11e Zondag na Pinksteren – Christus is de Koning van het Koninkrijk der Hemelen, Wiens brood men eet, Diens Woord men spreekt

De onbarmhartige schuldenaar

      Daarom is het Koninkrijk der Hemelen te vergelijken met een Koning, Die afrekening wilde houden met Zijn dienaren.
Toen Hij begon te rekenen, werd een voor Hem geleid, die tienduizend talenten schuldig was. Omdat hij niet bij machte was te betalen, beval Zijn Heer hem te verkopen, met zijn vrouw en kinderen en al wat hij bezat, opdat er betaald kon worden.
De dienaar wierp zich neer als smekeling en zei: ‘Heb geduld met mij en ik zal U alles betalen’.
De Heer van die dienaar kreeg medelijden met hem en Hij liet hem vrij en schold hem de schuld kwijt. Toen die dienaar wegging, trof hij een van zijn mede- dienaren aan, die hem honderd schellingen schuldig was, en hij greep hem bij de keel en zei: ‘Betaal wat gij schuldig zijt’.
De mededienaar nu wierp zich voor hem neer en bad hem dringend, zeggend:
‘ Heb geduld met mij en ik zal u betalen’. Doch hij wilde niet, maar ging heen en zette hem gevangen, totdat hij het verschuldigde zou betaald hebben.
     Toen nu zijn mededienaren zagen, wat er gebeurd was, werden zij zeer verdrietig en gingen hun Heer al wat er gebeurd was, mededelen.
     Toen ontbood zijn Heer hem en zei tot hem:
‘Slechte dienaar, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, daar je het mij dringend had gevraagd. Had jij ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ook Ik medelijden had met u?
En Zijn Meester werd toornig en gaf hem in handen van de folteraars, totdat hij hem al het verschuldigde zou betaald hebben.
                                         Zo zal ook Mijn hemelse Vader hetzelfde met u doen, indien je niet, een ieder je broeder, van harte vergeeftMatth.18: 23-35.

Abraham ziet Sodom en Gomorra in vlammen opgaan – gebrandschilderd kerkraam, anoniem 16e eeuw

      ‘Het zegel op mijn apostelschap’ zijn ‘jullie’ [navolgers] in de Heer.
Dit is mijn verdediging tegen hen, die zich een oordeel over mij aanmatigen.
Hebben wij geen bevoegdheid om te eten en te drinken?
Hebben wij geen bevoegdheid om een zuster als vrouw mee te nemen gelijk ook de andere apostelen en de broeders des Heren en Cephas?
Of hebben alleen ik en Barnabas geen bevoegdheid om vrij te blijven van handenarbeid?
Wie doet ooit dienst in het leger en betaalt zijn eigen soldij?
Wie plant een wijngaard zonder van de vrucht daarvan te eten?
Of wie weidt een kudde en geniet niet van de melk der kudde?
Spreek ik hier soms van menselijk standpunt, of spreekt ook de wet niet van deze dingen?
Want in de wet van Mozes staat geschreven:
Gij zult een dorsende os niet muilbanden. Bemoeit God Zich soms met de ossen?
Of zegt Hij dit in elk geval om onzentwil?
Ja, om onzentwil werd het geschreven, omdat de ploeger moet ploegen in Hoop, en wie dorst [dient te dorsen] in de Hoop zijn deel te ontvangen.
Indien wij het zijn, die voor u het geestelijke gezaaid hebben, is het dan te veel, dat wij van u het stoffelijke zouden oogsten?
Indien anderen deel hebben aan de bevoegdheid over u, wij niet veel meer? Doch wij hebben van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt, maar wij verdragen alles om geen hindernis voor het Evangelie van Christus op te werpen1Cor.9:2b-12.

    Geliefde, gij handelt trouw in alles wat gij aan de broeders doet en dat nog wel aan vreemdelingen, die in tegenwoordigheid van de Gemeente getuigd hebben van uw liefde; indien gij hen voorthelpt, gelijk het aan God waardig is, zult gij wèl doen; want zij zijn uitgegaan ter wille van de Naam [van God], zonder iets van de heidenen aan te nemen3John. 5-7.

