5e Zondag van de vasten – Heilige Maria van Egypte

Christus, het Licht der wereld – temidden van Zijn Heiligen.

      Zij waren onderweg, opgaande naar Jeruzalem en Jezus ging voor hen uit, en zij waren verbaasd en zij, die volgden, waren bevreesd. En opnieuw nam Hij de twaalven terzijde en begon tot hen te spreken over hetgeen over Hem zou komen:’ Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en de schriftgeleerden en zij zullen Hem ter dood veroordelen. En zij zullen Hem overleveren aan de heidenen en zij zullen Hem bespotten en Hem bespuwen en Hem geselen en doden, en na drie dagen zal Hij opstaan.
En Jacobus en Johannes, de twee zonen van Zebedeus, kwamen tot Hem en zeiden tot Hem: ‘Meester, wij wilden wel dat Gij ons deedt, wat wij U zullen vragen’. Hij zei tot hen: ‘Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?’. Zij zeiden tot Hem: ‘Geef ons, dat wij de een aan uw rechterzijde en de andere aan uw linkerzijde mogen zitten in uw Heerlijkheid’. Doch Jezus zei tot hen: ‘Gij weet niet, wat gij vraagt. Kunt gij de beker drinken, die Ik drink, of met de doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt word? Zij zeiden tot Hem: ‘Wij kunnen het’. Jezus zei tot hen: ‘De beker, die Ik drink, zult gij drinken en met de doop, waarmede Ik gedoopt word, zult gij gedoopt worden, maar het zitten aan mijn rechterzijde of linkerzijde, staat niet aan Mij te geven, maar het is voor hen, voor wie het bereid is. En toen de tien dit hoorden, begonnen zij het Jacobus en Johannes kwalijk te nemen.
En Jezus riep hen tot Zich en zei tot hen: ‘Gij weet, dat zij, die regeerders der volken heten, heerschappij over hen voeren, en hun rijksgroten oefenen macht over hen. Zo is het echter onder u niet. Maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn. Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’”. Marc.10: 32b-45

      Maar Christus, opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping, en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf. Want als [reeds] het bloed van bokken en stieren en de besprenkeling met de as der vaars hen, die verontreinigd zijn, heiligt, zodat zij naar het vlees gereinigd worden,  hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?”. Hebr.9: 11-14

‘God heeft nooit haast’, dansje in de kerk, Marius van Dokkum – museum Ootmarsum

Onze Heer heeft nooit ‘haast’ bij het herstellen van de gevallen/verontreinigde ziel of dat nu door hoogmoed, geldzucht of lichamelijk hunkeren wordt veroorzaakt; God heeft de eeuwigheid in handen, dus haast behoeft Hij niet te maken.
Welzeker wenst Hij dit herstel zo gauw mogelijk, maar Hij heeft geduld, want het herstel dient werkelijk te zijn en niet een ondoordacht terzijde schuiven van de verontreiniging.
Christus verwacht dat wij Hem serieus nemen, tot op het bot; daarom geeft Hij ons met Zijn Vader en de Heilige Geest de winst van geestelijke oefeningen op onze pelgrimstocht.
Het is terecht, indien u al bent vergeven [gedoopt], heeft het Goddelijk Bloed immers de zonden weggewassen, de weg tot God is geopend en behoeven wij niet langer beangstigd te zijn voor het Laatste Oordeel.
Maar het zou zeker niet van de Heilige Geest afkomstig zijn, wanneer gezegd wordt: “ Ik ben gewassen in het Goddelijk Bloed en dus rein. Waarom zou ik me nog druk maken over zonden!”. Juist de zekerheid van de oneindige Genadegaven, Die ons ten deel valt, is het sterkste motief voor schaamte en deemoedig gedrag, wanneer we steeds maar weer opnieuw tot zonde vervallen. Als gedoopten behoren we immers tot de heiligen, maar dat betekent nog niet dat wij mensen niet tot zonde kunnen vervallen. Mozes zei tot het volk Israël [de Kerk]: “    Vreest niet, want God is gekomen om u op de proef te stellen, en 
opdat er vrees voor Hem over u zal komen, opdat gij niet zondigtEx.20: 20
Hij heeft gezegd: Wees niet bang voor Gods beproevingen, God keurt je; heb respect voor Hem en wees je bewust van Zijn aanwezigheid, zodat je niet zult zondigen. Wat voor smet komt op de Naam des Heren neer en wat voor een pijn zal dit doen vanwege het gebrek aan liefde tot Hem. Dat we dàt opnieuw gedaan hebben terwijl wij van Hem de Genadegaven ontvangen hebben, waar Hij zwaar voor heeft moeten boeten/lijden, om onzentwil.
Wanneer David zo verschrikkelijk gezondigd heeft met Bathseba en Ura, dan komt de Profeet Nathan tot hem en zegt: “ Gij zijt die mens!” waarop David zichzelf in de eerste dertien verzen van Psalm 50[51] beschuldigd en vanaf vers 14 roept Hij God aan om herstel van de gemeenschap met Hem als de Allerhoogste.
Hetzelfde zien we bij Petrus alvorens de haan kraait vertrouwde hij niet op de Heer maar op ‘zijn eigen liefde‘ tòt de Heer. Ongetwijfeld was er in die liefde een geestelijke verwantschap, maar evenzeer een groot deel natuurlijke liefde tot zijn Meester. Anders was hij niet overtuigd geweest dat zijn liefde veel groter was dan die van de anderen. Het is van de natuurlijke mens en dus van de oude mens, die voor God niet bestaan kan. Wanneer hij dan de Heer verloochend heeft, ziet Deze hem aan en herinnert hem daardoor aan Zijn Woord.

Onze gewoonten, het terugvallen op de oude mens, onze handel en wandel en de onderlinge verbindingen worden getoetst door ditzelfde levend tweesnijdend zwaard van het Woord. “Beproef mij, God, doorgrond mijn hart; onderzoek mij en ken mijn wegen. Ziet toe, of er een onterechte weg in mij is; maar leid mij op de weg van de eeuwigheidPsalm 138[139]: 23,24Dit is het gebed tot God wat uit deze -op God gerichte- gezindheid voortkomt; God kennen en Zijn liefde ervaren is immers het allermooiste wat er is.
Of je nu wèl of niet in God gelooft, we weten allemaal dat we bedoeld zijn om lief te hebben en geliefd te worden. Onze diepste behoefte en ons meest intense verlangen is uiteindelijk dat we geliefd zouden worden door iemand die ons kent zoals we zijn, met onze zwaktes en fouten, en die ons toch volkomen aanvaardt en waardeert.
Dat is de liefde die we allemaal nodig hebben. Liefde die ons niet afwijst of veroordeelt. Liefde die ons begrijpt en helpt. Liefde die ons niet zal misbruiken of kwetsen, maar liefde die ons veiligheid en bescherming biedt. Wat ik uit eigen ervaring geleerd heb en wat miljoenen mensen wereldwijd ervaren, is dat deze volmaakte Liefde niet van een ander mens kan komen.
Alleen God kan ons deze liefde geven, omdat Hijzelf Liefde is; het is onlosmakelijk verbonden aan Zijn wezen; – God IS liefde -.
Alle authentieke Liefde komt ten diepste bij Hem vandaan. Hij is de bron van de Liefde waar we allemaal naar verlangen en nodig hebben.
De reden dat God de Persoon bij uitstek is om ons geluk te kunnen geven op gebied van seks en zelfbevrediging, is omdat Hij onze Schepper is.
Hij is degene die onze seksualiteit bedacht heeft! Seks is Gods idee! Hij maakte ons als gevoelige, seksuele wezens en zag dat het ‘goed’ was.
Niemand heeft erom gevraagd een lichaam te hebben dat last heeft van hormonen, dat gevoelig is voor aanraking en dat behoefte heeft aan genegenheid. God heeft ons zo geschapen en Hij is blij met hoe Hij ons gemaakt heeft. God is dus ‘niet’ -tegen seksueel genot-. Hij is de regisseur, de bedenker ervan! Hij heeft het aan de mens gegeven.

in gesprek over sexualiteit

Omdat God sexualiteit gemaakt heeft, weet Hij ook hoe seks ons gelukkig kan maken, maar ook hoe dit ons geluk kan roven en ons verdriet en hartzeer kan opleveren. Omdat God ontzettend veel van ons houdt, wil Hij ons helpen om ‘het goede’ te ervaren en niet datgene wat ons pijn doet. Net als een echte Vader en daardoor je ‘beste’ vriend wil Hij ons beschermen en de juiste weg laten zien, waar we het geluk kunnen vinden, waar we allemaal zo naar verlangen.
De boodschap die Jezus Christus bracht, was dat God in de eerste plaats een liefhebbende Vader is. Hij is een Vader, Die Zich over ons ontfermt en Die ons wil verlossen van alles wat ons innerlijk vervuilt en beschadigt. God is een Vader, Die ons door en door kent en Die ons wil doen ‘Opstaan’ in Zijn Liefde, zonder altijd gebukt te gaan onder zaken die als een last op onze wegen vormen. Veel mensen gaan gebukt onder ondraaglijke gevoelens van schuld en schaamte vanwege hun seksuele gevoelens en hebben het idee gekregen dat God hen haat en afwijst, terwijl het tegenovergestelde waar is.
God heeft alle begrip voor onze noden en wil ons als vriend helpen om er gezond mee om te gaan. Jezus Christus sprak nooit haatdragend of veroordelend jegens mensen die worstelen met hun seksualiteit, maar zocht die mensen juist op, en liet hen zien dat ze voor God bijzonder waardevol zijn en dat God hen wil helpen; Christus toonde ons het Vaderhart van God.

Christus laat ons zien dat seksualiteit een kostbaar geschenk is, dat God dit heeft gegeven aan man en vrouw. Hij gaf het echter niet maar als iets waarmee we kunnen experimenteren, zoals we zelf willen. Hij heeft seks in de eerste plaats bedoeld als iets wat man en vrouw met elkaar beleven, in de veilige geborgenheid van een huwelijk.
Het huwelijk is bedoeld als een plaats van veiligheid en bescherming, waarbinnen je je in alle vertrouwen open en bloot kunt geven aan degene die beloofd heeft voor altijd voor je te zorgen. Buiten een huwelijk is er geen enkele bescherming voor je seksualiteit; daarmee wordt niet bedoeld dat je van genot wordt beroofd, maar dat er een mogelijkheid bestaat om jou optimaal geluk en vreugde te laten ervaren. Geen hartzeer, maar genezing, bescherming van je gevoelsleven. Omdat uitwisseling van het gevoelsleven via seksualiteit in wezen bedoeld is om te delen met je geliefde, binnen de veilige geborgenheid van een gezond huwelijk, is losgeslagen sexualiteit eigenlijk iets wat buiten de ware liefde staat.

