September 28e – Profeet Baruch, verheffende gedachten in tijden van eenzaamheid

lezing van 24 September, feestdag van de Heilige Silouan de Athoniet,
mp4 omdat God met ons is [Antiocheens Orthodoxe Kerk]:

      Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander. Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; en geeft de duivel geen voet.
       Wie een dief was, stele niet meer, maar dient zich liever in te spannen om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige.
       Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed [woord] hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, Genade ontvangen.
       En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek dient uit uw midden gebannen te worden, evenals alle kwaadaardigheid.
       Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeftEph.4: 25-32.

Profeet Baruch, ‘de gezegende’, Gustave Doré, 1880

Deze profeet, behoort tot de kleinste der Profeten, Baruch [Hebr.= ‘gezegend’] was de secretaris van de profeet Jeremia [Hebr.= ‘door de Heer aangesteld, de Heer moge verhogen’].

      Baruch, de zoon van Neria [Hebr.=‘lamp des Heren’], de zoon van Machseja [Hebr.= ‘De Heer is een schuilplaats‘], in tegenwoordigheid van Chanamël [Hebr.=‘God is genadevol, liefderijk’], de zoon van mijn oom, de getuigen die de koopbrief ondertekend hadden, en al de Judeeërs die zich in de gevangenhof bevondenJer.32: 12;

      Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria, en Baruch schreef uit Jeremia’s mond al de woorden die de Heer tot hem gesproken had, op een boekrolJer.36: 4.

Het gaat er in de Joods-Christelijke cultuur ook niet om dat je jezelf dingen ‘groots’ kunt veroorloven te doen, maar dat je ‘kleine dingen, zaken’, die er eigenlijk niet toe doen ‘groots’ ten uitvoer brengt. Het liefst gaat er daarbij om dat hetgeen je doet niemand opvalt, zoals het gras wat ergens op de achtergrond wegkwijnt.
Deze profeet is het voorbeeld van de mens, die “Vreugde vindt in de Wet des Heren: die Zijn Wet overweegt bij dag en bij nacht. Hij/zij staat als een boom, aan stromend water geplant; die te zijner tijd vrucht draagt. Zijn loof valt niet af en al wat hij/zij doet zal voorspoedig gelukkenPsalm 1: 3-5.
Het blad wordt ook wel omschreven als het kaf, wat bij het wannen op hoge en droge plekken gescheiden wordt van het koren, waarbij het kaf door de wind wordt mee-genomen. Zo is het ook met de goddeloze, want boze plannen, die de mens bedenkt en ten uitvoer brengt zullen uiteindelijk verdwijnen als kaf voor de wind. Gedachten verwaaien immers voort-durend, in het hoofd van de mens bestaat ‘geluk’ slechts uit zand.
Nog voordat je één vers van Baruch’s profetie hebt gelezen wordt hij als ‘een persoon naar je hart‘ voor-geschilderd, die zijn weerga niet kent.

Mystieke icoon, de ‘Bestevaer’, de Kerk, het Lichaam van Christus

                    Het is als bij een van de scheepsjongens van een zeeheld van weleer, die verwoestende macht in de Nederlanden ontdekt als een tonnetje, een bak waar groene zeep [een schoonmaakmiddel] in behoort te zitten, hetgeen slechts Gentse boter [om de mond smeren] blijkt te zijn. Hij ontdekt tevens dat het schip de ‘Bestevaer’ niet door de Moren belaagd wordt, maar door de Belgische [Duinkerker] kaper. De Muzelmannen blijken immers onze beste vrienden, het is de wereld om ons heen, die zaken verward en die de waarheid verkracht om eigen mistoestanden te verbloemen. Een wereldse despoot, die als seldrementse [drommelse] kaper er niet voor terugdeinst Nederlands gelovig volk aan eigen genoegens vast te nagelen alvorens 

Theotokos of the Passion

 dit met kind en doopwater tot zinken te brengen.  “Luister dan naar my, Orante, van terzijde. Ik wenste wel, dat dit alles al verre van mij was, of dat ik hulp van boven kreeg.  Hij kwetste menigeen en hoewel gekleed met heilige gewaden is het slechts een droom, die slechts verwarring zaait. We liepen langs de Zaanse kade, welke als A’damse kade wordt verkocht, vlakbij weliswaar, dat dient toegegeven te worden, maar toch herkende ik me niet in zulk een waarheid, daar het slechts z’n hoogmoed bekwaamde”.

