4e Zondag van Pascha – Zondag van de Verlamde

      Jezus ging op naar Jeruzalem.
Nu is er te Jeruzalem bij de Schaapspoort een bad, dat in het Hebreeuws de bijnaam Bethesda draagt, met vijf zuilengangen. Daarin lag een menigte zieken, blinden, verlamden en verschrompelden, die wachtten op de beweging van het water.
        Want van tijd tot tijd daalde een engel des Heren neer in het bad; dan bewoog het water; wie er dan het eerst in kwam na de beweging van het water werd gezond, wat voor ziekte hij ook had.
        En daar was een man, die reeds achtendertig jaar lang ziek geweest was.
Hem zag Jezus liggen en daar Hij wist, dat hij daar reeds lange tijd was, zei Hij tot hem: ‘Wilt gij gezond worden?’.
De zieke antwoordde Hem:
Heer, ik heb geen mens om mij, zodra er beweging komt in het water, in het bad te werpen; en terwijl ik onderweg ben, daalt een ander voor mij af.
Jezus zei tot hem:
‘ Sta op, neem uw matras op en wandel’.
En terstond werd de man gezond en nam zijn matras op en ging zijns weegs.
         Nu was het sabbath op die dag. De Joden dan zeiden tot de genezene: Het is sabbath  
en dan mag jij je matras niet dragen.
         Doch hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft tot mij gezegd: ‘Neem uw matras op en ga uws weegs’.
        Zij vroegen hem: ‘Wie is de mens, die tot u gezegd heeft: Neem op en ga uws weegs?’.  En de genezene wist niet, wie het was; want Jezus was ontweken, omdat er een [grote] schare op die plaats was.
       Daarna vond Jezus hem in de tempel en zei tot hem:
‘ Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet iets ergers zal overkomen.
       De man ging heen en zeide tot de Joden, dat het Jezus was, die hem gezond gemaakt had“ John.5: 1b-15

      En het geschiedde, toen Petrus overal rondreisde, dat hij ook bij de heiligen kwam, die te Lydda woonden.
Daar vond hij een man, genaamd Eneas, een verlamde, die reeds acht jaren bedlegerig was geweest.
        En Petrus zeide tot hem: Eneas, Jezus Christus geneest u; sta op en maak zelf uw bed op. En hij stond onmiddellijk op.
En alle bewoners van Lydda en Saron zagen hem en bekeerden zich tot de Heer
        En er was te Joppe een discipelin, genaamd Tabitha, hetgeen, vertaald, betekent Dorkas. Deze was overvloedig in goede werken en aalmoezen, die zij gaf.
En het geschiedde in die dagen, dat zij ziek werd en stierf; en na haar gewassen te hebben, legde men haar in een bovenzaal.
En daar Lydda dicht bij Joppe lag, zonden de discipelen, toen zij hoorden, dat Petrus daar was, twee mannen tot hem met het verzoek: ‘Kom zonder dralen tot ons’.

Αγία Ταβιθά; Saint Dorcas, [known as Tabitha, the widow]

En Petrus stond op en ging met hen mee. Toen hij daar aangekomen was, bracht men hem naar de bovenzaal en al de weduwen kwamen bij hem staan, en lieten hem onder tranen al de lijfrokken en mantels zien, die Dorkas, toen zij nog bij hen was, gemaakt had.
        Maar Petrus zond hen allen naar buiten en knielde neer en bad. En hij wendde zich tot het lichaam en zei: ‘Tabitha, sta op!’.
En zij opende haar ogen en zag Petrus en ging overeind zitten en hij gaf haar de hand en richtte haar op; toen riep hij de heiligen en de weduwen en stelde haar levend voor hen. 
En het werd bekend door geheel Joppe en velen kwamen tot Geloof in de Heer“ Hand.9: 32-42.

God is geestelijk, scheppend actief
God, de Vader werkt van den beginne tot heden toe en
Christus werkt eveneens, maar nu via mensen.