Joseph and Potiphar’s wife, mosaic. 12,13 cnt. Cathedral of San Marco, Venice

De boekenweek staat op dit ogenblik in het beeld van de ‘Lust-literatuur’, het is een item van de wereld om ons heen. De wereld is behekst/betoverd door een vrijzinnige politieke actie als tegenstelling tot de religieuze agenda; de vrijzinnige morele meerderheid kenmerkt zich met de opvatting dat echtscheiding acceptabel is en homoseksualiteit niets bijzonders, vrouwen zeker niet tot hun bestemming komen door kinderen te baren, kinderen vooral hun autonomie en ontplooiing dienen te ontwikkelen en hun ouders daarom zeker niet in alles behoeven te respecteren en dat de moderne leefwijze sterk te verkiezen is boven de traditionele leefwijze. De cultuur van de Lage Landen is wat ons op televisie, reclame en in films wordt voorgeschoteld; liberaal, vrijzinnig, semi-verlicht, wat zelfgenoegzaam, meestal ironisch, soms met een vleugje maatschappelijke betrokkenheid. In die cultuur is van het Joods-Christelijke niet zo heel veel meer over; in ieder geval zijn de bronnen met modder dichtgeslibd. De verdraagzaamheid van de meerderheid is niet zo groot; geconfronteerd met ander opvattingen over seksualiteit, vrouwen, huwelijk en opvoeding, duwt de vrijzinnige ‘moral majority’ al gauw woorden als ‘intollerantie’, discriminatie’, ‘onderdrukking’ en ‘onaanvaardbaar’ [conf. socioloog Wim Dekker]

Sexualiteit die je zelf beleeft, zonder liefde te delen is op jezelf gericht. Je bevredigt enkel jezelf en er is geen sprake van intimiteit, geborgenheid of het delen van liefde. Het is iets wat je met jezelf doet en de ander wordt gebruikt en gevoelsmatig buitengesloten.
Dat is de reden, dat de Kerk, sexualiteit, die -zonder werkelijke liefde en op jezelf gericht is- afwijst; omdat het Gods schepping respectloos benadert – datgene wat als heilig [volmaakt] bedoeld is wordt verontreinigd. Elke geestelijk ingestelde gelovige, die zich bezig houdt met het respectloos omgaan met datgene wat ‘als goed’ bedoeld is, wordt zich bewust dat hij/zij – zijn/haar eigen oorsprong tekort doet. Indien hij/zij er daarentegen op een geestelijke wijze Genadevol mee bezig houdt, zal onderkennen dat het resultaat zal zijn, dat hij/zijzelf meer geheiligd en gereinigd wordt. Toch is er de nuchtere realiteit van ontelbare mensen die worstelen met sexualiteit, zelfs in een gezond huwelijk. Het is mijn diepe overtuiging dat God hier begrip voor heeft. Hij wil ons helpen om er op een gezonde, pure manier mee om te gaan, zodat het ons niet verziekt of beschadigt; God heeft werkelijk het beste met ons voor – altijd. 

Een fundamenteel principe is dat God ons wil leren om geen zaken te doen, die schade berokkenen aan onszelf of anderen. Zijn verlangen is om ons geluk, leven, vrede en vreugde te geven. Als een bepaalde beleving van seksualiteit onszelf of anderen beschadigt, dan is dat niet Gods wil. Voor christenen geeft de apostel Paulus dit algemene principe: Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen zijn nuttig. Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen bouwen op. Laat niemand zijn eigen voordeel zoeken, maar ieder dat van de anderconf. 1Cor.10: 23,24.
Het gaat er dus om dat we enerzijds moeten nastreven wat goed is voor ons welzijn, en bovendien dat we ons inzetten voor het geluk van anderen. Een bekende uitspraak van Jezus Christus geeft ons eveneens een concrete richtlijn:
“      Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegdMatth.5: 28. Dit heeft te maken met het kijken naar een persoon die niet jouw huwelijkspartner is en in je gedachten bewust fantaseren over seksuele omgang met die persoon. Het gaat verder dan iemand zien en beseffen dat je die persoon aantrekkelijk vindt. Het gaat over het toestaan van gedachten van lust, die je eigenlijk beter zou dienen te weerstaan.
Wat doe je met zo’n gedachte of gevoel die ongevraagd op je af komt? Open je de deur van je hart en geef je het alle ruimte om zich te ontwikkelen?
Of verwerp je deze gedachten en bewaar je je hart zuiver voor God en je medemens?

De levensbeschrijving van de heilige Maria van Egypte wordt ons aangeboden geschreven door de Heilige Sophronios, bisschop van Jeruzalem. De Heilige Sophronios was een Syriër uit Damascus die in 634 bisschop van Jeruzalem werd. Het levensverhaal werd later uit het Grieks vertaald in de Latijnse taal door Paulus, diaken van de parochiekerk in Napels.
      Het is goed dat men Onze Heer en Meester lof toezingt en Zijn naam verheft en de redenen van Gods werken met eerbied aanduidt; daarom laat je niet weerhouden Hem te danken“.
Tobit 12: 7
Zo sprak de Engel tegen Tobias nadat de blindheid van zijn vader omgezet was in glorieuze Verlichting en nadat zijn verlossing van allerlei soorten gevaren zijn nederige toewijding aan God tot ontwikkeling bracht. 
Want het is inderdaad schadelijk en gevaarlijk om de geheimen van een Koning te openbaren, maar voor de ziel is het schadelijk om over de glorieuze Goddelijke werkzaamheden te zwijgen. De bisschop van Jeruzalem aarzelde erover of hij over de dingen van God durfde te spreken, maar  vreesde hetzelfde oordeel op te lopen zoals dat uitgesproken tegen de luie bediende die een talent van zijn Heer ontving en het in de grond verborg in plaats van het aan het werk te zetten door handel te drijven.
Dit is de reden dat de Heilige Sophronios op geen enkele manier over het ontwerp van dit heilige verhaal kon zwijgen en het hierbij in liefde aan zijn broeders/zusters in het Geloof aanbiedt.

Heilige Maria van Egypte

Het levensverhaal van de heilige Maria van Egypte:
http://www.lucascleophas.nl/?p=12956  in het engels;
film in het Arabisch, Engels ondertiteld:
YouTube
https://www.youtube.com/watch?v=2-IgHyq07KA

Apolytikion Maria van Egypte    tn.8
In U, o Moeder, werd duidelijk gered Gods evenbeeld,
want nadat gij het Kruis aanvaard hebt om Christus na te volgen
leerde gij door uw voorbeeld om het vergankelijk vlees te verachten,
maar te zorgen voor de ziel die onsterfelijk is.
Daarom o heilige Maria verheugt zicht uw geest met de Engelen
”.

Kondakion  Maria van Egypte   tn.3
Gij, die eens van ontucht vervuld was,
zijt door berouw de bruid van Christus.
Vol verlangen naar de levenswandel van de Engelen,
hebt gij de demonen overwonnen door het wapen van het Kruis.
Daarom zijt gij, heerlijke Maria,
nu verschenen als de Bruid van de Koning
”.

Orthodoxie & God ontmoeten

Soekot – Loofhuttenfeest

    En daarna trok Jezus rond in Galilea; want Hij wilde Zich in Judea niet ophouden, omdat de Joden Hem trachtten te doden. Nu was het feest der Joden – “het Loofhuttenfeest”- nabij.
     Maar toen zijn broeders opgegaan waren naar het feest, toen ging Hij zelf ook op, niet openlijk, maar als in het verborgen.      Sommigen dan, die uit Jeruzalem kwamen zeiden: Is deze het niet, die zij trachten te doden? 
En zie, Hij spreekt vrijuit en zij zeggen Hem niets. Zouden waarlijk onze oversten hebben ingezien, dat deze de Christus is? Van deze echter weten wij, vanwaar Hij is, doch wanneer de Christus komt, weet niemand, vanwaar Hij is.
Jezus dan riep, terwijl Hij in de tempel leerde, en sprak:
‘Mij kent gij en gij weet, vanwaar Ik ben; en Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar er is een 
Waarachtige, die Mij gezonden heeft en die gij niet kent. Ik ken Hem, want Ik kom van Hem en Hij heeft Mij gezonden”. John.7: 1-2; 10; 25-30

In Jezus Christus proberen we alles te weerstaan – de verleidingen, de stormen en orkanen, het lijden, de zonde, de dood en de tegenstrever;

Veel van de ontmoetingen, die over Christus leven op aarde bekend zijn gaan naast de Blijde Boodschap, die Hij ons verkondigt, over de problemen die Hij onder de mensen tegenkomt in Zijn activiteiten en in het bijzonder de negatieve reacties waarmee machthebbers Hem benaderen.
Maar Jezus komt voorafgaand aan Zijn lijdensweg ook tegen, dat Hij omringd werd  door mensen 
die blijkbaar niet in staat [of misschien beter gezegd niet bereid] waren om volledig te erkennen Wie Hij wel niet was.
Onschuld trekt niet alleen onschuldigen aan maar ook het tegendeel; ook wij kennen pilaarbijters, mensen, die zich uiterlijk vroom en belangrijk voordoen, maar dit niet praktiseren; we herkennen het en bidden voor deze mensen.
Wie is Jezus voor jou en denke hierbij aan de passage in de Blijde Boodschap, waarbij Christus Zijn volgelingen de vraag stelt: “Maar, Wie zeg jij dat Ik ben?
Matth.16:13-16; Marc.8: 27-30 en Luc.9:18-22

Vaak vinden mensen van zichzelf dat zij niet in staat zijn om de laatste stap tot het Geloof te zetten en net als Petrus, kunnen antwoorden: “Gij zijt de Christus, de Zoon van God”. Heb je nog nooit iemand ontmoet, die met Z’n Geloof worstelt, bidt daarom dat zijn onzekerheden aanvaard mogen worden en om daarin te kunnen berusten. Het is ook de verwarring, die je soms bij jezelf ervaart, wanneer je bidt: ” Heer, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!“.
Weet dit: “Het Geloof nu is de zekerheid van de dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet. Want door dit Geloof is aan de voorouders een getuigenis gegeven. Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare”. Hebr.11: 1-3   
Wanneer je hier in gezelschap opnieuw mee geconfronteerd wordt, weet dan dat alleen Petrus van Christus’ volgelingen Christus openlijk getuigenis gaf, de rest  en de menigte om hen heen werden in verlegenheid gebracht en ondervonden verwarring.    

De grote en Heilige Week komt steeds dichterbij en Jezus blijft ons de vraag stellen: “Wie denken wij dat Hij is” – zoals wanneer Hij de volgelingen, dient, door hen de voeten te wassen; terwijl Hij aan het Kruis hangt en tenslotte uit het graf ter helle neerdaalt. Blijf je Hem het antwoord schuldig – neem het dan de komende weken – op je levensweg mee en blijf Hem overwegen, wanneer je zegt: “Heer, Jezus Christus, Zoon van God, heb medelijden met mij en red mij, arme zondaar”.
Het is ons het enige wat ons in het leven overblijft, blind geloof is iets geloven tegen alle logica in;  ondanks alle bewijzen en de redelijkheid. Waarachtig geloof is redelijk, het is een middel om kennis te verwerven en is nooit in tegenstelling met de waarheid; Geloof in de rechtspraak is op geloof in de getuigen gebaseerd. Christelijk geloof is redelijk en gaat ‘niet in‘ tegen het verstand; het is de zekerheid, die van God Zelf uitgaat, God, Die ons roept teneinde ons te redden.
      Daarom is het dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de Wet van God; trouwens, het kan dat ook niet: zij, die in het vlees zijn, kunnen aan God geen behagen schenken.
Jullie daarentegen zijn niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in jullie woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe.  Indien Christus in jullie is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de Gerechtigheid. En indien de Geest van Hem, Die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in jullie woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook jullie sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, die in jullie woont
”.
Rom.8: 7-11
Daarom is de kwaliteit van leven van elke persoon van belang, omdat het hun fysieke welzijn aantast en dat is voor God, Die door Zijn Zoon ons vlees heeft aangenomen van levensbelang.

Slavenmarkt, door-Gustave Clarence-Rudolphe Boulanger, 1886

In plaats daarvan dient de mens zelf een onderscheid te maken, maakt hij zelf een keuze – anders zou het in de ogen van God slaafse onderdrukking zijn.
De mens dient een keuze te maken zijn leven zelf in te richten: – naar het vlees, op de aardse, wereldse manier of
– naar de geest, de Goddelijke weg – naar het Koninkrijk der Hemelen.
De krachten van deze wereld [de tegenstrever, de duivel en zijn trawanten] openen druk op ons uit – zij doen er alles aan om de wereld maar zo aantrekkelijk mogelijk te maken.
Onderken je dat dit gebeurd, wordt je niet tot verslaving opgeroepen en kun je er niet ‘van los’ komen, herken je dat? Wij worden onophoudelijk in gevaar gebracht en wij onderkennen dat we geen weerstand kunnen bieden zonder Gods hulp en richten ons tot God om Zijn hulp te vragen ons bij te staan.
Ieder van ons is in staat Gods hulp af te wijzen en Paulus verwoordt dit als volgt:
het kan dat ook niet: zij, die in het vlees zijn, kunnen aan God geen behagen schenken”. Om de Geest van God te bewaren dienen wij Hem hierom te vragen:  
Heer, Jezus Christus, Zoon van God, heb medelijden met mij en red mij, arme zondaar”.

