24e Zondag na Pinksteren – de Barmhartige Samaritaan: wie is je naaste en met wie ga jij een verbintenis/verbond aan?

      En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken en zei:
            Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?
En Christus zei tot hem:
            Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij?
Hij antwoordde en zei:
            Gij zult de Heer, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf.
En Hij zei tot hem:
            Gij hebt juist geantwoord; doe dat en gij zult leven.
Maar hij wilde zich rechtvaardigen en zei tot Jezus:
            En wie is mijn naaste?
Daarop hernam Jezus en zei:

” Zie de mens”.

            Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem niet alleen uitschudden, maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem halfdood lieten liggen. Bij geval daalde een priester af langs die weg; en deze zag hem, doch ging aan de overzijde voorbij.  Evenzo ging ook een Leviet langs die plaats, en hij zag hem en ging aan de overzijde voorbij.
            Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam in zijn nabijheid, en toen hij hem zag, werd hij met ontferming bewogen. En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn op; en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en ver zorgde hem. En de volgende dag stelde hij de waard twee schellingen ter hand en zei: ‘Verzorg hem en mocht gij meer kosten hebben, dan zal ik ze u ver goeden, op mijn terugreis.
            Wie van deze drie dunkt u, dat de naaste geweest is van de man, die in handen der rovers was gevallen?
Hij zei:        Die hem barmhartigheid bewezen heeft.
En Jezus zei tot hem:
Ga heen, doe gij evenzo
Luc.10: 25-37.

Onderweg

          Want Onze Heer en Verlosser is onze Vrede, Die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in Zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, Vrede makende, de twee tot een nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot een lichaam verbonden, weer met God te verzoenen door het Kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft.
            En bij Zijn komst heeft Hij Vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren; want door Hem hebben wij beiden in een Geest de toegang tot de Vader.
            Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is.
            In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Heer, in Wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede van God in de GeestEph.2: 14-22.

Zoals u van Christus gewend bent houdt Hij u een spiegel voor, de Blijde Boodschap, Die Hij verkondigt is de Waarheid en wordt ook vandaag heel helder door de Heilige Lucas weergegeven.
              “ . . . . . Een mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers”!
Voor een goed verstaander, een volgeling van Christus, is dit heel helder:
deze mens ging de verkeerde kant op,
Christus gaat op naar het eeuwige Jerusalem, ons aller bestemming, deze mens juist niet.
Deze mens ging de verkeerde kant op met een groot vermogen op zak – anders was hij niet door rovers overvallen en was hij niet halfdood aan de kant van de weg achtergelaten.
De tegenstrever, de duivel vond het de moeite waard hem onder uit te halen en totaal verbouwereerd achter te laten. Deze mens ging aan de doorwaadbare plaats voorbij, teneinde aan de overkant – z’n redding naderbij te komen. Nee, hij deed het verkeerd, in z’n handelsgeest dacht hij slim te zijn en wierp zich een dam op, waarbij het water hem aan de lippen steeg en loopt hij het gevaar z’n leven te verliezen. Misschien was hij daartoe door verkeerde vrienden geadviseerd, zoals zo dikwijls in ons leven voorkomt.
En wat zien we voor onze ogen gebeuren iedereen laat hem begaan, niemand doet iets, laat staan wordt er een mond open gedaan. De gehele geestelijkheid gaat aan hem, al stervende voorbij, laat hem links liggen,  een priester, een Leviet [uit de “stand der hogepriesters“] alles wat met de directe zorg is belast van het geestelijk leven gaat aan het slachtoffer voorbij.

“Wie is mijn naaste?” by Vincent van Gogh 1890

En dan komt er een Samaritaan, je zou het niet verwachten, maar juist die Samaritaan heeft de juiste inborst, doet datgene wat Christus van hem verwacht – is Christen – is van Antiochië [is pertinent tegen datgene wat de wereld doet] en komt dit slachtoffer te hulp.
De wereld speelt het arrogant beleefde [zoals het ‘heurt’] spelletje mee, gaat overal glimlachend aan voorbij, doet de mond niet open en laat datgene wat het slachtoffer overkomt gewoon gebeuren, hoe ‘on-christelijk‘ het ook mag zijn.
Maar zijn we dan -óók ìn de Kerk- geen “vreemdelingen en bijwoners” meer voor elkaar,
  mogen we elkaar niet eens meer de Waarheid te zeggen;
  wordt er massaal gedaan of het de gewoonste zaak van de wereld is dat iemand zichzelf bezeerd;
  laten we hetgeen heeft plaatsgevonden gewoon gebeuren en wachten we maar af hoe dit verder zal aflopen?
        Onze Heer en Verlosser is onze Vrede, Die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in Zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, Vrede makende, de twee tot een nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot een lichaam verbonden, weer met God te verzoenen door het Kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft”.
Hij maakt ons tot
        medeburgers der heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is.            In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Heer, in Wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede van God in de Geest“.

