Orthodoxie & een religie, die een land of staat domineert

Kerk en staat na de Perestrojka
Wanneer een specifieke religieuze groep dominant is in een staat of land, is het vaak de moeite waard om te kijken naar hoe zijn aanwezigheid de samenleving in het algemeen beïnvloedt, maar vooral hoe deze de politiek en het overheid’s-beleid beïnvloedt.
We zien dat niet alleen in Islamitische staten, maar ook in christelijke en met name in het overgebleven Rusland, alwaar de Russisch-Orthodoxe Kerk zich na de vervolgingen onder het communisme een nieuwe plek in de staatsideologie verwierf.
Er vond een ‘kerkelijke renaissance‘ plaats, die al gauw om Macht en onroerend goed bleek te draaien, sinds de afkondiging van de perestrojka door Michail Gorbatsjov heeft de Russisch-Orthodoxe Kerk een enorme weg afgelegd.
Je zou kunnen zeggen dat inhoudelijk de eerste drie eeuwen uit haar geschiedenis van het christendom zijn samengebald in deze dertig jaar van post-communistische  ‘kerkelijke renaissance’ in Rusland.

Het resultaat van de ontwikkelingen is hetzelfde: het episcopaat heeft opnieuw gekozen voor het gebruikelijke model van een ‘Rijkskerk’.
De kring die profiteerde van dit besluit is uiterst klein – de patriarch, bisschoppen van de grote steden en een klein deel van de geestelijkheid.
Aan de periode die in Rusland de ‘kerkelijke renaissance’ wordt genoemd, is stilletjes een einde gekomen. Niemand heeft de eindrekening opgemaakt, maar de prioriteiten zijn de afgelopen jaren duidelijk verlegd, en alle uitlatingen over deze ‘renaissance’ zijn zonder weerwoord naar het archief verwezen. De nieuwe fase in het kerkelijke leven heeft nog geen naam gekregen, maar de gestelde prioriteiten maken duidelijk dat er een streep is gezet onder de voorgaande onder-drukkende decennia.

Al van meet af aan had de ‘kerkelijke renaissance’ iets dubbels. Enerzijds breidden de kerkelijke activiteiten zich uit: nieuwe kerken gingen open, er kwam godsdienstonderwijs en aan de basis ontstonden allerlei zelfsturende organisaties. Anderzijds had de herleving een duidelijk politiek-maatschappelijke component: oppositie tegen al wat sovjet en communistisch was. Vooral daarom stond de Kerk zo dicht bij de jeugd, terwijl de oudere generatie over het algemeen gereserveerder was. Vaak lieten twintigers en dertigers zich al eind jaren tachtig, begin jaren negentig dopen, terwijl hun ouders hun voorbeeld pas een paar jaar later volgden.

Het was alsof de Russisch Orthodoxe kerk een alternatieve realiteit bood, een ‘ander’ Rusland, dat niet-sovjet was. De maatschappelijke verwachtingen waren zo hoog gespannen dat werkelijk alle monniken, priesters en bisschoppen werden aangezien als levende getuigen van dat àndere Rusland en om die reden enorm veel vertrouwen genoten. De Orthodoxe Kerk doorstond onder de atheïstische staat de meest wrede vervolgingen, waarover alleen fluisterend kon worden gesproken. Over een heiligverklaring van de nieuwe martelaren kon men in de sovjet-tijd alleen maar dromen. Na de Oktoberrevolutie van 1917 stond de kerk tegenover de communistische machthebbers, maar ook als ze zich loyaal betoonde, werd ze als serieuze ideologische tegenstander beschouwd.

In de nadagen van het ‘socialisme’ was de jeugd ideologisch en soms ook moreel op een dood spoor beland. De Orthodoxie leek een uitweg te bieden: een intens persoonlijke weg naar de waarheid en naar Christus. De vurige wens om Christelijk te leven deed velen besluiten een bestaan binnen de Kerk te zoeken: ze werden priester of monnik of gingen voor de kerkgemeenschap werken.
Veel hoger opgeleiden traden tot de Kerk toe en vormden de kern van nieuwe parochies en lekenorganisaties. De ‘kerkelijke renaissance’ speelde vooral in Moskou, Sint Petersburg en andere grote steden. Maar al snel traden de fundamentele problemen van de Russisch-Orthodoxe Kerk aan de dag.
1.].  Lang waren niet àlle priesters èn bisschoppen werkelijk vertegenwoordigers van dat àndere Rusland. Dit was al de derde generatie geestelijken die was opgegroeid in de Sovjet-Unie, in overweldigende meerderheid waren ze ‘volledig loyaal’ aan de staat. De gemeenschappen die de periode van grote terreur overleefden gingen ondergronds en hielden in de jaren zeventig-tachtig praktisch op te bestaan, waren uitgestorven. Natuurlijk maakten afzonderlijke priesters en leken deel uit van de ‘dissidenten’-beweging, maar dit had nauwelijks invloed op de situatie in de Kerk, die in hoge mate werd gecontroleerd door ‘de raad voor Godsdienstzaken’.
2.].  Lang niet àlle priesters bleken na de val van het communisme opeens ook bereid om te preken, zich met catechisatie bezig te houden of met mensen te werken. In de sovjet-tijd waren ze immers gewend geraakt aan ideologisch toezicht van staatszijde en aan maatschappelijke en culturele isolatie.
Preken dienden altijd te worden afgestemd met de gevolmachtigde van Godsdienstzaken, ‘Godsdienstonderwijs en liefdadigheid’ waren strikt verboden, net als doopplechtigheden en huwelijksinzegeningen: wie aan de sacramenten deelnam, zette zijn baan en inkomen op het spel. Deze priesters hadden geen flauw idee wat ze aan moesten met de nieuwe religieuze vrijheid.
De lekenbeweging bracht hiervoor deels uitkomst, maar kon slechts een paar jaar vrijelijk te werk gaan. Het episcopaat schrok van het lekenactivisme en legde in 1994 strenge beperkingen op aan de activiteiten van lekenorganisaties.
3.].   Daarop openbaarde zich het probleem van het episcopaat zelf.
Onder druk van de veiligheidsdienst [de K.G.B., waar óók Poetin uit voortkomt] en de raad voor Godsdienstzaken had het Patriarchaat alleen kandidaten tot bisschop mogen wijden, die bewezen hadden loyaal te zijn aan het communistische regime. Bovendien waren de permanente leden van de Synode volledig geïntegreerd in het systeem van speciale voorzieningen dat partijfunctionarissen toegang gaf tot schaarse producten, regering’s
-supermarkten, -sanatoria en -poliklinieken. En de Synode was verworden tot ‘een soort Politburo’, die uit de staatsruif meeaten, waarin de gezegende Metropolieten permanent zitting hadden tot aan hun dood.
In het post-communisme stond de kerkhiërarchie voor de taak de stemming onder het volk ‘te beteugelen’ en hier mogelijk van te profiteren: door haar macht te versterken, nieuw onroerend goed in handen te krijgen en zich in juridisch en canoniek opzicht ‘vrij te pleiten’ van collaboratie met de communistische machthebbers en van financiële en morele misdaden.
Natuurlijk werden voor deze problemen niet zó maar oplossingen gevonden.
Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie verklaarde de heilige Synode:
Het Moskouse patriarchaat maakt géén aanspraak op een bijzondere positie in de staat, nòch op ideologische of politieke privileges’. Maar dit was slechts een kòrt, voorlopig moment van zwakte !!!
Al tegen het midden van de jaren negentig had het episcopaat zijn positie bepaald: het formuleerde ‘wat het allemaal onveranderd wilde behouden, en wat het precies van de staat wilde krijgen’. De Patriarch werd midden-voor van de Doema en klapt lustig mee met de zogenaamde volksvertegenwoordigers.
4.]. Het meest serieuze probleem ontstond toen in de jaren negentig bleek dat de Kerk geen catechisatie had weten te organiseren maar wel vrijelijk miljoenen gegadigden had gedoopt.
Daarmee beging ze een grote vergissing: terwijl ze opgetogen verhalen afstaken over de terugkeer van Rusland naar de orthodoxie, stonden priesters en bisschoppen geen ogenblik stil bij het gehalte van het Geloof van al die miljoenen. Ieder die wilde werd ingeschreven als lid van de Kerk van Christus. Pas later bleek dat het voor de nieuwe bekeerlingen voldoende was zich bevestigd te voelen in hun nationale identiteit, overeenkomstig de nieuwe, algemeen geaccepteerde formule: ‘Russisch, dus orthodox’, net zoals bij de Griekse bevolking.
De nieuwe kerkleden behielden echter een sovjet-kijk op de wereld: na een paar jaar zouden ze al terugverlangen naar een nieuw orthodox rijk.

