10e Zondag na Pinksteren – breng de maanzieke jongeling hier

      Er kwam iemand tot Hem, knielde voor Hem neer en deze zei:

‘Healing of the epileptic’ – Evangelarium Iviron 13 cnt

        ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en hij is er slecht aan toe; want dikwijls valt hij in het vuur en dikwijls in het water. En ik heb hem naar uw discipelen gebracht en zij hebben hem niet kunnen genezen.
       Jezus antwoordde en zeide:
‘ O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Breng hem Mij hier”.
       En Jezus bestrafte hem en de boze geest ging van hem uit, en de knaap was genezen van dat ogenblik af.
       Toen kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden, toen zij met Hem alleen waren: ‘Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?
Hij zei tot hen:
       ‘Vanwege uw kleingeloof. Want voorwaar, Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterd-zaad, zult gij tot deze berg zeggen: Verplaats u vanhier daarheen en hij zal zich verplaatsen en niets zal u onmogelijk zijn. Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten.
Terwijl zij samen in Galilea verkeerden, zei Jezus tot hen:
        ‘De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen en zij zullen Hem ter dood brengen en ten derden dage zal Hij opgewekt worden
Matth.17: 14b-23b.

      Want het schijnt mij toe, dat God ons, Apostelen, de laatste plaats heeft aangewezen als ten dode gedoemden, want wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, voor engelen en de mensen. Wij zijn dwaas om Christus’ wil, maar gij zijt verstandig in Christus; wij zijn zwak, maar gij zijt sterk; gij zijt in aanzien, maar wij zijn niet in ere.
Tot op dit ogenblik verduren wij honger, dorst, naaktheid, vuistslagen en een zwervend leven; wij verrichten zware handenarbeid; worden wij gescholden, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij verdragen; worden wij gelasterd, wij blijven vriendelijk; wij zijn als het uitvaagsel der wereld geworden, als aller voetveeg, tot op dit ogenblik toe.
        Dit schrijf ik niet om u beschaamd te maken, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen. Want al hadt gij duizenden opvoeders in Christus, gij hebt niet vele vaders Immers, ik heb u in Christus Jezus door het Evangelie verwekt. Ik vermaan u dus: volgt mijn voorbeeld1Cor.4: 9-16.

Paulus maakt ons duidelijk dat wanneer je Christus hebt leren kennen en je jezelf bekleed hebt met Christus – er met andere woorden voor hebt gekozen om je oude leven los te laten.
Als christen heb je ervoor gekozen ‘ànders’ te zijn dan ‘niet’-christenen.
Je wilt Christus’ voorbeeld volgen en Zijn Liefde uitstralen naar iedereen om je heen. Op deze wijze geef je het voorbeeld aan de wereld, dat het ànders kan.

Paulus gaf de mogelijkheid van gezinsleven en stabiliteit ‘òp’ om als reizende
apostel door de gehele mediterrane wereld te reizen en bracht de Blijde Boodschap naar wie er dan ook voor open zou staan.
Paulus’ manier van leven was anders dan die van de andere apostelen, zelfs Petrus [Cefas] en de leden van de eigen familie van de Heer, zoals de H. Jaäcobus.
Hij deed wat ‘niet’ vereist was of zelfs maar verwacht werd teneinde de mensen voor Christus te winnen.
Hij beschreef zijn levensstijl op een wijze, die tot in onze tijd zal weerklinken:
Wij zijn dwaas om Christus’ wil”, God’s Wil.

Door de eeuwen heen heeft de Kerk deze term – dwaasheid om Christus wil – gebruikt teneinde een ​​beperkt aantal mensen te beschrijven wiens christelijke leven de ‘dwaasheid’ van de Bergrede hebben omarmd.
In de Orthodoxe Kerk noemen wij dit soort Heiligen – ‘Dwazen om Christus wil’ -.
Paulus haalt het begrip vaker aan:
➻  “      Gij hebt immers gaarne geduld met onverstandigen, omdat gij zo verstandig zijt: gij verdraagt het immers, als iemand u als slaven gebruikt, als iemand u opeet, als iemand beslag op u legt, als iemand groot doet, als iemand u in het aangezicht slaat2Cor.11: 19,20;
➻  “     niemand dient mij voor onverstandig te houden; of anders: aanvaardt mij als een onverstandige; dan kan ik ook een weinig roemen. Wat ik zeg, zeg ik niet naar de Heer, maar als in onverstand, aangenomen, dat wij mogen roemen2Cor.11: 16,17.
Zelfs predikt Paulus ook openlijk:
➻  “       Laat niemand zichzelf misleiden! Indien iemand onder u meent wijs te zijn in deze tijd, hij dient dwaas te worden, om wijs te worden. Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor 
God. Want er staat geschreven: Die de wijzen vangt in hun sluwheid; en elders: De Heer weet, dat de overleggingen van de wijzen vruchteloos zijn” 1Cor.3: 18-20.
Op ons westelijk halfrond -bekend om haar Joods-christelijke cultuur wordt het vaak gebruikt om mensen te beschrijven die leven, zoals weinigen van ons zouden doen om de behoeftigen en de uitgestotenen te dienen: “ ja, die zijn gek!” en worden ze regelmatig als malloten gemeden.

Franciscus, kruisdrager

Ze worden vergeleken met de Heilige Franciscus van Assisi, die zich in jute zakken hulde – bij het verkondigen van z’n overtuigingen, niet alleen door woorden, maar tevens door de wijze van leven die hij omarmde.
Franciscanen-monniken, zijn volgelingen, staan bekend vanwege de eenvoud overeenkomstig de Blijde Boodschap in plaats van het ophemelen van de waarden van ons tijdperk. Ook andere waaronder diverse missionarissen kenmerken zich door deze leefstijl.

In de Orthodoxe Kerk is de term “Fool for Christ’s Sake” aan een ander type getuige van Christus gegeven.
Als Orthodoxe ‘dwazen‘ worden zij beschouwd, die aan de rand van, of zelfs buiten, de gemeenschap van respectabele christenen zijn gaan leven.
Zij imiteerden de dwaasheid als onnozele kinderen van God en deden zelfs alsof ze in sommige gevallen gestoord waren om het de Blijde Boodschap te verkondigen aan degenen, die het niet langer konden bevatten.

H. Basilios van Moscow

⁌ Misschien was de beroemdste wel de H. Basilios, de wonderdoener van Moskou, die Ivan de Verschrikkelijke kon berispen en ermee wegkwam omdat hij, levend op straat, niets te verliezen had. Het is ironisch dat de meest weelderige – en excentrieke – kathedraal in het Kremlin in Moskou naar hem is vernoemd.
⁌ Een bijna-hedendaagse ‘Fool for Christ’ was een bakker in een buitenwijk van Athene, die in de volksmond bekend stond als ‘Crazy John’.

‘Crazy John’ by Dionysios A. Makris [uitg. Amazon]

Hij kocht regelmatig twee grote zakken brood van zijn  zijn loon en deelde ze uit aan de ouderen en armen in zijn buurt. Hij ging de eer van zijn daden uit de weg en zei altijd dat het brood
een geschenk was van de heer Apostoly de bakker, zodat je deze zult gedenken in je gebeden”.
Dwazen voor Christus vertonen vaak een soort van spirituele aanblik, een bijzondere gave van de Heilige Geest.
Op een dag kwam John niet opdagen voor werk, men trof hem aan bij het schoonmaken van de waterafvoeren [de afvoerputten] in zijn buurt, bewerend dat hij op zoek was naar twee munten, die hij verloren had. Later op de dag overspoelde een grote overstroming het gebied – behalve de omgeving van ‘Crazy John’, die geen schade opliep,
omdat de rioolputten waren schoongemaakt!
Door de jaren heen werd Crazy John vereerd in zijn buurt voor de zorg die hij zowel geestelijk als materieel aan behoeftigen toonde.
Op zijn eigen manier evenaarde hij de verhalen, die wij kennen over de H. Nicolaas van Myra, tot genoegen van de handelaren, kocht hij regelmatig grote hoeveelheden kinder- en vrouwenbenodigdheden op de markt. Op een dag volgde iemand hem en kwam er op die manier achter dat hij deze spullen achterliet bij de armen, die zich de aanschaf niet konden veroorloven. Toen hij stierf, hield zijn achtergebleven spelleider deze buitengewone lofrede:
God heeft hem misschien geen spelleider [priester] gemaakt, maar hij heeft hem zeker tot toezichthouder [bisschop] gezalfd voor onze omgeving” en degenen, die hem mee begraven hebben riepen uit: “Axios, Axios, Axios”.

De vraag, die nu gesteld kan worden is, wie van ons kan een dergelijke tegenstrijdigheid met onze menselijke natuur overwinnen; het antwoord is al heel oud:
    Wie zal oversteken naar de overkant der zee, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat [ook] wij het volbrengen? Maar dit Woord is heel dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te volbrengenDeut.30: 13b-14.
Toen Paulus over de navolging van Christus, het christelijke leven schreef, drong hij erop aan dat dwaasheid deel zou uitmaken van de levenswijze van elke gelovige:
➥        “Laat niemand zichzelf misleiden! Indien iemand onder u meent wijs te zijn in deze tijd, hij dient dwaas te worden, om wijs te worden1Cor.3: 18.

Maanziekte werd in verband gebracht met slaapwandelen en duidt op de grilligheid en wispelturigheid van het menselijk handelen.
Een [werk-]paard is maanziek, als het een op bepaalde tijden terugkomende zinking op de ogen heeft, die zich vervolgens ‘dof en tranend’ voordoen. Meestal zijn de ogen afwisselend ontstoken en de ziekte eindigt gewoonlijk met volslagen ‘blindheid’.
Paulus stelde de wijze waarop de Leer van Christus, de weg van Christus, wordt nagevolgd  tegenover de gewoonten van degenen die ‘wijs zijn in deze tijd‘, die het allemaal -‘zó goed’- weten en bestudeerd hebben hoe het systeem van onze wereldse samenleving in elkaar zit, teneinde daar optimaal gebruik van te kunnen maken. Zíj kennen de juiste mensen, de juiste bewegingen, de manier waarop dingen in een bepaalde cultuur worden gedaan – niet om anderen te helpen, maar om met behulp van hun persoonlijke vriendenkring [netwerk] ‘eigen troost‘ te vergaren òf  om ‘zichzelf‘ op te hemelen en niet te vergeten van een bovenmatig heerlijk leventje te genieten.
Zij personifiëren zich in tegenstelling tot de overleden Patriarch Pavle van Servië, als – “de wijsheid van dit tijdperk” – tot bewondering van velen.
Elke tijdsperiode en elke sociale gemeenschap heeft zijn eìgen-‘wijsheid’. In een tijd van hoog-conjunctuur verlangen politieke leiders méé te regeren en wanen zich ‘heer en meester’ onder de paraplu van het groot-kapitaal.
In een tijd van laag-conjunctuur wordt de onderlaag van de bevolking, de werk- en daklozen, de gehandicapten en de mensen, die de boot op een of andere manier gemist hebben, uitgeknepen – teneinde het groot-kapitaal ter wille te zijn.
En ten alle tijden dienen dit soort spel- en toezichthouders op handen gedragen te worden en zwelgen in hun persoonlijke inkomensvoorziening[en] ten koste van de minderbedeelden.

      Voor degenen die Christus en de Apostel Paulus voor ogen houden, overwint de dwaasheid van de manier van leven van de Blijde Boodschap echter de wijsheid van ‘elke’ tijdsperiode.
In navolging van Christus leven overeenkomstig de Joods-Christelijke cultuur is het verkiezen bóven de mensen van aanzien te staan en zich ten opzichte van de wereld te distantiëren.
Een wereld – om ons heen – welke zich sociaal, zakelijk of religieus afkeren van deze ‘tijdsperiode’, die er slechts naar streeft ‘erbij’ te willen horen en daarmee flink uit de ruif mee-te-eten.

➥ ➥ ➥    Maar ik vermaan u, broeders, dat gij hen in het oog houdt, die, in afwijking van het onderwijs, dat gij hebt ontvangen, de onenigheden en de verleidingen veroorzaken, en mijdt hen. Want zulke lieden dienen niet onze Heer Jezus Christus, maar hun eigen buik, en misleiden door hun schoon klinkende en vrome taal de harten der argelozenRom.16: 17,18.    
☛ Heer, heb medelijden met onze behoeftigen, want zij zijn ziek op de golven van de economie en zijn er veelal slecht aan toe; want dikwijls vallen zij buiten de boot in het water. En ik heb hen naar uw volgelingen gebracht en zij hebben hen niet kunnen genezen.

Het blijkt dat ook in Christus tijd de oproep tot saamhorigheid en
gezamenlijke actie reeds werd gehoord . . . . .
Er bestaat helaas bij veel mensen die de Blijde Boodschap als richtsnoer voor hun denken en doen belijden dat dit een misverstand betreft en dat solidariteit á-religieus en een typisch politiek-socialistisch begrip is.
Het woord solidariteit komt inderdaad niet letterlijk in de H. Schrift voor, maar de zaak en de bedoeling zijn daarin ‘oprecht‘ en ‘volop‘ aanwezig.

Solidariteit, overleg en polderen als woord zijn het eerst in de economie gebruikt, om de samenwerking tussen werkgevers en werknemers aan te duiden. Daarna kwamen deze woorden en begrippen ook in zwang in de sociologie, de politiek, de psychologie en ook in de theologie.
Het woord solidariteit is afgeleid van het Latijnse ‘solidus’ met de dubbele betekenis van sterk, solide en gezamenlijk, met andere woorden overleg teneinde tot overeenstemming te komen.  Tegenwoordig duidt men ermee aan dat men samen voor een zaak of ideaal staat en daarvoor actie voert. We kunnen daarbij drie doelstellingen onderscheiden:
1.]. een positieve, wanneer een bepaald goed doel wordt nagestreefd of wanneer men een ongunstige situatie wil verbeteren of herstellen;
2.]. een negatieve, wanneer men zich gezamenlijk keert tegen verkeerd geachte overheden, wetten, partijen, werkgevers of zelfs individuele personen;
3.]. meestal is het een combinatie van positieve en negatieve actie.

Het Mysterie van de Drie-eenheid

We kunnen stellen dat –‘de meest absolute vorm van solidariteit’– in de Leer en Pedagogie van Christus is te vinden. Dogmatisch gezien is de Drieëenheid de hoogst Goddelijke vorm van samenleven in Liefde. Bij en in God is de volmaakte eenheid in zijn, denken en handelen.
De Vader en de Zoon en de Heilige Geest werken -‘in alles’- gezamenlijk; dat straalt ook uit in de schepping van de kosmos en de mens. Evenzeer is God’s Gerechtigheid en Zijn Liefde tot in alle consequenties een bewijs van Zijn ondeelbare bedoeling.
Een afschaduwing daarvan behoort in de christelijke Gemeenschap, als het Lichaam van Christus, en in het huwelijk gevonden te worden.
Door de zonde heeft dat laatste helaas niet op die manier de tand des tijds overwonnen! Het gevolg is dat in de Bijbel een dubbele solidariteit is aan te wijzen:

De mensheid heeft één Vader: God de Schepper. God heeft alle mensen geschapen en Zijn geboden gelden voor alle mensen.
Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, opdat jullie kinderen mogen zijn van de  Vader, Die in de Hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigenMatth.5: 44,45.

Er is solidariteit in de zonde. Alle mensen hebben de wet overtreden en wantrouwen God en Zijn goede bedoelingen. Daarin spannen mensen samen tegen hun Vader en Zijn Koningschap.
Na de zondeval wordt zichtbaar dat er één beweging is, in haat gericht tegen God, en een andere, door Zijn Genadegaven om Hem lief te hebben en te gehoorzamen.

Steeds opnieuw wordt ieder mens opgeroepen te onderscheiden  in welke richting de oproep tot solidariteit leidt.
Hoe te onderscheiden wat een goede oproep tot solidariteit is?
Daarvoor dienen we het antwoord te onderscheiden op verschillende criteria:
1.]. Wat is de bedoeling van de gepropageerde solidariteit?
Gaat het erom vrij en los te komen van de Wet van God of gaat het om Hem en om het onderhouden van Zijn geboden?
        Moge, Heer, Uw barmhartigheid over ons komen, zoals wij op U gehoopt hebben. Gezegend zijt Gij, Heer, leer mij Uw voorschriften.
Gezegend zijt Gij, Meester, geef mij inzicht in Uw voorschriften.
Gezegend zijt Gij, Heilige, verlicht mij door Uw voorschriftenuit de Doxologie
2.]. Wie zijn de spelleiders? Willen ze werkelijk dienaren zijn van elkaar en van het goede, of willen ze, heimelijk of openlijk, heersers en ‘δεσποτα’ te zijn?
3.]. Welke middelen worden in de solidariteitsactie gebruikt? Zijn de betoging en het protest vreedzaam en wil men slechts zonder dwang overtuigen, òf worden beschuldigingen, laster, stakingen, geweldsdaden en zelfs terrorisme gebruikt?
4.]. Tegen of voor wie worden we opgeroepen tot solidariteit? Helaas overheerst in veel oproepen tot solidariteit het negatieve. Dan gaat het tegen de eigen regering, bepaalde politieke leiders, overheersende regimes of bezettende machten, de bureaucratie in allerlei vormen, de bezittende, rijke klasse, tegenstanders in het algemeen, etnische minderheden, mensen van een ander ras of uit een ander land, etc. Ieder van ons kent hiervan voorbeelden te over.
5.]. Wat gebeurt er met mensen die, mogelijk wegens gewetensbezwaren, weigeren mee te doen aan de opgeroepen solidariteit? Worden ze geboycot, bedreigd, lastiggevallen of vervolgd?
6.]. Zijn we er zeker van dat er achter de oproep tot solidariteit geen verborgen agenda steekt?
7.]. Zijn mensen vrij om af te haken wanneer blijkt dat de gevraagde solidariteit toch een verkeerde richting inslaat of dreigt in te slaan?

