19e Zondag na Pinksteren – ‘Ween niet’ en hoor God’s Stem: “ Jongeling, Ik zeg je, sta op!”

      En het geschiedde kort daarna, dat Hij reisde naar een stad, genaamd Naïn. En zijn discipelen reisden met Hem, en een grote schare.
       Toen Hij dicht bij de stadspoort gekomen was, zie, een dode werd uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, die weduwe was, en veel volk uit de stad was bij haar.
       En toen de Heer haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogen en Hij heeft tot haar gezegd: ‘Ween niet’.
       En naderbij gekomen raakte Hij de baar aan – de dragers stonden stil – en Hij zei:  ‘Jongeling, Ik zeg je, sta op!’.
       En de dode ging overeind zitten en begon te spreken, en Hij gaf hem aan zijn moeder.
En vrees beving hen allen en zij verheerlijkten God, zeggend:
      Een groot profeet is onder ons opgestaan’, en:
      God heeft naar Zijn Volk omgezien’
“.
Luc.7:11-16

      De God en Vader van onze Heer Jezus, geprezen zij Hij in eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. Te Damascus liet de stadhouder van koning Aretas de stad van de Damasceners bewaken, om mij te grijpen,
       en door een venster in de muur werd ik in een mand neergelaten en ik ontkwam aan zijn handen.
       Er moet geroemd worden; het dient wel tot niets, maar ik zal komen op gezichten en openbaringen des Heren.
       Ik weet van een mens in Christus, veertien jaar is het geleden – of het in het lichaam was, weet ik niet, of dat het buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het – dat die persoon weggevoerd werd tot in de derde hemel.
       En ik weet van die persoon – of het in het lichaam of buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het – dat hij weggevoerd werd naar het paradijs en onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken.
       Over die persoon zal ik roemen, maar over mijzelf zal ik niet roemen, of het moest zijn in mijn zwakheden. Want als ik wil roemen, zal ik niet onverstandig zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik onthoud mij ervan, opdat men mij niet meer zal toekennen dan wat men van mij ziet en hoort, en ook om het buitengewone van de openbaringen.
       Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen.
       Driemaal heb ik de Here hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten.
En Hij heeft tot mij gezegd:
‘ Mijn Genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij zal komen
“ 
2Cor.11: 31-12: 9.

