Maandag van de vleesonthouding – de pelgrimstocht van het zout; waar wilt Gij, dat wij het Pascha gereed maken?

Christus bidt op de Olijfberg

>        En het geschiedde, toen Hij dicht bij Betfage [Hebr.=’ huis van onrijpe vijgen’] en Bethanië [Hebr.=’ huis van dadels of huis van ellende’] kwam, bij de berg, genaamd Olijfberg, dat Hij twee van zijn discipelen uitzond, en zei:
Gaat naar het dorp hiertegenover en als gij het binnenkomt, zult gij daar een veulen vastgebonden vinden, waarop nog nooit iemand gezeten heeft; maakt het los en brengt het hier.
En indien iemand u vraagt: Waarom maakt gij het los? zegt dan: De Heer heeft het nodig.
En zij, die uitgezonden waren, gingen heen en vonden het, zoals Hij hun gezegd had.
Toen zij het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars tot hen:
Waarom maakt gij het
[jonge] veulen los?
    En zij zeiden: De Heer heeft het nodig.
En zij brachten het tot Jezus, en wierpen hun klederen over het [jonge] veulen en hielpen Jezus er op.
En terwijl Hij voorttrok, spreidden zij hun kleren op de weg.
Toen Hij reeds dichterbij kwam, aan de glooiing van de Olijfberg, begon de gehele menigte van de  discipelen vol blijdschap God te prijzen, met luide stem, om al de krachten, die zij gezien hadden, en zij zeiden:
          Gezegend Hij, die komt, de Koning, in de Naam des Heren; in de Hemel vrede en ere in 
de hoogste Hemelen.
En enige van de Farizeeën uit de schare zeiden tot Hem:
          Meester, bestraf uw discipelen.
En Hij antwoordde en zei:
Ik zeg u, indien dezen zwegen, zouden de stenen roepen”.
> “De dag der ongezuurde broden kwam, waarop het Pascha moest geslacht worden. 
En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggend:
Gaat heen, maakt het Pascha voor ons gereed, opdat wij het kunnen eten.
En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij het gereed maken?
          Hij zei tot hen: Zie, wanneer gij de stad inkomt, zal u een man tegenkomen, die een kruik water draagt. Volgt Hem in het huis, dat hij binnengaat en zegt dan tot de heer van dat huis: De Meester zegt u:
Waar is het vertrek, waar Ik met mijn discipelen het Pascha kan eten?
          En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, van alles voorzien: maakt het dáár gereed. En zij gingen heen en vonden het zoals Hij hun gezegd had, en zij maakten het Pascha gereed.
En toen het uur aangebroken was, ging Hij aanliggen en de apostelen met Hem
          En Hij zei tot hen: Ik heb vurig begeerd dit Pascha met u te eten, eer Ik lijd. Want Ik zeg u, dat Ik het voorzeker niet meer eten zal, voordat het vervuld is in het Koninkrijk Gods.
          En Hij nam een beker op, sprak de dankzegging uit en zei:
Neemt deze en laat hem bij u rondgaan. Want Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet van de vrucht van de wijnstok drinken, voordat het Koninkrijk Gods gekomen is.
          En Hij nam een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en gaf het hun, zeggende: Dit is Mijn Lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot Mijn Gedachtenis.
          Evenzo de beker, na de maaltijd, zeggende: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, die voor u uitgegoten wordt.
         Doch zie, de hand van hem, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel. Want de Zoon des mensen gaat wel heen, naar hetgeen beschikt is, doch wee die mens, door wie Hij verraden wordt!
          En zij begonnen er onder elkander over te twisten, wie van hen het wel zijn kon, die dat zou doen. Er ontstond ook onenigheid onder hen over de vraag, wie van hen als de eerste moest gelden.
          Hij zei tot hen:
De koningen der volken voeren heerschappij over hen en hun machthebbers worden weldoeners genoemd. Doch gij niet alzo, maar de eerste onder u zal worden als de jongste en de leider als de dienaar. Want wie is de eerste: die aanligt, of die dient? Is het niet, die aanligt? Maar Ik ben in uw midden als dienaar. Gij zijt het, die steeds bij Mij gebleven zijt in Mijn verzoekingen. En Ik beschik u het Koninkrijk, gelijk Mijn Vader het Mij beschikt heeft, opdat gij aan Mijn tafel eet en drinkt in Mijn Koninkrijk. En gij zult zitten op tronen om de twaalf stammen van Israël te richten.
          Simon, Simon, zie, de satan heeft verlangd u lieden te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken. En gij, als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen.
          Hij [Simon] zei tot Hem: Heer, met U ben ik bereid ook gevangenis en dood in te gaan! Maar Hij zei: Ik zeg u Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult geloochend hebben, dat gij Mij kent.
En Hij zei tot hen: Toen Ik u uitzond zonder beurs of reiszak of sandalen hebt gij toen aan iets 
gebrek gehad? Zij zeiden: Aan niets.
Hij zei tot hen: Maar nu, wie een beurs heeft, hij neme die, zo ook een reiszak; en wie er geen heeft, hij dient zijn mantel te verkopen en een zwaard te kopen.
Want Ik zeg u, dat dit Woord, dat geschreven is, aan Mij in vervulling moet gaan: En Hij is onder de misdadigers gerekend. Want wat over Mij geschreven is, komt tot een einde.
Zij zeiden: Heer, zie, hier zijn twee zwaarden! Hij zei tot hen: Het is voldoende.
En Hij verliet de stad en ging, zoals Hij gewoon was, naar de Olijfberg. En ook zijn discipelen volgden HemLuc.19: 29-40,22: 7-39.