In de heiliging van de Naam door God Zelf, gaat het niet meer om onze goden, zelfs niet om onze enige eigen opge-bouwde God, maar om God boven alle goden, van Wie wij alleen kennis kunnen hebben als ‘Hij’ ons doet delen in Z’n eigen Genadegave tot zelfkennis. Dat deze God Zich in onze godenwereld ophoudt, is niet omdat Hij daar thuishoort.
Dàn verschijnt deze God alleen om met de goden af te rekenen en op die manier  Zijn Naam te heiligen. Deze God wìl niet pèrsé God zijn: Hij is geen object, waarvoor de mens, religieus, kan knielen of waarna deze, atheïstisch genoeg, de rug kan toekeren. Hij is héél on-religieuze God, een God die mens met de mensen wil zijn, die niet gediend wil worden, maar wil dienen.
Wanneer God Zijn Naam heiligt is het -‘over en uit’- met de godsdienst van ons mensen, dan staan wij verwonderd en dankbaar vanwege datgene wat vaststaat als de mensendienst van God.
Deze God, Die Zichzelf heiligt, is in de tedere kwetsbaarheid van Zijn Liefde zó Machtig, dat je ‘nooit en nèver‘ meer van Hem afkomt – van ‘binnen en van buiten‘ blijft het knagen. Hij omringt ons van ‘achteren en van voren‘, irritant onontkoombaar als een minnaar.
We zouden maar al te graag van Hem af willen, Hem de mond snoeren, want de injectie van de Hoop is pijnlijk, zij immuniseert niet, maar sensibiliseert, maakt de mens gevoelig.
Wij zijn heidenen en geven het op, we kiezen liever voor het ‘Sein zum Tode’, maar deze God laat ons niet gaan omwille van Zijn Heilige Naam.

  • Wanneer de Christelijke ‘Gemeenschap’ bidt erkent zij de Naam van God in de wereld ‘niet’ te hebben ‘hoog’-gehouden en mede schuldig te zijn aan de ontheiliging.
  • Zij erkent ook, dat zij, ‘hoogst’-kennelijk, daartoe niet in staat is en daarop bidt zij, dat God ‘Zelf’ Zijn Naam moge heiligen [opdat de Christelijke ‘Gemeenschap’ opnieuw geboren mag worden en deelkrijt aan God’s Heilige Geest].
  • Die onbekwaamheid houdt echter geen verontschuldiging en zeker geen alibi in:
    de Christelijke ‘Gemeenschap’ is [en zij ‘weet’ het] wèl dégelijk geroepen om God’s Naam in de wereld Heilig te houden!!!

Hoe kan dat nog? Hoe geeft God haar/ons daartoe nog een kans?
Het antwoordt op die vraag is
bij nader toezien’- niet moeilijk maar eenvoudig.
De kans, die ons gegeven wordt is:
dat de Christelijke ‘Gemeenschap’ ertoe geroepen is de Naam van God, Die Hijzelf heiligt, in Waarheid te erkennen en te laten gelden, voor zichzelf en Hem hoog te houden in de wereld.
wanneer de Christelijke ‘Gemeenschap’ dit beseft, bevindt zij zich niet langer in het veilige midden. Zij wordt in beweging gezet, zij wordt meegenomen in de beweging van God, de beweging van God’s Zichzelf radicaliserend hernemen, de beweging van God’s Barmhartigheid.
Dat is wat ons vandaag in deze Blijde Boodschap wordt voorgehouden.
de Christelijke ‘Gemeenschap’ immers erkent dankbaar de Heilige Naam van deze ‘gansch bijzondere‘ God, Die geen God wil heten, maar bondgenoot tegen ons lot, partner in het pijnlijk proces van de menswording.
God’s Naam, als in Christus door Hemzelf geheiligd erkennen, betekent in beweging te worden gezet.
de Christelijke ‘Gemeenschap’ breekt altijd weer op uit de ‘ban-kring’ der machten en maakt zich op om van de openbaring der verborgenheid in Christus op te trekken naar de onthulling van de Naam van het eschaton [de Openbaring van verborgen dingen door God], waarin deze God alles zal zijn in allen.
Christelijk leven, als heiliging van ‘God’s door Hemzelf geheiligde Naam’ is niet evenwichtig in het warme midden verkeren, maar aanstalten maken, openbreken en je op Zijn weg begeven.
            Heer, Jezus Christus, Zoon van de levende God, heb medelijden met mij, arme zondaar”.

Apolytikion     tn.7.
  Door Uw Kruis zijt Gij de Overwinnaar van de dood
en hebt Gij het Paradijs geopend voor de Rover.
De droefheid der Myrondraagsters hebt Gij
veranderd in vreugde, en Gij hebt haar gezonden tot de Apostelen om te verkondigen,
dat Gij waart verrezen, o Christus onze God,
om aan de wereld grote Genade te schenken
”.

Kondakion     tn.7.
  Niet langer houdt de onderwereld de gestorvenen vast,
want Christus is er afgedaald en heeft dienst kracht vernietigd.
De hades is geboeid; de Profeten jubelen en roepen:
de Verlosser is aan de gelovigen verschenen.
verheft u in het Geloof, ter Opstanding
“.

Theotokion     tn.7.
Gij zijt de schatkamer van onze Opstanding, o Albezongene.
Voer daarom hen die op U vertrouwen,
vanuit de poel en de afgrond omhoog.
Want Gij hebt ons, die aan de zonden schuldig waren, verlost,
doordat gij de Verlossing gebaard hebt.
Voor deze Geboorte waart Gij Maagd, en in die Geboorte waart Gij Maagd
en zijt na deze Geboorte Maagd gebleven
”.