Orthodoxie & de intocht in Jeruzalem: ‘ Hosanna, gezegend Hij, Die komt in de Naam des Heren!’.

    De volgende dag, toen de grote menigte, die voor het feest gekomen was, hoorde, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, namen zij palmtakken, gingen uit Hem tegemoet, en riepen:
Hosanna, gezegend Hij, die komt in de naam des Heren! en: De koning van Israel!

En Jezus vond een jonge ezel en Hij ging erop zitten, gelijk geschreven is:
‘Wees niet bevreesd, dochter Sions, zie, uw Koning komt, gezeten op het veulen van een ezel’.
        Dit begrepen zijn discipelen aanvankelijk niet, maar toen Jezus verheerlijkt was, toen herinnerden zij zich, dat dit met het oog op Hem geschreven was en dat zij dit met Hem gedaan hadden.
De schare dan, die bij Hem was geweest, toen Hij Lazarus uit het graf geroepen en hem uit de doden opgewekt had, getuigde daarvan.
Daarom ging de schare Hem ook tegemoet, omdat zij gehoord hadden, dat Hij dit teken gedaan had.
De Farizeeën dan zeiden tot elkander: ‘ Gij ziet voor uw ogen, dat gij niets bereikt; zie, de gehele wereld loopt Hem na’ ’John.12: 12-19.

De zondag voor Pasen wordt Palmzondag genoemd.
Dit heeft alles te maken met wat er op deze dag gebeurde met de palmtakken.
Het is traditioneel de start van de grote en stille week ofwel de Goede Week; de ‘belangrijkste’ week uit het leven op aarde van onze Heer, Jezus Christus voorafgaand aan Zijn lijden, gevogld door Zijn glorieuze Verrijzenis met Pascha.
Hoewel de discipelen van Jezus niet wisten dat wat er hen allemaal boven het hoofd hing,
waren ze er zich wel degelijk van bewust dat de spanning rondom Jezus toenam; de religieuze leiders zagen in onze Heer en Verlosser een steeds groter gevaar. Ze hadden de grootste moeite hoe Hij zich presenteerde en de indringende waarheidsgetrouwe uitspraken die Hij deed; daarnaast bleek Jezus ook politiek een groter probleem te worden.
Wanneer steeds meer mensen Jezus als de Messias zouden volgen,
werd mogelijk het gevaar dat de Romeinen zouden ingrijpen steeds groter.
Dit wil niet zeggen dat Christus was doordrongen van het feit dat macht
inherent is aan het kwaad en daarom vermeden diende te worden.
Hij was er als – Zoon van God – en toch geheel mens er simpelweg van overtuigd dat er maar één wezen is – God – waartoe de absolute Macht toebehoort.
God zou deze Macht kunnen hanteren, omdat Hij alleen waarachtig de noodzaak
kan zien en begrijpen  van het kwaad en het daaruit voorkomende menselijk lijden in de grote reikwijdte van de geschiedenis.
Menselijke wezens, Zijn schepselen, zijn hiertoe niet in staat, noch,
zo beleefde Christus dit als mens, indien ze dat nog zo graag wilden en nastreven. Tenslotte is de menselijke afwijzing en wanhopig verzet tegen het lijden, zelfs als dergelijke gevoelens vanuit het perspectief van de eeuwigheid misplaatst zijn.
Christus leert ons allen te waken onze menselijke gesteldheid te verliezen, het geestelijke na te streven en verzette zich als zodanig tegen elke vorm van macht en het misbruik daarvan.-

Macht versus zwakte
Job heeft het met zijn eigen ogen gezien, zijn oren hebben het gehoord en hij heeft het in zich opgenomen. Van hetgeen wij ons allen bewust zijn, weet hij ook, hij doet voor ons niet onder:
      Bij Hem [God, onze Heer] is Wijsheid en Sterkte, Hij heeft raad en doorzicht.
Breekt Hij af, er wordt niet opgebouwd; sluit Hij iemand op, er wordt niet ontsloten;
Houdt Hij de wateren terug, zij verdrogen; laat Hij ze gaan, zij woelen de aarde om.
        Bij Hem is Kracht en beleid, Zijn’s [van Hem] is de misleide en de misleider.
Raadsheren zendt Hij barrevoets heen, en rechters maakt Hij tot dwazen.
– Boeien, door koningen aangelegd, slaakt Hij en Hij bindt een band om hun lendenen.
– Priesters zendt Hij barrevoets heen en wie vast staan, stort Hij neer.
– Hij beneemt de spraak aan hen op wie men vertrouwen stelt, en neemt het onderscheidingsvermogen van de ouden weg.
– Hij giet smaad uit over edelen en maakt de gordel van machtigen los.
– Hij legt de diepten uit de donkerheid bloot en brengt de diepe duisternis aan het licht.
– Hij maakt de volkeren groot en richt hen te gronde, breidt volkeren uit en voert hen weg.
– Hij beneemt de hoofden van het Volk van het land het verstand, en doet hen ronddwalen in ongebaande wildernis. Zij tasten rond in lichtloze duisternis, en Hij doet hen dwalen als een beschonkeneJob 12: 13-25.

 

Mijn Genadegave is u genoeg, want kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid’ 2Cor.12: 9.

Toon je zwakte dan toon je ook je kracht. Diep in ons gloeit een eeuwig Licht; indien alles om ons heen duister wordt, is er altijd nog die niet te doven Bron.
Alleen met je hart kun je goed zien, het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar. Indien je met je gezicht naar het verleden staat, sta je met je rug naar de toekomst – je behoeft geen geld te bezitten om waardig te zijn, soms bestaan onze grootste Genadegaven uit datgene wat we niet hebben aanvaard/gekregen/ datgene wat ons ontbreekt.
Macht is een spiegel van onmacht. Zwakte is niet licht te aanvaarden — maar macht vernietigt de machtelozen en de machtigen onderdrukken de ene terwijl ze de andere bederft.
Vooral mensen die hoge eisen aan zichzelf stellen en nogal prestatiegericht zijn, zijn bang dat anderen vinden dat ze het niet goed doen. Binnen zo’n patroon past het slecht om anderen om steun te vragen. Dat wordt dan al gauw gezien als een teken van zwakte of incompetentie.
In zo’n geval lopen mensen dubbel risico: door de jachtige en prestatiegerichte leefstijl èn door hun neiging om nooit gebruik te maken van de steun van anderen. Het kan ook gebeuren dat deze mensen juist extra behoefte hebben aan sociale steun, bijvoorbeeld mensen met faalangst en mensen voor wie sociaal contact erg belangrijk is. Met name diegene is wijs, die van een ander wil leren.

“Ziet, met hoe grote letters ik u eigenhandig schrijf! Allen, die zich uiterlijk goed willen voordoen, trachten u te dwingen tot de besnijdenis, alleen om niet vervolgd te worden ter wille van het kruis van Christus Jezus . . . . . . .” Gal.6: 11-18

De Blijde Boodschap heeft als uitgangspunt dat God, in de Heilige Drieëenheid, het ontstaan van de wereld aan ons wil duiden. De Boodschap stelt dat alleen God de wereld heeft geschapen en zodoende orde in de chaos heeft gebracht. Zolang de mens leeft naar Zijn Richtlijnen blijft deze orde gehandhaafd. Het uitgangspunt is dus openbaring.
Er waren eens twee gevangenen, die in een kleine cel zaten, waar behalve door een minuscuul klein raampje een meter boven ooghoogte geen licht binnenkwam.
beide gevangenen brachten overeenkomstig hun veroordeling [en welke zondaar komt dat niet toe] heel wat tijd door met het kijken naar dat raampje.
Eén van hen zag de tralies – dat waren maar al te duidelijk aanwezige, lelijke, metalen herinneringen aan de werkelijkheid. Elke dag geraakte hij meer ontmoedigd, verbitterd, boos en hopeloos.
De andere gevangene daarentegen keek overdag door het raampje naar het licht en hoorde de vogeltjes fluiten en ’s-nachts zag hij de maan z’n ronde doen en de sterren voorbij trekken.
Beide gevangenen keken naar hetzelfde raam, maar de een zag de tralies terwijl de andere de sterren zag. En het verschil van kijken maakte een geweldig verschil in hun leven
”.
          Zo is het ook met onze samenleving – er zijn een heleboel rechttoe rechtaan mensen actief – mensen, die precies doen wat hun [in het onderwijs, opvoeding] geleerd is en precies op de manier waarop het hun voorgeleefd is – niet meer en niet minder. Er is [daardoor] een overvloed ontstaan aan ‘robots’ en wanneer we niet uitkijken laten we ons er ook nog door [mis-]leiden, maar er zijn maar weinig mensen, die open staan voor ideeën.
De wereld heeft mensen nodig met verbeeldingskracht, creativiteit en die
overuren maken in de verbinding tussen hun hart en verstand, die
manieren vinden voor verbetering en effectiviteit’s-vergroting.
Ook binnen onze christelijke gemeenschappen zijn wij niet gediend van spelleiders, die alleen maar de bestaande situatie in de Kerk handhaven – we zijn op zoek naar mensen, die inzicht hebben en zien hoe het in de toekomst verder dient te gaan.
Dit vereist pioniersschap, losbreken uit conventionele denkpatronen.
Het vereist vertrouwen en lef om met het risico van mislukking een nieuw idee of een nieuwe ervaring uit te proberen. Risico’s nemen is iets wat de meeste mensen absoluut niet aandurven – zeker wanneer zij regelmatig van bovenaf zonder overleg ‘overruled’ worden; daarom voelen zij zich liever veilig en geborgen en bestendigen dagen wat al eeuwen voor hen als [‘dood-!’] normaal werd beschouwd. Iedere vorm van ontwikkeling en creatieve scheppingskracht wordt hiermee ondergraven.   

Lijdensweg

Agony in the Garden – Gethsemane

Onder de intocht van onze Heer Jezus Christus wordt verstaan de intocht in Jeruzalem. In diepere zin is het ook de intocht via de lijdensweg van van onze Heer, die eigenlijk al begint in de olijfboomgaard  Getsemane.
Zijn gang naar Getsemane is te vergelijken met het binnengaan van de hogepriester in de duisternis van het binnenste Heiligdom van Tempel [het hart].
      Het Bloed van het Verbond, dat God u [ons] heeft voorgeschreven.
En ook de tabernakel en al het gereedschap voor de eredienst besprenkelde hij evenzo met Bloed.
En nagenoeg alles wordt volgens de wet met Bloed gereinigd, en zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving. Noodzakelijk moesten dus hiermee de afbeeldingen van de Hemelse dingen gereinigd worden, maar de Hemelse dingen Zelf met betere offeranden dan deze.
      Want Christus is niet binnengegaan in een Heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de Hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen; ook niet om Zichzelf dikwijls te offeren, gelijk de hogepriester jaarlijks met ander bloed dan het zijne in het heiligdom gaat, want dan had Hij dikwijls moeten lijden sinds de grondlegging van de wereld; maar thans is Hij eenmaal, bij de voleinding der eeuwen, verschenen om door Zijn offer de zonde weg te doenHebr. 9: 20-26.

Het wordt voor Christus vandaag duisternis, een donkere nacht om ons te verheffen tot kinderen van het Licht, te doen opgaan tot het Hemels Koninkrijk.
De intocht van onze Heer en Zaligmaker in Jeruzalem is totaal anders dan de intocht die Titus, jaren later, als zoon van keizer Vespasianus, in Jeruzalem zal houden.
Een herinnering daaraan kun je tot op de dag van vandaag nog zien op de zogenoemde ‘Titus’-boog in Rome. Die boog is gebouwd op het hoogste punt van de Via  Sacra. Hij is opgetrokken toen de Romeinse legioenen de stad veroverd hadden in 71 en totaal hebben verwoest, vond de triomfantelijke intocht van Titus plaats in Jeruzalem.
⁌ Wanneer we de intocht van Christus vergelijken met de intocht van Titus in het jaar 70, constateren we een mijlen groot verschil. Jezus wilde beslist op een ezeltje de heilige stad binnenrijden. Titus kwam Jeruzalem binnen op een tweewielig wagentje getrokken door een vierspan. Hij kwam om door de overwinningsgodin Victoria gelauwerd te worden. Het optreden van Titus was uiterst gewelddadig, wreed en moorddadig. Ontelbaar veel militaire machthebbers hebben tot op de dag van vandaag zijn voorbeeld gevolgd.
Maar onze Pedagoog heeft ons voorgehouden:
Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielenMatth.22: 16.
Hij kreeg geen lauwerkrans van Victoria, maar een omhelzing van zijn hemelse Vader.

De intocht van Titus was eenmalig. En toen hij stierf was het gedaan met zijn macht; de intocht van onze Voorganger heeft zich voortgezet in de loop der eeuwen. Hij heeft zijn intrede gedaan in duizenden harten door de Heilige Geest. Hij wil nog steeds gedragen worden door mensen die zich klein en afhankelijk voelen. Mensen die net zo klein, dienstbaar zijn als een ezel en voor Hem Hosanna roepen.

  Wanneer onze Heer vandaag in Jeruzalem verschijnt, heeft Hij schoon schip gemaakt. De tafels van de geldwisselaars keert Hij om en Hij jaagt de mensen die voor business naar de tempel komen weg. Schreeuwen, schelden, schimpen, loven en bieden. Geen stilte om te bidden?
De tempel dient een huis van Gebed te zijn’ zo houdt Hij ons voor.

  Wanneer onze Heer en Meester ‘Zijn intrede’ doet in de Kerk, vindt er een hervorming plaats; Hij wil dat we onze persoonlijke afgodsbeelden opruimen.
De Koning van deze Palmzondag gaat bouwen aan ‘een nieuwe tempel’, ‘een nieuwe gemeenschap’ en dat doet Hij door Zijn Heilige Geest te zenden.
Hij is de basis van die nieuwe tempel; Hij is het fundament — de steen die door de tempelbouwers werd geweigerd, werd hoeksteen en fundament.
Laat u zich derhalve gebruiken als levende bouwstenen voor de bouw van een geestelijk huis en niet door hemelse bespiegelingen van uw spelleiders”.

Borstkruis van een spelleider

  Wanneer Christus al die schreeuwende investeringsmaatschappijen, en degenen die hen in de kaart spelen heeft weggejaagd, komen de blinden en verlamden in Zijn tempel [het hart] naar Hem toe. Hij geneest hen allemaal – conf. Matth.21: 4.

Christus is de ware tempel van God. Overal waar Jezus zijn intrede doet, verrijst het onzichtbare gebouw van ‘de nieuwe Tempel’; het eeuwig Jeruzalem, het Hemels Koninkrijk.
Dáárom ging de schare Hem ook tegemoet, omdat  zij gehoord hadden, dat Hij dit teken gedaan had.
De Farizeeën dan zeiden tot elkander [hun aanmatiging is enorm]:
‘ Gij ziet voor uw ogen, dat gij niets bereikt; zie, de gehele wereld loopt Hem na’  è
n
de gevolgen hiervan zien we de komende week.

Apolytikion tn.1.
Als een belofte van de gemeenschappelijke Opstanding
Hebt Gij voor Uw Lijden Lazaros uit de doden opgewekt,
o Christus God.
En daarom mogen ook wij, evenals de kinderen,
de symbolen dragen van de zegepraal,
en tot U roepen als Overwinnaar van de dood:
Hosanna in den Hoge;
Gezegend Hij, Die komt in de Naam des Heren
”.

Ik zal niet sterven maar leven en
de werken des Heren verkondigen
” [herh. Apolytikion]

Houdt nu een feestdag en draagt groene takken
tot aan de hoornen van het Altaar
  [herh. Apolytikion]

Eer …..

Kondakion     tn.6.

In de Hemel gezeten op een Troon,
maar op aarde op een lastdier,
hebt Gij, o Christus God,
de hymnen van de engelen en het gezang van kinderen aanvaard,
die U toeriepen:
Gezegend Hij Die komt, om Adam weer te roepen
”.


voorafgaand aan Apostellezing:

Gij allen, die in Christus zijt gedoopt, u hebt U bekleed met Christus”.

Lazaroszaterdag, de opwekking van Lazaros – ‘Ik ben de Opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven’

      Er was iemand ziek, Lazarus van Bethanië, het dorp van Maria en haar zuster Martha.
Maria was het, die de Heer gezalfd had met Myron en Zijn voeten met haar haren had afgedroogd. En haar broeder Lazarus was ziek.
De zusters dan zonden Hem bericht: ‘Heer, zie, die Gij liefhebt, is ziek’.
Toen Jezus het hoorde, zei Hij: ‘ Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt zal worden.
Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief. Toen Hij dan hoorde, dat hij ziek was, bleef Hij daarop nog twee dagen ter plaatse, waar Hij was; daarna echter zei Hij tot zijn discipelen: ‘Laten wij weer naar Judea gaan’.
De discipelen zeiden tot Hem: ‘ Rabbi, onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat Gij weer daarheen?’.
Jezus antwoordde: ‘Gaan er geen twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is’.
        Zo sprak Hij en daarna zei Hij tot hen: ‘Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken’.
De discipelen zeiden dan tot Hem: ‘Heer, als hij slaapt, zal hij herstellen’.
        Doch Jezus had het bedoeld van zijn dood; zij echter meenden, dat Hij het van de rust van de slaap bedoelde. Toen zei Jezus ronduit tot hen: Lazarus is gestorven en het verblijdt Mij om u, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij tot Geloof komt; maar laten wij tot hem gaan.
Thomas dan, genaamd Didymus, zei tot zijn medediscipelen: ‘Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’.
Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag.
Bethanië nu was dicht bij Jeruzalem gelegen, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën.
Vele uit de Joden waren tot Martha en Maria gekomen om haar te troosten over haar broeder. Toen nu Martha hoorde, dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, doch Maria bleef in huis zitten.
Martha dan zei tot Jezus: ‘Heer, indien gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn. Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert’.        Jezus zei tot haar: ‘Uw broeder zal opstaan’. Martha zei tot Hem: ‘Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage’.
       Jezus zei tot haar: ‘Ik ben de Opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?’.
Zij zei tot Hem: ‘Ja, Heer, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou’. En na deze woorden ging zij heen en riep haar zuster Maria in stilte en zei:
‘ Daar is de Meester en Hij roept u. En toen zij dat hoorde, stond zij ijlings op en ging tot Hem; 
Jezus echter was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats, waar Martha Hem ontmoet had. De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende, dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
        Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zei tot Hem: Heer, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn.
        Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar meegekomen waren, zag wenen, werd Hij ontstemd in de geest en diep ontroerd en Hij zei:
Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heer, kom en zie.
        Jezus weende.
De Joden dan zeiden: ‘Zie, hoe lief Hij hem had!’. Maar sommigen van hen zeiden: ‘Had Hij, die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf?’.
        Jezus dan, wederom bij Zichzelf ontstemd, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan.
        Jezus zeide: Neemt de steen weg! Marta, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem: Heer, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag.
        Jezus zei tot haar: ‘Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult? Zij namen dan de steen weg.
        En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zei: ‘Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik 
gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt’.        En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luider stem:
‘Lazarus, kom naar buiten!’.
De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden.
Jezus zei tot hen: ‘Maakt hem los en laat hem heengaan’.
Vele der Joden dan, die tot Maria gekomen waren en aanschouwd hadden wat Hij gedaan had, 
geloofden in Hem; maar sommigen van hen begaven zich naar de Farizeeën en zeiden hun, wat Jezus gedaan had. De overpriesters en de Farizeeën dan riepen de Raad samen en zeiden: Wat doen wij, want deze mens doet vele tekenen? Als wij Hem zo laten geworden, zullen allen in Hem geloven en de Romeinen zullen komen en ons zowel onze plaats als ons volk ontnemen.
Maar een van hen, Kajafas, de hogepriester van dat jaar, zeide tot hen: Gij weet niets en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat een mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat’. Doch dit zei hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen. Sinds die dag dan beraadslaagden zij om Hem te doden.
       Jezus dan bewoog Zich niet meer vrij onder de Joden, maar vertrok vandaar naar de landstreek dicht bij de woestijn, naar een stad, Ephraïm genaamd, en Hij bleef daar met zijn discipelenJohn.11: 1-54.

        Ik ben uitgegoten als water; al mijn beenderen zijn ontwricht.
Mijn hart is geworden als vloeibare was in het midden van mijn borst.
Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte.
Gij hebt mij gebracht in het stof van de dood.
Want een menigte honden heeft mij omringd,  
een bende boosdoeners houdt mij omsingeld.
Zij hebben Mijn handen en voeten doorboord, al Mijn beenderen hebben zij geteld.
Zij bekijken Mij en staren Mij aan, zij hebben  mijn klederen [al] onder elkander verdeeld, en over Mijn lijfrok [reeds] het lot geworpen.Psalm 21: 15-21.

Lazaros [Hebr. ‘God helpt hem’] van Bethanië [Hebr. ‘huis van dadels of huis van het kermen’] is ernstig ziek en vanaf het prille begin wordt begrepen dat dit een ziekte is, die onherroepelijk tot de dood leidt.
In de visie van onze Verlosser is een ziekte is immers méér voor de ziel dàn vóór het lichaam en behoeft het niet de dood tot gevolg te hebben.
Maar tussen deze twee niveaus, tussen binnen en buiten, verandert deze tekst steeds weer opnieuw, het komt misleidend, verhelderend, verwarrend en leidt je af.  Wat doen we wanneer de dierbaarste mens onze levensgezel, kan worden achtervolgd door de voorboden van dood, door ziekte, kwetsbaarheid, sterfelijkheid in welke vorm dan ook?
Het is problematisch voor de mensen, die hiermee iedere dag opnieuw aan het bed worden geconfronteerd en het is voor eenieder die van een ander houdt min of meer hetzelfde.
Alles wat we doen is zo volkomen onhandig, verouderd en we kunnen zelf helemaal niets ondernemen, de wapens zijn ons uit de handen geslagen.
Een arts kan ernaar streven het einde van een leven van een vrouw met drie kinderen te voorkomen of het leven van een man die verantwoordelijk is voor zijn gezin – maar òf deze arts erin zal slagen het leven, met de mogelijkheden die er vandaag zijn, nog te redden, wie zal het weten?

Menselijke onmacht

Lazaros, temidden van zijn zusters Maria en Martha

Uiteindelijk wacht ons allemaal een lot dat we niet langer in handen hebben.
Maar de vraag wordt op zo’n moment des te belangrijker: wat doet God? Waar is God op zo’n onfortuinlijk ogenblik?
En het zijn verschrikkelijke uren, twee in hoge mate afschuwelijke dagen, waarin de hemel zich als het ware voor deze twee mensen sloot: over Maria en Martha.
Er komen de vreemdste vragen op: “Waarom” – “waarom bij ons, hier en nu?“.
Ik voel me derhalve geroepen om te schrijven, om nog dieper in te gaan op wat ik onmogelijk kan bevatten – om nog verder te onderzoeken wat ik aan het ontdekken ben. Verschrikkelijke uren – afschuwelijke dagen maken een mens klein, ontzettend klein, je weet niet meer wáár je het nog zoeken kunt.
Het lijkt onbegrijpelijk in dit verhaal dat Christus, in plaats van Zich te haasten naar het ziekbed van Z’n eigen vriend, wacht en maar blijft wachten en niets onderneemt, alsof Hij de menselijke ellende tot het uiterste wil dragen.
Het lijkt alsof Hij ons in de ontkenningsfase wil laten komen, òns in de afgrond wil laten afdalen teneinde òns te laten inzien wat Hij ‘de verheerlijking God’s‘ noemt, alsof Hij wil bewijzen dat Hij, de Boodschapper, de Zoon van God is, het Leven Zelf is, het Licht.
Daar komen we het opnieuw tegen – deze niet-aflatende Johannitische verduidelijking: àlles achterwege laten, onmogelijk te omschrijven datgene wat we anders ‘het Leven’ zouden noemen.
Johannes, de Theoloog, de grote openbaarder ten opzichte van de ongelovige wereld, waarin Christus naar voren komt als de Grote Gerechtvaardigde in de wereld, Die is veroordeeld vanwege de zonde, met de dood tot gevolg.

wij zijn op het hart van het Geloof te vinden – door voor Uw Kruis een diepe buiging te maken; we can be found in the heart of the Faith – by making a deep bow for Your Cross

We kennen dit soort fases van aarzeling om er als een normaal gegeven mee om te gaan. Misschien bevindt onze eigen vriend, onze bloedeigen levensgezel zich in een ernstige crisis; we willen natuurlijk helpen, maar tegelijkertijd begrijpen we dat er niets aan te doen is.
Alles wat we inbrengen zou nu niets meer dan een afleiding zijn. Om wat te bedenken en de ander te vertellen: “Maar je moet dit nu eens laten of dat doen, probeer dàt eens, dàt alternatief en als je dat niet doet, kun je niet beter worden”.
En wanneer je het niet meer weet dient het maar van binnenuit te gebeuren.
Onze ziel gedraagt zich ​​in dit opzicht niet veel anders dan onze lichamen, op zo’n moment blijft er . . .  eigenlijk niets over wat goed voor hen is, en dient het Leven zich te herpakken te reorganiseren, door rust.  Slaap is eigenlijk niets meer dan een poging om het lichaam en de ziel tot zichzelf te laten komen, om te herstellen wat hen effectief tegemoet komt na uitputting, na zwakte, na ziekte.
Heer, indien hij zich heeft neergelegd om te rusten, zeiden de leerlingen tot Christus, zal hij gered worden; deze mens doet het dan ook goed voor zichzelf.

sleep & his halfbrother by John William Waterhouse [1874]

Maar de slaap is ook de broeder van de dood, hetgeen een oud mythisch beeld is. Het is schokkend om alles slechts puur volgens de schepping te verklaren, zó zijn wij immers allemaal in deze wereld: met tussenpozen van ten minste zestien uur en na alles wat we dienden te doen, vraagt ons lichaam om rust, dienen wij te gaan slapen.
Mensen kunnen zo verschillend zijn onder elkaar. Vaak hebben ze zoveel angst onder elkaar opgebouwd, omdat de een als crimineel en gevaarlijk wordt beschouwd, de andere voor kwaadaardig en geraffineerd, een derde zal telkenmale als behulpzaam en nuttig worden beschouwd – we onderscheiden hen in categorieën en scheiden goed en kwaad volk op die manier ver uit elkaar. We beschouwen iemand, die bevelen geeft echter als iemand, die bij de politie hoort, maar eenmaal in slaap als bij een weerloos, onschuldig kind, zijn we ineens gewend terug te vallen voorbij alle morele en juridische zinsbegoochelingen en overvalt ons allen een gevoel en inzicht welke ons duidelijk maakt wat het betekent om in ​​wezen, tot op het bot, afhankelijk te zijn en ontstaat er een behoefte tot medelijden en het besef dat het ons aan mogelijkheden ontbreekt  om hulp te bieden en nog langer menselijk te reageren.
Dan zeggen we met Martha tot Jezus:
Heer, indien gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn. Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert”.

