Lazaroszaterdag, de opwekking van Lazaros – ‘Ik ben de Opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven’

      Er was iemand ziek, Lazarus van Bethanië, het dorp van Maria en haar zuster Martha.
Maria was het, die de Heer gezalfd had met Myron en Zijn voeten met haar haren had afgedroogd. En haar broeder Lazarus was ziek.
De zusters dan zonden Hem bericht: ‘Heer, zie, die Gij liefhebt, is ziek’.
Toen Jezus het hoorde, zei Hij: ‘ Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt zal worden.
Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief. Toen Hij dan hoorde, dat hij ziek was, bleef Hij daarop nog twee dagen ter plaatse, waar Hij was; daarna echter zei Hij tot zijn discipelen: ‘Laten wij weer naar Judea gaan’.
De discipelen zeiden tot Hem: ‘ Rabbi, onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat Gij weer daarheen?’.
Jezus antwoordde: ‘Gaan er geen twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is’.
        Zo sprak Hij en daarna zei Hij tot hen: ‘Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken’.
De discipelen zeiden dan tot Hem: ‘Heer, als hij slaapt, zal hij herstellen’.
        Doch Jezus had het bedoeld van zijn dood; zij echter meenden, dat Hij het van de rust van de slaap bedoelde. Toen zei Jezus ronduit tot hen: Lazarus is gestorven en het verblijdt Mij om u, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij tot Geloof komt; maar laten wij tot hem gaan.
Thomas dan, genaamd Didymus, zei tot zijn medediscipelen: ‘Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’.
Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag.
Bethanië nu was dicht bij Jeruzalem gelegen, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën.
Vele uit de Joden waren tot Martha en Maria gekomen om haar te troosten over haar broeder. Toen nu Martha hoorde, dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, doch Maria bleef in huis zitten.
Martha dan zei tot Jezus: ‘Heer, indien gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn. Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert’.        Jezus zei tot haar: ‘Uw broeder zal opstaan’. Martha zei tot Hem: ‘Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage’.
       Jezus zei tot haar: ‘Ik ben de Opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?’.
Zij zei tot Hem: ‘Ja, Heer, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou’. En na deze woorden ging zij heen en riep haar zuster Maria in stilte en zei:
‘ Daar is de Meester en Hij roept u. En toen zij dat hoorde, stond zij ijlings op en ging tot Hem; 
Jezus echter was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats, waar Martha Hem ontmoet had. De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende, dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
        Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zei tot Hem: Heer, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn.
        Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar meegekomen waren, zag wenen, werd Hij ontstemd in de geest en diep ontroerd en Hij zei:
Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heer, kom en zie.
        Jezus weende.
De Joden dan zeiden: ‘Zie, hoe lief Hij hem had!’. Maar sommigen van hen zeiden: ‘Had Hij, die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf?’.
        Jezus dan, wederom bij Zichzelf ontstemd, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan.
        Jezus zeide: Neemt de steen weg! Marta, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem: Heer, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag.
        Jezus zei tot haar: ‘Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult? Zij namen dan de steen weg.
        En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zei: ‘Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik 
gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt’.        En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luider stem:
‘Lazarus, kom naar buiten!’.
De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden.
Jezus zei tot hen: ‘Maakt hem los en laat hem heengaan’.
Vele der Joden dan, die tot Maria gekomen waren en aanschouwd hadden wat Hij gedaan had, 
geloofden in Hem; maar sommigen van hen begaven zich naar de Farizeeën en zeiden hun, wat Jezus gedaan had. De overpriesters en de Farizeeën dan riepen de Raad samen en zeiden: Wat doen wij, want deze mens doet vele tekenen? Als wij Hem zo laten geworden, zullen allen in Hem geloven en de Romeinen zullen komen en ons zowel onze plaats als ons volk ontnemen.
Maar een van hen, Kajafas, de hogepriester van dat jaar, zeide tot hen: Gij weet niets en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat een mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat’. Doch dit zei hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen. Sinds die dag dan beraadslaagden zij om Hem te doden.
       Jezus dan bewoog Zich niet meer vrij onder de Joden, maar vertrok vandaar naar de landstreek dicht bij de woestijn, naar een stad, Ephraïm genaamd, en Hij bleef daar met zijn discipelenJohn.11: 1-54.

