Zondag van het Laatste Oordeel – Zondag van de vleesonthouding: Er komt een tijd dat wij zelf niets meer in de melk te brokkelen hebben. God zal ons de mond snoeren en slechts de Zijne zal in ons weerklinken.

Jezus Christus, de uiteindelijke Rechter, over de mens

    Wanneer dan de Zoon des mensen komt in Zijn Heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon van Zijn Heerlijkheid.
En al de volkeren zullen voor Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken, en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand.
       Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden van Mijn Vader, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld af. Want:
– Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven.
– Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven,
– Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest,
– Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht;
– Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen.
Dàn zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende:
‘ Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt, en hebben U gekleed? Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis gezien en zijn tot U gekomen?’.
En de Koning zal hun antwoorden en zeggen:
‘ Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan’.
Dàn zal Hij ook tot hen, die aan zijn linkerhand zijn, zeggen: ‘ Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij niet te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij niet gehuisvest, naakt en gij hebt Mij niet gekleed, ziek en in de gevangenis en gij hebt Mij niet bezocht.
Dàn zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of als vreemdeling, of naakt of ziek, of in de gevangenis, en hebben wij U niet gediend?
Dàn zal Hij hun antwoorden en zeggen: ‘ Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van deze minsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook aan Mij niet gedaan.
En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige levenMatth 25: 31-46.

    Nu zal wat wij eten, ons niet bij God brengen;
eten wij niet, wij zijn er niet minder om; eten wij wel, wij zijn er niet meer om.
Maar ziet toe, dat deze bevoegdheid van u niet tot aanstoot voor de zwakken zal worden.
Want indien iemand u, die kennis hebt, [aan tafel] ziet aanliggen in een afgodentempel, zal hij met zijn zwak geweten dan niet aangezet worden tot het eten van offervlees? Dan gaat er immers iemand, die zwak is, ten gevolge van uw kennis verloren, een broeder, om wiens wil Christus gestorven is.
Door zo tegen de broeders te zondigen, en hun geweten, indien het zwak is, te kwetsen, zondigt 
gij tegen Christus.
       Daarom, indien wat ik eet, mijn broeder aanstoot geeft, wil ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, om mijn broeder geen aanstoot te geven.
Ben ik niet vrij? Ben ik geen apostel? Heb ik niet Jezus, onze Heer, gezien? Zijt gij niet mijn werk in de Heer?
Indien ik voor anderen geen apostel ben, voor u toch zeker wel; want het zegel op mijn apostelschap zijt gij in de Heer1Cor.8: 8 – 9: 2.

De herinnering waaruit de Kerk leeft, is tevens de ver­wachting waarvan zij leeft en haar [Blijde] Boodschap tot de wereld is tevens de enige hoop voor de wereld.
Immers onze Heer Jezus Chris­tus, aan wiens Woord en Werk beiden, de Kerk en de wereld, hun oorsprong en bestaan te danken hebben – de Kerk we­tend en bewust, de wereld onwetend en nog niet bewust ­- is dezelfde die kerk en wereld tegemoet komt.
Daarmee voert Hij deze ten einde gaande tijd naar zijn doel en be­stemming.
Dat doel, die bestemming zal hierin béstaan, dat Christus
[onze Heer en Verlosser]
de in Hem gevallen goddelijke beslissing in haar onherroepelijkheid  in het Licht zal stellen voor aller oog,
n.l. Gods Genade en Recht als de maatstaf, waaraan zowel de mensheid in haar geheel als ieder mens persoonlijk gemeten zal worden
”.
Karl Barth [1886 – 1968]

Laatste oordeel “allen, die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan”

Toen Onze Heer eerst op aarde neer-daalde was het om ons te Verlossen, wanneer Hij terugkomt zal het ons tot Oordeel zijn.
We zijn ten alle tijde verantwoording schuldig aan onze Heer en Meester van ons leven voor datgene wat wij met ons leven hebben gedaan. Dit geldt voor iedereen, degenen die zich momenteel niet druk maken om Christus en degenen die zeggen Hem te belijden en te kennen, Hem te volgen.
De aandacht van de eerste volgelingen van onze Heer en Verlosser was er op gericht waakzaam te blijven tijdens deze tussenperiode tussen Zijn Hemelvaart en Zijn wederkomst.
De oproep van de Kerk is niet alleen om waakzaam te blijven, maar gaat dieper om ‘door te gaan met goede werken‘ en betrekt dit in het ijverig omgaan met de Genadegaven die we hebben gekregen.
In de lezing van vandaag gaat Onze Heer en Verlosser Zijn volgelingen specifiek vertellen hoe dit eruit ziet en welke belangen het met zich meebrengt.
Christus staat op het punt Zijn Leven-schenkend Kruis op Zich te nemen en Hij geeft Zijn naaste Volgelingen een laatste belangrijke les mee,
Hij zal terugkomen en Hij zal eenieder beoordelen.

In de Zondagen, die achter ons liggen heeft Onze Heer meerdere nogal vage Gelijkenissen gebruikt over bruidsmeisjes en dienaren. Vandaag stapt Hij over vàn de vage concepten náár kristalheldere bindende voorwaarden en daaraan verbonden verwikkelingen.
Er zijn drie hoofdpunten in dit grotere gedeelte:
1.]. Onze Heer en Meester zal terugkeren,
2.]. Er zal een Opstanding zijn en
3.]. Er zal een Oordeel zijn.
Terwijl mensen graag hun hoofd breken wanneer onze Heer wel niet zal terugkomen, en hoe de Opstanding eruit zal zien, zullen deze begrippen gemakkelijk te accepteren zijn en ons inzicht geven, maar wij gaan niemand uitgezonderd het onderwerp van een laatste oordeel het liefst uit de weg.
Maar deze in drie beloften maken de eerste twee van God, als Schepper, nog geen wereldse ervaring los, dat onze Heer zal terugkeren? Waarom? . . . . . Toen God schiep, was de mens ongehoorzaam. 

Toen God in het vlees kwam om ons te redden, werd Hij Persoonlijk door de mens afgewezen, waarom zou Hij dàn nog terugkeren?
Een Opstanding uit de doden? Waarom?
God heeft ons dit Leven gegeven als een geschenk en wij mensen verspillen het gewoon, wij doden niet alleen onszelf, maar maken het leven op aarde zelfs nog  onmogelijk en onze kinderen hebben het nakijken.

tijd van verandering, van herziening

Maar dàn volgt er een Laatste Oordeel.
We houden vast aan dit idee en toch is het volkomen logisch.
We weten allemaal dat we verantwoordelijk zijn voor wat we doen.
– We doen een test op school, we krijgen beoordelingen op ons werk,
we spelen en winnen of verliezen, we behandelen anderen goed en
er is vreugde en zonneschijn, we behandelen anderen slecht en relaties vallen uit elkaar.
– We weten allemaal dat dit momenten zijn welke de ander het recht geeft ons in onze manier waarop wij leven te beoordelen.
– We weten allemaal dat we een leven hebben gekregen dat we kunnen gebruiken en  dat we zullen worden beoordeeld hoe we het er wèl niet van hebben afgebracht.
– We houden niet van het idee, omdat ieder van ons in het hart weet hoe ontoereikend we zijn en hoe vaak we wèl niet voldoen aan onze eigen normen, laat staan die van een volmaakte Heilige God; wanneer wij geconfronteerd worden met het moment van het Laatste Oordeel.

Het Laatste Oordeel, door Jheronimus Bosch, 1500-1510.

Onze Heer en Verlosser laat ons onomwonden weten dat Hij terug zal komen en dat dáár – ‘het Laatste Oordeel’ – op zal volgen en bij dat oordeel zal er een grote scheiding zijn.
Onze Heer is een goede herder. Hij kent Zijn pappenheimers, Zijn schapen.
Hij herhaalt hierbij de Profetie van Ezechiël:
    Ik Zelf zal Mijn schapen weiden, Ik Zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van de Heer der Heerscharen; de verlorene zal Ik zoeken en de afgedwaalde terughalen; de gewonde zal Ik verbinden en de zieke versterken, maar de vette en krachtige zal Ik verdelgen. Ik zal ze weiden zoals het behoort.
En jullie, mijn schapen, zo zegt de Heer der Heerscharen,
    Zie, Ik Zelf zal rechtspreken tussen het ene schaap en het  andere, tussen de rammen en de bokken.
Is het u niet genoeg, dat gij de beste weide afweidt en de rest van de weiden met uw hoeven vertreedt; dat gij het helderste water drinkt en wat overblijft met uw hoeven vertroebelt?
Moeten mijn schapen dan afweiden wat uw hoeven hebben vertreden en drinken wat uw hoeven hebben vertroebeld?
Daarom, zo zegt de Heer der Heerscharen tegen hen:
    Zie, Ik ga Zelf rechtspreken tussen de vette en de magere schapen; omdat gij al wat zwak is, met flank en schouder wegdringt en met de horens stoot totdat jullie ze naar buiten gedreven hebt, zal Ik [Zelf] mijn schapen verlossen, opdat zij niet langer tot een prooi zijn; Ik zal Recht spreken tussen het ene schaap en het andere
Ezech.34: 15-22.

Dan zitten er geen hoofdtoezichthouder met ondertoezichthouders in Conclaaf bij elkaar om hun eigen hooghartig functioneren tegen het licht te houden.
In het – hier en nu – zijn ook de christelijke volgelingen van Christus volledig verweven met degenen die niet [meer] de Zijne zijn.
Er zijn en er zullen twee verschillende klassen zijn. Er zijn twee kanten, twee klassen en twee lotgevallen.
Dit is belangrijk; er is geen verscheidenheid aan bestemmingen of onderscheidingen.
Er zijn er die verteld zal worden het Koninkrijk der Hemelen binnen te gaan en zij die onomwonden duidelijk gemaakt wordt om maar te vertrekken.
Maar wat wordt er met deze twee categorieën bedoeld?
We zien gezegende schapen die naar het Koninkrijk mogen komen, ze geven om anderen en hebben het eeuwige leven ontvangen.
De vervloekte bokken wordt verteld om te vertrekken, zij verwaarlozen immers anderen, zijn alleen met zichzelf bezig geweest, kunnen niet anders en ontvangen een eeuwige straf.
“Maar God is een God van Liefde, ‘Hij’, Die een liefdevolle God is, zou toch liefdevol ‘Recht’ doen en wij  gerechtvaardigd worden vanwege goede werken?.

Laatste Oordeel, door Alaert du Hamel, 1478-1509

Dit lijkt mij de meest elegante en Genade-volle passage uit de Pedagogie
[de Leer] van onze Heer en Verlosser.
We zien de Genadegaven omdat het er zo dik bovenop ligt, we zwelgen in zelfgenoegzaamheid en we vinden het maar heel gewoon.
Onze Heer begint zoals bij Hem gebruikelijk met de Genadige zegen:
Komt, jullie gezegenden van Mijn Vader en neemt in ontvangst hetgeen jullie van
de grondlegging van de wereld bereid is
”.
Wanneer je gezegend bent door God, zul je ook een zegen dienen te zijn voor anderen.
Onze Heer en Verlosser kwam om “Zijn volk van hun zonden te redden“.
Maar laten we ook niet de grote fout maken en handelen zoals onze Heer ons hier voorhoudt en het al hetgeen Hij zegt als niet belangrijk beschouwen òf onze aandacht niet vereist.

Onze regelrechte rechtvaardiging voor God is niet afhankelijk van ‘onze’ goede werken. Goede werken zullen echter voortkomen uit onze rechtvaardiging.
Maak een onderscheid:
⁌  de een leeft en zoekt en streeft ernaar om God te behagen;
⁌  de ander neemt er genoegen mee dat God tevreden is met ons
door de Genadewerken van onze Heer en leeft en streeft
vanwege datgene wat ‘Hij’ gedaan heeft en
daarmee bewerkstelligd heeft van ‘wie‘ we -hier en nu- zijn.
Wàt we geloven over God, wàt Hij heeft bereikt en ‘wíe’ we zijn,
heeft onherroepelijk invloed op ‘hoe’ we leven.
Indien je beseft dat je door God bent gekocht en betaald
voor goede werken, zul je de consequenties hieruit afleiden.
Genadegaven, zowel gegeven als het ontvangen ervan is een Genade die jou motiveert.
De schapen worden niet gered vanwege hun werk of een goed leven.
Ze worden allereerst door de Vader gezegend!
Vanaf dat moment zijn ze zegenend.
Onze Heer en Verlosser leidt ons niet vanwege de goede werken als
de reden voor onze binnenkomst, maar vanwege de zegening van God, de Vader – ‘uit Liefde tot God’.
Omdat schapen gezegend zijn, waren ze een zegen voor anderen.
Hun goede leven is een bewijs van het werk dat God heeft gedaan om hen te redden.
Dit is wat de Heer en Meester van het Leven Zijn volk vertelt terwijl
Hij hier de specifieke details vastlegt.
➻ Wàt we geloven over God,
➻ Wàt Hij als God heeft bereikt en
• Wíe we zijn, heeft invloed op
• Hoe wij als návolgers leven.
Wanneer je weet dat je door God bent gekocht voor goede werken, zul je deze hieruit afleiden.
Genade gegeven en ontvangen is een genade die motiveert.
De schapen worden niet gered vanwege hun werk òf een goed leven.
Ze worden allereerst door de Vader gezegend! Dàn zijn ze zegenend.
Onze Heer en Verlosser leidt ons niet als Herder vanwege de goede werken als
de reden voor een glorieuze binnenkomst, maar vanwege de zegening van God, de Liefdevolle Vader.
Omdat schapen gezegend zijn, waren ze een zegen voor anderen.
Hun voorbeeldige leven is een bewijs van ‘het grote Werk’ dat God heeft gedaan om de mensheid te redden.
Dit is wat onze Heer en Verlosser Zijn volk vóór houdt terwijl Hij de specifieke details vastlegt.
Wàt wij geloven over God, wàt Hij heeft bereikt en
wíe’ wij wel niet zijn, blijft een belangrijke invloed uitoefenen op ‘hoe’ wij leven.

Ik was zoals Ik was en jij deed iets:
Honger t.o.v Eten, Dorstig t.o.v Drinken, Vreemdeling t.o.v Verwelkomen,
Naakt t.o.v. Gekleed, Ziek òf opgesloten t.o.v. Bezocht.
Deze lijst wordt in dit gedeelte van de Blijde Boodschap ‘vier keer’ herhaald,
ik neem aan omdat het toch wel een héél groot beetje belangrijk is.
Het is een inleiding van wat het betekent om een actieve volgeling van onze Heer en Verlosser te zijn. De bediening van onze Heer onder de mensen is overweldigend gericht op de armen, de  gemarginaliseerden, zelfs de kinderen.
Zijn volgelingen zullen diegenen zijn die dezelfde bediening van dienst vervullen:
    Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert Geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dàt Geloof hem behouden?
       Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, en iemand van u zegt tot hen: ‘Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien’, wat baat dit?
       Zo is het ook met het Geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, doodJac.2: 14-17.

‘Dood’- Geloof zal niemand redden.
God heeft ons veel vergeven en ons veel gediend; als we door de doop opnieuw geboren zijn zullen we doen wat ‘ons’ bij toeval is toegevallen, het enige wat wij persoonlijk gedaan hebben is:
Zijn roepen, Zijn kloppen op de deur van ons hart beantwoorden.
Onze Heer is gekomen om te dienen en àls we de volgelingen van Hem willen zijn, zullen we eveneens moeten dienen.
Het levenswerk van onze Heer was tegengesteld aan de wereld gericht, dus
zijn we eveneens op ‘anderen’ – de minderbedeelden [onze naasten] gefocust.
We zullen verantwoordelijk zijn voor hoe we onze kansen om anderen te dienen hebben gebruikt of niet hebben gebruikt.
Dat zou ontnuchterend dienen te zijn:
    in zoverre gij dit aan een van deze mijn minste broeders hebt gedaan,
hebt gij het Mij gedaan
“.
Wie zijn de minste broeders onder ons? Iedereen die anderen niet als waardevol beschouwen.
Hoe reageer jij wanneer je geconfronteerd wordt met de problemen en onrechtvaardigheden van de wereld? Wat is je eerste reactie? Trek je alleen je portemonnee of je bank-pasje?
We kunnen gemakkelijk naar de problemen van de wereld kijken en overweldigd raken.
Dus we gooien onze handen [met ach en wee] omhoog, stemmen in met heersende politici die ons zullen vertellen dat ze – voor “de ‘minste’ mensen met het geld van andere mensen zullen zorgen”, met andere woorden wij behoeven onze handen niet vuil te maken.
Zoals de beelden die ons -op allerlei manieren- worden voorgeschoteld die aandacht vragen voor problemen waarvan we denken dat we ze belangrijk vinden en vervolgens maar
vlug de andere kant op kijken – wegzappen en hopen dat we de problemen die
voor ons persoonlijk te groot zijn, achter ons kunnen laten.
De Waarheid is dat de problemen te groot voor ons zijn om op te lossen, maar
we hebben ieder van ons een individuele verantwoordelijkheid. 

En vervolgens verklaar je degenen, die wèl hun nek uitsteken
[de dwazen om Christus wil] voor onnozel.

Jezus zegt niet alleen dat degenen die zich via vrijwilligerswerk een uurtje opofferen òf non-profit-organisaties hebben gesteund aan de noodzakelijk vereisten voor hun redding zullen hebben voldaan.
Hij zegt dat als je: “dit hebt gedaan met ‘één’ van de minste van deze”.
Ben je er dàn van af? – je helpt een keer in de zoveel tijd en je bent gered?
Nee, het draait om een levenshouding, dat is een straffe levenslange instelling  ten opzichte van de behoeften van anderen ten koste van jezelf.
Waarom worstelen we hiermee? Waarom komt dit niet als vanzelf?
Omdat we er op z’n minst de waarde niet van inzien.

De bokken aan Zijn linkerhand
De tweede groep zal niet erven; deze zal worden veroordeeld.
Maar veroordeeld tot wat? Onze Heer is hier opmerkelijk duidelijk over.
Je bent vervloekt, niet gezegend, je zult naar een plaats gaan die niet op jou is voorbereid tot eer en vreugde, maar bereid je maar voor op de duivel en zijn trawanten [gevallen engelen, demonen] als een plaats van scheiding en straf, met eeuwig vuur en straf.
Wat voor klank geeft die plaats?, Hoe klinkt dat in je oren, -de hel-?
Hoe klinkt die plek?
Hel? De onvervalste gevallen mens zal dáár terecht komen, voelt zich daar zelfs toe aangetrokken en wil dáár kost wat het kost voor de eeuwigheid verblijven.
Dît is waarom de Blijde Boodschap van God’s Evangelie voor hen zó aanstootgevend is.
Want indien onze Heer en Verlosser God’s toorn op Zich neemt, die jouw zonde veroorzaakt; Hij door Zijn dood aan het Kruis jouw zonde te niet doet en jij gespaard blijft van de toorn en het eeuwige leven verkrijgt, blijf je door dik en dun op Hem vertrouwen, dàn houdt het simpelweg zonder meer in dat er eeuwige consequenties zijn vanwege de zonden die ondanks die Genade toch niet gespaard kunnen worden.
De meesten van ons geloven in wat een doctrine die ‘Rechtvaardiging door de dood‘ genoemd wordt. Jij sterft en jij stijgt in de geest op naar de Hemelse Gewesten, dat is het menselijk lot.
Onze hel, wanneer die werkelijk bestaat – is als de afwezigheid van God, die als een hel -als een vuur- wordt ervaren en heeft een bevolking van drie soorten mensen:
– Bloedstollende alleenheersers, zoals Hitler,
– doortrapte figuren, die de ander minachten en
– degenen, die niets ontziend moordend rondtrekken.
Toch zien we hier dat de hel geen menselijk bedenksel is en dat de beschrijving van hen die de hel bevolken veel ruimer is dan we denken.
          Bij andere gelegenheden geeft onze Heer en Verlosser in gelijkenissen aan dat goddelozen gestraft zullen worden vanwege hun werkelijk actieve tegen-strevende rol tegen God, het aanvallen van Zijn dienaren en het doden van Zijn Zoon.
Vandaag komt het oordeel en de veroordeling alleen maar aan de orde voor diegenen, die wanneer ze volop in de gelegenheid zijn er toch ‘niet’ in slagen om
zich in te zetten voor de “minste van deze”.
Bokken hebben geen flauw idee van Genadegaven, hetgeen je ontvangt terwijl je het niet verdient, dùs is het gevolg dat ze het niet met anderen kunnen delen.
Zij zien de schapen om zich heen als minderwaardig, slechts goed voor ‘eigen genot’ en ‘weerzinwekkende lust’ en voor de rest ‘doen ze er niet toe’ – zijn ze zonder waarde.
Onze Heer reageert daarop dat dezen Hem ‘niet’ hebben gediend en zij komen vervolgens met een of ander excuus.
Maar wanneer zij onze Heer als hun Meester, hun Herder hadden aanschouwd,
zouden zij zeker door Hem òf z’n dienaren zijn geholpen; eenieder is Zijn hulp waardig.
En hoe vaak wordt een mens niet opgeroepen God’s hulp te aanvaarden
– Hij klopt onafgebroken op de deur van ieders hart.

Ieder mens is Zijn hulp waardig, Hij stuurt Zijn dienaren uit om hen te overtuigen, maar zij vielen hen aan en hebben zelfs de Zoon van God gedood.

           Het blijkt dat je een aantal grote en geweldige eigenschappen van onze Heer kunt ervaren, zelfs zo sterk dat je het absoluut de moeite waard vindt Hem te gaan dienen en te volgen,
           maar indien dit niet leidt tot een actieve inzet en een reactie bij het zien van ‘minder bedeelden’, degenen, die behoefte hebben aan jouw ondersteuning,
zal geen enkel Geloof in Christus je redden.

M’neer Blijleven

Iedereen kàn zonder meer -‘het grote en inspirerende’- en -‘de pracht en praal van de wereld’-  dienen, maar van navolgers van Christus wordt verwacht dat
zij zich manifesteren door ‘de minsten onder ons’ te dienen en dat met een houding die uitdrukt dat iemand zichzelf als lager beschouwd dan een ander.

Het dienen van grootheid in de wereld is – ‘o zó’ – gemakkelijk, indien het mee zit eet je ruimschoots uit de ruif van de machtigen mee, maar het dienen van ‘de minste onder ons’ is onaantrekkelijk [ze zijn onmogelijk, stinken en zien er niet uit].
De machtigen konden daarom het aangezicht van onze Heer niet aanschouwen 
  slechts in het aangezicht van de overgrote meerderheid over de hoofden van de behoeftigen.
Geloof en geloof dat -‘alleen op jezelf gericht is’- [het vermijden van het lijden] en
zich niet tot anderen wenden [het rijkelijk rondstrooien van Genade] is niet Christus-gelijk omdat onze Heer en Meester -‘voor anderen’- opkwam.
• Hij kwam voor “ allen, die vermoeid en belast zijn, en
• Hij zou hen de rust en vrede geven;
• Hij roept op Zijn juk op je te nemen en van Hem te leren, want
• alleen Hij is zachtmoedig en nederig van hart en
eenieder, die Hem volgt zal rust vinden voor z’n ziel, want
Zijn juk is zacht en Zijn last is licht
conf. Matth.11 : 28-30.

Wanneer je alleen maar ingepakt wordt in de zorgen van de wereld en wat er in je leven plaats vindt, heb je geen ogen om te zien of oren om aandacht te geven en aan het lot van anderen te denken.
Daarvoor behoefde onze Heer en Verlosser echt niet uit de Hemelen af te dalen.
De zonde van de gracieuze vetgemeste schapen is een zonde van het achterwege laten van actieve inzet – het zwelgen in eigen genoegzaamheid.
Het gaat er niet om dat zij actief kwaad bedreven, maar ze waren inactief in het goddelijke te  doen, in het voldoen aan de leven’s-voorwaarde van de Joods-Christelijke mens – het trachten het goddelijke te evenaren. 

Iedereen in nood is waardevol genoeg om het voorwerp van de welwillendheid van een navolger van Christus te zijn. Niemand is zo ‘minderwaardig‘ dat deze onze zorg en bezorgdheid niet waard zou zijn.
Dit is het belangrijkste principe dat onze Heer en Verlosser Zijn volgelingen wil laten zien.
Hij was een mens van smarten, vertrouwd met verdriet.
Hij had geen uiterlijke vorm dat we Hem positief zouden moeten beoordelen.
We houden van Jezus vanwege “ Wie Hij is als Zoon van God; wat Hij voor ons heeft gedaan door Zijn lijden en sterven aan het Kruis”, niet vanwege het feit dat Hij er zo netjes uitziet, òf een vroom voorkomen heeft.
Op dezelfde manier dienen we naar anderen te kijken zoals zij “beelddragers van God” zijn; het Aangezicht van onze Heer en Verlosser in hun aangezicht zien, het hart dat onze Heer en Verlosser voor hen heeft ervaren en handelend optreden op de manier waarop wij door onze Heer en Verlosser zijn gevormd, gemodelleerd.

