Orthodoxie & Christus, onze God is het, die Wijsheid geleidt en de Wijzen richt op hun weg.

 Christus,                                        de enige Hogepriester

      Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld; en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in Waarheid.
        En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven,  opdat zij allen een zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld zal geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.
En de Heerlijkheid, Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn:
‘ Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld zal erkennen, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt
John.17: 18-23.

Christus tronend op de tronende Theotokos & de synaxis van de hemelse machten

 

      Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de Hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis.
        Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden.
Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven verslonden zal worden.
        God is het, die ons juist daartoe bereid heeft en Die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft.
        Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Heer in den vreemde zijn
– want wij wandelen in Geloof, niet in aanschouwen – maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Heer onze intrek te nemen.
        Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn.
        Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder zal wegdragen wat hij in zijn lichaam verricht heeft2Cor.5: 1-10a.

Vervolgend:
Ik wil u verhalen en niet God’s Mysteriën voor u verbergen, want Hij is het, Die Wijsheid geleidt en de Wijzen richt op hun weg: in Zijn hand is alle Wijsheid en kennis en kundigheid.
Een verleidelijke vluchtweg naar opzij maar weet ons ook daar te vinden waar mensen er op gaan vertrouwen [zich willoos overgeven] dat macht of machtsverwerving bij het behartigen van ‘Christelijk belangen’ ons uit de crisis zou kunnen helpen; het blijkt dat ook deze vluchtweg een dwaalweg is.

De vroeg-christelijke kerk is al rond 300 een instituut geworden met vele geestelijken.
De kerk was in de steden zeker even groot geworden als de grootste broederschappen, vanwege het in stand gehouden ‘verdeel en heers’-systeem  werden er ook toen al veel armen onderhouden.
De hoofd- en bij-toezichthouders [bisschoppen, de prelaten] van de Kerk stegen in aanzien en toezichthouders, welke gekozen werd uit de monnikenstand [celibatair, hetgeen hen boven de gemeenschap stelde]; zij werden – ‘nèt zo’ – prestigieus als de uit de wereldse traditie afkomstige notabelen.
                  Vanaf het moment -na het edict van Milaan [313] welke iedereen de vrijheid van godsdienst gaf, groeide het aantal navolgers van Christus snel.
Ten tijde van keizer Theodosius [347-395] werd het christendom in 380 feitelijk de godsdienst van heel het oostelijk gedeelte van het Romeinse, dus het Byzantijnse Rijk [vanaf Clovis en ‘Charlemagne’ werd dit in het Westen geëvenaard].
1.]. De keizer schonk de Kerk openbare gebouwen, in grote steden volgens een rijksontwerp, de basiliek. Deze was afgeleid van de audiëntiezaal van de keizer, maar in plaats van de rechtersstoel van de keizer stond in de basiliek de rechterszetel van God.
2.]. De geestelijkheid werd vrijgesteld van belasting en kreeg voedsel toegewezen, welke het vervolgens alle armen diende te doen toekomen.
3.]. De hoofd- en bij-toezichthouders [bisschoppen] van de Kerk, welke toezicht hielden op de ware geloofsverkondiging door de spelleiders [de priesters] kregen toegang tot de gouverneurs van de provincie en de vooraanstaanden [de wereldse elite] om te pleiten voor de armen en de onderdrukten, maar bleven in werkelijkheid ondergeschikt aan de wereldse machten.
De kerk in de vierde eeuw gaf daarmee aan het volk de indruk belangwekkend te zijn, maar bleef voor de wereld van de macht van die tijd [Lat. ‘saeculum’ =eeuw] een randverschijnsel, d.w.z. een stroming die ijvert voor overgang van wereldse staat en maatschappij naar een hemelse staat en maatschappij – en dienden dienovereenkomstig buiten de wereldse werkelijkheid te staan.