Paulus verdedigt zich tegen degenen, die zich een oordeel over hem aanmatigen ten aanzien van het feit dat hij – ‘vrijgesteld’ – was – met andere woorden om vrij te blijven van arbeid om in z’n levensonderhoud te voorzien.
De woorden ‘zonder iets te ontvangen‘ uit de Johannesbrief zijn de vertaling van de Griekse woorden ‘ουδεν λαμβάνοντες‘.
Het gebruik van deze woorden drukt meer uit dan het feit dat zij niets aannamen. Het drukte volgens haar een traditie uit die bij de apostel Paulus begon, namelijk om geen voedsel, geld en onderdak te vragen van de mensen onder wie zij de Blijde Boodschap verkondigden:
      Zie, het is nu de derde maal, dat ik gereed sta tot u te komen en ik zal u niet lastig vallen; want het is mij niet om [van] het uwe, maar om uzelf te doen. Immers, kinderen behoren niet voor hun ouders te sparen, maar ouders voor hun kinderen. Ik voor mij zal zeer gaarne offers brengen, ja, mijzelf opofferen voor uw zielen. Ontvang ik soms minder liefde, naarmate ik u meer liefheb?
       Het zij zo; tot overlast ben ik u niet geweest, ik ben nu eenmaal sluw, met list heb ik u gevangen.
Heb ik mij dan ten koste van u bevoordeeld door iemand van hen, die ik tot u zond?2Cor.12: 14-17 en
      Ook zochten wij geen eer bij mensen, noch van u, noch van anderen, hoewel wij als apostelen van Christus ons hadden kunnen laten gelden; maar wij gedroegen ons in uw midden vriendelijk, zoals een moeder haar eigen kinderen koestert. Zo waren wij, in onze grote genegenheid voor u, bereid u niet alleen het evangelie Gods, maar ook ons eigen leven mede te delen, daarom, dat gij ons lief geworden waart. Want gij herinnert u, broeders, onze moeite en inspanning. Terwijl wij nacht en dag werkten, om niemand van u lastig te vallen, hebben wij u het Evangelie van God gepredikt1Thess.2: 6-9.

God en de ‘geld’-duivel; Ο Θεός και ο διάβολος του “χρήματος”; God and the “money” devil

Met ‘niets aannemen’ werd dus hoogst-klaarblijkelijk voedsel, geld, onderdak en eventuele andere middelen bedoeld.
Uiteraard zijn er diverse redenen aan te geven waarom de spelleiders en toezichthouders van onze Christelijke Geloof’s-Gemeenschappen geen geld van de overheid – van de heidenen –  aannemen.
De Kerk is vanaf den beginne [principieel] van mening dat zij onafhankelijk van de wereld dient te opereren – maar al te vaak is in de geschiedenis gebleken en blijkt nog steeds, dat gezaghebbers in de wereld de Kerk voor haar karretje trachten te spannen: “ God bless, etc . . . . .”.
En met de hand op het hart worden de meest onmenselijke ongerechtigheden bedreven.
De Kerk dient ten alle tijde gevrijwaard te zijn van politieke en maatschappelijke binding. Uiteraard kan er een overeenkomst bestaan met maatschappelijke doelen – de Kerk dient er echter op geen enkele wijze mee ‘geassocieerd’ te worden – men dient zich in de Kerk zeker te stellen, dat men ten alle tijde de handen vrij houdt van wat voor binding dan ook.
De Kerk dient zich niet door de Moloch [de banken en geldschieters] te laten muilkorven. Men dient in de Kerk ten alle tijde de schijn te vermijden dat men van geld afhankelijk is – men zou hierdoor kunnen gaan twijfelen aan de meest oprechte intenties.
In zijn tweede brief aan de Corinthiërs toont Paulus vandaag aan dat hij werkte voor mensen en  niet om hun bezittingen, inkomen of eer te bemachtigen. Hiertoe wijst hij erop dat hij de Corinthiërs nooit tot overlast is geweest [nooit om geld of onderdak heeft gevraagd] en dat hij zich nooit ten koste van hen heeft bevoordeeld. Ook heeft Titus en een medebroeder, die door Paulus naar Corinthe waren gezonden, zich niet bevoordeeld ten koste van de Corinthiërs.
Paulus heeft door zijn manier van handelen ervoor gezorgd dat hij de schijn – dat hij het om het geld deed – gemakkelijk kon weerleggen.
Hij was waarachtig en had ècht het beste met de mensen voor, ook door de wijze waarop Christus, de Volgelingen op weg heeft gezonden wordt dit nog eens benadrukt:
      Toen riep Hij de twaalven [= meer dan de 12 Apostelen] samen en gaf hun macht en gezag over alle boze geesten en om ziekten te genezen. En Hij zond hen uit om het Koninkrijk van God te verkondigen en genezingen te doen en Hij zei tot hen:
‘Neemt niets mee voor onderweg, geen staf of reiszak, geen brood of zilvergeld en hebt ook niet twee hemden bij u. En komt gij ergens in een huis, blijft daar en reist vandaar verder.
En zijn er, die u niet willen ontvangen, gaat dan weg uit die stad en schudt het stof af van uw voeten tot een getuigenis tegen hen.
Zij gingen heen en trokken de dorpen langs, overal het Evangelie predikende en genezingen doendeLuc.9: 1-6.

Koning David, bij de stromen van Babylon; Ο βασιλιάς Δαβίδ στα ρέματα της Βαβυλώνας;
الملك داود في تيارات بابل

Om niet met praktijken van rijke predikers – van heidense goden – geassocieerd te worden konden de uitgezondenen het best proberen om zichzelf niet afhankelijk op te stellen van ongelovigen; daarom is vanaf het begin van de Kerk gesteund op ‘vrijwillige’  Kerk-bijdragen van medechristenen indien dat nodig was.