The Sleepers & The One, Who watcheth, by Simeon Solomon

        En Jezus zegt tot haar [tot ons]: “ Uw levensgezel zal opstaan” En wij zeggen met Martha tot Hem: “ Wij weten, dat hij/zij zal opstaan bij de Opstanding op de jongste dag”.

‘Heb goede moed, uw Geloof heeft u behouden’ Luc.8: 48.


Christus zegt ons: “Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij 
gestorven en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?”.

Kunnen wij dàn samen met Martha zeggen: ‘Ja, Heer, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou”.
    Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar Zijn stem zullen horen en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de Opstanding ten leven, wie het kwaad bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel”
John.5: 28,29;
      Want dit is de Wil van Mijn Vader, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven zal hebben en Ik zal hem opwekken op de jongste dag”
John.6: 40 en
     
Jezus antwoordde en zei tot enige Sadduceeën: “Gij dwaalt, want gij kent de Schriften niet noch de Kracht van God. Immers, in de Opstanding huwen zij niet en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel. Wat nu de Opstanding van de doden betreft, hebt jullie niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zei: ‘ Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaäc, en de God van Jaäcob? Hij is niet een God van doden, maar van levenden. 
En de scharen, die dat hoorden, stonden versteld over zijn leer” Matth.22: 29-33.

En vervolgens terugkomend op de perikoop van vandaag zei Jezus: “Ik ben de Opstanding en het [onvergankelijke] leven. Hij die op Mij vertrouwt, zelfs als hij sterft, zal leven. En iedereen die leeft en op Mij vertrouwt; nee, hij sterft niet”
Hij sterf niet — voor altijd:      Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen“ John.8: 51.

Kun je hier op vertrouwen?
Simon Petrus vertrouwde Hem antwoordde en getuigt:
    Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God! Jezus antwoordde hem en zei: ‘ Zalig zijt gij, Simon Barjona
[Zoon van Jonah (de duif, de Heilige Geest)], want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is” Matth.16: 16.

De perikoop van vandaag vervolgt toen Martha Christus als Zoon van God had verkondigt:
    Ging zij weg en riep Maria, haar zuster; zacht zei ze: ‘de Leraar is daar; Hij roept je’.
Maar zij [Maria], toen zij dàt hoorde, stond snel op en kwam naar Hem toe. Jezus echter was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats, waar Martha Hem ontmoet had.
De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende, dat zij naar het graf ging om daar te wenen.

        Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zei tot Hem: ‘Heer, indien Gij hier geweest zou zijn, zou mijn broeder niet gestorven zijn’.

        Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar meegekomen waren, zag wenen, werd Hij ontstemd in de geest en diep ontroerd.
Jezus was later nogmaals ontroerd in de geest toen Hij getuigde en zei:
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: één van jullie zal Mij verraden.
De discipelen zagen elkander [toen] aan, in het onzekere,
van wie Hij sprak”
John.13: 21.
Nu zei Hij:
‘Waar hebt gij hem gelegd?.
Zij zeiden tot Hem: ‘Heer, kom en zie’.
        Jezus weende.

De Joden dan zeiden: ‘Zie, hoe lief Hij hem had!’. Maar sommigen van hen zeiden: ‘Had Hij, die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf?’ zie John 9: 1 ev.

        Jezus dan, ‘nogmaals’ bij Zichzelf ontstemd, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan.

take away the stone‘ – “Who wil take away the stone?“.

        Jezus zeide: Neemt de steen weg! Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem:
‘Heer, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag’.

        Jezus zei tot haar: ‘Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult? Zij namen dan de steen weg’”.
“Een grote steen voor de ingang van het graf werd weg gewenteld”
Matth.27: 60.
        En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zei:
‘Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt’.
“ Hoe kan iemand het huis van de sterke
[tegenstrever] binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke [tegenstrever] heeft gebonden? Dan zal hij zijn huis plunderen.

Wie met Mij [met God] niet is, die is tegen Mij [tegen God], en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit” Matth.12: 29-30.

        “En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luider stem: ‘Lazarus, kom naar buiten!’.

De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden. Jezus zei tot hen: Maakt hem los en laat hem heengaan”.

“En de overpriesters en de Farizeeërs verzamelden het Sanhedrin, Synhedrion [oudGr. συνέδριον, Synhédrion, Hebr. סנהדרין sanhedrin, zitting van de raad]; 
    Toen kwamen de overpriesters en de oudsten van het Volk bijeen in het paleis van de hogepriester, genaamd Kajafas en zij beraamden een plan om Jezus door list in handen te krijgen en te doden. Maar zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen opschudding ontsta onder het Volk Matth.26: 3-5;
De overpriesters en de Farizeeën dan riepen de Raad samen en zeiden: ‘ Wat doen wij, want deze mens doet vele tekenen? Als wij Hem zo laten geworden, zullen allen in Hem geloven en de Romeinen zullen komen en ons zowel onze plaats als ons volk ontnemen’. Maar een van hen, Kajafas, de hogepriester van dat jaar, zeide tot hen: ‘Gij weet niets en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat een mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat’.
Doch dit zei hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het Volk en niet alleen voor het Volk, maar om ook de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen. Sinds die dag dan beraadslaagden zij om Hem te doden”
John.11: 47-53.
        Kajafas
[Hebr. 
כג׳פס = als bevallig], die dat jaar hogepriester was; was het, die de Joden de raad had gegeven: Het is nuttig, dat een mens sterft ten behoeve van het Volk” John.18: 14.

De moed om te zijn
De Blijde Boodschap van de hand van Johannes, de Theoloog probeert op eigen manier de dood en de Opstanding van onze Heer Jezus Christus, zowel Goede Vrijdag als Pascha uit te leggen.
Het vindt op een dusdanige wijze plaats dat zowel gebeuren een plaats krijgt temidden van ons leven en dat deze gebeurtenissen en ervaringen in ons bestaan ​​een plaats gaan vormen om te begrijpen wat er op Golgotha ​​gebeurde.

Dit gedeelte uit Blijde Boodschap van de hand van Johannes, de Theoloog is volgens de Russische schrijver Fjodor Dostojevski om er een beeld van te krijgen en sympathiek genoeg om als vanzelfsprekend te worden beschouwd.

Het Evangelie van Johannes zal zoals het op natuurlijk inschikkelijke wijze wordt weergegeven voorzeker onder de westers georiënteerde gelovigen bèter begrepen worden; zéker wanneer de Verkondiging van God en het Geloof in God; de Geloofsbeleving door bepaalde wereldse mistoestanden [ook in de Kerk] -min of meer- op de achtergrond is geraakt.

Van oudsher zijn er pogingen ondernomen God buiten de orde, onscherp en aan de hand van de schoonheid van de wereld, te bewijzen.
Alòm wordt het echter als ononderbroken, betrouwbaar en solide beschouwd
-over God- als de Schepper van het zichtbare en onzichtbare te spreken.
De mens echter, die het Evangelie van Johannes de Theoloog in eerste instantie serieus neemt, zal hoewel hij/zij het Geloof afwijzen, “de Schepping” compleet noemen en slechts – tot voor de Troon van Christus, wanneer zij de Godmens uit Nazareth onder ogen komen, uit de nacht merrie ontwaken.

Dit geldt wat betreft het Johannes Evangelie alleen voor het Licht, voor het Leven, voor het Brood en de wijn . . . . .
De Theoloog Paul Tillich [1886-1965] heeft eens op deze wijze de katholieke manier van vroom zijn en de protestantse biecht voorschriften naast elkaar tegenover God geplaatst.
Met zijn boek ‘  -‘De moed om te zijn‘ –   ‘ gaf hij een menselijke dimensie aan het godsdienstige perspectief op de grote levensvragen. Zowel kerkelijken als niet-kerkelijken herkenden zijn zoektocht op het snijvlak van filosofie en theologie, van liberalisme en neo-orthodoxie, van socialisme en christendom, en eveneens op dat van protestantisme en katholicisme.
De moed om te zijn was de reden dat deze geleerde ‘theoloog voor theologen‘ bij een groot publiek bekend werd als ‘apostel van de intellectuelen‘.
Wie déze moed, déze kracht in een daad van Mystiek of Geloof deelachtig wordt,
is zich bewust van de bron van zijn moed om te zijn.

En wie dat niet deelachtig wordt?

De mens behoeft niet noodzakelijk besef van deze Bron te bezitten. In toestanden van cynisme en onverschilligheid is hij er zich niet van bewust. Maar deze Bron werkt in hem zolang hij de moed handhaaft om z’n eigen angsten op zich te nemen. In de daad van de moed om te zijn, bevindt zich de macht van het zijn effectief in ons, of wij haar nu herkennen of niet.

Dus in de moed om te leven openbaart zich het ware zijn.

Troparion     tn.1.
    Als een Belofte van de gemeenschappelijke Opstanding
hebt Gij voor Uw Lijden Lazaros uit de doden opgewekt, o Christus God.
En daarom mogen wij, evenals de kinderen, de symbolen dragen van de zegepraal,
en tot U roepen als de Overwinnaar van de dood:
 Hosanna in de hoge:
gezegend Hij, die komt in de Naam des Heren’
”.

Kondakion     tn.2.
    De Christus, de Vreugde van allen, de Waarheid,
het Licht, het Leven en de Opstanding van de wereld,
is in Zijn goedheid aan de aardbewoners verschenen.
Hij is het Voorbeeld van de Opstanding en
Hij verleent aan allen God vergiffenis
”.

Orthodoxie & de [bloed-vloeiende] vrouw – ‘Geloof heeft u behouden, ga heen in vrede!’.

the woman, who can be an unshakeable, a great assertive personality, by Dumas; de vrouw, die een onwankelbaar, een geweldig assertieve persoonlijkheid kan zijn, by Dumas; المرأة ، التي يمكن أن تكون غير متزعزعة ، شخصية حازمة جدا ، من قبل دوماس.

        Een van de Farizeeën nodigde Hem om bij hem te komen eten en Hij kwam in het huis van de Farizeeër en ging aanliggen.
          En zie een vrouw, die in de stad als zondares bekend stond, bemerkte, dat Hij aan tafel was in het huis van de Farizeeër. En zij bracht een albasten kruik met mirre [Myron] en zij ging wenende achter Hem staan, bij Zijn voeten, en begon met haar tranen Zijn voeten nat te maken en droogde ze af met haar hoofdhaar, en kuste Zijn voeten en zalfde ze met de mirre [Myron].
Toen de Farizeeër, die Hem genodigd had, dat zag, zeide hij bij zichzelf: Indien deze de profeet was, zou Hij wel weten, wie en wat deze vrouw is, die Hem aanraakt: dat zij een zondares is.
         En Jezus antwoordde en zei tot hem: ‘Simon [Hebr. שִׁמְע = “Hij (God) heeft gehoord”],
Ik heb u iets te zeggen’. Hij zei: ‘Meester, zeg het’.
‘Een schuldeiser had twee schuldenaars. De een was hem vijfhonderd schellingen schuldig, de ander vijftig. Toen zij niet konden betalen, schonk hij het hun beiden. Wie van hen zal hem dan het meest liefhebben?’.
Simon antwoordde en zei: ‘Ik veronderstel, hij, aan wie hij het meeste geschonken heeft.  Christus zei tot hem: ‘Gij hebt juist geoordeeld’.
        En Zich naar de vrouw wendende, zei Hij tot Simon:
‘ ………… Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water voor mijn voeten hebt gij Mij niet 
gegeven maar zij heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haren afgedroogd.
Een kus hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft, van dat Ik binnengekomen ben, niet opgehouden mijn voeten te kussen. Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met mirre [myron] mijn voeten gezalfd.
        Daarom zeg Ik u: ‘ ………… Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde.
        En Hij zei tot haar: ‘ ………… Uw zonden zijn u vergeven’.
En die met Hem aan tafel waren, begonnen bij zichzelf te zeggen: ‘Wie is deze, dat Hij zelfs de zonden vergeeft?’.
En Hij zei tot de vrouw: ‘Uw Geloof heeft u behouden, ga heen in vrede!’Luc.7: 37-50.

Heavenly Jeruzalem, You see this city? Here God lives among men. He will make his home among them; they shall be his people…. Apocalypse 21: 1-5.

      En een vrouw, die sinds twaalf jaren aan bloedvloeiing leed en door niemand genezen kon  worden, kwam van achteren tot Hem en raakte de kwast van Zijn kleed aan, en terstond hield haar vloeiing op.
       En Jezus zei: ‘Wie is het, die Mij heeft aangeraakt?’.
En terwijl allen het ontkenden, zei Petrus: ‘Meester, de scharen drukken en verdringen U’.       Maar Jezus zei:
‘Iemand heeft Mij aangeraakt, want Ik heb kracht van Mij voelen uitgaan’.
Toen de vrouw zag, dat zij niet onopgemerkt bleef, kwam zij bevende naderbij, viel voor Hem neer en verhaalde Hem, voor al het volk, om welke reden zij Hem aangeraakt had en dat zij terstond beter was geworden.
       En Hij zei tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede
Luc.8: 43-44; tevens Marc.5: 24-30 en Matth.9: 20-22.

Er zijn periodes in ons leven, die wij niet meer zo helder voor de geest kunnen halen. ………… Maar op een onverwacht ogenblik komen ze ineens opduiken en staan ze ons helder voor de geest. Bij zo’n  moment wordt ons van het een op het andere ogenblik de Waarheid duidelijk en wordt ons een helder Inzicht geboden.
Op een dergelijk ogenblik krijgen we datgene wat we werkelijk willen en waarom we uiteindelijk ‘leven’ zichtbaar en krijgen we inzicht in de rode draad van ons leven – ons levenspad.
Tenslotte komen we er niet meer omheen, we kunnen onszelf niet langer voor de gek houden – er omheen draaien en het grote spel van de wereld spelen is niet langer mogelijk.
Òfwel het wordt ons duidelijk dat wij maar zwakkelingen zijn – dan heeft een dergelijke confrontatie ons niet eerder met beide benen op de grond gezet en dienen we verandering in onze situatie aan te brengen.
Òfwel ons wordt openbaar dat we op de goede weg zijn en wordt duidelijk dat we nog meer  vastberaden onze weg dienen te vervolgen en zoals de Heilige Climacos van de berg Sinaï ons voorhield ons verder hemelwaard’s te begeven.

Deze gedachtengang waarbij het persoonlijk bestaan van ons als mens in het middelpunt staat maakt ons duidelijk dat wij de wedren van ons leven, zoals de Apostel Paulus ons voorhoudt.
Paulus zegt niet dat er in de geestelijke strijd maar één christen is die de prijs krijgt, maar hij stelt het wel op zo’n manier voor, dat volgelingen van Christus de wedren dienen te lopen alsof het zo zou zijn dat er slechts één de prijs ontvangt.
Paulus beschouwt ons als goed getrainde sportlieden [Paralympisch of niet], die in staat zijn topprestaties te leveren – alsof ons leven een sportevenement is, een podium voor activisten.
De achterliggende Waarheid is dat God ons heeft geschapen om vanuit onze verbinding met ons innerlijke, door de Heilige Geest voortgestuwd worden tot een nieuw mens, tot verbetering van onszelf en onze omgeving. Met andere woorden God zet ons in tot een nieuwe Creatie.
Je zou kunnen spreken over ons ‘karakter‘, maar dit betekent veelal een invloed van buitenaf, iets waarvan we heel erg bezeten zijn; maar hier gaat het erom dat je volledig verantwoordelijk bent voor je eigen persoon en voor alles wat we bent, doet of laat.

Agios Pnevma

Hoe we ons gedragen op bepaalde beslissingsmomenten, we kunnen onszelf niet langer in het moment bepalen; er is geen ruimte voor reflectie, “ik zou graag zo willen zijn” of “ik zou dat zo graag gewild hebben”. Op het moment dat het ertoe doet wordt ons onomwonden gevraagd datgene te doen wat God van ons verlangt; er is geen ontkomen aan.
In de wereld van de navolgers van Christus wordt deze sport bij voorkeur in gezonde omgevingen beoefend, die ons instaat stellen op “Krachtige’ [door de H.Geest geïnspireerde] wijze vooruitgang te boeken; Samen als het samen kan, apart als het beslist niet anders kan.
Zo is de Heilige katholieke [over de gehele wereld verspreidde Kerk]  al vanaf eerste Pinksterdag  door Christus aansprakelijk gesteld [ook de Kerk zal tot verantwoording worden geroepen] voor zowel de gelovige Christenen als zij, die door Christus nog geroepen dienen te worden.
Gezamenlijk met de verschillende bloedgroepen mèt de Kerk er alles aan te doen om de mens mee te laten bewegen in de mondiale strijd tegen het kwaad!
Een handicap is namelijk allang geen reden meer om niet het allerbeste uit je lichaam te halen.
Oók de Kerk heeft in de wereld een grote maatschappelijke waarde, maar helaas gaat het ook hier wel eens behoorlijk fout. Bijvoorbeeld op het gebied van het sportief met elkaar omgaan en respect, zichzelf verheffen [eigendunk], discriminatie en zelfs fraude. Met name vanwege de ‘open’ samenleving, waarbij in alle situaties overleg nodig is, is er in onze tijd veel aandacht ontstaan voor grensoverschrijdend gedrag in de Kerk. Wij dienen dit te zien als een vingerwijzing van God, Die ons immers verzoekingen en verleidingen doet toekomen om ervan te leren.

        Belijden we onze zonden, dan zal Hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad1John.1: 9.
Wat een ongelofelijke belofte!
God vergeeft Zijn kinderen wanneer zij zondigen en alles wat zij hoeven te doen is berouwvol naar Hem toekomen en vragen om ontferming, vergiffenis.
Gods Genadegaven zijn zo groot dat zij de zondaars van hun zonden reinigt, zodat zij kinderen van God kunnen worden en is bij gevolg zo groot dat zelfs als we struikelen, we nog steeds vergeven kunnen worden.
in het boek Psalmen zegt de Profeet David: “Zo vèr àls het oosten is van het westen, zó vèr heeft Hij onze zonden van ons verwijderdPsalm 102[103]: 12.
Een van de meest doeltreffende listen waar de tegenstrever [de satan] Christenen mee aanvalt is om ons te overtuigen dat onze zonden ‘niet werkelijk‘ vergeven zijn, ondanks de belofte van God’s Woord.
Wanneer we daadwerkelijk in Geloof Christus volgen en Hem als Verlosser ontvangen hebben, maar toch ‘nog steeds’ dat ongemakkelijke gevoel blijven houden òf we wel ècht vergeven zijn, dan is dát mogelijk een demonische aanval.
Demonen hebben er immers een hekel aan wanneer mensen uit hun greep bevrijd zijn en  ze proberen onophoudelijk twijfel te zaaien in onze gedachten
over de echtheid en waarachtigheid van onze Verlossing.

En tòch: precies op het ogenblik dat een mens zich [opnieuw bekeert] tot de Waarheid bekent, Die in Christus is, gebeurt er iets dat zo vastbesloten daarmee in tegenspraak blijkt te zijn zodat we ervan schrikken wanneer we dit voor het eerst meemaken.  We zouden verwachtten dat het voor Christus van het grootste belang zou zijn, als de eenmaal uitgesproken Waarheid omtrent Zijn Persoon voortaan allerwegen zou worden verkondigd.
Maar precies dàt gebeurt dan niet; integendeel, onze Heer verbiedt het in eerste instantie aan Zijn Volgelingen, over de belijdenis van Petrus in het openbaar ook maar één woord te zeggen. Blijkbaar is onze Heer en Verlosser van mening dat de Waarheid over een [Zijn] persoon niet als een dogma, een doctrine of leerstelling naar buiten kan worden gedragen.
Zij blijft een geheim, een innerlijke vertrouwdheid, die in steeds nieuwe ervaringen dient te groeien en te rijpen en die men nooit en te nimmer kan onderbrengen als iets bekends en dat men van buiten heeft geleerd, als een wetenschap. 
Het Hebreeuws voor Messias, Redder of Verlosser is letterlijk Gezalfde. Deze term wordt/werd toegedicht aan iedereen die op de een of andere manier indrukwekkend was ofwel ‘gezag’ had. Messias komt van het Hebreeuwse woord
משגיח [mosjiach], hetgeen ‘toezichthouder, bewaker’ – ‘spelleider’  betekent.
Zo iemand wordt gezalfd, een ritueel waarbij heilige olie over iemands hoofd wordt gegoten.
Daardoor krijgt hij een speciale religieuze status. Een Messias brengt Vrede, Voorspoed en verlossing van het lijden.
Het is een koningsbegrip, een heerser’s-titel — voor de ‘zachte, al-reine, zondeloze’ Christus heel problematisch — in ieder geval voor allerlei misverstanden en -‘menselijk misbruik‘- vatbaar, maar voor God niet.
Er bestaat een koninklijke bestemming voor de mens, dat is zeker – het is immers bij de schepping ingebakken meegegeven.
Maar het is gewoon wáár: ieder individu is in zijn eigen leven een absoluut soeverein [alleen heersend]; maar het gaat dàn om een waarheid, die wij niet in de zin van een uiterlijke macht, steeds verbonden aan een zweem van willekeur en gewelddadigheid, kunnen uitdragen.
Onze Heer en Verlosser Jezus, de Christus, de Zoon van God, wilde absoluut geen god’s-rijk vestigen naar de maatstaven van deze wereld en Hij was er al helemaal niet op uit, aan de zogenaamd altijd gerechtvaardigde heerschappij van mensen over mensen via de hoogwaardigheid’s-titel ‘Gezalfde van God’ het recht op zogenaamde goddelijke onfeilbaarheid te geven.
Noch in Zijn privéleven noch in de openbaarheid wilde Hij een ‘heerser, een despoot, een alleenheerser’ zijn. Met Zijn Goddelijke achtergrond en opdracht, deze achtergrond is/was een degelijke partijdigheid, vooringenomenheid absoluut ‘niet’ verenigbaar.

Gij, Zijn dienaren, looft de Heer; looft de Naam des Heren.
De Naam des Heren zij gezegend, van nu af tot in eeuwigheid.
Van zonsopgang tot zonsondergang, dient de Naam des Heren gezegend te worden.
Hoogverheven boven alle volkeren is de Heer; boven alle Hemelen is Zijn heerlijkheid.
Wie is als de Heer onze God ?
Hij woont in de hoge, maar ziet neer op het geringe van Hemel en aarde.
Hij richt de arme op van de grond, Hij heft de behoeftige op uit het slijk.
Om hem te doen zitten bij vorsten, bij de vorsten van zijn volk.
En de onvruchtbare doet Hij wonen in een huis, als blijde moeder van de kinderen”.
Psalm 112, Mesorion [tussenuur] van het 9e uur, vert. ROK ’s-Gravenhage

Lucas is naast schrijver en iconenschilder, van oorsprong een geneesheer en hij stelt vast: ‘niemand had de bloed-vloeiende  vrouw kunnen genezen’; met andere woorden, het probleem, de kwaal is ongeneeslijk. En hij zegt tevens: ‘ze heeft al haar leeftocht, al haar geld, al haar vermogen uitgegeven aan allerlei dokters, maar het heeft allemaal niets geholpen. Want… de kwaal was ongeneeslijk’.
Marcus, ja dat zegt een arts niet in het openbaar, die voegt er nog iets aan toe:
Ze had veel geleden, niet alleen haar ziekte, maar ook van de dokters. Ze had veel geleden van de dokters en het was alleen maar erger geworden”.
Ja, als dokter zeg je ‘dàt’ natuurlijk niet van je collega’s, maar het is wèl waar.
Marcus zegt als gewoon mens [geen geneesheer]: “ Zij was chronisch, ongeneeslijk ziek en dan ook nog een kwaal waar je niet zo maar mee te koop loopt”.
Wanneer je een kwaadaardige ziekte hebt en je krijgt chemokuren, dan is dat zwaar.  Dan is dat heel zwaar, maar je kunt het nog wel delen met mensen.
En de mensen sturen je kaartjes en leven met je mee.
Maar je hebt ook van die dingen die je eigenlijk liever niet deelt met mensen.
Waarvan je eigenlijk liever niet hebt dat de mensen het weten, want je schaamt je ervoor. Bijvoorbeeld wanneer je hart tot bloedens toe verwond is, door verkeerde beslissingen in je leven. Dat zijn immers kwalen, waar je ontzettend mee kan tobben, ja, eindeloos mee kan tobben.
Na verloop van tijd raken ze misschien een beetje in de vergetelheid, die wij niet meer zo helder voor de geest kunnen halen. Maar op een onverwacht ogenblik komen ze ineens opduiken en staan ze ons weer helder voor de geest.
Wie hartenpijn heeft, dusdanig dat je bloed verliest, is volgens de wet van Mozes onrein. Wie in Israël als vrouw, als meisje, [neen mannen hebben geen hartenpijn] ongesteld was, was zeven dagen onrein. En alles wat deze mens aanraakte, was ook onrein tot aan de avond en moest dan afgewassen worden.
En iedereen die jij aanraakte werd eveneens onrein en mocht een week lang niet meedoen in de eredienst.
Ja, zonde kàn besmettelijk zijn, ook voor mannen – met name voor mannen.
Ziekte, en met name deze ziekte, die je achtervolgt, is een beeld van de zonde.
Het valt trouwens op dat de Blijde Boodschap helemaal geen naam heeft voor deze mens.  Jairus heet Jairus, maar deze mens [zonder naam] wordt geïdentificeerd met zijn/haar ziekte. Eigenlijk is dat het zelfde als dat je tegenwoordig zou zeggen: dàt mens met die en die ziekte – de ziekte is haar naam geworden, zó wordt ze aangeduid.

Genezing wordt slechts via Jezus Christus bewerkstelligd – Geloof het en neem het in ontvangst; Healing comes through Jezus Christ, believe it & receive!