De ‘rijkere‘ boerenklasse, die tijdens Stalins gewelddadige campagne voor de collectieve landbouw was heengestapt, zag in hoeveel schade het communisme Rusland had berokkend en die probeerde onder Jeltsin het communisme probeerde te vernietigen maar slaagde daar niet in vanwege zijn mentaliteit, omdat het communisme een wezenlijk bestanddeel van het Russische leven was gebleven.
Dat was precies de reden waarom de staat er in de jaren negentig almaar niet in slaagde op één golflengte te komen met de Kerk. Wel tekende zich een nieuw conflict af: in het land voltrokken zich democratische veranderingen, maar de Kerk neigde opnieuw naar de monarchie, of preciezer gezegd, vond dat de monarchie onlosmakelijk deel uitmaakte van haar symbolische kapitaal.
Behalve dat de Kerk en andere religieuze organisaties hun juridische rechten herwonnen, kerk- en kloostergebouwen [vaak niet meer dan ruïnes] terugkregen, welke met staatssteun werden gerestaureerd en de wet ‘Over vrijheid van geweten en religieuze organisaties’ werd aangenomen, veranderde er in de jaren negentig zo goed als niets in de verhouding tussen Kerk en staat. Deze situatie veranderde toen Vladimir Poetin president van Rusland werd en metropoliet Kirill patriarch van Moskou en heel Rusland.

Patriarch Kyrill & Tsaar Poetin

Mèt het aantreden van president Poetin brak een nieuwe tijd aan voor de Russisch-orthodoxe kerk. Zo wist patriarch Kirill met de staat overeenstemming te bereiken over de invoering op openbare scholen van het leervak ‘Grondslagen van religieuze cultuur en wereldse ethiek’, met als cruciaal onderdeel ‘Grondslagen van de orthodoxe cultuur’. De overheid ging ermee akkoord officieel 240 aalmoezeniers in de strijdkrachten aan te stellen voor bijstand aan gelovige dienstplichtigen. Uiteraard komen deze in meerderheid uit de orthodoxe geestelijkheid. Ten slotte werd een speciale federale wet aangenomen [‘Over de overdracht aan religieuze organisaties van eigendom met een religieuze bestemming in bezit van de staat of gemeentes’].
In Moskou werd samen met het stadsbestuur een programma gelanceerd voor de bouw van enkele honderden nieuwe kerken.  Na corruptieonderzoeken van Aleksej Navalny heeft de staat de federale wet ‘Over de staatsbeveiliging’ zodanig geamendeerd dat het mogelijk werd persoonlijke gegevens geheim te houden van alle personen die onder bescherming staan van de Federale Beveiliging’s-dienst [FSO].
Aangezien ook patriarch Kirill beveiligd wordt door deze instantie valt informatie over ‘zijn inkomsten en bezittingen’ onder de officiële geheimhouding.   In aanmerking nemend dat de Russisch-Orthodoxe Kerk geen enkel financieel overzicht of document over haar financiële transacties publiceert, beschermen de nieuwe wetsamendementen feitelijk de ondoorzichtige financiële structuur die zich in deze Christelijke Kerk heeft ontwikkeld.
Kortom, de patriarch en het episcopaat genieten, in letterlijke zin, goede relaties met de staatsmacht. De patriarch en de president [gekscherend de nieuwe Tsaar genoemd] ontmoeten elkaar regelmatig, niet alleen in het Kremlin, maar ook in het klooster op het eiland Valaam [waar zich een van de residenties van de Patriarch bevindt en toevalligerwijs ook een van de datsja’s van de Tsaar], òf op de Heilige Berg Athos in Griekenland. De spindokters van het Kremlin slagen er tamelijk goed in het beeld van een orthodoxe Russische president te creëren: een vriend van de Kerk en beschermer van traditionele waarden, zoals historisch te doen gebruikelijk was.

Niet toevallig is in de Russische wetgeving de wazige formulering ‘belediging van gevoelens van gelovigen’ opgedoken, al was deze aanvankelijk alleen opgetekend in het Wetboek van administratieve rechtsvordering, in 2002.

Pussy Riot een rel op het rode plein.

Na de scandaleuze actie van Pussy Riot in de Christus-Verlossers-kathedraal in 2013 werd aan artikel 148 van het Wetboek van strafrecht een artikel toegevoegd, dat voor religieuze krenking voorziet in straffen variërend van een boete of een werkstraf tot vrijheidsberoving voor een termijn van maximaal drie jaar.
Sindsdien doen orthodox-gelovigen voortdurend een beroep op dit artikel, en deskundigen waarschuwen dat het gebruikt kan worden voor het vervolgen van tegenstanders van de Orthodoxe Kerk.
Zo dreigde in mei 2017 bisschop Nectarius [Selezjnov] van Livny en Malo-archangelsk met dit artikel tegen de redactie van Orlovskië Novosti [Nieuwsblad van Orlov].
Hij was verontwaardigd over een publicatie over de nieuwe jeep die hij voor 6 miljoen roebel had gekocht, voor het district Orlov zonder meer een extreem luxueuze aankoop. Het schandaal werd gesust, de bisschop spande geen rechtszaak aan. In totaal zijn er relatief weinig vonnissen gewezen op basis van dit artikel, ondanks veelvuldige pogingen van orthodox-gelovigen.
Het is opmerkelijk dat de wet tegen zendingswerk, die een jaar geleden in één pakket met de antiterroristische wetgeving van parlementslid Jarovaja is aangenomen, in theorie ook gebruikt kan worden tegen orthodox-gelovigen, maar dat de autoriteiten deze vandaag de dag uitsluitend aanwenden tegen islamitische radicalen en protestantse gemeenschappen. Juristen van het Moskouse patriarchaat ondersteunen de wet en zien er geen enkel gevaar in voor de Orthodoxe Kerk. Mogelijk zijn er geheime afspraken gemaakt dat de wet niet zal worden ingezet tegen orthodox-gelovigen.

Wat heeft Patriarch Kirill de Tsaar allemaal te bieden in ruil voor deze gulle giften?  Uiteraard was de verwachting vooral dat de Kerk hem zou laten delen in haar symbolische kapitaal.
De orthodoxie speelde een hoofdrol bij de vorming van een nieuwe ideologie en de consolidatie van de natie en de politieke elite. Patriarch Kirill heeft het Kremlin twee tamelijk geslaagde concepten aan de hand gedaan: de ‘Russische wereld’ en ‘traditionele waarden’.
Beiden zijn eind jaren negentig geformuleerd door het Wereldconcilie van het Russische Volk onder leiding van Kirill, die toen nog slechts Metropoliet en supervisor over de R.O.K in West-Europa was [welke positie hij als Patrairch heeft vastgehouden].
Het eerste concept veranderde tamelijk snel van een ‘soft power’-instrument in een primitief wapen van het grote-mogendheid’s-denken, waarvan tegenwoordig praktisch geen gebruik meer wordt gemaakt; ‘traditionele waarden’ gingen in de derde presidentstermijn van Poetin echter een belangrijke rol spelen, zowel in de buitenlandse als in de binnenlandse politiek. De president zal zich dit ongetwijfeld het klappen op de voorste rij van de Doema herinneren en de Patriarch innig dankbaar zijn.
Het kan geen kwaad die ‘traditionele waarden’ eens onder de loep te nemen.
Dit begrip, dat recentelijk zó aan populariteit heeft gewonnen, is zowel in het religieuze als het politieke discours nieuw te noemen.
In de jaren negentig kwam ‘waarde’ doorgaans voor in een vaste combinatie als het wijdverbreide begrip geestelijke en morele waarden, terwijl het adjectief ‘traditioneel’ meestal gereserveerd werd voor religies: ‘traditionele religies’. Maar eind jaren negentig veranderde de politiek-maatschappelijke context.
In september 1997 nam de Staatsdoema een wet aan ‘Over de vrijheid van geweten en over religieuze verenigingen’. In het voorwoord bij deze wet spreekt de staat ronduit van ‘de bijzondere rol van de orthodoxie in de geschiedenis van Rusland en in het ontstaan en de ontwikkeling van ’s lands spiritualiteit en cultuur’; bovendien werd gewag gemaakt van christendom, islam, boeddhisme en jodendom als ‘onvervreemdbaar deel van de historische erfenis van de volkeren van Rusland’. Dit betekende het einde van de discussie over de vraag welke religies in Rusland traditioneel genoemd konden worden en derhalve op steun van de overheid mochten rekenen.
Het begrip ‘geestelijke en morele waarden’ was in zekere zin verouderd geraakt. Opgekomen op het breukvlak van de jaren tachtig en negentig als antithese van de communistische waarden, gaf het een te brede definitie van spiritualiteit, die zich moeilijk liet inperken tot een orthodox begrip.
Daarom verlangde de nieuwe maatschappelijke en politieke situatie een precisering.
Er vormde zich in die jaren een orthodoxe denktank, bestaande uit een kring van publicisten rond het Wereldconcilie van het Russische Volk, een maatschappelijk forum dat werd opgericht en geprotegeerd door Kirill, destijds metropoliet van Smolensk en Kaliningrad en sinds 2009 patriarch van Moskou en heel Rusland.
De geschiedenis van het begrip is binnen de orthodoxe context vrij goed te volgen. Lange tijd werd het uitsluitend gebruikt door de kring publicisten en vertrouwelingen rond het Wereldconcilie en metropoliet Kirill, maar het raakte slechts langzaam in zwang.
Buiten de kring van metropoliet Kirill werd het begrip niet gebruikt in het kerkelijke milieu, en naar alle waarschijnlijkheid niet eens opgemerkt.
Pas ruim een decennium later ontdekten Russische politici de term. Dat zegt genoeg over de geringe politieke invloed van de orthodoxe Kerk in postsovjet-Rusland. Haar theoretische verhandelingen drongen niet tot de politiek door, totdat ze onderdeel werden van de staatsideologie en dus van de propaganda.

