20e Zondag na Pinksteren – Zondag van de Vaders van het zevende [7e] Oecumenisch Concilie [787 na. Chr.]

”     Dit sprak Jezus en Hij hief zijn ogen ten hemel en zei: ‘Vader het uur is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat uw Zoon U zal verheerlijken,  gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken.
Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.
Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt. En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid, Die Ik bij U had, eer de wereld was.
Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben Uw Woord bewaard. Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in Waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.
Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U en al het Mijne is het Uwe en het Uwe is het Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.
En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, Welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij een zijn zoals Wij.  Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, Welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd.
Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle Mijn Blijdschap in zichzelf mogen hebben’” John.17: 1-13.

”     Want ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens. Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus.
Want gij hebt gehoord van mijn vroegere wandel in het Jodendom: ik heb de gemeente Gods bovenmate vervolgd en getracht haar uit te roeien en in het Jodendom heb ik het verder gebracht dan vele van (mijn) tijdgenoten onder mijn volk, als hartstochtelijk ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen.
Maar toen het Hem, die mij van de schoot van mijn moeder aan afgezonderd en door Zijn Genade geroepen heeft, behaagd had, Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen verkondigen zou, ben ik geen ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed; ook ben ik niet naar Jeruzalem gereisd tot hen, die reeds voor mij apostelen waren, maar ik ben naar Arabië vertrokken en vandaar naar Damascus teruggekeerd. Daarop ging ik drie jaar later naar Jeruzalem, om Kephas te bezoeken, en ik bleef vijftien dagen bij hem; en ik zag geen ander van de apostelen dan Jacobus, de broeder des Heren” Gal.1: 11-19.

    In die dagen en te dien tijde, luidt het woord des Heren, zullen de Gelovigen komen, de navolgers en de Judeeërs tezamen; al wenend zullen zij voortgaan en de Heer, hun God, zoeken; naar Sion zullen zij vragen, op de weg hierheen zal hun aangezicht [gericht] zijn; zij komen en zoeken Gemeenschap met de Heer in een eeuwig Verbond, dat niet zal vergeten worden. Een kudde verloren schapen was Mijn Volk, hun herders misleidden hen, naar de bergen voerden zij hen; van berg tot heuvel gingen zij, zij vergaten hun legerJeremia 50: 4-6.

We vinden hier drie afscheidsredes, die van de Profeet Jeremia, die van Christus en die van de apostel Paulus – allen na een vruchtbaar leven hier op aarde.
Elk van deze redes heeft op de een of ander manier voor ogen dat er een Hoop bestaat, als een gebed wordt dat God de nakomelingen zal mogen bewaren:
”  Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, Welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij een zijn zoals Wij. Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, Welke Gij Mij gegeven hebt en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd”.

