5e Zondag na Pascha – de Samaritaanse vrouw, martelares

      Hij kwam dan in een stad van Samaria [= ‘wacht-berg’], genaamd Sichar [=’dronken’], dicht bij het veld, dat Jaäcob aan zijn zoon Joseph gegeven had; daar was de bron van Jaäcob.
Jezus nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur. Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten.
De Heer zei tot haar: ‘Geef Mij te drinken’.
Want Zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen.
De Samaritaanse vrouw dan zei tot Hem: ‘Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen?’. Want Joden gaan niet om met Samaritanen.
Jezus antwoordde en zei tot haar: ‘Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven’.
Zij zei tot Hem: ‘Heer, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan het levende water? Zijt Gij soms meer dan onze vader Jaäcob, die ons de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden?’.
Jezus antwoordde en zei tot haar: ‘Een ieder, die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen; maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven’.
De vrouw zei tot Hem: ‘Heer, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet hierheen behoef te gaan om te putten’.
Hij zei tot haar: ‘Ga heen, roep uw man en kom hier’.
De vrouw antwoordde en zei: ‘Ik heb geen man’.
Jezus zei tot haar: ‘Terecht zegt gij: ik heb geen man; want gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt, is uw man niet; hierin hebt gij de waarheid gesproken’.
De vrouw zei tot Hem:

H. Svetlana, Photini – Theologisch geïnteresseerd.

‘Heer, ik zie, dat Gij een Profeet zijt.
Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden’.
Jezus zei tot haar: ‘Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in Waarheid’.
De vrouw zei tot Hem: ‘Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen’.
Jezus zei tot haar: ‘Ik, die met u spreek, ben het’.
En daarop kwamen Zijn discipelen en waren verbaasd, dat Hij met een vrouw in gesprek was, en toch zei niemand: ‘Wat zoekt Gij’ of: ‘Waarom spreekt Gij met haar?’.
De vrouw dan liet haar kruik staan, en ging naar de stad en zei tot de mensen: ‘Komt mee en ziet een mens, die gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: zou deze niet de Christus zijn?’.
Zij gingen de stad uit en kwamen tot Hem. Intussen vroegen zijn discipelen Hem, zeggende: ‘Rabbi, eet’.
Hij zei echter tot hen: Ik heb een spijs te eten, waarvan gij niet weet’.
De discipelen dan zeiden tot elkander: ‘Iemand heeft Hem toch niet te eten gebracht?’.
Jezus zei tot hen: ‘Mijn spijs is de Wil te doen van Degene, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk te volbrengen. Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten. Reeds ontvangt de maaier loon en verzamelt hij vrucht ten eeuwigen leven, opdat de zaaier zich tegelijk met de maaier verblijde. Want hier is de spreuk waarachtig: De een zaait, de ander maait. Ik heb u uitgezonden om datgene te maaien, wat u geen arbeid heeft gekost; anderen hebben gearbeid en gij hebt de vrucht van hun arbeid geplukt’.
En uit die stad geloofden vele der Samaritanen in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: ‘Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb’.
Toen dan de Samaritanen tot Hem kwamen, verzochten zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. En nog veel meer werden er gelovig om Zijn Woord en zij zeiden tot de vrouw: ‘Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland van de wereld is’John.4: 5-42.

      Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stefanus plaats vond, trokken verder tot Phoenicië, Cyprus en Antiochië toe, zonder tot iemand het woord te spreken dan alleen tot de Joden.
Doch er waren onder hen enige Cyprische en Cyreense mannen, die, te Antiochië gekomen, ook tot de Grieken spraken en hun de Heer Jezus predikten.
En de hand des Heren was met hen, en een groot aantal kwam tot het Geloof en bekeerde zich tot de Heer.
En het bericht daarvan kwam de gemeente van Jeruzalem ter ore en zij vaardigden Barnabas af naar Antiochië.
Toen deze aankwam en de Genade van God zag, verheugde hij zich en wekte allen op om naar het voornemen van hun hart de Heer trouw te blijven; want hij was een goed man, vol van de Heilige Geest en van Geloof. En een brede schare werd de Heer toegevoegd.
En hij vertrok naar Tarsus om Saulus te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. En het geschiedde, dat zij een vol jaar in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genoemd werden. En in die dagen kwamen Profeten van Jeruzalem te Antiochië; en een uit hen, genaamd Agabus *, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius.
En de discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden; dit deden zij ook en zij zonden het aan de oudsten door de hand van Barnabas en SaulusHand.11:19-30.


* Agabus
: ‘Hetoimos’ [Gr. Hij is in orde – geschikt, gereedgemaakt of vaardig] betekent dat we voortdurend geschikt [voor God beschikbaar] dienen te zijn, voortdurend gereed moeten zijn. Het Griekse werkwoord legt de nadruk op de handeling die van onbepaalde duur is.
Bij de Apostel Paulus zien we een levensloop die ons verstand helemáál te boven gaat. Hij gaat naar Jeruzalem om over Jezus Christus te vertellen. Wie had dat gedacht?
De Griekse vertaling van ‘bereid zijn‘ komt het best tot zijn recht in het woord ‘geschikt‘ zijn. Paulus werd ‘geschikt‘ bevonden, hij was door en door was hij gepokt en gemazeld om de strijd aan te gaan. Hij heeft dat zelf mogen ontdekken door de Heilige Geest; de Heilige Geest is het die de Genadegaven aan ons bekend maakt. In diezelfde tijd kwamen er vanuit Jeruzalem Profeten naar Antiochië.  Eén van hen, die Agabus heette, voorspelde door de Geest dat de wereld door een hongersnood zou worden getroffen, iets dat tijdens de regering van Claudius inderdaad gebeurd is‘. De leerlingen besloten hierop te reageren door hun broeders en zusters te ondersteunen. Agabus komt met een boodschap tot de gemeente in Antiochië. In de taal van de bijbel is een boodschapper volledig afgevaardigde van zijn zender. Het is Christus Zelf, Die Agabus vervult met de Heilige Geest en Die tot het volk spreekt. Het is geen bangmakerij maar het is dé toerusting die Paulus nodig heeft voor hij naar Jeruzalem vertrekt. Christus wijst ons hier ook op Zijn eigen lijden. Soms houden wij persoonlijk bewust of onbewust het werk van de Heilige Geest tegen.

Hemel en aarde zullen vergaan
De Heer sprak tot de Samaritaanse: “zo gij de Genadegave van God slechts kende”.
De mens wordt gekweld door hartstochten, maar als in een frisse lente is de Geest van het eeuwig Leven in staat om ons te verlossen.
Met beide voeten op de grond zijn wij tot de bron van Jaäcob gekomen, waar wij door de frisse Genade uit de Bron de dorst van ons lichaam kunnen lessen, maar de kennismaking met de Heer van het eeuwig leven geneest de menselijke ziel voor altijd.
Echter vanuit het Joodse werd Christus al eerder door de raadsheer Nicodemus de vraag gesteld hoe een eenmaal geboren mens, opnieuw geboren kan worden, hetgeen inhoudt dat de Heilige Geest de mens dusdanig aanraakt en als een frisse lentewind het uitzicht op het eeuwig [Goddelijk] Leven doet ontstaan.
Vandaag wordt dezelfde vraag gesteld door de Samaritaanse, een vrouw, welke op het grensgebied is opgegroeid uit Sichar [Gr: συχαρ = ‘dronken’], de plaats van de bron van Jaäcob een gebied tussen het Geloof en het heidendom – zij was echter theologisch geïnteresseerd, want zij wist dat de Messias verwacht werd.

Het lijkt in een juiste volgorde geplaatst, want op deze ontmoeting volgt de ontmoeting van vorige week met de heidense Romeinse honderdman, die wij vorige week hebben ontmoet. Dit is verbijsterend, want hier wordt het probleem van humanistische aard aan de orde gesteld, die z’n weerga in onze 21e eeuw niet kent; de hopeloze religieuze kwestie welke ouders steevast aan hun spelleiders en theologen voorleggen:
Waar en hoe kan er in de mens een verbinding gevonden worden van het Hemelse met het aardse – de belevenis van alledag; zijn we nog wel in staat daar aanspraak op te maken? – komt dat nog wel overeen met de moderne manier van leven?
De mens van deze tijd is immers totaal vervreemd van het Woord van God, laat staan van het eeuwige leven – veelal wordt dat gezien als een ideologie, die ons door de Machtigen der aarde wordt voorgehouden – om ons rustig te houden of zo iets.
Wordt niet te allen tijde de angst dikwijls dusdanig gerechtvaardigd dat religieuze verkondiging de mens in bedwang houdt – als het ware misvormt, hetgeen dit de mens van buitenaf wordt opgelegd en de mens van z’n vrijheid berooft in plaats van hem levensgenot te schenken?

