Orthodoxie & de Heilige in de Nederlanden, kerstening van onze Lage Landen

Kerkgemeenschappen hadden en hebben hun kerkgebouw, welke
wordt en werd toegewijd aan een beschermheer en/of beschermvrouw.
Heiligen waren aanwezig in de kerkbeleving door hun relieken [relikwieën],
de overblijfselen van hun aardse bestaan.
Deze relieken overbruggen de afstand tussen Hemel en aarde.
De gelovigen roepen de Heiligen aan voor de genezing van hun ziekten, de bescherming tijdens het reizen en voorbede voor zielenheil van de overledenen.
Aan relieken van de Heiligen wordt  beschermende kracht toegeschreven;
in tijden van nood worden ze zelfs rondgedragen.
Sommige relieken werden in kleine houders aan een koord rond de nek gedragen.

              De beschermheilige waakte over de kerkelijke en de burgermaatschappij.
Voor Utrecht was dit Sint-Maarten, het levend voorbeeld van de Frankische vorsten met wiens instemming in de zeventiende eeuw de Heilige Willibrord de Sint Maartenskerk al had ingewijd.
Rond 1160 schreef Hendrik van Veldeke over Maastricht: “En Maastricht bezat die waardigheid, want daar lagen de beenderen van Sint Servatius ten toon en daar zag men een Goddelijke aanwijzing, een bijzonder teken in”.
Relikwieën kunnen objecten zijn geweest die in contact waren geweest met de heilige.

             ‘Wurgdoek van H. Cunena’

             Vanaf de Middeleeuwen werd in de Saint Cunera kerk van Rhenen de omslagdoek bewaard die werd gebruikt om de Heilige Cunera te wurgen.
Deze wurgdoek uit de vierde of vijfde eeuw, welke momenteel bewaard wordt in het Catharinecovent, het aartsbisschoppelijk museum naast de kathedraal in Utrecht, speelt een rol in de legende van Cunera, waarin Willibrord eveneens een rol heeft. De naastgelegen kathedrale kerk wordt binnenkort door het bisdom in eigendom aan het museum overgedragen – financiële nood, als gevolg van veelvuldige geloofsafval – het geloof in financiële redding prevaleert  boven de Goddelijke afhankelijkheid.
Deze heilige vrouw werd begraven op de plaats waar nu de Cunera-heuvel aan de oevers van de Rijn in Rhenen ligt; bij haar graf zouden wonderen hebben plaatsgevonden. De toekomst zal leren of dit in onze tijd de geloofsbeleving in de La[e]ge Landen doet keren.
De legende gaat dat Willibrord 300 jaar na zijn kerstening, op verzoek van de lokale bevolking, de botten van Cunera ontdekte.  Cunera was een jonge vrouw, veel weten we niet van haar, maar door omstandigheden werd zij eeuwen na haar dood  in de middeleeuwen heilig verklaard.
Hoe kan dat?

Cunera zou vermoord zijn, gewurgd met een doek. Ook al zou Cunera misschien niet ècht hebben bestaan bestaan, die doek is -zo is uit historisch onderzoek gebleken- is wèl ècht en komt uit de vijfde eeuw, een periode waarover we niet veel weten, maar waar met name in de buurt van Rhenen heel veel archeologische vondsten zijn gedaan. In de loop der eeuwen is de legende over Cunera steeds mooier gemaakt. Ze zou samen met Ursula en 11.000 maagden bij Keulen zijn aangevallen door de Hunnen en later door de vrouw van Koning Radboud zijn gewurgd met haar halsdoek. Op de plaats van de Cunera-heuvel aan de oevers van de Rijn wordt de Heilige Cunera vereerd als de beschermheilige tot keel- en vee-ziekten.

Heiligen van de Lage Landen, Russ.Orth. kerkgemeenschap  Amsterdam, van de hand van N.P. Ermakova

        In 963 bracht bisschop Balderik de relieken van Sint Agnes naar de Sint-Maartens kathedraal van Utrecht en in 966 eveneens de relikwie van Pontianus. En van Saint Odiliënberg bracht hij de relikwieën van de Heilige [Sint] Wiro naar de Utrechtse kathedraal. De belangrijkste relikwieën van de kerk, toegewijd aan ‘Christus Heiland’ waren die van de bisschop Frederick [ca 820] en zijn rechterhand Odulphus. Fragmenten van zijn albe [een lang wit tuniek, welke tijdens de eredienst  door de priester gedragen werd] en zijn beker zijn tot nu toe bewaard gebleven.
De komst van zoveel relieken betekende een grote toename van de status van het kerkelijk aanzien in het bisdom Utrecht, welke tot ver in België reikte; geheel Vlaanderen viel toentertijd onder het omniphorion [de halsddoek, welke de toezichthoudende invloed uitdrukte] van de bischop van Utrecht.