Het Mysterie van de Drie-eenheid

De vroeg Christelijke Kerk gebruikte voor het oeroude Goddelijke begrip Drieëenheid van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest het woord περί χωρίς ρε σεις [peri-cho-re-sis [= geen beloning, over geen tijd], min of meer een ‘op en neer’, ‘heen en weer’ [in kruisvorm] bewegen van het menselijk onvermogen.
Maar God is echter nauwelijks door middel van menselijk begrippen te bevatten, te omschrijven. De wil van de mens en van een afgescheiden engelenmacht heeft weerstand geboden aan God’s reddingsplan na haar schepping.
Daarom werd er tijdens de 7 Oecumenische concilies ter voorkoming van ketterijen getracht bepaalde zaken vast te leggen, zodat de navolgers van Christus in ieder geval over enig houvast konden beschikken ten tijde van hevige aanvallen om het Christelijk erfgoed onder uit te halen.
      Aan de hand van Bijbelteksten, Theologie en inzichten van grote Kerkvaders, doorleefde asceten – zowel filosofen als mystici – heeft de Kerk haar best gedaan te laten zien wat er zoal met het goddelijke samenhangt, op die manier ontstond de dogmatische theologie.
Dogmatisch betekent dat men zich door een bepaalde manier van denken een voorstelling van zaken tracht te bereiken – niet van de oorspronkelijke leer af te wijken.
Veelal resulteerde dit in een denkwijze waarbij voornamelijk vastgelegd werd wat God ‘niet’ is, de zogenaamde negatieve [αποφατισχ θεολογία] theologie.
Om rond het God’s-besef een voorbeeld te geven, want ook hier vindt datgene plaats wat de H.Gregorius de Grote zegt over het lezen van de H. Schrift:
“De tekst dient te groeien met degene die hem leest”. Wij mensen beseffen dat God een ‘oneindig’ Mysterie’ [wonder, geheim] is hetgeen al onze begrippen en beelden te boven gaat.  De H. Dionysius de Areopagiet [ca. 500 n. Chr. uit Syrië] stelde dat men elke positieve uitspraak over God [‘God is goed’] diende te ontkennen [ontkennende theologie (Gr.theología apophatikḗ)]: [‘God is niet op gewone wijze goed’], om haar vervolgens in een overtreffende trap weer te bevestigen [‘God is supergoed’].
Alle grote theologen kennen dit negatie-moment in hun spreken over God. Binnen wijsbegeerte en religies kan negatieve theologie betekenen dat goden als steeds transcendenter worden gezien en als minder relevant naar de Hemel verdwijnen.
Wanneer een dergelijke houding van “niet op gewone wijze goed” gehanteerd zou zijn bij het afgelopen ‘Pan-Orthodoxe Concilie’, wanneer dit gehanteerd zou zijn in de onderlinge verhoudingen tussen de super-toezichthouders zou er een basis van wederzijds begrip zijn geweest – een wijze, die vrijheid creëert in de onderlinge verhoudingen.
God is niet alleen Almachtig, Patriarchen zijn niet super Almachtig – zij gunnen elkaar ‘het [Thabor-]Licht’ in de ogen; daar is onderlinge onvoorwaardelijke liefde voor nodig; daar is vrijheid en respect voor nodig.
God is onder ons, Hij is en zal zijn‘, hetgeen betekent dat het niet uitmaakt tot welke door mensen gecreëerde ‘supernova’ [=de is eindfase van een ster] je behoort. ICXC NIKA betekent ‘Jezus Christus overwint’ en dat zal waarschijnlijk inhouden dat er over de wereld verspreid ‘allerlei‘ christelijke groeperingen in de verschillende landen zullen neerstrijken, die ieder vanuit hun eigen basis-gemeenschappen, geleid door hun eigen spelleiders en gezamenlijke toezichthouders hun eigen ding t.o.v. ‘God’ zullen doen.
‘Jezus Christus overwint’, Hij is en zal zijn tot aan het einde der tijden.
Bij God bestaat geen ‘super’, dus “doe gewoon, dan doe je al gek genoeg“.

‘ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bid tot uw Vader, Die in het verborgene is; en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u vergelden’;
‘πηγαίνετε στο εσωτερικό σας δωμάτιο, κλείστε την πόρτα πίσω από σας και προσευχηθείτε στον Πατέρα σας που είναι μυστικός. και ο πατέρας σου, που βλέπει κρυφά, θα σε ανταμείψει’;                                  ‘ go into your inner room, shut the door behind you, and pray to your Father Who is in secret; and your Father, Who sees in secret, will reward you’.

Waarschijnlijk zal ook dit een ‘langdurige‘ strijd worden [ik hoop van harte van niet, want het is de tegenstrever, die zij in de kaart spelen] alvorens de ‘supernova’s’ hun plaats in het Lichaam van Christus zullen weten en zich als volwassen volgers van Christus kunnen gaan gedragen: ” Heer, ontferm U, over uw Gemeenschap, Die Gij vanaf den beginne hebt gegrondvest” oftewel: ” Heer, red Uw Gemeenschap uit de mùil van de léeuw, bescherm ons tegen de horens van de wilde stier“.
Want Christus Zelf geeft ons vandaag het antwoord op deze dringende oproep:
➥➥➥Hij heeft de Almacht van de Vader gekregen om eeuwig leven te schenken. Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt” [red. 😍]. 