Dit is een oproep om onze ogen te openen . . . . . 
Er bestaat niet zoiets als een ambivalente Christen.
Er zijn gewoon dingen aan de hand die we niet willen weten.
We zijn geroepen om ons bewust te zijn van de pijn en moeilijkheden in de wereld.
Indien wij christenen iets zien dat verontrustend is, dienen wij  niet terug te deinzen en te doen alsof het niet gebeurt is òf dat het ons niet heeft beïnvloed.
Indien wij iets moeilijks tegenkomen en het ‘zien’; hebben wij ook de neiging om ons af te wenden; en te zeggen waar zou ik me druk over maken.
We diene door goed te kijken, en te ontdekken waar het aangezicht van onze Heer Zich wel niet bevindt en druk uit te oefenen dat het anders behoord te gaan!
Wie zijn ‘de minsten onder ons’ die God voor onze ogen heeft geopenbaard, een toevallige ontmoeting, je weet wel beter, of niet soms?

Dit is geen hint om ons slechts een enkele keer om anderen laten te bekommeren,
het is een radicale oproep om gewoon je ogen te openen en er op toe te zien dat
dit voortaan iedere ontmoeting anders zal gaan.
Geen wereldse zorg waardoor je je een beetje rot voelt tot het volgende herkenningspunt.
Zorg dat je een manier vindt die tot acties leidt. Onderken dat je hier telkenmale tekort schiet.
Ik denk dat je best onderkent en beseft wat de problemen van andere mensen zijn indien je hen voor het eerst ontmoet.
Het is mogelijk dat je hier ongevoelig voor bent geworden, maar dat is niet hoe onze Heer en Verlosser op ons mensen reageert.
Indien jij Genadegaven van God hebt ontvangen, kun je dit aan anderen laten zien, door Zijn manier van doen in praktijk te brengen.
Wanneer je dit systematisch uitvoert onderkent jouw omgeving dat
het de Leer van Christus werkelijk iets te bieden heeft.
    Nu weten wij, dat de Wet, bij al wat zij zegt, tot hen spreekt, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld strafwaardig zal worden voor God.
       Daarom is het, dat uit werken van de wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worden, want de wet doet zonde kennen.
       Thans is echter buiten de wet om Gerechtigheid van God openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel Gerechtigheid van God door het Geloof in Jezus Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid.
       Want allen hebben gezondigd en derven de Heerlijkheid van God en worden ‘om niet’ gerechtvaardigd uit Zijn Genade, door de Verlossing in Christus Jezus, onze Heer”  
conf. Rom.3: 19-23.

Apolytikion
tn.6.
  “  Ik denk aan de vreeswekkende dag en
ween over mijn slechte daden.
Hoe zal ik verantwoording afleggen voor de onsterfelijke Koning?
Hoe zal ik, ongelukkige, de Rechter durven aanschouwen?
Barmhartige Vader, een geboren Zoon en Heilige Geest,
ontferm U over mij
”.

Kondakion
tn.1.
    Wanneer U, o God, met Heerlijkheid op aarde wederkomt,
het heelal siddert, en een rivier van vuur voor Uw rechterstoel stroomt,
wanneer de boeken openbaar gemaakt worden:
red mij dan van het onuitblusbare vuur, en maak mij waardig om
te staan aan Uw rechterhand, U, Die de rechtvaardigste Rechter zijt
”.

Zaterdag de 2e maart 2019, de Zaterdag van de vleesonthouding – de Zaterdag van de Gestorvenen

Gedachtenisdienst; أتذكر [atadhakar]; Μνημόσυνα; Паннихида.

    Onze Heer en Verlosser zei:
       Ziet toe, dat je jezelf niet laat verleiden.
Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen:
-‘Ik ben het’-, en: -‘ de tijd is nabij’.
Gaat hen niet achterna.
En wanneer je hoort van oorlogen en onlusten, laat je niet beangstigen.
Want die dingen moeten eerst geschieden, maar dat is nog niet terstond het einde.
       En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde
radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, 
terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen.
Want de machten van de Hemelen zullen wankelen.
       En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met
grote Macht en Heerlijkheid. De Hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
       Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard zal worden door
roes en dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud en
die dag niet plotseling over je zal komen, als een strik.
       Want Hij zal komen over allen, die gezeten zijn op het oppervlak der ganse aarde.
       Waakt te allen tijde, biddend, dat je in staat mag wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal, en gesteld te worden voor het Aangezicht van de Zoon des mensenLuc.21:8,9, 25-27,33-36.

zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder . . . niet zonder ons

    Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig.
Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op.
Niemand dient het zijne te zoeken, maar wat van de anderen is.
Al wat in de vleeshal te koop is, moogt gij eten, zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar, want de aarde en haar volheid is van de Heer.
Indien een van de ongelovigen je uitnodigt en je wenst te gaan, eet dan alles, wat u wordt voorgezet, zonder dat gij navraag doet uit gewetensbezwaar.
Doch indien iemand tot je zegt: ‘Dat is gewijd vlees’,
eet het dan niet, om hem, die je dat te kennen gaf en om het geweten
1Cor.10: 23-28.

De Gestorvenen
Zie je ik hou van je,
ik vind je zo lief en zo licht –
je ogen zijn zo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.
En je neus en je mond en je haar
en je ogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.
Zie je ik wou zo graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.
O ja, ik hou van je,
ik hou zo vrees’lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen –
Maar ik kan het toch niet zeggen”.
Herman Gorter [1864-1927],
uit: Verzen, W. Versluys, Amsterdam 1890; 4e dr. 1916 

Maar je kunt het toch niet zeggen, je kunt dit gevoel niet in woorden uitdrukken.
Wàt is Liefde, hoe erváár je de Liefde, hoe wordt liefde voor jezelf ervaren, liefde voor de ander, hoe leer jij jezelf daarin te respecteren.
Nog één keer heb je het gewild het uitgebruld hoeveel je van die mens,
van juist dàt geweldige mens, hebt gehouden.
Er is weer één persoon minder, nou nèt de persoon voor wie je het allemaal deed. Liefde is iets schimmigs, gehuld in nevelen,  ongrijpbaar, het is er en ook weer niet. We gaan er vanuit dat we allemaal wel weten wat  Liefde is en het als iets vanzelfsprekend meekrijgen tijdens onze opvoeding.
Hoe moeten ouders hun oogappeltjes in liefde opvoeden als ze zèlf niet hebben geleerd wat liefde is? De liefde wordt niet benoemd.
Het liefhebben van onszelf wordt zelden aangeleerd.  Indien het vak Liefde ook op scholen gegeven gaat worden, door iemand die ‘ Liefde‘ [door God] werklijk heeft ontmoet, door w
ie liefhebben als vanzelf heeft geleerd, laat geld, macht, status & aanzien voor wat het is en eerst
•  dàn gaat de wereld er heel anders uitzien,
•  dàn gaan we leven vanuit de liefde en groeit de economie vanzelf.  Komen we erachter dat geld, macht, status & aanzien niet belangrijk is en gaan we inzien dat we door macht te willen hebben, juist het geluk van ons afduwen.
•  Dàn gaan we inzien dat status ons een leeg gevoel geeft, dat  aanzien helemaal niet belangrijk is.  Dàt er maar één ding in het leven telt en dàt is werkelijke aandacht voor jezelf door de ander lief te hebben.

ontvangen door te geven

Wat is dan toch de reden dat we op latere leeftijd allemaal zo’n grote zoektocht, zo’n aandrang hebben?  Een zoektocht naar de liefde, uit-te-schreeuwen dat het leven liefde is en de wereld slechts te redden is door liefde?
Je leeft in een nieuwe tijd, met een nieuwe manier van denken. En je zoekt antwoorden. Wie ben je? Wat is jouw doel in het leven?
Wàt wordt ons tegenwoordig nu eigenlijk wèrkelijk geleerd?
We worden geconditioneerd om ons vooral te gedragen, om te presteren, om geld te verdienen, om later machtig te kunnen zijn, zodat we met dat geld wat we verdienen, aanzien krijgen en status en dit weer doorgeven aan onze kinderen. Zodra we geboren worden, leren we dit.
We leren praten, lopen, eten, drinken, zindelijk worden.  Óh wat een mijlpalen.
Ouders zijn blij als hun kleintje goed groeit, goed eet, zindelijk wordt, kan praten en redeneren, kan fietsen, kan zwemmen. Waar is echter het woord liefde?
Juist in een intieme relatie, waar veiligheid, geborgenheid als vanzelfsprekend behoort te zijn, komt de angst van het overleven naar boven.
Juist daarin is het slachtoffer van wereld’s genot vaak beschadigd.
Juist als je je geliefde ouders hebt begraven kan dat heel hard aankomen.
Je hebt één keer heel hard gehuild, in de armen van je liefste gezel[lin].
Verder heb je tegen de tranen gevochten.
Huilen ontregelt, je hebt het idee dat je je hoofd erbij moet houden.
Waarvoor, voor wie? Voor mijn ouders natuurlijk, maar die zijn dood.
Ik ben ervan overtuigd dat God ons niet voor niets hier heeft gebracht, dat is me van jongs-af-aan bijgebracht.
Maar dàn? Dàn wordt de kijk op het Geloof serieus.
Dàn komen we op onbekend mysterieus terrein.
Een tocht over de wegen van de nieuwe tijd, de nieuwe Hemel en de nieuwe aarde. Je gaat op zoek naar je eigen antwoorden. Wie ben je? Waar stá je voor?
Je dient jezelf zelfbewust te gaan opstellen op het terrein van religie en spiritualiteit en jezelf helder en eenduidig te gaan concentreren op de kern van je identiteit: òp ‘Genade’.

Onze Heer en Verlosser zegt ons op deze dag:
“ . . . . . Ziet toe, dat je jezelf niet laat verleiden”.
Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen“:
” -‘Ik ben het‘-, en: -‘de tijd is nabij‘-. –‘Gaat hen niet achterna’-”.
En Hij heeft tevens gezegd: dat er een antichrist komt, en er ook nu nog vele antichristen zijn opgestaan en daaraan onderkennen wij, dat de laatste uren  dáár zijn.
♨︎ Hij zegt dit opdat wij doordrongen dienen te zijn dat
♨︎ Hij ten allen tijde onze heersende Heerser is en dat
♨︎ Hij geheel anders is dan de koningen van onze wereld.

Veel mensen zien hun aardse koningen en leiders als een soort idool, hangen een mens aan als een soort ‘redder in de nood’, goed als houvast, waar je jezelf prettig bij voelt; goed voor een leuk baantje met een idem gezegend inkomen.
Hoe hard sommige leiders ook proberen goede heersers te zijn, ze worstelen door- lopend met verleidingen en begaan net als wij zonden.
Zelfs koning David die oprecht van God hield, had zwakheden, maakte fouten en beging een ernstige zonde die hij probeerde te verdoezelen met een nog zwaardere zonde.

Maar ‘onze Heer‘ is God en heeft nooit gezondigd, dit zou immers onmogelijk zijn en ondanks alle verleidingen waar Hij voor stond is Hij staande gebleken tegen- over de grootst mogelijke menselijke vijand, de dood.
We kunnen ons derhalve veilig ervaren in Zijn koninkrijk wetende dat Hij over ons zal heersen volgens God’s Zuivere en Heilige intenties jegens ons – zonder de onrust van ‘aardse zonden’ die wereldse leiders begaan.

Sommige aardse koningen en heersers creëren wetten op basis van Joods-Christelijke waarden, maar ze doen dit volgens tradities en culturele normen van hun natie, in een poging te doen wat ‘goed‘ is.
Tot een geheel ander uiterste behoren heersers met absolute macht, die geen christen blijken te zijn en aan niemand verantwoording verschuldigd zijn.
Ze volgen hun ‘eigen’ normen en handelen naar ‘eigen’ wil, zonder enige vorm van voorafgaand overleg.
Helaas dienen de hun onderhorige mensen zich te onderwerpen aan die regel, zowel goed als slecht; in opstand komen door gele hesjes geeft immers geen pas.
Maar onze Heer staat hoog boven elke aardse wijsheid of begrip verheven, waar welke aardse koning of leidinggevende ook over heerst.
    want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de Hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en
Hij is voor alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem; 
en Hij is het hoofd van het Lichaam, de Christelijke Gemeenschap, de KerkCol.1: 16-18

Alle Heiligen in gedachtenis

Er zal slechts één begrip van de Blijde Boodschap zijn – Degene Die alleen aan God toebehoort.
En in die tijd zullen we het volledig kennen:
➻  “     Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben1Cor.13: 12.
Wanneer het Koninkrijk der Hemelen, Gods koninkrijk volledig wordt gerealiseerd, zo heeft de Profeet ons reeds geprofeteerd:
➻  “     Zo zal Hij vele volkeren doen opspringen, om Hem zullen koningen verstommen, want wat hun niet verteld was, zien zij, en wat zij niet gehoord hadden, vernemen zij” Isaiah 52:5.
       Ook dìt was voor Christus’ komst hier onder de mensen reeds bekend en
niet voor niets verklaart Hij Zijn dienstwerk hier op aarde aan de Emmaüs-gangers aan de hand van de Schriften.
Eerst dàn zullen de heersers van de aarde inzicht in de Schriften krijgen en
zonder enige twijfel dienen te erkennen dat Onze Heer ‘God’ is aan Wie zij zich allen dienen te onderwerpen.
Ook wij dienen hiervan doordrongen te zijn.
God’s Hemelse Koninkrijk is van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, omdat zij één zijn. Zij regeren hier en nu als Eén, zowel als nu en altijd, tot in de eeuwen der eeuwen, wanneer we fysiek Zijn heerschappij zien gevestigd worden over alle naties van de wereld.
Dat was ook een harde waarheid voor het Joodse volk om te accepteren.
Onze Heer en Verlosser belichaamde het Koninkrijk der Hemelen overal waar Hij zich begaf. Hij vertelde het de religieuze leiders:
Hij zei tot de Farizeeërs: ‘Het Koninkrijk van God komt niet zo, dat het te berekenen is;  ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar!
Want zie, het Koninkrijk Gods is bij u
” [in uw midden. in uw hart] Luc.17:  21; en tevens:
Maar indien Ik door de vinger van God de boze geesten uitdrijf, dan
is het Koninkrijk Gods over u gekomen
Luc.11: 20.
Met ander woorden steek jullie ‘ontworpen’ boodschap maar in je zak, jullie huichelaars.
In de persoon van onze Heer en Verlosser was Christus door de geladen atmosfeer van de Hemel heen gebroken en dàt kwam helemaal niet overeen met hun verwachtingen, die immers van God ‘los’ waren.
Niettemin bleef onze Heer doen wat Hij kwam doen: de mens één voor één uit hun aardse duisternis verlossen en de mens te  verheffen naar Zijn Goddelijk Licht.
Hoe bereiden we ons hart voor op die ontmoeting zodat ze het oordeel van onze Heer en Meester kan doorstaan en wij het Hemels Koninkrijk kunnen binnengaan? 
We doen wat onze Heer en Verlosser, zowel Zijn Doper en Voorloper Johannes en de apostelen het Volk telkenmale hebben voorgehouden:
⁌  “De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen.
Bekeert u en gelooft het Evangelie!
Marc.1: 15;
⁌  “   Bekeert u, want het Koninkrijk der Hemelen is nabijgekomen.
Hij toch is het, van wie door de profeet Isaiah gesproken werd, toen hij zei:
⁌  ” De stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn padenMatth.3: 2,3;
⁌  “   het Volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot Licht gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een Licht opgegaan. Van toen af aan begon onze Heer Jezus Christus te prediken en te zeggen:
Bekeert u, want het Koninkrijk der Hemelen is nabijgekomenMatth.4: 16,17;
⁌  “   En Petrus antwoordde hun: “ Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en u zult de Gave van de Heilige Geest ontvangen.
⁌  ”    Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn zovelen als de Heer, onze God, ertoe roepen zalHand.2: 38,39. 

De Apostellezing

één Lichaam in Christus; one Body in Christ

Bovenstaande brief heeft Paulus geschreven toen hij in Efese verbleef, hij is gericht aan de gelovigen in Corinthe als onderdeel van een voortdurend gesprek met de christelijke geloofsgemeenschap.
De christenen van Corinthe stuurden hem vragen en Paulus hoorde geroddel over verdeeldheid in de gemeenschap.
Paulus gaat in op het in de praktijk brengen van de Blijde Boodschap.
Hij legt uit hoe christenen trouw kunnen blijven aan hun roeping:
•   wanneer hun waarden op gespannen voet staan met de omringende hellenistische cultuur en
•   wanneer de diversiteit in de gemeenschap tot verschillen van mening leidt.
Eénheid in Christus en liefdevolle zorg voor de medechristenen zijn hier het hoofdthema.
De brief behandelt een aantal kwesties zoals:  seksuele ethiek, huwelijksrelaties en echtscheiding; de ordelijke praktijk van aanbidding; de aard van kennis, wijsheid en geestelijke gaven; en de heiligheid van het menselijk lichaam.
De centrale plaats van Christus ‘Opstanding’, de verrijzenis uit de dood in het Christelijk Geloof is ook een belangrijk thema.

Paulus richtte een christelijke gemeenschap op in de havenstad Corinthe
In de tijd van 1Cor. waren er ongeveer vijftig leden, zowel Joden als heidenen,
die bijeenkwamen in één huiskerk.
De gemeenschap was zowel sociaal als raciaal divers, wat mogelijk de machtsstrijd en meningsverschillen heeft veroorzaakt die de eenheid van de jonge kerk bedreigden.
Op dat moment was Corinthe een van de belangrijkste steden van Griekenland,
de provinciale hoofdstad van de Romeinse provincie Achaia. Corinthe lag op het kruispunt van belangrijke reis- en handelsroutes tussen Oost en West.
Vanwege zijn geografische ligging was Corinthe net als de Lage Landen een smeltkroes voor diverse culturele invloeden en religieuze praktijken.
Wonderen, genezingen, profetieën en visioenen waren een alledaags verschijnsel in de vele sekten die in de stad werden beoefend.
Het is dus gemakkelijk te begrijpen waarom de christenen in Corinthe
regelmatig verward waren over de spirituele gebruiken en waarden van
hun nieuwe geloof en ook waarom Paulus zijn initiële lering moest versterken met voortdurende vorming door middel van zijn brieven.
In bovenstaande tekst herinnert Paulus de Corinthiërs over de aard van de Goddelijke Liturgie, het Heilig Avondmaal, om hen te leren over ordelijke en authentieke manieren om de Heilige maaltijd te vieren.
Het Heilig Avondmaal was een vroege vorm van wat tegenwoordig bekend staat  als de zondagse Eucharistie. De eerste christenen vierden de Heilige maaltijd in de context van een wekelijks gezamenlijk gemeenschapsdiner [een feestje] in een privéwoning.

De Goddelijke Liturgie & de Mysteriën

Paulus begint zijn les over de Goddelijke Liturgie door zijn autoriteit te identificeren om over dit onderwerp te onderwijzen: ‘de bron van zijn wijsheid is de verrezen Christus’.
Vervolgens schetst hij het rituele proces.
Omdat hij niet aanwezig was in de bovenzaal bij ‘het laatste avondmaal’  – toen onze Heer de Eucharistie invoerde – kwam Paulus zijn vergaarde kennis over het avondmaal slechts ‘delen’ met zijn medechristenen in plaats dit van uit de eerste hand te verkondigen. Derhalve zijn de instellingswoorden die Paulus reciteert, naar alle waarschijnlijkheid de woorden die de vroegste christenen in hun liturgische praktijk gebruikten.
Drie hoofdideeën worden hier samengebracht: ‘dankbetuiging‘ [Gr.= Eucharistie]; ‘herinnering‘ [Gr.= ‘anamnese’]; en ‘verbintenis‘ [Gr.= diatheke].
Het avondmaal des Heren is een dankzegging voor de reddende dood van Christus. Tegelijkertijd worden onze Heer en Zijn dood herinnerd.
Dit her-inneren reflecteert niet alleen terug op historische personen of gebeurtenissen, maar maakt ze -hier en nu- aanwezig: ‘deze in het huidige moment door de H.Geest inhaleren en reëel maken‘.
Natuurlijk is het de Verrezen Christus, Die herinnerd wordt, niet een reeds lang overleden idool/held:
    Ik maak u bekend, broeders, het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, dat gij ook ontvangen hebt, waarin gij ook staat, waardoor gij ook behouden wordt, indien gij het zó vasthoudt, als ik het u verkondigd heb, tenzij jullie tevergeefs tot Geloof zoudt gekomen zijn.
Want voor alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb:
• Christus is gestorven 
voor onze zonden, naar de Schriften, en
• Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften, en
• Hij is verschenen aan Cefas, daarna aan de twaalven.
• Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen.
• Vervolgens is Hij verschenen aan Jaäcobus, daarna aan al de Apostelen; maar
• het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene.
Want ik ben de geringste der apostelen, niet waard een apostel te heten, omdat ik de gemeente God’s vervolgd heb. Maar door de Genade van God ben ik, wàt ik ben, en Zijn Genade aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb méér ge-arbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de Genade van God, Die met mij is.
Daarom dàn, ik of zij, zo prediken wij, en zo zijt gij tot het Geloof gekomen.
Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen ‘Opstanding van de doden’ is?    Indien er geen opstanding van de doden is, dan is ook Christus niet opgewekt. En indien Christus niet is opgewekt,
➻ dàn is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw Geloof.
➻ Dàn blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, want dàn hebben wij tegen God ìn getuigd, dat Hij de Christus opgewekt heeft, Die Hij toch niet heeft opgewekt, indien er geen doden opgewekt worden.
Immers, indien er geen doden opgewekt worden,
➻ dàn is Christus ook niet opgewekt; en indien Christus niet is opgewekt,
➻ dàn is uw Geloof zonder vrucht,
➻ dàn zijt gij nog in uw zonden.
➻ Dàn zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren.
Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn
wij‘ de beklagenswaardigste van alle mensen.
➽ Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn.
• Want, terwijl de dood er is door een mens, is ook de Opstanding van de doden door een mens.
• Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden
1Cor.15: 1-22.

het Mysterie van de Doop

De verwijzing naar ‘ons persoonlijke Nieuwe Verbond‘ in de doop maakt duidelijk dat er sprake is van een relatie van wederzijds voorrecht en verantwoordelijkheid tussen God en gelovigen, die
immers fundamenteel is voor deze Mysterieuze/Sacramentele ervaring.
Zij die het Avondmaal des Heren eten en drinken, belichamen de reddende actie van Christus: zij vormen de Aanwezigheid van God en verkondigen de Blijde Boodschap, het goede Nieuws.
Deze toegang tot een intieme relatie met God, door onze Heer, is zowel een voorrecht als een verantwoordelijkheid. Daarom betaamt het gelovigen om ‘authentiek te zijn’ in hun deelname door naar de tafel te komen met een ‘juiste gemoedsgesteldheid’, van hart en geest.
Paulus maakt het overduidelijk, in de vorige passage:
    Nu ik dit voorschrijf, moet ik er [tevens mijn] afkeuring over uitspreken, dat uw samenkomsten 
niet tot zegen, maar tot schade zijn.
Want vooreerst is er, naar ik hoor, wanneer gij als christelijke Gemeente samenkomt, verdeeldheid onder u, en ten dele geloof ik dit. Want scheuringen moeten er wel onder u zijn, zal het blijken, wie onder u de toets kunnen doorstaan.
Wanneer gij dan bijeenkomt, is dat niet het eten van de maaltijd des Heren; want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen deel, zodat de een hongerig is en de ander dronken. Hebt gij dan [elders] geen huizen om te eten en te drinken?
Òf minacht gij [zozeer] de gemeenschap van te God, dat gij de behoeftigen beschaamd maakt? Wat zal ik tot u zeggen? Zal ik u prijzen? Op dit punt prijs ik niet1Cor.11: 17-22.
Dit betekent dat we ons bewust moeten zijn van de behoeften van anderen.
Paulus ‘beschrijving van ‘het Heilig Avondmaal’ in 1Cor. is de oudste vermelding, die we bezitten van de christelijke viering van de Eucharistie, de Goddelijke Liturgie. Verder is het geschreven jaren vóór de Evangelieverhalen van het Laatste Avondmaal. Niettemin zijn de instellingswoorden in deze oude passage sindsdien de kern geweest van Eucharistische Liturgieën. Zó heeft ook Paulus de nadruk gelegd op de ethische dimensies van de Eucharistie:
authenticiteit’ [Geloofwaardigheid] en “participatie’ [het deelnemen].

