November 11e, De Heilige Martinus, de Barmhartige, bisschop van Tours, beschermheilige van Utrecht.

Heilige Martinius van Tours, bisschop & Belijder.

      Zalig zijn jullie, wanneer men jullie smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van jullie spreekt om Mijnentwil.
Verblijdt jullie en verheugt jullie, want je loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten voor jou vervolgd.
        Jullie [geroepen mensen] zijn het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden.
         Jullie [geroepen mensen] zijn het licht van de wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn.
Laat [dan] zó jullie licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de Hemelen is, verheerlijkenMatth.5: 11-16.

      Aan eenieder wordt de Openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen. Want:
– aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest;
– aan de een Geloof door dezelfde Geest en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest;
– aan de een werking van krachten, aan de ander profetie;
– aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer 
een ander vertolking van tongen.
Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil” 1Cor.12: 7-11.

    Wanneer de Gerechte geprezen wordt, verheugt zich het volk; want
onsterfelijk is zijn gedachtenis, daar hij erkend wordt door God en de mensen en
zijn ziel behaagd heeft aan de Heer.
Bemint daarom de Wijsheid, jullie [‘geroepen’] mensen, verlangt naar haar en jullie zullen onderricht worden.
Want het begin van de Wijsheid is de Liefde en het onderhouden van de Wet [de Thora].
Eert de Wijsheid, opdat jullie jezelf mogen beheersen in eeuwigheid

uit: Wijsheid van Salomon.

In de winter van het jaar 354 gaat een Romeins soldaat, Martinus, als officier de versterkte poort van de stad Amiens [Frankrijk] binnen.
In de poort van de stad ontmoet hij daar een bedelaar, die zit te rillen van de kou.
Martinus, goed en warm gekleed in zijn soldaten-uniform, is hevig ontroerd door de aanblik van deze ellende.
Hij was een door de Heilige Geest begenadigde catechumeen, die niet kon wachten tot hij voldoende te weten zou komen over de nieuwe religie, die uit het oosten afkomstig was en zich onder de welwillende bescherming van keizer Constantijn [272-337] over Europa begon te verspreiden.
Martinus had regelmatig wat geld van zijn loon onder z’n personeel verdeeld, aangezien hij zijn dienaren als gelijkwaardig beschouwde.
Die dag scheurde hij, als reactie op de ontmoeting met de kou-lijdende bedelaar, zijn mantel met z’n zwaard in twee stukken en gaf de helft van zijn mantel aan de bedelaar opdat deze zich kon warmen.
Dit gebaar zal velen tot vèr ná hem aanzetten zich het lot van de armen aan te trekken.
Dit was geheel tegen de heidense gewoonten in, de armen hadden gewoon pech, die
dienden zelf maar door veelal zwaar en dodelijk werk aan hun trekken zien te komen.
               Je kunt het vergelijken met datgene wat er momenteel plaatsvindt:
– duizenden door de crisis in Venezuela wonende mensen – trekken door Mexico, om van aldaar mee te delen met de Rijkdom van het noord-Amerikaans continent.
De rijken zouden zich dienen te schamen, dat ze zulke grote bevolkingsgroepen
geen helpende hand hebben toegestoken.
         De Heilige Martinus overkomt na z’n barmhartige actie daarop volgende nacht het volgende:
Hij ontmoet in een droom Christus Zelf, die bekleed is met de helft van zijn mantel, die hij de dag daarvoor aan de bedelaar had geschonken.
Dit visioen heeft er toe bijgedragen dat hij die dag onmiddellijk een geestelijk leidsman, een spelleider, heeft aangeschoten met het verzoek hem te dopen.

‘Heilige Martinus’, patroonheilige van de stad Utrecht – gevelsteen in Utrecht

“ –Het delen van zijn mantel– ”, een eenvoudiger gebaar kun je toch niet bedenken onder de minder buitengewone dingen, die Martinus van die dag af aan in zijn leven als volgeling van Christus heeft ondervonden. We zullen daarom trachten als een rode draad zijn leven in Christus te gaan volgen.

Het Romeinse keizerrijk                                      [27 v. Chr. t/m 284 na Chr.]
Als toekomstig ruiter en vechter in de keizerlijke garde werd Martinus in de Hongaarse provincie Pannonia {nu: Szombathely] geboren uit een heidense familie, naar men aanneemt in het jaar 316, maar anderen spreken van 336. Sulpicius Severus is hierover niet duidelijk, waarschijnlijk omdat hij zich schaamt  dat zijn beschrijving van deze held, Christen zoals hij was, al meer dan twintig jaar onder de wapenen was, merkt Bruno Judic hierover op.