In dit streven ‘ter voorkoming van ketterijen‘ gedenken wij vandaag de Kerkvaders van het Zevende Oecumenische Concilie, welke in het jaar 787 in Nicea bijeen werd geroepen.
Tijdens dit Zevende Oecumenische Concilie werd bepaald dat heilige iconen in onze kerken onontbeerlijk zouden zijn. Er volgde een lange strijd in Byzantium, die van de 8e tot de 9e eeuw duurde, tussen diegenen die de iconen vereerden en diegenen die ze wilden vernietigen, de zogeheten iconoclasten. Zij wilden de iconen uit de kerken verbannen.

” Daarna wees de Here nog tweeënzeventig aan en Hij zond hen twee aan twee voor Zich uit naar alle steden en plaatsen, waar Hij Zelf komen zou” Luc.10: 1.

Wij Orthodoxen mogen dankbaar zijn dat de iconen in de Kerk behouden zijn gebleven.
Bedenk maar eens hoe anders het zou zijn als er helemaal geen afbeeldingen in ons kerkgebouw zouden hangen, en ook geen iconen in onze huizen. Wat een verlies zou dat zijn, wat een gemis aan Vreugde, Licht en Hoop.     
God heeft ons immers naar Zijn Beeld en gelijkenis geschapen uit het stof van de aarde, zodat wij een samenwerking met Hem kunnen aangaan om Zijn wereld te voltooien.
Om temidden van het Kerkelijk leven, het Lichaam van Christus staande te blijven, om datgene te laten functioneren wat op kritieke momenten in de kerkgeschiedenis door  de Verlichting door de Heilige Geest gezamenlijk uit de Schrift geleerd is en wat vastgelegd is in de belijdenissen van de Vroeg-Christelijke Kerk.     
            In die Belijdenis hebben onze voorvaderen, die God in een andere tijd gediend hebben, verwoord ‘Wie’ God is, ‘Hoe God in de Blijde Boodschap spreekt.
               Maar bedenk wel dat het een zware strijd is geweest om de iconen-verering in de Kerk te behouden. Velen die de iconen verdedigden hebben daarvoor een hoge prijs betaald, zij werden gevangen genomen, gemarteld en sommigen stierven zelfs de martelaarsdood.

Άγιος Θεοφάνης, ‘Γραπτός‘ [778-845].

Een voorbeeld is de heilige wiens gedachtenis wij vandaag vieren: onze heilige vader bisschop Theophanes, die bekend is als “Γραπτώς”. Dit Griekse woord “Graptos” betekent “Schrift”, maar ook “gebrandmerkt”. Deze heilige toezichthouder werd tijdens zijn verdediging van de heilige iconen in zijn gezicht gebrandmerkt met een stuk gloeiend heet ijzer.
Hoewel wij dus blij mogen zijn bij het vereren van de heilige iconen, dienen we tegelijkertijd ook diegenen gedenken die geleden hebben en gestreden hebben voor het behoud van de iconen.

Wat is een icoon? We noemen het ook wel een heilig schilderij. Dat is zo, maar dat is maar een deel van de waarheid. Een icoon is veel méér dan een gewoon schilderij.
In het leven van de H. Stephanos, de Jongere, die zijn leven gaf als martelaar voor de heilige iconen, vinden wij een treffende beschrijving van wat een icoon werkelijk is.
Een icoon wordt daar vergeleken met een deur, een poort, een toegang.
Maar wat betekent dit?
Het heeft als inhoud, achtergrond, dat een icoon een plaats van ontmoeting is.
Een icoon maakt dat de persoon die erop is afgebeeld tegenwoordig is, aanwezig is. Dat wil zeggen dat wanneer wij voor de Christus-icoon bidden, wij in wezen een ontmoeting hebben met Christus, dankzij de Genadegave van de Heilige Geest.
Hetzelfde geldt wanneer wij bidden voor een icoon van een van de grootste gebeurtenissen in de geschiedenis van onze Kerk, bijvoorbeeld wanneer wij bidden voor de icoon van de Geboorte van Christus, of van de Transfiguratie.
– Wanneer wij bidden voor de icoon van Christus’ Geboorte dan treden wij binnen in het Mysterie dat daarop staat afgebeeld. Wij staan voor onze Heiland, het pasgeboren Christuskind, en zijn samen met de herders aanwezig in de stal.
– òf, als wij voor de icoon van de Transfiguratie van onze Heer bidden, dan nemen wij deel aan dat Mysterie. Het Goddelijke Licht, dat zichtbaar scheen voor de drie discipelen, schijnt weliswaar onzichtbaar, maar desalniettemin als een realiteit over ons, als we met een levend geloof voor de icoon van Transfiguratie staan te bidden.

