Palmzondag – Orthodoxie & Lazarus zaterdag als voorfeest van Palmzondag [1]

Als Heer en Meester van het Leven, geeft Christus bevelen.

Het lijden van God is voor ons mensen niet te begrijpen, toch heeft God Zijn Zoon als mens tot ons gezonden en deze heeft als mens, het lijden op zich genomen. Strikt genomen betekent dit dat de mensgeworden God kan lijden en Hij doet dit inderdaad ook, maar God in Zichzelf niet. In het Oude Testament wordt, lang vóór de Incarnatie, over God gezegd: “Zij verwijderden de vreemde goden uit hun midden en dienden de Heer; toen kon de Heer de ellende van Israël niet langer aanzien” [Ri.10: 16].
Tevens worden God dergelijke woorden in de mond gelegd:
Is Efraïm Mij een lievelingszoon, een troetelkind, dat Ik, zo vaak als Ik van hem spreek, gedurig weer aan hem denken moet? Daarom is Mijn binnenste over hem ontroerd, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, luidt het woord des Heren” [Jer.31: 20]. En “  Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraïm, u overleveren, Israël? Hoe zou Ik u prijsgeven als Adma, u maken als Seboïm? Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt Mijn Erbarmen opgewekt. Ik zal mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen. Ik zal Efraïm niet verder verderven. Want Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden, en Ik zal niet komen in toorngloed” [Hos.11: 8,9].
     Indien deze passages een betekenis hebben, dan moet het wel deze zijn dat, zelfs voor de Incarnatie, God Zich onmiddellijk betrokken voelt bij het lijden van Zijn Schepping. Onze zorgen doen God verdriet; de tranen van God voegen zich bij die van de mens.
Een juist begrip van deze apophatische benaderingswijze [Grieks ”αποφασεις“ = ontkenning, die niet ontkent, maar gebruikt de ontkenning als afbakening van de verklaring om de waarheid van het Geloof of dogma van de fundamenteel onbegrijpelijk God te verduidelijken] zal er ons natuurlijk voor behoeden God zomaar menselijke gevoelens toe te schrijven. We mogen toch wel bevestigen dat: ‘De ware Liefde andermans lijden tot de zijne maakt’ – letterlijk tot mede-lijden. Wanneer dit waar is voor de menselijke liefde dan geldt dit zeker voor de Goddelijke Liefde. God is immers Liefde en Hij heeft de wereld immers geschapen als een liefdesdaad en omdat God ons persoonlijk nabij is, heeft Hij eveneens een persoonlijk medeleven en kan Hij onmogelijk onverschillig blijven tegenover de zorgen van de gevallen wereld.
Wanneer ik als mens onberoerd blijf door iemands angsten, in hoeverre hou ik dan wel echt van hem/haar? Hoe zou God het dan niet begaan zijn met de angsten van Zijn Schepping?

       Wij gaan dit weekend de grote en Heilige Lijdensweek in en worden geconfronteerd met de dood van een van de trouwste volgelingen van Christus. Vanaf hun eerste ontmoeting was Lazaros’ Geloof in Christus sterk ge­weest; zijn liefde voor Hem was innig, en hij was zeer geliefd bij de Heiland. Het was voor Lazarus, dat het grootste wonder van Christus werd verricht. De Heiland zegende allen die Zijn hulp zochten; Hij heeft de gehele mensheid lief, maar met sommigen is Hij door een bijzonder liefderijke omgang verbonden. Zijn hart was door een sterke band van genegenheid verenigd met het gezin in Bethanië, en voor één van hen werd Zijn grootste wonderwerk verricht.

“Waarlijk zalig zijn zij die het Woord Gods beluisteren,
het bewaren in hun hart en het onderhouden” Luc.11: 28.