Gerechtigheid

Wanneer wij het woord ‘Gerechtigheid’ tegenkomen, benaderen wij dit regel-matig nogal negatief, door dit te koppelen aan: “oh, hij is zo zelfingenomen, het lijkt de dominee zelf wel”. Bij ‘Gerechtigheid’ hebben wij het niet over een veroordelende “beter-dan-jij” houding . In plaats daarvan heb ik het over ‘puur’ zijn, ongebonden vrije goedheid – of godzaligheid. Onderkent je omgeving die eenvoudige goedheid in jou – ben je al eens voor dominee uitgemaakt?
Een mens, die open en eerlijk tot goedheid bereid is – is bereid iedere mens te aanvaarden, zoals hij is, benadert iedereen met respect, ondanks wat de wereld er van vindt.
Wanneer je bovenstaande woorden van Paulus er op naleest en dit ziet in het licht van de woorden  deze uitleg, heb dan bijzondere aandacht voor het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de wegen van de wereld en de wegen van God. We hebben namelijk allemaal de roeping meegekregen om iets van de goedheid van God aan de ander in de wereld te laten zien.
Vergeet dan ook niet in je gebeden om het Licht van Gods liefde over de wereld te laten schijnen en via jou op je eigen omgeving.

Orthodoxie & het “Verheug u . . . . .

        Zo zegt de Heer: Ten tijde van het welbehagen heb Ik u verhoord en
ten dage van het heil heb Ik u geholpen; Ik zal u behoeden en u stellen tot een verbond voor het volk om het land weer te herstellen, om verwoeste eigendommen weer tot een erfdeel te maken, om tot
de gevangenen te zeggen: Gaat uit! tot hen die in de duisternis zijn:
Komt te voorschijn!
Aan de wegen zullen zij weiden, op alle kale heuvels zal hun weide zijn;
Zij zullen hongeren noch dorsten, woestijngloed noch zonnesteek zal hen treffen, want hun Ontfermer zal hen leiden en hen voeren aan waterbronnen.
         En Ik zal al mijn bergen tot een weg maken en Mijn heerbanen zullen opgehoogd worden. Zie, dezen komen uit de verte, genen uit het noorden en het westen, weer anderen uit het land Sinim.
         Jubelt, gij hemelen, en juich, gij aarde, breekt uit in gejubel, gij bergen, want de Here heeft zijn volk getroost en Zich over zijn ellendigen ontfermd.
Maar Sion zegt: De Heer heeft mij verlaten en de Heer heeft mij vergeten.
Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou over
het kind van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet Ik u niet.
         Zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegrift, uw muren zijn bestendig voor Mij.
Uw zonen snellen toe, uw vernielers en uw verwoesters trekken van u weg.
Hef uw ogen op naar rondom en zie hen allen; zij vergaderen, zij komen tot u.
Zo waar Ik leef, luidt het Woord des Heren, gij zult hen allen aandoen als een sieraad en hen ombinden, zoals een bruid”. Isaiah 49: 8-18

In deze Vastenperiode roept Isaiah de mensheid op om ‘vrolijk te zingen en te juichen . . . . . want de Heer heeft Zijn Volk [de Kerk] getroost en Hij zal gevraagde ontferming met ons lijden hebben . . . . .
Verheug je op God, onze Helper, zing luidt tot de God van Abraham, Isaäk en Jacob” [onze voorvaderen]; hoeveel componisten hebben niet prachtige muziekaria’s op deze tekst bedacht.
God ziet niets liever dan dat alle mensen zijn redden Liefde herkennen; Hij heeft immers de mensen lief. De mens dient te weten dat in die Liefde de waarachtige bevrijding verscholen ligt.
Wat hebben wij als christen, als volgelingen van Christus, ondernomen om dit aan onze omgeving te tonen. Sta jij hier afwijzend tegenover, erger nog ben je een onoprecht persoon, durf je er niet openlijk voor uit te komen?

Isaiah belooft dat God Zijn volk zal begeleiden bij de problemen, die zij ondervinden en de schijnbaar onmogelijke uitdagingen, die je op je weg zult tegenkomen.
Wordt jij momenteel geconfronteerd met uitdagingen in je leven, heb je problemen in relaties, ben je ziek of zit je in een bepaald gedrag gevangen – of misschien ken je iemand die in moeilijkheden verkeert?
Sta er eens bij stil en weet [en verkondig] dat God iedereen beloofd heeft, niemand uitgezonderd,  dat Hij hen zal leiden op de weg, die zij dienen te gaan.
Jezelf verheugen lijkt misschien wel een beetje vreemd in een vastenperiode; toch roept Isaiah ons ondanks alles op ons te verheugen, zelfs in deze tijd van het jaar, want we bereiden ons voor op de meest heilige en vreugdevolle geloofswaarheden, waar wij  in onze kleinmenselijkheid  de grootte onmogelijk kunnen herkenen.

Verrijzenisicoon

Verheug u en nogmaals zeg ik u verheug u” [Phil.4: 4] zal in de paasnacht weerklinken. In de Opstanding van Jezus Christus brengt God, de Vader Zijn ultieme voornemen van onze  bevrijding tot werkelijkheid; Hij bevrijdt ons van de dood; van het verdriet en de wanhoop.
We dienen te sterven aan onszelf, onze oude natuur te doden, de oude mens af te leggen, waarvan je eerst niet erkend hebt dat die er is. We gaan ons op God richten in plaats van op de dood, het verdriet en de wanhoop, want Hij is onze enige Bevrijding.
God slaat de armen om ons heen – zegt “Ik hou van je” zoals je bent. Jezus is naar de aarde gekomen omdat het Zijn Vader om mij gaat. God ziet dat wij het onmogelijke ondernemen om omhoog te komen en daarom is Hij, via Zijn Zoon – als heel God en geheel mens –  tot ons gekomen, om ons in het onmogelijke bij te staan. Wij mensen kijken graag bij ons angsten weg, bij de eenzaamheid en kwetsbaarheid. Dan staan wij niet langer in contact met onszelf, met ons hart, waar God onophoudelijk wacht om ons te redden, omdat Hij van mensen houdt.
Uw vriendelijkheid dient bij alle mensen bekend te zijn. De Heer is nabij. Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God.  En de Vrede van God, Die alle verstand te boven gaat, zal -in Christus Jezus- uw harten en uw gedachten behoeden” 
Phil.4: 5-7.            Het is de Vrede en Blijdschap van God Zelf; God geeft het door Zijn Genadegaven aan hen, die zich bekleed hebben met, één zijn met Christus.
        Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in Rechtvaardigheid, Vrede en Blijdschap, door de Heilige Geest. Want wie door deze Geest een dienstknecht is van Christus, is welgevallig bij God, en in achting bij de mensen” Rom.14: 17,18.
”        L
ooft de Heer uit de hemelen, looft Hem in de hoge.
Looft Hem, al Zijn Engelen: looft Hem, al Zijn Krachten.
Looft Hem, zon en maan;  looft Hem, alle sterren en licht.
Looft Hem, hemel der hemelen; en het water, dat boven de hemelen is.
Zij loven de Naam des Heren, want Hij sprak, en zij werden gemaakt.
Hij gaf een bevel en zij werden geschapen.
Hij grondvestte hen voor alle eeuwigheid; 
Hij sprak een gebod uit, en het zal nimmer vergaan.
Loof de Heer op aarde, zeemonsters, en alle diepten. Vuur, hagel, sneeuw, ijs, en stormwind, die de uitvoerders zijt van Zijn Woord.
Bergen en alle heuvelen;  vruchtbomen en alle ceders.
Wilde dieren en alle vee; kruipend gedierte en gevleugelde vogels.
Koningen der aarde, en alle volkeren; vorsten en alle rechters der aarde.
Jonge mensen, grijsaards en kinderen,  dat zij de Naam des Heren loven, 
want Zijn Naam alleen is hoogverheven.
Zijn belijdenis gaat over hemel en aarde;  Hij zal de hoorn van Zijn volk verheffen. Dat is een hymne voor al Zijn gewijden: 
voor de kinderen van Israël, het volk dat Hem nabij is“.
Psalm 148[149] vert. ROK ‘s-Gravenhage

 

Orthodoxie en onvoorwaardelijke overgave

de vrouw aan de bron

Na de ontmoeting met de vrouw aan de bron vertrok Christus vandaar naar Galilea, want Jezus Zelf had getuigd, dat een Profeet in Zijn Vaderland niet geëerd wordt. Toen Hij dan in Galilea kwam, ontvingen de Galileeërs Hem, omdat zij gezien hadden, al wat Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had, want zij waren ook zelf naar het feest geweest. Hij kwam dan weer te Cana in Galilea, waar Hij het water tot wijn gemaakt had”.
conf. John.4: 43-46a

Christenen zouden over een innerlijk soort glimlach dienen te beschikken, waarmee zij hun omgeving aansteken en een dusdanig gedrag te vertonen, hetgeen ongemerkt op hun omgeving zou afstralen. Wanneer zij echter in aantal afnemen verzinkt de wereld weer in aloude gewoonten en valt er een duisternis over de menselijke omgeving.

Het levende water symboliseert de Heilige Geest, Die ons gegeven wordt, nadat Jezus, na Zijn dood aan het Kruis en Zijn Opstanding, is verheerlijkt.

Wat we ons hiermee dienen af te vragen is; wat Gods plan is met de wereld en wat ònze rol daarin is. Het zou óverduidelijk dienen te zijn; door onze opstelling in de wereld zijn wij immers als het kruikje kostbare, zuivere nardusolie, waarmee de voeten van Christus gezalfd worden en de geur van de olie, die door het gehele huis geurt [conf. John.12: 3].
We mogen ons met God verbinden en Zijn Licht over de wereld verspreiden en om hieraan vast te houden komen we wekelijks [in de vastenperiode iets vaker] samen om hieraan vast te blijven houden. We lopen in onze dienst tegen ‘Gods’ hulp aan om ons in dit ondermaanse bij te staan en gaan ieder ons weegs om de hongerigen te voeden en op te trekken met hen, die gebroken zijn. Daarmee geven wij uiting en waarderen de aanwezigheid van God en niet de gerechtelijke actie, iets wat de fysieke mens gezamenlijk onderneemt om het aardse bestaan zo aangenaam mogelijk te laten verlopen.
Wanneer je Gods aanwezigheid volgt komt er immers Geloof vrij; Geloof in een werkelijke toekomst, welke rust geeft aan de vrucht van de menselijke schoot.
Op deze wijze verheft Christus, als de God-mens het verloste mensengeslacht.
Hij gaat onder de mensen van vlees en bloed een zielenrijk stichten, waar een deel van Zijn uitverkorene, geheel voor de Liefde van Zijn Vader is gewonnen, zich hoog boven de zinnelijke wereld kan verheffen en zich door zich te beheersen geheel [heilig] aan het Welbehagen van de Vader kan overgeven.
Christus als het uitgangspunt van het leven; te midden van al de zorgen en bezorgdheden en de onenigheid en problemen, die onze gedachten momenteel in beslag nemen en dan kunnen wij ons tijdens dit leven een ogenblikje op Hem concentreren. Wij kunnen ons hart richten tot God, onze Gids, onze Genezer, onze Leraar en ons voor Hem openstellen.

