woensdag 17 mei – teruggave van Mid-Pinksteren, het feest van het midden van Pascha tot Pinksteren

Wonderbare ‘spijziging‘ met vijf gerstebroden en twee vissen, miniatuur Codex Egberti

      Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zei Hij tot Philippus: ‘ Waar zullen wij broden kopen, dat deze mensen kunnen eten; maar dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou.
Philippus antwoordde Hem: ‘Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. Een van zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zei tot Hem:
‘ Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen?’.
       Jezus zei: ‘Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend.
       Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten.
En toen zij verzadigd waren, zei Hij tot zijn discipelen: ‘Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren zal gaan’. Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had.
       Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zouJohn.6: 5-14.

      Paulus en die met hem waren, voeren af van Paphos en kwamen te Perge in Pamphylië; maar Johannes scheidde zich van hen af en keerde weer naar Jeruzalem.
Doch zelf gingen zij van Perge verder en kwamen te Antiochië in Pisidië, en op de sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, namen zij plaats.
En na de voorlezing van de wet en de profeten lieten de oversten der synagoge hun vragen: Mannen broeders, indien gij een woord van opwekking voor het volk hebt, spreekt het dan.
       En Paulus stond op, wenkte met zijn hand en zei: ‘Mannen van Israel en vereerders van God, luistert. De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren en het volk verhoogd, toen zij bijwoners waren in het land Egypte, en Hij heeft hen met hoge arm daaruit gevoerd, en Hij heeft gedurende een tijd van omstreeks veertig jaren in de woestijn hun eigenaardigheden verdragen; en na zeven volken uitgeroeid te hebben in het land Canaän, heeft Hij hun land hun ten erfdeel gegeven, omstreeks vierhonderd vijftig jaren lang. En daarna gaf Hij hun richters tot op de profeet Samuël. En van toen af vroegen zij om een koning en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin, veertig jaren lang; en nadat Hij deze verworpen had, verwekte Hij hun David als koning, wie Hij ook dit getuigenis gaf: ‘Ik heb David, de zoon van Isaï, gevonden, een man naar mijn hart, die al mijn bevelen zal volbrengen. Uit zijn geslacht heeft God naar de belofte voor Israël de Heiland Jezus doen komen, nadat Johannes eerst, voor zijn optreden, aan het gehele volk Israel een doop van bekering gepredikt had’Hand.13:13-24.

De geschiedenis van de wonderbare spijziging komt in de weergave van het Nieuwe Testament zes keer voor, het moet dus wel héél belangrijk zijn als iedere Evangelist hierover verhaalt en bij Mattheus en Marcus gebeurt het zelfs twee keer. En ja, het staat ook al in het Oude Testament; de profeet Elisa, die Man Gods genoemd wordt, deelt twintig broden met honderd man.
Die andere Man Gods Christus, onze Heer vermenigvuldigt niet, maar Hij ‘
deelt’ als Gods Zoon, het woord vermenigvuldigen komt in ‘al‘ die zeven verhalen niet voor!
– Voor mij persoonlijk betekent dit dat je in geval van een menselijke relatie niet berekenend dient te zijn: iemand niet dient overladen met stoffelijke geschenken vanwege mogelijke toekomstige vooruitzichten en op die manier afhankelijk probeert te maken, hetgeen maar al te vaak in onze westerse samenleving plaatsvindt.  In tegenstelling hierop dat je dusdanig ‘màg‘ samenwerken,  zó màg ‘delen’, in woord en gebaar van wat het leven je schenkt. Christelijk samenwerken het Christelijk geloof verkondigen betekent niet vóór wat, hoort wat, zo wordt het immers ook aangeduid bij de ‘Emmaüsgangers’.
Ze ervaren nog, dat Jezus met hen optrekt, zo vlak na Zijn dood en pas wanneer zij in het brood, het “Leven” delen – herkennen zij Hem, in een flits: “ Ja, dàt is Zijn manier van doen; zó deed Christus het ook’. Bij Christus bestaat geen vooropgezet doel, geen zich gaandeweg toe-eigenen,  iemands sympathie of liefde voor zich winnen, inpalmen – maar oprechte, ongeveinsde belangstelling voor de individuele mens. Misschien kunnen wij zó, op dezelfde [christelijke] manier samen eveneens, misschien slechts bij gelegenheid, herkenbaar zijn voor de anderen om ons heen. Wanneer je echter over weinig voedsel beschikt, dan kun je, door met aandacht te deel te nemen, te eten, het gevoel krijgen dat ook dat voldoende is.

Het gehele innerlijk leven door de maaltijd-lens zien, afb. van een ‘migranten‘- kerk.