De oudste stelt dat spelleiders/verkondigers ondersteuning van de Gemeenschap dienen te ontvangen om te voorkomen dat zij dit van ongelovigen zouden gaan vragen, waardoor zij kunnen worden geassocieerd met ‘heidense’ predikers en beïnvloed werden:
      Wij behoren dus zulke mannen te ontvangen, opdat wij mogen samenwerken voor de Waarheid. Ik heb aan de Gemeente een en ander geschreven; maar Diotrefes [Hebr. gevoed door Jupiter], die onder hen de eerste tracht te zijn, ontvangt ons niet.
Daarom zal ik, als ik kom, herinneren aan zijn werken, die hij doet, daar hij met boze woorden tegen ons zwetst; en hiermede nog niet voldaan, ontvangt hij zelf de broeders niet en weerhoudt ook hen, die het wel willen doen, en hij werpt hen uit de Gemeente
3John.1: 8-10.

Voorzien in het onderhoud van degene, die dag en nacht actief is voor de Geloofsgemeenschap, wordt als een christelijke plicht en een uiting van christelijke naastenliefde beschouwd; de spelleiders mogen t.o.v. hun diensten op de hulp van gelovigen rekenen, alsof onze Heer en Verlosser ‘Zelf’ die rol van de Kerk op Zich nam en Zelf alles voor hen zou regelen.
Van overdaad en een luxe leventje is hierbij nimmer sprake geweest zo blijkt uit het volgende.
De apostel Paulus geeft persoonlijk aan hoe een spelleider en toezichthouder zich dient op te stellen.
Indien hij in een stad kwam bleef hij daar vaak een lange tijd en hij bouwde in die periode een handel op [als tentenmaker] om zichzelf van zijn levensonderhoud te voorzien:
      Want gij herinnert u, broeders, onze moeite en inspanning. Terwijl wij nacht en dag werkten, om niemand van u lastig te vallen, hebben wij u het Evangelie van God gepredikt1Thess.2: 9.
Wèl stelde Paulus dat een evangelist van het brengen van de Blijde Boodschap  diende te kunnen leven:
      Weet gij niet, dat zij, die in het Heiligdom de dienst verrichten, van het Heiligdom eten, en zij, 
die het Altaar bedienen, hun deel ontvangen van het Altaar? Zo heeft de Heer ook voor de verkondigers van het Evangelie de regel gesteld, dat zij van het Evangelie leven1Cor.9: 13,14.
            Redelijkerwijs dienen de gelovigen hem dus in het levensonderhoud te voorzien als dat nodig is,  wat Paulus op zich nam was derhalve een uitzondering; hetgeen ook in onze tijd nog regelmatig voorkomt.
Men zegt wel eens dat “geld regeert” òf “wiens brood men eet, diens woord men spreekt”. Dat kan een heel andere reden zijn om niets aan te nemen van de buitenwereld aan te nemen.
Wanneer buitenstaanders geld doneren, òf onderdak bieden, is het mogelijk dat zij daarmee ook invloed op een spelleider of zelfs een gehele christelijke gemeenschap, waaronder de toezichthouder kunnen uitoefenen.
Deze invloed is ‘absoluut’ ongewenst en dit dienen wij ook in onze kringen te realiseren – hoe er in andere landen ook over wordt gedacht.
We zien maar al te vaak dat ook Kerkleiders, de hoofden van toezichthouders zich hieraan bezondigen. In hun kielzog meten de overige toezichthouders eveneens zo’n stijl van leven aan.
➥➥➥  Vergeet niet dat om die reden, de toezichthouder gekozen werd uit de ‘plaatselijke’ monnikenstand, hetgeen veelal betekende dat een volgroeid en wijs en afgewogen levend [doorspekt monastiek levend] iemand gekozen werd.
In de middeleeuwen werd de gewoonte opgebouwd – graven, wereldse heersers en afgestudeerden als vazal van de wereldse overheid als toezichthouder aan te stellen, hetgeen de oorzaak is geweest van de heidense westerse scheefgroei.
Diotrefes [Hebr. gevoed door Jupiter, een heidense God] was volgens de overlevering een welvarend man, die zijn huis beschikbaar stelde aan de gemeenschap voor samenkomsten. Hierdoor kon ‘hij’ bepalen wie er wèl en níet bij de samenkomsten mochten zijn en de agenda bepalen.
Degenen, die waarachtig, de Heer navolgden, wilde hij absoluut ‘niet binnen’ hebben, dus maakte hij hen het leven aldaar onmogelijk, sloot hen buiten en weerhield anderen ervan hen binnen te laten; tevens weerhield hij z’n medestanders ‘elders’ de Waarheid te achterhalen.
Hij kon hierdoor als gevolg van zijn positie als zogenaamde beheerder/eigenaar van de samenkomst-locatie al het mogelijke doen om de macht binnen de van Christus vervreemde Gemeenschap te behouden, ten koste van de daadwerkelijke leiders [het bestuur], waaronder de oudste.