We staan regelmatig stil bij wonderbaarlijke genezingen, die waarbij een rolstoel of krukken aan de kant kan worden geschoven en wetenschappers verbaasd doen staan – maar wij negeren de dagelijkse genezingen die plaats vinden als gevolg van de zuivere Genadegave van God. Is er op dit ogenblik niet iemand die je ontmoet hebt, die ontzettende behoefte heeft aan genezing. Denk eens aan iemand die je kent en de Liefde, Die jij via Christus overbrengt, Die hem/haar kan helpen. Aan hen, die dankbaar zijn en God ontzettend dankbaar zijn dat Hij hen in hun gebed tegemoet is gekomen. Maar denk ook aan hen, die ongeneeslijk ziek zijn en het enige wat hun overblijft – hun toekomst in de handen van God – over te geven; God kan ver weg lijken op zo’n moment. Heer, geef hen kracht om hun kruis te dragen.

Soms zijn we erg blind voor de genezende aanwezigheid van onze Heer en Zaligmaker. Misschien kun je de situaties herinneren, dat jij Christus in de menselijke liefde, in de steun en daden van vriendelijkheid van anderen hebt ontmoet; misschien zelf wel hebt ontvangen. Al was het maar een briefje of een kaartje – een ondersteunend woord.
Zoals een hert smacht naar de waterbron, zo smacht de menselijke ziel naar God. De menselijke ziel dorst naar de sterke God, de Levende” [conf. Psalm 41[42]: 1,2].

Jesus nadert de verlamde [onbewust levende] mens en vraagt hem of hij/zij  gezond wil worden. Dat lijkt een vreemde vraag; het antwoord al volkomen duidelijk zijn? Toch vraagt Jezus hem/haar ‘Wilt u gezond worden?’ Wanneer je een ongelovige patiënt of een gelovig patiëntie vraagt zal dit een grote verschil maken – de een slaat op tilt, terwijl de ander zich berust in hetgeen hem/haar toebedeeld is.  Dit maakt ons duidelijk, dat de lichamelijke genezing niet alleen gaat over Gods wens om te genezen. Het gaat Hem ook om ons vermogen ‘open’ te staan ‘werkelijk’ genezen te worden.
Het gaat bij God niet alleen om het doorslaggevende feit dat lichamelijke genezing mogelijk is, maar dat er sprake is van vooruitzicht op eeuwig Leven, het werkelijke vooruitzicht dat ons te wachten staat. Het gaat er niet om dat wij mensen bepalen dat er lichamelijk gezien genezing dient plaats te vinden en in welke vorm en hoe lang het zal duren. God heeft met ‘eeuwig Leven‘ te maken, het belangrijkste wat een mens kan overkomen en het is al heel wat als de mens hier rust in kan vinden.
Ongeneeslijk zieken, met zeldzame systemische auto-immuunziekte, waarvan ik diverse mensen heb ontmoet, zijn gezegend als zij hun lot, hun kruis kunnen dragen, wanneer zij hun leven in Gods hand kunnen leggen.     

De verlamde mens vertelt Christus, dat er niemand  meer is om hem/haar te helpen de genezing bij God te zoeken door hem/haar op te tillen en naar het bad bij de Schaapspoort te Jeruzalem, welke in het Hebreeuws de bijnaam Bethesda [“Huis van vergeving”] draagt, met vijf zuilengangen.

Een bad heeft te maken met de bron, een plaats waar levend water is, gedoopt wordt en gezegend wordt – het is de plaats waar de werkelijke ontmoeting met Christus plaatsvindt, waarna dit bezegeld wordt met de deelname aan Zijn Lichaam en Bloed [de communnie].

Zijn er geen mensen om je heen, die je regelmatig negeert of bewust ontloopt – zieken werden immers in vroegere tijden uitgestoten – hoorden er niet bij.
In onze tijd is dat niet anders, we jagen ons eigen genot na en geven niet iedereen de aandacht, die zij verdienen. Op z’n minst zou je wat liefde voor hen kunnen opbrengen door voor hen te bidden.

Zijn er inhoudelijke aangelegenheden in jou leven, die eveneens om genezing schreeuwen. Zoals nu duidelijk is geworden behoeft dit in het geheel niet lichamelijk te zijn; ze kunnen ook mentaal of spiritueel zijn. Jezus vraagt ons keer op keer of we willen genezen; Gods Wil te aanvaarden, je onvoorwaardelijk aan Hem over te geven, je kruis op te nemen en Hem te volgen . . . . .
Bid óók voor deze Genadegave.

Orthodoxie & de ander ontlopen, confrontaties uit de weg gaan en zwijgen

Olieflesje in de vorm van een ‘stekelige’ egel, 6e eeuw voor Christus

    En zij gingen vandaar weg en reisden door Galilea. En Hij wilde niet, dat iemand het te weten kwam. Want Hij onderwees zijn discipelen en zei tot hen: De Zoon van de mensen wordt overgeleverd in de handen der mensen en zij zullen Hem ter dood brengen en drie dagen na zijn dood zal Hij opstaan. Doch zij begrepen dit Woord niet en durfden Hem er niet naar te vragen. En zij kwamen te Kapharnaüm. En toen Hij thuis gekomen was, vroeg Hij hun: Waarover waren jullie onderweg in gesprek? En zij zwegen, want zij hadden onderweg met elkander erover gesproken, wie de meeste was.
      En Hij ging zitten, riep de twaalven en zei tot hen: Indien iemand de eerste wil zijn, die zal de allerlaatste zijn en aller dienaar. En Hij nam een kind en plaatste dat in hun midden, omarmde het en zei tot hen: ‘Wie een van zodanige kinderen ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem, die Mij gezonden heeft’”. Marc.9: 30-37

Climacos [de ladder]

      Als gevangene in de Heer, vermaan ik u dan te wandelen waardig aan uw roeping, waarmee gij geroepen zijt, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in Liefde te verdragen en u te beijveren de éénheid in de Heilige Geest te bewaren door de band van de Vrede. In één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de éne Hoop van uw roeping, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die is boven allen en door allen en in allen”.  Eph. 4: 1-4

Het zal u niet ontgaan zijn, dat er in bovenstaande Blijde Boodschap een grote tegenstelling schuilt: Jezus kondigde zijn lijden en sterven aan, mèt de Verrijzenis op de derde dag – en waar waren de leerlingen in geïnteresseerd? Wie de grootste onder hen is!
Christus, Die over Zijn sterven spreekt, en de leerlingen die dat ‘niet‘ horen [niet kunnen horen? niet willen horen?], maar het over hun carrière hebben. Dat lijkt wel erg op onze wereld, waarin sommige mensen omkomen van de ellende om hen heen, terwijl anderen zich bezighouden met hun positie.

De ongeschonden Lage Landen

Wij zijn allen in deze Lage Landen neergezet waar wij ons naar beste weten en vermogen  behoren in te zetten. Wanneer je daarbij overeenkomstig je principes handelt kun je nog wel eens door de gedachte worden overvallen: “Waar val ik een ander nog mee lastig, laat ze hèt zèlf maar uitzoeken. In de Kerk verwacht je immers dat er met wijsheid en inzicht weloverwogen beslissingen genomen worden”. Zij handelen daar toch overeenkomstig Goddelijke inzettingen en verordeningen, hetgeen de Heer ons bevolen heeft. Toch blijft het noodzakelijk te waarschuwen:
“ Neem u ervoor in acht en hoed u er terdege voor, dat gij de dingen die gij met eigen ogen gezien hebt, niet vergeet en zij niet uit uw hart wijken zolang gij leeft; maak ze aan uw kinderen en kindskinderen bekendDeut 4: 9
Het is mij toch regelmatig overkomen, dat mensen van wie je het niet had verwacht het ineens instemmend met je eens zijn. Ja, zo zouden ze ‘vroeger’ ook hebben gereageerd, maar zij verkeren in de veronderstelling dat je -in de huidige tijd- niet meer tegen de gewijde klasse òp kunt, die hebben -als tot de salon behorend- nu eenmaal de Wijsheid in pacht!

Het valt mij op dat de meeste conflicten in de Kerk met name – in de vastenperiode – hun oorsprong vinden; juist in zo’n periode zou je verwachten dat iedereen bovenmate alert dient te zijn. Het is tevens zo dat vergaderingen in deze periode de ware aard van gelovigen blootleggen en dan bedoel ik met name degenen, die zich voor het aangezicht van de Heer, onze God verheven hebben, de Goddelijke zegen hebben ontvangen. Je zou dit soort bijeenkomsten haast gaan vermijden. Het is maar net hoe je datgene wat je vernomen hebt in je doen en laten verwerkt. We vergeten echter dat wij wanneer wij ons aan onze verantwoordelijkheden onttrekken en op deze manier onze kinderen & kleinkinderen een onjuist beeld voorhouden hoe zij in de vreze Gods op de aardbodem dienen ervaren.

Kruis, de Blijde Boodschap & een rozen-krans [geloof], het anker [hoop] en een spelende kind [liefde]; Nrdkerkstr. 14, Amsterdam

Is dit waarlijk het ‘Hoogstaande, uitverkoren Volk’ [‘ερόθεος’, door God gezegend] dat op een wijze en verstandige manier datgene doet wat haar is opgedragen; je krijgt haast het idee, dat juist voor het tegenovergestelde wordt gekozen. God heeft leidinggevenden opdracht gegeven Zijn Woord en Zijn onderwijs aan de mensen door te geven; niet alleen met de mond, maar Zijn Woord ook in praktijk toe te passen, zodat er van geleerd kan worden.
Hoe wordt er naar Gods Wet en Woord geluisterd en wat is de belangrijkste boodschap in de Goddelijke omgang? Hoe zal God op ons doen en laten neerkijken, is dat beangstigend of stelt ons dat gerust?
Wanneer we keer op keer lezen dat wij onszelf in acht dienen te nemen en dan met name voor wat betreft het Liefdesgebod, hebben we dan wèl goed geluisterd naar datgene wat God ons duidelijk probeert te maken – of proberen we alleen maar onze eigen zin door te drukken – en zien we de voortgang en de geestelijke groei van een ander totaal over het hoofd?
Misschien zouden we God eens gezamenlijk kunnen vragen om ons daarvan bewust te maken – omtrent de inhoud van Zijn Woord – en ons er wat nadrukkelijker in te verdiepen.
Zalig degenen, die de Heer vrezen; die wandelen op Zijn wegen. De vrucht van uw moeiten zult gij eten; gij zijt gelukkig en het zal u welgaan. Uw vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok, die groeit langs de muur van uw huis. Uw kinderen als scheuten van een olijfboom, rondom uw tafel.
Zie, zo wordt een mens gezegend, die de Heer vreest. Opdat de Heer u moge zegenen uit Sion; moogt gij het welzijn van Jeruzalem zien, al uw levensdagen. Ja, opdat de kinderen van uw kinderen zien, dat er vrede heerst over Israël
[de Kerk]”.
Psalm 127[128] vert, ROK ’s-Gravenhage

        Maar aan een ieder van ons is afzonderlijk de Genadegave gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt. Daarom heet het: opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mee, gaven gaf Hij aan de mensen. Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten?
         Hij, Die nedergedaald is, Hij is het ook, Die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen. En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als  herders en leraren, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de éénheid van het Geloof en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der Volheid van Christus. Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neer, heen en weer geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, maar dan groeien wij, ons aan de Waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, Die het Hoofd is, Christus. En aan Hem ontleent het gehele Lichaam als een aaneensluitend geheel en bijeen-gehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei van het Lichaam, om zichzelf op te bouwen in de Liefde”. Eph.4: 7-16

‘Wees voorzichtig en kijkt allen vooral nauwkeurig naar jezelf . . . . . Weest u zich allen bewust wat er in de Kerk der Lage Landen gaande is en hoe sommige onder u dit ervaren en wat God onder u bewerkstelligt? We krijgen als gemeenschap verzoekingen om er van te leren; om daardoor te groeien. Nogmaals, misschien dienen we God eens te vragen ons bewust te maken van dit alles?’.