In 2013, na gekozen te zijn voor een volgende ambtstermijn -hij is inmiddels begonnen aan zijn vierde en wordt al de nieuwe tsaar genoemd, zei Vladimir Poetin in zijn eerste Boodschap aan de Federatieve Vergadering:
Vandaag staan in vele landen zeden en fatsoensnormen ter discussie en vervagen de verschillen tussen nationale tradities en culturen. Tegenwoordig eist men van de samenleving niet alleen een redelijke erkenning van ieders recht op vrijheid van geweten, politieke opvattingen en privéleven, maar ook zonder meer erkenning van de gelijkwaardigheid, hoe vreemd dit ook lijkt, van goed en kwaad, van begrippen die inhoudelijk elkaars tegenpolen zijn. Een dergelijke vernietiging van traditionele waarden [cursivering van de auteur] ‘van bovenafheeft niet alleen negatieve gevolgen voor de samenleving, maar is in wezen anti-democratisch, aangezien zij voortkomt uit abstracte, geconstrueerde ideeën, die ingaan tegen de wil van de volksmeerderheid, die de continue verandering en voorgestelde herziening niet accepteert’.
Dit is de sleutelpassage van de hele navolgende politieke retoriek.
Letterlijk alles is hier nieuw:
1.]. het accent verspringt van culturele vraagstukken naar zeden en fatsoen.
2.]. de problematiek van ‘goed en kwaad’ wordt ondubbelzinnig aangekaart.
3.]. kritiek op andere landen [zonder overigens concreet aan te geven welke]
4.]. strijdretoriek [cruciale ‘vernietiging’ in combinatie met ‘traditionele waarden’].
5.]. aanspraak op de uitdrukking ‘de wil van de volksmeerderheid’.
Maar in 2017 stimuleerde deze retoriek van ‘traditionele waarden‘ nogal gevaarlijke, radicaliserende tendensen binnen de Russische samenleving.
Oproepen tot het verdedigen van traditionele waarden, zonder precies uit te leggen wat er onder die waarden verstaan moet worden, leveren een explosief mengsel op.
Was de oproep verdedigen! duidelijk afleesbaar in de overheidspropaganda, in het geheel niet duidelijk was wat er precies verdedigd moest worden.
Als gevolg hiervan kregen de Orthodoxe Patriotten de opdracht uit het Russische sprookje mee: ‘kijk maar/ ik weet niet waar/ En breng me dat…/ ik weet niet wat’.
Daar er geen enkele consensus over de inhoud bestond, werd inhoud gelijk aan vorm [the medium is the message].
De religieuze fundamentalistische activist Dmitri Tsorionov, beter bekend onder zijn pseudoniem Enteo, was de eerste die dit begreep en toepaste. Zijn acties tegen Pussy Riot, op de tentoonstelling van Vadim Sidoer en anderen, waren een breuk met alles wat Orthodox-Christelijke-Gelovigen daarvóór hadden gedaan.
Het was een artistiek gewelds-game ter verdediging van Orthodoxe waarden, een soort orthodox aktionisme.
[Inmiddels beweert Enteo de buik vol te hebben van het Orthodoxe aktionisme, en zijn romance met Maria Aljochina, lid van Pussy Riot, heeft ertoe geleid dat zijn strijdmakkers van de fundamentalistische groep –‘God’s wil’- hem uit hun beweging hebben gezet].
Maar de geest was uit de fles. Het idee om geweld te gebruiken ter verdediging van traditionele waarden tegen aanslagen van liberale zijde, is ook opgepikt door de bestrijders van de film Matilda [over de liefdesaffaire tussen de latere tsaar Nicolaas II en balletdanseres Matilda Krzjesinska – red.]. Deze doorsnee pseudohistorische film heeft aanleiding gegeven tot talloze manifestaties van soms radicale en in wezen zelfs terroristische aard.
Zo stuurde de beweging ‘Christelijke staat – het Heilige Roes’ aan alle bioscopen van Rusland brieven waarin werd gedreigd met brandstichting als ze niet afzagen van de vertoning van Matilda. Het heeft er alle schijn van dat Christelijke Staat een fake-organisatie is met niet meer dan drie of vier leden, maar hun oproepen tot geweld zijn niet ongehoord gebleven.
Het orthodoxe tsarenrijk is een traditionele waarde geworden en de door de Russisch-Orthodoxe Kerk gecanoniseerde Nicolaas II is daarvan de verpersoonlijking.
De regisseur van de film, Aleksej Oetsjitel, is de vijand die zich aan hem vergrijpt, hem vals interpreteert en zijn nagedachtenis – en daarmee alle orthodoxe gelovigen en heel Rusland – bezoedelt. Ogenschijnlijk zijn er geen redenen voor een conflict van nationale omvang, maar door een samenloop van omstandigheden is de spanning in de samenleving tot ongekende hoogten opgelopen.
De Kerk reageerde ambivalent, ze probeerde zich te onthouden van een duidelijke stellingname, maar een reeks kerkelijke hiërarchen en priesters sprak zich openlijk uit tegen de film.
Deze film is geproduceerd met geld van de staat, en de staat heeft ondanks de protesten toestemming gegeven de film te vertonen. Maar tegelijkertijd is Natalja Poklonskaja, Doema-afgevaardigde en gewezen officier van justitie op de Krim, een van de belangrijkste bestrijders van de film. Zij zoekt naarstig gronden om de vertoning te verbieden en wil de regisseur tegelijkertijd betrappen op financiële machinaties, zodat hij kan worden aangeklaagd.
In totaal heeft de Hoofdofficier van Justitie van Poklonskaja 43 klachten ontvangen over Matilda en zijn regisseur. In dit opzicht is het tamelijk onheilspellend dat er een poging was tot brandstichting van een bioscoop in Jekaterinburg en dat er auto’s in brand zijn gestoken voor het Moskouse kantoor van Oetsjitels advocaat.
In het eerste geval gaf de dader ronduit toe dat hij brand had gesticht om vertoning van de film te voorkomen; in het tweede geval was er bij de uitgebrande auto’s een brief achter-gelaten met de boodschap: ‘Branden voor Matilda’.
     Naar alle waarschijnlijkheid is er eind oktober een einde gekomen aan de perikelen rond de film. De première op 26 oktober in Moskou was een succes: de zaal was afgeladen, toeschouwers zaten zelfs op de traptreden. Niet alleen bij de première in Moskou, maar ook in Sint Petersburg waren extra veiligheidsmaatregelen getroffen.
Er vonden geen noemenswaardige provocaties plaats, de groepjes demonstranten vielen nauwelijks op.

Echter uit de acties van de orthodoxe radicalen zijn drie conclusies te trekken.
1.]. Er een relatief omvangrijk en tamelijk actief contingent orthodox-gelovigen zichtbaar geworden met een eigen agenda, die bij hun acties altijd ‘strijd voeren tegen…’:
– tegen nieuwe paspoorten,
– tegen sofinummers,
– tegen een ontmoeting van de patriarch met de paus,
– tegen de uitkomst van de DNA-identificatie van de stoffelijke resten van de tsarenfamilie, – tegen toneelvoorstellingen en exposities,
– tegen de film Matilda, et cetera.
Voor hen heeft slechts het verleden een sacrale status. Het is best mogelijk dat de orthodoxe radicalen in de ogen van de samenleving het orthodoxe conservatisme als zodanig in diskrediet zullen brengen.
2.]. Na Matilda is het vertrouwen in de officiële Kerk nog verder gedaald. Haar positie heeft ertoe geleid dat men én de radicalen niet kan opgeven [want ze zijn nu eenmaal allemaal orthodox] èn de staatsmacht, die de film heeft ondersteund, niet te veel tegen de haren mag instrijken.
        Het is niet uitgesloten dat de protesten tegen Matilda als een katalysator zullen werken voor anti-orthodoxe sentimenten, niet alleen in de samenleving maar ook bij de politieke elite. De ontevredenheid over de politiek van patriarch Kirill neemt de laatste jaren alleen maar toe en het is heel goed mogelijk dat in maatschappelijke discussies de Kerk blijvend harde kritiek zal oogsten.

