4e Zondag na Pascha, Zondag van de verlamde mens

Jezus ging op naar Jeruzalem.
     Nu is er te Jeruzalem bij de Schaapspoort een bad, dat in het Hebreeuws de bijnaam Bethesda [= huis van vergeving, huis van Barmhartigheid] draagt, met vijf zuilengangen. Daarin lag een menigte zieken, blinden, verlamden en verschrompelden, die wachtten op de beweging van het water. Want van tijd tot tijd daalde een engel des Heren neer in het bad; dan bewoog het water; wie er dan het eerst in kwam na de beweging van het water werd gezond, wat voor ziekte hij ook had.
     En daar was een man, die reeds achtendertig jaar lang ziek geweest was. Hem zag Jezus liggen en daar Hij wist, dat hij daar reeds lange tijd was, zei Hij tot hem: ‘Wilt gij gezond worden?’.
De zieke antwoordde Hem: ‘Heer, ik heb geen mens om mij, zodra er beweging komt in het water, in het bad te werpen; en terwijl ik onderweg ben, daalt een ander voor mij af’.
     Jezus zei tot hem: ‘Sta op, neem uw matras op en wandel. En terstond werd de man gezond en nam zijn matras op en ging zijns weegs’.
Nu was het Sabbath op die dag.
     De Joden dan zeiden tot de genezene: ‘Het is Sabbath en dan moogt gij uw matras niet dragen’. Doch hij antwoordde hun: ‘Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft tot mij gezegd: ‘Neem uw matras op en ga uws weegs’. Zij vroegen hem: ‘Wie is de mens, die tot u gezegd heeft: neem uw matras op en ga uws weegs?’.
     En de genezene wist niet, wie het was; want Jezus was ontweken, omdat er een [grote] schare op die plaats was.
     Daarna vond Jezus hem in de tempel en zeide tot hem: ‘Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet iets ergers zal overkomen.
     De man ging heen en zeide tot de Joden, dat het Jezus was, Die hem gezond gemaakt had” John.5: 1b -15.

  En het geschiedde, toen Petrus overal rondreisde, dat hij ook bij de heiligen kwam, die te Lydda woonden. Daar vond hij een man, genaamd Eneas, een verlamde, die reeds acht jaren bedlegerig was geweest.
    En Petrus zei tot hem: ‘Eneas, Jezus Christus geneest u; sta op en maak ‘zelf’ uw bed op. En hij stond onmiddellijk op. En alle bewoners van Lydda en Saron zagen hem en bekeerden zich tot de Heer. En er was te Joppe een discipelin, genaamd Tabitha, hetgeen, vertaald, betekent Dorkas; deze was overvloedig in goede werken en aalmoezen, die zij gaf.
    En het geschiedde in die dagen, dat zij ziek werd en stierf; en na haar gewassen te hebben, legde men haar in een bovenzaal. En daar Lydda dicht bij Joppe lag, zonden de discipelen, toen zij hoorden, dat Petrus daar was, twee mannen tot hem met het verzoek: ‘Kom zonder dralen tot ons’.

Tabitha, sta op

   En Petrus stond op en ging met hen mee. Toen hij daar aangekomen was, bracht men hem naar de bovenzaal en al de weduwen kwamen bij hem staan, en lieten hem onder tranen al de lijfrokken en mantels zien, die Dorkas, toen zij nog bij hen was, gemaakt had.
Maar Petrus zond hen allen naar buiten en knielde neer en bad. En hij wendde zich tot het lichaam en zei: ‘Tabitha, sta op! En zij opende haar ogen en zag Petrus en ging overeind zitten en hij gaf haar de hand en richtte haar op; toen riep hij de heiligen en de weduwen en stelde haar levend voor hen. En het werd bekend door geheel Joppe en velen kwamen tot Geloof in de Heer” Hand.9: 32-42.

Eventjes hiervoor heeft Christus in de weergave van Johannes op de bruiloft te Cana -water in wijn- veranderd en gezegd: ” Indien jullie mensen geen tekenen en wonderen zien, zullen jullie niet geloven”. En nu, wordt hier een man genezen, die reeds achtendertig jaar lang ziek geweest was. De man geloofde Christus op Zijn Woord toen Jezus tot hem zei: ‘Sta op, neem uw matras op en wandel’. En terstond werd de man gezond en nam zijn matras op en ging zijns weegs.
Wanneer er een indringende gebeurtenis plaats vindt heeft een mens behoefte aan nazorg, hij/zij heeft  begeleiding en tijd nodig om dit te verwerken.
Ook het Joodse Volk had de Babylonische ballingschap nodig -de verwoesting van de Tempel en dienden uit hun land te worden weggevoerd- om tot bezinning te komen. Na zo’n confrontatie, na zo’n schokkende, ontregelende gebeurtenis volgt emancipatie. Eerst dàn wordt de mens zich van iets bewust en gaat deze zich inzetten bewuster te gaan leven.

