Orthodoxie & het ‘onze’ Vader wordt niet alleen voor jezelf opgeëist.

Behorend bij onderstaande uitleg,
Evangelielezing van de zaterdag in de 4e Paasweek:
Jezus dan zei tot de Joden, die in Hem geloofden:
‘ Als gij in Mijn Woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de Waarheid verstaan, en de Waarheid zal u vrijmaken’.
Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit iemands slaven geweest; hoe zegt Gij dan: gij zult vrij worden?
Jezus antwoordde hun: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een ieder, die de zonde doet, is een slaaf der zonde. En de slaaf blijft niet eeuwig in het Huis, de Zoon blijft er eeuwig. Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij werkelijk vrij zijn. Ik weet, dat gij Abrahams nageslacht zijt; maar gij tracht Mij te doden, omdat Mijn Woord bij u geen plaats vindt. Wat Ik gezien heb bij de Vader, spreek Ik; zo doet ook gij, wat gij van uw Vader gehoord hebt’.
Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. 
 Jezus zei tot hen:                   ‘Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham;
maar nu tracht gij Mij te doden, een mens, Die u de Waarheid gezegd heeft, Welke Ik van God gehoord heb; dit deed Abraham niet. Gij doet de werken van uw Vader’. 
Zij zeiden tot Hem: Wij zijn niet uit hoererij geboren, wij hebben een Vader, God.
Jezus zei tot hen:
‘Indien God uw Vader was, zoudt gij ‘Mij’ liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen; want Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar Hij heeft ‘Mij’ gezonden’
John.8: 31-42.

Apostellezing van vrijdag 28 september 2018 Julian Calendar,
verkrijgbaar Orthodox Fellowship Saint John the Baptist:
available £4.00, ofsjbcalendar@gmail.com.

      En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen; ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken zal worden, om vrijmoedig het geheimenis van het Evangelie [de Blijde Boodschap] bekend te maken, waarvoor ik een gezant ben in ketenen.
[Eerst] Dàn zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken.
       Opdat ook gij van mij moogt weten, hoe het mij gaat, zal Tychikus
[Gr.= ‘tuchè‘,’geluk‘, ‘gunstig lot‘; vergelijkbaar met het Latijnse. ‘fortunatus’, oftewel ‘Waarheidvriend‘],
mijn geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heer, u alles bekendmaken.
        Met dit doel heb ik hem tot u gezonden, dat gij onze omstandigheden zoudt weten en hij uw harten zou vertroosten.
        Vrede zij de broeders en Liefde met Geloof, van God, de Vader, en van de Heer Jezus Christus. De genade zij met allen, die onze Heer Jezus Christus onvergankelijk liefhebben“ Eph.6: 18-24.

  Soms schijnt een weg voor iemand recht [de juiste] te zijn,
maar het einde daarvan blijkt naar de dood te voeren
Spr.16: 25.

H. Cyprianos, Thascius Caecilius, ca. 200 – 258, bisschop van Carthago, martelaar

We hebben onze kinderen opgevoed en hen geleerd tot ‘onze Vader’  te bidden, de Heer en Meester over alle dingen. Veelal leerden wij dit gebed als een persoonlijk gebed, het was zó alledaags dat wij de inhoud op ònszèlf betrokken, niet bewust zijnde, beseffende dat:
‘Jezus Christus’, De Heer en Meester van ons leven in eenheid en vrede hier op aarde is gekomen om ons bij te brengen dat het gebed niet bedoeld is als privé aangelegenheid, zodat degene die tot de Vader zou bidden Hem alleen voor zichzelf zou opeisen.
  We zeggen immers niet ‘Mijn’ Vader, Die in de Hemelen zijt òf
geef ‘mij’ heden [deze dag en wel onmiddellijk] ‘mijn’ dagelijks brood;
  evenmin vraagt iedereen dat alleen zijn/haar eigen schuld hem/haar wordt vergeven;
  noch vraagt hij/zij alleen voor zichzelf, opdat hij/zij niet in verzoeking wordt gebracht,
  maar dat alle mensen verlost zullen mogen worden van de boze, het kwaad.
Ons gebed is een openbaar gebed en wanneer wij ons aangeleerd hebben dit te bidden, bidden we niet dit voor één persoon [onszelf], maar voor het gehele volk, omdat wij, als gehele mensheid, één mogen zijn.

God’s bestaan òf God’s rol in onze menselijke geschiedenis

De Schepping, The Canturbury Psalter, 1147 AD

We dienen in ogenschouw te nemen dat wij in onze hedendaagse orthodoxe gemeenschap gevoelsmatig heel erg gericht op vragen over religieuze verplichtingen en hoe deze op onze kinderen over te brengen. Wij hebben hierbij het doel voor ogen en zijn gericht op vragen over religieus geloof en hoe dat kan worden gecultiveerd, bewaard of misschien wel verloren gaat.
Wij vergeten hierbij het principe dat God, Heer en meester is, dat niemand ter wereld de Zoon kent dan de Vader, en niemand de Vader kent dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren.
God roept ons op het moment welke Hij verkiest: “     Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 28-30.
In onze hedendaagse beleving zijn wij het niet meer gewend – af te wachten – tot God ons zover op Zijn pad heeft gebracht, dat wij voor Hem ‘open’ staan en onszelf geheel aan ‘Hem’ overgeven. Wij hebben onze ogen gericht op welvaart en welzijn, hoe wij dat binnen niet al te lange tijd zelf kunnen bewerkstelligen, door onszelf dusdanig te ontwikkelen dat wij de touwtjes in handen hebben en zijn daarom aan niemand verantwoording schuldig.
Maar bij God werkt dat anders, Die weet wel beter, Die geeft ons ons dagelijks brood op ‘Zijn’ tijd.
En wanneer Hij ons dan uiteindelijk ‘het dagelijks brood’ geeft, dan doet Hij er als het enigszins kan ook nog iets op, zodat je er van doordrongen wordt dat ‘Hij’, als God, de Heer en Meester van ons leven is.

Heilige Drieëenheid

Eenheid, vanuit het éne Verbond, de éne overeenkomst in navolging van Christus.
God, Die ons telkenmale Vrede wenst is de Meester van het overeengekomen akkoord, zowel het Oude als het Nieuwe Verbond, de Blijde Boodschap.
De Blijde Boodschap welke de eenheid heeft onderwezen, de onderlinge Liefde is namelijk het fundament van Zijn Pedagogie en Hij wilde dat men voor ‘iedereen’ zou bidden, net zoals Hij Zelf, één is met ons allen, ons allen vanaf den beginne heeft gedragen. 

De drie kinderen in de vuuroven hielden zich aan dit gebod, deze Wet toen zij op last van een despoot in een vuurzee werden ingesloten, verbleven zij daar al biddend met één stem en met één hart.
Ons Geloof als navolgers van Christus leert ons dìt in de goddelijke pedagogie en geeft ons in het Oude Verbond reeds een voorbeeld hoe wij dienen te bidden.
Wanneer Christus Zich dus terug trok op de berg en aldaar ging bidden geeft Hij ons overeenkomstig Zijn Traditie en bidt Hij nèt als de drie jongelingen. Wij dienen Hem daarin te volgen en wanneer wij bidden dienen wij nèt als de drie een hymne als uit één mond aan te heffen, zodat wij kunnen worden zoals Hij en zij. Wij, navolgers van Christus bidden als uit één mond en bieden ons menselijk onvermogen als uit één mond aan aan God, de Vader en zegenen al doende de Heer, die in eenheid is met de Vader en de Heilige Geest. De drie jongelingen in de vuuroven spraken uit één hart en één mond, ook al had Christus hen nog niet geleerd hoe te bidden.
    Heer, onze Heer, hoe wonderbaar is Uw Naam over geheel de aarde!
Want hoog boven de Hemelen is Uw Heerlijkheid verheven.
Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij U lof toebereid
Psalm 8: 1-3

En dàt is de reden dat zij, terwijl zij baden, in hun gebeden werden verhoord en waren ze vruchtbaar, omdat een vredig, oprecht en geestelijk gebed de Barmhartigheid des Heren toekomt, dit Hem waard is/was.
Zo zien we ook de apostelen en de navolgers in de bovenzaal na de Hemelvaart des Heren bidden:
    Zij allen bleven eendrachtig bijeen volhardend in gebed, met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broedersHand.1: 14.
Ze gingen dus ééndrachtig dóór met bidden en toonden door de urgentie en de unanimiteit van hun gebed, dat God, die de bewoners van een huis tot één geest maakt, alleen maar Zijn  Goddelijke en eeuwige Thuis geeft aan degenen onder wie het gebed unaniem is.

Maar, geliefde broeders en zusters, welke diepe zegeningen zijn er wel niet in ‘het Onze Vader’ meegegeven! Hoeveel zijn het er wel niet en hoe grandioos is het samengesteld, in zo weinig woorden ondergebracht, maar zó ontzettend rijk aan spirituele kracht!
Er is niets dat niet in dit gezamenlijk gebed en onze smeekbeden te vinden is, als het ware een grote verzameling van hemelse leerstellingen.
Dus, heeft Christus ons geleerd, toen Hij zei: “Aldus dien je te bidden: “Onze Vader, Die in de hemelen zijt”.

Onze Vader, Die over Zijn Genadegaven in en vanuit de Hemelen beschikt.
De nieuwe mens, wordt Door God’s Genadegaven wedergeboren en teruggebracht tot God, en zegt vanaf het allereerste begin, Vader, want hij is zojuist begonnen God’s zoon te zijn. 

Hij kwam bij de zijnen en de zijnen accepteerden Hem niet. Maar voor hen die Hem wel accepteerden, gaf Hij de macht om kinderen van God te worden, voor hen die in Zijn Naam geloven. Iedereen die in God’s Naam gelooft en Zijn zoon is geworden, zou hier dienen te beginnen, zodat hij kan danken en beweren dat hij God’s zoon is, door God zijn Vader in de Hemelen te noemen.
conf. commentaar op het Onze Vader, door H. Cyprianos, Thascius Caecilius,
bisschop van Carthago, martelaar [ca. 200-258 ná Chr.].

H. Cyprianos, Thascius Caecilius, ca. 200 – 258, bisschop van Carthago, martelaar – feestdag 14 september [kruisverheffing!]

De Heilige Cyprianos was een markante persoonlijkheid, vooral omdat hij als een oprecht mens z’n leven leidde en vriendelijk en verstandig als bisschop zijn Gemeenschap de juiste richting deed opgaan.

Cyprianos werd geboren als de zoon van een rijke familie in Carthago, Noord-Afrika, rond 200/220. Zijn ouders waren ongelovigen. Hij bekwaamde zich door het onderwijs dat in die tijd door rijke jongelingen veelal werd verkregen door zich voornamelijk te bekwamen in de retoriek. 

Met betrekking tot de vorm, de etiquette van die tijd werd het deskundigen alleen toegestaan hun kunstjes ten toon te spreiden bij officiële aangelegenheden, mensen die goed van de tongriem gesneden waren verkregen op die manier op eenvoudige wijze een hogere positie onder de mensen. Cyprianos werd zeer gewaardeerd vanwege zijn welsprekendheid, hij draaide nergens omheen, was ‘recht to the point’, kwam rechtstreeks ter zake, zoals men dat tegenwoordig uitdrukt.
Omstreeks 246, op ongeveer 40 jarige leeftijd, werd Cyprianos door God’s innerlijke roep opgewekt en bekeerde hij zich tot het christendom, mede dankzij zijn relatie met een priester genaamd Caecilius. De priester respecterend, die Cyprianus gedoopt heeft, voegde hij de naam van de priester aan zijn naam toe, Caecilius Thascius Cyprianus.

In zijn boek “Ad Donatum” [aan Donatos gericht] beschreef Cyprianus hoe zijn leven was verlopen, voordat hij zich tot het christendom bekeerde:
Als een blind mens liep ik in die tijd van links naar rechts, doelloos als in een pikdonkere nacht, vanuit m’n eigen hoogten in de zee van de wereld geworpen, die hoorbaar schuimt, die heel levend en dynamisch op je overkomt. Ik zweefde zonder de juiste kennis van het leven, ver van Waarheid en Licht verwijderd. Toen ik mijn gedrag op dat moment onder ogen kreeg, voelde ik me zwaar belast en onmogelijk in staat God’s geboden ten uitvoer te brengen, die mij op de weg naar de zaligheid zouden begeleiden”.

Nadat Cyprianus het Mysterie [RK= Sacrament] van de heilige doop had aanvaard en daadwerkelijk had ontvangen, bekeerde hij zich ook radicaal.
Zijn bezittingen en eigendommen werden zoals Christus de rijke jongeling voorhield aan de armen  uitgedeeld.
Daarop volgend onderging een turbo-ontwikkeling en werd twee jaar na zijn doop in 248 na Chr. gekozen tot toezichthouder [bisschop] van de Christelijke gemeenschap in Carthago, de hoofdstad van de Noord-Afrikaanse provincie.
Al heel spoedig leidde hij de gemeenschap aldaar naar rustige wateren.
In 249 besteeg keizer Decius de troon; deze Decius was een gepassioneerde persoonlijkheid, die het Romeinse rijk wilde redden dat bijna ingestort was door de aanvallen van de Germaanse naties.
Teneinde het Romeinse rijk te redden, achtte hij het noodzakelijk om zich eerst van de loyaliteit van al zijn ondergeschikten te verzekeren.
Christenen zouden immers ontrouw zijn aan de staat, omdat zij niet aan de cultus van de keizer deelnamen. Hij beeldde zich in dat de afwezigheid van christenen aan de cultus van de keizers de goden boos hadden gemaakt op het eens zo machtige rijk. Hij nam daarbij aanvankelijk voor zich te richten op de kerkleiders , teneinde hun invloed op het volk af te remmen.
Cyprianos nam daarop de beslissing Carthago te verlaten – zich voor deze overmacht te verstoppen – zodat de kerkgemeenschap haar leider zou verliezen. Deze daad werd door de Romeinse geestelijkheid veroordeeld als een minder gedurfde daad, maar later bleek deze daad toch de meest verstandige te zijn geweest. Cyprianos ging ertoe over zijn gemeente vanuit zijn schuilplaats te voorzien van Catechese, godsdienst-onderwijs door middel van schriftelijke het ontvangen en versturen van brieven.
               Nadat keizer Decius gestorven was, pakte Cyprianos zijn taak weer op en gaf hij opnieuw leiding en hield hij toezicht op de bevordering van de Christelijke Leer.
Er was een geschil in de kerk ontstaan over degenen die als gevolg van de vervolgingen van Decius afvallig geworden waren, doch spijt hadden betoond en wilden terugkeren naar de gemeenschap van de Kerk.
Over het algemeen is de algemene Christelijke Gemeenschap geneigd twee houdingen aan te nemen: De aanvankelijke houding is dat de Kerk hen niet opnieuw zou willen accepteren en vervolgens de houding om van hen onvoorwaardelijk terugkeer te verlangen.
Cyprianus koos de middenweg, de afvalligen kregen na een lange periode van spijtbetuiging de mogelijkheid op hun schreden terug te keren en werden weer als volwaardige leden in de gemeenschap opgenomen.
➥   De laatste jaren van zijn leven kwam Cyprianos hierbij op gespannen voet te staan met Stephanos, de bisschop van Rome, over de aan- of afwezigheid van ketterij bij de Christelijke doop. Volgens Cyprianos was de ketterse wijze waarop gedoopt werd absoluut ongeldig.
In plaats daarvan betoogde Stephanos dat iedere vorm van de kerkelijke doop van ketterijen legaal was.
De basis van Cyprianos’s betoog is dat niemand buiten de Apostolische Kerk het Mysterie [RK=  Sacrament] zal mogen toedienen.
Ketters hebben zich namelijk van de Kerk afgekeerd, hebben zich door zich af te zonderen van de bisschop aan de Apostolische verbintenis onttrokken en staan daarop buiten de Kerk, het Lichaam van Christus en mogen zich als zodanig niet langer Christen noemen.
Cyprianos was er derhalve van overtuigd dat:
    De Bisschop als toezichthouder tot de Christelijke Kerk wordt gerekend en de Kerk zich via de verbintenis aan de toezichthouder verbonden weet met Christus, indien de toezichthouder, bisschop ontbreekt, staat iemand derhalve buiten de Kerk”.
Er bestaat geen redding buiten de Kerk, het Lichaam van Christus [Extra ecclesiam nulla sallus], volgens Cyprianus, m.a.w. de Kerk is de moeder van de navolgers van Christus, de gelovigen.
            Stephanos wilde de kerk in Afrika dwingen de traditie van de Roomse kerk als een universele traditie te volgen. Gelukkig ging Stephanos hemelen, zodra dit conflict begon en onderging  Cyprianus al spoedig de marteldood, dus ontstond er geen schisma, verdeeldheid tussen de Roomse kerk en de Kerk in het Noordelijk Afrika.

➥   Bovenstaand conflict spitste zich tevens toe omtrent het primaat van de jurisdictie van de bisschop van Rome, zoals in onze dagen nog steeds opnieuw de kop op steekt. De ene mens probeert zich boven de ander te verheffen en dat terwijl slechts Christus het hoofd van de Kerk is. God leidt de Kerk op al haar wegen in ‘wederzijdse trinitaire Liefde’ en op deze wijze dienen de toezichthouders dit zowel ten opzichte van hun collega’s als ten opzichte van het kerkvolk te handhaven. Geen mens kan zich in de Kerk dus beroepen de eerste onder gelijken te zijn, hetgeen immers vanuit het  menselijk oer-instinct wordt omgevormd tot ‘de eerste onder ongelijken’. Zie daar de mens, die God probeert in juist vaarwater te leiden.

➥   ➥   ➥   Het primaat van de bisschop van Rome werd door Cyprianos besproken in zijn boek “De Unitate Ecclesiae” [De Eenheid van de Kerk].
Hij maakt hierbij duidelijk dat toezichthouder van de verschillende gemeenschappen, de bisschop de vertegenwoordiger en garantie – is/was en zal zijn – voor eenheid van de Kerk, omdat hij met vrienden in het ambt van de bisschop in een onderlinge [Goddelijke] Liefdesrelatie verbonden is vanwege de basis van zijn positie, het ambt van de Apostelen. Van de Apostelen was het Petrus die slechts in zijn persoon een speciale positie verkreeg, omdat hij de macht kreeg om in alle vrijheid te vergeven en te ontbinden. Omdat die macht wordt overgegeven door Christus en slechts aan één Apostel is verstrekt, betekent dit dat de eenheid van de Kerk door Christus is gevestigd.
Cyprianos trok daaruit echter ‘niet’ de conclusie dat Petrus hiermee de macht, als ware het een rechtsmacht, verkreeg over andere apostelen en de beminde gelovigen. 
Evenmin heeft hij geconcludeerd dat de bijzondere macht van Petrus [als een erfrecht] werd  overgedragen aan zijn opvolger, de bisschop van Rome.
De Romeinse congregatie werd slechts speciaal geëerd omdat Peter aldaar gewerkt heeft en daar ook gestorven is.
Het recht van de bisschop van Rome om rechtstreeks in een andere kerk tussenbeide te komen door bevelen te geven, werd [en wordt nog steeds door een ‘groot’ deel van de Kerk, waaronder de Antiocheens Ortodoxe Kerk] door Cyprianos absoluut van de hand gewezen. Verbintenis met God aangaan is een liefdesband en kan nimmer door menselijke geldingsdrang de boventoon kunnen voeren.

In 257 brak de vervolging op de Christenen opnieuw uit onder het bewind van keizer Valerianus. Echter nu probeert Cyprianos niet weer opnieuw te hieraan te ontkomen. Cyprianus werd berecht door de gouverneur van Afrika, Paternus, in een hal in Carthago.
Dapper verweerde Cyprianus zichzelf, ten eerste als volgeling van Christus en vervolgens als toezichthouder van de Christelijke Gemeenschap in Carthago.
Cyprianos verklaarde dit als volgt:
Ik ben Christen, zowel als toezichthouder, bisschop.
Ik erken geen andere goden behalve de ene en ware God,
Die de Hemelen en de aarde, de zee en al wat er bestaat heeft gemaakt.
Wij christenen dienen God; tot Hem bidden we dag en nacht
voor onszelf en voor iedereen en voor de veiligheid van de de despoot, de keizer zelf
”.
Vanwege deze bekentenis werd Cyprianus verbannen naar de stad Curubis en hij verbleef daar een periode.
Vervolgens werd Paternus vervangen door Galerius Maximus die Cyprianos opriep om opnieuw te worden berecht; Cyprianos bleef staande in zijn Geloof.
Maximus veroordeelde Cyprianus tot de dood en deze antwoordde op het vonnis door te zeggen: “Goddank!”.
Cyprianus diende God op 14 september 258 door een marteldood te ondergaan.
                 Eer aan God in de Hoge en Vrede op aarde aan de mensen van goede wil”;
Alheilige, Moeder van God, bidt God voor ons allen, om onze zielen te redden?“.

18e Zondag na Pinksteren – Hebt uw vijanden lief

‘God’s akker zijn wij’;
‘We are God’s field’;
‘Είμαστε ο χώρος του Θεού’;
‘ نحن حقل الله’

    En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo.
En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat hebt gij voor? Immers, ook de zondaars hebben lief, die hen liefhebben.
Want indien gij goed doet aan wie u goed doen, wat hebt gij voor? Ook de zondaars doen dat. En indien gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets te ontvangen, wat hebt gij voor? Ook zondaars lenen aan zondaars om evenveel terug te ontvangen.
       Neen, hebt uw vijanden lief, en doet hun goed en leent zonder op vergelding te hopen, en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed jegens de ondankbaren en bozen.
Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig isLuc.6: 31-36.