Het is al eerder aangegeven, maar in de navolging van Christus, ook binnen de Orthodoxie, zitten modificerende – ‘nuance’ verschillen [zet maar 10 òf 500 Orthodoxen op een rij], welke de oorspronkelijke Apostolische Leer, toch een nadere vorm geven / geen gelovig mens, geen spelleider, geen toezichthouder is immers hetzelfde en het is maar goed ook, anders heeft onze Heer, Verlosser en God straks niets meer te oordelen.
Op deze wijze blijven er maar weinig gelovigen over, die werkelijk de leer van Paulus, tot in z’n ‘uiterste’ waarheden – kunnen onderschrijven.
De charisma, de genadegaven van de Heilige Geest, de geloofswaarheden, die de Geloofsleer onderbouwen, zijn met de doop over de geroepen navolgers van Christus uitgestort.
          Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn:
⇏⇏⇏ ontucht, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke, waarvoor ik u waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.
♥︎ Maar de Vrucht van de Heilige Geest is:
liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing
Gal.5: 20-22.
Wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met z’n hartstochten en begeerten gekruisigd en degene, die tot in uiterste hieraan voldoet mag ‘de eerste steen‘ werpen.
Zo zijn er – óók binnen de [Oosterse] Orthodoxie – mensen, die:
1.]. met beide benen op de grond zijn blijven staan; best bereid zijn ‘goede dingen’ voor anderen te doen; niet de persoonlijke geloofsovertuiging bezitten, die andere overtuigingen buiten sluit.
2.]. niet zoveel vaststaande overtuigingen bezitten en zeker niet bereid zijn daar strijd voor te gaan leveren.
3.]. daarentegen wel vaststaande overtuigingen bezitten, bereid voor het Geloof te strijden/te sterven, dwars tegen de eigentijdse overtuigingen, die het menselijke vreselijk overschatten, een strijd tussen no. 1 en 2, de rekkelijken en de preciezen.
4.]. ook heb je eigentijdse ‘poldermodellen’,  zij bezitten ‘eigen theorieën over het ‘hoe en waarom’ van on- en aangepastheid, al dienen hun argumenten, net als al het andere, met een flinke korrel zout worden genomen’.
5.]. daartegenover opnieuw, degenen, die overtuigd zijn van de bestemming van de mens, de rol van God in hun leven en de manier waarop zij hun Geloof vorm dienen te geven.
  De verrassende conclusie kan nu echter – ‘na zoveel eeuwen ‘godsdienststrijd’ – getrokken worden;
dat in de navolging van Christus,
óók binnen de andere Bloedgroepen van het Christendom, dezelfde nuanceverschillen bestaan en er dus eigenlijk uiteindelijk ‘helemaal geen verschil van beleving’ overblijft, nadat je de verschillende onderstromingen waarneemt.
We dopen, hebben een avondmaal, en van de anderen overgenomen vastenperiode, biecht, het kruisbeeld, zwarte kleding [soms zelfs nog met boortje], kerst- en paas- nachtelijke vieringen en iconen.
In feite bestaat er binnen de Christelijke poot van de wereldraad van kerken al een oecumenische mate van eenheid.
            Waar draait het ‘dàn ?’ uiteindelijk nog om en dàn komen we terug bij het vroeg-Christelijk Geloof en zijn wij – er gewoon door de verleiding van de tegenstrever – ingestonken en hebben ons eeuwenlang bezig gehouden met ons over te geven aan de hoogmoed en hebben ons in alle:
liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing” ten opzichte van elkaar gewoon aan de verderfelijke “HOOGMOED” overgegeven.
Of wordt dit heden ten dage nog beschouwd als ‘vloeken in de Kerk’?
Sterker nog – in werkelijkheid worden binnen de verschillende bloedgroepen bestanddelen van de anderen en de oorspronkelijk christenen gebezigd, we zijn helemaal niet zo verdeeld, we zitten alleen maar vast in structuren, die wij in onze onnozelheid ‘van de wereld hebben afgekeken’.
Vanaf het edict van Milaan [313] welke iedereen de vrijheid van godsdienst gaf, is er een ‘geestelijke handicap’ ontstaan, zijn we ‘door de wereldse invloed’ gehersenspoeld, doordat we rangen en standen hebben laten ontstaan.
Er zijn ontwikkelingen,
– jà, we praten weer met elkaar en wisselen allerlei vriendelijke en beleefde ontmoetingen uit, maar
– van een doorbraak is geen sprake – blijf vooral zitten waar je zit – maar over een werkelijke assimilatie [volledige aanpassing] door onze posities op te geven kan geen sprake zijn.