Heilige Adelbert van Egmond

            Zo ligt er nabij Egmond het graf van de Heilige Adelbert, een priestermonnik, welke in Holland een grote verering teweeg bracht.
Alle hagiografische teksten van de tiende tot de vijftiende eeuw waarin heilige Adelbert wordt genoemd, spreken over zijn genezingswonderen. Tijdens de opgraving [de verheffing] van zijn botten, steeg een helende Myron-gelijkende geur op uit zijn graf en door de beweging van het water werden vele zieken genezen; in de nabijgelegen abdijkerk hebben tevens vele soorten genezingen plaatsgevonden. Adelbert verdreef vooral demonen en genas de blinden.
De genezing van de bezetenen was een wonder dat vaak plaatsvond op het feest van Adelbert, 25 juni, maar nog meer op 24 juni, omdat de gebeden tot Adelbert konden worden toegevoegd aan die van Johannes de Doper; de samenwerking van die heiligen zal derhalve een grotere uitwerking hebben veroorzaakt.
De dag van de dood van een heilige werd meestal ook zijn feestdag. De eer van de heilige, vooral op hun feestdag, brengt iemand in contact met het begrip van de gemeenschap van heiligen, een gemeenschap, die niet alleen levende gelovigen omvat, maar ook degenen die al waren overgegaan naar een volgend leven.
Dit veroorzaakte een speciale gelegenheid om een voorbede tot de heilige te doen: de gelovigen roepen daarbij de hulp en bemiddeling in van de heiligen die in de Hemelen leven.

                               In tijden van gebed klinkt regelmatig nog steeds de voorspraak van de levenden voor de doden: “Moge al de gelovigen rusten in vrede“. Het is de religieuze overtuiging dat degenen die voor de zielen van de doden zouden bidden, soms de doden zelf op een buitengewone manier activeren in hun aandacht bij de Heer, onze Verlosser.

     Voor de studie van de religieuze wereld van de ervaringen van de gelovigen in Noord-Nederland tot 1200 zijn er meer dan twintig levens van de heiligen en wonderverhalen beschikbaar, die in het bisdom Utrecht werden geschreven. De tekst behoort tot het genre van de hagiography.
Een leven van een heilige [vita] levert geen ‘historische‘ biografie op, maar een verslag dat probeert  de heiligheid van de heilige aan te tonen. De Vitae zijn ontworpen om de verering van de heilige te stimuleren en zijn bedoeld voor een publiek van leken. Ze werden vanuit het Grieks en Latijn naar de volkstaal vertaald en werden ook in de volkstaal gelezen; de deugden van de heilige werden hierbij op gróte schaal òpgehemeld en gepubliceerd.
Het woord vitae [vitus] moest ook de macht aangeven die de heiligen bezaten; en het woord vitus verwees naar die Macht: het Mysterie, het Wonder, welke hun nabijheid bij God op ons teweeg bracht. Voor de meeste gelovigen zijn wonderen slechts een bewijs van de heiligheid van de wonderdoende Heilige.

      Het leven van de heiligen werd pas geschreven eeuwen na de dood van een heilige, bijvoorbeeld het leven van Bonifatius, daterend uit de tiende of elfde eeuw. Hoewel het niet goed is, gebruikt Vitae voor onderzoek de historische beschouwing van de heilige, ze geven de heersende opvattingen over de heilige, in Holland, in Egmond en elders.
In Nederland begonnen mensen, waaronder monniken in het Benedictijner-klooster van Egmond, aan het einde van de tiende eeuw hagiografieën te produceren, die werden beïnvloed door het gebruik van de ‘gehele’ Christelijke Kerk. De teksten werden gebruikt voor de liturgische viering van de heiligen; in Egmond was dit vooral voor de Adelbertus-cultus. Het is niet verwonderlijk dat hedendaagse nuchtere Hollanders enige distantie nemen van dit voor de Christelijke Kerk bekend verschijnsel.