Het Evangelie:
Wie is die Jesus, die Zoon van God?
Dit is vanaf het eerste begin tot op de dag van vandaag een vraag geweest, die op de lippen van mensen is geweest. Elk van de evangeliën biedt een enigszins ander antwoord op de vraag; een passend antwoord voor de specifieke Gemeenschap, weergegeven door een van de Evangelieschrijvers.
Terwijl de Evangeliën verslag doen van de leringen van onze Heer en Verlosser, geven ze tevens een verslag van daden van Macht en Superioriteit, waarin Christus, als Zoon van God, mensen geneest en in sommige gevallen hen uit de dood opheft. De woorden van Jezus zijn in onze moderne tijd veel méér dan zijn helende inspanningen.
In het voorspel van datgene wat wij overeenkomstig onze kalender op deze zondag lezen geneest Christus de dienstknecht van [‘Cornelius?, naam afgeleid van ‘Corn’= hoorn, ‘een ‘harde‘ huid’] de Honderdman, die op sterven ligt.
In de perikoop, die we vandaag lezen komt Christus nèt iets te laat.
Vandaag wordt vermeldt: “Toen Hij dicht bij de stadspoort gekomen was, zie, een dode werd uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, die weduwe was”.
        Is dat even een misrekening, het lijkt de huidige wereld wel, de zorgkosten stijgen elk jaar. De oorzaak is dat steeds meer mensen een beroep doen op de hulp van fondsen. Er dient bezuinigd te gaan worden, maar hóe, dat weet nog niemand, paniek in de tent bij een oriënterende ronde, er zijn zoveel vaagheden. Er worden vermoedens uitgesproken over de enorme toeloop van aanvragen – de mensen worden dankzij al die Genadegaven ook veel ouder. De Mens weet de grote Zorgverlener sneller te vinden en worden sneller geholpen en ouders willen tenslotte de ‘beste’ zorg voor hun kinderen.
            Maar terugkomend op het Evangelie, wat een verdriet schuilt er in deze  omschrijving van Lucas, Christus is nèt te laat. De jongeling is gestorven en hij is de enige zoon van zijn moeder die bovendien ook nog eens weduwe is.
Lucas laat de aandacht vallen op het wegdragen van deze jongeling.
Hij gebruikt het woordje ‘zie‘ en beschrijft de handeling in de onvoltooid verleden tijd, waardoor de nadruk valt op deze handeling.
Men mag dit stukje daarom ook als volgt vertalen: “zie daar was men bezig een gestorvene uit te dragen…”. De nadruk valt hier in eerste instantie niet op onze Heer en Verlosser, maar op de jongeling van Naïn, die gestorven is.
De suggestie wordt gewekt dat onze Heer ‘nèt’ te laat komt, Hij heeft het nakijken, is dat eventjes een teleurstelling over de Gerechte afloop, de dood is Hem dit keer te vlug af, wat hier op aarde een ambtelijke pennenstreek is, blijkt in de Hemel een gezicht, een icoon te hebben.
In bovenstaande verhandeling aan de stadspoort over de jongeling van Naïn tekenen zich twee scharen af, die elkaar in tegenovergestelde richting naderen.
Er is een schare die Jezus volgt en die op weg is naar Naïn. zij volgen de Vorst van het leven; en er is een schare die net de stad uit komt en achter de baar loopt waar de gestorvene op ligt. Het is de schare die achter de vorst van de dood aangaat. Lucas stelt dat beide scharen groot waren.
Het woord οχλος [lett: gepeupel, te hoop gelopen menigte] betekent in de Blijde Boodschap doorgaans een niet gering getal mensen maar nu is ook het woordje ‘groot’ erbij gevoegd [Gr.= πολύς χίκανός – ‘veel kuikentjes’].
            Kortom hier treffen beide  grote scharen elkaar en het was in die tijd [en ook bij ons] de gewoonte dat een rouwstoet ‘voorrang’ kreeg. Men diende eerbiedig aan de kant te gaan staan.
Men had toen eerbied voor de tegenstrever, de vorst van de dood. Geen mens, die ooit geboren is, kan de wereldse vorst van het leven ontlopen. Vroeg of laat zal ieder mensenkind voor de dood, deze ‘ grillige vorst’ dienen te buigen, daar wil je wel eventjes voor aan de kant gaan en als het enigszins kan maak je ook nog een kruisteken!

Lucas verhaalt hoe Jezus deze droevige stoet ziet, opnieuw gebruikt Lucas het woord ‘zien’, maar nu gebruikt hij een tegenwoordig deelwoord wat de nadruk op deze handeling aangeeft:
“ . . . . toen de Heer haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogenLuc.7: 13.  Over het feit dat de Heer haar zag, letterlijk “Hij zag naar haar om’” zou je boekdelen kunnen schrijven. Over dat woordje ‘[om]zien’ van Onze Heer en Verlosser naar ellendige schepselen zou je hele verhandelingen kunnen houden . . . . .
Ik noem slechts Exodus 6 : 1-7, sla het maar open, waar vermeld staat dat God de kinderen van Israël [de Kerk] ziet en dat God hen kent. Het gaat hier om de verdrukking door de Egyptenaren van het Volk, dat met Hem een Verbond is aangegaan. Israël, zowel als de Kerk, God ziet naar Zijn Volk in ellende om, daar hebben we het vorige week ook al over gehad. Wanneer je in zak en as zit kijkt God naar je om en is de Verlossing nabij. God ziet vanuit de hemelen neer op Zijn Volk. Met droefheid moest Hij de vele tekortkomingen en overtredingen vaststellen.