De eerste tekenen zijn er al.
De politicoloog Stanislav Belkovski, die aangezocht werd om zitting te nemen in de verkiezingsstaf van Ksenia Sobtsjak, verklaarde op radio Echo Moskvy dat ‘de liquidatie van de Russisch-Orthodoxe Kerk van het Moskouse patriarchaat en de begrafenis van Lenin’ uitgangspunten zijn van het verkiezingsprogramma. Er dient volledig afstand te worden gedaan van het sovjet-verleden.
In plaats van de door Stalin gecreëerde religieuze organisatie zou er een confederatie moeten komen ‘van onafhankelijke parochies naar protestants voorbeeld’.
Weliswaar maakte hij het voorbehoud dat dit nog niet Sobtsjaks programma was, maar zijn visie op hoe het programma er mogelijk uit ging zien.
De Russisch-Orthodoxe Kerk heeft op het breukvlak van de twintigste en eenentwintigste eeuw enkele historische fases doorlopen:
van een van hoop vervulde ‘kerkelijke renaissance’ naar een stabiel en welvarend leven als ‘Rijkskerk’.
Nu breekt een nieuwe crisis aan; het is moeilijk te voorspellen hoe de Russisch-Orthodoxe Kerk hieruit tevoorschijn zal komen –
zeker in een land, die bij eigen mistoestanden, gewoon de andere kant opkijkt en niet terug schrikt eigen falen openlijk te ontkennen.
Hoe lang zal een geslagen volk een onderdrukking door
een kleine ‘rijke’ en autoritaire elite nog aanvaarden?

conf. Sergej Tsjapnin’s artikel in Venster op Rusland,
nov. 2017, podium voor kennis, analyse en debat

De achtergrond van het extreem geweld en het opkomend politieke Appèl tot herstel van het Ottomaanse Rijk


1.]. Het Islamitische Geloof
Bovenstaand Ottomaanse Rijk begon met een Turkse stam in Centraal-Azië en was een islamitisch rijk dat gesticht werd door de Oguz Turken onder Osman Het kan beschouwd worden als de opvolger van het Seltsjoekse sultanaat Rûm. De komst van de Turken uit  Centraal-Azië naar het Midden-Oosten voltrok zich in twee grote migratiegolven.
Tijdens de eerste golf aan het einde van de tiende eeuw stak een groot deel van de Turkse Oghuznomaden de rivier de Oxus over en trok verder tot  Khorasan [het huidige Iran] en  Azerbeidzjan. Onderweg naar het westen bekeerde een groot deel van deze Oghuzstammen zich tot de islam. Vanuit Khorasan bouwden deze Turkse nomaden in de elfde eeuw het grote  Seltsjoekenrijk op. De Seltsjoeken brachten nieuwe politieke stabiliteit in de verdeelde middeleeuwse moslimwereld en beheersten een uitgestrekt gebied van de Hindoekoesj tot in Anatolië. Deze Seltsjoeken raakten in conflict met het Byzantijnse Rijk. Met de Slag bij Manzikert begon in 1071 een reeks Byzantijns-Seltsjoekse oorlogen, die ertoe leidden dat rond 1290 het Byzantijnse Rijk als belangrijke macht in Anatolië had afgedaan. Dit opende de weg voor de Turkse volkeren om zich in Anatolië te vestigen.

          Met de neergang van het sultanaat van Rûm [± 1300] ontstond in Anatolië een groot aantal kleine onafhankelijke staten, de zogenaamde Ghazi-emiraten of beiliks. Het Byzantijnse Rijk was inmiddels ernstig verzwakt en had het grootste gedeelte van Anatolië verloren aan tien verschillende Ghaziprinsdommen. Een prinsdom in het noordwesten van Anatolië werd vanaf circa 1280 geleid door Osman I, zoon van Ertuğrul. Osman Beg was met zijn onmiddellijke voorouders naar Anatolië gekomen tijdens de tweede grote Turkse migratiegolf in de vroege dertiende eeuw, onder druk van de veroveringstochten van de Mongolen onder leiding van Dzjengis Khan. Oorspronkelijk behoorden de Osmanen ook tot de Oğuzen. Osman Beg verplaatste zijn hoofdstad van Söğüt naar Bursa.
De migratie van de Turkse nomaden naar westelijk Anatolië, op de vlucht voor de Mongoolse invallen, was een belangrijke factor in de Ottomaanse staatsvorming. Met de overwinning op een Byzantijns leger in 1302 in de Slag bij Bapheus slaagde hij erin om een onafhankelijke politieke eenheid te creëren. Hiermee kreeg Osman een grote reputatie als Gazi-krijger en groeide hij uit tot een charismatische leider die steeds meer volgelingen aantrok. Osman Gazi bracht meerdere gemeenschappen van Turkmeense nomadische krijgers en van ex-Byzantijnse gouverneurs, zoals onder andere Köse Mihal [‘baard-loze Michael’], onder zijn vaandel samen.
Naast veroveringen ging Osman allianties aan met de naburige Byzantijnse gouverneurs om zijn invloedssfeer uit te breiden. Hij verenigde de afzonderlijke rijkjes en bouwde nieuwe netwerken op via handelsbetrekkingen en strategische huwelijken. Met name in de 15e en 18e eeuw zijn verschillende Grieken in de Byzantijnse gebieden bekeerd tot de islam. Andersom werd er weinig opening geboden aangezien de extreme reactie en de verdediging van de bloedverwantschap vele Islamieten de overgang naar het christendom met de dood hebben moeten bekopen.

2.]. Ontstaan van de Islam

Islamitische expansie van aan de Middellandse Zee [7e-8e eeuw]

Sinds 610 verspreidde zich eerst de islam over de wereld, beginnende met Mohammed, die volgens de islamitische Traditie een Openbaring van God kreeg. Als gevolg van de handels-contacten met andere volkeren, zoals de joden, de Byzantijnen en Abessijnse christenen, alsmede de Perzische zoroastristen, hadden de Arabieren reeds kennis genomen van verschillende  monotheïstische godsdiensten. Zelf waren de Arabieren in Mekka henotheïstisch, dat wil zeggen dat ze meerdere goden aanbaden, waarvan er wel één als oppergod werd beschouwd.

de profeet Mohammed [± 570-632]

Hoewel het geboortejaar van Mohammed niet met zekerheid kan worden vastgesteld, gaat men ervan uit dat hij geboren is rond 571. Overeenkomstig de islamitische traditie, verklaart Mohammed op 40-jarige leeftijd in het jaar 611, openbaringen van God via de engel Gabriël te hebben ontvangen. Na eerst beangstigd te zijn, Mohammed vreesde aanvankelijk zelfs dat hij bezeten was door een boze geest, verkondigde hij daarna de boodschap van het monotheïsme. In de 23 jaar die volgde, openbaarde God volgens de islamitische opvattingen de boodschappen die hij gefaseerd [al-tandjim] zou hebben ontvangen en die later zijn opgetekend in de Koran, hetgeen is afgeleid van het werkwoord qara’a [=‘reciteren’].
Omstreeks 613 begon Mohammed in het openbaar zijn leer te verkondigen, waarbij de eerste bekeerlingen waren volgens de overlevering zijn vrouw Khadija, de vrijgelaten slaaf Zaid ibn Haritha, het kind Ali en de in aanzien staande Aboe Bakr, trouw bondgenoot en schoonvader van Mohammed.
          Al gauw ontstond er een sterke weerstand tegen Mohammeds boodschap. De ‘overgave aan de ene God‘ was niet alleen een nieuw begrip voor de zelf fier ervaren Arabieren, de inwoners van Mekka  vreesden vooral dat hij hun bron van inkomsten, de cultische verering van zo’n 360 goden in de Kaäba, zou ondermijnen. Bovendien vreesden de toenmalige plaatselijke machthebbers voor hun eigen godsdiensten, hun gezag over Mekka en voor de pelgrimsindustrie.
Er werd zoveel gedreigd, gehinderd, vervolgd en gemarteld, dat Mohammed in 615 enige van zijn  volgelingen adviseerde naar het christelijke Abessinië te vluchten.
In 619 overleed zijn eerste vrouw Khadidja en daarna zijn geliefde oom Aboe Talib. Als gevolg van het overlijden van zijn invloedrijke schoonvader werd Mohammed niet langer  beschermd en kreeg hij opdracht van God uit Mekka weg te gaan.