Maar dit Gebod heb Ik hun gegeven: ‘Hoort naar Mijn stem, dan zal Ik u tot een God en zult gij Mij tot een volk zijn, en wandelt op de ganse weg die Ik u gebied, opdat het u welga. Doch zij hoorden niet, noch neigden hun oor, maar zij wandelden naar de verstokte overleggingen van hun boos hart en keerden zich achterwaarts en niet voorwaarts. Van de dag af dat uw vaderen uit het land Egypte gingen tot op deze dag. Ook zond Ik tot u al mijn knechten, de profeten, dagelijks, vroeg en laat. Doch zij hoorden naar Mij niet noch neigden hun oor, maar betoonden zich hardnekkiger dan hun vaderen. Ook nu gij tot hen al deze woorden spreekt, horen zij niet naar u, en nu gij tot hen roept, antwoorden zij u niet. Zeg dus van hen: ‘Dit is het volk dat niet hoort naar de Stem van de Heer, zijn God, en dat geen tuchtiging aanneemt; de oprechtheid is verdwenen en teloorgegaan uit hun mond. Scheer uw hoofdhaar af en werp het weg, hef op de kale heuvels een klaaglied aan: de Heer heeft verworpen en prijsgegeven het geslacht waarop Zijn verbolgenheid rust”. Jer.7: 23-29

De van oudsher jaarlijks afgekondigde vasten is een tijd waarin we nadenken over hoe wij voor God staan, hoe God op dit ogenblik naar ons kijkt en de manier waarop wij Hem ‘in de weg [hebben ge-]lopen’. Durven wij nog ons nek uit te steken, teneinde veranderingen op gang te brengen of laten we ons in onze positie datgene welgevallen wat onszelf het meeste voordeel biedt? Welke dingen vallen ons nog meer op wanneer we dit te overwegen en terugkijken op datgene wat wij afgelopen jaar hebben ondernomen om vooruitgang te boeken?

‘Boos’-knop

Wat betekent ‘zij wandelden naar de verstokte overleggingen van hun boos hart en keerden zich achterwaarts en niet voorwaarts’ en wat stelt u daarbij voor? Op welke manieren bemerk je dat je je hebt laten leiden door je eigen hardnekkigheid en wat zegt dit over jezelf? Lees bovenstaande passage van de profeet nog eens over en maak je eens een voorstelling van wat er in je omgaat, ben je wel zo meelevend geweest met die ander en wat zegt dit over jou?  God spreekt Zijn Woord tot de mensen, maar zij luisteren niet. Hoor je Gods Blijde Boodschap aan Zijn Kerk? Kun Zijn Woord horen, er bewust naar luisteren en begrijpen wat God je duidelijk probeert te maken? Op deze wijze ben je tijdens deze vasten in gebed, waarvan Christus Persoonlijk aanhaalt, dat dit geslacht niets kan ondernemen, dan door gebed. We zien daaraan dat wij bepaald niet de eersten zijn die met de Geboden van God nogal vreemd in de wereld omspringen. Wij, die steeds maar weer verzoekingen op ons af zien komen en er dusdanig mee omgaan, alsof we het gewoon zijn gaan vinden. Deze woorden zijn immers gesproken tegen het Volk Israël, dat na een verblijf in de woestijn het Beloofde Land mocht binnengaan. Een land dat beheerst werd, bekend stond, door afgoden als Baäl en Astarte te worden verleidt; het was een land dat vergeven was van de vruchtbaarheidsreligie. Dat was het Beloofde [Lage] Land waar Israël zich tussen begaf, daar moest het Godsvolk zich waarmaken. Daar werd verwacht dat het Godsvolk [de Kerk] zich waar diende te maken dat het een geheiligd volk was en ten dienste van God stond, alleen Hem in Liefde toegewijd was. Daarom kreeg dit kerkvolk een positie toegewezen, niet om over elkaar te gaan heersen, maar als een geheiligd volk een voorbeeld te zijn voor de wereld om hen heen.
        Bekeer u, Israel, tot de Heer, uw God, want door uw ongerechtigheden zijt gij gestruikeld. Komt met woorden van schuldbelijdenis, bekeert u tot de Heer, zegt tot Hem: ‘Vergeef mij geheel en al mijn ongerechtigheden en wees Genadig; wij bieden als offerstieren de belijdenis van onze lippen. Assur zal ons niet verlossen, op paarden zullen wij niet rijden. En wij zullen niet meer zeggen tot het werk van onze eigen handen: Onze God!
Want van U verkrijgt de wees Barmhartigheid. Ik zal hun afkerigheid genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want Mijn toorn keert zich van hen af. Ik zal zijn als de dauw voor Israel, hij zal bloeien als een lelie, en zijn wortelen uitstrekken als de Libanon. Zijn loten zullen uitlopen; zijn pracht zal zijn als die van een olijfboom en zijn geur als die van de Libanon. Zij die in zijn schaduw wonen, zullen weer koren verbouwen. Ja, zij zullen bloeien als een wijnstok, beroemd als de wijn van de Libanon. Ephraïm, wat heb Ik nog met de afgoden te doen? [Ik verhoor hem en zie hem aan]. Ik ben als een altijdgroene Cypres, aan Mij is uw vrucht te danken.  Wie wijs is, geve op deze dingen acht; wie verstandig is, erkenne ze. Want de wegen des Heren zijn recht: rechtvaardigen wandelen daarop, maar overtreders struikelen er
”. Hos.14: 1-9

➥        Wij horen hier, hoe God ons oproept terug te keren naar de plaats en de wijze waarop wij behoren te leven, Liefdevol vanuit ons hart te leven en anderen met respect te benaderen. Wij keren ons niet tot God wanneer wij iemand anders afschrijven en hem zwijgend de rug toekeren wanneer hij niet langer in ons straatje past.
Hoe zou je tot God kunnen terugkeren, hoe zou je dit anders dienen aan te pakken, wat zijn de paden des Levens, die je opnieuw zou dienste betreden en waar je als Christen behoort te zijn.
Wanneer je ook deze profetische tekst beluistert – er nadrukkelijk aandacht aan schenkt – dan weet je donders goed – wat je te doen staat om jou bij te staan op je oorspronkelijke pad.
Het oorspronkelijke pas is niet de weg, die je bewandelt om jezelf ter wille te zijn; neen, het oorspronkelijke pad betekent dat je jezelf tekort doet om de ander ten dienste te zijn; dat is je het persoonlijke kruis, dat je dient op te nemen.
En dat doet pijn maar het geeft ook bevrijding, want je doet iets waarmee je een ander de ruimte geeft om te groeien.

‘De [wijn]oogst van de Liefde’

Overeenkomstig hun verkiezing zijn degenen geliefden omdat de Vader dat zo heeft gewild. Want door Genadegaven en Goddelijke roeping dient men ervan verzekerd te zijn geen berouw over z’n handelen te doen ervaren“.
conf. Rom 11: 28,29

Liefde is geduldig en aardig. Het maakt geen afgunst, het is niet ijdel of trots;
Het onteert anderen niet en is niet zelfzuchtig;
Het raakt onmogelijk gemakkelijk geïrriteerd en het
houdt geen agenda bij of het schade zou oplopen.
Liefde verheugt zich niet in het onrecht, maar zoekt juist de waarheid.
Liefde beschermt, vertrouwt, in iedere omstandigheid hoopt ze en volhardt ze.
Liefde faalt nimmer“. conf. 1Cor.13: 1-13; overeenkomstig de grote Messiaanse profetie van Numeri 24: 17-19, De spreuk van Bileam, de zoon van Beor, en de spreuk van de mens met het geopende oog.

 

4e Zondag van de Grote en Heilige Vasten – Zondag H. vader Johannes Climacos

Climacos [de ladder]

      En iemand uit de menigte antwoordde Hem: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stomme geest heeft. En waar hij hem aangrijpt, werpt hij hem op de grond; en hij heeft het schuim op de mond, en hij knerst met zijn tanden en verstijft. En ik heb uw discipelen gezegd, dat zij hem zouden uitdrijven, en zij hebben het niet gekund.
        En Christus antwoordde hun en zei: ‘O, ongelovig geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij. En zij brachten hem tot Hem.
En toen de geest Hem zag, deed hij hem terstond stuiptrekken en, 
op de grond gevallen, wentelde hij zich, al schuimende. En Hij vroeg zijn vader: ‘Hoelang is het al, dat dit hem overkomt?’. Deze zei: ‘Van zijn kindsheid af; en dikwijls heeft hij hem ook in het vuur en in het water gedreven om hem een ongeluk te doen krijgen. Maar als Gij iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons!’.
        Jezus zei tot hem: ‘Als Gij kunt! Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft’.
Terstond riep de vader van de knaap uit en zei: ‘Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!’.
        En toen Jezus zag, dat de menigte samenstroomde, bestrafte Hij de onreine geest en zei tot hem: ‘Gij, stomme en dove geest, Ik beveel u: ga van hem uit en kom niet meer in hem’. En hij ging uit onder geschreeuw en hevige stuiptrekkingen. En hij werd als een dode, zodat men algemeen zei, dat hij gestorven was. Doch Jezus vatte zijn hand, richtte hem op, en hij stond op. En toen Hij een huis was binnengegaan, vroegen zijn discipelen Hem, terwijl zij met Hem alleen waren: waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven? En Hij zei tot hen: ‘Dit geslacht kan door niets uitvaren, tenzij door gebed’.
En zij gingen vandaar weg en reisden door Galilea. 
En Hij wilde niet, dat iemand het te weten kwam. Want Hij onderwees zijn discipelen en zei tot hen: “De Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der mensen en zij zullen Hem ter dood brengen en drie dagen na zijn dood zal Hij opstaan’”. Marc.9: 17-31

Heilige Johannes Climacos, schrijver van het boek ‘de Ladder’.

      Want toen God aan Abraham zijn belofte deed, zwoer Hij, omdat Hij bij niemand hoger kon zweren, bij Zichzelf, zeggend: ‘Voorzeker zal Ik u zegenen en zekerlijk u vermeerderen’. En zo, door geduld te oefenen, heeft deze het beloofde verkregen. Want mensen zweren bij wie hoger is, en de eed dient hun tot bekrachtiging, als einde van alle tegenspraak. Daarom heeft God, toen Hij des te nadrukkelijker aan de erfgenamen der belofte het onveranderlijke van zijn raad wilde doen blijken, Zich onder ede verbonden, opdat door twee onveranderlijke dingen, waarbij het onmogelijk is, dat God liegen zou, wij, die [tot Hem de] toevlucht genomen hebben, een krachtige aansporing zouden hebben om de hoop te grijpen, die voor ons ligt. Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel, waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Melchisedek hogepriester geworden in eeuwigheid”. Hebr.6: 13-20

Mensen, die zich zwak en kwetsbaar weten,
zoeken hulp en ondersteuning bij elkaar en bij Christus.