Zó is het eveneens met ons, die gezondigd hebben; onze kwaal is onze naam, want wij heten ‘zondaars’. Zonde sloopt onze zielen en lichamen, zonde maakt het hele leven als het ware stuk: gebrokenheid in gezinnen, in huwelijken, verwijderingen in families, conflicten op het werk, jaloezie die goede verhoudingen stuk maakt . . .
Het is allemaal het gevolg van onze zonde.
Maar de zonde doet méér, zonde maakt vooral ook onrein.
De zonde breekt de gemeenschap, dat wil zeggen breekt de intieme verbondenheid met onze  Heer en Zaligmaker.  Zonde verwijdert ons van God en sluit ons buiten.  Buiten de dienst van God en maakt ons onrein in de ogen van de ‘Heilige, ‘dè’ Sterke en Onsterfelijke God’.
En onze zonde, is daarbij ook een dodelijke kwaal.
Door de zonde zijn we vanaf het Paradijs door onze hoogmoed gescheiden van onze Schepper, onze Boetseerder.  We zijn onrein geworden en we kunnen in de ogen van de heilige God eigenlijk niet meer bestaan.
Bovenstaande geschiedenis gaat derhalve ten diepste ‘in geestelijke zin’ dus ook over ons. Toen de vrouw zag, dat zij niet onopgemerkt bleef, kwam zij bevende dichtbij, viel voor Hem neer 
en vertelde Hem, ten overstaan van al het volk, om welke reden zij Hem aangeraakt had en dat zij terstond beter was geworden.
       En Hij zei tot haar: “Dochter, je Geloof heeft je behouden, ga heen in Vrede”.

Vergeving dankzij het Geloof in Christus
Hoe zou het toch komen dat de Blijde Boodschap bij
de mensen zo’n een slecht onthaal vindt?
We zouden de vraag óók anders kunnen stellen:
Hoe kwam het dat Jezus tijdens zijn omwandeling op aarde bij
de mensen zo bitter weinig gehoor vond?

Christus sprak

Dat kwam omdat Hij verkondigde:
Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering”.
Gekomen om zondaren tot Verlossing te brengen, en ‘zondaars’ dàt waren ze toch niet.
Onze Heer en Verlosser zou nog wèl bijval gevonden hebben, indien Hij Zijn hoorders hun vroomheid en werken had laten houden.
Het zou nog gegaan zijn indien Hij de mens, de vrome mens met zijn geestelijke ervaringen, wij zouden zeggen ‘de in het oog vallende vrome Christen‘, had gepredikt.
Maar dàt deed Hij niet, Christus predikte het Koninkrijk der Hemelen en zei:
De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen.
Bekeert u en gelooft het Evangelie
Marc.1: 15.
De grote massa in het leven van de Kerk in deze wereld is nèt zoals de mensen in de dagen van onze Heer. Men heeft helemaal geen behoefte aan ‘de gelovige volgeling’ die Christus heeft gepreekt, dat zijn doetjes.
Alleen dit verschil is er, dat velen zeggen: “Wij zijn zóndaren” en dáár blijft het dan bij. Maar men houdt vast aan de werken, al is het op een andere wijze dan in de tijd van Christus. Men houdt vast aan zijn bidden, aan zijn gevoel, aan het pogen ‘aan God aangenaam te zijn’, aan menselijke nauwgezetheid, aan de menselijke ervaringen.
Dáárom vindt de Blijde Boodschap zo’n slecht onthaal; dáárom wordt er geen aandacht besteed aan Christus ‘Evangelie’, de Leer, Die Christus ons voorhoudt.
Christus is gekomen om zondaren hier en in het hiernamaals gelukkig te maken.
En een zondaar is men alleen met de mond, niet vanuit het hart.
Zie, Christus is gekomen om juist zondaren zalig te maken, en hen te verblijden met de tijding dat er vergeving van zonden is.
Daarop wijst ons het Woord: “   Uw Geloof heeft u behouden, ga heen in vrede!” 
Lucas 7: 36‑47.  

Geloven op het moment dat alle middelen falen en dood voor onze ogen liggen, dat geeft eer aan God: het is het bekende ziel’s-reddend Geloof van allen.
Bid, vast en kijk in het zevende hoofdstuk van Lucas en overdenk deze goed.
In de laatste verzen wordt gezegd
En Hij zei tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede!”.
Maar voordat Jezus dit zei werd kwam haar geloof helemaal niet ter sprake.
Er is wèl sprake van haar Liefde tot God en: “Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde”. 
Haar tranen over haar toestand worden ook benoemd “en zij ging wenende achter Hem staan, bij Zijn voeten, en begon met haar tranen Zijn voeten nat te maken en droogde ze af met haar hoofdhaar, en kuste Zijn voeten en zalfde ze met de mirre [Myron]”.
Haar tranen worden benoemd, haar vrijgevigheid en overvloed en haar liefde voor Christus.
Maar tòch . . . zegt onze Heer en Redder Jezus Christus niet: “Vrouw, uw tranen hebben u gered, ga in vrede”. Òf “Vrouw, uw berouw en uw vernedering hebben u behouden, ga in vrede”. Hij zegt eveneens niet “Uw liefde voor mij en uw overvloed hierin naar Mij toe hebben u behouden, ga in Vrede, vrouw”.
Neen, maar onze Heer zag een werk van vertrouwen -naar Hem toe- in deze vrouw, want ze was een groot zondaar, en Hij zegt tegen haar
Vrouw, uw Geloof heeft u behouden, ga in vrede!Luc.7: 48 , 50.

Myron

Myronzalving, een ritueel ten leven; anointing with Myron, a ritual to life; مايرون مسحة ، طقوس في الحياة.

In de Orthodoxe Kerken gebruikt men een olie [een mengsel van olijfolie en welriekende kruiden] welke Myron heet, deze zalfolie wordt in de westerse kerk ‘chrisma’ genoemd. Tegenover de Joodse handeling van ingetogenheid en enkel een betrokkenheid op een mens is het een teken geworden van het zegel, het Mysterie [Sacrament] van de Gave van de Heilige Geest. Myron wordt in de Orthodoxe kerk gebruikt bij het Mysterie van het Doopsel met gelijktijdige zalving en communie alsmede bij de Ambtswijding tot priester en bisschop. Ook wordt Myron gebruikt bij de wijding van een altaar. Wereldwijd op witte donderdag voorafgaand aan het Pascha wordt de Myron in grote vaten in de Patriarchale hoofdkerk aangemaakt en over het gehele Patriarchaat verspreidt.

Myronzalving van Christus
        Jezus dan kwam zes dagen voor het Pascha te Bethanië, waar Lazarus was, die Jezus uit de doden had opgewekt. Zij richtten daar dan een maaltijd voor Hem aan en Martha bediende, en Lazarus was een van hen, die met Hem aan tafel waren.
         Maria dan nam een pond echte, kostbare Myron [nardus-mirre], en zij zalfde de voeten van Jezus en droogde zijn voeten af met haar haren; en de geur van de Myron verspreidde zich door het gehele huis.
         Maar Judas Iskariot, een van zijn discipelen, die Hem verraden zou, zei:
‘ . . . Waarom is deze Myron niet voor driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven?  Maar dit zei hij niet, omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als beheerder van de kas de inkomsten wegnam.
        Jezus dan zei:  . . . ‘Laat haar begaan en het bewaren voor de dag van Mijn begrafenis; want de armen hebt gij altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijdJohn.11: 1-8.

schematische weergave van onze doop in Christus; schematic representation of our baptism in Christ; تمثيل تخطيطي لمعموديتنا في المسيح.

Christus verwijst bij deze zalving naar Zijn komende dood en begrafenis, waarbij gewoonlijk ook de dode lichamen gebalsemd worden. Hier vinden wij dan ook de zalving ten teken van balseming en Gezalfde Dode alsook van de voorkomen van ontbinding of aardse vernietiging.
Deze daad waarbij opnieuw een vrouw een belangrijke rol speelt, vond twee dagen voor het Pascha plaats voorafgaand aan het laatste avondmaal, de gevangenneming en de daarop volgende veroordeling door Volk en haar gezaghebbers en de executie door de Kruisiging.
Bij deze balseming werden echter geen tranen vergoten, maar geeft onze Heer en Meester aan dat het een balseming van Zijn Lichaam betreft tòt Zijn begrafenis. Hieruit blijkt dat de vrouw deze zalving gedaan zou hebben met het oog op de begrafenis van onze Heer en Zaligmaker.
Na Jezus dood aan het houten Kruis werd Hij op verzoek van Jozef van Arimathea, een voornaam lid van de Hoge Raad, vrijgegeven; het afgestorven lichaam van Jezus werd door Pilatus overgedragen om begraven te worden vóór de Sabbath zou invallen. Jozef haalde het Lichaam van het Kruis en wikkelde het in een stuk fijn linnen, dat hij had gekocht. Daarna legde hij het in een graf dat in de rotsen was uitgehouwen en rolde een grote steen voor de opening. Maria van Magdala ook gekend als Maria Magdalena en Maria, de moeder van Joses, waren meegegaan om te zien waar Jezus werd neergelegd.
          Toen de Sabbath voorbij was, kochten Maria van Magdala, Salomé en Maria, de moeder van Jakobus, welriekende kruiden [Myron] om het lichaam van Jezus te balsemen. Op zondagmorgen, bij het opgaan van de zon, gingen zij naar het graf. Onderweg vroegen zij zich af hoe zij ooit die zware steen voor de opening konden wegrollen. Maar toen zij bij het graf kwamen, ontdekten zij dat de steen al weg was gerold. Ze stonden als aan de grond genageld want Jezus van Nazareth, hun Heer en Meester, Die zij wensten te zalven en een waardige plaats in het graf te bezorgen was daar niet meer, ook al had Hij er wel gelegen.
Ook al wil de wereld vandaag absoluut nog niet àl te veel van Christus weten, dienen wij beter te weten dan diegenen van zijn [ons] eigen land en van zijn [ons] eigen volk, waarvan de meerderheid hem nog steeds niet wil aanvaarden.
Zij die van Christus en God’s Volk zijn, de Israëlieten die Jezus wèl aanvaarden als Messias en nu Messiaanse Joden genoemd worden, dienen te beseffen dat onze Heer en Zaligmaker de weg geopend heeft voor iedereen om toegelaten te worden tot Gods Gemeenschap van mensen of Gods Volk.
Want aan allen die Christus, de Zoon van God wèl aanvaard hebben, heeft Hij via Zijn Zoon het [erf-]recht gegeven kinderen van God te worden.
Door het Geloof in Zijn Naam worden wij allen namelijk opnieuw geboren,
uiteraard niet als mens, maar geestelijk uit God.
Christus, onze Heer is hier op aarde geplaatst door de Kracht van God.
Met een menselijk lichaam leefde Hij hier — zonder te zondigen — op aarde onder alle gewone stervelingen en ging Hij ook zijn dood tegemoet.

Doordat hij zonder enige fout was, vol vergevende Liefde en Waarheid,
begenadigd door God, met de toelating van God om hier in Zijn Naam te spreken en te handelen, mocht hij verhoogd worden als Gezalfde van de Allerhoogste Heer des Heren.
De apostelen konden zien hoe Heilig, Sterk, en Onsterfelijk Hij was en de Macht had door Zijn dood de dood te overwinnen. Hij is/was, de enige Zoon van de Hemelse Vader en Johannes de Theoloog en de andere apostelen waren Zijn getuige. 
Omdat Christus [= de Gezalfde] zo oneindig veel heeft, hebben wij zoveel gekregen; Hij heeft ons met het goede overladen, zijn geheiligd.

In de wet van Mozes is ons al verteld wat wij wèl en niet moeten doen. Maar Jezus Christus bracht ons de Genade en de Waarheid.
Geen mens heeft God ooit gezien; maar Zijn enige Zoon, Jezus Christus, Die één met Hem is, heeft ons laten zien Wie God is.
Johannes de Doper getuigde van Hem en zei:
        Ik heb aanschouwd, dat de Geest nederdaalde als een duif uit de hemel, en Hij bleef op Hem. En ik kende Hem niet, maar Hij, Die mij gezonden had om te dopen met water, Die had tot mij gezegd: . . . . . ‘ Op Wie gij de Geest ziet nederdalen en op Hem blijven, Deze is Het, Die met de Heilige Geest doopt. En ik heb gezien en getuigd, dat deze de Zoon van God is’John.1: 32-34.
Naast dat onze Heer zegt: “haar zonden zijn haar vergeven“, verklaart Hij nog meer … “want zij heeft veel lief gehad“,
Wat bedoelt Christus daarmee? Prijst Hij haar liefde?
Was die liefde van de zondares de oorzaak van de vergeving van haar zonden?
Is dat de betekenis van het woordje “want”?
O, nee! Johannes zegt immers:
Hierin is de Liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden1John.4: 10.
Daarom kan het woordje “want” niet de oorzaak van de Vergeving aanduiden.
Het wil eenvoudig zeggen dat uit de liefde van de vrouw blijkt dat haar zonden vergeven zijn.
Haar liefde is het bewijs, dat de Heer haar eerst Lief heeft gehad en haar zonden vergeven heeft. Dat blijkt ook uit de Gelijkenis, die Christus zojuist heeft uitgesproken. En uit de verklaring van de gelijkenis, die Christus Zelf gaf, blijkt dit nog duidelijker. — Haar liefde is het gevolg van vergeving —.
Vergeving van zonden en Liefde zijn ‘onafscheidelijk‘ aan elkaar verbonden.
      Wilt gij weten, gij dwaze mens, dat het Geloof zonder de werken niets uitwerkt?Jac.2: 14-20; oftewel het Geloof zonder de werken is op zichzelf dood.
Het levend Geloof brengt de Liefde en de werken vanzelf met zich mee.
Daar zorgt God voor. Daar zorgt de Heilige Geest voor. De Heilige Geest, die Vuur en Liefde is en Die vanuit het hart alles doet voortkomen.
Het is God, Die in ons werkt, beiden, het willen en werken naar Zijn welbehagen.
En zó bewerkt men z’n opgang naar het Hemels Koninkrijk met vrees en beven;
op die wijze zijn Geloof en de Liefde tot God en de naasten de Bron van ware gehoorzaamheid.
Het Geloof, welke door de Liefde tot God wordt uitgewerkt [geschapen].
      God echter, Die Rijk is aan Erbarmen [ontferming], heeft, om Zijn grote Liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door Genade zijt gij behouden – en heeft ons mede opgewekt en ons mede een 
plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom van Zijn Genade te tonen naar [Zijn] Goedertierenheid over ons in Christus Jezus.       Want door Genade zijt gij behouden, door het Geloof en dat niet uit uzelf: het is een Gave van God;  niet uit werken, opdat niemand zal roemen.
Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen
Eph.2: 4-10.

Maart 26e – Synaxis van de Aartsengel Gabriël

Het Griekse woord Engel ‘Ανγελος’ betekent letterlijk: “Boodschapper van God”. De betekenis van de naam ‘Gabriël’ [Hebr. גבריאל] : “de Kracht Gods” of: “Man Gods”; in het arabisch جبريل , Dzjibriel of جبرائيل , Dzjibrāʾiel.
In de Blijde Boodschap speelt de boodschapper van God een belangrijke rol; zowel volgens de joodse Tenach als het christelijke Oude en Nieuwe Testament.
In de islam is Gabriël bekend als Djibriel. Zijn naam is afgeleid van de Hebreeuwse woorden geber [sterke man] en el [God], dus “[sterke] man Gods”.
Deze engel wordt door velen net als de aanvoerder Michaël als een Aartsengel beschouwd.

Gabriël boodschapt Daniël

Gabriël treedt tweemaal op in het boek Daniël [onderdeel van de joodse Tenach en het christelijke Oude Testament]:
Daniël 8: 15-26 verhaalt over een visioen van de profeet Daniël. Daarin verschijnt hem iemand ‘die eruitzag als een man’. Een stem (van God?) vanuit de verte over het Ulaikanaal beveelt Gabriël ervoor te zorgen dat Daniël zijn visioen begrijpt. Er staat een man voor hem, die de Aartsengel is. Hij legt uit dat de ram met de twee horens betekende de koningen der Meden en Perzen, en de harige geit, de koning van Griekenland.
In Daniël 9: 21 gaat Gabriël tijdens het gebed van Daniël naar hem toe om uitleg te geven over hoe en wanneer God de zonden van de Israëlieten zal vergeven. Hoewel Gabriël hier als man en niet als een engel wordt aangeduid, is hij dat volgens de joodse en christelijke traditie wel.

The Angel of Death

In de joodse traditie wordt Gabriël niet alleen als boodschapper van God beschouwd, maar ook als de “engel des doods”. De Talmoed beschrijft hem als de enige engel die Syrisch en Chaldeeuws  [de Oost-Semitische Akkadische taal] sprak.

In het Eerste boek van Henoch, een Joodse tekst uit de tweede eeuw voor onze jaartelling, worden Michaël en Gabriël beschreven als:
Michaël, een van de heilige engelen, om te getuigen, hij die over het beste deel van de mensheid aangesteld is en over chaos en Gabriël, een van de heilige engelen, die aangesteld is over het Paradijs, de slangen en de Cherubijnen1Henoch 20: 6-8.

In het Nieuwe Testament, de aartsengel Gabriël naar Zacharias en kondigt aan dat de vrouw Elizabeth zwanger zal worden en aanleiding is tot de geboorte Johannes de Voorloper. Ook is de  Aartsengel Gabriel degene die de maagdelijke conceptie en geboorte van de Heiland Christus in de Maagd Maria verkondigt, hetgeen we gisteren hebben gevierd.

Apolotykion     tn.4.              [ook voor elke maandag]
Gij Aanvoerders der Hemelse Heerscharen,
wij onwaardigen bidden tot u,
dat gij ons beschermt door Uw gebeden,
en ons beschut met de dekking van uw vleugelen.
Behoed ons door uw bovenzinnelijke heerlijkheid,
nu wij neervallen en tot u roepen:
redt ons uit de gevaren,
Aanvoerders der Krachten uit den Hoge“.

Kondakion     tn.2.     [ook voor elke maandag]
Aanvoerders van Gods Heerscharen,
Liturgen van de goddelijke Heerlijkheid,
Begeleiders van de mensen en leiders van de engelen
bidt voor ons om het goede en de grote Genade,
gij Aanvoerders van de Onlichamelijken“.

 

Orthodoxie & degenen, die geen Geloof meer bezitten en voor eens en voor altijd verloren dreigen te gaan

Profeet Isaiah

”     Zo zegt de Heer, Uw Verlosser, de Heilige van Israël [de Kerk]:
‘Ik ben de Heer, uw God, die u leert, opdat het u welga; die u de weg doet betreden, die gij moet gaan.
       Och, dat gij naar mijn geboden luisterdet; dan zou uw vrede zijn als een rivier en uw gerechtigheid als de golven der zee;
       Dan zou uw nageslacht zijn als het zand en uw nakomelingschap als de korrels daarvan; hun naam zou niet uitgeroeid noch verdelgd worden voor mijn aangezicht.
      Trekt uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën. Verkondigt het met jubelklank, doet dit horen, verbreidt het tot aan het einde der aarde; zegt:
      De Heer heeft zijn knecht Jaäcob verlost.
      Zij leden geen dorst, toen Hij hen door de woestijnen leidde;
      Hij deed voor hen water uit de rots stromen;
      Hij toch spleet de rots, zodat het water vloeide.
De goddelozen, zegt de Heer, hebben geen vrede.
     Hoort naar Mij, gij kustlanden, en luistert, gij natiën in de verte.
De Heer heeft mij geroepen van moeders lijf aan, van de schoot mijner moeder aan heeft Hij mijn naam vermeld.
En Hij maakte mijn mond als een scherp zwaard; in de schaduw van Zijn hand verborg Hij mij.
Hij maakte mij tot een puntige pijl, in zijn pijlkoker stak Hij mij.
En Hij zei tot mij:
Gij zijt Mijn knecht, Israël [Kerk], in wie Ik Mij zal verheerlijken.
Doch ik zei: ‘Tevergeefs heb ik mij afgemat, voor niets en vruchteloos mijn kracht verbruikt. Evenwel, mijn recht is bij de Heer en mijn vergelding is bij mijn God’Isaiah 48: 17- 49: 4

      Niemand steekt een lamp aan en bedekt die met een vat of zet haar onder een bed, maar hij zet haar op een standaard, opdat wie binnentreden het Licht mogen zien.
       Want er is niets verborgen, dat niet aan het Licht zal komen, en niets geheim, dat niet zal bekend worden en aan het Licht komen.
Ziet dan toe, hoe gij hoort. Want wie heeft, hem zal gegeven worden, en wie niet heeft, ook wat hij meent te hebben, zal hem ontnomen worden.
Zijn moeder en broeders kwamen tot Hem en zij konden Hem niet bereiken vanwege de schare.
Men boodschapte Hem: Uw moeder en uw broeders staan buiten en willen U zien. Hij antwoordde echter en zei tot hen: Mijn moeder en mijn broeders zijn dezen, die het woord Gods horen en doen
Luc.8: 6-21.

    Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden.
       Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven zal worden verslonden.              
       God is het, die ons juist daartoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft.
       Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn
       – want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen – maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Heer onze intrek te nemen.
       Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn.
       Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder zal wegdragen wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad
1Cor.5: 1-10.

We naderen opnieuw de Grote en Heilige week en wij zullen opnieuw de Grootsheid van ons Geloof hernieuwd bevestigen.
De gebeden en de gezangen van onze diensten zijn als het Woord dat telkenmale tot ons spreekt – het is een essentieel element van zowel de joodse Godsdienst als het christelijk geloof, waarin het eerste zijn volle voltooiing vindt door het gebod van de Liefde.
God’s geboden, Zijn Woord leiden de mens op de weg van het leven, verlost hem/haar uit de slavernij van het alleen maar aan zichzelf denken en brengt hem/haar in het land van de ware vrijheid en het leven.
Daarom wordt in de Blijde Boodschap God’s Geboden niet als een last ervaren, een begrenzing die ons te neer drukt. Het wordt gezien als de kostbaarste Genadegave van onze Heer, het Getuigenis van Zijn vaderliefde, Zijn wil om dicht bij Zijn volk te blijven, Zijn bondgenoot te zijn en er een liefdesgeschiedenis mee te schrijven.
Met David bidt de Kerk aldus:
    Ik wil nadenken over Uw geboden, Uw wegen beschouw en ik houd mij bezig met Uw Gerechtigheden; Uw Woord zal ik niet vergeten … Leid mij op het pad van Uw Geboden, want dat inmijn verlangen … Neem mijn beschaming weg, waarvoor ik vrees, want Uw oordelen zijn goedPsalm 118[119]: 16,31, 35.

Indien we niet langer dàt oer-vertrouwen bezitten, leven we als een losgeslagen en opstandig [protesterend] Volk – verworden tot loslopend wild voor de tegenstrever – en verliezen voor eens en voor altijd elk houvast op ons bestaan.
Door het Christelijk Geloof ontvangen wij een helder zicht, in de andere [nog komende] wereld en zullen wij de werkelijkheid om ons heen doorzien.