Telkens weer zond Hij Zijn Profeten om hen te waarschuwen en op te roepen tot bekering. En, de Barmhartigheid van God is, dat Hij in plaats van dit onboetvaardige volk voor eeuwig te verstoten [iets, wat het zeker had verdiend], belooft Hij in de toekomst een nieuw Verbond met hen te zullen oprichten [lees maar bij Jer.31: 31-34].
Opeens wordt het doodse zwijgen doorbroken en klinkt de levendige stem van onze Heer en Verlosser: “ween niet”.
Ween niet? Is dit niet een opmerkelijk bevel?
Deze vrouw moet toch haar verdriet kwijt zien te geraken, dat weet ieder spelleider, zo u wilt de pastor, de dominee en Zeker onze Heer Jezus Christus, de goede Herder.
Bovendien heeft deze weduwe een grote schare bij zich die haar bijstaat in haar verdriet. ‘Ween niet‘ dat is toch te dol voor woorden, is dit op zo’n moment geen ‘misplaatst’ bevel?
Deze woorden komen echter uit de mond van onze Heer en Verlosser, de Schenker van het Leven en dan liggen de zaken toch wel een beetje anders.
Het boek Openbaringen geeft ons nòg méér inzage in het werk van de Schenker des Leven’s. Je hoort dáár de stem van de Troon vanuit de Hemelen zeggen:
  Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen Zijn Volkeren zijn en God Zelf zal bij hen zijn en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.
En Hij, die op de Troon gezeten is, zei:
    Zie, Ik maak alle dingen nieuw’. En Hij zei: ‘Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. En Hij sprak tot mij [Johannes de Theoloog]: ‘ Zij zijn geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water van het leven om niet. Wie overwint, zal deze dingen beërven en Ik zal hem/haar een God zijn en hij.zij zal Mij een zoon/dochter zijn” Openb.21: 3- 7.
Dit ‘Weent niet’ biedt zo’n Machtig perspectief, een verrassend doorkijkje. Voor men het weet is men als mens aangekomen in Openb.21: 4; aldaar worden zelfs alle tranen gedroogd omdat God de oorzaak weg neemt namelijk de dood.

De Schenker van het Leven maakt het verschil tussen nèt te laat en ‘niet‘ te laat.
Lucas houdt ons voor dat onze Heer de baar aanraakt; voor een Jood is dat zéér onverstandig want dan werd men onrein en kon men voor even niet deelnemen aan de dienst in de Tempel. God dienend was men dàn uitgerekend en voor even uitgeteld. Christus, onze Heer, Die echter volkomen rein is, neemt dus plaatsvervangend de onreinheid van de dood op Zich. Toen Jezus echter de baar had aangeraakt, stonden de dragers stil.
Hier houdt de dood eerbiedig stil voor de Schenker des Levens en dàn klinkt Zijn machtwoord: ‘Jongeling, Ik zeg tegen jou: sta op‘.
Het is het machtswoord van de Schenker des Levens, hetgeen ontzettend veel meer uithaalt dan een geneesheer, een dokter, die in dit geval net te laat zou komen. Dit Machtswoord van onze Heer klinkt overigens ook door in Zijn Pedagogie van de Blijde Boodschap, waardoor doden de stem van de levende God gaan horen en gaan leven en
dàt . . . . . voor eeuwig . . . . . ja, eeuwige gedachtenis!

Apolytikion     tn.2.
Toen Gij, het onster’flijke Leven nederdaalde tot de dood,
hebt Gij de kracht der onderwereld gedood door de bliksem der Godheid.
En toen Gij de gestorvenen uit de onderwereld opwekte,
riepen alle Machten der Hemelen:
O Christus onze God, Schenker des Levens, ere zij U
“.

Kondakion     tn.2.
Gij zijt opgestaan uit het graf, Almachtige Verlosser,
en bij het aanschouwen van dit wonder stond de onderwereld verslagen.
De doden verrezen en heel Uw Schepping verheugt zich samen met U.
Ook Adan jubelt en het Heelal mijn Verlosser,
zingt U de lofzang zonder einde
“.

Theotokion     tn.2.
Onbegrijpelijk en hoog-Heerlik zijn alle Mysteriën
Die aan u voltrokken zijn, o Moeder Gods.
Verzegeld in reinheid en vast in maagdelijkheid,
zijt gij waarlijk Moeder geworden
en hebt gij de Ware God gebaard.
Smeek tot Hem dat onze zielen worden verlost
”.

