Het hoogfeest van Pascha [1]

‘ Bekeert u . . . . .!’.

Broeders en zusters bekeert u, zo zegt de Heer, want het Koninkrijk der Hemelen is nabij.
    En toen de Sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria (de moeder) van Jacobus, en Salome specerijen om Hem te gaan zalven.
– En zeer vroeg op de eerste dag der week gingen zij naar het graf, toen de zon opging. – En zij zeiden tot elkaar:  ‘Wie zal ons de steen afwentelen van de ingang van het graf?’.
– En toen zij opzagen, aanschouwden zij, dat de steen afgewenteld was; want hij was zeer groot.
– En toen zij in het graf gegaan waren, zagen zij een jongeling zitten aan de rechterzijde, bekleed met een wit gewaad, en ontsteltenis beving haar.
Hij zei tot haar:
‘’Weest niet ontsteld. Jezus zoekt gij, de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie de plaats, waar zij Hem hebben neergelegd.
Maar gaat heen, zegt aan al zijn volgelingen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult gij Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft’.
– En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar bevangen. En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd” Marc.16: 1-8.

Van de Apostel Paulus hebben wij vernomen, dat Christus door het Geloof in onze harten leeft:
    Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar Wie alle geslacht in de Hemelen en op de aarde genoemd wordt, opdat Hij u geve, naar de Rijkdom van Zijn Heerlijkheid, met Kracht gesterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het Geloof in uw harten woning zal maken. Geworteld en gegrond in de Liefde, zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is en te kennen de Liefde van Christus, Die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid van GodEph. 3,14-19.

Het is voorzeker dat men daaruit mag opmaken, dat Christus zolang in onze harten leeft als ons Geloof levend is. Wanneer echter ons geloof dood is, dan is in zekere zin ook Christus in ons dood. Verder zijn het de werken die van het leven van het geloof ‘getuigenis’ afleggen, zoals geschreven staat: “ Ik kan van Mijzelf niets doen; gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet Mijn wil, doch de wil van Hem, die Mij gezonden heeft.
    Indien Ik getuig van Mijzelf, is Mijn getuigenis niet waar; Een Ander is het, die van Mij getuigt, en Ik weet, dat het getuigenis, dat Hij van Mij aflegt, waar is. Gij hebt tot Johannes [de doper] gezonden en hij heeft van de Waarheid getuigd; maar Ik behoef het getuigenis van een mens niet, doch Ik zeg dit, opdat gij behouden wordt. Hij was de brandende en schijnende lamp en gij hebt u een tijdlang in zijn licht willen verheugen. Maar Ik heb een getuigenis, gewichtiger dan dat van Johannes [de doper]; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen, juist die werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft. En de Vader, die Mij gezonden heeft, die heeft van Mij getuigenis gegeven. Gij hebt nooit Zijn stem gehoord of Zijn gedaante gezien en Zijn Woord hebt gij niet blijvend in u, want die Hij gezonden heeft, gelooft gij nietJohn 5: 30-38Over deze kwestie lijkt ook de apostel Jakobus overeen te stemmen, die de verzekering geeft dat een geloof zonder werken in zichzelf dood is:
      Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert Geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat Geloof hem behouden? Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel en iemand van u zegt tot hen: ‘Gaat heen in Vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit?
Zo is het ook met het Geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood. Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt Geloof en ik heb werken. Toon mij dan uw Geloof zonder de werken en ik zal u mijn Geloof tonen uit mijn werken“ Jac.2: 14-18.

