Christus is Opgestaan/Verrezen” – “Hij is werkelijk Opgestaan/Verrezen”,
en Hij heeft ons ‘het eeuwige Leven’ geschonken.
Wij aanbidden ‘Zijn Verrijzenis, Zijn Opstanding’ op de derde dag.
Zo is Christus, onze Herder, een anker op de levenszee, een overtuigd Geloof met de Hoop als basis.

Pascha 2019 – het Mysterie van de Opstanding

    Laat na de Sabbath, tegen het aanbreken van de eerste dag van de week, ging Maria van Magdala en de andere Maria het graf bezien.
      En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel des Heren daalde uit de hemelen neer en kwam naderbij, en hij wentelde de steen weg en zette zich daarop. Zijn uiterlijk was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw.
      En de bewakers werden door vrees voor hem bevangen en zij werden als doden.
Doch de engel antwoordde en zei tot de vrouwen:
⁌   Weest gij niet bevreesd; want ik weet, dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde.
⁌   Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats, waar Hij gelegen heeft.
⁌   En gaat terstond op weg en zegt zijn discipelen, dat Hij is opgewekt uit de doden.
⁌   En zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd.
➙      En zij gingen terstond weg van het graf, met vrees en grote blijdschap, en liepen haastig voort om het Zijn discipelen te berichten.
En zie, Jezus kwam haar [de twee vrouwen] tegemoet en zei: ‘Weest gegroet’.
Zij naderden Hem en grepen Zijn voeten en zij aanbaden Hem.
Toen zei Jezus tot haar: ‘Weest niet bevreesd. Gaat heen en bericht mijn broeders, dat zij naar Galilea gaan, en daar zullen zij Mij zien’.
Toen zij onderweg waren, zie, enigen van de wacht kwamen in de stad om de overpriesters al het gebeurde te berichten. En in een vergadering met de oudsten kwamen zij tot een besluit en zij gaven de soldaten veel geld, en zij zeiden: ‘Zegt, Zijn discipelen zijn des nachts gekomen en hebben Hem gestolen, terwijl wij sliepen. En indien dit de stadhouder ter ore komt, wij zullen het in orde brengen en maken, dat gij buiten moeite blijft.
En zij namen het geld aan en deden zoals hun gezegd was. En dit gerucht is onder de Joden verbreid tot de dag van heden toe.
En de elf discipelen vertrokken naar Galilea, naar de berg, waar Jezus hen bescheiden had.
En toen zij Hem zagen, aanbaden zij, maar sommigen twijfelden.
En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggende:
  Mij is gegeven alle Macht in de Hemelen en op de aarde. Gaat dan heen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest en
  leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.
  En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van de wereldMatth.28: 1-20

het Mysterie van de Doop

    Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn?
Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de Majesteit van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van het leven zouden wandelen.
Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan Zijn dood, zullen wij het ook zijn [met 
hetgeen gelijk is] aan Zijn Opstanding; dit weten wij immers, dat onze oude mens mee-gekruisigd is, opdat aan het lichaam van de zonde Zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven van de zonde zouden zijn; want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.
       Indien wij dan mèt Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heer-schappij meer over Hem.
Want wat Zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven wat Zijn leven betreft, leeft Hij voor God.
     Zo moet het ook voor u vaststaan, dat u wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus JezusRom.6: 3-11.

In de lezingen rond het Mysterie van de Opstanding
hebben we deze week de Profetie van Ezechiël gelezen:

Menselijke beenderen in afwachting van de Opstanding

    De hand des Heren kwam op mij, en
de Heer voerde mij in de geest naar buiten en zette mij neer in een dal; dat was vol beenderen.
       Hij deed mij daar aan alle kanten omheen lopen en zie, zij lagen in grote menigte door het dal verspreid, en zie, zij waren zeer dor.
       En Hij zei tot mij:
Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven?
En ik zei: Heer der Heerscharen, Gij weet het.
       Toen zei Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen en zeg tot hen: gij dorre beenderen, hoort het Woord des Heren.
       Zo spreekt de Heer der Heerscharen tot deze beenderen:
      Zie, Ik breng geest in u, en gij zult herleven; Ik zal spieren op u leggen, vlees op u doen komen, u met een huid overtrekken en geest in u brengen, zodat gij herleeft; en gij zult weten, dat Ik de Heer ben.
      Ik nu profeteerde zoals mij bevolen was, en zodra ik profeteerde, ontstond er een geruis, en zie, een beweging, en de beenderen voegden zich aaneen zoals zij bij elkander behoorden;
      Ik zag toe, en zie, er kwamen spieren op, en vlees, en er trok een huid overheen; maar geest was er nog niet in hen.
Daarop zei de Heer der Heerscharen tot mij:
      Profeteer tot de geest, profeteer, mensenkind, en zeg tot de geest: zo zegt de Heer der Heerscharen: kom van de vier windstreken, o geest, en blaas in deze gedoden, zodat zij herleven.
      Toen profeteerde ik, zoals Hij mij bevolen had; en de geest kwam in hen en zij herleefden en  op hun voeten staan, een geweldig groot leger.
Voorts zei de Heer der Heerscharen tot mij:
      Mensenkind, deze beenderen zijn het gehele huis van Israël [de Kerk]. Zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan. 
Daarom profeteer en zeg tot hen:
Zo zegt de Heer der Heerscharen:
            zie, Ik open uw graven en zal u uit uw graven doen opkomen, o Mijn Volk, en u brengen 
naar het land van Israël [het beloofde land]. En gij zult weten, dat Ik de Heer der Heerscharen ben, wanneer Ik uw graven open en u uit uw graven doe opkomen, o Mijn Volk.
Ik zal mijn Geest in u geven, zodat gij herleeft en Ik zal u doen wonen in uw land; en gij zult weten, dat Ik, de Heer der Heerscharen ben, het gesproken en gedaan heb, luidt het Woord des Heren” Ezech.37: 1-14.

Tijdens ons leven komt de dood herhaaldelijk voor.
Een klein kind verliest zijn favoriete knuffel en vraagt ​​klaaglijk: “Waar is Knuffel?
Zijn ouders weten het niet en lijken het niet erg te vinden.
Het kind verdenkt zelfs zijn ouders ervan het speelgoed te nemen en weg te gooien. Hij dwaalt overal, zoekt, maar vindt zijn kleine harige metgezel nooit meer. Wanneer hij zich realiseert dat het weg is, sterft een deel van hem.
           Naarmate we ouder worden, wordt er veel voor ons verspild.
Vriendschappen en huwelijken sterven, de hoop en het Geloof met hoop als basis, kortom innerlijke gezichten sterven.
De dood leert ons bij elke kwinkslag, op cruciale momenten, waarbij de grond onder de voeten dreigt te verdwijnen, de dood is een richtingaanwijzer.
Naarmate onze krachten en capaciteiten beginnen af te nemen,
kàn het niet anders of we lezen elke dag de overlijdensberichten en
we lezen en herlezen ze, nemen vervolgens opnieuw afscheid
tot onze eigen naam staat vermeld.
Wij kunnen zelfs zo vèr gaan dat we onze leeftijd kunnen aflezen aan
degenen die reeds gestorven zijn.

RO- priester, theoloog, historicus en voorstander Oecumene.

Vader Georges Florovsky [1893-1979] biedt de volgende opmerkelijke afwijzing aan:
De menselijke dood behoorde niet tot de goddelijke scheppingsorde;
voor Heer der Heerscharen, onze boetseerder [uit het stof der aarde] was
het helemaal niet de bedoeling òf natuurlijk dat de mens zou sterven
De dood is helemaal niet in overeenstemming met de Wil van God;
het is . . . . . ‘hemel’s-vreemd’.
De dood is een vijand in onze leven’s-strijd,
in de competitie, die de mens is aangegaan met de tegenstrever,
een verbintenis met de duivel is immers een verbintenis tot de dood [er op volgt].
Wij worden er door Florovsky aan herinnerd dat de dood: “het gevolg is, het volgende tot gevolg heeft, de beloning is van de zondeRom.6: 23.
Deze Orthodoxe Theoloog verwerpt standvastig iedere gedachte/bewering dat de zonde /de dood is als:
als een bevrijding van een onsterfelijke ziel uit de gebondenheid van het lichaam”.
               Hij gaat tegen het wereldbeeld van de Schrift in, hij doet voor ons een boekje open naar een tijd waarin de gebruikelijke en geaccepteerde manier van doen of denken over iets volledig verandert.
Het geeft de absoluut grote Waarheid weer:
“de dood is geen toegang tot [vermeende] vrijheid, het is een catastrofe”
Ongehoorzaamheid aan God’s geboden veroorzaakt chaos [‘Tohu va-vohu’].
Door ons in de vallei van droge botten te brengen, plaatst God ons voor een Mysterie: “Kunnen deze botten leven?“.
Dood ongeneeslijke ziekten , Alzheimer, hartaanvallen, tsunami’s,
zelfmoordterroristen [in uiteenlopende gebedshuizen], aardbevingen en de
graven rond onze oorlogsmonumenten kunnen ons ertoe brengen te antwoorden: “Het lijkt mij onwaarschijnlijk!”.
Maar Ezechiël antwoordt hierop niet op deze manier: ” Hij verdedigt het Heilige, het Sterkte en de Onsterflijkheid van God, de Goddelijke Macht, Zijn Genadegaven en Zijn oneindig/grenzeloze Goddelijke Liefde voor de mensen.
♨︎♨︎    O, Heer der Heerscharen, Gij weet het“.
Ja, de dood tart het beeld van God in ons.
We roepen: “Hoe zit het met de dood, o Heer?“.
Is dit het einde – een stapel verweerde botten in de vallei van de hades?

Profeet Ezechiël

Het woord van de Heer aan Ezechiël doet op ons een appèl, eist onze aandacht op. En vervolgens zegt de Heer der Heerscharen:
    Zie, Ik breng geest in u, en gij zult herleven; Ik zal spieren op u leggen, vlees op u doen komen, u met een huid overtrekken en geest in u brengen, zodat gij herleeft; en gij zult weten, dat
‘Ik de Heer der Heerscharen ben’
”;
– de Koning der koningen, al vieren jullie ieder jaar een koningsdag,
Ik ben, Die ben, Die is en zal zijn“; Ik heb het hier voor het zeggen in jullie leven,
daar kom je onmogelijk onder uit.
Op dezelfde wijze hield onze Heer en Verlosser, Zoon van God Zich aan Zijn Belofte en verkondigde dat “zij Hem [nog zo] konden geselen en doden: Hij zou op de derde dag weer opstaan/verrijzen​​“ Luc,18: 33.
Christus is opgestaan ​​uit de dood en is de eersteling onder
de Vruchten geworden van hen die in slaap zijn gevallen. . . .
Evenzo zullen in Christus allen weer opnieuw levend gemaakt worden

1Cor.15: 20,22.
Ezechiël onthult onze pelgrim’s- weg;
de Opstanding des Heren is nog maar het begin”;
en er zullen er nog vele moeilijkheden volgen!!!

    En Jaäcob ontbood zijn zonen en zei:
Komt bijeen, opdat ik u bekend zal maken, wat
u in toekomende dagen overkomen zal.
      Verzamelt u en luistert, jullie zonen van Jaäcob,
luistert naar Israël, uw vader.
Juda, u zullen uw broeders loven,
uw hand zal zijn op de nek van uw vijanden,
voor u zullen de zonen van uw vaderen zich neerbuigen.
Een leeuwenwelp is Juda;
nà de roof zijt gij omhoog geklommen, mijn zoon;
hij kromt zich, legt zich neer als een leeuw of
als een leeuwin; wie durft hem opjagen?
De Scepter zal van Juda niet wijken, noch
de Heerser’s-staf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en
Hem zullen de volkeren gehoorzaam zijn.
Hij zal Zijn ezel aan de wijnstok binden en het jong van zijn ezelin aan de wingerd;
Hij zal Zijn kleed in wijn wassen en in druivenbloed zijn gewaad.
Hij zal donkerder van ogen zijn dan wijn en witter van tanden dan melk
Gen. 49: 1,2- 8-12.

Laat het nòg maar een keer op je inwerken:
De Scepter zal van Juda niet wijken, noch
een wetgever uit zijn lendenen, totdat Silo komt en
tot Hem zal de Verwachting van de natiën zijn“.
Deze passage, is tevens, één van de drie lezingen in de Vespers op Palmzondag, en biedt een visioen van onze Heer Jezus Christus onze Verlosser, als
de beloofde heerser van het Volk van God en
♥︎♥︎  Liefdevolle genadegave van ” de verwachting van de naties“.
Het is dus een waardig vertrekpunt om te mediteren over
onze zegevierende opgestane Heer, Jezus Christus,
de Koning der Glorie en overwinnaar van de dood.
Door de dood,  door de dood te vertreden, te vertrappen, heeft
onze Heer en Zaligmaker al ontzettend veel van de woorden van
deze Profetie van Jaäcob/Israël, die vocht met de engel uit de Profetie van Genesis vervuld, want:
• “Hij bukte zich en sliep als een leeuw en een welp; en wie zal hem opwekken?“.
De apostel Paulus reageert hierop:
• “En in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en
is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood aan het Kruis.
➻ Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en
Hem de Naam boven alle naam geschonken, opdat
in de Naam van Jezus, onze Heer, zich
alle knie zou buigen van hen, die in de hemelen en
die op de aarde en die onder de aarde zijn, 
en
alle tong zou belijden:
⁌   Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader!
Phil. 2: 8-11,
⁌   en aldus heeft “God Hem ook zeer verhoogd” Gen. 49: 9.

De Anastasis-icoon van Pascha beeldt de helse hel van onze Heer en Zaligmaker af,
met de zegevierende Christus Die de poorten van de hades verwoest.
De dood is gebonden in ketenen onder Zijn voeten terwijl Hij Adam en Eva opheft uit hun graven en hun het Leven schenkt.
Inderdaad, wie durft Hem te wekken?
De dood wordt aan Zijn Heerschappij onder-worpen, aan Zijn Bestuurskracht ondergeschikt gemaakt.

Dit is het moment in de eeuwen der eeuwen dat de gebruikelijke en geaccepteerde manier van doen of
denken over leven en dood volledig verandert !!!

De verzen van deze lezing zijn afgeleid van een Genesis-verhaal dat de laatste uren beschrijft van de grote Voorvader Jaäcob, ook wel Israël [de Kerk] genoemd Gen.47:  27- 50: 14.
De stervende Voorvader roept zijn twaalf zonen ieder bij hun naam tot zich Gen.49: 1-2 en spreekt op Profetische wijze de bestemming uit van hun afstammelingen – de twaalf stammen van Israël [de Kerk].
Wanneer zijn profetie de vierde zoon ’Juda’, bereikt, geeft het een glimp van de eerste koning van Juda, die in de toekomst ongeveer vijfhonderd jaar later zal opstaan: koning David, die door zijn broeders geprezen werd, wiens hand op de nek van zijn vijanden lag en de zonen van zijn vader bogen voor hem Gen.49: 8.

Maar de Profetie van Israël gaat nog verder.
Hij beschrijft het einde van het tijdperk waarin alle naties zullen buigen voor de Leeuw van Juda, die een afstammeling is van Koning David.
Hij zal bekend staan ​​als het Lam van God en de Wortel van David, de zegevierende Heer van welke historische achtergrond dan ook,
van het verleden, van het -‘hier en nu’- en de eeuwen der eeuwen.

Het is slechts alleen aan onze Heer, Jezus Christus gegeven:
Één is Heilig, één is Heer, Jezus Christus,
tot Heerlijkheid van God de Vader. AMEN

Dringt het nu eindelijk tot onze doveman’s-oren door,
waarom dit voorafgaand aan de communie, aan de ontmoeting met de Heer:
Dit heeft uw lippen aangeraakt en u van uw zonden gereinigd
wordt uitgejubeld.
En het Boek der boeken, de Blijde Boodschap gaat nog verder:
    En ik zag in de rechterhand van Hem, Die op de troon zat,
een boekrol, beschreven van binnen en van buiten, wel-verzegeld
met zeven zegels.
En ik zag een sterke engel, die met luider stem uitriep:
  Wie is waardig de boekrol te openen en haar zegels te verbreken?’.
En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde
kon de boekrol openen of haar inzien.
      En ik weende zeer, omdat niemand waardig was gebleken de boekrol te openen of die in te zien.
En een uit de oudsten [Jaäcob/ Israël, de Kerk] zei tot mij:
Ween niet; zie, de leeuw uit de stam Juda, de wortel van David,
heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen
Openb.5: 1-5.

Onze Heer Jezus Christus en Hij alleen zal het waard zijn om de zegels van de grote rol te openen en het Koninkrijk van God in te leiden.
De Profetie van Genesis verwijst alleen naar Christus, want geen enkele koning in de geschiedenis heeft ooit gehoorzaamheid verkregen van alle volkeren op aarde, noch zal dit in de toekomst gebeuren, tot de komst van Christus, Die “de verwachting van de naties” is  Gen.49: 10.

Terwijl we nadenken over dit aspect in de visie van Israël – het beeld van Juda’s grootste koning – herinneren we ons het verslag van Mattheüs over de intocht van onze Heer in Jeruzalem. Laat de woorden van de oude Voorvader in uw oren weerklinken, als gejubel:
Bindt Zijn veulen aan een wijnstok en het veulen van Zijn ezel aan Zijn [druiven-]takGen.49: 11.
            De Heer stuurde twee discipelen om deze dieren voor Hem te verliezen, zowel de woorden van Israël als die van de Profeet Zacharia:
• “            Jubel luid, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning komt tot u, Hij is Rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdend op een ezel, op een ezelshengst, een jong van een ezelinZach.9: 9.
• “Zegt aan de dochter van Sion: ‘ Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en rijdend op een ezel, en op een veulen, het jong van een lastdier Matth.21:  5.
            Nadat Christus de dubbele Profetieën van Jaäcob en Zacharia vervuld had,
realiseerde Hij de andere woorden, die door de aartsvader werden gesproken, tot
het hoogtepunt van een openbaring, die door de Kerk vervuld door de Heilige Geest werd onderscheiden:
• “ Want zo dikwijls gij dit Brood eet en de Beker drinkt, verkondigt
gij de dood des Heren, totdat Hij komt
1Cor.11: 26.
Hij heeft Zijn mantel gewassen in wijn en
• “Zijn kleed in het bloed van de druifGen.49: 11, voor onze redding
– het delen van Zijn heilige Kelk van Liefde, Die
de overwinning van Leven op de dood oplevert.

Kruis op weg naar de Opstanding

Zie, door het Kruis komt vreugde in de hele wereld.
Laten wij onze Heer verheffen en bejubelen,
laten we Zijn opstanding bezingen; want
doordat Hij het Kruis voor ons heeft verdragen,
heeft Hij de dood door de dood vernietigd.

Uit de [nachtelijke dienst van Pasen.
Want Heilig zijt Gij Christus, onze God en U brengen wij onze dank: aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest
” Gij allen, die in Christus zijt gedoopt, u hebt Christus aangedaan,
✸✸✸ Alleluia, Alleluia,Alleluia”.
• “Juich voor de Heer, gehele aarde, breng lof aan Zijn Heerlijkheid.
Hij heeft mijn ziel in leven gehouden,
Hij heeft mijn voeten
niet prijs gegeven aan
de afgrond“.
♨︎♨︎♨︎ ” Sta op, o God,
oordeel de aarde, want
alle volkeren behoren
slechts U toe”.

 

God staat in de goddelijke raad: in hun midden oordeelt Hij goden.
Hoelang nog zult ge onrechtvaardig oordelen, en zijt ge partijdig voor zondaars?
Doe recht aan wezen en zwakken, wees gerecht voor geringen en armen.
Verlos de behoeftige: bevrijd de arme uit de hand van de zondaar.
Zij weten niets en begrijpen niets: zij tasten rond in het duister.
Alle grondvesten der aarde wankelen en worden geschokt.
Ikzelf heb gezegd: gij zijt goden, allen zijt gij zonen van de Allerhoogste.
Toch zult ge sterven als mensen, als elk ander vorst zult ge vallen.
Sta op, o God, oordeel de aarde,
want alle volken behoren U toe“.
Psalm 81[82] vert. ROK. ‘s-Gravenhage.

Groeten aan u allen, lezers van dit schrijven
in de vreugde en hoop van de herrezen Heer, die
de poorten van Hades verwoestte met Zijn glorieuze Opstanding.
We vieren deze triomf over de dood van onze Heer en Heiland, Jezus Christus, het feest der feesten.
Opdat Zijn Licht mag blijven schijnen voor jou en je dierbaren.
Opdat uw pelgrimstocht door deze heilige dagen en uw verder leven
vreugdevol en gezegend zal zijn
als wij als één stem verkondigen:

” Χριστὸς ἀνέστη! – “Ἀληθῶς ἀνέστη! “;
Christus is opgestaan!“- ” Hij is waarlijk opgestaan!“;

Christus is verrezen!“- ” Hij is waarlijk verrezen!“;
Christ is risen! – ” Indeed, He is risen!“;
“Christus ist auferstanden!- ” Er ist wahrhaftig auferstanden!”;
” Le Christ est ressuscité ! – ” Vraiment il est ressuscité!”;
” Хрїсто́съ воскре́се!” –  “Вои́стинꙋ воскре́се!”; 
” المسيح قام “- “! بالحقيقة قام!” [al-Masīḥ qām! – Bi-l-ḥaqīqati qām!].

En Hij heeft ons het Leven geschonken,
Wij aanbidden Zijn Verrijzenis op de derde dag“, of zoals in de wereld klinkt:
Zalig Pasen!

 

 

Dit is dè ‘Gezegende Grote en Heilige Sabbath’.

AMERSFOORT & het bezoek van de koninklijke familie op Koningsdag 2019

Dit is de dag, die God heeft gemaakt, voor de wereld/Amersfoort in Nederland
een koningsdag, maar waar praten wij over:
voor òns, Orthodoxe navolgers van Christus, is dìt
dè dag van de Koning der Koningen.
Het is de dag, die de verbinding vormt tussen de Goede Vrijdag,
de herdenking van het Kruis en de dag van Christus’ Opstanding.
Op deze dag komt het liefdes-verlangen in de mens naar boven naar een nieuwe en verlossende relatie met onze Schepper.
            Voor ontzettend veel mensen blijft de ware aard en betekenis van deze ‘verbinding’ verborgen.
Er is een dag van intens verdriet en dàn een dag van overgrote Vreugde, en de rustdag daartussen zit vòl verlangen omdat de overgang anders te Groot zou zijn, uit menselijk oogpunt dienen we eerst eventjes adem-te-halen, de Heilige Geest op ons te laten inwerken.
Voor de Kerk, volgens haar Leer
– die in haar Liturgische Traditie tot uitdrukking wordt gebracht –
wordt het één niet vervangen dóór het andere.
            Dit houdt in dat, zèlfs vóór de Opstanding, al een gebeurtenis plaatsvind, waarin niet eenvoudigweg het intens verdriet door de overweldigende Vreugde vervangen wordt, maar het verdriet in de Vreugde opgaat – veranderd wordt zoals een Epiclese, dat onderdeel van het Eucharistisch Gebed waarin
de spelleider/de priester smeekt om de Goddelijke Kracht, uit de Hemelen,
Die brood en wijn verandert in het Lichaam en Bloed van Christus en
ons als Orthodoxe deelnemers, mede ontmoeting genieters,
communicanten heiligt.
Stille Zaterdag is nu juist de dag, waarop ‘dè Opstanding’ plaats vindt, wij
de dood van de vernietigende dood mogen aanschouwen.
             Dit alles komt iedere ‘Grote en Heilige Sabbath’,
de dag van rust op de 7e dag, voorafgaand aan de 8e dag,
werken en rusten mogen voor een Christen staan
in het licht van de glorieuze Morgen waarop geen avond meer volgt
– de eeuwige sabbat; de achtste dag.
    Dat zevende tijdperk echter zal onze Sabbath zijn; en
het einde daarvan zal geen avond zijn, maar
de dag des Heren, om zo te zeggen
een eeuwigdurende achtste dag,
geheiligd door de Opstanding/Verrijzenis van Christus,
die de voorafbeelding is van de eeuwige rust,
niet alleen van de geest, maar ook van het lichaam

Augustinus van Hippo, “de Stad God’s” [22: 30].

Salomo & Boek Spreuken

Wie na de periode van de Grote en Heilige Vasten toch
maar weer het boek Prediker ter hand neemt,
lijkt werelds gezien bevestigd te worden in
de gedachte dat het allemaal toch niks uithaalt en
dat werken slechts vergeefse inspanning is.
En ‘onder de zon’ kan veel arbeid metterdaad
lijken op de wind achterna lopen
[Prediker 2: 18-23; 5: 16-17].
Toch laat ditzelfde boek zien dat er een andere kant zit aan ons bezig zijn onder de zon.
Dat is bezig zijn voor God’s aangezicht.
Ook dáár heeft Prediker oog voor. Arbeid heeft niet slechts een moeitevolle kant, maar is ook een gave en bron van vreugde [Prediker 2: 24; 5: 18-19].
Deze Genadegave heeft God ons meegegeven voorafgaand aan de zondeval in de hof van Eden, het Paradijs. Daar was werken ‘een lieve lust‘; werken was daar werkelijk bezig zijn voor Gods aangezicht.
Uit zijn milde hand is de Opdracht ontvangen om Gods schepping te “ bouwen en te bewarenGen.2: 15. Onder Zijn Vriendelijke Toezicht, Zijn ogen gaf het werken rust, het was de overgave aan God’ Wil.
Werken is verbonden met het geschapen zijn naar God’s beeld.

Ieder jaar komt met name op deze Sabbath het verlangen, de liefde  tot God en het verlangen van mensen naar een hernieuwde, verlossende relatie met onze Schepper tot uitdrukking, en dit vindt ieder jaar werkelijk plaats in de prachtige ochtenddienst, die voor ons een reddend en transformerend – ‘Hier en Nu’ – wordt.

