Orthodoxie & degenen, die geen Geloof meer bezitten en voor eens en voor altijd verloren dreigen te gaan

Profeet Isaiah

”     Zo zegt de Heer, Uw Verlosser, de Heilige van Israël [de Kerk]:
‘Ik ben de Heer, uw God, die u leert, opdat het u welga; die u de weg doet betreden, die gij moet gaan.
       Och, dat gij naar mijn geboden luisterdet; dan zou uw vrede zijn als een rivier en uw gerechtigheid als de golven der zee;
       Dan zou uw nageslacht zijn als het zand en uw nakomelingschap als de korrels daarvan; hun naam zou niet uitgeroeid noch verdelgd worden voor mijn aangezicht.
      Trekt uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën. Verkondigt het met jubelklank, doet dit horen, verbreidt het tot aan het einde der aarde; zegt:
      De Heer heeft zijn knecht Jaäcob verlost.
      Zij leden geen dorst, toen Hij hen door de woestijnen leidde;
      Hij deed voor hen water uit de rots stromen;
      Hij toch spleet de rots, zodat het water vloeide.
De goddelozen, zegt de Heer, hebben geen vrede.
     Hoort naar Mij, gij kustlanden, en luistert, gij natiën in de verte.
De Heer heeft mij geroepen van moeders lijf aan, van de schoot mijner moeder aan heeft Hij mijn naam vermeld.
En Hij maakte mijn mond als een scherp zwaard; in de schaduw van Zijn hand verborg Hij mij.
Hij maakte mij tot een puntige pijl, in zijn pijlkoker stak Hij mij.
En Hij zei tot mij:
Gij zijt Mijn knecht, Israël [Kerk], in wie Ik Mij zal verheerlijken.
Doch ik zei: ‘Tevergeefs heb ik mij afgemat, voor niets en vruchteloos mijn kracht verbruikt. Evenwel, mijn recht is bij de Heer en mijn vergelding is bij mijn God’Isaiah 48: 17- 49: 4

      Niemand steekt een lamp aan en bedekt die met een vat of zet haar onder een bed, maar hij zet haar op een standaard, opdat wie binnentreden het Licht mogen zien.
       Want er is niets verborgen, dat niet aan het Licht zal komen, en niets geheim, dat niet zal bekend worden en aan het Licht komen.
Ziet dan toe, hoe gij hoort. Want wie heeft, hem zal gegeven worden, en wie niet heeft, ook wat hij meent te hebben, zal hem ontnomen worden.
Zijn moeder en broeders kwamen tot Hem en zij konden Hem niet bereiken vanwege de schare.
Men boodschapte Hem: Uw moeder en uw broeders staan buiten en willen U zien. Hij antwoordde echter en zei tot hen: Mijn moeder en mijn broeders zijn dezen, die het woord Gods horen en doen
Luc.8: 6-21.

    Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden.
       Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven zal worden verslonden.              
       God is het, die ons juist daartoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft.
       Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn
       – want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen – maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Heer onze intrek te nemen.
       Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn.
       Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder zal wegdragen wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad
1Cor.5: 1-10.

We naderen opnieuw de Grote en Heilige week en wij zullen opnieuw de Grootsheid van ons Geloof hernieuwd bevestigen.
De gebeden en de gezangen van onze diensten zijn als het Woord dat telkenmale tot ons spreekt – het is een essentieel element van zowel de joodse Godsdienst als het christelijk geloof, waarin het eerste zijn volle voltooiing vindt door het gebod van de Liefde.
God’s geboden, Zijn Woord leiden de mens op de weg van het leven, verlost hem/haar uit de slavernij van het alleen maar aan zichzelf denken en brengt hem/haar in het land van de ware vrijheid en het leven.
Daarom wordt in de Blijde Boodschap God’s Geboden niet als een last ervaren, een begrenzing die ons te neer drukt. Het wordt gezien als de kostbaarste Genadegave van onze Heer, het Getuigenis van Zijn vaderliefde, Zijn wil om dicht bij Zijn volk te blijven, Zijn bondgenoot te zijn en er een liefdesgeschiedenis mee te schrijven.
Met David bidt de Kerk aldus:
    Ik wil nadenken over Uw geboden, Uw wegen beschouw en ik houd mij bezig met Uw Gerechtigheden; Uw Woord zal ik niet vergeten … Leid mij op het pad van Uw Geboden, want dat inmijn verlangen … Neem mijn beschaming weg, waarvoor ik vrees, want Uw oordelen zijn goedPsalm 118[119]: 16,31, 35.

