Vrijdag in de Grote en Heilige week, Goede Vrijdag – de grootsheid van het Lijden, het sterven aan het Kruis, kortom de Heilige Passie van de Godmens

In de avond voorafgaand aan Goede Vrijdag, dus de donderdagavond
is er een samengesteld gedeelte uit de Blijde Boodschap;
aangezien vandaag acht wordt geslagen op diverse hoogtepunten bestaande
uit de kruisiging van de Godmens.
De 12 Evangeliën,
Die de Heilige Passie beschrijven worden gelezen:

korte weergave:
Jezus laatste vermaningen aan zijn discipelen …
Houd van God en van de mensen [de naasten] als van uzelf“.
Het laatste afscheid; het Gebed van Jezus.
Zijn verraad door Judas gevolgd door de arrestatie van de Heer.
Overbrenging naar – Van Annas naar Kajafas- en de berechting van Jezus door de overpriesters.
Petrus’ verloochening [“de haan zal niet kraaien, eer gij Mij driemaal verloochend hebt”].
Voor Pilatus, in het Pretoro, zijn poging om de Heer vrij te spreken, maar dit wordt door de vastberadenheid van de Farizeeërs onmogelijk gemaakt.
Veroordeling van Christus” Pilatus, vertegenwoordiger van de toenmalige Macht van de wereld “wast zijn Handen in onschuld“.
Judas terechtgewezen geeft de “dertig zilverlingen” aan de tempeldienaren terug, die ze in de Corvana [het Tempelfonds] hebben gestopt en er een bloedakker voor kopen.
Door het gehele Jodendom veroordeeld. De lijdensweg naar de Calvary-berg, alwaar de Kruisiging van Jezus.
Jezus geeft de geest aan het Kruis; de twee mede-veroordeelden aan het kruis. Verzoek van één van hen, de vraag aan Christus om hem te herinneren wanneer Hij in Zijn Koninkrijk der Hemelen komt.
Jozef van Aramithea vraagt Pilatus Jezus’ Lichaam om het in Zijn graf te begraven.
Begrafenis van Jezus en de verzegeling van Zijn Graf door de hoofden van het Volk en de Farizeeën.

Griekse icoon Kruisiging van Christus

Vandaag hangt aan het schandhout, 
de Rechter van ‘leven en dood’ laat Zich vrijwillig kruisigen.
De koning der engelen wordt gekroond met de engelenkroon.
Vaal paars is in de wolken rond de hemel waarneembaar.
Christus wordt verslagen door het helse zwaard, in het graf sluit men Hem,
Die de Hades berooft en de Heer geeft hiermee Adam z’n vrijheid terug, bevrijdt hem van de vloek.
U verbindt Zich als Bruidegom aan de Kerk.
De menselijke overblijfselen worden verwelkomd, als de Zoon van de Maagd.
Wij prijzen u, Pasha, de Christus; Gij zijt m’n broeder/zuster, waarachtig Zoon van God de Vader en wij kijken uit naar Uw erfdeel”.

Avondcanon
Completen, 4e Irmos – triodion van H. Andreas van Kreta
  De Profeet hoorde van Uw Komst, dat Gij uit de Maagd geboren wilde worden,
om aan de mensen te tonen en hij sprak:
‘ik heb de tijding aangaande U vernomen en ik werd bevreesd:
Ere zij Uw Kracht o Heer
”.

  De toebereide bovenzaal nam U op, o Schepper, tezamen met Uw Ingewijden.
Daar hebt Gij het Pascha voltrokken en de Mysteriën voltooid,
nadat door de twee leerlingen voor U het Pascha was bereid
”.

    De Alwetende had tevoren aan Zijn apostelen bevolen naar die bepaalde man te gaan.
Zalig is wie de Heer met Geloof opneemt in de toebereide bovenzaal van zijn hart, met als maaltijd de vreze God’s
”.

    Hoezeer heeft de [hoogmoedige] gierigheid u verleid en tot welk een wanhoop zijt gij daardoor geraakt, dwaze Judas! Slechts aan de buidel waart Gij gehecht en [zonder enig overleg] hebt gij u afgekeerd van elke menselijkheid. Gij hebt uw harde hart gesloten en Hem verraden, Die alleen Barmhartigheid is”.

    De wens der God’s-moordenaars vond gehoor bij de [hoogmoedige] gierigaard. Zij overlegden hoe zij Hem gevangen konden nemen, en reeds bood hij zich aan, terwille van de zilverlingen. Tenslotte koos hij de strik in plaats van het berouw, en zo verloor hij op ellendige wijze zijn leven”.

  Hoe verraderlijk is de kus die door zijn grote het zwaard aanvoerde. De lippen spraken woorden van eenheid terwijl het hart op uiteenscheuren zon. Vol arfklist hebt ge uw Weldoener overgeleverd aan de bloeddorstigen”.

    Hij kust terwijl hij verkoopt, hij omhelst en aarzelt niet om de Omhelsde te verraden. Wie haat terwijl hij kust? Wie verkoopt voor geld wie hij omhelst? Hier is het uiterste bereikt aan verraderlijke schaamteloosheid”.

Eer aan de Vader . . .

    Gij zijt ondeelbaar in Uw Wezen, onvervangbaar in de Personen: zó belijd ik U, drievoudige, éne Godheid, gelijk in macht op dezelfde troon.
Tot U zing ik de grootste zang, de drievoudige hymne uit den hoge
“.

Nu en altijd . . .

Onzegbaar is uw ontvangen, Moeder Gods, wonderbaar Uw baren. Want het is gebeurd door de Geest en niet vanuit het vlees; het was daarom onttrokken aan de wetten van de natuur en ging het wezen van elke geboorte te boven. Want het kind dat zij baarde, was de oneindige God”.

Metten grote en Heilige Vrijdag op donderdagavond:
Opening van deze lezingendienst voorafgegaan door de vredeslitanie:

P. Alleluia, Alleluia, Alleluia.

“Uit de nacht ontwaakt mijn geest vroeg tot U, o God, want
Uw Geboden stralen als Licht over de aarde”
conform: “ Van ganser harte verlang ik naar U in de nacht, ja, uit het diepst van mijn gemoed zoek ik U; want wanneer uw gerichten op de aarde zijn, leren de inwoners der wereld gerechtigheid.
Al wordt de goddeloze Genade bewezen, hij leert geen gerechtigheid; hij handelt slecht in een land van recht en de Majesteit des Heren ziet hij niet. Heer, uw hand is verheven, maar zij beseffen het niet; zij zullen het echter beseffen en beschaamd staan over uw ijver voor het volk. Ja, het vuur over uw tegenstanders zal hen verteren. Heer, Gij zult vrede over ons beschikken, want ook
al onze daden hebt Gij voor ons verricht. Heer, onze God, andere heren dan Gij hebben over ons geheerst; uw naam alleen huldigen wij.
Doden herleven niet, schimmen staan niet op; daarom hebt Gij hen bezocht en verdelgd en alle 
gedachtenis aan hen uitgeroeid. Gij hebt het volk vermeerderd, Heer, het Volk vermeerderd, U zelf verheerlijkt, alle grenzen van het land verwijd. Heer, in de nood heeft men U gezocht, een verzuchting geslaakt, toen uw tuchtiging trof. Zoals een zwangere die in barensnood raakt, ineenkrimpt en onder haar weeën schreeuwt, zo waren wij voor Uw aangezicht, Heer. Wij waren zwanger, wij krompen ineen; maar het was, als baarden wij wind; wij brachten het land geen verlossing aan en wereldbewoners werden niet geboren. Herleven zullen uw doden (ook mijn lijk), opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, gij, die woont in het stof! Want uw dauw is een dauw van Licht; en de aarde zal aan de schimmen het Leven hergeven. Kom, Mijn Volk, ga in uw binnenkamers, en sluit uw deuren achter u; verberg u een korte tijd, tot de gramschap over is.
Want zie, de Heer verlaat Zijn plaats om de ongerechtigheid van de bewoners van de aarde aan hen te bezoeken; dan zal de aarde het op haar vergoten bloed aan het licht brengen en haar verslagenen niet langer bedekkenIsiaiah 26: 9-21.

Alleluia,Alleluia,Alleluia.
“Leert Gerechtigheid, bewoners van de aarde”.
         Alleluia,Alleluia,Alleluia.
“ Een niet onderricht Volk, wordt door naijver bevangen; reeds nu verslindt het vuur de tegenstanders”
         Alleluia,Alleluia,Alleluia.
“Breng kwaad over hen, Heer, breng kwaad over hen bijeen: over al de hoogmoedigen der aarde”.
         Alleluia,Alleluia,Alleluia.

Troparion.     tn.8.
    Terwijl de roemrijke Leerlingen bij de voetwassing verlicht werden, werd Judas ziek van geest, verduisterd, en U, de rechtvaardigste Rechter, leverde hij over aan wetteloze rechters. Gij die door geldzucht zijt bevangen, zie op hem die zich daardoor de beulsdood heeft verworven. Ontvlucht de gierigheid die tot zulk een verraad aan de Leraar geraakte.
O Goede boven alles, heer, ere zij U
”.       [wordt driemaal gezongen]

Kleine Litanie, waarna:
“Want aan U is de Kracht, het Koninkrijk, de Macht en de Heerlijkheid: Vader Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen; Amen.

P.   “En dat wij waardig mogen zijn om te luisteren naar het Heilige Evangelie, Laat ons de Heer bidden”.
Kyrië eleïson, Kyrië eleïson, Kyrië eleïson.
      “ Wijsheid. Staat op. Laat ons luisteren naar het Heilige Evangelie.
         Vrede aan allen”.    “En met uw geest”
D.   “ Lezing uit het heilige Evangelie volgens  . . . . . . . .
V.    “ Ere zij Uw lankmoedigheid [= toegevendheid], o Heer”