De Apostel-lezing van vandaag:

Petrus & PaulusApostelen, icon I.M. Karakallou, Athos

Paulus [Hebr.= ‘klein’] was een man die zeer geliefd was door God.
Hij werd als nakomeling onder de Apostelen gerekend, hij had immers de opgestane Heer in het verblindende Licht [als op de berg Thabor] gezien op de weg naar Damascus [Hebr.= de zakkenwever zwijgt].
Hij kreeg, zoals hij vanmorgen vermeldt, vele Goddelijke bezoeken en toch kreeg hij een doorn in het vlees vanwege zijn nederigheid. De Vader begrijpt deze doorn als een bepaalde verleiding of beproeving of moeilijkheid, een kruis dat door God aan Paulus werd gegeven.
We weten niet zeker wat de doorn was, maar we kennen zijn reactie – hij smeekte om opluchting, ontving een woord van de Heer [“Mijn kracht is volmaakt geworden in zwakheid” en hij aanvaardde vanaf dat moment maar al te graag zijn doorn in het vlees.
En we weten waarom de H. Paulus dit specifieke kruis heeft gekregen om te dragen, hij vertelt ons de reden – om de hoogmoed te bestrijden die zou kunnen komen van de vele Genadegaven, Die God hem had gegeven.
Wetende dat onze strijd van God komt, is een beetje opluchting, maar vragen waarom we deze worstelingen moeten doorstaan is een vraag die velen van ons hebben.
We zullen het onderwerp benaderen met de woorden van H. Isaäc de Syriër, wiens geschriften, over het geestelijk leven tot de meest gerespecteerde kerkvaders behoren.
En we zullen daarbij zijn homilie gebruiken, toepasselijk getiteld:
Over de redenen waarom God toestaat dat verleidingen komen over degenen die Hem liefhebben”, het gaat hierbij over de Kracht uit den Hoge, die ons volmaakt maakt in onze zwakheid en dat we trots mogen zijn op onze zwakheden vanwege Christus.
We horen om ons heen voortdurend de vragen;
Waarom ik – waarom lijd ik, waarom worstel ik, waarom zijn dingen zo slecht” dat zijn vragen, die wij onszelf voortdurend voor ogen houden.

Maar waarom is het zo?
Wetende dat onze strijd van God komt, geeft een beetje Geestelijke ondersteuning, een beetje lucht/wind van de Heilige Geest, maar vragen waarom we deze worstelingen moeten doorstaan is een vraag die velen van ons hebben.