      [Bedenkt] dit: wie karig zaait, zal ook karig oogsten, en wie mildelijk zaait, zal ook mildelijk oogsten. En ieder doe, naar dat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen, niet met tegenzin of gedwongen, want God heeft de blijmoedige gever lief.
    En God is bij Machte alle Genade in u overvloedig te schenken, opdat gij, in alle opzichten te allen tijde van alles genoegzaam voorzien, in alle goed werk overvloedig moogt zijn, gelijk geschreven staat:
            ‘ Hij heeft uitgedeeld, aan de armen gegeven, zijn gerechtigheid blijft in eeuwigheid’. 
Hij nu, die zaad verschaft aan de zaaier en brood tot spijze, zal u uw zaaisel verschaffen en vermeerderen, en het gewas uwer gerechtigheid doen opschieten, terwijl gij in alles verrijkt wordt tot alle onbekrompenheid, welke door onze bemiddeling dankzegging aan God bewerkt2Cor.9: 6-11.

‘ Christus de zaaier, wij zijn mede-zaaiers’;
‘ Christ the Sower, we are co-sowers’;
‘ Ο Χριστός ο σπορέας, είμαστε συνεργοί’;
‘ المسيح الزارع ، نحن متعاطفون’.

Ja, ‘dàn’ heb je wel makkelijk praten, maar wie zaait er hier nog in deze wereld?:
  indien gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets te ontvangen, wat hebt gij voor?”.
Maar als dat lenen nu gewoon een overval betreft van iemand, die drommels goed geweten heeft dat het geld bestemd was voor de toekomst van een gemeenschap.
Het gewone kerkvolk verlangt ‘goed’ te doen, zeker de religieus bewogen mens verlangt dit.
Het tegenkomen van eigen zwakheden beschadigt een mens en brengt hem in de war – zonder God is er namelijk niets dan chaos. Ook de ‘Heilige Kerk’ is hierdoor teneergeslagen, indien je ziet wat er binnen haar rangen aan falen, ja aan gruwel gebeurd is en nog steeds plaatsvindt. De realiteit van eigen zwakheid, van eigen boosheid doet de mens angstig zoeken naar het goede in zichzelf; hij klampt zich er zelfs aan vast.
Niet goed zijn‘ en bij ‘de gevallenen‘ en de ‘niet zó goeden behoren‘ is het ergste wat de gelovige mens zou kunnen overkomen . . . diep in onszelf zijn we ons ervan bewust op ‘niets‘ aanspraak te kunnen maken. Wij hunkeren naar ‘ontfermingvan geheel ons mens zijn als drager van rechten en plichten. Wanneer je op zo’n moment geconfronteerd wordt met hoogmoed van gezagdragers, die zonder enige vorm van overleg beschikken over het geld dat voor een ander doel bestemd is, dan geraak je geheel van slag. Dit wordt nog eens bekrachtigd wanneer de persoon in kwestie zich tracht te verantwoorden en te legitimeren door te verkondigen: “Maar het was toch een lening, ja, zo is het de bedoeling geweest”. Ja, dank je de koekoek, zo lust ik er nog wel eentje.
          Dat er in de ‘heilige Kerk‘ ongerechtigheden plaatsvinden is uit de geschiedenis bekend, maar dat het binnen eigen gelederen zonder dat er pardon wordt uitgesproken ongestraft plaatsvindt gaat mijn ontwikkelingsniveau te boven.
       Ik betitel dit als diefstal en dat is liefdeloos en reeds bij Wet, zowel de 613 regels van de Thora, als de 10 geboden en de liefdeswet van Christus verboden.
De Kerk is niet beter dan de wereld, wanneer een kind ons duidt dat al die oorlogen beter op een schaakbord uitgevochten dienen te worden. In de ogen van een kind draait het om delen en geven, elkaar het Licht in de ogen gunnen, om ‘over’leven en verwachting op hetgeen komen gaat; wat dat aangaat zijn zij wijzer dan menig politicus. Immers alles zal wijken voor medelijden en medeleven tot degenen die het aan rust en leeftocht ontbreekt. Doch ook het schaakbord van de sportiviteit is vergiftigd  door de geldingsdrang van geld en macht. Oorlogen worden op vreemd grondgebied uitgevochten, het Westen bevecht het Oosten in het Midden-oosten, Iran steunt de ene partij en de Saudisch de ander in Jemen en het volk aldaar is de dupe, komt om van ellende. Het wachten is op een volgende brandhaard tussen de V.S. en China of is het Afrika waar hun strijd wordt uitgevochten. Ondertussen maak je het streven naar Vrede via een Permanent Hof van Arbitrage in dit soort zaken uit voor al wat lelijk is, teneinde eigen onvermogen aan leiderschap te verbloemen.

Bewogen woorden;
Moving words;
Κινούμενες λέξεις;
نقل الكلمات.

      Wij hebben de Heer in het Evangelie van zondag voor de Verheffing van het Heilige Kruis gehoord, waarbij de grootte van Zijn Liefde wordt onthuld, Die culmineert en verzegeld wordt door Zijn kruisiging.  De vernedering van de Blijde Boodschap van deze zondag door een gezagsdrager brengt ons tot de poging een ‘horizontale dimensie’ van de Liefde te definiëren.
Het formuleren van de universele, ‘hoogste regel’ die elke menselijke opvatting vóór en ná Zijn aanwezigheid op aarde overschrijdt.
Laten wij daarom, plechtig en nederig, stilstaan bij de woorden van de eenzame Verlosser, onze Heer Jezus Christus, Die onze harde harten tracht te verzachten en de woestijnen van het leven doet herleven.
            Waar ben je ?Gen. 3: 9.
Dat is de allereerste vraag, die Hij aan de mens heeft gesteld.
Het is opgenomen in Zijn Woord en het leert ons een les aan het begin van de Blijde Boodschap. Deze woorden “ Waar ben je ?“, leren ons dat God de zondaar nooit alleen zal laten in z’n zonde.
De mens hoort Zijn stem, sprekend in Zijn gewone accenten van vriendschap en vriendelijkheid; maar het sloeg op ‘een schuldig hart’ in als de stem van een vijand. Er bevindt zich een getrouwe getuigenis voor God in ‘s-mens eigen borst, die hem vertelt dat hij zichzelf had verwond; en “hij was bang !”.
God had tot nu toe Zelf geen enkel teken van verandering in de richting van hem getoond; maar de mens had zichzelf verheven tot god en hij deed het zichzelf aan

De “gouden regel van de liefde:
           Zijn de mensen gezegend, die de Heer niet willen zien en horen op de kusten, de vlakten en de heuvels van Galilea, omdat Zijn aanwezigheid de aarde heiligt?
           Zijn toespraak op de berg is diep doorgedrongen in het geheugen van degenen die Hem navolgen en dringt door tot de ethers, om onschatbare waarde te blijven, een eeuwige schat van de mensheid.  De beroemde Zaligsprekingen versieren de harten van hen die getroffen worden door de hoogmoed van anderen door alle tijden.
Tòch geven de woorden:  Waar ben je ?  en die van de bergrede moed aan de armen van geest, de eenvoudige leden van die gemeenschap, die zich maar dienen te schikken onder al dat hoogmoedig geweld. Zij geven moed aan de armen, de hongerige, de rouwklachten, de gewonden, de toegewijden, met de belofte van eeuwige vreugde.
            Integendeel, de rijken, de hard-hartige en de hartstochtelijk aan de wereld geklonkenen zullen de ellende in het eeuwige leven ontvangen! Maar de Heer opent nieuwe horizonten in de relaties van mensen:
   Allereerst organiseert onze Heer, wat mij zelf aangaat, geheel onverwacht een ontmoeting met een Metropoliet, die wèl door de wol geverfd is, een bloedserieuze monnik, die z’n sporen elders verdiend heeft. Het heeft mij verwonderd, ik had de moed binnen de Orthodoxie al opgegeven en was van plan niet nogmaals m’n neus te stoten aan zulk ongeregeld hooghartig gedrag.
           Om je vijanden lief te hebben, om degenen die je haten te bevoordelen, degenen die vervloekt zijn te zegenen, om te bidden voor degenen die je mishandelen” Luc.6: 27-28.
Aan de hand van het Torah-gebod omtrent de naastenliefde [Lev.19: 18] werd aan de hand van de positieve versie van Tobias 4: 15 een algemeen geldende en begrijpelijke “gouden gedragsregel in de Liefde” ontwikkeld: “ . . . . . Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook de ander niet”. Soortgelijke, negatief of positief geformuleerde, kernspreuken of leerstellingen, met verschillende betekenissen, werden vanaf de 7e-eeuw v.Chr. overgeleverd in religieuze en filosofische teksten uit China, India, Perzië [het huidige Iran], het oude Egypte en  Griekenland.
Oordeel mij, God; voer mijn rechtszaak, tegen een ongewijd volk.
Bevrijd mij van de niet-gerechte mens en van de bedrieger.
God, Gij zijt toch mijn sterkte, waarom verstoot Gij mij?
Waarom moet ik treurig voortgaan onder de slagen van mijn vijanden?
Zend Uw licht uit en Uw waarheid, om mij te geleiden.
Zij zullen mij voeren naar Uw heilige berg, naar Uw woonplaats.
Dan zal ik opgaan tot Gods altaar; tot de God die mijn jeugd verblijdt.
Ik wil U belijden op de harp, God, mijn God.
Waarom zijt gij zo treurig mijn ziel? Waarom verontrust ge mij ?
Vertrouw op God, want ik zal Hem belijden: Hij is het heil van mijn aanschijn; Hij is mijn GodPsalm 42 vert. ROK ’s-Gravenhage.

Peace Palace in The Hague

Waarom zegt Christus ons, als je van degenen houdt die van jou houden, als je goed doet aan degenen die alles jou ten goede laten komen, als je datgene leent aan hen, die jou zullen terugbetalen, wat is dan de toegevoegde waarde?
  Werkelijkheid is meer dan waarheid” het lijkt een wat merkwaardige boodschap van een denker des Vaderlands. Deze houdt kort samengevat in dat het gewone voordravende en niet- bewust-levende volk niet zo geïnteresseerd is in waarheid. Een merkwaardige opvatting, die uit de ontmoeting met mensen en de menselijke conditie wordt weersproken. Niemand vindt het namelijk fijn te worden voorgelogen of bedrogen [ in bed, in de supermarkt of in de vriendschap] – dat lijken mij vrij universele waarden te zijn.
“ . . . . . Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook de ander niet” Doen de hoogmoedige zondaren niet hetzelfde?  Maar u gelovigen houdt van uw vijanden, opdat uw beloning groot zal zijn en uw zonen van de Allerhoogsten  zijn, omdat Hij als God gewoon te goed is om ondankbaar en kwaad te zijn.
God staat mijlenver boven de mens.  Het Woord heeft dus te maken met je ingewanden, en jouw Vader in de Hemelen gaat daarin tot het uiterste, is visceraal!!!

Het Mysterie van de Drie-eenheid

Heb elkander Lief, zoals de Heilige Drie-eenheid in een Liefdes-band één God is’.

          Het zou voor iedereen vele [dag-]boekdelen van het leven kunnen vullen: ‘Onze Heer en Verlosser, Die zelfs met een dood eenvoudige aanpak van het universele fenomeen van de liefde ons probeert te genezen’.
          Het is eenvoudig zo dat God’s vormen of uitdrukkingen niet te tellen zijn; relaties, obligaties, gevoelens, en al de situaties waarmee wij ze verwarren of daaraan verwant zijn.
          Dus als je wat vraagt in datgene ‘waarin’ wij de mensen om ons heen elkaar lief hebben, krijg je de meest vreemde, misschien tegenstrijdige antwoorden.  Afhankelijk van hun psychosynthese zijn onderwijs, overtuigingen, doelen, mensen actief; soortgelijk zijn zij uit op liefde voor zichzelf en hun eigen belangen, de toezichthouder wordt dan een ‘tot-zich-houder’ en doet gewoon waar die zelf zin in heeft, wie doet hem wat? We kunnen echter zeggen dat de hoofdvormen van liefde in zijn maatschappelijke dimensie zijn: moeder en vaderschap’s liefde, broederliefde, liefde van kinderen voor ouders, liefde in een huwelijk of vriendschap, liefde voor dieren en de ons omringende natuur.
Gegeven vanuit de Liefde tot God, creëren deze woorden wonderen; daar is op het hoogste niveau over nagedacht en het verfraait het leven.
Het is eigenlijk niet nodig om te benadrukken dat ‘Liefde‘ de centrale as is van  de Blijde Boodschap en de prediking van Christus en de Apostelen; in primaire gemeenschappen ben je als vanzelfsprekend op elkaar aangewezen.
Nood leert bidden‘, dat wisten onze ouders reeds, tijdens en nog tot vlak na de 2e wereld oorlog – die tijd wordt echter wel herdacht, maar niet langer beleden, want dat heeft voor velen voor goed afgedaan.
De woorden van de brieven van de H. Johannes de Theoloog, de ‘Evangelist van de Liefde’ worden echter alom in de Kerk vernomen en vormen omdat zij diep in ons hart zijn doorgedrongen een richtlijn in ons leven.
Hetzelfde gaat op voor de beroemde “Hymne van de Liefde” van de hand van de Apostel Paulus. Unieke teksten die de leringen van Christus en de werking van de Kerk voortstuwen in de tijd.
Zij realiseren, als door God Zelf gemaakte creaties, die het organisme realiseert van de ware Liefde, omdat ze de innige samensmelting verbeeldt met haar geliefde Bruidegom.
            Door deel te nemen aan deze levendige ‘communio’ van Liefde, waar àlles verlicht wordt door het Licht van Christus, kunnen we begrijpen waarom Hij ons vraagt om onze naaste lief te hebben als onszelf.
Deze Liefde negeert en onderschat de Wet niet, niet de 613 regels, niet de 10 geboden evenals de 2-voudige Liefdeswet van Christus en daarbij de inspanningen van mensen waardoor een Verbond’s Volk in harmonie kan samenkomen.
Dáár wordt niet stilzwijgend gedaan of er niets aan de hand is wanneer je een faliekant verkeerde beslissing hebt genomen, die mensen op hun ziel hebt getrapt en vernedert. Die mensen van je verwijdert, hen de Kerk ‘uit’-jaagt’, omdat jij ‘despoot’ heel onvolwassen de nagel van je disfunctioneren niet durft te verwijderen. Maar omdat Christus onze menselijke fouten kent, de afwijkingen van onze goddelijke bestemming en de aantrekking’s-kracht van de wereldse goederen, dringt Hij er bij ons op aan om ook hierin een heldhaftige stap te nemen, een overgang te bewerkstelligen, zelfs om van je vijanden te houden!
Daarom zijn er in onze relaties met onze medemensen veel “overbrugging’s-mogelijkheden”, trappen van bekwaamheid, maar daar behoort het gewoon maar ‘doodzwijgen’ en het geven van ontwijkende antwoorden niet bij.
Iemand, die goede dingen doet voor andere mensen, zeker wanneer deze vòl zijn van Genadegaven zal de één anders handelen dan de ander, zo is het ook met onze Heer en verlosser, Die wel-doende rondgaat in deze wereld.

        Wil je dan ook iemand voorstellen om tot oprecht berouw te komen, met name van degenen, die hun hartstochtelijke liefhebberijen nog niet hebben gedoofd, dan dien je die bemoedigend tegemoet te treden, zodat zij er niet in stikken en zich terugtrekken.
       Met name zij die vanuit de Kerk door geweld gewond zijn geraakt en hier keer op keer mee in aanraking komen, komt dit van tijd tot tijd opzetten en moedigt hen aan in herhaling te vervallen.
         Gemeenschap’s-zin komt voort uit een goed samenspel van betrokken gelovigen, een betrouwbare overheid en inlevende ambtsdragers, zeker wanneer deze door een ‘AXIOS’ omgeven zijn. De verbindende schakel is een sociaal-fysieke infrastructuur: plekken waar toegankelijke vertrouwdheid kan ontstaan waardoor onderlinge vooroordelen doorbroken kunnen worden en mensen weten wàt ze aan elkaar hebben. Daartoe dienen er verbanden te ontstaan waarbinnen gelovigen zich al doende de benodigde kennis, vaardigheden en houding kunnen aanmeten, zodat zij weten dat zij in hun doen en laten worden gewaardeerd.

Robotisering van de mens betekent verharding;
Robotisation of man means hardening;
Η ρομποτικοποίηση του ανθρώπου σημαίνει σκλήρυνση.

        Het omzeilen òf bewust niet reageren op opwinding vanwege menselijk falen leidt niet vanzelfsprekend tot meer participatie van beminde gelovigen, broeders en zusters in de leer.
Het is niet vanzelfsprekend dat diegenen, die gevorderd zijn in ‘praktische’ arbeid stilzwijgend hun wonden likken en enkel genoegdoening accepteren op basis van hemelse verlichting.
Zwijgen en ontwijkend reageren bevordert ‘bewust’ een gevangenschap van het absurde en leidt tot gelovigen, die jarenlang kwaad blijven op degenen die zich in hun ogen misdragen hebben.
De verlichting van de geest wordt geblokkeerd en heeft openbaar maken van mistoestanden tot gevolg – brengen logische en godelievende [om een Belgisch woord te gebruiken] beslissingen voort. 

        Wanneer de geest zorgvuldig onder strenge knoet gehouden wordt en de zintuigen door irrationele impulsen en bewegingen onderworpen worden, wordt er beslist geen rust in de gemeenschap bevorderd, eerder zal men de superieur niet langer serieus nemen; hem als niet-geschikt terzijde schuiven, uit de weg gaan, vermijden.
        Het sterflijke wordt immers verzwolgen door het Leven òf zoals men het in goed Nederlands formuleert “het zal mijn tijd wel duren” oftewel “zo’n iemand zal ìk mijn geestelijke en zakelijke kwesties niet meer toevertrouwen”.
En dan wordt in ogenschouw genomen: “  Aan eenieder van ons afzonderlijk is de Genade 
gegeven, naar de mate, waarin Christus haar verstrektEph.4: 7.
Laat hem maar gaan, hij krijgt z’n trekken wel thuis, laat hem stikken en zoek een normaal reagerend gezagdrager.

H. Johannes Chrysostomos, geïnspireerd door de H. Apostel Paulus

        De één geeft God wijsheid, de ander al naar zijn behoeften, bediening voor opleiding, scholing en beoefening van de bemanning van de gemeenschap. En dit is nu precies datgene wat, niet “in de huidige tijd” past, maar vandaag gewoon als Waarheid beschouwd kan worden, dat wil zeggen, om de Belofte van onze Heer uit te breiden, dat Hij ons in ieder geval ‘nooit en te nimmer’ met rust zal laten.
        De Heilige ‘Guldenmond”, die de woorden van de Heer analyseert, somt negen heldhaftige stappen op, die de mens zou dienen te nemen, om een overgangsperiode te bewerkstelligen, ja, zelfs om zó vèr te komen dat we van onze persoonlijke vijanden gaan houden!
        Verdraagzaamheid en de bal niet terugspelen geeft geen genoegdoening voor degene, die ons geschaad hebben – om de liefde te bereiken blijft ons alleen nog over ons gebed op te pakken en terwille van hen ontferming af te smeken.
Deze reactie is het enige wat overblijft en zó God het wil zal dit gloeiende kolen op iemand’s hoofd plaatsen. Dit is niet oproepen agressief te worden, met vurige kolen op iemands hoofd stapelen wordt bedoeld dat je iemand die iets verkeerds of slechts heeft gedaan niet straft, maar juist heel vriendelijk voor hem bent.
In feite zeg je hiermee het meest onbegrijpelijke dat de Heer van ons verlangt, dat we zijn zoals onze Hemelse Vader. Hij houdt zonder dollen van kwaadaardige mensen en laat weten dat zij die niet behandeld willen worden als ‘ziek’, ja zelfs als ‘stervend’ beschouwd dienen te worden. 

De gaven van de Heilige Geest

Christus, Verlosser van de wereld

          In het leven van de Kerk en de ascetische Traditie zien we dat de Heiligen Christus imiteren, hun passies en zwakheden bestrijden en inderdaad de bron van alles kwaad, de verschrikkelijke zelfliefde.
Adam’s ‘treuren omdat iemand gestorven is‘ gaat door met het Leven. Het dwingt de mens ertoe te komen tot een “leegmaken“, een mededogen en alle mensen onder dezelfde vleugelen te hoeden. De geplengde tranen strekken zich over de gehele schepping uit.
Daarmee staan voor het Mysterie van de Liefde. We kunnen op die manier ervaren hoeveel “bovenmenselijke Kracht” z’n uitwerking vindt. Filosofen en opvoeders beoefenen ‘pedagogische liefde’, veel mensen hebben hier al boeken over vol geschreven. Wetenschappers gebruiken het als een methode van psychotherapie.
Maar, zoals onze Heer en Verlosser het ons duidelijk maakt, kan het ‘nooit‘ gebaseerd zij op een zuivere menselijke overwinning/verovering op jezelf.
Deze Liefdeshouding overschrijdt al de menselijke grenzen.
Als de mooiste bloem vanuit de Hemel op aarde neergedaald is het een Genadegave van de Heilige Geest. Om mensen hun getrouwheid in Christus te laten dragen en de goederen van het komende Koninkrijk te genieten.
Wel, mijn broeders in de Heer, in haat, wraak en onmenselijkheid, die we in onze tijden te verduren hebben en die wij als gevolg van ons menselijk handelen voortdurend over onze geloofsgemeenschap  doen toekomen, laten we ons niet van de Liefde in Christus afkeren, doch er naar te kijken als handreiking van Hem persoonlijk aan ons lijdenden gericht als teken van Zijn Aanwezigheid in deze wereld. Liefde, welke, met het vooruitzicht van de eeuwigheid, volgens de apostel van de naties, “nooit ontkend mag worden”.
            Moreel besef, omdat onvoorwaardelijke liefde voor de officiële partner een vereiste is.
Nooit, nee nooit, mag deze belast worden met kennis van overspel, laat staan verlaten worden voor een ‘tijdelijke’ tochtgenoot. Overspel vereist paradoxaal genoeg ook voor monniken een goede, stabiele liefdesrelatie, anders is het niet minder dan een ordinaire zoektocht naar een nog leukere ‘instabiele‘ partner.
De pijn van het gemis van een goede stabiele liefdesrelatie is de manier waarop je hart je duidelijk maakt dat ware Liefde nog steeds bestaat . . . . . 