oude afbeelding Madīnah

          Yathrib, [= Medinah (Madīnah)] ongeveer 350 km ten noorden van Mekka, wilde hem graag ontvangen. De machtigen van het dorp vertelden hem over de ongelijkheid in Yathrib. Ze beweerden dat wanneer de Islam het gezamenlijke geloof werd, het beter zou gaan met het dorp Yathrib, welke later uitgroeide tot de stad Medina. De afvaardiging van de gezanten naar Yathrib noemt men de Hadj.
Mohammed maakte in 622 met z’n schoonvader Aboe Bakr de lange reis, die bekendstaat als het jaar van de verhuizing, de Hidjra. De stad Yathrib werd vanaf toen Medinat al-Nabi genoemd, de ‘stad van de profeet‘. Deze voor moslims belangrijke gebeurtenis markeert het begin van de islamitische jaartelling.
          Echter, in tegenstelling tot sommige oriëntalisten, veranderde Mohammeds boodschap niet: dat hij het Zegel der Profeten en de laatste profeet was, gekomen voor de gehele mensheid, de boodschap die Mohammed reeds in Mekka verkondigd had. Ayat zoals En de meeste mensen willen niet geloven zelfs al wens je het vurig. Gij vraagt er hun geen beloning voor. Het is niets dan een vermaning aan alle werelden. [soera Jozef 103-104] en En Wij hebben u (Mohammed) slechts als genade voor de werelden gezonden. [soera De Profeten 107] zijn Mekkaans. Het is dus ten onrechte dat soms gedacht werd dat Mohammed deze boodschap pas ging verkondigen na de successen in Medina. De enige aya met eenzelfde strekking die in Medina werd geopenbaard is soera De Partijscharen [40], Mohammed is niet de vader van een uwer mannen, maar de boodschapper van God en het zegel der profeten; God heeft kennis van alle dingen, waarmee het eerder in Mekka gestelde slechts bevestigd werd.
Het zogenoemde Verdrag van Medina werd in 622 door de verschillende partijen in Medina bevestigd. Het legt daarmee een blauwdruk van de eerste islamitische samenleving. Het legt formeel vast dat Mohammed een verbond aangaat met de Arabische en joodse stammen van Medina. De diverse stammen van de oase zouden hun oude vijandschap begraven en als het ware een nieuwe superstam vormen. De moslims en de joden dienden vredig naast de heidenen van Medina te wonen. God was het hoofd van de gemeenschap en alle stammen vormden de oemma. Zij die geen moslim zijn of zich niet bekeren kunnen in Medina blijven wonen, zolang zij niet samenspannen met de Qoeraisj uit Mekka.

De traditionele Arabische cultuur zoals de familie-eer, persoonlijke trots en trouw aan de clan werden binnen de jonge moslimgemeenschap veranderd; gelijkwaardigheid van afkomst, een goede behandeling van wezen en trouw aan de islam namen hun plaats over. Hoewel tot op de dag van vandaag de traditionele, Arabische cultuur nog steeds een rol in het sociale leven speelt.

3.]. gebruik van extreem geweld

Islam – Hamza and Ali voerden de Moslims aan te Badr

Arabische stammen waren van oudsher gewend om op z’n tijd karavanen van andere Arabieren en andere doortrekkende kooplieden te overvallen. Deze expedities [Arabisch: غزوة (vermoedelijk razzia)] waren algemeen geaccepteerd behalve in de ‘heilige maand’ rajab waarbij een ‘wapenstilstand’ gold.
Een jaar na zijn entree in Medina organiseerde Mohammed de eerste expeditie, naar Waddan en Abwa, op zoek naar een karavaan van zijn voormalige stadsgenoten, maar keerde onverrichter zake terug. Een tweede tocht naar Bowat bleef eveneens zonder resultaat.
Bij de derde expeditie hoopte Mohammed een rijke karavaan van Mekka naar Syrië bij Osheira te onderscheppen, maar kwam te laat. Mohammed sloot hierbij verdragen met enkele lokale stammen. Net een week terug in Medina trok Mohammed er opnieuw op uit, ditmaal om veedieven van de Fihri-stam te achtervolgen. Hij kwam tot in de vallei van Safwan maar wist daar geen overwinning te behalen. Drie expedities hierna, niet persoonlijk geleid door Mohammed, bleven ook zonder resultaat.
Vervolgens stuurde Mohammed Abdallah ibn-Jahsh met een kleine groep moslims naar Nakhla om daar een kleine onbeschermde karavaan van de Qoeraisj te overvallen. Dit gebeurde in radjab, de heilige maand voor de moslims, maar tevens voor de ongelovige Arabieren.
                                  In deze periode waren alle vijandelijkheden strikt verboden. De moslims hadden succes bij de overval en brachten de buit mee naar Medina. Het schenden van de heilige maand werd verantwoord in Soera De Koe 217, waarin uitgelegd wordt dat het schenden van een heilige maand een zonde is, maar de toegang weigeren tot de Kaäba (zoals de Mekkanen deden) een grotere zonde is.

Veldslag bij Badr [Arabic: غزوة بدر , uitgevochten op Dinsdag, 13 Maart 624]

                                  Kort hierna deed zich opnieuw de mogelijkheid voor een karavaan te onderscheppen, namelijk die van Abu Sofyan die terugkeerde uit Syrië naar Mekka. Mohammed kon volgens biograaf Ibn Ishaq beschikken over een leger van ruim 300 man.
De moslims misten weliswaar de karavaan zelf, maar troffen wel het Mekkaanse leger dat gestuurd was om de karavaan te beschermen. Deze Slag bij Badr liep uit op een klinkende overwinning voor de moslims, die hierbij niet alleen veel kamelen, wapens en leer buitmaakten, maar ook nog losgeld voor krijgsgevangen Mekkaanse soldaten opstreken.
Na deze succesvolle expeditie zouden er tijdens het leven van Mohammed nog tientallen volgen, waaronder de Slag bij Khaybar. Enkele jaren na de hidjra vochten de inwoners van Mekka en die van Medina twee slagen uit, de Slag bij Badr en de Slag bij Uhud. Uiteindelijk namen de moslims in 630 Mekka in. Persoonlijk smeet Mohammed de afgodsbeelden in de Kaäba kapot. Als overwinnaar stelde hij zich coulant op, zodat hij toch veel inwoners van Mekka voor zich wist in te nemen. Velen bekeerden zich tot de islam.

Tijdens Mohammeds leiderschap werd het grootste deel van het Arabisch Schiereiland vrij snel onder islamitisch bestuur gebracht, voornamelijk doordat Mohammed de verschillende stammen door militaire campagnes wist te verenigen.
De krachtige persoonlijkheid van Mohammed trok de bewoners van het Arabisch Schiereiland aan. Ook door zijn beloften van redding voor hen die stierven tijdens de strijd voor de islam, kreeg hij mensen achter zich.
Door overvallen op karavanen in de vroege jaren van de islam en daarna oorlogen op volle schaal, was er een aantrekkelijk vooruitzicht op rijke buit voor hen die succesvol waren in de strijd.

4.]. Verhouding Islam t.ov. de ‘dhimmi’s’, de mensen van het Heilige Boek

Vrijheid van Godsdienst?

Op het Arabisch Schiereiland woonden toentertijd ook joden en christenen. In Medina bijvoorbeeld leefden wel drie verschillende joodse groepen of stammen.
– In de eerste fase van de verkondiging van zijn leer heeft Mohammed geprobeerd hen voor zijn nieuwe godsdienst te winnen.
– In 624 werd de stam Bani Qainuqa uit Medina verbannen, in 625 Banu Nadir. – Na de Slag van de gracht in 627 keerde het leger van Mohammed zich tegen de stam Banu Qurayzaomdat daar deze zich bij de strijd afzijdig had gehouden.
Na hun overgave werden alle volwassen mannen onthoofd, de vrouwen en kinderen werden als slaaf verkocht. Volgens sommige bronnen werd de krijgsgevangen joden de gelegenheid gegeven zelf een rechter te kiezen, waarbij de keuze op Sa’d viel.
!!!          Deze paste niet de islamitische, maar de joodse Wet toe.
De joodse Wet stelt dat als een vrede niet gevonden wordt in een stad na een vredesvoorstel, dan dat alle mannen omgebracht dienen te worden; vrouwen, kinderen, vee en alles wat in de stad is mag tot buit gemaakt wordenDeut.20: 10-17. Andere bronnen stellen dat Mohammed Sa’d als rechter koos; hierna was er in Medina geen joodse stam meer over.

Zowel Joden als Christenen werden echter door Mohammed gerespecteerd als Mensen van het Boek. Moslimgelovigen werden aangemoedigd naar hen te luisteren en hen zelfs te beschermen. Maar deze ‘dhimmi’s’ moesten wèl beseffen dat ze ‘tweederangsburgers’ waren en als ze zich onafhankelijker wilden opstellen moesten ze op hun ondergeschikte positie ‘terug’ geplaatst  worden, niet goedschiks of kwaadschiks.

Tussen 630 en 631 bezocht een groep christenen uit Najran onder leiding van bisschop Abu Harita de moslims en Mohammed in Medina.
De delegatie verbleef daar enkele dagen om in de moskee over religieuze kwesties te discussiëren. Mohammed bood de christenen een slaapplek vlak bij de moskee aan en het stond de christenen vrij de moskee te gebruiken voor hun ritus.
Het was de eerste keer dat christenen in een moskee baden. Zoals Soera Het Geslacht van Imraan 61 voorschrijft vergeleken beide groepen hun Geloof.
Volgens sommige bronnen kwamen de Christenen daarop tot de conclusie dat de moslims hetzelfde Geloof [?] hadden als Eutyches, die omwille van zijn monofysitische opvattingen werd veroordeeld tijdens het Concilie van Chalcedon.
Hoewel men geen overeenstemming kon vinden over religieuze kwesties zoals de Drie-eenheid, leidde het bezoek wel tot een politieke overeenkomst:
– er werd een verdrag gesloten dat de inwoners van Najran veiligheid en vrijheid van godsdienst bood in ruil voor het betalen van jizya – !!!