H. Johannes de Theoloog, miniatuur

          De oudste aan de geliefde Gajus [Hebr.= ‘heer’], die ik in waarheid liefheb.
Geliefde, ik bid, dat het u in alles wel ga en gij gezond zijt, gelijk het uw ziel wel gaat. Want het heeft mij zeer verblijd, als er broeders kwamen en van uw waarheid een goed getuigenis gaven, zoals gij dan ook in de waarheid wandelt.
Een grotere blijdschap ken ik niet, dan dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.
Geliefde, gij handelt trouw in alles wat gij aan de broeders doet, en dat nog wel aan vreemdelingen, die in tegenwoordigheid der gemeente getuigd hebben van uw liefde; indien gij hen voorthelpt, gelijk het aan God waardig is, zult gij wel doen; want zij zijn uitgegaan ter wille van de Naam, zonder iets van de heidenen aan te nemen.
Wij behoren dus zulke mannen te ontvangen, opdat wij mogen samenwerken voor de waarheid.
Ik heb aan de gemeente een en ander geschreven; maar Diotrefes, die onder hen de eerste tracht te zijn, ontvangt ons niet.
Daarom zal ik, als ik kom, herinneren aan zijn werken, die hij doet, daar hij met boze woorden tegen ons zwetst; en hiermede nog niet voldaan, ontvangt hij zelf de broeders niet en weerhoudt ook hen, die het wel willen doen, en hij werpt hen uit de gemeente.
Geliefde, volg het kwade niet na, maar het goede.
Wie goed doet, is uit God [maar] wie kwaad doet, heeft God niet gezien.
Van Demetrius is een goed getuigenis gegeven door allen en door de waarheid zelf; en ook wij geven een goed getuigenis en gij weet, dat ons getuigenis waar is.
Ik had veel aan u te schrijven, doch ik wil u niet schrijven met inkt en pen; maar ik hoop u spoedig te zien; dan zullen wij van mond tot mond spreken.
Vrede zij u! De vrienden groeten u. Groet de vrienden bij name3John.1-15.

– Horen, wie horen wil –

Hoor, wie het horen wil, lees de tekst van vandaag en laat u niet afleiden, want datgene wat hier beschreven staat gebeurt vandaag de dag, ja, -hier en nu- voor uw ogen.
De wapenrusting van God begint met de oproep om niet te geloven in leugens, . . . . . Het zwaard van de Geest zijn de woorden van God die je in de Blijde Boodschap vindt, het oude en het Nieuwe Testament, dat zijn de twee zwaarden waarover ons Heer en Verlosser vandaag spreekt.
Hoe blijf je staande in de duisternis, in de woestenij om ons heen?
Onze Heer en Zaligmaker roept ons op om “de gehele wapenrusting van God” aan te trekken, om staande te blijven te midden van de duistere nacht om ons heen. De gelovige krijgt het borstwapen, God’s Gerechtigheid, in Jezus Chrisus aangereikt.
Wanneer de navolger van Christus zijn/haar lendenen omgordt met de Waarheid van het Woord van God, kan hij/zij sterk en standvastig blijven in de strijd. Wanneer de gelovige zijn voeten bekleedt met de bereidheid, is hij klaar de komst van de Heer, maar ook klaar om verantwoording van het Geloof af te leggen. De gelovige heeft een schild gekregen, “het schild van het waarachtig Geloof”, om alle aanvallen van de boze te kunnen weerstaan en in te dammen.
Het Geloof is een vaste grond van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de dingen die men niet ziet. Wanneer ons Geloof gestoeld is op het Woord van God, en we overtuigd zijn van Zijn Waarheid, dan mogen we het schild van het Geloof heffen en de aanvallen van het kwaad om ons heen weerstaan, waardoor zijn vurige aanvalspijlen door het Woord gedoofd zullen worden.
We mogen eerst dàn vast zijn in het Geloof, de tegenstrever zal ons dan niet kunnen verslinden.