Apolytikion     tn.1
“   Terwijl de steen door de Joden verzegeld was
en de soldaten Uw alleruiterst Lichaam bewaakten,
zijt Gij na drie dagen opgestaan, o Verlosser,
om aan de wereld Leven te schenken.
Daarom riepen de Hemelse Machten U Toe, o Levenschenker:
Ere zij Uw Opstanding, o Christus.
Ere zij Uw Koninkrijk:
Ere zij Uw Voorzienigheid o enige Menslievende
”.

Kondakion     tn.1
“   Als God zijt Gij opgestaan uit het graf in Heerlijkheid
en de wereld hebt Gij mede opgewekt.
De mensennatuur bezingt U als God
en de dood is teniet gedaan.
adam jubelt o Meester
en Eva, uit haar noemen bevrijd, verheugt  zich en roept uit:
Gij zijt het, o Christus,
Die aan allen de Opstanding schenkt
”.

Theotokion     tn.1
“   Toen Gabriël tot U o Maagd het ‘verheug u’ sprak,
nam de Schepper van het heelal in U het vlees aan.
Toen werd gij ‘de Heilige Ark’, waarover David sprak,
meer omvattend dan de Hemelen.
Eer zij Hem, Die in U woning nam,
Eer aan Hem, die uit u tevoorschijn trad.
Eer aan Hem, Die ons door uw baren heeft bevrijd
”.

Orthodoxie & de liefdesverhouding buiten het Verbond en het toegeven dat men iets verkeerd heeft aangepakt.

Met de eerste maand van het jaar zijn we een nieuw seizoen binnengegaan en indien we dan één fundamentele kwestie serieus nemen, dan is het de verlossende Kracht van een persoonlijke of publieke biecht.
Zoals dat in Orthodoxe kringen genoemd wordt ‘het is en blijft een Mysterie‘, de uitwerking, die hierdoor in het verborgene plaatsvindt.
En als er één mens in de Blijde Boodschap beschreven wordt, die hier een voorbeeld van deze verlossende Kracht toont, dan is dat ‘David’.
David is de oer-ervaring van het diepste binnenste, datgene wat zich altijd als heer en meester [het ego] van de mens probeert te verheffen, teneinde de ondergang van zijn bestaan te bewerkstelligen.
Overweeg daarbij allereerst Psalm 50[51], waarbij de liefdesverhouding  buiten het Verbond wordt toegegeven en waarin de mens het uitjubelt dat hij/zij gered mag worden. David het archetype, de symbolische voorstelling, die in het onderbewustzijn van alle mensen aanwezig is, is belast met de erfzonde. 

Er zijn vijf ‘vooruitzichten‘ op te noemen van David’s ongerechtigheden en die hem er in eerste instantie aanzetten, absoluut niet toe te geven, dat er iets verkeerds is gegaan [zie: 2Sam.11].
Een mens laat zich nu eenmaal moeilijk iets gezeggen, indien hij/zij op onvolkomenheden wordt aangesproken, dat zit ingebakken vanaf de schepping.

1.]. Hij had seksuele relaties met Bathseba [Hebr.= ‘dochter van een eed’], een vrouw die getrouwd was met zijn gezagsgetrouwe officier Uria [Hebr.= ‘licht van de Heer’] de Hethiet [Hebr. nakomeling van Heth = ‘schrik‘; 2Sam.11: 2-4].

2.]. Nadat van Bathseba[Hebr.= ‘dochter van een eed’] vernomen werd dat ze door David’s toedoen zwanger was, probeerde hij de afkomst van het kind te verstoren door Uria ertoe te brengen een echtelijk bezoek te brengen aan Bathseba [2Sam.11:  5-13].

3.]. Na het falen van dit eerste plan, pleegde hij doodslag door bevelen te geven aan zijn generaal Joab die het leven van Uria [en die van anderen] onnodig in gevaar bracht [2Sam.11: 14-25].

4.]. David veroorzaakte daardoor dat Uria – en anderen die die dag zijn gevallen – een waardige dood sterven.

5.]. David nam Bathseba onmiddellijk na de rouwperiode als vrouw, waardoor de Halacha [het practisch Joodse Recht ] werd overtreden door een wachtperiode van drie maanden op te leggen om het vaderschap te verduidelijken [2Sam.11: 27].

Waar tref je een nog dramatischer illustratie aan, notabene in de Blijde Boodschap van hoe een ontwijken van een bekentenis, het toegeven dat men iets verkeerd heeft aangepakt de neiging doet opkomen een misdaad te verdoezelen en tegelijkertijd te verergeren?

Maar als bovenstaande antwoorden van David op de zonde een discipline gaat worden, verwordt het tot een stelselmatige reactie wanneer iemand op z’n fouten gewezen wordt – en z’n omgeving hem daarin uit onderhorigheid ondersteunt, ja, dàn verwordt dìt tot een ontkenning van het Mysterie, de verlossende Kracht van de Biecht.

King Saul & King David

In tegenstelling tot Saul die door de schuld van zijn falen op anderen af te schuiven, [om berisping van de profeet Samuel’s] te reageren [1Sam.15: 20-21].
Vergelijk dit derhalve met:
      En de Heer zond Nathan [Hebr. = ‘een aangever‘] tot David [Hebr. = ‘de  geliefde‘]. Deze kwam bij hem en zei tot hem:
  Er waren in een stad twee mannen; de een was rijk en de ander arm. De rijke had zeer veel schapen en runderen; de arme had niets, behalve een klein ooilam dat hij had gekocht en opgekweekt. Het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen; het at van zijn bete, dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot, het was hem als een dochter. 
Eens kreeg de rijke man bezoek; en hij kon er niet toe komen, een van zijn schapen of runderen te nemen en te bereiden voor de reiziger die bij hem was gekomen; dus nam hij het ooilam van de arme man en bereidde dat voor de man die bij hem gekomen was”.
Toen ontbrandde de toorn van David zeer tegen die man en hij zeide tot Nathan:
  Zo waar de Heer leeft: de man die dit gedaan heeft, is een kind des doods’”
2Sam.12: 1-5.

David aanvaardt de volledige schuld als hij wordt geconfronteerd met de profeet Nathan.  Zoals opgetekend biedt David slechts een eenvoudig antwoord:
Ik heb gezondigd tegen de Heer, onze God 2Sam.12: 13.
En als deze versie van David’s bekentenis perfect is in zijn eenvoud, dan komt dit tot uitdrukking in de Psalm, die in iedere Orthodoxe dienst wel aan de orde komt en die we eigenlijk allemaal van buiten dienen te leren reciteren [eerst dàn begint het voor je te leven]
Een Psalm van David, toen Nathan de profeet naar hem toe kwam nadat hij naar Bathseba was gekomen is perfect in zijn welsprekendheid:
    Ontferm U over mij, o God, in Uw grote Goedheid en delg mijn ongerechtigheid uit door de overvloed van Uw Barmhartigheid” Psalm 50[51]: 1,2 vert. ROK ’s-Gravenhage.
In dit ontroerende gebed om mededogen en barmhartigheid in
    Was mij geheel van mijn ongerechtigheid en reinig mij van mijn zonde” Psalm 50[51]: 3, gebruikt David zeven keer het woord het of de “zonde” om naar zijn daden te verwijzen en het als een woord, waarop men zich dient te richten teneinde het doel van het gedicht vast te stellen.
Er wordt door divers woordgebruik dertien totale verwijzingen naar de zonde, welke waarschijnlijk  verwijzen naar de dertien attributen van Gods Genadegaven:
      De Heer ging aan hem voorbij en hij riep:
   Heer, Heer, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar [de schuldige] houdt Hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid van de vaderen bezoek-ende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslachtEx.34: 6-7.

Is dit niet tot God verheffende literatuur, die oproept je in je binnenkamer terug te trekken en het gebed van het hart te reciteren: “  Heer Jezus Christus, Zoon van de levende God, ontferm U over mij zondaar”; hoe kun je nog een ander boek ter hand nemen?.

Maar nu gaan we nog een stapje verder en komen op het punt van de biddende Kerk. Een gemeenschap van návolgers van Christus is een biddende gemeente.
Ook als ze samenkomen dan vormen ze samen die biddende gemeenschap rond het Woord.  Dat bidden doen ze niet passief, de leden van die gemeenschap zijn daar actief bij betrokken.
In de meeste  kerkdiensten van tegenwoordig zijn wij dat niet meer gewend.
Wanneer wij samenkomen in ons onderkomen, òf die nu in eigendom is verkregen òf niet, dàn is er maar al te vaak één persoon, die voorgaat in gebed, de spelleider of zoals je wilt de priester, pastor of dominee.
In de vroeg-christelijke kerk was dat anders.
Die oorspronkelijke Kerk, waar de Orthodoxe Kerken zich onafgebroken op beroepen, bestond uit kleine huisgemeenten, hooguit 100 gezinnen, die wekelijks op een centraal punt samenkwamen.
En waneer zij een eredienst hadden, dan mochten ‘alle’ gemeenteleden ‘– méé – ‘ bidden, de mannen, zowel als de vrouwen.
Wèl werd de samenkomst voorgegaan door ‘een oudste’, een spelleider, iemand dient toch het voortouw te nemen, of niet soms?
En die spelleider kreeg een toezichthouder, in navolging van de initiërende Apostelen, die haast ‘niets’ bezittend en met hun stok en hun staf [ ‘ja. dezen zijn mijn troost’, psalm 22(23)] de navolgers van Christus bezochten en toezicht hielden of de Leer wel juist verkondigd werd.
Dat was het ‘in den beginne’, het principe van de Heilige Katholieke en Apostolische Kerk.
Zij verkondigden een leer, een Pedagogie van de Éne, Die in hun midden is:

Christus, Verlosser van de wereld

Één is heilig, één is Heer: Jezus Christus, tot Heerlijkheid van God de Vader. Amen”.
En dan ontwikkeld zich een proces wat in de menselijke belevingswereld is ingebakken:
        Toen Samuel oud geworden was, stelde hij zijn zonen aan tot richters over Israël.
De naam van zijn eerstgeboren zoon was Joël [Hebr.+ ‘voor wie de Heer God is’], die van de tweede Abia [Hebr.= ‘mijn vader is de Heer‘]; zij waren richters te Berseba [Hebr.= ‘ put van de zevenvoudige eed’].
Maar zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; zij waren op winstbejag uit, namen geschenken aan en bogen het recht”.
Dat gebeurde in de oudheid, dat gebeurt er nog steeds in ònze Christelijke historie, dat gebeurt “hier en nu”, want dat is ingebakken, dat is door God in het menselijk onderbewuste meegegeven.
Maar hoe kan ik dàn de betekenis van het vers vaststellen:
En zij zochten naar onrechtvaardige winst”, wat aangeeft dat zij zondaars waren? Dat betekent dat zij zich niet hebben gedragen [en nog steeds niet gedragen] in overeenstemming met de acties van hun voorvader[en].
Als Samuel [Hebr.= 
van God gebeden, ‘van God afgesmeekt’zou de rechtvaardige reizen naar alle plaatsen waar ‘het volk van Israël [de Kerk] Zich bevond en zat in het oordeel in hun steden’, zoals staat vermeld:
“En hij ging van jaar tot jaar in circuit van Beth-El [Hebr.= ‘huis van God‘], en Gilgal [Hebr.= ‘wiel of rollend’ en Mitzpa [Hebr.= ‘wachttoren’], en richtte [beoordeelde] Israël [de Kerk] op al die plaatsen “1Sam.7: 6.
En/Maar zij deed dit niet, dat reizen van plaats tot plaats. Integendeel, zij zaten in hun ‘eigen’ steden om de vergoedingen te verbeteren die door hun bedienden en schriftgeleerden werden verzameld. Daarom schrijft het vers hun de aan-sprakelijkheid toe alsof ze gezondigd hadden door ongehoorde aanwinsten en steekpenningen te zoeken, tot eigen eer en glorie !!!

goed & kwaad

God heeft de mens meegegeven dat hij/zij persoonlijk afwegingen diende te maken, de keuzevrijheid heeft en zal hebben om ‘goed en kwaad‘ te doen en het één van het ander te onderscheiden.
Dat is voor Christenen het tweeledig gebod van de Liefde,  enerzijds tot God en tegelijkertijd tot de naaste.
In het oude Testament [Verbond] werd dit omschreven in de Wet, voor de meesten bekend als de 10 Geboden en voor insiders de 613 regels van “het pad” of “de manier van hoe je je weg gaat, vervolgt” het boek Leviticus [Hebr.= ‘De Heer riep’ (‘ons’)].
Vervolgens zegt Petrus:
      Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk [aan God] ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar Licht: u, eens niet Zijn volk, nu echter God’s Volk, eens 
zonder ontferming, nu ìn zijn ontferming aangenomen.
      Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke 
begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel; en dat gij een goede wandel leidt onder de heidenen, opdat zij, nader toeziende op datgene, waarin zij u als boosdoeners belasteren, op grond van uw goede werken God mogen verheerlijken ten dage der bezoeking.
       Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om wille van de Heer: hetzij aan de keizer, als opperheer, hetzij aan stadhouders, als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie ‘goed’ doen. Want zó is het de Wil van God, dat gij dóór ‘goed te doen’ de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid ‘misbruiken’ tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. Eert allen, hebt de broederschap lief1Petr.2: 9-17a.

 

uit Liefde de handen ineen slaan

Nu is de Kerk ‘oud en belegen’ geworden en is door de jaren heen tot een instituut verheven, die de Goddelijke Boodschap in de wereld behoort te bewaren; door al die wir-war van de omstandig-heden is zij helaas hopeloos verdeeld geraakt.
Wij, gewone en eenvoudige gelovigen, willen evenwel gemeenschap hebben met ‘de énige wáre God’, zodat Hij onze geest inspireert, ons denken beïnvloedt en vernieuwt.
Wanneer wij ‘Hem’ dus als voorwerp van verering aanbidden, willen wij ons eerst met Hem  identificeren, teneinde geen vreemde goden te dienen. Wij willen ‘Hem’ aanbidden in Geest en in Waarheid.
             Toch beroept ieder van de Christelijke groeperingen Zich op/tot een eigen Waarheid en proberen zich als het enigszins kan ‘gróter’ voor te doen alsof ze God Zelf zijn. De verdeeldheid is alom en niemand durft de ander een stro-breed toe te geven. Zo het mogelijk is kent ‘de verdeeldheid‘ zijn weerga niet, de Kerk is tot het bot van haar geledingen net zo verdeeld als de mens en dat steken we niet onder [kerk-]stoelen òf [kerk-]banken.
             De opvolgers van de Apostelen volgen hetzelfde pad als de zonen van Samuel; ’hun zonen wandelden niet naar God’s wegen; zij zijn op winstbejag uit, nemen geschenken aan en buigen voor het recht’.
Zij onderwerpen zich méér dan ooit aan alle menselijke instellingen, in Naam van de Heer:
hetzij aan de wereldse overheden, als opperstalmeester,
hetzij aan de ontwikkelingsmaatschappijen/ de banken [als stadhouders] als door God gezonden tot bestraffing van boosdoeners.
          Kerkgebouwen en bijbehorende bezittingen worden voor ‘grof’-geld verkocht en indien dit niet gelukt worden makelaars benaderd om maar zo veel mogelijk rendement uit hun bezittingen te distilleren.
             In de drang naar groei en meer worden verkregen middelen [veelal met dubbeltjes en kwartjes voor God’s doeleinden bij-een-geharkt] te gelde gemaakt teneinde een verdronken kalf uit de put te redden.
            Nu is het niet verwerpelijk voor de mens de gedachte te koesteren om eenmaal aan het beeld van God gelijkvormig te zijn, want Johannes schreef en Paulus verkondigde:
Wij zullen aan Hem gelijk wezen, die het ‘geen roof behoefde te achten
aan God even gelijk te zijn”
Phil.2: 6.

De [eind-]tijd komt echter dat God alles in allen zal zijn – dóór en vóór – de mensheid zal denken, eerst dàn zal er sprake zijn van Oecumene, in zowel spreken als handelen.
De gelovige mens is uiteindelijk tot een zéér hóge roeping uitverkoren, want hij is bestemd om als woning van God te dienen.
            Toch dìt alles bereikt de mens en haar Kerk ‘niet’ door geld te genereren, maar door een ontwikkelingsproces. Wanneer hij/zij zich aan de Waarheid houdt, groeit hij/zij als vanzelfsprekend ‘als kool‘ naar dit doel toe:
      Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neer, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt,  maar dan groeien wij, ons aan de Waarheid houdende, in Liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het Hoofd is, Christus. En aan Hem ontleent het gehele Lichaam als een wel-sluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de Kracht, die elk lid op zijn [eigen-]wijze [be-]oefent, deze groei van het Lichaam [des Heren],
om Zichzelf op te bouwen in de Liefde
Eph.4: 14-16.

De Schepping, The Canturbury Psalter, 1147 AD

            Het is dan ook geen wonder dat Adam en Eva ná hun daad van ongehoorzaamheid wegscholen tussen het geboomte van de hof van Eden.
Zij ervoeren wèlzéker dat hun verhouding met God veranderd was. Ze waren bevreesd dat God hen zou straffen, wellicht zou willen doden; met het maaiveld gelijk zou willen maken. Zij geloofden immers dat Hij eveneens kwaad zou kunnen doen.
Hij maakt dood en Hij maakt levend! 1Sam.2:6.
            Alsof de Heer, onze God iemand zou doden! Heeft Hij niet Zijn eigen Zoon geschonken, “opdat deze door Zijn dood hem, die macht over de dood had, de duivel, zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij waren gedoemdHebr.2: 14,15.
          De Heer is immers een alwetend God en door Hem worden de daden getoetst.
De boog van de helden
[de toezichthouders, als zij niet veranderen] is verbroken, maar de wankelende [degene, die ondanks alle tegenstand het ‘oorspronkelijk Geloof’ heeft bewaard] is met Kracht omgord.
Wie verzadigd waren, verhuren zich om brood, maar wie hongerig waren, mogen rusten.
Zelfs een onvruchtbare baart er zeven, maar wie rijk was aan kinderen, verwelkt.
De Heer doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen.
De Heer maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk,
om hem te doen zitten bij edelen en een erezetel te doen verwerven
“ 
1Sam.2: 3b-8.

Het doen en laten van de meeste kerkleiders spreekt momenteel boekdelen, zij geloven er zèlf niet meer in en durven ‘ – onmogelijk – ‘ toe te geven dat zij zelf – ‘ook maar iets’- verkeerd hebben gedaan.

  Ons vóór-land is ons bloed:
Voor gelovigen uit de Lage Landen is het een etiquette, een ongeschreven wet, dat je je mond open doet, wanneer de Vrijheid [en de Vrijheid van Geloof] op wàt voor gebied dàn óók, door machtsmisbruik verkracht wordt. Dan hou je je mond niet langer en wanneer er ‘dan nog’ door ontwijkend manoeuvreren getracht wordt aan verandering te ontkomen dan publiceer je het gewoon, hetgeen dan bij deze is gedaan.

Heer, Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Heilige Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in Heerlijkheid“.

  Psalm
  Heer, verhoor mijn gebed, luister naar mijn smeking in Uw waarachtigheid. Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar.
Immers, niemand der levenden, kan zich rechtvaardigen voor Uw aangezicht.
De vijand heeft mijn ziel vervolgd; mijn leven vernederd tot op de grond. Hij doet mij neerzitten in het duister, evenals de doden van eeuwigheid.
Nu is mijn geest in mij beangst; mijn hart is bevreesd in mijn binnenste. Maar ik herinner mij de dagen vanaf den beginne; ik overweeg al Uw werken.
Ik denk aan de daden Uwer handen; Ik strek mijn handen naar U uit. Mijn ziel dorst naar U, als een land zonder water; verhoor mij spoedig, Heer, mijn geest versmacht.
Wend Uw aangezicht niet van mij af, anders wordt ik gelijk aan wie afdalen in het graf. Doe mij in de ochtend Uw barmhartigheid horen, want op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
Heer, doe mij de weg kennen die ik moet gaan, want tot U heb ik mijn ziel verheven.
Bevrijd mij van mijn vijanden, Heer, want tot U heb ik mijn toevlucht genomen.
Leer mij Uw wil te doen, want Gij zijt mijn God.
Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land; Heer, doe mij leven, omwille van Uw Naam.
Gij voert mijn ziel uit de verdrukking, in Uw rechtvaardig­heid; Gij verstrooit mijn vijanden, in Uw barmhartigheid. Gij verdelgt allen, die mijn ziel verdrukken: ik ben immers uw dienaar.
            Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed  niet in het gericht met Uw dienaar; Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar landPsalm 142[143] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

  aangever tot gebed:
    Heer,
Die bewerkt dat iedere ziel op aarde aan U gelijkwaardig wordt;
Die slechts wilt dat Uw Rijk van de Hemelen op aarde gevestigd wordt;
Die slechts wilt dat wij onze inzet erop richten om het goede te bewerkstelligen;
Die de duisternis in ons hart verlicht.
             Dat ik mag toezien op mijn eigen zielenheil en
             de angel uit m’n verderfelijk bestaan mag boeten;
             Dat het goede het kwaad mag overwinnen;
             Dat ik slechts beoordelen mag diegene die om wat voor reden ook rechtvaardig is;
             Dat ik U als rechtvaardige en gerechte Heer en Meester van mijn leven mag liefhebben.
Heer, begeleid mij in al wat in mij leeft, laat mij onbekommerd zijn als een kind, die niet langer angstig is, omdat het onbevooroordeeld weet hoe Liefde werkt.
Het kind in ons wordt ons de van God gegeven Pedagoog, Die elk stekje hier op aarde met meer instinct en liefde omringt dan Z’n eigen Zoon, Die voor ons geleden heeft en Zich verheugt wanneer het onderste in ons boven komt.
En wanneer je dan bij het laatste woord komt,  blijkt alles goed te zijn
”.