In de Naam van God wordt er door de mond van degenen, die Theologie gestudeerd hebben in dienst aan God veel geweld aangedaan en zij verworden  veelal tot handlangers van het menselijk denken.

Tegen het eind van de 1e eeuw na Christus wordt de aan Johannes toegeschreven Blijde Boodschap geconfronteerd ​​met precies dezelfde ervaring en een realiteit, die identiek schijnt te zijn.
God, zo wordt gezegd, is geen object van aardse ervaring, het is wezenlijk anders dan al datgene wat wij mensen kunnen bevatten of begrijpen en toch geeft dit vierde evangelie in dit gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw op de klassieke wijze weer, waarop ook wij in onze tijd in de taal van de zogenaamde historische Jezus, ons de weg zouden kunnen voorstellen die naar en tot in het hart van de mensen leidt en de aarde een heel eind richting de Hemel voert.
Betekent dit dat op een bepaalt moment de aarde ontploft en God een Nieuwe Hemel en aarde, een nieuwe schepping begint? En wat is er in hemelsnaam mis met de huidige Hemel?
Ik kan me nog voorstellen dat een nieuwe aarde geen gek idee is, maar waarom wordt er gesproken over Nieuwe Hemel en aarde?

De eerste drie Evangeliën vertellen ons steeds opnieuw dat onze Heer, Jezus Christus graag in beelden van God sprak als van Zijn Vader.
Hij betoogde eenvoudige ervaringen die Hij over het geheel genomen in tekenen en verbanden omzet die een geheel andere werkelijkheid en richting aangeven, waar wij naar ons gevoel behoefte aan hebben, maar rust en troost aanbieden te midden van de angst van de wereld en ons in staat stellen staande te blijven in Zijn Pedagogie.
Het hele beeld des Levens wordt ons door onze Heer en Verlosser aangeboden als mogelijke gelijkenis:
1.]. een vrouw die het deeg kneed voor een brood: ”    Hij zei dan: Waaraan is het Koninkrijk Gods gelijk en waarmee zal Ik het vergelijken? Het is gelijk aan een mosterd-zaadje, dat iemand nam en in zijn tuin zaaide en het groeide en werd een boom en de vogelen des Hemels nestelden in z’n takken. En opnieuw sprak Hij: Waarmee zal Ik het 
Koninkrijk Gods vergelijken? Het is gelijk aan een zuurdesem, welke een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel doorzuurd was  Luc.13: 18-21;
2.]. een zaaier in het veld: “    En Hij zei: Alzo is het Koninkrijk Gods, als een mens, die zaad werpt in de aarde en slaapt en opstaat, nacht na dag en het zaad komt op en groeit, zonder dat hij zelf weet hoe. De grond brengt vanzelf vrucht voort; eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar. Wanneer dan de vrucht rijp is, laat hij er terstond 
de sikkel in slaan, omdat de oogsttijd aangebroken isMarc.4: 26-29;
3.]. een vrouw op zoek naar een verloren penning: “    Of welke vrouw, die tien schellingen heeft, en er één verliest, steekt niet een lamp aan en veegt het huis en zoekt zorgvuldig, totdat zij hem vindt? En als zij hem gevonden heeft, roept zij haar vriendinnen en buren bijeen en zegt: ‘Verblijdt u met mij, want ik heb de schelling gevonden, die ik verloren 
had’. Alzo is er, zeg Ik u, blijdschap bij de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeertLuc.15: 8-10:
4.]. een herder die zijn kudde begeleidt: “    Al de tollenaars nu en de zondaars plachten tot Hem te komen om naar Hem te horen. En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: ‘Deze ontvangt zondaars en eet met hen’. En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zei: ‘Wie van u, die honderd schapen heeft en er één van verliest, laat niet de negenen-negentig in de wildernis achter en gaat het verlorene zoeken, totdat hij het vindt? En als hij het vindt, tilt hij het met blijdschap op zijn schouders en thuisgekomen, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tot hen: ‘Verblijdt u met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was’. Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen-en-negentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebbenLuc.15: 1-7.
➻➻ Totaal niets kwam onze Heer vreemd voor, het was allemaal heel gewoon, zó doodgewoon, dat het als muziek/poëzie in de oren klinkt, temidden van alle vergankelijke dingen –  àls een te ontdekken teken voor wat datgene wat eeuwig is. De weergave van Johannes de Theoloog bevat vrijwel geen woord, welke de historische Jezus had kunnen zeggen;
Integendeel, het Evangelie van Johannes weegt Zijn woorden en formuleert ze zoals ze zouden moeten worden gezegd tegen mensen, die onder nogal verschillende omstandigheden een cultureel en spiritueel leven leiden.

Waar bevindt zich het aanknopingspunt waar wij westerlingen geraakt kunnen worden? Met deze vraag worden wij bij elke perikoop in het Vierde Evangelie geconfronteerd.
Wanneer onze Heer met een Joodse raadslid als Nicodemus in gesprek is over God, heeft Hij met iemand te maken die zich al lange tijd verbonden weet met Mozes en Abraham, met een mens, dan, die er stellig van overtuigd is dat hij de kennis van Gods geheimen bezit. Je zou haast vaststellen, dat er voor hem in de omgang met God niets verborgen is, maar dat alleen degene, die bekeerd is, wedergeboren is, de adem en de wind van de Heilige Geest heeft ervaren en daarmee in vuur en vlam gezet is en het enthousiasme van de Heilige Geest in zich draagt; dit is de persoon, die aan het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw voorafgaat.
Maar hóe praat je tegen een niet-Jood? De wijze waaròp deze perikoop begint is al het begin van de mogelijkheid tot herkenning.
Jezus gaat weg uit Judea, niet alleen ruimtelijk, maar ook spiritueel; Hij, de Zoon van God, geheel God en geheel mens, walgt van de heersende religie in z’n geïnstitutionaliseerde en de buitenkant, waarmee het zich manifesteert.
Het uitzicht is ons zo vertrouwd het is als een alom bekende speeltuin voor opmerkelijke prestaties; je hebt beminde gelovigen en je hebt gezaghebbende spelleiders.

Religie, zoals wij die kennen, is een onderwerp van studie geworden van doeltreffende  bóvennatuurlijke begrippen en voer voor statistici.
Dàt krijg je wanneer je de religie maar aan één bepaalde beroepsgroep overlaat, aan één bepaalde rite, aan één Traditie, waar je op kunt bouwen, maar zich tegelijkertijd bezig houdt en z’n oor te luisteren legt bij een bepaalde hoeveelheid geld, als goed geoliede motor, welke de uitvoering van deze religieuze overtuiging als systeem gaande houdt.
Er is niets bekend behalve dàtgene wat al niet al lang bekend is, maar tévens en vooràl probeert de één boven de ander een -al te bekende- rivaliteit te overwinnen.
– Wie heeft méér volgelingen, méér parochies onder z’n hoede – ja, die zijn niet op één hand te tellen; het zijn de telbare en kwantificeerbare massa’s mensen, die jij persoonlijk op de been brengt. Neen, niet met de hoogfeesten, niet met het aantal gemeenschappen, maar hoeveel daadwerkelijke mensen heb jij als toezichthouder in jouw kerkgemeenschap onder je persoonlijke beheer?
Elk van deze groepen pleegt te geloven de gehele Waarheid van God voor zichzelf te hebben, bij wijze van spreken voor zichzelf in erfpacht te hebben gekregen en die degenen, die niet geloven gewond langs de kant van de weg laat liggen en dit laat de grenzen van de zien van de referentiegroep.