      Er was iemand ziek, Lazarus van Bethanie, het dorp van Maria en haar zuster Martha. Maria was het, die de Heer gezalfd had met Myron en Zijn voeten met haar haren had afgedroogd. En haar broeder Lazarus was ziek. De zusters dan zonden Hem bericht: ‘Heer, zie, die Gij liefhebt, is ziek’. Toen Jezus het hoorde, zei Hij: ‘Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt zal worden. Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief.
Toen Hij dan hoorde, dat hij ziek was, bleef Hij daarop nog twee dagen ter plaatse, waar Hij was; daarna echter zei Hij tot zijn discipelen: Laten wij weer naar Judea gaan. ‘De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi, onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat Gij opnieuw daarheen? Jezus antwoordde: ‘Gaan er geen twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is’. Zo sprak Hij en daarna zei Hij tot hen: ‘Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken’.
De discipelen zeiden dan tot Hem: Heer, als hij slaapt, zal hij herstellen. Doch Jezus had het bedoeld van zijn dood; zij echter meenden, dat Hij het van de rust van de slaap bedoelde.
Toen zei Jezus ronduit tot hen: ‘Lazarus is gestorven, en het verblijdt Mij om u, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij tot Geloof komt; maar laten wij tot hem gaan’.
Thomas dan, genaamd Didymus, zei tot zijn medediscipelen: ‘Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’. Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag. Bethanië nu was dicht bij Jeruzalem gelegen, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. Vele uit de Joden waren tot Martha en Maria gekomen om haar te troosten over haar broeder. Toen nu Martha hoorde, dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, doch Maria bleef in huis zitten. Martha dan zei tot Jezus: ‘Heer, indien gij hier geweest zou zijn, zou mijn broeder niet gestorven zijn. Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert’. Jezus zei tot haar: ‘Uw broeder zal opstaan’. Martha zei tot Hem: ‘Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage’. Jezus zei tot haar: ‘Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat? Zij zei tot Hem: ‘Ja, Heer, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou. En na deze woorden ging zij heen en riep haar zuster Maria in stilte en zei: ‘Daar is de Meester en Hij roept u’. En toen zij dat hoorde, stond zij ijlings op en ging tot Hem; Jezus echter was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats, waar Martha Hem ontmoet had. De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende, dat zij naar het graf ging om daar te wenen. Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zeide tot Hem: Heer, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn.
Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar meegekomen waren, zag wenen, werd Hij verbolgen in de geest en diep ontroerd, en Hij zei:  ‘Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Here, kom en zie.     –  Jezus weende  -.
De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had! Maar sommigen van hen zeiden: Had Hij, Die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf? Jezus dan, wederom bij Zichzelf verbolgen, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan. Jezus zei: Neemt de steen weg! Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem: ‘Heer, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag’. Jezus zei tot haar: ‘Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?’.
Zij namen dan de steen weg. En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zei: ‘Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt’.
En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luide stem: ‘Lazarus, kom naar buiten!’.
De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden. Jezus zei tot hen: ‘Maakt hem los en laat hem heengaan’. Vele van de Joden dan, die tot Maria gekomen waren en aanschouwd hadden wat Hij gedaan had, geloofden in HemJohn.11:1-45.

Christus sprak tot de ziel: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ . . . . . en ‘maak hem [uit Liefde /Licht van God voor deze mens] los [van de zelf- en oorlogs-zuchtige dood] en laat hem heengaan!’.

Niet lang vóór deze gebeurtenis hadden de vijanden van Christus Hem beschuldigd van godslastering, en hadden stenen opge­nomen om naar Hem te werpen, omdat Hij beweerde de Liefdevolle Zoon van God te zijn. Zij beschuldigden Hem ervan, dat Hij wonderen verrichtte door de kracht van Satan. Maar hier beweert Christus, dat God Zijn Liefdevolle Vader is, en met een volmaakt vertrouwen in Zijn Liefde voor de mens verklaart Hij, dat Hij de Zoon van God is. In alles wat Hij deed, werkte Christus Liefdevol samen met Zijn Vader. Steeds had Hij ervoor gezorgd, duidelijk te doen uitkomen, dat Hij niet ‘op eigen [menselijke] Kracht werkte; door ‘Geloof en Gebed’ verrichtte Hij Zijn Goddelijke wonderen.
Chris­tus verlangde, dat alle kinderen Zijn verhouding tot Zijn Vader zouden kennen. “Vader“, zei Hij, “Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt”.
John.11: 41,42

Christus pleegt dus overleg met de Vader, doet niets op eigen houtje, uit eigen inzicht. Het belangrijkste is dat hierbij Zijn volgelingen en het gehele Israëlische Volk het meest overtuigende bewijs ont­vangen omtrent de Liefdevolle Verhouding die er bestaat tussen Christus en God. En tevens wordt hun/ons aangetoond, dat de bewering van Christus absoluut geen mis­leiding is; Hij is de Zoon van God, Die de mensen lief heeft.