1e.].    Toen hij dan heengegaan was, zei Jezus:
Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt.
Als God in Hem verheerlijkt is, zal God ook Hem in Zich verheerlijken, en Hem terstond verheerlijken.
Kinderkens, nog een korte tijd ben Ik bij u; gij zult Mij zoeken en, gelijk Ik de Joden gezegd heb:
Waar Ik heenga, kunt gij niet komen, zo spreek Ik thans ook tot u.Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt.
Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander.
Simon Petrus zei tot Hem: Heer, waar gaat Gij heen? Jezus antwoordde: Waar Ik heenga, kunt gij 
Mij nu niet volgen, maar gij zult later volgen.
     Petrus zei tot Hem: Heer, waarom kan ik U thans niet volgen? Ik zal mijn leven voor U inzetten!
Jezus antwoordde: Uw leven zult gij voor Mij inzetten? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de haan zal niet kraaien, eer gij Mij driemaal verloochend hebt. Uw hart dient niet ontroerd te worden; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.
En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg.
     Thomas zei tot Hem: Heer, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg?
Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kende, zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien.
     Philippos zei tot Hem: Heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg. Jezus zei tot hem: Ben Ik zolang bij u, Philippus en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; en wat gij ook vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden. Indien gij Mij iets vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen. Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren. En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.
Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven. Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u. Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.
     Judas, niet Iskariot, zei tot Hem: Heer, en hoe komt het, dat Gij Uzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?
Jezus antwoordde en zei tot hem: Indien iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn Woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen.
Wie Mij niet liefheeft bewaart mijn woorden niet; en het Woord, dat gij hoort, is niet van Mij, maar 
van de Vader, die Mij gezonden heeft. Dit heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik nog bij u verblijf; maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb. Vrede laat Ik u, Mijn Vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart dient niet ontroerd of versaagd [= de moed verliezen] te worden.
Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb; Ik ga heen en kom tot u. Indien gij Mij liefhadt, zoudt gij u verblijd hebben, omdat Ik tot de Vader ga, want de Vader is meer dan Ik.
En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschiedt, opdat gij geloven moogt, wanneer het geschiedt.
Niet veel zal Ik meer met u spreken, want de overste van de wereld komt en heeft aan Mij niets, maar de wereld moet weten, dat Ik de Vader liefheb en zo doe, als Mij de Vader geboden heeft. Staat op, laten wij vanhier gaan.
– Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen.
Gij zijt nu rein om het Woord, dat Ik tot u gesproken heb; blijft in Mij, gelijk Ik in u.
Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft.
Ik ben de Wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.
Wie in Mij niet blijft, is buiten geworpen als de rank en is verdord, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij worden verbrand.
Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden.
Hierin is Mijn Vader verHeerlijkt, dat gij veel Vrucht draagt en gij zult Mijn discipelen zijn.
Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad; blijft in Mijn Liefde.
Indien gij Mijn geboden bewaart, zult gij in Mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden van Mijn Vader bewaard heb en blijf in Zijn Liefde.
Dit heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn Blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld zal worden.
Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad.
Niemand heeft grotere Liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden.
Gij zijt Mijn vrienden, indien gij doet, wat Ik u gebied.
Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt.
Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aangewezen, opdat gij zoudt heengaan en vrucht dragen en uw vrucht zou blijven, opdat de Vader u alles geve, wat gij Hem bidt in Mijn Naam.
Dit gebied Ik u, dat gij elkander liefhebt.
Indien de wereld u haat, weet dan, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft.
Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat u de wereld.
Gedenkt het Woord, dat Ik tot u gesproken heb:
Een slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn Woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.
Maar dit alles zullen zij u aandoen om Mijn Naam, want zij kennen Hem niet, die Mij gezonden heeft.
Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij zouden geen zonde hebben, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Wie Mij haat, haat ook Mijn Vader.
Indien ik niet de werken onder hen gedaan had, die niemand anders gedaan heeft, zouden zij geen zonde hebben; maar nu hebben zij, hoewel zij ze gezien hebben, toch Mij en Mijn Vader gehaat.
Maar het Woord moet vervuld worden, dat in hun Wet geschreven is:
‘ Zij hebben Mij zonder reden gehaat’.
Wanneer de Trooster komt, die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest der Waarheid, Die van de Vader uitgaat, zal Deze van Mij getuigen; en gij moet ook getuigen, want gij zijt van het begin aan met Mij.
  Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij niet ten val komt. Men zal u uit de Synagoge bannen; ja, de ure komt, dat een ieder, die u doodt, zal menen aan God een heilige dienst te bewijzen.
En dit zullen zij doen, omdat zij noch de Vader, noch Mij kennen.
Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer hun uur komt, gij u moogt herinneren, dat Ik ze u gezegd heb.
Doch dit heb Ik u niet van het begin aan gezegd, omdat Ik bij u was.
En nu ga Ik heen tot Hem, die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat Gij heen? Maar omdat Ik dit tot u gesproken heb, heeft droefheid uw hart vervuld.
Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga.
Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden. En als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van Gerechtigheid en van Oordeel;
• van zonde, omdat zij in Mij niet geloven;
• van Gerechtigheid, omdat Ik heenga tot de Vader en gij Mij niet langer ziet;
• van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is.
Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der Waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle Waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen.
Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en Dit u verkondigen.
Al wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom zei Ik:
Hij neemt uit het Mijne en zal het u verkondigen. 
Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet meer, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien.
Sommige van Zijn discipelen dan zeiden tot elkander:
Wat betekent dit, dat Hij tot ons zegt: Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien? En: Ik ga heen tot de Vader?
Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Nog een korte tijd? Wij weten niet, wat Hij bedoelt.
Jezus bemerkte, dat zij Hem iets wilden vragen en zei tot hen:
Redeneert gij hierover met elkander, dat Ik zei:
Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien?
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zult schreien en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden; gij zult u bedroeven, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden.
Een vrouw, die baart, heeft droefheid, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan haar benauwdheid, uit vreugde, dat een mens ter wereld is gekomen.
Ook gij hebt dan nu wel droefheid, maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden en niemand ontneemt u uw blijdschap.
En te dien dage zult gij Mij niets vragen.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn Naam.
Tot nog toe hebt gij niet om iets gebeden in Mijn Naam;
bidt en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.
Dit heb Ik in beelden tot u gesproken; er komt een ure, dat Ik niet meer in beelden tot u zal spreken, maar u vrijuit over de Vader spreken zal.
Te dien dage zult gij in Mijn Naam bidden en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u vragen zal, want de Vader zelf heeft u lief, omdat gij Mij hebt liefgehad en geloofd hebt, dat Ik van God ben uitgegaan.
Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weder en ga tot de Vader.
Zijn discipelen zeiden: Zie, nu spreekt Gij vrijuit, zonder beeldspraak te gebruiken.
Nu weten wij, dat Gij alles weet en niet nodig hebt, dat iemand U vraagt; hierom geloven wij, dat Gij van God zijt uitgegaan.
Jezus antwoordde hun: Gelooft gij thans?
Zie, de ure komt en is gekomen, dat gij verstrooid wordt, een ieder naar het zijne en Mij alleen laat. En toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij.
Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt.
In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.
– Dit sprak Jezus en Hij hief Zijn ogen ten Hemel en zei:
Vader de ure is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke, gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken.
Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.
Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt.
En nu, verHeerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid, Die Ik bij U had, eer de wereld was.
Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben Uw Woord bewaard.
Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in Waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.
Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U, en al het Mijne is het Uwe en het Uwe is het Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.
En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij.
Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd.
Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle Mijn Blijdschap in zichzelf mogen hebben.
Ik heb hun Uw Woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben.
Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze.
Zij zijn niet uit de wereld, gelijk Ik niet uit de wereld ben.
Heilig hen in Uw Waarheid; Uw Woord is de Waarheid.
Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld; en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in Waarheid.
En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun Woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld zal geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.
En de Heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn:
Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld zal erkennen, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.
Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om Mijn Heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad voor de grondlegging van de wereld.
Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt; en Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt en Ik zal Hem bekend maken, opdat de Liefde, Waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij in Ik in hen.
  Na dit gezegd te hebben, ging Jezus met Zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron, waar een hof was, die Hij met zijn discipelen binnengingJohn.13: 31- 18: 1.

2e.].      Na dit gezegd te hebben, ging Jezus met Zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron, waar een hof was, die Hij met zijn discipelen binnenging.
En ook Judas, zijn verrader, wist die plaats, omdat Jezus daar dikwijls was samengekomen met zijn discipelen.
Judas dan kwam daar, die een afdeling soldaten tot zijn beschikking had gekregen en dienaars van de overpriesters en de Farizeeën, voorzien van lantaarns, fakkels en wapenen.
Jezus dan, alles wetende, wat over Hem komen zou, kwam naar voren en zeide tot hen:  Wie zoekt gij?
Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazoreeër. Hij zei tot hen: ‘Ik ben het’.
En ook Judas, zijn verrader, stond bij hen.
Toen Hij dan tot hen zei:
Ik ben het, deinsden zij terug en vielen ter aarde.
Wederom dan stelde Hij hun de vraag:
Wie zoekt gij?
En zij zeiden: Jezus, de Nazoreeër.
Jezus antwoordde:
‘Ik zeide u, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan; 
opdat het Woord vervuld werd, dat Hij gesproken had:
Wie Gij Mij gegeven hebt, uit hen heb Ik niemand laten verloren gaan.
Simon Petrus dan, die een zwaard had, trok het, en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het rechteroor af; de naam van nu van de slaaf was Malchus.
Jezus dan zei tot Petrus:
‘Steek het zwaard in de schede;  de beker, die de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik die niet drinken?’.
De afdeling soldaten dan en de overste en de dienaars der Joden namen Jezus gevangen, boeiden Hem, en brachten Hem eerst voor Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was; en Kajafas was het, die de Joden de raad had gegeven:
‘Het is nuttig, dat een mens sterft ten behoeve van het Volk’.
En Simon Petrus en een andere discipel volgden Jezus. En die discipel was een bekende van de hogepriester en hij ging met Jezus het paleis van de hogepriester binnen, maar Petrus stond buiten aan de poort. De andere discipel dan, de bekende van de hogepriester, kwam naar buiten, en hij sprak met de portierster en bracht Petrus binnen.
De slavin dan, die portierster was, zei tot Petrus:
‘Gij behoort toch ook niet tot de discipelen van deze mens?’.
Hij zeide: Ik niet!
De slaven en de dienaars stonden zich te warmen bij een kolenvuur, dat zij aangelegd hadden, want het was koud, en ook Petrus stond zich bij hen te warmen.
De hogepriester dan vroeg Jezus naar zijn discipelen en naar zijn leer.
Jezus antwoordde hem:
Ik heb vrijuit tot de wereld gesproken; Ik heb voortdurend in de Synagoge geleerd en in de Tempel, waar al de Joden bijeenkomen, en in het verborgen heb Ik niets gesproken.
Waarom vraagt gij Mij? Vraag hun, die gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.
En toen Hij dit zei, gaf een van de dienaars, die erbij stond, Jezus een slag in het gelaat en zei:
‘Antwoordt Gij zo de hogepriester?’.
Jezus antwoordde hem:
‘ Indien Ik verkeerd gesproken heb, geef aan wat verkeerd was, maar indien het goed was, waarom slaat gij Mij?’.
Annas dan zond Hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.
En Simon Petrus stond zich te warmen. Zij zeiden dan tot hem:
‘Gij behoort toch ook niet tot zijn discipelen?’.
Hij ontkende het en zei: ‘Ik niet!’.
Een van de slaven van de hogepriester, een verwant van hem, wiens oor Petrus had afgeslagen, zei: ‘Zag ik u niet in de hof met Hem?’.
Petrus dan ontkende het wederom en terstond daarop kraaide een haan.
Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw.
En het was vroeg in de morgen; doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten

John.18: 1-28.

3e.]. Matth.26: 57-75.
4e.]. John.18: 28-19: 16.
5e.]. Matth.27: 3-32.

13e Antifoon     tn.6
De scharen der Joden eisten van Pilatus om U te kruisigen, o Heer;
en ofschoon deze geen schuld in U gevonden had,
lieten zij de schuldige Barabas vrij,
maar u, de Rechtvaardige, veroordeelden zij ter dood, en
riepen Uw Bloed af over zichzelf en overhun kinderen.
Maar door dit Bloed hebt Gij ons allen verlost van onze ongerechtigheden,
in Uw Liefde tot de mensen“.
6e.]. Marc.15: 16-32c.

Zaligsprekingen:
” Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.
Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.
Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.
Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd“.

7e.]. Matth.27: 33-54.
Psalm 50[51]
”  O
ntferm U mijner, O God, volgens Uw grote barmhartigheid.
En volgens de overvloed van Uw ontferming, delg mijn ongerechtigheid uit.
Was mij schoon van mijn onrecht; reinig mij van mijn zonde.
Want ik erken dat ik onrecht gedaan heb: mijn zonde is steeds voor mijn ogen.
Tegen U alleen heb ik gezondigd; ik heb kwaad gedaan voor Uw aanschijn.
Zodat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw uitspraak en zult winnen in Uw oordeel.
Want zie, in ongerechtigheid ben ik geboren; mijn moeder ontving mij in zonde.
Want zie, Gij bemint de Waarheid; Uw onzichtbare en verborgen wijsheid hebt Gij mij geopenbaard.
Besprenkel mij met hyssop, dan word ik rein; was mij, dan word ik witter dan sneeuw.
Doe mij vreugde en blijdschap horen, opdat mijn vernederd gebeente kan juichen.
Keer Uw aangezicht af van mijn zonden; delg al mijn ongerechtigheid uit.
God schep in mij een zuiver hart; vernieuw in mijn binnenste de rechte geest.
Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht; neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
Geef mij de vreugde terug van Uw heil, sterk mij met Uw besturende Geest.
Dan zal ik de ongerechten Uw wegen leren; de goddelozen zullen zich tot U bekeren.
God, bevrijd mij van bloedschuld: Gij zijt de God van mijn heil; mijn tong zal over uw gerechtigheid juichen.
Heer, open mijn lippen, opdat mijn mond Uw lof verkondige.
Wilt Gij een offer, dan zou ik het brengen, maar in brandoffers schept Gij geen behagen.
Een offer voor God is een berouwvolle geest: God, Gij versmaadt geen vermorzeld en nederig hart.
Doe goed, Heer, in Uw welwillendheid aan Sion; laat de muren van Jeruzalem weer opgebouwd worden.
Dan hebt Gij behagen in offers van gerechtigheid, gaven en brandoffers, dan zal men kalveren op Uw altaar leggen“.

Synaxarion:
Op deze Grote en Heilige Vrijdag vieren wij het Heilig, Verlossend en ontzagwekkend Lijden dat onze Heer, God en Verlosser Jezus Christus voor ons heeft ondergaan:
      het bespuwen, de slagen, de geseling, de beledigingen, de bespottingen, de purperen mantel, de rietstok, de spons met azijn, de nagels, de lans; en Bovenal het Kruis en de dood.
      Dit alles is op deze Vrijdag gebeurd. Maar ook de verlossende belijdenis op het Kruis van de goede Rover, die met Hem gekruisigd was.
      Door dit medelijden, dat de krachten der natuur te boven gaat, en dat niemand anders voor ons had kunnen hebben be halve Gij, Christus onze God, ontferm U over ons.       Amen
”.

8e.]. Luc.23: 32-49.

9e.]. John.19: 25-37.
10e.]. Marc.15: 43-47.

11e.]. John.19: 38-42.

12e]. Matth.27: 62-66.

Donderdag in de Grote en Heilige week – de grootsheid van het Goddelijke Mysterie

Vandaag is er een samengesteld gedeelte uit de Blijde Boodschap; aangezien vandaag acht wordt geslagen op diverse hoogtepunten bestaande uit het wassen van de voeten van de volgelingen door Christus, het Laatste Avondmaal, het gebed in de hof van Olijven [Gethsemane] en het verraad van Judas:

➻ “      Gij weet, dat het over twee dagen Paasfeest is, en alsdan wordt de Zoon des mensen overgeleverd om gekruisigd te worden.
Toen kwamen de overpriesters en de oudsten van het Volk bijeen in het paleis van de hogepriester, genaamd Kajafas en zij beraamden een plan om Jezus door list in handen te krijgen en te doden.
Maar zij zeiden: ‘Niet op het feest, opdat er geen opschudding ontsta onder het Volk’.
Toen Jezus te Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse, kwam een vrouw tot Hem met een albasten kruik vol kostbare Myron en goot die uit over Zijn hoofd, terwijl Hij aanlag. Toen de discipelen dit zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: ‘Waartoe die verkwisting?’. Want deze [Myron] had duur verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden. Maar Jezus merkte het op en zei tot hen: ’Waarom valt gij deze vrouw lastig? Want zij heeft een goede daad aan Mij verricht. De armen hebt gij immers altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd.
Want toen zij deze Myron over Mijn lichaam uitgoot, heeft zij dat gedaan om Mijn begrafenis voor te bereiden.
       Voorwaar, Ik zeg u, overal waar dit evangelie verkondigd zal worden in de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft’.
Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters en hij zei: ‘Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren’
En zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. En 
van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leveren.
       Op de eerste dag van het feest der ongezuurde broden, kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: ‘Waar wilt Gij, dat wij toebereidselen maken voor U om het Pascha te eten?
Hij zei: Gaat naar de stad tot die-en-die en zegt tot hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; bij u houd Ik met mijn discipelen het Pascha.
En de discipelen deden, zoals Jezus hun had opgedragen, en zij maakten het Pascha gereed.
Toen het avond geworden was, lag Hij aan met de twaalf discipelenMatth.26: 2-20;
➻ “        Christus stond, wetende, dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heenging, van de maaltijd op en Hij legde Zijn klederen af en nam een linnen doek en omgordde Zich daarmee. Daarna deed Hij water in het bekken en begon de 
voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met de doek, waarmede Hij omgord was.
Hij kwam dan bij Simon Petrus. Deze zei tot Hem: ‘Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?’. Jezus antwoordde en zei tot hem: ‘Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het later verstaan’. Petrus zei tot Hem: ‘Gij zult mijn voeten niet wassen in eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: ‘Indien Ik u niet was, hebt gij geen deel aan Mij’.
Simon Petrus zei tot Hem: ‘Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd!’. Jezus zei tot hem: ‘Wie gebaad heeft, behoeft zich alleen de voeten te laten wassen, want hij is geheel rein; en gijlieden zijt rein, doch niet allen’. Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zei Hij: ‘Gij zijt niet allen rein’.
Toen Hij dan hun voeten gewassen had en zijn klederen aangedaan en weer plaats genomen had, zei Hij tot hen: ‘Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb?. Gij noemt Mij Meester en Heer, en gij zegt dat terecht, want Ik ben het. Indien nu Ik, uw Heer en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb.
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. Indien gij dit weet, zalig zijt gij, als gij het doet. Ik spreek niet van u allen; Ik weet, wie Ik heb uitgekozen; maar het schriftwoord moet vervuld worden: Hij, die mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgehevenJohn.13: 3-17;
➻ “        En terwijl zij aten, zei Hij: ‘Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij verraden zal. 
En zeer bedroefd, begonnen zij, een voor een, tot Hem te zeggen: ‘Ik ben het toch niet, Heer? Hij antwoordde hun en zei: Die zijn hand met Mij in de schotel heeft gedoopt, die zal Mij verraden.
           De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed geweest, als hij niet geboren was.
Judas, zijn verrader, antwoordde en zei: ‘Ik ben het toch niet, Rabbi?’.  Hij zei tot hem: ‘Gij hebt het gezegd’.
       En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zei: ‘Neemt, eet, dit is Mijn Lichaam’. En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zei: ‘Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van Mijn Verbond, Dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader’.
       En na de lofzang gezongen te hebben vertrokken zij naar de Olijfberg.
Toen zei Jezus tot hen:
‘Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. Doch nadat Ik zal zijn opgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
Petrus antwoordde en zei tot Hem: ‘Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit!’. Jezus zei  tot hem: ‘Voorwaar, Ik zeg u, in deze nacht, eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen’.
Petrus zei tot Hem: ‘Zelfs al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen’. Zo spraken ook al de discipelen.
       Toen ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij zeide tot de discipelen: ‘Zet u hier neder, terwijl Ik heenga om daar te bidden’.
En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeus mee en Hij begon bedroefd en beangst te worden.
       Toen zei Hij tot hen: ‘Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij’.
En Hij ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggend:
‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wiltMatth.26: 21-39;
➻ “        En Hem verscheen een engel uit de hemel om Hem kracht te geven. En Hij werd dodelijk beangst en bad des te vuriger. En zijn zweet werd als bloeddruppels, die op de aarde vielen.
En Hij stond op van het gebedLuc.22: 43-45a;
➻ “        En Hij kwam bij zijn discipelen en vond hen slapende, en Hij zei tot Petrus:
‘Waart gijlieden zo weinig bij machte een uur met Mij te waken? Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’.
       Wederom, ten tweeden male, ging Hij heen en bad, zeggende: ‘Mijn Vader, indien deze beker niet kan voorbijgaan, tenzij dan dat Ik die zal drinken, uw wil geschiede!’.
En toen Hij terugkwam, vond Hij hen slapende, want hun ogen waren bezwaard.
       En Hij liet hen daar en ging wederom heen en bad ten derden male, opnieuw dezelfde woorden sprekende.
Toen kwam Hij bij de discipelen en zei tot hen:
‘ Slaapt nu maar en rust. Zie, de ure is nabijgekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren. Staat op, laten wij gaan. Zie, die Mij overlevert, is nabij.
       En terwijl Hij nog sprak, zie, daar was Judas, een van de twaalven, en met hem een grote schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en oudsten van het Volk. En die Hem overleverde had hun een teken gegeven, zeggend: ‘Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem’. En terstond trad hij op Jezus toe en zei: ‘Wees gegroet, Rabbi, en hij kuste Hem.
        Maar Jezus zeide tot hem: ‘Vriend, waartoe zijt gij hier?’.
Toen traden zij toe, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. En zie, een van die bij Jezus waren, strekte zijn hand uit, trok zijn zwaard en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het oor af. Toen zei Jezus tot hem:
‘Breng uw zwaard weer op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen? Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden?’.
       Op dat ogenblik sprak Jezus tot de scharen:
‘Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken om Mij gevangen te nemen? Dagelijks zat Ik in de tempel te leren, maar gij hebt Mij niet gegrepen. Doch dit alles is geschied, opdat de schriften van de Profeten in vervulling zouden gaan’.
Toen lieten al de discipelen Hem alleen en vluchtten.
Die nu Jezus gegrepen hadden, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester bij wie de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren.
       En Petrus volgde Hem van verre tot aan de hof van de hogepriester, en binnengekomen zijnde, ging hij tussen de dienaars zitten om de afloop te zien.
De overpriesters en de gehele Raad trachtten een vals getuigenis tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden er geen, hoewel er vele valse getuigen optraden.
Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: ‘Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen’.
En de hogepriester stond op en zei tot Hem: ‘Geeft Gij geen antwoord; wat getuigen dezen tegen U?’.
Maar Jezus bleef zwijgen. En de hogepriester zei tot Hem:
‘ Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God’.
       Jezus zei tot hem:
‘ Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken van de hemel.
Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en zei:
‘Hij heeft God gelasterd! Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u?’.
Zij antwoordden en zeiden: ‘Hij is des doods schuldig’.
Toen spuwden zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten; anderen sloegen Hem in het gelaat en zeiden:
‘ Profeteer ons, Christus, wie is het, die u geslagen heeft?’.
Petrus zat buiten in de hof en er kwam een slavin naar hem toe, die zei:
‘Ook gij waart bij Jezus, de Galileeër’.
Maar hij loochende het ten aanhoren van allen en zei: ‘Ik weet niet, wat gij zegt’.
Toen hij naar het portaal ging, zag een andere hem en zij zei tot hen, die daar waren:
‘ Die man was bij Jezus, de Nazoreeër.
En wederom loochende hij het met een eed: ‘Ik ken de mens niet’.
Even later kwamen zij, die daar stonden, naar Petrus toe en zeiden:
‘ Waarlijk, ook gij behoort tot hen, want ook uw uitspraak verraadt u’.
Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: ‘Ik ken de mens niet’.
En terstond kraaide een haan.
En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus gesproken had:
‘Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen’. En hij ging naar buiten en weende bitter.
       Toen het nu morgen geworden was, namen al de overpriesters en de oudsten van het Volk het besluit tegen Jezus om Hem te doden. En zij boeiden Hem, leidden Hem weg en zij leverden
Hem over aan Pilatus, de stadhouderMatth.26: 40-27: 2.