Christus als voorbeeld
Het is de basis van het Evangelie van Johannes, de Theoloog, het is zuiver op basis van een hypothese, maar het toont een kracht en energie, die om een bevestiging, een ​​achterwaartse zoekactie, schreeuwt met het oog om de argumenten aan te tonen, dat onze Heer en Verlosser dit zou hebben kunnen zeggen en als argument , dat deze perikoop tevens déze achtergrond heeft – èn óók werkelijk zo bedoeld is!
Christus zou Zich, zoals de Blijde Boodschap van Johannes de Theoloog beweert, met afkeer over de zielen en de mensen van -zowel van ‘die‘ als ‘déze‘ tijd- hebben uitgesproken, sterker nog hèn en ook ons de rug hebben toegekeerd, en dat deed/doet Hij dan ook!
Hijzelf, onze Christus, de gezalfde, doopte, om het botweg te zeggen, helemaal niet; dit betreft het niveau van Johannes de Doper en omtrent de doop van Jezus aan Zijn Volgelingen is een vergelijking ten opzichte van deze man uit Nazareth niet mogelijk. Jezus heeft Zich nooit toegewijd aan riten om er mensen aan te verbinden.
Het is maar al te wáár dat het Christendom -heel vroeg al- een “sacramentele” basis heeft gevormd, – de doop was zelfs voor de formele toetreding en voorwaarde om jezelf als een waarachtige discipel van onze Heer te presenteren, maar dat was ‘zéker niet’ de gewoonte van Jezus Christus Zelf.
Zelfs het basis-Mysterie [het sacrament] van alle zeven sacramenten van de Apostolische Kerk komt niet van onze Heer en Verlosser, Jezus Christus Zelf, zo legt het Evangelie van Johannes hier in de inleiding uit.

Wat zó belangrijk is voor de dogmatische Kerk – alsòf de redding van de wereld ervan afhankelijk en aan verbonden was, lijkt hier vrij onbelangrijk; de cruciale vraag is eerder:
Hoe kun je in een innerlijk gesprek met onze Heer, Jezus Christus komen?’.
Zolang men erbij ‘blíjft’ dat men religie kwantificeerbaar maakt en zonder een enkele dialoog de garantie vormt, omdat ideologische aanspraken tot de Waarheid, gewoon door de structuur van de Macht aan de beminde gelovigen van boven naar beneden worden opgelegd, heeft men van de menswording van onze Heer en Zaligmaker en het koningschap van God ‘in Hem’ helemaal geen kaas gegeten, het gewoon niet begrepen;
Integendeel, Jezus wordt voortdurend uit “Judea” verdreven.
Nogmaals, het is niet alleen maar een topografische verklaring dat Jezus op weg was naar Zijn geboorteland [dat de onze zou dienen te zijn] naar Galilea moet gaan door heel Samaria.
Wanneer we over Samaritanen horen spreken, hebben we het nog steeds over de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan [van Luc.10: 25-37].

Omdat een Samaritaan de filantropische modelfiguur is, om het maar eens krachtig uit te drukken, van de deugd van Barmhartigheid.
Degene, Die de half-dood achtergelaten mens langs de weg ‘niet’ in de steek laat, door beschikbaar te zijn, maar Hij onderbreekt Zijn reisweg en stelt alles in het werk om met toewijding de gevallene er weer boven op te helpen.
Bij deze herinnering behoort het niet bij ons op te komen, een zo’n belangrijke gelijkenis van de explosief reagerende Heer en Verlosser aan de kant te schuiven, een plaats die de historische Nazarener in deze weergave toekomt.
Om een gesprek aan te knopen met Samaritanen betekende in Zijn tijd, zoals reeds in het verhaal van de reiniging van de tempel, bekend werd, legde Hij de aartsvijand op het podium van de geschiedenis, het betrof elke behoudende Orthodox van deze tijd en de orthodoxe Joden van de periode waarin Hij op de wereld rondliep.

NB. De Samaritanen waren de nakomelingen van de bevolking van het zogenaamde noordelijke koninkrijk van weleer, dat dateert uit het einde van de achtste eeuw voor Christus; onder de aanval van de Assyriërs was het nagenoeg ineengestort, voelde zich ook niet verbonden, zelfs niet religieus, met de mensen in het zuiden, uit Judea.
Na het begin van de 6e eeuw voor Chr. werd het Zuiden, Jeruzalem, bezet door de Babyloniërs en de bevolking werd gedeporteerd en keerde na de terugkomst van de Babylonische ballingschap opnieuw naar de heilige stad, enerzijds om de Tempel weer op te bouwen, anderzijds om de Wet van Mozes voor ogen te stellen; maar mèt dit alles bleven zíj ‘dè’ Joden onder elkaar; en zij sloten de Samaritanen uit.

Het Joods-Samaritaans Geloof komt in verkorte vorm tot uitdrukking in: “ Ik heb de Heer in uzelf geoefend, èn in Mozes, de zoon van Abraham, Uw dienaar, en in de Heilige Wet [Thora] en op de berg Gerazim, Bethel, en op de dag van wraak en vrede”. Zij beleven het Joodse Geloof, op zichzelf, zijn trouw aan de vijf boeken van Mozes, de Thora, de Wet, maar zij distantieerden zich van de cultus van heropgebouwde en prachtig versierde Tempel en zeiden dat zij zich niet thuis voelden, niet verbonden voelde, zich niet konden inpassen in het priesterschap van het zuiden, ze hielden zich als het ware onafhankelijk.
Historisch gezien bleven zij hun ‘eigen weg’ behouden en werden in zekere zin extreem conservatief. Maar hun kwaadheid en afwijzing richtte zich op de Tempel in Jeruzalem, welke zij vanaf het begin, dus nooit, ook niet onder Salomo, hadden zien zitten, dit zorgde ervoor dat zij blaakten van energie, hetgeen hen hun zelfbewustzijn bezorgde.
       In de tijd van onze Heer Jezus Christus waren hun heilige plaatsen van elkaar gescheiden en werden zij door iedere jood uit Judea van de Joodse eer afgewezen en vanwege hun afwijkend gedrag als schande ervaren – dat was de haat tussen de Samaritanen en de mensen uit Judea, die al meer dan een half millennium was aangewakkerd.

                 Dus wanneer onze Heer en Verlosser een Samaritaanse introduceert met haar achtergrond en zelfs voor mogelijk stelt dat voor “het waarachtige echte leven voor God”, teneinde “meer rechtvaardig gedrag” ingang te doen vinden Hij er niets meer of minder van wil zeggen dan dat de gehele cultus in de Tempel van Jeruzalem, waar de complete priesterkaste dienst doet om dieren te slachten voor een naijverige [jaloerse] God, wat de dienst aan God betreft, nietig en leeg is.
      Wie dan een van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der Hemelen; doch wie ze ‘doet en leert’, die zal groot heten in het Koninkrijk der Hemelen. Want Ik zeg u: Indien uw gerechtigheid niet overvloedig 
is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der Hemelen voorzeker niet binnengaanMatth.5: 19,20.
Het is mogelijk, zó verkondigt onze Heer hier, dat een priester God zo kosjer en ritueel correct aanbidt, dat hij zich niet langer onder de mensen bevindt; dit bewijst echter alléén dat de God van die spelleider niets meer is dan een ideologische lafaard en dat de priesters in hun zelfgebouwde tabernakels alleen bezig maar zijn zichzelf te feestelijk te herdenken.
Dit komt God niet ten goede en het dient ook de mensen niet.
Een Samaritaan die absoluut geen gebouwde Tempel accepteert, zoals bij een anti-joodse aartsvijand mogelijk blijkt, is echter wèl ’vrij genoeg’ en bereid om menselijk medelijden te accepteren buiten alle ideologische beperkingen om.

Christus, onze God en Verlosser, zegt: ‘God is Geest !’.

” Jezus zei : ‘Geloof Mij, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in Geest en in Waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in Waarheid’”.

 ➻➻ Een Samaritaan die helemaal geen Tempel waarneemt, zoals bij een anti-joodse aartsvijand mogelijk blijkt, is echter vrij genoeg – bereid om menselijk medelijden te accepteren – buiten alle ideologische beperkingen om.