Broeders en zusters,
Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem aangename wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur. Laat de broederlijke liefde blijven. Vergeet de gastvrijheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen onderdak bezorgd.  Denkt aan de gevangenen, alsof gij met hen gevangen zou zijn; aan hen, die mishandeld worden, als [mensen], die ook zelf een lichaam gekregen hebt. Het huwelijk dient bij allen in ere te worden gehouden en het bed onbezoedeld, want ontuchtigen en echtbrekers zal God oordelen.  Laat uw manier van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: ‘Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten’.
Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: ‘De Heer is mij een helper [Psalm 22[23], ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen’? Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; ‘let [vooral] op het einde van hun wandel en volgt hun Geloof na [en niet hun streken]. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid”. Hebr.12: 28 -13: 8

Opnieuw wordt de mens weer eens aangetoond dat hij/zij zich vrijwillig in liefde als christen met God dient aan te bieden en samen te werken met zijn naasten. De mens dient zich in te zetten voor de ander, min of meer te lijden voor de medemens. Lazarus wordt ontbonden en staat voor de schare, niet als iemand die uitgeteerd is als gevolg van een ziekte en zwak en wankel in de benen is, maar als een mens in de bloei van zijn leven, als een mens die zich op het hoogtepunt van zijn kracht bevindt. Zijn ogen stralen van begripsvermogen en liefde voor Zijn Heiland. Hij werpt zich in aanbidding aan de voeten van zijn Heer en Meester, Jezus Christus, de Verlosser.

En zij, die het als toeschouwers hebben gadegeslagen zijn aanvankelijk sprakeloos van verbazing, dan volgt er een onbeschrijfelijk toneel van vreugde en dankbaarheid. De zusters ontvangen hun broer terug in het leven als een geschenk van God en met tranen van vreugde brengen ze stamelend hun dank aan de Heiland onder woorden. Maar terwijl broeder, zusters en vrienden zich verheugen over deze hereniging, trekt Jezus Zich in gebed terug. Wanneer zij omzien naar de Leven-schenker, blijkt Hij onvindbaar.

God dringt er niet op aan noch wenst Hij, dat wij zouden treuren met pijn in ons hart; het is eerder Zijn wens dat wij, uit liefde tot Hem, in onze ziel vreugde en glimlach zouden kennen. Neem de zonde weg en tranen worden overbodig; want waar geen verwonding bestaat, is ook geen genezing [zalf] nodig.
Vóór de zondeval heeft Adam geen tranen gekend en zo zullen er ook na de Opstanding uit de doden, wanneer de zonde vernietigd zal zijn, geen tranen meer bestaan. Want pijn, zorgen en tranen zullen dan verdwenen zijn
”. Heilige Johannes Climacos

Bethanië [“Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen”] lag zo dicht bij Jeruzalem,[“Stad van Vrede”] dat het nieuws van de opwekking van Lazarus al spoedig naar de stad werd overgebracht. Door de spionnen die getuigen waren geweest van het wonder, kenden de Joodse leiders al spoedig de feiten;
die hadden geen behoefte aan Gods Liefdevolle bevrijding. Terstond werd een vergadering van het Sanhedrin belegd om te besluiten wat zij zouden doen. Christus had nu Zijn Goddelijke Macht over ‘dood en graf’ volledig aan de wereld getoond. Dat machtig wonder was het doorslaggevend bewijs, door God aan de mensen gegeven, dat Hij Zijn Zoon naar de wereld had gezonden om hen te redden.

Het was een Openbaring van de Kracht van God, die voldoende was om iedere geest die beheerst wordt door gezond verstand en verlicht geweten, te overtuigen. Velen, die getuigen waren/zijn van de Opwekking van Lazarus, werden tot het Geloof in Jezus gebracht.
Maar het wekte de haat van de priesters tegen Hem nog meer op; nu waren ze erg ongerust geworden hun Macht en betweterigheid werd aangetast. Zij dienden als geestelijk leiders de wijsheid in pacht te hebben, door een paar woorden van Christus was hun theorie omvergeworpen. Er was aange­toond, dat zij, zowel wat betreft de Schriften alsook de Macht van God, onwetend waren. Zij zagen geen mogelijkheid om de indruk die dit wonder op het volk gemaakt had, weg te nemen. Hoe kon men bewerkstelligen, dat mensen zich afwendden van Hem Die erin was geslaagd het graf van zijn dode te beroven?