Heb medelijden met mij Heer, Jezus Christus, Zoon van God hebt U alstublieft medelijden met mij, mijn ziel vertrouwt op U, mijn God”.
Christus onderwees zijn volgelingen in het gebed en maakte hen duidelijk dat je zonder gebed niets voor elkaar kunt krijgen. Het gaat er bij Christus om dat je datgene wat je presteert in Naam van de Vader doet. Onze Heer, Jezus Christus wordt met God op één lijn geplaatst.
Vader, Zoon en Heilige Geest zijn in God gelijkwaardig.  En Jezus heeft eveneens gezegd, dat de Vader is méér dan Hij, nadat Hij de verlamde genezen had en hem eveneens zijn zonden vergeven had. De Farizeeën vielen Hem hier op aan, want alleen God kan immers zonden vergeven. “    Hierom dan trachtten de Joden Hem des te meer te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God gelijksteldeJohn.5: 18. De Vader gaat voorop, De Zoon kan niets doen uit Zichzelf, Hij moet het de Vader zien doen.              Ik zeg u, de Zoon kan niets doen van Zichzelf, of Hij moet het de Vader zien doen; want wat deze doet, dat doet ook de Zoon evenzoJohn.5: 19. De Zoon doet dan ook het Werk van de Vader; daarin zijn ze dus gelijk. De Vader werkt doden op, dat doet de Zoon ook, De Vader doet leven, dat doet de Zoon ook. De Vader heeft het oordeel aan de Zoon gegeven en ontvangt gelijke eer. Heel duidelijk komt dit aan God -gelijk -zijn tot uiting in:      Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in ZichzelfJohn.5: 26. Wij mensen hebben geen leven in onszelf, dat bestaat alleen bij God, Die het Leven geeft en in die zin verkondigt Paulus dat de Zoon Zich aan de Vader zal onderwerpen. “    Want alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat alles onderworpen is, is blijkbaar Hij uitgezonderd, die Hem alles onderworpen heeft. Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de 
Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen1Cor.15: 27,28.
Dit houdt geen onderdanigheid in, maar het betekent dat de Zoon in alle dingen, ook in het eindoordeel, eensgezind zal zijn met God de Vader. Zoals Christus oordeelt, zo oordeelt God. Juist in het oordeel blijkt de éénheid tussen de Vader en de Zoon.  Niet alleen als gezondene doet de Zoon de Wil van de Vader, ook als Rechter. Men dient de teksten over onderworpenheid en gehoorzaamheid van Christus niet uitspelen tegen zijn Goddelijkheid. Juist  in de onderworpenheid van de Zoon aanschouwen wij de volkomen representatie van God.
        Aan het eind van de jongste dag zal openbaar worden dat de Zoon en de Vader één zijn.
Maar staat er niet: ”     Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij heeft gezonden, heeft zelf Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen en spreken moet. En Ik weet, dat Zijn gebod eeuwig leven is. Wat Ik dan spreek, spreek Ik zo als de Vader Mij gezegd heeftJohn.12: 49,50. Ja zeker, maar dat is niet een gebod aan Jezus, maar aan Zijn volgelingen, namelijk het gebod om elkaar lief te hebben. Dat gebod om elkaar lief te hebben geeft Jezus door aan de discipelen: “Een nieuw gebod geef Ik u, dat ge elkaar liefhebtJohn.13: 34.
Bij Zijn Hemelvaart heeft Jezus een andere Trooster [of Voorspraak] beloofd John. 14: 16

      Na Zijn verheerlijking is Christus dan Zelf in de Hemel, maar op aarde is Zijn Geest de Trooster, of Voorspaak. Zoals de Zoon alles doorgeeft van de Vader, zo geeft de Geest alles door van Christus. Jezus spreekt niet uit Zichzelf, maar vanuit de Vader, zo spreekt de Geest niet uit Zichzelf, maar  vanuit Christus. “    doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigenJohn.16: 13
De Geest zal dus evenmin niet uit Zichzelf spreken, maar Hij zal Christus verheerlijken en Hij zal het nemen uit hetgeen Christus overeenkomstig de Vader heeft verkondigt. De relatie tussen de Geest en

De Goddelijke zegen, van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

Jezus is dus als de relatie tussen de Zoon en de Vader. De Zoon is de volledige aanwezigheid van de Vader en de Geest de volledige tegenwoordigheid van de Zoon en daarmee   evenzeer van de Vader. Gods Geest gaat uit van de Vader via de zoon! De oorspronkelijke Kerk formuleert dit zo; -het is de Heilige Geest die uitgaat van de Vader door de Zoon- Het keert zich dus het door de wetenschappers van Karel de Grote uitgedachte filioque [de Geest gaat uit van de Vader en van de Zoon]. In het filioque wordt de Geest gedacht zelfstandig uit te gaan van de Vader, buiten de Zoon om! Een door wetenschappers losgeslagen “wilde” Geest, die geen weet van het Werk van Christus?
De christologie wordt bondig weergegeven in:         Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in 
Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het aan God gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood van het Kruis. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle naam geschonken, opdat in de Naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn en alle tong zou belijden: “Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader!”. Phil.2: 5-11
Dit was oorspronkelijk een vroeg-christelijke hymne:
Christus was in de gestalte van God, maar Hij heeft de gestalte van een mens aangenomen”. In een tijdspanne van nauwelijks 15 jaar is de kern van het Christologisch dogma – dat Christus en God en mens is -, geformuleerd. 
De indruk die Jezus op de mensen heeft gemaakt, moet overweldigend groot zijn geweest. We zingen daarom voorafgaand aan de deelname aan de Heilige Communie:
    Een is heilig, een is Heer: Jezus Christus; tot Heerlijkheid van God de Vader.   Amen”. 
Jezus Christus is Heer! In Christus hebben wij met God te maken!

Christus onderwees ons Zijn volgelingen in het gebed en over de manier waarop wij bidden heeft Hij naast ‘het onze Vader’ geen regels gegeven, wel weten we dat Hij Zich regelmatig in eenzaamheid terugtrok en tot de Vader bad, met Zijn Vader in gesprek was. Over bidden zijn ook geen ‘regels’ te geven; de een bidt nu eenmaal anders dan de ander. Ieder gebruikt zijn eigen taal, zijn/haar eigen woorden. Sommige mensen bidden graag vroeg in de morgen en de mensen, die wij als avond-mensen aanduiden/typeren kunnen zich beter ’s avonds laat concentreren. Je geloofs-beleving en je manier van bidden worden mede bepaald door: je achtergrond; je persoonlijk karakter en de situatie waarin jij je momenteel bevindt.
Het is afhankelijk van hoe je hebt leren bidden; hoe je bent opgegroeid; welke beeld je van God hebt meegekregen. Ga je vertrouwelijk met God om, of met ontzag – dit kan van grote invloed zijn op hoe u nu bidt en hoe je momenteel je Geloof beleeft.
Wat het persoonlijk karakter aangaat wordt het gebed beïnvloed door het feit of je extravert of introvert bent; een gevoels- of een verstandsmens; nuchter, levend in het hier en nu of gericht op de mogelijkheden; ben je gestructureerd en beslist of open en flexibel.

Onderweg, allen vertrekken we van hier naar daar en dat is goed, want het kan niet anders

⁌ Wat je huidige situatie aangaat zijn er ook nogal wat verschillen; een moeder/ vader met kleine kinderen bevindt zich in een geheel andere situatie dan ouderen, die vrijgesteld zijn en meer de tijd aan zichzelf hebben. Ook kan het gebed bepaald worden door datgene wat je onlangs hebt meegemaakt: verdriet, zorgen of juist de vreugde van het moment. Ook maakt het uit waar je jezelf bevindt; in de beslotenheid van een auto op de snelweg of de drukte van een overvolle trein. Het kan best wel moeilijk zijn om in verschillende omstandigheden tot gebed te komen. Wanneer het je voor de wind gaat kun je uit vreugde vol dankbaarheid zijn in plaats van je door de zorgen van de dag te laten beheersen. Soms is het nodig jezelf met de nodige inzet tot gebed te dwingen; bv. door de auto eventjes te parkeren; een ogenblik rust te nemen – dit is niet alleen voor God, maar ook voor jezelf.
⁌ 
De relatie tussen karakter en geloofsbeleving is voor veel mensen nieuw. De ervaring leert dat openlijk bespreken van dit onderwerp ontzettend verhelderend kan zijn. Het werkt tevens ontspannend, omdat de nadruk ligt op een manier van bidden die bij jou past en het besef dat het toegestaan is het op je eigen manier te doen. Mensen mogen hierin onderling verschillen, er zijn mensen, die lezingen van monniken onderweg in hun auto beluisteren, teneinde tot verdieping van hun geloofsleven te komen. Net zo goed als je verschillen ontdekt in je relaties met anderen herken je jouw persoonlijke relatie met God. Het kan ook helpen om de ander meer te aanvaarden in zijn/ haar manier van geloven.
⁌ 
Bidden is een weg, die jij gaat en de manier waarop jij je weg gaat blijft persoonlijk en vraagt om creativiteit. Christus maakt ons in de lezing van vandaag duidelijk, dat wij niets to stand kunnen brengen wanneer we dit niet in gebed doen. Wij zijn christenen, volgelingen van Christus en kunnen door ons – in gebed- ten opzichte van God ondergeschikt op te stellen, al datgene wat wij doen in Zijn handen leggen. Inderdaad kunnen wij niets uitvaren/klaarspelen zonder Gods zegen; en er is niets op tegen als ook maar iemand te weten komt, hoe jij jouw leven als Christen invult. Christus vervolgt met Zijn volgelingen Zijn weg en verkondigt dat Hij zal worden overgeleverd en Zijn Kruis zal gaan dragen. Hij roept ook ons op Hem te volgen, door Zijn Blijde Boodschap te volgen ons Kruis op te nemen door onszelf in Liefde en medemenselijkheid aan de wereld op te offeren en ons leven in Zijn handen te leggen.
We zijn immers door onze doop in Christus’ dood met Hem begraven teneinde, zoals Hij door de Macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden. conf Rom.6: 4.

bidden en vasten zijn niet populair.

Vasten gaat samen met bidden; bidden is al niet populair – het in onze tijd houden aan het vasten in geestelijke zin is al helemaal moeilijk. Het is nu eenmaal zo dat je mensen gemakkelijker warm laat lopen voor een feestje, waarbij lekker eten geserveerd wordt; dat is ook bij orthodoxen niet vreemd. Op de uitnodiging van een hooggeplaatste gaan we massaal in – of daar geestelijke lering uit getrokken wordt dien je maar af te wachten.  “Er zijn er veel die wel met Hem aan tafel willen zitten, maar er zijn er weinig die samen met Hem willen vasten. Iedereen wil wel blij zijn samen met Jezus; weinig mensen willen moeilijkheden doorstaan voor Hem” uit: “in Navolging van Christus“.
Misschien kent u ook het volgende verhaal:
Rabbi Levi Jitschak komt op een vastendag bij een rijk man die als vrek bekend staat en heel bescheiden leeft. Maar uitgerekend op de vastendag treft de rabbi hem aan achter een gebraden haan! De vrek verdedigt zich: ‘Rabbi, u weet dat ik het hele jaar door alleen maar droog brood eet, omdat ik altijd zoveel plezier beleef aan het besparen van geld. Als ik nu ook op deze vastendag niet zou eten, dan zou ik daaraan veel genoegen beleven. Maar dat gaat duidelijk in tegen de bedoeling van het gebod tot vasten. Daarom heb ik de gewoonte het er op vastendagen flink van te nemen!’ Waarop rabbi Levi met een glimlach vraagt: ‘Als dat zo is, waarom neemt u dan niet ook nog een goed glas wijn?’ De rijke man antwoordt: ‘Maar rabbi, moet ik mijzelf dan gaan martelen? Als ik ook nog een glas wijn neem, dan zit ik binnen de kortste keren aan de grond’“.

iedere trede van de trap omhoog en beetje méér heilig[=heel]

➥ Vasten houdt in dat je jezelf van iets onthoudt. Niet als doel op zich, maar met een hoger doel: je wilt tijd inruimen om de Heer te ontmoeten, om wat meer geestelijk voer te lezen, om stil te zijn, om te bidden. Door iets te laten staan zet je een streep onder je gebeden; je laat zien dat het je ernst is. Je onthoudt je van iets waardoor je leeg wordt en je van iets nieuws vervuld kunt raken.
Je onthoudt je ergens van; in het geval van de vrek: zichzelf onthouden van overmatige zuinigheid. Zal dit in ons geval anders zijn? Vasten is nooit een doel op zichzelf; het is het aanpassen van je levensstijl. Vasten doe je om een hoger doel: om intensiever dan anders op zoek te gaan naar God; om intensiever dan anders te bidden. In een periode van vasten is het tevens mogelijk dat je dusdanig met jezelf geconfronteerd wordt, dat je het roer radicaal zult moeten omgooien er wordt je immers een spiegel voorgehouden. Door onoplettendheid
in de snelheid waaraan het leven aan ons voorbij trekt, kunnen beslissingen noodzakelijk zijn om de verantwoordelijkheden, die jij op je weg krijgt, anders te gaan invullen.Je dient je oude mens af te leggen, maar je kunt iets niet afleggen waarvan je eerst niet erkend hebt dat het er is; je dient je er mee te verbinden. De manier waarop we steeds proberen de oude weg af te leggen, is door weg te maken wat er is. Ik kom m’n oude natuur tegen en ik wil niet dat die er is. Dus ga ik me een periode erg op God richten en ga er bij weg. God heeft echter geen manier van uitsluiten, maar een manier van insluiten; God slaat Zijn armen om ons heen met alles wat er is.; ook om mijn oude mens heen. God houdt van je en wil dat je de verantwoordelijkheden, die je draagt -gezond en wel- kunt voort-zetten en daartoe ga je samen met Hem op pad, wat de mensen er ook van zullen vinden. Op deze wijze kan een periode van vasten als vernieuwend en leven- scheppend worden ervaren. God is immers tolerant, pluraal en divers en laat zich niet binden aan kleinmenslijkheden.