Wie enigszins op de hoogte is van wat er plaatsvindt in de samenleving, merkt dat al deze zeven criteria vanuit de recente geschiedenis te illustreren zijn.
Maar aan de hand van het hierboven gegeven overzicht zijn er ook verschillende gebeurtenissen te onderscheiden uit de Bijbelse Historie. Deze voorbeelden zijn een lering voor ons. Dat is nodig, want we laten ons gemakkelijk misleiden.
Bij elk van de volgende voorbeelden dienen we te proberen ons te verplaatsen in de situatie van die tijd, achteraf oordelen is wel gemakkelijk, maar helpt in de actuele keuze niet.
• De torenbouw van Babel, uit Gen. 11. Tegen de intentie en opdracht van God wilden mensen hun eigen ideaal van eenheid en zekerheid handhaven.
• De uittocht van het nog niet gestabiliseerde volk Israël uit Egypte, Ex.13 en volgend. Telkens strijdt de begeerte om ‘vrij’ te zijn en Mozes te volgen met de angst voor de onzekere reis door woeste streken en het gemis van bepaalde zaken in Egypte. Het verzoek aan Aäron om ‘een gouden beeld te maken’ was een solidariteitsactie:
  Toen rukte het gehele volk zich de gouden ringen die in hun oren waren, af en zij brachten ze aan Aäron. Hij nam ze van hen aan, gaf er vorm aan met een stift en maakte er een gegoten kalf van. En zij zeiden:’ Dit is uw god, Israël, die u uit het land Egypte heeft gevoerdEx.32, 3,4.
• De opstand van de groep rond Korach en de zijnen tegen het leiderschap van Mozes uit Numeri 16.
• Het massale en gewelddadige verzet van het Israëlische Volk na de dood van koning Salomo tegen de regeringsverklaring van Rehabeam uit 1Kon.12.
• De vele voorbeelden van gezamenlijke afdwalingen in de tijd van de Profeten.
• Joodse leiders en veel inwoners van Jeruzalem waren één in de veroordeling van Jezus en verwezen Hem naar het kruis op Goede Vrijdag. Ze meenden daarin gezamenlijk goed te doen.
• Daartegenover staat de solidariteit in de eerste christelijke Gemeenschap:
    En zij bleven volharden bij het onderwijs van de Apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebedenHand.2: 42. Maar er was daar tevens het misbruik van Ananias en zijn vrouw.
• Paulus prijst in zijn brieven de jonge gemeentes om hun steun aan de behoeftigen, niet alleen in eigen kring maar ook voor de verre anderen. Vanuit Antiochië hielp men Jeruzalem.
• Bij de opstand tegen de Romeinse bezettende macht weigerden de christenen in Jeruzalem in het jaar 70 na Christus solidair te zijn in die strijd en weken uit naar het buitenland.

De oproep tot solidariteit vindt veelal daar plaats in de samenleving waar aandacht ontstaat voor wat men sociaal en maatschappelijk onrecht noemt. En hoewel wij in West-Europa tot de meest rijke en bevoorrechte bevolkingsgroepen van de wereld behoren, is er ook bij ons nog veel wat verre van ideaal is. Veel meer geldt dat van mensen in andere delen van de wereld.
Er is onvoorstelbare armoede, er zijn allerlei soorten ziektes, er is onderdrukking tot slavernij toe, corruptie lijkt onuitroeibaar, bureaucratie kan wanhopig maken, discriminatie is aan de orde van de dag. Allemaal redenen om mensen tot solidaire actie op te roepen. Ook christenen horen die oproep. Dikwijls wordt gesteld dat juist christenen vooraan op de barricades behoren te staan.
Is dat overeenkomstig onze werkelijkheid?

Als christenen, die rekening met de Blijde boodschap begeren te behouden, dienen we meer en meer onze mond open te doen en daarnaast persoonlijk onze handen uit de mouwen te steken. Vanwaar komen al de hierboven genoemde ellendige zaken? Het is toch geen noodlot?
Het is een tijd lang mode geweest om de oorzaak van alle ellende in de wereld te zoeken bij verkeerde systemen en omstandigheden. Verander de omstandigheden en het komt weer goed.
Zelfs de meest rigoureuze pogingen daartoe hebben echter geen wezenlijke verandering ten goede gebracht. De Apostolische oproep tot onderlinge samenwerking en verantwoordelijkheid [= vroeg-Christelijke solidariteit] mogen dan voor een groot deel hebben afgedaan, de idee dat het kwade overwonnen kan worden door allerlei maatregelen overheerst nog sterk.

Christenen hebben geleerd dat het kwade en verkeerde niet in de eerste plaats in onjuiste stelsels en regels zit, maar zijn oorzaak vindt in de zonde van het egoïsme en de rebellie tegen God. Wanneer wij dàn op die manier blijven geloven dat onze houding en ons leven niet radicaal veranderd kan worden,
blijft ieder mens tevens zijn eigen belang ten koste van anderen zoeken.
Ondanks alle mooie woorden, solidariteitsacties en zelfrechtvaardiging.
Die zelfhandhaving en dat eigenbelang vinden we zowel bij slachtoffers als bij de spelleiders en toezichthouders, die zich als hulpverleners opwerpen.

Voor christenen geldt primair dat mensen veranderd dienen te willen worden, zich tot het Goddelijke, het goede dienen te keren. God zoeken en nastreven, dàt is de Blijde boodschap en zending van de Kerk, heb God lief door je naasten ten dienste te zijn. In deze zijn wij onderwezen door onze Heer en Zaligmaker, Jezus Christus, Die wij  zeggen te volgen.
Dat betekent niet dat we de andere kant op kijken, niets behoeven te doen om de materiële nood in de wereld aan te pakken en om de omstandigheden te verbeteren. Het dient wèl gelijk op te gaan met de oproep om zich tot God te bekeren. Wanneer voor díe boodschap geen plaats en ruimte is bij een bepaalde solidariteitsactie, worden we gedwongen af te haken. Dat verklaart en rechtvaardigt ook dat naast diverse seculiere acties tot leniging van noodsituaties kerken en christenen een eigen aanpak kiezen.

Apolytikion     tn.1
“   Terwijl de steen door de Joden verzegeld was
en de soldaten Uw alleruiterst Lichaam bewaakten,
zijt Gij na drie dagen opgestaan, o Verlosser,
om aan de wereld Leven te schenken.
Daarom riepen de Hemelse Machten U Toe, o Levenschenker:
Ere zij Uw Opstanding, o Christus.
Ere zij Uw Koninkrijk:
Ere zij Uw Voorzienigheid o enige Menslievende
”.

Kondakion     tn.1
“   Als God zijt Gij opgestaan uit het graf in Heerlijkheid
en de wereld hebt Gij mede opgewekt.
De mensennatuur bezingt U als God
en de dood is teniet gedaan.
adam jubelt o Meester
en Eva, uit haar noemen bevrijd, verheugt  zich en roept uit:
Gij zijt het, o Christus,
Die aan allen de Opstanding schenkt
”.

Theotokion     tn.1
“   Toen Gabriël tot U o Maagd het ‘verheug u’ sprak,
nam de Schepper van het heelal in U het vlees aan.
Toen werd gij ‘de Heilige Ark’, waarover David sprak,
meer omvattend dan de Hemelen.
Eer zij Hem, Die in U woning nam,
Eer aan Hem, die uit u tevoorschijn trad.
Eer aan Hem, Die ons door uw baren heeft bevrijd
”.

Orthodoxie & wanneer je standvastig bidt . . . . .

H. Neilos, bisschop van Tamasou

  Een groot aantal keren dat iemand verzocht wordt,
komt dit voort uit de zuiging en verlokking van z’n eigen begeerte
Jac.1: 14.

Indien je standvastig bidt, dan zul je dusdanige dingen tegenkomen dat
je het idee krijgt dat je je over allerlei wetmatigheden
verontwaardigd dient te zijn.
Echter ten opzichte van onze naasten is een gerechtvaardigde woede gans onmogelijk.
Immers wanneer inzicht in jezelf verkrijgt zul je de mogelijkheid vinden het probleem dusdanig te gaan bezien dat het probleem wordt afgezwakt.
Leg derhalve de kwestie opzij en laat je boosheid niet tot je doordringen.
Misschien heb je het idee dat iemand ander je hiervan verlost.
Het is echter bewezen dat je in het nastreven van hetzelfde heilige
een berg aan obstakels opbouwt in jouw gebedsleven.
Probeer halsstarrig elke vorm van boosheid/woede te vermijden en als gevolg daarvan zal de Heilige Geest je genadig zijn en je inzicht geven, zodat je jezelf opnieuw kunt aansluiten bij de degenen, die oprecht bidden.

Boosheid laait immers het vuurtje in je op en doordat het gebeurde telkenmale in je gedachten terugkeert wordt je geestelijke staat dusdanig beschadigd dat dit het gebed onmogelijk maakt; afstand veroorzaakt van de met God verbonden intentie.
Bid daarom niet alleen met een uiterlijke houding, maar laat je gedachten met grote vrees tot God tot geestelijk gebed komen.
Op bepaalde momenten -en dat is beslist niet altijd- helpt het wanneer je God vraagt om hulp bij je gebed. Ik zeg het nog maar een keer, wanneer je nog steeds moe bent van het gebeuren, zul je deze staat nimmer bereiken.
Daarom blijf standvastig in het gebed, vraag om hulp bij je gebed en wees niet bang wanneer je het idee krijgt dat je iets ‘ergs’ zal overkomen bij het verkrijgen van inzicht in de situatie. 
Wanneer we ongestoord volharden zal een engel ons begeleiden en je zonder meer een grote mate van troost aanbieden.

Op bepaalde momenten worden wij geconfronteerd door een strijd binnen de gemeenschap van heiligen en is het op zo’n moment niet toegestaan jezelf te verheffen, want allerlei hartstochten steken bij dat soort gelegenheden de kop op.
Eerst dàn blijkt de kwaliteit van je gebed wanneer je vraagt om inzicht terwijl je vraagt om jouw voorstellingen in de geest niet de overhand te laten nemen; indien je op die manier om inzicht vraagt zul je het ook verkrijgen.

gebed

Misschien herinner je het gebed des Heren waar gevraagd wordt: “ Uw Wil geschiede, op aarde zoals in de Hemel”.
Lucas, de geneesheer laat onmiddellijk na dit gebed de geschiedenis van de lastig vriend volgen, die ‘s-nachts om brood vraagt [Luc.11: 2-7].
Mattheüs, keert zich voorafgaand aan het gebed des Heren tegen het schijnheilig bidden en tegen de verscheidenheid aan woorden en schijnt meer bekommerd om het juiste bidden.
Hij schrijft immers voor onze Joods-Christelijke cultuur, van degenen, die wèl van kindsbeen af hebben leren bidden, maar wier gebedsleven bedreigd werd door formalisme en schijnheiligheid. Het Onze Vader is -‘hèt’- voorbeeld van een kort en goed gebed, waarin alles wat gebeden dient te worden in de juiste volgorde staat [Matth.6: 6-13].

En waarom wij allen op dezelfde manier vragen om God’s Wil te mogen doen,
is omdat God ‘de Algoede’ is en het goede wil, hetgeen zich in onze ziel dient te openbaren.

Vele malen vroeg ik in mijn gebed om dit te bewerkstelligen, waarvan ‘ik’ dacht dat het goed was.
Het drong echter tot mij door dat dit hoogmoedige roekeloosheid betreft:
➻ Hem als het ware voor mijn karretje te spannen;
➻ Hem als het ware de moeite -van wat Hij weet over mijn interesses- te besparen.
Maar toen ik ontving wat ik vroeg, geraakte ik ontzettend overstuur, omdat
ik niet vroeg om ‘de Wil van God’ te verwezenlijken.
Datgene, wat ik Hem vroeg, beantwoordde namelijk totaal niet aan mijn verwachtingen.

conf. Heilige Neilos, de Asceet

uit: Canon Voorfeest van de Verheerlijking
1e Irmos     tn.4.
”     Laten wij ons inspannen om de berg te bestijgen
door ons hart te reinigen van alle driften;
dan zullen wij de Verheerlijkte Christus zien,
Die ook onze geest verlicht“.  

Augustus 1e – het plechtig uitdragen van het eerbiedwaardig hout van het levenschenkende Kruis van onze Heer en Verlosser

      Wat dunkt u? Iemand had twee kinderen. Hij ging naar de eerste en zei: Kind, ga en werk vandaag in de wijngaard.
En hij/zij antwoordde en zei: Ja, Heer, maar hij ging niet.
Hij ging naar de tweede en sprak evenzo.
En deze antwoordde en zei: Ik wil niet, maar later kreeg hij/zij berouw en ging toch. Wie van de twee heeft de Wil van zijn Vader gedaan?
Zij zeiden: De laatste.
Jezus zei tot hen:
‘   Voorwaar, Ik zeg u, de tollenaars en de hoeren gaan u voor in het Koninkrijk Gods. Want Johannes heeft u de weg van de Gerechtigheid gewezen en gij hebt hem niet geloofd. De tollenaars en de hoeren echter hebben hem geloofd, doch hoewel gij dat gezien hebt, hebt gij later geen berouw gekregen en ook in hem geloofd’“ Matth.21: 28-32.

      Mocht het echter van belang zijn, dat ik ook de reis maak, dan zullen zij met mij reizen. En ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonië doorgereisd ben, want ik zal de reis door Macedonië doen, maar dan zal ik mij mogelijk bij u langer ophouden, misschien wel de winter doorbrengen, zodat gij mij kunt voorthelpen, wanneer ik verder reis.
Want ik wil u thans niet in het voorbijgaan bezoeken, want ik hoop enige tijd bij u te blijven, als de Here het toestaat.
Maar ik zal nog tot Pinksteren te Ephese blijven; want mij is een grote en machtige deur geopend en er zijn vele tegenstanders.
Wanneer Timotheüs komt, zorgt er dan voor, dat hij bij u niet afgeschrikt wordt, want hij doet het werk des Heren evenals ik; laat niemand hem dan geringschatten. Maar helpt hem voort in vrede, opdat hij tot mij komen kan, want ik wacht op hem met de broeders
1Cor.16: 4-12.

Paulus reist van -hot naar her- om de Blije Boodschap te verkondigen, net zoals onze pionier, de jonge priester Basilios dat hier in Nederland doet.
Wat een contrast!  Na de roep door Christus Zelf en zijn bekering is Pailus nèt als ons z’n pelgrimstocht door het leven begonnen – hij richt zich op het fundament van het Geloof, het voorbeeld geven en daarmee de verkondiging aan anderen – eerst deed hij dat tot z’n eigen volk, maar nadat hij met Pinksteren het feest van de Heilige Geest heeft gevierd, laat hij zich door de Heilige Geest leiden en trekt zich het lot aan van de heidenen, de niet-Joden.
      Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen. Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijnMatth.6:19-21.
Een mens is geen ding wat afgedankt wordt en aan de kant wordt geschoven; overeen-komstig onze christelijke roeping dienen wij ons in te zetten om mensen vooruit te helpen en te redden op de wijze welke Christus ons heeft voorgedaan. Onszelf daaraan over-geven zal ons hart in het werk van God plaatsen.
Op deze wijze blijven wij verbonden met de omstandigheden waarin de Blijde Boodschap van onze Heer en Verlosser gerealiseerd wordt. De gelovigen in Corinthe waren kennelijk al enige tijd bekend met dit speciale aanbod om elkaar en hun naasten te ondersteunen en Paulus wilde dat dit offer er een was, waaruit onderlinge liefde en eenheid sprak – zelfs tot de jonge apostel Timotheüs, die hem achterna reisde en die zij waarschijnlijk zouden ontmoeten. De van oorsprong Joodse christenen zouden een offer ontvangen van een heidense [niet-Joodse] gemeente, dit zou eenheid en onderlinge bezorgdheid benadrukken.
De gemeente ontmoette elkaar op zondag opa de eerste dag van de week, de dag des Heren en de gaven, die zij meebrachten waren een onderdeel van hun eredienst.
In navolging van Christus dienen wij gevers te zijn -ieder van ons- en we kunnen allemaal wel iets geven en dienen het ook te ervaren als een offergave – het dient je te beroeren. De weduwe gaf immers twee kleine muntstukken en Jezus stemde ermee in omdat ze uit haar armoede gaf [zie Marc.12: 41-44].
Wij geven derhalve onze offergave overeenkomstig ons inkomen en onze mogelijkheden. Dit was evenredig geven overeenkomstig de verhoudingen van dié tijd in dié oude cultuur, waarbij nog geen sociale voorzieningen bestonden – derhalve werd er het principe van de tiende gevoerd.
Paulus maakt zich zorgen over ‘onze verantwoordingsplicht’ en schrijft:
    Wat nu de inzameling voor de heiligen betreft, doet ook gij, evenals ik het in de gemeenten van Galatië geregeld heb:
‘ elke eerste dag van de week dient ieder van u naar vermogen thuis iets weg te leggen en hij dient dit op te sparen, opdat er niet eerst ná mijn komst inzamelingen dienen te worden gehouden. Wanneer ik dan [later] aangekomen ben, zal ik hen, die gij daarvoor geschikt acht, met brieven zenden om uw liefdegave te Jeruzalem af te dragen.
Mocht het echter van belang [noodzakelijk] zijn, dat ik ook de reis maak, dan zullen zij met mij reizen’
1Cor.1-4.
Daarmee begint de Apostel-lezing van vandaag.
Het gaat dus om de verhouding waarop offers gebracht worden –  het geschenk diende te  worden gepresenteerd door mannen die ze hebben goedgekeurd, de schatbewaarder [peningmeester] met z’n controleurs, Paulus zou de inwijding’s hun aanstellingsbrief schrijven.