Athos, I.M. Karakallou

       Een van de vaders, die ik op de Athos mocht ontmoeten zei mij eens:
Wanneer ik in het Koninkrijk der Hemelen kom, zal ik me door drie prachtige dingen laten verrassen:
1.]. Ik zal dáár medemensen, vrouwen en mannen tegenkomen, die mij geheel onbekend voorkomen, die geen bekenden van mij waren, omdat ik ze als corrupt en zondig beschouwde.
Een navolger van Christus doet dat niet: “U bent ongehoorzaam en u laat uzelf misbruiken, u misgunt de ander het Koninkrijk der Hemelen. – Gisteren nog kwam er bij mij een woedend en briesend mens langs en Ik nam hem eventjes apart en toen ik met hem in gesprek was ontdekte ik wat een ontzaglijk rijke inborst die mens had – ” .
2.]. In het Koninkrijk der Hemelen zul je mensen tegenkomen, die je daar zeker niet zou denken tegen te komen. Je zult daaar uitkijken naar die grote prediker, die het allemaal zo goed kon beschrijven, maar je zult hem niet zien. Je zult die toezichthouder op de spelleiders proberen te vinden, die zulke mooie inleidingen over het Geloof gaf en zoveel redenen aangaf om voor het Koninkrijk der Hemelen alles opzij te zetten, maar je zult hem niet tegenkomen.
En je zult uitzien naar dat dametje, dat er zo vroom en heilig uitzag en je zou haar de hand willen schudden, maar tevergeefs zult haar er eveneens niet aantreffen. En vele mensen waar jij -nu- zo’n goede indruk van had zul je dáár niet tegenkomen.
3.]. Maar het grote Mysterie, het wonderbaarlijke zal zijn, dat je helemaal in de verste uithoeken van het Paradijs, jezelf zult tegenkomen nadat de Heer onze God voor jou heeft gepleit en je door alle ellende heen heeft getrokken.
Nadat Christus ons na de tweede of in de derde nachtwake [‘night-over’] aantreft en ons biddend aantreft vraagt Petrus:
      Heer, zegt Gij met het oog op ons deze gelijkenis, of ook met het oog op allen?
En onze Heer en Verlosser zei: ‘Wie is dan de trouwe, de verstandige rentmeester, die de Heer over Zijn bedienden zal stellen om hun op tijd hun deel te geven?
Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zo bezig zal vinden. Waarlijk, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn bezit zal stellen
Luc.12: 42-44.
Het draait niet om alle materiële goederen die God ons heeft doen toekomen, maar vooral dat God ons een Hemels Koninkrijk heeft voorbereid, een nieuwe Hemel en een Nieuwe aarde en datgene wat wij zoal hebben te doen zolang wij hier rondlopen is dat wij ons niet dusdanig aan materiële zaken gaan hechten, maar er dingen mee doen welke voor anderen van nut zijn.
Indien de aan de wereld toevertrouwde mens op de een of andere manier de Hemel wil verdienen, dan dienen zij te proberen zich van de wereld te distantiëren, er van lòs te komen. Zij dienen zich daarop boven de aarde te verheffen en de aardse geest achter zich te laten.
Niemand kan zeggen wanneer het einde zich voor hem/haar aandient, dat ogenblik, dat uur kent …  niemand, maar de eeuwigheid is dichtbij omdat de dood elk uur naar ons wenkt.
Voor ouderen staat dat zo goed als vast, maar het kan ook jonge mensen overkomen; wat kan het einde zich zomaar plotseling aandienen.
En dàn hebben wij geen wapen om de dood te keren, waar zullen wij dan terecht komen?
Deze toekomstverwachting kan zo – van het ene op het andere moment – het belangrijkst blijken te zijn: “Wij hebben hier geen blijvende stad; hetgeen gezien wordt gaat voorbijHebr.13: 14.
En zoals de vaders en leraren van onze Kerk dit formuleren:
‘ Zij gaan ervan uit dat je geen progressie [geleidelijke ontwikkeling] doormaakt, op een voor jou onbekende plaats [de wereld]. Je gaat als een pelgrim op pad en wandelt de stad uit [je verlaat de wereld] – wil je iets aanschaffen? een huis of een stuk grond om dat te beweren en je je voordeel meer te doen?  Nee, maar je zult slagen en je zult weer vertrekken. Want je bent hier op aarde als een pelgrim op reis en je zult hier niet blijven’.
Het gaat er dus om dat je wanneer je een reis naar het buitenland maakt, slechts datgene meeneemt waar je aan het einde van je rit iets aan hebt. Omdat het einde van de rit zich altijd kan aandienen, dienen we voortdurend bedacht zijn op datgene wat ons uiteindelijk kan overkomen.
Jouw [‘Athos’-]boot zal uiteindelijk – net zoals de gehele Kerk – aankomen in het Hemels Koninkrijk en dan dienen we het leven vervolmaakt te hebben; zo niet,  dan is dat een tragedie. Onze persoonlijke geest dient dàn het uiterste van z’n  mogelijkheden te hebben bereikt.
Wij zijn mensen die rust zoeken en bezitten een zogenaamde blijvende stad.
Maar door de Geest van God, door Zijn genade, wordt die rust bij de mens opgezegd, zodat hij hier geen blijvende stad meer heeft.
Dat doet onze Heer niet één keer in het leven. Hij laat ons niet zomaar één keer zien dat wij sterven moeten, dat wij aanstonds ‘àlles’ dienen achter te laten, dat wanneer we onze ogen sluiten, we dan ‘niets’ zullen kunnen meenemen.
Dat doet Hij telkens opnieuw. Soms op pijnlijke, gevoelige wijze, opdat wij er bij Hem op aandringen ons op te nemen in Zijn Hemels Koninkrijk.
Bestudeer daarom de heilige boeken en bemachtig in je leven de ogen van het Geloof, teneinde naar de toppen van de oneindige vreugde en gelukzaligheid te kijken.
Dit is een getrouw woord en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren te behouden, onder welke ik een eerste plaats inneem. Maar hiertoe is mij [Paulus] ontferming bewezen, dat Jezus Christus in de eerste plaats in mij zijn ganse lankmoedigheid zou bewijzen tot een voorbeeld voor hen, die later op Hem zouden vertrouwen ten eeuwigen leven” 1Tim.1: 15,16.
De Christelijke Blijde Boodschap is dus betrouwbaar en verdient onze volledige instemming: “Christus Jezus is in de wereld gekomen om ons, zondaars te redden”. Waarom zijn jullie zo bang? Waarom zo angstig?
Paulus, was de eerste.
Hij en wij spreken tot jullie als een gezond mens tot de zieken.
Wij staan, jullie liggen. Wij maken ons geen zorgen, jullie zijn wanhopig.
Want Christus Jezus heeft zich over ons ontfermd om zo via ons Zijn grote geduld te tonen. Onze ziekten heeft Hij lange tijd gedragen en die zo weggenomen. Als een goede dokter heeft Hij al onze waanzin verdragen.
Hij heeft toegelaten dat wij Hem sloegen, en het ons vergund dat wij voor Hem geslagen werden. Ja, Zijn grote geduld heeft Hij via mij getoond, zodat wij een voorbeeld zouden worden voor allen die in Hem geloven en het eeuwige leven zullen ontvangen.
Niet wanhopen dus.
Bent u ziek? Ga naar Hem toe en u wordt genezen.
Bent u kreupel of verlamd? U zult weer opstaan en kunnen voortbewegen.
Bent u blind? Ga naar Hem toe en u krijgt weer Licht.
Wie gezond is dient Hem bedanken,
wie ziek is dient snel naar Hem toegaan om genezen te worden.
Iedereen dient het rond te bazuinen:
    Ga de komende dagen een kerkgemeenschap binnen en
laten wij gezamenlijk buigen in aanbidding,
in tranen knielen voor de Heer, onze Schepper en Verlosser.
Moge God in uw harten wortel en vuur schieten
teneinde het Koninkrijk van God te bereiken’.

5e Zondag van de Vasten – dit jaar het feest van de Annunciatie van Maria, de Theotokos i.p.v. Maria van Egypte.

 

Annunciatie‘ en zij werd de ‘God’-barende; “البشارة” وأنها أصبحت “الله” الحامل; «Ευαγγελισμός» και έγινε ο «Θεός» που φέρει; “Verkündigung” und sie wurde zum “Gott”; ‘Annunciation’ and she became the ‘God’ -bearing.

      Na die dagen werd Elisabeth, zijn vrouw, zwanger, en zij verborg zich vijf maanden, want, zei zij: ‘Aldus heeft de Heer aan mij gedaan in de dagen, waarin Hij op mij neerzag om mijn smaad onder de mensen weg te nemen’.
       In de zesde maand nu werd de engel Gabriel van God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazareth, tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, genaamd Joseph, uit het huis van David, en de naam van de maagd was Maria.
      En toen hij bij haar binnengekomen was, zei hij: “Wees gegroet, gij vol van Genade, de Heer is met u’. Zij, [de maagdelijke mens] ontroerde bij dat Woord en overlegde, welke de betekenis van die groet mocht zijn.
      En de engel zei tot haar: ‘Wees niet bevreesd, Maria; want gij hebt Genade gevonden bij God.
En zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Heer God zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal als Koning over het huis van Jaäcob heersen tot in eeuwigheid, en Zijn Koningschap zal geen einde nemen’.
     En Maria zei tot de engel: ‘Hoe zal dat geschieden, daar ik geen omgang met een man heb?’.
     En de engel antwoordde en zei tot haar: ‘De Heilige Geest zal over u komen en de Kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige, dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden.

    En zie, Elisabeth, uw verwante, is eveneens zwanger van een zoon in haar ouderdom en dit is reeds de zesde maand voor haar, die onvruchtbaar heette. Want geen Woord, dat van God komt, zal krachteloos wezen’.
    En Maria zei: ‘Zie, de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw Woord’.
En de engel ging van haar heen
Luc.1: 24-38.

      Want Hij, die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen en Hij zegt:
        ‘Uw naam zal ik aan mijn broeders verkondigen, in het midden van de gemeente zal ik U lof zingen; en wederom: Ik zal op Hem vertrouwen, en wederom: Ziehier ik en de kinderen, die God mij gegeven heeft. Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen, opdat Hij door zijn dood hem, die de Macht over de dood had, de duivel, zou onttronen en allen zou bevrijden, die gedurende hun gehele leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren.
Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham’.
        Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen.
Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komenHebr.2: 11-18.

lezing Metten:

Αγιογραφίες, de begroeting van Elisabeth bij het bezoek van Maria

      Maria dan maakte zich op in die dagen en reisde met spoed naar het bergland naar een stad van Juda. En zij ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabeth.
       En toen Elisabeth de groet van Maria hoorde, geschiedde het, dat het kind opsprong in haar schoot, en Elisabeth werd vervuld met de Heilige Geest. En zij riep uit met luider stem en sprak: ‘Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de Vrucht van uw schoot.
       En waaraan heb ik dit te danken, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt?
Want zie, toen het geluid van uw groet in mijn oren klonk, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. En zalig is zij, die geloofd heeft, want wat vanwege de Heer tot haar gezegd is, zal volbracht worden’.
       En Maria zei: ‘Mijn ziel maakt groot de Heer en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland, omdat Hij heeft omgezien naar de lage staat van zijn dienstmaagd. Want zie, van nu aan zullen mij zalig prijzen alle geslachten, omdat grote dingen aan mij gedaan heeft de Machtige’Luc.1: 39-49,56.

Het is dit jaar heel bijzonder, want het feest van de Blijde Boodschap aan de Moeder Gods, de Theotokos valt in de Juliaanse [nieuwe stijl] kalender op de 5e Zondag van de vasten.
Deze zondag, die van oudsher wordt toegewijde aan Maria van Egypte.

Je behoeft je in deze wereld nergens over te verwonderen, dit kan niet anders of dit dient een hoger doel. De Orthodoxe wereld schrikt echter eveneens op naar aanleiding van het feit dat er vanuit Rome een oproep klinkt 2e Pinksterdag aan de Moeder Gods toe te wijden – een dag, die in de Orthodoxe kalender is toegewijd aan de Heilige Geest.
Al met al signalen, welke niet voor niets afgegeven worden en waarbij wij het een en ander te overwegen hebben en dat doen we dan ook.
Neem van mij aan – als voormalig Rooms Katholiek, na de perikelen van het 2e Vaticaans Concilie uit balans geraakt en m’n Christelijke voortgang via de vroeg-Christelijke Orthodoxe Kerk hervonden hebbend, neem ik een uitspraak van één van de voorlieden binnen de Kerk nog steeds serieus.
Paus Franciscus mag voor mij -onder de mensen- de eerste onder gelijken zijn en Metropoliet van het diocees Rome, ik zal me toch dienen af te vragen wat bedoelt Hij daarmee, Hij meent immers het gelijk, ‘de Waarheid’ aan zijn kant te hebben.
De Rooms Katholieke Kerk heeft naar mijn menig de neiging de Moeder Gods op een dermate hoog voetstuk te zetten, dat zij haast aan God gelijk is geworden; derhalve gaan bij mij allerlei alarmbellen af. Ontbreekt het aan aandacht voor  de Moeder Gods, op de feestdagen, welke vanaf oudsher door de Kerkvaders zijn vastgesteld?

Wij Christenen dienen zo vaak als mogelijk aan God toe te geven en Hem in de kleinste dingen te waarderen, wanneer dit door de wereld in beslag wordt genomen en bij dit verloren gaan dienen wij ons af te vragen of we ons gevoel van verwondering tot God niet verliezen. De moderne ontwikkelingen als aanzienlijke verbeteringen in transport, koeling, technologie en materieel comfort brengen ons ertoe dat ten minste sommige vormen naastenliefde i.p.v. een zegen een bedreigd verschijnsel aan het worden is.
De westerse wereld begrijpt bijvoorbeeld niet meer wat het Christelijk concept van broederschap en zusterschap inhoudt; de westerse wereld houdt ons immers voor dat je je vrienden dient te zoeken onder mensen, die nèt zó denken en ongeveer hetzèlfde inkomen hebben en zich bij dezèlfde partijen aansluiten [en bij gemeenteraadsverkiezingen gelijkwaardig stemmen] en zo’n beetje hetzèlfde ‘golflengte’-gebrek of -geneugte hebben als jij. Zulke mensen zijn lekker veilig en zij zullen niet opeens om een hulpverleningsgesprek of financiële ondersteuning vragen. Indien je een gedegen afstand tot hen houdt, zal de relatie niet besmeurd geraken met verwachtingen en verplichtingen.
         Zulke vriendschappen zijn ‘mooi’ zolang de bodem niet onder je leven [je voeten] wegvalt, wanneer je geconfronteerd wordt met een dringend probleem, langdurige werkloosheid, een intens tragisch verlies of een ernstige ziekte. Plotseling realiseer je jezelf eerst dàn pàs, dat er niemand is die zich veel van je aantrekt. Je hebt niet geïnvesteerd in het leven van iemand anders en nu je zelf iets moet opnemen, staat er dus ook geen tegoed op de vriendschapsbank.
Christelijk vriendschappen zijn anders. Je vindt een paar broeders en zusters en besluit van meet af aan dat je jezelf voor hen zult weggeven. Je investeert tijd, energie en vaak ook geld in hen, de monastieke weg is dat je ook die barrière loslaat en jezelf arren moede oplegt – alles loslaat en daarbij geheel op God vertrouwt.

Ascese en haar grootste bewustzijn
Dit is nu precies waar het, met name in de westerse wereld, faliekant verkeerd is gegaan – vanaf zo’n beetje het tweede millennium werden de voorgangers van de spelleiders [de priesters] geworven uit de elite, de welgestelden, de prinsen, graven en aanzienlijken – dit terwijl de bisschoppen van oorsprong [in de vroeg-Christelijke Kerk] uit de ervaren en doorleefde monnikenstand werden geroepen. Dit personeelsaanbod was  namelijk ‘gepokt en gemazzeld’ in de eenvoud, in de ontbering en ascese.
Dit principe is in de westerse kerken losgelaten – er werd/wordt aan carrière-planning gedaan, m.a.w. wat dien ik [voor de buitenwereld] te doen om hogerop te komen. Er wordt niet langer gekeken naar hoe iemand werkelijk is, wanneer er niemand kijkt òf niet alert genoeg is!
     In de oorspronkelijke Kerk wist je van je broeders en zusters op èlk moment dat je zó maar vijf of zes vrienden kon opbellen, die je een vervoermiddel, een plek om te wonen [kerk te houden] en alle benodigde hulp kon verkrijgen – dat is een van de grootste Genadegaven van het christelijk samenleven.
    Een dergelijk onvoorwaardelijke opofferende liefde is het fundament van ware broeder-, zuster-kaste en tevens basis voor een gezond en sterk huwelijk – en het sterkste huwelijk in de wereld is de ascetische wereld, waarbij de mens zich met hart en ziel vergaand aan God en de Goddelijke dienstbaarheid aan de mens heeft overgegeven. Ook in onze leken-woonomgeving in de wereld kan die Liefde zich tot vele mensen uitstrekken en een verrukking van ‘hèt Leven’ betekenen.
     Van huis uit is mij altijd bijgebleven: ‘Zorg dat je de mensen liefhebt, die jouw liefde het meest nodig hebben’.
Er zit echter -‘een addertje onder het gras’- want indien je jezelf opoffert en werkelijk toewijdt aan anderen, zul je al snel merken hoe buitengewoon uitputtend dat is. Wanneer je een periode lang gegeven, gediend èn opgeofferd hebt, kun je het gevoel gaan krijgen als òf je verdoofd, verslaafd bent, alsòf je niets meer te geven óver hebt, je begint opgebrand te geraken, je tank is leeg. 
      Sommige mensen met een sterk gestel en behoorlijke wat zelfdiscipline zeggen: ‘Zelfs al heb ik geen greintje liefde meer, ik blijf geven. Het gaat om de daad en niet om de gevoelens’. Hoewel ze daar volkomen gelijk in hebben komen ze uiteindelijk op het punt dat ze niet alleen leeg zijn maar ook negatieve gevoelens krijgen. Negatieve gevoelens op mensen die belangrijk zijn voor God, misschien zelfs kwaad zijn op God, Die hen maar laat aanmodderen.
      Iedereen, die zich in de frontlinie bevindt, kent dit gevoel: ‘Ik kan het niet aan, nòg meer hartzeer, nòg meer noden, nòg meer pijn, nòg meer mensen. Kon ik maar gewoon weglopen, een muur om me heen bouwen en kluizenaar worden’.
Dat is het ogenblik dat je zwaar op de proef gesteld wordt, in de verleiding komt om maar helemaal te stoppen met liefhebben. Dit door crisis komen voor op pastoraal vlak, dáár hebben de heren voorgangers van de spelleiders nauwelijks weet van – dàt is natuurlijk één manier om om te gaan met overspanning van je herders-honden.
Maar voor de slachtoffers is er een betere manier; het is mogelijk totaal door je liefde heen te geraken, door bijvoorbeeld een sabbatical  te nemen en je tank weer eens helemaal bij te vullen. Het is mogelijk mensen lief te hebben, niet alleen maar opofferend, maar ook volhardend. Dat is hetgeen waartoe God ons roept: ‘liefhebben van mensen is geen honderd meter sprint, maar een marathon‘. Daarvoor dienen we te leren hoe we weer op de been kunnen komen, bij kunnen tanken indien we door onze liefde heen beginnen te geraken.
          En David geraakte zeer in het nauw, omdat het Volk ervan sprak hem te stenigen, want het gehele volk was bitter gestemd, ieder om zijn zonen en dochters. Maar David sterkte zich in de Heer, zijn God. [m.a.w. hij nam een rustperiode] 
Toen beval David de priester Abjatar, de zoon van Achimelek: Breng mij de ephod. En Abjatar bracht David de ephod.
Daarop vroeg David aan de Heer: Moet ik deze bende achtervolgen? Zal ik ze inhalen? En de Heer antwoordde hem: Achtervolg, want stellig, gij zult hen inhalen en je volksgenoten bevrijden
1Samuel 30: 6-8.
            De ephod de heilige, hoogpriesterlijke kledij, de kleding, die wijst op het geestelijk schaduwbeeld van de levenswandel; deze heilige kleding duidt dus op de levensheiliging en werd dus door David gebruikt om de Eeuwige te raadplegen. Met andere woorden David liet de mensen met hun onophoudelijke eisen even alleen. Hij nam tijd voor zichzelf, ging er op z’n eentje op uit en had een lang gesprek met God, welke Zich aan hem openbaarde:
    Onze God is toevlucht en Kracht. Hij is een Helper in de beproevingen, die zo hevig over ons zijn gekomen. Daarom vrezen wij niet zelfs niet tijdens een aardbeving” [en wat ons ook overkomt]
Psalm 45[46]: 1,2.
Onze Heer en Verlosser deed hetzelfde na de genezing van de melaatse mens:
      Maar het gerucht over Hem ging steeds verder rond en vele menigten stroomden samen om te horen en zich te laten genezen van hun ziekten. Doch Hij trok Zich terug in de eenzame plaatsen om daar te biddenLuc.5: 15-16.
Wanneer nu zowel David als de Heer Zelf, Die ons verlost van alle ongerechtigheden van tijd tot tijd hier op aarde z’n menselijk lichaam rust diende te geven om bij te tanken, dan dienen mensen, die geestelijk actief zijn dat zeker. Wij menselijke wezens, òf we nu leken of hiërarchen zijn, dienen om te weten wat Gods Wil is, de bron voor Goddelijke Wijsheid te volgen over de weg die de mens dient te gaan en daar niet van af te wijken.
Daarom was het de normaalste zaak van de wereld, dat leidinggevenden in de Kerk, geronseld werden uit de asceten, die een ascetisch levenswandel achter de rug hadden en zich als David en de Profeten zonder comfort en genoegens van de wereld hadden bekwaamd.
De boom des levens die opstijgt uit de diepte der aarde bevestigt het Geloof in de Opstanding van Christus, Die erop genageld werd. Opgeheven in de hand van de priesters, verkondigt het Zijn Hemelvaart, waardoor het vlees waaruit wij gemaakt zijn, ontheven aan zijn aardse mislukking, reeds leeft in de hemelen
– uit: Kruisverering’s Hymne, 3e Zondag van de vasten.

Onvoorwaardelijke overgave

Theotokos, zwanger – Onvoorwaardelijke overgave; Theotokos, pregnant – Uncondational surrender;           أم الله ، حامل – الاستسلام غير المشروط.

Werkelijk liefhebben is niet gemakkelijk, het zal immer méér energie kosten dan je jezelf ooit hebt kunnen voorstellen.
De engel zei tot een ‘in stilte levend’ meisje in een gehucht Nazareth – wat kon dáár nú voor ‘goeds’ [goddelijks] uit voortkomen:
Wees niet bevreesd, Maria; want gij hebt Genade gevonden bij God.
En zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Heer God zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal als Koning over het huis van Jaäcob heersen tot in eeuwigheid, en Zijn Koningschap zal geen einde nemen”.
Nadat zij tegensputterde met de woorden:
Hoe zal dat geschieden, daar ik geen omgang met een man heb?”, verzekerde de engel Gabriël haar dat hij/zij een goede bron was en “kwam de Heilige Geest over haar en werd zij overschaduwd door de Kracht van de Allerhoogste”.
Zij leefde in ascetische maagdelijke omstandigheden en vervolgde ook tijdens de actieve jaren van haar zoon, onze Heer Jezus Christus, haar leven op de achtergrond. Ook vóór en ná Pinksteren was zij het stilzwijgend middelpunt van het christelijk leven in de navolging van Christus, in het op zich nemen van Zijn Kruis, Zijn juk en in het volgen van Hem op de weg van de Blijde Boodschap, die Hij verkondigd heeft.
Eén van de deugden die het meeste past bij de leerlingen van Christus is wel ‘de nederigheid‘, welke gepraktiseerd werd in gemeenschap.
De nederigheid is geen bijkomstig aspect van het geestelijk leven van de christen:
de natuur van de mens is nederig en het is God die haar verheft tot zijn eigen heerlijkheid.
De nederigheid is geen negatieve waarde, zij is :
De wortel van de mens in de aarde geplant;
haar/zijn vruchten klimmen op voor de Heer van de grootheid
’.
Door nederig te blijven, ook in de aardse werkelijkheid waarin
de mens z’n leven indeelt, kan de christen in relatie treden met de Heer:
De nederige is nederig, maar haar/zijn hart verheft zich tot hemelse hoogten.
De ogen in haar/zijn gelaat beschouwen de aarde en
de ogen van haar/zijn geest de hemelse hoogte
’.
In de vroeg-christelijke Kerk beogen de volgelingen van Christus zich in een heldere ascetische en geestelijke dimensie:
Het Geloof is er de basis, de grondslag van;
Het maakt van de mens een tempel waar Christus Zelf woont.
Het Geloof maakt daardoor een oprechte liefde mogelijk, die
zich uitdrukt in de liefde jegens God en jegens de naaste.
Een ander belangrijk aspect van het vroege Christendom is het vasten,
welke door haar/hem in een brede zin wordt verstaan.
Het spreekt vanzelfsprekend over het vasten wat het voedsel aangaat als
van een noodzakelijke praktijk om liefdevol en maagdelijk te kunnen zijn;
over het zich onthouden van ijdele of afschuwelijke woorden,
over het zich weerhouden van de toorn,
over het zich ontzeggen van het eigendom van goederen met het oog op het dienstwerk,
over het zich ontzeggen van de slaap om zich aan het gebed te wijden.
Op deze wijze hebben de apostelen met in hun midden de Theotokos, de Moeder Gods, zich vanaf den beginne als voorbeeld gesteld voor de uit hun voortvloeiende Kerk, het Lichaam van Christus.
Het is derhalve niet vreemd dat onze jongeren -zich ‘dìt’ realiserend- zich verbazen en verontwaardigd toezien op de ontwikkelingen, die de Kerk in de loop der eeuwen heeft voortgebracht. Zij zijn niet zo zeer negatief gestemd op datgene wat de Kerk heeft – naar wat zij allemaal bezit, maar zij herkennen zich ‘niet langer’ in datgene wat de Kerk met de mond belijdt.
Nadat de Kerk alle tijd, al haar energie en al haar onroerend goed dat zij heeft kunnen missen verbruikt heeft, zal zij weer tijd dienen uit te trekken om tot zichzelf te komen, zodat zij weer kan putten uit de onnoembare Schat, Die tot haar beschikking staat.

Apostelen Petrus & Paulus, icoon I.M. Karakallou, Athos.

Deze opofferende Liefde zal een grotere beloning opleveren, dan Die waar zij ooit van gedroomd heeft. Zelfs haar Apostelen Petrus& Paulus, op wie de Kerk gebouwd is, verhalen van een moment in hun leven waarop zij zich begonnen af te vragen of alle op-offeringen, die zij zich getroost had, het wèl waard waren.
Na veel afzondering en gebed kon Petrus het antwoord herinneren: “Zie, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd; wat zal dan ons deel zijn?Matth.19: 27. Hij herinnert zich daarop dat Onze Heer en Verlosser dit antwoord gaf: “ Voorwaar, Ik zeg u, jullie, die Mij gevolgd zijn, zult in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de Troon van Zijn Heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël [de Kerk] te richten. En een ieder, die huizen of broeders of zusters of vader of moeder of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn naam, zal vele malen méér terugontvangen en het eeuwige leven erven. Maar véle éersten zullen de laatsten zijn, en véle láátsten de éerstenMatth.19: 28-30.
Het gaat hier in dit Christelijk antwoord om de gehechtheid aan de wereld, welke de spelleiders [de priesters] en hun hiërarchische structuur dienen ‘lòs’ te laten.
Want het Koninkrijk der Hemelen is gelijk aan een Heer van het Huis, die ’s-morgens vroeg arbeiders voor Zijn wijngaard ging huren. Toen Hij het met de arbeiders ééns geworden was voor slechts één schelling per dag [het minimum loon] zond hij hen in Zijn [Goddelijke] wijngaardMatth.20: 1,2.
Wanneer de mens, zowel clerus als leken zichzelf weggeven aan God en aan de anderen, zal God dit offer noteren in de Hemelse kanalen. De beloning die Hij dàn over ons zal uitstorten, zal zó overvloedig zijn, dat wij ons allen – inclusief onze jongeren – zullen verwonderen over de overvloed in ons leven. Wij zullen merken dat de gehele wereld uitbreekt in spontane uitbarstingen  van aanbidding.
In de Blijde Boodschap staat dat het Volk Israël [de Kerk] al snel na de bevrijding uit Egypte de oase Elim bereikte, in het middelpunt van de woestijn was er schaduw en vers water.

Maria van Egypte en de beker van het Heil

Israël [de Kerk] ontvangt dáár verkwikking. Ook Maria van Egypte vond dáár eveneens haar verlossing, nadat zij van de hieromonnik Zosimas de gaven uit de kelk ontvangen had.
Wij zoeken als Kerk verkwikking in de Blijde Boodschap, het Woord van onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus.  Nu is Hij, vanuit de Vader en de Heilige Geest onze bron alwaar wij allen uit mogen putten.
De slotzegen aan de Kerk is geen ‘zegenbede’ het is niet minder dan een vrome wens; het is een Genadegave van God aan de Christelijke Gemeenschap geschonken:
Dat Christus, [Die opgestaan is uit de doden], onze waarachtige God, Zich over ons ontfermen en ons redden:
– door de Kracht van het kostbare en levendmakende Kruis;
– door de gebeden van Zijn al-onbevlekte Moeder Gods;
– door de bijstand van de roemrijke, Hemelse Krachten van de engelen;
– door de smeekbeden van de eerbiedwaardige, roemrijke Profeet, Voorloper en Doper Johannes;
– van de heilige, roemrijke, alom-geëerde Apostelen;
– van de heilige, roemrijke overwinning-dragende Martelaren;
– van de eerbiedwaardige, Christus-dragende Vaderen;
– van onze Vader onder de Heiligen, [Johannes Chrysostomos, Basilios de grote of
Gregorius de Grote (voorafgewijde gaven) en Jacobus, de broeder des Heren], wiens
Liturgie wij mogen vieren;
– van de Heilige, die wij op die dag herdenken en van alle Heiligen:
want God is goed en heeft de mensen lief
”.