Nu, dàt is hetgeen, waar onze christelijke bevolking en met name degenen, die de Kerk, de rug hebben toegekeerd, op zit te wachten,
de Kerk is voor de navolgers van Christus, ‘in Christus gebeiteld’, op Christus gefundeerd en niet op de een of andere prelaat.
‘“ Van het Koninkrijk van God” kan geen utopie gemaakt worden’, aldus D. Bonhoeffer vanuit z’n gevangenschap. We kunnen niet strijden voor het “Koninkrijk van der Hemelen”, wij kunnen het ook niet bouwen.
Dat is, zegt Bonhoeffer, ‘Schlechterdings unmöglich’ [D.= ’Erger nog onmogelijk’].
Wat de gemeenschap, die Christus navolgt, heeft te doen, is :’-bidden-‘ om “het Hemels Koninkrijk”.
Wij bidden in het onze Vader: “Gij Zelf, o God, de Vader dient Uw Rijk te geven”, wij kunnen het niet, wij zijn als mensen niet in staat over onze kleinmenselijke ‘hoogmoed’ heen te komen. God Zelf dient het Koninkrijk der Hemelen te doen komen.
    Hij is de Hemelse Koning, Trooster, Geest der Waarheid,
Die overal tegenwoordig is en alles vervult, Schatkamer van alle heil
[verlossing, welzijn] en schenker van het Leven”.
Hij dient ons te omkleden, wij dienen “overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden” – te verlossen, Hij dient Zich over ons te ontfermen.
Dat is het oorspronkelijke en pure gebed van het hart, zoals de inleiding’s-gebeden uiteindelijk in het “Onze Vader” eindigt en er alleen nog maar 12 x het “Heer, ontferm U” volgt, waarna  wij Vader, Zoon en Heilige Geest als eenheid toebidden:
Komt, laten wij aanbidden, onze Koning en God,
  Komt, laten wij aanbidden en neervallen voor Christus, onze Koning en God.
  Komt, laten wij aanbidden en neervallen voor Christus Zelf, onze Koning en       God” en
Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.     Amen”.
De Gemeenschap van gezamenlijk navolgers van Christus neemt afstand van de utopie [het droombeeld, waarin alles ideaal is’] en keert in tot het waarachtig Geloof.  Zo zal zij ongetwijfeld de utopie anders terug ontvangen, maar de Gemeenschap in Christus neemt afstand van de wereld, zij doet afstand van de wereld.
De Gemeenschap in Christus zegt in navolging: “Uw Koninkrijk, God, onze Vader“, mag komen van Uwentwege en van Uwentwege alleen,
het Hemels Koninkrijk, o God, is totaal anders,
onvergelijk-baar met alles, wat wij mensen er van gemaakt hebben.
Het Koninkrijk, waar Vrede, Vrijheid en Recht voorgoed zijn veiliggesteld en waar God, deze God van het Verbond met de mensen, alles in allen, ons voor ogen mag staan, wij mogen er niet naar grijpen. wij mogen het Hemels Koninkrijk niet drijven, een bepaalde richting opjagen; het Koninkrijk der Hemelen jaagt ons in een bepaalde [waarchtige] richting. God is God.

De kern van de Blijde Boodschap, de Pedagogie van onze Heer en Verlosser, is het Koninkrijk der Hemelen, wat wij verwachten, het is nabij, het breekt binnen. Onze Heer en Verlosser roept niet alleen omdat Hij in Zijn Vader gelooft, maar Hij is Zelf dàt Koninkrijk der Hemelen in Persoon.
Onze bekering, ons om-keren, is tot dàt komen van God’s Rijk geen voorwaarde
[alsof het door bekeerde mensen zou dienen te worden verwerkelijkt], maar zij is er de consequentie, het onvermijdelijk gevolg van.
Indien het wáár is, dat zo’n Koninkrijk der Hemelen – een voor ons bestemd Rijk is -, dan wordt het hoog tijd eens anders te gaan denken, doen en leven.
Dat betekent dat we heel gewoon:
allemaal, van hoog tot laag, van prelaat tot beminde gelovige,
heel simpel: weer oud en vertrouwd ‘leerlingen’ worden,
horende horen, ziende ziend en Hem navolgen op Zijn weg,
want Christus is het Koninkrijk der Hemelen.