September 28e – Profeet Baruch, verheffende gedachten in tijden van eenzaamheid

lezing van 24 September, feestdag van de Heilige Silouan de Athoniet,
mp4 omdat God met ons is [Antiocheens Orthodoxe Kerk]:

      Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander. Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; en geeft de duivel geen voet.
       Wie een dief was, stele niet meer, maar dient zich liever in te spannen om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige.
       Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed [woord] hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, Genade ontvangen.
       En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek dient uit uw midden gebannen te worden, evenals alle kwaadaardigheid.
       Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeftEph.4: 25-32.

Profeet Baruch, ‘de gezegende’, Gustave Doré, 1880

Deze profeet, behoort tot de kleinste der Profeten, Baruch [Hebr.= ‘gezegend’] was de secretaris van de profeet Jeremia [Hebr.= ‘door de Heer aangesteld, de Heer moge verhogen’].

      Baruch, de zoon van Neria [Hebr.=‘lamp des Heren’], de zoon van Machseja [Hebr.= ‘De Heer is een schuilplaats‘], in tegenwoordigheid van Chanamël [Hebr.=‘God is genadevol, liefderijk’], de zoon van mijn oom, de getuigen die de koopbrief ondertekend hadden, en al de Judeeërs die zich in de gevangenhof bevondenJer.32: 12;

      Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria, en Baruch schreef uit Jeremia’s mond al de woorden die de Heer tot hem gesproken had, op een boekrolJer.36: 4.

Het gaat er in de Joods-Christelijke cultuur ook niet om dat je jezelf dingen ‘groots’ kunt veroorloven te doen, maar dat je ‘kleine dingen, zaken’, die er eigenlijk niet toe doen ‘groots’ ten uitvoer brengt. Het liefst gaat er daarbij om dat hetgeen je doet niemand opvalt, zoals het gras wat ergens op de achtergrond wegkwijnt.
Deze profeet is het voorbeeld van de mens, die “Vreugde vindt in de Wet des Heren: die Zijn Wet overweegt bij dag en bij nacht. Hij/zij staat als een boom, aan stromend water geplant; die te zijner tijd vrucht draagt. Zijn loof valt niet af en al wat hij/zij doet zal voorspoedig gelukkenPsalm 1: 3-5.
Het blad wordt ook wel omschreven als het kaf, wat bij het wannen op hoge en droge plekken gescheiden wordt van het koren, waarbij het kaf door de wind wordt mee-genomen. Zo is het ook met de goddeloze, want boze plannen, die de mens bedenkt en ten uitvoer brengt zullen uiteindelijk verdwijnen als kaf voor de wind. Gedachten verwaaien immers voort-durend, in het hoofd van de mens bestaat ‘geluk’ slechts uit zand.
Nog voordat je één vers van Baruch’s profetie hebt gelezen wordt hij als ‘een persoon naar je hart‘ voor-geschilderd, die zijn weerga niet kent.

Mystieke icoon, de ‘Bestevaer’, de Kerk, het Lichaam van Christus

                    Het is als bij een van de scheepsjongens van een zeeheld van weleer, die verwoestende macht in de Nederlanden ontdekt als een tonnetje, een bak waar groene zeep [een schoonmaakmiddel] in behoort te zitten, hetgeen slechts Gentse boter [om de mond smeren] blijkt te zijn. Hij ontdekt tevens dat het schip de ‘Bestevaer’ niet door de Moren belaagd wordt, maar door de Belgische [Duinkerker] kaper. De Muzelmannen blijken immers onze beste vrienden, het is de wereld om ons heen, die zaken verward en die de waarheid verkracht om eigen mistoestanden te verbloemen. Een wereldse despoot, die als seldrementse [drommelse] kaper er niet voor terugdeinst Nederlands gelovig volk aan eigen genoegens vast te nagelen alvorens 

Theotokos of the Passion

 dit met kind en doopwater tot zinken te brengen.  “Luister dan naar my, Orante, van terzijde. Ik wenste wel, dat dit alles al verre van mij was, of dat ik hulp van boven kreeg.  Hij kwetste menigeen en hoewel gekleed met heilige gewaden is het slechts een droom, die slechts verwarring zaait. We liepen langs de Zaanse kade, welke als A’damse kade wordt verkocht, vlakbij weliswaar, dat dient toegegeven te worden, maar toch herkende ik me niet in zulk een waarheid, daar het slechts z’n hoogmoed bekwaamde”.

Het leven in de Kerk vraagt om monastieke eenvoud en absoluut geen opgeblazen blazoen.
de Profeet Baruch toont een dergelijke eenvoud van een monastiek bestaan.
Monastiek afgeleid van het woord monachos [Gr.= alleen of eenzaam];
een monnik in de wereld leeft niet afgezonderd, . . . maar ondergedompeld in het alledaagse bestaan, met een ongedeeld hart en met onverdeelde aandacht, altijd zoekend naar groei in eigen heelheid en integriteit. Van den beginne werd een toezichthouder dan ook onttrokken uit die gelederen, zij die gepokt en gemazzeld waren in het monastiek geslacht, vanuit het machtsdenken en eigendunk is die weg door ‘s-werelds Kerk verlaten.

 

Jezus Christus, Woord van God, het evenbeeld wat nagestreefd wordt.

Een strijder die in navolging zijn Heer en Meester imiteert geeft de voorkeur aan Zijn Evenbeeld, d.w.z. gezondheid naar ziel en lichaam en wachtend op bekering.
Een dergelijke manier van gelovig manifesteren is een publieke verklaring van principes en intenties:

1.]. Verkies elke dag opnieuw momenten van stilte en alleen zijn, om voor eenieder ruimte te scheppen om naar een ‘andere Stem’ te luisteren en om verzet te bieden tegen een cultuur van lawaai en voortdurende prikkels.

2.]. Verkies het elke dag opnieuw om radicale daden van gastvrijheid te stellen door de vreemdeling buiten mij én de vreemdeling binnenin mij te verwelkomen. Erken dat wanneer in het hart ruimte gemaakt wordt voor niet geaccepteerde delen van jezelf, als vanzelfsprekend compassie gecultiveerd wordt en de vaardigheid om die plekken in anderen eveneens te accepteren.

3.]. Verkies het elke dag opnieuw om gemeenschap te zoeken door jezelf te verbinden met mensen [niet alleen, die kliek, die je zelf ‘om je heen‘ hebt gevormd om je toe te juichen] maar met àlle gelovigen, die een van geest dezelfde weg zijn gegaan: zielsverwanten met wie je je diepste verlangens zou kunnen delen en mentoren zoeken, die leiding en wijsheid op de geestelijke reis kunnen aanbieden.

4.]. Verkies zelf elke dag opnieuw om het bewustzijn van je verbondenheid met de Schepping en een ‘gezonde’ ascese te cultiveren, door aandachtig te letten op het gebruik dat je maakt van energie en van dingen en door lòs te laten wat absoluut niet helpt om al wat de natuur biedt te laten opbloeien.

5.]. Verkies zelf elke dag opnieuw om op een volledig aanwezige manier bezig te zijn met het werk waarvoor je bent aangesteld, of dat nu betaald of onbetaald is, terwijl je in je hart een diepe dankbaarheid koestert voor het vermogen om je gaven in deze wereld op een betekenisvolle manier te gebruiken.

6.]. Verkies zelf elke dag opnieuw om je door het regelmatig in praktijk brengen van de door God gegeven rust, jezelf toe te vertrouwen aan ritmes van ontspannen en vernieuwing en je te verzetten tegen een cultuur van druk zijn waarin jouw waarde wordt afgemeten aan wat ‘jij‘ zou presteren.

7.]. Verkies zelf om elke dag opnieuw voor bekering en transformatie te komen als een levenslang leerproces, in de erkenning dat je altijd op reis zou zijn naar het Hemels Koninkrijk, dat je zowel door de Genadegaven als door je eigen beperkingen wordt gekenmerkt.

8.]. Verkies het om elke dag opnieuw een dansende vrolijke monnik te zijn die creatieve vreugde cultiveert en die jouw lichaam en hart laat overvloeien van het onuitsprekelijke genot van de liefde.

        Zoals wij weten weerstaat God de bedrieglijke hoogmoed, die zich vaak vermomd onder een sierlijk kleed, een geleende vertoning, werk van de tegenstrever; u echter volgt uw wereldse vader, u weet uw mismaaktheid te bedekken met een opvallend, rinkelend kleed, uw redeloze woelingen met duizend voorwendsels van al van wat wel niet ‘goed’ is.  U raadt anderen aan het goede, dat mijn Schepper en mijn herschepper mij gaf, gaarne te erkennen, u herinnert mij, dat alle verkleining van het goede ondankbaarheid is en duizend andere herinneringen doet u met schone schijn voornemen – blijkt mij, helaas mijn innerlijk gevoel te bederven! Toezichthouders, die in hoogmoed, anderen misbruiken, en vervolgens wegkijken, terwijl er rondom opgemerkt wordt:
Heeft ie het nu al weer gedaan?“.
        Gaan wij Nederlanders niet bloeden wanneer u ons prikt? Wanneer u het denken van de geest ontkent, voert deze menselijk onhandigheid tot vergiftiging en dood.
        Worden gelovigen dan niet gedood en keren zij massaal de geïnstitutionaliseerde  Kerk de rug toe? In deze vermoord u uw eigen broeders en zusters door alleen maar een beetje verliefd te doen [te flirten] en kijkt uw Vader in de Hemelen sprakeloos en verbolgen toe. Uw misdragingen worden verzwegen of er wordt luchtig over heen gegleden, maar men kan tussen de regels toch ontwaren, dat het met deze despoot de laatste jaren behalve kleurrijke kleding tot geen rozengeur en maneschijn is geworden.
De welopgevoe[r]de hofjonker blijkt niet zo onschuldig als hij geleerd heeft zich voor te doen, maar ontpopt zich als een doodgraver, die tot zichzelf zegt: “Goeden morgen, genadige vorst! hoe bevindt u zich vandaag, u grootmachtige prins der Kerk?”. Dit getuigen geschiedenissen van alle eeuwen, waarbij de Kerk uiteenvalt.
        En hoe kan er voor een vriend van God een smartelijker gewaarwording zijn, dan de ervaring van s’Vaders ongenoegen tot tuchtiging  wegens zelfbedoeling en zelfverheffing ingericht; en wat kost het allemaal een worsteling en tranen, eer God’s gunsteling van al dàt kwaad kenbare vergeving krijgt; God weerstaat de hoogmoed, waar Hij die ontmoet! maar het allermeest in Zijn kinderen, die zich verhoogden uit het stof.
        Duldeloze hoogmoed! zo kenbaar veroordeeld in de smaad en hoon, Die de borg van de zondaren droeg! O, mijn ziel! bezie Hem met de spotmantel en de doornenkroon! Pilatus roept u toe: ‘Zie de mens!’
__ o! mijn ziel! bezie God’s verguisde Zoon! denk ná!? wat Hem uw hoogmoed kostte! zie op Hem! wees dan hoogmoedig! . . . . . neen! . . . . . dat kunt u niet maken! dan verdwijnt u in uw gedwongen heffing;
__ bezie tevens Hem als het volmaaktste Voorbeeld van aanminnigen deemoed. En Zijn Woord: ‘Leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart!‘ mag dit u vergezellen op al uw wegen, klinkt het u bestendig in de oren;
__ o! mocht ik de beeltenis van Die nederige Heiland dragen! en ware dat gevoelen, dat in Hem was, ook in mij!
        
De Martelaren en lofwaardige Heiligen mogen u tot slot tot voorbeeld leiden, zij die in nederigheid hebben uitgemunt.
__ bezie de tekening, die de meesterdichter Koning ons geeft van dàt deemoedig bestaan, hetgeen hij als Genadegave door de H. Geest gevoelen mocht.
Heer, mijn hart is niet hoogmoedig;
ik heb mijn ogen niet trots opwaarts geslagen.
Ik had mij niet op met grote dingen,
noch met wat wonderbaar voor mij is.
Als ik niet nederig gezind was,
of zo ik mijn ziel had verheven.
Als een gespeend kind op de schoot van zijn moeder,
zo had Gij dan mijn ziel vergolden.
Doch Israël [de Kerk] getrouwe op de Heer,
van nu af tot in eeuwigheid
Psalm 130[131]

Edele gesteldheid! buigende deemoed!
__ Nederige David! klein in al zijn grootheid!
Nathan bracht hem in God’s Naam een weigerend antwoord op zijn verzoek:
Nathan herinnert hem zijn geringe oorsprong en ziet! in plaats van onvergenoegd te zijn, wordt zijn taal tot God de juiste beaming, de kenbare weerklank op die vernederende herinnering.
Zo riep vanaf Hij vanaf zijn troon; “Heer! wie ben ik? en wat is mijn huis, dat U mij tot hier  gebracht hebt?” . . . . . en wat zal David nog meer gezegd hebben? “U kent uw knecht, Heer, Heer!
__ Nederige David! die bij God’s dienstknechten en dienstmaagden gerekend wilde worden en zich alle beschimping blijmoedig had getroost, indien hij maar aan het bevorderen van de eer aan Israëls God [de Kerk van God] maar dienstbaar had mogen zijn.
__  En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers, de tijd zou mij ontbreken, als ik naast David ging verhalen van Gideon, Barak, Simson, Jefta, Samuel en de profeten . . . . .  door het simpele Geloof in de éne Heer en Verlosser verstaan wij, dat de wereld door het Woord van God tot stand is gebracht en niet door menselijke onvolkomenheden.
Het ware christelijke leven is niet dat wij in de dienaar van ons egoïstisch zelfverheerlijking de voorrang krijgt, maar dat onze Heer waarachtig Meester wordt van ons leven.
Wij leveren ons met hart en ziel aan Hem over, m.a.w wij houden van Hem en daartoe worden wij overeenkomstig Zijn Goddelijke Wil getoetst door vernedering te ondergaan.
__ De moed van een hooghartige gaat zo blijkt zó vèr dat de toezichthouders van de Goddelijke Leer opnieuw een Schisma riskeren door zich ondanks diverse leermomenten in de geschiedenis arrogant te gedragen. Het gelovige Volk ziet dit en keert zich massaal van hen af, trekt zich daarop terug in hun huiskamers om God ontferming af te smeken. Zij doen dit niet alleen voor zichzelf maar voor het gehele menselijk bestaan en de Kerk in het bijzonder.
__ De conclusie die daarop volgt wordt dan niet ‘God is dood’ maar het instituut van de Kerk, het Lichaam van Christus, dat zij vertegenwoordigen is op sterven na dood – dermate dood zoals het slechts in menselijke maatstaven kan zijn.
In haar zoeken zal het gelovige Volk het waarachtige Lichaam van Christus terugvinden op die wijze zoals het in de vroeg-christelijke tijd ontstaan is, in Liefde tot elkaar. Vanuit de huiskamer zal de mens zich weten te hervinden, Die roept:
  Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 28-30.

__ En zo is het kringetje rond; het Lichaam van Christus [de Kerk] is dood, maar Christus zal herleven in de harten van de mensen:
De Geest en de bruid, zij zeggen: Kom!
En wie het hoort, hij zal zeggen: Kom!
En wie dorst heeft, zal komen, en wie verlangt zal het water nemen om niet.
De ziener betuigt aan ieder die de woorden horen van de Profetie van dit Boek:
wanneer iemand van de woorden afneemt zo zal God aan hèm toevoegen de plagen die in dit Boek beschreven zijn.
En wanneer iemand van de woorden afneemt van het Boek van deze Profetie, zo zal God Zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad die in dit Boek beschreven zijn.
Hij, die van deze dingen getuigt, zegt:
‘Ja, ik kom welhaast’.
‘Amen’. ‘Kom Heer Jezus!, Kom!’
De Genade van onze Heer Jezus Christus,
onze Heer, zij met u allen
Openb. 22: 17-22.

September 21e – het feest van de Profeet Jonah

De profeet Jonah [Hebr.= zachtaardig als een duif of vernietiger], Jonas of ook wel Jona genoemd, leefde ten tijde van  de koningen van Amazia [Hebr.= lastig of bezwarend] en Jerobeam [Hebr.= het volk zal strijden].
Hij was de zoon van Amathus [Hebr.= God`s liefde] en hij had een geboorteland van de Zhaulon-stam [Hebr.= Zavulon schaduw?].

Het was Jonah, die met van God verkregen moed, Jerobeam aanmoedigde om oorlog te gaan voeren tegen de despoot van Syrië [Hebr.= ‘verheven‘], hetgeen resulteerde in de overwinning van Israël, de Kerk, en haar grenzen weer op orde bracht, nadat deze onherstelbaar aangetast waren [‘horen, wie het horen wil!].
Jonah wordt in het eerste Verbond ondergebracht als de vijfde onder de zogenaamde ‘kleine’ profeten.
We vinden het in het aan hem gelijknamige boek, waardoor hij beroemd werd vanwege het heilige drama, wat hij heeft ondergaan.
De Heer had hem de opdracht gegeven naar Ninevé te gaan, een plaats waar het noodlot van de ondergang en afschuw heerste om aldaar haar ondergang te prediken en te profeteren.
Het heeft ontzettend veel weg met onze tijd, waarin het contact met God versleten is geraakt in een door afkalving getroffen Geloof in God.
Iedere vorm van Geloof in God en de medemens is uitgehold als een trap, die te vaak belopen is; geworden tot een leeg ritueel. Een onheilig ‘moeten’ in plaats van een ontmoeting in Christus met God en met elkaar. een toenadering die wij zoeken, omdat wij het niet laten kunnen. Het is namelijk in onze menselijke genen meegegeven. Het contact met God en met elkaar is als een loos gebaar geworden, een onbegrepen vorm van het Mysterie van het leven. Zo hebben velen dat de laatste tijd ervaren en hebben het uit hun leven gebannen.
Wij hebben ons massaal overgegeven aan de chaos van de wereld, die ons geen spiegel voorhoudt, maar ons verleidt tot enorme onvolkomenheden.

Jonah werd geroepen een profetische ‘Blijde Boodschap‘ over te dragen;
echter besloot hij het Woord/Gebod van God te omzeilen [te vermijden] en in zijn hoogmoed besloot hij om naar een andere stad in de regio van Tarsis te gaan. Slagen in Tarsis vereist dat je het beste maakt van wat je hebt, zelfs al trap je daarmee bij toeval in een slangenkuil.
Waarom hebt u mijdaarvoor uitgekozen, God?” antwoordde Jonah ontsteld op God’s verzoek: 
Waarom zou ik, een doodgewoon mens in Israël [de Kerk], over God gaan prediken tegen mensen die ik niet eens ken, die ver van mij af staan en wonen, die niet eens gelovigen zijn,  d.w. z, geen volgeling van Christus zijn en niet in U, als Heer en Meester geloven?
Onze profeet tegen wil en dank moest dus heel ver naar het oosten;  wat hij echter doet, is koers zetten naar een andere, nog veel legendarischer stad genaamd Tarsis, gelegen aan de uiterste westgrens van wat destijds voor de bewoonde wereld doorging,  ergens helemaal aan het andere eind van de Middellandse Zee. Niemand in het Oude Testament zou ooit zo’n verre reis ondernemen.
”     
Bovendien zo redeneert Jonah is God vriendelijk en barmhartig; Hij zou nimmer zo’n hele stad vernietigen”. Hij besluit dus ‘niet’ te gaan en keert zich aldus tegen God.
Zo begint hij aan zijn boot-reis, maar eenmaal in open zee wordt hij overvallen door een grote storm. Daarna wordt het lot getrokken omdat de bemanning wil achterhalen wie verantwoordelijk is voor het kwaad dat hen is overkomen heeft overvallen.
En het lot viel op Jonah, die ongehoorzaam bleek aan de opdracht van God.
Vervolgens gooien de zeelui hem overboord en de storm luwt, neemt in kracht af.
Maar Jonah wordt daarop opgeslokt door een grote walvis en verblijft [bovennatuurlijk] zonder verteerd te worden in de maag van de wallevis en na drie dagen en nachten wordt hij als een uilenbal op een veilige kust uitgekotst.
Hoewel het woord ‘walvis’ in diverse vertalingen vaak wordt gebruikt in het verhaal van Jonah, gebruikt de Hebreeuwse tekst de eigenlijk betekenis:
דג גדול, dag gadol , wat ‘gigantische vis‘ betekent.

Jonah bad in de buik van de grote walvis tot God:
          “In mijn nood roep ik God aan en hij antwoordt mij. Uit het rijk van de dood schreeuw ik om hulp – u hoort mijn stem!
Hij slingerde mij de diepte in, naar het hart van de zee. Door kolkend water ben ik omgeven, zwaar slaan zijn golven over mij heen.
Ik dacht: Verstoten ben ik, verbannen uit uw ogen.
Maar eens zal ik opnieuw uw heilige Tempel aanschouwen.
Het water stijgt tot aan mijn lippen, muren van water storten op mij neer, zeewier om mijn hoofd verstikt mij.
Ik zink tot de bodem, waar de bergen oprijzen, naar het rijk dat zijn grendels voorgoed achter mij sluit.
Maar u trekt mij levend uit de dood omhoog, mijn Heer en mijn God!
Nu mijn levensadem mij verlaat roep ik u aan, God en mijn gebed komt tot u in Uw heilige Tempel.
Zij die armzalige afgoden vereren, verlaten u, trouwe God.
Maar ik zal mijn stem in dank verheffen en u offers brengen; mijn Geloften [het Verbond, dat ik met U gesloten heb] los ik in”.