De Samaritaanse mens accepteert Hem als waarachtige God [Messias] en kàn zelfs met z’n verstand behappen Dat Jezus Christus, de zoon God is.
Daarvoor heb je geen Tempel nodig, – alleen open’ ogen, alleen een open hart, alleen een ‘open’ hand; waar God gedragen wordt.
Dàt is hier de Blijde Boodschap van de historische Jezus Christus, onze Heer.
Al met al is menigeen in onze tijd tot de conclusie gekomen dat het zaak is: ‘onderscheid te maken tussen het Christelijk Geloof [van de Geloofsbelijdenis] enerzijds en het instituut Kerk anderzijds‘. Helaas was en is het vaker regel dan uitzondering dat de laatste een bedreiging vormt voor de eerste.
De Christelijke kerk is niet slechter, maar ook absoluut niet béter dan andere menselijke instituten en dat dienen we ook niet te verwachten.
Wij stervelingen hebben de gewoonte van onze instellingen een zootje te maken en gelovigen doen daar net zo hard en krachtig aan mee. Mensen, die zichzelf volgeling van Christus noemen en van het Christelijk Geloof een puinhoop maken, zijn geen vreemder verschijnsel dan de schriftgeleerden en Farizeeën uit het Nieuwe Testament, die van het Jodendom een karikatuur hadden gemaakt,  òf [in onze dagen] de extremistische Theologen,  die van hun Geloof een vertekenend beeld geven.
Het merendeel van onze samenleving gelooft in de Goddelijke openbaring, in aanstekelijkheid van het Christelijk Geloof en dit beschouwen zij als één van de voornaamste bronnen – om niet te zeggen de énige – van geestelijke en sociale verlichting – en zijn er ook van overtuigd dat onze religieuze instellingen, die geroepen zijn het Profetisch Woord te bewaren, in de loop der tijd juist het tegenovergestelde zijn gaan doen.
Een Blijde Boodschap van Liefde en Hoop wordt binnen de kerkelijke kaders verwrongen tot een boodschap van vrees.
Bevoorrechte Christenen voor wie Vrijheid van Godsdienst al een leven lang de gewoonste zaak van de wereld is, veroordelen christelijke gezagsdragers die [zowel nu als in het verleden] hun positie misbruikten, met het grootste gemak als je reinste misdadigers. Het maakt niet uit òf we nu verwijzen naar de

Godfrey of Bouillon, kruisvaarder
Kruisboog

Kruisvaarders, de uitvoerders van de Spaanse Inquisitie, de Calvinisten die [Servetus en] talloze Doopsgezinden vermoordden; de echte boosdoeners waren niet de mensen, die in de gegeven omstandigheden deden wat goed was in hun ogen. De ware aanstichters van het kwaad waren angst en religieuze dogma’s, zoals de doctrine van de eeuwige verdoemenis, die de angst in de hand werkten. Vanaf het moment dat de Westerse kerk afstand nam van de universele verzoening en dit zelfs veroordeelde, verwijderde zij zich van de enig houdbare Theologie waarin Liefde altijd de overhand houdt. Een sindsdien worstelt de Kerk [tot op de dag van vandaag] met het enig alternatief dat overblijft: een leer, die angst inboezemt en vanuit angst voor de toekomst in het hiernamaals regeert.
Zondaars zijn de handen van God’ en God, Die verzoekt en mensen voor niets anders waardig zou achten – zelfs onze Heer geeft vandaag aan, dat Zijn ogen te zuiver zijn om dit te verdragen.
Paulus vermaant ons allen: “  Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, [ook] voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid. Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, Die [immers] wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis van de Waarheid komen. Want er is één God en ook één Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, Die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen; en daarvan wordt getuigd te juister tijd1Tim.2: 1-6; en
Petrus verkondigt dit: “      Doch dit éne mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Heer talmt niet met de Belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen.
Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Op die dag zullen de Hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan en de aarde en de [menselijke] werken daarop zullen gevonden worden. Daar al deze dingen aldus vergaan, hoedanig behoort gij dan te zijn in heilige wandel en godsvrucht, vol Verwachting u spoedende naar de [weder-]komst van de dag God’s, ter wille waarvan de Hemelen brandende zullen vergaan en de elementen in vuur zullen wegsmelten. Wij verwachten echter naar Zijn Belofte Nieuwe Hemelen en een nieuwe aarde, waar Gerechtigheid woont2Petr.3: 8-13.

Psalm 43[44]
    God, wij hebben onze oren gehoord, onze Vaderen hebben het ons verhaald.
Wat Gij tot stand gebracht hebt in hun dagen, in de dagen van weleer.
Uw hand heeft heidenen uitgerukt om hen te planten; Gij hebt volkeren zwak gemaakt en uitgedreven.
Want niet door het zwaard hebben zij het land verkregen, hun eigen arm heeft hun geen redding gebracht.
Maar Uw rechterhand, Uw arm, het licht van Uw aanschijn, omdat Gij behagen had in hen.
Gij zelf zijt mijn Koning en mijn God; Gij hebt verlossing bevolen voor Jaäcob.
Door U nemen wij onze vijanden op de horens, in Uw Naam versmaden wij hen die tegen ons opstaan.
Want niet op mijn boog stel ik mijn vertrouwen; mijn eigen zwaard hoeft mij niet te redden.
Gij hebt ons immers gered van onze verdrukkers; hen die ons haten hebt Gij beschaamd.
In God juichen wij heel de dag; Uw naam belijden wij tot in eeuwigheid.
Nu echter hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt; God, Gij trekt niet uit met onze legermacht.
Gij hebt ons de rug doen keren voor onze vijanden; die ons haten hebben zich door buit verrijkt.
Gij hebt ons overgeleverd als schapen ter verslinding, Gij hebt ons verstrooit onder de heidenen.
Gij hebt Uw Volk verkocht als had het geen prijs; er was over ons zelfs maar weinig gejuich.
Gij hebt ons te schande gemaakt voor onze buren, tot hoon en spot van hen die ons omringen.
Gij hebt ons tot spreekwoord gemaakt onder de heidenen, tot een hoofdschudden onder de volkeren.
Heel de dag staat mijn schande mij voor ogen, het schaamrood van mijn gelaat overdekt mij.
Door de stem van hen die mij smaden en honen ten aanschouwe van de vijand en de verdrukker.
Dit alles is over ons gekomen, terwijl wij U niet hadden vergeten; evenmin hadden wij Uw Verbond overtreden.
Ons hart was niet teruggeweken, maar Gij hebt onze schreden afgewend van Uw weg.
Zodat Gij ons vernederd hebt in een oord van verdrukking en de schaduw van de dood heeft ons bedekt.
Zo wij de Naam vergeten hadden van onze God, of als wij onze handen hadden uitgestrekt naar een vreemde god.
Zou God dit niet onderzoeken? Hij kent toch de verborgenheden van het hart?
Juist omwille van U worden wij ter dood gebracht heel de dag en worden wij beschouwd als schapen voor de slachtbank.
Ontwaak, waarom slaapt Gij, Heer? Sta op, verstoot ons niet voor altijd.
Waarom wendt Gij Uw aangezicht af? Waarom vergeet Gij onze ellende en onze verdrukking?
Want tot in het stof is onze ziel vernederd; ons lichaam kleeft aan de grond.
Sta op, Heer, help ons: bevrijd ons omwille van Uw Naam
Psalm 43[44] vert.ROK ’s-Gravenhage

Bij Heer ik roep . . . tn.5. 4e donderdag
    In het midden van de Tempel, staat God de Heer, Die geen grenzen kent.
Want volgens Zijn eigen Natuur is Hij werkelijk God,
ook al is Hij uit Liefde voor ons als sterflijk en begrensd verschenen.
Hij doet de levende stroom van Zijn woorden ontspringen en roept tot allen:
Reinigt uw ziel en verkwikt u van de hitte der hartstochten.
Laat niemand deze drank ontgaan, want Ik schenk de Kelk der Goddelijke Genade,
die onsterfelijk en boven alles Krachtig is,
dan zult u met Mij, uw Schepper, deel hebben aan het Koninkrijk,
zodat [ook] gij zult worden verheerlijkt
”.

Kathismazang      tn.4. Samaritaanse
    De Vorst der Wijsheid, de Meester van het Heelal,
zat neer in de Tempel en leeraarde:
Komt tot Mij, Gij allen die dorst hebt, en
drinkt van de levende stroom, die Ik u schenk,
want daadoor zult U allen genieten
het goddelijke Leven en de Vreugde
”.

Kondakion     tn.8.
    Met Geloof naderde de Samaritaanse tot de Bron:
daar aanschouwde zij U, het Water der Wijsheid.
En toen zij daarvan gedronken had
begeerde zij dorstig het Koninkrijk uit den hoge.
Daarom wordt zij geprezen in alle eeuwigheid
”.