Leugenachtige verhalen werden in omloop gebracht, maar het Godswonder kon niet worden ontkend, en zij wisten niet, hoe ze de uitwerking daarvan zouden kunnen tegengaan.
Tot dusverre hadden zij het plan om Christus ter dood te brengen, niet aangedurfd. Maar na de opwekking van Lazarus besloten zij, dat alleen door Zijn dood Zijn onverschrokken aanklachten tegen hen tot een einde ge­bracht konden worden. 
Zij hadden alle mindere aanwijzingen van Zijn Goddelijkheid verworpen en zij waren alleen maar woedend door dit nieuwe Wonder. De dode was in het volle daglicht opgewekt en in tegenwoordigheid van een schare van getuigen. Geen list zou een dergelijk getuigenis kunnen wegredeneren. Juist vanwege deze reden werd de vijandschap van de priesters nog dode­lijker. Zij waren meer dan ooit besloten om een einde te maken aan het Goddelijk Werk, de Verkondiging van de Blijde Boodschap van Christus.

Palmzondag – Orthodoxie & Lazarus zaterdag als voorfeest van Palmzondag [2]

Christus bij binnenkomst in de hoofdstad gezeten op een ezel

De enige triomf, die onze Heer en Verlosser -menselijk gezien- tijdens zijn verblijf hier op aarde heeft mogen ervaren was Zijn Intocht in  -ook de in onze tijd- beleefde Heilige stad Jeruzalem. In de voorliggende periode heeft Christus telkenmale afstand genomen -en heeft dit ook aan Zijn volgelingen voorgehouden- van enige vorm van pracht en praal.
Hij wilde dit niet en verlangde dit niet -het zat niet in Zijn Goddelijke genen- ; z’n moeder [Gods] zal net als de mijne verkondigd hebben, ‘doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’.
Ondanks Zijn afwijzende houding liet Hij -enige vorm van lof toe-, niet groots, niet met groot spektakel aangekondigd, maar eenvoudig omringd door Zijn volgelingen en de kinderen.
Hij liet toe wat de Profeet voorzegd had:
        Jubel luid, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning komt tot u, Hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een jong van een ezelin. Dan zal Ik de wagens uit Efraim en de paarden uit Jeruzalem tenietdoen, ook de strijdboog wordt tenietgedaan; en Hij zal de volkeren Vrede verkondigen, en Zijn Heerschappij zal Zich uitstrekken van zee tot zee, en van de Rivier tot de einden der aarde. Ook laat Ik ter wille van uw eigen verbondsbloed de gevangenen onder u vrij uit de put, waarin geen water is. Keert terug naar de burcht, gij gevangenen, die hoop moogt koesteren; nog heden verkondig Ik: ‘dubbel zal Ik u vergelding doen’. Want Ik span Mij Juda, op de boog leg Ik Efraim, en wek uw kinderen, o Sion, op tegen uw kinderen, o Griekenland, en maak u als het zwaard van een held. Dan zal de Heer hun verschijnen, en Zijn pijl zal als de bliksem uitschieten, en de Heer der Heerscharen zal de bazuin blazen en optrekken in zuiderstormenZacharia 9: 9-14.
Uiteraard wilde Hij dat het doel van Zijn missie openbaar zou worden; Hij is immers de Messias, de Koning en Verlosser van Israël en de Kerk.
De eenvoud van de Blijde Boodschap benadrukt vandaag alle Messiaanse elementen, de Palmtakken, het Hosanna, de uitroepen van blijdschap voor Jezus Christus, de Zoon van David en de Koning van Israël en Zijn Kerk.
Heel gewoon, in Zijn dagelijkse gewaad, Zijn werkkleding, zonder al te veel poespas – zo heeft Hij dit gewild, geen nieuwsgaring, geen ophef, gewoon heel eenvoudig op een ezel.