sheep’s anointing

      Christus, Die door het Geloof in uw harten woning maak. Geworteld en gegrond in de Liefde, zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is en te kennen de Liefde van Christus, Die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid van God. Hem nu, Die blijkens de Kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, Hem zij de Heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid! AmenEph.3: 17-21.
In het begin van Handelingen wordt verteld van de uitstorting van de Heilige Geest.
Vanaf dat moment gaat het, door de Heilige Geest, hard met de verspreiding van de Blijde Boodschap, de Pedagogie van onze Heer Jezus Christus.
God is het Mysterie, het geheim dat we aanduiden met: “Ik zal er zijn/ Abba/ Vader”. Het is een levend Mysterie en daardoor ook veranderend, groeiend.
We ontdekken sporen van dit Mysterie, omdat God een levende Kracht is, Die met ons en de wereld bezig is.
Er was een Joods feest gaande, dat is hetgeen voorafgaat aan de geschiedenis en iedereen verwacht dan dat het zich allemaal voortzet tot een ontmoeting van Jezus met de Joden in de Tempel van Jeruzalem.
Heeft religie niet zulke overgeleverde gebruiken, heilige hoogtepunten en heilige feesten nodig, enerzijds het ernaar toeleven en vervolgens afbouwen?
Wordt het geheel van onze feesten en de samenstelling daarvan niet toegeschreven aan de Traditie, het geheel van orthodoxe gebruiken en wederkerende overeenkomsten?
Na zó’n inleiding zou je verwachten dat het vervolg op deze wijze wordt voortgezet, zo pleegt een schrijver dit te doen maar Johannes wijkt hier van af.
Hij gaat verder dat Jezus ‘òp ging‘ naar Jeruzalem en dat Hij bij de Schaapspoort een mens tegenkomt – Hij de Herder van Zijn schapen komt daar een mens tegen, die reeds achtendertig jaar lang – ‘een half leven’ – ziek geweest is. Nou, dat hakt er in – dat is diep tragisch. Vanaf koning David wordt de herder in positieve zin als beeld gebruikt voor een Goede Koning.

      En het gerucht van Christus drong door tot in geheel Syrië; en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, gekweld door allerlei ziekten en pijnen, bezetenen en maanzieken en verlamden en Hij genas hen.  En Hem volgden vele scharen uit Galilea en Deka-polis en Jeruzalem en Judea en het Over-Jordaanse” Matth. 4: 24,25.
God woont, zó maakt Johannes òns hier duidelijk, ‘niet’ waar een ceremonie volgens de officiële gebruiken wordt gevierd, ‘maar’ religie manifesteert zich als vanzelf als toevlucht voor al degenen, die in ellende verkeren, bovenstaande tekst gaat aan de bergrede vooraf.
      Toen Christus nu de scharen zag, ging Hij de berg op en nadat Hij Zich had neergezet, kwamen zijn discipelen tot Hem en toen werd het feest van de levende Kracht van God geopenbaard:
      En Chrisus opende Zijn mond en leerde hen, zeggende:
– Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
– Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.
– Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
– Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
– Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.
– Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.
– Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.
– Zalig de vervolgden omwille van de Gerechtigheid, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
– Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.
– Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want
alzo hebben zij de Profeten voor u vervolgd
Matth.5: 1-12.

God heeft actieve mensen nodig
Maar wat verwacht God van Zijn herders:
1.].    Het woord des Heren kwam tot mij:
Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël [de Kerk],
profeteer en  zeg tot hen, tot die herders: zo zegt de Heer der Heerscharen:
‘wee de herders van Israël [de Kerk], die zichzelf weiden!
Moeten de herders niet de schapen weiden?
Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar
de schapen weidt gij niet;
Zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet,
afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar
gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij.
Zij raken verstrooid, omdat er geen herder is, en zij
worden tot voedsel voor al het gedierte van het veld;
zo raken zij verstrooid.
Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel;
over de gehele aarde zijn mijn schapen verstrooid zonder
dat er iemand is die naar hen vraagt of ze zoekt
Ezech.34: 1-6.
2.].      De weg van de Vrede kennen zij niet en er is geen recht in hun sporen;
zij gaan langs kronkelpaden; niemand die ze betreedt, kent vrede.
Daarom blijft het Recht ver van ons en de Gerechtigheid bereikt ons niet.
Wij wachten op Licht en zie, er is duisternis; op stralende helderheid en wandelen in dichte donkerte.
Wij tasten als blinden langs de wand, als wie geen ogen hebben, tasten wij;
wij struikelen op de middag als in de schemering,
wij zijn in de kracht van ons leven aan doden gelijk.
Wij grommen allen als beren en kirren droevig als duiven;
wij wachten op Recht, maar het is er niet; op Verlossing,
maar zij blijft verre van ons
Isaiah 59: 8-11.
3.].      En nu, zie, ik [Paulus te Ephese] weet, dat gij allen, onder wie
ik rondgereisd heb met de prediking van het Koninkrijk,  mijn aangezicht niet meer zien zult.
Daarom verklaar ik u op de dag van heden, dat ik rein ben van aller bloed; want ik heb niet nagelaten u al de raad van God te verkondigen.
Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u
tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die
Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft
Hand.20: 25-28.
4.].      Toen zij dan de maaltijd gehouden hadden, zei Jezus tot Simon Petrus:
‘Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan dezen?’.
Hij zei tot Hem: ‘Ja Heer, Gij weet, dat ik U liefheb’.
Hij zei tot hem: ‘Weid Mijn lammeren’.
Hij zei ten tweeden male weer tot hem: ‘Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij waarlijk lief?’.
En hij zei tot Hem: ‘Ja Heer, Gij weet het, dat ik U liefheb’.
Hij zei tot hem: ‘Hoed Mijn schapen’.
Hij zei ten derden male tot hem: ‘Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij lief?’.
Petrus werd bedroefd, dat Hij voor de derde maal tot hem zei: ‘Hebt gij Mij lief?’.
En hij zei tot Hem: ‘Heer, Gij weet alles, Gij weet, dat ik U liefheb’.
Jezus zei tot hem: ‘Weid Mijn schapen’
John.21: 15-17.