Romeins legioen onderweg

Dus reduceert deze als hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Tours en de voorzitter van de Europese cultureel Centrum de Heilige Martinus van Tours, in deze z’n leven als de Heilige Martinus de lengte van z’n leven met twintig jaar . . . De groten der aarde van alle tijden zullen echter in zijn visie aan onze ogen voorbij trekken, maar het staat vast dat Martinus, in tegenstelling tot veel heiligen uit het begin van het Christendom, een historisch figuur van vlees en bloed is geweest.
Door de fijngevoelige geschriften van Heilige Sulpice Sévère afkomstig uit Bordeaux, werd deze volgeling van Christus in de late 4e eeuw een beroemdheid en kunnen we kennis nemen en begrip krijgen over datgene wat Martinus zoal in z’n leven heeft gedaan.
Toezichthouder en opvolger als bisschop van de Heilige Martinus Gregorius van Tours [538-594] bevestigt echter zijn geboortejaar als 316 AD, zodat ook dat verschil van inzicht wordt opgelost.
Zoals het in die tijd gebruikelijk was volgde Martinus in de voetsporen van zijn vader en werd hij net als hem router in de keizerlijke garde, die hem naar Gallië deed komen.
Enige tijd na het wonderbaarlijke voorval in Amiens, geeft Martinus er in Worms, aan de linkeroever van de Rijn, de voorkeur aan het leger, die de barbaren bestreed, de rug toe te keren.
Hij begeeft zich op weg naar Poitiers en bezoekt daar de beroemde bisschop Hilary, die hem met vreugde in de armen sluit.

Zoals al eerder vermeld – kunnen de christenen zich vanaf het bewind van keizer Constantijn de Grote vrij in de wereld bewegen, echter in Gallië ontstaan er slechts 30 bisdommen en blijven de heidense traditionele geloofsovertuigingen de boventoon voeren. Daarnaast speelt ook de invloed van een zekere Arius, als geestelijk leider uit de derde eeuw en door de Kerk veroordeeld als ketter, een grote rol. Arius trachtte in tegenstelling tot de leer van de Apostolische Kerk z’n volgelingen duidelijk te maken dat zij Christus als Zoon van God niet dienden te erkennen en dat Christus slechts mens was en beslist niet de goddelijke natuur van Zijn Vader in de Hemelen bezat.
Al spoedig daarop doorkruis Martinus als prediker door Europa en probeert tevens zijn ouders, die nu in IIIyria [Croatië] verblijf hielden en botst overal om zich heen op tegen de aanhangers van Arius. Na een verblijf in Italië, waar hij het leven van een asceet ervaart, zoals de woestijnvaders van Egypte dit beoefenden, keert hij terug naar Poitiers.
        Met toestemming van toezichthouder Hilary, die tevens zijn mentor werd, laat hij in de omgeving van Ligugé, in jaar 360 AD, het eerste klooster van Gallië het levenslicht zien. Dit klooster heeft hij naar alle waarschijnlijkheid gebouwd  op de ruïnes van een Gallo-Romeins heiligdom, gewijd aan de de Keltische zonnegod ‘Lugh’. Deze heidense god is jong, sterk en meester in tal van kunsten; hij wordt tevens vereerd als de vader van de ambachten en de handel.
Je dient je hierbij een voorstelling te maken van het feit dat Martinus hier met een aantal metgezellen zich 10 jaar lang gedragen heeft als een woestijnvader en zelf een kluis bewoonde, aldus broeder Anthony Frederik, historicus en monnik te Ligugé [een gemeente in de regio Vienne in de regio Nouvelle-Aquitaine in het westen van Frankrijk]. Het ligt aan het riviertje  de Clain, op 8 kilometer van ten zuiden van Poitiers. Ieder van de monniken woonde in een aparte cel, die alleen verlaten werd voor de maaltijd en het gezamenlijk gebed.
Martinus bouwt zich als gevolg van een genezing van een van zijn volgelingen en en bediende en reputatie op. Dit is ongetwijfeld de reden waarom de inwoners van Tours hem in 371 – ondanks zijn ruige en niet al te frisse uiterlijk, als hun bisschop aanwijzen. In die tijd werd, mede onder invloed van keizerlijke allures, reeds de voorkeur gegeven aan kandidaten uit aristocratische families. Door de invloed en draagkracht meende men in tegenstelling tot datgene wat Christus Zelf verkondigd heeft, daarmee zekerheid voor de Kerk te bewerkstelligen. Het was dus min of meer een schandaal om een figuur als die vagebond Martinus als toezichthouder/bisschop aan te stellen. Broeder Antoine-Frédéric laat ons weten dat Martinus de aanstelling weliswaar accepteerde, maar zoals zo vaak tijdens zijn lange leven, werd hij verscheurd tussen zijn dorst naar ascese en de noodzaak het volk te evangeliseren.
Zo vluchtte Martinus naar de woning en verblijfplaats van zijn bisschop om zich vervolgens opnieuw te vestigen in een door hem gevestigde hermitage aan de andere kant van de Loire, te Marmoutier.