Voor gelovigen betekent dit het naderen van de zondagse Goddelijke Liturgie,
een bereidheid om volledig, ‘billijk en vredig’ te delen met anderen in de God aanbiddende  gemeenschap. Verder worden door deelname gelovigen geroepen om ànderen in de wereld te bereiken met de Blijde Boodschap opdat het reddende werk van God en de liefdevolle zorg tot het einde der tijden zal openstaan voor iedereen.
Stel je voor wàt een prachtig gebeuren het zal zijn wanneer
een grote schare die niemand kan tellen, van elke natie, stam, volk en taal
uit de Grote Verdrukking komt en voor God’s Troon zal staan:
      Daarna zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle volk en stammen en 
natiën en talen stonden voor de Troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen.
En zij riepen met luider stem en zeiden: ‘De zaligheid is van onze God, Die op de Troon gezeten is, en van het Lam!
En al de engelen stonden rondom de Troon en de oudsten en de vier dieren, en zij werpen zich op 
hun aangezicht voor de Troon en aanbidden God, zeggend:
  Amen, de Lof en de Heerlijkheid, en de Wijsheid en de Dankzegging, en
de Eer en de Macht en de Sterkte is aan onze God tot in alle eeuwigheden! Amen
” Openb.7: 9-12.
Wat zal dàt mooi zijn, een nieuwe Hemel en een nieuwe aarde.

Apolytikion
t,.8.
    In de diepte van Uw Wijsheid bestuurt U alles,
Vriend van de mensen, en
U schenkt aan allen wat hun toekomt,
enige Schepper.
Schenk dan aan de zielen van Uw dienaren
verkwikking, O Heer.
Want op U, hun Formeerder en Maker, onze God,
hebben zij hun Hoop gesteld
”.

NB. Daarop schrijft Ignatius van Antiochië:

H. Ignatius van Antiochië [† 1e febr, 107]
    Ik schrijf aan alle gemeenschappen om hen heel duidelijk te maken dat ik geheel vrijwillig voorGod zal sterven, indien u mij dit niet verhindert.
Ik dring er bij jullie op aan niet op het verkeerde moment aardig te zijn.
Laat mij tot voedsel zijn voor de wilde beesten, door wie ik God kan bereiken.
Ik ben God’s graan, dat gemalen wordt door de tanden van het beest om
als het zuivere brood van Christus te worden bevonden.
Liever daag ik de beesten uit en lok ze daarmee, zodat ze tot mijn graf leiden en niets van mijn lichaam overlaten en ik ook niemand na mijn dood daarmee kan belasten.
Ik zal waarachtig een volgeling van Jezus Christus zijn, wanneer de wereld niet eens in staat zal zijn mijn lichaam te zien [ook niet hetgeen ik aan bewijs van mijn bestaan achterlaat].
Bidt voorafgaand tot Christus voor mij, opdat ik op die wijze een offer voor God kan vinden.
Ik geef jullie geen aanbevelingen zoals Petrus en Paulus. Zij waren Apostelen, ik ben slechts een veroordeelde. Zij waren vrij; Ik ben tot op heden een dienaar/slaaf om Christus Wil.
Maar wanneer ik de dood ervaar/lijd
[het werkwoord ‘lijden’ (paschô) is soms synoniem met ‘sterven’, Rom.3: 3], zal ik vrijgelaten worden door Jezus Christus en zal ik ‘Opstaan’ ​​om vrij te zijn in Hem.
En nu, terwijl ik gevangen ben, aan alle kanten gebonden ben, leer ik om niets meer te begeren.
Ik vecht van Syrië
[Antiochië] tot Rome met wilde beesten, over land en zee, dag en nacht, vastgebonden aan tien luipaarden, met wie ik bedoel de mij omringende gerekruteerde soldaten, die steeds woester worden wanneer ik hen daarop als reactie [als een traktatie] m’n vriendelijk gedrag laat zien.
Ik word als gevolg van hun wandaden steeds meer een volgeling
[van Christus], maar om díe reden ben Ik niet gerechtvaardigd.
Ik wil profiteren van de wilde beesten die me hebben voorgeleid en ik bid dat ze snel met mij zullen zijn. Ik zal ze zelfs verleiden om me snel te verslinden, niet zoals sommigen die, lafaards als ze zijn, mij nog niet hebben durven aanraken, maar heimelijk op een afstand blijven. Maar voor het geval zij niet uit vrije wil willen handelen, zal ik hen uitdagen/dwingen
[om dat te doen]. Neem me niet kwalijk, ik weet maar al te goed wat goed voor me is. Ik begin ‘nu pas’ een goed volgeling [van Christus] te worden.
Laat niets van de zichtbare en onzichtbare dingen mij verleiden, zodat ik onze Heer Jezus Christus kan bereiken. Laat vuur, kruis, troepen verwilderde beesten, het kraken van beenderen, het afbreken van ledematen, de vermaling van het gehele lichaam en de kwade straffen van de duivel over mij komen, alleen opdat ik Jezus Christus, onze Heer mag dienen en daardoor zal ontmoeten.
De einden van de wereld òf de koninkrijken van deze tijd zijn voor mij absoluut niet van belang.  Het is beter om voor Jezus Christus te sterven dàn [ooit] koning te zijn over de einden der aarde.
Ik zoek Degene, Die ‘voor òns‘ stierf, ik wens Degene te bereiken, Die ‘voor òns‘ uit de doden is opgestaan. De geboortepijn [de barend’s-nood] wordt door mij reeds ervaren
”.

Orthodoxie & velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren

    En toen zij dicht bij Jeruzalem kwamen, bij Betfage [Hebr.= ‘huis van onrijpe vijgen’] en Bethanië [Hebr.= ‘huis van de dadels, huis van ellende’] aan de Olijfberg [berg tegenover Jeruzalem, a/d oostzijde] zond Hij twee van zijn discipelen uit en zei tot hen:
Gaat naar het dorp, dat tegenover u ligt, en terstond, als gij er binnenkomt, zult gij een veulen vastgebonden vinden, waarop nog nooit een mens heeft gezeten; maakt het los en brengt het hier. En indien iemand tot u zegt: Wat doet gij daar? zegt dan:
De Heer heeft het nodig en terstond zendt Hij het weer hierheen.
       En zij gingen heen en vonden een veulen vastgebonden bij de deur buiten aan de weg, en zij maakten het los.
       En sommigen van degenen, die daar stonden, zeiden tot hen: ‘Wat doet gij daar, dat gij dat veulen losmaakt?’ Zij spraken tot hen, zoals Jezus gezegd had, en zij lieten hen begaan.
       En zij brachten het veulen tot Jezus en legden hun kleren daarop en Hij ging erop zitten.
       En velen spreidden hun klederen op de weg en anderen groen, dat zij van het veld plukten.
       En die voorgingen en die volgden riepen:
‘ Hosanna! Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren; gezegend het komende rijk van onze vader David; Hosanna in de hoogste hemelen!
       En Hij kwam te Jeruzalem in de tempel. En nadat Hij rondom alles overzien had, vertrok Hij, toen het reeds laat op de dag was, naar Bethanië, met de twaalvenMarc.11: 1-11.

    Kinderen, het is de laatste uur; en gelijk jullie gehoord hebben, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste uren daar zijn. Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn: maar aan hen moest openbaar worden, dat niet allen uit ons zijn.
       Jullie echter hebben een zalving van de Heilige en jullie weten dat allen.
Ik heb jullie niet geschreven, omdat jullie de Waarheid niet weet [kennen], maar omdat jullie haar weet [op de hoogte bent] en omdat geen leugen uit de Waarheid is [voortkomt].
       Wie is de leugenaar dan wie loochent, dat Jezus de Christus is? Dit is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent. Een ieder, die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon belijdt, heeft ook de Vader.
       Wat u betreft, wat jullie van den beginne gehoord hebben, moet in u blijven. Indien in u blijft, wat jullie van den beginne gehoord hebt, dan zullen jullie ook in de Zoon en in de Vader blijven.
       En dit is de belofte, die Hij zelf ons beloofd heeft: het eeuwige leven.
Dit heb ik u geschreven over hen, die u misleiden.
       En wat u betreft, de zalving, die jullie van Hem ontvangen hebben, blijft op u, en jullie hebben  niet van node [geen behoefte aan het feit], dat iemand u zal leren; maar, gelijk zijn zalving u leert over alle dingen, en waarachtig is en geen leugen, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft.
       En nu, kinderkens, blijft in Hem, opdat wij, als Hij zal geopenbaard worden vrijmoedigheid hebben en voor Hem niet beschaamd staan bij zijn komst. Als jullie weten, dat Hij rechtvaardig is, erkent dan ook, dat een ieder, die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is.
Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het (ook). Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent.
Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; (maar) wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is. Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid.
En jullie weten, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij de zonden zou wegnemen, en in Hem is geen zonde. Een ieder, die in Hem blijft, zondigt niet; een ieder, die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend.
Kinderkens, laat niemand u misleiden. Wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is; wie de zonde doet is uit de duivel, want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel verbreken zou
1John.2: 18-3: 8, [lezingen van Maandag 25 februari 2019].

Onze Heer gaat op naar Jeruzalem en bereidt Zijn lastdier [de mens] met beide teugels in de hand; Zijn Liefdevolle omarming van de mens, de Genadegaven en God’s Zegeningen zijn het einddoel in het leven van de mens.

In de gelijkenis van de Verloren Zoon hebben we op heel indrukwekkende wijze de goddelijke economie voor ogen gesteld gekregen.
Het hoe en waarom van het einddoel van God in ons menselijk leven is
Zijn liefde, Genade en Zegeningen.
De diepere betekenis van gelijkenis van gisteren is viervoudig:
1.]. De wanhopige situatie waarin de zondaar terecht kan komen.
2.]. De noodzaak van bekering en het heilzame resultaat daar van.
3.]. De omvang van de Goddelijke Barmhartigheid waarop wij telkenmale kunnen terugvallen, die ons de zekerheid biedt nimmer in wanhoop behoeven te vervallen. Geen enkele zonde, hoe groot dan ook, kan òp tegen de welwillendheid van onze Heer en Verlosser.
4.]. Het bevestigt ons in het Geloof dat wij een gevoel van zelfredzaamheid dienen te vermijden en ons tevreden dienen te stellen onder de hoede van de Allerhoogste. De ervaring van de ware geestelijke gesteldheid dient ons te overtuigen dat onze zonden, datgene wat wij zonder bemoeienis van God presteren, slechts ijdelheid is.
We zullen moeten toegeven dat wij de talenten, die wij om niet verkregen hebben, verspild hebben en dat we in zekere zin allemaal verloren zonen/dochteren zijn, die buiten zinnen onze oorspronkelijke paradijselijke schoonheid verloren hebben.
De eerste en tweede vinding van de schedel van de Heilige Johannes de Doper van gisteren roept ons op:
  Bekeert u allen, want het Koninkrijk der Hemelen is nabij gekomen”.

De Kerk van overal en slechts in de eeuwigheid is gewond geraakt door een groep mensen die vijanden van Christus blijken te zijn. Lange tijd vermengden zij zich met de christelijke gemeenschap in een poging deze te ondermijnen.  Maar blijkbaar zijn hun ware kleuren blootgelegd en verlaten ze ons massaal zoals de diepere betekenis van het Woord zegt: Heer er is geen Heilige meer, de Waarheid wordt zeldzaam onder de mensen” [prokimenon] en het is waar en we bezondigen onszelf eraan indien we niet uitkijken.
Er wordt nogal eens beweerd dat oprechte spelleiders/ de eenvoudig hard werkende begeleiders van de Christelijke Gemeenschap ‘het eenvoudige Geloof van onze Heer en Verlosser’ zwaar en ingewikkeld hebben gemaakt, òf dat zij een vertekend beeld van Hem hebben gegeven, door Hem  los te maken van welke Traditie dan ook.
Maar bedenk hierbij dat zij de Blijde Boodschap ‘heel goed begrepen hebben‘, dat zij dit in hun werk aan den lijve ondervonden hebben en dat juist dìt van onschatbare waarde is geweest.
Alleen door een vroegtijdige confrontatie met de het ‘behoud van het ware geloof’, de oorspronkelijke Blijde Boodschap kon het Evangelie dusdanig worden uitgelegd, dat het beschikbaar bleef voor alle volkeren.
Het Kruis en de Opstanding van onze Heer en Verlosser is in de praktijk toegepaste Theologie van grondbetrouwen, een basaal vertrouwen in de onvoorwaardelijke Goddelijke Genadegaven.
Dat basaal vertrouwen is de basis van ons Christelijk Geloof en dat wordt tegenover het navolgen van de wet gesteld. Er wordt dan niet gesteld dat wij als navolgers van Christus God’s geboden niet meer nodig hebben, maar de wet wordt dusdanig afgewezen in zoverre die gebruikt wordt om jezelf voor God te rechtvaardigen.
Wij worden telkenmale wanneer wij gevallen zijn opgeroepen onze Hoop te richten op de Barmhartigheid van onze Heer en Zaligmaker, Die ons de zekerheid biedt nimmer in wanhoop te vervallen.
Geen enkele zonde, hoe groot dan ook, kan òp tegen de welwillendheid van onze Heer en Verlosser. Onze God is een liefdevolle God en ontfermt Zich over de zondaar, die zich bekeerd. Voor ieder stap, die wij in Zijn richting doen komt Hij ons honderd, nee ontelbaar [onmeetbaar], tegemoet.
In die zin zijn we allemaal verloren zonen/dochteren, die buiten zinnen onze oorspronkelijke paradijselijke schoonheid verloren hebben en hebben wij onophoudelijk behoefte aan de vaderlijke zorg.

De term ‘antichrist’ wordt op grote schaal in onze tijd door mensen [die voorspellingen doen] maar al te vaak gebruikt, hoewel het eigenlijke woord alleen voorkomt in de brieven van Johannes.
Het Griekse woord  αντίχριστος ‘antichristos’ bestaat uit twee woorden: het voorvoegsel αντί, anti- , ‘handelen in de plaats van’ en ‘in tegenstelling tot Χρήστος  ‘Christus’; net zoals αντίο γενικά [Antiochië] betekent afscheid nemen van het gebruikelijke [de wereld].
Het woord antichrist, betekent letterlijk ‘tegenstander van de in Blijde Boodschap‘ van de genoemde Verlosser, de Messias.
In de apocalyptische literatuur van de Blijde Boodschap zien we verschillende vermeldingen van een figuur die in de eindtijd zal verschijnen als een tegenstander van God en zijn Messias:
  Daniël lijkt te verwijzen naar deze anti-christelijke figuur als “de heerser die zal komenDan.9:  26a en die in de tempel “een gruwel is die verwoesting veroorzaaktDan.9: 27.
  Onze Heer waarschuwt: “Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniel gesproken is, op de heilige plaats ziet staan – wie het leest, geve er acht op en dient te vluchten Matth.24: 15
  Paulus lijkt te verwijzen naar dezelfde antichristelijke figuur als “de man van de wetteloosheid” die zichzelf in God’s tempel [uw hart] zal plaatsen en zichzelf zal verkondigen als God 2Thess.2:  3-4. Paulus drong erop aan dat deze figuur toen nog niet op het wereldtoneel verschenen was 2Thess.2: 7.
  Openbaring verwijst naar de anti-christelijke figuur als het “beest dat uit de zee komtOpenb.13: 1, die optreedt als een marionet van Satan Openb.13: 4, oorlog voert tegen christelijke gelovigen Openb.13: 7 en de ongelovigen er toe aanzet om hem te aanbidden Openb.13: 8.
Men dient hier niet te diep op in te gaan, maar zelfs een bepaald cijfer kan eveneens worden vertegenwoordigd door andere profetieën van onze heilige vaders, dan die in Daniël en Openbaringen.
”      En wat uzelf aangaat, de zalving, die jullie van Christus hebben ontvangen, blijft op jullie en jullie hebben niet van node [geen behoefte aan het feit], dat iemand u zal leren; maar, gelijk zijn zalving u leert over alle dingen, en waarachtig is en geen leugen, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft”.
God’s Openbaring begint bij de aanvaarding van God’s roepen, Zijn beloofde Genade en op basis daarvan volgt het Liefdegebod ten opzichte van Hem en de naasten.
Als gevolg van de opkomst van fundamentalistische groeperingen zijn wij ons steeds meer bewust geworden van de noodzaak, dat een godsdienst  zichzelf kan vertalen en vernieuwen in verschillende situaties en culturen.
Indien dat niet gebeurt, kan Geloof gemakkelijk een formalistisch, dwangmatig of zelfs tiranniek karakter krijgen.
Paulus zegt niet dat wij vàn Franciscus, Bartolomeüs, Kirill òf Filaret zijn, wij hebben ons bekleed met Christus, Onze Heer is Degene, Die komen zou; Wij verwachten onze Heer en Zaligmaker Jezus 
Christus en buiten Hem verwachten wij geen ander.
Wij mogen van Hem als Zoon van God Genade verwachten, indien
wij inderdaad in het Geloof zijn en blijven conf. Rom.6: 23; 2Cor.13: 5; Eph.2: 8-10 en 1Petr.3: 21.
Wij mogen van God een mensenleven verwachten en daarna een rechtvaardig oordeel conf. Hebr.9: 27-28; Openb.21: 6-8.
Onze Heer en Verlosser is de bron des Levens, onze adem [H.Geest] krijgen wij slechts van Hem Gen.2: 7. 
Hij heeft ons hierin Zelf het voorbeeld gegeven:
    Mijn spijze is de Wil te doen van Degenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk te volbrengen. Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten. Reeds ontvangt de maaier loon en verzamelt hij Vrucht tot het eeuwigen leven, opdat de zaaier zich tegelijk met de maaier zal verblijdenJohn.4: 34-36.

Het Evangelie van Pasen en Pinksteren kan dus over alle etnische grenzen
[ -‘behorend tot één enkele  gemeenschap, die in de minderheid is’-] en beperkingen heen doorbreken. Het ware Geloof is niet langer meer beperkt tot één volk, één cultuur of één land’s-gemeenschap.
Het Christelijk Geloof betekent juist dat er geen enkele reden te bedenken valt om bepaalde rassen of bevolkingsgroepen te discrimineren of te bevoordelen.
Dááròm horen Christenen wereldwijd bij elkaar, als één Gemeenschap, Die alle etnische verschillen overstijgt.
Dat betekent tevens dat het Geloof op èlke plaats vertaald dient te worden binnen de concrete context van de eigen tijd en cultuur. Ideaal gezien geloven we allemaal hetzelfde, maar mag de concrete uitwerking mag ‘nog’ verschillend zijn, we weten dat Christus bij Zijn wederkomst in ieder geval de eenheid [Oecumene] zal herstellen; wij mensen zijn hier niet toe in staat. Indien het Christendom overal ter wereld in overeenstemming met dezelfde liefdevolle goddelijke principes uitgeoefend, beleefd zou worden en strikt gehandhaafd zou worden, zouden heel wat conflicten voorkomen hebben kunnen worden, ook daar hebben we Christus bij nodig.
Dus verzekert Johannes onze Christelijke Gemeenschap vandaag in zijn brief
dàt de huidige uittocht van degenen, die afwijken van de Ware Leer een goede zaak is. Zijn tweede geruststelling betreft de aanwezigheid van de Heilige Geest om
ons te leiden en te begeleiden naar het Hemels Koninkrijk.

Links: Cosmas; rechts: Damianus. Aan hun voeten tussen hen in: hun broers Anthimus, Leontius en Euprepius.
Allen staande tussen palmtakken [overwinningssymbolen: de goede strijd gestreden: standvastig gebleven tot de dood] met geheven handen in de gebedshouding.
Op de achtergrond: De drie Jongelingen in de Vuuroven. Wandschildering afkomstig uit Wadi Sarga, Egypte.

Christus heeft de teugels van Zijn rijdier stevig in handen en Hij wordt toege-zongen terwijl Hij de afgeworpen kleding van de wereld samen met ons met de voeten treed, terwijl wij met de engelen het triomflied zingen,
roepend, luid jubelend en zeggend:
  Heilig, heilig, heilig, de Heer Sabaoth:
vol zijn hemel en aarde van Uw Heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend Hij Die komt in de Naam des Heren,
Hosanna in den hoge
”.

Zondag van de Verloren Zoon & de les van het genoeg

Blijdschap in het Hemels Koninkrijk over een zondaar, die zich bekeert; Joy in the Kingdom of Heaven about a sinner who repents; Χαρά στη Βασιλεία των Ουρανών για έναν αμαρτωλό που μετανοεί; فرحة في مملكة السّماء عن الخاطئ الذي يتوب.

    Alzo is er, zeg Ik u, blijdschap bij de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert.
En de Heer zei vervolgens:
Iemand had twee zonen.
De jongste van hen zei tot zijn vader:
        ‘ Vader, geef mij het deel van ons vermogen, dat mij toekomt’.
En hij [de vader] verdeelde het bezit onder hen.
En weinige dagen later maakte de jongste zoon alles te gelde en ging op reis naar een ver land, waar hij zijn vermogen verkwistte in een leven van overdaad.
Toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden.
En hij trok er op uit en drong zich op aan een van de burgers van dat land en die zond hem naar het veld om zijn varkens te hoeden.
En hij begeerde zijn buik te vullen met de schillen, die de varkens aten, doch niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot zichzelf en zei:
        ‘Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen:
        Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners’.
En hij stond op en keerde naar zijn vader terug.
En toen hij nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen.
En hij liep hem tegemoet viel hem om de hals en kuste hem.
En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten.
        Maar de vader zeide tot zijn slaven:
Brengt vlug het beste kleed hier en trekt het hem aan en doet hem een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten.
En haalt het gemeste kalf en slacht het, en laten wij een feestmaal hebben, want mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden.
En zij begonnen feest te vieren.
– Zijn oudste zoon was op het land, en toen hij dicht bij huis kwam, hoorde hij muziek en dans.
En hij riep een van de knechten tot zich en vroeg, wat er te doen was.
Deze zei tot hem:
Uw broeder is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel terug heeft.
Maar hij werd boos en wilde niet naar binnen gaan.
Toen kwam zijn vader naar buiten en drong bij hem aan.
Maar hij antwoordde en zeide tot zijn vader:
Zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst en nooit heb ik uw gebod overtreden, maar mij hebt gij nooit een bokje van een geit gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Doch nu die zoon van u gekomen is, die uw bezit heeft opgemaakt met slechte vrouwen, hebt gij voor hem het gemeste kalf laten slachten.
Doch hij [de vader] zei tot hem:
Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is het uwe. Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn, want uw broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden.
Luc.15: 10, 11-32.

    Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is nuttig.
       Alles is mij geoorloofd maar ik zal mij door niets laten knechten.
Het voedsel is voor de maag en de maag voor het voedsel, en God zal zowel het een als het ander teniet doen.
Maar het lichaam is niet voor de ontucht, doch voor de Heer, en de Heer voor het lichaam.
God heeft niet alleen de Heer opgewekt, maar zal ook ons opwekken door Zijn Kracht.
Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn?
Zal ik dan leden van Christus wegnemen om er leden van een ontuchtige van te maken? Volstrekt niet!
Of weet gij niet, dat wie zich aan een ontucht hecht, een lichaam (met haar) is? Want, zegt Hij, die twee zullen tot een vlees zijn.
Maar die zich aan de Here hecht, is een geest (met Hem).
Ontvlucht de ontucht. Elke andere zonde, die een mens doet, gaat buiten zijn eigen lichaam om.
Maar door de ontucht bezondigt men zich aan zijn eigen lichaam.
Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt?
Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam
1Cor.6: 12-20.

    De heiligen, ons voorgegaan, hebben hier niets verworven, maar
zijn aan ’t einde van hun baan als vreemdeling gestorven.
Maar zij geloofden dat God’s hand die hen tot daar geleid had
in ’t beter, hemels vaderland een stad voor hen bereid had.
Geprezen zij Zijn Naam! Hij deed hen veilig gaan!
Komt, zingen wij tezamen met alle heiligen

Uit: Gezang 103, Liedboek voor de kerken 1973

De Heer maakte me blij door
mij te laten drinken van de beker van het lijden

Hieromartyr Onuphrius (Gagalyuk), † 1938.