Zoals wij namelijk het leven van dit lichaam het feit dat het beweegt, herkennen, zo herkennen wij het leven van het Geloof aan de goede werken. Het leven van het lichaam is dus de ziel, van haar krijgt het beweging en gevoel.
En zo is het leven van het Geloof de Liefde, want door haar werkt het Geloof, zoals U kunt lezen bij de Apostel:
      Wij immers verwachten door de Geest uit het Geloof de Gerechtigheid, waarop wij hopen. Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar Geloof, door Liefde werkende. Gij liept goed. Wie is u in de weg gekomen, dat gij aan de Waarheid niet meer gehoorzaamt? Gal.5: 5-7.
Wanneer dus de Liefde bekoeld is, koud wordt, sterft het Geloof, zoals het lichaam sterft, als de ziel het verlaat. Ziet ge dus iemand die ijverig is in het doen van goede werken en zich in heel zijn levenswandel blijmoedig toont, dan kun je er zeker van zijn, dat in hem het Geloof leeft, want je hebt de onbetwijfelbare bewijzen van dit leven. Maar helaas, sommigen beginnen met de geest, maar eindigen later met het vlees.
Wij weten echter, dat de geest van leven dan niet langer in hen blijft, zoals geschreven staat:                 Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. En de Heer zei:Mijn Geest zal niet altoos in de 
mens blijven, nu zij zich misdragen hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijnGen.6: 1-3. En als de geest niet blijft, dan lijdt het geen twijfel, dat ook de Liefde zal verdwijnen, Die: “      in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven isRom.5: 5.
Overigens laat de Apostel Paulus ons zien, zoals wij reeds zeiden, dat het leven van het Geloof in de Liefde bestaat, wanneer hij zegt dat het Geloof door de Liefde werkt: “      Gij zijt los van Christus, als gij door de wet Gerechtigheid verwacht; ‘buiten’ de Genade staat gij. Wij immers verwachten door de Geest uit het Geloof de Gerechtigheid, waarop wij hopen. Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar Geloof, door Liefde werkendeGal 5: 4-6Daaruit volgt dus, dat het Geloof sterft als de geest verdwijnt, want ‘het is de Heilige Geest die levend maakt: “     “ De Geest is het, Die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn Geest en zijn Leven. Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou. En Hij zei: ‘Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij” John.6: 63-65.

Vervolgens, als wijsheid naar het vlees [kennis] de dood betekent, dan moeten ongetwijfeld zij, over wier leven wij ons verheugden, zolang zij de werken door de Geest van het lichaam doodden, thans als doden beweend worden, nu zij weer naar het vlees leven.
Daarom staat er ook bij dezelfde apostel te lezen: “      Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zult gij leven. Want allen, die door de Geest van God geleid worden, zijn zonen [kinderen] van God. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap [kindschap], door welke wij roepen: ‘Abba, Vader’Rom 8: 13-15.
Wat een ongeluk valt u ten deel, wie gij ook bent, wanneer gij als een hond naar zijn braaksel terugkeert of als een schoongewassen zwijn zich weer in de modder wentelt! 2Petr.2: 22; m.a.w. die weer in oud gedrag vervalt.

‘Je bent bekeerd voor de ander . . . . .’

     Ik spreek niet alleen van degenen die naar het lichaam weer naar Egypte terugkeren, maar ook van hen die dit in hun hart doen, doordat zij naar de geneugten van deze wereld streven en zo het leven van het Geloof, dit is de Liefde, niet bezitten.        Ik heb u geschreven, vaders, want gij kent Hem, Die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk en het Woord van God blijft in u en gij hebt de boze overwonnen. Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de Liefde van [God] de Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een hovaardig [trots zichzelf beter vindend dan de ander] leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid1John.2: 14-17.
Wie is er immers meer dood dan hij die het vuur in het hart, dit is de zonde in zijn geweten, brandend houdt en dit niet voelt, niet ervoor terugschrikt en het niet uitdooft?
Overweeg nu daarom maar eens opnieuw: Christus is in het graf en het dode geloof is in de ziel.
Wat kunnen wij voor Hem doen?
Wat deden de heilige vrouwen die als enige van alle volgelingen met een grotere Liefde bezield waren?
Zij kochten specerijen om daarmee naar het graf te gaan en Jezus, lichaam te gaan zalvenMarc. 16: 1. Deden zij dat om Hem tot leven te wekken?
Ook wij, broeders, weten, dat een opwekking uit de doden niet in onze macht ligt. Onze opgave is het om te zalven. Waarom doen wij dat?
Om te voorkomen dat een mens die in die toestand een verkeerde geur afgeeft, gaat stinken, hij wordt voor zijn omgeving tot een doodslucht, tot ontbinding overgaat en geheel vergaat.
“      Maar God zij gedankt, Die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren en de reuk van Zijn Kennis allerwegen door ons verspreidt, want wij zijn voor God een geur van Christus onder hen, die gered worden, en onder hen, die verloren gaan; voor dezen een doodslucht ten dode, voor genen een levensgeur ten leven. En wie is tot zulk een taak bekwaam? Want wij zijn niet als zovelen, die winst maken uit het Woord van God, maar wij spreken in Christus uit Zuivere bedoelingen, ja, op Gezag van God en voor Gods aangezicht2Cor.2: 14-17.
De gehele wereld mag weten wat wij doen en hoe wij het doen; open en eerlijk, in gezamenlijk overleg – niemand om ons heen frustrerend.