            De manier waarop Jezus deze vragen stelt is opmerkelijk.
Bij de eerste en tweede keer dat Hij de vraag aan Petrus stelt,
staat er in het Grieks het woord ‘agapeo’[αγαπεω].
Dit woord staat voor de liefde die zichzelf verloochent en opoffert, een goddelijke liefde.
Petrus’ antwoord is vervolgens:
‘Ja Heer, U weet dat ik van U houd’, dat vertaald wordt met ‘philio’ [φιλιω].
Deze vorm van liefde is niet zo diepgaand als het woord dat Jezus gebruikt,  philio’ kan ook wel vertaald worden met een diepe genegenheid of vriendschappelijke relatie.
Het is opmerkelijk dat Jezus dit verschil in woordgebruik niet benoemt, maar in de derde vraag als het ware afdaalt naar Petrus’ woordkeus en niveau.
Jezus stelt de vraag voor de derde keer, maar nu met ‘philio’.
Hij legt niet aan Petrus uit dat ze het over een ander soort liefde hebben en dat ze daardoor niet op gelijk niveau met elkaar spreken.
Neen, Hij brengt zichzelf op het niveau van Petrus.
Op die manier wordt Petrus’ relatie met Jezus niet alleen hersteld, Petrus wordt ook hersteld in zijn geestelijk werk.
Hij krijgt een taak toegewezen: ‘zorg voor Mijn schapen’, met een diepe genegenheid of vriendschappelijke relatie.

Wat hebben jij en ik nodig om in het Koninkrijk van God dienstbaar te zijn?
De vraag die Jezus stelt is confronterend; God kijkt tot op de bodem van ons hart.
Petrus had al eerder gezegd dat hij zijn leven voor Jezus wilde geven.
Maar dàt waren lege woorden, want ze werden niet omgezet in daden.
Nadat Petrus voor de derde keer loog over zijn vriendschap met Jezus, werd hij opgeschrikt door het kraaien van de haan.
Ook deze keer wordt hij geraakt en verdrietig wanneer Christus hem voor de derde keer vraagt of hij van Hem houdt.
In de wereld van God gaat het niet om onze resultaten of ons imago.
Het gaat er niet om hoeveel kennis we hebben.
Het gaat er niet om hoeveel tijd wij besteden in Gods Koninkrijk.
Het gaat erom of -ons hart- naar God uitgaat.
    Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest
ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen; maar
verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest
ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen. 
Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijnMatth.6: 19-21.
    De Heer nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, is Vrijheid. 
En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de Heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot Heerlijkheid, immers door de Heer, die Geest is2Cor3: 17,18.
        Doe, zoals ik u bij mijn reis naar Macedonië aangeraden heb:
blijf nog te Ephese, om sommigen te bevelen geen andere leer te brengen, 
noch zich bezig te houden met fabels en eindeloze geslachtsregisters, die veeleer moeilijkheden ten gevolge hebben dan door God gegeven leiding in het Geloof.
En het doel van [alle] vermaning is Liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd Geloof.
Door dit spoor te verlaten zijn sommigen vervallen tot ijdel gepraat; zij willen leraren van de Wet zijn, zonder ook maar te beseffen wat zij zeggen of waarover zij zo stellig spreken1Tim.1: 3-7.
      Ik heb u op Kreta achtergelaten met de bedoeling, dat gij in orde zoudt brengen hetgeen nog verbetering behoefde, en dat gij, zoals ik u opdroeg, in alle steden als oudsten zoudt aanstellen mannen, die onberispelijk zijn, een vrouw hebben, die gelovige 
kinderen hebben, die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of van geen tucht willen weten.
Want een opziener moet onberispelijk zijn als een beheerder van het huis van God, niet aanmatigend, niet driftig, niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, niet op oneerlijke winst uit, maar gastvrij, met Liefde voor wat goed is, bezadigd, rechtvaardig, vroom, ingetogen, zich houdende aan het betrouwbare Woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggenTitus 1: 5-9.
De essentiële voorwaarde voor een geestelijk spelleider zijn:
persoonlijk karakter, de gezinssituatie en de persoonlijke geestelijke bekwaamheid’. Het is ontegenzeggelijk dat, ook al voldoet iemand aan alle kwalificaties,  hij pas ten volle deze functie kan uitoefenen, indien hij/zij  officieel is erkend binnen Christus Lichaam, de Kerk.
Het is deze erkenning die hem/haar de autoriteit geeft die hij/zij nodig heeft om te kunnen functioneren.
Mijn conclusie is dan ook dat we geen geldige geestelijke spelleiders zullen voortbrengen in het Lichaam van Christus, tenzij we bereid zijn hen als zodanig te erkennen, hen bij de gegeven naam [-zonder noemenswaardige titel-, het maakt hen ‘
ontoonbaar’] te noemen en alles wat er mee samenhangt te omarmen.