De ‘Karolingische renaissance’ afbeelding uit de 16e eeuw; The ‘Carolingian Renaissance’ image from the 16th century

Bovengenoemde redenen om ‘niets, maar dan ook niets’ aan te nemen van ‘heidenen en machthebbers’, zijn waar ook ter wereld allemaal heel goed te onderbouwen. Het is daarom vrij zeker dat al deze zaken [en misschien dat er nog veel meer meespelen, zoals vrij-metselarij] in een beslissing van spelleiders om absoluut geen geld en onderdak van buitenlandse mogendheden aan te nemen – met name niet in de Orthodoxe Kerk.
Na dit fenomeen indringend bestudeerd te hebben en tot je door te laten dringen wat de mogelijke gevolgen van je handelswijze zou kunnen zijn;  dienen wij ons te realiseren
wàt ‘de Kerk van Christus’ zijn inhoudt,
wàt de staat en de wereld inhoudt en
wàt daarmee wordt bedoeld,
wàt het daadwerkelijk betekent een Joods-Christelijke georiënteerde samenleving te zijn?
Bovendien dienen wij te benadrukken dat er geen relatie is met de kwestie van de scheiding van de kerk en de staat in onze deelname aan de Europese Unie, aangezien er de gezamenlijke verklaring [nr. 11 van het Verdrag van Amsterdam – 1999] is vastgelegd, waarin duidelijk wordt gegeven: “De Europese Unie eerbiedigt en doet geen afbreuk aan in overeenstemming met de status van nationaal recht van kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen in de lidstaten. Ἡ Ε.Ε. respecteert dit op dezelfde wijze  als waarop zij met  filosofische en oecumenische associaties omgaat“.
Dit is echter van kracht of het Europees Parlement, hetzij de Raad van Europa, hetzij de Europese Commissie nu door middel van de “gewone wetgevingsprocedure“, een reglement van richtlijnen aanneemt betreffende de wetgeving betreffende de wijze waarop betrekkingen tussen de Kerk en de staat in een lidstaat binnen de EU tot stand zouden kunnen worden gebracht.
Het nationale recht, de staat, die dit zelf in overleg met de Kerk definieert respecteert deze relaties èn die welke de staat voor de EU heeft aanvaard.
Dit houdt in dat de vrijheid en de eer om de specificiteit van elke lidstaat te waarborgen – dit verheft weliswaar de Europese Unie en het ondersteunt het natuurlijk proces van de uitwisseling van en het doen en laten van de onderlinge relaties.
Heel wat anders wordt het wanneer en òf dit in elk Europeesch land wordt gerealiseerd is maar de vraag.  België o.a. subsidieert de Orthodoxe Kerk en het Patriarchaat Constantinopel vaart daar financieel wèl bij, voert derhalve een met de R.K. een overheersend bestuur binnen haar gelederen.
Het blijkt een feit te zijn dat men door de tijden heen net als in de Gemeenten te Corinthe en Ephese ‘al het mogelijke’ behoort te doen om ‘valse apostelen’  en – de kliek daar om heen – [lees Brussel] van de ware Kerk te onderscheiden:

Verzoeking van Christus, door Chrispijn de Passe;
Temptation of Christ, by Chrispijn the Passe

      Maar wat ik doe, zal ik blijven doen, om hun de gelegenheid af te snijden, die er een zoeken, zodat zij in hetgeen, waarin zij roemen, blijken te zijn zoals ook wij. Want zulke lieden zijn schijn-apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus. Geen wonder ook! Immers, de satan zelf doet zich voor als een engel van het Licht. Het is dus niets bijzonders, indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren van de Gerechtigheid; maar hun einde zal zijn naar hun werken2Cor.11: 12-15 en
      Ik weet uw werken en inspanning en uw volharding en dat gij de kwaden niet kunt verdragen en hen op de proef gesteld hebt, die zeggen, dat zij [als de] apostelen zijn, maar het niet zijn, en dat gij hen leugenaars hebt bevonden en gij hebt volharding en hebt verdragen omwille van Mijn Naam  en gij zijt niet moede geworden. Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste Liefde verzaakt hebt. Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe [weer] uw eerste werken. Maar 
zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van z’n plaats wegnemen, indien gij u niet bekeertOpenb. 2: 2-5.

Heilige Amandus en de heidenen, de (herhalende) Geschiedenis van Gent [Be]; Holy Amandus and the Gentiles, the (repeating) History of Ghent [Be]; Ο Άγιος Αμάνδος και οι Εθνικοί, η επαναλαμβανόμενη Ιστορία της Γάνδης (Be)

Onze Apostolische Orthodoxe Kerk leert dat God, voorafgaand aan het creëren van de materiële wereld, de geestelijke wereld schiep, dat wil zeggen de engelen die redelijke, immateriële en onafhankelijke en vrije wezens zijn. Maar een aantal van deze engelen maakten in hun ‘hoogmoed’, in hun ‘narcistische verwaandheid’ rebellie tegen God. Vanaf dat ogenblik vervielen die engelen van het Licht in de chaos en verwerden tot engelen van de duisternis.
Demonen werken tegen God’s Wil in, verspreiden slechte gewoonten en onderlinge naijver en verbloemen hun rebellie ten opzichte van de ware God; hun werkzaamheid en doel is de mens van God te verwijderen.
De ervaring bevestigt dat tegenstrevers [de duivel] altijd opgewonden raken en opwinding veroorzaken, zelfs wanneer deze zich presenteert als een prins van de Kerk, een engel van het Licht.
Hierdoor verwordt de duivel dus tot een opper-vijand van de mens, anders gezegd een belemmering voor de redding van de mens en dit dienen wij alleen om die reden zo snel mogelijk uit de weg te gaan.