waterpas, drieledige balans

Vandaar dat de drie vrouwen, dat zijn ‘de geest’, ‘de tong’ en ‘de hand’, specerijen kopen. Hierop heeft naar mijn mening de opdracht die Petrus kreeg, betrekking, toen hem tot driemaal toe werd opgedragen de kudde van de Heer te weiden: ‘Weid hen‘, sprak Jezus, met de Geest, met de mond, met de daad’, dit is: ‘met het gebed van het hart’, ‘met de opwekking van uw Woord’ en ‘door het voorbeeld te geven’; tot een voorbeeld te wezen voor geheel de mensheid.
Onze geest dient derhalve haar welriekende oliën te zoeken:
in de eerste plaats het gevoel van medelijden, vervolgens ijver voor wat rechtvaardig is en daarbij dient men de geest -van verstandig onderscheiden- niet uit het oog te verliezen.
Telkens wanneer je een broeder ziet zondigen, dient er bij U terstond een gevoel van medelijden op te komen. Het is als het ware aan de menselijke natuur verwant, want het komt uit Uzelf voort.
Paulus zegt hierover:        Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen. Verdraagt elkanders moeilijkheden; zo zult gij de [Liefdes-]Wet van Christus vervullen. Want indien iemand zich verbeeldt, dat hij iets is, en het niet is, dan vergist hij zich zeer. Ieder moet zijn eigen werk toetsen; dan zal hij slechts voor zichzelf stof tot roem hebben en niet voor een ander. Want ieder zal zijn eigen last dragen. En hij, die onderricht wordt in het Woord, dele van alle goed mee aan wie dat onderricht geeft. Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogstenGal 6, 1-7.
En toen de Heer de stad uittrok en Zijn Groot en Heilig Kruis droeg en enige vrouwen -nog niet alle stammen der aarde – over Hem weenden: “     En toen zij Hem wegleidden, grepen zij een zekere 
Simon van Cyrene, die van het land kwam en legden hem het Kruis op om het achter Jezus aan te dragen. En Hem volgde een grote menigte van volk en van vrouwen, die zich op de borst sloegen en over Hem weeklaagden. En Jezus wendde Zich tot haar en zeide: ‘Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen, want zie, er komen dagen, waarop men zeggen zal: Zalig de onvruchtbaren, en de schoot, die niet heeft gebaard, en de borsten, die niet hebben gezoogd. Dan zal men beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvelen: Bedekt ons. Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal met het dorre geschieden?Luc. 23: 26-31.

Let goed op de volgorde: eerst zegt Hij ‘over Uzelf’ en dan pas ‘over uw kinderen’.
Let op Uzelf om te Ieren met een ander medelijden te ervaren en om hem ‘in een geest van zachtmoedigheid’ te onderrichten.
Let op Uzelf, dat ook gij niet in bekoring komt.

‘Vandaag hij, morgen ik . . . . . .!’.

– Omdat een voorbeeld echter meer overtuigingskracht heeft en diepere indruk maakt op de menselijke geest, wijs ik U op het voorbeeld van een heilige oude man die, toen hij van de zonde van een van zijn broeders gehoord had, in bittere tranen uitbarstte en uitriep: ‘Vandaag hij en morgen ik!’ Meen je, dat iemand die zo over zichzelf weende, geen medelijden had met zijn broeder? Daarom kan dit gevoel van medelijden ‘vele gelovigen en niet-gelovigen’ tot nut zijn, omdat een edel gemoed zich schaamt iemand leed te berokkenen, waarvan het ziet dat deze bezorgd om hem is.