Heilige Martinus van Tours,  ‘wonderdoener‘.

“ . . . . . Martin bezette aldaar een houten cel”, zo zegt Sulpice Sévèrus, “en een groot aantal van zijn medebroeders werd in de omgeving op dezelfde manier ondergebracht. Maar de meesten van hen zochten een schuilplaats in een door hen zelf uitgehakte/ uitgegraven holte in de bergen, die hen tot schuilplaats diende“. Onophoudelijk trekt de toezichthouder/bisschop Martinus door geheel Gallië rond en wordt door de Heer begenadigd, wonderen te laten plaatsvinden.
Hij geneest een lepralijder in Parijs, een verlamde jongeling in het huidige Duitse Trier, zijn Spaanse leerling de Heilige Paulinus van Nola [22 Juni], in de stad Wenen [Oostenrijk] drijft hij demonen uit, verlost hen uit de macht van de tegenstrever [de duivel] en haalt heilige eikenbomen omver of weerstaat het weer door een hagelstorm te beteugelen . . . .

Zijn groeiende uitstraling en energieke voorkomen zijn een bewijs dat hij zowel religieus als in de politieke omgang z’n mannetje stond, als bisschop van Tours bezocht hij diverse malen het keizerlijk hof, dat zich in Trier bevond en had daar een onderhoud met Valentinianus I [364-375] en vervolgens met keizer Maxime [383-388].

Verlies van vermogen om iets tot stand te brengen
Met verve en met grote inzet bestreedt hij de Ariaanse ideeën, verdedigde hij tevergeefs de Spaanse bisschop Priscillian en z’n volgelingen, die ter dood waren veroordeeld vanwege vermeende ketterij. Martinis was daarbij naar alle waarschijnlijkheid gevoelig voor het feit dat Priscillian een vorm van ascese predikte, die de zijn nabij kwam, zo concludeert broeder Antoine-Frédéric. Toch keurde Martinus de gnostische ideeën van bisschop Priscillian en z’n volgelingen niet goed. Het is eerder door een gevoel van Genade dat hij om de Spaanse rechter om clementie  heeft gevraagd.
Na deze mislukking blijft Martinus weg van de bisschop’s synodes [vergaderingen van plaatselijke bisschoppen].
Aan de hand van datgene wat historicus ‘Sulpice Severus’ ons laat weten bemerk je dat Martinus het niet langer met anderen eens is. Hij heeft metgezellen/discipelen om hem heen, die door de Heilige Geest in vuur en vlam staan, maar hij heeft daarnaast veel vijanden [niet-vrienden, zoals men dat in dàt soort kringen uitdrukt].
Het beste bewijs daarvoor is dat zijn opvolger op de toezichthouder’s-zetel, een zekere Brice, welke door de historicus Sulpicius Severus verguisd wordt, weigerde op het graf van Martinus een ‘Martyrium’ te laten bouwen, een soort gedachtenis kapel, waarbij zowel martelaren als heiligen – ‘een eeuwige gedachtenis’ werd toebedacht. Het volk verwacht immers ook na de dood van een heilige, steun, toeverlaat en genezing als gevolg van zijn/haar gebeden tot onze Heer en Verlosser.
En toch, zou zowel in Candes, waar Martinus tijdens een pastoraal bezoek stierf, als te Poitevins en Tourangeaux, zijn stoffelijk overschot worden betwist, want zo’n bekende heilige in je midden betekent niet anders dan ‘geld’ in het laatje en dat schijnt nog steeds bij Moeder de Heilige Roomse Kerk de boventoon te voeren. Kijk maar wat het stoffelijk overschot van de grote toestroom van vroegere gelovigen ook nu de Kerk niet oplevert aan de verkoop van onroerend goed. Niemand, die inzicht heeft waar dit grote geld, aan besteed wordt.
           Maar het gevecht om het verkrijgen van het stoffelijk overschot, geeft ieder geval weer dat voor ten minste een deel van de beminde gelovigen van de streek ‘Martinus’ als Heilige beschouwd werd.