Het leven in de Kerk vraagt om monastieke eenvoud en absoluut geen opgeblazen blazoen.
de Profeet Baruch toont een dergelijke eenvoud van een monastiek bestaan.
Monastiek afgeleid van het woord monachos [Gr.= alleen of eenzaam];
een monnik in de wereld leeft niet afgezonderd, . . . maar ondergedompeld in het alledaagse bestaan, met een ongedeeld hart en met onverdeelde aandacht, altijd zoekend naar groei in eigen heelheid en integriteit. Van den beginne werd een toezichthouder dan ook onttrokken uit die gelederen, zij die gepokt en gemazzeld waren in het monastiek geslacht, vanuit het machtsdenken en eigendunk is die weg door ‘s-werelds Kerk verlaten.

 

Jezus Christus, Woord van God, het evenbeeld wat nagestreefd wordt.

Een strijder die in navolging zijn Heer en Meester imiteert geeft de voorkeur aan Zijn Evenbeeld, d.w.z. gezondheid naar ziel en lichaam en wachtend op bekering.
Een dergelijke manier van gelovig manifesteren is een publieke verklaring van principes en intenties:

1.]. Verkies elke dag opnieuw momenten van stilte en alleen zijn, om voor eenieder ruimte te scheppen om naar een ‘andere Stem’ te luisteren en om verzet te bieden tegen een cultuur van lawaai en voortdurende prikkels.

2.]. Verkies het elke dag opnieuw om radicale daden van gastvrijheid te stellen door de vreemdeling buiten mij én de vreemdeling binnenin mij te verwelkomen. Erken dat wanneer in het hart ruimte gemaakt wordt voor niet geaccepteerde delen van jezelf, als vanzelfsprekend compassie gecultiveerd wordt en de vaardigheid om die plekken in anderen eveneens te accepteren.

3.]. Verkies het elke dag opnieuw om gemeenschap te zoeken door jezelf te verbinden met mensen [niet alleen, die kliek, die je zelf ‘om je heen‘ hebt gevormd om je toe te juichen] maar met àlle gelovigen, die een van geest dezelfde weg zijn gegaan: zielsverwanten met wie je je diepste verlangens zou kunnen delen en mentoren zoeken, die leiding en wijsheid op de geestelijke reis kunnen aanbieden.

4.]. Verkies zelf elke dag opnieuw om het bewustzijn van je verbondenheid met de Schepping en een ‘gezonde’ ascese te cultiveren, door aandachtig te letten op het gebruik dat je maakt van energie en van dingen en door lòs te laten wat absoluut niet helpt om al wat de natuur biedt te laten opbloeien.

5.]. Verkies zelf elke dag opnieuw om op een volledig aanwezige manier bezig te zijn met het werk waarvoor je bent aangesteld, of dat nu betaald of onbetaald is, terwijl je in je hart een diepe dankbaarheid koestert voor het vermogen om je gaven in deze wereld op een betekenisvolle manier te gebruiken.

6.]. Verkies zelf elke dag opnieuw om je door het regelmatig in praktijk brengen van de door God gegeven rust, jezelf toe te vertrouwen aan ritmes van ontspannen en vernieuwing en je te verzetten tegen een cultuur van druk zijn waarin jouw waarde wordt afgemeten aan wat ‘jij‘ zou presteren.

7.]. Verkies zelf om elke dag opnieuw voor bekering en transformatie te komen als een levenslang leerproces, in de erkenning dat je altijd op reis zou zijn naar het Hemels Koninkrijk, dat je zowel door de Genadegaven als door je eigen beperkingen wordt gekenmerkt.

8.]. Verkies het om elke dag opnieuw een dansende vrolijke monnik te zijn die creatieve vreugde cultiveert en die jouw lichaam en hart laat overvloeien van het onuitsprekelijke genot van de liefde.