Om deze redenen is een icoon méér dan alleen maar een plaatje, een herinnering. Integendeel, de icoon maakt dat de persoon die erop staat afgebeeld, of het Mysterie dat we erop zien, hier en nu samen met ons aanwezig is. Daardoor kan de icoon ook een middel van God’s Genadegave zijn, een bron van heiliging.
In het decreet van het Zevende Oecumenische Concilie wordt een zeer interessante vergelijking getrokken tussen de iconen en het Evangelie.
Er wordt gezegd dat de iconen op dezelfde manier vereerd moeten worden als het Evangelieboek. Zoals het Evangelie ons de Blijde Boodschap, het Goede Nieuws van de Verlossing verkondigt, zo zijn ook de iconen getuigen van diezelfde boodschap van onze persoonlijke verlossing.
Indien je het zo wilt zou je de icoon een Evangelie in lijnen en kleuren kunnen noemen. En op dezelfde manier is het Evangelie een icoon in woorden.
De H. Leontius van Napels heeft gezegd dat een icoon is als een open boek dat ons herinnert aan God. De H. Johannes van Damascus zegt: “Wat het Woord van de Schrift is voor het gehoor, dat is de icoon voor het oog”.
Aldus zijn de iconen deel van de Heilige Traditie van de Kerk.
Op het Zevende Oecumenische Concilie werd vastgelegd dat diegene die een icoon schildert, niet vrij is om te schilderen waar hij zelf zin in heeft.
Een icoon is absoluut géén kwestie van persoonlijke verbeelding.
De ‘iconen-schrijver’ dient zich te houden aan de wijze van schilderen die is vastgelegd in de Traditie van de Kerk.
Volgens het Concilie is de enige persoonlijke bijdrage van de schilder gelegen in zijn of haar artistieke talent. Maar de inhoud is afkomstig uit de Schriften en van de Heilige Vaders. Het is bij een icoon-schilder dan ook gebruikelijk dat tijdens ‘het schrijven’ van de Icoon onophoudelijk gebeden wordt, zowel tot Christus, onze God, als tot de Heilige wiens afbeelding men weergeeft.

Laten wij dan, indachtig dat de icoon nauw verbonden is met het H. Evangelie, dat zij deel is van de levende Traditie van de Kerk, opnieuw God dankbaar zijn voor de aanwezigheid van iconen in ons  kerkgebouw.
Ik weet dat u allen vol verlangen uitkijkt naar het moment dat er nieuwe iconen in zo’n volgend kerkgebouw zullen worden geplaatst, dat wij behorend tot de ‘Antiocheens Orthodoxe Kerk in Nederland’ over een ‘eigen’ onderkomen mogen beschikken. Ik bid en hoop dat dit het komende jaar ‘opnieuw’ voor langere tijd gerealiseerd kan worden door als gasten ontvangen te worden in een bestaande Christelijke Kerk. Als interculturele kerk in Utrecht, voornamelijk bestaande uit vluchtelingen met een minimum bestaan’s inkomen kunnen we ook niet anders.
Wij hopen daarmee op een centrale plaats in het land een plaats van ontmoeting met onze Heer en Verlosser te vinden, waar vandaan onze priester ‘Abuna Basilios Khamis’ ons zowel kan ontvangen en van waaruit hij ons door het gehele land kan bedienen.
Wij hebben behoefte aan slechts ‘één’ centraal gelegen onderkomen, voor het overige zoeken wij elkaar in de verschillende provincies op, hebben daarbij uitwisseling van gedachten aan de hand van het Woord, de Blijde Boodschap en maken het vanuit onze huiskamers aantrekkelijk voor elkaar, vieren we ons Geloof, als navolgers van Christus. 
En daarna, zal ik nog vaak terugkomen, in de hoop de zegenende Christus in het zoeken naar Gemeenschap met de Heer in een eeuwig Verbond tijdens de dienst en de ontmoeting met mijn Christengemeenschap te kunnen zien. Ieder gelovige navolger van Christus, ja ieder schepsel is immers een icoon van God.