Apolytikion     tn.3.
Dat hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen
want de Heer  heeft de Kracht van Zijn arm getoond.
Door Zijn dood heeft Hij de dood vertreden
en werd Hij de Eerstgeborene uit de doden.
Hij heeft ons verlost uit de diepten der hel
en aarde wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion   tn.3
Door vele zonden en tegennatuurlijke daden
is mijn ziel geheel en al verlamd, o Heer.
Maar doe haar weer opstaan door Uw Goddelijke tegenwoordigheid,
zoals Gij eens de Verlamde hebt opgericht,
opdat ik, gered, tot U mag roepen:
Barmhartige Christus, ere zij Uw Kracht
”.

Orthodoxie & de Goddelijke verbintenis

De mens als icoon

De Blijde Boodschap toont ons dat God ons nu door Christus ziet als mensen die wèl dag in dag uit beseffen dat zij slechts stof zijn‘; ‘Τα καλά νέα μας δείχνουν ότι ο Θεός μας βλέπει τώρα μέσω του Χριστού σαν ανθρώπους που συνειδητοποιούν καθημερινά ότι είναι μόνο σκόνη‘; ‘ The Good News shows us that God now sees us through Christ as people who realize day in and day out that they are only dust‘; ‘تبين لنا الأخبار الجيدة أن الله الآن يرانا في المسيح كأناس يدركون يوما بعد يوم أنهم غبار فقط‘.

Getooid als een bruid dient de aan God toegewijde Christen aandacht te besteden aan het beeld van God welke hij/zij tentoon spreidt; de mens is immers geschapen naar het Beeld en de Gelijkenis van z’n Heer en dient zich als zodanig te gedragen.

“Toen God Zijn onderhoud met Mozes op de berg Sinaï beëindigd had overhandigde Hij hem de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven door de vinger GodsEx.31: 18.

De mens, die slechts op de wereld gericht is benadrukt daarmee de ondergang van zichzelf, aangezien hij zich ik-gericht gedraagt, waarmee hij voor zichzelf een schijnwereld opbouwt.
Hij/zij geeft er eenvoudig mee aan dat hij nu eenmaal is zoals zijn karakter uitdrukt en daarom vinden we in het westen vele leringen, die het IK aanspreken, het ophemelen, dan wel het verachten, of afstraffen.
Wat niet werkelijk is, de schijnwereld, kan niet sterven, het is reeds gestorven; òftewel het is nooit wedergeboren, zoals Christus dit tot Nicodemos uitdrukt.
Het is het tijdelijk idee, waar niemand zeker van is – een schijnwereld niet de moeite waard om bij stil te staan.
Zodra we zeggen: je dient eerst een persoonlijkheid te zijn om tot de erkenning te komen van het niet-zijn, bevatten deze woorden eigenlijk het herkennen van de betrekkelijkheid van het goddelijk element in de mens en daarmee  de mogelijkheid te herleven in de eeuwigheid.
Alle methoden tot het zich onthouden van aardse genoegens –  verworden dàn tot een doen alsòf, een toneelspel òf het zich inzetten voor de waanzinnige buitenwereld; iets dat ‘niet‘ bestaat, het kàn immers geen aanzet zijn/worden tot leven. Spiritualiteit, hoe we deze ook etiketteren, heeft te maken met de eeuwigheid, het goddelijk-geestelijke, aldus gaat deze het lichamelijk bestaan niets aan; daar we echter gebruik maken van het tijdelijke als existentie, is het van belang een harmonische, zijn plaats kennende natuur, te bezitten.
Dat we deze levensovertuiging zo weinig in het westen tegenkomen, vloeit voort uit de eeuwenlang gebruikte methoden die slechts het lichamelijk bestaan aanspreken, vleiend dan wel bestraffend. Alle menselijke verboden slaan op dat menselijk bestaan – alle goddelijke geboden slaan op de ziel, deze is tenslotte “gevallen”, nietwaar?