Exapostilarion  refr. uit Paschaboek blz 156
Toen Gij naar het vlees was ontslapen als een sterveling, o Koning en Heer,
zijt Gij ten derde dage opgestaan, na Adam te hebben opgewekt uit het verderf en de dood te hebben verdelgd.
Pascha der onvergeeflijkheid, Redding van de Kosmos

tn.3a.
Gij zijt gekomen naar Samaria, mijn almachtige Verlosser
en hebt daar gesproken met een vrouw;
en zoals Gij eens de Joden water hebt doen stromen uit de steenrots,
hebt Gij nu aan haar water gevraagd om te drinken
om haar te bevestigen in het Geloof:
en geniet zij voor eeuwig het Leven in de Hemelen
”.

tn.3a.
    Op het midden van het Vijftigdagenfeest,
hebt Gij medelijdend in de Tempel geroepen:
Gij die dorst hebt, komt tot Mij,
om levend en stromend water te putten,
dat U de Volheid van de Genade schenkt
en eveneens het onsterfelijke Leven”.

De al-Heilige wereldomvattende Kerk, ‘een Mysterie’ – icoon

NB.  het is onmogelijk om God [Christus] te beminnen buiten de Kerk om.
Ik weet dat deze vraag heden ten dage door velen gesteld wordt.
Het antwoord is dat er zeker een mogelijkheid is om enkele aspecten van Christus te beminnen buiten de Kerk om , maar buiten de Kerk, kan men Christus Zelf – als Zijn Verschijning in het vlees – niet beminnen, men zou afdwalen.
Er zijn mensen die houden van enkele woorden van Christus of Hem zien als een Profeet of een rebel en wijze. Er zijn er zelfs die zich alleen maar interesseren in Zijn Liefde tot de mensen, Zijn medemenselijkheid en anderen die in Hem de Wonderdoener zien.
Maar Christus, de Zoon van God, is ‘niet’ op de wereld gekomen om wonderen te verrichten, noch om kostbare leringen te houden, zelfs niet om de wereld te oordelen. Christus is enkel en alleen gekomen -door de Vader gezonden- om de wereld te redden!’.
Christus heeft Zijn Apostelen uitgezonden om gemeenschappen van gelovigen bijeen te roepen, die op éénzelfde plaats samenkomen, waar ze allen tezamen ‘Zijn aanwezigheid kunnen beleven en herbeleven‘, door deel te hebben aan Zijn kostbaar Lichaam en Bloed, zoals ‘Hij’ het ons zelf heeft voorgedragen.
Hoe kunnen we Christus liefhebben en onverschillig blijven t.o.v. zijn uitnodiging? Het is in de Kerk, de gemeenschap van heiligen dat Christus handelt.
De Apostelen hebben lokale Kerken gesticht die samen de Universele Kerk van Christus vormen. Zonder de zichtbare Kerk, door God gesticht, kan geen enkele eenheid bestaan tussen de leden van een gemeenschap, die niet het Lichaam van Christus zou zijn, want het Lichaam van Christus, is Zijn Kerk, van dewelke Hij het universele hoofd is.
                      De eerste christelijke gemeenschappen werden gevestigd in steden die ‘een zeker aanzien genoten‘ en waar de universeel gebruikte taal van die beschaving Grieks was. Vanaf dat moment werd in deze taal de eerste christelijke prediking gedaan door de Apostelen van de Heer.
Maar toen het Christelijk Geloof doordrong in het niet-gehelleniseerde landschap van het Oosten of werd geëxporteerd naar landen buiten het Romeinse Rijk, zoals Armenië, Georgië, Ethiopië, werden de dienaren van het Evangelie door omstandigheden genoodzaakt om de dialecten van deze verschillende volkeren te gebruiken en hen op die manier in te leiden in de Christelijke leer en het Gebed tot God.
Vanaf dat ogenblik begon men God ook te vereren in het landstaal in Afrika, in Gallië en in de landelijke kantons van Italië; in het Koptisch voor de Egyptische landgenoten; in het Syrisch voor de Syrische boeren en de inwoners van de kleine steden van de regio; in het Armeens, Georgisch, Ethiopisch en Gotisch.
Later, toen het Oecumenisch Patriarchaat van Constantinopel het initiatief nam inzake de grote missionaire beweging die de Slavische volkeren zou moeten bekeren, werd dezelfde tactiek aangewend en werden de Heilige Boeken en Liturgische teksten vertaald in het Slavisch en het Nederlands, aanvankelijk

Archimandriet Adriaan [Korporaal]
voornamelijk door Archimandriet Adriaan Korporaal van het Russisch Orthodox klooster H. Johannes de Voorloper, van het bisdom Den Haag en Nederland. Dit initiatief tot vertaling van de teksten in het Nederlands werd vervolgens voortgezet door het Klooster Geboorte van de Moeder Gods te Asten patriarchaat Constantinopel.
De verschillende uitgaven zijn aldaar verkrijgbaar.
adres: Gruttoweg 7, 5725 RT Heusden Gem. Asten;
website: www.orthodoxasten.nl

Orthodoxie & de Bron des Levens

Heilige Drieëenheid, toonbeeld van Goddelijke Liefde

God is in de Drie-eenheid de oorsprong van al het leven.
Alle schepselen en ook wijzelf leven door Hem. Voor ons mensen is God veel meer, Hij wil ook de bron zijn van ons geestelijk leven. Veel mensen leven los van deze levensnoodzakelijke bron en zijn, geestelijk gesproken, eigenlijk dood. Denk dat je kan worden aangesloten op deze bron, die leven en overvloed geeft.

Die Levensbron vult je met Wijsheid, en je leven kan zo overvloedig worden dat je zelf een bron wordt voor anderen, waardoor zij geholpen worden om dodelijke gevaren te ontgaan.

Hoe de mens over God denkt – de manier waarop de mens Hem ervaart – is in wezen een weerspiegeling van hemzelf.

    Een vermogen, uit niets verkregen, slinkt weg; maar wie met eigen hand vergadert, wordt rijk. Een langgerekt hopen maakt het hart ziek, maar een vervulde begeerte is een boom des Levens. Wie het Woord veracht, moet het ontgelden; maar wie het gebod vreest, hem zal vergolden worden. Het onderricht van de Wijze is een Bron des levens, om de strikken des doods te ontwijken. Goed inzicht verschaft gunst, maar de weg der trouwelozen is onbegaanbaarSpr.13: 11-15.
De wetsovertreder besluit bij zichzelf om te zondigen, want er is geen vreze Gods voor zijn ogen. Hij huichelt voor Zijn aangezicht, dat hij onrecht zou opsporen en haten. De woorden van zijn mond zijn wetteloosheid en bedrog, hij wil niet verstandig zijn om het goede te doen. Hij beraamt onrecht op zijn bed, hij staat op elke slechte weg; van boosheid heeft hij geen afkeer.
Heer, in de hemel is Uw barmhartigheid, Uw waarheid reikt tot de wolken. 
Uw rechtvaardigheid is hemelhoog gebergte; Uw oordelen een bodemloze zee. Mensen en vee hebt Gij, Heer, gered; overvloedig is Uw erbarmen, o God.
De kinderen der mensen zijn vol vertrouwen onder de beschutting van Uw vleugelen. Zij verzadigen zich aan de overvloed van Uw huis, Gij drenkt hen met de stroom van Uw vreugden.
            Want bij U is de bron van het leven; in Uw licht zien wij het licht.
Schenk Uw erbarmen aan wie U kennen, Uw gerechtigheid aan de oprechten van hart. Laat de hoogmoedige voet mij vertreden, noch de hand van zondaars mij doen wankelen. Want gevallen zijn allen die onrecht bedrijven, zij zijn neergestort en konden niet blijven staan” Psalm 35[36] vert. ROK ’s-Gravenhage.

“ Want bij U is de bron van het Leven; in Uw Licht zien wij het licht”.

  God heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende Rijkdom van Zijn Genade[gaven] te tonen naar [Zijn] goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want door Genade[gaven] zijt gij behouden, door het Geloof en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand zal roemen” Eph.2: 6-9.

Veel mensen willen zo graag Gods goedheid ervaren.
God is niets dan goed; Hij laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden en
laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen;
Zijn Liefde is universeel, Die omvat alle mensen.
Maar dat wil niet zeggen dat iedereen zich
door God geliefd voelt, zijn goedheid opmerkt.
Je kunt de indruk krijgen dat er bij Hem
aanzien des persoons is, maar dat is absoluut niet zo.
En de oorzaak ligt bij de mens zelf.
Het geheim bestaat erin om tot Christus te komen en
in Hem tot een nieuw mens herboren te worden.
Daar, ìn Christus Jezus, bewaart God Zijn Goedheid als
een kostbare schat, in de ‘goede werken’ die Hij voor ons heeft bereid.