        Zoals wij weten weerstaat God de bedrieglijke hoogmoed, die zich vaak vermomd onder een sierlijk kleed, een geleende vertoning, werk van de tegenstrever; u echter volgt uw wereldse vader, u weet uw mismaaktheid te bedekken met een opvallend, rinkelend kleed, uw redeloze woelingen met duizend voorwendsels van al van wat wel niet ‘goed’ is.  U raadt anderen aan het goede, dat mijn Schepper en mijn herschepper mij gaf, gaarne te erkennen, u herinnert mij, dat alle verkleining van het goede ondankbaarheid is en duizend andere herinneringen doet u met schone schijn voornemen – blijkt mij, helaas mijn innerlijk gevoel te bederven! Toezichthouders, die in hoogmoed, anderen misbruiken, en vervolgens wegkijken, terwijl er rondom opgemerkt wordt:
Heeft ie het nu al weer gedaan?“.
        Gaan wij Nederlanders niet bloeden wanneer u ons prikt? Wanneer u het denken van de geest ontkent, voert deze menselijk onhandigheid tot vergiftiging en dood.
        Worden gelovigen dan niet gedood en keren zij massaal de geïnstitutionaliseerde  Kerk de rug toe? In deze vermoord u uw eigen broeders en zusters door alleen maar een beetje verliefd te doen [te flirten] en kijkt uw Vader in de Hemelen sprakeloos en verbolgen toe. Uw misdragingen worden verzwegen of er wordt luchtig over heen gegleden, maar men kan tussen de regels toch ontwaren, dat het met deze despoot de laatste jaren behalve kleurrijke kleding tot geen rozengeur en maneschijn is geworden.
De welopgevoe[r]de hofjonker blijkt niet zo onschuldig als hij geleerd heeft zich voor te doen, maar ontpopt zich als een doodgraver, die tot zichzelf zegt: “Goeden morgen, genadige vorst! hoe bevindt u zich vandaag, u grootmachtige prins der Kerk?”. Dit getuigen geschiedenissen van alle eeuwen, waarbij de Kerk uiteenvalt.
        En hoe kan er voor een vriend van God een smartelijker gewaarwording zijn, dan de ervaring van s’Vaders ongenoegen tot tuchtiging  wegens zelfbedoeling en zelfverheffing ingericht; en wat kost het allemaal een worsteling en tranen, eer God’s gunsteling van al dàt kwaad kenbare vergeving krijgt; God weerstaat de hoogmoed, waar Hij die ontmoet! maar het allermeest in Zijn kinderen, die zich verhoogden uit het stof.
        Duldeloze hoogmoed! zo kenbaar veroordeeld in de smaad en hoon, Die de borg van de zondaren droeg! O, mijn ziel! bezie Hem met de spotmantel en de doornenkroon! Pilatus roept u toe: ‘Zie de mens!’
__ o! mijn ziel! bezie God’s verguisde Zoon! denk ná!? wat Hem uw hoogmoed kostte! zie op Hem! wees dan hoogmoedig! . . . . . neen! . . . . . dat kunt u niet maken! dan verdwijnt u in uw gedwongen heffing;
__ bezie tevens Hem als het volmaaktste Voorbeeld van aanminnigen deemoed. En Zijn Woord: ‘Leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart!‘ mag dit u vergezellen op al uw wegen, klinkt het u bestendig in de oren;
__ o! mocht ik de beeltenis van Die nederige Heiland dragen! en ware dat gevoelen, dat in Hem was, ook in mij!
        