Klaagliederen
Het verdriet van Vrijdag is derhalve ook deze ochtend het thema – we keren terug
bij de Epitaaf, het graf van onze Heer en Verlosser, als een klacht over de dode.
Na het zingen van de begrafenis – troparen en een langzaam bewieroken van de kerk, gaan de dienstdoende werkers, de spelleiders, naar de Epitaaf.
We staan allen nog een maal aan het graf van onze Heer en Verlosser en
zien Zijn dood onder ogen.
Net als bij de begrafenisdienst wordt Psalm 118[119] gezongen en aan elk vers voegen we een speciale “lofzang” toe, die uitdrukking geeft aan de afschuw die de mensheid, ja de gehele schepping, ervaart als zij tegenover de dood van
onze Heer en God, de enig geboren Zoon van God staat”. [Hij, Die zetelt aan de rechterhand van de Vader, die zal weerkomen in Heerlijkheid, om levenden en doden te oordelen en aan Wiens Rijk geen einde zal zijn en de Heilige Geest, Heer en Levend-maker, Die uitgaat van de Vader en Die aanbeden wordt tezamen met de Vader en de Zoon, Die door de Profeten gesproken heeft].

Psalm 118[119] loopt ten einde:

Theotokos treurt met haar voorgeslacht

Uw al-Reine Moeder klaagt en weent [met ons] om U, omdat U gestorven bent, o Verlosser
            Heer, ik verlang na Uw Verlossing en Uw Wet is mijn overweging’.
De Geestelijke Krachten sidderen over deze ontzagwekkende graflegging, van de Schepper van het Heelal”.
            Mijn ziel leeft om U te loven, want Uw Oordelen helpen mij’.
Vroeg in de morgen kwamen de Myron-draagsters op uw graf”.
De priester  giet rozenwater op de Epitaaf:
            ‘Ik ben afgedwaald als een verloren schaap: zoek Uw dienaar, want Ue Geboden heb ik niet vergeten’.
Schenk Vrede aan Uw Kerk en aan het Volk Verlossing door Uw Opstanding uit het graf”.
            ‘Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, Heilige Drieëenheid, mijn God, Zoon en Heilige Geest, ontferm U over de wereld’.
            ‘Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, Amen’.
Maak ons waardig om de Opstanding te aanschouwen, maagdelijke Moeder, van Uw Zoon”.
           ‘Gezegend zijt Gij, o Heer, leer mij Uw Gerechtigheid’.
Het leger der Engelen stond verwonderd toen het U zag in de gedaante van de dood, de kracht van de dood vernietigend, o Verlosser; met U hebt Gij Adam opgeheven en met hem allen uit de hades bevrijdt”.
           Gezegend zijt Gij, o Heer, leer mij Uw Gerechtigheid’.
“ Gij Vrouwen, die Hem gevolgd zijt, waarom mengt u in uw medelijden de Myron met tranen? De stralende Engel riep in het graf de Myron-draagsters toe :
‘ Ziet het graf en leert van mij: de Verlosser is opgestaan uit het graf’
           ‘Gezegend zijt Gij, o Heer, leer mij Uw Gerechtigheid’.
In de vroegte zijn de Myron-draagsters wenend naar Uw graf gesneld; toen trad de Engel op hen toe en sprak: ‘de tijd van het wenen is voorbij, weent niet langer, doch meldt de Opstanding aan de apostelen’
           ‘Gezegend zijt Gij, o Heer, leer mij Uw Gerechtigheid’.
Toen de Myron-draagsters bij het graf kwamen, o Verlosser, klaagden zij wenend; de Engel echter sprak tot hen: ‘Wat zoekt ge de Levende onder de doden, Die als God is Opgestaan uit het graf’”.
           ‘Eer aan de Vader en aan de zoon en aan de Heilige Geest’
Laat ons de Vader aanbidden, en de Zoon, en de Heilige Geest: de Heilige, Éenwezenlijke Drieëenheid; terwijl de Serafijnen roepen: ‘Heilig, Heilig, Heilig zijt Gij, o God’
            ‘Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN’
Gij hebt de Leven-schenker geboren: door u Maagd, is Adam van de zonde bevrijd, en wordt Eva’s droefheid veranderd in Vreugde, want de Godmens, uit u geboren, heeft de zondaars tot het Leven geroepen
            ‘Alleluia, Alleluia, Alleluia, eer aan U, o God’       [3x herh.]

NB. Psalm 118[119] heeft voor de doorsnee gelovige een begrafeniskarakter – maar in de vroeg-christelijke Liturgische Traditie vormde deze Psalm een wezenlijk deel van de Vigilie-dienst van de Zondag, de wekelijkse herdenking van de Opstanding van Christus. De inhoud van deze Psalm heeft niets met een begrafenis te maken, maar is de meest zuivere en volledige uitdrukking voor God’s Gebod, God’s Wet, d.w.z. het goddelijk plan voor de mens en zijn leven.

Kleine litanie, waarna;
  Want U bent de Koning van de Vrede, Christus onze God, en tot U zenden wij onze lof, evenals tot Uw beenloze Vader en Uw al-Heilige Goede en levendmakende Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, Amen”.

Hierna volgt de Canon van de Metten met het thema rond de afdaling in de Hades van Onze Heer en Verlosser Jezus Christus, om het bederf van ons geslacht te herscheppen tot eeuwig Leven:
       Vergeefs bewaken jullie het graf, o [Pontius Pilatus’] wachters,
       want nooit zal de groeve kunnen vasthouden
       Hem. Die Zelf het Leven i
s’
Kleine litanie, waarna;

Lofprijzingen

” Eer aan God in den hoge en Vrede op aarde onder de mensen “

Christus’ dood is het grootste bewijs van Zijn Liefde voor de Wil van G, van Zijn Gehoorzaamheid aan Zijn Vader. Het is een daad van zuivere gehoorzaamheid, van volledig vertrouwen op God’s Wil.
Deze gehoorzaamheid tot aan het einde toe en nog verder dan dat, deze volmaakte nederigheid van de Zoon, ziet de Kerk als fundament van ons leven,
het begin van Zijn Overwinning ‘òp alles wat God dood, teniet tracht te doen’.
De Vader verlangt deze dood, deze overgave, deze gehoorzaamheid aan Zijn Gebod. De verlangde en in vrije wil opgenomen dood als mens-geworden van Zijn Zoon heeft Hij als God verlangt , de Zoon aanvaardt dit en toont ons op deze wijze een onvoorwaardelijk Geloof in de Volmaaktheid van de Wil van de Vader,
in de noodzaak van dit offer van Zijn Zoon door de Vader.

God werkt. De mens werkt.

vervulling van de opdracht; fulfillment of the assignment; εκπλήρωση της αποστολής; الوفاء بالمهمة

De samenhang tussen beide, het feit dat God werkt door ons werken,
komen we eveneens tegen in de Psalmen.
De volgende Psalm is dè Psalm van deze gehoorzaamheid en derhalve een aankondiging van het feit dat in de gehoorzaamheid ‘de Overwinning’ een aanvang vindt:
    Ik riep tot de Heer in mijn beproeving en Hij heeft mij verhoord.
Heer, red mijn ziel van on-gerechte lippen, van een arglistige tong.
Wat zal u gegeven of vergolden worden voor een bedrieglijke tong.
Pijlen van een machtige, scherp door brandend vuur.
Wee mij, hoe lang reeds duurt mijn ballingschap, dat
ik moet verblijven onder de bewoners van
Kedar [Hebr.= ‘het duister’] ?
Hoe lang reeds moet mijn ziel wonen bij hen die de Vrede haten ?
Ik was vreedzaam, maar als ik tot hen sprak, vielen zij mij aan, zonder reden

Psalm 119[120] vert. ROK. ’s-Gravenhage

Maar, verlangt de Vader deze dood? Waarom is dit beslist nodig, strikt noodzakelijk?
Het antwoord op deze vraag vormt het derde thema van deze dienst en verschijnt voor het eerst in de “Lofprijzingen” van de Metten, welke
uiteindelijk overgaan in de ‘Basilios’-Liturgie.

Nederdaling in de Hades; descent in the Hades;Ο Χριστός κατεβαίνει στον Άδη; المسيح ينحدر إلى الهاوية

Deze ‘lofprijzingen’ volgt elk vers van Psalm 119[120] en beschrijven zowel de dood van Christus als Zijn neerdalen in de Hades.
Hades [Hebr.=‘Dodenrijk’] is die toestand van duisternis, wanhoop en vernietiging die de dood is. En omdat het het rijk van de dood is, die God niet geschapen heeft, die Hij niet wilde, betekent het ook dat de overste van de wereld zeer machtig is in de wereld. Satan, zonde, dood:
– – -> dit zijn de dimensies van de Hades, Zijn inhoud.
Want de zonde komt van de satan en de Dood is het gevolg van de zonde < – – –
    Daarom, gelijk door een mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebbenRom.5: 12.
    Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot MozesRom.5: 14.
Het heelal is een universeel Kerkhof geworden en veroordeeld tot vernietiging en wanhoop. Daarom is de dood:
    De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood1Cor.15: 26. en het wezenlijk doel van de menswording van onze Heer en Verlosser [zie: de kribbe en de doodswindselen] en de vernietiging van de Dood.
Deze ontmoeting met de Dood is het “uur’ van Christus, waarvan hij zegt:
    Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hiertoe ben Ik in deze ure gekomenJohn.12: 27.
       – Hier en nu – is dit uur gekomen en de Zoon van God gaat het dodenrijk binnen. De vaderen, beschrijven dit moment als een duel tussen Christus en de dood, Christus en de satan, de tegenstrever, want deze dood zou ofwel de laatste overwinning van de satan zijn ofwel zijn beslissende nederlaag.
Het gevecht loopt in verschillende opeenvolgende toestanden.
Eerst lijkt het alsof de machten van het kwaad zullen overwinnen.
⁌   De Rechtvaardige wordt gekruisigd, iedereen – ook zijn naasten -,
verlaten Hem en Hij ondergaat een schandelijk dood.
Ook Hij gaat Hades binnen, die plaats van duisternis en wanhoop . . .
⁌   Precies op dat moment echter wordt de ware betekenis van Deze dood duidelijk:
‘ . . Hij, Die aan het Kruis sterft, heeft ‘Leven’ in Zichzelf,
      d.w.z. het Leven is voor Hem [als God] niet een gift,
      een gegeven gave, die Hem van buitenaf gegeven was en
      derhalve weer afgenomen kan worden,
      het is Zijn Wezen . .
Hij ‘is’ het Leven en de Bron van alle Leven’.
    In het Woord was Leven en
      het Leven was het Licht der mensen;
      en het Licht schijnt in de duisternis en
      de duisternis heeft het niet gegrepen
John.1: 4,5.
⁌   De mens Christus sterft, maar deze Mens is de Zoon van God.
Als mens ‘kan’ Hij werkelijk sterven, maar in Hem treedt God Zelf
binnen in het rijk van de Dood, deelt Hij als God en tegelijk mens onze dood.
Dit is de unieke, de onvergelijkelijke betekenis van de dood van Christus.
      {Hoezeer degenen, die zich in deze tijd theologen noemen
        het Zoon zijn van God’ ook ter discussie stellen}
De mens, die sterft, is God, of beter gezegd: de God-mens.
God is de Heilige Onsterf-lijke; en alleen in de eenheid
zonder vermenging, zonder verandering, zonder deling, zonder scheiding
kan God de dood van de mens ‘op Zich nemen’ en hem
van binnenuit overwinnen en vernietigen:
“ Hij overwon de dood door Zijn dood” . . .
Nu dienen zelfs die zgn theologen, met hun verstand te vatten,
⁌    waarom God de dood verlangt,
⁌   wáárdóór de Vader Zijn eengeboren Zoon overgeeft aan de Dood.
Hij verlangt de Verlossing van de mens, d.w.z. de vernietiging van de dood is niet een ‘Macht’s-daad’ van Hemzelf, zie daarvoor;
    Of meent gij, dat Ik Mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen?Matth.26: 53.
Het kan onmogelijk een geweld’s-daad zijn, zelfs niet als dat tot ons Heil zou strekken, maar een daad die voortkomt uit oneindig grote Liefde, Die vrijheid en vrijwillige toewijding aan God, waarvoor Hij de mens geschapen heeft.
Iedere andere wijze van verlossing zou in tegenstrijd geweest zijn met de natuur van de mens en daarom niet een echte verlossing.
Vandaag de menswording van de Zoon van God en de noodzaak van die God-menselijke dood . . .
⁌   In Christus herstelt de mens de gehoorzaamheid en de liefde.
⁌   In Hem overkomt de mens zonde en kwaad.
Het was/is van wezenlijk belang dat de dood niet alleen door God vernietigd werd/wordt, maar overwonnen werd/wordt in de menselijke natuur zelf, door de mens en in Hem.
Want evenals in Adam allen sterven, zo
zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden

want, dewijl de dood er is door een mens,
is ook de Opstanding van de doden door een mens
1Cor 15: 22
21.
Christus aanvaardt de dood vrijwillig; Hij zegt van Zijn Leven:
    Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weer te nemen; dit Gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen” John 10: 18.
Hij doet dit zo blijkt -niet- zònder strijd:
    En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeus mee en Hij begon bedroefd en beangst te wordenMatth.26: 37.
Dit is Zijn gehoorzaamheid ten volle uitgemeten en daarom  de vernietiging van de morele wortel van de dood, van de dood als losprijs voor de Zonde.
⁌   Het hele Leven van onze Heer en zaligmaker is – ‘in God’ – , zoals dat het geval zou dienste zijn met het leven van iedere mens [die God het Leven geeft] en het is daarom deze volledigheid van het leven, dit leven vol betekenis en inhoud, -‘vol van God’-, dat de dood [de verloedering] overwint, zijn macht vernietigt.
–   De dood is immers boven alles, gemis aan leven, vernietiging van het leven dat zichzelf afgesneden heeft van zijn enige wortel.
Omdat de dood van Christus [van de navolger van Christus] geschiedt in een beweging naar God, in gehoorzaamheid en vertrouwen gemaakt, in Geloof en Volmaaktheid, is de dood ten leven:
    Vader, in uw handen beveel Ik mijn geestLuc.23: 46;
een dood die de dood vernietigt is de dood van de dood . . . . .

Dit is de betekenis van Christus’ nederdaling ter helle;
zó wordt Zijn dood Zijn Overwinning.
En het Licht van deze Overwinning onze beleving van de wake bij het graf.
De klaagzang weerklonk en aan het slot overgaat in een jubelzang van Vreugde:
      Dat de gehele schepping jubelt,
        en alle aardbewoners zich verheugen!
       Want de vijand, de dood, is overwonnen!
       Komt vrouwen, met de Myron:
       Ik bevrijdt Adam en Eva met geheel het menselijk geslacht.
       En op de derde dag zal Ik [als mens van God,
       als ‘Zoon van God’] verrijzen
”.
Vanaf dit moment verlicht de Paas-vreugde de dienst.
We staan nog steeds vóor het graf, maar we hebben reeds gehoord,
dat dit het Leven-schenkende graf is.
tn.6.       De grote Profeet, Mozes, wees geheimenisvol [op Mystieke wijze] op deze dag,
toen Hij schreef: En God zegende de zevende dag.
Want dit is werkelijk de gezegende Sabbath, waarop
de Zoon van god uitrustte van de werken die Hij had verricht:
want door het Heilswerk te voleindigen heeft Hij aan Zijn vlees de dood gebracht.
Maar nu keert Hij terug tot Zijn vroeger Heerlijkheid, en
door Zijn Opstanding schenkt Hij ons het eeuwige Leven, want
Hij alleen is dé goede Menslievende
”.

De Metten gaat stap voor stap verder en
gaat over in de vreugde volle
Liturgie van de Heilige Basilios de Grote
Ieder jaar, op Stille Zaterdag, na de morgendienst,
wachten we op de Paasnacht en de Volheid van de Paas-Vreugde,
Zo gaat het Volk van God eens en voor goed
de rust binnen die nog uitstaat, die
hier slechts in -‘pauzes’- genoten wordt.
We weten dat de Paas-vreugde op handen is – – –
maar wat gaat de tijd dàn langzaam – – –
als kinderen zijn we
zo ongeduldig, hoe lang duurt deze dag!
Is deze prachtige rust van de Stille Zaterdag
niet het symbool van ons leven hier op aarde?
Wachtend op de Opstanding van Christus,
ons wachten op de dag zonder avond van
Zijn Hemels Koninkrijk?

  Hij die deze dingen getuigt, zegt:
     Ja, ik kom spoedig.
AMEN. Kom, Heer Jezus !
De Genade van Onze Heer en Zaligmaker,
zij met u allen
Openb.22: 20-22.

Een ieder van de lezers, die de afgelopen weken
de teksten van deze glorieuze tijd gevolgd heeft,
welke deels uit het ‘Meneon’ van
Archimandriet Adriaan Korporaal [1913 – 2002] en
de geschriften van
dr. in de Theologie A.  Schmemann [1921-1983] zijn afgeleid,
wenst de redactie u allen:
Christus is opgestaan” – “ Hij is waarlijk opgestaan”,
want wanneer u zich aan Christus verbindt en
u zich aan de hand van Hem en Zijn Woord
staande houdt, zult u deze en de komende wereld overleven.

Vrijdag in de Grote en Heilige week, ‘Goede’ Vrijdag

Blijde Boodschap in het Arabisch

– In de ogen van de wereld
– de grootsheid van het Lijden, het sterven aan het Kruis en de begrafenis
– wij leggen het stoffelijk overschot van onze Heer in een ongeschonden graf

  • In de ogen van de wereld
    Het onmogelijke zien we voor onze ogen gebeuren – het Heilige, het Sterke, het – zo geloven wij Christenen – het Onsterflijke, gaat ten onder aan menselijk geweld.
    Goede Vrijdag toont ons het dubbele Mysterie:
    De voorafgaand Metten van gisteravond werd de nadruk gelegd op het Lijden van Christus als grootste zonde, de grootste misdaad van de mensheid.
    De 12 Evangeliën lieten ons stap voor stap, lezing na lezing het Lijden en sterven van Christus volgen – het onmogelijke is geschied – het vonnis is voltrokken, het Lichaam van Christus [de Kerk] is in de ogen van de wereld vernietigd, met de grond gelijk gemaakt; de On-sterflijke is gedood. Het kan en mag toch niet mogelijk zijn dat datgene wat zo diep in het menselijk bestaan geworteld is ten onder gaat aan globalisering. Het grote Mysterie van – Christus’ aanwezig zijn – mag dan wel door één-derde van de samenleving niet langer onderwezen worden [bijzonder Onderwijs], maar het ontkennen van de Joods-Christelijke grondslagen van onze maatschappij is in mijn ogen dondergang van onze cultuur.

    beschut de kerk !

    En toch laten we het gebeuren – wordt er rond kerkelijke aangelegenheden -, daar waar ook de Kerk ‘misstappen’ heeft begaan – grootse ophef gemaakt als zou – het ‘niet’-eveneens diep geworteld liggen – in ons eigen doen en laten, de manier waarop wij momenteel onze samenleving inrichten.
    Het Mysterie van – de Goddelijke Aanwezigheid behoort niet als een lekkend dak tot de huidige samenleving van zonde en duisternis. Ons wordt een beeld voor gehouden dat het allemaal zonnegeur en maneschijn is, maar onze zinnen worden vertroebeld door het commercieel geweld.
    Daarom gebeurt het dat in een ‘Huizen’s Christelijk ouderen-onderkomen’ geen plaats meer is voor een Liturgisch samenzijn op Witte Donderdag, het wordt te duur, te bewerkelijk, dàt kunnen wij er niet meer bij hebben.
    De diensten van deze Goede Vrijdag van de Grote en Heilige week – en tenslotte in de Vespers, de dienst van Christus begrafenis, waarin de gezangen en de lezingen doorspekt zijn met beschuldigingen tegen hen, die
    willens en wetens besloten om het ‘Lichaam van Christus’ [de Kerk en haar mogelijkheden tot heropvoeding] willens en wetens om zeep
    te willen brengen en zij trachten deze moord – deze misdaad tegen de menselijkheid – te rechtvaardigen vanuit hun humanistische belevingswereld, hun politieke loyaliteit, hun praktische overwegingen en de gehoorzaamheid die ze aan hun beroep ‘verplicht‘ schijnen te zijn. Dat zij het fundament van de menselijke saamhorigheid ondergraven nemen zij op de koop toe.

  • de Grootsheid van het Lijden
    ☦️  Op Goede Vrijdag beleven Christenen over de hele wereld het hoogtepunt van dit Goddelijk Drama. Het is dè dag van de Passie van onze Heer en Verlosser, Jezus, de Christus, de Zoon van God.
    De diensten opgedragen door onze Orthodoxe Kerk in de laatste uren vóór de kruisiging, Zijn dood en begrafenis herinnert ons aan de volgende feiten:

Blijde Boodschap [uitleg] in het Arabisch:
    En wie zal u kwaad doen, als gij u beijvert voor het goede?
Al moesten jullie lijden om de Gerechtigheid,
toch zijn jullie zalig. Doch vreest niet voor hun dreiging, en laat jullie niet verschrikken.
Maar heiligt de Christus in uw harten als Heer, altijd bereid tot verantwoording aan al wie jullie rekenschap vragen van de Hoop, Die in u is, doch met zacht-moedigheid en vrees, en met een goed geweten, opdat
bij al het kwaad, dat men van jullie spreekt, zij die uw goede wandel in 
Christus smaden, beschaamd gemaakt worden.
Want het is beter te lijden, indien de Wil van God 
dit eist, goed doende dan kwaad doende1Petr.3: 13-17.

 

Logo AOKN

Ons [Orthodox] Geloof heeft de Hoop als basis en
1.]. wij trachtten daarin vooruitgang te boeken slaan ook wel eens de plank mis, wij zijn mensen echt geen [lievertjes] goden ,
2.]. maar trachten aan God een voorbeeld te nemen en Hem in Zijn Grootsheid, Zijn Sterkte te volgen en
3.]. wij ervaren onszelf daarin in ons dagelijks leven [in de wereld] gesteund.
Deze gedrevenheid ‘met God op weg te zijn’ is niet van vandaag of gisteren, dat is een bewezen weg, die al sinds mensenheugenis in de Jood’s- Christelijke samenleving haar sporen verdiend heeft.
➥✥➥  Daarom roepen wij onze kinderen, elkaar en onze omgeving met Christus op:
    Komt tot Christus, allen, die vermoeid en belast zijt, en Hij zal u rust geven; neemt Zijn juk op u en leert van Hem, want Hij is zachtmoedig en nederig van hart, en jullie zullen allemaal, niemand uitgezonderd, rust vinden voor jullie zielen; want Zijn juk is zacht en Zijn last is licht” conf. Matth.11: 28-30.

  • het sterven aan het Kruis en de begrafenis
    Christus is na de arrestatie van de Olijfberg, berecht en veroordeeld door de Hoge Priesters.
    De rechtszaak was uiteraard maar een formaliteit, omdat het vonnis van deze Onschuldige was reeds uitgesproken voordat onze Heer zelfs ook maar was gearresteerd. De Leidinggevenden van de wereld wilden Zijn [en onze] dood.
    Maar omdat ze de wettelijke bevoegdheid niet bezaten, diende het vonnis -op hun aanwijzingen- onder druk te worden geveld door [de politiek in de hoedanigheid van] de Romeinse gouverneur.
    Die jarenlange commandant in Jeruzalem was Pilatus.
    In het heen en weer gesleept van onze Heer en de opgeruide menigte, op aandringen van [hun op de wereld gerichtte] Geloof’s-oudsten vernemen wij het geschreeuw dat onze Heer gekruisigd dient te worden.
    Er is/was een gewoonte onder hen, dat op de dag van de Joodse Pascha, de Romeinen een gevangene Jood vrij zouden laten [het voorspiegelen van voordeel en vooruitgang].
    Pilatus, die niet verantwoordelijk voor de kruisiging van Christus wenste te zijn, vroeg hij de menigte te kiezen tussen de Godmens Christus en Barabas, een rebel en een moordenaar, welke degene zou worden, die vrijgelaten werd [Wie is nog te vertrouwen].
    De menigte, door godslastering opgezweept, verkreeg als gevolg van intimidatie daarna onmiddellijk van Pilatus het mandaat Christus naar de binnenplaats, het Pretorium te leiden. Onmiddellijk daarna en het mandaat langere Pilatus Christus geleid in de binnenplaats van het Pretorium [d.w.z. de Romeinse  (Διοικητηριου administratieve plaats ) Rechtsgebouw].
    Daar omhangen de Romeinse soldaten een paarse mantel om het vrijwillig slachtoffer en geven onze Heer en doornkrans.
    Spottend noemden ze hem de “Koning der Joden“, ze sloegen hem en bespuugden Hem. De tijd van de kruisiging is nabij.
    Jezus wordt met het Kruis belast waarop Hij zal worden gekruisigd en wordt naar de Calvarieberg [de schedelplaats] buiten de stad Jeruzalem geleid.
    Onderweg kan hij het gewicht van het Kruis, gevolgd door het vallen niet weerstaan.
    De Romeinen hebben Simon, de Cyrene, op dat ogenblik opgedragen, om dat zware Kruis van de gemartelde mens over te nemen en verder te dragen.
verblijf houden aan de open zijde van Christus; abiding by the Open Side of Christ.