– Wat doen wij echter, als sommigen zo hardnekkig en onbeschaamd zijn, dat zij van ons medelijden en ons geduld des te meer misbruik maken, naarmate wij hun meer medelijden betonen? Moeten wij dan niet op dezelfde wijze, als wij met die broeder medelijden gehad hebben, ook met de gerechtigheid zelf medelijden hebben, die wij zo schaamteloos met voeten getreden zien en zo roekeloos getergd?
Ik weet, dat, indien er Liefde in ons leeft, wij deze verachting van God niet onverschillig kunnen verdragen. Dat is de ijver van de gerechtigheid die ons doet ontvlammen tegenover hen, die overtredingen begaan; in zekere zin worden wij geleid door liefde jegens Gods gerechtigheid die wij veracht zien worden.
Maar het gevoel van medelijden moet in ieder geval voorrang voor zich opeisen, want anders zouden wij in een heftige gemoedsgesteldheid de schepen van Tharsis verpletteren:
    Want zie, de koningen zijn samengeschoold; zij zijn [in vergadering] bijeengekomen. Dit ziende stonden allen verbaasd, zij ontstelden en beefden; zij werden door schrik bevangen, door barensweeën gegrepen. Door een geweldige storm [echter] werden de schepen van Tarsis verbrijzeld. Zoals wij het gehoord hebben, zo hebben wij het ook gezien in de stad van de Heer der Krachten [Heerscharen]” Psalm 47[48]: 5-8.
    Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun; Mijn uitverkorene, in Wie Ik een welbehagen heb. Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd: Hij zal de volkeren het Recht openbaren. Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal Hij niet uitdoven; naar Waarheid zal Hij het Recht openbaren. Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot Hij op aarde het Recht zal hebben gebracht; en op Zijn
Wetsonderricht zullen de kustlanden [de Lage Landen] wachtenIsaiah 42: 1-4Wanneer nu echter beide gevoelens aanwezig zijn, namelijk het oprecht gevoel van medelijden en de ijver voor wat Recht is, dan moet ook nog de geest van het verstandig onderscheiden erbij komen; want het zou kunnen gebeuren, dat, waar medelijden getoond dient te worden, de ijver zich op de voorgrond dringt en onberadenheid alles in de war stuurt.
Daarom heeft ons verstand ook de derde specerij nodig, de geest der onderscheiding, zodat het met verschillende omstandigheden rekening houdt door op de juiste tijd ijver te betonen, maar ook op de juiste tijd Vergeving te schenken.
Hij is een echte Samaritaan die er nauwlettend op toeziet, wanneer hij de olie van de barmhartigheid en de wijn van de vurige ijver moet toedienen.
En denkt nu niet dat ik dit bedacht heb. Luister naar de profeet die in een van de Psalmen om hetzelfde en in dezelfde volgorde smeekt: “     Heer, de aarde is vol van Uw Barmhartigheid; leer mij Uw Gerechtigheden. Doe met Uw Knecht, Dienaar, Heer, volgens Uw Woord. Leer mij goedheid, tucht en kennis, want ik geloof in Uw Geboden. Leer mij uw goedheid, tucht en kennis” Psalm 118[119]: 64-67 vert. ROK ’s-Gravenhage

Het Hoogfeest van Pascha [2]

‘Zij kochten specerijen om Hem te komen zalven’

Waar halen wij deze specerijen vandaan?
De bodem van ons hart laat dergelijke planten, die deugden opwekken niet ontspruiten, maar brengt eerder doornen en distels voort:
    En tot de mens zei de Heer, onze God: ‘Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom hebt gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft. En doornen en distelen zal hij u voortbrengen en gij zult het gewas van het veld eten; in het zweet van uw aanschijn zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij weerkerenGen 3: 17-19.
Wij moeten dus de specerijen zien te kopen. Maar wie verkoopt ons zulke specerijen? Juist bij Diegene, Die ons gezegd heeft: “      O, alle dorstigen, komt tot de wateren en gij die 
geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk.  Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan?
Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel zal zich in overvloed verlustigen. Neigt uw oor en komt tot Mij; hoort, opdat uw ziel zal leven; Ik zal met u een eeuwig Verbond [een contract (af-)]sluiten: de betrouwbare Genadebewijzen van David. Zie, Ik heb hem tot een getuige voor de natiën gesteld, tot een vorst en gebieder der natiën. Zie, een volk dat gij niet hebt gekend, zult gij roepen en een Volk dat u niet kende, zal tot u snellen ter wille van de Heer, uw God en van de Heilige van Israël [de Kerk], omdat Hij u verheerlijkt heeft. Zoekt de Heer, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij isIsaiah 55: 1-6.

‘In de Hemelen wordt niet gekocht!’

Jullie weten heel goed, wat de zoetheid van melk en de wrangheid van wijn betekenen. Maar wat dient er onder het ‘kopen zonder zilver of zonder betaling’ verstaan te worden? Bij de minnaars van deze wereld bestaat immers een dergelijk kopen niet, maar bij de Schepper van deze wereld kan er onmogelijk een ander kopen bestaan.  Immers de profeet David zegt tot de Heer: “       Bewaar mij, Heer, want ik vertrouw op U en zeg: Gij zijt mijn God, mijn goederen hebt Gij niet nodig, Voor de heiligen in Zijn Land heeft de Heer al Zijn wonderen gedaan. Zij waren met zwakheid vervuld, maar met Zijn hulp werden zij snel Psalm 15[16]: 1-4.
Welke prijs zal de mens dus aan God voor Zijn Genadegenaden geven, aan Degene, Die geen enkele gave nodig heeft [omdat Hij alles al heeft] en aan Wie alles toekomt? De Genadegaven worden ‘om niet’ geschonken; en ook als wij ze moeten kopen, kopen wij ze ‘om niet’, want: wat daarvoor gegeven wordt, blijft ons behouden als iets beters.
– Wanneer iemand van het volk Israël een enorme schuld had aan iemand – een schuld die zo groot was dat hij in de huidige situatie deze niet kon terugbetalen – dan kon de schuldenaar aanbieden om slaaf te worden van iemand die in zijn plaats de schuld kon betalen.
De schuldenaar werd daarmee slaaf van de persoon die in zijn plaats zijn schuld had afbetaald en vervolgens zou hij deze persoon gaan dienen, soms zelfs levenslang.