Constantine, the Great, as Leper, assures the mothers asking mercy on their sons, fresco by Petrus Agricola

Elke eredienst is immers ‘in wezen’ Liturgie omdat ze wordt uitgevoerd door
het gelovige Volk dat daarvoor God als Liturg [spelleider van de eredienst] heeft.
Gezegend is het Koninkrijk van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest,
nu, altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen
”.
Toen het Volk het water doorgegaan waren als over vaste grond en ontkwamen aan de slechtheid van Egypte, riepen de Israëlieten [de gelovigen van de Kerk] in grote vreugde uit: “Laat ons zingen voor onze Bevrijder en onze God.
Onze mond willen wij openen en vervuld van de Geest zingen; vol blijdschap willen wij U verheerlijken en verheugd Uw wonderen verkondigen.
Het gewelf van de Hemelen hebt U geschapen Heer, en de Kerk heeft U gegrondvest; doe ook ons verstaan in Uw Liefde, want ons diepst menselijk verlangen is slechts op U gericht, Sterkte van de gelovigen, alleen op U de  Menslievende gericht“.

Uit Meneon tn.4   –   24 Maart:
Het verborgen Mysterie, dat zelfs door de Engelen niet gekend was,
wordt toevertrouwd aan de aartsengel Gabriël.
Nu komt hij tot u, alleen ongerepte duif, terugroeping van het mensengeslacht.
Hij zal u, alheilige, ‘het verheug u’ toeroepen;
maak u gereed om op dàt woord,
het Woord van God in uw schoot te ontvangen”.

Theotokion tn.4.   –   24 Maart:
“    De Moeder Gods hoorde een stem die zij niet kende,
toen de aartsengel tot haar de woorden van de Blijde Boodschap sprak.
In Geloof heeft zij dit Heil aanvaard en U ontvangen, Die God zijt voor alle eeuwen.
Daarom roepen ook wij vol vreugde tot U:
God, Die in haar vlees geworden zijt, zonder verandering te ondergaan,
schenk de Vrede aan de wereld en aan onze zielen grote Barmhartigheid”.

bij Heer ik roep … tn.6  –  25 Maart:
Wanneer God het wil, dan wordt de orde der natuur overwonnen,
zo sprak de Onlichamelijke,
en dàn wordt volbracht wat bóven de macht der mensen gaat.
Vertrouw op mijn ware woorden, Al-Heilige en Onberispelijke.
Toen riep deze: Mij geschiede nu volgens uw woord;
ik zal Hem baren Die niet in het vlees is,
doch uit mij vlees wil aannemen, als de enige Almachtige,
om de mensen omhoog te voeren tot hun oorspronkelijke waardigheid,
door de god-mensheid
”.

eer… nu en …

tn.6
Heden werd de Aartsengel Gabriël gezonden om aan de ontvangenis te verkondigen.
Aangekomen in Nazareth dacht hij vol verbazing na over het wonder
hoe Hij, de Onvatbare uit den hoge, uit een Maagd geboren wordt.
Hij, Die de Hemel tot troon en de aarde als voetbank heeft,
treedt binnen in de schoot van een vrouw.
Hij tot Wie de zesvleugeligen hun ogen niet durven op te heffen,
wil door een enkel woord het vlees aannemen uit haar !
Het Woord Gods Zelf is aanwezig.
Daarom sta ik hier en zeg tot de Maagd:
Verheug u, Hoog-begenadigde, de Heer is met u !
Verheug u, onschuldige Maagd.
Verheug u, nooit gehuwde bruid.
Verheug u, Moeder van het Leven,
want gezegend is de Vrucht van uw schoot”.

Apolytikion tn.4      –     25 Maart:
Heden  is de aanvang van onze Verlossing,
en van de openbaring van het Mysterie
dat sinds alle eeuwen verborgen was;
want de Zoon van God
is de Zoon van de Maagd geworden
en Gabriël verkondigt de Blijde Boodschap der Genade.
Laat ons daarom met hem tot de Moeder Gods roepen:
‘ Verheug u, Hoog-begenadigde, de Heer is met u !’“.

Kondakion tn.8.
Tot u de Aanvoerster, die voor ons strijd,
en die ons van  rampspoed hebt bevrijd,
zingen wij, dank- en zegen-hymnen, Moeder Gods.
Gij die onoverwinnelijke macht bezit,
bevrijdt ons uit alle gevaren.
En wij roepen u:
‘verheug u, ongehuwde bruid !’”.

Orthodoxie & hoe je als christen kunt overleven

      Te dien tijde, toen Onze Heer vernam dat Johannes [de Doper] gevangene genomen was, vertrok Hij van Galiliea.
Christus verliet Nazareth en ging wonen te Kapharnaum, aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali, opdat vervuld zou worden het woord, door de profeet Isaiah gesproken, toen deze zei:
              Het land Zebulon en het land Naftali, aan de zeeweg, over de Jordaan, Galilea der heidenen:  het volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot licht gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een licht opgegaan.
              Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen:
Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.
Toen Hij nu langs de zee van Galilea ging, zag Hij twee broeders, Simon, die Petrus genoemd wordt en Andreas, diens broeder, een net in zee werpen; want zij waren vissers.
              En Hij zei tot hen: Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken. Terstond lieten zij hun netten liggen en volgden HemMatth.4: 12-20.

      Aan een ieder onzer afzonderlijk is de Genade gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt. Daarom heet het: ‘opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mee, gaven gaf Hij aan de mensen.Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten?
       Hij, Die neergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen. En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraren, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het Lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid van het Geloof en van de volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom van de volheid van Christus  Eph.4: 7-13

In mijn beproeving riep ik om hulp tot de Heer; ik riep luid tot mijn God.
Vanuit Zijn heilige Tempel hoorde Hij mijn stem; mijn geween voor Zijn aanschijn bereikte Zijn  oren.
Toen wankelde bevend de aarde, de grondvesten der bergen werden geschokt.
Zij beefden, omdat God tegen hen toornde; rook steeg op van Zijn gramschap.
Vuur vlamde op van Zijn aanschijn: een brandende vuurgloed ging van Hem uit.
Hij boog de hemelen neer om af te dalen; er was duisternis onder Zijn voeten.
Hij besteeg de Cherubijnen en vloog, Hij vloog op de vleugels van de wind.
Hij maakte duisternis tot Zijn schuilplaats; onweerswolken tot een tent om Zich heen.
Maar voor de stralende gloed van Zijn aangezicht barstten de wolken uiteen, met hagel en vlammend vuur. De Heer deed het donderen uit de hemel, de Allerhoogste liet Zijn stem weerklinken. Hij schoot Zijn schichten af en verstrooide hen; talloze bliksems om hen te verwarren. Toen werden zichtbaar de bronnen der wateren, de grondvesten der aarde werden blootgelegdPsalm 17: 6-17, vert. ROK, ’s-Gravenhage.

De Duits monnik-theoloog Karl Rahner [Jezuïet, 1904-1984] heeft eens gezegd:
Der Mensch ist die Frage, auf die es keine Antwort gibt’.
Dat is een uitspraak die het voor ons ‘armen van geest‘ eigenlijk onmogelijk maakt om ook maar iets te zeggen over het wezen en de bestemming van de mens op de aarde.  
Niettemin probeer ik onafgebroken een antwoord te vinden op de vraag naar het menszijn.
We doen dat vanuit het Woord van God; de Blijde Boodschap. Dit is weliswaar geen handboek voor antropologie [de leer van de mens], maar geeft intussen toch wel heel duidelijk antwoord op de vraag naar het wezen en de zin van het mens-zijn. Worden wie je werkelijk bent, beeld naar God’s gelijkenis, zelfontplooiing – het hoogste geluk, wie wil dat niet?
Hoe doe je dat? Je kunt handvatten zoeken in zelfhulpgroepen en
bijbehorende lectuur, maar hoever kom je daarmee?
Indien je in God gelooft onderken je dat je een sociaal, religieus georiënteerd wezen bent. Je onderkent dat je een Vader in de Hemelen hebt en dat je pas echt mens wordt in en door je relaties met anderen, zoals Christus ons heeft geleerd.
Zelf waren we daar nimmer achtergekomen, indien je niet verder kijkt dan alleen jezelf
– met name jezelf opzij zetten, je kruis opnemen, het kan ontzettend bevrijdend werken. Een meer inhoudelijke omschrijving zou kunnen zijn dat het christendom de religie is van mensen die geïnspireerd worden door gedachten uit de Blijde Boodschap, het leven van Jezus Christus en Zijn sociale ethiek, die opkomt voor lijdende mensen.  Maar deze omschrijving wordt -zoals wij om ons heen zien- niet algemeen aanvaard.

kruisje bij het Mysterie van de doop

Je kruis opnemen
Alle geneesheren  stemmen met Hippocrates in, dat de vrolijkheid altijd een krachtig behoedmiddel is voor de gezondheid en niet zelden een geneesmiddel voor de ziekten.

– de echtgenote van Socrates, Xanthippe [Gr. “Blonde Merrie”, ouderen onder ons kennen daar nog een gezellig liedje van], behoort niet bepaald onder de tegenstanders van de emancipatie van de vrouw.
Reeds vóór haar huwelijk stond zij bekend als iemand, die alle eigenschappen bezat, om het haar echtgenoot zo moeilijk mogelijk te maken.
                   Dit schijnt Socrates heel goed geweten te hebben: immers gaf hij eens aan z’n leerling Anthithenes [ca. 445-365 v.Chr], die hem vroeg waarom hij zo’n furie als levensgezel had genomen, ten antwoord: “Ik heb haar als vrouw genomen, om er zeker van te zijn, dat, als ik mèt ‘háár’ goed zou kunnen huishouden, ik ongetwijfeld met allerlei soorten mensen goed zou kunnen omgaan”.
— Op zekere dag, had de wijsgeer enige van zijn vrienden bij zich thuis uitgenodigd, om een paar aangename uurtjes door te brengen. Of het een aangenaam en gelegen tijdstip was weet ik niet; maar zijn vrouw ging die dag zo vreselijk te keer, dat de goede man het raadzaam achtte met zijn gasten een luchtje te gaan scheppen; met het ogenblik dat hij met z’n gezelschap de deur uitgaat, werpt Xanthippe boven uit het raam hem een kunstmatige waterval op het hoofd.
Socrates lachte en sprak tot zijn vrienden: “ Ik had wel gedacht, dat het ná zo’n donderbui wel zou gaan regenen”.

De Hemelen opende Zich en de stem van de Vader sprak

De Heilige Geest, Welke wij met de doop ontvangen hebben, getuigt dat wij kinderen van God zijn; wij zijn zonen en dochters van God, die door de Geest geleid worden. Wij zijn door God niet geaccepteerd om in een geest van slavernij bevreesd door het leven te gaan. ☦️  Wij delen door ons kruis op te nemen in Christus lijden met de Verheerlijking, de Verrijzenis in het vooruitzicht, de Opstanding voor ogen. God wil niet dat wij ons afvragen hoe wij er bij Hem voor staan. De innerlijke getuigenis van de Heilige Geest is een Mysterie [een wonder]; we kunnen dàt niet verklaren of beschrijven, maar er wel degelijk van getuigen dat het waarachtig is.
Wanneer mensen tegen ons zeggen: ‘Ik weet niet of ik wel christen ben, Ik denk dat ik het misschien wel ben, ik hoop het’ – dan stemt mij dat bedroefd, ik begin me dan  ernstig zorgen te maken.
De Blijde Boodschap stelt namelijk heel duidelijk dat de Heer werkelijkheid voor je wordt wanneer je je hart aan Hem geeft en dat je weet dat je aan Hem toebehoort: “  Hij nu, die ons met u bevestigt in de Gezalfde en ons heeft gezalfd, is God, Die ook [door de Heilige Geest] Zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft” en
vervolgens stelt de apostel:
– Wij getuigen, die werken vanuit de Kerk – :
“ Wij voeren ‘geen heerschappij‘ over uw Geloof;
neen, wij zijn medewerkers aan ‘uw blijdschap‘, want
door het Geloof
[in Christus] staat gij vast . . . . .” 2Cor.1: 21-24.
De Heilige Geest woont in je hart en fluistert telkenmale: “ Vertrouw er maar op — je bent ledemaat van God’s gezin, “je bent Zijn kind en mag op Hem vertrouwen, dat alles goed komt”.

Het getuigenis van de Heilige Geest laat zien hoe God de mensen in Christus liefheeft — niet als een statistisch gegeven van het CBS [Centraal bureau Statistiek, die momenteel verklaart dat wij in de Lage Landen tot een van de gelukkigste landen van de wereld behoren], maar als individuele mensen die meetellen in het Hemels Koninkrijk.
God wil niet dat wij beschroomd of angstig zijn, dat wij leven onder de voortdurende dreiging van de verdoemenis. Hij wil dat wij ons bewust zijn van de Genadegaven, Die Hij ons onophoudelijk doet toekomen en dat wij ons veilig weten in Zijn Liefde.

de benodigde eigenschappen
Wat is er nodig om de Wil van God, de Vader te doen?

de moed om je aan te sluiten, Paulus

Allereerst is het nodig de moed op te brengen om je bewust aan te sluiten en je bewust verbonden te weten bij een christelijke gemeenschap, een gezin welke door de wereld verkeerd begrepen wordt, sterker nog verafschuwd wordt.
Er is discipline en uithoudingsvermogen nodig om aan de opdrachten, die God ons voor ogen houdt en voor ons als Zijn kinderen heeft opgesteld, te voldoen.
Er is inzicht nodig en hoe dit zich verder dient te ontwikkelen om bepaalde onvermijdelijke problemen te overwinnen en te zien wàt God hiermee in het leven van Zijn kinderen ontwikkelt, voortdurend laat ontstaan, schept.
Er is een onnoemlijk uithoudingsvermogen en een incasseringsvermogen nodig om je broeders en zusters trouw te blijven, zeker wanneer het zoveel gemakkelijker is om je eigen weg te gaan.
♥︎ En ‘last-but-not-least’ is er Liefde nodig om het zaakje, God’s gezin bij elkaar te houden en anderen te blijven uitnodigen erbij te komen — kwetsbare, gevoelige, maar onverzettelijke, opofferende, heel ver gaande – haast niet op te brengen Liefde. En Mysterie op Mysterie [wonder boven wonder], dat is nu precies datgene wat Christus ons in Zijn Persoonlijkheid aanbiedt – Hij vraagt ons Hem daarin te volgen.
De Apostel zegt:
      Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het 
beeld van Zijn Zoon, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broeds [en zusters]; en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijktRom.8: 29,30.
God heeft ons voorbestemd van de moederschoot af, ja zelfs al van vóór wij geboren waren; Hij heeft ons innerlijke eigenschappen meegegeven, zoals die van hun oudere broeder, Jezus Christus. God doet dat door de werken van de Heilige Geest, Die Zijn vertegenwoordiger is in onze harten:
      Telkens wanneer iemand zich tot de Heer bekeerd heeft, wordt de bedekking [wereldse gerichtheid] weggenomen. De Heer nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, is vrijheid.
En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking [wereldse gerichtheid] meer is, de Heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van Heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Heer, Die Geest is2Cor.3: 16-18.

♨︎           God schrijft via de Heilige Geest de karaktereigenschappen eigen aan onze Heer, Jezus Christus, Zijn Zoon op in ons hart:
          De Vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersingGal.5: 22.
            Nadat Christus ons geroepen heeft, de Vader ons als Zijn kind geadopteerd heeft, nodigt God ons via Zijn geest in ons hart uit om onze erfenis op te eisen, dezelfde schitterende Beloning, en Overwinning [op ons mens zijn] die onze Heer en Verlosser heeft opgeëist na Zijn Opstanding.
Ons leven en de manier waarop wij ermee omgaan valt dus linea recta samen met de gelijkenis van de Verloren zoon, die zijn erfenis opeiste, het gevecht met de wereld aanging en bij Zijn Hemels vader terugkeerde.
Onze Heer kijkt ernaar uit de erfenis met ons te delen en verwacht dat wij daartoe de wereld en al haar tekortkomingen de rug toekeren.
— Eet daarom van Zijn Brood, proef [ruik] niet alleen het eten, maar
ook de menselijke onverdraagzaamheid, fijnslijperij en schijnheiligheid van jezelf, etend proef je het geheimenis van de vergeving, dat ‘in het al’, in de Ene, in God is.
— drinken uit de beker of [drink-]kelk [Hebr.’kos’
כוס]: “ De Heer is mijn erfdeel, mijn deel van de kelk: Gij toch hebt mij hersteld in mijn erfdeel. Het meetsnoer viel voor mij in het vruchtbaarste land; als erfdeel kreeg ik het bestePsalm 15[16]: 5,6.
— vervolgens mogen wij ons verheugen, want Christus was bereid de beker van Gods toorn tot de laatste druppel voor ons leeg te drinken:
    Hij knielde neer en bad deze woorden: ‘Vader, indien Gij wilt, neem deze beker van Mij weg; doch niet mijn wil, maar Uw Wil geschiede!’Luc.22: 42.
Zijn bittere beker werd voor ons tot zegenrijke en troostvolle ‘heilsbeker!’, waarop de Opstanding voor ons mogelijk werd gemaakt. Gods beker brengt zegen en heil voor de rechtvaardigen, maar vloek en oordeel voor de goddelozen.
Het Koninkrijk der Hemelen betreft twee elementaire dingen:
1.]. Gods verlangen om ons genezing, vrede, overwinning en verlossing te brengen.
2.]. onze overgave aan de wil van God.
Wij mensen vinden het heel moeilijk te geloven dat de overwinning ligt in overgave, maar dat is het principe van hoe je als christen kunt overleven tot in het Hemels Koninkrijk.

Orthodoxie – sexualiteit & de menselijke veroordeling

        Het voedsel is voor de maag en de maag voor het voedsel, en God zal zowel het een als het ander teniet doen. Maar het lichaam is niet voor de ontucht, doch voor de Heer, en de Heer voor het lichaam. God heeft niet alleen de Heer opgewekt, maar zal ook ons opwekken door Zijn Kracht.
Weten jullie niet, dat jullie lichamen leden van Christus zijn?
Zal ik dan leden van Christus wegnemen om er leden van een ontuchtige [een prostituee, hoer] van te maken? Volstrekt niet!
Of weten jullie niet, dat wie zich aan een ontuchtige hecht, een lichaam [met hem/haar] is?
Want, zegt Hij, die twee zullen tot een vlees zijn 
Maar die zich aan de Heer hecht, is een geest [met Hem].
                                    Ontvlucht de hoererij.
Elke andere zonde, die een mens doet, gaat buiten zijn eigen lichaam om. Maar door hoererij bezondigt men zich aan zijn eigen lichaam.
Of weten jullie niet, dat je lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u woont,
Die gij van God ontvangen hebt, en dat je niet van jezelf bent?
Want jullie zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met jullie lichaam1Cor.6: 13-20

heerser over het ontbijt

      Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, Die rechtvaardigt; wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand  Gods is, Die ook voor ons pleit.
Wie zal ons scheiden van de Liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard?
Gelijk geschreven staat:
‘Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen. 
Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehadRom 8: 34-37.

Je kunt als gelovige toch niet voor waar beschouwen, dat God vrouwen/meisjes tot een bepaalde leefwijze aanstelt, waardoor mannen/jongens aan hun trekken zouden kunnen komen.
Zou God het menselijk lichaam daarvoor zo hebben geschapen? Wat is de achtergrond, de reden waarom veel meisjes en vrouwen in de prostitutie terecht komen? Hoeveel zouden er werkelijk vrijwillig prostituee zijn?
Hoe minderwaardig en gebruikt zouden veel van dit soort meisjes zich voelen?!
Zou God een mens een lichaam geven om er zo liefdeloos mee om te gaan?!
Dat er in de Blijde Boodschap over gesproken word, staat er niet om maar op te volgen, maar ter waarschuwing en het wordt ook veroordeeld.
Jezus had maar één doel in Zijn aardse bestaan:
zondaars te bevrijden van hun zonden en uit hun onmenselijke leven’.

H. Maria van Egypte, vlucht na haar diep getroffen bekering bij de Kerkdeur de woestijn in om daar een ascetisch leven te gaan leiden.

       Zo wordt ons ook voorgehouden met de levensgeschiedenis van Maria van Egypte;
       zij dompelde zich onder in berouw nadat zij te Jeruzalem door de Heer geroepen werd
       haar leven geheel om te gooien en zij vertrok naar de woestijn en
       door een leven van vasten en gebed kwam zij weer in het rechte spoor.

      Jezus begaf Zich naar de Olijfberg [om er ’s-nachts te bidden]. En ’s-morgens vroeg was Hij weer aanwezig in de tempel en al het volk kwam tot Hem en Hij zette Zich neer en leerde hen.
En de schriftgeleerden en de Farizeeën brachten een vrouw, op overspel betrapt, en zij stelden haar in het midden en zeiden tot Hem:
      Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt bij het plegen van overspel;
        en in de wet heeft Mozes ons bevolen zulken te stenigen;
        Gij dan, wat zegt Gij?
En dit zeiden zij om Hem in verzoeking te brengen, opdat zij iets hadden om Hem aan te klagen. Maar Jezus bukte neder en schreef met de vinger op de grondJohn.8: 1-6.  Wat zou Christus daar geschreven hebben?

Paulus reageert vandaag als eerste:
Weet je niet dat jouw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik daarom de leden van Christus nemen en hen tot een prostituee maken?
Nooit! Weet je niet dat hij die zich bij een prostituee voegt, één lichaam met haar wordt? Want, zoals er staat geschreven: “De twee zullen één worden
”.
Ons menselijk lichaam is niet bedoeld voor immoraliteit, maar voor de Heer en de Heer voor het lichaam . . ., daarmee wordt aangeven dat het seksuele karakter van menselijke personen een ‘positieve‘ rol speelt in de menselijke spiritualiteit.
Zoals al de menselijke aangelegenheden dient ongerijmde seksualiteit net als andere mistoestanden door God te worden bestraft maar dient door de Heilige Geest geïnspireerd te worden, d.w.z. gebruikt te worden voor de doeleinden die God hiermee heeft bedoeld.
En nèt zoals alle menselijke aangelegenheden misbruikt worden, kan seksualiteit door misbruik worden verdraaid en gecorrumpeerd en instrument van de zonde worden in plaats van het middel om God te verheerlijken en zichzelf te verheffen, zoals God ons gemaakt heeft naar Zijn Beeld en overeenkomstig gelijkenis aan Hem.
Daarmee wordt duidelijk gemaak dat sexualiteit niet veroordeeld wordt maar het misbruik ter egoïstische bevrediging van de mens zelf.
De leer van de apostel Paulus over seksualiteit is analoog aan zijn leer over eten en drinken en alle lichamelijke behoeften.
Lichamelijke behoeften zijn door God aan de mens gegeven om spirituele redenen, teneinde te worden gebruikt voor Zijn Glorie; op zichzelf zijn ze heilig en puur.
Wanneer ze worden misbruikt of aanbeden als een doel op zichzelf, worden ze het instrument van zonde en dood. Teveel eten is -zoals wij maar al te goed weten- niet goed voor ons; je overgeven aan ongerijmde drankgebruik is vernietigend en sexualiteit kan op dezelfde wijze misbruikt en verdraaid worden. De apostel zegt specifiek dat alle seksuele perversies als hun directe oorzaak de rebellie van de mens tegen God hebben.

Daarom gebied God ons de lust van ons hart, welke hunkert naar onreinheid, naar het onteren van onze lichamen onder elkaar, af te wijzen, omdat dit de waarheid over God inruilt tegen een leugen en het schepsel aanbeden wordt in plaats van de Schepper, Die voor altijd gezegend is. 

God heeft de mens vrij geschapen, de mens maakt zèlf zijn/haar afwegingen en kan zich als zodanig overgeven aan oneerbare passies.
Mannen zijn eveneens in staat de natuurlijke relaties met vrouwen op te geven en te worden verteerd met passie voor elkaar en de vrouwen onder de mensen kunnen hun natuurlijke relaties uitwisselen voor onnatuurlijke relaties, mannen zijn eveneens in staat hun sexualiteit tot in uiterste door te voeren en schaamteloze handelingen aangaan met mannen en daardoor zichzelf in eigen  persoon verheerlijken en zich aan elkaar te buiten te gaan.

Paulus opnieuw:
      Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt. Zij immers hadden de waarheid van God vervangen door de leugen en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen. Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke lusten, want hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke. Eveneens hebben de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkander ontbrand, als mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende en daardoor het welverdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangende. En daar zij het verwerpelijk achtten God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verwerpelijk denken om te doen wat niet betaamt:
‘vervuld van allerlei onrechtvaardigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid, vol nijd, moord, twist, list en kwaadaardigheid; oorblazers, lasteraars, haters van God, verwatenen [= verwaand, laatdunkend, hoogmoedig, trots zijn], overmoedigen, grootsprekers, vindingrijk in het kwaad, hun ouders ongehoorzaam; onverstandig, onbestendig, zonder hart of barmhartigheid.
Immers, hoewel zij de rechtseis van God kenden, namelijk, dat zij, die zulke dingen bedrijven, de dood verdienen, doen zij ze niet alleen zelf, maar schenken ook nog hun bijval aan wie ze bedrijvenRom.1: 24-32.
En in het 1e Verbond was reeds bekend:
      Een man, die echtbreuk pleegt met iemands vrouw, echtbreuk pleegt met de vrouw van zijn naaste, zal zeker ter dood gebracht worden; zowel de overspeler als de overspeelster.
       Een man die gemeenschap heeft met de vrouw van zijn vader, de schaamte van zijn vader heeft hij ontbloot; beiden zullen zeker ter dood gebracht worden, hun bloedschuld is op hen.
       Een man die gemeenschap heeft met zijn schoondochter; beiden zullen zeker ter dood gebracht worden, schandelijke ontucht hebben zij bedreven, hun bloedschuld is op hen.
       Een man die gemeenschap heeft met iemand van het mannelijk geslacht, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw, of beiden hebben een gruwel gedaan, zij zullen zeker ter dood gebracht worden, hun bloedschuld is op hen.
       Een man die een vrouw en ook haar moeder neemt [bloedschande is het] met vuur zal men hem en haar verbranden, opdat er geen bloedschande in uw midden zij.
       Een man die met een dier gemeenschap heeft, zal zeker ter dood gebracht worden; het dier zal men afmaken.
       Een vrouw die tot enig dier nadert, opdat het met haar gemeenschap zal hebben, de vrouw en het dier zult gij doden, zij zullen zeker ter dood gebracht worden, hun bloedschuld is op hen“ Lev.20: 10-16.
Aangezien deze tekst in de oude tijd werd geschreven en mannen slechts een positie bekleden en op gedrag aangesproken werden, de vrouw nog ondergeschikt werd bevonden, kunnen we in het bovenstaande in onze geëmancipeerde tijd in bovenstaande tekst ook vrouw lezen i.p.v. man.