De stilte van God vormt gefluister in onze ziel; The silence of God makes whispering in our soul; Η σιωπή του Θεού ψιθυρίζει στην ψυχή μας; صمت الله يهمس في روحنا.

Wij zijn gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam.
Wij leven in een chaotische tijd, in een chaotische wereld.
We hebben waarschijnlijk allemaal wel momenten in ons leven gehad waarin
we het allemaal niet meer zo goed konden onderscheiden.
Misschien viel de stroom ‘s nachts thuis uit en onze ogen hadden een tijdje nodig om zich aan te passen na het verlaten van de voorstelling, we waren onze bril kwijt, of
we waren net onderweg van oost naar west, van links of naar rechts, 
hadden geen zicht meer op onze belemmeringen en tekortkomingen en
werden verblind door alles wat de wereld ons wel niet aanbiedt.
Helaas dienen wij te bekennen dat er ook momenten in ons leven zijn geweest waarop we op andere manieren blind waren toen onze acties, woorden en gedachten tegen God’s bedoelingen voor ons leven ingingen.
In feite is het een voortdurende strijd om een duidelijke kijk te krijgen op
hoe onze dagelijkse inspanningen onze ziel beïnvloeden, evenals die van
onze naasten in wie we de Heer ontmoeten.
Afscheid nemen’, dingen achter je laten roept geen gunstig beeld op.
Een verlaten landschap, een verlaten huis, een leeg hoofd, allemaal beelden die iets negatiefs zeggen; ze spreken over een plaats, die verlaten is, slechts een herinnering, waar eenzaamheid ervaren wordt, want alleen jijzelf mist iets, de wereld zal het een zorg zijn.
Verlaten’ betekent ‘zonder inhoud’ of ‘niets bevattend’, met andere woorden er is iets ‘niet’ wat er ‘wèl’ kon zijn. Meestal gaat het om de afwezigheid van iets goeds. Maar soms krijgt de leegte juist een positieve kwalificatie.
Pas als het hoofd tè vol geweest is, kan het een opluchting zijn
wanneer je het eens – met een uitstapje- helemaal leeg kunt maken,
zoals het uitwaaien aan het strand,
dankzij een periode van afwezigheid van externe prikkels.
Leegte kan ook de betekenis van ‘vrijheid’ betekenen,
indien het bijvoorbeeld om een lege agenda gaat,
een periode zònder zwaarwegende verplichtingen.
Maar ook dàn hopen de meeste mensen dat
die leegte, die eenzaamheid ‘niet’ leeg blijft, maar
zich weer vult met aangename, ontspannende zaken.

Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is nuttig.
       Alles is mij geoorloofd maar ‘
ik’ zal mij ‘door niets’ laten knechten”.
De grote apostel Paulus herinnert ons er vandaag aan dat wij uit
de duisternis van heidendom en immoraliteit zijn gekomen door
Christus aan te nemen in de doop en het leven van Zijn Lichaam, de Kerk.
In plaats van terug te keren naar de schimmige wegen van de wereld,
roept hij ons op om het Licht [de paas-verlichting] aan te doen,
ons [weer] te bekleden met Christus,
[nadat Christus met het Kruis op de kerkdeur slaat]
de waarheid over jezelf te gaan zien en dienovereenkomstig te leven.
Ontwaakt uit de slaap, sta op uit de dood en Christus zal je Licht geven“.
Het is geen tijd om in een dronken bui te zijn of
op een andere manier in de zelfgenoegzaamheid van de wereld
slechts gesust te worden, maar
in plaats daarvan om alert en gefocust te zijn zodat
we niet terug in de duisternis worden ondergedompeld.

Alle leden van het Lichaam van Christus ontvangen dezelfde Genade,
hetgeen zij nodig hebben om te overleven.
Voor veel mensen heeft deze bekende tekst veel betekenis, zoals
Een offer voor God is een berouwvolle geest; God, Gij versmaadt geen vermorzeld en nederig hartPsalm 50[51]: 19.
En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn Genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid.
Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden ’
nòg méér’ roemen, opdat
de Kracht van Christus over mij zal komen.
Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in schandelijke beledigingen,
noden, vervolgingen, benauwenissen ter wille van Christus, want
als ik zwak ben, dan ben ik machtig
2Cor.12: 9,10.
Christus doet ons toekomen wat wij nodig hebben en dat
is de conclusie van de parabel die Hij ons vandaag voorschotelt.
Laat je niet knechten door de wereld, laat je niet bij de neus nemen door
pracht en praal, door grillige populisten, die met hun strijd om het leiderschap, welke het houvast van het Lichaam van Christus op het spel zetten.
Mits er eensgezind wordt opgetreden bestaat er in de Kerk nog een mogelijkheid om de tegenstrever, die als een briesende leeuw rondgaat, te elimineren.
Daar hebben wij geen mannetjesputters voor nodig, die goed van de tongriem zijn gesneden,
maar de bescheidenheid en eenvoud van een monastiek leven.
Alleen vasten en gebed kan de ontucht, de tegenstrever weerstaan.
Zoals er staat geschreven: “Aan elke mens werd gegeven, wat hij nodig had”.
Hierin zeggen we niet dat er respect dient te worden opgebracht voor individuele personen – God verhoede het – maar onze zwakheden in overweging te nemen.
Laat degene daarom, die er minder behoefte aan heeft God te danken,
niet bedroefd zijn; en hij die steeds maar meer verlangt, zal vernederd worden vanwege zijn zwakheid, en niet trots gemaakt worden door de goedheid die hem getoond is: en zó zullen ‘alle‘ leden van het Lichaam ‘in Vrede’ voortleven.

In oorspronkelijke vorm
Laat vooral het kwaad van de tweedracht zich niet bij het
geringste woord of aanwijzing om welke reden dan ook voordoen.
Indien iemand zich hieraan schuldig maakt, dient dit bekend te worden en
zal er een passende straf op volgen.
Net als in een gezin zijn in een christelijke gemeenschap
geen twee gelovigen hetzelfde en derhalve dient eenieder
gelijkwaardig met het volste respect behandeld te worden.
Hierin dient in navolging van Christus bovenal nederigheid beoefend te worden;
geen mens mag zichzelf immers verheffen boven de ander.

Zwakke eigenschappen
En daarin onderkennen we de zwakheid van het kerkelijk systeem
– de Kerk is immers uit op de verheffing van de individuele mens;
– het enige hoofd van de Kerk is Christus [‘Één is Heilig, Één is Heer’] en
alleen daarom al kan en mag niemand zich [‘tot Heerlijkheid van God de Vader’]
verheffen boven wie dan ook.
Paulus spreekt van: “Er werd mij een steek van mijn vlees gegeven,
een engel van Satan, om me te betasten
”; en hierop volgt:
“Mijn Genade is u genoeg”.

Minder behoeften creëren
Een waarachtig navolger van Christus zal zich tot het uiterste beperken in z’n behoeften,
doet meer met minder – is niet zelfvoorzienend en opgeblazen van trots.
– Trots geeft anderen de schuld; veroorzaakt hardheid, een laatdunkende houding, een onafhankelijke opstelling waarbij men niet open staat voor de hulp die anderen te bieden hebben.
– Trots geeft een eigen fout niet toe en erkent geen persoonlijke verantwoording.
En áls ze dit al doet, praat ze de fout goed en zoekt er nèt zolang een verklaring voor, totdat er geen verdriet of berouw meer over bestaat.
– Trots geeft ons het gevoel dat we ‘geestelijker’ zijn of dichter bij de Heer staan dan anderen.
– Trots brengt een gebiedende, veeleisende geest voort. Dit heeft tot gevolg dat we ons concentreren op hetgeen ‘niet’ voor ons is gedaan, in plaats van op wat ‘wèl’ voor ons is gedaan.
– Trots verlangt naar het verleden of naar de toekomst, maar is nooit tevreden met het heden.
– Trots opent de deur voor een geest die zich niet laat corrigeren of onderwijzen.
– Trots heeft tot gevolg dat ik situaties beoordeel naar wat ze voor mij persoonlijk betekenen in plaats van wat ze betekenen voor God.
– Trots is de wortel van een negatieve houding, veroordeling, kritiek, laster en kwaadsprekerij.
– Trots roddelt, breekt af, brengt schade toe aan iemands reputatie en geniet van berichten over mislukking en zonde.
En dit is allemaal heel confronterend, ten opzichte van mijzelf, maar ook
in de mij omringende Kerk.
Want ik zie het allemaal gebeuren in mijn leven en
dat neem niet weg dat ‘ook ik’ nog steeds veel trots in mijzelf onderken.
De Profeet David zingt immers in een Psalm:
  Heer, mijn hart is niet hoogmoedig; ik heb mijn ogen niet trots opwaarts geslagen.
Ik houd mij niet op met grootse dingen, noch met hetgeen te wonderbaar voor mij is.
Als ik niet nederig gezind was, of zó ik mijn ziel had verheven.
Als een gespeend kind op de schoot van zijn moeder, zó had Gij mijn ziel vergolden.
Doch Israël [de Kerk] dient te vertrouwen op de Heer, van nu af tot in eeuwigheid
”.
Psalm 130[131] vert. ROK ’s-Gravenhage.
Als toezichthouder en spelleider dient ook de Kerk nederig dank te zeggen aan
de God en Vader van onze Heer Jezus Christus Die voorzag in gezondheid, òf energie, òf fysieke kracht, òf intellectueel inzicht, of enig ander geschenk.
De sterksten dienen derhalve alleen al als voorbeeld nederig te zijn.
Wij hebben niet méér van ‘alles’ nodig, meer eten, meer drinken, meer en mooiere onderkomens, rusten, genegenheid, stilte, gesprek, zelfbevestiging, werk of tijd.
Wij dienen daarom alleen om deze reden al zeer nederig te zijn, en gewoon te erkennen dat wijzelf het verloren kind zijn met behoefte aan speciale bekommernis.
Op die wijze zullen wij, altijd en overal, dankbaar zijn, juist de zwakken dienen dankbaar te zijn.
En wie de zwakken zijn dat weten wij maar al te goed.

Nederigheid en dankbaarheid
Eerst nederigheid vervolgens dankbaarheid en op die wijze zullen alle leden
van de christelijke gemeenschap, de Kerk, Vrede met elkaar ondervinden.
Een gemeenschap waar de sterken nederig zijn en de zwakke dankbaar zal als
een Godshuis worden waar onderlinge [naasten-]liefde zal overheersen.
Eenheid en gelijkheid onder broeders en zusters, eerbied voor elkaar en
een grote innerlijke vrijheid van geest.
    Jaagt de Liefde na en streeft naar de Genadegaven van de Heilige Geest,
doch vooral naar het profeteren. Want wie in een tong spreekt, spreekt niet
tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het;
door de Geest spreekt hij/zij geheimenissen.
Maar wie profeteert, spreekt voor de mensen
stichtend, vermanend en bemoedigend
1Cor.14: 1-3.

Genadegaven
Genadegaven zijn namelijk zo groot, zo diep, zo wijds, zo wonderlijk,
zo verrassend, zo tegendraads, zo krachtig, zo veelomvattend!
En dàn gaat het niet eens allereerst om wat Genade nu precies is.
Want het gaat niet zozeer om definities en omschrijvingen,
hoe belangrijk die ook zijn.
Misschien hebt u in uw gedachten ook wel een omschrijving van Genade.
Zoiets als:
– Genade is dat ik niet zelf iets voor mijn zonden behoef op te brengen,
dat heeft onze Heer en Verlosser immers reeds gedaan. Òf:
– Genade is dat onze God en Vader zo eindeloos goed voor ons is. Òf:
– Genade is de onverdiende gunst. Òf:
– Genade is een onvoldoende verdienen en toch nog een beloning krijgen.
En dat is allemaal ook wel waar en goed gezegd, maar nogmaals:
het gaat er niet om wat we in onze gedachten allemaal niet weten over Genade,
het gaat erom of we de Genade van God in ‘hart en ziel’ ervaren.

Meer geld maakt mensen niet gelukkiger
Maakt geld, een weelderig bestaan door macht en invloed gelukkig?
Over deze vraag wordt al gepraat zolang mensen bestaan.
Sommige mensen, vooral rijken, zeggen dat geld niet gelukkig maakt.
Geluk zit in andere dingen, zoals liefde en vriendschap.
Andere mensen beweren dat geld een beetje bijdraagt aan geluk, maar
dat het boven een bepaalde mate van welvaart niets meer toevoegt.
Ook denken de meesten dat het winnen van een loterij niet gelukkig maakt;
nou ja, hoogstens voor heel even.
Maar kloppen al die ideeën wel? Is de rol van macht geld ècht zó onbeduidend?
Of is het vooral heel geruststellend om te denken dat geld een bescheiden rol speelt,
terwijl het eigenlijk wel degelijk belangrijk is voor geluk?
Zijn rijke landen gelukkiger dan arme landen?

Waarom worden we aangetrokken door geld?
Maakt materialisme ongelukkig?
Is de hoogte van je salaris belangrijk?
Waaraan moet je je geld uitgeven om [‘nòg’] gelukkiger te worden?
Dat geld gelukkig kan maken, is een gedachte die steeds meer geaccepteerd wordt.
De grote vraag is alleen: hoeveel inkomen heb je daarvoor nodig?
Wie maandelijks netto 2500 euro te besteden heeft,
is nèt iets gelukkiger dan iemand met een inkomen van 2000 euro.
1000 euro erbij maakt nòg gelukkiger. Maar aan deze groei zit een plafond.
Het ideale maandinkomen blijkt namelijk 4000-4500 euro netto te zijn: Boven dat bedrag word je niet gelukkiger van het geld.
Sterker nog: iemand die 6000 euro te besteden heeft, voelt zich ongeveer nèt zo gelukkig als iemand die maandelijks 2500 euro binnenkrijgt.
Rijke mensen zijn vooral ‘minder’ tevreden over hun vriendschappen, hun werk en hun inkomen.

De vroeg-christelijke Kerk werd door het afwijzen van/aan
‘het steeds méér’ door een heilige ijver naar God geroerd;
de navolgers van Christus verlieten de wereld en lieten bijna al
hun bezittingen over aan de armen of aan een gemeenschappelijke schatkist en
daarna gingen ze vervolgens een ‘seculier’ leven leiden,
door te bidden en de Blijde Boodschap na te vorsen.
Ze woonden meestal niet vèr van hun eigen familie.
Door handwerk te doen, verdienden ze wat ze nodig hadden voor hun basisbehoeften.
Ze verdeelden het kleine geld dat overbleef aan de armen.
Deze mensen werden in navolging van Christus, de apostelen en profeten ”asceten” genoemd. Deze manier van leven ontwikkelde zich zelfs nog meer gedurende de volgende jaren en
vanuit deze manier van leven werd het monastieke leven geboren.
Vrouwen die uit zichzelf wilden en zich volledig aan God wensten te wijden,
beleden eerder, getuigen dat ze een leven van maagdelijkheid verlangden en
daarna leefden zij – in het begin – nog met hun ouders, die
zorgden voor hun levensonderhoud.
Later werd het gebruikelijk dat ook zij als maagden gingen samenwonen.

De vroeg-christelijke opvolgers van de Apostelen droegen geen dure kleding.
Uit de geschriften van de Heilige Basilios de Grote blijkt dat het nut van kleding slechts is
om ons lichaam te beschermen tegen de kou in de winter en tegen de hitte in de zomer.
     Wat is het verschil voor iemand die verstandig is in
     het hebben van lange gewaden met een vloeiende sleep of
     om dwaze en onnodige kleding te dragen die
     niets doen om je warm te houden in de winter en
     om je te beschermen tegen de hitte in de zomer?

Want kleding die van fijne zijde is en uit andere dure materialen gemaakt worden, is een ijdelheid die voortkomt uit onwerkelijke fantasieën en
misleidende verlangens van het hart.

erosie en vergankelijkheid van het menselijk bestaan; erosion and impermanence of human existence; τη διάβρωση και την εξώθηση της ανθρώπινης ύπαρξης; تآكل وعدم ثبات الوجود البشري.

Met andere woorden, zo’n ijdelheid is een schaduw, rook,
stof dat in de lucht wordt gegooid en verwaaid, die
rond dwarrelt en tenslotte door de mot afgebroken wordt.
De Profeet Solomon ervoer aanvankelijk het gebruik van
dure kleding maar veroordeelde dit later.
Wij zijn het allemaal met hem eens toen hij schreef over
dat ze een ‘ijdelheid zijn van ijdelheden’ zijn en een opzettelijke keuze van iemands geest.          Maar wat is deze keuze tot zo’n geest?
De Heilige Gregorios de Theoloog beschouwde het als
      een verlangen van een simpele ziel die irrationeel is en
      een verleiding van de mens, misschien afgeleid
      vanwege een oude
[heidense] gewoonte”.
Is het kenmerkend voor een verstandig persoon om zo’n ijdelheid te volgen?
Dient deze zichzelf ooit toe te staan om de schaduwzijde van z’n dromen te zoeken?
Nee, alsjeblieft accepteer dit niet te doen.
Misschien zul je betogen dat de druk van je jeugd je dwingt om dit te doen.
Maar wat is de jeugd?
Salomo wijst ons opnieuw op het gegeven dat:
      Al wat komt is ijdelheid.
      Verheug u, o jongeling, in uw [pubertijd] jeugd, en
      uw hart zij vrolijk in uw jongelingsjaren;
      ja, volg de lust van uw hart en wat uw ogen aanschouwen, maar
      weet, dat God u om al deze dingen in het gericht zal doen komen.
      Weer dus het verdriet uit uw hart en houd de kwalen weg van uw lichaam,
      want jeugd en jonkheid zijn ijdelheid
Prediker 11: 9,10.
Daarom houdt de éne ijdelheid van de àndere ijdelheid, maar
nooit vanwege voorzichtigheid en om de juiste reden.
Misschien zult u zeggen dat het de taak van een bisschop is
om u dure kleren te laten dragen.
Welnu!  Kijk eens naar die bisschoppen uit vroeger tijden.
Bekijk de eenvoudige gewaden van Basilios en Gregorios de Grote.
Bovendien reisden deze gezegende mannetjesputters ‘te voet en alleen’ over grote afstanden.
Ze maakten geen gebruik van voertuigen voortbewogen met mercedes-paardenkracht van grote waarde, die rijkelijk opgetuigd waren.
Zij konden zònder enige begeleiding van [dienaren, ja-zeggers] vele personen die
een processie aanvoerden en hen [slechts] in hun gedrag nastreefden.
Men kan aan deze ijdele fantasie zien dat het hebben van dure kleding
geen substantieel element is, maar eerder
een destructief gevolg voor het ambt van toezichthouder.
Tot dit soort navolgers van Christus zegt de vader in de parabel:
       Kind, wordt niet boos en boos blijf bij ons,
     wees blij en verheugt over de zondaar, die zich bekeert want
     jij bent onafgebroken bij mij gebleven en al ‘Mijn Genadegaven’
     heb ik je doen toekomen.
     Wij dienen daarom feest te vieren en vrolijk te zijn, want
     jouw naaste hier was dood en is weer levend geworden,
     hij/zij was verloren en is gevonden
”.

Apolytikion
tn.4.
  Spoed U tot mij en open Uw Vaderlijke armen; mijn leven heb ik verprutst.
Doch zie slechts op de onuitputtelijke rijkdom van Uw barmhartigheid, o Verlosser, veracht niet mijn hongerend hart.
want vol berouw roep ik tot U:
ik heb gezondigd, Vader, tegen de Hemel en tegen U
”.

Kondakion
tn.3.
  Vol onbezonnenheid heb ik Uw Vaderlijke heerlijkheid weggeworpen,
en met zondaars heb ik de mij door U geschonken rijkdommen verkwist.
Daarom roep ik tot U het woord van de Verloren Zoon:
tegen U heb ik gezondigd, barmhartige Vader,
neem mij aan nu ik boete doe en
maak mij tot een van Uw loondienaren
”.

Orthodoxie & de Wereldwijd opkomende chaos

    Doch jullie, ziet [toch] toe op uzelf.
Zij zullen u overleveren aan gerechtshoven, en in synagogen zult jullie gegeseld worden en voor stadhouders en koningen zullen jullie gesteld worden om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen.
       En aan alle volkeren dient eerst het Evangelie gepredikt te worden.
       En wanneer zij jullie wegvoeren om jullie over te leveren, weest dan niet van tevoren bezorgd wat je zeggen moet, maar zegt wat je in die ure gegeven wordt; want jullie zijn het niet, die spreken, maar de Heilige Geest.
       En een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen.
       En gij zult door allen gehaat worden omwille van Mijn Naam.
Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden
Marc.13: 9-13.

    Dit dienen jullie vooral te weten, dat geen Profetie van de Heilige Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is Profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van God’s-wege gesproken.
Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen, zelfs de Heerser, die hen gekocht 
heeft, verloochenende en een schielijk verderf over zichzelf brengend.
       En velen zullen hun losbandigheden navolgen, zodat door hun schuld de weg der waarheid gelasterd zal worden; en zij zullen uit hebzucht met verzonnen redeneringen u als koopwaar behandelen; maar het oordeel houdt zich reeds lang met hen bezig en hun verderf sluimert niet.
       Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren; en de wereld van de voortijd niet gespaard heeft, maar Noach, de prediker der gerechtigheid, met zeven anderen bewaard heeft, toen Hij de zondvloed over de wereld der goddelozen bracht; en de steden Sodom en Gomorra tot as verbrand, tot omkering gedoemd en ten voorbeeld gesteld heeft voor hen, die goddeloos zouden leven, maar de rechtvaardige Lot, die zwaar te lijden had onder de losbandige wandel dier zedelozen, heeft behouden
➻ want deze rechtvaardige heeft, onder hen wonende, dag aan dag zijn rechtvaardige ziel 
gekweld door het zien en horen van hun tegen alle wet ingaande werken
➻ dan weet de Heer de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen en de onrechtvaardigen te bewaren om hen op de dag van het oordeel te straffen
2Petr.1: 20,21; 2: 1-9, lezingen maandag 18 febr. 2019.

De schijnwereld, die wij om ons heen opgebouwd hebben en waar wij allen deel van uitmaken, hoe hier van los te komen?
      Hoor dan, Israël [Kerk] en onderhoud naarstig al God’s inzettingen en geboden, opdat het u wèl zal gaan, en opdat jullie zeer talrijk zal worden, zoals de Heer, de God van uw vaderen, u heeft toegezegd, in een land, vloeiende van melk en honig.
       Hoor, Israël [Kerk]: ‘de Heer is onze God; de Heer is een!’.
Gij zult de Heer, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij neerligt en wanneer gij opstaatDeut.6: 3-7.

