Orthodoxie & oordelen, geef ‘het heilige’ nog niet op en deel het niet ‘als parels voor de zwijnen’.

Christus spreekt het Woord van Zijn Vader

      Oordeelt niet, opdat jij niet geoordeeld zult worden want met het oordeel, waarmee jij oordeelt, zul jij geoordeeld worden, en met de maat, waarmee jij meet, zal jij gemeten worden.
Wat zie jij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in je eigen oog bemerk je niet? Hoe zul jij dan tot je broeder [zuster] zeggen: Laat mij de splinter uit jouw oog wegdoen, terwijl, zie, het de balk in je eigen oog is?
        Huichelaar, doe eerst de balk uit je eigen oog weg, dan zul jij scherp kunnen zien om de splinter uit het oog van je broeder [zuster] weg te doen.
       Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en, zich omkerende, u verscheuren.
       Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden.
Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden.
Of welk mens onder u zal, als zijn zoon [dochter] hem om brood vraagt, hem [haar] een steen geven?  Of als hij/zij een vis vraagt, zal hij hem/haar toch geen slang geven?
       Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden.
       Alles nu wat jullie willen, dat u de mensen doen, doen jullie hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten.
Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; 14 want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden.
       Wacht u voor de valse profeten, die in schapenvacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven.
       Aan hun vruchten zult gij hen kennen: men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen.Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
       Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen.
Niet een ieder, die tot Mij zegt: Heer, Heer, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de Wil van Mijn Vader, Die in de Hemelen is.
Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd en in Uw Naam boze geesten uitgedreven en in Uw Naam vele krachten gedaan?
       En dan zal Ik hun openlijk zeggen:
‘Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid’
Matth.7: 1-23.

Barmhartigheid delen, goddelijk ‘het voedsel verdelen’.

      Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is. En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult losgelaten worden. Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u op uw beurt gemeten wordenLuc.6: 36-38.

    Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt. Want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen.
       Wij weten echter, dat het oordeel Gods onpartijdig gaat over hen, die zulke dingen bedrijven.
Rekent gij wellicht hierop, o mens, die oordeelt over hen, die zulke dingen bedrijven, en ze zelf doet, dat gij het oordeel Gods ontgaan zult? Of veracht gij de rijkdom van zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt?
       Maar in uw weerbarstigheid en on-boetvaardigheid van hart hoopt gij u toorn op tegen de dag van de toorn en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God, Die een ieder vergelden zal naar zijn werkenRom.2: 1-6

Verkeerd handelen maakt iemand boos, berokkent verdriet, beschadigt verhoudingen of beschaamt verleend vertrouwen.
In een gezin, bij vriendschap, binnen de Kerk of daarbuiten.
Verhoudingen dienen goed te zijn, maar is vergeving altijd mogelijk?
Onze Heer heeft ons voorgehouden: „Houdt op met oordelen, opdat gij niet wordt geoordeeld; want met het oordeel waarmee gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met de maat waarmee gij meet, zal men u metenMatth.7: 1,2.
Een ieder nu, die deze van Mijn woorden hoort en ze doet, zal gelijken op een verstandig mens, die zijn huis bouwde op de rots. Geen kwade boom heeft de hovenier ooit goede vrucht gebracht, maar God zal een ieder vergelden naar de werken, die hij/zij verricht heeft“. Luc.6: 46-49.
Op deze wijze wordt vastgesteld wat de werking van ons Geloof zal zijn.
En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult losgelaten wordenLuc.6: 37.
Hier betreft het echter -‘enkel en alleen’- het oordelen richting mensen of mag er ook niet geoordeeld of veroordeeld worden in de richting van instanties of situaties? Bijvoorbeeld daden van politieke partijen of eigenschappen van stromingen.
Stel je vindt de manier waarop iets binnen een bepaalde gemeenschap passief is, mag je dat dan zeggen? Of stel, je vindt dat een bepaald persoon of  manier waarop iets wordt aangepakt wel èrg éénzijdig [zonder overleg] veel dingen doet die zich niet verdragen met het Woord van, mag je dàt dàn zeggen?
Op jezelf is genoeg aan te merken, dus wees in dat soort situaties mild tegenover de ander. Eigenlijk heeft deze uitspraak – niet te oordelen – geen uitleg nodig.
Al is het wel interessant dit alles in z’n context te lezen, omdat onze heer het niet als een -negatief geformuleerd verbod- brengt, maar de positieve kant benadrukt.
    Weest barmhartig, zoals jouw Vader barmhartig isLuc.6: 36.