– Ezels zijn sobere, taaie, aanhankelijke, sterke, intelligente, voorzichtige en volgzame rijdieren. Ezels houden van aandacht; ze moeten met soortgenoten samen leven om zich prettig te voelen. Het is alsof Christus hier de biologische aanleg aangeeft, waarmee Hij Zijn Kudde op de juiste wijze verzorging geeft.

Israël God’s Volk

 

De geschiedenis van Israël wordt hierbij op deze dag voltooid, komt tot een einde en draagt bovendien de betekenis in zich, dat het Koninkrijk der Hemelen wordt aangekondigd. Om het doel van Zijn missie , de Blijde Boodschap van het Koninkrijk van God te openbaren, wordt ons -als proloog- de komst van de Messias  voorgehouden.
Omdat de Koning, Zijn Heilige Stad, Zijn Hoofdstad [als ’s-Gravenhage, Brussel & Luxemburg] binnenkomt vinden alle profetieën en verwachtingen hun vervulling in de persoon van Jezus, Christus, de Zoon van God.
Christus openbaart hier het Koninkrijk Gods op aarde, tussen ons mensen.
– Op Palmzondag brengen wij deze herinnering tot leven; door Palmtakken stellen wij ons gelijk aan de inwoners van het [Hemels] Jeruzalem; tezamen verwelkomen wij de Heer der Heerscharen, de Koning van Hemel en aarde.
Wij zingen luid: “Hosanna, gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heer [van God]”; ik vraag me daarbij af of iedereen hierbij in onze tijd wel de ware betekenis voor ons mensen herkent?
Het belangrijkste van wat hier plaatsvindt is onze eigen belijdenis, dat Jezus Christus, onze Heer en Meester is, Die komt ons  -hier en nu- verlossen van alle ongerechtigheden. We vergeten maar al te vaak dat het Koninkrijk der Hemelen, hier op aarde is – ‘onze Vader, Die
in de Hemelen zijt’ en niet zoals de vrijzinnigen het tegenwoordig formuleren; ergens in de Hemel [enkelvoud].
God is ons nabij, heel nabij op de rand van ons hart en wij zijn -door de doop- medeburgers van Zijn Koninkrijk en meer dan ooit belijden wij hier ons Geloof in Hem.

Lazaros, temidden van zijn zusters Maria en Martha

Laten we niet vergeten dat Christus werkelijk hier op aarde heeft rondgelopen en slechts een korte periode in de hoofdstad Jeruzalem. En in de icoon van Lazaros heeft Hij de mens in z’n algemeenheid als ware vriend herkent; in Lazaros herkent Hij iedere mens afzonderlijk – in deze stad Jeruzalem [volksetymologisch ‘woning door God bewoond, beschermd’ -‘stad van Vrede’] wordt de gehele mensheid/schepping door God omarmd.

⁌  In die korte periode dat Christus, de Zoon van de levende God, in Jeruzalem verbleef werd het lot van de gehele schepping bepaald – deze korte periode was beslissend voor de vervulling van de Goddelijke wens om via Zijn Zoon de mensheid te redden en hen mee te voeren naar het hernieuwde Paradijs, het Hemels Koninkrijk.

de sleutel tot bevrijding

Gedurende het voorbereidend proces wordt een begin gemaakt van de vervulling van Gods beloften aan Abraham, Izaäk en Jacob, hier wordt beslissend onthuld wat Gods bedoeling is met ons verblijf in het ondermaanse; het is de ‘finishing touch’ van alles wat God voor de mens heeft gemaakt; en vervolgens is het aan de mens wat deze hiermee doet. God houdt ons de deur naar bevrijding voor ogen, wij behoeven alleen maar -in positieve zin- te reageren.

Groot en Heilig Kruis boven de iconostase – Kerk van alle Heiligen, Stavrovouni, Cyprus

  In de komende week houden wij christenen onszelf deze korte tijd van Christus Triomf, die zo’n grote eeuwige betekenis heeft, voor ogen.
De Kerk, hoewel hier op aarde verdeeld, verkondigt het lijden, het Kruis en de Opstanding van Christus – zij getuigt ook in onze tijd van de Goddelijke achtergrond en eeuwige betekenis van Haar fundament. Christus zal uiteindelijk een oordeel vellen over degenen, die Hem ontkennen, omdat er geen ruimte voor hèn is in het Leven, waar Hij regeert, redt en verlost.