Bepaling of de convenanten authentiek zijn.
De eerste methode is om te kijken of de inhoud overeenkomt met andere bronnen. Veel van deze inhoud komt overeen met eerdere verdragen. Delen van de convenanten zien we ook terug in de hadith-literatuur, letterlijke overleveringen.
Veel van de inhoud wordt ook beschreven in sira, levensloop/geschiedenis-literatuur via de eerder genoemde auteurs. Ook zijn er overeenkomsten in ketenen van overleveraars, de isnad, en kun je onderzoek doen naar de jaartallen die in de convenanten genoemd worden, alsmede de getuigen die de pacten ondertekend hebben.

Verder wordt het papier waarop de convenanten gevonden zijn archeologisch onderzocht op jaartal en wordt in andere bronnen [ook niet-islamitische bronnen] onderzocht of bepaalde christelijke gemeenschappen en de Profeet Mohammed elkaar historisch wel echt ontmoet [kunnen] hebben. Wat ik misschien nog wel het meest sterk vind is het ‘vergelijkende onderzoek’. We zien dat latere kaliefen en heersers soms letterlijk dezelfde termen en afspraken maken en dat de gekozen bewoording precies hetzelfde is en dat duidt dus op een gezamenlijke bron.
De oudste primaire bronnen van deze convenanten dateren uit de tijd van de Profeet, met name het laatste derde deel van zijn Profeetschap. Van 4-12 Hijra/ 625-632 na Chr.
Vervolgens zie je dat latere documenten zeggen dat het een kopie is van een specifiek document, en dan met een stempel van de toenmalige heerser. Deze documenten komen uit de 9e-16e  eeuw.

5.]. De oorlog met militante extremistische moslimorganisaties
De tweede helft van de 20e eeuw wordt gekenmerkt door een toenemende tegenstelling tussen westerse, seculiere waarden enerzijds en traditionele, islamitische waarden anderzijds.
De meeste regimes werden seculier. Religieuze uitingen werden vaak afgedaan als ‘achterlijk’ of soms verboden. Met name in Egypte en Iran leidde dit tot onlusten.
          In Iran onderdrukte de westers georiënteerde dictator sjah Mohammad Reza Pahlavi de religieuze vrijheid. Zo liet hij zijn soldaten eens schieten op betogers voor een moskee in Mashhad, waar zij demonstreerden voor het recht islamitische, traditionele kleding te mogen dragen. Honderden onschuldige burgers kwamen hierbij om.
De Iraanse Revolutie van 1979 waarbij de sjah van Perzië [ ik herinner me dat er in Nederland furore heerste, vanwege het feit dat Fardiba een zoon kreeg] verdreven werd en in een later stadium vervangen werd door een islamitisch bestuur onder ayatollah Khomeini; dit dient dan ook deels als reactie op het dwingende secularisme van de sjah gezien te worden.
          Een ander voorbeeld van een heftige confrontatie is Algerije. Hier won het islamistische FIS de verkiezingen van 1992. De zittende seculiere regering verwierp met steun van westerse landen, Frankrijk voorop, de overwinning van het FIS. Uiteraard accepteerde het FIS dit niet, en enkele militante fracties grepen naar de wapenen. De burgeroorlog kostte aan tienduizenden burgers het leven.

          Na de ontbinding van de Sovjet-Unie bloeide de islam ook op in verschillende voormalige Sovjetstaten. Tijdens de Sovjetbezetting van Afghanistan had de Amerikaanse CIA het religieus-georiënteerde verzet tegen de Sovjets sterk gestimuleerd met geld en wapens. President Ronald Reagan noemde hen zelfs “freedom fighters”. Na terugtrekking van de Sovjets verviel Afghanistan in anarchie, waarbij vanaf 1997 de ultraorthodox en extremistisch islamitische Taliban de macht in handen kregen. Zij voerden een waar schrikbewind, gebaseerd op een zeer strikt gecontroleerde naleving van een zeer strenge vorm van de sharia.

De westerse wereld werd op 11 september 2001 opgeschrikt door aanslagen gepleegd door extremistische moslims van al Qaida georganiseerd door Osama bin Laden. Hierna verklaarde de Verenigde Staten, gesteund door haar NAVO-partners en andere landen, de oorlog aan de militante moslimorganisaties.
Dit resulteerde in de zogeheten strijd tegen terrorisme, waar de Oorlog in Afghanistan deel van uitmaakt. Ook de Golfoorlog van 2003 tegen het Irak van dictator Saddam Hoessein werd als onderdeel hiervan gezien, ofschoon later bleek dat er geen banden tussen Irak en de fundamentalistisch-islamitische kapers van 9/11 bestonden.

6.]. De Islam in Europa
De islam is na het Christendom de grootste godsdienst in Europa.
Inclusief Europees Rusland en Turkije leven er zo’n 50 miljoen moslims op het continent.
Diverse inheemse volkeren op de Balkan, in de Kaukasus en in de Wolga-regio belijden in meerderheid de islam. Onder hen zijn met name Turkse volkeren, maar ook enkele Slavische, zoals Bosniakken, en andere Indo-Europese, zoals Albanezen.
De islam verscheen het eerst in Europa op het Iberisch schiereiland in de 8e eeuw met de veroveringen van de Moren, en in de Kaukasus en de Pontische Steppe gedurende de 9de eeuw, toen de Khazaren zich deels ertoe bekeerden.
Vanuit Oost-Europa en Anatolië kwam het geloof ook op de Balkan terecht, en vestigden zich kleine groepen islamitische Tataren in Centraal-Europa, zoals de Lipka-Tataren in Polen en Litouwen.
In de 2e helft van de 20e eeuw [jaren 60] kwamen via het gastarbeider programma ook veel moslims naar Europa, met name uit Turkije [in de Germaans-talige landen] en de Noord Afrikaanse landen [vooral in Frankrijk].

Zowel in Nederland als in België is de islam qua aantal volgelingen de tweede godsdienst. In Nederland wonen ongeveer 500.000 Turken en zo’n 350.000 Marokkanen.
Frankrijk telt vooral veel moslims uit de voormalige kolonie Algerije. Het Verenigd Koninkrijk telt met name moslims uit Pakistan en Bangladesh. In Spanje wonen veel immigranten uit Marokko. In de Europese Unie wonen naar schatting 9 miljoen burgers van Turkse afkomst, voornamelijk in Duitsland, Nederland, België, Frankrijk, Oostenrijk en Zwitserland.
Sinds de aanslagen in NewYork op 11 september 2001 is er in diverse West-Europese landen een, soms gespannen, publiek debat gevoerd over de islam en de rol van deze godsdienst in de samenleving. In Nederland speelde daarbij de moord op de regisseur en criticus Theo van Gogh een belangrijke rol, maar ook Pim Fortuyn had zich uitgesproken over de islam die hij onder meer een “achterlijke cultuur” noemde.
VVD’er Frits Bolkestein had zich in voorgaande decennia al eerder met immigratieproblematiek beziggehouden, maar deze heeft daar nooit de religie aan verbonden. Enkele voornamelijk cultuurgebonden aspecten van de islam die West-Europa tot wetgeving hebben geleid zijn de boerka en minaretten. De Nederlandse overheid zag de zogenoemde  extremistische radicale islam als een potentiële bedreiging van de nationale veiligheid.