        Ik ben uitgegoten als water; al mijn beenderen zijn ontwricht.
Mijn hart is geworden als vloeibare was in het midden van mijn borst.
Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte.
Gij hebt mij gebracht in het stof van de dood.
Want een menigte honden heeft mij omringd,  
een bende boosdoeners houdt mij omsingeld.
Zij hebben Mijn handen en voeten doorboord, al Mijn beenderen hebben zij geteld.
Zij bekijken Mij en staren Mij aan, zij hebben  mijn klederen [al] onder elkander verdeeld, en over Mijn lijfrok [reeds] het lot geworpen.Psalm 21: 15-21.

Lazaros [Hebr. ‘God helpt hem’] van Bethanië [Hebr. ‘huis van dadels of huis van het kermen’] is ernstig ziek en vanaf het prille begin wordt begrepen dat dit een ziekte is, die onherroepelijk tot de dood leidt.
In de visie van onze Verlosser is een ziekte is immers méér voor de ziel dàn vóór het lichaam en behoeft het niet de dood tot gevolg te hebben.
Maar tussen deze twee niveaus, tussen binnen en buiten, verandert deze tekst steeds weer opnieuw, het komt misleidend, verhelderend, verwarrend en leidt je af.  Wat doen we wanneer de dierbaarste mens onze levensgezel, kan worden achtervolgd door de voorboden van dood, door ziekte, kwetsbaarheid, sterfelijkheid in welke vorm dan ook?
Het is problematisch voor de mensen, die hiermee iedere dag opnieuw aan het bed worden geconfronteerd en het is voor eenieder die van een ander houdt min of meer hetzelfde.
Alles wat we doen is zo volkomen onhandig, verouderd en we kunnen zelf helemaal niets ondernemen, de wapens zijn ons uit de handen geslagen.
Een arts kan ernaar streven het einde van een leven van een vrouw met drie kinderen te voorkomen of het leven van een man die verantwoordelijk is voor zijn gezin – maar òf deze arts erin zal slagen het leven, met de mogelijkheden die er vandaag zijn, nog te redden, wie zal het weten?

Menselijke onmacht

Lazaros, temidden van zijn zusters Maria en Martha

Uiteindelijk wacht ons allemaal een lot dat we niet langer in handen hebben.
Maar de vraag wordt op zo’n moment des te belangrijker: wat doet God? Waar is God op zo’n onfortuinlijk ogenblik?
En het zijn verschrikkelijke uren, twee in hoge mate afschuwelijke dagen, waarin de hemel zich als het ware voor deze twee mensen sloot: over Maria en Martha.
Er komen de vreemdste vragen op: “Waarom” – “waarom bij ons, hier en nu?“.
Ik voel me derhalve geroepen om te schrijven, om nog dieper in te gaan op wat ik onmogelijk kan bevatten – om nog verder te onderzoeken wat ik aan het ontdekken ben. Verschrikkelijke uren – afschuwelijke dagen maken een mens klein, ontzettend klein, je weet niet meer wáár je het nog zoeken kunt.
Het lijkt onbegrijpelijk in dit verhaal dat Christus, in plaats van Zich te haasten naar het ziekbed van Z’n eigen vriend, wacht en maar blijft wachten en niets onderneemt, alsof Hij de menselijke ellende tot het uiterste wil dragen.
Het lijkt alsof Hij ons in de ontkenningsfase wil laten komen, òns in de afgrond wil laten afdalen teneinde òns te laten inzien wat Hij ‘de verheerlijking God’s‘ noemt, alsof Hij wil bewijzen dat Hij, de Boodschapper, de Zoon van God is, het Leven Zelf is, het Licht.
Daar komen we het opnieuw tegen – deze niet-aflatende Johannitische verduidelijking: àlles achterwege laten, onmogelijk te omschrijven datgene wat we anders ‘het Leven’ zouden noemen.
Johannes, de Theoloog, de grote openbaarder ten opzichte van de ongelovige wereld, waarin Christus naar voren komt als de Grote Gerechtvaardigde in de wereld, Die is veroordeeld vanwege de zonde, met de dood tot gevolg.