Zonder enige illusie evenwel of we nu gewijd zijn òf niet, òf er
nu een 3x “Axios, Axios, Axios” geklonken heeft;
ja, zonder illusie over ons ‘eigen’ lot, dat
wij in onze Heer en Verlosser voor ogen hebben.
Onze Heer en Verlosser werd gerechtelijk vermoord, omdat religie en politiek in het gebruikelijk menselijke monsterverbond, de menselijke gekte, de geestelijke gestoordheid, hoewel schijnbaar onschuldig, uiteindelijk tòch heel gevaarlijk vonden.
        De Wijsheid heeft Zich een Huis gebouwd,  zeven zuilen heeft Zij Zich gehouwen,
Haar vee heeft Ze geslacht, Haar wijn gemengd, Haar tafel gereed gemaakt.
Nu zendt ze Haar bedienden uit,  op de hoogste punten der stad dienen ze te roepen: ‘Wie onervaren is dient hierheen te komen en wie geen inzicht heeft, laat hem/haar tot bezinning komen: ‘Kom en eet van Mijn Brood, drinkt van de Wijn, Die Ik [God] gemengd heb. Laat uw onnozelheid varen en u zult leven, bewandel de weg van de Wijsheid!’” Spr.9: 1-6.
Het Christendom is geen pakketje van normen en waarden.
En indien dàt zo was, dan zouden véél méér mensen Christen worden en er geen vervolging meer zijn.
Johannes duwt ons met de neus op dit feit:
In het hart van het Christelijk Geloof staat slechts één Persoon‘.
Die persoon is Jezus, en zijn Naam [Hebr.=
יֵשׁוּעַ, Jesua] betekent: De Heer brengt uitzicht en redding, maakt ons rechtschapen, betrouwbaar en vormgevend [Hebr.= ג׳סכר, Gosher, Jeser].

Indien we de Persoon van onze Heer en Verlosser losmaken van Zijn woorden en er een Blijde  Boodschap uit afleiden, die we verkopen onder de noemer van ‘normen en waarden’, dan hebben we misschien wèliswaar iets moois, maar
dan hebben we geen Christendom meer.
Zoals was het in de periode van de Evangelist Johannes,
zo is het ook in onze tijd:
het Christelijk Geloof staat of valt met
de aanvaarding van de Persoon van onze God,
onze Heer Jezus Christus, Die wij
als Beeld en in gelijkenis trachten te volgen
’.

Apostelen van de 70, Heiligen Erastus, Olympus, Rhodion, Sosipater, Quartus and Tertius [Menologion of Basil II]
November 10e: Apostelen uit de 70;
Erastos van Corinthe, Olympos, Rhodion, Sosipatros, Quartos en Tertios.

Kondakion     tn.2.
Stralend door Goddelijk Licht
hebben jullie de netten van de geleerden verscheurd.
Jullie zijn waarachtige vissers van mensen geweest, die de volkeren tot de Meester hebt gebracht doordat jullie hen geleerd hebben de Heilige Drieëenheid te vereren,
roemrijke Apostelen van Christus
”.

Orthodoxie & Christus, vermanend in de Geest en de gemeenschap van God

Christus Pantocrator tronend met de 4 Evangelisten

          Terzelfder tijd kwamen enigen tot Hem met het bericht over de Galileeërs [Hebr.= ‘uit eigen kring’] wier bloed Pilatus [Hebr.= ‘gewapend met een speer’] met hun offers vermengd had.
En Christus antwoordde en zei tot hen:
            Meent gij, dat deze Galileeërs [Hebr.= ‘uit eigen kring’] groter zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat zij dit lot hebben ondergaan?
Neen, zeg Ik u, maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen. meent gij, dat die achttien, op wie de toren bij Siloam viel en die erdoor gedood werden, schuldiger waren dan alle andere mensen, die in Jeruzalem wonen?