            Tot die periode waren voorbeeldige christenen in de ogen van het volk ‘de martelaren van het Geloof, zo laat Bruno Judic ons weten. Het enige verschil met voorheen is dat ze niet langer door de mens worden vervolgt, echter wel staande zijn gebleven voor de aanvallen van de duivel.
Sulpice Severus blijft ervan overtuigd dat de Heilige Martinus een richtsnoer is van Geloof, voorbeeld van zachtmoedigheid en leraar der onthouding, want zo heeft onze Heer in Waarheid hem aan Zijn kudde getoond. Hij willen ons overtuigen dat Martinus een leven geleid heeft dat nèt zo heilig is als het leven van de martelaren – ook al stierf onze heilige Martinus – op vredige wijze in Candes, na een vruchtbaar en voorbeeldig leven.
Dit is de reden waarom hij in z’n geschriften zo veelvuldig aandringt op de ascetische nauwgezetheid en de mirakelen van de heilige Martinus.
Dankzij zijn geschriften zal de nagedachtenis aan onze toezichthouder/bisschop van Tours voor altijd behouden blijven.
Ondanks de tegenwerking van de opvolger op de toezichthouder’s troon, de bruut Brice – die de postume populariteit in toom wenste te houden, bouwde een van z’n latere opvolgers, Perpetuus in 460 een grote basiliek op het graf van de Heilige Martinus.

Het Frankische Rijk, beginnend bij Clovis I

Daarop volgend maakte de Frankische koning Clovis [466-511] in het jaar 507, de grote vertegenwoordiger van de strijd tegen het Arianisme, onze Heilige Martinus tot de beschermer van zijn dynastie.
De Frankische koning Clovis (ca. 466-511), ook wel bekend als Clovis I, was de eerste Frankische vorst die zich tot het christendom bekeerde.
Clovis werd geboren omstreeks het jaar 466 als zoon van Childerik I en Basina.
Toen hij vijftien jaar was, in 481, volgde Clovis zijn vader op als koning.
Kort tevoren, in 476, was de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus afgezet, waarmee een einde kwam aan het West-Romeinse Rijk.
De weg naar machtsuitbreiding lag hierdoor open voor de Franken.
            In 486 behaalde Clovis een belangrijke overwinning op Syagrius [ca.430-486], de laatste Romeinse generaal, die zich nog in Gallië bevond en die
– aldus geschiedschrijver Gregorius van Tours [ca.534-594] in diens werk Historia Francorum – in opdracht van Clovis met een messteek de dood vond.
            Hij staat vaak in de schaduw van de latere vorst Karel de Grote, maar het is de vraag of dat terecht is.
In 507 verplaatste Clovis het machtscentrum van Doornik naar Parijs, nadat hij de Visigoten verslagen had. Op 27 november 511 overleed hij in Parijs.
Bij zijn overlijden hadden de Franken zeggenschap over bijna de volledige provincie Gallië, dat voortaan Frankrijk heette: ‘het rijk van de Franken‘.
              Tot zover deze geschiedkundige samenvatting van het leven van de grote Europeesche Heilige Martinus van Tours, welke gememoreerd wordt, om duidelijk te maken, hoe deze Heilige ook in de Lage Landen ondanks zijn nederigheid het verhevene dusdanig heeft gewonnen, dat hij hier alom geëerd wordt.

Apolytikion     tn.4.
Als richtsnoer van het Geloof en voorbeeld van zachtmoedigheid,
leraarden onthouding, zo heeft de waarheid uwer daden u aan uw kudde getoond.
Door nederigheid hebt gij het verhevene gewonnen, door armoede de rijkdom.
Vader en aartsbisschop Martinus, bidt tot Christus god, onze zielen te redden
”.

Kondakion     tn.3.
In Tours zijt gij verschenen als bedienaar van de Mysterie2n God’s, o Heilige,
want het de Blijde Boodschap van Christus vervullend,
hebt ge uw leven voor de kudde gegeven en onschuldigen van de dood gered;
daarom zijt ge geheiligd als een groot leraar in de Genade van God
”.