Na een periode aan het Kruis roept de Heer uit:
Het is volbracht” en aldus brengt onze Heer Zijn onmenselijke, maar Goddelijk gedragen taak ten einde: “het Lam Gods, Dat wegneemt de zonden van de wereld“, nadat hij degenen die verantwoordelijk zijn/waren voor Zijn dood heeft vergeven.
Bij de dood van onze Heer en Zaligmaker wordt hij door de soldaten doorstoken in Zijn zijde en loopt er bloed en water uit Zijn borst.
De natuur geeft aan dat er hier sprake is van een bovennatuurlijk gebeuren, doden in de omgeving van Jeruzalem staan op uit het graf en verschijnen aan hun familie.
Ten slotte, bij zonsondergang, is het Joseph van Arimathea en Nicodemus, twee leden van de Joods raad, die zich heimelijk bij Hem aangesloten hadden, die samen met zijn naaste leerling en de vrouwen het stoffelijk overschot, het Lichaam van Christus mogen bergen, de hoofdman heeft daar bij Pilatus van getuigd, dat Hij reeds gestorven was – er vloeide bloed en water.
Het Heilig Lichaam van onze Heer en Leraar wordt in een witte lijkwade gelegd en begraven in een nieuw grafmonument en afgesloten met een Groot rotsblok, een immens zware steen.

De ceremonie van de Opstanding vindt in de Orthodoxe Kerken plaats in de ochtend volgend op de grote [goede] Vrijdag. Terwijl de avond/nacht in deze de processie van het Epitaphion [icoon van Christus in het graf] wordt gehouden.
De klokken van al de Orthodoxe kerken geven dit de gehele dag weer door de rouwklanken te verspreiden.
Deze dag wordt een zeer streng, zware vasten aangehouden en is zelfs de olie verboden. Veel gelovigen hebben de neiging om op de Goede Vrijdag voorafgaand aan Pasen een beetje azijn [oude- en verzuurd geworden wijn] te drinken, hetgeen hen herinnert aan het ogenblik dat onze Heer water en bloed liet vloeien op de laatste momenten van Zijn aardse leven te herdenken.
– De Traditie verbiedt -om het even- welk werk ook te verrichten deze dag.

Het derde uur:
      Dit is de Dienstknecht des Heren:
De Heer der Heerscharen heeft mij als een leerling leren spreken om met het woord de moede te kunnen ondersteunen.
Hij wekt elke morgen, Hij wekt mij het oor, opdat ik hore zoals leerlingen doen. De Heer de Heerscharen heeft mij het oor geopend en ik ben [nu eens]
niet weerspannig geweest, ik ben niet terug-gedeinsd.
Mijn rug heb ik gegeven aan wie sloegen, en mijn wangen aan wie mij de baard uittrokken; mijn gelaat heb ik niet verborgen voor smadelijk speeksel.
Maar de Heer der Heerscharen helpt mij, daarom werd ik niet te schande; daarom maakte ik mijn gelaat als een keisteen, want ik wist, dat ik niet beschaamd zou worden.
Hij is nabij, die mij recht verschaft; wie wil met mij een rechtsgeding voeren?
Laten wij samen naar voren treden.
Wie zal mijn tegenpartij in het gericht zijn? Hij zal tot mij naderen.
Zie, de Heer der Heerscharen helpt mij, wie zal mij dan schuldig verklaren?
Zie, zij allen vergaan als een kleed, de mot zal ze verteren.
Wie onder u vreest de Heer, wie hoort naar de stem van zijn knecht?
Wanneer hij in diepe duisternis wandelt, van licht beroofd, zal
hij op de Naam des Heren vertrouwen en steunen op zijn God.
Zie, gij allen die vuur ontsteekt, u met brandpijlen uitrust,
gaat in de vlam van uw eigen vuur en onder de brandpijlen die gij aangestoken hebt. Van mijn hand overkomt u dit, in pijn zult gij neerliggen
“ Isaiah 50: 4-11.

“     Broeders, zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te Zijner tijd voor goddelozen is gestorven.
Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven
– maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven -.
God echter bewijst Zijn Liefde jegens ons, doordat
Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is.
Veel meer zullen wij derhalve, thans door Zijn Bloed gerechtvaardigd,
door Hem behouden worden van de toorn.
Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn
door de dood van Zijn Zoon, zullen wij veel meer,
nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft; en dat niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Heer Jezus Christus,
door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebbe
n” Rom.5: 6-11.

      En terstond, ’s-morgens vroeg, stelden de overpriesters met de oudsten en schriftgeleerden, de gehele Raad, een besluit vast, en
zij boeiden Jezus en zij leidden Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus.
En Pilatus ondervroeg Hem:
‘ Zijt Gij de Koning der Joden?’.
En Hij antwoordde hem en zei: ‘ Gij zegt het’ .
En de overpriesters brachten vele beschuldigingen tegen Hem in.
En Pilatus vroeg Hem wederom [en zei]:
Geeft Gij niets ten antwoord? Zie, hoeveel beschuldigingen zij tegen U inbrengen.
Doch Jezus gaf hem niets meer ten antwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.
En bij elk feest liet hij hun een gevangene los, voor wie zij dit vroegen.
Nu was er iemand, genaamd Barabbas, gevangengezet met de oproermakers, die in het oproer een moord begaan hadden.
En de schare kwam naar voren en begon te eisen, dat hij hun deed, zoals hij gewoon was. Pilatus antwoordde en zei tot hen:
Wilt gij, dat ik u de Koning der Joden loslaat?
Want hij bemerkte, dat de overpriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden.
Doch de overpriesters zetten de schare op, dat hij hun liever Barabbas zou loslaten.
Pilatus antwoordde en zei wederom tot hen:
Wat moet ik dan doen met Hem, die gij de Koning der Joden noemt?
En zij schreeuwden wederom: Kruisig Hem!
Pilatus zei tot hen: Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan? Zij schreeuwden des te meer: Kruisig Hem!
Pilatus oordeelde het geraden de schare haar zin te geven en hij liet hun daarom Barabbas los en gaf Jezus, na Hem gegeseld te hebben, over om gekruisigd te worden.
De soldaten nu leidden Hem weg tot binnen het hof, dat is het gerechtsgebouw, en riepen de gehele afdeling bijeen.
En zij trokken Hem een purperen kleed aan en zetten Hem een kroon op, die zij van doornen gevlochten hadden. En zij begonnen Hem te begroeten:
Wees gegroet, Gij Koning der Joden!
En zij sloegen Hem met een riet op het hoofd en bespuwden Hem en zij vielen op de knieën en bewezen Hem hulde. En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem het purperen kleed uit en deden Hem Zijn klederen aan. En zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen.
En zij presten een voorbijganger om Zijn Kruis te dragen, een zekere Simon van Cyrene, die van het land kwam, de vader van Alexander en Rufus.
En zij brachten Hem op de plaats Golgotha, hetgeen betekent Schedelplaats.
En zij gaven Hem wijn, met mirre gemengd, doch Hij nam die niet.
En zij kruisigden Hem en verdeelden zijn klederen door het lot te werpen, wat ieder ervan krijgen zou.
Het was het derde uur, toen zij Hem kruisigden.
En het opschrift, dat de beschuldiging tegen Hem vermeldde, luidde: De Koning der Joden.En met Hem kruisigden zij twee rovers, een aan zijn rechterzijde en een aan zijn linkerzijde.
[En het schriftwoord is vervuld geworden, dat zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.]
En de voorbijgangers spraken lastertaal tegen Hem, schudden hun hoofd en zeiden:
Ha, Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, kom af van het kruis!
Evenzo spotten de overpriesters onder elkander samen met de schriftgeleerden, en zij zeiden:
Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Laat de Christus, de Koning van Israel, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven.
Ook die met Hem gekruisigd waren beschimpten Hem.
En toen het zesde uur aangebroken was kwam er duisternis over het gehele land tot het negende uur.
En op het negende uur riep Jezus met luider stem:
Eloi, Eloi, lama sabachtani, hetgeen betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
En sommige van de omstanders, dit horende, zeiden:
Zie, Hij roept Elia.
En iemand liep toe, drenkte een spons met zure wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken, zeggende: Stil, laat ons zien, of Elia komt om Hem eraf te nemen.
En Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.
En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot beneden.
Toen de hoofdman, die tegenover Hem stond, zag, dat Hij zo de geest gegeven had, zei hij: Waarlijk, deze mens was een Zoon Gods.
Er waren ook vrouwen, die uit de verte toeschouwden, onder wie ook Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, de jongere, en van Joses, en Salome, die, toen Hij in Galilea was, Hem volgden en Hem dienden, en vele andere vrouwen, die met Hem opgegaan waren naar Jeruzalem
” Marc.15: 1-41.

Kruis, spaanse tekst Isaiah 53-4,5

Heden is opgehangen aan een boom [het Hout, het Kruis] Hij Die de aarde boven de wateren  hing.
Heden is opgehangen aan een boom [het Hout, het Kruis] Hij Die de aarde boven de wateren  hing.
Heden is opgehangen aan een boom [het Hout, het Kruis] Hij Die de aarde boven de wateren  hing.
De Koning der Engelen draagt een Kroon van doornen,
Hij, Die de Hemel met wolken bekleedt, wordt in spottend purper gehuld.
Hij, Die in de Jordaan Adam weer heeft vrijgemaakt, wordt in het gelaat geslagen.
De Bruidegom van de Kerk wordt met spijkers vastgenageld;
de Zoon van de Maagd wordt met een lans doorboord.
Wij aanbidden Uw Lijden, o Christus;
Wij aanbidden Uw Lijden, o Christus;
Wij aanbidden Uw Lijden, o Christus;
Toon ons nu ook de Heerlijkheid van Uw Verrijzenis
 ”.

negende uur:

This is a lover of men‘, Saint Jeremiah, the Prophet [Jeremy, Ιερεμίας]

      De Heer nu heeft het Mij geopenbaard [Mij doen weten] en zo bemerkte ik het: toen hebt Gij Mij hun daden laten zien!
Ik Zelf was als een argeloos Lam, dat ter slachting geleid wordt, en ik wist niet, dat zij zulke plannen tegen mij smeedden, zeggend:
Laat ons [hout, op Zijn brood leggen] de Boom [des Levens] met Zijn vrucht verderven, laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, opdat aan Zijn Naam niet meer gedacht zal worden!’.
          Maar, Heer der heerscharen, rechtvaardige Rechter, Die nieren en hart toetst,
ik zal Uw Wraak aan hen zien, want op U heb ik mijn rechtszaak gewenteld!
Daarom zegt de Heer aldus van de mannen van Anatot [Hebr.= ‘als antwoord op gebed of gebedsverhoring’] , die u naar het leven staan en zeggen:
– ‘Profeteer niet in de Naam des Heren, of gij sterft door onze hand’ -.
Daarom zegt de Heer der heerscharen aldus:
Zie, Ik zal bezoeking over hen doen; de jonge mannen zullen sterven door het zwaard,  hun zonen en dochters zullen sterven door de honger, niemand van hen zal overblijven; want Ik zal onheil brengen over de mannen van Anatot
in het jaar van hun bezoeking.
Het recht hebt Gij aan Uw zijde, Heer, als ik met U zou twisten; toch wil ik over rechtszaken met U spreken:
Waarom is de weg der goddelozen voorspoedig, en
zijn zonder zorg allen die zich trouweloos gedragen?
Gij hebt hen geplant, ook hebben zij wortel geschoten;
zij wassen, ook zetten zij vrucht.
Nabij zijt Gij in hun mond, maar ver van hun binnenste.
Gij, o Heer, kent mij toch, Gij ziet Mij en toetst Mijn gezindheid jegens U.
Ruk hen weg als slachtschapen en wijd hen voor de dag der slachting.
Hoelang moet het land kwijnen en het gewas van het gehele veld verdorren?
Om de boosheid van hen die er wonen, is
vee en gevogelte verdwenen
[ons milieu !!!], want zij zeggen:
Hij zal ons einde niet zien.
Als gij met voetgangers loopt, maken zij u moede;
hoe zult gij dan een wedloop beginnen met paarden?
In een vredig land voelt gij u niet veilig;
hoe zult gij het dan maken in de pronk van de Jordaan?
Want zelfs uw broeders en het huis van Uw Vader,
zelfs zij zijn trouweloos jegens u, zelfs zij roepen u luidkeels na;
vertrouw hen niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken.
Ik heb mijn huis verlaten, mijn erfdeel verworpen;
Ik heb mijn zielsgeliefde gegeven in de greep van haar vijanden.
Mijn erfdeel was Mij geworden als een leeuw in het woud,
het had tegen Mij gebruld; daarom ben Ik het gaan haten.
Een bont-gevederde vogel was Mij mijn erfdeel;
de roofvogels komen er van alle kanten op af.
Gaat heen, verzamelt al het gedierte van het veld,
doet het komen om te eten!
Vele herders hebben Mijn wijngaard verwoest,
Mijn akker vertrapt,
Mijn kostelijke akker gemaakt tot een woeste steppe,
Zij hebben hem tot een woestenij gemaakt;  treurig, verwoest ligt hij voor Mij,
verwoest is het gehele land;  niemand echter neemt het ter harte.
Op alle kale heuvels in de woestijn zijn verwoesters gekomen, want
het zwaard des Heren verslindt van het ene einde van het land tot het andere,
niemand heeft
[nog] Vrede.
Zij hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid,
zij hebben zich afgetobd zonder enige bate.
Ja, staat beschaamd over de opbrengst die gij hebt verkregen
ten gevolge van de brandende toorn des Heren.
Zo zegt de Heer:
Aangaande al de boze naburen, die losslaan op het erfdeel,
dat Ik aan Mijn volk,  aan Israël
[de Kerk], ten erfdeel gegeven heb:
zie, Ik ruk hen weg van hun bodem, en  het huis van Juda ruk Ik weg uit hun midden.
Maar nadat Ik hen heb weggerukt,  zal Ik Mij weer over hen erbarmen en hen terugbrengen,  een ieder naar zijn erfdeel en een ieder naar zijn land
“ Jeremia 11: 18- 12: 15.

     Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, en wij een grote priester over het huis Gods hebben, laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het Geloof, met een hart, dat door besprenkeling gezuiverd is van besef van kwaad en  met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water.
Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want
Hij, Die beloofd heeft, is getrouw.
En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Wij dienen onze eigen bijeenkomst niet te verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn,  maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen.
Want indien wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis der waarheid gekomen zijn, blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur, dat de weerspannigen zal verteren.
Indien iemand de Wet van Mozes terzijde heeft gesteld,  wordt hij zonder mededogen gedood op het getuigenis van twee of drie personen.
Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal hij verdienen, die de Zoon van God met voeten heeft getreden, het Bloed van het Verbond, waardoor hij geheiligd was,
onrein geacht en de Geest der genade gesmaad heeft?
Want wij weten, Wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden!
En wederom: De Heer zal Zijn Volk oordelen
“ Hebr.10: 19-31.

“           Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw.
En het was vroeg in de morgen; doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten.
Pilatus dan kwam tot hen naar buiten en zei: Welke aanklacht brengt gij tegen deze mens in?
Zij antwoordden en zeiden tot hem:
Indien Hij geen boosdoener was, zouden wij Hem niet aan u overleveren!
Pilatus dan zei tot hen:
Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uw wet.
De Joden dan zeiden tot hem:
Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen; opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had, aanduidende, welke dood Hij sterven zou.
Pilatus dan keerde terug in het gerechtsgebouw en riep Jezus en zei tot Hem:
Zijt Gij de Koning der Joden?
Jezus antwoordde:
Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken?
Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood?
Uw Volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?
Jezus antwoordde:

-‘niet van deze wereld’-

Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien Mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd;
nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.
Pilatus dan zei tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning?
Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar Mijn stem.
Pilatus zei tot Hem: Wat is waarheid? En na dit gezegd te hebben, kwam hij weer
naar buiten tot de Joden en zei tot hen: Ik vind geen schuld in Hem. Maar bij u bestaat het gebruik, dat ik u op Pascha iemand loslaat: wilt gij dan, dat ik u de Koning der Joden loslaat?
Zij schreeuwden dan wederom en zeiden:
Hem niet, maar Barabbas! En Barabbas was een rover.
Toen nam dan Pilatus Jezus en liet Hem geselen.
En de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen kleed om, en zij traden op Hem toe en zeiden:
Gegroet, Koning der Joden! En zij gaven Hem slagen in het gelaat.
En Pilatus kwam wederom naar buiten en zeide tot hen:
Zie, ik breng Hem voor u naar buiten, opdat gij weet, dat ik geen schuld in Hem vind. Jezus dan kwam naar buiten met de doornenkroon en het purperenkleed.

En [Pilatus] zei tot hen: ‘Zie, de mens!’.
Toen dan de overpriesters en hun dienaars Hem zagen, schreeuwden zij en zeiden:
Kruisigen, kruisigen!
Pilatus zei tot hen:
Neemt gij Hem en kruisigt Hem: want ik vind geen schuld in Hem.
De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want  Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.
Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog meer bevreesd en  hij ging weer het gerechtsgebouw binnen en zei tot Jezus:
Waar zijt Gij vandaan?
Maar Jezus gaf hem geen antwoord.
Pilatus dan zei tot Hem:
Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen?
Jezus antwoordde:
Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven zou zijn:  daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde.
Van toen af trachtte Pilatus Hem los te laten, maar de Joden schreeuwden en zeiden:
Indien gij deze loslaat, zijt gij geen vriend van de keizer; een ieder, die zich koning maakt, verzet zich tegen de keizer.
Pilatus dan hoorde deze woorden en hij liet Jezus naar buiten brengen en zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Litostrotos, in het Hebreeuws Gabbata.
En het was Voorbereiding voor het Pascha, ongeveer het zesde uur, en hij zei tot de Joden:
Zie, uw koning!
Zij dan schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!
Pilatus zei tot hen:
Moet ik uw koning kruisigen?
De overpriesters antwoordden:
Wij hebben geen koning, alleen de keizer!
Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden. Zij dan namen Jezus en
Hij, Zelf Zijn Kruis dragende, ging naar de zogenaamde Schedelplaats, in het Hebreeuws genaamd Golgota, waar zij Hem kruisigden en met Hem twee anderen, aan weerszijden een, en Jezus in het midden.

Jezus, de Nazoreeër, de koning der Joden

En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven: Jezus, de Nazoreeër, de Koning der Joden. Dit opschrift dan lazen vele der Joden, want de plaats, waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad, en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks. De overpriesters der Joden dan zeiden tot Pilatus:
Schrijf niet: De Koning der Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.
Pilatus antwoordde: ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven’.
Toen dan de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen zij Zijn klederen en maakten daarvan vier delen, voor iedere soldaat een deel, en zijn onderkleed.
Dit kleed nu was zonder naad, aan een stuk geweven.
Zij zeiden dan tot elkander:
Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten, voor wie het zijn zal;
zodat het schriftwoord vervuld werd:
Zij hebben Mijn klederen onder elkander verdeeld en over Mijn kleding
hebben zij het lot geworpen.
Dit hebben dan de soldaten gedaan.
En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Cleophas en Maria van Magdala.

‘Vrouw, zie uw zoon’ [detail, nagels vlgns Orthodoxe Traditie]

Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande,
zei Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.
Daarna zeide Hij tot de discipel:
Zie, uw moeder.
En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis.
Hierna zei Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden:
Mij dorst!
Er stond een kruik vol zure wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysop-stengel en brachten die aan zijn mond.Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zei Hij: ‘Het is Volbracht’

– ‘Het is Volbracht’ –


De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven – want de dag van die sabbat was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden.
De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was braken zij Zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in Zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit.
En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de Waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft.
Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden:
Geen been van Hem zal verbrijzeld worden.
En weer zegt een ander schriftwoord:
Zij zullen zien op Hem, die zij doorstoken hebben
“ John.18: 28- 19: 37.

De uren, die de dagelijks gebruikelijke Liturgie vervangen – het Mysterie van Christus’ Aanwezigheid behoort niet tot deze/onze huidige wereld van ‘zonde en duisternis’ en
daarom is het ook strikt verboden om op deze dag Liturgie te vieren !!!

  • Wij leggen gezamenlijk het stoffelijk overschot van onze Heer
    in een ongeschonden graf

Prokimenon
tn.6.Zij hebben mij geworpen in de diepste put, in de duisternis en de schaduw des doods“.
“Heer, God van Mijn heil, Ik roep dag en nacht voor Uw aanschijn”
herh. ” Zij hebben mij geworpen in de diepste put, in de duisternis en de schaduw des doods“.

Apostellezing:
”     Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een Kracht van God.
Want er staat geschreven: ‘  Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen’.
Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt?
Want daar de wereld in de Wijsheid van God door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het aan God behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen die geloven.
Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, [prediken wij] Christus, de Kracht van God en de Wijsheid van God.
Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen.
Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken.
Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wel iets is, zijn kracht te ontnemen, opdat geen vlees zou roemen voor God.
       Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing, opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie roemt, dient te roemen in de Heer.
Ook ben ik, toen ik tot u kwam, broeders, niet met schittering van woorden of wijsheid u het getuigenis van God komen brengen.
Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd1Cor.1: 18-2: 2.

‘de dood’, ascetische afb.

”     Red mij, God, want de wateren zijn binnen gedrongen in mijn ziel.
Ik zink weg in diep slijk, er is geen grond onder mijn voeten.
Ik ben geraakt in de diepte der zee, de stormvloed heeft mij overstroomd.
Ik ben uitgeput door het roepen, mijn keel is hees, mijn ogen begeven het, terwijl ik toch vertrouw op mijn God.
Talrijker dan de haren op mijn hoofd zijn zij die mij haten zonder reden; mijn vijanden hebben de overhand, die mij ten onrechte vervolgen.
Hoewel ik niets geroofd had, moest ik toch vergoeding geven.
God, Gij kent mijn dwaasheid; mijn overtredingen zijn voor U niet verborgen.
Heer, laat hen die U verbeiden niet over mij beschaamd staan, Heer der heerscharen.
Laat hen die U zoeken, God van Israël; niet omwille van mij te schande worden.
Want om U word ik versmaad, schaamrood overdekt mijn gezicht.
Ik ben een vreemdeling voor mijn broeders, een onbekende voor de zonen van mijn moeder.
Want de ijver voor uw Huis heeft mij verteerd; de versmading van hen die U smaden is op mij gevallen.
Toen ik mijn ziel door vasten vernederde, werd het mij tot smaad; toen ik mij hulde in een boetekleed, gebruikten zij mij als spreekwoord.
Die in de poort zitten belasteren mij; de wijndrinkers zingen een spotlied over mij.
Maar ik richt mijn gebed tot U, Heer; nu is het tijd om Genadig te zijn.
God, verhoor mij in de volheid van Uw barmhartigheid, in de Waarheid van Uw verlossing.
Red mij uit het slijk, opdat ik er niet in zal wegzinken; bevrijd mij van hen die mij haten, uit de diepte der wateren.
Laat de stormvloed mij niet overstromen. noch de afgrond mij verzwelgen; laat de kuil zich niet boven mij sluiten.
Verhoor mij Heer, want Uw Barmhartigheid is  goed; zie op mij neer volgens de menigte Uwer Ontfermingen.
Wend Uw aangezicht niet af van Uw dienaar, verhoor mij haastig wanneer ik gekweld word.
Kom tot mijn ziel om haar te verlossen, bevrijd mij van mijn vijanden.
Gij kent immers mijn smaad en mijn schande, hoe het schaamrood mij overdekt.
Voor Uw ogen zijn allen die mij kwellen: mijn ziel verwacht smaad en ellende.
Ik wacht op een medelijdende, maar er is er geen; op een trooster, maar ik heb niemand gevonden.
Voor spijs gaven zij mij gal; in mijn dorst drenkten zij mij met azijn.
Hun tafel wordt hun tot strik, tot vergelding en struikelblok.
Hun ogen worden verduisterd, zodat zij niet meer zien; hun rug is voor altijd gekromd.
Want Gij giet Uw toorn over hen uit, Uw grimmige woede zal hen grijpen.
Hun woonstee veranderd in verlatenheid, er is niemand meer om te wonen in hun tenten.
Want hen die Gij geslagen had, hebben zij vervolgd; en aan de pijn van hun wonden hebben zij nog toegevoegd.
Daarom voegt Gij zonde bij hun zonden; zij zullen niet ingaan in Uw gerechtigheid.
Zij worden gewist uit het Boek der levenden, en niet ingeschreven met de rechtvaardigen.
Ik ben ellendig en vol pijn; God, laat Uw Heil mij opnemen.
Dan zal ik de naam van God loven met een lied; ik zal Hem verheffen met lofzang.
Dat zal God meer behagen dan een jong kalf met horens en hoeven.
Mogen de armen het zien en zich verheugen: zoekt God, dan zal uw ziel gezocht worden.
Want de Heer heeft de arme verhoord; Hij heeft Zijn gevangenen niet gering geacht.
Dat hemel en aarde Hem loven, de zee en alles wat zich daarin beweegt.
Want God zal Sion verlossen, de steden van Judea zullen weer opgebouwd
worden. Men zal daar wonen en ze ontvangen als erfdeel.
Het zaad van Uw dienaren zal ze bezitten; wie Uw naam liefhebben, zullen daarin wonenPsalm 68[69] vert. ROK. ‘s-Gravenhage

Apostichen:

tn.2.  ”   Toen Josef van Arimathea [Hebr.= ‘hoogten’] U, het Leven van allen, als een dode had afgenomen van het Kruis, wikkelde hij U met Myron in lijnwaad.
Vol liefde snelde hij toe om met hart en mond Uw zuiver Lichaam te kussen.
In ontzag riep hij vol vreugde uit:
Ere zij Uw nederdaling tot ons, o Menslievende

” De Heer is Koning: met Heerlijkheid heeft Hij Zich omkleed” [uit: Ps.92[93]]

tn.4.  ”   In een nieuw graf werd U neergelegd, voor allen, Bevrijder van alles. Op dit gezicht werd de allen bespottende hades met vrees vervuld” zijn grendels werden verbroken, zijn poorten uitgerukt; de graven openden zich, de doden stonden op.
toen riep Adam in dankbare vreugde uit:
‘Ere zij Uw nederdaling tot ons, o Menslievende

Hij heeft heel de wereld gegrondvest; zij staat onwankelbaar ” [uit: Ps.92[93]]

Ingang tot de grafkamer Jeruzalem

tn.4.  ”   Als mens hebt Gij U vrijwillig laten sluiten in een graf,
Die als God niet omvat kan worden door de oneindigheid.
Toen hebt U de holen van de dood geopend, en
de heerschappij van de dood vernietigd.
Zo hebt U aan deze Sabbat-dag Uw Goddelijke Zegen en Heerlijkheid geschonken“.