Verzoeking van Christus [San Marco, Venetië (It.)]

De duivel heeft ‘zelfs’ Christus trachten te misleiden, doch heeft zich nadat hij Hem als Heer en Meester van het heelal herkende gemeden. Hij is slechts een grote vijand en heeft absoluut geen Al-Macht. Hij dient zich de mindere te achten ten opzichte van de alom Heersende Vader, onze Verlosser en Heer, Jezus Christus en de heilige Geest.
Uiteindelijk zal de Koning van het Koninkrijk der Hemelen afrekening houden met zijn dienaren, het goed en het kwaad wat ons omringt. Houden wij daarom onze belangstelling onafgebroken gericht op Christus, Die ons uiteindelijk dan ook zal verlossen.

Apolytikion     tn.2
Toen Gij, het onster’flijke Leven nederdaalde tot de dood,
hebt Gij de kracht der onderwereld gedood door de bliksem der Godheid.
En toen Gij de gestorvenen uit de onderwereld opwekte,
riepen alle Machten der Hemelen:
O Christus onze God, Schenker des Levens, ere zij U
“.

Kondakion     tn.2.
Gij zijt opgestaan uit het graf, Almachtige Verlosser,
en bij het aanschouwen van dit wonder stond de onderwereld verslagen.
De doden verrezen en heel Uw Schepping verheugt zich samen met U.
Ook Adan jubelt en het Heelal mijn Verlosser,
zingt U de lofzang zonder einde
“.

Theotokion     tn.2.
Onbegrijpelijk en hoog-Heerlijk zijn alle Mysteriën
Die aan u voltrokken zijn, o Moeder Gods.
Verzegeld in reinheid en vast in maagdelijkheid,
zijt gij waarlijk Moeder geworden
en hebt gij de Ware God gebaard.
Smeek tot Hem dat onze zielen worden verlost
”.

God is Degene, Die uit respect voor de door Hem geschapen mens niets anders doet, dan Zijn Liefde aan ons laat toekomen

Wie en wat is een mens?
Een mens is degene, die z’n schatten weet te bewaren.
”  Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijnMatth.6: 21.
Maar wat omvat de werkelijke schat van de mens? Wat vindt hij leuk?
Natuurlijk houdt hij van het lichaam, datgene wat hem vanaf z’n geboorte is toevertrouwd – hetgeen onlosmakelijk met hem is verbonden en aan hem/haar  gebonden zal blijven totdat hij in het graf wordt begraven.
Het is door hem dat hij ziet, hoort, waarneemt en reproduceert.
Een verschrikkelijke, stormachtige oerkracht beweegt het universum, daarom is het lichaam iets waaraan we ontzettend gehecht zijn.
Op de een of andere manier is ieder van ons gehecht aan zijn lichaam.
Wanneer wij zoals nu in afwachting van de ontslaping van de Theotokos, de Moeder Gods [1-15 Augustus] vasten, dan wordt ons voorgehouden om al datgene wat ons met de wereld/aarde verbindt te elimineren. De mens is aan zijn lichaam gehecht geraakt omdat hij niet graag doodgaat.
De gelovige houdt ervan om aan de wereld te sterven om rede dat hij/zij Christus, Zijn Geliefde probeert te ontmoeten.
Daarom hongeren we onszelf [in stilte!, niet opvallend – opdat we ons er niet op kunnen beroepen] van voedsel totdat we de autoriteit over het lichaam van ons kunnen afleggen, teneinde onszelf te leren beheersen.
Daarmee wordt een begin gemaakt de Heerschappij van het leven te beheersen en wordt eveneens begonnen, de tirannie van de dood te vernietigen.
Daarmee vindt telkenmale – in Christus- een nieuwe geboorte plaats, door Zijn toedoen is door Hem een nieuw leven geworden, wordt een nieuwe orde van bestaan geopenbaard, wordt onze aard getransformeerd – vindt er een Transfiguratie plaats! Deze geboorte wordt niet tot stand gebracht door menselijke generatie, door de wil van een mens, of door de wens van het vlees, maar door God.

Indien je jezelf nu [met de hogepriester Nicodemus] blijft afvragen hoe dit kan geschieden, zal ik proberen het je in duidelijke taal uit te leggen.
Geloof is de baarmoeder, die dit nieuwe leven omvat, de doop is de weder-geboorte waarmee dit aan het Licht wordt gebracht.
De Kerk, het Lichaam van Christus, is haar verpleegster; haar leringen zijn haar melk, het brood uit de hemel is haar voedsel.
Het wordt tot volwassenheid gebracht door de beoefening van deugd; het wordt bevochtigd aan de Wijsheid [God’s Heilige Geest]; het wekt Hoop op en doet het Geloof uitgroeien/opbloeien.
Haar thuis is het Koninkrijk der Hemelen; het omvat de rijke erfenis van de vreugden van het paradijs; het einde is niet de menselijke dood, maar het gezegende en eeuwige leven wordt bereid voor degenen die het Goddelijke waard zijn.