Een nauwkeurige bestudering van de Blijde Boodschap en met name de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan zou ons moeten overtuigen van de verwachtingen van Jezus met betrekking tot ons rum-hartig geven [Luc.10: 25-37].

God is de grote gever van alle dingen:
  Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven zal hebben. Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld zal veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zal wordenJohn.3: 16,17.

Onze Heer zegt tot Nicodemus:
  Indien iemand niet geboren wordt uit water èn Geest, is hij niet bij machte binnen te komen in het Koninkrijk der Hemelen; want wat uit vlees geboren wordt, is-en-blijft vlees en wat uit Geest geboren wordt is-en-blijft vlees; verwonder je er dus niet over van Ik je gezegd heb: Jij dient vanuit een Hemels Geest geboren wordenJohn.3: 5-7.
Wanneer we het dus over aardse zaken [geld en vermogen] hebben, dienen we dat ten opzichte van de gemeenschap als een hemels zaak te beschouwen.
Zo dient de mensenzoon, -‘wij dus’-, onszelf te verhogen door ons Kruis met ere te verheffen en de gemeenschap in staat te stellen aan haar verplichtingen te  voldoen.
Zozeer heeft het Goddelijke de wereld lief gehad, dat de gelovige mens geeft, opdat eenieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven zal verkrijgen.
Wanneer ons derhalve gevraagd wordt een formulier in te vullen, teneinde een kerkbijdrage te leveren – voor het voortbestaan van de gemeenschap – kunnen we het overeenkomstig bovenstaand Evangelie zeggen, ja, ik zal het invullen en het niet doen.
òf we kunnen het na het ontvangen verzoek invullen en de gaven verder op hun beloop laten. Later kun je berouw krijgen en je bijdrage alsnog leveren, waarop
dit Evangelie ons leert ‘wie van de twee de Wil van z’n Vader gedaan heeft.

bij Heer, ik roep . . . tn.4. voorfeest verheerlijking
Komt laat os voortgaan en onszelf reinigen en door Geloof onszelf bereiden voor de Goddelijke gang omhoog tot die meest verheven staat, waar wij Zijn Majesteit mogen aanschouwen en geraken tot de heerlijkheid die Zijn meest geliefde Apostelen waardig waren bevonden te schouwen op de berg Thabor”.

Nb. wilt u uw bijdrage leveren en
weet u niet hoe info.aokn@gmail.com òf

06- 522 465 61

9e Zondag na Pinksteren – wij kleingelovigen zinken, net zoals Petrus

      En terstond dwong Hij de discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, totdat Hij de scharen zou hebben weggezonden.
        En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij de berg op om in de eenzaamheid te bidden. Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen.
        Doch het schip was reeds vele stadiën van het land verwijderd, geteisterd door de golven, want de wind was tegen.
        In de vierde nachtwake kwam Hij tot hen, gaande over de zee.
Toen de discipelen Hem over de zee zagen gaan, werden zij verbijsterd en zeiden: Het is een spook! En zij schreeuwden van vrees.
        Terstond sprak Jezus hen aan en zeide: ‘Houdt moed, Ik ben het, weest niet bevreesd !’.
Petrus antwoordde Hem en zei:
‘ Heer, als Gij het zijt, beveel mij dan tot U te komen over het water’.
        En Hij zei: ‘Kom !’. En Petrus ging uit het schip en liep over het water en ging naar Jezus.

‘Help, ik verdrink’ ; ‘Help, I drown’;          ‘مساعدة ، أنا غرق’; ‘Βοήθεια, πνίγω’

Maar toen hij zag op de wind, werd hij bevreesd en begon te zinken en hij schreeuwde:  ‘Heer, red mij!’.
        Terstond stak Jezus hem de hand toe en greep hem en zei tot hem:
        Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?
En toen zij in het schip geklommen waren, ging de wind liggen. Die in het schip waren, vielen voor hem neer en zeiden: ‘Waarlijk, Gij zijt God’s Zoon!’Matth. 14: 22-34.

Door het Geloof blijf je drijven op de levenszee; Μέσω της Πίστης συνεχίζετε να επιπλέετε στη θάλασσα της ζωής; من خلال الإيمان تبقي عائمة على بحر الحياة; Through the Faith you keep floating on the sea of life.

      Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij.
Naar de Genade van God, Die mij gegeven is, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop een ander voortbouwt.
Maar ieder zie wel toe, hoe hij daarop bouwt.
       Want een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen.
Is er iemand, die op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi, of stro,  ieders werk zal aan het licht komen.
Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt, en hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken.
        Indien het werk, dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen.
        Weten jullie niet, dat jullie God’s Tempel zijt en dat de Geest van God in jullie woont? Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden.
Want de Tempel Gods’, en dat zijn jullie, is heilig!
1Cor.3: 9-17.

De Blijde Boodschap gaat over God, èn over mensen, die in hun leven ervaren wat God voor mensen betekent. Ze vertellen over onze Heer Jezus Christus, Die met Zijn leven liet zien hoe het mensenleven naast God, onze Vader kan zijn.
Daarom is de Blijde Boodschap ook waardevol, omdat het richting geeft aan je leven.
Het roept vragen op en het wijst je de weg, om mee verder te leven.
Petrus ging uit het schip en liep over het water en ging naar Jezus.
Maar toen hij opzag in de waan van z’n denken, het houvast, waaraan hij gewend was, werd hij bevreesd en zonk weg in de golven. Geloven, dat is de stormen van het leven niet uit de weg gaan, maar blijven vertrouwen.
Het is het ‘blijven’ vasthouden aan het verlangen naar het Enige, het Eeuwige, de oase in de  woestijn kunnen we dáár vinden wáár we ons temidden van desillusies bevinden.
Wij blijven ons laten leiden door het verlangen -een zodanig leven met een open horizon, dat het besef van dat -‘er méér is’- een kans krijgt in ons bestaan en ook dat wij die Hoop levend houden.
En tegelijk durven wij zonder reserve te roepen:
“Red mij, Heer”, omdat we op zijn tijd allemaal ook ‘kleingelovigen’ zijn, ieder op z’n eigen wijze zijn getekend, gevormd.
Onze Heer heeft Zijn Volgelingen in het schip [de Kerk] in een storm terecht laten komen. Hij, Die hen [en ons] op weg heeft gestuurd, zat Zèlf niet in de boot, maar kwam Zijn Volgelingen “op het einde van de nacht” in hun moeilijkheden tegemoet.
De Volgelingen zien Hem echter temidden van de chaos van wind en water [de chaotische wereld]  aan voor een Mysterie en schreeuwen het uit van angst.
Blijkbaar, zo concludeerde ik, is het lang niet altijd duidelijk te onderscheiden – wat nu de redding is èn – wat de bedreiging, waarvan God ons redt.
De Heer drukt ons op het hart rustig te blijven: “Ik ben het, wees niet bang”.
Waar God of Zijn Gezalfde verschijnt, wordt in de Blijde Boodschap de angst verdreven.
Het is Petrus die opmerkelijk op het Mysterie reageert, ergens onderkent hij de Hand van God. Hij zegt: “Heer, als Jij het bent, zeg mij dan over het water naar jou toe te komen”.
Wanneer hij inziet dat onze Heer en Verlosser in de chaotische wereld en de bedreiging alom overeind blijft, concludeert Petrus dat niet in het schip [de Kerk], maar in de nabijheid van onze Heer de waarachtige veiligheid te vinden valt. Hij vraagt daarom geroepen te worden door het Mysterie van Degene, Die hij ziet doen wat hij tot dan toe onmogelijk heeft geacht:
overeind blijven in de golven van het leven en de tegenwind van de wereldgeschiedenis’.
Onze Heer zegt immers namelijk maar één Woord: “Komt allen en volgt Mij”.
En deze grote Apostel, met z’n grote mond en een ontzettend klein hartje stapt uit de relatieve veiligheid van de boot [de Kerk], loopt over het water alsof het de gewoonste zaak van de wereld is en komt naar de Heer toe.

De boot [de Kerk], die wordt gebeukt door de schijnbaar onoverwinnelijke oerkrachten van wind en water, het is wat mij betreft een beeld van ‘wáár’ we ons bevinden als cultuur, als gezamenlijke christenen, als christelijke gemeenschap in een tumultueuze tijd.
Onze tijd heeft slechts aandacht voor sensatie, prikkeling van de zintuigen en het behouden van het aloude Geloof is maar niks, dat is illusie – zinsbegoocheling, dàt geloof je toch niet.
In zo’n situatie dien je niet veilig te ‘willen’ zijn, maar dien je dáár te gaan waar redding zich aandient, ook al roept dat je verder de onveiligheid in.

‘Petrus verdrinkt’, byzantine mosaïc.

Temidden van de golven ziet de grote Volgeling met het kleine hartje ineens in, dat hij zich in een gans onmogelijke situatie hij verkeert.
Hij merkt de Kracht van de Wind [van de Heilige Geest] op, staat er, waarvan hij eerder gezegd bemerkt dat dit “tegen hem in werkt” [de beproevingen] en hij wordt bang.
En terwijl hij begint te zinken, roept hij en wij met hem: “ ‘Heer, red me!’ – ‘Heer, Jezus Christus, ontferm U over mij, zondaar’ ”.
Blijkbaar zijn de angst en het zinken twee kanten van dezelfde realiteit, een realiteit die tegenover het Geloof staat dat het eerste opkwam en hem deed vragen – geroepen te worden en zonder aarzelen naar Christus toe doen gaan. Maar dáár wáár wij, kleingelovigen in twijfel wegzinken, blijft onze Heer ons echter trouw: “Hij steekt Zijn hand uit en grijpt ons vast”. 
Hij stapt met onze kleingelovigheid de boot [de Kerk] weer in en de chaotische wind [beproeving] gaat liggen.
Jezus noemt ons terecht “kleingelovig”, maar dat lijkt Hij haast liefkozend te zeggen, zoals ouders een kind “stom” kunnen noemen wanneer zij het overeind helpen nadat het is gevallen, of z’n vingers ergens aan brandt.
Onze Heer herinnert Petrus en ons eraan dat hij/wij toch kònden weten dat onze angst onnodig is. Maar als wij in onze ellende dreigen weg te zinken, trekt Hij ons eruit en leert ons zo waarachtig te vertrouwen, te geloven.

Op deze wijze leren wij nog altijd wàt waarachtig geloven is:
niet voorkomen dat je “Heer, ontferm U” dient te roepen,
maar het werkelijk zonder enige reserve durven en het wagen te roepen.

Als samenvatting wordt dit tevens een leidraad.
Een aansporing om niet te proberen – altijd tevergeefs! – mij in welke boot [kerkgemeenschap] dan ook  te verschansen, maar in plaats daarvan te zeggen:
Heer, als U het bent, zeg mij dan over het water naar U toe te komen”.
Met de Hoop dat de roep dóórklinkt en het voornemen dàn óók wèrkelijk tot werkelijkheid zal komen. Ook als ik het eigenlijk niet durf en daardoor dreig weg te zinken.

De Heer is verheven, want Hij woont in den hoge. Hij heeft Sion met Recht en gerechtigheid vervuld. En Zijn tijden zullen bestendig zijn, een rijkdom van Heil, Wijsheid en Kennis; de vreze des Heren is Zijn schatIsaiah 33: 5,6.

  God’s mede-arbeiders zijn wij; God’s akker, God’s bouwwerk zijt gij”.
Wanneer je deze tekst zo onsamenhangend zou lezen, dan zou je de indruk kunnen krijgen dat wij vooral moeten ‘werken’. Dat wij met z’n allen in God’s tuin, in Zijn schepping aan het werk -aan de slag dienen te gaan.
Maar op de een of andere manier – is dit voor iedereen verschillend en zijn wij allemaal anders dan anderen tot het Geloof gekomen, nadat onze Heer ons geroepen heeft. Wij zijn geplant en door de een of de ander begoten, veelal iemand vanuit de Kerk, maar God gaf de groeikracht [wasdom].

    Daarom, noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God, die de wasdom geeft. Wie plant en wie begiet, staan gelijk; alleen zal elk zijn eigen loon krijgen naar zijn eigen werk1Cor.3: 7,8.

Paulus maakt ons in de lezing van de Apostel iets heel belangrijks duidelijk.
Hij zegt vrij vertaald dit: ‘het doet er niet toe wie de blijde boodschap verteld en wie de ‘katechese geeft’.  Je zou nu kunnen opmerken, waaròm doet dat er niet toe?
Omdat God Degene is Die groei [wasdom] geeft, zowel binnen als buiten Zijn Kerk.  En zo gaat Paulus verder, Hij, Die de Blijde Boodschap ‘openbaart’ en Hij, Die ‘katechese’ geeft zijn daarin Één.
De ene mens is niet ‘méér’ dan de ànder, want God geeft ons de woorden.
Niet wij zijn het, die spreken maar op de een of andere Mysterieuze wijze spreekt God tot en door ons.

Nu denkt u misschien, ja maar… wij zullen loon naar werken ontvangen, dat staat er. Maar dat is geen loon of beloning, in de zin van, wat heb ‘JIJ’ dàt even effectief en goed gedaan, nu krijg jij, persoonlijk ‘extra plusjes’ achter je naam in het grote boek des levens.
Neen, de beloning is dat jij ‘het planten en begieten’ [in Genadegave] ‘om niet’
mag doen en dat je ‘dàt’ mag beseffen.
Dáárin ben je dus gezegend en ‘dàt’ is je loon,
niet dat ‘JIJ’ zo bijzonder bent als spelleider of toezichthouder!
Je dient je nadrukkelijk te beseffen, dat GOD degene is Die ALLES een plaats geeft. Dàt is de grote zegen tot de mensen! Besef dàt! Dàt is ons loon.
Dat is trouwens ook heel simpel aan te tonen.
Enige hoofdstukken verder lezen we dat Paulus zegt:
Wat is dan mijn loon? Dit: door mijn evangelieprediking het evangelie om niet te mogen brengen, en zo van mijn bevoegdheid als evangelieprediker geen gebruik te maken. Want hoewel ik vrij sta tegenover allen, heb ik mij allen dienstbaar gemaakt, om er zoveel mogelijk te winnen; en ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; hun, die onder de Wet staan, als onder de Wet – hoewel persoonlijk niet onder de Wet – om hen, die onder de Wet staan, te winnen; hun, die zonder Wet zijn, ben ik geworden als zonder Wet – hoewel niet zonder de Wet van God, want ik sta onder de wet van Christus – om hen, die zonder wet zijn, te winnen. Ik ben voor de zwakken zwak geworden, om de zwakken te winnen; voor allen ben ik alles geweest, om in elk geval enigen te redden1Cor.9: 18-22.

In die wetenschap lezen we verder, er staat: want Gods medearbeider zijn wij. Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij.
Je zou nu de volgende gedachte kunnen hebben, hier staat toch echt dat ‘ik’, persoonlijk voor God dien te gaan arbeiden, dat ‘IK’ God wel eventjes dien te gaan helpen, want Zijn medearbeider ben ik.
Maar deze gedachte zou de voorgaande verzen ‘en dat wij Gods akker zijn!’ tegenspreken, we lazen immers dat God, de groeikracht, de wasdom geeft.
Neen, we zijn medearbeiders ten opzichte van elkaar!;  en God werkt dóór ons als mede-arbeiders heen.  Hij is de Bron, de initiator, de formeerder, de schepper, Hij maakt ons tot ‘getekenden’.
Je ziet dus nadrukkelijk dat God centraal staat en niet de mensen en
wat de mensen er ook allemaal van gemaakt hebben.
Gelukkig maar, want de mens [en z’n instituties] falen en zijn niet altijd zo trouw, dat je ze op hun ogen kunt geloven en blindelings kunt navolgen,
maar God overziet het einde vanaf het begin en is Barmhartig, Trouw en onveranderlijk en Christus is ‘Waarlijk, de Zoon van God!’.

Apolytikion     tn.8.
  Uit den Hoge zijt Gij neergedaald, o Barmhartige,
en zijt drie dagen in het graf gebleven,
om ons van het lijden te bevrijden.
Gij zijt ons Leven en onze Verrijzenis;
Heer, eer aan U
”.