Apolytikion     tn 8
De stroom van uw tranen heeft de onvruchtbare woestijn doen bloeien,
en door uw zuchten uit de diepte
heeft uw arbeid honderdvoudig vrucht gedragen.
Zo zijt gij, onze heilige Vader Johannes, een ster geworden,
die heel de wereld verlicht door Uw wonderen.
Bid tot Christus onze God, om onze zielen te redden“.

Kondakion     tn4
Op de bergtop van onthouding
heeft de Heer U geplaatst
als de waarachtige ster die niet tot dwaling verleidt,
en die straalt tot aan de einden der aarde,
wegwijzer, Vader Johannes“.

Orthodoxie & de confrontatie met onszelf [1]

Heer, ik ben tot U gevlucht: leer mij Uw wil te doen, want Gij zijt mijn God. Want bij U is de bron van het leven, en in Uw licht zien wij het licht; strek Uw Barmhartigheid uit over Wie U kennen”.  uit: Grote Doxologie, Horologion vert. ROK, ’s-Gravenhage blz. 176

Vrouw giet myronolie over de voeten van Christus

        Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water voor mijn voeten hebt gij Mij niet gegeven maar zij heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haren afgedroogd. Een kus hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft, van dat Ik binnengekomen ben, niet opgehouden mijn voeten te kussen. Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met mirre mijn voeten gezalfd. Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde”. Luc.7: 44-47
De grote Onschuldige trekt niet alleen de onschuld aan, maar óók de schuld verdwijnt. De schuld verdwijnt voor de verblindende Glans, het Licht van De Goddelijke reinheid van onze Heer en Verlosser. Met dat Licht-stralend beeld vergelijkt de zondares haar door zeven duivelen aan zonde geketende ziel; ze houdt het niet meer uit. Zij ligt aan de voeten van Christus en herwint haar verloren onschuld door een Liefde, Die haar alles vergeeft.

 

Christus komt Zijn Belofte altijd na – al gaat er een geruime tijd overheen, Hij zal mensen en geestelijke schepsels gebruiken om jouw levensweg te voltooien

Paulus had het ook niet gemakkelijk en zei:      Wat doet het ertoe? In elk geval, hetzij met een nevenoogmerk, hetzij in oprechtheid, wordt Christus verkondigd; en daar verblijd ik mij in, en zal ik mij ook [blijven] verblijden. Want ik weet, dat dit mij tot behoud zal strekken door uw gebed en de Geestelijke Bijstand van Jezus Christus, naar mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nu Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. Want het leven is mij Christus en het sterven gewin”. Phil.1: 18-21
Paulus is een mens die zijn bestaan volledig laat kleuren door zijn Opgestane Heer. Heel kort en direct zegt hij: ‘Voor mij is leven: Christus!’
       Daarin klinken woorden van Jezus Zelf door. Zegt Christus niet: ‘Ik ben het Leven’. Dat is iets om diep tot je door te laten dringen. Want regelmatig zoeken we het leven ergens anders: in onze gezondheid, in ons werk, in onze relaties, in onze hobby’s; maar dan missen we ons doel. Waarachtig leven ontstaat waar Christus je leven is, je Heer en Meester is. En sterven is dan inderdaad: nog méér Liefde van Christus te ontvangen, zelfs al heb je het idee er af-en-toe aan onderdoor te gaan.
En Christus Zelf zegt hierover in alle menselijke eenvoud: “     Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren”. Matth.11: 27

Wanneer wij iets van God verwachten – vergeving, rust, kracht, liefde, zin, inzicht, wijsheid, hoop en wat je ook maar bedenken kunt – dan is dat alleen via onze Heer en Verlosser Jezus Christus te bereiken. Dat is de Waarheid die ligt opgeslagen in die eenvoudige woorden dat alles door de Vader is toevertrouwd aan zijn Zoon. Ook het kennen van de Vader loopt via de Zoon: Jezus zal de Vader openbaren aan wie Hij wil, aan wie Hij roept om Hem te kennen. Ik hoop dat dat echt tot je doordringt: alles van God vinden we in Jezus. Zoek daarom Jezus, en vind de Vader, de God die alles geeft wat je nodig hebt.
Want God heeft ons gemaakt tot wat wij nu zijn: in Christus Jezus zijn wij geroepen om ons kruis op te nemen en de weg te gaan van de goede daden die God mogelijk heeft gemaakt. “      Want door Genade zijt jullie behouden, door het Geloof, en dat niet uit uzelf: het is een [Genade]gave van God; niet uit werken, opdat niemand zal roemen. Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen”. Eph.2: 8-10

Wanneer ik dan tegenkom ‘goede daden’ te doen, weet ik bij voorbaat dat dat inspanning zal kosten – anders is het een minachtende te lage beloning voor datgene wat God mij geschonken heeft. Maar heb nu niet het idee dat je op eigen kracht ‘goede daden’ kunt verrichten. Je bent immers in verbondenheid met Christus geworden tot wie je geworden bent – je bent op de wereld gezet om op Hem te gelijken en in Zijn voetsporen je weg te vervolgen. En de goede daden liggen allang voor mij klaar; Christus zegt niet voor niets “ de armen/behoeftigen zijn altijd met Mij”. En daarom liggen die goede daden voor het opscheppen! God heeft ze al gemaakt, het enige wat ik behoef te doen is attent/oplettend te zijn : in verbondenheid met Christus te blijven en vol verwachting uitkijken naar wat God nu weer gaat doen. Goede daden zijn geen opgaven, maar openen mogelijkheden, rechtstreeks vanuit de Hemel. “Hij die in oprechtheid zijn weg gaat, kan vol vertrouwen z’n weg vervolgen, maar degene, die wie zijn wegen verdraait bekend zal doorzien wordenSpr.10: 9

De apostel Paulus blijkt door de Heilige Geest [door Openbaring] in staat te zijn geweest inzicht te verkrijgen in het Mysterie van Christus [Eph.3: 3-5]. Inzicht in de Blijde Boodschap verkrijgen wij door de Persoon van Jezus Christus, onze God als Heer en Meester van ons leven te aanvaarden.
Laten we de Opgestane Heer volgen door met de Kerk [Zijn Lichaam] onze weg te vervolgen; laten wij Hem onze smeekbede horen wanneer wij Hem uit de diepte van ons hart aanroepen als onze heer en Meester, van Wie wij redding verwachten. Het leven is immers een “pelgrimstocht“, omdat het niet stil staat; wij worden als kinderen -langs God- door de tijd gedragen.
Onze Heer en Meester van ons leven houdt Zich namelijk tijdens deze tijdelijke reis onophoudelijk met ons bezig en ziet toe op de manier ‘waarop’ we zijn tijd invullen. Door Zijn Genadegave, hopen we oprecht Zijn weg te gaan; we worstelen niet ontvankelijk te zijn voor bederf, het onbehoorlijk gedrag. Dat is waar onze Heer en Zaligmaker op let.
Om niet ontvankelijk te zijn voor de valkuilen van de tegenstrever, dienen we ons te richten op Christus, welke in ons hart [in onze Tempel] verblijft en ons roept.  Hij brengt ons leven tot één geheel, thuis, op het werk, in de Kerk, en in al de ontmoetingen met onze naasten. Een waarachtig christen, is een-op-een met zichzelf vanwege zijn relatie met Christus, onze God.
Mensen, die zich met Christus verbonden weten, zijn in alles wat zij in hun leven doen en laten – ook de pijn, die zij verdragen; de vernedering, die zij incasseren, de afwijzing van mensen, alsmede het verlies en de dood – met Christus verbonden en aanvaarden dit alles steeds in dezelfde gemoedstoestand – als zijnde vanzelfsprekend van boven.

De tweede helft van vers 9 van spreuken 10 loopt parallel met het eerste deel, maar dan andersom. Letterlijk, betekent dit dat als onze weg de verkeerde kant op gaat, dit vroeg of laat wel bekend zal worden; niet alleen voor de anderen, maar ook voor onszelf. We hebben niet veel contact met iemand nodig om te onderscheiden of hij/zij een goddelijke integriteit bezit. Ons innerlijk leven, onze verhouding tot onszelf en God, manifesteert zich onvermijdelijk ten opzichte van anderen. Dit geldt zowel voor degenen die de weg van Christus bewandelen, als voor degenen die zich van Hem hebben afgekeerd. En het rare is dat terwijl iedereen in de omgeving van de gevallene dit opmerkt, zwijgt en terwijl de gevallene z’n weg voortzet wordt hem/haar  vroeg-of-laat – de ogen geopend.
We kunnen wel smeken een evenbeeld van wijsheid te worden, zoals in het boek spreuken wordt aangegeven. Maar Wijsheid wordt ons veelal door ondervinding gegeven en vindt z’n grondslag in de Heilige Geest .Onze Heer en Verlosser zegt namelijk voorafgaand aan Zijn Hemelvaart:
        Doch Ik zeg u de Waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden. En als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel; van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; van gerechtigheid, omdat Ik heenga tot de Vader en gij Mij niet langer ziet; van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is”.
John.16: 7-11
De Geest van Christus openbaart Christus voor ons!

Christus aan het Kruis, Albert Servaes, 1923, [houtskool op papier, Museum voor Religieuze Kunst]

Wanneer we in de lezingen door de vastenweek volgen, zien we hoe het opgaan in de van God gegeven teksten elk facet van het dagelijks leven beïnvloedt. Bijvoorbeeld, wanneer een kind volwassen wordt en samen met God oploopt, dan verheugen z’n ouders zich daarover. Hetzelfde kan niet gezegd worden van godvrezende ouders die een kind zien, die afwijkt van de waarheid [conf. Spr.8: 1]. Diepe pijn bedroeft het hart van elke ouder die vaststelt dat zijn of haar kinderen afdwalen; zo niet dat mankeert er eveneens iets aan hen. Het doet er verder ook niet toe of iemand rijkdom, status of invloed heeft weten te bereiken; aardse schatten [alleen] zullen ons echt geen voldoening schenken [conf. Spr.8: 2]Een rechtvaardige zet zich in de relatie met God centraal te stellen; beschouwt zichzelf als geestelijk dood en aanvaardt de vreugde, die God Hem in zijn leven schenkt.
In menselijke aangelegenheden kun je God als het ware beschouwen als de onzichtbare en belangrijkste acteur, Die degenen voedt, die Hem liefhebben en het beleid van degenen, die dat niet doen omver zal doen werpen [conf. Spr.8: 6-7]. Een persoon, die zich ècht en waarachtig inzet, zal uiteindelijk tot bloei komen, en neemt Gods aanwijzingen aan [conf. Spr.8: 8-9].
Hij heeft de neiging zich onophoudelijk dusdanig in te zetten, dat anderen zich kunnen verbeteren en voordeel kunnen trekken van zijn inspanningen [conf. Spr.8: 4].