” Uw Huis, Heer, past Heiliging tot in lengte van dagen” [uit: Ps.92[93]]

tn.4.  ”   Toen de Hemelse Machten aanschouwden
hoe U als een verleider werd overgeleverd aan de laster van de wettelozen,
deed Uw lankmoedigheid [toegevendheid]  hen beven van ontzag,
omdat Uw grafsteen door dezelfde handen verzegeld werd, 
die Uw al-reine Zijde met een Lans hadden doorboord.
Toch zagen zij vol vreugde hoe wij daardoor werden verlost, en zij riepen tot U:
Ere zij Uw nederdaling tot de mensen, o Menslievende“.

Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN“.

tn. (5) 8.  ”   Gij, Die U met Licht bekleed als met een gewaad,
wordt van het Kruis afgenomen door
Josef van Arimathea en Nikodemos [Hebr.= ‘overwinnaar van het volk’].
Toen deze U in deze toestand zag: dood naakt en onbegraven,
hief hij vol tederheid onder tranen een treurlied aan:
‘  Wee mij, beminde Jezus; toen de zon U zag hangen aan het Kruis,
bekleedde zij zich met duisternis; de aarde beefde van vrees;
en de voorhang van de Tempel scheurde door-midden.
Nu zie ik hoe U om mij vrijwillig in de dood zijt neergedaald.
Hoe kan i U, Die mijn God zijt, begraven?
Welk passend lied kan ik zingen bij Uw dood, Medelijdende?
Ik verhef Uw heilig Lijden; ik bezing Uw begrafenis, maar
ook Uw Opstanding uit de doden en
ik roep tot U: Heer, eer aan U’“.

Cantiek van Simeon:
”     De rechtvaardige Jozef nam Uw aller-zuiverst Lichaam van het Kruis. 
En hij wikkelde Het met Myron in een zuiver linnen doek.
Daarna legde hij het i een nieuw graf.
Toen Gij, het on-sterflijke Leven nederdaalde in het graf, 
hebt Gij de onderwereld gedood door de bliksem van de Godheid en
toen Gij de gestorvenen hebt opgewekt, riepen alle Machten der Hemelen:
Christus onze God, Schenker des Levens, Ere zij U”

”     De Engel bij het graf riep tot de Myron-draagsters:
Myron past voor de gestorvenen,
Christus echter bleef vrij van het bederf”

”     Wij groeten de gedachtenis aan Josef, die in de nacht naar Pilatus ging
om hem het Leven van alles te vragen:
Geef mij die Pelgrim, Die niets bezet om het hoofd neer te leggen.
Geef mij die Pelgrim, Die door een bedorven leerling verraden is.
Geef mij die Pelgrim, Dien Zijn Moeder heeft zien hangen aan het Kruis.
Hoe riep zij uit in grote smart:
‘ Wee mij mijn kind.
‘ Wee mij mijn Licht en Beminde uit mijn vlees.
Hoe is dit gebeurd?
Simeon’s voorspelling in de Tempel is nu vervuld:
een zwaard heeft mijn hart doorboord.
Maar maak mijn smart tot vreugde door Uw Opstanding.
Wij aanbidden Uw Lijden, O Christus.
Wij aanbidden Uw Lijden, O Christus.
Wij aanbidden Uw Lijden, O Christus; en
Uw heilige Verrijzenis“.

En wanneer wij aan het einde van de dag bij de Vespers de icoon van Christus in het graf in het midden van het kerkgebouw [welke wij als gasten ‘onverdiend’ ter beschikking hebben gekregen]
neerleggen, als deze dag ten einde loopt, weten we da het einde bereikt is van een lange Heilsgeschiedenis.
De zevende dag, de rustdag, de gezegende Sabbat-dag komt en
brengt ons de Openbaring van het Levenschenkende Graf . . . . .
Het is het begin van de ‘Grote en Heilige Sabbath’,
de dag, die de verbinding vormt tussen Goede Vrijdag, de herdenking van het Kruis en
de dag van de Opstanding.

Toen Gij, de Verlosser van alles en allen,
voor alles en allen in een nieuw Graf was gelegd,
zag Hades, die niemand respecteert, U en
kromp ineen van angst.
De tralies werden gebroken, de deuren werden verbrijzeld,
de graven werden geopend, de doden verrijzen/ staan op uit de dood.
Toen riep Adam [en wij met Hem] zich [/ons] dankbaar verheugend,
uit tot U:
Ere zij Uw vernedering, O Barmhartige Meester
”.

NB. Voor velen blijft de ware aard van de
verbinding tussen Goede Vrijdag en de gezegende Sabbat-dag,
de noodzakelijkheid van deze “middelste dag’ verborgen.
Voor het overgrote deel van de Kerkgangers zijn
de belangrijkste dagen van de Grote en Heilige Week:
Vrijdag en Zondag, het Kruis, gevolgd door de Opstanding,
wat de wereld er ook van mag vinden/denken.

Vrijdag in de Grote en Heilige week, Goede Vrijdag, beginnend in de avonddienst van Witte Donderdag – de grootsheid van het Lijden, het sterven aan het Kruis, kortom de Heilige Passie van de Godmens 

In de avond voorafgaand aan Goede Vrijdag, dus de donderdagavond
is er een Metten-dienst, met een samengesteld gedeelte uit de Blijde Boodschap;
aangezien vandaag acht wordt geslagen op diverse hoogtepunten bestaande
uit de kruisiging van de Godmens.

 

Statenbijbel uit 1729, gedrukt door Pieter & Jacob Keur, Dordrecht

De 12 Evangeliën,
Die de Heilige Passie beschrijven worden gelezen:

korte weergave:
   Jezus laatste vermaningen aan Zijn discipelen …
Houd van God en van de mensen [de naasten] als van uzelf“.
Het laatste afscheid; het Gebed van Jezus.
   Zijn verraad door Judas gevolgd door de arrestatie van de Heer.
   Overbrenging naar – Van Annas naar Kajafas- en de berechting van Jezus door de overpriesters.
   Petrus’ verloochening [“de haan zal niet kraaien, eer gij Mij driemaal verloochend hebt”].
   Voor Pilatus, in het Pretoro, zijn poging om de Heer vrij te spreken, maar
dit wordt door de vastberadenheid van de Farizeeërs onmogelijk gemaakt.
   “Veroordeling van Christus” Pilatus, vertegenwoordiger van
de toenmalige Macht van de wereld “wast zijn Handen in onschuld“.
   Judas terechtgewezen geeft de “dertig zilverlingen” aan de tempeldienaren terug, die ze in de Corvana [het Tempelfonds] hebben gestopt en er een bloedakker voor kopen.
   Door het gehele Jodendom veroordeeld. De lijdensweg naar de Calvary-berg, alwaar de Kruisiging van Jezus.
   Jezus geeft de geest aan het Kruis; de twee mede-veroordeelden aan het kruis. Verzoek van één van hen, de vraag aan Christus om hem te herinneren wanneer Hij in Zijn Koninkrijk der Hemelen komt.
   Jozef van Aramithea vraagt Pilatus Jezus’ Lichaam om het in Zijn graf te begraven.
   
Begrafenis van Jezus en de verzegeling van Zijn Graf door de hoofden van het Volk en de Farizeeën.

Griekse icoon Kruisiging van Christus

“ Vandaag hangt aan het schandhout,
de Rechter van ‘leven en dood’ laat Zich vrijwillig kruisigen.
De koning der engelen wordt gekroond met de engelenkroon.
Vaal paars is in de wolken rond de hemel waarneembaar.
Christus wordt verslagen door het helse zwaard, in het graf sluit men Hem, Die de Hades berooft en de Heer geeft hiermee Adam z’n vrijheid terug, bevrijdt hem van de vloek.
U verbindt Zich als Bruidegom aan de Kerk.
De menselijke overblijfselen worden verwelkomd, als de Zoon van de Maagd.
Wij prijzen u, Pasha, de Christus; Gij zijt m’n broeder/zuster, waarachtig Zoon van God de Vader en wij kijken uit naar Uw erfdeel
”.

Uit de Avondcanon:
Completen, 4e Irmos – Triodion van H. Andreas van Kreta
“  De Profeet hoorde van Uw Komst, dat Gij uit de Maagd geboren wilde worden,
om aan de mensen te tonen en hij sprak:
‘ik heb de tijding aangaande U vernomen en ik werd bevreesd:
Ere zij Uw Kracht o Heer
”.

“   De toebereide bovenzaal nam U op, o Schepper, tezamen met Uw Ingewijden.
Daar hebt Gij het Pascha voltrokken en de Mysteriën voltooid,
nadat door de twee leerlingen voor U het Pascha was bereid
”.

    De Alwetende had tevoren aan Zijn apostelen bevolen naar die bepaalde man te gaan.
Zalig is wie de Heer met Geloof opneemt in de toebereide bovenzaal van zijn hart, met als maaltijd de vreze God’s
”.

    Hoezeer heeft de [hoogmoedige] gierigheid u verleid en tot welk een wanhoop zijt gij daardoor geraakt, dwaze Judas! Slechts aan de buidel waart Gij gehecht en [zonder enig overleg] hebt gij u afgekeerd van elke menselijkheid. Gij hebt uw harde hart gesloten en Hem verraden, Die alleen Barmhartigheid is”.

    De wens der God’s-moordenaars vond gehoor bij de [hoogmoedige] gierigaard. Zij overlegden hoe zij Hem gevangen konden nemen, en reeds bood hij zich aan, terwille van de zilverlingen. Tenslotte koos hij de strik in plaats van het berouw, en zo verloor hij op ellendige wijze zijn leven”.

“   Hoe verraderlijk is de kus die door zijn grote het zwaard aanvoerde. De lippen spraken woorden van eenheid terwijl het hart op uiteenscheuren zon. Vol arfklist hebt ge uw Weldoener overgeleverd aan de bloeddorstigen”.

    Hij kust terwijl hij verkoopt, hij omhelst en aarzelt niet om de Omhelsde te verraden. Wie haat terwijl hij kust? Wie verkoopt voor geld wie hij omhelst? Hier is het uiterste bereikt aan verraderlijke schaamteloosheid”.

”   Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest“.

    Gij zijt ondeelbaar in Uw Wezen, onvervangbaar in de Personen: zó belijd ik U, drievoudige, éne Godheid, gelijk in macht op dezelfde troon.
Tot U zing ik de grootste zang, de drievoudige hymne uit den hoge“.

”  Nu en altijd en inde eeuwen der eeuwen. AMEN.”

“Onzegbaar is uw ontvangen, Moeder Gods, wonderbaar Uw baren. Want het is gebeurd door de Geest en niet vanuit het vlees; het was daarom onttrokken aan de wetten van de natuur en ging het wezen van elke geboorte te boven. Want het kind dat zij baarde, was de oneindige God”.

Metten grote en Heilige Vrijdag op donderdagavond:
Opening van deze lezingendienst voorafgegaan door de vredeslitanie:

P.   Alleluia, Alleluia, Alleluia.

“Uit de nacht ontwaakt mijn geest vroeg tot U, o God, want
Uw Geboden stralen als Licht over de aarde”

conform:
“ Van ganser harte verlang ik naar U in de nacht, ja, uit het diepst van mijn gemoed zoek ik U; want wanneer uw gerichten op de aarde zijn, leren de inwoners der wereld gerechtigheid.
Al wordt de goddeloze Genade bewezen, hij leert geen gerechtigheid; hij handelt slecht in een land van recht en de Majesteit des Heren ziet hij niet. Heer, uw hand is verheven, maar zij beseffen het niet; zij zullen het echter beseffen en beschaamd staan over uw ijver voor het volk. Ja, het vuur over uw tegenstanders zal hen verteren. Heer, Gij zult vrede over ons beschikken, want ook
al onze daden hebt Gij voor ons verricht. Heer, onze God, andere heren dan Gij hebben over ons geheerst; uw naam alleen huldigen wij.
Doden herleven niet, schimmen staan niet op; daarom hebt Gij hen bezocht en verdelgd en alle gedachtenis aan hen uitgeroeid. Gij hebt het volk vermeerderd, Heer, het Volk vermeerderd, U zelf verheerlijkt, alle grenzen van het land verwijd. Heer, in de nood heeft men U gezocht, een verzuchting geslaakt, toen uw tuchtiging trof. Zoals een zwangere die in barensnood raakt, ineenkrimpt en onder haar weeën schreeuwt, zo waren wij voor Uw aangezicht, Heer. Wij waren zwanger, wij krompen ineen; maar het was, als baarden wij wind; wij brachten het land geen verlossing aan en wereldbewoners werden niet geboren. Herleven zullen uw doden (ook mijn lijk), opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, gij, die woont in het stof! Want uw dauw is een dauw van Licht; en de aarde zal aan de schimmen het Leven hergeven. Kom, Mijn Volk, ga in uw binnenkamers, en sluit uw deuren achter u; verberg u een korte tijd, tot de gramschap over is.
Want zie, de Heer verlaat Zijn plaats om de ongerechtigheid van de bewoners van de aarde aan hen te bezoeken; dan zal de aarde het op haar vergoten bloed aan het licht brengen en haar verslagenen niet langer bedekken
” Isiaiah 26: 9-21.

Alleluia,Alleluia,Alleluia.

“Leert Gerechtigheid, bewoners van de aarde”.

         Alleluia,Alleluia,Alleluia.

“ Een niet onderricht Volk, wordt door naijver bevangen; reeds nu verslindt het vuur de tegenstanders”

         Alleluia,Alleluia,Alleluia.

“Breng kwaad over hen, Heer, breng kwaad over hen bijeen: over al de hoogmoedigen der aarde”.

         Alleluia,Alleluia,Alleluia.

Apolytikon.    
tn.8.
    Terwijl de roemrijke Leerlingen bij de voetwassing verlicht werden, werd Judas ziek van geest, verduisterd, en U, de rechtvaardigste Rechter, leverde hij over aan wetteloze rechters. Gij die door geldzucht zijt bevangen, zie op hem die zich daardoor de beulsdood heeft verworven. Ontvlucht de gierigheid die tot zulk een verraad aan de Leraar geraakte.
O Goede boven alles, heer, ere zij U”.       [wordt driemaal gezongen]

Kleine Litanie, waarna:

  Want aan U is de Kracht, het Koninkrijk, de Macht en de Heerlijkheid: Vader Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen; AMEN“.

P.   “En dat wij waardig mogen zijn om te luisteren naar het Heilige Evangelie, Laat ons de Heer bidden”.
Kyrië eleïson, Kyrië eleïson, Kyrië eleïson.

      “ Wijsheid. Staat op. Laat ons luisteren naar het Heilige Evangelie.
         Vrede aan allen”.    “En met uw geest”

D.   “ Lezing uit het heilige Evangelie volgens  . . . . . . . .

V.    “ Ere zij Uw lankmoedigheid [= toegevendheid], o Heer”

1e.].  Evangelië
“   Toen hij dan heengegaan was, zei Jezus:
Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt.
Als God in Hem verheerlijkt is, zal God ook Hem in Zich verheerlijken, en Hem terstond verheerlijken.
Kinderkens, nog een korte tijd ben Ik bij u; gij zult Mij zoeken en, gelijk Ik de Joden gezegd heb:
Waar Ik heenga, kunt gij niet komen, zo spreek Ik thans ook tot u.Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt.
Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander.
Simon Petrus zei tot Hem: Heer, waar gaat Gij heen? Jezus antwoordde: Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen, maar gij zult later volgen.
     Petrus zei tot Hem: Heer, waarom kan ik U thans niet volgen? Ik zal mijn leven voor U inzetten!
Jezus antwoordde: Uw leven zult gij voor Mij inzetten? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de haan zal niet kraaien, eer gij Mij driemaal verloochend hebt. Uw hart dient niet ontroerd te worden; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.
En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg.
     Thomas zei tot Hem: Heer, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg?
Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kende, zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien.
     Philippos zei tot Hem: Heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg. Jezus zei tot hem: Ben Ik zolang bij u, Philippus en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; en wat gij ook vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden. Indien gij Mij iets vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen. Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren. En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.
Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven. Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u. Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.
     Judas, niet Iskariot, zei tot Hem: Heer, en hoe komt het, dat Gij Uzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?
Jezus antwoordde en zei tot hem: Indien iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn Woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen.
Wie Mij niet liefheeft bewaart mijn woorden niet; en het Woord, dat gij hoort, is niet van Mij, maar van de Vader, die Mij gezonden heeft. Dit heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik nog bij u verblijf; maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb. Vrede laat Ik u, Mijn Vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart dient niet ontroerd of versaagd [= de moed verliezen] te worden.
Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb; Ik ga heen en kom tot u. Indien gij Mij liefhadt, zoudt gij u verblijd hebben, omdat Ik tot de Vader ga, want de Vader is meer dan Ik.
En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschiedt, opdat gij geloven moogt, wanneer het geschiedt.
Niet veel zal Ik meer met u spreken, want de overste van de wereld komt en heeft aan Mij niets, maar de wereld moet weten, dat Ik de Vader liefheb en zo doe, als Mij de Vader geboden heeft. Staat op, laten wij vanhier gaan.
– Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen.
Gij zijt nu rein om het Woord, dat Ik tot u gesproken heb; blijft in Mij, gelijk Ik in u.
Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft.
Ik ben de Wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.
Wie in Mij niet blijft, is buiten geworpen als de rank en is verdord, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij worden verbrand.
Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden.
Hierin is Mijn Vader verHeerlijkt, dat gij veel Vrucht draagt en gij zult Mijn discipelen zijn.
Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad; blijft in Mijn Liefde.
Indien gij Mijn geboden bewaart, zult gij in Mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden van Mijn Vader bewaard heb en blijf in Zijn Liefde.
Dit heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn Blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld zal worden.
Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad.
Niemand heeft grotere Liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden.
Gij zijt Mijn vrienden, indien gij doet, wat Ik u gebied.
Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt.
Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aangewezen, opdat gij zoudt heengaan en vrucht dragen en uw vrucht zou blijven, opdat de Vader u alles geve, wat gij Hem bidt in Mijn Naam.
Dit gebied Ik u, dat gij elkander liefhebt.
Indien de wereld u haat, weet dan, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft.
Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat u de wereld.
Gedenkt het Woord, dat Ik tot u gesproken heb:
Een slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn Woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.
Maar dit alles zullen zij u aandoen om Mijn Naam, want zij kennen Hem niet, die Mij gezonden heeft.
Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij zouden geen zonde hebben, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Wie Mij haat, haat ook Mijn Vader.
Indien ik niet de werken onder hen gedaan had, die niemand anders gedaan heeft, zouden zij geen zonde hebben; maar nu hebben zij, hoewel zij ze gezien hebben, toch Mij en Mijn Vader gehaat.
Maar het Woord moet vervuld worden, dat in hun Wet geschreven is:
‘ Zij hebben Mij zonder reden gehaat’.
Wanneer de Trooster komt, die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest der Waarheid, Die van de Vader uitgaat, zal Deze van Mij getuigen; en gij moet ook getuigen, want gij zijt van het begin aan met Mij.
  Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij niet ten val komt. Men zal u uit de Synagoge bannen; ja, de ure komt, dat een ieder, die u doodt, zal menen aan God een heilige dienst te bewijzen.
En dit zullen zij doen, omdat zij noch de Vader, noch Mij kennen.
Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer hun uur komt, gij u moogt herinneren, dat Ik ze u gezegd heb.
Doch dit heb Ik u niet van het begin aan gezegd, omdat Ik bij u was.
En nu ga Ik heen tot Hem, die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat Gij heen? Maar omdat Ik dit tot u gesproken heb, heeft droefheid uw hart vervuld.
Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga.
Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden. En als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van Gerechtigheid en van Oordeel;
• van zonde, omdat zij in Mij niet geloven;
• van Gerechtigheid, omdat Ik heenga tot de Vader en gij Mij niet langer ziet;
• van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is.
Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der Waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle Waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen.
Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en Dit u verkondigen.
Al wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom zei Ik:
Hij neemt uit het Mijne en zal het u verkondigen. Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet meer, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien.
Sommige van Zijn discipelen dan zeiden tot elkander:
Wat betekent dit, dat Hij tot ons zegt: Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien? En: Ik ga heen tot de Vader?
Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Nog een korte tijd? Wij weten niet, wat Hij bedoelt.
Jezus bemerkte, dat zij Hem iets wilden vragen en zei tot hen:
Redeneert gij hierover met elkander, dat Ik zei:
Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien?
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zult schreien en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden; gij zult u bedroeven, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden.
Een vrouw, die baart, heeft droefheid, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan haar benauwdheid, uit vreugde, dat een mens ter wereld is gekomen.
Ook gij hebt dan nu wel droefheid, maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden en niemand ontneemt u uw blijdschap.
En te dien dage zult gij Mij niets vragen.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn Naam.
Tot nog toe hebt gij niet om iets gebeden in Mijn Naam;
bidt en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.
Dit heb Ik in beelden tot u gesproken; er komt een ure, dat Ik niet meer in beelden tot u zal spreken, maar u vrijuit over de Vader spreken zal.
Te dien dage zult gij in Mijn Naam bidden en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u vragen zal, want de Vader zelf heeft u lief, omdat gij Mij hebt liefgehad en geloofd hebt, dat Ik van God ben uitgegaan.
Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weder en ga tot de Vader.
Zijn discipelen zeiden: Zie, nu spreekt Gij vrijuit, zonder beeldspraak te gebruiken.
Nu weten wij, dat Gij alles weet en niet nodig hebt, dat iemand U vraagt; hierom geloven wij, dat Gij van God zijt uitgegaan.
Jezus antwoordde hun: Gelooft gij thans?
Zie, de ure komt en is gekomen, dat gij verstrooid wordt, een ieder naar het zijne en Mij alleen laat. En toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij.
Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt.
In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.
– Dit sprak Jezus en Hij hief Zijn ogen ten Hemel en zei:
Vader de ure is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke, gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken.
Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.
Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt.
En nu, verHeerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid, Die Ik bij U had, eer de wereld was.
Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben Uw Woord bewaard.
Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in Waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.
Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U, en al het Mijne is het Uwe en het Uwe is het Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.
En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij.
Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd.
Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle Mijn Blijdschap in zichzelf mogen hebben.
Ik heb hun Uw Woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben.
Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze.
Zij zijn niet uit de wereld, gelijk Ik niet uit de wereld ben.
Heilig hen in Uw Waarheid; Uw Woord is de Waarheid.
Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld; en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in Waarheid.
En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun Woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld zal geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.
En de Heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn:
Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld zal erkennen, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.
Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om Mijn Heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad voor de grondlegging van de wereld.
Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt; en Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt en Ik zal Hem bekend maken, opdat de Liefde, Waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij in Ik in hen.
  Na dit gezegd te hebben, ging Jezus met Zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron, waar een hof was, die Hij met zijn discipelen binnenging
” John.13: 31- 18: 1.


2e.].Evangelië
      Na dit gezegd te hebben, ging Jezus met Zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron, waar een hof was, die Hij met zijn discipelen binnenging.
En ook Judas, zijn verrader, wist die plaats, omdat Jezus daar dikwijls was samengekomen met zijn discipelen.
Judas dan kwam daar, die een afdeling soldaten tot zijn beschikking had gekregen en dienaars van de overpriesters en de Farizeeën, voorzien van lantaarns, fakkels en wapenen.
Jezus dan, alles wetende, wat over Hem komen zou, kwam naar voren en zeide tot hen:  Wie zoekt gij?
Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazoreeër. Hij zei tot hen: ‘Ik ben het’.
En ook Judas, zijn verrader, stond bij hen.
Toen Hij dan tot hen zei:
Ik ben het, deinsden zij terug en vielen ter aarde.
Wederom dan stelde Hij hun de vraag:
Wie zoekt gij?
En zij zeiden: Jezus, de Nazoreeër.
Jezus antwoordde:
‘Ik zeide u, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan; opdat het Woord vervuld werd, dat Hij gesproken had:
Wie Gij Mij gegeven hebt, uit hen heb Ik niemand laten verloren gaan.
Simon Petrus dan, die een zwaard had, trok het, en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het rechteroor af; de naam van nu van de slaaf was Malchus.
Jezus dan zei tot Petrus:
‘Steek het zwaard in de schede;  de beker, die de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik die niet drinken?’.
De afdeling soldaten dan en de overste en de dienaars der Joden namen Jezus gevangen, boeiden Hem, en brachten Hem eerst voor Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was; en Kajafas was het, die de Joden de raad had gegeven:
‘Het is nuttig, dat een mens sterft ten behoeve van het Volk’.
En Simon Petrus en een andere discipel volgden Jezus. En die discipel was een bekende van de hogepriester en hij ging met Jezus het paleis van de hogepriester binnen, maar Petrus stond buiten aan de poort. De andere discipel dan, de bekende van de hogepriester, kwam naar buiten, en hij sprak met de portierster en bracht Petrus binnen.
De slavin dan, die portierster was, zei tot Petrus:
‘Gij behoort toch ook niet tot de discipelen van deze mens?’.
Hij zeide: Ik niet!
De slaven en de dienaars stonden zich te warmen bij een kolenvuur, dat zij aangelegd hadden, want het was koud, en ook Petrus stond zich bij hen te warmen.
De hogepriester dan vroeg Jezus naar zijn discipelen en naar zijn leer.
Jezus antwoordde hem:
Ik heb vrijuit tot de wereld gesproken; Ik heb voortdurend in de Synagoge geleerd en in de Tempel, waar al de Joden bijeenkomen, en in het verborgen heb Ik niets gesproken.
Waarom vraagt gij Mij? Vraag hun, die gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.
En toen Hij dit zei, gaf een van de dienaars, die erbij stond, Jezus een slag in het gelaat en zei:
‘Antwoordt Gij zo de hogepriester?’.
Jezus antwoordde hem:
‘ Indien Ik verkeerd gesproken heb, geef aan wat verkeerd was, maar indien het goed was, waarom slaat gij Mij?’.
Annas dan zond Hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.
En Simon Petrus stond zich te warmen. Zij zeiden dan tot hem:
‘Gij behoort toch ook niet tot zijn discipelen?’.
Hij ontkende het en zei: ‘Ik niet!’.
Een van de slaven van de hogepriester, een verwant van hem, wiens oor Petrus had afgeslagen, zei: ‘Zag ik u niet in de hof met Hem?’.
Petrus dan ontkende het wederom en terstond daarop kraaide een haan.
Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw.
En het was vroeg in de morgen; doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten

John.18: 1-28.