Kondakion     tn.8.
  Nadat Gij zijt opgestaan uit het graf,
hebt Gij de doden opgewekt,
en Adam weer doen opstaan.
De einden der wereld jubelen
over Uw ontwaken uit de doden,
O Al-Barmhartige

Theotokion     tn.8.
  Om ons zijt Gij uit de Maagd geboren,
en hebt Gij het Kruis ondergaan, o Goede.
Door Uw dood hebt Gij de dood overwonnen
en ons als God de Opstanding getoond.
Veracht het werk van Uw handen niet;
toon ons Uw mensenliefde, o Barmhartige.
Verhoor haar die U gebaard heeft:
de Moeder Gods, die voor ons bidt
en verlos Verlosser het wanhopige Volk
”.

Juli, de 22e – Heilige Maria Magdalena, Myrondraagster en de Apostel-gelijke

      En Maria stond buiten dicht bij het graf, wenende. Terwijl zij dan weende, boog zij zich voorover naar het graf en
zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had.
En zij zeiden tot haar: ‘Vrouw, waarom weent gij?’.
Zij zei tot hen: ‘Om dat zij mijn Here weggenomen hebben en ik weet niet, waar zij Hem neergelegd hebben’.
Na deze woorden keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zij wist niet, dat het Jezus was.
Jezus zei tot haar: ‘Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt gij?’.
Zij meende, dat het de hovenier was, en zei tot Hem:
‘Heer, als gij Hem weggedragen hebt, zeg mij dan, waar gij Hem Hebt neergelegd en ik zal Hem wegnemen’.
Jezus zei tot haar: ‘Maria !’.
Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws: ‘Rabboeni’, dat wil zeggen: ‘Meester!’.
Jezus zei tot haar:
‘Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader; maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader, naar Mijn God en uw God’.
Maria van Magdala ging heen en boodschapte de discipelen, dat zij de Heer had gezien en dat Hij haar dit gezegd hadJohn.20: 11-18.


Heilige Maria Magdalena was afkomstig uit Baghdala, een stad ten westen van het meer van  Galilea.
Toen Christus kennis met haar maakte, benaderde Hij haar en bevrijdde haar van zeven demonen, die haar onophoudelijk lastig vielen, waarop zij een van zijn volgelingen werd.
Na Zijn Kruisdood en Opstanding kwam zij als een van de Myron-draagsters naar het graf en trof daar met haar zusters twee engelen aan, die in het wit gekleed waren en deze kondigden haar aan, dat de Heer niet meer dáár was, maar dat Hij was verrezen, was opgestaan.
Na de neerdaling van de Heilige Geest met Pinksteren bleef zij de vroeg-Christelijke Kerk in Jeruzalem dienen.
Vervolgens trok zij naar Ephese en woonde vlakbij Johannes de Theoloog, waar zij uiteindelijk stierf. Zij werd begraven bij de ingang van de grot, waar later de zeven maagden van Ephese sliepen.

Apolytikion     tn.1.
Christus, Die voor ons uit de Maagd geboren is,
hebt gij nagevolgd, eerbiedwaardige Maria Magdalena,
door Zijn Geboden te onderhouden.
Daarom vieren wij heden uw heilige gedachtenis;
wij roemen u in geloof en eren u met liefde.

Kondakion     tn.5.
Toen de bovenwezenlijke God Zich in het vlees in de wereld bevond
heeft Hij u tot een ware Leerlinge gemaakt, heilige Myrondraagster,
omdat gij heel uw streven op Hem had gericht.
Daardoor hebt gij veel zieken genezen
en nu bidt gij zonder ophouden voor de wereld.

Het rode ei van Maria Magdalena, ….. dè oplossing …..
Het gaat niet om ‘wie’ je wel niet bent, maar om ‘wat’ je doet!
Dit is waar het werkelijk om draait.
Dit is het verschil tussen succes en falen.
Tussen leven vanuit de dingen die komen gaan of ploeteren.
Tussen leven zoals je wilt of leven zoals je denkt dat je dient te leven.

Het gaat niet om ‘wie’ je wel niet bent, maar om ‘wat’ je doet! Wie je bent òf je van goede komaf bent of niet, dat maakt niets uit; je wordt beoordeeld op je daden.
En dat is een lastige keuze, vooral als je jong bent, dat was het ook voor mij en is het soms nog steeds wel.
Want het zit zó in je genen; het zit zó in ons westers systeem verweven.
Dat je wat moet doen. Iets. Wat dan ook.
Om iets te krijgen. Iets te ontvangen.
Je doelen te halen. Verlangens te realiseren. Je dromen waar te maken.
Om te komen waar je wilt komen!
En dat hoe méér je doet; hoe groter je resultaten zullen zijn.
Maar zo werkt het niet! Zo is het niet!

Hoe kan het anders dat er mensen zijn die zich een slag in de rondte werken en toch niet komen waar ze willen? En er ook mensen zijn waar alles bij wijze van spreken als vanzelfsprekend op rolletjes lijkt te gaan? Maar één vinger behoeven te bewegen en alles op zijn plek valt? Omdat het niet gaat om het doen; het gaat niet om actie.
Ook al denk je van wel; ook al ben je overtuigd van wel.
En ik zie het om me heen.
Al die mensen zijn op zoek, naar wat dan ook.
De ‘droom’-baan. De ‘droom’-partner. Het ‘droom’-bedrijf. Dè ‘droom’-carrière.
Op zoek naar ‘weten’ wat je wilt. ‘Weten’ wàt jouw nu eigenlijk gelukkig maakt!
En wat doe je? Veel. Van alles! Je werkt je een slag in de rondte.
Hier heen. Daar heen.
Die cursus volgen, daar een opleiding doen.
Met die praten. Weet ik het. Je doet van alles!
Ze kunnen jouw niet beschuldigen van niets te doen .
En ik zie het bij ondernemers; om me heen.
Die zo graag succesvol willen zijn; mensen willen iets presteren.
En zich een slag in de rondte werken om hun programma’s bij te schaven.
Te perfectioneren. Hun web-site op te pimpen.
Prachtige afbeeldingen te maken voor hun social media, opvallen via Facebook.

Maar leidt het ergens naar toe? Heeft het resultaat?
Ik denk het niet. Ik denk dat ik weet van niet!
Maar ja, het gaat hier niet om mij, het gaat om jou.
Heeft het voor jou resultaat? Werkt het voor jou? Neen?!
Wil je weten waarom? Waarom niet?
Het gaat niet om het doen!
Het gaat niet om wat je doet!; dat jij met je persoonlijkheid opvalt!
Herinner je je nog? Het gaat niet om ‘wie’ je wel niet bent, maar om ‘wat’ je doet! Wáár ben je voor in de wieg gelegd; waar ben je wèrkelijk goed in, wat staat op je lijf geschreven – past bij je. En dat is veelal niet datgene waar je Vader goed in was, jij hebt je eigen kwaliteiten meegekregen en die dien je uit te bouwen.
Niet dat je niets behoeft te ondernemen!
Dat je de hele dag op je meditatie kussentje uit het raam kan gaan staren, tot er je iets invalt. Zo werkt het ook weer niet, maar natuurlijk dien je iets te doen.
Maar het gaat erom van welke plek dàt doen komt!
òf de Heilige Geest het vuurtje aanwakkert, je van binnenuit wordt bevuurd.
Als het doen niet vanuit de juiste plek komt; kun je ik weet ik niet wat ondernemen. Maar zal het je niet brengen wat je er van verwacht! Wat je hoopt! Waar je van droomt!
Het gaat om je innerlijke drijfveren die maken tot wat je bent!
Wie ben jij?
Wie wil je zijn?  
En ben je dat? Of heb je je dat door je omgeving laten wijsmaken? Kun jij dàt leven beleven?
Je creëert je leven namelijk vanuit wat je in je mars hebt!
Je bent een creator vanuit wie en wat je bent!
Vanuit tekort kun je absoluut géén overvloed creëren!
En vanuit angst [òf vanuit ik doe maar wat, want die studie wordt veel gevraagd òf levert het meest inkomen op] kun je geen durven creëren!
Vanuit een gevoel van gebrek aan liefde kun je niet méér liefde creëren!
Het gaat om wat er in je vermogens tot werkelijke hoogten ontplooid kan worden! Wat van jou uit-straalt!
Je dient hèt te in zekere zin te zijn vóórdat je hèt kunt worden!
Wees het! Leef het! En dan? Wat dan?
Eerst dàn onderneem je actie!
En alleen op die manier, verkrijg je de resultaten die je verwacht.
Hetgeen je verwacht, waar je op hoopt. Hetgeen je verlangt, waar je in kunt opbloeien. 
En aldus ben je de ‘bewuste’ grondlegger van je eigen leven!
Het gaat niet om wat je doet, maar om wat je in je mars hebt!
En wàt is hierbij super belangrijk?
Wat is de basis voor dit alles?
Dat je weet -‘wat het is’- dat je wilt!
En weet wie je dient te zijn om datgene te verkrijgen -‘wat het is’- dat je wilt!
En die persoon ben je! . . . . . Nu!
Die persoon leeft! . . . . . Nu!
Het gaat om wat je hebt en niet uit welk nest je komt, weet je nog?!
En dan, alleen dàn, kan het leven je terug geven waar je om vraagt.
Dus begin niet als een kip zonder kop iets te ondernemen, te doen.
Wat je maar denkt dat je dient te moeten doen; o
mdat je bang bent,
z
onder dat je het fundament op orde hebt! betekent gewoon tijdverspilling!
En dàn hebben we het niet eens over wat het doet voor je zelfvertrouwen en al dat soort dingen! Het gaat niet om wat je doet, maar hoe jij je toekomst tegemoet treedt. Wie je uiteindelijk zult kunne zijn!
Wie ben jij?
En wil je deze persoon zijn?
Wat wil je? Waar wil je naar toe? Wat wil je bereiken in je leven?
Wie dien je daarvoor te zijn? en zie dat je die persoon wordt!
En wees vervolgens die persoon!
Leef als deze persoon!
En onderneem eerst dàn pas actie! En blijf doen zoals deze persoon zich dient te gedragen!
Want! Vergeet nooit: Het gaat niet om wat je besluit, maar om wie je uiteindelijk zult zijn! Maria Magdalena onderkende dit pas ná haar ontmoeting met de Heer,
wie en wàt zij diende te zijn; zij gooide het roer totaal om en volgde Zijn Pedagogie; zij werd Zijn volgeling tot de dood aan toe en daarom heeft zij haar Kroon verdiend in het Hemels Koninkrijk.

kort geformuleerd, het ei van . . . . . :
1.]. Met welke verwachting ga ik de wereld in – uiteindelijk mijn graf tegemoet?
2.]. Wat ontmoet ik in de wereld, zijn mijn eieren door Gods hand gegaan zijn en rood van kleur.
3.]. Waarmee kan ik daarmee mijzelf van dienst zijn, als ik weer op mijzelf ben, kan ik dit langdurig vol houden? Acht ik mijzelf gepokt en gemazzeld voor zo’n uitdaging.
4.]. Wat kan ik daarmee aan bieden en ten nutte zijn voor de mensen om mij heen en aan de wereld?

 

Orthodoxie & Dankbaarheid voor hetgeen wij in onze schoot geworpen krijgen

… “Wij danken U, o Christus, onze God, dat Gij ons met Uw aardse goederen gezegend hebt.
Laat toch het Hemels Koninkrijk
voor ons niet verlorene gaan?
”…

Niet velen onder ons zullen dit gebed voorafgaand aan de maaltijd voor ogen hebben. Veelal wordt er een ‘Onze Vader’ gepreveld en zakt iedereen op z’n stoel neer om de maaltijd te nuttigen; reeds sinds de dagen van Karel de Grote maakten het ‘Onze Vader’ de kern uit van de volksdevotie; het werd immers door Christus ‘Zelf’ gepropageerd.
Toch staat bovenstaand gebed in het Nederlands Orthodoxe gebeden boek en
je kunt het nog zingen ook. Telkenmale wanneer we genieten van een maaltijd en dit gebed zingen/bidden, danken we onze Heer en Meester van ons leven,
dat Hij ons een land van melk en honing heeft gegeven,
dat we krijgen wat ons hartje begeert,
dat het ons ontzettend goed gaat en
 dat wij rijkelijk door Hem worden bedacht.
Toch zijn er velen, die zonder gebed ‘aanvallen’, afstand nemen en uiteindelijk
verraad plegen aan het Geloof dat hen van jong’s-af-aan werd bijgebracht.
In onze verwaandheid nemen we veel dat gebeurt in ons leven maar voor lief.

Al Bisharah Camp, 16-20 juli 2018

Het lijkt als vanzelfsprekend dat we te eten hebben, een dak boven ons hoofd, een leuke baan en een zorgzame partner of lieve vrienden hebben, maar dat is het niet. Stel je eens voor als je deze essentiële zaken niet zou hebben?
Inderdaad eerst dàn ervaar je dankbaarheid.
Een vorm van dankbaarheid is tevreden zijn over ons eigen handelen, een gevoel van voldoening – maar besef je wel dat dit niet zo maar een gegeven is; dit wordt je van hogerhand om niets via de ander geschonken.
Gezond zijn, financiële onafhankelijkheid en ‘leven in Vrede’ zijn voor ons aan de orde van de dag, maar sta jij er weleens bij stil dat dit voor velen onder ons ‘niet’ zó vanzelfsprekend is?
Je wordt ’s-morgens wakker en je kunt meer waardering ervaren wanneer je eerst eens de eerste 5 minuten stil staat bij jezelf, je leven en alles waarvoor je dankbaar mag zijn; het besef dat het allemaal ‘niet’ zo vanzelfsprekend is.

Er kan verdriet zijn, maar ook dankbaarheid – verdriet en lijden komt ‘niet’ alleen – ; tranen doen ons beseffen dat we door het water heen een rode draad dienen te gaan zoeken; datgene wat van belang is om weer in evenwicht te komen.
Wanneer je vaker dankbaarheid ervaart, zul je merken, dat je minder negatieve gevoelens, zoals stress, onzekerheid en boosheid, zult ervaren.
Oók zul je je vrienden, familie en eventuele partner meer waarderen en zul je eerder geneigd zijn om belangeloos voor anderen klaar te staan.
Kortom dankbaarheid zal jouw leven en dat van anderen een stuk aangenamer en waardevoller maken.
Veelal zult u denken dat we dankbaar zijn voor datgene wat wij in ons leven als goed en blijmoedig beschouwen, maar daar tegenover staat datgene wat ‘wenselijk’ is en dat is voor velen een Mysterie, iets wat vanwege z’n ingewikkeldheid maar wordt verzwegen.

Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijn wij; We are God’s co-workers; God’s field, God’s building is us; Είμαστε οι συνεργάτες του Θεού. Το πεδίο του Θεού, το κτίριο του Θεού είναι εμάς; نحن زملاء الله. حقل الله ، بناء الله لنا.

God gaf ons alles wat maar begerenswaardig is, – een land van melk en honing – , maar wij betalen Hem veelal met trouweloosheid terug. Sterker nog we doen alsof het een ‘eigen’ verdienste is, datgene wat ons overkomt.
Door God’s Genadegaven hebben we het verdiend om [opnieuw] door de straten van een vrij land bewandelen – “een droom van honderd- en duizenden jaren” -, een droom die vele afgedwaalden zich niet waardig achten te gedenken; het is toch vanzelfsprekend dat de zon voor ons opgaat en ’s-avonds weer vertrekt, dat leert de wereldse wetenschap ons.
En religieus besef – het besef van hoger waarden – dankbaarheid is niet meer op God gericht ‘de ervaring ervan slijt weg’; we hebben er gewoon geen woorden meer voor.
Velen onder ons herkennen de culturele verandering doordat de relatie met het hogere is wegvallen, bijvoorbeeld bij rituelen, een van de aspecten van geestelijke zorg, waarmee de zielzorg zich bezighoudt.
Bij de meeste rituelen staat de relatie met God centraal, echter in de verwereldlijkende westerse omgeving zijn mensen individualistischer en bepalen veel meer ‘zelf’ hun eigen levensverhaal; het –‘Ik’-je viert hoogtij.
En dàn blijft ons een land boordevol halfslachtige gelovigen, die de Kerk niet meer serieus nemen en die klagen dat ‘de Kerk‘ verwoest is, door velen geminacht en … verlaten is en slechts bewoond is door grijsaards.
Toch is er naast het verdriet, dankbaarheid … voor het zaad, dat gezaaid is – voor ons onzichtbaar, klaar om te ontkiemen, teneinde weer vrucht te gaan dragen.
God heeft Israël en de Kerk immers een natie beloofd, een hemels Koninkrijk, dat wil zeggen na het tijdperk van de individuele grijsaards voor wie iedereen ‘nog’ respect kan opbrengen.
De ‘westerse mens’ zoekt het in andere dingen, andere mensen, of het lot: ‘ik ben dankbaar dat het lot mij en mijn partner bij elkaar heeft gebracht’.
Het verschil in houding tussen religieuzen en humanisten wordt goed zichtbaar bij de geboorte van een kind. Gelovige mensen danken God nog steeds voor voor dit geschenk uit de Hemel, hetgeen hun leven een nieuwe glans gaat geven.