Walking by Faith

Dus wanneer de mens wandelt in de werken, die God voor de mens bereid heeft, en daarmee God dient in eenvoudige trouw en liefde voor Hem,
gaat de mens de overweldigende rijkdom aan goedertierenheid ondervinden van Gods Genadegaven.
De mens gaat ervaren wat David weergeeft in: 
    De Heer is mijn Herder, het ontbreekt mij aan niets.
Op grazige weiden doet Hij mij verblijven; aan verkwikkende wateren heeft Hij mij geleid. Hij heeft mijn ziel bekeerd. Hij leidt mij langs het pad der gerechtigheid omwille van Zijn Naam. Zelfs al ga ik midden in de schaduw des doods, dan vrees ik geen kwaad, want Gij zijt met mij.Uw staf en Uw stok, juist deze zijn mijn troost. Gij richt een tafel voor mij aan, voor de ogen van mijn verdrukkers. Met olie zalft Gij mijn hoofd: hoe heerlijk is Uw heilige Kelk! Uw barmhartigheid volgt mij van nabij, alle dagen van mijn leven. Ik mag wonen in het Huis des Heren, tot in lengte van dagenPsalm 22[23] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Gods Goedheid zal de mens altijd blijven achtervolgen!

Je kunt zeggen: het Godsbeeld van een mens, zoals hij over God denkt, is z’n eigen spiegelbeeld.
      Dan vergeldt mij de Heer volgens mijn gerechtigheid, volgens de reinheid van mijn handen voor Zijn  ogen. Met een heilige zult Gij U heilig tonen en onschuldig met een schuldeloos mens. Met een uitverkorene zijt Gij uitgelezen, maar met een arglistige toont Gij Uw list. Een nederig volk zult Gij verlossen, maar de ogen der trotsen vernedert Gij. Gij schenkt licht aan mijn lamp; Heer mijn God, verlicht mijn duisternis” Psalm 17[18]: 25-26.

Wie zelf bekrompen is en weinig over heeft voor z’n medemensen, ervaart God als bekrompen. Wil je God ervaren als loyaal, als Koninklijk, met een warm en goed hart, wees dan evenzo tegenover je medemensen.
Daarvoor is Kracht genoeg de vinden in de Blijde Boodschap, de Pedagogie, die Jezus Christus, de Zoon van God, heeft gebracht om de mens van een slechte, akelige natuur herboren te doen worden tot iemand die oprecht, rein en rechtschapen is.
      Ten slotte, weest allen eensgezind, medelijdend, hebt de broeders lief, weest barmhartig en ootmoedig en vergeldt geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegent integendeel, wijl gij hiertoe geroepen zijt, dat gij zegen zoudt beërven.Want: wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, dient zijn tong van het kwade te weerhoudenen zijn lippen van bedrog te spreken; hij dient van het kwade af te wijken en het goede te doen, hij dient de vrede te zoeken en die na te jagen, want de ogen des Heren zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun smeking, maar het aangezicht des Heren is tegen hen, die het kwade doen1Petr.3: 8-12.

Trouw blijven aan Gods wetten en Gods werkingen teneinde slechts het goede te doen, om het Theologisch uit te drukken: “in de goedertierenheid Gods blijven”.

God dwingt iemand niet tegen zijn wil in.
          Rekent gij wellicht hierop, o mens, die oordeelt over hen, die zulke dingen bedrijven, en ze zelf doet, dat gij het oordeel Gods ontgaan zult? Of veracht gij de rijkdom van Zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt? Maar in uw weerbarstigheid en on-boetvaardigheid van hart hoopt gij u toorn op tegen de dag van de toorn en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God, Die een ieder vergelden zal naar zijn werken: hun, die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; maar hun, die zichzelf zoeken, der waarheid ongehoorzaam 
en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, wacht toorn en gramschap” Rom.2: 3-8.

In Gods geweldige goedheid en lankmoedigheid jegens ons mensen trekt en lokt Hij ons  heel subtiel naar Zijn Bron, naar Zijn weg, om zo volgens Zijn eigen wetten, Zijn rijkdom aan goedheid over ons te kunnen uitstorten.
            Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.
Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met Mijn Vader op Zijn troon.
Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt“ Openb.3: 20-22.
            Hoe vereerd zou je wel niet zijn, als de Zoon van de Allerhoogste voor je deur zou staan? Onze Heer en Verlosser staat voor de deur van ons hart en Hij klopt. Hij wil graag naar binnen, maar Hij is geen brutale indringer; Hij wacht tot wij de deur voor Hem opendoen. We hebben zelf de sleutel van de deur van ons hart! Wij bepalen wat er binnenkomt: het goede, of het kwaad.
Goed en kwaad kan niet samengaan – als we het goede, het Licht, Christus binnen willen laten, dient de schaduwzijde, het kwaad verwijdert te zijn.

Onze Heer, Jezus Christus, de Zoon van God wil binnenkomen. Hij wil maaltijd met òns mensen houden, en wil graag dat wij maaltijd houden met Hèm.
Híj wil onze innerlijke mens versterken, zodat we Zíjn Kracht verkrijgen om in onze dagelijkse situaties nèt zo te leven als Hij!
Een goede, neen, de beste grond om Hem binnen te laten in ons hart.

De apostel Johannes, de Theoloog bij uitstek, waarschuwt de wereld ‘niet’ lief te hebben en ‘ook niet’ wat ‘ìn’ de wereld is en dan wijst hij op allerlei begeerten die ons van God aftrekken. Als die begeerten macht hebben in ons leven gaan we samen met de wereld ten onder.
Paulus, de Apostel bij uitstek schrijft over het Kruis [opnemen] als de mogelijkheid om  bevrijd en verlost te worden van al die kapot makende begeerten.
Hij verkondigt, als persoonlijke getuigenis: “ Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, [dat is], niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mijGal.2: 20; en
      Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan Zijn dood, zullen wij het ook zijn [met hetgeen gelijk is] aan Zijn Opstanding; dit weten wij immers, dat onze oude mens mee-gekruisigd is, opdat aan het lichaam van de zonde, z’n kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven van de zonde zouden zijn; want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zondeRom.6: 5-7.
Iedere dag zie je het opnieuw in het nieuws: politici, winnaars van een vredesprijs, wetenschappers en sociaal hulpverleners, kortom mensen met een duidelijke roeping in het leven. Mensen die iets voor de mensheid betekenen, of in ieder geval voor delen ervan. Het lijkt of zij vanaf hun geboorte tot grote daden voorbestemd zijn.
Maar jij? Wat is het doel van jouw persoonlijk leven?

Indien jij jezelf bij Christus hebt aangesloten, in Christus bent gedoopt en je met Hem [met het gewaar worden van de Gerechtigheid] hebt bekleed, heb je de boze, het kwaad verzaakt en kun je vervolgens jezelf meer concreet de vraag stellen: Wat wil Jezus dat ik met mijn leven zal doen? Wat wil Hij met de jaren die ik hier op aarde zal leven?
Het antwoord is, dat je met Jezus als ‘Heer en Meester van je leven’ een roeping en toekomst hebt, die al ‘het’ verheven prijzen van de wereld alsmede de macht en eer onder de mensen niet kunnen evenaren!
Dàt is pas leven.

MidPinksteren – Orthodoxie & ‘Op het Midden van het Feest . . .’

Christus lerend in de Temple – het feest van Mid-Pinksteren; לימוד המשיח בבית המקדש – חג של חג השבועות; Christ teaching in the Temple – the feast of Mid-Pentecost.