Zo innig heeft onze Heer, Jezus Christus gebeden met de woorden van de Psalmen:

Christus, slechts in Hem behoud je de rust en de vrede

    De Heer is mijn Licht en mijn Heiland, wie zou ik vrezen?; de Heer beschermt mijn Leven, voor wie zou ik nog angst hebben? Al komen boosdoeners op mij af om mijn vlees te verslinden, mijn vijanden, die mij verdrukken worden zwak en komen ten valPsalm 26[27]: 1,2 en
Red mij, Heer, er is geen heilige meer: de Waarheid wordt zeldzaam onder de kinderen der mensen.
Ieder spreekt leugen tegen zijn naaste, hun lippen zijn vals; zij spreken kwaad in hun hart.
Laat de Heer alle bedrieglijke lippen verdelgen en de groot sprekende tong.
Die zeggen. Wij zullen onze tong verheffen, onze lippen behoren ons toe,
wie is Heer over ons ?
Maar nu sta Ik op, zegt de Heer; om de nood van de armen, om
het zuchten van de lijdenden.
Ik zal hen in veiligheid brengen, Ik zal vrijmoedig met hen spreken.
De woorden des Heren zijn vlekkeloos:
zilver, in vuur gegloeid, in aarde beproefd, zevenvoudig gelouterd.
Gij, o Heer, bewaar en behoed ons tegen dit geslacht, tot in alle eeuwigheid.
De goddelozen omringen ons, maar in Uw verhevenheid
slaat Gij acht op de kinderen der mensen

Psalm 11[12] vert. ROK ’s-Gravenhage

De Blijde Boodschap verhaalt ons van een klein Volk, dat bedreigd werd door vreemde legioenen.
En de verleider/tegenstrever zei:
• – Jullie zijn ‘een braaf en vreedzaam Volk‘, dat God’s gunst geniet, dat zelfs de stenen broden worden, geef maar toe, geef maar toe en jullie zullen zien, dat de stenen broden worden -.
  En dat kleine Volk luisterde naar die verleidelijke stem — – — en kreeg het goed, het kwam tot welstand, de stenen werden werkelijk brood.
Maar onze Heer en Verlosser, Zoon van de levende God zei: “ Er staat geschreven:
Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle Woord, dat God’s mond uitgaatMatth.4: 4.
  En dat kleine Volk leefde — – — en toch leefde het eigenlijk niet. Er was genoeg, ja, overvloedig brood en ook God’s Woord was er in ruime mate aanwezig; en men at zich oververzadigd dik aan het brood, maar liet God’s Woord onaangeroerd staan. Daarom ging en gaat de ziel dood, je zou er ont-moedigd van worden.
  Want juist dáár ligt het grote verschil: tussen hen die aan het brood alleen geloven en hen, die tegelijkertijd aan het Woord van God geloven. De Zoon van de levende God weet de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen.
• We leven echter in een wereld, die tegen zichzelf verdeeld is. Daar ontmoeten wij de overheersing door boze geesten, zodat de kreten van de lijdenden en verminkten en het zwijgen van de doden jaren lang naar de Hemel opstijgen. Telkenmale wordt daarop gepropageerd: ‘nooit meer oorlog!’ – ‘nooit meer onenigheid‘ – ‘nooit meer onrecht‘.
En toen de onreine geest/ de verleider, de tegenstrever naar zijn huis terugkeerde, vond hij het geveegd en op orde. Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, nog bozer dan hijzelf, en zij komen binnen en wonen daar en het wordt in die wereld tenslotte nog erger dan aan het begin.
  En vervolgens zeggen de afvalligen: daar zie je dus het faillissement van het Christendom. En het enige wat je dan kunt zeggen: “Wàt heb je er zelf aan gedaan om dat faillissement te voorkomen?”.
  Het Christendom is ‘niet‘ failliet gegaan, omdat het immers nog helemaal ‘niet‘ tot stand is gebracht. De God van de Christenen is immers geen heerser met onbeperkte macht, geen dictator. Hij voert het Christendom niet met geweld in, legt Zijn Volk geen voldongen feiten op.

Geduld – uithoudingsvermogen; Patience – endurance; υπομονή – αντοχή.

We merken maar al te vaak dat we dienen te wachten. We wachten op mensen, vliegtuigen, eten en antwoorden op onze gebeden. We wachten op bijna alles. Maar we wachten niet altijd geduldig.
Wachten is overal in de Blijde Boodschap een gewoon woord, maar ‘geduld‘, dat kom je minder vaak tegen.
Dàt is nu juist het Mysterie van ons Geloof;
Dàt is nu juist het ongerijmde en essentiële van het Christelijk Geloof,
Dàt het Woord vlees werd, zoals
Johannes de Theoloog het uitdrukt:
    Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen.
Doch allen, die Hem [werkelijk] hebben aangenomen, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen van God te worden, hun, die in Zijn Naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van een mens, doch uit God zijn geborenJohn.1: 10-13.
En de grote Apostel zegt daarover:
    Laat die gezindheid [ook] bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, Die, in de Gestalte van God zijnde, het aan God gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is.
En in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood van het KruisPhil.2: 5-8.

Christus staat aan de deur en klopt

                                      Christendom, dat is de Almachtige God, Die tot de zwakke mens komt, Die aan de deur van ons hart klopt en hem vraagt: ‘Wilt jij Mij ontvangen?
En wanneer de mens zich afwendt, kan de Almachtige daar niets tegen doen. Dat is de ergerlijke immorele dwaasheid, die het Christendom de diepte-levenswijsheid noemt.
En juist daarom zijn wij Christenen de Joden een ergernis en voor de Grieken een dwaasheid.

En ondanks alle ellende hebben we nog steeds niets geleerd; God is telkenmale tegemoet gekomen om de westerse mens Zijn diensten aan te bieden.
Hebben wij daarop God in dienst genomen en Hem tot het hoogst nastrevenswaardig verheven?
Ja, wij hebben kerken gebouwd en hebben de spelleiders een salaris gegeven, bepaalde Christelijke nominatie’s in sommige landen werden zelfs van staatssubsidie voorzien. Maar dat alles is allemaal wèl beschouwd zo onbelangrijk als het maar zijn kan.
Het is alsof je een knechtje in dienst neemt, maar hem niet op jouw boerderij toelaat. Wat voor zin heeft het om hem in ‘Zijn Dienst’ te negenen Hem z’n loon te betalen, indien Hij rustig thuis mag blijven bij Zijn Vader [en Moeder], en niet bij je op de binnenplaats mag komen om dáár nog wat uit te richten? Neen, eigenwijs als wij mensen zij – willen wij het allemaal ‘zelf’ en alleen doen.
Dáár hebben we de gevolgen van de zonden van de toezichthouders:
⁌  Zij mengen zich onder de groten der aarde, wensen gevleid te worden en bemind door het rond omstaande volk.
⁌  Zij bevestigen hiermee het bestaan van de wereld, geven zich over aan de geest van de leugen en het bedrog.
➻  Indien zij hun leer der waarschijnlijkheid niet vaarwel zeggen, zijn hun goede stelregels evenmin heilig als hun slechte, want zij zijn ‘gegrond‘ op het menselijk gezag; en als zij dus rechtvaardiger zijn, zullen zij ‘redelijker‘ wezen, maar niet ‘heiliger‘, niet ‘spiritueler‘.
Wanneer hetgeen u verkondigd wordt, niet dient om u voor te lichten, zal het dienstig zijn voor het steeds kleiner wordend Volk. En als deze zwijgen zullen de stenen spreken. Het zwijgen is de grote vervolging: ‘nimmer hebben Profeten, Martelaren en Heiligen gezwegen‘.
Het is waar dat er een roeping nodig is, dàt wordt echt niet ontkend, maar van de besluiten van de hogere niveaus behoeft men niet te vernemen òf men geroepen is, maar alleen van de noodzakelijkheid om ‘te spreken‘, ‘de Waarheid te verkondigen‘.
En alleen omdat de hogere heren gesproken hebben en men denkt, dat het de waarheid veroordeeld heeft nadat ‘zij’ het geschreven hebben; en dat de heilige boeken die het tegenovergestelde gezegd hebben, in de ban zijn gedaan, dient men des te luider te roepen, naar de mate men des te onrechtvaardiger is veroordeeld, en naarmate men des te geweldiger het Woord wil onderdrukken, totdat er een ‘waarachtige‘ Oppertoezichthouder [‘onze Heer en Verlosser’] komt, Die de beide partijen hoort en Die de oudheid raadpleegt om Goddelijke Recht te doen. De goede oppertoezichthouders zullen de Kerk dan vervolgens in grote chaos vinden.

Maar we blijven allemaal zo graag in onze veilige ‘comfort zone‘ zitten; het zijn onze vastgeroeste patronen, te grote of te kleine ego’s, schaamte en/of de angst voor verwijten en afkeuring, die deze faal-paradox in stand houden.

Ik vreesde dat ik slecht had geschreven, daar ik mij veroordeeld zag, ja zelfs bedreigd, doch het voorbeeld van vrome geschriften en de Oecumenische Pan-Orthodoxe congressen doen mij het tegendeel geloven.
God heeft geen behoefte aan religieuze woorden, Hij verlangt in nederigheid aangeboden liefdevolle daden.
Het is niet meer geoorloofd te schrijven als iemand, die oprecht z’n weg zoekt, zo bedorven of onwetend zijn zij, bereid door ‘indringende aanwezigheid’ het ‘eigen’ standpunt dóór te drukken, te verkondigen en de Waarheid te vertroebelen.
Weet wèl dat dit soort toezichthouders door de hogere leiding zijn gerekruteerd, om slechts, de éénzijdige waarheid te verkondigen; het éne standpunt wordt gefinancierd door een westerse mogendheid de ander door de opponent. Doch het Volk zal het een zorg zijn òf het autofecaal door een oppertoezichthouder of toezichthouder bestuurd wordt of niet, Christus is immers “Één en Heilig tot Heerlijkheid van God de Vader” – Hij is het hoofd van de Kerk.
       Ik vrees daarom ‘niets meer‘, want Geloof is de enige vaste grond van de dingen die men hoopt en ik geloof in Christus.
  Laten de nederigen die de Heer gehoorzamen, Hem daarom om redding smeken. Wees nederig en rechtvaardig. Misschien zal de Heer jullie dàn op die dag sparenSefanja 2: 3.
Het is immers beter aan God dan aan de mensen te gehoorzamen;
  Wie zal u kwaad doen, als jij jezelf beijvert voor het goede?1Petr.3: 13;
  Indien de rechtvaardige ternauwernood behouden wordt, waar zal dan de goddeloze en zondaar verschijnen? Laten derhalve ook zij, die naar de Wil van God lijden, hun zielen aan de getrouwe Schepper overgeven, steeds het goede doende1Petr.4: 18,19.
        Ergens oprecht in geloven gebeurt niet zomaar; daar dient iemand op gewezen te worden, mee opgevoed te worden òf iemand dient zelf – in alle vrijheid – op zoek te gaan naar  de troost die het Geloof een mens kan bieden.
Wat iemand wèl of niet gelooft, daar is hij nog altijd vrij in en
==>> – ‘God’ zal een oprecht zoeker altijd op de goede weg leiden.

Geloof heeft dus te maken met twee eeuwige, onzichtbare realiteiten: ‘God Zelf en Zijn Woord’. De Blijde Boodschap is dan ook altijd uitsluitend gericht op deze twee werkelijkheden: “God en Zijn Woord”.
In gewone spreek­taal gebruiken we het woord geloof natuurlijk ook in ander verband. We hebben het bijvoorbeeld over ‘geloven wat er in de krant staat’ òf ‘geloof hebben in een medicijn’, of het geloof in de een of andere politieke leider.
Maar op die manier wordt het woord ‘Geloof’ in de Jood’s, Christelijke religie niet gebruikt.
In de Blijde Boodschap heeft Geloof uitsluitend en alleen betrekking op twee realiteiten die we niet met onze natuurlijke ogen kunnen zien: ‘allereerst op God, en ten tweede op Gods Woord’.
Laat je derhalve je Geloof -‘voortleven’- vanuit die Waarheid en laat je door niemand beperken tot de zichtbare dingen, de buitenkant. 

Wanneer je iemand in vertrouwen nadert, ontdooit deze, ontplooit hij/zij zich. Hoop en vertrouwen liggen immers dicht bij elkaar. Veel mensen hebben het vertrouwen en de hoop verloren en zijn daarom depressief, ze voelen zich compleet ontmoedigd. Dat is de ziekte van onze tijd en dat los je niet op door congressen en ingewikkelde Cypriotische bijeenkomsten te organiseren.
Het blijkt dat er tòch geen overeenstemming is te verkrijgen, de neuzen staan niet meer dezelfde kant op, de Waarheid wordt vertroebeld.
De enige, die daar toe in staat is is onze Heer en Verlosser en dat zal waarschijnlijk tot het einde der tijden duren.
Wat wèl gebeurt wanneer je in deze chaos zit en dat ervaren de gewone mensen; dat is dat God je hoe dan ook een knipoog geeft, als een glimlach vanuit Zijn Koninkrijk. Maar daarvoor is er veel vertrouwen nodig, vertrouwen in jezelf, in de ander en in Die geheel Andere!
In deze tijd van een ‘over’-aanbod aan keuze is Trouw aan Zijn Koninkrijk een moedige daad teneinde te overleven.
–    “     God laat Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft. Hij heeft uit een enkele het gehele menselijke 
geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van onsHand.17: 25-27.
–    “     Wij dienen te roemen in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop; en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de Liefde van Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons gegeven is, zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen is gestorvenRom.5: 3-6.

Begin van het Triodion – Zondag van de Tollenaar & Farizeeër – waarom onszelf zuiveren wanneer alleen God kan vergeven?

    Onze Heer en Verlosser sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen verachtten, deze gelijkenis:
       Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de een was een Farizeeër de ander een tollenaar.
       De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf:
‘   O God, ik dank U, dat ik niet zo ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al 
mijn inkomsten’.
       De tollenaar stond van verre en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst en zeide:
‘  O God, wees mij, zondaar, genadig! ‘
Ik [de Zoon van de levende God] zeg u:
Deze keerde, in tegenstelling met de ander, gerechtvaardigd naar huis terug.
Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden
Luc.18: 9-14.

    Jullie [navolgers van Christus] daarentegen hebt volle aandacht geschonken aan mijn onderricht, wijze van doen, bedoeling, Geloof, Lankmoedigheid,[toegevendheid, zonder boos te worden] Liefde, Volharding, Vervolgingen en Lijden, zoals mij getroffen hebben te Antiochië [= ‘tegenstrever, niet van de wereld’] , te Iconium [Hebr.= ‘verkleind beeld’] en te Lystra [Hebr.= ‘vrijkopen’].
       Al die vervolgingen heb ik doorstaan en de Heer heeft mij uit alle gered. Trouwens, allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden. Maar [echt] slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger komen; zij verleiden en worden verleid.
       Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wel bewust van wie gij het hebt geleerd, en dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het Geloof in Christus Jezus2Tim.3: 10-15.

Byzantijnse kelk, een instrument van Liefde. Echter wat wij zaaien oogsten wij het liefst ook-zèlf nietwaar?

Al in een eerder stadium hebben we moeten onderkennen dat onze Heer en Verlosser ons niet zal reinigen met Zijn bloed; maar dat de nadruk van Zijn Pedagogie ligt in het onderkennen dat wij , Zijn navolgers, het zijn die gereinigd dienen te worden met Zijn bloed door Zijn geboden te gehoorzamen.
Hoe kunnen we gereinigd worden door het bloed van onze Heer en Verlosser door slechts Hem te gehoorzamen wanneer alleen God kan vergeven?
Om op dit begrip vat te krijgen, dienen wij inzicht te krijgen hoe ‘God, als mens‘ deze termen heeft verwoord.

In de gelijkenis van vandaag wordt gesproken over twee mannen die naar de tempel kwamen om vergeving van misstappen te vragen.
               Sla acht op hoe de dikdoener, degene, die het zo goed met zichzelf getroffen heeft, de Farizeeër zijn gebed formuleert:
Ook al doet hij voorkomen dat ‘hij’ niet is als de afpersers, de onrechtvaardigen, de echtbrekers, of als die tollenaar, zijn hart is onrein, want die stroomt over van trots. Hij heeft het helemaal gemaakt, hij voldoet – in de ogen van de mensen – aan alle voorwaarden en juist daarom wordt  geen van zijn zonden vergeven omdat zijn hart op religieuze gronden ‘onrein’ is.
               Wanneer u vervolgens naar de belastinginner kijkt, erkent deze niet alleen zijn zonden, maar schaamt hij zich ook voor zichzelf over zijn zonden – wat betekent dat het een beslissing is van oprecht berouw teneinde het niet nog een keer te doen. Zijn hart was niet vervuld van trots of begeerte naar hebzucht of iets anders dan eerder nederigheid om zichzelf van binnen schoon te maken. Vandaar dat àl zijn zonden hem zijn vergeven.

               Daarom, zèlfs indien we ons bekeren, kunnen we niet worden vergeven tenzij wij ons innerlijk ‘vanuit het hart’ hebben gereinigd.
We zijn deze nuance, dit kleine verschil, al eerder tegengekomen bij de andere schrijvers van de Blijde Boodschap, Christus houdt immers niet òp ons -elk moment van de dag- te onderwijzen.
Reiniging van het hart: “     Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, jullie huichelaars, want gij reinigt de buitenzijde van de beker en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid. Jij blinde Farizeeër, reinig eerst de inhoud van de beker; dan zal hij ook van buiten rein wordenMatth. 23: 25-26.

  • Openbaring van het Geloof:    Geliefden, nu zijn wij [door de doop] kinderen van God en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; [maar] wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een ieder, die deze Hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is1John.3: 2-3.
    Het verschil zit hem dus in de wijze waarop je naar het Koninkrijk van God kijkt; God zoekt mensen, die naar zijn hart zijn, die verlangen en bereid zijn ‘Zijn weg’ te gaan.  Reiniging is niet als het komen voor God met een nederig hart voor berouw en dan alle ongerechtigheid heimelijk toch doen, wanneer niemand er weet van of zicht op heeft.
    Gehoorzaamheid aan God’s Geboden is onvoorwaardelijk, ook als niemand het ziet:
        Doch gij hebt enkele personen te Sardes [Hebr.= sardis (Robijnkleur) de door ijzeroxyde ontstane  bruin-achtige rode (Christus)kleur, zie icoon], die hun klederen niet hebben bezoedeld, en zij zullen met Mij in witte klederen wandelen, omdat zij het waardig zijn. Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek van het Leven, maar Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelenOpenb.3: 4-5.
  • Bekleed zijn met Christus: In de Paasweek en bij doopfeesten zingen wij:
        Gij allen die in Christus zijn gedoopt, gij hebt u bekleed met Christus”.
    Dat wil zeggen dat wij in woord en daad nastreven ‘als Christus’ [‘Christusdragend’] te willen zijn.
    Dat is geen schijngestalte, maar dat is het gevolg van het luisteren naar het Woord:
        Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is lichtMatth.11: 28-29.

Voor veel Navolgers van Christus, die zijn gedoopt, maar slecht zijn onderwezen, verwijst het Bloed van het Lam / het bloed van onze Heer en Zaligmaker naar een ‘magische bloedbank’ die uit het Lichaam van Christus [de Kerk] in Het Koninkrijk der Hemelen wordt afgetapt en op commando regelmatig wordt geledigd om hen te reinigen.

verblijf houden aan de Open Zijde van Christus; abiding by the Open Side of Christ.

              Zij negeren hierbij de waarachtige Goddelijke betekenis hiervan volledig,
hetgeen volledig onze ‘eigen’ kleinmenselijke ‘verantwoordelijkheid’ is.
              Christus noemt mensen blind, die blinden leiden en wanneer een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een diepe put vallen, met andere woorden er zijn vele Theologen, die niet vatten waar het hier wèrkelijk om gaat:
    dingen/zaken, die uit de mond komen, komen uit het hart en verontreinigen een mens . Want uit het hart komen voort boze gedachten, moord en overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenis, lastering”            In een gereinigde of onbesmette ‘staat’ zijn is zó belangrijk dat het falen om onze zuiverheid te behouden ons zèlfs ‘het eeuwige léven‘ kan kosten.
Wie niet met hart en ziel God bemint, dat wil zeggen niet doordrongen is van het begrip, dat je navolger van Christus bent of je ‘Leven’ ervan af hangt, zàl niet gereinigd worden.
Dit wil niet zeggen dat wij Christenen allemaal ‘heilige boontjes’ zijn.
Neen, wij steven naar het voldoen aan het beeld wat God ons heeft voorgehouden en wij vallen net als anderen, de niet gelovigen – net als die Tollenaar – keer op keer – en onderkennen dat wij in dit streven slechts mensen zijn, want niemand is goed genoeg: “ Niemand is goed dan God alleenLuc.18: 19, Marc.10: 18. En Onze Heer en Verlosser zegt dit wanneer Hij ons eraan herinnert dat wij en de dag nog het uur van ons einde kennen. In Zijn compassie met de mens blijft Christus zondaars aandacht geven zonder enige vooringenomenheid; Hij blijkt als Verlosser een onverbeterlijke middelaar te zijn tussen God en de mensen in geval van menselijk onvermogen. 

Het Koninkrijk der Hemelen is een fijn land, maar we dienen wèl te beseffen wàt we er eigenlijk doen. Menselijk gezien blijkt het een land dat in allerlei clubjes verdeeld is, waarbij iedereen zowel letterlijk als figuurlijk voor eigen parochie lijkt te prediken. Binnen die clubjes is iedereen verenigt, waant iedereen zich veilig en tegelijkertijd worden anderen -‘nèt zó’- gemakkelijk buiten gesloten.
We mogen echter van onze Heer ‘houden’ van ons -‘niet perfect zijn’ – als we maar blijven streven naar het allerhoogste. En wanneer je dàt stelt – dat je dìt alles hebt onderhouden – kijkt Hij je liefdevol aan en zegt:
Eén ding ontbreekt je: ga verkopen wat je bezit en geef het aan de armen, daarmee zult je een schat bezitten in de Hemelen en kom dan terug en volg Mij”.
Wij Orthodoxen herkennen maar al te goed wie voor deze ascetische manier van leven hebben gekozen – die niet ontsteld geraken en ontdaan heengaan omdat zij vele goederen bezitten.  Maar al zijn wij ook ondergedompeld in de tijd van nu
als vissen in het water, toch kunnen we met God’s hulp worden als forellen
die tegen de stroming in op zoek blijven gaan naar de Bron des Levens.              

‘Open voor mij de deur van bekering, o Leven-Schenker’; ‘Open the door of repentance for me, o Life-Giver’

                       Onze Heer en Verlosser verkondigt een omkering van normen en waarden: God’s Koninkrijk wordt niet opgebouwd op de voorwaarde van menselijke bekering en gehoorzaamheid, maar omgekeerd: God’s Hemels Koninkrijk ‘begint’ met de handreiking van Zijn onvoorwaardelijke Liefde en Ontferming, ‘en op grond daarvan’ mogen mensen de vrijheid en de kracht vinden zich te bekeren en een nieuw leven te beginnen.
                       Ook in dàt leven zul je telkens weer fouten maken en tekort schieten in het Licht van God’s geboden. Maar je kunt altijd weer terugvallen op het fundament van Zijn eerste onvoorwaardelijke ja-woord, dat Hij niet pas geeft wanneer jij een volmaakt en een volledig aan God toegewijd mens bent geworden. Deze logischerwijze in overeenstemming met dit principe volgende benadering vanuit God’s Liefde en Genadegaven brengt de Pedagogie van onze ‘Heer en Meester’ tot  grote vrijheid tegenover de Wet èn tot een radicale vereenvoudiging daarvan.
                       Alles begint bij God’s Liefde, hetgeen betekent dat heel de Oud-Testamentische Wet en alles wat daar láter nog van is afgeleid, dient te worden terugvertaald naar de Liefde.
Daarom noemt onze Heer en Zaligmaker het dubbelgebod van Liefde tot God en de naaste als het enige waar ‘alles‘ om draait. conf. Matth.22: 34-40.
Je kunt niet zeggen dat Christus zich principieel opstelt tègen het Oude Testament, maar Hij trekt de uitleg wèl naar één vanaf den beginne bepaalde kant.
Voor Hem kàn volledige vervulling van de Thora niet de voorwaarde zijn voor de komst van God’s Koninkrijk.
Wij mensen kunnen aan die voorwaarde niet voldoen en zullen er alleen maar op stuklopen.
Hetzelfde is het geval met de Oecumenische eenheid, welke nagestreefd wordt, deze is eerst bereikbaar en zal net als het Koninkrijk God’s pas komen als
God eerst Zèlf [weder-]komt met Zijn onvoorwaardelijke Liefde, als eerst Zijn ja-woord ons hart raakt, zodat wij bevrijd van angst en onmacht durven beginnen aan een nieuwe levensweg.
In alle oprechtheid zie ik de diversiteit van allerlei divers verdeelde clubjes, waarbij iedereen zowel letterlijk als figuurlijk voor eigen parochie blijkt te prediken, niet tot een eenheid komen. Denk alleen maar aan al die toezichthouders, die -‘voor elkaar’- niet durven en onder willen doen.
Wanneer onze Heer en Verlosser zegt dat het Koninkrijk van God ‘nabij’ is gekomen, betekent dit aan de ene kant, dat het er nog niet is in Zijn volle Gestalte.
God’s volledige Heerschappij over ons leven wordt op korte termijn verwacht, maar iedereen kan zien, dat de zonde en onrecht nu nog de boventoon voeren.
Aan de ander kant betekent het nabij zijn van het Koninkrijk ook, dat
het nu al – in ons bewustzijn – doorbreekt.
Onze Heer en Verlosser is daarvan, de voorloper, het eerste en grote teken.
Alles wat Hij zegt en doet, Zijn parabels, de verhalen, die Hij ons voorhoudt,
de veranderingen die Hij daarmee veroorzaakt in de levens van mensen,
ze zijn allemaal voortekenen van het Koninkrijk der Hemelen dat doorbreekt bij Zijn Volk.
In de verkondiging van de Blijde Boodschap blijkt duidelijk, dat onze Heer – “ de enige is, die Heilig is, de enige, die Heer is tot Heerlijkheid van God de Vader ” – en dat Hij met Zijn oprechte ná-volgelingen ‘leeft’ in de verachting dat
de definitieve doorbraak van God’s Koninkrijk op korte termijn zal plaatsvinden. conf. Marc.9: 1.