De alheilige wereldomvattende Kerk, ‘een Mysterie’ – icoon

Het sieraad, o Israël [Kerk], op uw hoogten ligt het verslagen! Hoe zijn de helden gevallen! Verkondigt het niet te Gat [Hebr. = behorend aan de wijnpers], boodschapt het niet op de straten van Askelon [Hebr. het vuur van de schande of ik zal gewogen worden], opdat de dochters van de Philistijnen [immigrant of land van tijdelijke bewoners] zich niet verheugen, opdat de dochters van de onbesnedenen niet jubelen!
Bergen van Gilboa
[Hebr.= opgezwollen hoop], noch dauw, noch regen, zij op u, gij velden van de heffingen. Want daar is weggeworpen het schild der helden, het schild van Saul [Hebr.=verlangd], niet met olie bestreken.
Zonder het bloed van de verslagenen en het vet van de helden keerde de boog van Jonatan
[Hebr.= de Heer heeft geschonken] nimmer terug en ledig kwam het zwaard van Saul niet weerom.
Saul en Jonatan, de beminden en lieflijken, waren in leven en sterven niet gescheiden. Zij waren sneller dan arenden, sterker dan leeuwen
2Sam.1: 19-23.

Het Onze Vader, de Geloofsbelijdenis en de Tien Geboden vormen het volstrekte minimum dat een kind God’s dient te kennen. De ouders, aangespoord door spelleiders zijn daarvoor verantwoordelijk. Wie ze niet kent zou de Goddelijke Liturgie niet herkennen; waar zij immers onder aanvoering van een diaken worden gezongen/gebeden – vreemd is echter dat er zoveel verschillende vertalingen de ronde doen – éénheid in gebed zou de algemene christelijke levenswijze dienen te zijn.
Het volk dient te leren bidden, want het gebed is onontbeerlijk voor de Verlossing. Het Onze Vader is van alle gebeden het meest effectief, zowel omdat het ons door Christus is geschonken als om zijn zinvolle kortheid, waarin alles is begrepen wat wij moeten wensen en vragen.
Het is kenmerkend dat christenen meer bidden dan danken; er wordt meer gebeden omdat we van problemen verlost willen zijn.
We zouden ons meer op ‘danken’ dienen te bezinnen.
Indien je niet iets kunt bedenken om voor te danken, bid dan met je ogen geopend en dank Hem voor alles wat je ziet.
Na slecht nieuws komt dankbaarheid veelal niet bij ons op.
Ten opzichte van ontwikkelingslanden zijn mensen in onze ontwikkelde landen minder dankbaar en dat terwijl hier alle primaire levensbehoeften aanwezig zijn en wij niets te klagen hebben.
Het klopt dat dankbaar zijn een houding van een christen is.
Een christen dient daarin herkenbaar te zijn.
Hoe groot het lijden ook is, een christen wordt dankbaar
door de Hoop, Die er is, het Hemels koninkrijk.
Tel je zegeningen ‘laat zien wat je wél hebt’, God wil ons immers
laten ontdekken hoe we in Christus gezegend zijn.
Wat ons ook overkomt wij blijven vertrouwen op de goede afloop en danken onze Heer en Verlosser ook in moeilijke tijden, want we krijgen dit op onze weg om ervan te leren.
  Zij zagen de werken des Heren: Zijn wonderdaden in de geweldige diepte.
Hij sprak, en een stormwind stak op: de golven werden opgezweept.
Zij vlogen omhoog naar de hemel, en vielen omlaag in de diepte:
hun ziel kromp ineen van ellende.
Zij schudden en slingerden als waren zij dronken
al hun bedrevenheid schoot tekort
Psalm.106[107]: 22-25.

Op zeker niveau leert de Blijde Boodschap dat God de wereld schiep met ‘spraak’ [En God zei, ‘laat er licht zijn’, en er was licht, etc].
In het Joodse streven naar innige vereniging van de ziel van God, welke hunkert naar Verlossing wordt uitgelegd dat de 22 heilige letters van het Hebreeuwse alef-bet de spirituele ‘bouwblokken’ zijn van alle geschapen realiteit.
De naam van een Heilig bestaan van iets vertegenwoordigt in de Heilige Taal de combinatie van geheiligde letters die hun onderscheidende kenmerken en het doel en rol reflecteert naar waar het werd geschapen.
Zo wordt een Joodse [Hebreeuwse] naam de spirituele roepnaam, die de unieke karaktertrekken en de door God gegeven schenkingen symboliseren.
Ideaal gezien dient ieder mens, die 24 uur per dag te gebruiken, niet alleen wanneer je wordt opgeroepen om de Thora, de Blijde Boodschap [voor] te lezen of wanneer gebeden door of voor jou worden uitgesproken.
Je [Joods- Christelijke] naam functioneert als een geleide, die spirituele energie kanaliseert van God in je ziel en je lichaam. Dit is waarom, zo zeggen de Chassidische meesters, een onbewust persoon vaak zal antwoorden en zal opleven wanneer zijn of haar naam wordt genoemd.
Volgens Joodse gewoonte wordt een kritiek zieke persoon soms een toegevoegde Joodse naam gegeven – zoiets als een spirituele ‘bypass-operatie’ om nieuwe frisse spiritualiteit samen te voegen rond hun bestaande naam en in hun lichamen.
Als gevolg van de instroom van spiritualiteit wordt het lichaam hernieuwde kracht gegeven zichzelf te genezen.
Gewoonlijk wordt je veelal door de ouders een naam toegewezen na je geboorte.
Joodse jongens krijgen hun naam op de achtste dag na hun geboorte tijdens de Briet Mila [besnijdenis] en Joodse meisjes bij de Thora-lezing kort na de geboorte.
Je naam wordt gekozen door je ouders die je vaak vernoemen naar een geliefde die is overleden. Of, wanneer je niemand hebt om te herinneren een [Bijbelse, Christelijke of Hebreeuwse] naam naar eigen keuze. De Joodse wijzen hebben verklaard dat de keuze van de naam ‘een kleine profetie‘ inhoudt, omdat de naam die zij kiezen conform de aard van je ziel is.

Klim wedstrijd op een door oorlog gehavende muur

Indien wij onze jeugd achter ons hebben gelaten koestert de mens z’n kinderlijke identiteit, welke een beetje sneu overkomt, alsof hij/zij zich vastklampt aan een aloude, gênante betovering, die vooral van nut geweest is om blijk te geven van grote dadendrang.
Het blijken slechts ijdelheden, het draait in het leven niet om uiterlijkheden, niet om wie, maar om wàt iemand is, de aard en het karakter …..; je persoonlijke afkomst wordt bepaald ‘door de wijze waarop jij je gedraagt‘.
Op jeugdige leeftijd zijn de ‘enig’ echt belangrijke aspecten van iemands identiteit zijn/haar seksuele prestaties, z’n professionele wapenfeiten en geld – al ras blijkt dat de meesten op deze drie punten tekort schieten.
Dankij de aversie tegen dikdoenerij beseffen velen vervolgens dat ‘het gewichtig doen’ hen tegenstaat, dat ‘duur’ doen te patserig is en je ‘met eenvoud‘ in je eigen levensonderhoud dient te voorzien. We zijn niet allemaal geboren als rijkeluiszoontje en behoeven onszelf daarmee derhalve niet kwellen. We dienen zèlf te proberen onze broek op te houden en òf dat lukt hebben we veelal [als gevolg van gezondheid’s-problemen] niet zèlf in de hand.
Ambities worden vervolgens al snel in de kiem gesmoord.
Dat je een alledaags/gewoon leven gaat leiden is niet te wijten aan het feit dat je een slecht betalend beroep hebt gekozen of aan je ouders, omdat ze je niet voldoende hebben gestimuleerd.
Eigen verantwoordelijkheid en sociale bewogenheid dragen méér bij aan de persoonlijke ontwikkeling dan menigeen denkt. Het draait er in het leven niet om met buitenissige dingen indruk te maken. Het belangrijkste wat wij onze kinderen diene bij te brengen is dat zij in het leven staande kunnen blijven en dat begint naast esthetiek, sociaal bewustzijn, passie en toewijding met:
– leren lopen, leren luisteren, leren praten, leren fietsen [zeker in Nederland behoeven we niet allemaal een auto (via een banklening) te bezitten] en in Nederland is het ontzettend belangrijk te leren zwemmen.
– hoe eenvoudiger je je bestaan kunt inrichten, hoe rustiger ook je bestaan zal worden; wij zijn immers nomaden en verwachten iets groters, omdat juist dìt ons van Godswege beloofd is.

Narcistische spelleiders blijken niet zo goed te presteren, indien hun werk objectief onderzocht wordt, inderdaad, ze zijn bedreven in politieke spelletjes . . . . . en al helemaal niet als hun leiding wordt omschreven als “hufters [arseholes] op de vloer van de gemeenschap”. Slechte spelleiders versterken de hufters en slijmballen in de manier waarop gemeenschappen in elkaar zitten.
Eerst dàn blijkt wáár wij ten opzichte van elkáár tekortkomen
, elkáár tekortdoen en tekortschieten.
Goed, je hebt mensen die menen dat de Schepper hen zegent op al hun wegen en dus volmondig roepen dat God niet teleurstelt. Maar kijken ze wel iets verder dan hun neus lang is, dan hun eigen kleine leventje?
Naar deze wereld vol leed, ziekte en verdriet?
Wij gelovigen vinden het ‘not done’ om te verkondigen dat God teleurstelt.
Wij roepen maar al te vaak in koor: ”Mensen stellen teleur maar God nooit”.
Ik vind dat eigenlijk een beetje raar, je krijgt er het gevoel bij dat het een leugen is of napraterij. Laten we dàt nu eens even van ons afschudden en eerlijk zijn.
Er zijn dingen in ons en in iemand anders leven die [mits je er open ogen en oren voor/naar hebt] uiterst teleurstellend kunnen zijn.
Wanneer de Kerk beweert dat alles wat ons overkomt uit Gods hand komt,
dan is het vrij onlogisch om als je kind ziek wordt, daaraan lijdt en dàn gaat roepen dat God nooit teleurstelt.
Dat is een masker dragen van vroomheid en daaronder zit de pijn en het onbegrip over het hoe en waarom je gebeden voor je lijdende en wellicht reeds overleden kind of geliefde brandt.
Een van de allerbelangrijkste dingen in het leven is eerlijkheid, ten opzichte van jezelf en ten opzichte van anderen.
Daar is lèf voor nodig want ons is min of meer jarenlang voorgehouden dat een kind van God positief is en nimmer teleurstellingen op de diepe overtuiging van de Schepper schuift.
Te ervaren dat naast de mensen, zelfs God teleurstelt is een teken van ‘ongeloof en zwakte’. Zo werd het u en mij immers geleerd; nu ben ik maar al te vaak teleurgesteld door God.
Dat lag nimmer aan Hem, begrijp mij goed, doch het beeld dat ik van Hem gevormd had was fout.
☦️

Sunset Sunday 15th of July 2018 – foto Vincent van Buuren.

God is niet de grijze oude man op een wolk, zoals die in menige fresco of icoon wordt afgebeeld en ons wel eens even zal geven waar we om vragen.
Hij is in veel de onbegrepene, een groot Mysterie.
Neen, in onze hoogmoed vernedert, dienen wij een toontje lager te zingen en dient niet God veranderen, doch dienen wij ons beeld van Hem te veranderen.
Wij dienen te leren dat God Zich niet laat vangen in het kleine vakje van onze kleinmenselijke logica, ons werelds denkvermogen.
Eerst dàn zullen wij nimmer meer teleurgesteld worden in Hem, omdat wij beseffen dat Zijn denken anders, ja hoger is dan het onze.
Iedere dag opnieuw doet God Zijn Aangezicht bevrijdend over ons lichten.
Hij is een God, die ons draagt en voedt, koestert en bemint.
Ieder moment van de dag is Hij aanwezig en legt Zijn hand op je hoofd, noemt
je bij de naam en geeft je het brood des levens.
Vertrouwen op God, daar komt het op aan en dat misschien moeilijk te aanvaarden, maar niet onmogelijk ….. als je maar wilt.
God zal ons ook in deze tegemoet komen.
1.]. Verheug je wanneer je de eerste fase hebt bereikt;
2.]. Versterk jezelf door gebed wanneer je in de tweede fase bent aangeland
en
3.]. Stort je vreugde bij Hem uit wanneer je je dankbaarheid over de gelukzaligheid bij onze ‘Heer en Meester’ kenbaar kunt maken.

8e Zondag na Pinksteren – de wonderbare Broodvermenigvuldiging

      En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote menigte en Hij werd met ontferming over hen bewogen en genas hun zieken.
       Bij het vallen van de avond kwamen de discipelen tot Hem en zeiden:
‘ De plaats [hier] is eenzaam en de tijd is reeds verstreken; zend dan de menigte weg, dan kunnen zij naar de dorpen gaan om spijzen voor zich te kopen. 
Maar Jezus zei tot hen:
      Zij behoeven niet weg te gaan, geeft gij hun te eten.
Zij zeiden tot Hem:
‘ Wij hebben hier niets dan vijf broden en twee vissen.
Hij zei:
      Brengt Mij die hier’.
En Hij beval de scharen, dat zij in het gras zouden gaan zitten, nam de vijf broden en de twee vissen, en Hij zag op naar de Hemel, sprak de zegen uit, brak de broden en gaf ze aan zijn discipelen en de discipelen gaven ze aan de scharen.
En zij aten allen en werden verzadigd en zij raapten het overschot der brokken op, twaalf manden vol. Zij, die gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend.
En terstond dwong Hij de discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, totdat Hij de scharen zou hebben weggezondenMatth.14: 14-22.

      Doch ik vermaan u, broeders, bij de Naam van onze Here Jezus Christus: weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn; weest vast aaneengesloten, een van zin en een van gevoelen.
       Mij is namelijk omtrent u, mijn broeders, medegedeeld door de [huisgenoten] van Chloe [Hebr. jonge scheut], dat er twisten onder u zijn.
       Ik bedoel dit, dat ieder uwer zijn leus heeft: Ik ben van Paulus [klein, bescheiden]! En ik van Apollos [Hebr. gegeven door Apollo]! En ik van Kefas [Hebr. rotsblok]! En ik van Christus!
       Is Christus gedeeld?
      Is Paulus dan voor u gekruisigd,
òf zijt gij in de naam van Paulus gedoopt?
Ik ben dankbaar, dat ik niemand uwer gedoopt heb dan Crispus [Hebr. gekruld] en Gaius [Hebr. Heer]; zodat niemand kan zeggen, dat gij in mijn naam gedoopt zijt.
Ook heb ik nog het gezin van Stefanas [Hebr. gekroond] gedoopt; verder weet ik niet, dat ik nog iemand gedoopt heb.
       Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen, en dat niet met Wijsheid van woorden, om niet het Kruis van Christus tot een holle klank te maken1Cor.1: 10-17.

  De Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zij heeft haar zeven pilaren uitgehouwen,
Zij heeft haar slachtvee geslacht, haar wijn gemengd, ook heeft zij haar tafel bereid.
Zij heeft haar dienstmaagden uitgezonden,
zij roept boven op de hoogten van de stad: ‘
Wie onverstandig is, zal zich hierheen keren’;
tot de verstandeloze zegt zij: ‘
Komt, eet van mijn brood en drinkt van de wijn, die ik gemengd heb; laat varen het onverstand, dan zult je leven en betreed je de weg van het verstand’
Spr.9: 1-6.

Conversion of Apostle Pavlos

Paulus heeft hier beslist niet voor ogen om zich met deze woorden geringschattend over de navolging van Christus en de daarop volgende doop uit te laten, alsof die niet van belang zouden zijn. Integendeel, we weten maar al te goed hoe hij de bewuste navolging van Christus op zijn werkelijke waarde weet te schatten.
Bovenstaand wil hij ons openbaren waar zijn roeping ligt: in het verkondigen van de Blijde Boodschap aan de hand van de leer van Christus.
Tegelijk zegt hij hierbij iets uiterst belangrijks over tot het hoe en wat van die verkondiging – zeker ook voor onze tijd – terwijl wat hij zegt onthullend is ten aanzien van de gemeenschap te Corinthe en zo als het ware een ‘verborgen’ aansporen tot beter gedrag inhoudt, welke eveneens tot ons is gericht.