Het is belangrijk om een verschil te maken tussen [ver]oordelen en beoordelen.
Volgens de Kanttekening gaat het hier bij oordelen om lichtvaardig, of verkeerd handelen,  iets wat gebeurt uit afkeer, of nijdigheid. Òf als er op een ongegronde wijze negatief over een ander wordt gedacht.
Maar mensen en instanties mogen aan de hand van het Woord van God wel degelijk beoordeeld worden; òf het in bepaalde kringen nu niet algemeen gebruikelijk is of niet.
De Kanttekening zegt dat men een oprecht oordeel over zaken, waar men de juiste kennis van heeft, mag hebben en deze ook ‘dient’ te uiten, er wordt immers onrecht gadaan. Indien het maar geschiedt met goede bedoelingen, dàn is het niet alleen geoorloofd, maar wordt het ook nadrukkelijk geboden.
Lucas legt in de eerste plaats -niet voor niets- de nadruk op barmhartigheid:
Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gijlieden meet, zal u lieden weder-gemeten wordenLuc.6: 38.
Velen onder ons, ook in de Orthodoxie, vatten dit op als ‘elkaar de maat nemen‘ en stellen dàn dat ‘de toon’ hen niet aan staat, maar dàt stáát èr in het geheel ‘niet‘.
Er staat dat als je anderen véél geeft je ook veel terug kan verwachten
[aan barmhartigheid, vriendelijkheid, geduld, vergevingsgezindheid etc.]; positief dus!. Een reactie omtrent ‘de toon’ kan in deze situatie verheven worden opgevat, m.a.w. als slechts een verwaande reactie.
Daarbij spreekt het (net als in Matth. 7) tegen een huichelachtig oordelen:
een ander te oordelen maar te menen dat jezelf vrijuit gaat: “      Wat ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, 
maar de balk in uw eigen oog bemerkt gij niet? Hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: ‘Broeder, laat mij de splinter, die in uw oog is, wegdoen, terwijl gij de balk, die in uw eigen oog is, niet ziet? Huichelaar, doe eerst de balk weg uit uw oog en dan zult gij scherp kunnen zien om de splinter in het oog van uw broeder weg te doen’. ‘Immers, er is geen goede boom, die slechte vrucht voortbrengt, noch ook een slechte boom, die goede vrucht voortbrengt’Luc.6: 41,42Je ziet wel wat fout is bij de ander maar merkt niet op dat jezelf hetzelfde doet, misschien op ‘een iets‘ àndere manier of in een iets andere vorm. Maar doordat je de ander oordeelt erken in feite dat je zelf eveneens fout bent. Daarmee veroordeel je jezelf.

Bij het oordeel op de jongste dag zal dan ‘niemand’ het excuus hebben: ik wist niet dat ik verkeerd deed. Want door anderen te oordelen geeft iedereen te kennen wel degelijk het verschil te weten tussen goed en kwaad.
      Als iemand dan weet goed te doen en het ‘niet’ doet, is het hem tot zondeJac.4: 17. Daarmee heeft iemand die anderen oordeelt en zelf hetzelfde doet [-en wie doet dat niet-] zichzelf schuldig verklaart.
Derhalve waarschuwt Christus Zelf: ” Uit uw eigen mond zal Ik u oordelen, slechte dienaar. Je wist, dat ik een streng mens ben, die wegneemt wat ik niet heb uitgezet en maai wat ik niet gezaaid hebLuc.19: 22.
Waar het derhalve om draait is: “ Heb je datgene wat je hier hebt weggenomen en daar besteed hebt, inderdaad wèl zo goed uitgezaaid – of heb je degenen, die je het ontnomen hebt niet vreselijk tekort gedaan en hen in hun ontwikkeling geschaad?

Het punt waar het hier bij zowel Mattheüs als Lucas om gaat is ‘niet’ dat je niet meer dient te  oordelen [want ook als je niet oordeelt sta je ‘niet minder‘ schuldig over alles wat je verkeerd wordt gedaan, en in de Blijde Boodschap zijn vele, vele voorbeelden te vinden dat we ‘wèl degelijk‘ dienen te oordelen over wat goed is en wat verkeerd is], maar dat je niet dient te proberen je hiermee met een verwaand antwoord van vrij te spreken.
Want een van de belangrijkste reden waarom we andere oordelen en slecht spreken over anderen is om onszelf te verhogen.
Indien we kunnen aanwijzen wàt er verkeerd is bij een ander, vanuit het gegeven dat je inzicht van zaken hebt, mag je best de vrijheid nemen een oordeel kenbaar te maken, want we zijn in ieder geval niet zo slecht of beter dan die ander.
Maar Christus bedoelt hier: door de ander terecht te wijzen en aan te geven wat er verkeerd gaat en je zelf [naar Gods maatstaf] soortgelijke dingen doet veroordeel je jezelf.