7.]. Leefwijze:
Op het moment dat een moslim iets wil gaan doen of willen zeggen ze: ‘bismillah’ [= In Naam van god]. Daarmee geven ze aan dat ze door voorbeeldig te handelen en de leer van de islam te verkondigen, verlangen te leven volgens de wil van de Schepper.
De islam geeft regels voor het leven van de mens in al zijn aspecten [economisch, politiek, sociaal en religieus], wijst de gelovigen de juiste levensweg en biedt oplossingen voor alle problemen.
Zo is de islam niet alleen een geloof, maar ook een richtlijn voor een goed leven.
Het geloof in de eenheid van Allah [= god] leidt tot de ‘rechte weg’, dat wil zeggen de manier van leven die vastgelegd is in de sjarie’a, de islamitische wetgeving.
De islam geldt voor het leven van mensen in alle tijden: overgave aan god is de beste garantie voor succes in dit leven en in het hiernamaals.
De Koran beschrijft overduidelijk de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen; eenieder heeft  dezelfde rechten en plichten, zoals het vasten, het bidden, het geven van aalmoezen en het gedenken van god. De islam roept alle mensen op onderwijs te volgen en stimuleert het beoefenen van de wetenschap.
Gelovigen dienen zichzelf in te spannen hun kennis aan anderen over te dragen.
Tevens roept de islam op om eerlijk met geld om te gaan.
Het geloof verbiedt onwettige exploitatie, zoals bedrog en corruptie in transacties.
Zorg dragen voor de armen, de weduwen en de wezen is een van de goede daden die de islam voorschrijft aan de gelovigen. Moslims betalen daarom de armenbelasting [zakaat].
De islam moedigt het vrije denken aan, maar
wel binnen de grenzen van het Geloof in god en
van de menselijke verantwoordelijkheid voor de schepping.
Een Hadith [=overlevering van Mohammed]:
Aboe Hoerairah verhaalt dat de Profeet zei:
‘Er zijn zeven [soorten mensen] die Allah van Zijn schaduw zal geven
op de Dag dat er geen schaduw zal zijn dan de schaduw van Hem:
1.]. de rechtvaardige leider;
2.]. een jongeling die terwijl hij opgroeide Allah de Verhevene heeft aanbeden;
3.]. iemand wiens hart met de moskee verbonden is;
4.]. twee personen die omwille van Allah van elkaar de naasten [Moslims, zowel als Christenen]
liefhebben – Dit soort mensen geloven:
Zij houden [terwille van die liefde voor Allah] van elkaar,
zowel bij het komen als bij het gaan en wensen elkaar Gods zegen toe;
5.]. de man die door een mooie vrouw met een hoge positie uitgenodigd [verleid] wordt
en vervolgens uitroept: ‘Voorwaar, ik vrees Allah‘;
6.]. degene die in het geheim liefdadigheid geeft, zodat
zijn linkerhand niet weet wat zijn rechter hand geeft;
7.]. Iemand die in stilte Allah gedenkt, terwijl zijn tranen vloeien’.
      Het aandeel moslims dat bereid is geweld uit naam van de islam
te accepteren is veel kleiner dan wordt voorgesteld

de intolerante cultuur
Westerse democratieën dienen zich veel weerbaarder op te gaan stellen tegen de hardere, intolerante cultuur van de islam: Je ziet dat -onbuigzamen- aan het langste eind trekken.
Radicalen stappen naar de rechter als ze hun zin niet krijgen, wij westerlingen ergeren ons alleen maar.
Van de moslims van Turkse en Marokkaanse komaf in Nederland dient 45 procent als ‘fundamentalistisch’ te worden beschouwd:
1.]. Aangezien zij maar één interpretatie van de Koran tolereren en
2.]. de Koran boven de Nederlandse wet stellen en
3.]. Je dient vast te stellen dat van het zo’n miljard moslims in de wereld
bijna de helft een intolerante vorm van de islam aanhangt.
Van die 500 miljoen mensen, blijkt uit onderzoek,
is 10 tot 20 procent bereid om geweld te accepteren –ook tegen burgers–
teneinde de islam te verdedigen.
Dat zijn minstens 50 miljoen moslims !!!.

Die 50 miljoen, 5% van de moslims wereldwijd
wonen in zeer verschillende landen, waaronder conflictgebieden.
Om de dreiging van extremisten te kunnen inschatten dienen we onderscheid te leren maken tussen radicalisme en extremisme en daarvoor hebben we méér nodig dan de drie bovenstaande kenmerken.

           Radicalisme en extremisme beperken zich niet alleen tot de islam.
Je hebt links-radicalen, rechts-radicalen en religieuze radicalen.
Radicalisme [binnen westerse landen] kenmerkt zich door de combinatie van zes kenmerken.
                      Let op!!!;
Het gaat om de combinatie van alle zes de kenmerken en
niet om een selectie uit deze kenmerken.
1.]. Allereerst vindt iedere radicaal dat de eigen groep onder vuur ligt en bedreigd wordt. De radicale moslim in Nederland vindt dat de moslims onder vuur liggen en bedreigd worden, de PVV-stemmer vindt dat autochtoon Nederland onder vuur ligt en bedreigd wordt.
2.]. Radicalen vinden dat de ‘eigen’ elite bestaat uit verraders. Radicale moslims vinden Nederlandse imams verraders en Wilders vindt dat ‘de elite’ bestaat uit verraders.
3.]. De radicaal verdedigt een orthodoxe interpretatie van het eigen gedachtengoed.
De radicale moslim stelt dat er maar één interpretatie van de Koran is en
de PVV-kiezer verdedigt met hand en tand Zwarte Piet en de ‘echte’ Nederlandse cultuur.
4.]. Het ‘eigen’ gedachtengoed is superieur.
De radicale moslim vindt de Koran superieur aan de Nederlandse wet en
de PVV-kiezer vindt onze cultuur superieur aan die van de islam.
5.]. Radicalen vinden dat verzet tegen de autoriteiten gerechtvaardigd is.
Radicale moslims verdedigen de moslimgemeenschap actief [ik heb het hier over geweldloze actie] en Wilders twittert #kominverzet.
6.]. De radicaal heeft het ‘echte’ lid van de groep een actieve rol.
Radicale moslims vinden dus dat je actief dient te zijn en Wilders vraagt dat ook van zijn achterban.

          Extremisme voegt hier drie kenmerken aan toe en heeft dus negen kenmerken.
De extremist vindt:
7.]. dat de creatie van de ideale samenleving het hoogste doel is.
Het leven van Mohammed B. en Anders Breivik stond volledig in het teken van hun idealen.
8.]. dat ‘de Ander’ het absolute kwaad, de duivel, is.
Voor Mohammed B. vertegenwoordigde Theo van Gogh een duivels gedachtengoed.
Voor Breivik waren de sociaal-democraten in Noorwegen het absolute kwaad.
9.]. dat geweld geoorloofd is om zijn of haar doel te bereiken.
Dit leidde bij Mohammed B. tot de moord op Theo van Gogh en bij Breivik tot het vermoorden van 77 mensen [waarbij hij zich expliciet beriep op het gedachtengoed van Wilders].

Radicalisme kan en mag niet binnen een democratie – het is als water en vuur;  extremisme mag en kan uiteraard ook niet.
Je mag in Nederland vinden dat er maar één interpretatie van de islam is, maar
dat díe niet boven de Nederlandse wet staat en de “islamitische wet” of “de wet van God”, de sharia [Arab.: شريعة, sjarī’a] de overhand laat nemen.
Net zoals je in Nederland Orthodox Christen mag zijn en je, zoals sommige politici, geen vertrouwen in de wereldse, rechterlijke macht mag hebben.

  • twee van de zes kenmerken van radicalisme
    [één interpretatie van de Koran en het ‘eigen’ superieure gedachtengoed] en
    één van de drie extra kenmerken van extremisme [geweld].
    Hiermee wordt een onvolledig beeld en overschatting veronderstelt van
    de omvang en de dreiging van de radicale en extremistische islam [in Nederland].
    Extremisme [geweld op basis van een overtuiging] komt voort uit radicalisme en
    veronderstelt een bredere en diepere overtuiging dan fundamentalisme.
    Binnen het Salafisme-onderzoek scoort 4,2 procent van de Nederlandse moslims
    4 of hoger op een 6-punts radicalisme-schaal.
    Voor 5 of hoger is dat 1 procent.
    Dat is dus maar een klein deel van de 45 procent, die wel door sommigen geopperd wordt.
    Als hiervan 10 tot 20 procent geweld legitimeert om zijn geloof te verdedigen, dan gaat dat om een relatie kleine groep, een niet te verwaarlozen en belangrijke groep, maar niet zo omvangrijk als gesuggereerd wordt.

Om radicalisme en extremisme ‘tegen te gaan’ dienen we deze stromingen te begrijpen en daarvoor is een volledige analyse nodig.
Hierbij kunnen we ons niet alleen beperken tot moslims; het zou immers zomaar kunnen dat een radicale politieke partij de grootste wordt bij de komende Tweede Kamerverkiezingen. En ook onder deze radicalen is een bepaald percentage extremistisch en bereid geweld te accepteren om zijn idealen te verdedigen.

Het wordt iets anders wanneer een land of een ‘onderling verbonden’ groep personen en  een aantal landen -de democratie aan de kant schuiven of een democratie voorwenden- en de religieuze voorkeur van de bevolking misbruiken om machtspolitiek te bedrijven. Je hebt talloze vormen van heerschappij hier op aarde. Presidenten, Koningshuizen, zich democraten noemende volks-vertegenwoordigers, starre bureaucraten, slimme rebellenleiders en brute dictators. Zich beroepend op de Wet of de gemanipuleerde wil van het volk of op de kracht van hun wapens [politie en leger]. En dan zijn er nog de onpersoonlijke machten van het geld of een superioriteitsgevoel, met daarachter de onzichtbare, maar heel reële machten van de duivel en z’n handlangers d[e Satan].
Er ontstaan abrupt grootse plannen [conform de herleving van het ‘oude’ Rusland en het Ottomaanse Rijk van voorheen], er is opeens veel geld voor gewelddadige plannen beschikbaar en radicale predikers krijgen de overhand.
De Joden, Christenen en Islamieten, die de ‘moderne – bevrijdende leer’ aanhangen worden monddood gemaakt, systematisch bedreigd en het leven onmogelijk gemaakt. De invloedssfeer wordt systematisch uitgebreid door financiering van kerken en moskeeën in oost en west, waardoor ook dáár radicalisering en tegenstreven, jà ook daar ‘oorlog’ gevoed wordt.
Maar de gelovigen -ook de Orthodoxe- storen zich daar niet aan: „Wij hebben het voor elkaar, onze eigen plek en moet je eens zien hoe wij dit met een ledenbestand van hooguit 30 personen, dit voor elkaar hebben gekregen, zo’n oorspronkelijke inrichting van òns gebouw”.