Paulus spreekt hier namelijk de mensen aan voor wie ‘Wijsheid’ vanuit de wereldse filosofie een tweede natuur geworden is, en dan met name de vrucht van het denken – zo belangrijk is geworden. Het van oorsprong Griekse denken staat in haar essentie haaks op het Joodse, maar zeker ook op het Nieuw-Testamentisch denken en beleven.
Een Wijsheid die in het Licht van God dan ook zonder meer en zonder verdere toelichting dwaasheid heet, terwijl omgekeerd Gods wijsheid in het werelds denken als een dwaasheid wordt beschouwd.
Als een en ander ergens expliciet naar voren komt dan is dit wel bij het Kruis –
neem je kruis op en volg Mij’ zegt Christus immers.
Wij behoeven ons eigen kruis niet te maken, ofschoon het ongeloof een voortreffelijk timmerman is in het vervaardigen van Kruisen; ook wordt het ons niet veroorloofd ons eigen kruis te kiezen, hoewel de eigen wil zo vaak ‘Heer en Meester’ van het eigen leven tracht te blijven.
Maar een kruis wordt voor ons geregeld en aangereikt door de Goddelijke Liefde.
Blijmoedig dienen wij het aan te nemen; wij dienen ons kruis op te nemen als het kenmerk van onze keuze, en niet er voor blijven staan om het ongevraagd te regelen.
Deze ontmoeting gebiedt u allen als Jezus uw schouder te buigen onder Zijn zachte juk. Wees dan niet weerspannig, verzet je er niet tegen, trap er niet op door zelfverheerlijking; val er niet onder neer in wanhoop; ontloop het ook niet in angst en vrees, maar neem het op als een waar volgeling van onze Heer Jezus Christus.
Onze Heer en Meester was een kruisdrager, Hij gaat ons voor op de weg van de smart; je zou je absoluut geen betere gids kunnen begeren!
En daar Hij een Kruis draagt, welk een edeler last zou jij dan nog weten te begeren? De weg van het Kruis is immers de veilige weg; vrees niet de met doornen overwoekerde paden te betreden; het menselijk kruis is immers niet met fluwelen paden geplaveid, het is zwaar en voor onwillige schouders kneuzend; maar het is geen ijzeren kruis, al schildert uw vrees het met een ijzerkleur; het is slechts een houten kruis, en gij kunt het dragen; want de Man der Smarten heeft het getorst.
En neem van mij aan, God zal z’n kinderen niet overbelasten – Hij zorgt dat je over de mogelijkheden/middelen beschikt om de weg te volbrengen.
Neem derhalve je kruis op en door de Kracht van Gods Geest zult je het weldra zo beminnen, dat je, net als Mozes, de smaadheid van Christus niet zou willen ruilen voor de schatten van Egypte.
Bedenk dat Christus hèt Kruis gedragen heeft en hèt Zijn zoete geur zal geven; bedenk dat er eertijds de Kroon van het leven op zal volgen.
Wij volgelingen van Christus dragen ons kruis met geestdrift, in vuur en vlam als in het boek Daniël.
Schijnbaar liepen de Corinthiërs het risico het kruis te veel te benaderen en te verkondigen vanuit de ‘eigen wijsheid’ in plaats vanuit de wijsheid van God.
Wat zij schijnbaar niet beseften was, dat het kruis op die manier tot een holle klank werd gemaakt. Dat wil feitelijk zeggen, van haar kracht beroofd.
Juist het kruis blijkt volgens Paulus het hart van de Blijde Boodschap van Christus en dus van Zijn Leer.

En wanneer iemand in elk opzicht van zijn bestaan heeft ervaren wat de Kracht van het Kruis is, dan is het Paulus wel geweest. Het heeft hem gegrepen en juist daardoor heeft hij de waarde aan inhoud ervan begrepen.
Hij weet als niemand anders wàt de Kracht wel niet is van de Verkondiging van de Leer van Christus, met als fundament het opnemen van je persoonlijk kruis.
Het persoonlijk kruis confronteert je namelijk met jezelf, het ontmaskert en onthult de verborgen zielenroerselen in het leven.
Het toont je de werkelijke verhouding tot God: ‘Waarom vervolg je Mij?’.
Het raakt je tot in het diepst van je wezen: ‘Adam waar ben je?’.
Wanneer dàt je overkomt, overvalt, kun je jezelf niet redden, je eigen ‘Ikje’ handhaven.
Dàn wordt eerst duidelijk wàt onze Heer en Verlosser verkondigd heeft, namelijk
dàt alleen in het totaal verliezen van jezelf ‘het vinden van het Leven’ ligt.
Hoe staat dit vandaag de dag dwars op het ‘werelds’ denken,
een denken dat als in de tijd van toen, de tijd van de Grieken,
gedreven wordt door de drang tot ‘zelfverwerkelijking’ en ‘zelfhandhaving’.
Paulus laat ons de menselijke onvolkomenheid zien in de confrontatie met
de gekruisigde, maar opgestane Jezus Christus, onze Heer.
Dan vallen de oogkleppen af en hoor je wat werkelijk de bedoeling is.

 

Op de berg van God, de Horeb, sprak God op een steeds zachtere toon en Eliah kwam naar een grot waar hij zijn toevlucht nam. Toen zei de Heer tegen hem: “Ga naar buiten en sta op de berg voor het aangezicht van de Heer“.                       On the mountain of God, the Horeb, God spoke in an ever-softer tone and Eliah came to a cave where he took refuge. Then the Lord said to him: “Go out and stand on the mountain before the face of the Lord ….“. 

Onze Heer Jezus Christus sprak in eenvoudige verhalen, dat wist iedereen.
Daarom luisterde men graag naar Zijn Leer, Zijn parabels en levenslessen; iedereen verstond Hem, het was heel anders dan de woorden van de Schriftgeleerden, die hen slechts de Wet voorschreven.
Maar vandaag vertelt onbegrijpelijke dingen en gaat niet eens in op de vraag van de omstanders: ‘Hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten geven?
Jezus gaat onverstoorbaar verder en lijkt de zaken op de spits te drijven.
Dat staat allemaal te lezen in de beschrijving van bovenstaand gebeuren door Johannes de Theoloog, een lange uiteenzetting die volgt op de wonderbare broodvermenigvuldiging.
      Ik ben het levende Brood, dat uit de Hemel neergedaald is.
Indien iemand van dit Brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, voor het Leven van de wereld.
De Joden dan streden onderling en zeiden: ‘Hoe kan Deze ons Zijn Vlees te eten geven?’.
Jezus dan zei tot hen:
‘ Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn Bloed drinkt, hebt gij geen Leven in uzelf. Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, heeft eeuwig Leven en Ik zal hem opwekken op de jongste dag. Want Mijn Vlees is ware spijs en Mijn Bloed is ware 
drank. Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hemJohn.6: 51-58.

Voor ons is dit ook niet altijd eenvoudig te begrijpen, het betreft namelijk een Mysterie [een wonderbare uiting van de Heilige Geest]; in feite gaat het hier over de eucharistie.
Het Brood is het Lichaam van onze Heer en de wijn Zijn Bloed.
De vraag ligt nu voor de hand: hoe kan dat nu?
Dat is een ernstige vraag. Ze heeft aanleiding gegeven tot grote theologische debatten en meters dikke boeken. Maar ze is in zekere zin ook misleidend alsof het om bovennatuurlijke scheikunde zou gaan.
We komen echter veel dichter bij de kern met de vraag:
“ Hoe kan iemand [God’s kind] in de Liefde zó vèr gaan, dat hij of zij zichzelf te eten geeft? Dat de persoon in kwestie wordt zoals het brood dat wij nodig hebben om te leven?”.

Jezus stelt Zijn omstanders voor een keuze.
Wat eten jullie eigenlijk? Waarvan leven jullie? En voedt dàt óók ècht?
Neemt dàt je honger weg, of blijf je tòch altijd maar weer met een lege maag zitten? Mensen hebben altijd al geweten dat ‘niet alles’ eetbaar en voedzaam is.
Goed en gezond voedsel, daar maken we ons al jaren stèrk voor; maar voedsel is nog zó véél méér dan dàtgene wat door de maag gaat.
De uitdagende woorden van onze Heer Jezus Christus gaan over àlles waarvan een mens leeft. Waarvan leef je in je gevoelsleven, in je contacten?
Met wie ga je om en waarom, en hoe?
Zijn dat contacten die anderen doen leven en waarin je andere tot leven brengt?
En geestelijk: voedt je jezelf met kennis en inzicht?
Met dingen die het weten waard zijn, òf met flauwe kost die je overal kunt krijgen?

Laatste avondmaal, Coptische icoon.

Eigenlijk spreekt Jezus vandaag ook maar eenvoudige taal. Alles wat Hij hier zegt is een commentaar op het Mysterie van het brood, op de wonderbare brood-vermenigvuldiging. Mensen worden pas door het Woord van God verzadigd geraakt, nadat het eerst door Christus’ handen is gegaan.
Wat Jezus vandaag eigenlijk zegt is:
laat dàt wàt jij belangrijk vindt, waarvan jij leeft, eerst door Mijn handen gaan‘.
Ik zal je duidelijk maken wàt voedzaam voor je is en wàt niet.
En, van wàt ik je dàn geef, zul je pas ècht in staat zijn te Leven.
Vervolgens is het aan ons om er een nieuwe Hemel en aarde mee op te bouwen.

Maar hoe doe je dat? En hoe geef je die bezieling door?
Maar hoe houd je de Geestdrift zo door het jaar levend en vurig?
Van oudsher komen christenen daarom bijeen op de dag des Heren, de zondag, omdat ze beseffen dat niets zo snel verwatert als ‘Geestelijke bezieling’.
Ze komen bijeen om te horen hoe Hij ons is voorgegaan, wat Hem heeft bezield.
Dat samenkomen is een ritme dat wij nodig hebben om elkaar te kunnen voeden en bezielde mensen te blijven.
Je hoort wel eens zeggen: ‘maar, thuis kun je toch ook bidden’, daarvoor behoef ìk ècht niet naar een Kerkgemeenschap te gaan, dit past dan uitstekend in onze ‘ìk-cultuur’ en zo werkt het niet bij God.
Maar we weten nog wèl hoe snel Geloof, z’n oude energie en vuur verliest; de Kracht van ons geloof is gelegen in de Gemeenschap, Die we samen vormen; de ‘Communio’, als overtuiging dat de verschijningsvormen van de Vrede onder de volkeren slechts blijft bestaan, zolang er gecommuniceerd wordt.
Vanuit de inspiratie, die we elkaar bieden, kun je zelf dankzij God’s Kracht ‘sterker’ in het leven staan en worden als mens bij alles wat je overkomt.
Natuurlijk kun je die inspiratie ook elders vinden, in de natuur, bij een concert of op een feest bij vrienden – maar Goddelijke Inspiratie bereik je dankzij God en bij God.
    Tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan.
Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest. Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet opnieuw geboren worden. De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren isJohn.3: 5-8. Onze Heer en Verlosser zegt dit in gesprek met een Joods leider, een man van naam, Nicodemus [Hebr. overwinnaar].

 

Christus & Nicodemos, durch Friedrich Hermann Carl von Uhde [ca.1886]

In dàt gesprek naar een Joodse leidsman, die eveneens net als ons blijft zoeken –  gaat het over de vraag: ‘Hoe werkt God nu in je leven?
In dat bekend geworden gesprek doet Jezus een heel radicale uitspraak:
Ik verzeker je: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het Koninkrijk van God zien en binnengaan“.
En even later werkt onze Heer dat nog verder uit, en Hij zegt dan:
Je hebt een natuurlijke geboorte, dat is de geboorte uit de schoot van je moeder. Maar er is ook een tweede geboorte, een wedergeboorte, een geboorte uit de Geest”. Een nieuw begin, doordat de Heilige Geest in je leven aan het werk is. 
Die Heilige Geest, Die maakt dàt je van binnenuit tòt een ander mens wordt en daarbij bovendien totaal vernieuwd wordt.
Wanneer Christus zegt: ‘De wind waait waarheen hij wil...’, dan kun je ook vertalen: ‘De Geest waait waarheen Hij wil…
Alleen al omdat Hij ons zegt:
“… je hoort Zijn geluid, maar je weet niet waar Deze [‘Geest’] vandaan komt en waar Hij heen gaat…”; alleen daarom is het wel heel duidelijk dat Hij die vergelijking trekt met de wind.
En Hij zegt er dan nog bij:
Zo is het ook met iedereen die uit de Geest geboren is, uit de Heilige Geest“.
Zo’n geboorte gaat – door levenspijn heen – en dàt kun je onmogelijk ontlopen.
Ná Zijn Opstanding verschijnt onze Heer ‘in de bovenkamer’ weer aan Zijn leerlingen, zij zijn daar gezamenlijk in gebed en dan staat er:
Vrede zij U”, zoals in de Goddelijke Liturgie
’Η ειρήνη είναι επάνω σου’ – ‘
السلام عليكم’ – ‘Мир всем’.
Hij blaast over ons allen [Zijn adem wordt tot wind], en Hij zegt:
Ontvang de Heilige Geest”.
Wind, adem, Geest, dat is het Mysterie van de Heilige Geest,
dat is eigenlijk de Levensadem, Die van God uitgaat.
En als God, Die Adem in ons leven blaast, dan komen wij tot Léven, tot nieuw Leven, tot een nieuwe geboorte en dàt vindt plaats in de gemeenschap met Christelijke mensen.

Dat is wat Jezus ook al benadrukt:
Als die Geest aan het werk is, dan gebéúrt er wat.
Liturgie [λειτουργία] is oorspronkelijk elke rechtstreekse dienstverlening
van de burger aan z’n staat, aan het Hemels Koninkrijk.
De vroeg-Christelijke Kerk was vanaf het begin een liturgisch Kerk, omdat
de Joden gewend waren aan vaste vormen in de Eredienst.
Het Nieuwe Testament verhaalt allerlei voorbeelden van liturgische praktijken,
van traditionele Joods praktijken [zoals dat Petrus en Johannes naar de Tempel gaan, omdat het het uur van het gebed was] tot Christelijke liturgische eredienst, waarbij ervan uitgegaan kan worden dat de vroege Christenen samenkwamen en Eredienst hielden volgens de Joodse Traditie en daar hun eigen accenten aan gaven, zoals de duiding van het breken van het -onder aanroeping van de Heilige Geest- geHeilige Brood en het drinken van de -op dezelfde wijze geHeiligde Wijn, welke als “Lichaam en Bloed van Christus’ de Maaltijd des Heren voor de gedoopte Christen vormde.
De navolging van Christus begon de vroeg-Christelijke Kerk niet met een schone lei, evenmin zoals onze Heer, dat deed. Ze baden als Joden en hielden hun eredienst als Joden. De eerste Christenen waren Joden die Jezus Christus erkenden als de beloofde Messias en de eredienst die ze hielden volgde de gebruikelijke Joodse vormen.
Daarom zien we in het Nieuwe Testament dat de eerste Christenen hun Joodse religieuze praktijken voortzetten, terwijl ze ook op Jezus Christus gerichte praktische invulling ontwikkelden, vanuit de woorden van onze Heer en Verlosser Jezus Christus gezegd heeft:”   Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis. Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor u vergoten wordt” Luc.22: 19-20.
Het nieuw geduide maaltijd-ritueel dat ingesteld is bij het Laatste Avondmaal met Zijn Apostelen werd in de vroege Kerk aanvankelijk afzonderlijk gevierd.
Deze continuiteit [van Tempel naar Synagoge] naar de vroege Christelijke Kerk maakte het mogelijk dat de Christelijke Kerk aan het eind van de eerste eeuw reeds een ‘hoog’ ontwikkelde liturgische vorm had.
De Orthodoxe Kerken praktiseren de continuïteit zelfs in de vorm van een soort
onveranderlijkheid. De Orthodoxe Kerk wordt ook wel getypeerd als “vast-besloten om trouw te blijven aan het verleden, vasthouden aan het Mysterie van de levende continuïteit van de vroeg-Christelijke Kerk“.
Deze toewijding om de Blijde Boodschap te beschermen en om het Woord en de lof van/aan God in stand te houden komen voort uit de overtuiging dat het Geloof aan Christenen gegeven werd door Jezus Christus.
Indien Christenen “Apostolisch” willen zijn, dan dienen zij tot dezelfde Kerk te behoren, Die onze Heer en Verlosser, Jezus Christus stichtte, Die in de eerste eeuw tot stand kwam.
John Meyendorf, een bekend Orthodox Theoloog, haalde in z’n boek ‘Woman and the Priesthood’ aan, dat “alle Christenen op een bepaalde manier tijdgenoten van Jezus Christus dienen te worden…“. Dat dìt in de een-en-twintigste eeuw niet langer een absolute norm is, in de Apostolische eerste eeuw was het dàt voorzeker wèl.
  Komt, eet dan van Mijn Brood en drinkt van de Wijn, Die Ik gemengd heb;
laat varen het onverstand, dan zul je leven en betreed je de weg van de Wijsheid, het nuchtere verstand”.
  
Zoals het was in de tijd van Johannes, de Theoloog, zo is het ook in onze tijd:
Het Geloof staat of valt met de aanvaarding van de persoon van onze Heer Jezus Christus, Die ons heeft verlost.
Dàt aanvaarden van Jezus Christus, als Zoon van de Levende God, Hèm toelaten in je leven, Hem ontmoeten en vooral: Hem ‘eten en drinken’ – dat is vèrre van vanzelfsprekend.
Want ‘eten en drinken’ duidt op toetreden tot aan een persoonlijke intimiteit en op gemeenschap mèt Hèm, die jou bemint als z’n eigen broeder, zuster.

Apolytikion     tn.7.
  Door Uw Kruis zijt Gij de Overwinnaar van de dood
en hebt Gij het Paradijs geopend voor de Rover.
De droefheid der Myron-draagsters hebt Gij veranderd in vreugde,
en Gij hebt haar gezonden tot de Apostelen om te verkondigen,
dat Gij waart verrezen, o Christus onze God,
om aan de wereld grote Genade te schenken
”.


Kondakion     tn.7.
  Niet langer houdt de onderwereld de gestorvenen vast,
want Christus is er afgedaald,
en heeft diens kracht vernietigd.
De hades is geboeid;
de Profeten jubelen en roepen:
de Verlosser is aan de gelovigen verschenen.
verheft u in het Geloof, ter Opstanding
“.

Theotokion     tn.7.
  Gij zijt de schatkamer van onze Opstanding, o Albezongene.
Voer daarom hen die op U vertrouwen,
vanuit de poel en de afgrond omhoog.
Want Gij hebt ons,
die aan de zonden schuldig waren, verlost,
doordat gij de Verlossing gebaard hebt.
Voor deze Geboorte waart Gij Maagd,
en in die Geboorte waart Gij Maagd
en zijt na deze Geboorte Maagd gebleven
”.