wij zijn op het hart van het Geloof te vinden – door voor Uw Kruis een diepe buiging te maken; we can be found in the heart of the Faith – by making a deep bow for Your Cross

We kennen dit soort fases van aarzeling om er als een normaal gegeven mee om te gaan. Misschien bevindt onze eigen vriend, onze bloedeigen levensgezel zich in een ernstige crisis; we willen natuurlijk helpen, maar tegelijkertijd begrijpen we dat er niets aan te doen is.
Alles wat we inbrengen zou nu niets meer dan een afleiding zijn. Om wat te bedenken en de ander te vertellen: “Maar je moet dit nu eens laten of dat doen, probeer dàt eens, dàt alternatief en als je dat niet doet, kun je niet beter worden”.
En wanneer je het niet meer weet dient het maar van binnenuit te gebeuren.
Onze ziel gedraagt zich ​​in dit opzicht niet veel anders dan onze lichamen, op zo’n moment blijft er . . .  eigenlijk niets over wat goed voor hen is, en dient het Leven zich te herpakken te reorganiseren, door rust.  Slaap is eigenlijk niets meer dan een poging om het lichaam en de ziel tot zichzelf te laten komen, om te herstellen wat hen effectief tegemoet komt na uitputting, na zwakte, na ziekte.
Heer, indien hij zich heeft neergelegd om te rusten, zeiden de leerlingen tot Christus, zal hij gered worden; deze mens doet het dan ook goed voor zichzelf.

sleep & his halfbrother by John William Waterhouse [1874]

Maar de slaap is ook de broeder van de dood, hetgeen een oud mythisch beeld is. Het is schokkend om alles slechts puur volgens de schepping te verklaren, zó zijn wij immers allemaal in deze wereld: met tussenpozen van ten minste zestien uur en na alles wat we dienden te doen, vraagt ons lichaam om rust, dienen wij te gaan slapen.
Mensen kunnen zo verschillend zijn onder elkaar. Vaak hebben ze zoveel angst onder elkaar opgebouwd, omdat de een als crimineel en gevaarlijk wordt beschouwd, de andere voor kwaadaardig en geraffineerd, een derde zal telkenmale als behulpzaam en nuttig worden beschouwd – we onderscheiden hen in categorieën en scheiden goed en kwaad volk op die manier ver uit elkaar. We beschouwen iemand, die bevelen geeft echter als iemand, die bij de politie hoort, maar eenmaal in slaap als bij een weerloos, onschuldig kind, zijn we ineens gewend terug te vallen voorbij alle morele en juridische zinsbegoochelingen en overvalt ons allen een gevoel en inzicht welke ons duidelijk maakt wat het betekent om in ​​wezen, tot op het bot, afhankelijk te zijn en ontstaat er een behoefte tot medelijden en het besef dat het ons aan mogelijkheden ontbreekt  om hulp te bieden en nog langer menselijk te reageren.
Dan zeggen we met Martha tot Jezus:
Heer, indien gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn. Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert”.

The Sleepers & The One, Who watcheth, by Simeon Solomon

        En Jezus zegt tot haar [tot ons]: “ Uw levensgezel zal opstaan” En wij zeggen met Martha tot Hem: “ Wij weten, dat hij/zij zal opstaan bij de Opstanding op de jongste dag”.

‘Heb goede moed, uw Geloof heeft u behouden’ Luc.8: 48.


Christus zegt ons: “Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij 
gestorven en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?”.

Kunnen wij dàn samen met Martha zeggen: ‘Ja, Heer, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou”.
    Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar Zijn stem zullen horen en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de Opstanding ten leven, wie het kwaad bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel”
John.5: 28,29;
      Want dit is de Wil van Mijn Vader, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven zal hebben en Ik zal hem opwekken op de jongste dag”
John.6: 40 en
     
Jezus antwoordde en zei tot enige Sadduceeën: “Gij dwaalt, want gij kent de Schriften niet noch de Kracht van God. Immers, in de Opstanding huwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel. Wat nu de Opstanding van de doden betreft, hebt jullie niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zei: ‘ Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaäc, en de God van Jaäcob? Hij is niet een God van doden, maar van levenden. 
En de scharen, die dat hoorden, stonden versteld over zijn leer” Matth.22: 29-33.