NB.: is er sprake van een voetwassing dan wordt John.13: 3-11 tijdens de voetwassing gelezen en John.13: 12-17 erna.

Apostellezing:
        Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam, de dankzegging uitsprak, het brak en zei: ‘Dit is Mijn Lichaam voor u, doet dit tot Mijn Gedachtenis.
Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zei:
‘ Deze beker is het Nieuwe Verbond in Mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot Mijn Gedachtenis. Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.
Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren.
Maar ieder dient zichzelf te beproeven en dient te eten dan van het brood en te drinken uit de beker. Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt. Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen.
Indien wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet onder het oordeel komen. Maar onder het oordeel des Heren worden wij getuchtigd, opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden
1Cor.11: 23-32.

Schrijf dit op voor het volgend geslacht: Ook het Volk dat nog niet geboren is, zal de Heer loven. Want onze Heer en Meester ziet neer uit Zijn verheven Heiligdom, onze God ziet uit de Hemel neer op de aardePsalm 101[102]: 19-21.
uit: het gebed van iemand die bijna sterft van ellende; de mens vertelt hier aan de Heer hoe ongelukkig deze is: ‘Heer, verhoor ons gebed, laat ons roepen tot U komen;  wend Uw aangezicht niet van ons af, om het zuchten en steunen van uw dienaren, die gevangen zijn te horen, om vrij te laten, die de dood nabij zijn‘.

Dàt het Lichaam van Christus het medicijn tegen de zonde is en Zijn Bloed de enige manier is waarop een mens van zijn pijn afkomt en van zijn zondelast verlost wordt.
Het lichaam van Christus is uitgegroeid tot een schat van goddelijke perfectie en wast altijd rein van alle zonde en rechtvaardigheid.
Met uitzondering van iedere hooghartige verkondiger, die predikt dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest onder de mensen onbekend zal blijven tot het moment dat zij zich eerst met Hem kunnen verenigen.
Hij predikte Christus weliswaar in woord en maar vergeet de daad; dat het nuttigen van het Lichaam en Bloed méér is.
Dat het lijden en sterven aan het Groot en Heilig Kruis méér is dan een rituele slachting, die wij herdenken.
➻ Wij offeren met dit onbloedig offer van Brood en wijn onszelf temidden van het vlees en het bloed, waaruit wij zelf bestaan
– “wij bevelen aan Chrisus God onszelf, elkaar en geheel ons leven aan”, in de Heilige Geest bieden wij De moeder Gods en alle heiligen gedenkend aan God ons gehele leven aan. “Aan U, o Heer!” wordt in de vragende Litanie gebeden.
➻ Wij bieden als Christenen ons leven aan ter slachting aan het kruis, dat wij mèt Christus dragen, mèt het bijbehorend verdriet en het leed en de kwelling toen Hij het tijdstip naderde om ná gebed en vasten temidden van zweet van bloed geofferd te worden.
Judas verraadde Hem en liet Hem door de tegenstander grijpen en deze mens was door zijn doen en laten met handen en voeten gebonden aan zijn boosdoeners [de wereld] en hij getuigde daarmee eveneens voor Pilatus, zoals de apostel Paulus zegt. Vanwege zijn grote getuigenis draagt hij eveneens bij aan de dood, de dood aan het kruis.
      Jezus dan, alles wetende, wat over Hem komen zou, kwam naar voren en zeide tot hen:
‘Wie zoekt gij?’
Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazireeër. Hij zeide tot hen: Ik ben het.
En ook Judas, zijn verrader, stond bij hen.
Toen Hij dan tot hen zeide: ‘Ik ben het, deinsden zij terug en vielen ter aarde’.
Wederom dan stelde Hij hun de vraag:
Wie zoekt gij? En zij zeiden: Jezus, de Nazireeër.
Jezus antwoordde: Ik zeide u, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan; opdat het Woord vervuld werd, dat Hij gesproken had: ‘Wie Gij Mij gegeven hebt, uit hen heb Ik niemand laten verloren gaan’John.18: 4-9

➻ Draag als christen dit lichaam dat gegeten wordt de huid, de door nagels doorboorde handen en aanvaard het doorboord worden door de speer, het gestoken worden met een bajonet in de zijde en aanvaard de lijfelijke pijn als Zijn grote pijn en lijden dat Hij gedragen heeft – en bovenal de pijn toen hij genageld aan het kruis hing en uitriep “ God, mijn God, waarom hebt Gi mij verlaten”.
➻ 
Dit is het Heilig Lichaam en het Heilig Bloed, het Bloed van Christus dat vergoten is, tot vergeving van de zonden der mensen, welke wij mede-ervaren in ons christelijk leven in deze wereld.
Daarop verduisterde God, de Schepper van Hemel en aarde, de zon en beefde de aarde en wordt de gehele wereld en de kosmos gezuiverd uit de gruwel van de zonde.
➻ De letterlijke Wet – de Wet van het Oude Testament – bezat geen macht om degenen te dusdanig te vormen dat zij tot volmaaktheid konden komen, want het is een onvolmaakte wet, een menselijke wet.
Het was nodig om de wet van de Heilige Geest, de Liefde tot de mensen tot het uiterste te openbaren, de volledige en bekwame nieuwtestamentische wet van de Goddelijke Liefde tot de mensen en de onderlinge liefde van de mens, die de mens tot volmaaktheid brengt.
➻ 
De pijn en het leed, de kwellingen, die door christenen wordt gedragen en het bloed, zweet en tranen, die als offer aan God daaruit voorkomen verdienen het om opnieuw gezegend te worden.
Hetgeen de mens door zijn hoogmoed veroorzaakt heeft, de verwijdering van God, heeft zij verloren als gevolg van de zonden, die hen ook na de doop niet ten goede komt als iets wat mensen teniet gedaan hebben en
dit wordt als gevolg van het bloed van het Nieuwe Testament en het lichaam van Christus, die aan het kruis geofferd is opgeheven.
➻ 
Dit is het geheim van dankzegging – het grote Mysterie dat wacht op de gerechtigheid van God, degenen die hebben erkend dat Isaäc zich tot God heeft gewend met hun zonden. God heeft ons volgelingen van Christus onze zonden vergeven; deze vorm van vergeving noemen wij indirecte vergeving.
      En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Heer [na Zin Opstanding] zagen. Jezus dan zei nogmaals tot hen: “Vrede zij u!’ ‘Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u’.
En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zei tot hen: ‘Ontvangt de Heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend’John.20:20-23.