Juli, de 20e – de Heilige Profeet Eliah, de ‘Tisbiet’

    En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken en de Heer zal hem oprichten.
En wanneer hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden.
      Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkaar, opdat jullie genezing ontvangen. Het gebed van een Rechtvaardige vermag veel, doordat er Kracht aan verleend wordt.
      Eliah was slechts een mens zoals wij en hij bad een gebed, dat het niet regenen zou, en het regende niet op het land, drie jaar en zes maanden lang en hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen en de aarde deed haar vrucht uitspruiten. 
Mijn broeders, indien bij u iemand van de Waarheid afdwaalt, en een ander brengt hem tot 
inkeer, weet dan, dat, wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, diens ziel van de dood zal behouden en tal van zonden bedekkenJac. 5: 15-20.

De Profeet Eliah [Hebr: אֵלִיָּהוּ, ’elijjāhû of verkort אֵלִיָּה, ’elijjāh, “[Mijn] God is  Heer (JHWH)”; Oudgrieks: Ἠλείας, Èleias; Arabisch: إلياس, Ilyās] was volgens de traditie van de Hebreeuwse Bijbel een van de belangrijke profeten.
Hij was afkomstig uit Tisbe in de streek Gilead en had daarom de bijnaam “de Tisbiet”. Eliah is jongensnaam afgeleid van Eli – als meisjesnaam komt het tereug in Elisabeth: Hebreeuws: ‘De Heer [‘Jahweh’] is [mijn] God’.

Het optreden van deze belangrijke profeet wordt geplaatst in de periode van de koningen Achab [870-851 v.Chr.] en Achazja [851-850 v.Chr.], waarbij de Israëlieten afvallig werden en ook goden als Baäl en Ašerah waren gaan aanbidden.
De Profeet Eliah ging naar koning Achab en kondigde een grote droogte aan.
Toen niemand zich bekeerde, verborg hij zich bij de beek Cherith, waar hij elke ochtend en avond door raven werd gevoed. Bekend is het verhaal van zijn ontmoeting met de weduwe van Sarfat. Hij zou daarbij twee Mysteriën [wonderen] hebben verricht:
1.]. het meel in de pot raakte niet op, de kruik met olie raakte niet leeg.
2.]. hij zou het gestorven zoontje van zijn gastvrouw weer tot leven hebben gewekt.
Op de berg Karmel kwam het tot een beslissende ontmoeting met priesters van de Kanaänitische god Baäl, waarbij God op Elia’s gebed vuur uit de hemel zou hebben laten neerkomen terwijl daarvoor de offers van de priesters van Baäl zonder vuur waren gebleven. Op bevel van Elia werden deze Baäl-priesters vervolgens door toekijkende Israëlieten gedood.
Hierna moest Eliah vluchten omdat koningin Izebel, de vrouw van koning Achab, dreigde hem te laten ombrengen.
Aangekomen bij de berg Horeb in de Sinaïwoestijn zou hij een diepgaand zielsgesprek met God hebben gehad, waarin hij opdracht kreeg om een opvolger [Elisha] te zalven.
Omdat koning Achab op onrechtmatige wijze de wijngaard van Naboth zou hebben verkregen, waarbij deze laatste werd gestenigd, moest Elia van God Achab en diens vrouw Izebel hun dood aanzeggen; hun sterven vond niet lang daarna plaats.

De Joden verwachten op grond van een voorspelling de terugkomst van Elijjāhû Maleachi 3:1, voorafgaand aan de komst van de Messias.
Men zet daarom nog steeds bij de besnijden van pasgeboren joodse jongetjes op de achtste dag [= isbriet mila] de deur open en een stoel voor hem klaar.
Door de besnijdenis wordt een man [net als onze Doop] opgenomen in het Verbond dat God gesloten heeft met aartsvader Abaraham;
net zoals een kind opgenomen wordt in het het navolgeling zijn van Christus. Weigert een onbesneden man zich te laten besnijden, dan kan hij ook niet worden opgeroepen voor de Thoralezing;
kan hij volgens sommige rabbinale geleerden niet deelnemen aan een Pesach-seder en wordt hij ook in verschillende andere zaken als een niet-jood beschouwd.
Over deze profeet Eliah wordt beschreven hoe hij door een vurige wagen naar de hemel werd gebracht 2Kon.2: 11; z’n leerling in het profeten-vak Elisha was hier getuige van.  Vanwege de verwachting dat deze profeet weer naar de aarde zal worden gezonden plegen de joden daarom tijdens de sederavond eveneens een extra bord op tafel te zetten en de deur open te laten voor het geval dat Elia op dat moment bij hen terugkomt.
Het is daarom in streng-christelijke gezinnen wel gebruik geweest, een extra plaats bij de hoofdmaaltijd voor Christus te dekken – om Hem in hun nabijheid te weten.

In de weergave van de Gedaanteverandering van onze Heer en Verlosser, Jezus Christus wordt  de Transfiguratie geopenbaard waarbij onze Heer Zich aan de uitgelezen Apostelen Petrus, Jaäcobus en Johannes op de berg Tabor i
n Zijn volle Heerlijkheid openbaart.
Christus wordt daarbij omschreven als het Goddelijk Licht en
wordt vanuit een wolk toegesproken door God:
Dit is mijn eniggeboren Zoon, Die ik Liefheb”; hierbij
werd Jezus door Elijjāhû [Eliah] en Moshje [Mozes] geflankeerd.
Mozes en Eliah waren twee personen in het Oude Testament die
⁌ De Wet en de profeten verbeeldden;
⁌ Beiden zouden volgens de Traditie niet gestorven zijn [de aartsengel Michaël  zou met de duivel om het lichaam van Mozes hebben gevochten [, zie Henoch];
⁌ Beiden zouden -als leiders van hun Volk- een ontmoeting met God op de berg Sinaï hebben gehad;
⁌ Beiden worden bij de Komst van de Messias terug verwacht .

Eliah heeft geen geschriften nagelaten, zoals de andere profeten, maar de weinige woorden die van hem zijn overgeleverd, zijn geladen met macht en daadkracht. Daardoor had hij een grote invloed op zijn volk, dat hij uit de Baälsdienst weer tot God wist terug te brengen.
Het is juist veelzeggend dat hij naast Mozes bij Christus’ Verschijnen op de Thaborberg naar voren treedt. Zijn taak is echter nog niet afgelopen: Christus noemt Johannes de Doper de Eliah, die komen moest. En in de visioenen van Johannes de Theoloog in zijn Openbaringen speelt Eliah een rol in de eindtijd van de wereld. 

Apolytikion     tn.4.
  U was een Engel in het vlees, het uitgangspunt van de profeten
en de tweede Voorloper van Christus’ komst, roemrijke Eliah.
U hebt uit de Hoogte uw geest gezonden op Elisha,
u verjaagt ziekten en reinigt melaatsen;
en doet zo ook genezing opwellen voor allen, die U vereren
”.

Kondakion     tn.2.
Profeet en Schouwer van God’s Machtige Daden, vermaarde Eliah,
die door uw woord de regenwolken gevangen hield,
bidt voor ons tot de Enige, Die de mensen liefheeft
”.

7e Zondag na Pinksteren – genezing van de blinden en de doofstomme

‘Dat Vrede mag stromen als wind door de bomen’;
‘ That Peace may flow as wind through the trees’;
‘Ότι η Ειρήνη μπορεί να ρεύσει όπως ο άνεμος μέσα από τα δέντρα’;
‘أن السلام قد يتدفق كالرياح عبر الأشجار’.

      En terwijl Jezus vandaar verder ging, volgden Hem twee blinden, al roepende en zeggende: Heb medelijden met ons, Zoon van David!
En toen Hij het huis was binnengegaan, kwamen de blinden tot Hem, en Jezus zei tot hen:
‘Gelooft gij, dat Ik dit doen kan?’. Zij zeiden tot Hem: ‘Ja, Heer’.
Toen raakte Hij hun ogen aan en zeide:
‘U geschiede naar uw Geloof’.
En hun ogen gingen open. En Jezus verbood hun ten strengste en zeide: Ziet toe, niemand mag dit weten!
Maar zij gingen heen en maakten Hem in die gehele streek bekend.
       Terwijl zij heengingen, zie, men bracht een doofstomme bezetene bij Hem.
En nadat de boze geest was uitgedreven, sprak de doofstomme.
En de scharen verbaasden zich en zeiden: ‘Zo iets is nog nooit in Israël voorgekomen!’.
Maar de Farizeeën zeiden: ‘Door de overste der boze geesten drijft Hij de geesten uit’.
        En Jezus ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun Synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaalMatth.9: 27-35.

Hoe wonderlijk zijn de wegen die U met ons gaat

      Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden der zwakken verdragen en niet onszelf behagen.
Ieder van ons dient zijn naaste trachten te behagen, ten goede, tot opbouwing, want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar, gelijk geschreven staat:
       ‘ De smaadwoorden van hen, die U smaden, kwamen op Mij neer’.
Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting van de Schriften de Hoop zouden vasthouden.
       De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar [het voorbeeld van] Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit een mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus moogt verheerlijken.
Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid GodsRom.15: 1-7.

Opnieuw worden we opgeroepen eensgezind te zijn en te volharden  – niet onszelf te behagen.
Het gaat hier over oordelen in verband met Wetmatigheden, volgens een bepaald systeem, dewelke wij onderling met elkaar afgesproken hebben.
Eten of niet eten en het al dan niet houden van bepaalde dagen en dat soort aangelegenheden.
Paulus begint met: “Maar ‘wij’, die sterk zijn …”.

Zou hij dit ironisch bedoeld hebben? Wij vinden immers onszelf immers altijd sterk, ‘wij’ weten hoe het moet, wij zijn beslist niet de zwakke in de menselijke samenleving.
Hoe het ook zij – wij hebben het met onszelf getroffen; ‘wij’, die sterk zijn,
behoren de zwakheden van de niet-sterken te dragen en ‘niet’ onszelf te behagen.
In de gehele Blijde Boodschap komen wij dit principe tegen.
Niet ‘ik’ moet centraal staan, maar ‘mijn naaste’.
Christus geeft het in de verwoording van Mattheüs ten opzichte van ons [farizeeërs] als volgt weer: “   Gij zult de Heer, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de gehele Wet en de ProfetenMatth.22: 37-40.
Het liefhebben van God en het liefhebben van de naaste staan dus gelijk.
Betekent dat nu dat ik mijn naaste in de watten moet leggen?
Nee, dit gaat nog veel en veel verder, dit behagen of liefhebben van onze naaste heeft een doel.
In de watten leggen doe je om uiteindelijk ‘zelf’ aardig gevonden te worden, maar dat is in ‘dit geval’ niet belangrijk: “Laat ieder van ons de naaste behagen ten goede, tot opbouwing”;

letterlijk staat hier de eis, tot in het goede.
Net zoals we gelezen hebben in:
    Maar wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten [tot in] het goede“  Rom.8: 28. Wanneer we deze tekst vervolgen dan lezen we en zien we dat dàt goede ‘Christus’ is. En ook hier in bovenstaande is dàt ‘goede’, dat Goddelijke – Christus.
Dàt is de opbouwing, die hier genoemd wordt.
Het is de bedoeling dat óók bij de zwakken Christus openbaar komt.
En natuurlijk gaat God ook dáár voor zorgen.

Christus was niet op Zichzelf gericht, Hij had alleen oog voor God.
Hij heeft zichzelf niet behaagd: “De schandelijke beledigingen van hen, die U smaden, zijn op mij gevallen”. Alle beledigingen ten opzichte van God zijn op Christus neergekomen en Hij verdedigde Zichzelf nooit!

Dat wat Paulus hier schrijft is eigenlijk niets nieuws, hetgeen blijkt uit:

Want alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat
‘wij’ door de volharding en door de vertroosting van de Blijde Boodschap
slechts de Hoop zouden hebben.

De gehele Blijde Boodschap en dus ook het Oude Testament is niet ‘zomaar’ een boek.
Je kunt het lezen als een geschiedenis, als een historische opsomming,
alles wat beschreven wordt is ook ‘inderdaad’ op die manier gebeurt, maar
niet alles is opgeschreven.
Johannes de Theoloog schrijft immers aan het slot van zijn verwoording van
zijn versie van het Evangelie in het allerlaatste vers:

Er zijn nog vele andere dingen die Jezus heeft gedaan, waarvan
ik denk dat als zij één voor één werden geschreven, zelfs
de gehele wereld de geschreven boeken niet zou kunnen bevatten
”.

Maar de dingen die Johannes wel beschreven heeft over Jezus hebben een doel:
Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus,
de Zoon van God en opdat gij, gelovende, het Leven hebt in Zijn Naam
John.20: 31.

En eerst dàn openbaarde Jezus Zich ‘opnieuw’ aan de discipelen bij de zee van Tiberias [Hebr. van de Tiber (als riviergod)] en Hij openbaarde Zich aldus:
  De Apostelen vertrokken met Petrus en gingen scheep, en in die nacht vingen zij niets. 
Toen het reeds morgen werd, stond Jezus aan de oever; de discipelen wisten echter niet, dat het Jezus was. Jezus zei tot hen: ‘Kinderen, hebt gij ook enige toespijs?’.
Zij antwoordden Hem: Neen. Hij nu zei tot hen:
‘Werpt uw net uit aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden’.
Zij wierpen het
[net] uit en konden het niet meer trekken
vanwege de menigte van de vissen
John.21: 3-6.
Paulus zegt dàt de Blijde Boodschap in Z’n geheel ‘voor òns’ geschreven is,
voor de gelovigen die in de handelingen periode en ook daarna
de brief aan de Romeinen zouden lezen.
In de Heilige Geschriften kunnen we immers Volharding en Vertroosting vinden.
En daardóór is er Hoop, de wereld eindigt niet in ellende.
Nee, het gehele Oude Testament en óók de Evangeliën spreken van de komst van de Messias. Inderdaad ‘dìt’ is in de eerste plaats een boodschap voor Israël [de Kerk], dus óók voor de heidenen.
Op vele plaatsen staat dat God de wereld en de mensen ‘Lief heeft’ en
Zijn Zoon heeft gezonden om haar te redden.
Er is hoop, er is een toekomst en genezing voor alle mensen.

De wens van Paulus is dan ook;
  De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar [het voorbeeld van] Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit een mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus moogt verheerlijkenRom.15: 5,6.
Let op, Paulus geeft geen opdracht. Hij zegt niet: “Je moet eens gezind zijn”.
Nee, hij gaat, zoals wel vaker, terug naar de Bron.
Hij vraagt God om die eensgezindheid te geven. Wat denk je zou God zo’n gebed verhoren?
Christenen hebben heel verschillende gedachten wat betreft de eenheid.
Sommigen gooien alle kerken op één hoop en gaan voor de oecumene of de wereldraad van kerken. Anderen zijn het daar helemaal niet mee eens en vormen een eenheid van kerken die het er niet mee eens zijn. Weer anderen vinden dat je alleen maar één kunt zijn als je allemaal dezelfde visie hebt.
Zij vormen een eenheid en noemen zichzelf ‘Dè Christelijke Gemeenschap”,
met uitsluiting van alle andere gelovigen.
Dat is duidelijk ‘niet’ de eenheid die hier beschreven wordt.
Neen, de eenheid, hier genoemd, komt tot uiting in de verheerlijking van
de God en Vader van onze Heer Jezus Christus.
Niet ‘de mens’ maar ‘God‘ staat centraal en daarom staat er:
Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid GodsRom.15: 7.
Wij mensen zijn toch ’niet méér’ dàn Christus, zoals Hij ons heeft aangenomen, zonder aanzien des persoons, zonder voorwaarden te stellen; eerst dàn kunnen wij ook onze naasten aanvaarden. Overigens staat ook hier weer het woordje eis.
    Christus is ter wille van de Waarachtigheid van God een dienaar van hen, die besneden zijn  geweest, om de Beloften, aan de [Voor-]vaderen gedaan, te bevestigen en dat de heidenen God ter wille van Zijn ontferming gaan verheerlijken, gelijk geschreven staat: ‘Daarom zal ik U loven onder de heidenen en Uw Naam met snarenspel prijzen’Rom.15: 8.
Want, het geeft de reden aan!
Die eenheid waar Paulus het in de voorgaande verzen over heeft, vindt zijn oorsprong ‘in’ Christus. Hij is een dienstknecht in de zin van διάκονος [=dienaar] van de besnijdenis geworden. Zelf zegt onze Heer en Verlosser daarover:
      Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël [de Kerk]” Matth.15: 24.