Elk verhaal rond emancipatie van een of andere groep gaat niet alleen over de worsteling van een [religieuze] minderheid voor wat betreft integratie, het gaat tevens over een groep mensen, die als een -‘andersdenkende’- minderheid wordt beschouwd en vecht voor z’n plaats in de samenleving. In het begin van het christendom was dit niet anders en was Gods hulp ‘brood’-nodig.
Er is nog een reden waarom ik dit aanhaal. Ik ben van mening dat degenen, die in deze tijd worden geboren, een deel van onze christelijke achtergrond zullen moeten hèr-ontdekken, teneinde ‘zichzelf‘ te helpen en opnieuw te begrijpen wie zij werkelijk zijn. Ik bevind me momenteel in een gemeenschap van Syrische vluchtelingen, die afschuwelijke dingen hebben meegemaakt, onschuldigen onder hun familieleden en kennissen werden zonder dat hen maar iets gevraagd werd vermoord – kinderen zijn het meest gekwetst.
Voorafgaand aan een ommekeer wordt er in onze westerse samenleving alleen maar gepraat, niets anders dan dat er ‘vergaderd’ wordt in commissies waar het er soms heftig aan toe kan gaan; maar dat er in onze huidige samenleving hoognodig een verandering dient plaats te vinden is zelfs voor de jongeren onder ons duidelijk en juist dàt blijft veelal uit. Door de christelijke positie in onze samenleving tot onderwerp van gesprek te maken wordt de natie stevig aan de pols gevoeld. Er dient duidelijk te worden gemaakt wáár wij christenen voor staan en hoe de relatie is met de westerse maatschappij en wàt er niet allemaal veranderd dient te worden. En dan zie -op eigen initiatief, zelfhulp ontstaan waaronder gaarkeukens in combinatie met daklozenopvang, voedselhulp voor minderbedeelden. Door -vrijwilligerswerk, burgerinitiatieven- wordt duidelijk waar de overheid -voor wat het respect voor de individuele mens- zwaar tekort schiet, dat is wáár het grootste knelpunt zit en het roer definitief òm zal moeten.
Dit alles vraagt om geduld, tijd, gebed en wijsheid.
Aan tijd en gebed ontbreekt het in onze samenleving, in alles overheerst het korte termijn denken en rust tot gebed wordt door het overgrote deel al helemaal afgezworen. Voor èchte Wijsheid is ‘goddelijke inspiratie’ nodig, maar God wordt eveneens niet langer als voorloper van ons volk in deze woestijn ervaren. Hoewel de aarde beeft, rivieren buiten hun oevers treden, de hemelen [gletsjers] smelten voor Gods aangezicht, voelen maar weinigen zich, hoewel ze zwak zijn, door Gods Barmhartigheid gesterkt.

‘Hoe groot zijn Uw werken, o Heer, Gij hebt alles met Wijsheid gemaakt’

Komt en ziet Gods werken: hoe vreeswekkend Hij is in Zijn besluiten over de kinderen der mensen. Hij veranderde de zee in droge grond, opdat zij te voet zouden trekken door de stroom. Daar worden wij verblijd door Hem, Die door Zijn Kracht heerst in eeuwigheid. Zijn ogen zien neer op de volkeren, laten de opstandigen niet zichzelf verheffen. Zegent [Prijs], o Volkeren, onze God; laat horen de stem van Zijn lof. Hij heeft mijn ziel behouden, Hij heeft mijn voeten niet prijsgegeven aan de branding. God, Gij hebt ons op de proef gesteld, Gij hebt ons als zilver gekeurd in het vuur. Gij hebt ons in een strik gevoerd, kwellingen op onze rug geladen, Gij hebt mensen boven ons hoofd aangesteld [mensen zijn over ons heengereden]. Wij zijn gegaan door water en vuur, maar Gij hebt ons daaruit gevoerd en verkwiktPsalm 65[66]: 5-12.