Dit is precies wat ons overkomt en met alle christenen. Op een bepaald punt in ons leven, erkennen wij dat wij een enorme en niet terug te betalen zondeschuld bezitten. Daarop hebben wij ons tot onze Heer, Jezus Christus gewend en bieden ons aan Hem aan omdat wij begrepen dat Hij de enige is Die onze schuld kan betalen; wij hebben afscheid genomen van de wereld en al haar onhebbelijkheden. Wij geloven in de Blijde Boodschap dat Jezus aan het Kruis voor alles onze schuld ingelost heeft bij de Vader en wij ons als kinderen van de Vader over Zijn Hemels Koninkrijk mogen verheugen. Christus heeft ons van de schuld van de zonde bevrijd en wij zijn blij en dankbaar om een ‘nieuwe’ Meester te hebben.

Er zijn dus drie welriekende specerijen van de geest. Zij dienen met de munt van de eigenwil [het streven naar nederigheid] betaald te worden worden. Als wij deze daarvoor geven, verliezen wij niets, maar winnen er zelfs nog heel veel bij, want wij ruilen haar in voor iets beters. Wat eigenwil was, wordt nu gemeenschappelijke wil, de christelijke wil, de wil van de Vader, zoals de Vader ons als kinderen graag ziet.
Die gemeenschappelijke Wil bestaat uit de Liefde tot God en de Liefde tot de naasten.
Zo kopen wij ‘zonder betaling’; wij ontvangen iets dat wij niet bezeten en wat wij hadden, behouden wij als iets beters. 
Want wanneer kan iemand aan zijn medebroeder medelijden betonen, die, gevangen in zijn eigenwil, enkel en alleen medelijden met zichzelf heeft?  Of wanneer kan iemand die slechts zichzelf liefheeft, de gerechtigheid liefhebben en de ongerechtigheid haten:
God, Uw Troon is in de eeuwen der eeuwen, een scepter van Gerechtigheid is de scepter van Uw Rijk. Gij bemint Gerechtigheid, maar haat onrecht; daarom heeft God, uw God, u gezalfd met olie van de Vreugde boven uw gezellen. Myron, balsem en kaneel geuren in uw klederen in de ivoren vertrekken, waaruit de koningsdochters u Vreugde verschaffen in uw heerlijkheid. De koningin staat aan uw rechterzijde met een gewaad van goudbrokaat getooidPsalm 44[45]: 7-10.

Zo’n persoon kan voor de ogen van de mensen wel doen ‘alsòf’, ja hij kan zichzelf zèlfs iets voorspiegelen, zodat hij meent dat het om ‘gevoel van medelijden’ en de inzet voor de Gerechtigheid gaat, wanneer hij zich door eigenliefde of persoonlijke haat laat leiden.
Maar het valt gemakkelijk in te zien, hoe vèr datgene wat ‘eigen’ is aan de Liefde, afstaat van de eigenwil, ja dat zij zich juist als haar tegendeel laat zien, want Liefde is goedgunstig en zij verheugt zich niet over onrecht:         Al ware het, dat ik al wat ik heb tot spijs uitdeelde, 
en al ware het, dat ik mijn lichaam gaf om te worden verbrand, maar had de Liefde niet, het baatte mij niets. De Liefde is lankmoedig, de Liefde is goedertieren, zij is niet afgunstig, de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwaad niet toe. Zij is niet blij over ongerechtigheid, maar zij is blij met de Waarheid1Cor.13: 3-6.

Over de geest van het verstandig onderscheiden weten wij al, dat niets hem zo volledig uitdooft als de eigenwil die het hart van de mensen afkeert en de ogen van het verstand sluit.
Daarom dienen wij, zoals al gezegd is, met de munt van onze eigenwil drie welriekende specerijen voor onze geest kopen:
het gevoel van medelijden
de ijver voor wat recht is en
de geest van het verstandig onderscheid.
Op dezelfde wijze bestaan er ook voor de tong drie welriekende specerijen, namelijk:
gematigdheid in het berispen,
welbespraaktheid in het vermanen en
doeltreffendheid in het overtuigen.
Wil je deze specerijen bezitten?
Koop ze dan van de Heer uw God.
Koop ze, zeg ik, juist zoals de vorige ‘zonder betaling’; je wint erbij zonder iets te verliezen.
Koop van de Heer gematigdheid bij het berispen, want
dit is een heel groot goed en een zeer goede gave en slechts weinigen bezitten haar.
Want de tong”, zo zegt de heilige Jacobus, “kan niemand  bedwingen. Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn. Met haar loven wij de Heer en Vader en met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Gods geschapen zijn: uit dezelfde mond komt zegening en vervloeking voort. Dit moet, mijn broeders, niet zo zijnJac.3: 8-10.