Christus bevestigt daarmee de Beloften aan de vaderen, hetgeen Hij de Emmaüsgangers eveneens voorhield.
Het gehele Oude Testament staat bol van de Beloften van God aan Israël en de Kerk; te beginnen bij Abraham, Isaäc en Jaäcob en daarna de Profeten.
En wàt God belooft heeft, zal ook inderdaad gebeuren!
Maar ook al is Christus gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël, toch gaat Zijn werk verder in Zijn Lichaam, de Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk.
Nu is het de taak van Israël en van ons om God te belijden onder de Volkeren.
Niet nieuws hoor, David zei dit al:
      De Heer leeft. Geprezen zij mijn Rots, en verhoogd zij de God van mijn heil,
de God, die mij wraak heeft verleend, die volkeren aan mij onderworpen heeft en mij van mijn vijanden heeft bevrijd.
U hebt mij verhoogd boven hen die tegen mij opstonden,
U hebt mij gered van de geweldenaar.
Daarom loof ik U, o Heer, onder de volken en wil ik Uw Naam psalmzingen2Sam.22: 47-50
en tevens in:
    Daarom zal ik U belijden onder de volken Heer; ik wil psalmzingen voor Uw Naam“ Psalm 17[18]: 50 vert. R.O.K. ’s-Gravenhage.
En Mozes zingt Mozes aan het einde van zijn leven:
      Jubelt, gij natiën, om Zijn Volk, want Hij wreekt het bloed van Zijn knechten, Hij oefent wraak aan Zijn tegenstanders en verzoent Zijn land, Zijn VolkDeut.32: 43.
En verder is er nog een Psalm gewijd aan de Volkeren:
      Looft de Heer, alle naties; bezingt Hem, alle Volkeren.
Want Zijn Barmhartigheid is machtig over ons
En de Waarheid des Heren blijft tot in eeuwigheidPsalm 117[118].
Alles in aanmerking genomen haalt Paulus ook nog aan:
Er zal zijn de wortel van Isaï en
Hij die opstaat om over de volken te heersen;
op Hem zullen de volken hopenRom.15: 12.

Paulus geeft overweldigend bewijs voor het feit dat het werk van Christus
niet beperkt tot het volk ven Israël, en hij had rustig nog even door kunnen gaan.
God heeft nooit bedoeld dat het Heil bij de grenzen van Israël zou stoppen.
Hij heeft Zijn zoon gezonden tot Heil van Israël en alle volkeren.
Dit was Israël vergeten, ze waren hoogmoedig geworden en
voelden zich ver boven de volkeren verheven;
de heidenen dat waren ‘goi’, gajes, daar ging je niet mee om.
Maar Paulus roept juist op tot eenheid, waarom?
Omdat God eenheid heeft gegeven.
De gelovigen uit Israël dienen de Gelovigen uit de volkeren als gelijken te zien.
  Samen één, opdat…:
u allen eendrachtig uit een mond de God en Vader van
onze Heer Jezus Christus moogt verheerlijken
Rom.15: 6.
En hierop volgt het tweede gebed van Paulus:
    De God nu van de Hoop moge u met louter vreugde en vrede in uw Geloof vervullen,
om overvloedig te zijn in de Hoop, door de Kracht van de Heilige Geest
Rom.15: 13.
Eerst lezen we over de God van de volharding [vers 5] en hier over de God van de Hoop.
Het gaat niet om ‘onze’ volharding, het is ‘Zijn’ Goddelijke Volharding en
niet ‘onze’ hoop, maar ‘Zijn’ Hoop.
Wij behoeven dan ook in het geheel niet ‘zelf’ te zorgen voor eenheid, het is de eenheid ‘van God’.
En het gaat ook niet om ‘onze’ blijdschap en vrede, maar ‘Zijn’ Blijdschap en Vrede mag ‘ons’ vervullen.

Apolytikion     tn.6.
“ De scharen der Engelen stonden aan Uw graf en de wachters lagen als dood.
Bij het graf stond Maria Magdalena zoekend het alleruiterst Lichaam van haar Heer.
Gij hebt de hel overwonnen, zonder erdoor te worden aangetast.
Gij hebt de Maagd ontmoet, Levenschenkende, Die uit de dood zijt opgestaan.
Heer, ere zij U
”.


Kondakion     tn.6.
“ Met Uw levenschenkende Hand,
wekt Gij alle doden op uit het duistere dal,
O Levenschenkende, Christus onze God,
Die aan het mensengeslacht de Opstanding gegeven hebt.
Gij zijt waarlijk onze Heiland, onze Verrijzenis,
ons Leven en de God van het heelal
”.

Theotokion      tn.6.
  Gij hebt Uw Moeder de gezegende genoemd
en zijt vrijwillig tot het lijden gekomen.
Gij zijt opgestraald aan het Kruis, 
om Adam te zoeken,
terwijl Gij tot de Engelen sprak:
Verheugt u met Mij,
want Ik heb de drachme teruggevonden die verloren was.
Gij, Die alles in Wijsheid hebt ingericht,
Heer, eer aan U
”.

Orthodoxie & de Kerk is op haar best als lokale gemeenschapskerk

‘Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijn wij’                                   – ‘ We are God’s co-workers; God’s field, God’s building is us’
-‘ نحن زملاء الله. حقل الله ، بناء الله لنا’

De waarden, normen en structuren van de traditionele monastieke samenleving zijn heel sterk  doorgedrongen in orthodoxe manier van leven.
Nu gaat het dus in de Orthodoxie niet om steeds maar weer opnieuw nieuwe monastieke gemeenschappen te gaan opstarten, maar om het gegeven dat de plaatselijke kerk nauw verbonden is met het leven in de kloosters.
De geheel Liturgische opbouw binnen de Orthodoxie is namelijk gebaseerd op de monastieke gebedsregels; niet dat deze ook door de doorsnee gelovige in het dagelijks leven wordt toegepast, maar men heeft er weet van en vertrouwt erop dat de broeders en zusters in de kloosters, de aloude gebedsregel handhaven, daartoe hebben zij zich ten slotte uit de wereld teruggetrokken.
Vanuit kerkgemeenschappen zijn regelmatig groepjes leden, die een korte of langere tijd in een van de landelijke of internationale kloosters doorbrengen.

Monnikenwerk, I.M. Karakallou, Athos [Gr.]
Monastiek hetgeen afkomstig is van het leven van een eenzaam levend mens  [Gr: μοναχός] is de vroeg-christelijke praktijk van terugtrekking uit de wereld om zichzelf volledig en intens te wijden aan het leven van de Blijde Boodschap, de pedagogie welke op zoek gaat naar eenheid met Jezus Christus. De blik en het verkrijgen van de scherpte van het monnikendom is gericht op Theosis , het proces van perfectie waarnaar elke christen streeft.
Dit ideaal komt daar tot uiting waar de zaken, die God aangaan, boven alle andere dingen worden gesteld, hetgeen bijvoorbeeld te lezen is in de Philokalia,  een boek met Monastieke geschriften. Met andere woorden, een monnik, moniaal en in hun kielzog de christen, die in het nastreven van het Goddelijke een Verbond is aangegaan – heeft op zich genomen niet alleen de geboden van de Kerk te volgen, maar ook de raadgevingen [waaronder aandacht voor de  eenvoud, armoede, kuisheid, stabiliteit en gehoorzaamheid aan God].
De woorden van Jezus die de hoeksteen zijn van dit ideaal, zijn:
“Wees zo volmaakt als jouw Hemelse Vader volmaakt is”.

Dat er best veel mensen zijn dit dit nastreven blijkt uit het feit dat het in onze overbelaste samenleving alleen maar aan te bevelen is, dàt de mens -‘bij tijd en wijle’- gewoon eens helemaal tot bezinning en tot rust komt door een klooster te bezoeken. Dat zou in ieders leven een rechtmatige keuzemogelijkheid dienen te zijn – het geeft namelijk een kleur aan het leven met levensvragen. Veel mensen begeven zich hiermee bewust op het pad van ontwikkeling en verdieping.
Deze ontwikkeling -van buiten naar binnen-, de ontdekking dat het hart het centrum is van het tot jezelf komen is voor velen van onze tijd een enorme sprong.
Je zou dit alles als een normaal menselijk ontwikkelings- proces kunnen zien, welke zo oud is als de mensheid, te beginnen met voorvader Abraham, die zich geroepen voelde zijn land te verlaten.

”     Ga uit uw land en uit uw maagschap [verwantschap, waar je aan gewend bent] en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; Ik zal u tot een groot volk maken en u zegenen en uw naam groot maken en gij zult [alles] tot een zegen zijn.
Ik zal zegenen wie u zegenen en wie u vervloekt zal Ik vervloeken en met u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
Toen ging Abram [=Hebr. verheven vader], zoals de Heer tot hem gesproken had en Lot [z’n echtegenote, =Hebr. sluier of bedekking] ging met hem en Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran [Hebr. het bergland] trokGen.12: 1-4.
De zoektocht is het gevolg van het kloppen van Christus, welke ons oproept naar een manier van leven, waarop wij volgeling van Hem [Christen] worden en uiteindelijk Gemeenschap’s-lid worden en deelnemer aan Zijn Kerk [Zijn Lichaam] worden, Die teruggaat naar de Kern en Zich daarom ook door het monastieke leven laat inspireren.
Het daagt ons uit -‘de wereld achter ons te laten‘- en met het weinige dat overblijft ‘waarachtig‘ de noodzakelijke zoektocht naar ~het Hemels Koninkrijk~ te vervolgen.
Wat is dan inderdaad nog van waarde en wat is vanaf nu niet langer belangrijk? Waar kunnen we -‘niet genoeg’- aandacht aan besteden?
Wat dient -‘als eerste’- aangepakt te worden en wat is slechts bijzaak?
Waar beginnen we, waar laten wij ons door leiden, volgens welk patroon, iedere dag, ieder week, of  -‘zonder meer’- maar meteen het diepe in te gaan?
Tot welke basisgemeenschap kunnen we ons aansluiten en wáár ~kom ik zelf~ als persoon het meest tot m’n recht?

Toen onze Heer Jezus Christus, onze Verlosser in de wereld verscheen, geloofden bijna alle volkeren dat de boze geesten sterk waren en de goede geesten maar zwak.
De kwade machten domineerden de wereld en daarom noemde Christus hen heer en meesters van de wereld, heersers van dit aards bestaan.
Geen wonder dat zelfs de spelleiders, de geestelijk leiders van de Joden alle Goddelijke Kracht van Christus toeschreven aan de duivel en gevallen engelen.
De goede geesten, de engelen, zijn oneindig veel sterker dan boze geesten, die in werkelijkheid geen enkele autoriteit bezitten om ook maar iets te doen wanneer De Almachtige God het niet toestaat.
Wanneer de alom-dragende van het goede, de Heer Jezus Christus, voor hen verschijnt, roepen zij van angst uit “      Wat hebt U met ons te maken, Zoon van God? Bent U hier gekomen om ons voor de tijd te pijnigen?“.
Niemand is zo bang als degene die anderen overheerst en aanvalt en martelt.
De slechte geest martelt al honderdduizenden jaren de mens en heeft in de loop der tijd voldoening gevonden in deze wrede manier van pijn doen; het enige wat hen drijft is de ondergang van de mens.
Maar wanneer zij Christus ontmoeten, slaat hen de doodsangst om het hart voor hun grootste Rechter. Ze zijn bereid zich in zwijnen of andere afschuwelijke wezens te laten verdrijven, zodat Christus hen niet uit deze wereld zou kunnen verbannen.
➥ Maar Christus was niet van plan dit te doen, deze wereld zit immers vol met verschillende soorten van op elkaar inwerkende krachten. Het is een slagveld waar de mens volledig bewust en vrij zal dienen te kiezen:
– òf ze zullen de overwinnende Christus volgen,
– òf ze zullen meegaan met de onreine en verslagen geesten.

Christus kwam -als ‘Zoon van God‘- tòt mensen uit liefde vóór de mensen, want God is Liefde, teneinde de kracht van het goede ten opzichte van het kwade te tonen, en om het Geloof van mensen in het goede, òp God te bevestigen – Hij kwam alleen maar ten goede, als God, de Zoon.
Alles wat God heeft gedaan is goed, immers “en Hij zag dat het goed was” en dit gaat àlle menselijk geestelijke Waarheid te boven.
De gehele schepping is ontstaan om de mens te dienen, om hem te helpen en niet om hem pijn te doen.
Hoewel er zaken zijn, die de natuurlijke bevrediging van de mens, in de weg staan, maakt zèlfs dit werk dat het omwille van zijn ziel dusdanig gevormd is dat het hem uiteindelijk toch tot geluk brengt en verrijkt.
    Leid mij in Uw Waarheid en onderricht mij, want U bent God, mijn Verlosser, die ik heel de dag verwacht. Heer, gedenk uw ontferming en Uw Barmhartigheid, die immers van eeuwigheid zijn“ en “     Tot U, Heer, verhef ik mijn ziel; mijn God, ik vertrouw op U: laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid. Laat mijn vijand niet over mij spotten; allen immers die U verwachten zullen niet beschaamd staanPsalm 24[25]: 5,6 en 1,2.
Alles dat van God afkomstig is, is goed; de Bron van het Leven blijkt immers alleen ‘Leven’ te bevatten; bij God bestaat geen kwaad.
Hoe kan het dan kwaad van Hem zijn, dè Enige Bron van goedheid?
Veel onwetende en roekeloze mensen noemen ziekte boosaardig; maar ziekte kan niet slecht zijn. Sommige ziekten zijn het werk van goddelozen en anderen zijn de remedie voor het kwaad. Het kwaad is de boze geest, die op een krankzinnige of paranoïde [op] de mens be-[ en in-]werkt.
God verlangt ernaar ons innerlijke ervaringen te geven; wanneer we dit hebben leren herkennen, wordt ons gelijktijdig het inzicht gegeven en opent Hij de Blijde Boodschap voor ons vanuit die Openbaring.
Door onze ingebakken intuïtie aanvaarden we de feitelijke leiding van de Heilige Geest en kunnen wij de stem van God ervaren.
Ons leven in de Geest, onze relatie met God is dan ook een innerlijke, intuïtieve, geestelijke ervaring die plaatsvindt in ons hart.
      Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoorden wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben.
        Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods.
– Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods
Wij nu hebben niet de geest uit de wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is.
Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken.
– Doch een on-geestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is.
       Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld. Want wie kent de zin des Heren, dat hij Hem zou voorlichten?
Maar wij hebben de zin van Christus
“ 1Cor.2: 9-16.

Wij zijn op het hart van het Geloof te vinden – door voor Uw Kruis een diepe buiging te maken;                  We can be found in the heart of the Faith – by making a deep bow for Your Cross 

Waarheid leren we kennen met ons hart, door ervaring.
Wanneer ik een kind zeg, “het vuur is heet” is dit kennis, die ik overdraag.
Wanneer het kind zijn vingers vervolgens brandt, is de waarheid een ervaring geworden.
Wanneer een Christen God niet intuïtief kent maar slechts rationeel, geraakt zo iemand hiermee onder andere de mogelijkheden kwijt om Christelijk te functioneren; hij/zij verliest  in een van de 9 Genadegaven van de Heilige Geest.
De gaven van de Geest zijn bijzondere vermogens die door de Heilige Geest
aan Christenen zijn gegeven met het doel om het de Kerk, het lichaam van Christus op te bouwen. De gaven zijn de ‘charisma’ [Gr. χάρισμα], uitstraling:
      aan een ieder wordt de Openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen.
Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest;
aan de een Geloof door dezelfde Geest en aan de 
ander gaven van genezingen door die ene Geest; aan de een werking van krachten, aan de ander profetie; aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen. Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk de Goddelijke Geest het wil“. 1Cor. 12: 7-11.
De vruchten en Gaven van de Heilige Geest zijn de vindplaats van materiaal voor studie van de H. Schrift, studie van het Geloof, catechese op school of gemeenschap, het persoonlijke Geloof, studie thuis en in de  kerkgemeenschap, maar ook het officiële [Orthodoxe] Godsdienstonderwijs [voor Nederland in Gent (B.)], elke de zingeving en persoonlijke kennis vergroten.
Eerbied en respect voor God doet ons verstaan dat ‘alles‘ Genadegave is en
dat onze ware Sterkte alleen in de navolging van Christus bestaat en in het aanvoelen dat de Vader Zijn Goedheid en Barmhartigheid over ons kan uitstorten.
Het openen van het hart met het gevolg dat de Goedheid en Barmhartigheid van God tot ons komen.
Dat bewerkt de Heilige Geest door middel van de Genadegave van ontzag voor God: Hij opent de harten zodat de vergiffenis, de Barmhartigheid, de Goedheid en de Liefkozingen van de Vader ons bereiken, want wij zijn kinderen van Hem, Die oneindig bemind worden.
Wanneer we doordrongen zijn van ontzag voor God, zijn we geneigd de Heer met nederigheid, volgzaamheid en gehoorzaamheid te volgen.
Niet als gevolg van een houding van onderwerping, passief, zelfs klagend, maar
met kinderlijke verbazing en de bijbehorende vreugde waarmee wij ons door de Vader, gedragen, geholpen en bemind weten.
Ontzag voor God maakt van ons geen angstige Christenen die het opgeven, maar
het wekt ons tot moedig en krachtig volhouden!
Het is een Genadegave die ons – tegen wat voor stroom ook in- tot overtuigde en enthousiaste Christenen maakt, niet door angst aan de Heer onderworpen, maar ontroerd en gewonnen door Zijn Goddelijke Liefde!
Door Gods Liefde overmannen zijn, door de Liefde van God, de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, de Drie-éne God  Die ons intens, met geheel Zijn hart, bemint.
De Vrede Christus wordt versterkt wanneer we niet vergeten dat  wij, alle mensen, dezelfde Vader hebben en als broeders en zusters in Christus samenleven.

Heer redt Uw Volk en zegen Uw erfdeel en
bescherm Uw
Geloofs-gemeenschap door Uw Kruis
.