De mens ziet zwijgend en treurend toe hoe machthebbers en geld hun lot bepalen; kan z’n lot alleen in God’s handen leggen

  Wij weten tevens dat het gelovige volk, dat Hem bejubelt, slechts voor het moment is, want op de weg naar Golgotha, aan het Kruis en in het graf, zal Hij opgeofferd worden aan de Macht en het geld. Het menselijke door God ingegeven gevoel wordt opzij geschoven en Christus wordt genadeloos gedood; Hij, Die Leven schenkt wordt gedood om door Zijn offer, de mensheid te redden. De takken in onze handen bevestigen onze bereidheid en ons verlangen om Hem te volgen in Zijn offervaardigheid; geestelijk accepteren wij de weg van de opoffering en zelfverloochening als de enige koninklijke weg naar het Goddelijke Koninkrijk. Maar uiteindelijk verwelken deze takken en wordt de overwinning van Christus vergeten op het moment dat wij werkelijk met de keuze worden geconfronteerd; wij zijn maar mensen en niet in staat gebleken de aanvallen van de tegenstrever en de door God toegestane beproevingen te weerstaan. Maar wij weten dat Zijn Leven, welke Hij aan het Kruis voor ons heeft gegeven – voor ons eeuwig leven inhoudt.

‘Langs de weg in het veld staat het kruis alleen, want het is niet meer zoals voorheen.
Van iedere voorbijganger kreeg het een groet en ook van verschillenden een weesgegroet. Nu sta je daar geheel alleen te staan, wat hebben de mensen je toch voor kwaad gedaan?’.

Eeuwigheid wil zeggen: nooit eindigende vooruitgang, steeds voort-schrijdende progressie. Zoals J.R.R.Tolkien het formuleerde: ‘Wegen gaan steeds maar door‘. Dit geldt eveneens voor de geestelijke Weg, niet alleen in dit leven maar ook in de Komende Tijd, we gaan steeds verder en steeds voorwaarts, niet achteruit. De komende Tijd is niet enkel en alleen een terugkeer naar het begin, een herstel van de oorspronkelijke staat van volmaaktheid in het paradijs, maar het is een ‘nieuw’ begin. Er zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn, groter en mooier dan de vorige.
‘Hier beneden’ zegt kardinaal John Henry Newman, “betekent leven: veranderen en volmaakt zijn wil zeggen dat men vaak veranderd is“. Maar is dat enkel hier beneden het geval? De Heilige Gregorius van Nyssa geloofde dat er zelfs in hemelse volmaaktheid een groei zit. Omdat God oneindig is, is ook dit ‘streven voorwaarts‘ [επέκτασης, zoals de Griekse vaders het noemden] onbeperkt.
De ziel, die God ‘bevat’, blijft Hem toch maar steeds weer verdere zoeken; haar vreugde is volkomen en toch wordt ze altijd maar intenser. God komt ons steeds méér nabij en toch blijft Hij de Andere; wij aanschouwen Hem van aangezicht tot aangezicht en toch dringen we steeds dieper door in het Goddelijk Mysterie. Hoewel wij niet langer vreemdelingen zijn, blijven we toch pelgrims. Wij zijn onderweg “tot een steeds heerlijkere gelijkenis met Hem” [2Cor.3: 18] en dan tot nog grotere heerlijkheid.
Door Zijn dood heeft Christus de dood vertreden en zingen wij:

Apolytikon Palmzondag     tn.1
Als een belofte van de gemeenschappelijke Opstanding
hebt Gij voor Uw Lijden Lazaros uit de doden opgewekt, o Christus God.
En daarom mogen wij, evenals de kinderen, de symbolen dragen van de zegepraal
en tot U roepen als Overwinnaar van de dood:
Hosanna in den hoge: gezegend Hij, die komt in de Naam des Heren
”. 

Kondakion Palmzondag     tn.6
In de Hemelen gezeten op de Troon,
maar op aarde opeen lastdier,
hebt Gij, o Christus God,
de hymne der engelen en het gezang van de kinderen aanvaard,
die U toeriepen: Gezegend Hij, die komt, om Adam weer te roepen
”.