Na het ‘Grote en Heilige Pascha’ is vanaf de eerste Christenen tot – hier en nu – aan toe de Verwachting levend gebleven dat wij mensen de volledige doorbraak van God’s Koninkrijk nog zullen meemaken.
Of dit in de Geest of in het vlees zal zijn, dat maakt God wel uit, en daarom blijven wij iedere zondag opnieuw de Opstanding’s Apolytikion/Troparion zingen.
Het tijd’s-stip van Zijn Wederkomst, is zelfs niet bekend aan de Engelen of aan de Zoon, dat kent alleen de Vader. conf. Marc.13: 32 en Hand.1: 7.
Het Hemels Koninkrijk breekt echter al dóór met Kracht [dynamis], Het is al onder ons en in ons, zo houdt Christus ons voor, Die Zelf het eerste grote teken is van dàt Koninkrijk.
Gaandeweg dienen wij tot het besef te komen dat wij met onze Heer zullen ervaren, dat in dit tranendal onder de mensen, de eerste de beste tekenen van God’s Koninkrijk veel argwaan en verzet oproepen. Vijandigheid die zich steeds meer gaat richten tegen de persoon en ons tenslotte aan het Kruis zullen brengen.
Onze Heer en Verlosser bleef tot de laatste snik toe in alle nederigheid het volle Koninkrijk verwachten. Hierdoor kwam en komt nog meer nadruk te liggen op Zijn inzicht, dat God’s Koninkrijk niet zal komen langs de weg van geweld of uiterlijke verandering.
Van meet af aan heeft onze Heer geweigerd om te fungeren als een belangrijk persoon, die opvalt door puur ‘matsjo’-gedrag en goudhaantjes-gedoe, die leiding zou geven aan een totale omslag van de mensheid. Telkenmale heeft Hij Zich onttrokken aan pogingen van het enthousiaste Volk om Hem tot Koning uit te roepen.
Onze Heer en Verlosser trad op vanuit het diepe besef, dat het Hemels Koninkrijk alleen van binnenuit kan worden opgebouwd, vanuit een innerlijke relatie, vanuit het hart met God, de Vader.
Indien God de Vader het Koninkrijk met een gewelddadig optreden/oordeel zou dienen op te zetten, dan bleven er niet veel burgers over voor dàt Koninkrijk, want  wie overleeft dàn het Laatste Oordeel?
God vestigt eerst àl Zijn Hoop en Verwachting op Zijn Zoon; Hij kiest in alle Liefde voor een persoonlijke en kwetsbare relatie, zodat
mensen de best mogelijke kans krijgen tot inzicht te komen en in alle vrijheid te kiezen voor Zijn Koninkrijk.
Anders gezegd: Christus is als Zoon van God mens geworden opdat wij persoonlijker, menselijker – goddelijker zouden worden.
Het laatste Oordeel en geweld kunnen nodig zijn als laatste [red-]middel, maar
of ze nu van God komen of van mensen, ze brengen absoluut geen Verzoening teweeg. Ze kunnen nodig zijn om mensen en hun onderlinge relaties te beschermen tegen ander geweld, maar ze brengen zelf absoluut geen relaties tot stand.
Laat derhalve varen de hoogmoedige grootspraak van de Farizeeër, maar
volg de grootheid van de deemoed na van de Tollenaar.
Het zijn de kleine dingen die het doen, het is de eenvoud van het leven, die overwint.

Apolytikion
tn.5.
    Komt laat ons bezingen en aanbidden
het met de Vader en de Geest mede-eeuwige Woord,
dat om ons te verlossen uit de Mand geboren is.
Want Hij heeft het op Zich genomen
Zijn Lichaam aan het Kruis te laten slaan en de dood te verduren,
om door Zijn Opstanding de doden op te wekken
”.

Kondakion
tn.4.
  “  Laat ons vluchten de hoogmoedige grootspraak van de Farizeeër,
maar navolgen de grootheid van de deemoed van de Tollenaar.
En laat ons rouwmoedig roepen tot de Verlosser:
Wees Gij ons genadig, Die alleen de Verzoening wilt
”.

Kondakion2
tn.3.
    Laat os zondaars, de Heer opdragen
het zuchten van de Tollenaar en
voor Christus neervallen,
want Hij is onze Meester.
Hij wil de Verlossing van alle mensen, en
schenkt vergiffenis aan allen die boete doen.
Want terwille van ons is Hij vlees geworden, terwijl Hij God is:
zonder begin, evenals de Vader
”.

Orthodoxie & niet vèr verwijderd van het Koninkrijk van God

    En een van de schriftgeleerden, tot Hem komende, hoorde, dat zij met elkander redetwistten, en overtuigd, dat Hij hun goed geantwoord had, vroeg hij Hem:
      Welk gebod is het eerste van alle?
Jezus antwoordde:
      ‘Het eerste is: Hoor, Israël, de Heer, onze God, de Heer is een, en jullie zullen de Heer, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht.
      Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod groter dan deze, bestaat niet’.
En de schriftgeleerde zei tot Hem:
     ‘ Inderdaad, Meester, naar Waarheid hebt Gij gezegd, dat Hij één is en dat er geen ander is dan Hij. En Hem lief te hebben uit geheel het hart en uit geheel het verstand en uit geheel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers’.
      En Jezus, ziende, dat hij verstandig geantwoord had, zei tot hem:
‘Gij zijt niet ver [verwijderd] van het Koninkrijk Gods’.
En niemand durfde Hem meer iets vragen.
      En Jezus antwoordde bij zijn onderwijs in de Tempel en zei:
‘  Hoe zeggen de schriftgeleerden, dat de Christus een zoon van David is?
            David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd:
              De Heer heeft gezegd tot Mijn Heer:
              Zet U aan mijn rechterhand, totdat
              Ik uw vijanden onder uw voeten gelegd heb’.
David zelf noemt Hem Heer, en hoe kan Hij dan Zijn Zoon zijn?’.
En het merendeel van de schare hoorde Hem graag
[was op Hem gesteld]“
Marc.12: 28-37 [lezingen van woensdag 13 februari 2019].

    Daar Christus dan naar het vlees geleden heeft, moeten ook jullie je wapenen met dezelfde gedachte, dat, wie naar het vlees geleden heeft, onttrokken is aan de zonde, om niet meer naar de begeerten van mensen, maar naar de Wil van God de tijd die nog rest in het vlees, te leven.
      Want er is tijd genoeg voorbijgegaan met het volbrengen van de wil van de heidenen [de wereld], toen jullie wandelden in allerlei losbandigheid, begeerten, dronkenschap, brassen, drinken en onzedelijke afgoderij.
Daarom bevreemdt het hen, dat gij u niet met hen stort in diezelfde poel van liederlijkheid, en zij belasteren u; maar zij zullen daarvan rekenschap moeten geven aan Hem, Die gereed staat om levenden en doden te oordelen.
Want daartoe is ook aan doden het Evangelie gebracht, opdat zij wel, naar de mens, wat het vlees aangaat, zouden geoordeeld worden doch, naar God, wat de geest betreft, zouden leven.
      Het einde van alle dingen is nabijgekomen. Komt dus tot bezinning en wordt nuchter, opdat jullie kunnen bidden.
      Hebt bovenal bestendige liefde jegens elkander, want de Liefde bedekt tal van zonden.
      Weest gastvrij jegens elkander, zonder morren.
      Dient elkander, een ieder naar de Genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei Genade van God.
      Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God;
     dient iemand, laat het zijn als uit kracht, door God verleend, opdat
in alles God verheerlijkt zal worden door Jezus Christus,
aan Wie de Heerlijkheid is en de Kracht, in alle eeuwigheid! Amen
1Petr.4: 1-11.

  Tot U, Heer, verhef ik mijn ziel; mijn God, ik vertrouw op U: laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.
Laat mijn vijand niet over mij spotten; allen immers die U verwachten zullen niet beschaamd staan. Dat allen beschaamd worden, die tevergeefs ongerechtigheid doen.
Heer, doe mij Uw wegen kennen, en leer mij Uw paden. Leid mij in Uw waarheid, en onderricht mij, want Gij zijt God, mijn verlosser, die ik heel de dag verbeid.
Heer, gedenk Uw Ontferming en Uw Barmhartigheid, Die immers van eeuwigheid zijn. Mijn jeugdzonden en mijn onwetendheid, gedenk die niet meer. Maar denk aan mij volgens Uw barmhartigheid, omwille van Uw goedheid, o Heer.
Heilig en gerecht is de Heer, daarom geeft Hij de Wet aan de zondaars op hun weg. Hij leidt zachtmoedigen in het oordeel, zachtmoedigen leert Hij Zijn wegen.
Alle wegen van de Heer zijn Ontferming en Waarheid, voor wie streven naar Zijn Verbond en Zijn Getuigenissen.
Omwille van Uw Naam, Heer, vergeef mij mijn zonde, hoe talrijk deze ook is.
Wie is de mens die de Heer vreest? Hij geeft hen de Wet op de weg die hij gaat.
Zijn ziel zal rusten temidden van het goede: zijn zaad zal de aarde erven.
De Heer is de sterkte van hen die Hem vrezen: Hij zal hun Zijn Verbond openbaren. Mijn ogen richt ik steeds op de Heer, want Hij bevrijdt mijn voeten uit de strik. Zie neer op mij en ontferm U over mij, want ik sta alleen en ben arm.
De beproevingen van mijn hart zijn talrijk geworden, bevrijd mij uit de benauwing. Zie mijn vernedering en mijn moeiten; vergeef al mijn zonden.
Zie mijn vijanden, hoe talrijk zij zijn, hoe zij mij haten met onrechtvaardige haat.
Behoed mijn ziel en bevrijd mij, laat niet beschaamd staan omdat ik op U vertrouw.
Heer, onschuldigen en gerechten hangen mij aan, omdat ik U verwacht.
O God, bevrijd Israël uit al zijn beproevingenPsalm 24[25] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Wat kan ik aan bovenstaande worden eigenlijk nog toevoegen wanneer ik u vertel van al die Navolgers van Christus: Heiligen, Martelaren en degenen, die in volle oprechtheid de Pedagogie van Christus , de Zoon van de levende God, over de wereld hebben verkondigt.
Er staat immers in woorden datgene weergegeven wat reeds in twee tafelen op de Sinaï-berg stond vermeld: ”  Heb de Heer uw God Lief en uw naasten als uzelf“.
Het lijkt zo eenvoudig, maar wij laten nèt als de mensen in Christus tijd, ons Heil door de vingers glippen en vallen telkenmale opnieuw ten prooi aan de geneugten van deze wereld. Wij wandelen nog steeds in allerlei losbandigheid, begeerten, dronken-schap, brassen, drinken en onzedelijke afgoderij.

Het gekke is dat het ook de wereld zal bevreemden, wanneer jullie jezelf niet met hen zal storten in diezelfde poel van liederlijkheid, en omdat jullie hen volgt belasteren zij ons christenen, dat wij -‘in het geheel niet afwijken van hun gedrag‘-. Maar ook zij zullen daarvan rekenschap dienen te geven aan Hem, Die gereed staat om levenden en doden te oordelen.

Maar laat je hierbij niet verontrusten want uit de praktijk van het strafrecht weten we dat straf nimmer genoeg is voor verzoening. Straffen zijn nodig voor het handhaven van de rechtsorde, die je op kunt pakken [kunt zien] als menselijke vertaling van God’s Rechtsorde.
Veel spelleiders en toezichthouders hebben ons in het verleden wijs gemaakt, dat God eveneens langs die weg straft. 
Zij spinnen en sponnen waarschijnlijk goed garen bij zulk een verkondiging, maar zoals zo dikwijls ligt ook hier de Waarheid in het midden: “God is geen straffende God, geen boeman!”.
Laat je alsjeblieft door niemand zoiets wijsmaken: “|  Onze God is een Barmhartige God en Zijn Barmhartigheid kent geen grenzen  |”.

Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat  God langs de weg van het wereldse beeld straft: via gezagsdragers van een ‘rechtvaardige overheid’, die als enige [de eerste onder gelijken] zich het recht heeft toebedeeld een zekere mate van geweld uit te oefenen bij het straffen van daders; maar voor verzoening tussen dader en slachtoffer is veel méér nodig.
Zo is het ook gesteld bij de verhouding tussen God en mens.
De straffende gevolgen van de zonde maken ons nog geen ‘beter’, d.w.z. heel mens, naar de gelijkenis van onze Heer en Zaligmaker.
Zwaarder straffen heeft dan ook geen zin; een plaatsvervangende straf voor onze Heer en Verlosser eveneens niet.
Er is ‘één daad’ nodig die veel ‘verder gaat dan de orde van schuld en straf’,
‘een ja-woord van Liefde’, welke ruimte schept voor Vergeving van schuld en vernieuwing van ons leven.
Christus hief met Zijn Leven op aarde, Zijn dood aan het Kruis en Zijn Opstanding, de orde van de zonde niet op, maar ging daar hemelhoog bovenuit door zoveel te investeren in Zijn relatie met ons, Zijn naasten, Zijn broeders en zusters.
Op deze wijze  werd Verzoening mogelijk, herstel van de relatie tussen God en mens en van de relaties tussen de mensen onderling.
De meeste schade, die door de menselijke zonde veroorzaakt is, kan niet meer ongedaan gemaakt worden.
Het leed dat door oorlog en overweldigende strijd veroorzaakt is
heeft de mens diep in het hart verwond.
De gevolgen daarvan en dat kunnen
vele gelovigen uit het Antiocheens Patriarchaat onder ons bevestigen,
blijven wij ons heel ons aardse leven met ons meedragen.
Maar Verzoening is wèl mogelijk, zodat
we elkaar weer gaan accepteren als mensen, die er mogen zijn.
De basis daarvoor is gelegd door God Zelf:
Zijn ja-Woord op grond waarvan eenieder recht van bestaan heeft,
zowel de tollenaar als de farizeeër, maar daarover dit weekend meer.
  laat derhalve alles zijn als uit kracht, door God verleend, opdat
in alles God verheerlijkt zal worden door Jezus Christus,
aan Wie de Heerlijkheid is en de Kracht, in alle eeuwigheid! Amen”.

Apolytikion
tn. 1
    Heer, red Uw Ook en zegen Uw erfdeel;
en bescherm Uw Gemeenschap door Uw Kruis
”.

Orthodoxie & Gerechtvaardigde verdeling van beschikbare middelen

Belasting betalen aan de Keizer; Paying tax to Ceasar;

    En zij zonden tot Hem enige van de Farizeeën en van de Herodianen om Hem in een strikvraag te vangen. En zij kwamen en zeiden tot Hem:
Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt en dat Gij U aan niemand stoort; want Gij ziet de mensen niet naar de ogen, maar Gij leert de weg Gods in Waarheid. Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Zullen wij betalen of niet betalen?
     Maar Hij, wetende, dat zij huichelden, zei tot hen:
Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een schelling, en laat Ik die zien.
En zij brachten er een. En Hij zei tot hen:
Wiens beeldenaar en opschrift is dit? Zij zeiden tot Hem: Van de keizer.
     Jezus zei tot hen:
Geeft dan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.
En zij verwonderden 
zich zeer over HemMarc.12: 13-17.

  Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat jullie in Zijn voetstappen zouden treden;
– Die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden;
– Die, als Hij gescholden werd, niet heeft terug gescholden en
– Die als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt;
– Die Zelf onze zonden in Zijn Lichaam op het hout gebracht heeft,
opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de Gerechtigheid zouden leven; en door Zijn striemen zijn jullie genezen.
Want jullie waren dwalende als schapen, maar thans hebben jullie je bekeerd tot de herder en hoeder van uw zielen.
Evenzo gij, vrouwen, weest uw mannen onderdanig, opdat, ook indien sommigen aan het woord niet gehoorzaam zijn, zij door de wandel van hun vrouwen zonder woorden gewonnen worden, doordat zij uw reine en godvrezende wandel opmerken.
Uw sieraad zij niet uitwendig: het vlechten van haar, het omhangen van goud of het dragen van gewaden, maar de verborgen mens uws harten, met de onvergankelijke [tooi] van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is in het oog van God. Want aldus tooiden zich ook weleer de heilige vrouwen, die hoopten op God, onderdanig aan haar mannen, zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem heer noemde; en haar dochters zijt gij, als gij goed doet en u geen schrik laat aanjagen.
Desgelijks gij, mannen, leeft verstandig met uw vrouwen, als met brozer vaatwerk, en bewijst haar eer, daar zij ook mede-erfgenamen zijn van de Genade[gaven] van het leven, opdat uw gebeden niet belemmerd worden.
            Ten slotte, weest allen eensgezind, medelijdend, hebt de broeders lief, weest barmhartig en ootmoedig, en vergeldt geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegent integendeel, wijl gij hiertoe geroepen zijt, dat gij zegen zoudt beërven”. 1Petr.2: 21b-25,3:1-9.

Ik weet niet hoe het met jullie, medechristenen gesteld is, maar
ik heb er nog al moeite mee:
– ” Hoe onrechtvaardig is het niet in de wereld verdeeld ” -.
Met mate genieten is een van de waarden, die bij onze Heer hoog in het vaandel staat; je zult Hem nergens in de blijde Boodschap van kunnen betichten dat
Hij Zich op de een of ander manier vergaloppeert, Z’n boekje te buiten gaat.
Het lijden wat hiermee gepaard gaat kwam ook gisteren al aan de orde, bij ‘het brood voor de honden en de Canaänitische Vrouw’.  Zij leed in de beslotenheid van haar bestaan en dat levert haar de buitengewone schoonheid van haar Geloof op.
Zelfs bij Zijn tegenstanders is het van onze Heer en Verlosser bekend dat
Hij Zich aan niemand stoort; want Hij ziet de mensen niet naar de ogen, maar
Hij leert de weg tot God in Waarheid.

Hij laat ons als het Ware weten, dat het geld, de middelen en de overmaat toekomt aan de wereldse machthebbers en onder ons gezegd zou je kunnen redeneren dat Hij zegt: “ Laat ze er maar in verzwelgen, ze komen zichzelf wel tegen” – Hij zegt dat uiteraard niet, want dat zou de Zoon van God onwaardig zijn. Temidden van alle verschillen tracht God met Zijn Blijde Boodschap hier een weg in te vinden, houdt Zich op de vlakte.
Christus heeft voor ons geleden en heeft ons een voorbeeld achtergelaten.
⁌ Die geen zonde gedaan heeft en in Wiens mond geen bedrog is gevonden;
⁌ Die, als Hij gescholden werd, niet heeft terug gescholden en
⁌ Die als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt;
⁌ Die Zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft,
opdat – ‘wij’-, aan de zonden afgestorven, slechts voor Gerechtigheid zouden leven; en door Zijn striemen zijn genezen.
Wij waren als dwalende als schapen, maar nu wordt verwacht dat wij nu wij ons tot Hem als herder en hoeder hebben gekeerd acht slaan op de redding van onze zielen.

De weg tot God is zo blijkt dat wij God’s Wil volbrengen en ons daarbij onthouden van al wat Hem zou verontrusten.
Het gaat daarbij om dat:
⁌ men met openheid en eerlijkheid het verste komt.
⁌ men indien men ergens van beticht wordt niet meteen van zich begint af te slaan.
⁌ men in stilte verder lijdt en zich overgeeft aan degenen die ons rechtvaardig behandelen.
M.a.w. de deugd staat centraal en dat klinkt wat ‘Orthodox’ in de zin van ouderwets, maar het is heel uitdagend om ná te gaan denken over de vraag hoe je als christen leeft.
Vier klassieke deugden komen aan de orde:
‘Wijsheid’, ‘Matigheid’, ‘Moed’ en ‘Rechtvaardigheid’.
Opvallend is dat dit vier deugden zijn waarvan iedereen [ook niet christenen]
meent dat ze de moeite waard zijn ná te streven en ook zó te handelen.
Ware Liefde tot de medemens kent immers geen eigenbelang.  

Bij voortduring maken wij in ons concrete leven hierin uitstapjes,
we wijken àf van de Christelijke norm, zijn de godganselijke dag mateloos.
Waarin ben jij mateloos?
De een noemde het kopen van kleding, de ander lekker eten en weer een ander is mateloos in het verkeer [te hard rijden dus].

Genieten – hoe doe je dat dan?

  • Men is al eeuwen bezig om ‘goed’ en waarachtig te leven.
    Hoe kun je nu genieten van het leven?  Is daar een formule voor?
    De eerste gedachte is altijd om er maar – zo veel mogelijk – van te genieten.
    Je past de wereld aan jouw wensen aan, maar God heeft kennelijk gewild dat alle mensen verschillende zijn en in dàt geval loop je tegen elkaar op.
    Het vraagt van ons als gelovigen dat wij naar elkaar luisteren en elkaar niet confronteren, já, – zelfs – manipuleren met enkel onze eigen wensen.
    Genieten en je eigen zin doordrukken houdt een keer op.
    Zelfs meerdere malen met vakantie gaan; alleen maar genieten – zo veel mogelijk genieten breekt je op een gegeven moment op – ‘op een gegeven moment ga je maar naar huis, want dàn begint het je te vervelen’.
  • De tweede gedachte is om àf te zien van alles wat je maar aangeboden wordt.
    Dat kan op verschillende manieren, de grondgedachte daarbij is dat je je wensen omlaag schroeft. De wereld is nu eenmaal gebroken.Het is een kunst om het juiste midden te vinden.
  • Ook voor een Christen. Christenen zijn ook beïnvloed door de cultuur waar zij deel van uitmaken. Hoe vaak willen we in ons christelijke wereldje imiteren wat seculiere activiteiten bieden: de kick, de lol.

    Brood voor de Honden” –  Jeremia 33: 3

    Christelijk leven is leren genieten van het goede dat God geeft te midden van het rauwe bestaan. Dat lijkt een moeilijk te bereiken evenwicht, maar het is steeds maar weer op twee benen lopen.

    Wijsheid
    ;
    Kracht en wijsheid, jong en oud, het lijken elkaars tegenstellingen.
    Maar je kunt het ook zien als aanvulling op elkaar.
    Ouderen hebben de kracht van jonge mensen nodig, jongeren de levenswijsheid van ouderen, Wat jong en oud van elkaar kunnen leren is een steeds terugkeren thema in het boek Spreuken.

Matigheid;
Velen hebben zich dood gegeten, maar wie matig is, leeft des te langer” aldus een bekend gegeven uit het boek ‘Jezus Sirach’.

Moed;
    Zelfs al ga ik midden in de schaduw van de dood, dan vrees ik geen kwaad, want Gij, Heer, zijt met mij”, want Eer komt de God en Vader van onze Heer Jezus Christus toe, de Vader van alle Barmhartigheid en de God van vertroosting van eenieder, Die ons troost in al onze druk, zodat wij hen, die in allerlei druk zijn, kunnen troosten met de troost, waarmee wijzelf door God vertroost worden.

Rechtvaardigheid
:
Van God’s kant is Verzoening tot stand gebracht in die zin, Dat Hij het fundament van Zijn Genade gelegd heeft, waarop wij ons leven kunnen beginnen.
Om met de Apostel Paulus te spreken: Voor God zijn wij Gerechtvaardigd, een rechtvaardiging van Godswege op grond waarvan wij onbetwistbaar recht van bestaan hebben, hoe erg we ook gezondigd hebben. Kruis en Opstanding van onze Heer en Verlosser betekenen niet dat de verzoening al zo tot stand is gekomen, dat er van onze kant niets meer behoeft te gebeuren.
Onze Heer heeft de eerste en beslissende stap gezet, daar valt niets van af te dingen en Hij zal ons die onvoorwaardelijke handreiking telkens weer doen.

Maar vervolgens komt het er op aan of wij mensen – hoog en laag, oud en jong, rijk of arm – afscheid durven te nemen van datgene wat ons afhoudt Zijn Evenbeeld te vormen, zodat de relatie met God – ‘en andere mensen’ – hersteld kan worden.
Gods Liefde en Genade gaan voorop en scheppen slechts de ruimte en veiligheid voor bekering.
Wanneer bekering/ ommekeer tot stand komt heeft ‘God’s Verzoening’ haar doel bereikt.