Neen, zeg Ik u, maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen.

            En Hij sprak deze gelijkenis:

Iemand bezat een vijgenboom, die in zijn wijngaard was geplant, en hij kwam om vrucht daaraan te zoeken en vond er geen.
En hij zei tot de wijngaardenier:
            ‘ Zie, het is nu al drie jaar, dat ik vrucht aan deze vijgenboom kom zoeken en ik vind ze niet. Hak hem om! Waarom zou hij de grond nutteloos beslaan?’.
Hij antwoordde en zei tot hem:
            ‘ Heer, laat hem nog dit jaar staan, ik zal er eerst nog eens omheen graven en er mest bij brengen en indien hij in het komende jaar vrucht draagt, [dan is het goed,] maar anders, dan moet gij hem omhakken’
”. Luc.13: 1-9.

   ‘Zit niet te slapen‘, alsof het nacht is !

          Vermaant elkander dus met deze woorden.
  Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt:
immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zo komt, als een dief in de nacht’.
Terwijl zij zeggen:
‘het is [alles] vrede en rust, overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ontkomen’.
            Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou:
‘ want gij zijt allemaal kinderen van het Licht lichts en kinderen van de dag. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn. Want die slapen, slapen ’s-nachts en die zich bedrinken, zijn ’s-nachts dronken, maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van Geloof en Liefde en met de helm van de Hoop van/op de  zaligheid; want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Heer Jezus Christus, die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven. Vermaant daarom elkander en bouwt elkander op, gelijk gij dit ook doet’1Thess.4: 18-5: 10[11].

Vermaant elkander‘ wil zeggen elkaar aansporen om je beter te gedragen, teneinde elkaar op te bouwen in de zin van: “Hou nu eindelijke eens op jezelf en elkander te beklemmen en onveranderbaar te blijven“.
God’s vermanende Geest zweeft over de wateren, zoals de profeet het ervaart:
        Hun vleugels waren naar boven uitgespreid; ieder had er twee die met elkander verbonden waren; en twee bedekten hun lichaam. En zij gingen ieder recht voor zich uit; waarheen de geest wilde gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om als zij gingenEzech.1: 11-12.
Het staat er niet met zoveel woorden bij, dat het de Geest van God was die deze wezens aandreef. Maar wanneer deze profeet hen heen en weer ziet flitsen binnen die stormwolk, merkt hij op dat zij dat zeer gecoördineerd doen. Hun vleugels die elkaar aantippen, raken elkaar nooit kwijt, waar zij ook heengaan.
⁌ Kennelijk is er iets wat hen gezamenlijk aandrijft.
⁌ Kennelijk is er Iemand, Die hen bezielt . . . . .
Wie zou dat anders zijn dan Gods Eigen Geest, de Geest van onze Heer en Zaligmaker, Jezus Christus? In een visioen ziet de profeet van Openbaringen later een gedaante zittend op een wezen met vier gezichten: dat van een mens, van een os, een leeuw en van een adelaar.

En daar wordt je blij van, ‘zoals bij de Cherubijnenhymne‘, want wezens met vier gezichten zijn wel héél anders dan wij, hun bizarre vreemdheid schept afstand. Maar indien zij worden aangedreven door God’s Geest, dan passen zij in de wereld, die God geschapen heeft, net als wij – ook al begrijpen ‘wíj’ er geen snars van.