  • -Wanneer de Leraar in de Goddelijke Liefde Zijn knechten dient, hoeveel te meer zullen de slaven dan niet elkaar in liefde dienen? –

    Wìj zien op aarde de buitenkant; Gód kent de binnenkant. Wij zien de schijn, God ziet het wezen.

  • De Kerk neemt dikwijls de kleur aan van haar omgeving; op schrale grond is ook kerkelijk leven armetierig. In plaatsen waar van geslacht op geslacht vissers hebben gewoond, die ongevoelig werden, is de Kerk lijdelijk. Waar eeuw op eeuw de mens zich voor kou en vocht diende terug te trekken in hun huizen zijn de christenen meer naar binnen gekeerd, waar men altijd buiten leeft in Licht en Zon zijn de christenen meer naar buiten gekeerd. De beste gemeenschap is echter de gemeenschap, die ‘leeft’.
Catholicon, church of the Holy Sepulchre, Jerusalem

Wanneer staat een gemeenschap als goed bekend? Daarvoor bestaan wel enkele criteria; morgen- en avonddiensten zijn goed bezocht; de catechetische vorming vindt algeheel onthaal; het bestuur doet datgene waar zij voor staat [vertrouwen, rust en regelmaat]; de geestelijkheid krijgt het respect wat haar toekomt [niet te veel en niet te weinig] en het gezamenlijk overleg [de parochie-vergaderingen] worden goed bezocht. Wanneer de gemeenschap dan ook nog genuanceerd kan omgaan met verschillen [alles met de mantel der liefde wordt omringd], zou je kunnen spreken van een goede en levende gemeenschap. Komende week zal in iedere gemeenschap saamhorigheid noodzakelijk zijn – er is in de hoeveelheid aan diensten genoeg te doen; zie in alles wat je te doen staat de ‘verplichting’ ten opzichten van de Heer en Zijn Lichaam.
Voor de komende dagen zullen er wat betreft de deelname en de inzet overvloedige deelnames noodzakelijk zijn, hou je beschikbaar voor het geval men een beroep op je doet – aanwezigheid, inzet, schoonhouden, bloemen, kaarsen, financiële bijdragen en al wat niet meer.
We dienen als gemeenschap gewoon onze verplichtingen te kennen en ons niet onttrekken aan datgene wat van ons verwacht wordt. Dit dient eenvoudig het doel te zijn van onze deelname aan het komend kerkbezoek; op die manier bewaken wij de voortgang van onze heilige diensten en dat begint bij onszelf. Indien wij naar lichaam en geest onze gezondheid willen bewaken, dienen we ons leven dusdanig in te richten dat wij een ander geen aanleiding geven zich te ergeren aan ons gebrek aan inzet. Misverstanden over dit onderwerp zijn er velen en veroorzaken verdriet en teleurstelling, welke juist in deze tijd vermeden dienen te worden; oppervlakkigheid, onwetendheid kunnen teleurstellende calamiteiten voorkomen.

“Biecht, ‘God heeft de tijd’, wij niet!”.

Wees daarom op tijd met je afspraken omtrent biecht en laat dit niet op het allerlaatste moment aankomen, bereid je hier thuis al op voor, dan behoef je jezelf geen goedkope excuses te maken en ga je met respect om met je medemensen. De Kerk verwacht van haar gelovigen een goede voorbereiding en niet alleen dat jij je persoonlijk aan het vasten houdt.  Laat je hoogmoed in deze varen en steek de komende dagen de handen uit de mouwen, zodat de inzet niet van steeds maar weer dezelfde mensen afhankelijk is. Kom nu eens een half uurtje vroeger dan gewoonlijk, dan ontdek je als vanzelfsprekend wat voor inzet er noodzakelijk is; het voorkomt dat er misverstanden ontstaan en er geïmproviseerd moet worden.
Het laat van jou kant een bewuste mate van deelname zien, het kost je haast niets en het geeft inhoud aan je ziel. Wanneer je de komende periode op deze wijze aan de diensten deelneemt zul je ervaren dat God Zich werkelijk in je openbaart. Je doet namelijk wat je kunt, je stelt je beschikbaar naar datgene wat je aankunt, je geeft je over in Gods handen en als tegenprestatie zul je ervaren dat God verschijnt.