Neem dus afscheid van de wereld,
d.w.z neemt afscheid van de hoogmoed, van
de aan jezelf persoonlijk toegemeten privileges.
Sta je in aanzien van het gehele volk
– laat je dàn de minste wezen en
buig voor datgene
wat God wèrkelijk van je vraagt.
Daarom Heer, zal ons gebed een loflied zijn
dat met een eindeloos refrein
in ons zingt:
Heer, Jezus Christus, Zoon van de levende God, heb medelijden met mij, zondaar.

37e zondag na Pinksteren – het brood voor de honden en de Canaänitische Vrouw

    En Jezus ging vandaar en trok Zich terug naar de omgeving van Tyrus en Sidon.

de Canaänitische, de Syro-Fenicische Vrouw, by Lentz

En zie, een Canaänitische vrouw uit dat gebied kwam en riep:
‘ Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David, mijn
[kind] dochter is deerlijk bezeten.
Hij echter antwoordde haar met geen woord, en Zijn discipelen kwamen bij Hem en vroegen Hem, zeggend:     Zend haar weg, want zij roept ons na’.
Hij [,onze Heer en Verlosser] echter antwoordde en zei: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël [de Kerk].
Maar zij kwam en viel voor Hem neer en zei:
    Heer, help mij!’
Hij echter antwoordde en zei:
    Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen’.  
Maar zij zei [daarop]:
‘ Zeker, Heer ook de honden eten immers van de kruimels, die van de tafel van hun 
meesters vallen’.
Toen antwoordde Jezus en zei tot haar:
O, vrouw, groot is uw Geloof, u geschiede gelijk gij wenst!
En haar dochter was genezen van dat ogenblik af” 
Matth.15: 21-28.

 

Het hart is verhard, waar het had moeten kloppen voor de Heer, levenloos en koud; The heart is hardened, where it should have knocked for the Lord, lifeless and cold; Η καρδιά είναι σκληρή, όπου θα έπρεπε να χτυπήσει για τον Κύριο, άψυχο και κρύο; القلب صلب ، حيث كان يجب أن يطرق للرب ، بلا حياة وبارد.

    Wij toch zijn de Tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft:
    Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn Volk zijn. Daarom gaat weg uit hun midden, en scheidt u af, [zo] spreekt de Heer, en houdt niet vast aan het onreine.
En Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, [zo] zegt de Heer, de Almachtige.
Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling van het vlees en van de geest en zo onze heiligheid volmaken in de vreze tot God’

2Cor.6: 16b-18, 7: 1

Komt volkeren van alle tijden
Deze zondag is een bijzondere zondag, want deze sluit een periode af en
wanneer dat zo is dan worden de puntjes nog eens op de ‘i‘ gezet;
de essentie komt aan de orde, want wij gaan aanstaande zondag
een periode van bezinning in, de periode van de vóór-vasten.

Onze Heer en Verlosser trekt zich terug naar de omgeving van Tyros en Sidon:
Tyros [Hebr.= ‘benauwen’] en Sidon [Hebr.= ‘jacht, gejaagd’]; wanneer Christus zich terugtrekt betekent dat dat hij de stilte opzoekt om er te bidden, Zich te bezinnen, te spreken met God, de Vader.

Masterplan ROK Saint Nicholas, Amsterdam by Hadrian Hart

Onlangs was er een [PKN-] catechesegroep, welke een orthodoxe gemeenschap bezocht en de vraag werd gesteld, ‘hoe ‘zien’ jullie God, wat voor voorstelling hebben jullie daarbij‘.
Een dag later liep ik aan het strand in Zandvoort aan zee en zag daar de horizon – en werd overvallen door een gevoel van nietigheid ten opzichte van al de schoonheid, die ons omringt.
Wij nietige mensen kunnen ons geen voorstelling maken van ‘God’, kunnen Hem niet bevatten, niet omschrijven.
Wat we wel weten is dat God immens ‘Groot’ is, onnoemlijk ‘Groot; en ‘Sterk’; en ‘On-sterf-lijk’. Ook de profeet Mozes was zich hiervan bewust en trachtte Hem te ‘vatten’, doch mocht Hem slechts ervaren als een windvlaag, die voorbij kwam.

Christus, onze Heer en God.

Meer is ons bekend geworden doordat God Zijn Zoon zond, Die Hem openbaarde, een tipje van het ‘Mysterie’ oplichtte.
Daardoor weten wij dat dat wij ‘God’ als een ‘Vader’ mogen ervaren en als zodanig met Hem in gesprek mogen gaan; Christus heeft ons dat geleerd in het gebed: ‘Het Onze Vader’.
Via Christus weten wij dat wij een toekomstig ‘Hemels Koninkrijk’ mogen verwachten,
dat wij in godsnaam ‘God’s Naam dienen te heiligen, door datgene te doen wat Hij van ons, Zijn kinderen verwacht.
Dit betekent dat wij ‘Zijn Wil’ vervullen, zoals dat ook in Zijn Koninkrijk in de Hemelen plaats vindt. Als een ‘Barmhartige’ Vader zorgt Hij voor ons en vergeeft onze kinderlijke ongerechtigheden.
Hij is geen God, Die onrecht wil, maar dat wij onze misstappen onder ogen zien en proberen te voorkomen.

Wat ons vandaag wordt voorgehouden is dat Christus bewust is van het feit dat
⁌  ook Hij Zich bevindt in een wereld, welke de mens benauwt,
⁌  doordat de mens opgejaagd wordt door alles wat er om hem heen plaatsvindt,
⁌  zich uiteindelijk in de stilte van het hart, In de Tempel van de Levende God terugtrekt en met God, de Vader in gesprek gaat, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.
Christus leert ons bidden – tot het immens ‘Grote’, tot Hetgeen wij onmogelijk kunnen bevatten, tot ‘God’, als tot een Vader, Die Zich in de Hemelen bevindt, het immens goddelijke, goede en  schone.

De periode van de zondagen ná Pinksteren wordt vandaag afgesloten en
wij mensen mogen met Christus onder de mensen wonen en met Hem, als goddelijke zoon wandelen en Hij zal ons als Zoon van God tot God zijn, want
met de Heilige Geest vormt Hij een Drie-eenheid; Vader, Zoon en Heilige Geest.
Zij zijn gedrieë-lijk onlos-makelijk [in een liefdesband] met elkaar verbonden. Wandelen wij met de Zoon, dan wandelen wij met de Vader en de Heilige Geest; wonen/verblijven wij in God, dan wonen/verblijven wij zowel in de Zoon als de Heilige Geest. 

U weet Pinksteren is de nederdaling van de Heilige Geest, dankzij en door
de Heilige Geest ervaren wij ná de Hemelvaart de ons toegezegde Heiligheid van God, Die al vanaf den beginne over de wateren zweefde.
Vandaag worden de puntjes op de ‘i‘ gezet, wordt er antwoord gegeven op de kardinale vraag, de schijnbare onoplosbare moeilijkheid, de essentie komt aan de orde.

De criteria die de mens gewoonlijk gebruikt om zich van hun medemensen te onderscheiden is in goed en kwaad, in vrome mensen en zondaars; wij zijn van nature naar buiten gericht, hetgeen betrekking heeft op datgene wat zich om ons heen wordt voorgehouden, door mensen wordt gemanifesteerd en die zich in handelingen aan ons voor-doen.
Maar in het diepste van ons hart, onze innerlijke Tempel komen we een goddelijke kern tegen, die ons in de schepping is meegegeven.
       Wij mensen kunnen iemand bij het minste of geringste als zondig veroordelen
bij God werkt dat zó niet, God heeft de tijd , Die wacht en is ontzettend geduldig.
       God wacht op de reactie van de ziel, die onophoudelijk een onmerkbare strijd voert tot
  de super-overwinning van het zelf op zichzelf en
daarmee het kwaad een plaats geeft als ongehoord, als niet acceptabel.
Het is verwonderlijk dat de mens zichzelf in onze tijd stelt als het middelpunt van het bestaan;  sterker nog het is een dwaasheid naar God’s Wil,
de grenzen van het onbetamelijke via wereldse grootsheid ná te streven en God tèrzijde te schuiven.
Wie de ijdelheid van de wereld niet ziet is op zichzelf al heel ijdel.
Wie ziet haar dan ook niet, behalve de jong volwassenen, die in de drukte van het uitgaan, in het vermaken en in hun gedachten over de toekomst leven?
Maar wanneer de nood aan de man komt gaan zij massaal de straat op voor een betere toekomst, voor ‘hun‘ klimaat.
Ontneem hen de door de wereld aangeboden versrooiing en je zult zien hoe zij van verveling zullen wegkwijnen; zij zullen zonder meer op het punt komen dat zij hun nietigheid ervaren [hun betekenis] zonder die te kennen; want men is wel héél ongelukkig als men zich dadelijk onverdraaglijk droefgeestig voelt, zodra men gedwongen wordt aan zichzelf te denken, zonder dat ook maar iets je daar van àf leidt.
In àlles dient rust en bezinning gezocht te worden.
Het beheersen van eigen ‘tijd en stilte‘ zijn de grootste luxe van vandaag.
De zelfreflectie levert in onze toestand het werkelijk ‘gelukkig’ worden,
dan zouden wij geen afleiding behoeven te zoeken voor onze gedachten,
om dat ‘geluk’ te ervaren.
De werkelijkheid van het leven is dat wij -‘up’s’ en down’s- ervaren en
dat ná regen zonneschijn komt, dat dàt normaal is in de menselijke natuur.
De wereld houdt de mens echter een schijnwereld voor en wanneer daaraan niet voldaan wordt roepen we allerlei specialisten in teneinde dàt te bewerkstelligen
– maar ‘specialisten’ zijn ‘God’ niet.

Het blijkt dat wanneer de wereld van ‘God’ lòs is,
dat mensen en met name kinderen verloren raken, het spoor bijster zijn.
De ‘specialisten’ hakken de mens is stukjes, de mens raakt zijn identiteit kwijt
– we worden aangesproken als ‘beste reizigers’ etc, want dames en heren kan in deze tijd niet meer.
Persoonlijk onderscheid is uit den boze, algehele globalisering, alle neuzen dezelfde kant op – produceren, teneinde te consumeren.
Het gevolg is de vraag, die alom gesteld wordt: . . . . . . . . . . . is iedereen blij? 
Soms zorgt de Heilige Geest ervoor dat wij het waarachtige Geloof tegenkomen,
daar waar we het het minst zouden verwachten.
Het is vandaag een Canaänistisch [Hebr.= ‘ijveraar’] vrouw, de Syro-Fenicische [in Marcus] die de Heer aanriep om Genade.
Uit zo’n iemand, die zich inspant dat iets tot stand komt volgt een smeekbede waar een ‘groot’ Geloof geopenbaard wordt alsof deze vrouw in Bethanië [Hebr.= ‘huis van ellende’] of Jeruzalem [Hebr.= ‘maak dubbele vrede’] had gewoond.
Tyrus en Sidon waren kuststeden, niet alleen vèr buiten de Palestijns-Joodse gemeenschap, maar ook historische centra van het Fenicische maritiem-imperium, een legendarische tegenstander van Israël [zie bijvoorbeeld Ezechiël 26-28], hoewel nu onderdeel van het door oorlog getroffen Syrië.
Deze genezingen van een vrouw en haar kind zijn dus ontzettend verrassend.
Maar wanneer we lezen dat zij in het landsdeel van Tyrus en Sidon woonde, mag haar bede ons terecht verbazen. 
Want wij zouden hiervan dienen te leren dat de mens door Genadegaven tot het Geloof wordt gebracht en niet door de plaats waar – ‘deze of gene’ – z’n woonplaats heeft gezocht.

Beproevingen
Beproevingen kunnen soms een zegen blijken te zijn voor de ziel.
De Caänanitische/ Syro-Fenicische vrouw werd ongetwijfeld zwaar beproefd.
Zij had moeten aanzien hoe haar geliefd kind ‘van de duivel bezeten‘ was,
zonder haar te kunnen helpen.
Hoe vaak komt dit in onze tijd niet voor dat ouders niet weten waar zij het moeten zoeken, wanneer een kind verslaafd is geraakt aan ik weet niet wat.
Maar toch bracht dìt verdriet haar tot onze Heer en Verlosser en leerde dit haar te bidden.
Zonder deze moeilijkheden zou ze misschien geleefd hebben en gestorven zijn
in zorgeloze onwetendheid en onze Heer en Verlosser nooit hebben gezien.

    Het is goed voor mij dat Gij mij hebt vernederd,
opdat ik Uw Gerechtigheden zou leren
Psalm. 118[119]: 71, vert. ROK ’s-Gravenhage.
     Onze onwetendheid komt nergens zó duidelijk tot uiting als in ons ongeduld wanneer wij in hoge nood verkeren. Wij vergeten dat ieder kruis een boodschap van God is en bedoeld is om ons uiteindelijk te helpen.
Beproevingen zijn bedoeld om ons aan het denken te zetten, om ons van de wereld weg te lokken,
tot de Pedagogie van de Heer te brengen en
ons te doen buigen in gebed.
Gezondheid is heel goed, maar ziekte kan beter voor ons zijn, wanneer dit ons tot God drijft.
Alles, maar dan ook alles is beter dan -‘in zorgeloosheid’- te leven en
daardoor -‘in zonde’- te sterven.
De discipelen hadden niet zoveel medelijden en barmhartigheid als
Christus in vers 23.
Deze geest heerst veel teveel onder gelovigen.
Ook wij staan veel te snel klaar om aan de echtheid van iemands beginnende Genade te twijfelen, geraken geprikkeld, omdat de ander nog zwak is:
    En te Jeruzalem aangekomen, trachtte Saulus/Paulus zich bij de discipelen te voegen, maar allen schuwden hem, daar zij niet konden geloven, dat [ook]‘hij’ een discipel wasHand.9: 26.
Laten wij net als Christus zijn:
zachtmoedig’, ‘vriendelijk’ en ‘bemoedigend in de omgang met mensen’ die
immers eveneens het Hemels Koninkrijk willen bereiken.
Christus laat de mensen soms wachten, zoals Hij deed met deze vrouw, maar
Hij stuurt ze nooit met lege handen weg.

Een bijzonder verhaal
Er gebeurt veel met deze vrouw, bij de ontmoeting met onze Heer en
er gebeurt daarop veel met de dochter.
1.]. de moeder van het kind
Het kind is betreurenswaardig ‘bezeten‘ of, zoals er
in het parallele verhaal in Marcus 7 staat: ‘ze had een onreine, boze geest‘.
Haar dochter is onder invloed van iets kwaads, wat haar leven vergalt.
Wanneer je het boek ‘In de ban van de Ring‘ leest of als je de film ziet, dan
geraak je ook makkelijk in de ban. Dan overvalt je een gevoel van angst als de zwarte ruiters opdoemen. Je voelt en je ziet het kwaad.
De dochter is in de ban van het Kwaad.
Wàt precies wordt niet gezegd. Dat doet er ook niet toe.
Ze is in ieder geval zichzelf niet, niet wie ze zijn kan: een ‘heel’ mens, in de bloei van het leven.
Nu, juist omdat dit die vrouw aan haar hart gaat dat haar dochter zó lijdt, gaat ze op zoek.
Liefde drijft haar. Ze gaat op zoek naar genezing en heling voor haar dochter.
Wie weet bij hoeveel dokters, maatschappelijk werk[st]ers en andere hulpverleners ze al langs is geweest.
Ook wij maken soms hele zoektochten door het doolhof van de hulpverlening op zoek naar heling en genezing voor een ander die ons lief is of voor onszelf.
En dàn hoort die vrouw een verhaal.
Het verhaal gaat over een groots mens die is staat is te helpen,
een genezer met wonderlijke macht en kracht,
een Zoon van God, Die kan genezen en helen.
Ze hoort zelfs in het buitenland [want daar woont ze] het verhaal over onze Heer van Nazareth,
Nazareth [Hebr.= ‘bewaakte, afgezonderde’], met de Nazireeër [Hebr.= ‘een toegewijde, ongesnoeid (wijngaard, wijnstok)].
Het  gaat in dit soort situaties natuurlijk als een lopend vuurtje. En haar hart gaat kloppen van verwachting, haar hoop vlamt op.
Zie je dit onoplosbare probleem voor je:
een vrouw met pijn en verdriet, maar tevens met hoop en verwachting op Verlossing?
Jij zou het misschien zèlf wel kunnen zijn . . . . .

1b.]. de geschiedenis, wis en waarachtig
Rond 60 na Christus geeft een arts en wetenschapper [Lucas] een betrouwbaar en uitgebreide verslag van het leven van Christus en laat Hem zien als volmaakt mens en Heiland.
Deze arts draagt zijn getuigenis op aan Theophilius wat ‘vriend van God’ betekent een Romeinse gelovige.
De verborgen schone daden, de getuigenis van de eenvoud van het Geloof zijn het meest bewonderend’s-waardige.
Lucas beschrijft het leven van onze Heer en Verlosser, geboren als hulpeloos kind tot een volwassen man; Deze maakte alle levensfasen door die wij ook doormaken, juist daarom kan Hij ons te hulp komen; Hij werd verzocht maar zondigde niet.
Het wordt ‘het getuigenis voor de natiën’ genoemd, vol van Genade en Hoop, de wereld en verzekering gevend van de Liefde van een ‘lijdende Heiland’.
Uiteindelijk is het niet de grootsheid van de buitenkant, die getuigt van het Heil dat de mensheid te wachten staat, maar de haarvaten van het Lichaam van Christus spelen de grootste rol.
Het zijn de kleine dingen, die groots worden uitgevoerd in gezinnen, die lijden, de verworpenen aan de rand van de samenleving, vrouwen leggen de basis van God’s Pedagogie van de ‘tolerantie’.
Hoevelen – ook in onze tijd – getuigen niet:
Ik ben gered door ‘de Genade en het Geloof in Christus’”
  getuigenissen na een voltooid lijden, wanneer ouderen op hun leven terugkijken naar hun oogappels, maar ook naar
  de zorgen, die een heel gezin tot voorbeeld waren, waarmee zij gehandicapte kinderen zagen opbloeien als getuigenis van God’s Barmhartigheid.
Wanneer je er enige geschiedenis in ontdekken zou,
zullen zij je bijzonder aantrekken.
Doch geheel verborgen waren zij toch niet, anders zouden wij ze niet herkennen;
en wat men ook gedaan heeft om ze te verbergende is slechts een kleinigheid,
waardoor ze aan het licht zijn gebracht
➙  het bederft eigenlijk alles, want dàt was juist het aller-schoonste,
dat zij verborgen wilden zijn.
•    Het is niet schandelijk voor de mens om onder de smart te bezwijken, maar
wel onder het genot. De reden hiervan is niet dat de smart ons van elders overkomt en dat wij het genot zoeken; want men kan ook de smart zoeken en er met opzet onder bezwijken, zònder zich te verlagen.
Hoe komt het dan, dat het voor het verstand roemvol is onder de inspanning van de smart, en schandelijk om onder de inspanning van genot te bezwijken?
•     Het is omdat de smart ons niet verleidt en aantrekt;
wij zijn het ‘zelf’ die haar vrijwillig kiezen en willen dat zij ons beheerst;
zodat wij hierin ‘Heer en Meester’ blijven; en aldus ‘bezwijkt’ de mens voor zichzelf;
⤽ doch in het genot bezwijkt de mens voor het genot.
En alleen het beheersen en bedwingen brengt hem roem;
slavernij brengt slechts schande voort.
Het blijkt een dwaasheid wereldse grootsheid na te streven”.
Voor ons, christenen, wordt alles verlicht in Christus, heeft alles in deze wereld zin en waarde, omdat het een middel tot het pad naar de eeuwigheid is.

‘ صمت الله يهمس في روحنا’, ‘  De stilte van God vormt gefluister in onze ziel’; ‘  The silence of God is whispering in our soul’; ‘  Η σιωπή του Θεού ψιθυρίζει στην ψυχή μας’; ‘ Молчание Бога шепчет в нашей душе’.

Dàt ontstaat doordat we zien wàt we niet zien en naar het onzichtbare kijken,
we laten ons leven in de tijd orderlijk verlopen op basis van het eeuwige,
het menselijke is gebaseerd op God, de Vader, die in de Hemelen is,
Wiens Naam dient te worden geheiligd.
De wereld staat nog steeds verwonderd:
En onze Heer gaat [nog steeds] alle steden en dorpen langs en leert in onze gebedshuizen en verkondigt de Blijde Boodschap van het Koninkrijk en
geneest
[nog steeds in alle stilte] alle ziekte en alle kwalenconf. Matth.9: 35.

2.]. onze Heer en Verlosser
In de Evangelielezing verblijft onze Heer en Verlosser in het buitenland, maar
niet om daar vakantie te vieren, veel meer omdat Hij is het, Die door de farizeeërs en schriftgeleerden zó onder druk wordt gezet dat het maar beter is – even uit de vuurlinie te verdwijnen.

‘ الانعكاس ، من خط النار’; ‘ reflexie, uit de vuurlinie’; ‘ reflexion, from the line of fire’; ‘ αντανακλάσεις, από τη γραμμή φωτιάς’; ‘ отражение от линии огня’

Even op adem komen, even je bezinnen hoe het verder moet gaan.
En daarbij verschijnt deze  Canaänitische vrouw, die
zich inspant om iets tot stand te brengen – een bijzondere rol te spelen.
In dit gedeelte van het getuigenis van Mattheüs gaat het om nieuwe inspiratie vanuit een onverwachte hoek.
In management-termen zou je zeggen, het gaat om out-of-the-box-denken, dat je de geijkte paden verlaat en dat je de dingen vanuit een heel andere hoek bekijkt.
Maar het gaat er ook om dat je voor ‘het Nieuwe’, ‘het Leven’ eveneens openstaat.
–   Hoe vaak gebeurt het niet dat je opeens hulp krijgt vanuit onverwachte hoek, dat mensen van wie je het nooit had verwacht je opeens ‘een zetje geven in de goede richting’,
–   òf soms lopen de dingen heel anders dan jij wilt en achteraf blijkt het juist zo goed uit te werken.
Tegen wil en dank is onze Heer en Verlosser in het buitenland en tussen de verzameling gelijkenissen en de verzameling genezingsverhalen is
ook onze lezing een soort ‘buitenland’.
Het zou wel heel raar moeten lopen als hier niet ‘iets nieuws’ stond te gebeuren:
nieuwe inspiratie vanuit onverwachte hoek’.

De Evangelist Mattheüs was een vrome jood.
En deze vrome Hebreeër wil zijn geloofsgenoten ervan overtuigen dat
met onze Heer en Verlosser ‘ècht’ een nieuw hoofdstuk begint voor het Jodendom.
Daarom haalt Mattheüs ook heel vaak de oude profeten aan om te
laten zien dat wat de profeten zagen nú bij onze Heer en Verlosser’ in vervulling gaat. Dus denkt geen haar op het hoofd van Mattheüs eraan om de boodschap van onze Heer en Verlosser buiten het Jodendom een plek te geven.
Daarom reageert Jezus ook eerst niet op de Canaänitische vrouw, de leerlingen zeggen zelfs: “stuur haar toch weg” en uiteindelijk zegt Jezus:
Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk Israël”.
En vervolgens wordt het nog scherper:
Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren”.
➙➙➙ De kinderen, dat zijn de kinderen van Israël, en de honden, dat zijn de ongelovigen, de niet-Joden, de buitenlanders, de mensen van de interculturele samenleving, die zich ergens ‘een thuis‘ zoeken.

— Maar de vrouw laat zich niet uit het veld slaan: “Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen

3.]. De genezing van het kind
Onze Heer en Verlosser is uitgeweken voor de Farizeeërs en Schriftgeleerden [de afgestudeerden], dus de ‘eigen kinderen’ lijken niet bepaald zo gretig te zijn naar het brood.
En trouwens wie heeft er zo weinig brood dat er niet wat kruimels overblijven voor de honden. Dus, hoe ‘éénkènnig’ wil je zijn?

Dit is een cruciaal moment in het denken van Mattheüs en ook in het denken van onze Heer: “Houd je het heil voor jezelf? Heeft God dan niet genoeg Genade voor iedereen? Dient de Blijde Boodschap van God een exclusieve aangelegenheid te  blijven voor de besloten Joodse gemeenschap?
Òf is het niet tijd dat het Joodse Geloof Zich ook openstelt voor niet-Joden?