Pas toen ging Jonah op weg naar Ninevé [Hebr.= ‘het nageslacht is blijvend’ en profeteerde datgene wat God hem opgedragen had.
        De stad [tegenover] Ninevé heet nu Mosoel [Al Mawsil]; zij ligt in Noord-Irak aan de westelijke   oever van de Tigris. Aan de oostelijke oever, waar vroeger Ninevé lag, werd de grote voorstad van Mosoel gebouwd, die ook nu nog Ninevé heet.  In acht boeken van de Blijde Boodschap komt Ninevé voor [van Gen.10: 11 tot Luc.11: 32].
Jonah riep in de straten tot de heidenen: ‘bekeert u!’.

Ninivé zat daarop in zak en as en, vastte 40 dagen en nachten, waarop de stad werd gered van een ramp. De Barmhartigheid van God komt voort uit Zijn Gerechtigheid als reactie op de bekering.
Zoals de lelieblanke onschuld van de zeelieden ertoe diende om de zwarte plek genaamd Jonah des te fraaier te omlijsten, zo wordt hier met precies hetzelfde doel een complete stad witgewassen – door zichzelf weliswaar, maar toch met iets dat sterk aan de toverkracht van een modern wasmiddel doet denken.
En dit alles wekt de grote ergernis van Jonah, aan welke ergernis het vierde hoofdstukje, tevens slot, gewijd is.
We krijgen daar, tot onze grote verrassing, te horen dat de Profeet het al die tijd reeds geweten heeft, dat zijn Opdrachtgever ontzettend vergevingsgezind is.
Dat de Profeet daarom nou juist naar Tarsis wou en dat hij liever dood wilde dan zó verder te moeten leven. Het staat er niet met zoveel woorden bij, maar waar we aan moeten denken en dat is natuurlijk: ‘gezichtsverlies‘.
Bij gezichtsverlies lijdt men een publieke afgang die afbreuk doet aan de eigen sociale positie. Van gezichtsverlies kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer men beloftes niet kan nakomen of wanneer men anderszins niet aan verwachtingen van anderen kan voldoen. Gezichtsverlies is daarmee vaak ook een gemoedstoestand van de persoon in kwestie, die het gevolg is van de meningen van anderen. Iemand die gezichtsverlies heeft geleden wordt door mensen in zijn omgeving in het algemeen met verminderd respect behandeld, voor minderwaardig aangezien of zelfs verstoten.
Wat dat aangaat is deze profeet dan ook ècht wel een goeie vakman geweest:
hij heeft de bui al lang zien hangen. Maar hij is, in tegenstelling tot zijn complete omgeving, niet bereid geweest om van gedachten te veranderen.
Jonah is de Profeet van het ‘scheve gezicht‘.
Het scheve gezicht betekent, dat hij erg ontevreden is blijven kijken [omdat er iets gedaan moest worden, waar hij totaal geen zin in had], dit gezicht is hij tot het eind van zijn leven blijven behouden en zo is hij de geschiedenis in gegaan.

Ook in het laatste hoofdstukje zit er nog steeds geen enkele beweging in Jonah.
De profeet, zo verneemt de lezer, heeft Ninevé verlaten en zit niet ver daar vandaan in een door hem zelf gemaakte hut, tegen de hitte, te wachten op de dingen die – hoopt hij – misschien toch nog komen gaan.
Hij kan zich er nog steeds niet over uit en zich erbij neerleggen dat zijn missie al lang voltooid is.

Christus, Verlosser van de wereld

God laat nu een boom opschieten, om Jona te beschaduwen ‘en zijn ergernis te verdrijven‘; dat bevalt Jonah erg goed.
Maar de volgende dag laat God de boom door een worm aanvreten, waarop verdorring volgt – ook laat hij een brandend hete wind waaien.
Jonah wil nu ècht dood, het is hem allemaal teveel geworden.
God vraagt hem echter of het terecht is dat hij zo kwaad is.
Natuurlijk is dat terecht”, antwoordt de verbolgen Jonah.
Waarop de Heer en Verlosser tot Jonah zegt:
    Indien jij al verdriet hebt om die boom,
waar jij geen enkele moeite voor hebt behoeven te doen en die jij niet hebt laten groeien, een boom, die in één nacht opkwam en in één nacht verging,
zou Ik dan geen verdriet hebben om Ninevé, die grote stad, waarin
meer dan honderdtwintigduizend mensen wonen die
het verschil tussen links en rechts niet eens kennen en
daarbij dan nog al die dieren?
”.
Met die goedhartige, vriendelijke en zachtaardige vraag van de Heer, onze God, eindigt het zo bekende boek Jonah, een van de kleinste der profeten.

17e Zondag na Pinksteren – de ontvangenis [conceptie] van de H. Glorieuze Profeet, Doper en Voorloper Johannes.

      Er was in de dagen van Herodes, de koning van Judea, een priester, genaamd Zacharias, behorende tot de afdeling van Abia en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron en haar naam was Elisabeth.
Zij waren beiden rechtvaardig voor God en leefden naar alle geboden en eisen des Heren, onberispelijk. En zij waren kinder-loos, omdat Elisabeth onvruchtbaar was, en zij waren beiden op hoge leeftijd gekomen.
En het geschiedde, toen hij de priesterdienst voor God verrichtte in de beurt zijner afdeling, dat hij door het lot werd aangewezen, volgens de regel van de priesterdienst, om de tempel des Heren binnen te gaan en het reukoffer te brengen.
En de gehele volksmenigte was buiten in gebed op het uur van het reukoffer.
En hem verscheen een engel des Heren, staande ter rechterzijde van het reukofferaltaar.
En Zacharias ontroerde bij dat gezicht, en vrees beving hem, maar de engel zeide tot hem:
  Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elisabeth zal u een zoon baren en gij zult hem de naam Johannes geven. En blijdschap en vreugde zal uw deel zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. Want hij zal groot zijn voor de Heer en wijn en 
sterke drank zal hij niet drinken en met de Heilige Geest zal hij vervuld worden, reeds van de schoot van zijn moeder af aan en velen van de kinderen van Israël zal hij bekeren tot de Heer, hun God. En hij zal voor Zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Eliah, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen, ten einde voor de Heer een wel-toegerust Volk te bereiden.
En Zacharias zeide tot de engel:
‘ Waaraan zal ik dit weten? Want ik ben een oud man en mijn vrouw is op hoge leeftijd gekomen.
En de engel antwoordde en zei tot hem: ‘Ik ben Gabriël, die voor Gods aangezicht sta, en ik ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze blijmare te verkondigen. En zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot de dag toe, dat deze dingen geschieden, omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt, die op hun tijd in vervulling zullen gaan.
En het volk stond op Zacharias te wachten en zij verwonderden zich, dat hij zo lang in de tempel vertoefde.
Toen hij dan naar buiten kwam, kon hij niet tot hen spreken en zij begrepen dat hij in de Tempel een gezicht gezien had. En hij wenkte hun toe en bleef stom.
En het geschiedde, toen de dagen van zijn dienst vervuld waren, dat hij vertrok naar zijn huis.
Na die dagen werd Elisabet, zijn vrouw, zwanger en zij verborg zich vijf maanden, want, zei zij:
‘ Aldus heeft de Heer aan mij gedaan in de dagen, waarin Hij op mij neerzag om mijn smaad onder de mensen weg te nemen’Luc.1: 5-25.

      Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, een bij de slavin en een bij de vrije. Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte.
Dit is iets, waarin een diepere zin ligt.
Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinaï, die slaven baart, dit is Hagar.
Het [woord] Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië.
Het staat op een lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij.
Maar het Hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder.
Want er staat geschreven:
  Verheug u, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij die geen weeën kent; want talrijker zijn de kinderen der eenzame dan van haar, die een man heeft
Gal.4: 22-27.

Johannes de Doper, de Voorloper van Christus

Ὁ Ἅγιος Ἐνδοξος Προφήτης, Πρόδρομος καὶ Βαπτιστής Ἰωάννης;
The Prophet, Prodromos and Baptist Ἰoannis;
De Profeet, voorloper en Doper Johannes”.

Johannes de Doper [oud Gr.: Ἰωάννης ὁ βαπτιστής, Iōánnēs o Baptistḗs, de persoonsnaam afgeleid van het Hebreeuwse יוחנן, Jochanan, “JHWH heeft genade getoond”].
In de Orthodoxe kerken wordt hij Johannes Prodromos, Johannes de Voorloper genoemd.
Hij leefde van ca. 7 v.Chr. – ca. 30, maar zeker vóór 36 n.Chr.) is binnen het christendom een Profeet.

Johannes heeft omstreeks het jaar 30 in de provincie Judea gepredikt.
De oudste bronnen over zijn leven zijn de werken van Flavius Josephus en de vier evangeliën in het Nieuwe Testament. Ook in verschillende apocriefen van het Nieuwe Testament komt Johannes voor.
Het belangrijkste aspect van Johannes’ bediening komt tot uitdrukking in zijn opvallende bijnaam: βαπτιστής, baptistēs, “Doper”, afgeleid van βαπτιζω, baptizō, “onderdompelen”.
Johannes voltrok een reinigingsritueel waarbij de dopeling volledig in het stromende water van de Jordaan werd ondergedompeld. Dit ritueel bleek een identificerend kenmerk van de “Doper” te zijn geweest. Ook bij Josephus werd verwezen naar zijn doopactiviteiten [al werd het bij Josephus gereduceerd tot een vorm van lichaamsverzorging].
Ten opzichte van de in de Thora voorgeschreven zelfwassingen schijnt het doopritueel van Johannes, dat een doper bij een dopeling uitvoert, iets nieuws, vernieuwends te zijn geweest.

Onlosmakelijk verbonden met het “onderdompelen” was zijn predikings- of verkondigings-activiteit. Pas na de eraan voorafgaande inkeer en bekentenis werd de betekenis van de doophandeling geldig. Johannes voltrok een doop “om zo vergeving van zonden te verkrijgen“. Daarmee vervulde hij wat over hem in zijn vaders ‘lofzang’ al was voorspeld, namelijk dat hij voor de Heer uit zou gaan “om zijn volk bekend te maken met hun redding door de vergeving van hun zonden“.

Lofzang van Zacharias, de vader van Johannes de Doper:

Zacharias & Johannes de Doper, I.M. Holy_Cross Jerusalem, Georgian fresco

  ‘gezegend de Heer, Israëls God: Hij heeft Zijn volk bezocht en het verlossing bereid;  hij heeft een hoorn van heil  voor ons doen verrijzen in het huis van David, zijn dienaar,

– zoals hij heeft gesproken door de mond van zijn heiligen, de profeten van eeuwigheid af:  bevrijding van onze vijanden van de hand van al wie ons haten,
om de ontferming  over onze vaderen te betonen, te gedenken zijn heilig verbond,

–  de eed die hij heeft gezworen  aan Abraham, onze vader:  het ons te geven om zonder vrees,  aan de hand van vijanden ontrukt, hem dienstbaar te zijn, in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aanschijn in al onze dagen!

–  en jij, kleine jongen, zult profeet van de  Allerhoogste worden genoemd,  want je zult uitgaan voor het aanschijn van de Heer  om te bereiden wegen voor hem door kennis van heil te schenken aan Zijn volk in de vergeving van hun zonden;  het is door het innige ontfermen  van onze God  dat uit den hoge naar ons komt omzien de opgaande zon,  en gaat schijnen voor wie neerzitten in duisternis en schaduw des doods,

– om onze voeten te richten  op de weg van de vrede! vert. Naardense bijbel.

Dat is niet meer of minder dan een combinatie van
Profetische en Priesterlijke volmacht.
Zijn gericht’s-prediking en doopactiviteiten waren Johannes’ belangrijkste activiteiten.
Tenslotte trad hij nog eenmaal als criticus van de tetrarch Herodes Antipas op.
Terwijl de kuddes naar hem kwamen bij de Jordaan, nam hij in dit geval zelf het initiatief.
Marcus en Matteüs formuleren zijn kritiek in de directe rede: “U mag niet…“.
Deze confrontatie met zijn landheer werd hem uiteindelijk noodlottig.

Apolytikion     tn.4.
”   Verheug u, onvruchtbare, die nog nooit gebaard had,
want nu draagt u de Kandelaar van de Zon,
die heel de wereld verlichten zal
om dez van blindheid te genezen.
Dans dan van VreugdeZacharias en roep vol vertrouwen uit:
hij is Profeet van de Allerhoogste,
die nu geboren wordt“.

Kondakion     tn.1.
”   Nu verheugt zich de grote Zacharias
meet zijn geprezen vrouw Elisabeth,
want zij heeft ontvangen de Voorloper Johannes,
over wie door de Aartsengel het goede nieuws verkondigd was.
En wij vereren op waardige wijze
de Mysterie-drager van de Genade“.

17e Zondag na Pinksteren – wij zijn allen door het Woord geroepen tot het priesterschap

      En het geschiedde, toen de menigte op Hem aandrong en naar het woord Gods hoorde, dat Hij zelf aan de oever van het meer Gennesaret stond, en Hij zag twee schepen aan de oever liggen. De vissers waren eruit gegaan en spoelden de netten. Hij ging in een van de schepen, dat van Simon, en vroeg hem de zee in te gaan, niet ver van de oever. En Hij zette Zich neder en leerde de menigte vanuit het schip.
Toen Hij opgehouden had met spreken, zei Hij tot Simon:
‘Ga naar diep water en zet uw netten uit om te vissen’. En Simon antwoordde en zei: ‘ Meester, de gehele nacht door hebben wij hard gewerkt en niets gevangen, maar op uw woord zal ik de netten uitzetten’.
En toen zij dit gedaan hadden, haalden zij een grote menigte vissen binnen, en hun netten dreigden te scheuren. En zij wenkten hun makkers in het andere schip, dat zij hen zouden komen helpen. En dezen kwamen en zij vulden beide schepen, tot zinkens toe.
Toen Simon Petrus dit zag, viel hij neer aan de knieën van Jezus en zei:
Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Here.

De alheilige wereldomvattende Kerk, ‘een Mysterie’ – icoon

Want verbazing had hem en allen, die bij hem waren, aangegrepen over de vangst der vissen, welke zij gevangen hadden; evenzo ook Jaäcobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die metgezellen van Simon waren.
En Jezus zei tot Simon:
‘ Wees niet bevreesd, van nu aan zult gij mensen vangen’.
En zij trokken de schepen op het land en lieten alles achter en volgden Hem
Luc.5: 1-11.


➥➥➥ in verband met dit onderwerp wijkt de Apostel-lezing
in dit artikel af van de officiële kalender

      Legt daarom de leugen af en spreekt Waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander.
Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan;  en geeft de duivel geen voet.
Wie een dief was, dient niet meer te stelen, maar dient zich liever in te spannen liever met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mee-delen aan de behoeftige.
Geen liederlijk woord dient uit uw mond te komen, maar als gij een goed (woord) hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen.
En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek dient uit uw midden gebannen te worden, evenals alle kwaadaardigheid.
Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeftEph.4: 25-32.

God’s Uitverkorene, by Marc Chagall

Indien we onze God lief willen hebben; ons toch zorgen blijven maken dat
Hij ons de misstappen vergeeft in plaats van onze fouten bij te houden als
het ware ons onophoudelijk te controleren teneinde
ons in Zijn voorzienigheid te beschermen, is het raadzamer ons op onze naaste te richten en
deze inzet aan hem/haar aan te bieden.          
Je behoeft je niet onophoudelijk te verontschuldigen, doe geen moeite.
Wat je werkelijk nodig hebt is jezelf te vernederen, jezelf de minste te tonen.
Door ons ten opzichte van onze naaste te verontschuldigen, zullen we
als vanzelfsprekend vergeving van onze ontelbare zonden verkrijgen en
we hebben allemaal het recht om tot God zeggen:

Μετάνοια – Metanoia, Berouw

Heer, vergeef het hen, vergeef het degenen, die mij wat aandoen.
Uit liefde tot je medemens zul je de verontschuldiging vinden en jouw Blijde Boodschap ten opzichte van je omgeving uitstralen, volgens jouw Woord.
Ook hierbij zul je je omgeving leren liefde uit te stralen en hen jou je eigen ongerechtigheden te vergeven

spelleider vader Ephraïm van I.M. Philotheou, Athos [Gr.]

Heiligen en mensen, die begenadigd zijn, vormen de leraren van het Christendom en hebben veel verschillen ten opzichte van overeenkomstige mensen, die ‘opvallen‘.
Er zijn echter drie elementen die het voor mij interessant maken, mijn interesse opwekken om het beter uit te drukken en dat geeft mij de gelegenheid het algemeen priesterschap van de gelovige Christen te onthullen.
1.]. Er bestaat in het leven voor deze Christenen geen ‘methode’, waarmee de mens als het ware [als bij de sport] geoefend wordt in het verwerven van Christelijk eigenschappen, noch zijn voor deze Christenen een geheime leer [een soort trukendoos , waarmee zij zichzelf als toegewijd in de leer van Christus mogen beschouwen..   

Het enige wat ze doen is dat zij hun hart totaal ‘open stellen’ voor Christus, zowel voor Christus als God en daarop volgend de medemens.

H. Silouan, de Athoniet

Hun manier van leven omvat niet de praktijk van een methode [zoals yoga, sport of meditatie, danwel een of andere krijgskunst}, maar we zouden zeggen dat het een weg is die de afdaling in twee mentale ruimten omvat die de moderne heilige staretz Sophrony Sacharov in navolging van zijn geestelijk vader de H. Silouan de athoniet “een heg, een omsluiting” noemt: de “hel van het berouw” en de “hel van de Liefde” [“keep thy mind in Hell and despair not”].
De eerste “hel” is de volledige afwijzing van mijn oude persoonlijkheid, m’n daden en verlangens [gekenmerkt door empathie].
de tweede “hel” bevat de on-voorwaarde-lijke Liefde en zelf-opoffering voor elk individu, zelfs voor de persoonlijke vijand, die hem volledig hebben vergeven.
Deze liefde culmineert in [of begint met] de ‘Liefde in Christus’, met Wie je regelmatig  persoonlijke communicatie onderhoudt door gebed, maar ook met deelname aan de goddelijke diensten en in het Mysterie [RK. Sacrament] van Goddelijke Verzoening.

Het ‘Jezusgebed’ òfwel
het gebed van het hart
genoemd

Omdat er geen methode meer bestaat om een resultaat te gaan boeken, kan de piek van geestelijke ervaringen niet alleen door monniken of andere gewijde spelleiders, maar ook door de gewone mens, als huis- vader, -moeder en zelfs kinderen, die misschien niet eens weten wat het doet, worden ervaren.
Christelijke spirituele ervaringen – bijv. Mysteriën, wonderen of verschijningen van Christus, de Moeder Gods en Maagd of een van de heiligen
– ervaringen, die zelfs niet-christenen, die soms trouw zijn gebleven aan hun ‘van kindsbeen meegekregen’ Geloof, maar de moed niet hebben gehad zich over te geven aan de Orthodoxie, die het vroeg-christelijke Geloof, een voorsprong geven aan het begin van het hele proces.
Alle hebben echter één ding gemeen: de hel van de bekering, die het nederig hart verheft en de hel van liefde verwerven, hetgeen impliceert dat het hart vernedering ondervindt.

2.].

Christus Pantocrator icon,
I.M. Chilandar. berg Athos [Gr.]

Een tweede kenmerk van de orthodoxe wonderen van heiligen is dat ze niet de buitengewone gaven of de ervaring van bepaalde spirituele ervaringen nastreven.
Noch willen ze hun kennis vergroten, vanwege de “wijsheid” of  het “superieur bewustzijn” of een  vereniging met het universum” te verkrijgen, om ze te “harmoniseren” met dit of dat wat Yogi aanbieden of iets dergelijks.
Ze willen enkel en alleen Christus, als ‘Heer en Meester’ van hun leven.

Zij verlangen zich uit zichzelf direct aan een andere persoon over te geven, dat vast te houden en zich in die richting, die neiging over te geven zich als het ware te verenigen, Zijn weg na te volgen, de weg van de nederige en onbaatzuchtige Liefde voor God
[de Heilige Drie-enige God en niet een subjectief idee “van God” of een fantasie die “God” is een symbool van schoonheid of liefde of een vonk in ons en in alle wezens, etc.] en de naaste.

We behoeven derhalve niet langer weg te zinken in onszelf als yogi’s,
maar leven slechts om door Christus als God aangesproken te worden en
Zijn barmhartigheid en waardevolle hulp aan te roepen/te zoeken teneinde
de zuivering van het hart van de hartstochten te verkrijgen en
de mutatie op dit schepsel te laten neerdalen met wat Christus als God voor ons wil.
       Ook behoef je niet langer te proberen om “op eigen kracht en eigen methode tot perfectie te komen” het meeslepende, de aantrekkingskracht wordt binnen de weg door Christus en het Lichaam dat Hij oprichtte, de Kerk, onderwezen.
            Christenen werden niet en nooit opgeroepen een individuele strijd voor perfectie aan te gaan, maar om deel te nemen en te integreren in de geestelijke en morele worsteling, van de Kerk: zich te verzamelen te groeperen, met hun broeders een gemeenschap te vormen teneinde gemeenschappelijk uit dezelfde kelk, het Lichaam en bloed van Christus, te putten.
De bron des Levens, is Christus en de rest is allemaal mensenwerk!