De Martelaren en lofwaardige Heiligen mogen u tot slot tot voorbeeld leiden, zij die in nederigheid hebben uitgemunt.
__ bezie de tekening, die de meesterdichter Koning ons geeft van dàt deemoedig bestaan, hetgeen hij als Genadegave door de H. Geest gevoelen mocht.
Heer, mijn hart is niet hoogmoedig;
ik heb mijn ogen niet trots opwaarts geslagen.
Ik had mij niet op met grote dingen,
noch met wat wonderbaar voor mij is.
Als ik niet nederig gezind was,
of zo ik mijn ziel had verheven.
Als een gespeend kind op de schoot van zijn moeder,
zo had Gij dan mijn ziel vergolden.
Doch Israël [de Kerk] getrouwe op de Heer,
van nu af tot in eeuwigheid
Psalm 130[131]

Edele gesteldheid! buigende deemoed!
__ Nederige David! klein in al zijn grootheid!
Nathan bracht hem in God’s Naam een weigerend antwoord op zijn verzoek:
Nathan herinnert hem zijn geringe oorsprong en ziet! in plaats van onvergenoegd te zijn, wordt zijn taal tot God de juiste beaming, de kenbare weerklank op die vernederende herinnering.
Zo riep vanaf Hij vanaf zijn troon; “Heer! wie ben ik? en wat is mijn huis, dat U mij tot hier  gebracht hebt?” . . . . . en wat zal David nog meer gezegd hebben? “U kent uw knecht, Heer, Heer!
__ Nederige David! die bij God’s dienstknechten en dienstmaagden gerekend wilde worden en zich alle beschimping blijmoedig had getroost, indien hij maar aan het bevorderen van de eer aan Israëls God [de Kerk van God] maar dienstbaar had mogen zijn.
__  En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers, de tijd zou mij ontbreken, als ik naast David ging verhalen van Gideon, Barak, Simson, Jefta, Samuel en de profeten . . . . .  door het simpele Geloof in de éne Heer en Verlosser verstaan wij, dat de wereld door het Woord van God tot stand is gebracht en niet door menselijke onvolkomenheden.
Het ware christelijke leven is niet dat wij in de dienaar van ons egoïstisch zelfverheerlijking de voorrang krijgt, maar dat onze Heer waarachtig Meester wordt van ons leven.
Wij leveren ons met hart en ziel aan Hem over, m.a.w wij houden van Hem en daartoe worden wij overeenkomstig Zijn Goddelijke Wil getoetst door vernedering te ondergaan.
__ De moed van een hooghartige gaat zo blijkt zó vèr dat de toezichthouders van de Goddelijke Leer opnieuw een Schisma riskeren door zich ondanks diverse leermomenten in de geschiedenis arrogant te gedragen. Het gelovige Volk ziet dit en keert zich massaal van hen af, trekt zich daarop terug in hun huiskamers om God ontferming af te smeken. Zij doen dit niet alleen voor zichzelf maar voor het gehele menselijk bestaan en de Kerk in het bijzonder.
__ De conclusie die daarop volgt wordt dan niet ‘God is dood’ maar het instituut van de Kerk, het Lichaam van Christus, dat zij vertegenwoordigen is op sterven na dood – dermate dood zoals het slechts in menselijke maatstaven kan zijn.
In haar zoeken zal het gelovige Volk het waarachtige Lichaam van Christus terugvinden op die wijze zoals het in de vroeg-christelijke tijd ontstaan is, in Liefde tot elkaar. Vanuit de huiskamer zal de mens zich weten te hervinden, Die roept:
  Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 28-30.

__ En zo is het kringetje rond; het Lichaam van Christus [de Kerk] is dood, maar Christus zal herleven in de harten van de mensen:
De Geest en de bruid, zij zeggen: Kom!
En wie het hoort, hij zal zeggen: Kom!
En wie dorst heeft, zal komen, en wie verlangt zal het water nemen om niet.
De ziener betuigt aan ieder die de woorden horen van de Profetie van dit Boek:
wanneer iemand van de woorden afneemt zo zal God aan hèm toevoegen de plagen die in dit Boek beschreven zijn.
En wanneer iemand van de woorden afneemt van het Boek van deze Profetie, zo zal God Zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad die in dit Boek beschreven zijn.
Hij, die van deze dingen getuigt, zegt:
‘Ja, ik kom welhaast’.
‘Amen’. ‘Kom Heer Jezus!, Kom!’
De Genade van onze Heer Jezus Christus,
onze Heer, zij met u allen
Openb. 22: 17-22.