Χριστόφορος Παπουλάκος, ‘o μοναχός που τροφή τα πλήθη’;      Christopher Papoulakos, ‘the monk feeding the crowds’;              Christopher Papoulakos, ‘de monnik die de menigte voedt’.

En misschien, als ik straks een heel, stokoude man geworden ben en me slechts met Zijn staf, stok staande kan houden en ik dan nog eens naar dit kerkgebouw kom, dat ik dan ook de heilige afbeeldingen langs de wanden van de kerk zal kunnen zien.
Op deze manier is de kerk niet alleen een gebouw waarin zich iconen bevinden. Wanneer de kerk volgens de traditionele Orthodoxe stijl helemaal versierd is, dan wordt de Kerk als geheel – ‘één geheel met de gewone mensen‘ – tot één grote icoon. Wanneer wij vandaag dus op deze manier denken aan de heilige iconen, dan zeggen wij tegen God: “Ere zij U, o God, ere aan U!”.

Apolytikion tn.3.
Dat hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen

want de Heer heeft de Kracht van Zijn arm getoond.

Door Zijn dood heeft Hij de dood vertreden

en werd Hij de Eerstgeborene uit de doden.

Hij heeft ons verlost uit de diepten der hel

en aan de wereld grote Genade geschonken”.

Kondakion tn.3.
Heden zijt Gij, Barmhartige, opgestaan uit het graf,

en hebt ons verlost uit de poorten des doods.

Heden jubelt Adam en Eva verheugt zich;

en de Profeten en Patriarchen bezingen zonder einde

de Goddelijke Macht van Uw Heerschappij

Theotokion tn3.

Gij zijt Middelaarster geweest bij de Verlossing van ons geslacht,

daarom prijzen wij U, o Moeder Gods en Maagd.

Want in het vlees dat Hij aannam uit uw schoot,

heeft uw Zoon, onze God,
het lijden van het Kruis ondergaan.

En heeft Hij ons uit het verderf verlost
als de Menslievende”.

 

Orthodoxie & haar uiterlijke bevestiging van het Geloof in Jezus Christus.

      Hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de Hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt bevonden zullen worden.
Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven verslonden zal worden.

1e dag van de Schepping, kapel Palatina te Palermo

       God is het, Die ons juist daartoe bereid heeft en Die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft.
   Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Heer in den vreemde zijn
– want wij wandelen in Geloof, niet in aanschouwen
– maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Heer onze intrek te nemen.
Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn”  2Cor.5: 2-9.

Een Christen is geen navolger van Christus omdat hij/zij over God kan praten.
Hij, zij is een Christen omdat hij/zij de ervaring van ‘God is onder ons’ kan bemachtigen.
En zoals wanneer je ècht van iemand houdt en nadrukkelijk mèt hem praat,
ervaar je dàt, je geniet er van, en dàtgene vindt ook plaats wanneer je
in Gemeenschap leeft [bent] met God.
Er is geen énige relatie, die van buitenaf plaatsvindt, maar
een eenheid van God vindt in de Heilige Geest
in de mens en de mensen onderling plaats
”.
Arch. Georgios abt van I.M. Gregoriou, Athos.