Terzelfder tijd kwamen enigen tot Hem met het bericht over de bewoners ‘uit eigen kring’] wier bloed Pilatus [Hebr.= ‘gewapend met een speer’] met hun offers vermengd had”.
1.]. Pilatus speelt een belangrijke rol in het tijdens verhaal van Christus, dus ook in het lijden van de navolgers van Christus: “hij is overtuigd van de onschuld van Jezus en wast zijn handen symbolisch in een bakje water”.
Hij was politicus naar Romeins recht uit de eerste eeuw na Chr.; hij stamde uit het oude geslacht van de Pontii en behoorde tot ‘het establishment‘, de stand van de equites [hij was ten slotte geridderd]. Pilatus was van 26-36 na Chr. de 5e praefectus civitatum van Judea [de praefectus Iudaeae], onder het gezag van het Romeinse Rijk ten tijde van Keizer Tiberius; zoiets als de huidige ondertoezichthouders.
Hij was, na Annius Rufus, de opvolger van Valerius Gratus.
Pilatus wordt in het Nieuwe Testament en de Apostolische geloofsbelijdenis genoemd als degene die Jezus van Nazareth liet kruisigen.
Philo van Alexandrië beschrijft hem als een harde, onbuigzame man.
Volgens de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus [Ant. 18:3] kwetste hij de Joden diep door na verplaatsing van het Romeinse garnizoen van Caesarea naar Jeruzalem heimelijk midden in de nacht.
2.]. En dan volgt het volgende:
            Meent gij, dat deze Joden [‘uit eigen kring’] groter zondaars waren dan alle andere verbondsgenoten [‘uit eigen kring’], omdat zij dit lot hebben ondergaan? Neen, zeg Ik u, maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen. meent gij, dat die achttien, op wie de toren bij Siloam viel en die erdoor gedood werden, schuldiger waren dan alle andere mensen, die in Jeruzalem wonen?”.
3.]. En dan volgt als waarschuwing een van de toenmalige Israëlische rampen, de val van een toren in het Jeruzalem uit de oudheid, waarschijnlijk gelegen in de buurt van de Vijver van Siloam [van tijd tot tijd daalde daar een engel des Heren af, die het water in beweging bracht], waarbij 18 mensen om het leven kwamen.
Deze perikoop begint met “Terzelfder tijd kwamen enigen tot Hem”, met gevolg dat je jezelf afvraagt, wat ging hieraan vooraf? Nu, lees zelf:
4.].       Wanneer gij een wolk ziet opkomen in het westen, zegt gij dadelijk: Er komt regen, en het gebeurt. En wanneer gij de zuidenwind ziet waaien, zegt gij: Er zal hitte komen, en het gebeurt.

       ‘ Huichelaars, het aanzien van aarde en hemel weet gij te onderkennen, waarom onderkent gij deze tijd niet?
En waarom ook oordeelt gij niet uit uzelf wat recht is?
Want, als gij met uw tegenpartij naar de overheid gaat, geef u dan onderweg moeite om van hem af te komen; anders zal hij u voor de rechter sleuren en de rechter zal u de gerechtsdienaar overgeven en de gerechtsdienaar zal u in de gevangenis werpen. Ik zeg u, gij zult daar voorzeker niet uitkomen, 
voordat gij ook de laatste duit betaald hebt
Luc.12: 54-59.
Met andere woorden wij zijn geen kinderen meer en ook al snappen wij er geen snars van ‘gedreven door het vuur van de H. Geest’ dienen wij elkaar aan te spreken op mistoestanden, zeker wanneer het de gewoonte geworden is, om de handen in onschuld te wassen.
5.]. En vervolgens volgt de parabel van de vijgenboom, die -nog één jaar- in de gelegenheid gesteld wordt vrucht te dragen. In God’s tijdsrekening kan een jaar lang of kort duren, maar vroeg of laat zal er een oordeel volgen, ook al kan dat vernietigend klinken.