Wat dat laatste betreft, jodendom en christendom zijn uiteindelijk gescheiden wegen gegaan. Maar onze Heer is in het buitenland, Hij heeft een stapje opzij gedaan om zich te bezinnen, hoe moet het nu verder en
Hij bidt tot de Vader, om Zijn Wil te kennen.
Hij ontmoet die buitenlandse vrouw, een ongelovige, waar Hij op Zich niets goeds van verwacht, maar de schellen vallen Hem van de ogen.
Deze vrouw blijkt namelijk ‘grootser’ over God te denken dan onze Heer, op menselijke wijze gesproken, Zelf.
Van de Genadegaven van de Barmhartige God zullen toch heus wel wat kruimels overblijven. Dat Koninkrijk der Hemelen waarover onze Heer -al die tijd- over spreekt zal toch heus wel groot genoeg zijn ‘voor álle mensen’.

De vrouw opent Hem -op menselijke wijze gesproken- de ogen voor nieuwe inspiratie uit onverwachte hoek.
En gelukkig staat Christus als Zoon van God er onmiddellijk voor open:
U hebt een groot Geloof.
Het wordt Hem -opnieuw menselijk gesproken- duidelijk, er is ook Geloof buiten Zijn eigen Geloofsgemeenschap.
Er is ook Geloof buiten het eigen land, er is óók Geloof buiten de Kerk, [kijk maar naar al die bijbels namen, die wij onze kinderen geven, of we nu gelovig zijn of niet] en soms komt het uit wel onverwachte hoek en
misschien ook in onverwachte gedaante, ook bij een vermeende vijand.
Die nieuwe inspiratie uit onverwachte hoek wordt hier met beide handen aangepakt, geopenbaard en zo opent Christus de weg dat Zijn Blijde Boodschap
niet een binnen-Joodse aangelegenheid blijft maar uit kan waaieren over de hele wereld.
Een cruciaal moment in de geschiedenis van de dienst aan God is dat wij hier als Christenen bij elkaar komen en wij hebben dit te danken aan een – niet uit onze kringen voortkomende – Canaänitische vrouw, die zich inspant om iets tot stand te brengen.
Het Koninkrijk der Hemelen is ‘vele malen groter’ dan wij als mensen beseffen,
Het heeft vele onderkomens en verschijnt ook in onze tijd
uit geheel onverwachte hoek. Aldus worden onze dochters en zonen genezen.

Laten we hiervoor ópen staan en wanneer wij onze kinderen leren
zó de wereld in te kijken.
Wanneer wij hen leren met respect voor ieder mens, ongeacht aard, geslacht of culturele achtergrond, met elkaar om te gaan,
ja, dàn verbeteren wij de wereld en beginnen bij onszelf.
Christus roept ons en adviseert ons, het is voor Hem onmogelijk ons iets op te leggen.
Het komen tot de overtuiging van de bekering is van onszelf afhankelijk.
Als een rechtgeaard familielid zal Hij ons niet overbluffen en Hij verwacht dat wij dat anderen ook niet aandoen.
Het motto is:
Respect, samenwerken met Passie, vernieuwend,
samenkomen uit dankbaarheid voor het Succes,
Transparant en ‘open’, kortom ‘Integriteit
”.

Eucharistie
God, Die rijk is aan erbarmen, heeft om Zijn grote Liefde, waarmee
Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen
mede levend gemaakt met Christus
[….] en
heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven
in de hemelse gewesten, in Jezus Christus
Eph.2: 4-6.
De priester roept ons op:  “Laat ons de Heer de Eucharistie opdragen”.
En het koor zingt namens het gelovige Volk:
Het is waardig en recht U te zegenen, U te loven,
U de Eucharistie op te dragen, U te aanbidden op elke plaats van Uw Heerschappij”.

In het Eucharistisch gebed, het gebed van dankzegging, drukken wij onze erkentelijkheid uit tegenover God  ‘voor alles’:
Wij gedenken alles wat ‘Hij’ – voor ons gedaan heeft;
Gij hebt ons uit het niets tot het zijn gebracht”. Hij heeft de mensheid verlost na de val. Hij houdt niet op om ons te helpen het komende Rijk te bereiken…..  “Voor dit alles danken wij U en Uw eengeboren Zoon en Uw Heilige Geest, voor alle aan ons bewezen weldaden, die wij kennen en die wij niet kennen, de zichtbare en de onzichtbare”.
Voor al deze aan ons bewezen weldaden, elke dag opnieuw en in een oneindigheid van vormen.
Maar onze dankzegging wordt duidelijker, wordt directer en concreter : “Wij danken U ook voor deze Eucharistie, Die Gij uit onze handen wilt aanvaarden, terwijl Gij toch beschikt over duizenden Aartsengelen en tienduizenden engelen…..”. Een waardevoller aanbidding zou geofferd kunnen worden aan God door de Hemelse Krachten, maar God aanvaardt wat – ‘wij, mensen‘ – Hem in alle eenvoud met onze zondige handen aanbieden.

Door deze woorden van dankzegging, erkennen wij ook het Werk van de Schepper, wij drukken Hem onze erkentelijkheid uit.
        Wij zijn schepselen die, dankzij het Offer van Christus, geroepen en in staat zullen worden gesteld om de wereld te transfigureren en zelf gedeï-fieerd en “deelgenoten van de goddelijke natuur” te worden’, aldus de  H. Gregorius Palamas.
Wanneer deze roeping van de mens eenmaal tot uiting is gebracht, zullen wij ons ook bewuster worden van onze zondige natuur.
Nochtans zijn wij in staat om het te erkennen, wij hebben toegang tot de Vader en zijn deelgenoten van het komende Koninkrijk :
Gij hebt onophoudelijk alles gedaan om ons tot in de Hemelen te leiden en ons Uw komend Koninkrijk te schenken”.
De priester beëindigt dit gebed tijdens de Goddelijke Liturgie van Johannes Chrysostomos met vier woorden: ”   Zingend, roepend, luid jubelend en zeggend”.

Christus & 4 Evangelisten, fresco Nubia Museum, Aswan Egypte

Door deze vier termen heen heeft de Christelijke Traditie een zinspeling gezien
op de roep van de vier “levenden” in het visioen van Ezechiël 1: 6 vv en de Apocalyps 4: 67, die tegelijk de Machten der engelen symboliseren die de schittering van God’s Glorie uitdragen naar de vier windstreken, dit wil zeggen, over de gehele kosmos, en de vier Evangelisten, Die de Blijde Boodschap van het Woord uitdragen
tot de uiteinden der aarde.
Het is daarom, dat de diaken, terwijl de priester deze formule uitspreekt,
een kruisteken maakt door met de asterix, die de heilige gaven bedekt,
de boord van de disk op vier plaatsen als een cimbaal gaat aanraken.
En vervolgens zingt het koor de Cherubijnenzang :
Heilig, Heilig, Heilig is de Heer Sabaoth.
Vol zijn hemel en aarde van Uw Heerlijkheid,
Hosanna in de hoge.
Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren :
Hosanna in den hoge
Op het hoogte punt van het gebed, tijdens de Goddelijke Liturgie overwinnen
de gelovigen van de Kerk hun ongerechtigheden,
[teksten: zie http://www.orthodoxasten.nl/liturgie.htm ]
zij herinneren zich de bewuste en onbewuste schadelijke passies,
de lichamelijke geestelijke en andere verslavingen, die zij in de buitenwereld ondervinden.
Zij zijn zich bewust van de aanwezigheid van ‘de Aanwezige God’, Die zij als iets heel kostbaars gaan ontmoeten, een ‘Mysterie’ waarover zij niet met vijanden zullen spreken.
Diep in z’n binnenste ervaart de mens een tekort, hij voelt dat hij iets fundamenteels mist, maar het dramatische is, hij/zij kan het niet definiëren.
De mens zoekt zijn honger te stillen met alles wat hij rondom zich ziet en kent, maar na een poosje komt hij/zij tot de vaststelling dat het gevoel van onvoldaanheid weer terugkeert en
een andere gedaante heeft aangenomen en dus niet definitief verdwenen is.
Slechts de ontmoeting met de aanwezigheid van ‘de Aanwezige God’ kan de mens verheffen tot datgene wat voor de mens onbereikbaar is.
Sommigen mensen zoeken de oplossing heel ver weg, o.a. bijv. in oosterse religies en moderne spirituele bewegingen, terwijl de waarachtige oplossing
– hier en nu – beschikbaar is en op een verrassend dichtbije plek,
hier in onze eigen Christelijke cultuur.
          Een cruciaal moment in de geschiedenis van de dagelijkse dienst aan God
is dat wij in de Christelijke Gemeenschap als Christenen bij elkaar komen en
wij hebben dit te danken aan een – niet uit onze kringen voortkomende –
Canaänitische vrouw, die zich inspant om ‘iets van dit Mysterie’,
de relatie met de ‘de onder ons Aanwezige God’ tot stand te brengen.
         Het Koninkrijk der Hemelen is ‘vele malen groter’ dan wij als mensen beseffen, Het heeft vele onderkomens en verschijnt ook in onze tijd uit geheel onverwachte hoek.
Aldus worden onze dochters en zonen genezen.
De Orthodoxie onderkent niet zoals sommige andere Christelijke gemeenschappen een praktijk van “Eucharistische gastvrijheid”. Zij verlangt tussen allen die ter communie gaan, die in de Orthodoxe kerken dit ‘Mysterie’ beleven, eenheid van Geloof.
De heilige communie kan niet het middel zijn tot eenheid, zegt zij, maar alleen de vrucht ervan.
          Dit betekent dat alleen degenen, die gedoopt en gezalfd zijn, en tevens praktiserend lid zijn van de Orthodoxe Kerk aan de communie deel kunnen nemen. Wij biden echter vurig dat ooit alle Christenen in Geloof en Liefde rond het mystiek Bruiloftsmaal verenigd zullen zijn.
Dit zal plaats vinden wanneer de Heer dit Wil, waarschijnlijk pas op het einde der tijden. Het Geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en
het bewijs van de dingen, die men niet ziet.

Apolytikion     tn.4.
  Nadat zij de Blijde Boodschap van de Opstanding en van de Bevrijding van de veroordeling van de Stamhouders uit de mond van de Engel gehoord hadden, riepen de Myrondraagsters jubelend tot de Apostelen:
Vernietigd is de dood, Christus de Heer is opgestaan, en heeft aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.4.
  Mijn Heiland en Verlosser heeft als barmhartige God de aardgeborenen opgewekt,
uit de ketenen van het graf.
Hij heeft de poorten van de hel verbrijzeld
en is als Gebieder na drie dagen verrezen
”.

Theotokion     tn.4.
  Het van eeuwigheid verborgen en aan de Engelen onbekende Mysterie,
is door U aan de aardbewoners openbaar geworden, Moeder Gods:
in onvermengde eenheid is God vlees geworden
en heeft Hij om ons het Kruis op Zich genomen.
Daardoor heeft Hij de Eerst-geschapene weer opgewekt
en onze zielen uit de dood verlost
”.

Melchisedek, priester van God, de Allerhoogste

Melchizedek, koning & priester van de allerhoogste God

  Nu is het onweersprekelijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend.
En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch dáár Iemand, van Wie wordt getuigd, dat Hij leeft.
Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Abraham aan het tiendrecht [van een ander] onderworpen, want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Melchisedek deze tegemoet kwam.
   Indien nu het Levitische priesterschap ‘het volmaakte’ gebracht had, immers, daaronder heeft het Volk de Wet ontvangen – waarom was het dàn nog nodig, dat een àndere Priester naar de ordening van Melchisedek opstond, van Wie niet gezegd werd, dat Hij naar de ordening van Aäron is?
   Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van Wet.
Want Hij, van Wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar te doen had:
   het is immers duidelijk, dat onze Heer uit Juda is gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft. En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Melchisedek een andere Priester opstaat, Die dit niet geworden is krachtens een Wet met een voorschrift betreffende vleselijke [afkomst], maar krachtens een onvernietigbaar Leven.
   Want van Hem wordt getuigd:
Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek
Hebr.7: 1-17.

God staat niet zo maar buiten de tijd, afwezig ergens aan de overkant. Maak voor jezelf alsjeblieft geen beeld van God, want dan schiet je altijd schromelijk tekort, God is een Mysterie en gaat ons verstand vèr te bóven.
Wordt Hij juist niet de Eeuwige genoemd om Hem van al het menselijke te onderscheiden?
Tegelijkertijd tasten we niet dankzij Christus niet volstrekt in het duister over de onderlinge relatie tussen tijd en eeuwigheid, God’s samenwerken met de mens.
    De Heer zegt tot mijn Heer: zit neer aan Zijn rechterhand.
Opdat Ik uw vijanden zal maken tot een steun onder uw voeten.
Een scepter van Kracht zal de Heer u zenden vanuit Sion:
Heer, temidden van uw vijanden.
Bij U is heerschappij op de dag van uw kracht, in de stralende luister van uw heiligen.
Uit de schoot heb ik U voortgebracht vóór de morgenster.
De Heer heeft gezworen, onveranderlijk:  Gij zijt de priester in eeuwigheid, volgens de orde van Melchisedek.
De Heer is aan uw rechterhand; Hij verbrijzelt koningen op de dag van Zijn toorn.
Hij oordeelt de volkeren, maakt talrijk de gevallenen; de hoofden van velen verplettert Hij op de grond.
Uit een beek onderweg zal Hij drinken, en dan het hoofd verheffenPsalm 109[110], vert. ROK ’s-Gravenhage.

 

Christus Pantokrator

Toen onze Heer en Verlosser, vanwege het onvermogen van de mens om de kloof tussen God en mens te overbruggen, als mens tijdelijk op aarde kwam, liet Hij ons zien Wie de Eeuwige is. En ook over een tijdje in onze begrippen, want bij God bestaat geen tijd.
Ook dàn zal er steeds de herinnering, ‘de eeuwige gedachtenis‘, aan onze tijd zijn.
Het Lam – ‘de Koning van Rechtvaardigheid’ – zal eerst dàn het centrum zijn van de nieuwe wereld en de nieuwe aarde.
Eerst dàn zal de historische noodzaak van Christus’ Offer ons tot God’s Glorie eeuwig voor ogen staan.
Hij is Almachtig en sluit alles aaneen.


Melchisedek [Hebr.:
מַלְכִּי־צֶדֶק, “koning van rechtvaardigheid” of “mijn koning is rechtvaardig”] was volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel ten tijde van aartsvader Abraham de “koning van Salem” en “priester van God, de Allerhoogste”.
In Genesis ontmoet Abraham na een succesvolle slag Melchisedek, die
als koning van Salem en priester van de Allerhoogste God (El-Eljon) wordt geïntroduceerd. Hij brengt Abraham brood en wijn en spreekt daarna een zegenspreuk over Abram uit en daarna over de Allerhoogste God:
Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste,
Schepper van hemel en aarde.
Gezegend zij God, de Allerhoogste:
uw vijanden leverde Hij aan u uit
Daarna gaf Abram Melchisedek een tiende van alles wat hij tijdens succesvolle slag buit had gemaakt.
De succesvolle slag van Abram gaat over de slag met de koning van Sodom, waarbij Melchisedek niet optreedt Gen.14:17,21.
En in de verzen 18-20 is van de koning van Sodom geheel geen sprake. Deze verzen 18-20 dienen dan ook moeten dan ook specifiek in de betekenis van de oorzaak te worden geïnterpreteerd. De plicht om tienden af te dragen aan de Tempel in Jeruzalem af te dragen, werd gelegitimeerd door het verhaal over Abraham.
De aanduiding “Salem” wordt verder alleen parallel gebruikt met Zion:
Daar heeft God de kracht gebroken van boog, schild en zwaard: Hij maakt een eind aan de oorlogPsalm 75 [76]:3

Hierdoor wordt Salem al sinds de antieke en vroegmiddeleeuwse exegese geïdentificeerd als Jeruzalem. Dit werd versterkt door de verwantschap van “Salem” met “Sjalom” [= Vrede].

Buiten Genesis wordt Melchisedek in de Joodse vertaling van de 1e Verbondstekst alleen nog genoemd in bovenstaande zogenoemde “koningspsalm”, Psalm 109[110]:
  De Heer heeft gezworen, onveranderlijk: 
Gij zijt de priester in eeuwigheid, volgens de orde van Melchisedek“.
Hier grijpt de auteur van de Psalm terug op een figuur uit de voorgeschiedenis van Israël,  om deze de koning, naar wie hier wordt verwezen, als een goed, navolgen’s- waardig voorbeeld voor te houden. Het gebruik van een dergelijk legendarisch figuur is – niet gebruikelijk- in de Hebreeuwse Bijbel, maar niet in de poëzie van het begin van de hellenistische periode.
Om de toegezongen koning een groot aanzien te geven, waarin het “prototype van het priesterschap” als streven wordt voorgesteld, waar deze zich naar dient toe te ijveren.
De  exegese van de Orthodoxe Kerkvaders ziet Melchisedek hierin vooral in het licht van bovenstaande tekst Hebr.7:  3:
Hij heeft geen vader of moeder,
geen stamboom, geen oorsprong of levenseinde en
lijkt op de Zoon van God — hij is priester voor altijd
”.
Verder zijn geen van Hebreeën onafhankelijke tradities of interpretaties bewaard gebleven.
Alleen het gebruik van brood en wijn bij het Laatste Avondmaal en de doorwerking in de Eucharistie kunnen eventueel worden herleid tot Melchisedek, aangezien in het verhaal over de uittocht uit Egypte en het hiernaar verwijzende Pesach alleen van ongezuurde broden sprake is, niet van wijn.
  In de latere literatuur Melchisedek [NHC IX.I] is een gnostisch geschrift, dat in een Coptische vertaling onderdeel was van de vondst van de Nag Hammadi geschriften in 1945. De oorspronkelijk Griekse tekst dateert van omstreeks 200.
Hierin ontvangt Melchisedek twee openbaringen.
In de eerste wordt een rol voor Melchisedek geprofeteerd in een strijd “aan het eind van de tijden“. Hij wordt daarbij aangesproken als degene van wie alle stammen en volkeren van U, de Heilige Hogepriester de Hoop en de gaven van het leven hebben ontvangen.
In de tweede openbaring is net als in de eerste de Kruisiging en Opstanding van onze Heer en Verlosser het centrale thema. Door de vele lacunes in de tekst is het niet duidelijk of Christus en Melchisedek in dit deel van de tekst wèl of niet met elkaar geïdentificeerd worden.
Op het theologisch vakgebied verschillen de opvattingen ook hierover.
Wel wordt gezegd, dat de overwinning van Jezus Christus de overwinning van Melchisedek is.

de Allerhoogste God
Melchisedek wordt priester van de Allerhoogste God genoemd.
Bijbelwetenschappers zijn het er niet over eens of dit refereert aan de God van Abraham, namelijk deHeer [JHWH], òf dat dit een referentie is naar een Canaänitische god.
Voor de interpretatie van het verhaal maakt dit veel verschil.
– Vanuit de (Joodse) Bijbel geredeneerd zou de Allerhoogste JHWH, de God van Mozes, moeten zijn [de God van Abraham was El/Elyon/El-Sjaddai, aan Wie JHWH later gelijk is gesteld].  Melchisedek was echter priester van Salem.
Daarom is het waarschijnlijk, dat Melchisedek de opperpriester was van Salem, de Kanaänitische god.  Melchisedek als Hogepriester van Elyon/JHWH?
Als Elyon/JHWH de God is die het Verbond met Abram sluit, ligt het niet voor de hand dat Abram ondergeschikt is aan Melchisedek.
Het zou eerder andersom zijn geweest. Van welk volk Melchisedek de priester-koning is, wordt niet vermeld. Hij is koning van Salem.
Kennelijk geen Hebreeër. Zo wordt Abram benoemd, niet Melchisedek. (Israëlieten of Judeërs waren er toen uiteraard nog niet).
Naar de tekst van het O.T. waren de Jebusieten ten tijde van David de bewoners van Jeruzalem. Gezien het grote tijdsverschil dat ligt tussen Abraham en David is het echter niet zeker dat Melchisedek een Jebusiet was.

N.B. de Kerkvaders roepen op tot bewustzijn, de tijd is aan jou.
Streef de deugd na, besteedt daar al je tijd aan
– in plaats van al het andere            : “ Zie erop toe dat je eerbied leert opbrengen voor de schoonheid om je heen, leer de werkelijk te bevatten door deze te onderscheiden van de misleidingen” Ephraïm de Syriër
            Zo wordt in een hedendaagse levensfilosofie [Urantia] geprobeerd een opvatting te construeren op basis van de uitgebreide, geïntegreerde opvattingen van kosmische waarheid, de universum-schoonheid en de goddelijke Goedheid.
Hierin wordt de persoon van Melchisedek gezien als een godsverschijning.
Het Urantia Boek stelt dat Melchisedek deel uitmaakt van een bepaalde geestelijke orde, halverwege de ladder tussen mens en God, de Melchisedeks, en
dat de missie van Melchisedek destijds was om het proces van vergeestelijking op aarde, ingezet met de komst van de ouders van het violette ras, ook wel Adam en Eva genoemd [34.000 jaar voor Melchisedek], weer nieuw leven in te blazen.

De Genadegave
Het belangrijkste Woord in de Blijde Boodschap draait om de relatie tussen God en Zijn Volk, ook wel het Verbond genoemd, het ‘Oude’ [Israël] en het ‘Nieuwe’ [de Kerk].
Dàt kernwoord onderstreept dat God gezien wordt als een persoon, die een relatie kan aangaan met anderen.
Een Verbond wordt gesloten tussen twee personen of partijen, met rechten en plichten aan beide kanten. Het Hebreeuwse woord voor ‘verbond’ heeft meestal betrekking op een verbond dat een machtig persoon, bijvoorbeeld een koning, als een priester in eeuwigheid, aanbiedt of oplegt aan een zwakker persoon of partij. Bij het verbond met Israël [O.T.] en de Kerk [N.T] neemt God, als Machtige, hogere en ‘Sterkere’, als ‘Onsterflijke’ het initiatief. Hij biedt Zijn Bescherming aan en bepaalt Zelf de plichten van het Verbond.
Maar God heeft respect voor de ‘vrijheid’ van de mens en daarom wordt het Verbond door God niet dwingend aan de mens opgelegd, de mens heeft de vrijheid zelf een keuze te maken op Zijn aandringen, Zijn roep:
Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;
neemt mijn juk op u [in Passie samenwerken] en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk [in Passie samenwerken] is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 28-30 en
  Begrijpt gij niet, dat àl wàt de mond binnengaat, in de buik komt en te zijner plaatse verdwijnt? 
Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dàt maakt de mens onrein.
Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige 
getuigenissen, godslasteringen. Dàt zijn de dingen, die een mens onrein maken, maar het eten met ongewassen handen maakt een mens niet onreinMatth.15: 17-20.
En Petrus zei: verklaar U nader?
En onze Heer antwoordde: “ Zijn ook jullie [Mijn directe volgelingen] nog steeds onwetend?; Zijn jullie dan ook nog onverstandig?conf. Matth.15: 16.
En vervolgens volgt het Evangelie wat wij op de 37e Zondag gaan lezen:
➽➽➽ – “
Het brood voor de honden en de Canaänitische Vrouw” –
Wij krijgen als een Genadegave het Verbond aangeboden, een unieke kans waarvoor je in alle Vrijheid mag kiezen.
Afwijzing van het Verbond betekent wèl afwijzing van ‘hèt Mysterie van het Leven’, God’s Zegen, en dàn kies je gewoonweg in feite voor de vloek.
Op God’s weg worden wij niet gedwongen, maar onze keuzes zijn er nooit neutraal of vrijblijvend.
Op de berg Sinaï belooft onze Heer en Verlosser eeuwige trouw aan Israël, wat er ook gebeuren mag – trouw wordt vaak beproefd, maar nooit opgezegd.
En vele scharen kwamen tot Hem en onder hen kreupelen, blindgeborenen en doofstommen en Hij genas hen allen. Die Belofte van trouw gaat samen met de opdracht voor Israël/de Kerk om te leven volgens God’s Geboden, met name die op de tafelen welke diep in ons hart zijn gegrift.
God belooft Zijn Trouw en van ons wordt die trouw eveneens verwacht, zodat het Verbond een tweezijdig karakter van vriendschap en wederzijds vertrouwen krijgt.
Daarmee is het Verbond niet alleen een Goddelijke Genadegave, maar ook een opgave, vaak een zware verplichting, die de mens lang niet altijd kan waarmaken en waaronder hij/zij soms bezwijkt.

Heer, Jezus Christus,
Zoon van de levende God,
heb medelijden met ons,
arme zondaars
”.