De geschiedenis van de wonderbare ‘spijziging‘ , laten we het zó noemen, heeft heel wat mensen aan het denken gezet; op de een of andere manier blijft dit verhaal ons boeien.  Misschien komt dit wel omdat het zo ver van ons afstaat; in deze geschiedenis ontbreekt namelijk elke vorm van logica. Het lukt ons gewoon niet om de eindjes van dit verhaal aan elkaar te knopen. Als mens rangschik je de wereld om je heen met je verstand. Je deelt alles in, door het in categorieën te verdelen, om greep te krijgen op de werkelijkheid. Zo proberen we de werkelijkheid ‘beheersbaar‘ te houden. We vertrouwen op de informatie die we doorkrijgen via onze zintuigen; onze zintuigen zijn dusdanig samen-gesteld dat wij de wereld proberen te ordenen; door datgene wat we waarnemen krijgen we greep op ons bestaan. Met ons verstand geven we onze eigen wereld vorm; alle indrukken die van buiten komen worden keurig op een rijtje gezet. Hierdoor scheppen we orde in een chaos van prikkels die op ons afkomen; zo orden je als mens de wereld om je heen en dat geeft houvast, een stuk zekerheid. Het maakt onze wereld voorspelbaar en daardoor beheersbaar.
Dit is de reden dat we zo’n grote moeite hebben met Mysteriën, Wonderen, Die passen niet langer in onze westerse denkpatronen; ze zijn in strijd met de ervaringen van alledag, Mysteriën brengen onze zintuigen en datgene wat wij kunnen bevatten aan het wankelen.

Maar wàt heeft er zich nu werkelijk afgespeeld aan dat meer van Galilea; we bevinden ons in het noorden van Israël. Jezus houdt Zich op in de nabijheid van de stad Kapernaüm [כפר נחום – Kefar Nachum, “dorp van Nahum”(=”trooster“)] . Het zijn hectische tijden voor Jezus; onlangs was Jezus het bericht ter ore gekomen dat Johannes de Doper door Herodes was vermoord.
Dit was echter niet het enige; de Metamorfose [verandering] die Christus in gang heeft gezet begint behoorlijk uit zijn voegen te groeien. Hierdoor voelde Hij zich genoodzaakt om Zijn leerlingen in te zetten; Hij had Zijn discipelen -twee aan twee- uitgezonden om nèt als Hijzelf deed, de komst van het Koninkrijk van de Vader te prediken en wonderen te doen. Tot hun grote verbazing bleken ook de discipelen, ‘in Zijn Naam‘, wonderen teweeg te brengen; zieken werden genezen en demonen werden uitgedreven. Hierdoor groeide de beweging van onze Heer, Jezus Christus, de Zoon van God, nog harder dan hij al deed. Van ‘heinde en van nog verder trokken mensen naar Kapernaüm, want iedereen wilde die wonderdoeners wel eens zien. De steden trokken leeg om Christus en Zijn discipelen op te zoeken; er was in de ogen van de bevolking niet één wonderdoener in de landstreek, maar dertien stuks. Het grote nieuws ging als een lopend vuurtje door het land; daar in Galilea gebeuren Mysterieuze,  wonderlijke dingen.

Na een tijdje verzamelden de leerlingen zich weer in de stad; je kunt het zien als een soort stage – ze hebben eventjes mogen proeven aan het grote werk.
Toch betekent dat niet dat ze ‘geschikt bevonden‘ zijn; hun tijd met Jezus is nog maar nèt begonnen. Zo komen ze samen om met elkaar te praten over hun ervaringen; Goddelijk werk kan uitdagend, doch zeer inspannend zijn. Vandaar dat het noodzakelijk is dat je regelmatig je eigen geestelijke accu oplaadt; en onderling overleg behoort te plegen. Het kost tijd [sabbatical periode] om tot je zelf te komen en door contacten met mensen die op gelijk niveau staan – kun je weer ‘nieuwe‘ energie opdoen.