De hang naar Macht en Overheersing van de mens komt voor altijd uit voort een á-spiritueel gedrag, d.w.z. eigenlijk van een psychisch ziek mens.
Zodra iemand zijn ego het overwicht laat krijgen boven de inwonende ander, beweegt hij/zij zich buiten de ordening, de natuurwet en de geestelijke wet.
Dit noemt men met een christelijk dogmatisch woord “zonde” -van God los-  het is niet langer goddelijk tot de naaste gericht maar op het zelf; de grootste “zondaar” op aarde maakt gebruik van de mede-mens ten eigen bate.
”   Met de tong loven wij de Heer en Vader en
met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Gods geschapen zijn: 

uit diezelfde mond komt zegening en vervloeking voort” Jac.3: 9,10.
Hetzelfde is van toepassing op het geraffineerd gebruiken van ons eigen ego, men stelt zich op als spiritueel wezen, dan wel ontkent men het belang van de ander; over énige spirituele weg of leer behoeft men dàn al lang niet meer te praten, die is totaal onbereikbaar geworden. 

Zoals de grootste tiran zich kleedt in de vlag van de vrijheid, zo kan de grootste mens-‘mis’-leider zich kleden met het kleed van theoretische menselijkheid en spiritualiteit.

Byzantijnse vlag

Dit wordt benadrukt in de hymne van de doop:
    Gij allen, die u in Christus zijt gedoopt, gij hebt [de waarachtige] Christus aangedaan”.
Christus, de Zoon van de Heilige Drieëenheid, heeft met de Vader en de Heilige Geest geen schijngestalte; “Hij is en zal zijn”.
Degene, die dit gebeuren als een maskerade en toneelspel hanteert, pleegt derhalve Godsschennis, begaat een zonde tegen de Heilige Geest – waar de dood op staat.
Willen we een spiritueel, doordenkend mens zijn, dan zullen we elke menselijke dwingelandij, elke emotionele egocentrisch gerichte drift, elke geraffineerde ego-explosie moeten beschouwen als een tegennatuurlijk teken, derhalve a-spiritueel.

Zodra we deze uitwassen nog in onszelf herkennen zijn we nog steeds, in de beste zin, zoekende en ergens verdwaald op een dwaalspoor geraakt.
Wij hebben onszelf iets voorgehouden of het werd ons aangepraat, dat het ego waarde heeft met betrekking tot spiritualiteit, waarde, als gecultiveerde schijnfiguur, dan wel als een gemarteld wezen, bloedend aan een kruis.
Dat heeft ook waarde, maar in werkelijkheid is het ego noch het éne noch het àndere. Het is een tijdelijk instrument geworden, dat gebruikt, misbruikt, dan wel afgekeurd  kan worden en elke handeling heeft z’n gevolgen.
Degene die hier werkelijk wat te zeggen heeft, iets in te brengen heeft, is díe waarachtige mens, díe ziel, díe gevallen rebel, tot wie God’s Geboden Zich richten, maar díe immuun is geworden voor de menselijke verboden en dwingelandij, het Goddelijk Gebod overstijgt elke menselijk gebod.  

Wat gekneveld en gemanipuleerd wordt is dat het ego en uit moeilijkheden en frustraties ontkomen, uiteindelijk die egocentrisch gerichte mens daardoor krijgt, wordt hij als draagbaar voor die ziel onbruikbaar.  Vervolgens krijg je als gevolg  tegennatuurlijke, a-spirituele, hopeloos chaotische menselijke schepsels.
Er is ingegrepen in een oerprincipe, de menselijke vrijheid.
God heeft ons -als gevallen mens- de vrijheid gegeven en daar dient iedereen, inclusief de spelleider in kerkelijke zin van àf te blijven.

Vrijheid en de gevallen mens
De mens is geschapen met een geest die lijkt op die van de engelen en met een ziel die lijkt op die van de dieren. God gaf de mens volmaakte vrijheid.
De mens kan kiezen om God gehoorzaam te zijn, maar ook kon hij kiezen om tegen God te rebelleren. Dit is een zeer belangrijk punt: [ook] in ons spiritueel leven berooft God ons nooit van onze vrijheid! Tenzij wij actief meewerken, zal God niets voor ons ondernemen.
Noch God, noch de duivel, kan enig werk doen zonder eerst onze instemming te verkrijgen, want de wil van de mens is vrij.