En vervolgens terugkomend op de perikoop van vandaag zei Jezus: “Ik ben de Opstanding en het [onvergankelijke] leven. Hij die op Mij vertrouwt, zelfs als hij sterft, zal leven. En iedereen die leeft en op Mij vertrouwt; nee, hij sterft niet”
Hij sterf niet — voor altijd:      Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen“ John.8: 51.

Kun je hier op vertrouwen?
Simon Petrus vertrouwde Hem antwoordde en getuigt:
    Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God! Jezus antwoordde hem en zei: ‘ Zalig zijt gij, Simon Barjona
[Zoon van Jonah (de duif, de Heilige Geest)], want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is” Matth.16: 16.

De perikoop van vandaag vervolgt toen Martha Christus als Zoon van God had verkondigt:
    Ging zij weg en riep Maria, haar zuster; zacht zei ze: ‘de Leraar is daar; Hij roept je’.
Maar zij [Maria], toen zij dàt hoorde, stond snel op en kwam naar Hem toe. Jezus echter was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats, waar Martha Hem ontmoet had.
De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende, dat zij naar het graf ging om daar te wenen.

        Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zei tot Hem: ‘Heer, indien Gij hier geweest zou zijn, zou mijn broeder niet gestorven zijn’.

        Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar meegekomen waren, zag wenen, werd Hij ontstemd in de geest en diep ontroerd.
Jezus was later nogmaals ontroerd in de geest toen Hij getuigde en zei:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: één van jullie zal Mij verraden.
De discipelen zagen elkander [toen] aan, in het onzekere,
van wie Hij sprak”
John.13: 21.
Nu zei Hij:
‘Waar hebt gij hem gelegd?.
Zij zeiden tot Hem: ‘Heer, kom en zie’.
        Jezus weende.

De Joden dan zeiden: ‘Zie, hoe lief Hij hem had!’. Maar sommigen van hen zeiden: ‘Had Hij, die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf?’ zie John 9: 1 ev.

        Jezus dan, ‘nogmaals’ bij Zichzelf ontstemd, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan.

take away the stone‘ – “Who wil take away the stone?“.

        Jezus zeide: Neemt de steen weg! Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem:
‘Heer, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag’.

        Jezus zei tot haar: ‘Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult? Zij namen dan de steen weg’”.
“Een grote steen voor de ingang van het graf werd weg gewenteld”
Matth.27: 60.
        En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zei:
‘Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt’.
“ Hoe kan iemand het huis van de sterke
[tegenstrever] binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke [tegenstrever] heeft gebonden? Dan zal hij zijn huis plunderen.

Wie met Mij [met God] niet is, die is tegen Mij [tegen God], en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit” Matth.12: 29-30.

        “En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luider stem: ‘Lazarus, kom naar buiten!’.

De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden. Jezus zei tot hen: Maakt hem los en laat hem heengaan”.

“En de overpriesters en de Farizeeërs verzamelden het Sanhedrin, Synhedrion [oudGr. συνέδριον, Synhédrion, Hebr. סנהדרין sanhedrin, zitting van de raad]; 
    Toen kwamen de overpriesters en de oudsten van het Volk bijeen in het paleis van de hogepriester, genaamd Kajafas en zij beraamden een plan om Jezus door list in handen te krijgen en te doden. Maar zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen opschudding ontsta onder het Volk Matth.26: 3-5;
De overpriesters en de Farizeeën dan riepen de Raad samen en zeiden: ‘ Wat doen wij, want deze mens doet vele tekenen? Als wij Hem zo laten geworden, zullen allen in Hem geloven en de Romeinen zullen komen en ons zowel onze plaats als ons volk ontnemen’. Maar een van hen, Kajafas, de hogepriester van dat jaar, zeide tot hen: ‘Gij weet niets en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat een mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat’.
Doch dit zei hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het Volk en niet alleen voor het Volk, maar om ook de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen. Sinds die dag dan beraadslaagden zij om Hem te doden”
John.11: 47-53.
        Kajafas
[Hebr. 
כג׳פס = als bevallig], die dat jaar hogepriester was; was het, die de Joden de raad had gegeven: Het is nuttig, dat een mens sterft ten behoeve van het Volk” John.18: 14.