Zonder eigen financiële middelen een eigen kerk of moskee beginnen – daar heeft een kleine groep gelovigen toch ‘hard’ aan gewerkt???
De spelleider heeft hiertoe stad en land afgereisd, maar mèt het geld komt ook buitenlandse invloed naar ons land. De verwerving en inrichting van een pand was onmogelijk zonder beïnvloeding van elders, ondanks het alom bekende spreekwoord: “Wiens brood men eet, diens woord men spreekt”.
Wanneer fundamentalistisch ingestelde gelovigen de macht grijpen en er schimmige financiering wordt aangetrokken – loopt het ‘vrije’ Geloof van de mens gevaar in handen van de duivel te belanden; welke religie of je ook maar bekijkt en zijn tegenstand en maatregelen hoogst noodzakelijk.
Het vergt moed om je als vrij gelovige te verzetten tegen fundamentalistisch, radicale geloofsgenoten; veel gelovigen  zwijgen uit angst voor represailles.
Daarom moeten zij die wèl hun nek durven uitsteken,
kunnen rekenen op de bescherming en steun van buitenaf.

Laat ons echter zingen voor de Heer, want roemvol is Hij verheerlijkt:
de paarden met hun ruiters heeft Hij in zee geworpen.
Een Helper en Beschermer is Hij: Hij is mij tot heil geworden. Deze is mijn God en ik zing Hem ter eer; vanaf mijn Voorvaderen is Hij God en ik verhef Hem.
De Heer vernietigt de oorlog:
Zijn Naam is Heer; 
de wagens van de Farao en zijn macht wierp Hij in zee.
Zijn uitgelezen aanvoerders zijn in de Rode Zee bedolven; zij zijn in de diepte van de zee gezonken als een [bak-]steen.
Uw rechterhand Heer, is verheerlijkt door Kracht; Uw rechterhand, Heer, verplettert de vijand. In de Volheid van Uw Heerlijkheid hebt U de opstandelingen vernietigd. U hebt Uw toorn uitgezonden die hen verslindt als stoppels [het overgebleven deel van de halm, nadat het graan gemaaid is].
Door Uw levensadem werd het water opgestuwd, het stond als een muur;
de golven werden vast in het midden van de zee.
De vijand sprak: ‘ik zal hen achtervolgen en inhalen; verzadigen zal zich mijn ziel.
Ik zal mijn zwaard [van het Geloof] trekken en  mijn hand zal hen doden.
Maar U zond Uw adem uit en de zee overdekte hen; zij zonken als lood in de geweldige wateren.
Wie onder de goden is er aan U gelijk, Heer? Wie is als U?
U, de Heerlijke onder de heiligen; wonderbaar in heerlijkheid, Die wonderen doet
”.
Ex.15: 1-15 1e ode [1-2] lied van Mozes, vert. ROK ’s-Gravenhage.

Het geeft je moed wanneer Moefti’s [islamitische spelleiders] die uitspraken doen over juridische en theologische kwesties in Groot Britannië de Joodse gemeen-schap slalom toewensen. Hieruit blijkt dat het lijden de ‘vrije’ Gelovigen onder de mensen hen eveneens raakt.
Tegelijkertijd dien je jezelf af te vragen deugt alle aandacht voor de christen-vervolging nog wel; is dit geen valkuil van de tegenstrever, teneinde ons massaal de verkeerde kant op te leiden.
Je kunt inderdaad voor de christenvervolging bidden, wanneer het wáár ook ter wereld slècht met hen gaat. Maar wanneer wij voor de vervolgden bidden, dient dat niet alleen voor onze kerkgenoten te zijn.
De verdrukking gaat over het feit dat mensen bepaalde dingen niet in vrijheid kunnen beleven, Regelmatig komt daar fysiek geweld bij kijken.
De term onderdrukking is veel breder, er valt veel meer onder, van discriminatie tot het onderling ongelooflijk diep treiteren – het leven onmogelijk maken.
Specifiek opkomen voor christenen kan ook uit verkeerde motieven voortkomen.
De wijze waarop wij hier in het westen christenvervolging verstaan geeft aan dat ons begrip niet eenduidig is, wij meten met twee maten
– en bovendien gaat het in dit onderwerp om een geleidelijke opheffing van tegenmaatregelen, wij rechtvaardigen onze hoogmoedige houding; wij verheffen ons boven al het andere!
De vraag is tevens, hoe wij dàn dienen te reageren – andere gebezigde termen doen meer recht aan datgene waar het werkelijk om gaat.
Wereldwijd hebben ‘vrije’ gelovigen genoeg van alles wat met oorlog en vernietiging te maken heeft; de positie van de machtigen der aarde dient wereldwijd te veranderen.
Dàt is Geloof, dàt vormt de geloofs- emancipatie in de wereld van ‘vrije’ gelovigen.
Wij dienen alle religies te respecteren; dàt is hetgeen wat onze Heer en Zaligmaker, onze God graag zou zien – dàt geeft vorm aan een nieuwe Hemel en een nieuwe aarde.
Dàt vernietigt het kopschuw reageren op mensen, die zich ànders gedragen dan wij gewoon zijn – of het nu religie of levensovertuiging betreft, indien wij elkaars grenzen maar respecteren.
Eerst dàn is het niet meer nodig dat mensen hun ogen neerslaan, wanneer je hen recht aankijkt en je hen contact-schuw/monddood in hun lange kleding aan je voorbij ziet ruisen.
God heeft ook hèn voor het eeuwig léven geschapen, dat zij tevens mogen genieten van datgene wat hèn overkomt. De kunst van het samenleven is zoals een goed huwelijk, je màg regelmatig ruzie maken, maar alleen over futiliteiten en niet over Dàtgene wat [God, Die] ons in deze wereld heeft samen gebracht. Uiteraard zijn mensen verschillend, maar verschillen kunnen in liefde en respect voor elkaar opgevangen worden.
Wat gebeurt er achter de bureaus van de Machtigen – zijn zij met het Heil [de heelmaking] van de wereld begiftigd?; dan beschouwen zij de mens niet als een pion, die al naar gelang het hen invalt -zonder enige communicatie- opzij geschoven kunnen worden.
Je verbaast je telkens weer met welk gemak dit plaatsvindt – de één doet niet ònder voor de ànder en het eigen-, religie-, staats-belang staat veelal voorop.

Vrede – gouden regels

De thema’s van de verschillende religies zijn macht en onmacht, recht en onrecht; van onmondigen, daklozen tot gedetineerden in verschillende landen. Vrouwen en kinderen, die misbruikt werden en uit schaamtegevoel jarenlang gezwegen hebben.
Wanneer je vluchtelingen uit zuid-oost Europa en het midden oosten spreekt wist iedereen voorheen, ondanks de verschillen met elkaar om te gaan; tot de machtigen der aarde met elkaar gingen stoeien en de mensen via de geloofsovertuiging achter hun karretje wisten te spannen.
Het bleek dat het paard achter de wagen werd gespannen, een ingewikkeld conflict met opdrachtgevers – waardoor onderlinge verhoudingen werden verstoord, welke eeuwen lang hebben kunnen voortwoekeren. Wij als ‘vrije’ toeschouwers kunnen zèlf oordelen, waarschijnlijk zal déze ontwikkeling de doorslag geven, wàt God met ons mensen voorheeft.
De enige opdracht van de mens is de zuivere Waarheid na te volgen en te verkondigen
Voor ons Orthodoxen, die het vroeg-christelijk Geloof onvervalst trachten te belijden, is de Waarheid te verheerlijken in de Goddelijke Drieëenheid welke ons Door Jezus Christus, de Zoon van God, door God de Vader en de Heilige Geest is en nog steeds wordt doorgegeven.
Uiteraard respecteren wij de heterodoxe en niet-christenen, maar wij gezamenlijke Christenen verkondigen dat er éénheid is in de Waarheid, één is de waarachtige God en Die komt alleen voort dankzij onze Heer Jezus Christus, de Verlosser van de wereld; Hij verheerlijkt God en is daardoor de overwinnaar op de dood. De Heerlijkheid van God is ons leven, ons geluk en onze eeuwige redding; wij maken aanspraak op de Heer en ‘in Zijn vrijheid’ te proberen Zijn Goddelijke Heerlijkheid te evenaren en verwachten daarop bij Zijn uiteindelijk [laatste] Oordeel beoordeeld te worden, want alleen
-Zijn-Hemels-Koninkrijk- kent geen einde [is eeuwig].