Een mens wordt niet langer beheerst door ‘de wil tot Macht‘, ‘door de Drift tot zelfbehoud‘, maar wordt beheerst ‘door God’s ontferming‘.
Het willen -ook het willen van de Kerk- ontstaat uit welbehagen.
Het menselijk willen los daarvan is heteronoom: het is macht, het zelfbehoud die ons dan bepalen en niet de vrijheid van God’s eudokia [ook wel Jevdokia ±1180, de dochter van de Byzantijnse keizer].
Niets is redelozer en redelozer dan onze machtswil, die ons uiteindelijk individueel en collectief het leven kost. Wij, christenen, staan hier voor een wonderlijke [zij het slechts schijnbare] paradox [tegenstrijdigheid].
Indien God’s welbehagen de oorsprong van het hart is en vanuit dat hart de uitgangen des levens zijn, wordt onze wil gevormd door de grote Ander en dàt betekent tegelijk dat onze wil wordt gevormd door ieder ander die je aanziet met het gelaat van God.
Zo worden we ‘vrij’ gemaakt van de heteronomie waarin de autonoom zich wanende mens altijd weer terugvalt en gesteld wordt in de autonomie die zich ‘door de ander’ [in zijn nood] laat gezeggen. De vrijheid wordt je door de ander gegeven, indien je hem/haar toestaat je de Liefde te leren.

Zó vinden wij hier een antwoord op de merkwaardige problematiek van de autonomie in onze cultuur, die verworden is tot zucht naar machtsuitbreiding [ja, ook in de Kerk], tot wereldverovering en zelfontplooiing, waardoor vrijheid wordt verstaan als ruimte om onze eigen begeerten te vervullen.
Zó zijn wij knecht geworden van onze eigen vrijheid, want deze ruimtelijke  opvatting van vrijheid leidt onvermijdelijk tot een principieel conflict van vrijheden.

Triptych – Transfiguratie

                 Indien wij ons laten gezeggen door God in de ander en de ander in God hervinden wij onze vrijheid: ‘de Wil van God, Die moge geschieden, maakt ons vrij’. Wij worden daardoor aangedaan, bekleed, met een vrijheid, die véél verder reikt dan de actieradius van onze burgerlijke aansprakelijkheid en tevens vèrder dan die van onze ethische verantwoordelijkheid: “we zijn geworden tot mensen, die borg staan voor de Waarheid“.
We staan in de ‘lichtkring’, het Thabor-licht van de meest vrije Mens ooit geboren: onze Heer en Verlosser, Jezus Christus.