Heilig de dag des Heren

Dìt is de dag die de Heer heeft gemaakt – een dag die heel anders is dan die welke plaatsvond toen de wereld voor het eerst werd geschapen en die in de loop van de tijd wordt uitgemeten.
Dìt is het begin van een nieuwe creatie.
Op deze dag, zoals de profeet zegt, maakt God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Wat is deze nieuwe hemel dan wel niet? mag je jezelf afvragen.
Het is het Mysterie, het uitspansel van ons persoonlijk Geloof in Christus.
En wat is de nieuwe aarde?
Het is het hart van een vervuld mens, een hart dat als de aarde werkt, dat het [doop-]water, de regen opslaat die erop valt en een rijke oogst in het vooruitzicht stelt. 
In deze nieuwe schepping is ‘zuiverheid van leven’ de zon, ‘de deugden’ zijn de sterren, ‘de transparante goedheid’ is de lucht, en ‘de diepten van de rijkdom aan wijsheid en kennis’, de zee.
De Blijde Boodschap, ‘de waarachtige Pedagogie van de Heer’, de Goddelijke leringen zijn het gras en de planten die Gods kudde voeden, de mensen die hij als Herder hoedt; houdt Hij ‘de Geboden’ voor, welke de vruchten vormen, die door de bomen worden gedragen.
Op deze dag, die de Heer heeft gemaakt, wordt de waarachtige mensn geschapen, de mens die geschapen wordt naar het Beeld en de Gelijkenis van God. 
Op deze dag, die de Heer heeft gemaakt, heeft God het begin van deze nieuwe wereld gemaakt. 
Op deze dag, die de Heer heeft gemaakt, zegt de Profeet dat het niet is zoals andere dagen, noch is deze nacht zoals andere nachten. 
Maar toch hebben we niet gesproken over de grootste Genadegave, het grootste geschenk dat het ons heeft gebracht. 
Op deze dag, die de Heer heeft gemaakt, heeft God de pijn van de dood vernietigd en bracht Hij, Zijn Zoon, de Eerstgeborene van de doden ter wereld.
En vervolgens constateert de Zoon van God, dat Hij opstijgt naar Zijn Vader en naar jouw Vader, naar Mijn God en naar jouw God en wij hebben de Genadegave ontvangen Hem daarin te volgen. 
Is dat geen Blijde Boodschap, is dat geen goed nieuws? 
Hij die voor ons mensen werd zoals wij zijn, vlees en bloed teneinde ons zijn broers/zusters te maken, stelt zijn waarachtige Almachtige Vader nu z’n eigen menselijkheid voor om al zijn verwanten naar zich toe te trekken“.
conf. Heilige Gregory of Nyssa

Metropoliet George Khodr van het Aartsbisdom van Byblos en Batroun

God’s Liefde overstijgt de liefde van de mens – een mens kan die Liefde onmogelijk evenaren, want zij is alles-omvattend.
Wat wij het Oude Verbond noemen – tussen God en de mens – heeft ‘niets’ te maken met datgene wat de mens ooit heeft nagestreefd, heeft gezocht.
Voordat Christus op aarde neerdaalde heeft het Verbond tussen God en de mens niets met de menselijke wil te maken; het omvat de vrije manifestatie van de Schepper om niet alleen van de mens te houden, maar ondanks het gedrag van de mens deze liefde vast te houden en daarin tot het uiterste mee door te gaan. God is uiterst liefdevol in Zijn Genadegaven; Hij heeft de mens ontzettend lief. Zijn erbarmen, Zijn ontferming, Zijn inlevingsvermogen met de zondaar omvat het onbeschrijflijke; dit is zo zichtbaar dat je het kunt omschrijven dat God alle grenzen van de menselijke mogelijkheden overstijgt en is derhalve niet met de onderlinge liefde van een echtpaar te vergelijken.

God is niet verplicht van de mens te houden – een mens kan zich ten opzichte van God uiten door Hem te lasteren, te haten en zich anderszins ten opzichte van Hem te uiten, maar de mens zal zich nimmer ten opzichte van Zijn liefdevolle Genadegaven kunnen verzetten.
Indien je het aangenaam vindt –  aanvaard je Zijn Genadegaven; je neemt het aan en ‘ook al‘ wijs je Hem af – ‘Hij’ – zal er niet negatief op reageren. God verwacht in Zijn onmetelijke Goedheid ook absoluut niets terug.
God geeft Zichzelf en gunt jou de voldoening, welk Hij je ‘om niet’ [gratis] doet toekomen en al reageer je er niet op – Hij geeft Zich geheel en al.
Al datgene wat wij in het leven tentoon spreiden is ijdelheid – “Hij is de Enige bestaansbron“, “Hij is God”, de Heer en Meester van ons Leven.