Laat niemand zeggen: nu ja, dat is het Oude Verbond, aards en tijdelijk, bestemd om voorbij te gaan. In het Oude Testament worden de lijnen uitgezet, waarlangs een normaal [norm-gebonden] leven in het vervolg dient te verlopen. Boven dit  integrerend bestanddeel van de Blijde Boodschap is geen christen verheven. Christus Zèlf, Die de ceremoniële Wet heeft vervuld, heeft Zijn aardse leven lang dit Voorbeeld gegeven, dat voor Hem hèt woord was, geëerd. Met Zijn tegenwoordigheid en wondertekenen heeft Hij aan de Zijn relatie met de wereld luister bijgezet.
Het woord uit de Blijde Boodschap, dat de vreze Gods het begin van alle wijsheid noemt, houdt in dat allen de innerlijke bevrijding tot een verantwoord leven voor God de werkelijke overwinning van de domheid is” en “passief afwachten en gevoelloos toekijken zijn geen christelijke houdingenconf. Dietrich Bonhoeffer.

Een cultureel fenomeen van deze tijd is tevens het overweldigend succes van de tentoonstelling van Jheronimus Bosch, die in een complete compositie de zeven hoofdzonden en de vier uitersten heeft weergegeven. Ons oog wordt naar de dood geleid, hetgeen doet denken aan een ander werk ‘de dood van een vrek’, met dit verschil dat de stervende oude man de laatste oliezalving [zie vorige zondag] krijgt toegediend [= een Mysterie [RK Sacrament, waarbij de gelovige gezalfde vergeving van zonden verkrijgt].

Dood van een Vrek, detail. Madrid, Prado, Jheronimus Bosch

Na onze dood volgt immers het oordeel, waarbij wij ten opzichte van God verantwoording schuldig zijn. Degenen die zich tijdens hun leven beter gedragen hebben, melden zich -in hun blootje- aan de Hemelpoort. De poort maakt deel uit van een gebouw dat half kerkgebouw, half paleis is, de heiligen worden begeleid door de aartsengel Michaël en welkom geheten door de eerste der apostelen, Petrus. De zeven hoofdzonden, waaraan een mens zich tijdens zijn leven schuldig kan maken, vormen bij elkaar een cirkel, rond een symbolisch oog, wat alles ziet. Bosch heeft alle benamingen onder elke afbeelding geschreven; gulzigheid, gemakzucht, wellust, hoogmoed, woede, jaloezie en gierigheid. Elke zonde wordt aangeduid met een apart schilderijtje, waarop veel te zien is. Het zijn alledaagse scènes, die een mooi inkijkje geven in de menselijke tekortkomingen. De bedoeling van de kunstenaar is dat de toeschouwer, door zich op de afbeeldingen te concentreren, bewust wordt van zijn eigen tekortkomingen en zich op de ontmoeting met de Heer, d.w.z. op zijn levenseinde dient voor te bereiden.

In Gods Woord is sprake van een Bron, Die geopend is tegen de zonde en tegen de onreinheid. Het is de Bron des Levens, een voortdurende stroom van levend water. En het Water van die Hemelse Bron komt niet zó maar -af en toe- in beroering, nee, Die is vierentwintig uur per dag, alle dagen van het jaar actief.
God is er onophoudelijk! En Hij biedt Zich aan: “ Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en 
Ik zal u rust gevenMatth.11: 28. Hij nodigt ieder mens uit tot Hem te komen: ‘kinderen’ zo noemt Hij Zijn volgelingen, want eenmaal opgenomen ben je één met Zijn familie. Want indien je als Zijn schepsel bent gedoopt, behoor je tot Zijn Gemeenschap, jij hebt immers een overeenkomst met Hem afgesloten. Jij bevindt je onder de schaduw van Zijn vleugelen, Hij is jouw beschermer en je toevlucht, Hij is jouw God.
En hoe is het nù bij die levensbron, je zou verwachten dat men zich er zou verdringen. Is daar een gedrang omdat er zo veel mensen zijn die gereinigd willen worden van de schuld van hun ongerechtigheden en van de smet van het verderf? Heb jij of hebben jullie al behoefte aan dit levenschenkende water? Wéten de mensen wel dat zij dodelijk ziek zijn [aan hun ziel], dat zij elk ogenblik verwezen kunnen worden naar de eeuwige ondergang? Dat is namelijk onze realiteit, die stelselmatig wordt afgewezen en niet wordt ervaren. De mens is te druk met z’n eigen eigenaardigheden. En daarom zegt de apostel: Haast u “Zie, nu is het de tijd van het welbehagen [Genadegave, die gratis en voor niets geschonken worden], zie, nu is het de dag van het heil !” 2Cor.6: 2. Steeds krachtiger wordt zijn taal, steeds schriller worden de contrasten, wanneer hij spreekt over het Christelijke leven. Tot hij het hoogtepunt bereikt in de paradox van de slotzin: “ als bedroefd, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en toch alles bezittend. Onze mond heeft zich tegen u geopend, familieleden, ons hart staat wijd open; bij ons vinden jullie niet te weinig ruimte, maar in uw [eigen] binnenste is het te eng” 2Cor.6: 10-12.