Door deze leer te volgen, terwijl ze hopen op de Genadegaven van God en de Vergeving van Christus voor alle zondaars, zijn de Schriften in het Nieuwe Testament nog strikter in hun eisen met betrekking tot seksuele reinheid.

“Wat de apostel Johannes heeft gezien en gehoord: het Woord dat leven is, verkondigt hij ook aan ons opdat wij met Hem verbonden zijn in de Vader en zijn Zoon Jezus Christus”

      Doch toen zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op en zei tot hen: ‘Wie van u zonder zonde is, dient het eerst een steen naar haar te werpen. En weer bukte Hij neer en schreef op de grond.
Maar toen zij dit hoorden, gingen zij een voor een weg, te beginnen bij de oudsten, en zij lieten Jezus alleen en de vrouw in het midden.
En Jezus richtte Zich op en zei tot haar: ‘Vrouw, waar zijn zij? Heeft niemand u veroordeeld?’.
       En zij zei: ‘Niemand, Heer.
       En Jezus zei: ‘Ook Ik
[Zoon van God en voorbeeld van Liefde onder de mensen] veroordeel u niet. Ga heen, zondig van nu af niet meer!John.8: 7-11.
En de berouwvolle vrouw waste met haar haren Zijn voeten uit dankbaarheidLuc.7: 36-50.
En vervolgens gaf Christus op de Berg in Zijn rede het volgende mee: “Je hebt gehoord dat er werd gezegd: “Je zult geen overspel plegen.” Maar ik zeg je dat iedereen die wellustig naar een vrouw kijkt al overspel met haar in zijn hart heeft gepleegd. Als je rechteroog je tot zonde maakt, trek het dan weg en gooi het weg; het is beter dat je een van je leden verliest dan dat je hele lichaam in de hel gaatMatth.5: 27-28;
er werd tevens gezegd: “    Degene die van zijn vrouw scheidt, laat hem een echtscheidingsbrief geven. Maar ik zeg u dat een ieder die zijn vrouw verlaat, behalve op grond van onkuisheid, haar een overspelige vrouw maakt; en wie met een gescheiden vrouw trouwt pleegt overspelMatth.  19: 3-9.

De Apostel Paulus zegt onomwonden:
Of weet gij niet, dat onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet beërven zullen?
Dwaalt niet! Hoereerders, afgodendienaars, overspelers, schandjongens, knapen-schenders, dieven, geldgierigen, dronkaards, lasteraars of oplichters zullen het Koninkrijk Gods niet beërven
1Cor.6: 9-10; en:
      Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees – want deze staan tegenover elkander – zodat gij niet doet wat gij maar wenst.
Indien gij u echter door de Geest laat leiden, dan zijt gij niet onder de wet.
Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke, waarvoor ik u waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beërvenGal 5: 17-21; en     Het huwelijk zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld, want hoereerders en echtbrekers zal God oordelen. Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat jullie hebben. Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: ‘De Heer is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?Hebr.13: 4-6.

Dus, volgens de Openbaring van God, zijn seksuele relaties heilig en zuiver alleen binnen de gemeenschap van het huwelijk, met de ideale relatie die voor altijd tussen één man en één vrouw is. Degenen die niet getrouwd zijn en zij die kiezen door de wil [van God] om niet te trouwen, dienen zich als zodanig overeenkomstig hun keuze te onthouden van alle seksuele relaties, aangezien zulke relaties onmogelijk de functie kunnen vervullen die God in de schepping heeft gegeven aan de seksuele daad.

Bruiloft te Cana; عرس في قانا; Γάμος στην Κάνα; Wedding at Cana.

Dit betekent niet dat er geen seksueel kenmerk zal zijn voor het spirituele leven van de ongehuwde, want de ongehuwde man en de ongehuwde vrouw zullen nog steeds hun menselijkheid uitdrukken in mannelijke en vrouwelijke spirituele vormen. De deugden en vruchten van de Geest in elk, zoals bij degenen die getrouwd zijn, zijn identiek, maar de manier van hun incarnatie en expressie zal eigen zijn aan de specifieke seksuele vorm van hun gemeenschappelijke menselijkheid, evenals de individuele uniciteit van elke persoon.

In maagdelijke staat leven
De enige persoon die zijn of haar hele leven zonder dat man of vrouw leeft  zal als getuige tot maagdelijkheid wordt geroepen in deze wereld van het Koninkrijk van God waar “zij in de Opstanding niet huwen en zij niet ten huwelijk worden genomen, maar zij zijn als engelen in de hemelMatth.22: 30.
Het is om deze reden dat degenen die overeenkomstig een monastieke regel het leven doorbrengen, de “engelachtige gewoonte” op zich hebben genomen. Dit betekent niet dat ze ongeslachtelijk worden. Het betekent eerder dat ze God voortdurend dienen en prijzen als Zijn kinderen, die als het ware het universele gezin van God omvatten zonder zelf de leiders van families op deze aarde te zijn. Op deze manier drukken ze zichzelf uit als de vaders en moeders, broers en zussen van de hele mensheid in Christus, overeenkomstig het woord:
Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?”.
En terwijl Christus Zijn handen uitstrekte naar Zijn volgelingen, zei hij:
Hier zijn mijn moeder en mijn broeders! Want wie de wil van mijn Vader in de hemel doet, is mijn broer en zuster en moederMarc.3: 34-35.
      Word niet heftig [wees niet boos op] tegen een oude man, maar vermaan hem als een vader; doe het jonge mannen als broeders, oude vrouwen als moeders, jonge vrouwen als zusters, in alle reinheid. Houd als weduwen in ere, wie waarlijk weduwen zijn. Maar indien een weduwe kinderen of kleinkinderen heeft, laten zij dan eerst aan eigen familie godsvrucht tonen en aan het vorig geslacht vergelden wat zij hun te danken hebben, want dit is welgevallig aan God.
Een waarachtige weduwe dan, die alleen staat, heeft haar Hoop op God gevestigd en volhardt in haar smekingen en gebeden dag en nacht; doch zij, die een los[-bandig] leven leidt, is levend dood1Tim.5: 1-6.
Deze woorden zijn uiteraard bedoeld voor iedereen, getrouwd en ongehuwd, maar ze hebben ook duidelijk een speciale betekenis voor diegenen die, in hemelsnaam, het ongehuwde leven leiden.
Want zoals zij die getrouwd zijn, de taak hebben hun geestelijke leven te leiden met de zorgen van het gezin en binnen de context van haar behoeften en eisen, leeft de christen die alleenstaand is zijn of haar leven in Christus zonder deze voorwaarden. Ik zou willen dat alles was zoals ikzelf ben [d.w.z. ongehuwd] zo verklaart Paulus.
Maar eenieder heeft zijn eigen speciale geschenk van God, de een en de ander en de ander. . . .
– De ongehuwde man is bezorgd over de aangelegenheden van de Heer, hoe hij de Heer dient te  behagen, maar de getrouwde man maakt zich zorgen over wereldse zaken, hoe hij zijn echtgenote       dient te behagen en zijn belangen zijn verdeeld.
– En de ongetrouwde vrouw of het meisje is bezorgd over de aangelegenheden van de Heer, hoe heilig te zijn in lichaam en geest;
– maar de getrouwde vrouw is bezorgd over wereldse zaken, hoe haar man te behagen.
Ik zeg dit voor uw eigen voordeel, niet om u enige terughoudendheid te betrachten, maar om een ​​goede orde te bevorderen en uw onverdeelde toewijding aan de Heer veilig te stellen
1Cor.7:  34-35.
Daaruit volgt dat degene die trouwt. . . het goed doet; en wie zich van het huwelijk onthoudt, zal het beter doen verg.1Cor.7: 7-40.
Het onderwijs van Paulus maakt hier duidelijk:
Mensen kunnen God dienen en een spiritueel leven leiden, zowel in het huwelijk als in het leven als enkeling. En mensen kunnen ook in beide posities zondigen:
Doch iedereen heeft van God zijn bijzondere Genadegave ontvangen, de een deze, de ander die1Cor.7: 7.
De apostel Paulus geeft als standpunt te kennen, dat van degenen die alles ten opzichte van God zo perfect mogelijk willen doen, overeenkomstig de beslissing nemen -‘bewust of onbewust’- niet te trouwen “het ‘beter’ zullen doen”:
      Wie dus zijn jongedochter uithuwelijkt, doet wel en wie haar niet uithuwelijkt, doet beter. 
Een vrouw is gebonden, zolang haar man leeft; maar indien haar man is ontslapen, is zij vrij om te trouwen, met wie zij wil, mits in de Heer. Toch is zij naar mijn mening gelukkiger, indien zij blijft,  zoals zij is; en ik meen ook de Geest Gods te hebben1Cor.7: 38-40.
De spirituele Traditie van de Kerk is het duidelijk met de apostel eens.
Dit betekent niet dat het huwelijk op een of andere manier kleineert of wordt geminacht. Het wordt door God gegeven en is een Mysterie [sacrament] van de Kerk en zij die het verafschuwen om “spirituele redenen” dienen te worden geëxcommuniceerd vanuit de Kerk [Canonieke wetten van het Concilie van Gangra]. Het betekent alleen dat je, praktisch gezien, een grotere dienaar van God kunt zijn en perfecter een getuige van zijn oneindig Hemels Koninkrijk indien je alles in deze wereld opgeeft, alles verkoopt wat je hebt en Christus volgt in totale onthechting en armoede; en zowel innerlijk als uiterlijk als zodanig leeft.
Het idee echter dat één enkel persoon zich kan overgeven aan de dingen van deze wereld, inclusief zijn/haar seksualiteit en tòch – een dienaar van God in Christus – kan zijn, wordt totaal verworpen en veroordeeld.
Men kan het huwelijk in het lichaam alleen verlaten voor meer vrijheid van “angst voor wereldlijke zaken” om zich bezig te houden met “de aangelegenheden van de Heer“. . . door zowel heilig te zijn in lichaam en geest.
Alleen de persoon die “heilig is in lichaam zowel als geest” heeft met niemand seksuele relaties.

vasten en gebed, het verhaal van Hanna
Het gebed van Hanna betekende ‘een keerpunt in Israëls geschiedenis’, dè ‘geschiedenis van de Kerk’. Het sluit [sloot] een tijd van vernedering en anarchie af en opende de deur naar een tijd van Israëls grootheid [van de Kerk]. De Kerk wordt afgebroken teneinde te herleven, Hoe?
Door vasten en gebed, want zoals de Heer ons leert is de tegenstrever slechts door vasten en gebed uit te drijven.
En deze verandering voltrekt zich tijdens het leven van een mens, Samuël [mogelijk afgeleid van
שם האלוהים Shem Alohim, “Naam van God” of שמע אלוהים Sh’ma Alohim, “God werd gehoord“], de zoon van Hannah [ חנה channa “Genade van God” of “God heeft mij begenadigd” – Gr. Anna].

. . . . . ’God heeft ons verhoord, begenadigd’. . . . . ,
de profeet Samuël zou goed bij onze tijdsperiode passen, want, toen zijn moeder Hanna geen kinderen kon krijgen, heeft zij hem van God afgesmeekt zie,1Sam.1: 20. Blijf dus bidden en vasten, want de redding is nabij.
Het gebed wat je hebt en Christus, Die je daarbij volgt in totale onthechting en armoede; bezorgt je een zowel innerlijk als uiterlijk opleving en als zodanig zul je herleven. Dit kind Samuël werd na z’n geboorte, drie jaar en was van de moederborst af. Toen heeft Hanna hem naar het heiligdom gebracht, zoals zij God beloofd had. Het jongetje werd knecht en leerling van Eli.
Beroemd is het verhaal, hoe God voor het eerst het woord tot hem richt.

De tijdsperiode, te vergelijken met de onze.
        Zij rekenden niet met de Heer, noch met het recht van de priesters tegenover het volk. Telkens wanneer iemand een slachtoffer bracht, kwam, zodra men het vlees ging koken, de knecht van de priester, met een drietandige vork in zijn hand.
En stak die in de pot of in de pan of in de ketel of in de kookpot; al wat de vork naar boven bracht, nam de priester voor zich.
Zo behandelden zij alle Israëlieten, die daar te Silo kwamen.
Zelfs eer zij het vet in rook deden opgaan, kwam de knecht van de priester en zei tot de man die het slachtoffer bracht: ‘Geef de priester vlees om te braden, want gekookt vlees wil hij van u niet aannemen, alleen rauw’.
Als de man hem dan antwoordde: ‘Maar men moet het vet toch eerst in rook doen opgaan, neem dan voor u zoveel als uw hart begeert, dan zei hij tot hem:
    Terstond zult gij het geven, anders neem ik het met geweld.
Zo was de zonde van die jonge mannen zeer groot voor het aangezicht van de Heer, want de mensen gingen het offer des Heren gering achten
1Sam.2: 13-17.

Het beroemde vervolg van het verhaal
De jonge Samuël deed dienst in het heiligdom van de Heer onder het toeziend oog van Eli.
In die dagen was een woord van de Heer een zeldzaamheid en een visioen kwam niet vaak voor. Op zekere dag had Eli zich te slapen gelegd op zijn gewone plaats;
zijn ogen begonnen zwak te worden en hij kon niet meer zien.
De lamp van God was nog niet gedoofd en Samuël lag te slapen in het heiligdom van de Heer, waar de ark van God stond.
Toen riep de Heer: “Samuël!” Samuël antwoordde: “Hier ben ik”.
Hij liep haastig naar Eli en zei: “Hier ben ik. U hebt mij immers geroepen?”.
Maar Eli antwoordde: “Ik heb niet geroepen; ga maar weer slapen”.
En hij ging weer terug en legde zich te slapen.
Toen riep de Heer opnieuw: “Samuël!”. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: “Hier ben ik.
U hebt mij immers geroepen?”. Eli antwoordde: “Ik heb niet geroepen, mijn jongen; ga maar weer slapen”.

Samuël kende de Heer nog niet; een woord van de Heer was hem nog nooit geopenbaard.
En voor de derde keer riep de Heer Samuël. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: “Hier ben ik. U hebt mij immers geroepen?”.
Toen besefte Eli dat het de Heer was die de jongen riep. En hij zei tegen Samuël: “Ga maar weer slapen.
En mocht Hij je roepen, dan moet je zeggen: ‘Spreek, Heer, uw dienaar luistert’”.

Samuël ging dus weer op zijn gewone plaats slapen.
Toen kwam de Heer bij hem staan en riep evenals de vorige keren: “Samuël! Samuël!”.
En Samuël antwoordde: “Spreek, uw dienaar luistert”“.
Eenmaal groot geworden werd Samuël Gerechtsdienaar, Richter van God, hij gaf de juiste richting aan.
Dàt waren nog eens gezagsdragers, die leiding gaven aan een stam van Israël [de Kerk].
Samuël behoort als opvolger van de profeet Eli tot de zogeheten vroege profeten.
In zijn tijd ging het volk over op de monarchie, het koningschap.
De eerste koning heette Saul en deze werd door Samuel gewijd.
Toen Saul bij God in ongenade was gevallen, wees hij de jonge David als zijn opvolger aan.

Persoonlijke ontwikkeling
In welke taal we het ook verkondigen, in het Nederlands, in het Grieks, Russisch, Hebreeuws of Arabisch – het komt allemaal op hetzelfde neer – het gaat om het ontkomen aan de gevangenis van het tijdsbestek waar wij met z’n allen in leven. Onze leermeesters zijn niet degenen met wie wij de school bezochten teneinde een wereldse carrière te maken, ònze leermeesters zijn de armen van geest, zij, die de goddelijke boodschap nog inzien en horen.
Men behoeft ons niet te verklaren dat wij géén Latijn, Grieks, kerk-slavisch òf Arabisch kennen – we hebben genoeg meegekregen om ons te handhaven met de taal, die we van huis uit hebben meegekregen, de taal van de Heilige Geest, die van het hart.
De belangstelling van de spelleiders lijkt zich meer toe te spitsen op de verschillende talen, die in de Kerk gebezigd worden, teneinde de Boodschap dichter bij het volk te brengen. We vergeten daarbij dat de taal van de Heilige Geest, de ‘taal van het hart’ is – de taal, die wij van onze [voor-]moeders overgeleverd hebben gekregen.
De inquisiteurs treden steeds meer in de taal van de wereld en de opvoeding, die de wereldse scholing hebben meegegeven, het zijn rechters en accountants, managers geworden en de taal van het hart, van de Heilige Geest wordt niet meer gesproken.
Wie weet of het pure nieuwsgierigheid is, op grond van een soort antropologische belangstelling, of dat zij de naam in de taal van de een of andere leraar hebben getracht te vernemen of de herkomst ervan hebben trachten te achterhalen. Maar de Goddelijke Boodschap is ons allen zéér nabij, het ligt in ons hart. Het is ons ná aan het hart en dàt zal altijd zo blijven.
Als het goed is leidt de nu opkomende verbijstering tot een nieuwe nieuwgierigheid.
Hoe leven deze armen van geest eigenlijk, dient vanaf dit ogenblik de voornaamste vraag te worden. Immers zowel de profeten en de apostelen hebben de Blijde Boodschap tot op het bot herkent en hebben zich in onderlinge Liefde bij Christus aangesloten. Interesse en in het bijzonder de interesse in inzicht, is de enige succesvolle weg om uit vele angsten te geraken.
Wie dagelijks probeert vol interesse en dankbaar te leven is beschermd tegen het verlies van zijn idealisme, omdat niets de persoonlijkheid meer uit zijn evenwicht kan brengen; deze heeft de vlam van de 10 maagden brandend gehouden.
De persoon in kwestie is tevens beschermd tegen de twee doodlopende wegen van de zelfontwikkeling, namelijk de zelfoverschatting en de zelfonderschatting, die weer verbonden zijn met trots en angst.
Dankbaarheid en interesse worden als middelen ter overwinning in zelfopvoeding van trots en angst aangevoerd.

Maar hoe staat het met ontevredenheid? Ook hiervoor bestaat een tegenmiddel, een remedie. Dit middel is het beoefenen van geduld.
Heer, geef mij geduld en wel onmiddellijk!”.

Ontwikkeling zonder geduld is volslagen onmogelijk.

Menigeen onder ons heeft vast wel eens een avocado-pit in een bloempot gestopt en wekenlang tevergeefs gewacht tot er een avocado-plant zou gaan ontspruiten.
Heb je toen niet telkens voorzichtig gekeken of er nog niets te zien was?
Maar op zekere dag komt het eerste bladpuntje te voorschijn en dan gaat het plotseling -onder invloed van zon, licht, water en vruchtbare grond- zeer  snel.
Elke stap in het aardse leven heeft tijd nodig. Wie zichzelf de tijd niet geven kan en wie het anderen ook niet wil gunnen, kweekt een klimaat van ontevredenheid, dat werkt altijd storend op de ontwikkeling.

Onze tijdsperiode is sterk ontwikkeld op technische vooruitgang; dit heeft echter ook zijn terugslag op mensen. Instinctief eist de mens van zichzelf, dat hij/zij zelf of een sociaal verband net zo foutloos dient te functioneren als een machine.
Dat is een volslagen onmenselijke gedachte en dat verlangt God ook niet van ons. Want een mens is nooit voleindigd, ‘nooit als God’, altijd in wording en daardoor volstrekt ongelijk aan een machine, die altijd slechts voor een doel geconstrueerd is, om te produceren en dan ook perfect en foutloos dient te functioneren.

De mens geeft zijn omgeving voortdurend opnieuw vorm, brengt veranderingen aan en gaat er nooit in op en daardoor is de mens nooit helemaal op z’n plaats in z’n omgeving. De mens streeft altijd naar verheffing, naar iets daar bovenuit, naar een nieuwe Hemel en een nieuwe aarde, naar het Goddelijke.
Het is zaak om dit ontwikkelingsvermogen van de mens in samenhang met de daarmee verbonden onvolmaaktheid en onafheid in z’n betekenis voor het menszijn opnieuw te waarderen. Dan valt het ook weer gemakkelijker om geduld te beoefenen, zodat er een beschermde ruimte voor ontwikkelingsprocessen ontstaat.

Hiermee helpt het, indien je de een of andere kunstzinnige activiteit onderneemt. Het maakt daarbij niet uit of je kunt schrijven, goed kunt zingen of een muziekinstrument kunt bespelen, iconen gaat schilderen of een expressieve podiumkunst gaat beoefenen. Wie kunstzinnig aan de slag gaat, ook al is dit maar een of tweemaal per week, zal beleven hoeveel tijd er nodig is voor kleine vorderingen en hoeveel regelmatige oefening, voordat deze vordering werkelijk te zien is of te horen. De ware kunstenaar – ook de meest vooraanstaande is in ontwikkeling en zal nooit op zijn/haar lauweren gaan rusten.

Zo ook met de vechtsport, waarmee de Apostel de geestelijke ontwikkeling vergelijkt. Op het moment dat de betekenis van de herhaling voor het oefenen erkend wordt en er vreugde aan de herhaling ontwikkeld is, is het niet moeilijk meer om het noodzakelijk geduld op te brengen om het tot het einde aan toe vol te houden.

Dit is ook te merken aan de wijze waarop momenteel met kunst wordt omgegaan – omdat die dikwijls ook alleen nog maar geconsumeerd wordt in plaats dat er geoefend wordt en omdat er naar [onmiddellijke] perfectie gestreefd wordt in plaats van door het beoefenen van de kunst ontwikkelingsmogelijkheden te ontdekken – er ook toe bijdraagt, de vreugde van het beoefenen van kunst en religie wordt ondergraven.

      Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen?
God is het, Die rechtvaardigt; wie zal veroordelen?
Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die
ter rechterhand
Gods is, Die ook voor ons pleit.
Wie zal ons scheiden van de Liefde van Christus?”.

4e Zondag van de Vasten – Heilige Johannes Climacos – van de Ladder

Roeping van Mattheüs, Catharijne Convent, Utrecht; Κάλεσε τον Ματθαίο; استدعاء ماثيو; Calling Matthew.

      En Hem volgden vele menigten uit Galilea en Decapolis en Jeruzalem en Judea en het Over-Jordaanse.
       Toen Hij nu de menigte zag, ging Hij de berg op en nadat Hij Zich had neergezet, kwamen zijn discipelen tot Hem. En Hij opende Zijn mond en leerde hen, zeggend:
       Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
       Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.
       Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
       Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
       Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.
       Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.
       Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.
       Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
       Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.
       Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want
zo hebben zij de profeten voor u eveneens vervolgdMatth.4: 25-5;12.

    Want de vrucht van het Licht bestaat in louter Goedheid en Gerechtigheid en Waarheid -, en toetst wat aan de Heer welbehaaglijk is.
       En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmaskert ze veeleer, want het is zelfs schandelijk om te noemen, wat heimelijk door hen wordt verricht; maar wanneer dat alles door het Licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is Licht.
      Daarom heet het: ‘Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten‘.
     Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen, u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad.
     Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de Wil des Heren is.
     En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is, maar wordt vervuld met de Geest en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en  zingt en bejubelt de Heer van harteEph.5: 9-19.

“de oudste zoon was verontwaardigd”; “الابن البكر كان ساخطا”; “ο μεγαλύτερος γιος ήταν αγανακτισμένος”;”the eldest son was indignant”.

Alle dingen zijn mogelijk voor degene, die gelooft.
Broeders, zusters, op deze 4e zondag van de vastentijd, herinneren we ons de heilige Johannes Climacos die bekend staat als de heilige Johannes van de ladder.  De Icoon van ‘De ladder van de goddelijke weg richting de hemel’ in onze Orthodoxe Gemeenschap toont de monniken die omhoog klimmen naar Jezus Christus. Het is een metafoor voor ons leven en voor hoe we voortdurend dienen te streven naar vooruitgang, we dienen onophoudelijk de ene deugd boven de andere aan onze levensstijl toe te voegen.
Maar waar dienen we in hemelsnaam te beginnen, het is zoveel dat ons belast?
De Heer wijst ons de weg en geeft ons een handvat om te beginnen.
Hij zei tegen ons:
Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen”.
Dat zo zegt Hij als begin van de toespraak op de berg en wijst ons daarna meerdere mogelijkheden, maar dit is het fundament.
‘Trots’ vernietigt immers al wat goed is.
Armen van geest zijn, nederig zijn, herkennen wat er ‘in’ jezelf is,
herken vanuit je binnenste binnenste hoe sterk je bent, maar dat je zwak bent zonder Christus. Het is om te erkennen dat je bent zoals een mens die in de spiegel kijkt, maar in tegenstelling tot die in de Schriften, onthoudt hoe hij er even later nog steeds uitziet.
Het dient de persoon te zijn die weet dat hij tienduizend talenten schuldig is en
dat hij dit allemaal door ons Heer en Verlosser kwijtgescholden kreeg.
Dit kàn niet anders dan onderkennen dat je arm van geest bent.
En we weten heus wel dat dit helemaal geen kleine stap is.
Het is het begin, maar het is een zeven-mijl’s-laarzen stap omdat
het in directe tegenspraak is met de wereld om ons heen.
De wereld is vol trots, vol arrogantie, blinde en egocentrische eigenliefde.
En helaas zouden wij Christenen niet van deze wereld dienen te zijn, maar
we zijn in de wereld en deze is er op uit ons de das om te doen,
door ons te verleiden en van God af te wenden.
En op die wijze houden we méér van onszelf dan van anderen.
We denken véél méér aan onszelf dan aan dat wat wij voor goeds kunnen doen aan anderen.
We zetten onszelf voortdurend in vooraanstaande posities;
blazen onszelf als kikkers op om er voordeel mee te behalen.
Wanneer je kritisch naar de rode draad van je leven kijkt,
hoe alles tot nu toe is verlopen, zul je inzien dat
je helemaal niet ‘arm van geest’ bent en dit is slechts de eerste trede.
Maar om op zijn minst bij het begin te beginnen is een goede zaak.