      Doch toen het feest reeds op de helft was, ging Jezus op naar de Tempel en
leerde
[Hij gaf daar Z’n levenslessen].
De Joden dan verbaasden zich en zeiden: ‘Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen?’.
Jezus antwoordde hun en zei: ‘Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft; indien iemand Diens Wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van z’n Zender, Die is Waar en er is geen onrecht in Hem. Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de Wet. Waartoe tracht gij Mij te doden?’.
De menigte [schare] antwoordde: ‘Gij zijt bezeten; wie tracht U te doden?’.
Jezus antwoordde en zei tot hen: ‘Een werk heb Ik verricht en gij verwondert u allen. Daarom: Mozes heeft u de besnijdenis gegeven – niet, dat zij van Mozes komt maar van de Vaderen – en gij besnijdt een mens op sabbath. Als een mens op sabbath de besnijdenis ontvangt, opdat de Wet van Mozes niet verbroken zal worden, zijt gij dan op Mij vertoornd, omdat Ik op sabbath een gehele mens gezond gemaakt heb? Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel’.
Sommigen dan uit de Jeruzalemmers zeiden: ‘Is deze het niet, die zij trachten te doden?. En zie, Hij spreekt vrijuit en zij zeggen Hem niets. Zouden waarlijk onze oversten hebben ingezien, dat deze de Christus is? Van deze echter weten wij, vanwaar Hij is, doch wanneer de Christus komt, weet niemand, vanwaar Hij is’.
Jezus dan riep, terwijl Hij in de Tempel leerde, en sprak:
‘ Mij kent gij en gij weet, vanwaar Ik ben; en Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar er is een Waarachtige, Die Mij gezonden heeft en Die gij niet kent. Ik ken Hem, want Ik kom van Hem en Hij heeft Mij gezonden’.
Zij trachtten Hem dan te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want zijn ure was nog niet gekomenJohn.7: 14-30.

Paulus geneest de Verlamde te Lystra, Karel Dujardin – Rijksmuseum, Amsterdam.

    Zij namen, de toestand overzien hebbende, de wijk naar de steden van Lykaonie, Lystra en Derbe en omgeving en verkondigden daar een tijd lang het Evangelie.
      En er woonde te Lystra een man, die geen macht had over zijn voeten, verlamd van de schoot van zijn moeder af aan, die nooit had kunnen lopen. Deze man luisterde naar Paulus, wanneer hij sprak, en Paulus keek hem scherp aan en zag, dat hij Geloof had om genezing te vinden en hij zei met luider stem:
‘Ga recht op uw voeten staan!’
     En hij sprong overeind en liep heen en weer.
     En toen de scharen zagen, wat Paulus gedaan had, verhieven zij hun stem en zeiden in het Lykaonisch: ‘De goden zijn, in mensengedaante, tot ons neergedaald’; en zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij het was, die het woord voerde.
     En de priester van Zeus-voor-de-stad bracht stieren en kransen aan bij het poortgebouw en wilde met de scharen offeren.
          Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus dat hoorden, scheurden zij hun mantels en sprongen naar voren onder de schare, uitroepende:
          ‘Mannen, wat doet gij daar? Ook wij zijn maar zwakke mensen zoals gij en verkondigen 
u, dat gij u van dit ijdel bedrijf moet bekeren tot de levende God, die de Hemel, de aarde, de zee en al wat erin is gemaakt heeft. Hij heeft ten tijde der geslachten, die achter ons liggen, alle volkeren op hun eigen wegen laten gaan en toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken’.
En hoewel zij zo spraken, konden zij ternauwernood de scharen weerhouden hun te offeren“  Hand.14: 6-18.

Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Heilige Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in Heerlijkheid; Who manifested Himself in the flesh is justified by the Holy Spirit, appeared to the angels, is preached among the Gentiles, believed in the world, included in Glory.

Woensdag van de vierde week, dus de 25e dag na Pascha, wordt het feest van Mid-Pinksteren gevierd. Op het Midden van het feest ging onze Heer en Verlosser regelmatig naar de Tempel, het heiligdom te Jeruzalem en onderwees daar de mens over Zijn ‘reddend’ zendingswerk. Hij biedt de mens en iedereen, die het maar horen wil “Het Levende Water van onsterfelijkheid” aan, zoals we in de Blijde Boodschap van de hand van Johannes kunnen lezen.
Volgens de vaste regels verlopend, op vaste tijden terugkerend wordt de gelovige mens herinnerd aan de aanwezigheid van de Meester en de Goddelijke reddingsbelofte: “Als iemand dorst heeft, laat hem dan naar Mij [Christus] toe komen en drinkenJohn.7: 37.

the world, thirst for God

    Hoe lieflijk zijn Uw tenten, Heer der Krachten: mijn ziel dorst en smacht naar de voorhoven des Heren. Mijn hart en mijn vlees juichen voor de levende God.
Zelfs de mus vindt zich een woning, de tortel een nest om voor haar jongen te zorgen. Bij Uw altaren, Heer der Krachten, mijn Koning en mijn God.
Zalig zij die in Uw Huis wonen; in de eeuwen der eeuwen zullen zij U loven.
Zalig de mens die zijn hulp vindt bij U: hij maakt opgangen gereed in zijn hart.
Weg uit het dal der tranen, naar de plaats die Hij heeft vastgesteld.
Want de Wetgever schenkt zegeningen, zodat zij gaan van Kracht tot kracht, 
om de God der goden te zien in Sion.
Heer, God der Krachten, verhoor mijn gebed; neig Uw oor, God van Jaäcob.
God, onze beschermer, zie ons aan: zie neer op het aangezicht van Uw gezalfde.
Want één dag in Uw voorhoven is beter dan vele duizenden daarbuiten.
Liever ben ik veracht in het Huis van mijn God, dan thuis te zijn in de tenten der zondaars.
Want de Heer bemint Barmhartigheid en Waarheid; God schenkt Genade en Heerlijkheid.
De Heer weigert geen enkele weldaad aan hen die wandelen in onschuld.
Heer, God der Krachten, zal is de mens die op U vertrouwt
Psalm 83[84] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Op het ogenblik dat het zó dient te zijn, is de juiste God-mens òp de geëigende plaats – òm het Mysterie [het Geheim, het Godswonder] te ontsluieren; openbaar te maken.
De Profeet David heeft het in lyrische vorm bezongen in bovenstaande Psalm, de Schepper en Meester van het heelal staat hier en verkondigt Zijn Blijde Boodschap.
De mensen zijn in staat woning te vinden in de Tempel, in hun hart, zij mogen daar wonen en als een tortel haar jongen verzorgen. Zalig zij, die daar wonen en hulp vinden bij God – de Wetgever schenkt zegeningen, zodat de mens kan gaan van Kracht tot kracht, om de God der goden te zien in Sion, in Jeruzalem – het Hemels Koninkrijk.
Met de woorden van deze Psalm – samen met Psalmen 119[120]-134[135] op de lippen, gingen de Joden in Israël op naar het Loofhuttenfeest een hoogfeest om aan God hun dankbaarheid te tonen. Dankbaar vanwege de vruchten van het veld, de opbrengst van de dorsvloer en de wijnpers. Het was een intens vreugdevol feest, wat gevierd werd met processies, met muziek en dans, met geschenken voor God en de mensen – een feest van dankbaarheid, bijna te uitbundig voor woorden. Het werd door buitenstaanders opgevat als een feest voor de romeinse god van de wijn [Bacchus], maar heeft een mens op z’n tijd niet eens behoefte aan zo’n feest – is dìt geen waarachtige religie, welke de mens op deze manier samenbrengt in het Heiligdom, in het binnenste binnen, tot de kern? Het doet alleen een beetje koud aan, dat dit gebeuren toch zo maar een beetje op de achter-grond wordt geschoven, weliswaar wordt er herinnert [tot gedachtenis] maar historisch blijkt het van geen belang. Zelfs de Joden laten zich laatdunkend uit; ze durfden in het openbaar in Jeruzalem in de Tempel ‘niet’ over Christus, de Zoon van God te praten – uit angst voor de Joden, wordt er letterlijk gezegd. Maar Wie anders dan God Zelf had als een Jood in Jeruzalem geleefd moeten hebben?
Maar je dient hier héél nadrukkelijk en ontzettend goed te luisteren!
De Blijde Boodschap van Johannes gaat niet langer over de Joden in de tijd van Jezus, het gaat over het conflict aan het einde van de 1e eeuw; tussen de “christenen” en de “joden“.
De oorspronkelijke saamhorige eenheid van het begin is ontbonden en uit zich in de vorm van  tegenstanders, welke grenst aan het vijandige.
Het is ontzettend belangrijk om daarin de religie-historische tegenstellingen te herkennen, die in het prille begin als uitgangspunt hebben geleid tot het theologisch en in onze tijd betreurde anti-judaïsme van het christendom.
Maar tegelijkertijd dient men eveneens oog te hebben dat er hier “kenmerkende vragen” worden behandeld ten opzichte van “de Joden”, die in elke religie dienen te worden gesteld, vooral in het christendom zelf.
Slechts aan de hand van de veronderstelling dat de twee religies afstand nemen van elkaar, hetgeen zich uit in problemen van die periode begint de weergave van Johannes ons iets waarachtig duidelijk te maken.
Indien het op de wezenlijke essentie, de kern waar het om draait, aankomt, blijkt er een wereld van verschil te bestaan. In de volgorde van een vaste cyclus van rituele, plechtige aanbidding en vreugdevol georganiseerd spel [viering] hebben een aantal factoren invloed.
De Joden bleven zich ondanks hun verwondering afvragen: “Hoe is deze [voor ons God-mens] zo beleerd zonder [theologische begeleiding van mensen] onderricht te hebben ontvangen?”.