3e.]. Evangelië
  Die nu Jezus gegrepen hadden, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester bij wie de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren.
En Petrus volgde Hem van verre tot aan de hof van de hogepriester, en binnengekomen zijnde, ging hij tussen de dienaars zitten om de afloop te zien.
De overpriesters en de gehele Raad trachtten een vals getuigenis tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden er geen, hoewel er vele valse getuigen optraden.
Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen.
En de hogepriester stond op en zeide tot Hem: Geeft Gij geen antwoord; wat getuigen dezen tegen U?
Maar Jezus bleef zwijgen. En de hogepriester zeide tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God.
Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken des hemels.
Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en zeide: Hij heeft God gelasterd! Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u?
Zij antwoordden en zeiden: Hij is des dood’s schuldig.
Toen spuwden zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten; anderen sloegen Hem in het gelaat en zeiden: Profeteer ons, Christus, wie is het, die u geslagen heeft?
            Petrus zat buiten in de hof en er kwam een slavin naar hem toe, die zeide: Ook gij waart bij Jezus, de Galileeër.
Maar hij loochende het ten aanhoren van allen en zeide: Ik weet niet, wat gij zegt.
Toen hij naar het portaal ging, zag een andere hem en zij zeide tot hen, die daar waren: Die man was bij Jezus, de Nazoreeër.
En wederom loochende hij het met een eed: Ik ken de mens niet.
Even later kwamen zij, die daar stonden, naar Petrus toe en zeiden: Waarlijk, ook gij behoort tot hen, want ook uw uitspraak verraadt u.
Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de mens niet.
En terstond kraaide een haan. En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus gesproken had: Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter“
Matth.26: 57-75.

4e.]. Evangelië
    Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw. En het was vroeg in de morgen; 
doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten.
Pilatus dan kwam tot hen naar buiten en zeide: Welke aanklacht brengt gij tegen deze mens in?
Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien Hij geen boosdoener was, zouden wij Hem niet aan u overleveren!
Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen; opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had, aanduidende, welke dood Hij sterven zou.
Pilatus dan keerde terug in het gerechtsgebouw en riep Jezus en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?
Jezus antwoordde: Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken?
Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?
Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.
Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar Mijn stem.
Pilatus zeide tot Hem: Wat is waarheid?
En na dit gezegd te hebben, kwam hij weer naar buiten tot de Joden en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in Hem. Maar bij u bestaat het gebruik, dat ik u op Pascha iemand loslaat: wilt gij dan, dat ik u de Koning der Joden loslaat?
Zij schreeuwden dan wederom en zeiden: Hem niet, maar Barabbas! En Barabbas was een rover.
Toen nam dan Pilatus Jezus en liet Hem geselen.
En de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen kleed om, en zij traden op Hem toe en zeiden: Gegroet, Koning der Joden! En zij gaven Hem slagen in het gelaat.
En Pilatus kwam wederom naar buiten en zeide tot hen: Zie, ik breng Hem voor u naar buiten, opdat gij weet, dat ik geen schuld in Hem vind.
Jezus dan kwam naar buiten met de doornenkroon en het purperenkleed. En ( Pilatus) zeide tot hen: Zie, de mens! Toen dan de overpriesters en hun dienaars Hem zagen, schreeuwden zij en zeiden: Kruisigen, kruisigen!
Pilatus zeide tot hen: Neemt gij Hem en
kruisigt Hem: want ik vind geen schuld in Hem.
De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.
Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog meer bevreesd, en hij ging weder het gerechtsgebouw binnen en zeide tot Jezus: Waar zijt Gij vandaan?
Maar Jezus gaf hem geen antwoord. 
Pilatus dan zeide tot Hem: Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten,maar ook macht om U te kruisigen?
Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware: daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde.
Van toen af trachtte Pilatus Hem los te laten, maar de Joden schreeuwden en zeiden: Indien gij deze loslaat, zijt gij geen vriend van de keizer; een ieder, die zich koning maakt, verzet zich tegen de keizer.
Pilatus dan hoorde deze woorden en hij liet Jezus naar buiten brengen en zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Litostrotos, in het Hebreeuws Gabbata.
En het was Voorbereiding voor het Pascha, ongeveer het zesde uur, en hij zeide tot de Joden: Zie, uw koning!
Zij dan schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem! Pilatus zeide tot hen: Moet ik uw koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, alleen de keizer!
Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden“ John.18: 28-19: 16.

5e.]. Evangelië
    Toen kreeg Judas, die Hem verraden had, berouw, daar hij zag, dat Hij veroordeeld was, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug, en hij sprak: Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verraden!
Maar zij zeiden: Wat gaat ons dit aan? Gij moet zelf maar zien wat ervan komt!
En de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich; daarop ging hij heen en verhing zich. De overpriesters namen de zilverlingen en zeiden:
Wij mogen die niet in de offerkist doen, want het is bloedgeld. En zij namen het besluit daarvoor het land van de pottenbakker te kopen als begraafplaats voor de vreemdelingen. Daarom heet dat land Bloedakker, tot heden toe.
Toen werd vervuld hetgeen gesproken is door de profeet Jeremia, toen hij zeide: En zij namen de dertig zilverlingen, de geschatte waarde van de geschatte, die zij geschat hadden van de kinderen van Israël, en gaven die voor het land van de pottenbakker, gelijk de Heer mij had opgedragen.
     Jezus dan werd voor de stadhouder gesteld. En de stadhouder ondervroeg Hem en zeide: Zijt Gij de Koning der Joden? Jezus zeide: Gij zegt het.
En op de beschuldiging, die de overpriesters en oudsten tegen Hem inbrachten, antwoordde Hij niets. Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoeveel zij tegen U getuigen?
En Hij antwoordde hem op geen enkele vraag, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde.
Nu was de stadhouder bij elk feest gewoon een gevangene, ter keuze van de schare, los te laten. Zij hadden toen een berucht gevangene, genaamd Barabbas.
Daar zij nu toch bijeen waren, zeide Pilatus tot hen: Wie wilt gij, dat ik u zal loslaten, Barabbas of Jezus, die Christus genoemd wordt? Want hij wist, dat zij Hem uit nijd hadden overgeleverd.
       Terwijl hij nu op de rechterstoel zat, zond zijn vrouw hem de boodschap: Bemoei u toch niet met die rechtvaardige, want ik heb heden in een droom veel om Hem geleden.
Maar de overpriesters en de oudsten overreedden de scharen, dat zij om Barabbas zouden vragen, maar Jezus zouden laten ter dood brengen.
De stadhouder antwoordde en zeide tot hen: Wie van die twee wilt gij, dat ik u loslaat? Zij zeiden: Barabbas.
Pilatus zeide tot hen: Wat moet ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt? Zij zeiden 
allen: Hij moet gekruisigd worden!
Hij zeide: Wat heeft Hij dan toch voor kwaad gedaan?
Zij schreeuwden des te meer: Hij moet gekruisigd worden!
Toen Pilatus zag, dat niets baatte, maar dat er veeleer oproer ontstond, nam hij water, waste zich de handen ten aanschouwen van de schare en zeide:
Ik ben onschuldig aan zijn bloed; gij moet zelf maar zien, wat ervan komt.
En al het volk antwoordde en zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!
Toen liet hij hun Barabbas los, maar Jezus geselde hij en hij gaf Hem over om gekruisigd te worden.
Toen namen de soldaten van de stadhouder Jezus mee naar het gerechtsgebouw en riepen de gehele afdeling bij Hem samen. En zij trokken Hem zijn klederen uit en deden Hem een scharlaken mantel om; ook vlochten zij van doornen een kroon en zetten die op zijn hoofd en gaven Hem een riet in zijn rechterhand. Toen vielen zij voor Hem op de knieën en spotten, zeggende: Wees gegroet, gij Koning der Joden!
En zij spuwden naar Hem en namen het riet en sloegen Hem ermede op het hoofd.
En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de mantel uit en deden Hem zijn klederen aan en zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen.
     Toen zij heengingen, troffen zij iemand uit Cyrene aan, Simon genaamd; die presten zij om zijn kruis te dragen“ Matth.27: 3-32.

13e Antifoon     tn.6
” De scharen der Joden eisten van Pilatus om U te kruisigen, o Heer;
en ofschoon deze geen schuld in U gevonden had,
lieten zij de schuldige Barabas vrij,
maar u, de Rechtvaardige, veroordeelden zij ter dood, en
riepen Uw Bloed af over zichzelf en overhun kinderen.
Maar door dit Bloed hebt Gij ons allen verlost van onze ongerechtigheden,
in Uw Liefde tot de mensen
“.

6e.]. Evangelië
    De soldaten nu leidden Hem weg tot binnen het hof, dat is het gerechtsgebouw, en riepen de gehele afdeling bijeen. En zij trokken Hem een purperen kleed aan en zetten Hem een kroon op, die zij van doornen gevlochten hadden.
En zij begonnen Hem te begroeten: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!
En zij sloegen Hem met een riet op het hoofd en bespuwden Hem en zij vielen op de knieën en bewezen Hem hulde. En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem het purperen kleed uit en deden Hem zijn klederen aan. En zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen.
     En zij presten een voorbijganger om zijn kruis te dragen, een zekere Simon van Cyrene, die van het land kwam, de vader van Alexander en Rufus.
     En zij brachten Hem op de plaats Golgota, hetgeen betekent Schedelplaats.
     En zij gaven Hem wijn, met mirre gemengd, doch Hij nam die niet.
     En zij kruisigden Hem en verdeelden zijn klederen door het lot te werpen, wat ieder ervan krijgen zou.
Het was het derde uur, toen zij Hem kruisigden.
     En het opschrift, dat de beschuldiging tegen Hem vermeldde, luidde: De Koning der Joden.
     En met Hem kruisigden zij twee rovers, een aan zijn rechterzijde en een aan zijn linkerzijde.
     [En het schriftwoord is vervuld geworden, dat zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.]
     En de voorbijgangers spraken lastertaal tegen Hem, schudden hun hoofd en zeiden: Ha, Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, kom af van het kruis! Evenzo spotten de overpriesters onder elkander samen met de schriftgeleerden, en zij zeiden:
Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Laat de Christus, de Koning van Israël, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en gelovenMarc.15: 16-32c.

Zaligsprekingen:
” Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.
Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.
Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.
Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd
“.

7e.]. Evangelië
    En zij kwamen aan een plaats, genaamd Golgota, dat is de zogenaamde Schedelplaats, en zij gaven Hem wijn, vermengd met gal, te drinken.
En toen Hij die proefde, wilde Hij niet drinken.
Nadat zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijn klederen door het lot te werpen, en daar neergezeten bewaakten zij Hem.
     En boven zijn hoofd brachten zij op schrift de beschuldiging tegen Hem aan: Dit is Jezus, de Koning der Joden.
Toen werden met Hem twee rovers gekruisigd, een aan zijn rechterzijde en een aan zijn linkerzijde.
En de voorbijgangers spraken lastertaal tegen Hem, schudden hun hoofd en zeiden: Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, indien Gij Gods Zoon zijt, en kom af van het kruis!
Evenzo spotten de overpriesters samen met de schriftgeleerden en oudsten en zij zeiden:
Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Hij is Israëls Koning; laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen aan Hem geloven. Hij heeft zijn vertrouwen op God gesteld; laat die Hem nu verlossen, indien Hij een welgevallen in Hem heeft; want Hij heeft gezegd: Ik ben God’s Zoon.
Op dezelfde wijze beschimpten Hem ook de rovers, die met Hem gekruisigd waren.
     En van het zesde uur af kwam er duisternis over het gehele land tot het negende uur.
Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem, zeggende: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat is: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
En sommige van de omstanders, dit horende, zeiden:
Hij roept Elia.
     En terstond liep een van hen toe en nam een spons, drenkte die met zure wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken.
Maar de anderen zeiden: Stil, laat ons zien, of Elia komt om Hem te redden.
Jezus riep wederom met luider stem en gaf de geest“.

†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥

”            En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden, en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt.
            En zij gingen uit de graven na zijn opstanding en kwamen in de heilige stad waar zij aan velen verschenen.
De hoofdman en zij, die met hem Jezus bewaakten, zagen de aardbeving en wat er plaats had en zij werden zeer bevreesd en zeiden: Waarlijk dit was een Zoon van GodMatth.27: 33-54.

Psalm 50[51]
”  Ontferm U mijner, O God, volgens Uw grote Barmhartigheid.
En volgens de overvloed van Uw ontferming, delg mijn ongerechtigheid uit.
Was mij schoon van mijn onrecht; reinig mij van mijn zonde.
Want ik erken dat ik onrecht gedaan heb: mijn zonde is steeds voor mijn ogen.
Tegen U alleen heb ik gezondigd; ik heb kwaad gedaan voor Uw aanschijn.
Zodat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw uitspraak en zult winnen in Uw oordeel.
Want zie, in ongerechtigheid ben ik geboren; mijn moeder ontving mij in zonde.
Want zie, Gij bemint de Waarheid; Uw onzichtbare en verborgen wijsheid hebt Gij mij geopenbaard.
Besprenkel mij met hyssop, dan word ik rein; was mij, dan word ik witter dan sneeuw.
Doe mij vreugde en blijdschap horen, opdat mijn vernederd gebeente kan juichen.
Keer Uw aangezicht af van mijn zonden; delg al mijn ongerechtigheid uit.
God schep in mij een zuiver hart; vernieuw in mijn binnenste de rechte geest.
Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht; neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
Geef mij de vreugde terug van Uw heil, sterk mij met Uw besturende Geest.
Dan zal ik de ongerechten Uw wegen leren; de goddelozen zullen zich tot U bekeren.
God, bevrijd mij van bloedschuld: Gij zijt de God van mijn heil; mijn tong zal over uw gerechtigheid juichen.
Heer, open mijn lippen, opdat mijn mond Uw lof verkondige.
Wilt Gij een offer, dan zou ik het brengen, maar in brandoffers schept Gij geen behagen.
Een offer voor God is een berouwvolle geest: God, Gij versmaadt geen vermorzeld en nederig hart.
Doe goed, Heer, in Uw welwillendheid aan Sion; laat de muren van Jeruzalem weer opgebouwd worden.
Dan hebt Gij behagen in offers van gerechtigheid, gaven en brandoffers, dan zal men kalveren op Uw altaar leggen
“.

Synaxarion:
“ Op deze Grote en Heilige Vrijdag vieren wij het Heilig, Verlossend en ontzagwekkend Lijden dat onze Heer, God en Verlosser Jezus Christus voor ons heeft ondergaan:
      het bespuwen, de slagen, de geseling, de beledigingen, de bespottingen, de purperen mantel, de rietstok, de spons met azijn, de nagels, de lans; en Bovenal het Kruis en de dood.
      Dit alles is op deze Vrijdag gebeurd. Maar ook de verlossende belijdenis op het Kruis van de goede Rover, die met Hem gekruisigd was.
      Door dit medelijden, dat de krachten der natuur te boven gaat, en dat niemand anders voor ons had kunnen hebben be halve Gij, Christus onze God, ontferm U over ons.       Amen ”.


8e.]. Evangelië
      Er werden ook nog twee misdadigers weggeleid, om met Hem te worden terechtgesteld.
     En toen zij aan de plaats gekomen waren, die Schedel genoemd wordt, kruisigden zij Hem daar en ook de misdadigers, de ene aan zijn rechterzijde en de andere aan zijn linkerzijde.
     En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
En zij wierpen het lot om 
zijn klederen te verdelen.
     En het volk stond erbij en zag toe. Ook de oversten hoonden en zeiden: Anderen heeft Hij gered, laat Hij nu Zichzelf redden, indien Hij de Christus Gods is, de uitverkorene!
Ook de soldaten kwamen naderbij om Hem te bespotten en brachten Hem zure wijn, en zeiden: Indien Gij de Koning der Joden zijt, red dan Uzelf!
     Er was ook een opschrift boven Hem: Dit is de Koning der Joden.
Een der gehangen misdadigers lasterde Hem: Zijt Gij niet de Christus? Red Uzelf en ons! Maar de andere antwoordde en zeide, hem bestraffende: Vreest zelfs gij God niet, nu gij hetzelfde vonnis ontvangen hebt? En wij terecht, want wij ontvangen vergelding, naar wat wij gedaan hebben, maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.
          En hij zei: Jezus, gedenk mijner, wanneer Gij in uw Koninkrijk komt.
          En Christus Hij zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.
     En het was reeds ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over het gehele land tot het negende uur, want de zon werd verduisterd. En het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor.
            En Jezus riep met luider stem: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.
            En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.
Toen de hoofdman zag, wat er geschiedde, verheerlijkte hij God, zeggende: Inderdaad, deze mens was rechtvaardig!
            En al de scharen, die voor dit schouwspel samengekomen waren, keerden terug toen zij aanschouwd hadden, wat er geschied was, en sloegen zich op de borst.
           Al zijn bekenden nu stonden van verre, ook vrouwen, die Hem van Galilea gevolgd waren en dit aanzagenLuc.23: 32-49.

9e.]. Evangelië
    En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Cleophas en Maria van Magdala.
      Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande, zeide Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.
     Daarna zeide Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis.
     Hierna zeide Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden: Mij dorst!
     Er stond een kruik vol zure wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysop-stengel en brachten die aan zijn mond.
     Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zeide Hij:
Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf de geest.
     De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven – want de dag van die sabbat was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden.
De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was braken zij zijn benen niet,  maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit.
     En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft.
     Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden: Geen been van Hem zal verbrijzeld worden.
En weer zegt een ander schriftwoord: Zij zullen zien op Hem, die zij doorstoken hebbenJohn.19: 25-37.

10e.]. Evangelië
    Jozef van Arimatea, een aanzienlijk lid van de Raad, die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte; en hij waagde het naar Pilatus te gaan en het lichaam van Jezus te vragen.
      En het bevreemdde Pilatus, dat Hij reeds gestorven zou zijn, en hij ontbood de hoofdman en vroeg hem, of Hij reeds lang gestorven was.
     En toen hij het van de hoofdman vernomen had, schonk hij het lichaam aan Jozef.
      En deze kocht linnen en legde Hem in een graf, dat in een rots uitgehouwen was, en hij wentelde een steen voor de ingang van het graf. Maria van Magdala en Maria, de moeder van Joses, zagen, waar Hij was neergelegdMarc.15: 43-47.

11e.]. Evangelië
    En daarna vroeg Jozef van Arimatea, een discipel van Jezus, maar in het verborgen uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij kwam dan en nam zijn lichaam weg.
      En ook kwam Nikodemus, die de eerste maal des nachts tot Hem gekomen was, en hij bracht een mengsel mede van Myron en Aloë, ongeveer honderd pond.
      Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen windsels met de specerijen, zoals het bij de Joden gebruikelijk is te begraven.
      En er was ter plaatse, waar Hij gekruisigd was, een hof en in die hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet; daar dan legden zij Jezus neer wegens de Voorbereiding der Joden, omdat het graf dichtbij wasJohn.19: 38-42.

12e]. Evangelië
    De volgende dag, dat is na de Voorbereiding, kwamen de overpriesters en de Farizeeën gezamenlijk tot Pilatus, en zij zeiden: Heer, wij hebben ons herinnerd, dat die verleider bij zijn leven gezegd heeft: Na drie dagen word Ik opgewekt.
Geef daarom bevel het graf te verzekeren tot de derde dag; anders konden zijn discipelen Hem komen stelen, en tot het volk zeggen: Hij is opgewekt uit de doden, en de laatste dwaling zou erger zijn dan de eerste.
Pilatus zei tot hen: Hier hebt gij een wacht, gaat heen en verzekert het naar uw beste weten.
Zij gingen heen en verzekerden het graf met de wacht, na de steen verzegeld te hebbenMatth.27: 62-66.

Deze dag van het kwaad echter, des dag waarop het kwaad zich ten volle en als overwinnaar manifesteert, is voor ons navolgers van Christus de dag van VERLOSSING.
Christus’ dood wordt ons geopenbaard als
de reddende dood VOOR ONS en ONZE VERLOSSING.

     Het is een REDDENDE DOOD, omdat het het volledige, volmaakte en hoogste offer is.
Christus Geeft Zijn dood aan Zijn Vader, omdat er, zoals wij zullen zien, geen andere manier is om de Dood te vernietigen en de mens van de dood te redden en het is de Wil van de Vader, dat de mens van de dood gered wordt.
Aan ons, omdat Christus waarlijk IN PLAATS VAN ons sterft. De dood is de vrucht van de zonde, een dreigende straf.
de mens verkoos zich van God te vervreemden en omdat hij geen leven heeft in zichzelf, sterft de mens dus.
Christus echter kent geen zonde en dus ook geen dood.
Alleen uit Liefde tot ons aanvaardt Hij de dood.
Hij wil ons menselijk bestaan aannemen en delen tot het einde.
Hij aanvaardt de straf voor onze natuur, als Hij de gehele last van onze menselijke positie op Zich neemt.
Hij sterft, omdat Hij Zich werkelijk met ons geïdentificeerd heeft, inderdaad de tragedie van het menselijk leven OP ZICH HEEFT GENOMEN.
Zijn dood is de laatste openbaring van Zijn Medelijden en Liefde.
En omdat Zijn dood Liefde, Medelijden, ja mede-lijden, is, verandert Zijn dood de aard zelf van de dood. Van straf verandert de dood in de stralende daad van Liefde en Vergeving, het einde van vervreemding en eenzaamheid.

Veroordeling wordt omgezet in Vergeving . . . . .
      Tenslotte is Zijn dood een reddende dood, omdat de bron van de dood, het kwaad, vernietigd wordt.
Door de dood in Liefde te aanvaarden, door Zich aan Zijn moordenaars over te geven en hun ogenschijnlijke overwinning toe te staan, toot Christus dat deze overwinning in werkelijkheid de volledige en beslissende nederlaag van het Kwaad is.
Om als overwinnaar tevoorschijn te komen, moet het Kwaad het Goede vernietigen, moet het bewijzen dat het uiteindelijk waarheid in het leven is, het goede in diskrediet brengen, in één woord samengevat: Zijn superioriteit bewijzen.
Gedurende Zijn gehele Lijden echter is Christus, en Hij alleen, de overwinnaar.
Het Kwaad vermag niets tegen Hem, want het kan Christus er niet toe brengen het Kwaad als Waarheid aan te nemen.
Schijnheiligheid wordt onthuld als schijn heiligheid, moord als moord, vrees als vrees en als Christus Zich zwijgend naar het kruis en het Einde begeeft, als de menselijke tragedie haar hoogtepunt bereikt, wordt Zijn overwinning, Zijn triomf over het Kwaad, Zijn verheerlijking steeds duidelijker.
In elke fase wordt deze overwinning dan ook erkend en bevestigd, beleden en verkondigt:

. . . . . . . . . . . . door de vrouw van Pilatus, oor Jozef, door de gekruisigde moordenaar, door de honderdman.
En als Hij aan het Kruis sterft, nadat Hij de uiterste, afschuwelijke angst die de dood met zich meebrengt:
de absolute eenzaamheid, heeft aanvaard [ ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?], is het enige wat men doen kan, belijden:
“Waarlijk dit was de Zoon van God”
En zo is het dat deze Dood, deze Liefde, deze Gehoorzaamheid, Deze Volheid van Leven,
     dat wat de Dood tot het universele lot maakte, vernietigt.
“ . . . . . En de graven gingen open . . . . . “ Matth.27: 52.
Stralen van Opstanding verschijnen reeds.
Dit is het dubbele Mysterie van de Goede Vrijdag en de diensten laten het zien en laten ons eraan deelnemen.

Wij sluiten nu deze Mettendienst met de 12 Evangeliën van witte Donderdag af, welke ons het Lijden van Christus  doen volgen in de uren van Goede Vrijdag.

Donderdag in de Grote en Heilige week – de grootsheid van het Goddelijke Mysterie

Statenbijbel uit 1729, gedrukt door Pieter & Jacob Keur, Dordrecht, Nederland.