H. Isaäc de Syriër

De Heilige Isaäc de Syriër geeft ons 3 basisredenen
waarom God ons een doorn in het vlees heeft meegegeven:
1.]. Want [de verwerving van vrijmoedigheid voor Hem] God staat toe dat Zijn heiligen worden berecht door elk verdriet, dan om opnieuw te ervaren en om Zijn hulp te bewijzen, en om te begrijpen hoe groot een voorzienigheid Hij voor hen heeft, want in hun gevaren is Hij hun tot Verlosser bevonden“.
God staat ons toe om berecht te worden zodat we Zijn zorg, Zijn verlossing, Zijn redding kunnen ervaren. Zoals de Apostel Paulus het formuleert: “zodat we Zijn Kracht in onze zwakheid kunnen ervaren”.
Ons Geloof, in de navolging van Christus, onze Verlosser, neemt toe wanneer Hij ons helpt onze doorn in onze belevingswereld te verdragen, en met meer Geloof groeien we ook in vrijmoedigheid voor God.
We kunnen met Geloof en Vrijmoedigheid voor onze Heiland staan, met de grootste Hoop op onze persoonlijke redding.
Verdere uitleg op dit punt door de H, Isaäc maakt ons tevens duidelijk:
We leren de zwakte van onze aard en de hulp van Goddelijke kracht wanneer God eerst Zijn kracht van ons weghoudt terwijl we in verleiding zijn. Op die manier maakt Hij ons bewust van de impotentie van onze natuur, de moeizame verleidingen en de sluwheid van de vijand. Aldus geeft Hij ons te verstaan tegen wie we dienen te strijden en waar wij het moeilijk mee hebben . . . hoe machteloos we wel niet zijn voor het aangezicht van elke hartstocht … “.
We verkrijgen hiermee inzicht in de diepte van onze zwakheid en de noodzaak van God’s redding, wanneer we gezonken zijn temidden van verleidingen. En ons Geloof wordt versterkt waneer we onszelf aanleren om alleen nog redding bij onze Heer en Verlosser te zoeken en we onderkennen daarop Zijn snelle reageren op onze verzoeken.
2.].En nogmaals, [zo schrijft de H. Isaäc, laat God verleidingen toe] dat we wijsheid kunnen verkrijgen uit verzoekingen … zodat we de kennis van alle dingen kunnen verwerven, opdat misschien we niet worden bespot door de demonen. Want indien Hij [God] ons alleen in het goede zou laten oefenen, dan zouden we geen training op andere onderdelen verkrijgen en slechts blind ten strijde trekken . . . indien de mens niet eerst door de ervaring van het kwaad wordt beproefd, heeft hij geen smaak voor het goede … hoe zoet is kennis die is opgedaan door feitelijke ervaring en door ijverige training”.
Onze verleidingen, onze doornen, onze kruisen, in onze strijd in Christus verheffen de deugd van de Genadegave van Wijsheid. We leren uit de eerste hand de keuze tussen goed en kwaad, tussen God en onze vijand. Adam en Eva werd, in de hof van Eden, gezegd niet te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. In het begin waren ze niet klaar voor die verantwoordelijkheid. Maar de Vaders zijn het er allemaal over eens dat ze uiteindelijk klaar zouden zijn en dat ze dat ooit verboden fruit met Gods zegen hadden kunnen opeten.
God leert ons zodat we er helder inzicht door verkrijgen en klaar zijn voor de strijd – zoals de Schriften zeggen, Hij legt nooit een last op ons die te zwaar voor ons is om te dragen.
We worden op Zijn Woord getraind in de druppelsgewijze aangedragen wijsheid en verkrijgen daarop overeenkomstig datgene wat wij aankunnen naar vermogen kennis en de ervaring van God. En onze kracht komt voort uit God en niet uit onszelf, zoals de H. Isaäc dit in het eerste punt al heeft aangegeven en wordt in tijden van verleiding steeds verder opgebouwd.
3.]. Het derde en laatste punt dat Isaäc maakt, is dat God ons verleidingen toestaat, zodat als we groeien in wijsheid, indien we nimmer afhaken, maar volharden, waarmee ons Geloof wordt versterkt en we de vrijmoedigheid verkrijgen voor de Heiland.
Wanneer Hij als God Zijn genadige Genadegaven over ons kan blijven uitstorten wanneer onze training heeft ons klaargestoomd om Hem te ontvangen, in ‘communio’ met Hem te leven.
God laat ons die doornen in het vlees tot bloedens toe ervaren, zodat we kunnen worden getooid met de Genade van nederigheid, door in het gebed te volharden komen we God steeds verder nabij, ervaren we het Geloof in de Verwachting, verkrijgen wij dapperheid in het aangezicht van de  verzoekingen en vrijmoedigheid voor het aangezicht de Wijsheid van God.
De H. Isaäc schrijft: “
– De ascetische worstelaars [de doodgewone volgelingen van Christus] worden berecht, dat kunnen we toevoegen aan onze rijkdommen;
– de luiaards worden beproefd, opdat zij daardoor kunnen waken voor wat schadelijk voor hen is;
– de slaperigen worden beproefd, opdat zij gewapend zijn met waakzaamheid;
⁌ zij die ver weg zijn, worden berecht, opdat zij nader tot God komen;
⁌ zij die God’s eigendom zijn, worden beproefd,
opdat zij met vrijmoedigheid zijn huis mogen binnengaan.
Daarom probeert God ons eerst uit en treft ons tot in het diepst van ons hart en
vervolgens onthult Hij daarop Zijn Genadegaven.
Eer komt toe aan onze Heer en Meester Jezus Christus,
Die ons de zoetheid van gezondheid brengt met krachtige, maar zware medicijnen!”
God test onze zwakheden om ons sterker te maken, zoals een bodybuilder,
die zijn zwakkere gebieden uitwerkt om ze aan te scherpen en perfect te maken.
God geeft ons onophoudelijk de mogelijkheid om Zijn Genadegaven te verkrijgen,
ons als een voortdurende Schepper aan Zijn Beeld de Gelijkenis gevormd te krijgen en dat vindt slechts plaats in de ons gegeven tijden van beproevingen en verleidingen.
Zoals de H. Isaäc het formuleert:
Eer komt toe aan onze Heer en Meester Jezus Christus,
Die ons de zoetheid van gezondheid brengt
door ons zware medicijnen toe te dienen!