Oorspronkelijk was de geest van de mens als het ware de heer des huizes. Hij gaf de ziel, als huismeester, opdrachten, die deze doorgaf aan de dienstknecht, het lichaam.
De huismeester, de ziel, leek wel de baas te zijn, maar in feite was het de heer des huizes, de geest, die bepaalde wat er gebeurde.
Gods bedoeling hiermee was dat de geest van de mens het volle geestelijke leven en de waarheid van God zou ontvangen en dit zou doorgeven aan de ziel.
De gaven die Hij de mens gaf zijn bedoeld om zich de wil en de kennis van God volkomen eigen te maken.
De mens zou dan zijn wil oefenen om de vruchten van de boom des levens te eten zodat -‘Gods Eigen Leven‘- via de geest van de mens zijn ziel zou doordrenken en zijn hele wezen zou transformeren tot onvergankelijkheid.
Zo zou hij dan in het bezit komen van “eeuwig leven”.
In de val van de mens is deze normale volgorde verstoord geraakt en heeft de “huismeester” een coupe gepleegd. De ziel is nu heerser geworden in het wezen van de mens.

de levensboom, Christus en zijn kruis

De ziel heeft de boom van kennis van goed en kwaad verkozen boven de boom des levens.
De mens was gewaarschuwd, dat als hij dat deed, het gevolg zou zijn dat hij zou sterven:
      Maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker stervenGen.2: 17.
God wees hem alle bomen aan en benoemde specifiek Zijn wens dat de mens zou eten van de boom des levens. Het was Gods verlangen dat de mens eeuwig leven zou hebben.
Dat was Zijn bedoeling!

In die situatie plaatste Hij de mens, in volle keuzevrijheid!

Het eten van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad had tot gevolg dat de menselijke ziel werd verhoogd en dat zijn geest werd onderdrukt. Gevolg daarvan was weer dat het geestelijk leven van de mens werd verstikt. De ware kennis van God – die alleen via de geest van de mens kan worden verkregen – ontglipte de mens en hiermee werd hij als dood voor God.

Het verbod op het eten van die vrucht was niet alleen om de mens te testen, maar een daad van oneindige Goddelijke Liefde en Barmhartigheid.
De kennis van goed en kwaad is in zichzelf kwaad.
Het ontledigt het geestelijk leven tot op een punt dat elke kennis van God verloren is en het geestelijk leven effectief dood is geworden. Een innerlijk onevenwichtig mens is een verstoorde verbinding tussen het hemelse en aardse. Zolang wij ons aan menselijke voorschriften vastklampen zijn we onvolwassen, ofwel een verstoord. Uit een innerlijk evenwichtig mens kan  het nieuwe of het hernieuwde voortkomen, onder invloed van het Licht, de Verlossing.
De geestelijk ingestelde mens gaat zich aanleren uit Liefde tot God zich volkomen afhankelijk van Hem te stellen en is tevreden met wat uit zijn hand wordt ontvangen.
Het onstoffelijk levensbeginsel, de ziel, het hart streeft naar God en wil zoeken en vinden wat God niet of nog niet gegeven heeft.

Geest, ziel en lichaam na de val
De mens leefde vóór de val in scherp besef van Gods aanwezigheid – door zijn geest.
Maar als gevolg van de val stierf de geest van de mens. God had immers gezegd dat de mens “voorzeker zou sterven” wanneer hij van de vrucht zou eten. Toch leefden Adam en Eva nog honderden jaren. Dat laat zien dat de dood die God voorspelde begon in de geest van de mens.
Volgens de wetenschap is dood: “het ophouden van communicatie met de omgeving” [daarom is onderlinge communicatie zo ontzèttend belangrijk].
De dood van de geest is het einde van de communicatie met God.
De dood van het lichaam is het einde van de communicatie tussen geest en lichaam. Dus, als we zeggen dat de geest dood is wil dat niet zeggen dat er geen geest meer is, we bedoelen dat de geest zijn gevoeligheid voor God heeft verloren en daardoor dood is voor Hem.
De geest is dan niet langer in staat gemeenschap te hebben met God, het geestelijk instinct is dood. Zo’n mens kan religieus zijn, morele waarden hebben, sterk, slim, zelfs wijs zijn, maar hij is dood voor God. Daarom verwijst het Nieuwe Testament naar hen die in het vlees leven, als doden.
De dood die in de geest van de mens was begonnen breidde zich langzaam verder uit, totdat deze ook zijn lichaam bereikte en hij tot stof weerkeerde.
Omdat zijn innerlijke mens tot chaos was vervallen moest ook zijn uiterlijke mens aftakelen en uiteindelijk worden vernietigd. Vanaf dat moment lag Adams geest – net als die van al zijn nakomelingen – onder de druk van zijn ziel, totdat hij langzamerhand daarin opging, zodat die twee haast tot één werden.
Paulus, de Apostel van de heidenen zegt daarom:
      Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het 
dringt door, zo diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggenHebr.4: 12,13.
Gods Woord brengt scheiding aan tussen ziel en geest.
Dit uit elkaar halen is zó ontzttend nodig, omdat de mens nu is overgeleverd aan zijn psychische zijns-toestand, en daarom nú alles wat de mens doet wordt gedreven door zijn verstand, òf door zijn gevoel. De geest is als het ware in coma en functioneert niet meer.
Dat wil niet zeggen dat de geest van de mens er niet meer is, immers God is de “God der geesten van alle vleesNum.16: 22.