Het Goddelijke Mysterie van vandaag is een samengesteld gedeelte uit de Blijde Boodschap; aangezien vandaag acht wordt geslagen op
diverse hoogtepunten bestaande uit:
1.]. het wassen van de voeten van de volgelingen door Christus,
2.]. het Laatste Avondmaal,
3.]. het gebed in de hof van Olijven [Gethsemane] en het verraad van Judas:

Het Laatste Avondmaal van onze Heer Jezus Christus met Zijn volgelingen
valt samen met de dienstbaarheid in het wassen van de voeten en het verraad van Judas. De diepere betekenis van beide gebeurtenissen is “Liefde”.
Het laatste Avondmaal is de eschatologische openbaring van de verlossende Liefde van God voor de mens, Liefde, Die vanuit het hart tot het Heil van de mensheid, uit God voortkomt.
Het verraad van Judas onthult dat zonde, dood en zelfvernietiging eveneens te wijten zijn aan de liefde, maar nu in een destructieve zin, een liefde die verdeelt, tot niets leidt en de mens tot waanzin drijft, waarbij alles behalve de liefde heerst.
Hier wordt het Mysterie van deze unieke dag, de Grote Donderdag in een paar woorden samengevat.
De liturgische vieringen, waar het licht en duisternis, vreugde en verdriet
vreemd genoeg in elkaar overgaan en ons met een gemengde gevoel achterlaat.   
         Jullie weten allemaal maar al te goed, dat het over twee dagen Paasfeest is, en daartoe wordt  de Zoon des mensen in het -hier en nu- overgeleverd om gekruisigd te worden. Daartoe komen de overpriesters en de oudsten van het Volk bijeen in het paleis van de hogepriester, genaamd Kajafas en zij beramen ‘ongestoord’ een plan om onze Heer en Verlosser door list in handen te krijgen en te doden.
Maar zij zeiden:
‘Niet op het feest, opdat er geen opschudding onder het Volk zal ontstaan, stel je toch eens voor, zeg?’.

Verslag van ooggetuigen; Report of eyewitnesses; Αναφορά των αυτόματων μαρτύρων; تقرير شهود العيان.

”     Toen Jezus te Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse, kwam er
een vrouw tot Hem met een albasten kruik vol kostbare Myron en
goot die uit over Zijn hoofd, terwijl Hij daar aanlag.
Toen de discipelen dit zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: ‘Waartoe die verkwisting?. Want deze
[Myron] had duur verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden‘.
Maar Jezus merkte het op en zei tot hen: “ Waarom valt gij deze vrouw lastig? Want zij heeft een goede daad aan Mij verricht. De armen hebt gij immers altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd.
Want toen zij deze Myron over Mijn lichaam uitgoot, heeft zij dat gedaan om Mijn begrafenis voor te bereiden.
Voorwaar, Ik zeg u, overal waar deze Blijde Boodschap verkondigd zal worden in de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft”.
Vervolgens gaat een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters en hij zegt: “Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren”
En zij stellen hem dertig zilverlingen ter hand. En van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leveren.
Op de eerste dag van het feest der ongezuurde broden, kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: ‘Waar wilt Gij, dat wij toebereidselen maken voor U om het Pascha te eten?
Hij zei: Gaat naar de stad
tot die-en-die en zegt tot hem: ‘De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; bij u houd Ik met mijn discipelen het Pascha’.
En de discipelen deden, zoals Jezus hun had opgedragen, en zij maakten het Pascha gereed. Toen het avond geworden was, lag Hij aan met de twaalf discipelen
“ Matth.26: 2-20;

➻             Christus stond, wetende, dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heenging, van de maaltijd op en Hij legde Zijn klederen af en nam een linnen doek en omgordde Zich daarmee. Daarna deed Hij water in het bekken en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met de doek, waarmede Hij omgord was.
Hij kwam dan bij Simon Petrus. Deze zei tot Hem: ‘Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?’. Jezus antwoordde en zei tot hem: ‘Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het later verstaan’. Petrus zei tot Hem: ‘Gij zult mijn voeten niet wassen in eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: ‘Indien Ik u niet was, hebt gij geen deel aan Mij’.
Simon Petrus zei tot Hem: ‘Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd!’. Jezus zei tot hem: ‘Wie gebaad heeft, behoeft zich alleen de voeten te laten wassen, want hij is geheel rein; en gijlieden zijt rein, doch niet allen’. Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zei Hij: ‘Gij zijt niet allen rein’.
Toen Hij dan hun voeten gewassen had en zijn klederen aangedaan en weer plaats genomen had, zei Hij tot hen: ‘Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb?. Gij noemt Mij Meester en Heer, en gij zegt dat terecht, want Ik ben het. Indien nu Ik, uw Heer en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb.
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. Indien gij dit weet, zalig zijt gij, als gij het doet. Ik spreek niet van u allen; Ik weet, wie Ik heb uitgekozen; maar het schriftwoord moet vervuld worden: Hij, die mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven
“ John.13: 3-17;
➻             En terwijl zij aten, zei Hij: ‘Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij verraden zal. En zeer bedroefd, begonnen zij, een voor een, tot Hem te zeggen: ‘Ik ben het toch niet, Heer? Hij antwoordde hun en zei: Die zijn hand met Mij in de schotel heeft gedoopt, die zal Mij verraden.
De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed geweest, als hij niet geboren was.
Judas, zijn verrader, antwoordde en zei: ‘Ik ben het toch niet, Rabbi?’.  Hij zei tot hem: ‘Gij hebt het gezegd’.
       En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zei: ‘Neemt, eet, dit is Mijn Lichaam’. En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zei: ‘Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van Mijn Verbond, Dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader’.
       En na de lofzang gezongen te hebben vertrokken zij naar de Olijfberg.
Toen zei Jezus tot hen:
‘Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. Doch nadat Ik zal zijn opgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
Petrus antwoordde en zei tot Hem: ‘Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit!’. Jezus zei  tot hem: ‘Voorwaar, Ik zeg u, in deze nacht, eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen’.
Petrus zei tot Hem: ‘Zelfs al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen’. Zo spraken ook al de discipelen.
       Toen ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij zeide tot de discipelen: ‘Zet u hier neder, terwijl Ik heenga om daar te bidden’.
En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeus mee en Hij begon bedroefd en beangst te worden.
       Toen zei Hij tot hen: ‘Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij’.
En Hij ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggend:
‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt
“ Matth.26: 21-39;
 “        En Hem verscheen een engel uit de hemel om Hem kracht te geven. En Hij werd dodelijk beangst en bad des te vuriger. En zijn zweet werd als bloeddruppels, die op de aarde vielen.
En Hij stond op van het gebed
“ Luc.22: 43-45a;
➻             En Hij kwam bij zijn discipelen en vond hen slapende, en Hij zei tot Petrus: ‘
Waren jullie mensen zo weinig bij machte een uur met Mij te waken?  Waakt en bidt, dat jullie niet in verzoeking komen; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’.
       Wederom, ten tweeden male, ging Hij heen en bad, zeggende: ‘Mijn Vader, indien deze beker niet kan voorbijgaan, tenzij dan dat Ik die zal drinken, uw wil geschiede!’.
En toen Hij terugkwam, vond Hij hen slapende, want hun ogen waren bezwaard.

eenzaam en alleen

       En Hij liet hen daar en ging wederom heen en bad ten derden male, opnieuw dezelfde woorden sprekende.
Toen kwam Hij bij de discipelen en zei tot hen:
‘ Slaapt nu maar en rust. Zie, de ure is nabijgekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren. Staat op, laten wij gaan. Zie, die Mij overlevert, is nabij.
       En terwijl Hij nog sprak, zie, daar was Judas, een van de twaalven, en met hem een grote schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en oudsten van het Volk. En die Hem overleverde had hun een teken gegeven, zeggend: ‘Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem’. En terstond trad hij op Jezus toe en zei: ‘Wees gegroet, Rabbi, en hij kuste Hem . . . . . Maar Jezus zeide tot hem: ‘Vriend, waartoe zijt gij hier?’.
Toen traden zij toe, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. En zie, een van die bij Jezus waren, strekte zijn hand uit, trok zijn zwaard en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het oor af. Toen zei Jezus tot hem:
‘Breng uw zwaard weer op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen? Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden?’.
       Op dat ogenblik sprak Jezus tot de scharen:
‘Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken om Mij gevangen te nemen? Dagelijks zat Ik in de tempel te leren, maar gij hebt Mij niet gegrepen. Doch dit alles is geschied, opdat de schriften van de Profeten in vervulling zouden gaan’. Toen lieten al de discipelen Hem alleen en vluchtten.
Die nu Jezus gegrepen hadden, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester bij wie de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren.
       En Petrus volgde Hem van verre tot aan de hof van de hogepriester, en binnengekomen zijnde, ging hij tussen de dienaars zitten om de afloop te zien.
De overpriesters en de gehele Raad trachtten een vals getuigenis tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden er geen, hoewel er vele valse getuigen optraden.
Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: ‘Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen’.
En de hogepriester stond op en zei tot Hem: ‘Geeft Gij geen antwoord; wat getuigen dezen tegen U?’.
Maar Jezus bleef zwijgen. En de hogepriester zei tot Hem:
‘ Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God’.
       Jezus zei tot hem:
‘ Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken van de hemel.
Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en zei:
‘Hij heeft God gelasterd! Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u?’.
Zij antwoordden en zeiden: ‘Hij is des doods schuldig’.
Toen spuwden zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten; anderen sloegen Hem in het gelaat en zeiden:
‘ Profeteer ons, Christus, wie is het, die u geslagen heeft?’.

Petrus:’k ken die mens niet’  Rembrandt, Dordrecht museum

Petrus zat buiten in de hof en er kwam een slavin naar hem toe, die zei:
‘Ook gij waart bij Jezus, de Galileeër’.
Maar hij loochende het ten aanhoren van allen en zei: ‘Ik weet niet, wat gij zegt’.
Toen hij naar het portaal ging, zag een andere hem en zij zei tot hen, die daar waren:
‘ Die man was bij Jezus, de Nazoreeër.
En wederom loochende hij het met een eed: ‘Ik ken die mens niet’.
Even later kwamen zij, die daar stonden, naar Petrus toe en zeiden:
‘ Waarlijk, ook gij behoort tot hen, want ook uw uitspraak verraadt u’.
Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: ‘Ik ken de mens niet’.
En terstond kraaide een haan.
En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus gesproken had:
‘Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen’. En hij ging naar buiten en weende bitter.
      Toen het nu morgen geworden was, namen al de overpriesters en de oudsten van het Volk het besluit tegen Jezus om Hem te doden. En zij boeiden Hem, leidden Hem weg en zij leverden Hem over aan Pilatus, de stadhouder
“ Matth.26: 40-27: 2.

NB.: is er sprake van een voetwassing dan wordt John.13: 3-11 tijdens de voetwassing gelezen en John.13: 12-17 erna.

Apostellezing:
        Want zelf heb ik bij overlevering van de Heer ontvangen, wat ik u weer overgegeven heb, dat de Heer Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam, de dankzegging uitsprak, het brak en zei: ‘Dit is Mijn Lichaam voor u, doet dit tot Mijn Gedachtenis.
Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zei:
‘ Deze beker is het Nieuwe Verbond in Mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot Mijn Gedachtenis. Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.
Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren.
Maar ieder dient zichzelf te beproeven en dient te eten dan van het brood en te drinken uit de beker. Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt. Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen.
Indien wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet onder het oordeel komen. Maar onder het oordeel des Heren worden wij getuchtigd, opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden
1Cor.11: 23-32.


Schrijf dit op voor het volgend geslacht:
Ook het Volk dat nog niet geboren is, zal de Heer loven.
Want onze Heer en Meester ziet neer uit Zijn verheven Heiligdom,
onze God ziet uit de Hemel neer op de aarde
” Psalm 101[102]: 19-21.

 

‘lijdende melaatse mens’, ca.1510  door Matthias Grunewald [1480-1528 Germany]

uit: het gebed van iemand die bijna sterft van ellende;
      de mens vertelt hier aan de Heer hoe ongelukkig deze is:
‘Heer, verhoor ons gebed, laat ons roepen tot U komen; 
wend Uw aangezicht niet van ons af, vanwege
het zuchten en steunen van uw dienaren, die
gevangen zijn te horen, om hen vrij te laten, die de dood nabij zijn‘.

                       Dàt het Lichaam van Christus het medicijn is tegen de zonde en
                      Zijn Bloed de enige manier is waarop een mens van zijn onoplosbare,
                      – ‘niet te genezen’ – pijn afkomt en van zijn zondelast verlost wordt.
Het Lichaam van Christus is uitgegroeid tot een schat van Goddelijke perfectie en
wast altijd rein van alle zonde en rechtvaardigheid.
Met uitzondering van iedere hooghartige verkondiger, die predikt dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest onder de mensen onbekend zal blijven tot het moment dat zij zich eerst met Hem kunnen verenigen.
Hij predikte Christus weliswaar in woord en de daad maar vergeet;
⁌     dat het nuttigen van het Lichaam en Bloed méér is,
  dan het wegslikken van materie.
⁌     dat het lijden en sterven aan het Groot en Heilig Kruis méér is,
dan een rituele slachting, die wij herdenken.
  Wij offeren met dit onbloedig offer van Brood en Wijn onszelf
    temidden van het vlees en het bloed, waaruit wij zelf bestaan
⁌     wij bevelen aan Christus God onszelf, elkaar en geheel ons leven aan”,
in de Heilige Geest bieden wij de moeder God’s en alle heiligen gedenkend aan
    God ons gehele leven aan. “Aan U, o Heer!” wordt in de vragende Litanie gebeden.
  Wij bieden als Christenen ons leven aan ter slachting aan het Groot en Heilig Kruis, dat
wij mèt Christus dragen, mèt het bijbehorend verdriet en het leed en mèt de kwelling toen
Hij het tijdstip naderde om ná gebed en vasten temidden van zweet van bloed geofferd te worden.
     Judas verraadde Hem en liet Hem door de tegenstander grijpen en
     deze mens was door zijn doen en laten
     met handen en voeten gebonden aan zijn boosdoeners [de wereld] en
     hij getuigde daarmee eveneens voor Pilatus, zoals de apostel Paulus zegt.
Vanwege zijn grote getuigenis draagt hij
eveneens bij aan de dood, de dood aan het Groot en Heilig Kruis.
      Jezus dan, alles wetende, wat over Hem komen zou, kwam naar voren en zeide tot hen: ‘Wie zoekt gij?’
Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazireeër. Hij zeide tot hen: Ik ben het.
En ook Judas, zijn verrader, stond bij hen.
Toen Hij dan tot hen zeide: ‘Ik ben het, deinsden zij terug en vielen ter aarde’.
Wederom dan stelde Hij hun de vraag:
Wie zoekt gij? En zij zeiden: Jezus, de Nazireeër.
Jezus antwoordde: Ik zeide u, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan; opdat het Woord vervuld werd, dat Hij gesproken had: ‘Wie Gij Mij gegeven hebt, uit hen heb Ik niemand laten verloren gaan’
“ John.18: 4-9

Draag als Christen, als navolger van Christus dit Lichaam dat gegeten wordt de huid, de door nagels doorboorde handen en aanvaard het doorboord worden door de speer, het gestoken worden met een bajonet in de zijde en aanvaard de lijfelijke pijn als Zijn grote pijn en lijden dat Hij gedragen heeft – en bovenal de pijn toen hij genageld aan het kruis hing en uitriep “ God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten”.
Dit is het Heilig Lichaam en het Heilig Bloed, het Bloed van Christus dat vergoten is, tot vergeving van de zonden der mensen, welke wij mede-ervaren in ons christelijk leven in deze wereld.
Daarop verduisterde God, de Schepper van Hemel en aarde, de zon en beefde de aarde en wordt de gehele wereld en de kosmos gezuiverd uit de gruwel van de zonde.
De letterlijke Wet – de Wet van het Oude Testament – bezat geen macht om degenen te dusdanig te vormen dat zij tot volmaaktheid konden komen, want
het is een onvolmaakte wet, een menselijke wet.
Het was nodig om de wet van de Heilige Geest, de Liefde tot de mensen tot het uiterste te openbaren, de volledige en bekwame nieuwtestamentische wet van de Goddelijke Liefde tot de mensen en de onderlinge liefde van de mens, die de mens tot volmaaktheid brengt.
De pijn en het leed, de kwellingen, die door christenen wordt gedragen en het bloed, zweet en tranen, die als offer aan God daaruit voorkomen verdienen het om opnieuw gezegend te worden.
Hetgeen de mens door zijn hoogmoed veroorzaakt heeft, de verwijdering van God, heeft zij verloren als gevolg van de zonden, die hen ook na de doop niet ten goede komt als iets wat mensen teniet gedaan hebben en
dit wordt als gevolg van het bloed van het Nieuwe Testament en het lichaam van Christus, die aan het kruis geofferd is opgeheven.
 Dit is het geheim van dankzegging – het grote Mysterie dat wacht op de gerechtigheid van God, degenen die hebben erkend dat Isaäc zich tot God heeft gewend met hun zonden. God heeft ons volgelingen van Christus onze zonden vergeven; deze vorm van vergeving noemen wij indirecte vergeving.

 

Hij toonde Zijn Hart voor de mensen

      En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Heer [na Zin Opstanding] zagen. Jezus dan zei nogmaals tot hen: “Vrede zij u!’ ‘Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u’.
En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zei tot hen: ‘Ontvangt de Heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend’
“ John. 20:20-23.

Indien je ooit iemand barmhartigheid betoont, zal jou eveneens Genade betoond worden.
Indien je mededogen toont aan iemand die lijdt (en dit is natuurlijk geen grote daad), word je tot de martelaren gerekend.
Indien u iemand vergeeft die jou heeft beledigd, dan zullen niet alleen al jouw zonden worden vergeven, maar je zult een kind van de Hemelse Vader worden.
Indien je bidt vanuit je hele hart voor redding – zelfs al is het een beetje – zul je gered worden.
Indien je jezelf bestraft, jezelf beschuldigt en jezelf voor God veroordeelt vanwege je zonden, met een gevoelig geweten, zelfs voor deze zul je gerechtvaardigd zijn.
H. Moses van Optina 

Na de ontmoeting, ‘het ontvangen van Zijn Lichaam en Zijn Bloed’; After the meeting, ‘receiving His Body and His Blood.

Wij blijken keer op keer God’s Vertrouwen te verkrijgen, maar toch vervallen wij in onze ongerechtigheden, omdat wij als mensen fouten maken en om ons te ontdoen van onze herhaalde zondeval en vergeving te verkrijgen is het essentieel, dat we haast om onszelf te bekeren en de strijd tegen de zonde aan te gaan.
Door regelmatig het Lichaam en Bloed van Christus te ontvangen, worden wij genezen hetgeen het medicijn is voor de genezing van het menselijk kwaad blijkt te zijn.
conf. Heilige Nicholas Cabasilas

”     Een rechtvaardig mens, verstoten van wijsheid, die is als een lamp in volle zon.
Het gebed van degene, zich beledigingen herinnerend, die is als een zaad dat op de rots is geworpen.
Een asceet, zonder barmhartigheid, die is als een onvruchtbare boom.
Een verwijt dat voortkomt uit het begeren, dat is als een vergiftigde pijl.
Een lofbetuiging voortkomend uit dubbelhartigheid , dat is een verborgen valkuil.
Een onredelijke raadgever blijkt een blinde leider te zijn.
De kring van de spotters breekt het hart.
Geregeld een wijs mens bezoeken is als een verfrissende bron.
Een wijze raadgever is een veilige schutsmuur.
Een onredelijke vriend, verstoten van wijsheid, is een vat vol onheil.
Het is beter een huis in rouw te zien dan een wijze die een dwaas volgt.
Het is beter bij wilde dieren te verblijven dan met begerige lieden rond te dolen.
Het is beter in een graf te verblijven dan met verdorven mensen op te trekken.
Verkies eerder te leven met gieren dan met hebzuchtige en onverzadigbare mensen.
Verkies liever een moordenaar als gezel dan een ruziemaker.
Verkies het gezelschap van een zwijn boven dat van een gulzigaard, want
de pens van een zwijn past beter in de mond van een gulzigaard.
Verkies het gezelschap van melaatsen boven dat van trotsen

H. Isaäc de Syriër [van Ninivé] .

Er waren joodse christenen onder de bekeerlingen, christenen, die gebonden bleven, gebonden aan de Wet en de joodse waarnemingen van de Wet, de perceptie.
Zij onderwezen de christenen in Galatië om de Wet te houden, inclusief de besnijdenis en  ze betekenden de ceremoniële Wet, die vervuld was in Christus, en die vervangen was door de vrijheid van de Genadegaven van de Heilige Geest en  hierin onderwezen zij een heel ander Evangelie, zoals de Apostel Paulus elders zegt:
“       Och, verdroegt gij een weinig onverstand van mij! Maar dat doet gij ook. Want met een ijver Gods waak ik over u, want ik heb u verbonden aan een man om u als een reine maagd voor Christus te stellen. Maar ik vrees, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, uw gedachten van de eenvoudige en loutere toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden. Want indien de eerste de beste een andere Jezus predikt, die wij niet hebben gepredikt, of gij een andere geest ontvangt, die gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel“ 2Cor. 11: 1-4.
Deze joodse Christenen bleven in hun joodse traditie hangen, in de schaduw van het christendom en het menselijke, dat ‘niet verlost’, wat mensen als creaties in Christus – naar het evenbeeld van de Schepper niet- ‘nieuw maakt’.
Dit zijn degenen, die Paulus aanspreekt in de brief die we via de overlevering vernemen, laten we dit fragment nog maar een keertje horen waar hij zegt:
          Allen, die zich uiterlijk goed willen voordoen, trachten u te dwingen tot de besnijdenis, alleen om niet vervolgd te worden ter wille van het kruis van Christus Jezus. Want zij, die zich laten besnijden, houden zelf niet eens de wet, doch zij willen, dat gij u laat besnijden, opdat zij op uw vlees roem kunnen dragen. Maar ik zal ervoor bewaard mogen blijven te roemen anders dan in het Kruis van onze Heer Jezus Christus, door wie de wereld mij gekruisigd is en ik van de wereld
Gal.6: 12-14.
Daarop wordt gewezen wanneer wij in de Goddelijke Liturgie voorafgaand aan de Epiclese [aanroeping] horen – wanneer wij de Heilige Geest aanroepen:
Neemt en eet” en ‘drinkt uit deze Beker’.
Dàt dient onze dagelijkse spirituele maaltijd te zijn – als volgelingen van Christus volgen wij Hem geïnspireerd door de Heilige Geest dàgelijks door ons Kruis op te nemen.
Zovelen om ons heen verlangen om hier een goede vertoning in het vlees van te maken, uiterlijke schijn, deze zouden je dwingen weliswaar aangesneden te worden, maar niet genuttigd te worden; alleen opdat ze niet aan  het [mede-] lijden deelachtig zullen worden; de vervolging vanwege het kruis van Christus.
Want zelfs niet degenen die aangesneden zijn bewaren de onvoorwaardelijke Goddelijke Liefdeswet, maar zij verlangen om u te laten besnijden, opdat zij mogen roemen in uw vlees.
  En luister hiernaar, dit is de sleutel tot het Heil, tot de Hemelpoort:
”       Maar God verhoede dat ik zou moeten opscheppen, behalve in het Kruis van onze Heer Jezus Christus, door wie de wereld heeft gekruisigd voor mij en ik voor de wereld”.
Wat de ontrouw bewijst is datgene wat Paulus aldus beschrijft:
“         Maar het dient zo te blijven; God is waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden [in Zijn Woord] en overwint in uw rechtsgedingen [Zijn Rechtsgeding].
Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen? Is God, Die zijn toorn doet voelen – ik spreek op menselijke wijze – soms onrechtvaardig?
Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen?
” Rom.3: 4-6.

De vraag is nu waarom de Joodse christenen dit leerden?
Waarom hebben ze zich gezocht [zich zo thuis gevoeld] om bij ‘de oude Wet’ van Mozes te blijven hangen . . . . . om gevangen te blijven zitten in de mentaliteit, waar we nog altijd in verblijven – in het type, wachtend in de schaduw [d.w.z. ‘niet in het Licht van Christus] op de vervulling.
Ze proberen er in op te vallen en uit te blinken de ogen van die onbekeerde Joden,
• die beweerden dat ook de joden bekeerlingen hadden,
• die de Tradities van hun voorvaderen hadden verlaten.
Dat wil zeggen, ze zochten het compromis met de geest van de wereld en
het ongeloof van de Joden, met de vijanden van het Kruis!
• Ten einde een compromis te sluiten, om
te voorkomen een uitdrukking van schuld of afkeuring op te lopen;
verwelkomden zij Christus met het milde verwijt Hem vervolgens
met het opnemen van het Kruis ‘alleen’ te laten, omdat ze ‘niet’ werkelijk geloofden.
• Onder al deze wereldsheid was deze weerstand uiteindelijk
een gebrek aan vertrouwen in het offer van onze Heer.
Blijkbaar hadden geen vertrouwen, maar het had een zweem van
spirituele,  geestelijke vernieuwing – wedergeboren worden was er niet bij.

   Uit al hun doen en laten blijkt dat zij vervolging wilden vermijden, zij wilden het Kruis ontlopen, vermijden!
Zij misten het charisma, de ‘Genadegaven‘ van de Heilige Geest.
Je kent misschien wel het woord ‘charisma’, uitstraling:
      Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest; aan de een Geloof door dezelfde Geest en aan de ander Gaven van genezingen door die ene Geest; aan de een werking van Krachten, aan de ander Profetie; aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen. Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij [God het] wil“ 1Cor.12: 8-11.
•  De geschiedenis van de Kerk zit vol van zulke mensen, tot
op de dag van vandaag en in onze tijd hebben we
misschien veel te veel van zulke valse, verraderlijke christenen.
                                De Heilige Johannes Chrysostomos zegt dat we Christus liever beledigen en
zelfs verwerpen we aangenaam te zijn voor de mensen;
liever beledigen we God om de mensen te behagen!
We zijn mensen, die mensen behagen, medewerkers, die
samenwerken met de vijanden [de satan en z’n trawanten] van het Kruis.
Het leven van de Kruis vereist opoffering.
Christus ‘eist’ offers van ons, omdat opoffering liefde tot God en
medemenselijkheid en liefde tot de mens [onze naaste] inhoudt.
• Indien we ons niet opofferen, houden we hier allemaal niet van.
•  Indien we niet van onze naasten houden – kunnen we onmogelijk
verenigd worden met de God, Die slecht Liefde is.