Laten we dus onthouden dat wij de persoon zijn die de tienduizend talenten aan Zijn Heer verschuldigd is.
Wij zijn de persoon die vroeger ver weg in ballingschap was en nu opnieuw door het kloppen van Christus wordt opgewekt en door Zijn Genadegaven – waaronder het Geloof –  zijn we gered en dat dit niet uit onszelf voortkomt:
                                   Heer, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!”.

Menigeen verzucht: “Waar blijft de tijd?” We zitten nu al weer halverwege Maart! De winter is zowat voorbij en het de Lente begint te gloren.
Het verschijnsel “tijd” heeft de mensen altijd al bezig gehouden. Je zou zelfs kunnen spreken van een soort “oer-beleven” van de tijd. Het is een ervaring van de mens van alle tijden, dat de tijd vergaat. Iedereen weet, dat het ogenblik, dat wat hij nú beleeft, er stràks niet meer zal zijn, ja nooit meer zal terugkeren. Elk moment is uniek!

‘de enige keer dat je alles kunt veranderen, is nú !’; ‘ο μεγαλύτερος γιος ήταν αγανακτισμένος !’;’الابن البكر كان ساخطا!’

Vroeger gaf men tijd aan met behulp van een zandloper.
Onherroepelijk stromen de korrels door de nauwe opening en wie kan ze tegenhouden? Zo vergaat de tijd. Het glipt als ’t ware tussen onze vingers door!

Dit is dan ook voor alle mensen en alle volkeren altijd als het meest pijnlijke ervaren, dat  je de tijd niet tégen kunt houden. De tijd stroomt als maar door: van het nu tot het straks, tot het nog niet van het niet meer.
Zo beleeft de mens de tijd als een harde werkelijkheid, waar je geen vat op hebt. Ook de mens levend overeenkomstig de Blijde Boodschap van Christus heeft dat gevoel.
Hij worstelde met de tijd, tot hij gaat inzien dat het niet nodig is, omdat onze God  ‘Heer en Meester’ is ook over de tijd.
Meer en meer gaat de gelovige mens inzien, dat  God Zèlf de tijd maakt en vult met Zíjn daden.  En dat God dat altijd zal blijven doen, totdat de tijd niet meer zal zijn. Want dát is het opmerkelijke, dat zij gingen geloven, dat  eens de tijd er niet meer zou zijn! en zij niet meer kunnen bidden:
                                            Heer, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!, Heer haast U om mij te helpen”.

Tijd wordt in de Blijde Boodschap in de eerste plaats “Gods tijd”, door  God bepaalde tijd, dat wordt ook “Genade-tijd” genoemd. Voor de gelovige mens is dit een zéér troostvolle gedachte! We behoeven ons niet meer zo druk te maken over de tijd als iets van ons, want het is iets van God. En dat betekent, dat Hij er wel voor zorgen zal. Dat neemt het onzekere van de tijd weg; want, zo zegt de ascetische psalmdichter:
          Maar ik vertrouw op U, o Heer, en zeg: U bent mijn God, in Uw handen ligt mijn lotPsalm 30[31]: 18.
In al die tijden, die ons gegeven zijn, mogen we ons vasthouden aan God, Die onze tijden in de hand heeft, in Zijn hand. Dat zijn de grote daden van God, die in het verleden geweest zijn, maar tevens Gods grote daden die we nog mogen verwachten. 
Wij mogen ons hieraan vasthouden, koesteren en ons daar aan optrekken.
Zo wordt onze tijd geen lege tijd, maar gevulde” tijd: door God vol gemaakt. Elke dag wordt zo een feestdag, een dag met God. Onze tijden liggen in Zijn Hand! Een hele geruststellende gedachte. Nu kunnen we met een gerust gevoel de tijd door onze vingers laten glippen. Nu is het ook niet meer zo erg, bij het ouder worden, te bedenken dat de tijd steeds korter lijkt te worden. Immers we lopen al vooruit op de ontmoeting, in Zijn Hemels Koninkrijk.

Het enige wat ons te doen staat is de levenschenkende Wet van God te accepteren. Dit houdt in:
1.]. God te accepteren als de Schepper van alle zichtbare en onzichtbare dingen;
2.]. Jezus Christus te accepteren als de Zoon van God en als Zijn Vertegenwoordiger, Die met de opdracht naar de wereld is neergedaald om de Blijde Boodschap van God te verkondigen en de
Verlosser van de mensheid te zijn;
3.]. De Heilige Geest te aanvaarden als de geest van God en Jezus Christus;
4.]. De universeel geldige [=katholieke] Kerk te accepteren als Lichaam van Christus in de wereld;
5.]. Om Gods materiële en immateriële wetten te accepteren; en
6.]. door daaraan te gehoorzamen als beloning nu en na dit leven het eeuwig Koninkrijk te verwerven; en
7.]. als vergelding voor ongehoorzaamheid geoordeeld te worden en straf in het vooruitzicht gesteld wordt.

Het teken dat Christus beloofde aan de generatie die Hem niet en Zijn Blijde Boodschap niet zal hebben opgepakt had is ‘het teken van Jonah, de profeet’- d.w.z. ‘het teken van Zijn Eigen Wederopstanding’.
De naam Jonah [Χονάς, knieën] is de Griekse variant van het Hebreeuwse Jonah [
זונח]; de Hebreeuwse betekenis is [vredes-]duif, letterlijk: ‘kermer’, ‘klager’. Hoor maar eens hoe zij kunnen klagen, ‘s-morgens in de tuin.
Het leven van iedere asceet, van iedere geroepene, van iedere gezalfde, van iedere christen is getekend met het teken van Jonah, omdat wij allemaal zullen
leven door de kracht van Christus’ Opstanding.
Maar je ervaart tevens dat je eigen leven heel in het bijzonder van dit grote teken is voorzien, in het doopsel en de daarbij behorende verbintenis en de Myronzalving, welke de Heilige Geest heeft gebrand in de wortels van jouw wezen, want net als Jonah blijk jij te reizen naar je bestemming in de buik van
iets wat een tegenstrijdigheid lijkt te zijn, maar bij nader inzien niet tegenstrijdig blijkt te zijn, een paradox.
Het is als het ware dat je als – ‘een nachtwacht’– met de door de zuinig bewaarde Myron [olie] van de Heilige Geest jouw lamp in het leven brandend hebt weten te houden en telkenmale stil staat bij wat er dààr plaats vindt en ziet wàt er zoal omgaat in zowel je eigen hart als het hart van je naasten.
Het betreft een waarachtig beeld, een gelijkenis welke Christus ons voorhoudt voor het leven van de mens.

Climacos [de ladder]

Daarbij steekt de vergelijking van bestijging van de Ladder van Johannes Climacos, welke de Kerk ons deze 4e zondag van de Vasten voor ogen stelt schitterend af.
Het gehele leven van de mens wordt door de Heilige Geest als een adem van wind voort-gedreven en  bestijgt trede na trede tot de hand van Christus, Die ons vanuit de Hemelen wenkt.
Het vooruitzicht op ons erfdeel, het Koninkrijk der Hemelen  over de uitgestrekte zee van donkerte en gebed.
         Dit geslacht kan door niets uitvaren, tenzij door gebed.
Zal het zo zijn, tot op het moment van mijn dood?
Houdt Christus voor mij de deur open van boete en nederigheid en Hij zal mijn voeten begeleiden als op een ladder onder de maan en mij meevoeren tussen de sterren tot het Hemels Koninkrijk?

In de vroeg-Christelijke Kerk ontmoeten we Christus’ Volgelingen en de Apostelen over wie Petrus als eerste onder gelijken werd aangesteld. Er bestonden geen wetten naast Christus Blijde Boodschap en dit bevestigde de levenschenkende Wet van God, die wij vanaf Mozes al kenden.
Er werd geen regel opgelegd om hen in staat te stellen zich te handhaven door gebouwen op te richten als ontmoetingsplaats voor instructie en aanbidding, zij predikten in bestaande Synagogen.
Zij hielde hun ban van broeder- zusterschap in staand door de Liefdesmaaltijd bij elkaar thuis. Zij verhaalden elkaar van de tijd dat Christus nog onder hen was en deelden het voedsel en de geneugten, waarna zij dankten en baden tot God. 
Het bestond toen niet zoals het in de loop der tijd is ontstaan met huishoudelijk recht om het in staat te stellen zich te handhaven, grootse kathedralen te bouwen, religieuze instituten en diverse andere plaatsen voor het onderwijzen en verspreiden van de Blijde Boodschap.
In de instructies van Christus treffen wij geen enkele opdracht voor de apostelen aan die grootse organisaties of tot stichtingen zouden leiden dergelijke zaken te organiseren.

Vispassage riviertje Berkel [vanuit Duitsland, hier in Zuid-Holland],  zodat vissen weer beter stroomopwaarts kunnen zwemmen; Fish passage river Berkel [from Germany, here in South Holland], so that fish can swim better upstream again.

Christus’ instructies aan Zijn volgelingen, Zijn apostelen waren om de Zijnen te leiden, te begeleiden, de Blijde Boodschap bij te brengen en Zijn Evangelie aan ‘alle’ naties te verkondigen.
Ontkende Christus ook maar iemand het recht om Zijn Blijde Boodschap, Zijn Evangelie te verkondigen? Wij antwoorden met het meest nadrukkelijke, Neen!
Indien iemand dan de Waarheid van Zijn Evangelie met goede bedoelingen verkondigt teneinde bekeerlingen te maken voor het Christelijk Geloof, hoe verschilt zijn positie dan van die van wèlke àndere genomineerde leraar van dezelfde dingen? 
Als leraren staan ​​beiden op precies dezelfde manier en godsdienstige verheffing, beiden onderwijzen ze de essentie van de redding, beiden zijn ledematen van de Heilige Kerk van Christus, beiden volgen hetzelfde gedrag voor de christen die is voorgeschreven door het Evangelie.
      Johannes zei tot Christus: ‘Meester, wij hebben iemand, die ons niet volgt, in uw naam boze geesten zien uitdrijven, en wij wilden het hem beletten, omdat hij ons niet volgde’.
        Doch Jezus zei: ‘Belet het hem niet; want er is niemand, die een Kracht doen zal in Mijn Naam en kort daarna smadelijk van Mij zal kunnen spreken. Want wie niet tegen ons is, is voor ons’”. Marc.9:  38-40.
            ‘Niet alleen‘ voor de discipelen als groep was het nodig berispt en gecorrigeerd te worden. Evenals Petrus aan het begin van dit hoofdstuk [9] op de berg van de Verheerlijking [Thabor], verraadt Johannes, eer het hoofdstuk eindigt, de geest van egoïsme juist door de menselijke wijze waarop hij tracht aan Christus een hoge plaats te geven.
       Immers, hierdoor werd en wordt ‘de eigenlijke Heerlijkheid‘ van Christus verhuld. Wat wij hier tegenkomen is niet hetzelfde als in Mattheüs [12], waar Christus verworpen wordt door het ongeloof, waartoe de tegenstrever [de duivel] de mensen had aangezet, een ongeloof dat blind is voor het getuigenis van de Heilige Geest, Gods Geest, en dat die getuigenis haat en lastert.
Dan is èlk compromis onmogelijk, èlk halfslachtigheid gevaarlijk en fataal:
Wie niet met mij is, is tegen mij en wie niet met Mij verzamelt, verstrooitMatth.12: 30.
Gaat het om een keuze tussen Christus òf de macht van de duivel, waardoor het Licht wordt weggenomen en gelasterd, dan is de énig veilige plaats: ‘met Christus zijn’ en het énige wat we voor Hem kunnen doen is: ‘met Hem verzamelen’.
Maar wanneer een dergelijke kwestie ‘niet‘ aan de orde is en iemand naar de mate van zijn kennis trouw is aan de Naam van de Heer — laten wij hem dan met blijdschap erkennen, ook al is hij weinig bekend, heeft hij geen diploma’s en zou hij daardoor maar weinig weten òf heeft de persoon in kwestie geen wijding ondergaan.
De grootste heiligen van de Kerk hadden veelal géén ènkel diploma of opleiding genoten, maar werden onderwezen door de Heilige Geest. Laten —ook wij— dan met vreugde de eer erkennen die de Heer hem zo duidelijk schenkt, ook al volgt hij ‘òns’ niet [altijd]. Hij is immers geen vijand van de Naam des Heren, want zijn naam heeft Christus als de beste erkend.
In een dergelijke situatie zegt de Heer: “Wie niet tegen ons is, is voor ons”.
Wie de Naam des Heren eert, al is het maar in de kleinste dingen, zal niet vergeten worden; maar het verachten van die Naam en het tot struikelen brengen van zelfs de geringste gelovige, leidt tot verderf van de persoon, die zich daaraan schuldig maakt [41,42].

Onze Heer en Verlosser knoopt hier nog een waarschuwing aan vast, die diep ernstig genomen dient te worden:
“En indien uw hand u tot zonde verleidt, houw haar af. Het is beter, dat gij verminkt ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee handen ter helle vaart, in het onuitblusbare vuur, [waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust].
En indien uw voet u tot zonde zou verleiden, houw hem af. Het is beter, dat gij kreupel ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee voeten in de hel geworpen wordt, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust. En indien uw oog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit. Het is beter, dat gij met een oog het Koninkrijk Gods binnengaat, dan dat gij met twee ogen in de hel geworpen wordt, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust” Marc.9: 43-48.
Het drie maal herhaald worden: “ waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust” dient iemand, die geraakt is in z’n geweten in de oren te klinken als het luiden van de doodsklok,  die een misdadiger z’n executie aankondigt.
      Want wij dienen allen voor de rechterstoel van Christus te verschijnen en het zal openbaar worden, opdat een ieder zal wegdragen wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naar datgene wat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
Daar wij dan weten, hoezeer de Heer te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen; voor God echter is ons bedoelen openbaar en, naar ik hoop, is het ook in uw geweten openbaar” 2Cor.5: 10,11.
Voor de discipelen is er echter ook een directe toepassing.
Want ook al is het waar dat:   een ieder met vuur gezouten zal worden”, het is evenzeer waar dat “elke offerande met zout gezouten zal worden”.
Terwijl de eerste uitspraak zich, naar ik meen, tot elke mens als zodanig uitstrekt, heeft de tweede nadrukkelijk en uitsluitend betrekking op de Gelovigen, de Heiligen, die door God zijn afgezonderd.
” Het zout is goed; indien het zout echter zoutloos wordt, waarmee zult gij het smaak geven?  Hebt zout in uzelf en houdt vrede onder elkander” Marc.9: 50.
Een eerste vereiste is dat deze Heilige, bederfwerende Kracht in onszelf aanwezig is en blijft; en vervolgens dat wij onder elkaar een geest van Vrede hebben.
De broeder des Heren formuleert dit nog als volgt:
      Wie is wijs en verstandig onder u?
Hij dient uit zijn goede wandel door zijn werken te tonen met wijze zachtmoedigheid.
Indien gij echter bittere naijver en zelfzucht [hoogmoed] in uw hart hebt, beroemt u dan niet en liegt niet tegen de Waarheid.
Dat is niet de wijsheid, die van boven komt, maar zij is aards, on-geestelijk, duivels; want waar naijver en zelfzucht [hoogmoed] heerst, daar is wanorde en allerlei kwade praktijk.
Maar de Wijsheid van boven is vooreerst rein, vervolgens vreedzaam, vriendelijk, gezeglijk, vol van ontferming en goede vruchten, onpartijdig en ongeveinsd. Maar gerechtigheid is een vrucht, die in vrede wordt gezaaid voor hen, die vrede stichten
Jac.3: 13-18

Vastengebed:
”   Heer en Meester van mijn leven,
bewaar mij voor de geest van traagheid,
moedeloosheid, heerszucht en ijdel gepraat.
           Maar schenk mij; uw dienaar,
          een geest van ingetogenheid,
          nederigheid, geduld en liefde.
Ja, Heer en Koning,
doe mij mijn eigen fouten zien
en niet mijn broeder veroordelen,
          want Gij zijt gezegend
          in de eeuwen der eeuwen,  Amen”.
Heer, reinig mij van mijn zonden” [10x].

Troparion     tn.8
  De stroom van uw tranen heeft de onvruchtbare woestijn doen bloeien,
en door uw zuchten uit de diepte heeft uw arbeid honderdvoudig vrucht gedragen.
Zo zijt gij, onze heilige vader, een ster gewoonden,
die heel [met behulp van Christus] de wereld verlicht door Uw wonderen.
Bid tot Christus onze God, om onze zielen te redden
”.

Kondakion     tn.4
  Op de bergtop der onthouding heeft de Heer u geplaatst
als de waarachtige ster die niet tot dwaling verleidt,
en die straalt toto aarde einden der aarde,
wegwijzer, baken in de wilde zee, Vader Johannes
”.

“De Heer verheft ons door ons te laten drinken
van Zijn Bloed uit de kelk, deelgenoot te worden aan Zijn Lijden”.

Heilige Johannes Climacos
De Heilige Johannes Climacos wordt door de Kerk geëerd als een grote asceet en
als de auteur van een opmerkelijk werk met de titel “De ladder van goddelijke opgang” en daarom kreeg hij de titel “Climacos” òfwel “van de ladder”.

Er is heel maar heel weinig informatie over zijn afkomst bewaard en zo hoort het ook, een asceet verslindt zijn leven in eenvoud en stilte.
De traditie vertelt ons dat hij rond het jaar 570 werd geboren en de zoon was van de heilige Xenophon en Maria, die op 26 januari/ 28 februari worden herdacht. De Heilige Johannes kwam op 16-jarige leeftijd naar het klooster op de berg Sinaï in Egypte. Hegoumen, vader abt, Aba Martyrius werd zijn geestelijke vader en mentor. Vier jaar na zijn aankomst en verblijf op de berg Sinaï, werd Johannes, pas 20 jaar oud, tot monnik gewijd. Een van de daarbij aanwezige vaders voorspelde dat Johannes een groot licht zou worden van de kerk van Christus. Heilige Johannes werkte negentien jaar lang in ascese aan zichzelf, in gehoorzaamheid aan zijn geestelijke vader. Na de dood van Abu Martyrius, koos Johannes voor een leven in eenzaamheid en trok zich in een kluizenaarsverblijf terug in de woestijn met de naam ‘Thola’, waar hij veertig jaar in stilte doorbracht in vasten, gebed en tranen van berouw.
Het is niet toevallig dat de Heilige van de ladder zich op deze manier gedroeg, immers:
Zoals vuur brandt en dood hout vernietigt, reinigen zuivere tranen elke vorm van onzuiverheid, zowel innerlijk als uiterlijk”. Zijn gebed was krachtig en had zijn uitwerking – dit is op te maken door het volgende voorbeeld vanuit het leven van de grote asceet.
      Johannes had een discipel, zoals bij vele kluizenaars, de monnik Mozes.
Op een dag stuurde Johannes zijn discipel om de aarde op de tuinbedden om te spitten. Terwijl hij zijn dienst van gehoorzaamheid vervulde, geraakte deze monnik Mozes vermoeid als gevolg van de felle zomerhitte en leunde achterover in de schaduw van een grote bergwand. De Heilige Johannes was op dat moment in zijn cel en nam een beetje rust na zijn gebedsarbeid. Plotseling verscheen een mensengedaante met een eerbiedwaardig voorkomen en die wekte de asceet op en bestrafte hem: “Johannes, waarom rust je hier vredig terwijl je volgeling Mozes in gevaar is?” Johannes, de ‘Syrische kluizenaar‘ stond onmiddellijk op en begon te bidden voor zijn reisgenoot.
     Toen Mozes die avond terugkeerde, vroeg de heilige hem of hem die dag iets bijzonders was overkomend. De monnik antwoordde: “Nee, maar ik was in groot gevaar, een grote rots brak af van een bergwand waaronder ik ‘s middags in slaap was gevallen en me bijna had verpletterd. Gelukkig had ik een droom waarin jij mij riep en ik sprong op en rende weg; op dat moment viel een enorme rots met een botsing op dezelfde plek waar ik was … “.

Hij offerde Zich op voor degenen die hem haatten en gekruisigd, maar liet zijn vader hen vergeven – vader, vergeef hen, ze weten niet wat ze doenLuc. 23: 34.

                Uit het leven van de Heilige Johannes is bekend geworden, dat hij at wat toegestaan was overeenkomstig de vastenregel, maar dat hij dat binnen de maat deed. Hij sliep niet ’s-nachts niet doorlopend, hij sliep nooit meer dan nodig was om door zijn inzet de onophoudelijke waakzaamheid te ondersteunen en zijn geest door lange afwezigheid van z’n gebed niet negatief te beïnvloeden.
           Ik heb niet te snel voortbewogen“, zei hij over zichzelf, “ik heb geen verheffende nachtwake geleid, noch heb ik op de grond geslapen, maar ik heb mezelf vernederd ….. en de Heer heeft mij in m’n vasten gered”.
Het volgende voorbeeld van Johannes’ nederigheid is opmerkelijk.
Getalenteerd met een sterke, scherpe geest, die door een diepe spirituele ervaring tot bloei in wijsheid door de Heer was gevormd, leerde hij iedereen die naar hem toe kwam en leidde hen naar redding. Maar toen bepaalde anderen uit jaloezie hem beschuldigden van spraakzaamheid, waarvan zij zeiden dat dit voortgekomen was uit ijdelheid, besloot Johannes zich aan de ‘gelofte van stilte
[hesychasme] te houden om niemand zich ten opzichte van hem te laten onderwerpen en bleef dus een jaar lang z’n mond dicht te houden, reageerde dus gewoon nergens meer op – géén adviezen, géén woord, alles was hem om het even; gewoon goed.
Degenen, die zijn kwaliteiten, bekritiseerd hadden, gaven hun fout toe en smeekten de asceet om hen niet langer te beroven van zijn opbouwende en slechts verheffende instructies.
      Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren [het verkondigen van het goede, datgene wat de Blijde Boodschap ons mensen leert]. Doch, als het volmaakte komt, zal het onvolkomene [hetgeen ons beperkt, incompleet maakt] afgedaan hebben1Cor.13: 9,10.

Om zijn ascetische arbeid voor de mensen verborgen te houden, trok de Heilige Johannes zich terug in z’n eenzame grot, maar de roem van zijn heiligheid strekte zich ver buiten zijn verblijf uit en mensen uit alle lagen van de bevolking kwamen naar hem toe op zoek naar een woord ter verheffing en redding.
Toen hij na veertig jaar ascetische arbeid in eenzaamheid, vijfenzeventig jaar oud geworden was, werd de heilige gekozen tot abt van het klooster van de Heilige Catharina op de berg de Sinaï.
De Heilige Johannes Climacos had gedurende vier jaar lang de leiding over dit heilig [I.M.] klooster. De Heer schonk hem tegen het einde van zijn leven vele Genadegaven, inclusief helderziendheid en liet hem wonderwerken verrichten.
Tijdens de periode dat hij als abt was aangesteld bezocht de andere bewindvoerder [abt] van het Raithu-klooster [zijn gedenkdag is zaterdag van de week van de melkonthouding] met het vriendelijk verzoek de beroemde ‘Ladder- instructies’, die hij verkondigde voor hem op te schrijven, teneinde eveneens gevoed te worden in de opgang naar spirituele perfectie.
De dertig treden van de ladder beschrijven de weg van de ascetisch ingestelde mens: ” Trouw zijn aan je keuze; vrij zijn; bewust de woestijn ingaan; gehoorzaam zijn aan het Woord; boetvaardig zijn; de dood ten alle tijde indachtig zijn; verdriet kunnen hebben; niet kwaad worden en zachtmoedig zijn; kwaad kunnen vergeven en vergeten; geen kwaad spreken; niet kletsen; oprecht zijn; nooit vertwijfeld raken; niet toegeven aan gulzigheid; kuis zijn; niet gierig zijn; armoede kunnen aanvaarden; bij jezelf trachten te komen; niet te veel toegeven aan slaap; alert zijn; niet bang zijn; niet op eer uit zijn, fouten durven te maken; niet trots zijn; zachtmoedig en eenvoudig zijn, argeloos zijn en het kwaad niet zoeken; bescheiden zijn; onderscheid kunnen maken; innerlijk stil zijn; kunnen bidden; zich door niets in de war laten brengen; vol zijn van Geloof, Hoop en Liefde“. Zijn leer was naast z’n eigen broeders óók bij andere kloosters in de omgeving bekend geworden< 
Namens zijn medebroeders verzocht de andere abt Johannes van Raithu, wetend van de wijsheid en geestelijke gaven van deze heilige, om “ware instructie voor hen die onwrikbaar op zoek zijn, en een soort standvastige ladder voor degenen die ernaar verlangen hen naar de hemelse poorten zal brengen … ”
De Heilige Johannes, Climacos, die een bescheiden mening had over zichzelf, verwierp deze opdracht in eerste instantie, maar ging vervolgens, uit van zijn gehoorzaamheid aan een meerdere, over tot het schrijven van de verhandeling en kwam de monniken van het Taithu-klooster tegemoet en daarmee tevens allen, die in de loop van de tijd van zijn leer kennis hebben genomen.
Hij noemde daarmee het werk wat ‘door de Heilige Geest’ geleid uit zijn handen kwam, ‘de ladder’. Daarmee zijn keuze voor het leven uitleggend: “Ik heb een ladder ter opgang opgebouwd ….. van aarde tot heiligheid ….. Ter ere van de dertig jaar, die de Heer hier op aarde doorbracht heb ik een ladder van dertig treden gebouwd, hetgeen als we deze gebruiken bij de opgang naar het tijdperk van de Heer, we zullen als gerechtvaardigd worden ontvangen en beveiligd worden voor de val in de duivels gewesten”.
Het doel van deze verhandeling was om ons aan te leren dat zelfverloochening en intense ascetische arbeid [het overwinnen van moeilijkheden] vereist, noodzakelijk voor het bereiken van Christus redding.
De ladder geeft aan dat we:
1.]. De reiniging voor van zondige onzuiverheid dienen te ondergaan, ‘het ontwortelen‘ van ondeugden en passies van de ‘oude mens‘;
2.]. Het toont het herstel aan van Gods beeld in de mens.
Hoewel het boek voor monniken is geschreven, zal elke christen die in de wereld leeft een betrouwbare gids vinden om òp te klimmen naar God.
Pijlers van het geestelijk leven zoals de Heilige Theodoros, de Studite,
de Heilige Sergios van Radonezh, de Heilige Joseph van Volokolamsk en
anderen grote asceten wezen voortdurend op deze instructie van ‘de Ladder
als het beste boek voor ziel’s-besparende instructies.