Indien we niet langer dàt oer-vertrouwen bezitten, leven we als een losgeslagen en opstandig [protesterend] Volk – verworden tot loslopend wild voor de tegenstrever – en verliezen voor eens en voor altijd elk houvast op ons bestaan.
Door het Christelijk Geloof ontvangen wij een helder zicht, in de andere [nog komende] wereld en zullen wij de werkelijkheid om ons heen doorzien.

Athos, I.M. Karakallou

       Een van de vaders, die ik op de Athos mocht ontmoeten zei mij eens:
Wanneer ik in het Koninkrijk der Hemelen kom, zal ik me door drie prachtige dingen laten verrassen:
1.]. Ik zal dáár medemensen, vrouwen en mannen tegenkomen, die mij geheel onbekend voorkomen, die geen bekenden van mij waren, omdat ik ze als corrupt en zondig beschouwde.
Een navolger van Christus doet dat niet: “U bent ongehoorzaam en u laat uzelf misbruiken, u misgunt de ander het Koninkrijk der Hemelen. – Gisteren nog kwam er bij mij een woedend en briesend mens langs en Ik nam hem eventjes apart en toen ik met hem in gesprek was ontdekte ik wat een ontzaglijk rijke inborst die mens had – ” .
2.]. In het Koninkrijk der Hemelen zul je mensen tegenkomen, die je daar zeker niet zou denken tegen te komen. Je zult daaar uitkijken naar die grote prediker, die het allemaal zo goed kon beschrijven, maar je zult hem niet zien. Je zult die toezichthouder op de spelleiders proberen te vinden, die zulke mooie inleidingen over het Geloof gaf en zoveel redenen aangaf om voor het Koninkrijk der Hemelen alles opzij te zetten, maar je zult hem niet tegenkomen.
En je zult uitzien naar dat dametje, dat er zo vroom en heilig uitzag en je zou haar de hand willen schudden, maar tevergeefs zult haar er eveneens niet aantreffen. En vele mensen waar jij -nu- zo’n goede indruk van had zul je dáár niet tegenkomen.
3.]. Maar het grote Mysterie, het wonderbaarlijke zal zijn, dat je helemaal in de verste uithoeken van het Paradijs, jezelf zult tegenkomen nadat de Heer onze God voor jou heeft gepleit en je door alle ellende heen heeft getrokken.
Nadat Christus ons na de tweede of in de derde nachtwake [‘night-over’] aantreft en ons biddend aantreft vraagt Petrus:
      Heer, zegt Gij met het oog op ons deze gelijkenis, of ook met het oog op allen?
En onze Heer en Verlosser zei: ‘Wie is dan de trouwe, de verstandige rentmeester, die de Heer over Zijn bedienden zal stellen om hun op tijd hun deel te geven?
Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zo bezig zal vinden. Waarlijk, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn bezit zal stellen
Luc.12: 42-44.
Het draait niet om alle materiële goederen die God ons heeft doen toekomen, maar vooral dat God ons een Hemels Koninkrijk heeft voorbereid, een nieuwe Hemel en een Nieuwe aarde en datgene wat wij zoal hebben te doen zolang wij hier rondlopen is dat wij ons niet dusdanig aan materiële zaken gaan hechten, maar er dingen mee doen welke voor anderen van nut zijn.
Indien de aan de wereld toevertrouwde mens op de een of andere manier de Hemel wil verdienen, dan dienen zij te proberen zich van de wereld te distantiëren, er van lòs te komen. Zij dienen zich daarop boven de aarde te verheffen en de aardse geest achter zich te laten.
Niemand kan zeggen wanneer het einde zich voor hem/haar aandient, dat ogenblik, dat uur kent …  niemand, maar de eeuwigheid is dichtbij omdat de dood elk uur naar ons wenkt.
Voor ouderen staat dat zo goed als vast, maar het kan ook jonge mensen overkomen; wat kan het einde zich zomaar plotseling aandienen.
En dàn hebben wij geen wapen om de dood te keren, waar zullen wij dan terecht komen?