Als voorbereiding op de vasten van aankomende week laat onze Blijde Boodschap ons het een en ander weten als bescherming tegen de menselijke invloed welke Zijn Woord tracht te overschreeuwen:
1. Onze Heer en Verlosser laat ons via Simon [Hebr.= ‘rotsblok, luisterend in de woestijn] weten:
          De satan heeft verlangd jullie [, Mijn volgelingen] te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw Geloof niet zou bezwijken. En gij, als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen [de volgelingen om je heen].
          Hij [Simon] zei [in vuur en vlam] tot Hem: ‘Heer, met U ben ik bereid ook gevangenis en dood in te gaan!’. Maar Hij [Christus] zei: ‘Ik zeg u Petrus [Hebr.= ‘rotsblok], de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult geloochend hebben, dat gij Mij kent’.
En Hij zei tot hen: ‘Toen Ik u uitzond zonder beurs of reiszak of sandalen hebt gij toen aan iets 
gebrek gehad? Zij zeiden: Aan niets.
Hij zei tot hen: Maar nu, wie een beurs heeft, hij neme die, zo ook een reiszak; en wie er geen heeft, hij dient zijn mantel te verkopen en een zwaard te kopen’.
2. Johannes hier zijn geliefden op en stelt dat hij aan de gemeente het een en ander heeft geschreven;
maar διοτρεφης [Diotrefes = gevoed door Zeus, een heerszuchtig en liefdeloos man], die onder hen de eerste tracht te zijn, ontvangt de ware volgelingen van Christus niet.
          Daarom zal ik, als ik kom, herinneren aan zijn werken, die hij doet, daar hij met boze woorden tegen ons zwetst; en hiermede nog niet voldaan, ontvangt hij zelf de broeders niet en weerhoudt ook hen, die het wel willen doen, en hij werpt hen uit de gemeente. Geliefde, volg het kwaad niet na, maar het goede”.

Het verborgene zal ontwaken

          Het wordt ons recht toe recht aan -hier en nu- voor ogen gesteld: “ de hand van hem, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel” Met andere woorden door de eeuwen heen is de satan bezig geweest het Lichaam van Christus uit te bannen, te vernietigen – niet van buiten af, maar van binnen uit !!!
Christus laat ons dit onomwonden weten: “ Onder ons zijn mede-navolgers, dat zijn mensen, die als de koningen der volkeren heerschappij trachten te voeren over de gelovigen en deze machthebbers worden nog weldoeners genoemd ook”.
Je ziet het toch voor je de ene kerkvorst stelt in plaats van slechts als oppertoezichthouder toezicht te houden en de uitvoering van de geloofsleer te waarborgen, een tussen-opper-toezichthouder aan om de toezichthouders in een regio te beheersen; terwijl aan de andere kant een àndere kerkvorst zich zeer eenzijdig opwerpt als heerser over een gebied, ja zelfs eenzijdig een geheel instituut opheft en dit alles speelt zich op die plaats af waar de machtigen der aarde zich plegen te manifesteren. De boze lacht zich rot, steeds meer navolgers van Christus nemen dit spel van het verraad aan de tafel des Heren niet meer serieus. Wie denken zij wel niet dat zij zijn?, die hun bestaansrecht ontlenen aan:
♨︎ ♨︎ ♨︎    De eerste onder u zal worden als de jongste en de leider als de dienaar. Want wie is de eerste: die aanligt, of die dient? Is het niet, die aanligt? Maar Ik [Christus] ben in uw midden als dienaar. Gij zijt het, die steeds bij Mij gebleven zijt in Mijn verzoekingen. En Ik beschik u het Koninkrijk, gelijk Mijn Vader het Mij beschikt heeft, opdat gij aan Mijn tafel eet en drinkt in Mijn Koninkrijk.
En gij zult zitten op tronen om de twaalf stammen van Israël te richten
” en
indien je dan àl troont op de twaalf stammen/apostelen, dan zul je:
♨︎♨︎♨︎    Door de Heer uitgezonden worden zonder beurs of reiszak of sandalen en hebt als zodanig gebrek aan ‘niets‘. En zó je dàn nog over een beurs beschikt, dan neem je die alsmede je reiszak; en wie er geen heeft, hij dient zijn mantel te verkopen en een zwaard te kopen”.
Dus ga je gang en koop zoveel mogelijk ‘bijbels‘ als je maar kunt en verkondig de Waarheid des Heren. Je reiszak, je rugzakje, dat kan niet anders betekenen dan datgene wat je als persoonlijke geschiedenis van de Heer in je leven hebt meegekregen.
Je dient te zijn als ‘de jongste‘, als een te berijden veulentje, als een onschuldig kind, die aan de tafel des Heren in staat wordt gesteld te ‘mogen‘ dienen, door de Waarheid van het Woord te verkondigen – niets meer en niets minder.
Doe je het toch anders, dàn pleeg je verraad – en je ziet voor je ogen dat degenen, die de Waarheid trachten overeind te houden, de profeten van de Kerk, dat die òf worden vermoord òf door heerszuchtige en liefdeloze menselijke krachten binnen de Kerk gewoon worden buitengesloten.