Hoewel de geest van de mens dood is voor God, kan deze nog steeds actief zijn, soms zelfs zeer sterk. Er zijn mensen met een geest die sterker is dan hun ziel of hun lichaam. Zulke personen zijn “geest-gericht” ingesteld.
Net zoals veel mensen gericht zijn op hun ziel en/of hun lichaam zijn zij gericht op “geestes” zaken, omdat hun geest zo sterk is. Dit zijn tovenaars of heksen. Zij onderhouden via hun geest contact met het geestelijke rijk van satan en zijn demonen. Dood voor God, en levend voor satan volgt deze mens de boze geest[en] die in hem aan het werk is/zijn. Doordat de mens zich te buiten gaat aan de hartstochten en begeerten van zijn lichaam is  daarmee zijn ziel slaaf daarvan geworden. Voor de Heilige Geest is het nutteloos geworden om een woonplaats voor God te zoeken in zo’n mens.
Vandaar “Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben, hij is vleesGen.6 :3.
Als de mens eenmaal onder de heerschappij van het vlees is, heeft hij geen mogelijkheden meer om zichzelf er van te verlossen. Als hij al op zoek is naar God vindt dat helemaal plaats op de kracht en de wil van zijn ziel, los van de openbaring van Gods Heilige Geest.
De ziel is niet alleen onafhankelijk van de geest geworden, maar staat nu onder de heerschappij van het lichaam. De door God bedoelde volgorde is volkomen omgedraaid!
Het resultaat is een op “geesten” gerichte zaken, mopperende mens, die er heidense hartstochten op nahoudt en scheuringen veroorzaakt.
        Doch een niet-geestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is. 
Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld. Want wie kent de zin des Heren, dat hij Hem zou voorlichten?  Maar wij hebben de zin van Christus1Cor.2: 14-16.
Zolang de mens in deze staat is, is hij ‘niet‘ in staat om de bedekking van het Woord des levens af te nemen. Zonder leiding van de Heilige Geest is het intellect niet alleen onafhankelijk, maar ook extreem gevaarlijk, omdat het zaken van goed en kwaad met elkaar verwisselt.
Het verduisterd verstand van de mens leidt hem onveranderlijk naar een eeuwige dood. Hoe geweldig zou het zijn als alle niet-wedergeboren zielen dit konden zien!

Zo is de mens – die eerst geestelijk was en de mogelijkheid had om gemeenschap te hebben met de Allerhoogste – vervallen tot een op geesten gericht bestaan, waarbij hij zijn verstand en/of zijn gevoel volgt en tot hoogste waarheid maakt.
En in laatste instantie is hij vleselijk geworden, slaaf van zijn lichaam en haar begeerten en hartstochten, die hem keer op keer overweldigen.
Het vlees overheerst nu de mens in zijn gevallen staat.
De zonde heeft de ziel onafhankelijk gemaakt, en slaaf van de vleselijke begeerten.

De gezindheid van Christus
Laat die gezindheid [‘dit gevoelen’] in u zijn die ook in Christus Jezus was
Phil.2: 5.
Paulus formuleert dit gevoelen als een gebod, een gebiedende wijs gericht op al degenen. die  Christus volgen. Paulus maakt duidelijk hoe die atmosfeer van denken in het leven van de gelovigen zichtbaar behoort te zijn. Het grote voorbeeld is Christus Jezus, aan God gelijk, die desondanks Slaaf werd,
Mens werd, vernederd werd, en die gehoorzaamde tot de kruisdood toe. 
Hij gaat nog verder: “  Ik voor mij ben van jullie overtuigd in de Heer, dat jullie geen andere mening zullen hebben. Maar wie jullie in verwarring brengt, zal zijn straf hebben te dragen, wie hij ook zal zijnGal.5: 10.