• Indien je ooit iemand barmhartig bent, zal genade aan je getoond worden.
• Indien je mededogen toont aan iemand die lijdt (en dit is natuurlijk geen grote daad), word je tot de martelaren gerekend.
• Indien u iemand vergeeft die u heeft beledigd, dan zullen niet alleen al uw zonden worden vergeven, maar u zult een kind van de hemelse Vader worden.
• Indien je bidt vanuit je hele hart voor redding – zelfs een beetje – zul je gered worden.
• Indien je jezelf bestraft, je beschuldigt en jezelf voor God veroordeelt voor je zonden, met een gevoelig geweten, zelfs voor deze zul je gerechtvaardigd zijn.
H. Moses van Optina 

➻ Wij blijken keer op keer Gods vertrouwen te verkrijgen, maar toch vervallen wij in onze ongerechtigheden, omdat wij als mensen fouten maken en om ons te ontdoen van onze herhaalde zondeval en vergeving te verkrijgen is het essentieel, dat we haast om onszelf te bekeren en de strijd tegen de zonde aan te gaan. Door regelmatig het Lichaam en Bloed van Christus te ontvangen, worden wij genezen hetgeen het medicijn is voor de genezing van het menselijk kwaad blijkt te zijn.
conf. Heilige Nicholas Cabasilas

”     Een rechtvaardig mens, verstoten van wijsheid, die
is als een lamp in volle zon.
Het gebed van degene, zich beledigingen herinnerend, die
is als een zaad dat op de rots is geworpen.
Een asceet, zonder barmhartigheid, die
is als een onvruchtbare boom.
Een verwijt dat voortkomt uit het begeren, dat
is als een vergiftigde pijl.
Een lofbetuiging voortkomend uit dubbelhartigheid , dat
is een verborgen valkuil.
Een onredelijke raadgever blijkt een blinde leider te zijn.
De kring van de spotters breekt het hart.
Geregeld een wijs mens bezoeken is als een verfrissende bron.
Een wijze raadgever is een veilige schutsmuur.
Een onredelijke vriend, verstoten van wijsheid, is een vat vol onheil.
Het is beter een huis in rouw te zien dan een wijze die een dwaas volgt.
Het is beter bij wilde dieren te verblijven dan met begerige lieden rond te dolen.
Het is beter in een graf te verblijven dan met verdorven mensen op te trekken.
Verkies eerder te leven met gieren dan met hebzuchtige en onverzadigbare mensen.
Verkies liever een moordenaar als gezel dan een ruziemaker.
Verkies het gezelschap van een zwijn boven dat van een gulzigaard, want
de pens van een zwijn past beter in de mond van een gulzigaard.
Verkies het gezelschap van melaatsen boven dat van trotsen
Isaäc de Syriër [van Ninivé] .

➻ Er waren joodse christenen onder de bekeerlingen, christenen, die gebonden bleven, gebonden aan de Wet en de joodse waarnemingen van de Wet, de perceptie.
Zij onderwezen de christenen in Galatië om de Wet te houden, inclusief de besnijdenis en  ze betekenden de ceremoniële Wet, die vervuld was in Christus, en die vervangen was door de vrijheid van de Genadegaven van de Heilige Geest en  hierin onderwezen zij een heel ander Evangelie, zoals de Apostel Paulus elders zegt:
      Och, verdroegt gij een weinig onverstand van mij! Maar dat doet gij ook. Want met een ijver Gods waak ik over u, want ik heb u verbonden aan een man om u als een reine maagd voor Christus te stellen. Maar ik vrees, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, uw gedachten van de eenvoudige en loutere toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden. 
Want indien de eerste de beste een andere Jezus predikt, die wij niet hebben gepredikt, of gij een andere geest ontvangt, die gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel2 Cor. 11: 1-4.
➻ Deze joodse christenen bleven in hun joodse traditie hangen, in de schaduw van het christendom en het menselijke, dat ‘niet verlost’, wat mensen als creaties in Christus – naar het evenbeeld van de Schepper ‘niet nieuw maakt’.
Dit zijn degenen, die Paulus aanspreekt in de brief die we via de overlevering vernemen, laten we dit fragment nog maar een keertje horen waar hij zegt:
          Allen, die zich uiterlijk goed willen voordoen, trachten u te dwingen tot de besnijdenis, alleen om niet vervolgd te worden ter wille van het kruis van Christus Jezus. Want zij, die zich laten besnijden, houden zelf niet eens de wet, doch zij willen, dat gij u laat besnijden, opdat zij op uw vlees roem kunnen dragen. Maar ik zal ervoor bewaard mogen blijven te roemen anders dan in het Kruis van onze Heer Jezus Christus, door wie de wereld mij gekruisigd is en ik van de wereld
Gal.6: 12-14.
➻ Daarop wordt gewezen wanneer wij in de Goddelijke Liturgie voorafgaand aan de Epiclese [aanroeping] horen – wanneer wij de Heilige Geest aanroepen:
Neemt en eet” en ‘drinkt uit deze Beker’.
Dàt dient onze dagelijkse spirituele maaltijd te zijn – als volgelingen van Christus volgen wij Hem geïnspireerd door de Heilige Geest dàgelijks door ons Kruis op te nemen.
➻ Zovelen om ons heen verlangen om hier een ​​goede vertoning in het vlees van te maken, uiterlijke schijn, deze zouden je dwingen weliswaar aangesneden te worden, maar niet genuttigd te worden; alleen opdat ze niet aan het [mede-] lijden deelachtig zullen worden; de vervolging vanwege het kruis van Christus.
Want zelfs niet degenen die aangesneden zijn bewaren de onvoorwaardelijke Goddelijke Liefdeswet, maar zij verlangen om u te laten besnijden, opdat zij mogen roemen in uw vlees.
➻ En luister hiernaar, dit is de sleutel:
      Maar God verhoede dat ik zou moeten opscheppen, behalve in het Kruis van onze Heer Jezus Christus, door wie de wereld heeft gekruisigd voor mij en ik voor de wereld”.
Wat de ontrouw bewijst is datgene wat Paulus aldus beschrijft:
        Maar het dient zo te blijven; God is waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden [in Zijn Woord] en overwint in uw rechtsgedingen [Zijn Rechtsgeding].
Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen? Is 
God, Die zijn toorn doet voelen – ik spreek op menselijke wijze – soms onrechtvaardig?
Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen?Rom.3: 4-6.