De droogte van de woestijn

Maar zoals zo vaak gaat krijg je nauwelijks de tijd om tot rust te komen. Altijd is er wel iemand waar je naartoe kunt gaan of staat er wel iemand op je te wachten. Hetzelfde geldt voor onze Heer, de mensen laten Hem en Zijn volgelingen maar niet met rust; waar ze ook mogen gaan, overal worden ze aangesproken. Vandaar dat ze besluiten om in een boot naar de overkant van het meer te varen, daar in de woestijn zal immers niemand hen opzoeken. De woestijn is aan de ene kant een doodse plaats, maar aan de andere kant is het ook een plek van bezinning.
In het Oude Testament lezen we vaak dat profeten de woestijn intrekken om zich te bezinnen; daar in de stilte krijgen ze de mogelijkheid om geestelijk alles weer op een rijtje te zetten.
Zo varen Jezus en de discipelen naar de overkant van het meer – ondertussen hadden ze behoorlijk honger gekregen, want door hun vele werkzaamheden was de maaltijd erbij ingeschoten. Van hun rust kunnen ze nauwelijks genieten; aan de overkant van het meer midden in de woestijn staat een grote mensenmenigte hen al op te wachten. Het zaad van de Blijde Boodschap is gezaaid en het Koninkrijk der Hemelen groeit in de harten van de mensen; vol verwachting staan ze aan de oever van het meer. 
Het is een menigte van 5000 mensen en dat is een verbazingwekkend groot aantal aangezien Galilea een zeer dunbevolkt gebied is. Jezus wordt geraakt door de grote menigte van mensen die zoeken naar hulp. Ze zijn wanhopig en lopen achter iedereen aan die hen een sprankje hoop biedt; daarom is er geen moment rust.
Vandaag is Christus ‘hun Bron‘ van inspiratie al kan het morgen weer iemand anders zijn; het land bevindt zich namelijk in een volkomen chaos. Met name de provincie Galilea is een samenraapsel van allerlei verschillende bevolkingsgroepen; zo komen we er vrome joden tegen, maar ook Romeinen en Grieken; het is een smeltkroes van verschillende culturen en godsdiensten; kortom een multi-culturele samenleving, zoals in de Lage Landen. Hierdoor zijn ze nooit in staat gesteld een ‘eigen‘ cultuur en een persoonlijke identiteit te ontwikkelen. Vanuit het orthodoxe Judea werd dan ook neergekeken op Galilea. Het is een stuurloos volkje dat het ‘zelf‘ maar moest zien te redden; niemand bekommert zich om hen.
Christus [God] doet dat wel; Hij trekt Zich –zonder ophouden– het ‘lot van de mensen‘ aan – de aanblik van deze mensen raakt hem tot in Zijn binnenste. Hij ziet deze mensenmenigte als een kudde verstrooide schapen zonder herder; met deze zinsnede zinspeelt Marcus op het verhaal van Mozes die het Beloofde Land niet mag binnentrekken. Mozes pleit bij God voor een opvolger, omdat het volk niet zal zijn als schapen die geen herder hebben. Zo ziet Christus [God] het ‘geroepen‘ Volk dat vóór Hem staat; Hij vergeet Zijn vermoeidheid en begint dit 

Christus als dé Pedagoog [opvoeder]

Volk [ons] te onderwijzen. Wel is het goed om hier op te merken dat Zijn medelijden niet leidt tot het wonder, maar dat Jezus hen begint te onderwijzen. De mens leeft immers niet van brood alleen; het gaat Hem in eerste instantie om geestelijke kwesties.
Hoeveel tijd er verstrijkt weten we niet, maar op een bepaald moment stellen Zijn apostelen het punt van het eten aan de orde. Dit heeft tot gevolg dat Jezus op moet houden met Zijn onderwijs; het volk moet maar naar huis gaan, want ze hebben voedsel nodig. De Apostelen willen de mensen in de gelegenheid stellen om in de dorpen voedsel te kopen; daarmee wordt echter de groep opgebroken.
Christus Woord had de mensen geroepen/bij elkaar gebracht, maar door de honger/dè menselijke beperking worden ze gescheiden.

Jezus heeft feilloos door wat op het spel staat; wanneer Hij de menigte nu naar huis stuurt, is al Zijn onderwijs voor niets geweest. De mensen dienen te blijven zodat zich een hechte groep kan vormen, de neuzen dezelfde kant op staan; het zaad van het Koninkrijk der Hemelen is aan het ontkiemen.
Jezus en de discipelen praten in dit bijbelgedeelte langs elkaar heen. De leerlingen spreken over voedsel om een hongerige menigte mee te voeden. Het is echter de vraag of Jezus dat zo bedoeld. Spreekt Hij hier immers niet over

Christus, de Goede Herder, detail mozaïek in San Lorenzo fuori le mura, Rome

geestelijk‘ voedsel? Als een Goede Herder verschafte Hij zijn rond-dolende schapen brood voor het hart. Waarom moeten de mensen weggestuurd worden om elders brood te kopen? Voedsel is er immers -hier en nu- in overvloed aanwezig. De Goede Herder weet wat zijn schapen nodig hebben.