God’s Geest Gods zweefde niet voor niets over de wateren, Hij doet dat nòg stééds bij al diegenen, die door het Mysterie van de doop bekleed zijn met Christus. Wanneer je in aansluiting op deze gebeurtenis stelselmatig -in je binnenkamer-, jouw persoonlijke Tempel, in gesprek gaat met God, zul je ervaren dat Hij je begeleidt op al de paden van je leven.
De ontmoeting van de mens met de Kerk van Christus en het begin van zijn/haar  persoonlijke deelname aan vergoddelijking en regeneratie in Christus zijn vruchten van het Mysterie [RK, Sacrament] van het Doopsel.
Door dit Mysterie wordt de mens gereinigd van zonde en bevrijd van de banden met/van de dood. Tussen zonde en dood bestaat een oorzakelijk verband: de dood kwam in de wereld door de zonde en vanaf dàt moment vormde de zonde het speerpunt/de angel van de dood. Het is onmogelijk om zuivering van de menselijke zonde te herkennen zonder dat hij wordt bevrijd van datgene wat hem blijkt te provoceren.
Zolang de mens zich overgeeft aan de heerschappij van de zonde, is hij/zij aansprakelijk voor zijn of haar dood; wordt zij/hij bedreigd met de dood en gaat hij/zij verder met zondigen.
Dus hoe wordt het haar/hem mogelijk gemaakt om zonder zonde te leven, wanneer haar/zijn aardse gesteldheid hier de oorzaak ervan is?
Welke mogelijkheid van leven blijft de mens over als hij/zij mens in persoon is geworden, betrokken is bij de zonde en er verantwoordelijk voor is, blijft?
Er bestaat geen andere fysieke of morele uitweg uit deze vicieuze cirkel; dan dat het overstegen wordt door het Mysterie van de Doop.
     Door de doop sterft de mens met Christus en is hij/zij met Hem verrezen en is hij/zij met Hem opgestaan in het leven van een nieuwe Hemel en een nieuwe aarde.

Het Mysterie van de doop verenigt  de dood met het leven, je zult eerst sterven, opdat je zult leven, vanuit het graf en door de Opstanding.
Door de dood van de zonde [het sterven] te ondergaan komt de mens binnen in de Goddelijke invloedssfeer van de Genadegaven van de Heilige Geest, welke hem/haar wordt aangeboden door het zegel [de Myronzalving] van de Genade- gaven van de Heilige Geest en de communio, het binnentreden in de Gemeenschap met het Lichaam en Bloed van Christus.
De tegenstrever, de duivel, ‘vindt’ niets in/aan/bij de gedoopte mens.
      Desondanks is zelfs de gedoopte mens van buitenaf onderworpen aan aanvallen van de kant van de duivel, en het juk van de corruptie blijft hem lastig vallen, zeg maar treiteren.
Dit is niet te wijten aan enige onvolkomenheid in de regeneratie van de mens door de Genadegaven van God, maar wordt door God deze mens bij uitstek in de gelegenheid gesteld om zich te gedragen in de opdracht van de zaligheid, om zichzelf voor te bereiden de onsterfelijkheid op zich te nemen en neemt hij/zij daarmee de zegeningen van het toekomstige leven aan.
De doop herinnert de mens niet aan welke erfelijke schuld dan ook, zoals de Heilige Augustinus van Hippo verkondigde en met hem, de gehele Traditie van het Westen,  maar herinnert de mens aan de kracht van de dood, die in de wereld kwam door de zonde en hier de oorzaak van is.
Door het Mysterie van de Doop – zo wordt het door de heilige Cyrillus van Jeruzalem waargenomen, wordt het speerpunt, de angel van de dood vernietigd;
en Gregorius van Nyssa definieert de Doop als de oorzaak van wedergeboorte en regeneratie. Volgens de Heilige Gregorios Palamas hernieuwt de doop de geschapen mens, geeft hem/haar over aan het leven van de nieuwe tijd, die boven de zinnen en de geest uitgaat, en maakt hem/haar deelgeno[te]ot aan het incorrupt handelen en de zondeloosheid.
Door de bij de doop ontvangen Genadegaven, verkrijgt de mens, Datgene wat ‘het Beeld en de Gelijkenis aan God‘ vormt, wordt de mens gezuiverd en verlicht en verwerft hij/zij de Kracht om die Gelijkenis aan God of de vergoddelijking te verwerven, te bereiken, die de val onmogelijk had gemaakt.
Genadegaven [Gr.= X
αρισματα, Charismata] zijn geschenken [om niet] Welke door God via de Heilige Geest worden overgeleverd:

Zowel Man als Vrouw houden de fakkel van Geloof brandende, dankzij de H. Geest

            Maar aan een ieder wordt
de Openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen.
•  
Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken,
• en 
aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest;
• aan de een geloof door dezelfde Geest en
• aan de 
ander gaven van genezingen door die ene Geest;
• aan de een werking van krachten,
• aan de ander 
profetie;
• aan de een het onderscheiden van geesten,
• en aan de ander allerlei tongen,
• en aan weer een ander vertolking van tongen.
Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil“ 1Cor.12: 7-11.

Onze Heer en Verlosser gebruikt het Woord om het Geloof -‘in ons‘- te laten werken, te laten opgroeien, volwassen te laten worden. Daarom dien wij als Gemeenschap mensen zijn van het Woord en van niets en niets anders.
Al biddend lezen en bestuderen van het Woord en daarbij om het Getuigenis van de Heilige Geest te vragen, Die ons het Goddelijk inzicht geeft [het ‘Thabor’- Licht onthult], Die ons het een en het ander openbaart en die ons allen onderwijst.
Het gaat daarbij niet om jezelf blind te staren op je eigen vermeende vermogen om te geloven, of je onvermogen om tot geloof te komen.
Het gaat daarbij niet om wat je bezit, aan wat je in het verleden gekregen hebt, of wat je allemaal nog wel niet zou kunnen doen om het Hemels Koninkrijk te verwerven.
Bidt daarom slechts om de Genade van het Geloof, Jezus Christus, te mogen ontmoeten, te zien. Om te mogen zien en te mogen geloven wat Hij heeft gedaan en wat Hij met je kan en wil doen, dat je er ook gevolg aan mag geven.
De beste daad van het Geloof is: jezelf volkomen te verliezen en verslonden te worden in de volheid van Christus.
En daarom, is ‘God in ons midden, Hij is [er] en zal [er altijd aanwezig] zijn’ en ligt hier een sterke aanbeveling voor het onophoudelijk gebed in stilte [het Jezusgebed]:
Heer, Jezus Christus, Zoon van de levende God, ontferm U over mij, arme zondaar”.
Neem van mij aan dat hetgeen je vraagt je reeds hebt ontvangen – bidt dan ook als zodanig, want Christus heeft Zelf gezegd:
      Men zal u uit uw gebedshuis bannen; ja, het uur komt, dat een ieder, die u doodt, zal menen aan God een heilige dienst te bewijzen. En dit zullen zij doen, omdat zij noch de Vader, noch Mij [als Zijn Zoon her-]kennen. Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer hun uur komt, gij u moogt herinneren, dat Ik ze [tot] u gezegd heb
John.16: 2-4.
En:
      Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der Waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen.
Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen.
Al wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom zei Ik: ‘Hij neemt uit het mijne en zal het u verkondigen’John.16: 12-15.
Op deze manier richt de Heilige Geest Zich niet alleen op ons Geloof als volgeling van onze Heer, Jezus Christus, maar door Christus op de Heerlijkheid van de Heilige Drieëenheid.

Apolytikion doopdienst:
Gij allen, die in Christus zijt gedoopt,
gij hebt u met Christus bekleed, Alleluia“. [3x],
zie bijgaand Pdf:
De Dienst van De Doop en De Myronzalving
uitgave orthodox Klooster in De Peel ❖ geboorte van De Moeder God’s ❖ Asten – Nederland