Lid van deze gemeenschap wordt namelijk gevormd door Christus, namelijk het hoofd en binnen die gemeenschap zul je Hem kunnen ontmoeten.
Wat praten wij dan en filosoferen wij dan – of is het slechts om menselijk gevormde machtsinstituten in stand te houden, die macht over de individuele mens tracht te behouden.
Het draait niet om de wereldraad van Kerken, de Oecumene – het draait om de Wet van de onderlinge Liefde, die gestalte dient te krijgen in ons leven hier in het ondermaanse.
Zelfs een kluizenaar is altijd nog een lid van de gemeenschap,
door zijn gebed samen met de Christelijke Gemeenschap gericht op Christus
[het gebed voor alle mensen en inderdaad van alle wezens, [“voor allen in allen zal Uw Naam gezegend zijn”] en neemt deel aan de Goddelijke maaltijd, de communie wanneer het overeenkomstig de menselijke regeltjes haalbaar blijkt te zijn.

Ziet, met hoe grote letters ik u eigenhandig schrijf! Allen, die zich uiterlijk goed willen voordoen, trachten u te dwingen tot de besnijdenis, alleen
om niet vervolgd te worden ter wille van het kruis . . . Gal.6: 11-18
van Christus Jezus.

Omdat het alleen Christus is, de God-mens, Die ik liefheb, want met Hem ik wil mij verenigen en weet dat deze vereniging/samensmelting mogelijk is. 
[zó bekennen alle heiligen van de Orthodoxie, dat de reeds ‘levende’ (niet-doden) in dit leven dit ervaren – en het is deze vereniging die zo Mystiek, wonderbaarlijk maakt, met geschenken aangeboden door de drie-enige God, wanneer en in de vorm, die Hij wenst en Zich terug zal trekken zoals ze geen mens “ze terug zou kunnen brengen” met God’s Eigen methoden, die heel egoïstisch zouden zijn, want God erkent geen ander God].
En het kan mij persoonlijk in het geheel niet schelen dat er dan nog mogelijke ‘andere paden’ bestaan tot het verkrijgen van wijsheid, kennis of bovennatuurlijke krachten. 

Deze krachten [hoewel sommigen me doen voorkomen dat het aangekleed aan worden om ze op te wekken òf hoe je er vervolgens mee om dient te gaan] wil ik gewoon niet dat mij op de een of andere manier beïnvloeden, want het is mensenwerk en onderhevig aan duivelse invloed.
Ik wil alleen Christus!

Op mijzelf, ben ik in het verborgene, wanneer ik heel diep van binnen doordring, zoals krachten dat doen, totaal niet in staat om Christus te zien
– en mocht het zo zijn, als je iets te zien krijgt, zal het waarschijnlijk niet iedereen betreffen, maar de “ander” die Hij wil controleren. 

Heiligen, die de perfectie trachten te bereiken [heb jij er ooit eentje ontmoet?],
zijn dit inderdaad geworden vanuit hun persoonlijk nastreven, dus uit menselijk egoïsme en niet op eigen kracht of zo u wilt andere krachten, maar alleen ‘in en door Christus’.
Een favoriete voorbeeld daarvan wordt ons door Christus in Orthodoxie voorgehouden door de gelijkenis, die laat zien hoe dicht onze Heer Jezus Christus in Zijn leven, lijden en sterven ’de verloren zoon’ nadert, hij is uitgeput, viel aan de voeten van zijn vader, en smeekte Hem om Zijn knechten te sturen.
Dus voel jezelf in navolging van Christus nederig, Christen en
wees je bewust van de kloof die de verloren zoon scheidt van de absolute zuiverheid van Christus.
Hij weet dat hij niet zondeloos is, maar de Vader van de verloren zoon
[symbool voor Christus] herstelde de verloren zoon in z’n vroegere staat
en hem vervolgens met eer te omringen en hem lichte [feest-]kleding aan te bieden.

NB.
[Laten we niet over het hoofd zien te vermelden dat de meeste mensen ondanks hun Christelijke achtergrond hoewel zij de intentie hebben nauwelijks zuiver genoemd kunnen worden en wanneer zij zichzelf willen bevoordelen zelfs schade toebrengen aan anderen en zich wel op een zeer duister pad begeven wanneer zij zichzelf hebben overgeleverd aan hun egoïstische manier van doen om zichzelf maar als [hoofd-]toezichthouder of spelleider te kunnen handhaven en hun persoonlijk voordeel mee binnenhalen.
Wij dienen, óók vaak voor ons zelf, ook toe te geven, dat wij onszelf “waardig” achten de gaven van brood en wijn als het Lichaam en bloed van Christus te ontvangen
⁌  zelfs komt het voor dat onze spelleiders zelfs openlijk verklaren niet eens te erkennen dat Christus, de Zoon van God is en doen voorkomen dat het slechts één filosofische wijze van spreken is, een ‘goddelijke stof’ of een ‘universele ziel’ en zij de “Ware God” de rug toe keren, hoewel ze wel dienen te erkennen dat Deze Zich wel in talloze Heiligen heeft gemanifesteerd].

De 5 wijze en de 5 dwaze maagden

Christus zegt ons: “ Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vindenJohn.10: 9.
Onze Heer en Verlosser is de toegang tot Het Koninkrijk der Hemelen, hetgeen we – al diep van binnen, in ons hart, tijdens dit leven kunnen vinden en dat voor eeuwig zal  voortduren.
Maar hoe vinden we de toegang tot Hem tussen al die duizenden verschillende sekten en filosofieën?
Elk van hen presenteert een ander, een verschillend beeld van Christus, Hij vervolmaakt het goede met Zijn Wijsheid.
Wanneer we de geschiedenis van de door Hem gestichte Kerk, Zijn Lichaam, nader onderzoeken, vinden we één enkelvoudige on-onderbroken lijn waarin Zijn Beeld zuiver en onvervormd bewaard is gebleven. Deze lijn is de Orthodoxie van de vroeg-Christelijke Kerk, de grondgedachte, het fundament van het ware Christendom.
Kom naar die poort, die toegang! en vind via haar het oude vertrouwde, historische pad terug naar de oorsprong naar God . . . . .

Doopvont in de vroeg-christelijke Kerk

Het algemeen priesterschap van de Christelijke gelovigen is de theologische bezinning en de kerkelijke praktijk door de eeuwen heen. Al heel spoedig wordt dé verbinding gelegd met de doop. Gedoopt worden, betekent immers deel krijgen aan de nederdaling/zalving met de Heilige Geest en zo aan de drie ambten van Christus.
Christen-zijn is gezalfd zijn en in het Orthodoxe Mysterie [Sacraments-toediening] vindt de doop dan ook drievoudig plaats.
1.]. de bekende doop – door onderdompeling heen – de situatie van de voorafgaande dood en het sterven daarna wordt daadwerkelijk beleefd.
2.]. de zalving met de Myron, de bevestiging van de Opname in de Orthodoxe gemeenschap alsmede de kruinschering [uiting van het algemeen priesterschap]
3.]. het ontvangen van het Lichaam en bloed van Christus in de eerstvolgende Goddelijke Liturgie.

Géén van bovenstaande rituelen mag ontbreken, anders is er geen sprake van en Orthodoxe Doop. De H. geschied-schrijver Hiëronymus zegt het daarom kort en bondig:
Het priesterschap van de leken, dat is de doop’ en dat doet hij vanuit bovenstaand begrip. Ten aanzien van de inhoud van dit algemeen priesterschap wordt de lijn van het Nieuwe Testament, die we bovenstaand hebben geschetst, doorgetrokken.
Leden van het Volk van God brengen geestelijke offers:
lofprijzing, belijdenis, het geven van aalmoezen, toewijding van het leven aan Christus, het getuigenis jegens ongelovigen”.

Geleidelijk aan gaan ook ascetische idealen doorwerken en
wordt het offerkarakter van de christen gezien in
zelfonthouding, ascese en ook het martelaarschap.
Je ziet in de loop van de eerste eeuwen dat het accent, komt te liggen op:
          komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die aan God [de Vader, door de Heilige Geest] welgevallig zijn door [Zijn Zoon] Jezus Christus
1Petr.2 :4,5.
Mag ik u er tevens op wijzen, dat in die periode er in het geheel geen sprake was van een ‘instituut’ van de Kerk, zoals wij die kennen, die is eens ná Keizer Constantijn [zijn daden waren groot, 274-337 na Chr.] ontstaan.
Bovendien beschikte Christus en ook Zijn grote navolger Paulus niet over kerkgebouwen, maar maakten zij geheel ‘als gast’ gebruik van ‘Joodse’ gebedsplaatsen, de Synagogen.

Apolytikion     tn.8.
  Uit den Hoge zijt Gij neergedaald, o Barmhartige,
en zijt drie dagen in het graf gebleven,
om ons van het lijden te bevrijden.
Gij zijt ons Leven en onze Verrijzenis;
Heer, eer aan U”.

Kondakion     tn.8.
  Nadat Gij zijt opgestaan uit het graf,
hebt Gij de doden opgewekt,
en Adam weer doen opstaan.
De einden der wereld jubelen
over Uw ontwaken uit de doden,
O Albarmhartige”


Theotokion     tn.8.
  Om ons zijt Gij uit de Maagd geboren,
en hebt Gij het Kruis ondergaan, o Goede.
Door Uw dood hebt Gij de dood overwonnen
en ons als God de Opstanding getoond.
Veracht het werk van Uw handen niet;
toon ons Uw mensenliefde, o Barmhartige.
Verhoor haar die U gebaard heeft:
de Moeder Gods, die voor ons bidt
en verlos Verlosser het wanhopige Volk”.

Orthodoxie & de zondagsrust

  Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat niemand van u, terwijl nog een belofte van tot zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven.
Want ook ons is het Evangelie verkondigd evenals hun, maar het woord der prediking was hun niet van nut, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen, die het hoorden.
    Want wij gaan tot de rust in, wij, die tot geloof gekomen zijn, zoals Hij gesproken heeft: gelijk Ik gezworen heb in mijn toorn: Nooit zullen zij tot mijn rust ingaan en toch waren zijn werken van de grondlegging der wereld af gereed.
    Want Hij heeft ergens van de zevende dag aldus gesproken: En God rustte op de zevende dag van al zijn werken; en hier wederom: Nooit zullen zij tot mijn rust ingaan.
            Aangezien nog te wachten is, dat sommigen tot die rust zullen ingaan, en zij, die het evangelie eerst ontvangen hebben, niet ingegaan zijn wegens hun ongehoorzaamheid, stelt Hij wederom een dag vast, heden, als Hij door David na zo lange tijd spreekt, zoals boven gezegd werd: Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet. Want indien Jozua hen in de rust gebracht had, zou Hij niet (meer) over een andere, latere dag gesproken hebben.
            Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God.
Want wie tot zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de zijne. Laten wij er dus ernst mede maken om tot die rust in te gaan, opdat niemand ten val zal komen door dit voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen.
            Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zo diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen
en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggenHebr.4: 1-13.

Het woord van God is levend en krachtig
In Santa Cruz, California U.S.A. wordt een nieuwe martelaar om Christus Wil vereerd. Zijn naam is vader Ioan Karastamatis, werd in 1937 geboren in het Griekse dorp Apikia op het eiland Andros [Een van een groep eilanden ten oosten van Athene, bekend als de Cycladen].
Op jonge leeftijd gaat hij naar Amerika, vestigt zich daar en sticht een gezin.
Hij wordt priester gewijd teneinde 10 jaar lang te gaan werken in Alaska, waar hij op verschillende plekken zijn heilige dienst verricht.

Vervolgens wordt hij in Santa Cruz te werk gesteld, de gemeenschap toegewijd aan de heilige profeet Eliah. Met hulp van de Heilige Geest blaast hij deze gemeenschap nieuw leven in, brengt hen wee tot een heilig en heilzaam leven, zodat het voor ieder in de regio, die interesse heeft, uitgroeit tot een centrum van de orthodoxe catechese, de mensen vonden er de weg weer naar God en de Kerk.

          Vader Johannes was heel gewoon en eenvoudig in zijn gedrag. Hij hield van zijn parochianen en de deur van zijn huis stond altijd open. Zelfs ‘s nachts, als iemand naar hem op zoek was, werd hij binnen ontvangen.
Hij predikte inspirerend, vol vuur en vlam, hield van God en wilde dat iedereen van Hem hield. Hij liep door parken en sprak met mensen die niets over God wisten, of die de weg kwijt waren of het nu heidenen waren of afvalligen.
          In het oorspronkelijk geboortedorp van Vader Johannes werd de Moeder God’s, de Theotokos in hoge mate vereerd. Deze devotie tot de Moeder God’s nam vader Johannes mee vanuit het kleine Apikia op het eiland Andros in Griekenland.
          Die verering werd op dat eiland gevierd met als hoogtepunt de verering van de ontslaping van de Moeder God’s, waarbij een wonder rond de bloeiende lelies had plaatsgevonden, de bloemen van de Maagd Maria.

Theotokos, icoon in het kerkje op het Griekse dorp Apikia op het eiland Andros

           De lelie is sinds de vroeg-christelijke tijd al verbonden met de verering tot de Moeder God’s. Wij zien daarom veelal een lelie afgebeeld op de icoon van Annunciatie, welke de engel in de ene hand houdt, terwijl z’n andere hand de Blijde boodschap bevestigt.
Wanneer lelies zijn uitgebloeid, ontwortelen ze ze en plaatsen ze in de kerk van de allerheiligste Moeder van God.  Zoals natuurlijk het geval is, verdorren de bladeren en bloemen en vallen later af, waardoor alleen de droge stengel overblijft. Ondanks de verdorde toestand worden zo achtergelaten, waar zij geplaatst zijn voor de icoon van de Moeder Gods. Op het feest van de ontslaping  van de Moeder God’s beginnen de lelies weer als vanzelfsprekend op te bloeien en dragen weelderig hun bloemen. En dit fenomeen, dit mirakel vindt ieder jaar opnieuw plaats het kerkje van het Griekse dorp Apikia.
Hoewel de lelies volledig ingedraaid zijn bloeien ze op wonderbaarlijke wijze op 15 Augustus voor een tweede keer. Je kunt de klok er op gelijk zetten –  wanneer  die eenvoudige christenen in dit achteraf dorpje het feest van de verdorvenheid van de menselijke aanwezigheid van de Moeder Gods vieren staan de verschrompelde lelies volledig in bloei te stralen en verspreiden een geur, die Hemels genoemd kan worden.

Waarom zult u zich afvragen. Waarom maakt het natuurlijke symbool van zuiverheid en schoonheid, welke eveneens vanuit de Moeder Gods de wereld in straalt zo’n indrukwekkend gebaar.
Het is de Moeder God’s, die hierdoor haar moederlijke zorg aan de wereld duidelijk maakt. Hoewel zij door haar Zoon, onze Heer, naar de Hemelse gewesten is gevoerd, laat zij haar op zeer eenvoudige wijze weten dat zij ons niet alleen laat en onafgebroken tot onze Verlosser smeekt om onze zielen te redden.
Dat is de reden dat vele Orthodoxe gemeenschappen, waaronder die van het Antiocheens Patriarchaat in Nederland, zijn toegewijd aan de Moeder God’s, die onze voorspraak is bij onze Heer en God.
En vader Johannes vervult van de schoonheid, welke hij in z’n leven met de Theotokos heeft ervaren. Vanuit zijn opvoeding behield hij ook op later leeftijd z’n mooie en gevoelige ziel en schreef vanuit zijn jeugdervaringen religieuze gedichten welke gevoeligheid weergaven.
Maar zijn godsvrucht was anderen tot ergernis en die begonnen hem lastig te vallen en hem te bedreigen ten einde hem een halt toe te roepen door middel van telefoontjes en brieven. Maar juist deze tegenstand riep bij vader Johannes een reactie op waarbij hij nog enthousiaster werd in zijn prediking:
Zolang mijn ogen nog vocht bevatten, zodat ik kan zien, zal ik Christus en de Orthodoxie blijven verkondigen”.
                            Hij adviseerde zijn gelovigen de wereld achter zich te laten en haar intriges te vermijden.
Daarop werden de bedreigingen nog heviger, maar de eenvoudige, diep-gelovige spelleider liet zich niet vermurwen [overhalen]. Na afloop van het buitenspelen mistte zijn zoontje zijn vader, die in de kerk de preek voor het feest aan het voorbereiden was en ging hem in de kerk zoeken om thuis te komen.
U raadt het misschien wel ?; dat het woedende tegenstanders waren, die nadat zij hem [in 1985] hadden omgebracht, het kerkgebouw met z’n bloed hebben beklad met duivelse tekens. De gezegende vader kreeg het martelaarschap op dezelfde plaats als waar hij gefotografeerd was met het  priesterlijke zegen-kruis in de hand, alsof hij profeteerde wie en wat hij moest volgen.
In al z’n eenvoud zou deze vader nimmer hebben kunnen aanvaarden dat hij tegelijkertijd met het feest op 15 augustus herdacht zou worden, daarom is zijn feestdag door de Orthodoxe Kerken gesteld op 19 Mei, de vooravond van de verwijdering en verplaatsing van de relieken van de H. Nicolaas, want hij had tevens een  grote devotie voor deze heilige.
Zalig allen, die de Heer vrezen; die wandelen op Zijn WegenPsalm 127: 1

Het is een geweldige kunst stand te houden en het daarmee mogelijk te maken om je ziel te heiligen. Je kunt overal geheiligd worden. In eendracht kan de mens alles heiligen indien hij/zij dat wil; in je werk en alles wat het ook mag zijn, kunnen we allen heiligen worden.
Wanneer je de deugd, het geduld en de onderlinge liefde maar behoudt.
Ieder dag heeft zijn eigen kruis, een nieuwe wending, een nieuwe stemming, en wanneer je dit enthousiast  en liefde, in gebed en stilte behoef je niet bang te zijn dat je het een of ander overkomt.
Je wordt immers door God van het goede voorzien en begeleid, indien je je werk met waakzaamheid, eenvoud, zachtmoedig en zonder tegenstribbelen met vreugde en een goed humeur tegemoet treedt.

Jesus Christus Pantocrator,
‘de Wijnstok’

Vertrouw daarom op God en al het onaangename, die in je ziel belagen en angstig maken, zal verdwijnen. Iedere gelovige, iedere navolger van Christus wordt heilig genoemd en aan de hand van aanbidding tot God beschermd. Indien je al je inspanning en inzet gericht houdt op God zul je zijn Liefde en Zijn Licht ervaren.
Het heilig kruis wat je draagt geeft dus geen smart en pijn weer, maar een overwinning als een tweesnijdend zwaard.
Een zwaard wordt net als een mes bot wanneer je het gebruikt en zeker in de wereld van vandaag wordt je van alle kanten belaagd en daarom dient er regelmatig onderhoud gepleegd te worden.
Nu dit onderhoud vindt plaats door bezinning en daarom heb je rust en aandacht nodig, hetgeen ieder zondag plaatsvindt in de bijeenkomst van de gemeenschap, de Goddelijke Liturgie.
In de Liturgie komen wij samen rond het Verbond, wat wij met God zijn aangegaan in het Mysterie van de doop. In de Goddelijke Liturgie loven wij en verheerlijken God en brengen Hem dank voor alles wat ons overkomt; naast datgene wat wij doen luisteren wij naar het Woord. Want het Woord kan gerealiseerd worden wanneer wij dat maar regelmatig tot ons nemen – niet alleen door te luisteren, maar ook te doen.
De mens opent zijn mod en roept uit: “God is één, in de Heilige drie-eenheid, in de Vader en in de Zoon en in de Heilige Geest, gezegd is hij/zij [de mens] die komt in de Naam des Heren”.
En we zingen de zaligsprekingen: “ Welzalig is de mens, die niet wandelt naar de raad van Goddelozen”.
De 1e en achtste dag [de Zondag] is een zalige dag, want wij herdenken de Opstanding van Onze Heer Jezus Christus en die herinnering is als een wachter voor onze ziel, wij ervaren een oppepper, door de oproep:
Ontwaakt, gij die slaapt, sta op uit den doden”.
Je hoort dat:
  Wij zó ons licht dienen te laten schijnen voor de mensen, opdat zij onze  goede werken zien en onze Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.

Want Christus is niet gekomen om de wet of de profeten te ontbinden; Hij is niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullenMatth.5: 16,17.
En al de regels [613 -10 – 1] de God ons gegeven heeft in Mozes en Christus  zouden samen opnieuw bestudeerd dienen te worden.
    Aldus nu zult gij het eten [Mij ontmoeten, in Mijn vlees en bloed]: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en gij zult het met haast eten; [want elke zondag] is het feest des Heren,
het Groot en Heilig Pascha
conf. Exodus 12: 11.
    Zegen, Heer! ons vermogen en laat U het werk van onzer handen wel bevallen; versla de lenden van degenen, die tegen Hem opstaan en Hem haten, dat zij niet weer Opstaan!Deut.33: 11.
Ja, hier wordt over gesproken in onze tijd, waarbij onze tegenstanders niets  ontziend het Christelijk Geloof, het Joods- Christelijk erfgoed trachten te  ondergraven door Geloof als nietszeggend en ouderwets af te doen en doelbewust bezig zijn onze feestdagen en zondagsrust af te nemen.