De moed om te zijn
De Blijde Boodschap van de hand van Johannes, de Theoloog probeert op eigen manier de dood en de Opstanding van onze Heer Jezus Christus, zowel Goede Vrijdag als Pascha uit te leggen.
Het vindt op een dusdanige wijze plaats dat zowel gebeuren een plaats krijgt temidden van ons leven en dat deze gebeurtenissen en ervaringen in ons bestaan ​​een plaats gaan vormen om te begrijpen wat er op Golgotha ​​gebeurde.

Dit gedeelte uit Blijde Boodschap van de hand van Johannes, de Theoloog is volgens de Russische schrijver Fjodor Dostojevski om er een beeld van te krijgen en sympathiek genoeg om als vanzelfsprekend te worden beschouwd.

Het Evangelie van Johannes zal zoals het op natuurlijk inschikkelijke wijze wordt weergegeven voorzeker onder de westers georiënteerde gelovigen bèter begrepen worden; zéker wanneer de Verkondiging van God en het Geloof in God; de Geloofsbeleving door bepaalde wereldse mistoestanden [ook in de Kerk] -min of meer- op de achtergrond is geraakt.

Van oudsher zijn er pogingen ondernomen God buiten de orde, onscherp en aan de hand van de schoonheid van de wereld, te bewijzen.
Alòm wordt het echter als ononderbroken, betrouwbaar en solide beschouwd
-over God- als de Schepper van het zichtbare en onzichtbare te spreken.
De mens echter, die het Evangelie van Johannes de Theoloog in eerste instantie serieus neemt, zal hoewel hij/zij het Geloof afwijzen, “de Schepping” compleet noemen en slechts – tot voor de Troon van Christus, wanneer zij de Godmens uit Nazareth onder ogen komen, uit de nacht merrie ontwaken.

Dit geldt wat betreft het Johannes Evangelie alleen voor het Licht, voor het Leven, voor het Brood en de wijn . . . . .
De Theoloog Paul Tillich [1886-1965] heeft eens op deze wijze de katholieke manier van vroom zijn en de protestantse biecht voorschriften naast elkaar tegenover God geplaatst.
Met zijn boek ‘  -‘De moed om te zijn‘ –   ‘ gaf hij een menselijke dimensie aan het godsdienstige perspectief op de grote levensvragen. Zowel kerkelijken als niet-kerkelijken herkenden zijn zoektocht op het snijvlak van filosofie en theologie, van liberalisme en neo-orthodoxie, van socialisme en christendom, en eveneens op dat van protestantisme en katholicisme.
De moed om te zijn was de reden dat deze geleerde ‘theoloog voor theologen‘ bij een groot publiek bekend werd als ‘apostel van de intellectuelen‘.
Wie déze moed, déze kracht in een daad van Mystiek of Geloof deelachtig wordt,
is zich bewust van de bron van zijn moed om te zijn.

En wie dat niet deelachtig wordt?

De mens behoeft niet noodzakelijk besef van deze Bron te bezitten. In toestanden van cynisme en onverschilligheid is hij er zich niet van bewust. Maar deze Bron werkt in hem zolang hij de moed handhaaft om z’n eigen angsten op zich te nemen. In de daad van de moed om te zijn, bevindt zich de macht van het zijn effectief in ons, of wij haar nu herkennen of niet.

Dus in de moed om te leven openbaart zich het ware zijn.

Troparion     tn.1.
    Als een Belofte van de gemeenschappelijke Opstanding
hebt Gij voor Uw Lijden Lazaros uit de doden opgewekt, o Christus God.
En daarom mogen wij, evenals de kinderen, de symbolen dragen van de zegepraal,
en tot U roepen als de Overwinnaar van de dood:
 Hosanna in de hoge:
gezegend Hij, die komt in de Naam des Heren’
”.

Kondakion     tn.2.
    De Christus, de Vreugde van allen, de Waarheid,
het Licht, het Leven en de Opstanding van de wereld,
is in Zijn goedheid aan de aardbewoners verschenen.
Hij is het Voorbeeld van de Opstanding en
Hij verleent aan allen God vergiffenis
”.