Kruis op weg naar de Opstanding

  Het Kruis opnemen en Christus volgen is onze levensweg,
ons pelgrimspad, onze opening naar het leven in liefde tot/met de Meester,
het Eeuwige leven dat we allemaal nastreven en zoeken.
  Indien we het Kruis opzij zetten, het omzeilen, gaan we de verkeerde kant op,
zijn we niet op weg naar het Hemels Koninkrijk,
de weg naar God, want we zetten de Liefde van God op een zijpad.
  Alleen degenen die het Kruis van Christus verheffen worden in de vrijheid van God’s Genadegaven binnengeleid.
  Christus volgen is de kunst van -‘buit te maken’- door je Kruis op te nemen en
uit Liefde tot God en de naaste Christus op Zijn weg hier op aarde te volgen.
Indien we het Kruis verloochenen, ontkennen we het offer,
dan ontkennen wij de kruisiging van ons intellect.
  Dàn blijven we de slaven van de wereld, zoals
we door de verlokkingen van de wereld verworden zijn,
we blijven zoals we -‘voor onze Doop en Myronzalving’ waren en
nemen niet deel aan de versmelting met onze Heer Jezus Christus.
  Wij nuttigen het Lichaam en Bloed niet, wij doen maar wat en blijven in de schaduw van de dood, terwijl er vanuit de schaduw – de grootsheid van de Blijde Boodschap, aan ons bestaan een Heilig en Groots doel in ons bestaan wordt aangeboden; waarmee we kunnen overleven.

Is dat niet geweldig !!!
  Dit is het grote Geheim dat in ons christelijk leven dient ten worden waargemaakt, gerealiseerd:
  Het is de Genadegave van de Heilige Geest en de Kracht van redding, Die overwinning biedt.
  Het inzicht en de beheersing van het Christelijk Geloof, is Christus,
God, Die ons door alles heen draagt in de Heilige Geest tot in de Tempel van het hart.
      Wij weten, dat wij uit God zijn en de gehele wereld in het boze ligt.
Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus.
Dit is de waarachtige God en het eeuwige leven”.
Daarom zegt Johannes de Theoloog:
Kinderkens, wacht u voor de afgoden“ 1John.5: 19-21.
Waar God, via de mens in Christus aanwezig is, ontstaat er “Leven”.
Het leven is je overgeven aan de dood, omdat de mens die de dood proeft
en ik spreek over zijn smaak van de dood, niet alleen op het niveau van het lichamelijke,  maar op geestelijk niveau van de Goddelijke Waarheid, Die door God gecreëerd is, Die Hij schiep – in feite volledig vervreemd is van de liefde van God.
  Het kan alleen maar zijn dat de vervreemding van God compleet is.
Daarom is het Woord van on ze Heer en Meester:
“ Ik ben de Opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet stervenJohn.11: 25,26.
•  Hier spreekt Christus met Maria, de zuster van Lazaros over de dood van het lichaam, dat bij de tweede komst tot heerlijkheid zal worden hersteld.
“       Draag mij als een zegel op je hart, als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde, beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur, een laaiende vlam“ Hooglied 6: 8.

•  Hier wordt gesproken over de mens die vol liefdevol leven is, omdat hij vol is van liefde tot God. Een mens die van God houdt, is een mens die de dood ‘uit’-drukt als of er een slaper voorbij komt. Dit is waar de dood ‘overwonnen’ wordt genoemd. Hier spreekt hij over de dood van het lichaam, dat bij de tweede komst tot heerlijkheid zal worden hersteld.
“Wie in Mij gelooft, als hij sterft, zal hij leven.
Hij die levend is en veilig in Mij, zal de dood voor eeuwig niet zien”.

•  ”Hier spreekt Christus over de mens die vòl liefdevol leven is, omdat
deze mens vòl is van liefde voor God!
Een mens die van God houdt, is een mens die de dood ‘uit’-bant, ‘uit’-drukt, die
slechts als een slaper voorbijtrekt.

Dit is hèt Mysterie van deze unieke dag en de Goddelijke Liturgie, waar licht en duisternis, vreugde en verdriet op zo’n vreemdsoortige wijze verstrengeld zijn, roept ons òp tot de keus waar onze gehele lotsbestemming vanaf afhankelijk is.
     En voor het Paasfeest, toen Jezus wist, dat Zijn uur genomen was . . . . . heeft Hij de Zijnen, die Hij in de wereld liefhad, liefgehad tot het einde . . . . .” John.13: 1.
om de betekenis van het Laatste Avondmaal te begrijpen, dienen we het te gaan zien als het einde van de grote beweging van Goddelijke Liefde, Die begon toen de wereld werd geformeerd, geschapen en die nu voltooid gaat worden in de dood en Opstanding van Christus Jezus, onze Verlosser.
Deze dag, dit bijwonen van dit Mysterie van de Eucharistie gaat ontzettend veel langer mee, dan al de verdere dagen van ons leven.
“God is Liefde” [1John13: 1] en het eerste geschenk van deze Liefde was Leven.
De betekenis, de inhoud van het leven was samensmelting, éénwording, gemeenschap, communio, verbond, huwelijk.

Een levend mens zijn betekent eten en drinken, deelhebben aan de wereld en die wereld is in God’s bedeling een “Goddelijke” wereld, overeenkomstig Zijn Wil, die dient te geschieden.
De wereld zoals God het zag en was dus Goddelijke Liefde veranderd in voedsel, in Lichaam voor de mens. En om levend te zijn, d.w.z. deel te hebben aan die wereld, moeste mens in communie leven met God, god als de betekenis, de inhoud en het doel van zijn leven opgenomen hebben.
Door het menselijk leven te laten opgaan in het Licht van de Liefde van God, zowel ontvangend [consumerend] als praktiserend [offerend], verandert de mens zijn leven ‘in Hem en door Hem’.
De Liefde van God geeft ‘Leven’ aan de mens, die Liefde van de mens voor God verandert dit leven – ‘door de Genadegaven van de Heilige Geest’ – in samenwerking, in communie met God.
was het in het Paradijs,
was het streven van de Voorvaderen,
werd het door de Heilige Geest aan de Profeten geopenbaard aan het Oude Volk en
werd het omdat de mens het nog steeds niet begreep, door Christus verkondigd en voorgeleefd
       opdat wij in Hem eeuwig Leven zouden verwerven.
Door de mens en zijn Liefde tot God dient de gehele schepping veranderd te worden in een alomvattend Mysterie van Goddelijke aanwezigheid en de mens zelf is de priester van dit Mysterie.
Die voorganger, de spelleider, de [door ‘mensen in aanroeping van de Heilige Geest‘ gewijd] priester is de spelleider om ons te begeleiden en
de toezichthouder, die een [door mensen gewijd] bisschop is probeert hier wanneer het uit de hand dreigt te lopen aanwijzingen te geven.
Dáárom wordt telkenmale in de Goddelijke Liturgie
zonder protest van wie dan ook uitgeroepen:
Één is Heilig, één is Heer, Jezus Christus, tot Heerlijkheid van God de Vader, AMEN ”.

Woensdag in de Grote en Heilige Week – opgaand naar de Bron van Liefde

de berg op, naar de grotup the mountain to the caveμέχρι το βουνό μέχρι το σπήλαιο; يصل الجبل إلى الكهف

      Toen Jezus te Bethanië [Hebr.= ‘huis van ellende’] was,
in het huis van Simon de melaatse, kwam een vrouw tot Hem met een albasten kruik vol kostbare Myron en goot die uit over zijn hoofd, terwijl Hij aanlag.
Toen de discipelen dit zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: Waartoe die verkwisting?
Want deze Myron had duur verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden.
        Maar Jezus merkte het op en zei tot hen: Waarom valt gij deze vrouw lastig? Want zij heeft een goede daad aan Mij verricht. De armen hebt gij immers altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd.

Myron, voor-bereiden op begrafenis

Want toen zij deze Myron over Mijn lichaam uitgoot, heeft zij dat gedaan om Mijn begrafenis voor te bereiden.
        Voorwaar, Ik zeg u, overal waar dit evangelie verkondigd zal worden in de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft.
        Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters, en hij zei: Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren. En zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. En van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leveren
“ Matth.26: 6-16.

Zalvings olie – Anointng oil, Ex.30: 23.

Mijn ziel zegent de Heer, ziet de Bruidegom komt!
– Christus mededogen stelt ons schadeloos –
De albasten kruik met mijn tranen
giet ik als Myron over Uw hoofd, o Heiland,
en ik roep tot U zoals de zondares die om genade vroeg.
U bied ik mijn smeekbede aan,
en ik smeek om vergeving te ontvangen
“.

De overspelige, mijn ziel, hebt gij niet nagestreefd,
die de albasten kruik met Myron nam,
en onder tranen de voeten van de Heer zalfde;
en ze droogde met haar haren de voeten af van Hem
Die de schuldbrief van haar vroegere misdrijven voor haar verscheurde
“.
uit: 8e ode Grote Canon  H. Andreas,
Toezichthouder van Kreta,
geb. 650 Damascus, Syrië – overl. 740 Mytilini, Gr.

Dit is de dag, die de Heer heeft voorbeschikt om de goede daad door de zonda[a]r[e]s aan Hem verricht in het daglicht te stellen.
De zonda[a]r[e]s gaat/gaan Myron over Zijn lichaam uitgieten en zij doet/doen dit om Zijn begrafenis voor te bereiden.
Christus heeft het voorzegd:
“     Overal waar deze Blijde Boodschap verkondigd zal worden in de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft“.

Biecht; Confession.
         Wat kan er dan nog op tegen zijn om allereerst onze zonden [in de Biecht] te belijden en vervolgens eveneens met heilige olie te worden gezalfd, teneinde waardig het Groot en Heilig Pascha tegemoet te treden.
Deze twee Mysteriën [sacramenten] staan ons vandaag voor ogen en kunnen derhalve alleen door gedoopte Orthodoxen [mede-] ondergaan worden.
Onze ziel zegent de Heer, want ziet de Bruidegom komt!’ – en dankzij Zijn mededogen worden wij schadeloos gesteld.

        In de Orthodoxe Kerk hebben we het over de kruisiging van Christus in verband met Zijn Grote en Heilige Opstanding.
Dit omdat het Kruis zonder Wederopstanding een wrede en oneerbiedige realiteit is en de Wederopstanding zonder het Kruis als een valse en emotionele toestand wordt beschouwd.
Wanneer we spreken over de redding van het menselijk ras, bedoelen we het niet in een bepaalde vorm, die men zelf niet kan ondergaan en een nadenkend en voorzichtig bedenksel, maar als een realiteit – iets wat werkelijk bestaat – om de mens te verlossen van de tirannie en de vreselijke gevangenis van dood, de zonde en de tegenstrever [de satan].
               Mèt Christus ‘Kruis en Wederopstanding’ heeft Christus de dood overwonnen, de zonde en de veroorzaker, de tegenstrever en
gaf Hij ons in Zijn mededogen aldus de gelegenheid om deze drie vijanden te overwinnen.

Bovenal dienen we er een besluit over te nemen dat  we in het offer van Christus en Zijn Opstanding onze sterfelijkheid en ons natuurlijk vooruitzicht [de dood] kunnen overwinnen.
. . . . . vanaf het ogenblik dat we immers als mens geboren worden, heeft de dood zich in vele vormen in ons biologische wezen gemanifesteerd, zoals ziekte, lichaamsslijtage, onzekerheid, toenemende leeftijd, passies van zelfbehoud, verdriet, etc. Dit onomkeerbaar groeiproces tot de dood vormt zich bij iedere mens op de achtergrond een bedreiging op ons menselijk leven.
⁌   Het kind op de leeftijd van 8-10 begrijpt al dat de dood onomkeerbaar is.
⁌   De tiener ziet de marteling van de dood voor ogen.
⁌   De mens van middelbare leeftijd ziet de jaren zonder doel of betekenis voorbij vliegen en
⁌   Gepensioneerden gaan door een vreselijke crisis, welke uiteindelijk leidt tot de onherroepelijke dood.
➥➥➥                   De Orthodoxe Kerk maakt plaats voor de existentiële leegte van de mens en legt daarom de nadruk van de Opstanding.

Kruis op weg naar de Opstanding

Wij zingen weliswaar op woensdag en vrijdag:
Heer, red Uw Volk en zegen Uw Erfdeel; en bescherm Uw Gemeente door Uw Kruis“,
maar …
wij beseffen iedere week dat Zondag de Opstanding wordt gevierd en bezingen dat in 8 tonen [melodieën] omdat wij er van overtuigd zijn geworden dat God volgens Zijn heilig raadsbesluit ons is komen verlossen door ons door Zijn Roemrijke Opstanding uit de doden op te wekken.
De Bruidegom van de Kerk, de Bruidegom van onze ziel, is één van ons; sterker nog is onafgebroken “onder ons”, “Hij is immers, Die blijft”.
                     Dag na dag naderen we Zijn Goddelijke Genade en Zijn oneindige liefde tot de mensen – Hij is ons tot voorbeeld in de naastenliefde.

 

Christus, bruidegom van de Kerk

Degenen die deze woensdagavond voorafgaand aan Zijn Lijden en Opstanding samenkomen, stellen onszelf een vraag:
“ In welke toestand zal Christus ons aantreffen wanneer we Hem  boven aan de Ladder [van Climacos] ontmoeten?
Hij vertrouwde ons, Hij gaf ons alles,
Hij droeg elke pijn omwille van ons.
Verdienen we zo’n opoffering?
Zijn wij een dergelijk groot vertrouwen waard?

                   De wereld om ons heen maakt haar keuzes en zal ongetwijfeld de gevolgen daarvan ondergaan;
                   de wereld om ons heen wendde haar gezicht af van de bron des Levens, wendde zich af van
Liefde en Gerechtigheid en dit heeft haar in haar bestaan koude rillingen bezorgd.
Wij Orthodoxen kijken dagelijks uit naar het moment dat wij mèt hen samen kunnen leven, ons kunnen verenigen door de mentaliteit en methoden van de wereld te verzoenen met Die van de Bruidegom.
Aan zulke dagen ontbreekt het hen echter:
het is immers onmogelijk dat duisternis het Licht in de duisternis verslaat”.
                       in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood aan het Kruis. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle naam geschonken, opdat in de Naam van Jezus [Christus] zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader! Phil.2: 8-11.

Journée d’étude, dag van studie; ημέρα σπουδών; study day; الدراسة

Laten we naar Hem opzien en moed en geduld betrachten, want de strijd tegen de duisternis is noch pijnloos, noch ongestraft. En inderdaad, het is een strijd met kwalijke valstrikken die de wereld goed weten te bedriegen.
                                Geen duisternis kan met het Licht de strijd aangaan of ook zij wordt verlicht.
Maar de wereld om ons heen weet de duisternis dusdanig te verdonkeremanen dat de wereldse  duisternis als licht en aantrekkelijk overkomt.
➙                                De wereld weet precies hoe zij de mens met aantrekkelijke [veelal kortdurende] pleziertjes tot zich kan trekken – in slaap sust -, hoe wij mensen radicale veranderingen uit dienen te stellen, hoe zij de mens kan bedriegen met beloften, die niet zijn wat zij lijken te zijn.
➙ Daardoor hebben wij onze ziel onhandelbaar, onbeheerd en onbeheersbaar achtergelaten, en ondergaan ongehinderd alle fouten, die de wereld ons voorhoudt. We hebben het beslissende kenmerk, de voorwaarden waar wij als mens in het beeld van God aan dienen te voldoen, het criterium van goed en kwaad, van moreel en immoreel, verloren laten gaan.

” Uit de diepte, Heer, heb ik tot U geroepen: Heer, geef gehoor aan mijn stem.
Laat Uw oren aandacht schenken aan de stem van mijn smeking.
Zo Gij op ongerechtigheden zoudt acht slaan, Heer; Heer, wie kan dat doorstaan ?Maar bij U is vergeving; omwille van Uw Naam, Heer, heb ik U verbeid.
Mijn ziel verwacht Uw Woord; mijn ziel vertrouwt op de Heer.
Van de ochtendwake tot de nacht  dient Israël [de kerk] op de Heer te vertrouwen. Want bij de Heer is barmhartigheid; bij Hem is overvloedige Verlossing.
Ja, Hijzelf zal Israël [de Kerk] verlossen, uit al zijn/haar ongerechtigheden
Psalm 129[130] vert ROK. ‘s-Gravenhage.

Kathismazangen metten Grote Woensdag
tn.3. 
“   De zonda[a]r[e]s gaat/gaan tot u en goot Myron en tranen over Uw voeten, Menslievende.
Toen werd zij, op Uw bevel, van de slechte geur van haar zonden bevrijd,
maar de ondankbare leerling
[volgelingen] die in Uw Genade[gaven] ademen mocht[en],
heeft [hebben] deze Genade[gaven] verworpen en in zijn [hun] geldzucht bevlekte hij [zij] zich met het slijk van verraad. Eer aan U, o Christus in Uw Barmhartigheid”             [
herh.]

Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN
”.

“     God, blijf niet zwijgen bij mijn lofzang, want de mond van de zondaar en bedrieger is wijd  tegen mij geopend. Zij spreken tegen mij met valse tong, zij omsingelen mij met hatelijke woorden, zij strijden tegen mij zonder reden.
Inplaats van mij lief te hebben, leveren zij mij over; ik echter bid.
Zij vergelden mij kwaad voor goed, en antwoorden met haat op mijn liefde.
Stel een zondaar over hem aan, doe een aanklager staan aan zijn rechterhand.
Hij zal veroordeeld worden in het gericht; zijn gebed zal worden tot zonde. Dat zijn dagen weinig zijn; zijn ambt dient aan een ander toe te komen. Zijn kinderen worden tot wezen, zijn vrouw weduwe.
Zwervers en bedelaars worden zijn zonen: verdreven vanuit hun woning.
Dat de woekeraar zijn hand leggen op al zijn bezit dat vreemden zijn arbeid roven.
Niemand zij er om hem te helpen, of om barmhartig te zijn voor zijn wezen.
Dat zijn kinderen ten onder gaan; dat in één geslacht zijn naam zal verdwijnen.
De ongerechtigheid van zijn vaderen worden herinnerd voor de Heer; dat de zonde van zijn moeder onuitgewist zal blijven. Laat dit de Heer altijd voor ogen staan, zodat zijn gedachtenis van de aarde verdwijnt. Want hij dacht er niet aan om barmhartig te zijn. Hij vervolgde armen en bedroefden, en wier hart gebroken was, bracht hij ter dood. Hij hield van vervloeking: deze zal over hemzelf komen.
Hij wilde geen zegen: deze zal verre van hem blijven. Hij trok vervloeking aan als een kleed: als water in zijn binnenste en als olie in zijn beenderen.
Laat die hem dàn zijn als een mantel die hem geheel overdekt: als een gordel die hij altijd moet dragen. Dit moge de Heer doen gebeuren aan hen die mij belasteren: aan wie kwaad spreken tegen mijn ziel.
Maar Gij, Heer doe met mij volgens Uw Naam, want goedertieren is Uw barmhartigheid. Bevrijd mij, want ik ben behoeftig en arm; mijn hart is beangst in mijn binnenste. Ik verdwijn als een lengende schaduw; ik word weggevoerd als een sprinkhanen-zwerm. Mijn knieën zijn verzwakt door het vasten; mijn vlees is vervallen, door onthouding van olie. Ik ben hun tot versmading geworden; zij zien mij hoofdschuddend aan. Help mij, Heer, mijn God: red mij volgens Uw Barmhartigheid. Doe het weten dat dit alles Uw hand was: dat Gij, Heer, dit zelf hebt gedaan. Al vloeken zij, Gij zult mij zegenen, beschaam hen die tegen mij opstaan, maar laat Uw dienaar zich verheugen. Die mij belasteren, bekleed hen met schaamte: dat hun schande hen als een mantel zal bedekken. Ik wil de Heer belijden met luide stem; ik wil Hem loven in de grote menigte. Want Hij stond de arme terzijde, om mijn ziel te redden van mijn vervolgers

Psalm 108[109] vert. ROK ’s-Gravenhage.

tn.4.  “Door geldzucht gedreven, overwoog de bedrieglijke Judas,
U, Heer, de Schat des Levens, te verraden door list.
Als een roes snelt hij naar de Joodse Raad en zegt tot de wettelozen:
wat geeft u mij, wanneer ik Hem in uw handen overgeef om hem te kruisigen” [herhalen]

Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN
”.

All people will be blessed through us

“     Gelukkig is de mens die de Heer vreest, die Zijn geboden vurig liefheeft.
Zijn zaad zal machtig zijn op aarde, het geslacht der gerechten zal gezegend zijn.
Heerlijkheid en rijkdom zijn in zijn huis; zijn gerechtigheid blijft in de eeuwen der eeuwen. In de duisternis is het licht op-gegaan voor de oprechten; de Liefderijke Barmhartige en Rechtvaardige. Goed is de mens, die zich ontfermt en te leen geeft.
Hij overweegt zijn woorden met oordeel, zodat hij niet wankelt in eeuwigheid.
In eeuwige Gedachtenis staat de rechtvaardige; hij vreest niet als hij slechte tijding hoort. Want zijn hart is bereid, en hij vertrouwt op de Heer. Zijn hart is standvastig en zonder vrees, zelfs wanneer hij zijn vijanden aanschouwt. Hij deelt uit en geeft aan de armen; zijn gerechtigheid blijft in de eeuwen der eeuwen. Zijn hoorn wordt verheven in Heerlijkheid; de zondaar ziet het tot zijn woede. Hij knarst met de tanden, maar verdwijnt, want elk zondig verlangen vergaat”.
“     Gij, Zijn dienaren, looft de Heer; looft de Naam des Heren. De Naam des Heren zij gezegend, van nu af tot in eeuwigheid. Van zonsopgang tot zonsondergang, zij de Naam des Heren gezegend. Hoogverheven boven alle Volkeren is de Heer; boven alle hemelen is Zijn Heerlijkheid. Wie is als de Heer onze God? Hij woont in de hoge, maar ziet neer op het  geringe van hemel en aarde. Hij richt de arme op van de grond, Hij heft de behoeftige op uit het slijk. Om hem te doen zitten bij vorsten, bij de vorsten van Zijn Volk. En de onvruchtbare doet Hij wonen in een huis, als blijde moeder der kinderen
Psalm 111[112] en 112[113] vert. ROK ’s-Gravenhage.

tn.1.  “     Terwijl zij in vurige liefde Uw ongeschonden voeten afdroogde met
de haren van haar hoofd, riep
[en] de Zonda[a]r[e]s[en] zuchtend en wenend vanuit
de grond van haar
[hun] hart:
Verstoot mij niet, Medelijdende, verafschuw mij niet, mijn God;
maar aanvaard mij in mijn berouw, en red mij, U enig Menslievende
”.     [
herh.]

Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN
”..

Maak je belofte aan de Redder der Levens waar, zondaar en
leg het jezelf op als dwingend gebod aan
zo’n schitterend kleinkind van het Grote lied”:

Mijn ziel, kruipt verlangend op naar de Opstanding uitroepend:
‘Heilig, Heilig, Heilig is onze God.
Door de gebeden van de Moeder Gods,
Heer wees ons zondaars genadig’
“.

Denk daarbij opnieuw aan de waakzaamheid, die vorm van waakzaamheid welke onze beschouwende Kerkvaders, Die van oudsher tot de dag van vandaag, Die in voortdurend gebed en vastende zelfkastijding systematisch de menselijke ziel hebben bewaakt, als vlijtige bijen hun korf van de ziel beschermend tegen elke aanvaller.
    Waakzaamheid, de controle van de ziel,
    Waakzaamheid, de beschermheilige van alle geestelijke arbeid,
    Waakzaamheid, de slapeloze Bewaker van ons hart heeft onze Heer en Zaligmaker daar Zelf met onze doop geïnstalleerd.
Bij het ontbreken van deze waakzaamheid verworden wij tot een mengeling van omstandigheden en invloeden.
Wij kronkelen onszelf in onze zelfzucht en verworden tot de nietigheid welke deze wereld ons aandoet.
We kunnen niet langer meer vreugde vinden, geraken gevangen in spijt, nutteloosheid en pessimisme en er ontstaan momenten waarop we ervaren dat we geen eigen wil, ja geen zelfrespect bezitten;
wij verworden tot buitenlanders in ons eigen lichaam.
    De Bruidegom nodigt ons uit om ons te doen herleven, teneinde de controle over onszelf te herwinnen.
    De Bruidegom, Die ons liefheeft onthult in Eigen Persoon onze mentale krachten.
    En bovenal werkt onze Bruidegom aan de vernieuwing van onze vrijheid.
De vrijheid van die teniet werd gedaan toen onze voorouders deze misbruikten om zich van de Schepper te verwijderen.
Weer Opgestaan’, noemen wij hetgeen onze ziel dan ervaart;
we verlangen er opnieuw naar, vrij en levend te zijn,
dicht bij Hem te zijn, Die ons met Zijn Genadegaven nooit heeft laten varen,
zelfs niet toen Hij ons Zijn zoete blik afwendde.
Hij kwam, komt en blijft ons roepen en staat erop dat
we herwinnen wat ons door onze zonde is afgenomen.
Hij kwam om ons Zichzelf aan te bieden, geheel en al,
zonder aarzeling en trok ons verlossend weg van
neerslachtigheid en losbandigheid.

De Kerk roept ons vandaag op om de Myron van onze liefde als
Christus over alles en iedereen uit te storten.
” . . . . . de geur van de Myron verspreidde zich door het gehele huis” John 12: 3,
werd gezegd over het huis waar God verblijft
    het betreft onze Kerk en niet alleen de Orthodoxe Kerk, maar het verspreid zich van alle kerken, die Christus navolgen.
Door alle eeuwen heen hebben de Heiligen [Zij, Die Christus in hun hart meedragen], deze zoete geur van Myron om Zich heen verspreid.
Zij hebben dit op een dusdanige wijze gedaan, dat de Genadegaven van Christus, Die de Kerk -ook vandaag de dag- nog steeds verspreidt, de onvergankelijke Myron van het leven wordt genoemd, deze welriekende Myron vloeit zelfs soms als een Mysterie uit Orthodoxe iconen.