Het leven van een Christen is vòl spanningen, vòl tegenstellingen ook. Het verloopt precies zoals we dat bij Paulus zien: een leven vòl lijden, vòl teleurstellingen, maar tevens gevuld met vreugde, omdat z’n leven bezield is van één groot verlangen: de Genadegaven van de Heer te mogen ontvangen en door inzet en strijd dichter bij God te mogen komen.
Daarom is Paulus in staat ondanks alle verschrikkingen toch nog te zingen, het Hooglied van het leven van een apostel. Daarom kan hij zingen van de Liefde, Die alles doordringt:

‘Had ik de liefde niet’, tekst-T’shirt

Al ware het, dat ik met de tongen van de mensen en van de engelen sprak, maar had de Liefde niet, ik zou zijn als schallend koper of een rinkelende cimbaal.
⁌ Al ware het, dat ik profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al het Geloof had, zodat ik bergen verzette, maar ik had de Liefde niet, ik ware niets.
  Al ware het, dat ik al wat ik heb tot spijs uitdeelde en
  al ware het, dat ik mijn lichaam gaf om te worden verbrand, maar had de liefde niet, het 
baatte mij niets.
  De liefde is lankmoedig, de liefde is goedertieren, zij is niet afgunstig, de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwade niet toe. Zij is niet blij over ongerechtigheid, maar zij is blij met de Waarheid.
  Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij. De liefde vergaat nimmermeer; maar profetieën, zij zullen afgedaan hebben; tongen, zij zullen verstommen; kennis, zij zal afgedaan hebben.
Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren.
Doch, als het volmaakte komt, zal datgene wat onvolkomen is afgedaan hebben1Cor.13: 1-10.
Alle waarachtige diepe vreugde ontstaat door het lijden heen en heeft een ‘Pascha-gejubel tot gevolg. Christus is opgestaan/verrezen en dat is vandaag de dag nog steeds zo, óók in ons eigen leven:

“Zie, nu is het de tijd van het welbehagen, zie, nu is het de dag van het heil”.
Alle blijdschap komt voort uit en wordt gedragen door Christus. Het kruis van Christus is onze Genadegave; daaruit mogen wij elke dag leven en zingen.

Hoe zo’n leven onder het meegedragen kruis van Christus er uit ziet?
Het hangt samen met geduld, daarnaast bezinning en tevens een standvastige houding ten opzichte van alle tegenwerkende krachten.
Het laat in alle opzichten een houding zien dat men zéker van z’n zaak is, ondanks alle verliezen, teleurstellingen, zelfs bij een overvloedige rijkdom en in alle droefheid [zie: het boek Job] een triomferende vreugde.
Maar wij doen onszelf in alles kennen als dienaren Gods: in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten, in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, 
in de Heilige Geest, in ongeveinsde liefde, in de prediking van de waarheid, in de kracht van God; met de wapenen der gerechtigheid in de rechterhand en in de linkerhand; onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en toch betrouwbaar; als niet bekend en toch wel bekend; als stervend en zie, wij leven; als getuchtigd, maar niet ten dode; als bedroefd, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en toch alles bezittend2Cor.6: 4-10. Geduld, die men hierbij nodig heeft wordt vanuit het Grieks verstaan als “het er onder blijven”.
Er onder” want er zijn dingen “waar over” de mens geen enkele macht kan uitoefenen, die hij dus over zich heen moet laten komen. Maar aan de andere kant zit in geduld ook een volharden, altijd dezelfde zijn, in alle denkbare omstandigheden, die Paulus ons zojuist voor ogen stelde en in dat alles bleef Paulus ongebroken in moed en geloofsblijdschap.
Dus wanneer je wèrkelijk een dienaar Gods wilt zijn, maak je borst dan maar nat. Je wilt dat de hand van de Heer op jou rust? Zo ja, dan kunt u er van verzekerd zijn dat je een kruis vol pijn en ellende zult gaan dragen. Je zult in een tranendal belanden, je zult huilen, niet persé [of alleen] vanwege lichamelijke pijn, maar méér nog van het geestelijke geknakt en gebroken worden, het verworpen worden door je eigen [geloofs-]familie en vrienden. Het is de pijn die ouders voelen als hun kinderen van hen vervreemden en hen op hun ziel trappen. Het is de pijn als er muren ontstaan tussen gehuwden en je zó gekwetst wordt, dat het verder gaan met elkaar niet meer mogelijk lijkt te zijn. Verwacht rusteloze, slapeloze nachten vol innerlijke worstelingen, wetende dat God bestaat, dat je Hèm wilt volgen en dat je van Christus houdt, maar dat je desondanks toch gedwongen wordt jouw kruis mede te dragen – een kruis, waar niet aan te ontkomen valt.
Laat je niets wijsmaken een volgeling van Christus krijgt onwillekeurig een leven als uit Goethes Egmont [1787]: “himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt” [vert. hemelhoog jubelend, dodelijk bedroefd].
De Blijde Boodschap houdt ons voor dat we het slechts ‘als vreugde‘ moeten rekenen als we zo beproefd worden, en zegt: ‘“Talrijk zijn de beproevingen van de rechtvaardigen, maar de Heer bevrijdt hen uit alle kwellingPsalm 33[34]: 20. Ja, onze Heer en Zaligmaker heeft beloofd ons hiervan te verlossen, maar dat maakt het er doorheen gaan niet minder pijnlijk wordt ervaren.