    En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende:
‘ Alzo zult gij zeggen tot dat Volk, die tot u gesproken hebben, zeggende:
Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter;
alzo zult gij tot hen spreken:
Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan de lenden van mijn vader’
1Koningen 12: 10

Voor Uw ogen zijn allen die mij kwellen:
mijn ziel verwacht smaad en ellende.
Ik wacht op een medelijdende, maar er is er geen;
op een trooster, maar ik heb niemand gevonden.
Voor spijs gaven zij mij gal;
in mijn dorst drenkten zij mij met azijn.
Hun tafel wordt hun tot strik,
tot vergelding en struikelblok.
Hun ogen worden verduisterd, zodat zij niet meer zien;
hun rug voor altijd gekromd.
Want U [God] giet Uw toorn over hen uit,
Uw grimmige woede zal hen grijpen.
Hun woonstede verandert in verlatenheid,
er is niemand meer om te wonen in hun tenten
Psalm 68[69] : 24-30.

in alle eenvoud je kruis dragen

Maar zó heb ik een ‘Christelijk’ georiënteerd politicus nog nooit horen spreken, dat wordt slechts voort-gepolderd in de uitwerpselen van de samenleving, het is welzeker nodig, maar het wordt als niet kies ervaren en het levert waarschijnlijk weinig of niets op. De voor vrijheid en democratie strijdenden lopen aan de hand van de Economie.
De Economie en het spel der beheerders van het geld zijn hun tot god geworden en aan cultuur, gebaseerd op de cultuur van hun voorvaderen hebben zij geen boodschap, ook al heeft hun leider geschiedenis gestudeerd.
De “dag des Heren” is een hele belangrijke uitdrukking in de Blijde Boodschap, die het fundament omvat van ons Joods-Christelijk leven, vele bladzijden zijn er aan gewijd. Het is een hele bijzondere dag; niet een dag van vierentwintig uur, maar een tijdsperiode, die wij hier op aarde doorbrengen en die zowel het ‘oordeel als de zegenrijke Heerschappij van God omvat.
God heeft ons willen informeren over de dingen die komen gaan. Niet om onze nieuwsgierigheid te bevredigen of iets dergelijks, maar om ons in te lichten, zodat we waakzaam en nuchter zijn en weten waar het naartoe gaat.
Het is tevens de dag van de Heer, waarop de Allerhoogste Zich zal openbaren;
het moment waarover Zacharia schrijft:
En de Heer zal koning worden over de gehele aarde;
te dien dage zal de Heer de enige zijn en
Zijn Naam de EnigeZacharia 14: 9.
Dan zal het schaamrood de tegenstanders van het Geloof om de kaken staan en
zij zullen zich alsnog bekeren.

16e Zondag na Pinksteren – Zondag nafeest van Kruisverheffing

       En Hij riep de menigte met zijn discipelen, tot Zich en zei tot hen:
Indien iemand achter Mij wil komen, die dient zichzelf te verloochenen, zijn kruis
op zich te nemen en Mij te volgen.
Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en omwille van het Evangelie, die zal het behouden.
Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?
Want wat zou een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven?
Want wie zich voor Mij en voor mijn woorden schaamt in dit overspelig en zondig geslacht, de Zoon des mensen zal Zich ook voor hem schamen, wanneer Hij komt in de Heerlijkheid van Zijn Vader, met de heilige engelen.
       En Hij zei tot hen:
Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij zien, dat het Koninkrijk van God gekomen is met Kracht
” 
Marc.8: 34- 9: 1.

      Wij weten dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der Wet, maar door het Geloof in Christus Jezus, zijn ook zelf tot het geloof in Christus Jezus gekomen, om gerechtvaardigd te worden uit het Geloof in Christus en niet uit werken der Wet.
Want uit werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden.
Maar indien wij, trachtende in Christus gerechtvaardigd te worden, ook zelf zijn gebleken zondaars te zijn, staat Christus dan in dienst der zonde? Volstrekt niet.
Immers, indien ik hetgeen ik afgebroken heb, weer opbouw, bewijs ik daardoor, dat ik zelf een overtreder ben. Want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te leven.
Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, [dat is], niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij.
En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegevenGal.2: 16-20.

Transfiguratie μεταμόρφωση

En zes dagen later nam Jezus Petrus en Jaäcobus en Johannes mee en leidde hen een hoge berg op, hen alleenMarc.9: 2; en zagen zij dat het Koninkrijk van God gekomen is met Kracht.
Wat betekent het wel niet allemaal jezelf te verloochenen, je kruis op je te nemen en Christus te volgen, je leven te verliezen omwille van de Waarheid van de Blijde Boodschap en je niet langer voor de woorden van Christus, die jij spreekt te schamen.
Je ziet het aan de levens van de Apostelen en de Martelaren – om Zijnentwil verkozen zij de Kroon van het Rijk der Hemelen boven rijkdom, eer en glorie van de wereld.

Wat betekent het voor ieder van ons dat Christus menslievend is en iedere vezel van ons bestaan doorbloedt en ons leven kent? Met de gedachte dat Christus alziend is, zijn we getroost.
Het is lonend en heeft een positieve uitwerking om te weten dat de Heer naast ons staat teneinde  ons te sterken, om toezicht te houden in onze moeilijkheden en in te grijpen wanneer onze spirituele belangen erom vragen.
We begrijpen deze realiteit in momenten van spirituele volheid, dat Zijn genade ons hart doordringt. Maar zelfs als we een test doorstaan, dat elke menselijke hulp machteloos is, vinden we onderdak bij “de Enige, Die in staat is om ons bij te staan”.
De wereld en haar psychologie verklaart ons voor wereldvreemd, vluchtend voor de werkelijkheid, een waanwereld, die wij ons maar inbeelden.
Maar wij zijn overtuigd van het feit dat degenen, die hun leventje willen behouden, het zal verliezen; maar dat eenieder, die zijn leven durft te verliezen in God’s Naam, om Christus wil en omwille van de Blijde Boodschap, dat juist die mens het Leven zal behouden.

Voor degenen die bij de terugkomst van onze Meester, niet klaar zijn, zal de wederkomst des Heren een vernietigende verrassing betekenen. Het zal echter een tijd van blijdschap zijn voor degenen onder ons die in liefde en geduld op Zijn terugkeer wachten.
Maar zelfs voor ons, zou de mogelijkheid dat Jezus vandaag wederkomt, ons dienen bij te staan  ons blikveld te verbreden en onze speciale geestelijke gesteldheid bij te stellen.
Hoe zou ons leven ingericht diene te worden, vandaag, morgen en alle dagen die nog volgen – elke dag, die ons gegeven wordt tot wij voor zijn Hemels Koninkrijk terugkeren?
Dat is hoe Jezus van ons verwacht dat we iedere dag leven, dat we het leven zo goed mogelijk christelijk benaderen.

  Indien de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen, maar
indien hij [aan zichzelf] sterft, draagt deze veel vrucht.
Wie z’n [lieve] leventje liefheeft, zal het verliezen, en
wie z’n [vrolijke] leventje haat in deze wereld,
zal het behouden tot het eeuwige leven
John.12: 24-25.

Onze Heer en Verlosser gebruikte dit voorbeeld van een kleine korrel tarwe.
Zolang de graankorrel op zichzelf en in de graanzak blijft,
kan ze in geen enkele vorm vrucht of leven voortbrengen.
Jezus zegt dat de graankorrel in [goede] aarde dient te vallen, dus onder het grondoppervlak dient te gaan.
Wanneer ze uit het zicht is, verborgen in de duisternis en in de vochtigheid van de aarde, vindt er een verandering plaats.
De harde, buitenste schil lost op, waardoor het vocht [de Bron des Levens] het zaad kan bereiken en
als gevolg daarvan vindt er een Mysterie [een Wonder] plaats:
uit die graankorrel, waarvan de schil verdwenen is en die dood leek te gaan,
komt opeens een heel nieuwe vorm van leven voort!
Het groene uitspruitsel van nieuw leven forceert zijn weg door alles heen
omhoog door de aarde, verschijnt in het zonlicht en
we zien het Mysterie van het leven zich manifesteren.

➥ Dit is een Beeld van wat het betekent om ons eigen leven te verliezen,
om op die manier het leven te vinden dat God voor ons heeft.
We komen aan het eind van onze eigen mogelijkheden, onze eigen kracht, onze eigen wijsheid. We laten al onze eigen menselijke inspanningen los en keren ons af van onze aanspraak op zelfvoorziening, onze hoogmoed.
Wanneer het zaad gestorven is en de buitenste, harde schil is weggeteerd,
dan zal er nieuw leven ontstaan.
Dat is de grote uitdaging die Jezus aan Zijn volgelingen met het Kruis heeft voorgehouden.

Verlies is soms heel zwaar om mee te maken …

Dit is het Mysterie, het geheime wonder van de totale overgave, zoals
de graankorrel eerst in de grond valt en moet sterven, voordat zij vrucht kan voortbrengen.
Dat is de uitdaging die Hij ons ook vandaag de dag voorhoudt.
Wij hebben ons eigen leven; het is in onze eigen handen.
Zoals iemand een kleine graankorrel kan pakken en vasthouden,
zo kunnen we ook aan ons eigen eigengereide leventje blijven vasthouden zolang als we willen. Maar zolang als we ons eigen leven vasthouden, blijft het geïsoleerd en wordt het in geestelijk opzicht dood, dat wil zeggen is niet productief.

††† De wereld is vol met eenzame mensen;
ze zijn en blijven eenzaam omdat ze vasthouden aan hun eigen leven en ondanks eenzaamheid  willen ze te toch niet loslaten.
– Onze Heer en Verlosser zegt dat als wij bereid zijn om ons leven los te laten, en onszelf over te geven aan het proces van sterven en lijden, dan zal er nieuw leven ontstaan. Ieder van ons moet het leven pakken dat hij of zij in handen houdt, het loslaten en het laten gaan. We moeten ons leven overgeven aan God. Dat klinkt misschien als een gek en onproductief idee, maar het zal compleet nieuw leven voortbrengen. Ik beloof je: het is de moeite waard!
– Onze Heer en Verlosser heeft Zijn volgelingen voorgehouden:
In dit leven zal het kruis, het lijden ons deel zijn; er bestaat zoiets als
de smaad van Christus dragen’ en ‘deelhebben aan Zijn lijden’.
– Dat kan betekenen uitgelachen worden, afgewezen worden, machteloos zijn, in het geheel niet rijk, gehaat worden, onrechtvaardig behandeld worden, vervolgd worden, hard werken voor God en naaste, je geven aan de gemeenschap, sterven aan zelfzucht, hebzucht, egoïsme en begeerte.
– Dat alles en nog veel meer kan pijn doen in dit leven en ons heel wat kosten.
Maar Mozes zei het al, hij achtte ‘de smaad van Christus groter rijkdom dan de schatten van Egypte’. Ook Mozes is een voorbeeld van geduld.
– Uiteindelijk heeft God Hem ‘als de Almachtige’ gebruikt in Zijn heilsplan en
heeft Zijn leven veel meer vrucht gedragen voor tijd en eeuwigheid dan het leven van de Farao. Jezus heeft ook gezegd: “Houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen”.    Het loont om te wachten op de Heer en Zijn Genadegaven.
Je bent geen dwaas indien je opgeeft wat je toch niet kan behouden,
om te winnen wat je nooit meer kwijt kunt raken. 

De keuze is aan ons:
– Wilt wij gretig zijn en inhalig of geduld betrachten?
– Hebben wij slechts oog voor de dingen van deze wereld of
hebben wij oog op de dingen van de toekomende wereld?
– Indien wij als christenen weten wij dat het beste nog komt;
hoe oud je ook bent, als christen mag je elke dag weten: het beste komt nog!
– Wij verwachten het Hemels Koninkrijk.
– Wij verwachten de wederkomst des Heren.
– Wij zullen in Zijn Heerlijkheid worden opgenomen bij het sterven en
met Hem verschijnen in Zijn Heerlijkheid bij Zijn wederkomst;
– Het Rijk van de nieuwe Hemel en de nieuwe aarde, het Rijk Vrede is in aantocht.
– Wij zullen voor altijd met Hem zijn, Hij maakt alle dingen nieuw.
Degenen die in Geloof geduld beoefenen kunnen het hoofd omhoog heffen
en altijd vol Geloof, Hoop en Verwachting, in dit leven staan.

Apolytikion    tn.1.
Heer, red Uw Volk en zegen Uw Erfdeel
en bescherm Uw Gemeenschap door Uw Kruis
”. [= refr.]

3e Antiphon
De Heer regeert, de Volkeren beven;
Hij stelt op de Cherubijnen, de aarde siddert
”. refr.

Groot is de Heer in Sion,
Hij is verheven boven alle Volkeren
”. refr.

Dat zij Uw grote Naam belijden,
want Hij is ontzagwekkend en Heilige
”. refr.

Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, Amen
”.

Kondakion     tn.1.
Gij, Die U vrijwillig op het Kruis hebt verheven, Christus onze God,
schenk Uw Ervaringen aan Uw nieuwe Gemeenschap, die naar U genoemd is.
En verblijd ons met Uw Kracht in de strijd tegen de vijand.
Want Gij zijt onze Helper door het onoverwinnelijk Vredeswapen van Uw Kruis
”.

14e September – Orthodoxie & het feest van Kruisverheffing

      Toen dan de overpriesters en hun dienaren Hem zagen, schreeuwden zij en zeiden: ‘Kruisigen, kruisigen!’.
Pilatus zei tot hen: ‘Neemt gij Hem en kruisigt Hem: want ik vind geen schuld in Hem’.
De Joden antwoordden hem: ‘Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf God’s Zoon gemaakt’.
Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog meer bevreesd en hij ging weer het gerechtsgebouw binnen en zei tot Jezus: ‘Waar zijt Gij vandaan?’.
Maar Jezus gaf hem geen antwoord.
Pilatus dan zei tot Hem: ‘ Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen?
Jezus antwoordde: ‘Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware: daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde . . . . .
        Pilatus dan hoorde deze woorden en hij liet Jezus naar buiten brengen en zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Litostrotos, in het Hebreeuws Gabbata
[Hebr.= ‘verhoging, podium’] . En het was Voorbereiding voor het Pascha, ongeveer het zesde uur, en hij zei tot de Joden: ‘ Zie, uw koning!’.

Zij dan schreeuwden: ‘Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!’.
Pilatus zei tot hen: ‘Moet ik uw koning kruisigen?’.
De overpriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen koning, alleen de keizer!’.
Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden. Zij dan namen Jezus en Hij, Zelf Zijn Kruis dragende, ging naar de zogenaamde Schedelplaats, in het Hebreeuws genaamd Golgota [Hebr.=schedel], waar zij Hem kruisigden en met Hem twee anderen, aan weerszijden een, en Jezus in het midden.
En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven: ‘Jezus, de Nazoreeër’, de Koning der Joden . . . . .
En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en de zuster van Zijner moeder, Maria van Cleophas en Maria van Magdala. Toen dan Jezus Zijn moeder zag en de discipel, die 
Hij liefhad, bij haar staande, zei Hij tot zijn moeder: ‘ Vrouw, zie, uw zoon’. Daarna zei Hij tot de discipel: ‘ Zie, uw moeder’. En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis.
Hierna zei Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was: ‘Mij dorst’ . . . . .
       Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zei Hij: ‘Het is volbracht!’.
En Hij boog het hoofd en gaf de geest.
De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven – want de dag van die sabbat was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden.
De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was braken zij zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit.
En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de waarheid spreekt, opdat ook gij gelooftJohn.19: 6-11, 13-20, 25-28a, 30-35.

      Want het woord van het Kruis is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een Kracht God’s.
Want er staat geschreven: ‘Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen’.
Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd?
Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt?
Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het aan God behaagd door de dwaasheid van de prediking te redden hen die geloven.
Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, [prediken wij] Christus, de Kracht  God’s en de Wijsheid God’s1Cor.1: 18-24.

    Om het genot des Heren te schouwen; om Zijn heilige Tempel te bezoeken.
Want Hij verbergt mij in Zijn tent op de dag dat het mij slecht gaat. Hij beschut mij in het verborgene van Zijn tent, Hij plaatst mij hoog verheven op een rots”
Psalm 26[27] : 5,7 en

    Zou mijn ziel zich niet aan God onderwerpen? Door Hem komt immers mijn heil. Ja, Hij is mijn God en mijn Heiland en mijn steun; ik zal niet langer wankelen. Hoelang nog stort gij u op een mens als op een hellende wand of een vervallen muur? Gij allen zijt moordenaarsPsalm 61[62] : 1 en 4.

Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd?
Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt?

Is het eigenlijk niet hopeloos, zo vragen vele mensen in onze tijd zich af, de Blijde Boodschap aan de hand van het opnemen van je Kruis te prediken in deze wereld ? Wanneer iemand zich verhard en absoluut geen medelijden heeft met zichzelf dan doet deze niets anders dan z’n eigen passies af te vlakken, te verzachten.
De mens, die hier op deze wijze mee omgaat, is geen waarachtig Christen.
De Apostel zegt immers overduidelijk: ”     Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigdGal.5: 24.
Onstuimig bruist de grote stroom van het moderne leven en de westerse wereld leeft voort als ware het een dynamisch stelsel, die aan de muren van al wat heilig is voorbij lijkt te gaan en schijnt alsof zij met haar overdaad de grondslagen van datgene wat God aangaat steeds verder aan het ondermijnen zijn: het is een triest een weinig verheffend  vooruitzicht.
Steeds groter wordt de veelkoppige menigte, die zich ophoopt in het ondermaanse van ons hemellichaam en temidden van die mensenzee staat daar een enkele eenzame drager van het Licht, om de duistere drukte van heen en weer bewegende mensen te bewegen een andere weg in te slaan: een haast wanhopige onderneming.
Kracht’s- en Machtsvertoon aan alle zijden, openbaring van rumoerige, brutale, schreeuwerige kracht en tussen al dat rumoer slechts de zwakke klank van enkele mensenstemmen, die getuigen van kwetsbare, geestelijke zaken, als roependen in de woestijn, hetgeen je de adem beneemt!
Is het in deze omstandigheden niet hopeloos om je überhaupt ook nog maar in te zetten het Woord aan te nemen en over je persoonlijke kruis te verkondigen?

‘een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid’

Scheen het ook voor Paulus geen wanhopige dwaasheid, om in een stad als Corinthe het te wagen met de eenvoudige boodschap van datzelfde Kruis te verkondigen, waaraan immers de vrome Joden zich ergerden en waarom beschaafde Grieken [westerlingen] slechts lach[t]en?
En tegenover deze vragen brengt nu Paulus een Naam naar voren: “Christus, de Kracht van God en de Wijsheid van God”
Het Woord prediken, dat is: Christus prediken, want waar je ook de Blijde Boodschap opent, het is altijd opnieuw de Gestalte van Christus, Die ons tegemoet komt.
Als een voorafschaduwing en Profetie in het Oude Verbond, in de geschiedenis en de gelijkenissen van het Nieuwe Verbond het is altijd opnieuw de Naam van onze Heer en Verlosser Jezus Christus, Die daar straalt, hoe verschillend ook die Naam gespeld zou mogen worden.
En daarom, zegt Paulus is het prediken van het Woord, altijd weer opnieuw herhalen: “Het verkondigen van de Blijde Boodschap uit het Leven en door de dood en de Verrijzenis van onze Heer, Jezus Christus, de Zoon van God”.

Heeft u misschien het idee, dat dit een zeer éénzijdige verkondiging betreft?
Neen, in de rijke afwisseling en die altijd weer wisselende verscheidenheid: zo heeft Paulus als Apostel het zoeklicht van het Woord doen uitstralen op elk terrein van het menselijk leven, maar al die stralen, die daar van uitgaan, komen uit één middelpunt, vloeien uit één bron en die Bron dat is Christus.
Jullie zijn misschien van mening dat dit slechts een al te gemakkelijke verkondiging is, een loutere vaststelling – een mededeling, die slechts een oppervlakkige vaststelling zou betreffen?

Neen, met een overweldigende bovenaardse geestdrift, met een diepe overtuiging vanuit z’n hart, als een mens die een noodzakelijk optreden opgelegd heeft gekregen van een Liefde tot Christus, waarmee hij te Damascus geroepen werd: zó heeft Paulus, Degene, die hem dáár riep verkondigd al huivert hij bij de opdracht, die hem te Damascus is opgelegd.
Ondanks zijn persoonlijk achtergrond zal het Woord, dat hij aan ons als christelijke gemeenschap overbrengt, eerst door zijn eigen ziel getroffen zijn.
De religieuze farizeeër Paulus, die doordrongen was van de grootse Joodse cultuur welke hem tot autoriteit maakte in welke Joodse Synagoge, die hij maar betrad, verkondigde de Wet van Mozes, welke hem van het ene op het andere moment tot grootspraak werd.
Hij werd getroffen door het Licht van Christus en ontdekte dat zijn trotse optreden op basis van deze cultuur slechts negativiteit en nihilisme  teweeg bracht.
Door zijn ontmoeting met de Heer Jezus Christus ontdekte hij de waarde van onsterfelijkheid, die reeds op aarde verkregen was doordat haar Redder aan het Kruis gestorven was voor onze zonden, inclusief, die van Paulus zelf.
Wat die tijd aangaat betitelde hij zichzelf als een hond, een slechte arbeider door te verkondigen: “Let op het ‘versnijden’!; want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest 
Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwenPhil.3: 2,3.
Dáár onderweg naar Damascus liep hij tegen een muur van [Thabor-]Licht op, welke Hem duidelijk maakte dat de Liefde van God boven elke maat van de Wet van Mozes verheven is. De zonde van de Wet is teniet gedaan door het Licht van Christus, welke afstraalt van Zijn door aan het Kruis te sterven voor de wereld en de daaropvolgende Verrijzenis.
Wordt Licht, wordt Licht, oh, Gij nieuw Jeruzalem”, de dood is het lot der mensen, maar God heeft voor ons een andere zegen achter de hand.
Vriendelijk en veilig als het Licht zoals een mantel om mij heen geslagen ben ik bekleed – zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht. Ik roep zijn naam, bestorm hem met mijn vragen, dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.
God wil mij behoeden en op handen dragen; Hij is de God bij wie mijn toekomst is – Heer, ik Geloof, waarom staat Gij mij tegen?