Het bisdom Utrecht, de Friezen en de gehele ‘Lage Landen’ hadden een gemeenschappelijke traditie van heiligen die in dàt bisdom werden vereerd.
De biografieën van de Anglo-Saksische missionarissen [Benedictijnen] en hun Heiligen uit de vroegste geschiedenis van de kerk stonden centraal.
Van belang waren in de eerste plaats de biografieën van de Angelsaksische missionarissen die onder de Friezen en Saksen hebben gewerkt, met name Willibrord en Bonifatius.
De aandacht werd ook gericht op de Friesche Liudger.
De academische studie van de vroege Friesche hagiografie en de voortbrengselen van het benedictijner-klooster in Egmond zijn een nòg stééds vrijwel onontgonnen gebied.

Mensgeworden op aarde heeft de schepper zijn schepping vernieuwd, toen Hij zich ons openbaarde‘, fresco Moldovita klooster

Je kunt tijdens je vakantie reis naar een Spaanse of Italiaanse kerk gaan en zeggen “hier leeft een deel van de Kerk uit de middeleeuwen”;
maar de taal van de vroeg-Christelijke Kerk, in het Byzantijnse, Oost-Romeinse rijk was Grieks en de religie Orthodox.

Indien je inzicht krijgt dat het rijke Roomse leven van de westerse natie,
z’n oorsprong vond bij Karel de Grote en een voorloper was van de westerse kerken, evenals de Franse en Spaanse vorsten haar ondersteunde tot hun huidige republieken en de Macht van het huidige Europa ‘in opbouw‘, dan is en was Byzantium de directe voorloper van het moderne Griekenland.
Een groot deel van het voormalige Griekenland tot het huidige overheerste Turkije – eerst dàn – zul je in de huidige tijd op een veel directere manier, de oorspronkelijk Christelijke belevingswereld herkennen in de kerkgebouwen, die aldaar nú nòg – ondanks de Moorse overheersing – de tand des tijds hebben overleefd. 

De omgeving, ook een gebouw – kan – “De juiste plaats voor een dialoog met God vormen”. 

 

Schutsmuur zijt gij der maagden, maagd en Moeder des Heren, toevlucht voor wie zijn nood bij u klaagde‘, fresco Moldovita klooster

        Een plaats welke gemarkeerd wordt door ‘òntzàglijk véél‘ gebeden van  mensen uit haar regionale lange geschiedenis – het kan een goede plek blijken te zijn voor het persoonlijk gesprek met God. Bovendien kan de juiste plaats voor een gesprek met God natuurlijk overal zijn.
Wanneer je maar bereid bent de rust op te zoeken, de eenvoud van  het openstellen van de ziel 
voor Gods Geest:

Heer, mijn hart is niet hoogmoedig; ik heb mijn ogen niet trots opwaarts geslagen.
Ik houd mij niet op met gróte dingen, noch met wàt te wònderbaar voor mij is.
Als ik niet nederig gezind was, of zó ik mijn ziel had verheven.
Als een gespeend kind op de schoot van zijn moeder, zó had Gij mijn ziel vergolden.
Doch Israël [de Kerk] zal op de Heer vertrouwen, van nu af tot in eeuwigheid”.Psalm 130.
Zelfs koning David beantwoordt het kloppen op de deur van zijn ziel,
overeenkomstig:
    Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen en Ik zal avondmaal met hem houden, en hij met MijOpenb.3: 20.

Het vermogen om de de ervaringen van onze voorvaderen te onderscheiden groeit mee met elk kerkbezoek. En tegelijkertijd de mogelijkheid om verborgen sleutels te vinden in Iconen, Fresco’s, Mozaïeken, kaarsen, bloembakken, scheuren en raamnissen, als teken van vervallen aandacht voor de oorsprong van de mens. Soms hebben klemmende deuren echter een goede duw met de schouder nodig òm de láátste belemmering te doen wegnemen. Misschien dient die toch wel vanuit den Hoge te komen.

Troparion     tn.2.
”      Apostelen, Martelaren en Profeten,
Hiërarchen, Heilige en Gerechten,
die de goede strijd voleindigd en het Geloof bewaard hebt,
gij hebt toegang tot de Verlosser.
Smeekt tot Hem, als de Goede voor osn,
opdat onze zielen mogen worden gered”.

‘Moeder Gods van Altijddurende Bijstand’ van de hand van Liesbeth Smulders.

Theotokion     tn.2.
”     Heilige Moeder van het ontoegankelijk Licht,
wij vereren U met de hymne der Engelen
om U vroom te verheffen“.

Kontakion     tn.8.
”     Als het eerstelingen-offer der natuur
offert de wereld U, de Heer en Schepper van het heelal, de God-dragende Martelaren.
Bewaar om hun gebeden Uw Kerk in diepe Vrede,
door de Moeder God, Barmhartige”.