”     De Heer is mijn Herder, het ontbreekt mij aan niets. Op grazige weiden doet Hij mij verblijven; aan verkwikkende wateren heeft Hij mij geleid.
Hij heeft mijn ziel bekeerd. Hij leidt mij langs het pad der gerechtigheid omwille van Zijn Naam. Zelfs al ga ik midden in de schaduw des doods, dan vrees ik geen kwaad, want Gij zijt met mij.
Uw staf en Uw stok, juist deze zijn mijn troost. Gij richt een tafel voor mij aan, voor de ogen van mijn verdrukkers. Met olie zalft Gij mijn hoofd: hoe heerlijk is Uw heilige Kelk!
Uw Barmhartigheid volgt mij van nabij, alle dagen van mijn leven.
Ik mag wonen in het Huis des Heren,
tot in lengte van dagen” Psalm 22[23] vert. ROK s’Gravenhage

De leerlingen zijn zich hier echter niet van bewust, de apostelen doen nog een poging om het bevel van Jezus uit te voeren; ze gaan de mensen bij langs om te vragen of ze voedsel bij zich hebben. Ze komen echter niet veel verder dan vijf broden en twee vissen; ondanks hun inspanningen hebben ze veel te weinig voedsel om het volk mee te voeden.
De situatie staat er zo voor dat Jezus Zijn lessen dient af te breken en de menigte naar huis moet sturen; er gebeurt echter iets anders.
Jezus beveelt de mensen om in het groene gras te gaan zitten; hieruit kunnen we afleiden dat deze geschiedenis zich afspeelt in het voorjaar voordat het gras is verdord door de hitte van de zomerzon. Toch speelt er méér dan op het eerste gezicht lijkt.  Jezus vond het Volk [ons] aan de oever van het meer als een kudde verstrooide schapen, nu zal Hij optreden als de Goede Herder, Die Zijn schapen leidt naar grazige weiden; het zal hen aan niets ontbreken.

Genadegaven, de goede dingen des levens, vijf broden & twee vissen – mosaïcvloer

De vijf broden en twee vissen zijn bij lange na niet toereikend; toch gaat Hij zitten in het gras.
Christus neemt vervolgens de broden, ‘dankte Zijn Vader‘ en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten. En toen zij verzadigd waren, zei Hij tot zijn discipelen: “Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren zal gaan”; er was veel en veel te weinig, maar uiteindelijk blijkt er veel te veel te zijn; er is een overvloed aan voedsel. Twaalf manden met brood blijven uiteindelijk over.
Wat Christus hiermee wil aangeven is – ‘dat het voedsel dat Hij te bieden heeft’- zelfs te veel is voor deze grote menigte. Er is nog genoeg over om andere schapen mee te voeden uit de andere volkeren. God, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest geeft altijd in overvloed; Hij geeft zelfs veel meer dan de mensen op kunnen. Uit onszelf kunnen wij de mensen niet voeden; slechts door Zijn opdrachten: ‘geef hen te eten’ en ‘gaat en onderwijst alle volkeren’ – brengt hij òns in verlegenheid.
Ons menselijke inspanning is niet toereikend, maar dat wordt ook niet van ons gevraagd. Door het Goddelijke verzoek worden wij op onze tekortkomingen gewezen. Het is niet ‘òns’ voedsel dat wordt uitgedeeld maar het ‘Goddelijk Voedsel‘ en dit mogen wij uitdelen en dat blijkt in enorme hoeveelheden voorradig te zijn.

Tijdens de Goddelijke Liturgie – εὐχαριστέω [van ‘Efgaristò’, dankzeggen] worden we herinnerd aan de Genadegaven, Die God ons in Jezus Christus gegeven heeft; Christus als het Brood Wat ons mensen Leven schenkt. Hij stond ‘op’ uit de doden, heeft ons het eeuwige Leven gegeven, zodat wij nooit meer honger zullen behoeven te hebben. De Goede Herder heeft Zijn schapen verzameld en geleid hen naar de grazige weiden. Wij mogen dáár in delen als wij in de ontmoeting met Zijn Lichaam en Bloed, het Mysterie tòt ons nemen. Kom, dus en proef dat de Heer ‘goed’ is. Maar toch blijft in ons achterhoofd het bevel aanwezig: “Geef ook de anderen te eten”; “gaat en onderwijs door jullie voorbeeld alle volkeren”.
Dit is geen vriendelijk verzoek, maar een bevel.

kathismazang  Metten 6e woensdag     tn.1
U heb het gezicht geschonken Christus, aan hem, die nooit had kunnen zien, vanaf de schoot van zijn moeder.
En daardoor hebt Gij ons allen Uw onzegbare Heerlijkheid doen zien, Verlosser; dat U zijt het Licht van het heelal; maar dat zij, die uit nijd, hun hart hadden blind gemaakt legden zich in hinderlaag om U te doden, Die de gever van het Leven zijt
”.

Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. 
AMEN”.

Gij zijt geboren, Verlosser, zoals U dat gewild hebt en U bent ons verschenen, zoals dat Uw verlangen was.
Als Mens hebt U geleden, maar als God zijt Gij opgestaan.
Nu zijt Gij ten Hemel gevaren in Heerlijkheid en hebt daardoor de mensennatuur omhoog gevoerd en met Goddelijke Luister bekleed
”.