Het is het persoonlijke kruis welke ieder mens draagt teneinde aan Zijn roep gevolg te geven. De mens leerde door de ontmoeting met de Heer en Meester van het leven, dat de waarde die onsterfelijk blijft op aarde is dat Zijn Redder aan het Kruis gestorven is voor zijn zonden.
Paulus kreeg door de ontmoeting met Christus eveneens het inzicht:
      Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Heer, dat alles te boven gaat. Om Zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus zal mogen winnen en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de Wet, te bezitten, maar de Gerechtigheid door het Geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het GeloofPhil.3: 8,9.
Daarom is het de Enige, waaraan zijn ziel zich volkomen onderwerpt, want van Hem komt het geduld alles om ons heen te verdragen.
En toch is het niet z’n eigen overtuiging, die hij naar voren brengt, ‘t is niet zijn eigen armzalige Geloof, waarmee hij onze zielen tracht te voeden, ‘t is niet zijn eigen deugd en vroomheid, waarmee hij degenen, die in den vreemde in de verte opdoemen tracht te lokken en te trekken.
Neen, in heilige zelfverloochening, zo is deze verkondiger een stap terug gedaan, opdat Christus en Christus alleen naar voren zou treden en verheerlijkt zou worden.

Onderkennen wij mensen dan niet de koninklijke rijkdom, die in Christus is?

– Christus prediken: dat is Hem voorstellen aan het christenvolk, zoals Hij met het zwaard van de Heilige Geestes de heilige strijd aanbindt tegen alle ongerechtigheid en eigen- gerechtigheid, tegen al onze liefdeloosheid en zelfverheffing.
– Het is diezelfde Christus, Die met de palmtak van de Vrede verkoeling toewuift aan allen, die door het zwaard van de Heilige Geestes dodelijk gewond zijn geraakt.
Wij zijn getuigen van Christus geworden, Die lijden en ten derden dage moest opstaan uit de doden; in Zijn Naam moest bekering gepredikt worden tot vergeving van de zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalemconf. Luc.24: 46-48.
– Wij zijn Christus gaan verkondigen als getuigen van Hem,
Wiens:
Christus prediken: dat is getuigen van Hem,
Wiens „ Wee degene die een vals getuigenis aflegt” , als mokerslagen neerkomen op al het geveinsde en on-bekeerlijke, maar wiens zaligspreking de armen van geest, zij, die gebroken zijn van hart zó onuitsprekelijk vertroost.
– Wij zijn getuigen van Christus geworden, dat is Hem op iconen schilderen in al de gestrengheid, waarmee Hij het halve Christendom terugwijst met de woorden:
  Niemand kan twee heren dienen, want hij zal of de ene haten en de andere liefhebben, of zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen en de Mammon” Matth.6: 24.
– Wij zijn Christus gaan verkondigen, nadat wij aan de volkomen overgave van het hart hebben voldaan door: “ Zijn volgeling te worden en Vader, Moeder, Vrouw en kinderen tekort te doen en ons in tederheid van Zijn geduld bezig te houden met dwaze, aardgebonden mensenkinderen.
– Wij zijn getuigen van Christus geworden, door Hem af te schilderen als de lijdende Hogepriester, die in het dienen in Zijn Liefde aan de Zijnen een voorbeeld te zijn – te laten doorwerken, opdat zij zijn voettappen zouden navolgen. Hem afschilderen als de  gekruisigde Middelaar, Die aan Zijn kruis een eeuwige verzoening teweegbrengt, als de verheerlijkte Koning, Wiens wil als wet, Wiens Woord als richtsnoer heeft te gelden, voor elk gebied van het leven.

Aldus een enkele greep van de Rijkdom van Christus, Die door het ChristenVolk gepredikt wordt.
De wereld mag dan dwaas doen voorkomen, dat het christendom haar tijd gehad heeft en ons eigen ongeloof mag geneigd zijn om de wereld gelijk te geven.
– Maar voor ons blijft het een zalige ervaring: dat waar Christus gepredikt wordt, daar worden toch nog altijd mensen getroffen, die zich niet aan de kracht van die prediking hebben kunnen onttrekken: ouden van dagen, voor wie dat Woord zó dierbaar is geworden en voor wie Christus het Licht van de avondstond is geworden, de ster van Hoop aan de duistere levenshemel.
– Maar een nog groter Mysterie blijkt het te zijn dat toch ook nog altijd jonge levens, waarin een heilige geestdrift blijkt te ontkiemen, waarmee geen [wereldse] valt te behalen, een heerlijke bezieling voor Zijn Naam, Die door de wereld wordt verguisd, maar jonge har
ten blijkt te doen opbloeien, die zich niet kunnen ontworstelen aan de heilige Goddelijke Kracht en Sterkte, Die uitgaat van Christus.
– Daar tref je die kruisdragers aan, onwillige kruisdragers van nature, van wie de ziel wordt aangegrepen door de Kracht van Christus en Hij wordt hun zó dierbaar, omdat Hij het is,  Die onder het Kruis leert buigen en die het leven op die wijze goed te leven maakt, ook in donkere en pijnlijke nachten.
– Zij, die het kwa gezondheid, lichamelijk niet zo goed getroffen hebben, als degenen die gezond zijn en sterk en zijn en die eveneens als de rest van de wereld ook hun eigen weg zouden willen wandelen en hun eigen genot najagen en hun eigen geluk bouwen.
Maar zie, hoewel zij kunnen zich niet onttrekken aan die wondere kracht van Christus, die hen maar niet loslaat en die telkens met zachte maar sterke Hand hen dwingt om hun eigen weg van lijden te verlaten en op Zijn wegen leren wandelen.

Het feest van Kruisverheffing wordt elk jaar op 14 september gevierd;
eveneens wordt eer een feestje gebouwd op de 1e Augustus, een dag, die gekoppeld is aan de glorieuze processie, die in 614 na Christus plaatsvond in het jaar des Heren 614.
Tevens wordt elk jaar in het midden van de Grote Vastenperiode op de derde Zondag het Groot en Heilig Kruis vereerd teneinde de gelovigen een riem onder het hart te steken.
Kruis verheffing, beide woorden hebben dezelfde betekenis: kruisiging leidt tot verheffing van de mens: “    Zij [de mensen uit Zijn Volk tot wie Hij predikte] hadden niet begrepen, dat Hij tot hen van de Vader sprak. Jezus dan zei: ‘Wanneer gij de Zoon des mensen verhoogd hebt, zult gij inzien, dat Ik het ben en niets uit Mijzelf doe, doch dat Ik dit spreek, gelijk de Vader Mij geleerd heeftJohn.8: 27,28.
De Heer verwijst hier naar Zijn kruisiging en ‘Hij’ betekent JHWH of wel genoemd het tetragrammaton, de Naam, Die – door God Zelf – aan Mozes in het eerste Verbond. gegeven was door, toen hij vroeg wat God’s Naam was:

De drie Patriarchen, Abraham. Isaäc & Jaäcob – Lusinov 1797, Jaroslavl unknown maker

      Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: De Heer, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isäac en de God van Jaäcob, heeft mij tot u gezonden; dit is Mijn Naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslachtEx.3: 15.
Mozes had God om Zijn Naam gevraagd, toen Deze hem in de verbrandde braambos verscheen. God zei tot Mozes: “Ik ben, Die Ik ben”. Hij zei: “Aldus zul je tot de Israëlieten zeggen: “ ‘Ik ben’ heeft mij tot jullie gezonden” met andere woorden – ‘Ik ben Degene, Die als God door de mens bestudeerd wordt”.
Ook de grieken onder de Joden zochten Christus en zeiden tot enkele Apostelen:
Heer, wij zouden Jezus wel willen zien’ En toen onze Heer dit te horen kreeg antwoordde Hij: “      Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten-geworpen worden; en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen [de gehele mensheid] tot Mij trekken. En dit zei Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou“ en
      Nog een korte tijd is het Licht onder u. Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet zal overvallen; en wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. Gelooft in het licht zolang gij het Licht hebt, opdat gij kinderen van het Licht zal mogen zijn”.
Dit sprak Jezus en Hij ging heen en verborg Zich voor hen. En hoewel Hij zovele tekenen voor hun ogen gedaan had, geloofden zij niet in Hem“ John.12: 31-33; 35-37.
En ons Heer en Verlosser zei dit en hief Zijn ogen op naar de Hemelen en zei:
      Vader het uur is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U zal verheerlijken, gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken. Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus, de Christus, Die Gij gezonden hebt. Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt.
En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid, Die Ik bij U had, eer de wereld was
John.17: 1-5.
In de tijd van God betekent dit: Dat het Groot en Heilig Kruis ons besef te boven gaat – wordt er niet gesproken over een algemene noodtoestand, van ziekten, pijn en problemen, dat zal een kruis voor de mensen betekenen.
Maar bij onze Heer en Verlosser werd het Kruis een teken van Kracht en Overwinning:
na Zijn kruisiging stond Hij op uit de dood en overwon de dood door Zijn dood en aan allen in de graven schonk Hij het Leven”.
• Bij ons christenen is het Groot en Heilig Kruis een teken van Verlossing geworden, alsmede een teken van uitzonderlijk Liefde voor de mensen: “Christus stierf voor ons mensen om ons van een onontkoombare dood te Verlossen”.
• Zijn Kruisiging is een teken tot onze vergeving.
• Als brug ter overbrugging naar het Hemels Koninkrijk is het een teken tot zuivering. Laten wij derhalve ons kruis op ons nemen teneinde door onze Heer Jezus Christus te volgen het eeuwige Leven te bereiken.

Het Groot en Heilig Kruis omvat een van de tekenen, die de christengelovige koestert, als voornemen heeft, wat zich uit in het dagelijks leven, zodat deze mens in vreugde en verdriet een kruisteken maakt – hetgeen als het ware een overwinningsteken inhoudt.

Het gebeuren rond de ontdekking van het Groot en Heilig Kruis verheft onze herinnering aan het feit dat Christus symbool staat voor de Glorie van Zijn verlossing en Opstanding.
De Evangeliën verhalen ons dat het Joodse Volk indertijd om de kruisiging van onze Heer en Verlosser heeft gevraagd, met gevolg dat Christus met zijn Kruis naar buiten naar de schedelplaats werd gevoerd.
Christus stierf aan het hardvochtig opgelegd Kruis en na Zijn dood verkreeg Joseph van Arimathaea [Hebr.= ‘hoogten’] van stadhouder Pontius [Hebr.= ‘van de zee‘] Pilatus [Hebr.= ‘gewapend met een speer‘] toestemming om het Lichaam van Christus af te nemen en deze zette het in een nieuw graf.

Maar wat gebeurde er met het Groot en Heilig Kruis?
– Zij begroeven het met Zijn medegekruisigden in het stof der aarde en in de drie eeuwen, die daarop volgde, durfde niemand tijdens de vervolging van de christelijk gemeenschap en de daaruit ontstane Martelaren er ook maar over te spreken, laat staan ernaar te gaan zoeken.
– Tijdens de veldslag die plaats vond tussen  Keizer Constantijn en zijn tegenstander Marcus Aurelius Valerius Maxentius in 312 [bij de slag bij de Milvische brug] riep keizer Constantijn de hulp in van de christelijke God en verscheen hem een Kruis met daarbij de tekst: “het teken van het onoverwinnelijk Kruis”. Door dit teken, welke hem verschenen was en de daarop volgende overwinning, geloofde keizer Constantijn en vaardigde in 313 het edict van Milaan uit waarbij hij het christendom haar bestaansrecht verleende. 
– Na de overwinning ging de moeder van keizer Constantijn naar Jeruzalem om daar het Groot en Heilig Kruis te zoeken. Haar werd duidelijk gemaakt dat het Kruis begraven was in de omgeving van de tempel, welke indertijd toegewijd was aan de Romeinse god, Venus. Zij zocht in de buurt van de door keizer Hadrian opgerichte tempel van Venus en vond daar drie kruizen, doch zij wist niet welke van de drie het Groot en Heilig Kruis van Christus was.
De toenmalige Patriarch Marcarios bemerkte dat twee van de drie kruisen geen enkele geneeskracht bezaten, doch day het waarachtig Groot en Heilig Kruis een wonderbaarlijke uitwerking had bij de genezing van een zieke vrouw, welke onmiddellijk na aanraking genas.
Met tranen in de ogen verhief deze Patriarch het Groot en Heilig Kruis onder de uitroep: “ God, mijn God, Gij zijt ons genadig”.
Vervolgens werd op de vindplaats – de schedelplaats van die berg gemarkeerd en werd aldaar de kerk gebouwd, die tot op heden bekend is  als de kerk van het Heilig graf.   Dit werd tevens bevestigd door de Heilige Johannes Chrysostomos in een homilie welke deze tussen 390 3n 395 heeft gehouden en de Heilige Ambrosius van Milaan voegt daar tussen 373 en 397 aan toe, dat de moeder van keizer Constantijn, Helena – het Groot en Heilig Kruis – ook daadwerkelijk heeft ontdekt.
– In het jaar 614 is de keizer van Perzië, het huidige Iran, Jeruzalem binnengevallen en heeft duizenden christenen meegevoerd naar zijn land, waaronder Patriarch Zacharias, waarbij hij als oorlogsbuit het Groot en Heilig Kruis meevoerde en het 14 jaar in z’n bezit had.
– In de periode van 602-628 werd de Romeins-Perzische oorlog uitgevochten tussen de Oost-Romeinse Rijk en het Perzische Sassaniden. In 628 bracht Heraclius op zijn terugtocht naar Constantinopel, waar zijn overwinning werd geprezen door de Senaat, de geestelijkheid en de toenmalige mensheid – het Waarachtige Kruis terug naar het Heilige Graf. Patriarch Zacharias bevestigde, na zorgvuldige analyse, dat het Goor en Heilige Kruis niet verwisseld was.
Deze keizer werd vanwege zijn triomfen gefeliciteerd door ambassadeurs van Frankrijk en India en werd zelfs vergeleken met grootheden als Mozes, Alexander de grote en Hercules.
– Na een periode van veertien jaar keerde de Patriarch en zijn mede gevangenen in Jeruzalem terug; een jaar later wilde keizer Heraclius zich vergewissen of het Kruis inderdaad z’n oorspronkelijk plaats had ingenomen.
Hij werd opgewacht -in vol van rinkelend belletjes voorzien ornaat – Patriarch Zacharias, die hem liet weten dat hij slechts in staat was z’n overwinningsweg te vervolgen doordat:
Onze Heer Jezus Christus deze weg gevolgd had toen Hij Zijn Kruis droeg, met een doornen kroon op Zijn hoofd en tot spot en vernedering gekleed was in een lijfrok” dat de Patriarch derhalve uit nederigheid een paars tenue doeg met een bijbehorende mitra. 
Keizer Heraclius reageert daarop door zich om te kleden in een vies en smerig gewaad en vervolgde zijn toch blootsvoets tot op de schedelplaats, waarbij het Eerbiedwaardig Groot en Heilig Kruis vereerd werd door knielende gelovigen, die op 14 september 628 de aanbidding van Christus Kruis vierden.
– Deze vreugde sloeg over op de toenmalige gehele Byzantijns-christelijke wereld in het Oosten, waarop des dag in de kerkelijke kalender werd opgenomen.
en mochten er nu [wereldse] historici zijn, die het avontuur van keizerin Helena aanvechten, dan dient vermeld te worden dat niet alleen geestelijke historici gewag maken van deze gebeurtenis, maar dat deze tevens vermeld zijn in de geschriften van Eusebius, Susuminus en Socrates.

Bij de zondagen rond het feest van Kruisverheffing worden de woorden van Johannes de Theoloog uit zijn weergave in herinnering gebracht: “   Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, het  uur komt en is reeds daar, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven. Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in ZichzelfJohn.5: 25-27.
Mozes verhief immers de banner van koper met aan ieder zijde slangen, opdat die er naar opkeken niet door het kwaad geraakt werden en ten leven werden genezen. Mozes is daarin een voorafbeelding van Christus, Die God’s Belofte ten uitvoer bracht en daarop verkondigde dat na Zijn dood aan het Kruis “de Zoon zó de Verheffing van de mens heeft bewerkstelligd, zodat wie in Hem gelooft, eeuwig leven heeft”.
– Het eeuwige Leven is de genezing van de kracht van het kwaad, de zonden en de vervulling van God aan de Gelovigen door hen vergeving te schenken.
De laatste woorden in het Johannes-Evangelie [John 19: 30-35] betekenen:
En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon van de mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven zal hebben. 
Want zo Lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven zal hebben. Want God heeft Zijn Zoon [immers] niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld zou  veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de Éniggeboren Zoon van God. Dit is het oordeel, dat het Licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het Licht, want hun werken waren boos. Want eenieder, die kwaad bedrijft, haat het Licht en gaat niet tot het Licht, opdat z’n werken niet aan de dag komen; maar wie de waarheid doet, gaat tot het Licht, opdat van z’n werken mag blijken dat zij in God verricht zijnJohn.3: 14-21.
Redding is de vergeving van de zonden, die begint met de geestelijke Geboorte van de gelovige met water en de geest van het even welk Doopsel en vervolgens om in de Heilige Kerk te leven van de geestelijke voeding van de heilige Mysteriën en Deze belichamen de Liefde van onze Heer Jezus Christus, waarbij Haar kinderen onder alle mensen die de gelijkenis dienen te geloven in het Kruis van Gods Liefde voor de mensen, hetgeen hen bevrijd van het gewicht van hun zonden, teneinde  hun bestaande bijdragen te verheffen [verhogen] en daardoor ieder mens tot deze diepe Liefde van God op ter  roepen [aan te trekken].

Op dit verheffend, zaligmakend Feest van het Groot & Heilig Kruis horen we de weergave van Johannes de Theoloog met de woorden van de Heer: “    Want gelijk de Vader de doden opwekt en doet leven, zo doet ook de Zoon leven, wie Hij wil. Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven, opdat allen [=de gehele mensheid] de Zoon eren gelijk zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet, die Hem gezonden heeftJohn.5: 21-23.
–  Het Groot en Heilig Kruis draagt met Zich mee het voorschrift tot de genezing, welke inherent is aan Christus, zoals door de engel Gabriël aan Maria van Magdala werd gedefinieerd: “      Weest gij niet bevreesd; want ik weet, dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats, waar Hij gelegen heeftMath.28: 5,6 en door Paulus werd overgenomen met de woorden: “ doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als de wereld [de Grieken], [prediken wij] Christus, de Kracht van God en de wijsheid van God” 1Cor.1: 24,24. Wij kunnen de symboliek van het Kruis heel kort omschrijven: verticaal is onze relatie met het Hemelse, het Goddelijke, met God en horizontaal is onze relatie met de mensen, onze naasten.
–  Op deze dag wordt ons de icoon getoond van Constantijn en Helena, als Heiligen, die de belofte van op zich hebben genomen de Belofte van het Kruis te herstellen – want zij openbaren ‘opnieuw’ – stellen weer aan de orde – midden in het daglicht – dat het Groot en Heilig Kruis, de redding betekende voor de gehele mensheid.
– De vreugde van de Kerk verkondigt deze dag de vreugde van Gods Liefde voor de mensen en onze gelovige gehechtheid aan de “éen-Heilige, de ene Heer,, Jezus Christus tot Heerlijkheid van God de Vader”.
  Hef daarom allen uw ogen op naar het Kruis, welk achter het altaar in het Heilige der Heiligen – achter de iconostase, is geplaatst. Doet dit ten einde de Liefde van God tot de mensen wordt herinnerd, zodat een ieder, die dit aanschouwt in Hem zal geloven. Want Christus toonde ons in dit Kruis de Liefde, waarmee de Godmens de dood overwon en daarmee de afstand tussen God en mens verkleinde en de schaamte en de pijn van het lijden in de mens draaglijk heeft gemaaktconf. H. Johannes van Kronstadt.

Treur niet langer, maar leer door het Geloof in te zien wat ons allemaal wel niet beloofd is.
      Christus hief Zijn ogen ten hemel en zei:
‘Vader het uur is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat Uw Zoon U zal verheerlijken, gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig Leven te schenken. Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt’
John.17: 1-3.

Apolytikion     tn.1.
    Heer red Uw Volk en zegen Uw erfdeel
en bescherm Uw Gemeenschap door Uw Kruis
”.

Kondakion     tn.1.
    Gij, Die U vrijwillig op het Kruis hent verheven, o Christus God,
schenk Uw erbarmen aan Uw nieuwe Gemeenschap, die naar U genoemd is.
En verblijd on smet Uw Kracht in de strijd tegen de vijand.
Want u bent onze Helper,
door het onoverwinnelijke Vredeswapen van Uw Kruis
”.

Het feest van het Groot en Heilig Kruis mag voor iedereen
een Mayday [een verbastering van het Franse ‘m’aidez‘ (“help mij“)] zijn,
waarbij iedereen zich vrij mag voelen en zich door God beschermd mag weten.

Het lied van de opstanding
            “De steppe zal bloeien,
            de steppe zal lachen en juichen.
De rotsen die staan vanaf de dagen der schepping,
staan vol water, maar dicht, de rotsen gaan open.
Het water zal stromen, het water zal tintelen, stralen,
dorstigen komen en drinken.
De steppe zal drinken, de steppe zal bloeien,
de steppe zal lachen en juichen.
De ballingen keren.
Zij keren met blinkende schoven
Die gingen in rouw tot aan de einden der aarde,
één voor één en voorgoed, die keren in stoeten.
Als beken vol water, als beken vol toesnellend water,
schietend omlaag van de bergen.
Als lachen en juichen – die zaaiden in tranen,
die keren met lachen en juichen.
De dode zal leven.
De dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan en onder stenen bedolven:
dode, dode, sta op, het licht van de morgen.
            Een hand zal ons wenken, een stem zal ons roepen: Ik open
Hemel en aarde en afgrond.
En wij zullen horen, en wij zullen opstaan
en lachen en juichen en leven”.
Huub Oosterhuis