Je ziet veel mensen, die, ofschoon met een oprechte bedoeling bezield en welwillend gestemd, een lichte opmerking maken waaraan echter zwaar getild wordt. Eén woord vliegt heen en wij kunnen het niet terugroepen. Het had tot genezing moeten dienen, maar omdat het wat te scherp klinkt, verbittert en kwetst het nog meer.
Wanneer zich bij de onverschilligheid ook nog onbeschaamdheid voegt, neemt het ongeduld zelfs nog toe. “Weet dat de tijd nabij is. Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij zal  nog vuiler worden; wie rechtvaardig is, hij zal nog meer uiting geven van Rechtvaardigheid; wie heilig is, hij zal nog meer geheiligd wordenOpenb.22: 11, terwijl “hij zich van slechte woorden bedient om met uitvluchten zijn zonden te verontschuldigingenPsalm 140[141]: 4.
Als een waanzinnige wijst hij -niet slechts- de hand van [de Meester] de Geneesheer af, maar poogt er ook nog in te bijten. Verder zijn er velen, die geen rijkdom aan woorden tot hun beschikking hebben, maar in hun vergeefs zoeken naar woorden “het gevoel hebben dat hun tong aan hun gehemelte blijft plakken” en dus zwijgen” Ezech.3: 26.
Ook dat werkt een groot aantal keren bijzonder ‘schadelijk’ voor degenen, die als toehoorders een antwoord verwachten.
Anderen weer beschikken over een overvloedige rijkdom aan woorden, maar wat ze te zeggen hebben, valt minder in de smaak en wordt minder goed opgenomen. En omdat wat ze zeggen, geen aantrekkingskracht bezit, heeft het weinig uitwerking.
Je ziet, hoe noodzakelijk het is uw specerijen, namelijk
bescheidenheid bij het berispen,
welbespraaktheid bij het vermanen en
doeltreffendheid bij het overreden,
van de Heer te kopen die de Gever is van alle Goed en de bron is van alle Kennis;
      Want als de Heer, uw God tot u zal spreken, dan zal Hij u de mond openen en je zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heer der Heerscharen: ‘Wie horen wil, hore. En wie het nalaten wil, late het na’. Want zij zijn een weerspannig geslachtEzech.3: 27.

Koop daarom deze specerijen met de munt van uw schuldbelijdenis, dat wil zeggen: ‘belijd eerst uw eigen zonden, voordat je ertoe overgaat anderen van de hunne te zuiveren’.
Een groot en wonderlijk Mysterie is de opwekking van de ziel.
Zorg ervoor, dat je dit mysterie niet onrein benadert.
Indien je het niet in algehele onschuld kunt, of beter: omdat je dit niet kunt,
Was je handen met de onschuldigen: voordat je het altaar van de Heer nadert. Om het geluid van de Lofzang te horen, om Gods wondere daden te meldenPsalm 26[27]: 6,7.
Met de belijdenis van de zonden wordt alles afgewassen en deze reiniging word je in een zekere zin als onschuld aangerekend, zodat je te midden van de onschuldigen kunt staan.

Tot de heilige dienst op het altaar nadert niemand in zijn dagelijkse kleding, maar al wie wil naderen, dient zich eerst met Christus [een wit kleed] te bekleden. Wanneer jij je dus naar het altaar van de Heer spoedt, was je dan, bekleed je met Hem [trek een wit kleed aan] en bekleed je met het kleed van de Heerlijkheid, zodat er tot je gezegd wordt:
Gij bekleed U met luister en pracht, Gij omhult U met licht als een mantelPsalm 103[104]: 1;
want “Belijdenis en schoonheid zijn voor Zijn Aangezicht; heiligheid en pracht in Zijn heiligdomPsalm 95[96]: 6.
Dit alles wordt u hier voorgehouden om u allen ervan te overtuigen dat
de welriekende specerijen van de tong, namelijk
gematigdheid in het berispen,
welbespraaktheid in het vermanen en
doeltreffendheid in het overtuigen
met de munt van uw Belijdenis van zonden gekocht kunnen worden.