Voor één ding behoede ons God, dat de Kerk, ‘díe’ goddelijke macht gaat uitoefenen, daarbij is het ‘woeden van de heidenen’ gering. Want als de kerk in de wereld macht gaat uitoefenen, beneem zij de wereld zich op haar eigen ‘Blijde Boodschap’: zij vervalst de Macht van God.
De zin en betekenis van de Bergrede, waartoe het ‘Onze Vader’ behoort, is ‘de gemeenschap in Christuste leren, dat God in Zijn Volmaaktheid alleen maar kan worden nagevolgd.
Deelnemend in God’s beweging leert de gemeenschap van Christus: de andere wang toe te keren, vriendelijk te zijn tegen de tegenpartij, te vergeven en opnieuw te beginnen, vijandschap door Liefde overwinnen, het eigen woord gestand doen, ‘niet bezorgd te zijn‘ voor zichzelf, ‘volmaakt te zijn’ in het voetspoor van God in Christus.
Dit dankbaar volgen echter kan en mag nooit een plaatsvervangend uitoefenen worden. Dáármee blijkt altijd weer de oerzonde van de [door mensen gestalte gegeven, het instituut] kerk, de religieuze leugen, die de profetie verduistert.
Ook in de ethiek van de macht, laat de christelijke gemeenschap God God zijn, wanneer zij slechts doet wat ‘haar‘ is opgedragen en dat begint bij het indammen van de toegemeten macht.
En dat betekent dat de Heerlijkheid [of de Glorie, ook in de zin van de zegepraal] ‘de werking‘ is van God.
De Christelijke gemeenschap belijdt Doxologisch, dat ‘de Triomf en de H[eer]‘ is aan de machten en de tronen [ook niet aan de altaren] maar aan God.
Hierbij gaat het niet om de glorificatie van de kerk: haar dient alle triomfalisme vreemd te zijn; de Glorie is alleen aan deze geheel andere God.
De Glorie is ook gekwalificeerd door Wie God in Christus is: het is de Glorie van Zijn Verbond, Zijn verkiezende vriendschap, Zijn toewending en onweer-staanbare Liefde.
God heeft Zijn eer in Zijn menswording gesteld en wel Zijn menswording tot in de uiterste consequentie van lijden en dood.
Het is God’s Eer een mensgeworden God te zijn en Zijn Eer ligt niet in Zijn God als goden en zelfs niet in Zijn God zijn groter dan de goden, want ook dit staat in dienst van de bevrijding van mensen. Mozes en God spreken als vrienden, dat is God’s Glorie.
God’s Doxa verlicht de tijden, toch is het geen doña [δονάτος, je maar overgeven, (‘slapen‘)], die verblindt, fascineert of doet beven.
Zij ligt immers in de diepte, bij de vernederden en die slapen niet, vanwege het lijden.
God’s Licht schijnt in de duisternis, God’s Glorie verslindt ons niet, slorpt ons niet op, maar zet ons met beide voeten op de grond, bevrijdt ons en verruimt ons blikveld.
God’s zon schijnt ons niet in het gezicht, maar is de ‘Zon der Gerechtigheid’, ‘Bron van Licht‘ en verlichting.
God maakt Zichzelf niet groot, door ons een kopje kleiner te maken; Hij is Groot in het grootmaken van mensen. Hij is de Grote God, Die Zichzelf klein maakt: Hij wil door ons doen en laten grootgemaakt worden.
Heel anders dan zouden wij verwachten is juist God’s Glorie een mededeelbare eigenschap. Onze toekomst is het deel te hebben aan de Glorie van God; God glorieert niet zonder de mens.
Mens en wereld zijn tot Die Heerlijkheid bestemd.
Voor wie dáár oog voor krijgt, verbleekt alle heerlijkheid die de wereld [ook de individuele bloedgroepen in de kerk] in zichzelf denkt te hebben, meent te bezitten.
De gemeenschap van Christus is niet overbluffend door pracht en praal, zij heeft ‘weet‘ van een andere Glorie.
Deze Glorie is een zegepraal van zo’n hoog gehalte, dat wij haar alleen ‘van God‘ kunnen verwachten, want in de triomf zal God Zijn Eigen scheppin dienen te overtreffen.
En dat niet alleen: Hij zal ook een hele grote omweg dienen te maken, die de [kerkelijke] geschiedenis is gegaan. Ook dàt is nog te weinig: Hij zal alle tranen moeten afwissen en vertroosting moeten brengen over de bedroefde levens.
En zelfs dat is niet genoeg: alle zonde en boosheid dien voorgoed verzwolgen te worden in de uiteindelijke overwinning.
De Christelijke gemeenschap schaamt zich niet op God’s Gericht, op Zijn uiteindelijk Oordeel:  de honden, de dieven en moordenaars, de leugenaars, de uitbuiters en de geweldenaars zullen buiten staan, tenzij zij zich hebben bekeerd, want:
Van U is de Glorie, de Macht en de Heerlijkheid, als het begin, nu en voor altijd en in de eeuwen der eeuwen, Amen”.

 

– ‘unlocked‘ –

Ik wil u verhalen en niet God’s Mysteriën voor u verbergen, want Hij is het, die Wijsheid geleidt en de Wijzen richt op hun weg: in Zijn hand is alle Wijsheid en kennis en kundigheid. Een verleidelijke vluchtweg naar opzij weet ons ook daar te vinden waar mensen er op gaan vertrouwen [zich willoos overgeven] dat macht of machtsverwerving bij het behartigen van ‘Christelijk belangen‘ ons uit de crisis zou kunnen helpen; het blijkt dat ook deze vluchtweg een dwaalweg is.

Troparion     tn.4.
Aanvoerders der Hemelse Heerscharen,
wij, onwaardigen bidden tot u:
beschermt ons door uw gebeden onder de beschutting van de vleugelen
van uw onstoffelijke Heerlijkheid en behoedt ons
die voor u neervallen en dringend roepen:
redt ons uit alle gevaar, want u bent 
de Aanvoerders van de Krachten uit den Hoge“.

wordt nog vervolgd