Ook al hebben wij hier op aarde maar weinig om nog van te leven, wij ervaren datgene wat ons toekomt als een zegen van boven en dat is beter dan al het goud van de wereld. “Armoede houd je netjes“, zei m’n moeder regelmatig en zo is het nu eenmaal: “ Beter is weinig voor een gerechte, dan alle rijkdom van zondaars. Want de beenderen der zondaars worden gebroken, maar de Heer ondersteund de gerechten, De Heer kent de wegen van de onschuldigen; hun erfdeel houdt stand voor eeuwigPsalm 36[37]: 16-17.

– “Tabitha, sta op!” –

Tegen deze achtergrond wordt ons vandaag de genezing van de verlamde voorgehouden en de ‘Opstanding’ van de volgeling Tabitha uit Joppe; zo werd een man, die reeds achtendertig jaar lang ziek geweest was voor de ogen van het volk hersteld van zijn verlamming en opende de gestorven vrouw weer de ogen. De goddeloze kan niet leven met onzekerheden, alles dient tot in de puntjes geregeld te zijn. De Rechtvaardige echter dient dikwijls tot de ontdekking te komen dat alles onder zijn handen lijkt af te breken. Het is de Pedagogie van de Heer, de vrije Genade waarin wij leren te berusten en we dobberen slechts voort op die Genadegaven alleen. Iedere keer als wij het menen te weten en stappen willen zetten, dienen wij ons opnieuw te realiseren dat wij mensen zonder God niets doen kunnen.
  ’s-Avonds, ’s-morgens en ’s-middags zal ik het zeggen en verkondigen; dan zal Hij mijn stem verhoren” en “Werp uw zorgen op de Heer en Hij zal u er doorheen dragen; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten dat de Gerechte wankeltPsalm.54[55]: 17,23.
En genezen zijnde zijn we het ons vaak niet eens bewust, Wie het was, Die ons genas – zelfs de wetenschap – staat regelmatig voor raadselen. Jezus zorgt namelijk dat niemand Hem tegenkomt, omdat er in dàt geval een [grote] schare [menigte] op de been zal komen, wanneer dit bekend wordt – of niet soms?.

Apolytikion     tn.3
  Dat hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen
want de Heer heeft de Kracht van Zijn arm getoond.
Door Zijn dood heeft Hij de dood vertreden,
en werd Hij de Eerstgeborene uit de doden.
Hij heeft  ons verlost uit de diepten der hel
en aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Troparion     tn.3
Door vele zonden en tegennatuurlijke daden
is mijn ziel geheel en al verlamd, o Heer.
Maar doe haar weer opstaan door Uw Goddelijke tegenwoordigheid,
zoals Gij eens de verlamde hebt opgericht,
opdat ik, gered, tot U mag roepen:
Barmhartige Christus, ere zij Uw Kracht”.

Orthodoxie & Christus, het brood des Levens

– De Emmaüsgangers –

Jezus zei tot hen [ons]:
Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en 
wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. Maar Ik heb u gezegd, dat gij niet gelooft, ook al hebt gij Mij gezien.
   Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Want Ik ben van de hemel nedergedaald, niet om mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren zal laten gaan, maar het zal opwekken ten jongsten dage.
   Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven zal   hebben en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage’” John.6: 35-39.