Deze toekomstverwachting kan zo – van het ene op het andere moment – het belangrijkst blijken te zijn: “Wij hebben hier geen blijvende stad; hetgeen gezien wordt gaat voorbijHebr.13: 14.
En zoals de vaders en leraren van onze Kerk dit formuleren:
‘ Zij gaan ervan uit dat je geen progressie [geleidelijke ontwikkeling] doormaakt, op een voor jou onbekende plaats [de wereld]. Je gaat als een pelgrim op pad en wandelt de stad uit [je verlaat de wereld] – wil je iets aanschaffen? een huis of een stuk grond om dat te beweren en je je voordeel meer te doen?  Nee, maar je zult slagen en je zult weer vertrekken. Want je bent hier op aarde als een pelgrim op reis en je zult hier niet blijven’.
Het gaat er dus om dat je wanneer je een reis naar het buitenland maakt, slechts datgene meeneemt waar je aan het einde van je rit iets aan hebt. Omdat het einde van de rit zich altijd kan aandienen, dienen we voortdurend bedacht zijn op datgene wat ons uiteindelijk kan overkomen.
Jouw [‘Athos’-]boot zal uiteindelijk – net zoals de gehele Kerk – aankomen in het Hemels Koninkrijk en dan dienen we het leven vervolmaakt te hebben; zo niet,  dan is dat een tragedie. Onze persoonlijke geest dient dàn het uiterste van z’n  mogelijkheden te hebben bereikt.
Wij zijn mensen die rust zoeken en bezitten een zogenaamde blijvende stad.
Maar door de Geest van God, door Zijn genade, wordt die rust bij de mens opgezegd, zodat hij hier geen blijvende stad meer heeft.
Dat doet onze Heer niet één keer in het leven. Hij laat ons niet zomaar één keer zien dat wij sterven moeten, dat wij aanstonds ‘àlles’ dienen achter te laten, dat wanneer we onze ogen sluiten, we dan ‘niets’ zullen kunnen meenemen.
Dat doet Hij telkens opnieuw. Soms op pijnlijke, gevoelige wijze, opdat wij er bij Hem op aandringen ons op te nemen in Zijn Hemels Koninkrijk.
Bestudeer daarom de heilige boeken en bemachtig in je leven de ogen van het Geloof, teneinde naar de toppen van de oneindige vreugde en gelukzaligheid te kijken.
Dit is een getrouw woord en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren te behouden, onder welke ik een eerste plaats inneem. Maar hiertoe is mij [Paulus] ontferming bewezen, dat Jezus Christus in de eerste plaats in mij zijn ganse lankmoedigheid zou bewijzen tot een voorbeeld voor hen, die later op Hem zouden vertrouwen ten eeuwigen leven” 1Tim.1: 15,16.
De Christelijke Blijde Boodschap is dus betrouwbaar en verdient onze volledige instemming: “Christus Jezus is in de wereld gekomen om ons, zondaars te redden”. Waarom zijn jullie zo bang? Waarom zo angstig?
Paulus, was de eerste.
Hij en wij spreken tot jullie als een gezond mens tot de zieken.
Wij staan, jullie liggen. Wij maken ons geen zorgen, jullie zijn wanhopig.
Want Christus Jezus heeft zich over ons ontfermd om zo via ons Zijn grote geduld te tonen. Onze ziekten heeft Hij lange tijd gedragen en die zo weggenomen. Als een goede dokter heeft Hij al onze waanzin verdragen.
Hij heeft toegelaten dat wij Hem sloegen, en het ons vergund dat wij voor Hem geslagen werden. Ja, Zijn grote geduld heeft Hij via mij getoond, zodat wij een voorbeeld zouden worden voor allen die in Hem geloven en het eeuwige leven zullen ontvangen.
Niet wanhopen dus.
Bent u ziek? Ga naar Hem toe en u wordt genezen.
Bent u kreupel of verlamd? U zult weer opstaan en kunnen voortbewegen.
Bent u blind? Ga naar Hem toe en u krijgt weer Licht.
Wie gezond is dient Hem bedanken,
wie ziek is dient snel naar Hem toegaan om genezen te worden.
Iedereen dient het rond te bazuinen:
    Ga de komende dagen een kerkgemeenschap binnen en
laten wij gezamenlijk buigen in aanbidding,
in tranen knielen voor de Heer, onze Schepper en Verlosser.
Moge God in uw harten wortel en vuur schieten
teneinde het Koninkrijk van God te bereiken’.