De inhoud van één van de stappen van ‘de Ladder’ [nr. 22]
bespreekt de moeizame inzet tot het ontwortelen van de hoogmoed, de ijdelheid.
H. Johannes Climacos schrijft:
    Net als de zon, die op allen hetzelfde schijnt, woekeren stralen op elke bezigheid. 
Wat ik bedoel is dit: ik vast en breng verandering aan in m’n hoogmoed, m’n ijdel gedrag.
– Ik stop met vasten zodat ik niet langer aandacht heb voor mijzelf op m’n geestelijke weg en ik word hoogmoedig [ijdel] over mijn voorzichtigheid. 
– Ik kleed me goed of slecht en ben in beide gevallen ijdel. 
– Ik praat of ik blijf stil en elke keer wordt ik in mezelf teleurgesteld, ben ik verslagen. 
– Het maakt niet uit hoe ik die stekelige zaken van mij afstoot, er blijft altijd een piek over om me tégen te werken in m’n goede bedoelingen, tégen het feit dat ikzelf tracht op te staan”.

Een hoogmoedig, ijdel mens is een gelovige afgodendienaar.
Het blijkt dat bij de menselijke inspanning om God te eren, de mens er op uit blijkt om God ‘niet‘ te behagen, en daarentegen slechts de mensen, dus zichzelf behaagt.
– Om een opschepper te zijn, om te pronken en pracht en praal te zoeken,
dien je verrukkelijk te zijn en de mensen een opgewonden gevoel te geven, alles dient bij jou voorzien te zijn van aanzien en grote opsmuk, je kunt niet anders dan jezelf op te blazen tot een belachelijke kikker, dat hoort immers zo bij jouw functie.
– Jij bent de belangrijkste en iedereen dient zich naar jouw wensen te richten.
        Echter door jezelf zó te blijven opstellen heeft het vasten geen zin.
– Het vasten van zo iemand blijft ten alle tijde onbeloond en het bijbehorend   gebed zal altijd nutteloos blijken te zijn, omdat deze persoon zowel het vasten als het gebed beoefent om lof te winnen.
– Een gulzige asceet bedriegt zichzelf dubbel, vermoeit z’n lichaam en krijgt geen beloning ….. bouwt geen ontzag op in het Koninkrijk der Hemelen.
– De Heer verbergt ons maar al te vaak zelfs de perfecties die we hebben verkregen. Maar de mens, die ons [de hemel in] prijst, of liever, die ons misleidt, opent onze ogen met zijn woorden en indien en wanneer onze ogen eenmaal zijn geopend, verdwijnen onze schatten als sneeuw voor de zon.
De vleier [en de medestanders, die je om je heen verzameld hebt] is een dienaar van de duivel, een leraar van trots, de vernietiger van berouw, een ruïne van de deugden, een perverse gids.
– De profeet zegt: Degenen die u eren, misleiden u; letterlijk:
Wee de goddeloze, het zal hem slecht gaan, want het werk van zijn handen zal hem worden vergolden. De tirannen [despoten] van Mijn Volk, zijn kinderen en vrouwen overheersen het.
Mijn Volk, uw leiders zijn verleiders en zij maken de weg die u tot pad moest zijn, tot een doolweg.
De Heer maakt Zich gereed om Zijn Rechtsgeding te voeren en Hij staat klaar om volken te richten.
De Heer zal in het Gericht gaan met de oudsten en de vorsten van Zijn Volk; gij toch, gij hebt de wijngaard verwoest; wat de ellendige ontroofd is, is in uw huizenIsaiah 3: 11-14.
       Mensen met een hoge geest ondergaan nobel en gewillig aanstoot.
Maar alleen de gewone heiligen en de Heiligen kunnen ongeschonden door lof gaan. 
Niemand kent de gedachten van een mens, behalve de geest in hem/haar.
      Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods. Wij nu hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij [gewone mensen] zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is1Cor.2: 11,12.
Vandaar dat degenen die ons willen prijzen voor ons gezicht, beschaamd zijn en dienen te zwijgen, derhalve ‘stil’ [als een hesychast] dienen te zijn.

Wanneer je hoort dat je buurman of je vriend je achter je rug heeft aangeklaagd of zelfs in je aanwezigheid verraad pleegt, laat hem slechts Liefde zien en probeer hem desondanks een complimentje te geven. Het is een grote prestatie om de lof van mensen van je ziel op te halen, groter is het nog  om de lofprijzing van demonen te verwerpen.

Het is niet de zelfkritiek die haar nederigheid onthult
[want heeft niet iedereen op de een of andere manier slechts met zichzelf te doen?]. Het is eerder de mens die blijft houden van de persoon die hem heeft bekritiseerd …..

Onze naaste is niet zozeer geraakt door een oprechte en nederige manier van praten en de manier waarop het gedrag dit aan het daglicht brengt.
Het is een voorbeeld en een aansporing voor anderen om nooit hoogmoedig te worden, trots en anderen te vernederen. En er is niets hiervan dat hier enig voordeel uit behaalt …..

De Heer vernedert de ijdele mensen vaak door hen te schande te maken.
En inderdaad, de eerste stap in het overwinnen van de hoogmoed, ijdelheid is
om enkel maar te zwijgen en schande maar al te graag te verdragen, te aanvaarden.
– Het middel om elk stadium, elke daad van ijdelheid te bedwingen is het te trachten kwijt te geraken, zodra de gedachten ook maar opkomt.
– De afsluiting en het achter je laten is het moment –  dat er sprake is van een einde komt aan de val; het is de vernedering voor anderen accepteren zonder het nog langer echt te voelen …..

Wanneer degenen die ons prijzen, of liever degenen die ons op een dwaalspoor brengen, ons persoonlijk beginnen te verheffen, dienen we daaraan voorafgaand
de veelheid van onze tekorten, onze zonden te herinneren en op deze manier zullen we ontdekken dat we niet verdienen wat er in onze zonden wordt toegezegd of aangedaan, onze eer.

Deze en andere uitspraken die we in De Ladder kunnen vinden, dienen als een voorbeeld van
  die heilige aandachtige inzet, die  voor onze redding die nodig is
  voor iedereen die een vroom leven wil leiden;
  deze geschreven verhandeling, is de vrucht van overvloedige en subtiele observatie
van de eigen ziel van de mens samen met een zeer diepe spirituele ervaring;
  het vormt iets waarmee je je een groot voordeel kunt doen
en is gids op het pad van Waarheid en Goedheid.

licht in een kerkje, in een ijzige koude wereld; نور في كنيسة ، في عالم بارد كالثلج; το φως σε μια εκκλησία, σε έναν παγωμένο κόσμο; light in a church, in an icy cold world.

     De treden van ‘De Ladder’ zijn de opgang van Genade op Genade, van kracht naar kracht op het menselijke pad naar perfectie, die alleen geleidelijk en niet van de een op de andere dag kan worden bereikt; want, in de woorden van de Heiland, lijdt het Koninkrijk der hemelen aan geweld en de gewelddadigen nemen het met geweld aan:
      Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar. Want al de profeten en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes toe; en indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia [Hebr. ‘Jahweh is (mijn) God’], Die komen zou. Wie oren heeft, die hore!Matth.11: 12-15.
      Kom, Heer Jezus! kom.
En de Genadegaven van de Heer Jezus Christus zij met allen” conf. Apocalyps 22: 20,21.

Orthodoxie & Christelijk samenleven – Alles is rein voor de reinen

de oerknal; the big Bang; الانفجار الكبير; το μεγάλο κτύπημα.

        In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is.
           In het Woord was Leven en het Leven was het Licht der mensen; en het Licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen.
Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes; deze kwam als getuige om van het Licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden.
Hij was het Licht niet, maar was om te getuigen van het Licht. Het waarachtige Licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld.
           Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem [het Licht] geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen” John.1: 1-11.

Apostle Titus & Paul holding Crete

Paulus, een dienstknecht van God, een apostel van Jezus Christus, naar het Geloof van  de uitverkorenen van God en de erkentenis van de Waarheid, Die naar de godsvrucht is, in de Hoop op het Eeuwige Leven, Dat God, Die niet liegt, voor eeuwige tijden beloofd heeft, terwijl Hij te zijner tijd Zijn Woord heeft openbaar gemaakt in de Verkondiging, Die mij is toevertrouwd in opdracht van God, onze Heiland: aan Titus, mijn waar kind krachtens (ons) gemeenschappelijk Geloof:
Genade zij u en Vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heiland.
                                  ‘ Ik heb u op Kreta achtergelaten met de bedoeling, dat gij in orde zoudt brengen hetgeen nog verbetering behoefde, en dat gij, zoals ik u opdroeg, in alle steden als oudsten zoudt aanstellen mannen, die onberispelijk zijn, een vrouw hebben, die        gelovige kinderen hebben, die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of van geen tucht willen weten.
Want een opziener moet onberispelijk zijn als een beheerder van het huis Gods, niet aanmatigend, niet driftig, niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, niet op oneerlijke winst uit, maar gastvrij, met liefde voor wat goed is, bezadigd, rechtvaardig, vroom, ingetogen,  zich houdende aan het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen.
                                Want velen willen van geen tucht weten: het zijn ijdele praters en  misleiders, vooral die uit de besnijdenis zijn.
Men moet hun de mond snoeren, daar zij gehele gezinnen ondersteboven keren en, om oneerlijke winst te maken, onbehoorlijke dingen leren.
Iemand uit hun kring, hun eigen profeet, heeft gezegd: ‘ Leugenaars zijn de Kretenzen altijd, beesten en vadsige buiken’.
Dit getuigenis is waar. Daarom, weerleg hen kortweg, opdat zij gezond mogen zijn in het Geloof, en niet het oor lenen aan Joodse verdichtsels en geboden van mensen, die zich van de Waarheid afkeren.
Alles is rein voor de reinen, maar voor hen, die besmet en onbetrouwbaar zijn, is niets rein. Maar bij hen zijn zowel het denken als het geweten besmet. Zij belijden wel, dat zij God kennen, maar met hun werken verloochenen zij Hem, daar zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn en niet deugen voor enig goed werk’Titus 1: 1-16.

Door de eeuwen heen heeft de Kerk veel grote wetenschappers voortgebracht. Het was bijvoorbeeld de Belgische priester en fysicus Georges Lemaître, professor aan de Katholieke Universiteit Leuven, titulair kanunnik [1894-1966], die in 1927 de  de grootste ontdekking in de moderne kosmologie – ons universum breidt zich uit. Vier jaar later stelde hij voor dat het universum begon met één “enkele kwantum” – hetgeen we ‘nu‘ de oerknal noemen. Alleen al de hoge kerkelijke onder-scheidingen, die hij ontving laten zien, dat deze theorie het Geloof vanuit de Joods-Christelijk Traditie niet tegenspreekt. Er was in het begin zelfs veel tegenstand van buiten de Kerk tegen de ideeën van Lemaître, lid van de broederschap ‘Amis de Jésus’. Hij werd zelfs gesteund door paus Pius XII, die in 1958 overleed.
Hoewel het geen direct wetenschappelijk bewijs is van de schepping door God, is de theorie van de Oerknal in overeenstemming met de schepping uit het niets, die begon met Licht, met het Woord, want God sprak en het was Gen.1: 3.
Wij kunnen zonder probleem God zien als de aansteker van dat scheppende vuurwerk, zo’n 14 miljard jaar geleden!

Moshe at the Burning Bush, Sarajevo Haggadah

De meeste dagen van ons gewone mensen verlopen eentonig, om niet te zeggen saai; waarschijnlijk, net zoals de dagen van de herder Mozes.
Iedere dag hetzelfde liedje in de poging z’n schapen in beweging te krijgen, even blijven op een plek waar nog gras is en dan eventjes terug en nog verder trekken.
Liep hij alleen, of zou hij de enige zijn geweest, die zich door die vlammen van de Heilige Geest liet verrassen? Misschien was er wel een collega-spelleider die riep: ‘loop toch door! Wij hebben wel wat anders te doen dan naar een brandje [in ons hart] te kijken’.
Zo kan ik mezelf voorstellen dat onze Heer, Jezus Christus de aandacht van Zijn toehoorders richtte op de vogels in de lucht, het gras en de de bloemen [en de Wind, Die er over heen waait] op het veld. Sommigen van hen mopperden:
Wat een onzin! Praat toch over serieuze zaken; de bezetting door de machthebbers, het onrechtvaardige belastingsysteem [die de multinationals, de geldwisselaars en de belastinginners [voor hun oorlogen en eigen baten] ten goede komt’.
Maar Onze Heer maakt een sprong: door middel van de gewone dingen, zichtbaar en voelbaar voor allen [rijk en arm, zakkenvullers en sloebers] te maken, wijst Hij ons de weg naar de gever van alle Goeds, God onze Vader, Die in de Hemelen verblijft en nimmer gezien is. Christus opent ons voor de Verwondering – het Mysterie van het Leven – en de daarbij behorende dankbaarheid aan de Schepper van Hemel en aarde.

Bespiegelende observatie – weergave van de Verrezen Heer:

Christus verschijnt na Zijn Verrijzenis aan Maria Magdalena, Rembrandt; Christ appeared after His Resurrection to Mary Magdalene – by Rembrandt; يظهر المسيح لمريم المجدلية – بواسطة رامبرانت بعد قيامته; Ο Χριστός εμφανίστηκε μετά την Ανάστασή Του στη Μαρία Μαγδαληνή – του Ρέμπραντ

Het beeldt niet de ‘terugkerende‘ Christus van de eerste Evangeliën uit, maar
de Christus, Die in de gehele Blijde Boodschap van Johannes, de Theoloog ‘een  Lichtfiguur’ weerspiegelt, Die ‘de dood’ heeft overwonnen; Hij ziet de toeschouwer – met half gesloten ogen – aan, die vol begrip en mededogen zijn.
Boven zijn hoofd is een nimbus nauwelijks zichtbaar, Zijn volle baard en Z’n lang, krullend haar suggereren Z’n Wijsheid; de wonden als gevolg van de kruisiging zijn op het ontblote lichaam verdwenen.
Op Z’n schouders ligt een mantel in de witte kleur van onschuld gedrapeerd, die naar links valt en aan de rechterkant gerimpeld is . . .
Het licht valt op de blote borst en op een deel van het gezicht met het doordringend uitziende rechteroog, dat een centrale plaats op de afbeelding lijkt te innemen, zelfs het in schaduw wegvallende linkeroog straalt een bepaalde kracht uit.
Het is precies dit contrast van licht en donker dat zo dicht bij de Johannitisch beschreven  Icoon van de ‘Verrezen Heer‘ komt.
De afbeelding ‘Christus’ van de hand van de Nederlandse Kunstschilder Rembrandt Harmen’s-zoon van Rijn is nog steeds gehuld in het schaduwrijke halfdonker; maar alles wacht op het Licht dat uit de vergrote haard komt om te reflecteren op de persoon van de waarnemer en voor de figuur van de Verrezene om gehuld te worden in pure helderheid . . .

Christelijk samenleven

Christus geneest de zieken, ets Rembrandt – Teylers Museum Haarlem.

Wat een mens waard is, kunnen wij gewoonlijk te weten komen aan datgene, waartoe hij zich in het leven wezenlijk verhoudt. Wij noemen onszelf nog steeds Christenen en zouden daarmee willen uitdrukken, dat er in ons leven niets waardevoller bestaat dan Die wel meest raadselachtige Persoonlijkheid  uit de geschiedenis van de mensheid, Jezus van Nazareth.
Vanuit Hem trachten wij te leven, aan Hem hebben wij te danken, wat wij ‘christenen’ ‘het Leven’ noemen. Wij leven vanuit onze Joods-Christelijke Traditie.
De naam christenen, zo lezen we in het boek Handelingen van Lucas, is al heel vroeg ontstaan, voor het eerst in de gemeenschap te Antiochië, aan de kust van de Middellandse zee, net ten noord-westen van Syrië, in de golf, waar ook het eiland Cyprus is gelegen.
Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen van God te worden, hun, die in Zijn Naam geloven; Die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van een man, doch uit God geboren zijnJohn.1: 12-13
Ondanks Zijn Goddelijke Waardigheid nam ‘God Zelf’ de menselijke natuur aan, Hij sloeg Zijn Tempel –‘in ons’– op, opdat wij – ‘Zijn Heerlijkheid’ – mochten aanschouwen.
Immers Mozes vroeg God: “    Doe mij toch Uw Heerlijkheid zienEx.33: 18 en
Isaiah roept ons op het Verbond met de Heer indachtig te zijn: “  Sta op, word verlicht, want uw Licht komt en de Heerlijkheid des Heren gaat over u op. Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Here opgaan 
en zijn heerlijkheid zal over u gezien wordenIsaiah 60: 1,2 en
de Apostel verklaart:“   Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de Kracht en de Komst van onze Heer Jezus Christus hebben verkondigd, maar 
wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn Majesteit. Want Hij heeft van God, de Vader, Eer en Heerlijkheid ontvangen, toen zulk een stem van de Hoogwaardige Heerlijkheid tot Hem kwam: “Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb2Petr.1: 16,17.
Hij toonde ons Zijn roemrijke Glorie, want een degelijke eer, die een mens vervuld – kan alleen met Genadegaven en Waarheid aan de eniggeboren Zoon door God, de niet-zichtbare Vader, verleend worden.
Aldus is het Woord vlees geworden en Het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn Heerlijkheid aanschouwd, een Heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader, vol van Genade en WaarheidJohn.1: 14.

Rembrandt, Boerengezin, onderweg [1652 – Teylersmuseum, Haarlem]; Rembrandt, οικογένεια των αγροτών, στο δρόμο [1652 – Teylersmuseum, Χάρλεμ]; رامبرانت ، عائلة المزارعين ، في الشارع.
De Grieks naam ‘Christen’ betekent niet alleen maar ‘mensen’, die de ‘Gezalfde’, de Christus volgen, hij kan ook betekenen: de Chrestoi [Χρήση του] en dat kan neerziend zoveel betekenen als: ‘prettige mensen, lieden, die aangedaan in de omgang zijn’; maar in het Grieks ‘van de straat’ [het plebs] uit de tijd van Jezus [slang, informeel taal gebruik van een bepaalde groep] kan dat woord ook de betekenis krijgen van : ‘nuttige idioten, goedmoedige stommelingen ‘, en precies die dubbele betekenis schijnt zoiets als ‘een eretitel’ te zijn geweest voor degenen, die Christus beleden.

arrenmoede; φτώχεια; فقر; poverty.

Want inderdaad wilde Christus dit op deze wijze en voorspelde Hij dat Zijn Volgelingen zich diende te distantiëren van de wereld, want de mensen van de wereld zullen u allen overleveren aan Gerechtshoven van de wereld en zij zullen u geselen in hun synagogen;  gij zult ook geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen en voor al de volkeren.
Christus zond Zijn volgelingen uit als: “  als schapen midden onder wolven” en riep hen op: voorzichtig als slangen en argeloos als duiven te zijnMatth.10: 16-18.
1.]. Wanneer Christus aan Zijn volgelingen vraagt: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben” weet Hij best dat de mensen ‘zo veel dingen zeggen’ en dat Zijn leerlingen dat weten. Maar er komt een ogenblik in ons persoonlijke leven, waarop uitwijken niet meer helpt en het niet langer mogelijk is met citaten van anderen ‘langs onszelf heen’ te leven.
Ooit zal de vraag, die onze Heer ons stelt anders klinken: “Maar jullie, voor Wie houden jullie Mij?”. In de belangrijke, wezenlijke vragen van ons leven geldt alleen en uitsluitend ‘onze‘eigen’beslissing’.
We kunnen absoluut géén relatie krijgen met Christus, de Zoon van God, indien we een ‘objectieve’, een verhandeling op basis van feiten schrijven en zelfs wanneer wij alleen slechts de antwoorden weergeven, die door anderen zijn gegeven, zullen wij altijd weer opnieuw herinnerd worden aan personen, die van hun tijdgenoten ‘een – ‘onvoorwaardelijke’ – ‘beslissing’ hebben gevraagd.
In de ogen van veel tijdgenoten zet Christus voort, wat Johannes de Doper begon.
Wàt dit ook mag betekenen, het wil zeggen dat men in Hem een grote morele leraar [Pedagoog] ziet, Iemand Die, zoals de Doper aan de Jordaan, Die mensen trachtte te veranderen, door hen te zeggen hoe zij zich dienden te gedragen – louter eisen stellen en die goed ná te leven en die de wereld zouden kunnen verbeteren, indien ze in praktijk werden gebracht.
Is onze Heer wèrkelijk, zoals zo velen denken, een tweede Johannes, een moralist; Hij is beslist niet de Pedagoog, Die het ethische als ‘algemeen geldend‘ beschouwd en aan anderen voorstelt.
Integendeel, Wanneer we goed luisteren naar wat Hij werkelijk te zeggen had, dan wilde Hij niet geloven, dat God identiek zou zijn met het ethische algemene.
Omdat Hij onze zwakheden kende en wist dat wij vatbaar zijn voor verzoekingen en niet in staat tot het goede, hoe graag wij dat ook zouden willen, omdat Hij onze hulpeloosheid besefte, dááròm geloofde Hij dat God, veel meer dan de belichaming van goed en kwaad, de levende grond van de vergeving van alle kwaad is, een Kracht, Die ons de moed zou willen en moeten geven om ons leven aan te pakken, onverschillig in welke verhoudingen en in welke noodlottigheden het gevangen is.
God, zoals Zijn Zoon Hem ziet, is niet van zins ons te ‘oordelen’, maar ons òp te richten in de energie van Hoop.

Christus verschijnt als tuinman, Rijksmuseum Amsterdam

2.]. De tweede opvatting graaft dieper: Onze Heer zou de weer opgestane profeet Elias zijn. Met de persoon van Elias worden wij vooral in verband gebracht met de onverbeterlijke strijd tegen de verering van de Kanaänitische god Baäl en zijn gevecht tegen de politieke en sociale onderdrukking in het zogeheten Noord-Rijk.
Vastberaden zette Elias zich in voor het beëindigen van de heerschappij van mensen óver mensen; nadrukkelijk verlangde – ‘hij’ – de terugkeer van menslievendheid van de gelijkheid van allen in de ogen van de God van Israël [de Kerk].
Om de noodzakelijke Gerechtigheid in de samenleving van Gods Volk weer te herstellen, zag ook – ‘hij’ – geen andere weg dan de sociale en politieke hervormers uit alle tijden van de mensengeschiedenis; het middel van het geweld. 

Toekomst?

‘tiny church’ by Pieter ter Veen, 40 personen; μικρή εκκλησία» από τον Pieter ter Veen, 40 άτομα; “كنيسة صغيرة” للفنان بيتر تير فيين ، 40 شخصًا ؛.

Verwondering, verbazing: daarmee bedoelen wij een hele eigen wijze van kennen. Een kennen, welke ons geopenbaard wordt door de beproevingen van onze tijd heen.
We worden verrast, omdat de werkelijkheid – òf de mensen, die we meenden te kennen, die we meenden helemaal dóór te hebben  – toch ineens –
iets nieuws’ – openbaren.
Die Verwondering, die ons overkomt – is niet van deze wereld – en tegelijk is ze niet mogelijk zonder openheid van onze kant. Wij kunnen niet zonder de Verwachting naar – ‘een nieuwe Hemel en een nieuwe aarde’ – [dat is Verlang en Vertrouwen tegelijkertijd], dat goede [Goddelijke] dingen onverwachts kunnen gebeuren.
Het ontkiemt’ zegt de Profeet, bijna niet te zien, maar al aanwezig.
      Denkt niet aan hetgeen vroeger gebeurde en
let niet op wat oudtijds is geschied;
Zie, Ik maak iets nieuws, nu zal het uitspruiten; zult gij er geen acht op slaan?
Ja, Ik zal een weg in de woestijn maken, rivieren in de wildernis.
Het gedierte van het veld  zal Mij eren, jakhalzen en struisen, want
Ik geef water in de woestijn, rivieren in de wildernis
om – ‘Mijn Uitverkoren Volk’ – te drenken.
Het volk dat Ik Mij geformeerd heb,
zal Mijn Lof verkondigen
Isaiah 43: 18-21.
Kerkgebouwen en de kloosters worden in mijn geboorteplaats Utrecht gesloten en verkwanseld aan de project-ontwikkelaars, een enkele gemeenschap tracht nog te overleven.

Het waren voorheen kerkgebouwen, temidden van een wijk-gerichte opbouw,
een plaats waar iemand de mogelijk geboden werd te ‘leven’ en te ‘wonen
temidden van een gelukkige gemeenschap.
Dàt is waar het uiteindelijk om gaat, doch die tijd schijnt voorbij te zijn.
Christelijk samenleven biedt plaats aan een gemeenschap via een systeem van huizen, binnenplaatsen en een labyrint van tussenliggende paden.

Samenleven = samen leven;                            العيش معا = العيش معا;
Living together = real living together.

Het lijkt erop dat christenen – werkelijk  een verbintenis dienen aan te gaan een Verbond met God èn de naasten; een verbintenis dienen af te sluiten en dit voor hun hele leven dienen te onder- en te onthouden:
de verschillende gezinssamenstellingen van de –‘juiste’– Tempel  de ‘goddelijke inborst’ te voorzien.
Een gemeenschap kan uit woningen bestaan in zes categorieën – die elk een reeks huisvestingsopties hebben, van bescheiden één-kamer-eenheden tot ruime huizen, geschikt voor een reeks van inkomens.
Maar voor een ‘leven’ en te ‘wonen’ temidden van een gelukkige gemeenschap, dient een goddelijke beginsel aanwezig te zijn; dient -‘alles rein te zijn voor de reinen’- en hoe dàt er uit gaat zien zal de toekomst ons door ondervinding leren.