Wij hebben evenwel gelezen en ook in onze dagelijkse ervaring waargenomen, dat wanneer iemands levenswandel geminacht wordt, ook zijn prediking niet serieus genomen wordt. Laat dus ook de hand -haar eigen specerijen- aanschaffen, opdat de wijze niet de spot met ons drijft, om die reden wordt gezegd:“al heeft de luiaard zijn hand in de schotel gestoken, hij brengt ze niet eens aan de mond. Sla je de spotter, dan wordt de onverstandige schrander, tuchtig je de verstandige, hij zal er kennis uit puttenSpr.19: 24,25.
Anders zou degene die jij terecht wijst, kunnen zeggen:
        Indien gij u dan gelovige [christen] laat noemen, steunt op de Wet, u beroemt u op God, dat gij Zijn Wil kent, weet te onderscheiden waarop het aankomt, daar gij onderricht in de Wet geniet en u overtuigd houdt, dat gij een leidsman van blinden zijt, een licht voor hen, die in duisternis zijn, 
een opvoeder van onverstandigen en een leermeester van onmondigen, daar gij in de Wet de belichaming van de Kennis en van de Waarheid bezit, – hoe nu, gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet? Gij, die predikt, dat men niet stelen mag, steelt gij?  Die overspel verbiedt, doet gij overspel? Die gruwt van de afgoden, pleegt gij tempelroof? Die u op de Wet beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de Wet?Rom.2: 17-23

Je bindt namelijk zware en ondraaglijke lasten bijeen en legt ze op de schouders van mensen, maar zelf wil je ze met geen vinger aanraken conf. Matth.23: 4.
Ik zeg U: Een levend en werkzaam woord is het voorbeeld van een daad.
Het geeft onze christelijke bedoeling overtuigingskracht, omdat het aantoont dat
datgene waartoe wij aansporen, ook uitvoerbaar is.
Daarvoor heeft ook de hand haar specerijen nodig:
– zelfbeheersing van het lichaam,
– barmhartigheid tegenover een broeder en
– geduld in de godsvrucht.
Daarom zegt de Apostel: “      Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de Zalige Hoop en de Verschijning van de Heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, Die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid en voor Zich te reinigen een eigen Godsvolk, volijverig in goede werken. Spreek hiervan, vermaan en weerleg met alle nadruk: ‘niemand mag u verachten’Titus 2:11-15.

Deze drie,  zelfbeheersing van het lichaam, barmhartigheid tegenover een broeder en geduld in de Godsvrucht zijn voor onze levenswandel onontbeerlijk. De eerste zijn wij verschuldigd aan onszelf, de tweede aan onze naasten en de derde aan God.
Want “ degene, die ontucht bedrijft, zondigt tegen zijn ‘eigen’ lichaam1Cor.6: 18, want hij berooft het van een hoge eer, geeft het aan een angstwekkende en schandelijke ontluistering prijs en neemt een lidmaat van Christus om er een lidmaat van een ontuchtige van te maken” 1Cor.6:15.
Paulus leert echter tevens, dat men zich niet slechts deze verfoeilijke lust, maar van ieder vleselijk genieten dient te onthouden. Zoek dus vooral deze ‘volkomen zelfbeheersing’, die je aan jezelf 
schuldig bent; niemand is je immers zo nabij dan jijzelf. Voeg er vervolgens de goddelijke barmhartigheid aan toe die jij de naaste verschuldigd bent, want ‘met hem’ dien jij gered worden. Tenslotte ook nog het geduld dat je aan God verschuldigd bent, want door Hem moet je gered worden. “      Gij daarentegen hebt volle aandacht geschonken aan mijn onderricht, wijze van doen, bedoeling, Geloof, Lankmoedigheid, Liefde, Volharding, [in Christus] vervolgingen en lijden, zoals mij getroffen hebben te Antiochie, te Ikonium en te Lystra. Al die vervolgingen heb ik doorstaan en de Heer heeft mij uit alle gered. Trouwens, allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden. Maar slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger komen; zij verleiden en worden verleid. Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wel bewust van wie gij het hebt geleerd en dat gij van kindsbeen af de [Blijde Boodschap] Heilige Schriften kent, Die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het Geloof in Christus Jezus2Tim.3: 10-15. Daarnaast vergeet niet, dat het uw opdracht is: “      De zielen van de volgelingen te versterken en hen te vermanen om te blijven bij het Geloof en dat wij [slechts] door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods moeten binnengaanHand. 14: 22.