➻ De vraag is nu waarom de Joodse christenen dit leerden? Waarom hebben ze zich gezocht [zich zo thuis gevoeld] om bij ‘de oude Wet’ van Mozes te blijven hangen . . . . .
om gevangen te blijven zitten in de mentaliteit, waar we nog altijd in verblijven – in het type, wachtend in de schaduw [d.w.z. ‘niet in het Licht van Christus] op de vervulling.
Ze proberen er in op te vallen en uit te blinken de ogen van die onbekeerde Joden,
• die beweerden dat ook de joden bekeerlingen hadden,
• die de Tradities van hun voorvaderen hadden verlaten.
Dat wil zeggen, ze zochten het compromis met de geest van de wereld en
het ongeloof van de Joden, met de vijanden van het Kruis!
•  Ten einde een ​​compromis te sluiten, om
te voorkomen een uitdrukking van schuld of afkeuring op te lopen;
verwelkomden zij Christus met het milde verwijt Hem vervolgens
met het opnemen van het Kruis ‘alleen’ te laten, omdat ze ‘niet’ werkelijk geloofden.
•  Onder al deze wereldsheid was deze weerstand uiteindelijk
een gebrek aan vertrouwen in het offer van onze Heer.
Blijkbaar hadden geen vertrouwen, maar het had een zweem van
spirituele,  geestelijke vernieuwing – wedergeboren worden was er niet bij.
Uit al hun doen en laten blijkt dat zij vervolging wilden vermijden,
zij wilden het Kruis ontlopen, vermijden!
Zij misten het charisma, de ‘Genadegaven‘ van de Heilige Geest.
Je kent misschien wel het woord ‘charisma’, uitstraling:
      Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest; aan de een Geloof door dezelfde Geest en aan de ander Gaven van genezingen door die ene Geest; aan de een werking van Krachten, aan de ander Profetie; aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen. Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die 
een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij [God het] wil1Cor.12: 8-11.
•  
De geschiedenis van de Kerk zit vol van zulke mensen, tot  op de dag van vandaag en in onze tijd hebben we  misschien veel te veel van zulke valse, verraderlijke christenen.
De Heilige Johannes Chrysostomos zegt dat we Christus liever beledigen en
zelfs verwerpen we aangenaam te zijn voor de mensen;  liever beledigen we God om de mensen te behagen!
We zijn mensen, die mensen behagen, medewerkers, die samenwerken met de vijanden [de satan en z’n trawanten] van het Kruis.
Het leven van de Kruis vereist opoffering.
Christus eist offers van ons, omdat opoffering liefde tot God en medemenselijkheid en liefde tot de mens [onze naaste] inhoudt.
• Indien we ons niet opofferen, houden we hier allemaal niet van.
•  Indien we niet van onze naasten houden – kunnen we onmogelijk
verenigd worden met de God, Die slecht Liefde is.

➻  Het Kruis opnemen en Christus volgen is onze levensweg,
ons pelgrimspad, onze opening naar het leven in liefde tot/met de Meester,
het Eeuwige leven dat we allemaal nastreven en zoeken.
➻  Indien we het Kruis opzij zetten, het omzeilen,
gaan we de verkeerde kant op,
zijn we niet op weg naar het Hemels Koninkrijk,
de weg naar God, want we zetten de Liefde van God op een zijpad.
➻  Alleen degenen die het Kruis van Christus verheffen
worden in de vrijheid van God Genadegaven binnengeleid.
➻  Christus volgen is de kunst van -‘buit te maken’- door je Kruis op te nemen en
uit Liefde tot God en de naaste Christus op Zijn weg hier op aarde te volgen.
Indien we het Kruis verloochenen, ontkennen we het offer,
dan ontkennen wij de kruisiging van ons intellect.
➻  Dàn blijven we de slaven van de wereld, zoals
we door de verlokkingen van de wereld verworden zijn,
we blijven zoals we -‘voor onze Doop en Myronzalving’ waren en
nemen niet deel aan de versmelting met onze Heer Jezus Christus.
➻  Wij nuttigen het Lichaam en Bloed niet,
wij doen maar wat en blijven in de schaduw van de dood,
terwijl er vanuit de schaduw – de grootsheid van de Blijde Boodschap,
aan ons bestaan een Heilig en `Groots doel in ons bestaan wordt aangeboden;
waarmee we kunnen overleven.

Is dat niet geweldig !!!
➻  
Dit is het grote Geheim dat in ons christelijk leven dient ten worden waargemaakt, gerealiseerd:
➻ 
Het is de Genadegave van de Heilige Geest en de Kracht van redding, Die overwinning biedt.
➻ Het inzicht en de beheersing van het Christelijk Geloof, is Christus,
God, Die ons door alles heen draagt in de Heilige Geest tot in de Tempel van het hart.
      Wij weten, dat wij uit God zijn en de gehele wereld in het boze ligt.
Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus.
Dit is de waarachtige God en het eeuwige leven”.
Daarom zegt Johannes de Theoloog:
Kinderkens, wacht u voor de afgoden1John.5: 19-21.
Waar God, via de mens in Christus aanwezig is, ontstaat er “leven”.
Het leven is je overgeven aan de dood, omdat de mens die de dood proeft
– en ik spreek over zijn smaak van de dood, niet alleen op het niveau van het lichamelijke,  maar op geestelijk niveau van de Goddelijke Waarheid, Die door God gecreëerd is, 
Die Hij schiep – in feite volledig vervreemd is van de liefde van God.
➻  
Het kan alleen maar zijn dat de vervreemding van God compleet is.
Daarom is het Woord van on ze Heer en Meester:
Ik ben de Opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, 
en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet stervenJohn.11: 25,26.
•  Hier spreekt hij met Maria, de zuster van Lazaros over de dood van het lichaam, dat bij de tweede komst tot heerlijkheid zal worden hersteld.
      Draag mij als een zegel op je hart, als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde, beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur, een laaiende vlamHooglied 6: 8.
•  Hier wordt gesproken over de mens die vol liefdevol leven is, omdat hij vol is van liefde tot God. Een mens die van God houdt, is een mens die de dood ‘uit’-drukt als of er een slaper voorbij komt. Dit is waar de dood ‘overwonnen’ wordt genoemd. Hier spreekt hij over de dood van het lichaam, dat bij de tweede komst tot heerlijkheid zal worden hersteld.
Wie in Mij gelooft, als hij sterft, zal hij leven. 
Hij die levend is en veilig in Mij, zal de dood voor eeuwig niet zien”.
•  Hier spreekt hij over de mens die vol liefdevol leven is, omdat
deze mens vol is van liefde voor God!
Een mens die van God houdt,
is een mens die de dood ‘uit’-drukt, die
slechts als een slaper voorbijtrekt.