Deze onderkenning leidt dan als het goed tot de barmhartigheid [vs. 38] en vergelijk dit met: “Broeders, indien een mens vervalt tot enige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt deze terecht met zachtmoedigheid; ziende op uzelf, opdat ook gij niet verzocht wordtGal.6: 1.
Wat nodig is, -en het [Orthodox] Christelijk Geloof dient dit inderdaad op te brengen-, is de geest van Genadige wederzijdse vergevingsgezindheid en respect tegenover iedereen, wie het ook mag zijn.
In Mattheüs komt dit voor in de Bergrede en speciaal in het “onze Vader”, terwijl een illustratie van het omgekeerde, namelijk dat deze gezindheid ontbreekt, naar voren komt in de gelijkenis van de onbarmhartige dienaar.
Vergeef uw naaste het leed, dat hij u gedaan heeft en bid alsdan, zo worden ook uw zonden vergeven. Een mens behoudt tegen zijn naaste de woede — en wil bij de Heer Genade zoeken! Hij is onbarmhartig jegens zijnsgelijken — en wil voor zijn zonden biddenJezus Sirach 28: 2-4.
Daarbij wordt bovendien verwezen naar ‘de Geboden’ [de Goddelijke Voorschriften] die parallel vermeld zijn met ‘het Verbond met de Allerhoogste’.
Met deze laatste formulering bedoelt Sirach ook elders in zijn boek het hele Oude Testament.  Men kan dus zeggen dat Sirach zich enerzijds uitdrukkelijk in de Traditie [van het Oude Testament] plaatst, maar dat hij anderzijds ook duidelijk iets ‘nieuw’ op de voorgrond plaatst dat overigens nadien ook in Christus’ pedagogie/prediking zijn echo gevonden heeft.
Voor Sirach bezorgen niet de cultus, de offers, de rituelen of de geschenken een mens ‘automatisch’ de goddelijke vergeving, wèl het feit dat de mens ‘zelf’ in z’n eigen intermenselijke relaties ‘zo lief en beminnelijk is als God’.

We dienen de daden altijd los te koppelen van de personen, wie het ook mag zijn.
De persoon dienen wij en mogen wij liefhebben zoals Christus ons lief had en heeft. De daden mogen en dienen we te toetsten aan Gods Woord.
Dus niet aan “eigen inzichten”, beleving etc. namelijk wanneer de daden ‘niet‘ in overeenstemming zijn met Gods Woord mogen en dienen we ze ook nadrukkelijk af te wijzen, m.a.w. de persoon in kwestie er in liefde en deemoed op te wijzen.
Juist de liefde tot Christus, onze Heer en daardoor ook tot de persoon, geeft
dat je de betreffende misstap niet kan dulden in zijn/haar leven.
Maar je dient altijd met respect ‘naast’ de persoon te gaan staan, je niet ‘boven’ die persoon te verheffen.
Christus gaf Zelf het mooiste voorbeeld bij de vrouw in overspel als voorbeeld.
Hij erkent dat zij de zonde heeft begaan: wie zonder zonde is, dient de eerste steen te werpen. Het was een daad waarop steniging geboden was als straf.
Christus alleen kan slechts -als God- die steniging ook daadwerkelijk laten plaastvinden, Hij is immers zonder zonde.
Maar Christus zegt daarop: “ga heen, zondig niet meer”. Hij had de vrouw lief, Hij had haar Heil op het oog, maar veroordeelde de misstappen die ze deed.
En daarom wees Hij haar er vastbesloten op; Hij waarschuwde haar.
En ja, indien we een ander wijzen op zijn/haar fouten, dienen we zelf eveneens gecorrigeerd te willen worden en  alles eraan doen om rein en heilig te leven.
Uit Liefde tot Christus en Zijn Lichaam [de Kerk];  Christus, Die ons liefhad en  Zijn leven voor ons gaf.