Hier komen we bij de betekenis die het woord heeft en ook verderop in deze brief:
      Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren; maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan 
ook verder! Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebtPhil.3: 15-17.
Het gaat op deze plaatsen inderdaad ook over iets ‘bedenken’, maar dan in de specifieke betekenis van ‘een bepaalde gezindheid hebben’, oftewel een bepaalde atmosfeer van denken vertonen waartoe we als gelovigen worden opgeroepen.
      Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God.
Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult
ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheidCol.3: 2-4.
Kennelijk doen we dat als gelovigen niet automatisch!
Er was maar één Persoon die ononderbroken dacht en handelde in een volmaakte,  door God bepaalde en op God gerichte atmosfeer, oftewel manier van denken en dat was onze Heer en Verlosser Zelf.
Een ‘bepaalde gezindheid hebben’, oftewel een bepaalde atmosfeer van denken vertonen waartoe we als gelovigen worden opgeroepen werd in de vroeg-christelijke Kerk gedurende een lange leerperiode onderwezen en getoetst.
wanneer de Blijde Boodschap van harte aanvaard werd en men verklaarde in Jezus te 
geloven als de beloofde Messias, vond de doop plaats.
Zo stonden belijdenis en doop met elkaar in het nauwste verband; door de Geloofsbelijdenis en de doop werd de weg gebaand tot deelname aan de Mysteriën, hetgeen in de Orthodoxe Kerk nog steeds het geval is. Zo vindt na afloop van de doop en de Myronzalving – ook bij kinderen – de deelname aan de communie plaats – waarna de catechumeen als volledig Christen in de Gemeenschap werd opgenomen.
In de Apologie van Justinus de Martelaar [± 150 na Chr.] lezen we hierover:
Dit voedsel heet bij ons Eucharistie [ Gr. Goede, Genadegaven, Lichaam en Bloed van Christus]. Niemand mag er van nemen behalve hij/zij die ons onderwijs voor wáár houdt [= dat dus openlijk heeft beleden], die het bad tot vergeving der zonden om wedergeboren te worden [doop, Myronzalving en communie] ontvangen heeft en die -leven-, zoals Christus heeft overgeleverd”.

Wie lid wilde worden van de Kerk en deel wilde nemen aan de Goddelijke Mysteriën, werd dus eerst onderwezen, legde daarna getuigenis af dat hij het onderwijs van harte beaamde, mocht vervolgens de Mysteriën ontvangen.

In de derde eeuw wordt de weg tot de Kerk nog duidelijker bewaakt. Wie christen wilde worden, moest zich door een borg [getuige] laten aanbevelen. Vervolgens werd een onderzoek ingesteld naar de gezindheid en de motieven van de nieuweling. Hij kreeg daarna onderricht aangaande de inhoud van het Christelijke Geloof.
Hierbij kwam de nadruk te liggen op de kennis van Jezus, Christus, als de Zoon van God en de Opgestane Heer. Ook kwamen de Geboden hierbij aan de orde met betrekking tot de levenswandel.
Indien iemand dit Geloof aanvaardde en bereid was volgens de geboden te leven, vond een inwijding plaats [initiatie] met diverse riten, zoals: de biecht met de vergeving van zonden, de duiveluitbanning, de Geloofsbelijdenis, de tekening van het kruis, de [totale] onderdompeling, de Myronzalving en het ontvangen van de Heilige Eucharistie.
De periode van de Catechumeen was een voorbereiding op het Belijdenis doen en de Doop. Dit duurde een drietal jaren; jonge kinderen uit christelijke gezinnen werden na de geboorte gedoopt en als vanzelfsprekend opgevoed als kinderen Gods. De nieuwkomers of catechumenen [doopleerlingen] moesten getrouw de prediking bijwonen, vrij uitvoerig onderricht worden in de leer, waarbij vooral de Apostolische Geloofsbelijdenis, het ”Onze Vader, de tien geboden en de Heilige Schrift” [Oude en Nieuwe testament en het verband daartussen] gelezen en uitgelegd werden.
De oude christelijke kerk nam de toelating tot het gebruik aan de Mysteriën heel serieus. Er ging een lange tijd van voorbereiding, onderwijs en beproeving aan vooraf. Er was ook een nadrukkelijk verband tussen onderwijs in de christelijke leer en het daarna openlijk en persoonlijk belijden van deze leer als een weg tot het volgeling van Christus worden. Belijdenis, Doop/Myronzalving en deelname aan de Eucharistie waren geheel met elkaar verbonden.