Simon, de tovenaar en de handoplegging

En toen Simon zag, dat door de handoplegging van de apostelen de Geest werd gegeven, bood hij hun geld aan en zei: ‘Geef ook mij deze macht, opdat, als ik iemand de handen opleg, hij de Heilige Geest zal ontvangen.
   Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u tot verderving, daar gij gemeend hebt de gave Gods voor geld te kunnen verwerven. Gij hebt part noch deel aan deze zaak, want uw hart is niet recht voor God.
   Bekeer u van deze uw boosheid en bid de Heer of dit voornemen van uw hart u vergeven mag worden;  want ik zie, dat gij gekomen zijt tot een gal van bitterheid en een wirwar van ongerechtigheid.
   Doch Simon antwoordde en zei: Bidt gij voor mij tot de Heer, dat mij niets overkomen mag worden van hetgeen gij gezegd hebt.
   Toen zij dan het woord des Heren betuigd en gesproken hadden, keerden zij terug naar Jeruzalem en verkondigden de Blijde Boodschap aan vele dorpen van de SamaritanenHand.8: 18-25.

‘Ik ben het brood des Levens’

Ik ben Brood des levens”; Ik ben het Brood dat leven geeft, eeuwig leven.
Nog even iets over het woord ‘leven’; dit woord leven komt in de weergave van de Blijde Boodschap door  Johannes veelvuldig voor. Een paar voorbeelden:
– “In het Woord was leven en het leven was het Licht der mensenJohn.1: 4.
– “Ik ben gekomen, opdat zij Leven hebben en overvloedJohn.10: 10.
– “Ik ben de Opstanding en het LevenJohn.11: 25.
– “Ik zal Mijn Leven voor u inzettenJohn.13: 37.
– “Ik ben de weg, de Waarheid en het LevenJohn.14: 6.

Jezus Christus, familieleden, ís ‘het’ Leven, de keerzijde van het leven is … de dood.  De dood, die door onze oorspronkelijke levensbestemming [het Paradijs] een grote, dikke, zwarte streep heeft gehaald.
De dood, die te maken heeft met de tegenstand van de mens tegen God.
De dood … als straf op de zonde; maar God wil niet … de dood van een zondaar, zó heeft God ons niet bedoeld. Hij heeft ons geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis en heeft ons bedoeld om eeuwig te leven. Ondanks onze hoogmoed, waardoor wij zondigen, blijft ‘Hij’ ons vasthouden aan het leven.

Daarom zendt GOD – vanuit de hemel – Zijn Zoon als Brood des levens naar de aarde. Om aan degenen, die hun schuld belijden, die zich laten verzoenen door het bloed van Jezus Christus, … het leven te geven.
Want Christus ‘ís’ het leven en Hij ‘gééft’ ook het leven. Daarom is dit Brood ook een levensvoorwaarde; Christus geeft Zichzelf aan mensen die dreigen òm te komen; Hij biedt Zichzelf iedere Goddelijke Liturgie aan in Brood en in Wijn.
Ik ben het Brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren, en wie in mij gelooft, zal nimmermeer dorsten“. Geloven is … je bekleden met Christus, je geheel op Hèm richten; Hij is er … -híer en nu-, Hij is nabij.
Neemt, eet en drinkt” en doe dat tot Mijn Gedachtenis.
Geloven in Hem, dat is: Het Brood des Levens eten; met Jezus als het ware Brood aan boord kun je de toekomst tegemoet. Ook al moet je straks door de lichamelijke dood heen. Er is de belofte dat al wie, dat is iedereen, die in Christus gelooft … “het eeuwige leven heeftJohn.6: 40.
Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongste dage.”

Het christelijk geloof is een huwelijksverbond

“Bewaar mij Heer, want ik vertrouw op U en zeg: ‘Gij zijt mijn God, mijn goederen hebt Gij niet nodig. Voor de heiligen in Zijn land heeft de Heer al Zijn wonderen gedaan. Zij waren van zwakheid vervuld, maar met Zijn hulp werden zij snel.
Ik wil niet deelnemen aan hun bloedbijeenkomsten, noch hun naam met mijn lippen gedenken.
De Heer is mijn erfdeel, mijn deel aan de kelk: Gij toch hebt mij hersteld in mijn erfdeel. Het meetsnoer viel voor mij in het vruchtbaarste land; als erfdeel kreeg ik het beste. 
Ik wil de Heer zegenen Die mij tot inzicht heeft gebracht: zelfs in de nacht onderricht Hij mijn hart. Ik heb de Heer gedurig voor ogen: Hij staat naast mij, opdat ik niet wankel.
Daarover verheugt zich mijn hart en juicht mijn tong; zelfs mijn vlees zal wonen in vertrouwen. Want Gij geeft mijn ziel niet prijs aan de hades; Gij zult Uw gewijde het bederf niet doen zien. Gij hebt mij de wegen des levens doen kennen, door Uw Aanschijn hebt Gij mij met vreugde vervuld. De genietingen aan Uw rechterhand duren tot in eeuwigheidPsalm15[16], vert. ROK ’s-Gravenhage