Jezus antwoordde hun en zei:

Het Mysterie van de Drie-eenheid

Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem [de Vader], die Mij [als Zoon] gezonden heeft; indien iemand Diens Wil doen wil, zal hij [door de Heilige Geest] van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van zijn Zender [God, de Vader], Die is Waar en er is geen onrecht in Hem [de Zoon].
Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de Wet. Waartoe tracht gij Mij te doden?”.
De schare [menigte] antwoordde: “Gij zijt bezeten; wie tracht U te doden?”; dit terwijl zij donders goed wisten dat zij Hem wilden ombrengen; naar het leven stonden.
Jezus antwoordde en zei tot hen: “Een werk [genezing] heb Ik verricht en gij verwondert u allen. Daarom: Mozes heeft u de besnijdenis gegeven – niet, dat zij van Mozes komt maar van de Vaderen – en gij besnijdt een mens op de Sabbath. Als een mens op de Sabbath de besnijdenis ontvangt, opdat de Wet van Mozes niet verbroken zal worden, zijt gij dan op Mij vertoornd, omdat Ik op de Sabbath een gehele mens gezond gemaakt heb? Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel”.

En toch is het niet van toepassing als het op wezenlijke, zo belangrijk dat het onmisbaar zaken aankomt. Het is ‘niet’ mogelijk om God te vinden in de georganiseerde mensenmassa, een menigte.
Allereerst dient deze bewering duidelijk te worden aangetoond in zijn monsterlijkheid. Het Loofhuttenfeest biedt het Evangelie van Johannes het decor, de gelegenheid, de externe trigger voor een principiële discussie.
De God-mens” gaat naar Jeruzalem en ook Jezus zal dat dienen te gaan doen; maar Hij weigert dat nog, het is Zijn tijd nog niet.
De Blijde Boodschap van onze Heer en Verlosser heeft in de mensenmassa nòg geen wortel geschoten, in de georganiseerde, altijd veronderstelde gemeenschap, die Traditie nu eenmaal met zich meebrengt.

Gebed in gezin, Jan Steen – Philadelphia Museum

Onder degenen, die van oorsprong de Traditie doorgeven, dit overbrengen, wordt bijvoorbeeld het gezin genoemd; zelfs dit ontkent deze tekst in alle toonaarden.

In ieder geval wordt de primaire Traditie overgebracht in de familiekring, het gezin is immers de basis van de gemeenschap, waar het voorbeeld overgedragen wordt; de Kerk legt slechts in woorden uit wat als de meest lieflijke toestand wordt ervaren. Onze Heer beschrijft temidden van Zijn Familie wie er tot Zijn familie behoort: ‘ Juist, degenen, die door de Geest de Wil doet van de Vader’, onder ‘de hoede’ van de Theotokos. Christus groeide op in een gemeenschap vanaf den beginne [van de wereld] van de altijd maar weer opkomende gelovigen; hier wordt de mogelijkheid aangeboden – een stukje historische Waarheid te zien, maar je kunt verbitterd opmerken: “ zelfs Zijn medebroeders vertrouwden Hem niet” want hier wordt eveneens gezegd: [verg. Marc.3: 21] “Hij is niet bij Zijn zinnen”.
Toch had dit ‘midden-van-het-feest’, op het Joods Loofhuttenfeest een uitstekende propaganda-stunt geweest kunnen zijn, een kans om zich door het publiek gedragen te weten. Maar wat heeft een dergelijk succesverhaal allemaal te maken, wat heeft het voor zin. ten opzichte van een waarachtige ontmoeting met God?
De cruciale tekst, de eigenlijk belangrijke tekst, is nog niet een paar regels oud òf hetgeen wat als een geldig criterium voor een juiste relatie tussen mens en God wordt beschouwd, is alles dat werkelijk openbaar had dienen te worden en de mogelijkheid tot vereniging [met God] had kunnen bevorderen, is al weer ondergesneeuwd – is compleet verdwenen; dat alles telt niet meer mee en heeft in het geheel geen enkele betekenis meer.

Christus & Z’n Volgelingen

De kern waar het om draait:
Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem [de Vader], die Mij [als Zoon] gezonden heeft; indien iemand Diens Wil doen wil, zal hij [door de Heilige Geest] van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek.
Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van zijn Zender [God, de Vader], Die is Waar en er is geen onrecht in Hem [de Zoon].
Heeft Mozes u niet de Wet gegeven? En niemand van u doet de Wet;  waartoe tracht gij Mij te doden?”.

Wat heeft een regelmatig beloning eigenlijk voor zin, zowel tussen ons mensen, voor onszelf, vanwege God òf  beter nog : ten opzichte van God?
Jezus kijkt ons, als Zijn broeders en zusters op dit punt bijna hardvochtig aan.
Zijn uur [Zijn tijd] is nog niet gekomen” zegt hij, “Die tijd is er nog niet’.
Onze tijd, die van de mensen, is altijd hier en nu, staat altijd klaar; 
daartussenin ligt een wereld van verschil met de tijd van God.
Sommige mensen brengen hun leven lang door met datgene wat wij de buitenkant noemen, hoe de mensen op elke willekeurig moment tegen ‘hèn‘ aan kijken en vinden dat goed en respectabel.
Het maakt hen helemaal niets uit, het innerlijk, zij vervormen zichzelf en doen zich uiterlijk voorkomen,  zoals het externe [werelds] systeem dit van hen verwacht. Maar er is ook een ‘àndere’ houding ten opzichte van de Waarheid, de realiteit, hoe je wèrkelijk bent, die ‘niet aan tijd verbonden’ is, waarmee je ten alle tijde ‘in je blootje’ voor God kunt verschijnen.
Heden viert de Kerk het midden van – hèt 50 dagen feest -, dat ons enerzijds verlicht door het stralend Licht van Christus, het Goddelijke Pascha en anderzijds wordt het beschenen door de luister van de Genadegaven van de Trooster, de Geest der Waarheid. Op deze wijze worden wij als verlamde mens volledig genezen en indien het Goddelijke leven in de wereld een spel is, dan wordt dìt de gulden spelregel, het vormt de Myron [de balsem] voor de ziel:

Ikos     tn.4.
          Mijn ziel is uitgedroogd door zonden en overtredingen,
besproei haar met de stroom van Uw Bloed,
om haar vruchtbaar te maken door Uw deugden.

Want Gij, Woord van God hebt tot allen gezegd,
te komen tot U, Al-Heilige,
om te putten van het Water der Onsterfelijkheid,
dat ons weer levend maakt en van zonden reinigt,
die Uw roemrijke, Goddelijke Opstanding bezingen,
en die door Uw Goedheid vervuld worden
met de Kracht van de Geest, die in Waarheid
vanuit de hoge over Uw Leerlingen gekomen is,
omdat zij U als God erkennen;
want U bent de Bron van ons leven
”.

 

  Groot is de Heer en groot is Zijn Kracht,
oneindig is Zijn begrip

Apolytikion     tn.8.
    Geef op het Midden van het Feest
aan mijn dorstige ziel het water der vroomheid te drinken, o Redder,
zoals Gij tot allen hebt geroepen:
‘Wie dorst heeft, komt tot Mij en drinken.
Bron des Levens, Christus God, ere zij U
”.

Kondakion     tn.4.
      Op de helft van het Vijftig-dagen-feest,
o Schepper en Meester van het heelal,
Hebt Gij tot hen, die bij U waren gezegd, Christus God:
‘Komt en put het water der onsterfelijkheid.
Daarom vallen wij voor U neer en roepen in Geloof:
Schenk ons Uw Erbarmen,
want Gij zijt de Bron van ons Leven
”.