Het leven in ons is een geschenk van God.
Alleen God geeft leven en alleen God neemt het terug.
Wij mensen dienen derhalve geen zelfmoord te plegen of onszelf schade toe te brengen en iemand heeft zeker niet het recht om iemand’s leven te nemen, zelfs niet van een ontsponnen vrucht.
Iedere mens ontvangt zowel zijn/haar persoonlijk leven als het leven van z’n naaste van God.
Ieder ander heeft de vrijheid om te leven zoals hij wil, maakt de keuzes, die hij/zij wil. Zo deze ervoor open staat is het ‘onze plicht’ hem/haar te adviseren, hem gezelschap te houden, hem te dienen en hem te helpen zijn situatie te verbeteren om een beter leven te gaan leiden.
Door dit te doen, wordt onze eigen geest beter.
Maar je hebt absoluut niet het recht om iemand anders te doden, zelfs als deze persoon je daarom vraagt – het op papier vastlegt, omdat hij geen recht heeft om een einde te maken aan zijn leven dat door God aan hem/haar is toevertrouwd.
Daarom kàn abortus niet worden toegestaan omdat de moeder niet haar foetus bezit. Evenzo heeft een arts niet het recht om zijn patiënt te doden [euthanasie te plegen], ongeacht hoe slecht zijn/haar toestand ook is.
De arts, de hulpverlener of wie dan ook bezit het lichaam van zijn patiënt/ hulpbehoevende niet. Hij kan niet de beslissing nemen om een patiënt te doden, zelfs niet in geval van alzheimer/ dementie of een langdurige coma.
Je lichaam is geen object om er maar mee te doen en te laten, wat je maar wilt.
Je lichaam is een deel van jou als persoon; het is een [‘door God gegeven’] autoriteit niet toegestaan om te slaan of om zich als  rechter uit te spreken een doodstraf uit te voeren.

denk erom, ik ben de baas

In onze hoogmoed en onder invloed van humanistisch [VVD, D66] gedachtengoed trekt de mens het beschikkingsrecht over de ander tot zich – maar dit is ‘God’s-lastering, de mens verheft zich hiermee boven God. Door de ander te vernietigen vernietig je jezelf en ontken je – keer je je af van de Heerschappij van God over jullie beiden.
Iedere zonde is vervreemding, een ontkenning van een van God’s eigenschappen: een ontkenning van Gods geduld, Genade en Liefde.
Doden is een ‘absolute‘ ontkenning van God omdat het een ontkenning van Hem is als Heer en Gever van Leven.
Een mens is in staat z’n tegenstander te vernietigen, omdat hij beslist dat de ander zijn plan, zijn zaken, passies of vrijheid belemmert. De mens heeft zich daarmee ingebeeld dat hij alleen op deze manier veilig kan zijn en de garantie tot Heerschappij [Zelfbeschikkingsrecht] heeft.
Dit omvat zowel de isolatie van die mens in zijn/haar verbeelding – als de vergoddelijking van het zelf. In zijn geest en diepste gedachten vervangt de mens hiermee de overheersende God, de Pamtocrator.
Daarom bidden wij aan de hand van Psalm 50[51]:
Ik zal de overtreders Uw wegen leren en de goddelozen zullen zich tot U bekeren.
Red mij van bloedschuld, o God, God van mijn heil; laat mijn tong over Uw Gerechtigheid jubelen
”.