Aan het begin van hoofdstuk 6 geeft Johannes aan dat Christus naar Galilea vertrekt; dat is de landstreek waar Hij is opgegroeid. In de volksmond wordt deze streek ‘het Galilea der heidenen’ genoemd en ‘heidenen’ waren in de tijd al degenen, die niet tot het Joodse uitverkoren Volk behoorden. Zijn Blijde Boodschap predikt hij aldaar door dit te bevestigen door allerlei tekenen en wonderen. Hij geneest de zieken, iedereen is hier uitgelaten om en opgewonden, alom wordt gesproken over wat er gebeurt – iedereen loopt Jezus achterná.
Johannes verhaalt: “   En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. En Jezus ging de berg op en zat daar neer met zijn discipelen. En het Pascha, het feest der Joden, was nabijJohn.6: 2-4.
Al die nieuwsgierige ogen zijn op Christus gericht; iedereen is geboeid door datgene wat Hij verkondigt, maar vooral door Zijn wonderen. Ja, mensen kunnen lang naar Zijn Blijde Boodschap blijven luisteren zelfs zo lang dat ze vergeten om naar huis te gaan. Ze vinden het interessant Zijn preken te horen, maar vooral om Hem bezig te zien. Vandaag is Hij toch wel heel bijzonder; Hij heeft hen allemaal te eten gegeven.
Vijfduizend mannen, hun vrouwen en kinderen niet  meegerekend hebben genoeg gegeten van vijf broden en twee visjes; dat is toch wel een Mysterie, of niet soms?.  
Vandaar dat zij vol bewondering uitroepen: “  Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou”. Vol enthousiasme willen ze Hem Koning maken.
Maar dat kan gewoon niet, Christus is niet ‘vàn’ deze wereld, dat is niet overeenkomstig ‘de Wil’ van Zijn Vader; daarvoor is ‘Hij’ niet [op aarde] gekomen. Het ‘gaat’ Hem niet om uitwendige bewondering, om ‘àl’ die mensen die van heinde en ver komen. Daarom gaat Christus stilletjes tussen hen door, naar de berg, om daar alleen te zijn; Hij zoekt de eenzaamheid op.
Het gaat God, de Vader om het Geloof ‘in de tijd‘, in de eeuwigheid – ook in onze tijd. Ook ‘wíj’ zijn onder de indruk van gelovige mensen, die Christus zoeken en vinden; maar hun Geloof zit ook dieper dan alleen in hun verstand. Hun geloof is geworteld in hun gevoel, in hun hart; óh wat zijn ze enthousiast, blij en zó opgetogen. Ze vinden de Heer dusdanig bewonderenswaardig, dat ze Hem wel koning willen maken, aan zo’n koning heb je tenminste wat. Zo’n Koning Die hen verlost van de vijand; een Koning Die het ook nog zo goed kan verwoorden.

Echter als ‘Hogepriester’ willen ze Hem niet, neen een priester hebben ze niet nodig, dan wordt er teveel van je verwacht; dan staat hun leventje op z’n kop.