Zie er derhalve op toe dat je niet door gebrek aan geduld te gronde gaat, maar alles verdraagt voor Hem, Die het eerst veel ergere dingen voor jou doorstaan heeft en bij Wie jouw geduld niet zonder vrucht zal zijn, zoals ook de profeet zegt: “     Want niet ten einde toe wordt de arme vergeten: de verwachting van de ellendigen zal niet voor immer vergaanPsalm 9: 19

Deze drie welriekende specerijen voor de hand moeten wij met de munt van de volgzame onderdanigheid kopen. Want zij is het die onze schreden leidt en ons de Genadegave van een Heilige levenswandel verwerft. Wanneer wij immers in onze ledematen een tegenstrijdige Wet ten gevolge van de ongehoorzaamheid bespeuren conf. Rom.7: 23, wie weet dan niet, dat de gehoorzaamheid zelfbeheersing schenkt?
Het is ook deze deugd die de Barmhartigheid weet te ordenen en zij is het die geduld leert en schenkt. Ga met deze welriekende specerijen naar degene, in wie het geloof dood is.
Wij dienen hierbij te bedenken, wat voor een groot werk het voor ons is om zo iemand op te wekken, hoe moeilijk is het dan niet om slechts bij zijn hart te komen dat vergrendeld is door steenharde halsstarrigheid en schaamteloosheid?
Dan moeten ook wij, zo is het christelijke uitgangspunt, op dat moment zeggen:
Wie zal ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?Marc.16:13
Terwijl wij echter, zo door vrees bevangen, ervoor terugdeinzen om tot zo’n hart te naderen, wanneer wij voor een zo groot Mysterie aarzelen, gebeurt het zo nu en dan, dat Gods oor, vol Goedheid en Liefde zoals steeds, de voorbereiding van ons hart waarneemt en dat op Zijn Machtig Woord een dode tot het Leven verrijst/opstaat. En zie dan vervolgens, dat een engel des Heren met een ‘van vreugde stralend’ gelaat aan ons verschijnt bij de ingang van het graf en een zeker Lichtende Glans duidt de Opstanding aan. Men ziet duidelijk dat de trekken van zijn gelaat veranderd zijn. Hij stelt de toegang tot zijn Hart voor ons open, ja Hij roept ons tot Zich; hij wentelt zelf de steen van
zijn hardnekkigheid weg en gaat erop zitten.

schiermonnik

  Wanneer zó het Geloof weer tot Leven gewekt is, toont het ons zelfs de doeken waarin het eens gewikkeld was. Tegelijk laat het ons alles zien wat er zich vroeger in het hart afspeelde, het spreekt uit en belijdt hoe het zichzelf in het binnenste had begraven; en zijn lauwheid en nalatigheid erkennend zegt het: “Komt en ziet de plaats waar de Heer was neergelegdMatth.22: 6.
conf. lessen van broeder Romero [Hakvoort], de Schiermonnik

      Broeders, zusters ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik. Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de Wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Aan God zij dank door Jezus Christus, onze Heer! Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zondeconf. Rom.7: 18-26.

Hymne op paaszaterdag i.p.v. alleluia voorafgaand aan het Evangelie:
God staat in de goddelijke raad, in hun midden oordeelt Hij goden. Hoelang nog zult ge onrechtvaardig oordelen en zijt ge partijdig voor zondaars

Sta op, o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

Doe recht aan wezen en zwakken, wees gerecht voor seringen en armen. Verlos de behoeftige, bevrijd de arme uit de hand van de zondaar”.

Sta op, o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

  Zij weten niets en begrijpen niets, zij tasten rond in het duister. Alle grondvesten der aarde wankelen en worden geschokt”.

“ Sta op, o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

“ Ikzelf heb gezegd: gij zijt goden, allen zijt ge zonnen/dochters van de Allerhoogste. Toch zult ge sterven als mensen, als elk ander vorst zult ge vallen”.

“ Sta op, o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

Hymne paaszaterdag i.p.v. Cherubijnenlied:
Dat alle vlees nu dient te zwijgen en staande met vrees en ontzag, niets aards in het hart meer niet te denken. Want de Koning der koningen, de Heer der heersers nadert nu, als offer ter slachting, tot spijzen van de gelovige Christenen. Amen.
. . . . .
Voor Hem schrijden de Koren der Engelen, de Vorstendommen en de Machten, de Cherubijnen en Serafijnen, terwijl zij hun aangezicht bedekken en de lofzang jubelen: Alleluia, alleluja, alleluja
“.

Christus is verrezen
Hij is waarlijk verrezen

Heer, laat Uw Gemeenschap Zich altijd verheugen nu de oorsprong van de ziel is vernieuwd, zodat het [gelovige volk] dat
nu zijn vreugde vindt in het herstel van de Glorie van de geestelijke aanneming,
met vaste Hoop op – het Hemels Geluk in U –
uitziet naar de dag van de Verrijzenis.