Eer aan God, door onze Heer, Jezus Christus!
Eer aan Hem, voor nu en alle eeuwigheid!

H. Ephraïm de Syriër

Zijn evenknie voegt hier nog aan toe:
Ik, Ephraïm ben stervende en
schrijf mijn testament.

Moge het een getuigschrift zijn voor
hen die na mij komen;

Bidt dag en nacht, uw hele leven door.
Zoals een ploeger ploegt, dag in dag uit.
Een ploeger, zijn werk is eerzaam en bewonderenswaardig;
Wees niet zoals luie mensen in wier velden doornen groeien.
Bidt constant, want hij die het Gebed liefheeft,
Zal hulp vinden in beide werelden“.

            Gaandeweg zullen we hoe langer hoe meer gaan beseffen dat
we onze spelleiders en toezichthouders in de oorlog tegen de vijand eigenlijk helemaal niet nodig hebben om inzicht in die oorlogen te krijgen.
            Zij gaan veelal uit van ‘andere’ belangen, die zij zichzelf hebben toegemeten, hun grootste zorg [en angst!] gaat in het westen vaak uit naar de indruk, die zij in de geschiedenis zullen achterlaten en zij zijn daarop geneigd tot de meest intense leugen-achtigheid. Helden blazen zich immers op, schurken belazeren zelfs de geschiedschrijvers.
De meest betrouwbare kroniekschrijvers, zijn degenen:
  die zich in hun binnenkamer terugtrekken,  de gewone navolgers van Christus,
– die zich als een kluizenaar schuilhouden, zij die zich ‘werkelijk’ onder behandeling blijven stellen van de Enige Geneesheer van het Leven.
– die stilzwijgend de wereld in kijken en zich verwonderen over zoveel onnodig leed;
•  De gewone mensen die zonder ambitie maar met een veel groter historisch besef, zonder eigenbelang, die  oorlog tussen de mens en zijn vijand vastleggen. Temidden van alle chaos, smeerlapperij, onoverzichtelijkheid, slechtheid en gevaar, ook voor eigen leven, vervullen zij hun zelfopgelegde taak.
•  En wanneer het stof van de bommen, het vergiftigende gas, kortom de kruitdamp is opgetrokken zijn hun tijdgenoten hen dankbaar, het nageslacht zal vaak zelfs opgetogen zijn.
In de Lage Landen hebben we over de kwaliteit en de kwantiteit van kroniekschrijvers de afgelopen kerkhistorische jaren van ‘kommer en kwel’ niet te klagen gehad. Behalve de bekendste van allen, de Apostelen Petrus en Paulus, zijn er honderden verdienstelijke burgers van het Hemelrijk, die in soms moeilijke omstandigheden hun deel van de werkelijkheid nauwkeurig en consciëntieus hebben bijgehouden; voor later, want dat er voorzeker een làter zal zijn, dat staat voor iedereen vast.
•  Toch blijven wij ons maar voortbewegen op de weg naar het einde der tijden, hetgeen voor velen – òf we hun gedachten nu kennen of niet – een bewegen zal zijn op een moeilijk begaanbaar grensgebied tussen Waarheid en bezegeling, waarin iemand’s leven beschreven wordt en reflecteert vanaf zijn kindertijd tot zijn ‘over’-lijden.
•  Voor de Troon van God wordt eerst dàn verantwoording afgelegd van het simpele begrip van religie en natuur met de luttele levensplanning en zelfbeeld.
➥ Vanwege de bloedband met Christus en de erfenis, die daaruit voorkomt weten wij ons in ieder geval gered en zullen tot in de eeuwigheid leven in het Hemels Koninkrijk.