Cross – houtsnijwerk van een aankomend monnik, I.M. Karakallou, Athos

Ze weten drommels goed dat de profeten onder het Oude Verbond over Hem hebben geprofeteerd. Dat Hij komen zou om te lijden en te sterven voor de zonden van Zijn volk. Dat weten ze drommels goed, verstandelijk althans: de Messias komt om Zichzelf te offeren, om Gods recht te verheerlijken, om de schuld van de Zijnen te betalen, om hun straf te dragen en om voor hen verzoening en het eeuwige leven aan te brengen.
Niemand kan zeggen dat hij of zij dat niet weet, de profetieën staan er vol van en daarin zijn zij grondig onderwezen. Maar daar heeft de schare geen oog voor, daar zijn ze blind voor.
Erger nog dat staat hen -nèt als in onze tijd- tegen. Met ál hun enthousiasme, hun drukte en hun ingebeeld geloof, willen zij ‘dàt’ niet horen. Hun hart is nog niet geraakt, wanneer je aangeeft dat je je kruis op dient te nemen, dan wordt het te moeilijk. Wij, mensen, ervaren ons leven als iets unieks, van onszelf alleen, daar dien je vanaf te blijven; wij hebben het goed in de hand en programmeren alles ‘zèlf’ wel. Soms gebeurt er iets dat ons overvalt, terwijl we andere plannen maakten – we proberen het dan snel weer zelf in handen te krijgen. Vooral op die momenten waarop je de sterflijkheid ervaart, wordt het verlangen om te blijven leven nog sterker. Als ons mensen het water aan de lippen staat, wanneer we verdrinken, dan is het leven het enige waar men zich nog om bekommert.
Na afloop van een ziekte en een daarop volgende onverwachte genezing, leef je intensiever, je kunt weer vrij ademen, genieten van een maaltijd, gezond slapen, vol warmte en vriendelijkheid om de kleinste dingen lachen; je bent blij dat het kan, dat je leeft. Soms ben je zó blij, dat je de tijd zou willen stilzetten. Anderen zouden het leven willen óverdoen, de gemaakte fouten herstellen.
Dat is de hang naar het eeuwige leven, het ‘blijvende’ eeuwige leven en dan krijg je op een door-de-weekse-daglezing [wo] onder ogen: ”Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en 
wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorstenJohn.6: 35.
Dàt zijn toch woorden, die ingaan tegen onze sterkste ervaring: alle leven hier op aarde is eindig, “de wind waait erover en het is er niet meer; zelfs zijn plaats is niet meer te vindenPsalm 102[103].
In deze psalm worden binnen het bestek van één zegening vier overgangen bezongen: van een dodelijke ziekte door eigen schuld naar een volkomen nieuw leven [3-5]; van uitbuiting naar bevrijding [6-7]; van zonde naar vergeving [8-13] en van chaos naar Gods Heerschappij. De mystieke dimensie in al deze overgangen gaat open in de hymne, die onmiddellijk aansluit op de overgang van zonde naar verzoening [14-18]. Deze Hymne bezingt de bewarende en gunnende Liefde van God, Die er eeuwig is voor wie zich met Hem verbonden weten.
Deze Liefde is scheppend, maar wordt tegelijk vertederd door het geschapene: zij ervaart ìn het scheppen zèlf hoe nietig het geschapene is. God is de vergeving van onze zonden en vertedert Zich als een Vader over Zijn kinderen [12-13]. Gods gunnende Liefde overspoelt ons, zoals de hemel zich boogvormig over de aarde vormt [11]; de reden van deze vertedering is: ‘Ja, God voelt onze vorm’, omdat Hij ons ‘vormt uit stof van de aarde’ [Gen.2: 7]. Hij beseft als tedere boetseerder, dat wij uit onszelf slechts ‘stof’ zijn [conf.Mystiek uit de Psalmen’, Kees Waayman].
Bloemen en zielen drijven naar dat Hemels Koninkrijk, leven is ergens onderweg zijn naar de aardse dood. En dan komt de hamvraag: ‘Wie geloven we, onszelf of God? Zijn we zekerder van onszelf dan van God?’. Kunnen we geloven dat God ons liefheeft? Of zoals een theoloog het uitdrukt: “ In het hoofd van het kind dat leeft onder de goede zorgen van zijn ouders, komt niet de vraag op of zij morgen nog voor hem/haar zal zorgen. Het laat zich beminnen, de rest zit dan wel goed. Daar maakt een kind zich geen zorgen over” [Schillebeeckx].
Na de dood zijn we aan God overgeleverd, de dood is immers een breuk met het zichtbare leven: de voltooiing dient ons door God geschonken te worden.

     Maar juist dáárom dient er in ons aardse leven iets gebeurd te zijn dat door God voltooid kàn worden. Wat is dat? Wat zou God, Die alles al heeft, van ons aanvaarden?
Als God Liefde is kan het Hem eigenlijk alleen maar boeien wat aan liefde ‘in‘ ons aanwezig is. Als -zoals de apostel Paulus het uitdrukt -enkel- de Liefde blijft, dan zal God, die liefde in ons leven dienen aan te treffen. Anders is er niets te voltooien.
Wij mensen ervaren de dood als een hoge muur, ondoordringbaar. Je zou kunnen zeggen: ‘ons leven reikt er met z’n takken [van een olijfboom – eleïson] boven uit en één vrucht [een gouden olijf – χρυσό ελιά] is het, die God wil plukken, liefde. Die neemt Hij voor eeuwig tot Zich.

Apostel Philippos in vuur en vlam

Door handoplegging van de opvolgers van de apostelen wordt de Heilige Geest gegeven, Die is onmogelijk te koop. De Heilige Geest is niet met menselijke macht en overweldigende kracht te verkrijgen, de Heilige Geest wordt uit Goddelijke Liefde -om niet- gegeven, zal niets verloren laten gaan, maar zal ons in alle rust  opwekken ten jongsten dage.
Philippos is heel helder over datgene wat hij verlangt: “Heer, toon ons de Vader en het is ons genoegJohn.14: 8.