            Tenzij je genetisch, zoals onze Heer en Verlosser, in alle perfectie als God, compleet ànders in elkaar zit, is het normaal dat je in je leven mensen tegenkomt die je niet mag. Ook in de Kerk, het liefdevolle Lichaam van Christus kom je mensen tegen waar hèt absoluut niet mee klikt.
Het mag duidelijk zijn dat met name wat machtsmisbruik aangaat er
diverse momenten in het leven zijn waar je ook in de Kerk ‘hier-tegen-aan’ loopt.
“Wie goed doet, is uit God [maar] wie [eigenzinnig heersend] kwaad doet, heeft God niet gezien”. Maar onthoudt een ding: uiteindelijk ben ‘jij’ de enige die verantwoordelijk is voor de weg, die je gaat om het Hemels doel te bereiken.
Voor ons volgelingen van Christus is dat het Hemels Koninkrijk dat wij eens hopen te verwerven. Aldaar zal eenieder van ons persoonlijk verantwoording van zijn/haar gedrag dienen af te leggen.
Kies daarom die christelijke gemeenschap, welke het meest bij je past en vindt aldaar de inspiratie en steun om je levenswerk in Christus voort te zetten.
Christus laat ons weten dat Hij voor ons tot de Vader bidt, dat ons Geloof niet zal bezwijken. En Hij stelt dat indien wij eenmaal tot bekering gekomen zijn, onze broeders en zusters dienen te versterken in het Geloof; want:
Één is heilig, één is Heer, Jezus Christus, tot Heerlijkheid van God de Vader”.
Voor wie zich met mij verbonden weet met de orthodoxe gemeenschap dit:
⁌    laat nooit iemand anders dan Christus jouw geluk of succes bepalen.
⁌    herinner jezelf aan al hetgeen je aan goeds binnen
de orthodoxie hebt bereikt en
⁌    zorg dat geen ander dan Christus macht over je krijgt.
⁌    wil iemand binnen de orthodoxie jouw respect verdienen, dan
dient deze overeenkomstig het Woord daar gewoon z’n best voor te doen.
    En Hij verliet de stad [de wereld] en ging, zoals Hij gewoon was, naar de Olijfberg [Zijn stille plek, om er tot de Vader te bidden].
En ook Zijn discipelen volgden Hem
[daarin]”.

Apolitikion [maandag]
tn.4.    Gij Aanvoerders de Hemels Heerscharen,
wij onwaardigen bidden tot u,
dat jullie ons beschermen door uw gebeden,
en ons beschut met de dekking van uw vleugelen.
Behoed ons door uw bovenzinnelijke heerlijkheid,
nu wij neervallen en tot u roepen:
red ons uit de gevaren,
Aanvoerders der Krachten uit den hoge
”.

Theotokion [maandag]
tn.4.    Tot haar die opgevoed is in de Tempel,
in het Heilige der Heiligen;
die het Geloof en de Wijsheid en de
altijddurende maagdelijkheid hebt bewaard,
bracht de Aanvoerder Gabriël de Hemelse groet
van het ‘Verheug u’.
Verheug u, Gezegende,
verheug u, Verheerlijkte:
de Heer is met u
”.