Heavenly Jeruzalem, ‘You see this city? Here God lives among men. He will make his home among them; they shall be his people….’ Apocalypse 21: 1-5. jpg

Laten wij allen vanavond onze ziel en levendige dankbaarheid verheffen,
klaar om het uit te roepen:
Heilig, Heilig, Heilig bent U, o Heer, Sabaoth
[Sabaoth = Heer aller heerscharen, God van alle werelden],
onze uitroep is alles wat ons verenigt.
Prijst de Heer, Die geduldig is , niet ontmoedigd is door
onze menselijke tekort-komingen, maar
onze Bruidegom komt als de bewaker van ons eeuwige leven.
Deze heilige God en Heer van alles,
Hij is de Heilige, de enige Sterke, de enig Onsterflijke, Die in staat is om de listen van de tegen-strever [de Satan] te verslaan.

Jezus Christus beschermt de kinderen God’s

Hij, de Heilige, de enige onsterfelijke en Leven-schenker, de overwinnaar van de dood door het leven en Hij staat ons bij door ons te overweldigen in Zijn Licht.
Wij reageren op Christus’ oproep, Heer, bevrijdt ons van de lusteloosheid als gevolg van de ziekelijk zonde, laat ons door de overgave aan Uw ondoorgrondelijk Grote Liefde voor de mensen het leven weer ter hand nemen – dankzij het geven dat U ons als uw dienaren aanvaard!

En wanneer we ons voorbereiden – gereed maken, strekt onze Heer dezelfde
uitnodiging uit aan ons zoals
Hij Zich tot Jacobus en Johannes wendde.

Voor ieder van ons die Zijn Glorie willen zien, die ernaar verlangt aan Zijn zijde te verblijven bij het Groot en Heilig Pascha, zegt Christus eerst tot jou en tot mij: 

” . . . . . Maar ben jij in staat en bereid om de beker te drinken waarvan ik drink?
Ben jij in staat met mij deze Grote en Heilige Week op te trekken?
Ben jij bereid aan Mijn zijde te staan en het door God, onze Vader aangeboden Kruis met Mij te dragen en daarmee werkelijk Mijn Volgeling te zijn?”

Christus verlangt dat je volmondig ‘ja‘ zult zeggen. 

En de Kerk hoopt daarbij dat het Groot en Heilig Pascha
niet alleen een zondag is waarop christenen, als
Zijn Volgelingen komen opdagen, want
iedere Zondag van het jaar dat volgt wordt
Zijn Opstanding volmondig in de hymnen,
de Apolytikia 
bezongen.

Paasdinsdag in de Grote en Heilige Week – houdt uw lampen brandend

Koninkrijk der Hemelen [Russisch, 19e eeuw]

”     Doch van die dag en van dat uur weet niemand, ook de engelen in de hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen.
Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn.
Want zoals zij in die dagen voor de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop
Noach in de ark ging en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.
Dan zullen er twee in het veld zijn, een zal aangenomen worden en een achtergelaten worden;
twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen, een zal aangenomen worden, en een achtergelaten worden.
Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Heer komt
” Matth.24: 36-42.

 

De 5 wijze en de 5 dwaze maagden

”      Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden, die haar lampen namen en uittrokken, de bruidegom tegemoet.
En vijf van haar waren dwaas en vijf waren wijs.
Want de dwaze namen haar lampen mede, maar geen olie;
doch de wijze namen olie in haar kruiken, met haar lampen.
Terwijl de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in.
En midden in de nacht klonk een geroep:
De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!
Toen stonden al die maagden op en brachten haar lampen in orde. En de dwaze zeiden tot de wijze: Geeft ons van uw olie, want onze lampen gaan uit. Maar de wijze antwoordden en zeiden: Neen, er mocht niet genoeg zijn voor ons en voor u; gaat liever naar de verkopers en koopt voor uzelf.
Doch terwijl ze heengingen om te kopen, kwam de bruidegom, en die gereed waren, gingen met hem de bruiloftszaal binnen, en de deur werd gesloten.
Later kwamen ook de andere maagden en zeiden:
” Heer, heer, doe ons open!”.
Maar hij antwoordde en zei:
“Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet’.
Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur
”. Matth.25: 1-13

 

Profeet Job en zijn vrienden

Gedurende de vastentijd werden de Oudtestamentische lezingen in de Vespers genomen uit Genesis en Spreuken. Bij het begin van de Grote en Heilige week, de stille week verandert dit in Exodus en het boek Job. Exodus verhaalt ons het gebeuren van Israëls [de  Kerk] bevrijding uit de slavernij uit Egypte, de doortocht [door de woestijn van het leven] Het bereid ons voor op het juiste begrip van Christus’ [dus onze] uittocht naar Zijn Vader, Van Zijn vervullen van de gehele Heilsgeschiedenis.
Job, de lijdende is immers de Oud-Testamentische icoon van Christus. De lezing van het gehele boek Job is een aankondiging van het Mysterie rond het lijden van Christus, van Zijn Gehoorzaamheid aan de Vaderen het Offer wat Hij omwille van ons gaat voltrekken. Lees het boek Job, want je zult je gezegend weten en je hart zal  opgeheven worden wanneer je God’s stem mag horen:
    Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde van uw HeerMatth.25: 21.

De Maagd, die God heeft gebaard . . .

Lees en herlees de voorafschaduwing van de Grote Blijde Boodschap, opdat je getroffen mag worden en blij mag zijn door hetgeen je deze week te wachten staat.
Mocht je in de gelegenheid probeer dan een Orthodoxe Kerk te vinden waar nog diensten gehouden worden, ma t/m wo ‘de Liturgie van de voorafgewijde gaven‘ –
op welke dagen ook het gebed van Ephraïm de Syriër nog voort-klinkt.

Wanneer we de gelijkenis van de tien maagden goed bekijken, dienen we voor we verder gaan van tevoren vast te stellen dat er veel discussie is geweest over de betekenis van deze woorden van onze Heiland. Ten minste één aspect van deze gelijkenis kan met absolute zekerheid bekend zijn.
De bruidegom is Jezus Christus en deze gelijkenis beschrijft Zijn wederkomst.
In het eerste Verbond met Israël beeldt God Zichzelf uit als dè “echtgenoot
♨︎➥♨︎ Hij, Die is en altijd zal zijn” van Israël [de Kerk]:
>> ”     Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet meer denken.
Want uw man is uw Maker, Heer der Heerscharen is zijn naam; en uw losser is de Heilige van Israël, God van de ganse aarde zal Hij genoemd worden. Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de Heer geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd, zegt uw God 
” Isaiah 54: 4-6; en
>> ”     Men zal u niet meer noemen:
Iemand, die Verlaten is en men zal uw land niet meer noemen:
Woestenij; maar gij zult genoemd worden:
Mijn Welgevallen, en uw land: Gehuwde.
Want de Heer heeft een welgevallen aan u, en
uw land wordt ten huwelijk genomen.
Want zoals een jongeling een maagd huwt, zullen
uw zonen u huwen, en zoals de bruidegom zich over
de bruid verblijdt, zal uw God Zich over u verblijden
Isaiah 62: 4-5 ; alsmede bij:
>> ”     Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig:
Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht,
door goedertierenheid en ontferming;
Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en
gij zult de Heer kennen
” Hosea 2: 19,20.

 

Christus, bruidegom van de Kerk

            In de nieuwe verbintenis van de Blijde Boodschap van onze Heer en Verlosser wordt Christus afgebeeld als de bruidegom van de Kerk:
>> ”     Johannes antwoordde en zei: ‘Geen mens kan iets aannemen, of het moet hem uit de Hemel[en] gegeven zijn. Gij kunt zelf van mij getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar ik ben voor Hem uit gezonden.  Die de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom, die erbij staat en naar hem luistert, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld” John. 3: 27-30;
>> ”     Jezus zei tot hen: Kunnen soms bruiloftsgasten treuren, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is, en dan zullen zij vasten ” Matth.9 : 15 en op dezelfde wijze
>> ”     En Jezus zei tot hen: Kunnen bruiloftsgasten dan vasten, terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang zij de bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten. Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is en dan zullen zij vasten, te dien dage Marc 2: 19-20;
            terwijl Paulus de Kerk beschrijft en
op gelijk niveau stelt als een Verbonds-huwelijk dat
wordt afgesloten als de bruid van Christus:
>> ”      Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zo dat zij heilig is en onbesmet. Zo zijn ook de mannen verplicht hun vrouw lief te hebben als hun eigen lichaam. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief;  want niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het zoals Christus de gemeente, omdat wij leden zijn van zijn lichaam. Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn. Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente” Eph.5: 25-32.

Wat gebeurt er als alles wat Geloof aangaat om je heen verandert?
            Wanneer we deze vraag ernstig nemen begrijpen we plotseling dat deze ogenschijnlijk zo ver afgelegen tekst heel actueel wordt, omdat dat precies inhoudt waar we vandaag de dag op een dramatische manier mee geconfronteerd worden:
– de transformatie van al datgene wat met religie van doen heeft – ;
  de scheiding tussen kerk en staat,
  het ontbinden van aloude waarden als het huwelijk 
  het zelfbeslissing’s-recht over leven/dood
            is een veelomvattend kenmerk van de westerse samenleving geworden.
Nationalisme en het daaruit voortvloeien zelfbeschikkingsrecht
blijkt in de moderne tijd de religie te hebben vervangen voor het sacrale, datgene
wat onmisbaar is en waarvoor we zelfs zouden willen sterven
– niets lijkt meer te zijn van wat het voorheen was.
                                          Ouders ervaren hoe zij hun kinderen de taal van de Blijde Boodschap, de taal van de Kerk, niet meer over kunnen brengen – het lijkt wel of of je tegen een muur oploopt.
Dat kan ook niet anders wanneer ouders de grip op de opvoeding van hun kinderen verliezen, vanwege het feit dat zij beiden compleet in beslag worden genomen door inkomstenverwerving.
                                         Er zijn nog lichtpunten onder sommige jongeren, maar hoewel er steeds meer mensen zich totaal in de wereld verliezen, lijken
de verschillende bloedgroepen van de Kerk zich zelfs
totaal niet af te vragen wat er van deze mensen zal worden.
                                        Wel worden ze herhaald opgetrommeld wanneer het ergens uit de hand lijkt te lopen – bij echtscheiding, ongeluk en verslavingen aan de meest vreemde producten van de wereld.
De voorheen grote gemeenschappen zien het aantal teruglopen en
worden gedwongen hun onroerend goed van de hand te doen
  het is niet meer op te brengen en de Geloofsgemeenschappen
zelf worden achtervolgt door steeds hogere schulden.
Waar ga je heen met je problemen
  de verzorgingsstaat loopt vast en
blijkt ontoereikend te zijn
de maatschappelijke problemen op te lossen.
                                          Het enige wat je ziet is dat rijken nog rijker worden en een kleine groep top-figuren het totale vermogen van de samenleving in handen hebben.
Wat kan de generatie die opgroeit nog doen – loonslaven, de massa van de samenleving worden armlastig en vallen ‘en-masse’ terug op het minimum – 40% reeds, leuk vooruitzicht toch?

Waar gaan we met z’n allen heen?
Wat is het alom heersend bezwaar tegen de ontoereikendheid waarmee
het gewone volk niet meer in overeenstemming kan komen met
aloude begrippen, welke in de Blijde Boodschap wordt onderwezen.
            Het zijn niet slechts vijf maagden,
die hun lamp niet brandend hebben weten te houden
  de mensen zijn totaal niet ontvlamd en we keren terug naar de tijd van de Apostelen waarbij slechts een kleine groep Volgelingen van Christus de werkelijke Boodschap heeft ervaren.
                                                  Ogenschijnlijk beschrijft Johannes  de Theoloog in historisch opzicht wat hij heeft beleefd, toen Hij door de Heer geroepen werd als een god die God in het achterhoofd achterliet.
                                                  Dan komt Jezus met Zijn discipelen naar het land van Judea en het is alsof Johannes zich nog een laatste keer wil binden aan de religie waarin hij zelf is opgegroeid.
                                                 In een terugkeer zou het vertrek van het volkomen nieuwe zich opnieuw in het verleden moeten wortelen.
Christus doopte naar mijn verwachting ook, evenals Zijn voorloper Johannes de Doper in tegenstelling tot de opmerking:
”     – ofschoon Jezus niet zelf doopte, maar zijn discipelen -” John.4: 2.
                          Alleen al omdat de toekomst opnieuw is versmolten met het verleden.
                          Om zeker te zijn, lijken Johannes historische uitspraken een aanfluiting.

Religie, dat betekent opnieuw zoals in het vroege christendom – in je gewone kloffie – de straat op en mensen opnieuw motiveren door aan te geven waarom zij in de wereld vastlopen en moeilijkheden ondervinden op allerlei vlakken.
De toekomst van het Christendom blijkt zich opnieuw dienen te versmelten met het verleden.
Religie, dat betekent gewoon najagen mensen te bekeren met jouw gedrag mensen te verbazen en door het voorbeeld tot de Kerk te brengen en hen te laten dopen zoals Johannes de doper deed; hoewel Christus Zelf niet doopte;
Onze Heer klopte slechts aan bij de mensen en maakte op die wijze volgelingen:

De Samaritaanse vrouw aan de bron
”     Toen nu de Heer vernam, dat de Farizeeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes, – ofschoon Jezus niet zelf doopte, maar zijn discipelen –
verliet Hij Judea en vertrok weer naar Galilea.
En Hij moest door Samaria gaan. Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, dicht bij het veld, dat Jaäcob aan zijn zoon Jozeph gegeven had; daar was de bron van Jaäcob. Jezus nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur. Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zei tot haar: ‘Geef Mij te drinken’
” John.4: 1-7.
                Onze Heer en Verlosser klopt dus heel subtiel bij de mensen aan en vindt aldus Zijn volgelingen.
                Dit betekent dat de Kerk Zich eveneens in de puur uiterlijke dingen – heel subtiel – dient te manifesteren en pas in de tweede plaats [na grondige katechese] met het doopwater op de proppen dient te komen.
               Om de uiterlijke vertoning van de geïnstitutionaliseerde religie op een dusdanige manier terug te brengen dat je met overeenkomstige middelen je eigen identiteit waarmaakt
  waarmee je jezelf als Kerk karakteriseert en markeert en daarmee ‘getuigt’ dat ‘de Kerk’, het Lichaam van Christus, onlosmakelijk met het leven verbonden is
  dat houdt in dat we terug naar de bron zullen dienen te gaan!

                 De bron van Abraham, Isaäc en Jaäcob, dus trek uit je voorland, je toekomstig lot.  Wanneer onze jongeren opnieuw gemotiveerd willen worden – hun leven in te zetten voor verandering van het bestaan en zich daarbij gesteund weten dat zij dat doen in de Naam van God, met Christus als voorbeeld, dan zou dat tot gevolg hebben dat zij een middenvinger leren op te steken tegen de minachting waarmee onze religie in de wereld behandeld wordt.
                Een waarachtige innerlijke ervaring komt voort uit het tot op het bot geroerd geraken en hoe kan dit anders dan het opheffen van geïsoleerde ivoren torens en je richten op de primaire behoeften van de mens.

Primaire behoeften
Veel lichamelijke basisbehoeften zijn er vooral om in leven te blijven en de soort te laten voortbestaan. Eten, drinken, seks en de behoefte aan veiligheid, zijn onze grootste verlangens en zijn daarom door Maslow terecht als basis van zijn piramide opgenomen.
Erkenning en waardering ontvangen is ook een belangrijke basisbehoefte, maar daaraan denken we niet zolang we honger hebben of voor ons leven vrezen.
Behoeftes kennen nu eenmaal een prioriteit.
Indien we honger hebben denken we niet langer aan onze veiligheid, en
nemen we risico’s om aan eten te komen voor ons en onze kinderen.
Maar met volle maag willen we vervolgens eerst een veilig gevoel
voordat we zin in seks hebben.
Ieder mens wil van jongs af aan waardering
voor geleverde prestaties, hard werken, studie,
ontwikkeling inzicht, aanleg, en allerlei andere goede eigenschappen.

                Maar we willen ook erkenning voor onze tekortkomingen, bij
de pech die we hadden, het leed dat ons is overkomen.
Indien dergelijke complimenten, respectievelijk armen over de schouders uitblijven, tast dat onze gezondheid aan zowel in geestelijk als in lichamelijk opzicht. We breken dan misschien de banden met bekenden, raken gefrustreerd, zijn in onze broosheid boos.
We rusten niet totdat we schadevergoeding, of op z’n minst excuses hebben gekregen etc.
Maslow spreekt niet over onze allergrootste behoefte, namelijk het constant inademen van zuurstofrijke lucht en schoon water, terwijl het tevens ook een bewezen feit is dat de behoefte aan jezelf kunnen uiten in kunst, muziek en humor, bij de mens eveneens bijzonder sterk is, ook al is het geen essentiële basisbehoefte.
                 Zonder vloed geen eb, zonder ziekte geen gezondheid en zonder ongeluk geen geluk. Het is triest dat ellende en verdriet (van anderen) nodig zijn om ons prettig en dankbaar te voelen op de momenten dat we zelf geen hinder van dergelijk onheil ondervinden.
De term basisbehoeften heeft in de economie een nauwe relatie met de begrippen als schaarste en het ‘alternatief‘ aanwenden van middelen.

                Alternatief betekent -‘niet gebaande wegen‘ volgen;
vanuit je Geloof in de medemens [de naasten] door je voorbeeld en adviezen oplossingen bieden, waardoor zij weer lucht krijgen.
                                Hoe kun je de mensen op een andere manier weer een gevoel van  onschuld terug geven, weer in harmonie e komen met zichzelf, zich weer in z’n leven in Christus onaantastbaar te kunnen voelen?
Een mens, die ziek is, het leven weer mogelijkheden te bieden dit te [ver-]dragen;
armoede en verslavingen overwinnen, opdat het zelfrespect weer een bloei kan doormaken; gevangenen en oorlogsslachtoffers bevrijden en opnieuw mogelijk-heden aan te bieden teneinde van hun weg richting de ondergang te geraken; kort samengevat de slachtoffers van de menselijke samenleving [de wereld] weer opvangen.

gelijkenis van de Maagden
De maagden, die vol verwachting de komst van de Heer afwachten [competitie]
En natuurlijk breekt er vervolgens een onmiddellijk strijd uit onder degenen, die  bepalen welke kant de gemeenschap opgaat en er ontstaat onrust.
                      Er ontstaat onmiddellijk een puur kwalitatieve en kwantitatieve rivaliteit welke oud-gedienden nog wel “succesvol” blijken te zijn.
Maar de onenigheid, die nu ontstaat het geschil heeft een algemeen dogmatisch thema: het mindere maakt plaats voor het meerdere, dat wil zeggen het kan niet anders of er vindt een schoonmaak plaats.
                      Dit is helemaal niet erg – het werkt vernieuwend – en zal eerst na enige decennia z’n nut bewijzen – zo niet, dan zal een hele generatie verloren gaan.
                      Uitgangspunt zal echter wèl dienen te zijn dat er onderling gecommuniceerd wordt – zònder communicatie absoluut geen gemeenschap; en de hiërarchische structuur zal behoorlijk dienen in te binden en zich zoals in de vroeg-christelijke Kerk alleen met het toezicht dienen te bemoeien.
                      Israël /de Kerk, Die Het Verbond met God aangaat wordt niet voor niets al vanaf z’n prille beging in de voorvaderlijke oudheid vergeleken met een huwelijk, een huwelijk is alleen mogelijk op basis van wederzijds respect.
                           Het haast vervallen menselijk Lichaam van Christus duidt op een stervensproces en de Kruisdood zal allereerst dienen te worden ondergaan voordat er sprake kan zijn van leven; van een opstanding – van een herleven – dit proces heeft zich in de kerkelijke geschiedenis al meermalen bewezen.
                          Hetgeen betekent reiniging van de mensen, van het Lichaam van Christus – het gaat erom de mens van deze tijd weer te beroeren – het overbrengen van de oorspronkelijke ontroering, iedere oorspronkelijke betekenis van
het navolgen van Christus dient weer zin te krijgen – iets van ons eigen leven te weerspiegelen.
                       De breuk tussen de vroeg christelijke Kerk en het jodendom is onderbouwd met bewijzen, terwijl in de formuleringen van het getuigenis van Johannes parallellen worden getrokken.
                      Vertrek van het principe dat alle mensen gelijk geschapen zijn- en pas dat toe.
En doe een beroep op de gulden regel, zoals Confucius het formuleerde: “leg anderen niet op wat je zelf niet verlangt, maar overleg en kom tot overeenstemming met vernieuwende initiatieven”.
– De wereld doet dit voortdurend: met financiële en militaire macht zaken opleggen aan anderen die we zelf echt niet zouden verlangen.
– De wereld blijft geen bewoonbare plek, tenzij we alle mensen, of we hen nu graag hebben of niet, of ze onze belangen dienen of niet, echt gelijk gaan behandelen en daar dient de Kerk het voortouw in te nemen.
De Kerk – dat is een historische ontmoetingsplek – al van het begin van de schepping af waar we nog steeds toegang toe hebben.
Er worden verschillende ontwikkelingsassen gevormd en slechts één moet door God worden gecertificeerd; iedereen wordt opzij geschoven.
                   Dit is momenteel het historische thema:
‘vormen van religie in competitie met elkaar‘.
Maar wat ècht op het spel staat, is iets heel anders met dit onderwerp;
  Wàt er op het spel staat, is de knagende vraag wat religie kan en zou dienen te  zijn. Het verandert, zoveel is neem ik aan nu wel duidelijk, maar waarom?
Vanuit welke krachten dient ze te veranderen? Wat gebeurt er als het verandert?
Als het goed is heb – ontzettend veel water uit de geestelijke Bron – beschikbaar en dat trekt grote menigten te blijven?
Om het verhaal compleet te maken:
Religie,  op een zodanige wijze is identiek aan de overeenkomstige binnenkomende middelen, ze “getuigt” door hun gemarkeerd interesse in massabewegingen!”.
                  In één zin zodanig kan het verlies worden beschreven geen echte innerlijke ervaring nauwelijks duidelijker dan hier gebeurt.
En natuurlijk breekt er onmiddellijk strijd uit in de nabijheid van zo’n religie.
Onmiddellijk gaat het niet over een puur kwantitatieve rivaliteit, maar over
welke groepen mensen “succesvol” zullen zijn is relatieve competentie.
Kwaliteit is een dogmatisch thema, hetgeen inhoudt
  een grote totale aanpak en schoonmaak van het christendom’.
Hoe kun je anders  aan de mensen ‘in navolging van Christus‘ een gevoel van hun onschuld teruggeven, want de harmonie met zichzelf, omvat de integriteit van hun leven.

Mozes en de brandende braambos

Completen 8e ode
tn.2.
Hem, Die in de braambos op de berg Sinaï,
aan Mozes het wonder van de Maagd heeft vóóraf gebeeld, prijst en verheft Hem in alle eeuwigheid“.

“Hoewel voor Hem, Die de tijden beheerst,
het einde van de tijd niet onbekend kan zijn,
heeft Hij toch voorzegd dat Hij als mens die dag niet wist, om te doen zien binnen welke grenzen wij in deemoed gebonden zijn
“.

    Wanneer Gij als Rechter zult zetelen om, zoals U voorzegd hebt, als een Herder de bokken af te scheiden van de schapen, ontzeg ons dan niet, Verlosser, het staan aan Uw Goddelijke rechterzijde“.

    Gij zijt ons Pascha Dat, als Lam en offer en Verzoening
voor de zonden voor allen geslacht wordt.
Daarom verheffen wij in alle eeuwen Uw goddelijk Lijden, o Christus
“.

Heel ons aardse leven heeft Christus samengevat in die woorden over de molen, de akker en het huis. Verwerf u daarom een hart dat gereed is voor God, zodat het niet met het vlees in verderf opgaat“.

Niet alleen godsdienstigen, zoals Simon de Farizeeër, hebt Gij voor Uw maaltijd waardig geacht, Verlosser, maar ook tollenaars en zondaressen mogen deelnemen aan Uw Barmhartigheid“.

Maria van Magdala 1260 Florence

Bij het uitgieten van de Myron werd Judas, de door geldzucht bevangen verrader, op de gedachte gebracht de Meester te verkopen. Hij ging naar de wettelozen en kwam de prijs overeen“.

Zalig zijn de handen en de haren en de lippen van de zo wijze zondares! Want daarmee heeft zij de Myron over Uw voeten uitgegoten, Verlosser, en die afgedroogd en steeds weer gekust“.

Christus sprak: ” Laat haar begaan . . .

Toen U bij de maaltijd aanlag, o Woord, kwam een vrouw bij Uw voeten staan.
Wenend goot zij een kruik met Myron  uit over Uw hoofd, Verlosser, Die Zelf de onsterfelijke Myron zijt
“.

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN

Zegenen wij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, de Heer.
Met de Vader verheerlijken wij de Zoon en de Heilige Geest:
de Heilige Drieëenheid in één Godheid.
en wij roepen: Heilig, Heilig, Heilig, zijt Gij in alle eeuwigheid“.

Zingen, zegenen en aanbidden wij de Heer,
Hem lovend en prijzend in alle eeuwigheid

Hem, Die in de braambos op de berg Sinaï,
aan Mozes het wonder van de Maagd heeft vóóraf gebeeld,
prijst en verheft Hem in alle eeuwigheid
“.