godsspraak van de mens over Damascus

Elke vechtpartij, die eindigt in een genadeslag – hoe klein dan ook is een aanval op God’s Naam. Elk bloedbad is ‘religieus‘, in die zin dat etniciteit of politieke ideologie een pseudo-religie kan worden.
Ja, het uur nadert, dat een ieder, die u doodt, zal menen aan God een heilige dienst te bewijzen. En dit zullen zij doen, omdat zij noch de Vader, noch Mij kennenJohn.16: 2,3.
We kunnen spreken van een “liturgie” van de complete vernietigen van iets.
Dit soort machthebbers  beschouwen massamoord als een door ~ ‘God’ ~ aangewezen, gegeven taak!
Hoe kijken wij mensen met gelovige ogen?
Er hangt immers zó véél af van wié er kijkt, wanneer en waar – de beschaving van de één is de barbarij van de ander. Totdat je beseft dat je hetzelfde al eens in het Grote Boek der Waarheid hebt gelezen – er zijn immers mensen, die de Waarheid briljant kunnen verkondigen, maar geen waarachtige toegewijde aan God zijn.
God laat ons door Zijn Barmhartigheid weten dat Hij van de mens houdt; wij zijn echt ‘niet’ Zijn oogappel, op wie Hij het meest gesteld is, wij zijn pas echt Zijn lieveling omdat wij goed doen in Zijn ogen.
Wie zijn wij, als mens? Wat hebben wij als mens te bieden, niets toch?
Om Hem tevreden te stellen, zit God in alle vrijheid ‘niet’ op ons te wachten en wanneer Hij toestaat dat jij Hem verkettert neemt Hij de vrijheid je te laten voortmodderen – totdat jij het besef krijgt hoe het ‘wèl’ overeenkomstig Zijn Wil dient te geschieden – daarom wordt Hij vergeleken met een vader, onze Vader.
Een vader geeft het beste van zichzelf en laat z’n kind na zijn aanwijzingen begaan tot het leert van z’n fouten. Het aanbod van Zijn Liefde blijft ongewijzigd dezelfde, wàt er ook gebeuren zal.
Jij bent de armzalige; Hij heeft je echt niet nodig.
Hij maakt Zichzelf klein, arm en nietig voor jou om je maar een ‘ietsje pietsje’ te laten aanvoelen; tot je erdoor ‘vertederd’ raakt.
Door je van de andere kant – van je goede kant – te laten zien wordt Hij geraakt.
Je bent Hem ter wille [Hem aan het verleiden] en Hij wordt er geen cent beter van.  Hij mag dit toch van jou verlangen – dit komt Hem toch toe?
Je bezit niet ‘echt’ – ‘wat’ je geeft, datgene wat je Hem geeft komt Hem toe;
alles wat je Hem doet toekomen, is immers van Hem.
Zowel het Oude als het Nieuwe Verbond is geen verbintenis, die van twee kanten komt. De Tijd komt God toe – iedere periode in de geschiedenis is alleen maar een tijdperk van God – bij God bestaat geen tijd, nu is gisteren en tegelijk altijd en voor eeuwig. Hij geeft altijd en eeuwig en indien jij in alle gemoedsrust aanvaardt wat je ontmoet – je ondergeschikt opstelt – zal Hij wanneer jij datgene afwijst wat Hij je doet toekomen niet beantwoorden – Hij doet niets en laat je begaan – nèt zo lang tot je jouw fouten zelf inziet.
Dàt geeft je uiteindelijk gezondheid.
Het is niet alles, maar het is de basis van zowel het natuurlijk [fysiek] bestaan als het  geestelijk [mentaal] bestaan.
En het belangrijkste wat jouw gezondheid goed doet [heiligt] geeft je een spiritueel leven,  elk leven in/met God geeft Heiligheid en dat behoeft geen plaatsbekleder [toezichthouder] ten opzichte van het volk te bevestigen.
Het is daarom een grote Genadegave [zegen in het leven] om te geloven dat jullie ‘allemaal’ door God gegeven zijn en dat jullie dit persoonlijk in alle vrijheid dienen te handhaven.
Verspil dit daarom niet met datgene wat je gezondheid tekort [pijn] doet of wat je geest tekort [pijn] doet òf datgene wat jouw spirituele leven in je verzwakt.
Bescherm en beveilig allereerst datgene, wat jullie allemaal goed doet en van boven gegeven is; hetgeen tot uiting komt wanneer jullie God gehoorzamen.

conf. George [Khodr],
metropoliet [aartsbisschop] van Byblos en Batroun en Libanon,
Patriarchaat van Antiochië en het gehele Oosten *.

* Geschiedkundige basis:

Logo Patriarchaat Antiochië

⁌  De stichting van dit Patriarchaat gaat met de vroeg-christelijke, oorspronkelijke Kerk terug tot de 1e eeuw.
⁌ is een van de vijf oorspronkelijk christelijke zetels welke “apostolisch”; bovendien werd ” in Antiochië voor het eerst de naam ‘Christenen’ gegeven aan haar volgelingen” Hand.11: 25-26.
⁌ De stad Antiochië is de historische zetel van het Patriarchaat, terwijl Damascus  [Syrië] de huidige zetel is. De zetel werd overgebracht naar Damascus onder pontificaat van de Patriarch van Antioch Pachomius [1378-1386] onder druk van de verwoesting van het Antiochië ten tijde van de Mamlukken [Ottomanen], welke in de middeleeuwse islamitische wereld dienaren waren, die voornamelijk van Turkse origine, opgeleid werden tot militair of bestuurder.
⁌ Ondanks de overdracht van de zetel naar Damascus is de historische en kerkelijke verwijzing naar Antiochië gebleven. De Patriarchen van Antiochië dragen altijd de titel van “Patriarch van Antiochië en heel het Oosten”.
⁌ De bevoegdheid van het Patriarchaat dekt Libanon, Syrië, Irak, Iran, het Arabisch schiereiland en in het Oosten en de zuidelijke regio’s van Turkije.
⁌ Vanwege migratiestromen zijn er nieuwe bisdommen gecreëerd in Europa [waaronder Midden-Europa, waar ‘vanaf 2015’ onze parochie toegewijd aan de ‘Moeder God’s’ in Nederland onder valt], Noord- en Zuid-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland.
⁌ De geestelijke toevlucht van Antiochië wordt beschouwd te zijn toegewezen  aan de bescherming door de twee vooraanstaande onder de Apostelen, Petrus en Paulus.

Balamand‘ klooster – foto van Camille Enlart (1921)

⁌ NB. In 1833 werd het eerste catechetische onderwijs in het voormalige Cisterciënzer klooster geopend, welke het startsein gaf aan de huidige grote onderwijsinstellingen ‘Balamand’.  Momenteel is rond dit klooster, het theologische instituut, de middelbare school en de universiteit gehuisvest.