Hieromonnik Seraphim ontvangt Epigonation 19 mrt. 2017

Persoonlijke relaties zijn gezegend voor degenen die ‘integer’ zijn [conf. Spr.8: 10-12]. Degenen, die zich door hun daden openbaren zijn rechtstreeks, op de man af en zonder bedrog: zij zetten zich ongebonden/ zonder aanzien des persoons in om anderen te verbeteren en hun woord en geschrift is eenvoudig [conf. Spr.8: 13-21].
Zij laten je niet vallen wanneer je je eigen weg gaat, je niet meer met hen verbonden weet en hen niet langer terwille kunt of wil zijn; een ieder gaat zijns weegs en je bidt en hoopt dat de ander er het beste van maakt.
    Hoor, Israël [Kerk]: de Heer is onze God; de Heer is één!  Jullie zullen de Heer, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. Wat ik jullie heden gebied, zal in uw hart zijn, jullie zullen het je kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer jullie thuis zitten, wanneer jullie onderweg zijn, wanneer jullie gaan slapen en wanneer jullie opstaanDeut 6: 4-7.
Bidt daarom tot God om ons onze zonden te vergeven indien wij hiervan afwijken, in oprechtheid en vertrouwen op Hem het herstel van onze Genadegave en Zijn Wil in alle omstandigheden te volbrengen.
En God vindt jou dan, zoals jij bent ‘goed’, met een agenda overvol verantwoordelijkheden gevuld. Al zal dat laatste even wennen voor de anderen, die anders van jou verwacht hebben, maar daar gaat het helemaal niet om.
God laat jou invulling geven aan de dingen, die Hij je laat ontmoeten en als je dat goed doet, zul je ook bij Hem goed ontmoeten.

Orthodoxie & de confrontatie met onszelf [2]

Rembrandt Harmenszn van Rhijn, zelfportret

Rembrandt Harmenszn van Rhijn [1606-1669] verbeeldde als geen ander de recente geest van de Gouden Eeuw. Hij schilderde dan wel niet de snelle ontwikkeling van de stad Amsterdam, maar hij liet wel zien dat het innerlijk leven het fundament was van de nieuwe tijd – die tot in onze tijd wordt voortgezet. Rembrandt’s grootsheid geeft blijk van een verheven menselijke geest. Amsterdam was in die tijd al -net als nu- een van de meest vrijzinnige steden ter wereld. Rembrandts roem als kunstenaar had te maken met technische virtuositeit en een inventieve, theatrale benadering. Hij was een meesterlijke realist. Maar wat zijn tijdgenoten echt raakte en zelfs versteld deed staan, was dat hij degenen die hij schilderde binnenstebuiten leek te keren. Hij schilderde ze niet gewoon zoals ze eruit zagen, hij schilderde hen zoals ze waren.

Oude man [1651] – Rembrandt Harmenszn van Rhijn

Al de mensen, die hij geschilderd heeft, zijn al eeuwen dood en begraven en geen van allen hebben ze in de geschiedenis een blijvende indruk achtergelaten en toch bestaan ze. Ze leven voort op schildersdoek in het Rijksmuseum, het Metropolitan Museum in New York, Buckingham Palace in Londen en de Hermitage in St. Petersburg. Al die mensen die je aankijken wanneer je in een van die musea staat, hebben een verleden en een heden. Het was de tijd van de opkomst van het individu, met een zelfbewustzijn, de vrijheid om te handelen en het zich ontplooien; of het nu om geld verdienen ging, boven de mensheid uit te stijgen door een carrière na te streven en daarmee beroemd te worden of in de eenvoud van de eenvoudige werkman, de huisvrouw, waar de Liefde van afstraalt. Het lijkt ons onmogelijk voor de schilder -zijn of haar identiteit te veranderen- maar Rembrandt geeft ze weer zoals ze zijn.

Evangelist Mattheüs met engel, 1661

Er bestaat zoiets als een innerlijke rechtvaardigheid, die boven die van de wereld uitgaat. wanneer  iemand die innerlijke wet niet in acht neemt, is het omdat hij op dat ogenblik in een roes verkeert: zijn ogen en oren zijn gesloten, zodat hij in werkelijkheid de levenswet niet kent. Maar die roes houdt niet aan; er zal immers een dag komen, dat ogen en oren opengaan en het is jammer, wanneer dit pas in een laat stadium of zelfs te laat plaats vindt. Het is immers beter dat ogen en oren geopend worden wanneer je tegoeden hebt opgebouwd,, want het zal heel moeilijk zijn, wanneer dat pas plaatsvindt wanneer je al je tegoed verspeeld hebt, platzak bent.
Sommige mensen zijn we verplicht te ontzien, anderen zijn we respect verschuldigd, weer anderen verdraagzaamheid; de een dienen we te gehoorzamen, de anderen bij te staan en weer anderen te vergeven. Op de één of andere wijze zijn we bij ieder contact, ieder verband wel iets verschuldigd en vóór we aan een nieuwe onderneming beginnen dienen we te weten, dat we onze schulden uit het verleden te hebben afbetaald. We dienen er zeker van zijn, dat we dit ten volle hebben gedaan, zodat er niets meer te vergoeden is achtergebleven. Ook is het nodig dat we er ons er rekenschap van geven vóór we onze overgang naar het Hemelrijk gaan ondernemen, dat we onze plichten hebben vervuld; onze plicht tegenover God en onze naasten. Hij, die zijn plicht tegenover de mensen om hem heen als Heilig beschouwt, doet zijn plicht eveneens tegenover God.
    De weg des Heren is een beschutting voor de oprechten, maar onheil voor de bedrijvers van ongerechtigheid. De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet wankelen, maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen. De mond van de rechtvaardige brengt wijsheid voort, maar de valse tong wordt verdelgd. De lippen van de rechtvaardige weten wat welgevallig is, maar de mond der goddelozen is enkel valsheid ”. Spr.10: 29-32

Weergave van Christus door Rembrandt Harmenszn van Rhijn

Het boek spreuken laat ons kennismaken met een reeks van tegenstellingen, die de diversiteit van de mens in hun doen en laten laat zien; het is als het ware zoals de schrijver, de schilder [als Rembrandt] in zijn gedragingen volgt; de rechtvaardigen ten opzichte van de goddelozen, nederigheid versus arrogantie; onschuld tegenover wangedrag, onderscheidingsvermogen tegenover gebrek aan inzicht. We worden door deze parallellen geleid, de toestand van ons eigen hart en ziel te overwegen – het verborgen, innerlijke leven van ieder mens. Christus, onze Heer en Meester zegt: “      Hoe kunt gij, die slecht zijt, iets goeds zeggen? Want uit de overvloed des harten spreekt de mond. Een goed mens brengt uit zijn goede schat goede dingen voort, en een slecht mens uit zijn boze schat boze dingen. Maar Ik zeg u: Van elk ijdel woord, dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag van het Oordeel, want naar uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en naar uw woorden zult gij veroordeeld worden”. Matth. 12: 34-37

Jacobus [de oudere] van Zebedeus door Rembrandt Harmensz. van Rhijn, 1661

En de broeder des Heren verdiept de kwestie verder met een bittere waarheid weten we maar al te goed: “      Zo is ook de tong een klein lid en voert toch een hoge toon. Zie, hoe weinig vuur een groot bos in brand steekt. Ook de tong is een vuur, zij is de wereld der ongerechtigheid; de tong neemt haar plaats in onder onze leden, als iets, dat het gehele lichaam bezoedelt en het rad der geboorte in vlam zet, terwijl zij zelf in vlam gezet wordt door de hel. Want alle soorten van wilde dieren en vogels, van kruipende dieren en zeedieren worden bedwongen en zijn bedwongen door de menselijke natuur, maar de tong kan geen mens bedwingen. Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn. Met haar loven wij de Heer en Vader en met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Gods geschapen zijn: uit dezelfde mond komt zegening en vervloeking voort. Dit moet, mijn broeders, niet zo zijn. Doet soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen?”. Jac.3: 5-11
Jacobus [de Heilige bedienaar, James] is juist in zijn beoordeling van onze neiging om God het ene moment te zegenen en vervloeken we onze buurman de volgende. Amper ben ik aan het huilen over het kwaad of ik verhef mijn stem in toewijding aan de Heer, terwijl ik mezelf het volgende ogenblik minachtend snauwen naar anderen aantref. “Want ik erken mijn ongerechtigheid, mijn zonde staat bestendig voor mij”. Psalm 50: 4
Wie zal ons verlossen van de verraderlijke vijand, die ons  binnenste belaagt? Wat zal ons verlangen vervullen om te worden als “ in deze generatie rechtvaardig te worden bevonden voor God’s aangezicht?conf. Gen.7: 1

Oppervlakkig bezien lijkt het erop dat we gewoon onze keuze dienen te maken om rechtvaardig te handelen – om alleen maar goede dingen te spreken. Wanneer we onze uitspraak en daden trachten te controleren en er altijd voor kiezen om te zegenen, zullen we daar zeker enige genade en wijsheid uit ons hart uit doen voortkomen. Maar ofschoon dit is niet zo moeilijk lijkt, vinden er toch maar dat het ons met het onmogelijke opzadelt! Hoewel we onderkennen dat er wellicht enkele voordelen aan deze directe en rationele benadering valt te onttrekken, vervallen we in onze jarenlange dagelijkse gewoonten en missen ondanks onze beste bedoelingen de controle over onszelf. Het boek spreuken houdt ons geduldig de tragische afloop voor ogen: “De valse tong wordt volkomen verdelgt/vernietigtSpr.10: 32 en ” de trouwelozen [goddelozen] worden door hun begeerlijkheid gevangen”. Spr.11: 6  Bedrog is een gruwel voor God Spr.11: 1, en “de wetteloze
goddeloze komt door zijn goddeloosheid ten val
Spr.11: 5 Sterker nog, we kunnen onmogelijk ontsnappen aan de gevolgen, die voortvloeien uit onze boze daden en woorden.

Ontmoeting in Emmaüs, ‘het hart’ van Rembrandt Harmenszn van Rhijn

Een andere belemmering, die ons in de weg staat en ons beperkt in onze directe pogingen om goed te doen: we kunnen -voor een periode- nog zo ijverig, nauw-gezet en rechtvaardig zijn, maar vervolgens ontpoppen we ons tot huichelaars. Eigenlijk ontstaan er twee problemen ​​wanneer we resoluut en voor -eens en altijd- vaststellen goed te gaan doen.
1.]. Ten eerste hebben we de neiging om te vertrouwen op onze eigen wil, waardoor God geen deel krijgt aan onze inspanningen, behalve dan om ons te belonen wanneer we datgene doen of zeggen wat goed is; zoals de Tollenaar en de Farizeeër
2.].Ten tweede, kunnen we het wel proberen en in onszelf -in de diepte en verborgenheid van het hart- afstand nemen van de zonde, maar onze hoogmoed [trots] en slechtheid is achter een rechtvaardige façade verborgen. Helaas, de gelijkenis van de tollenaar en de Farizeeën laat ons het eigenbelang zien waaraan geen mens valt te ontkomen, want er blijft er maar Éen in alle tijden en over de gehele wereld, Die hieraan is ontkomen en dat is onze Heer en Verlosser, Jezus Christus! conf. Luc.18: 10-14

Moeten we dan wanhopen? In geen geval! De Servische Heilige Nikolai [Velimirovich] van Ochrid en Zicha [1880-1956] schrijft dat “ Dat de Goddelijke Liefde tot ons is gekomen om het hart van de mens te verlichten, Hij datgene bezat waar het ons aan ontbreekt . . . . . Wijsheid en Macht;  Zuiverheid en Mededogen; Gerechtigheid, Moed en uithoudingsvermogen; Hij doorzag alles en behield in Zichzelf de rust, vreugde en elke goedheid”;
Gods Liefde een niet aflatende bron om Genade te verkrijgen en de lippen te zuiveren; om ons aan Zijn Wijsheid te goed te doen”.
Deze grote heilige van onze tijd vervolgt: “De gehele geschiedenis van de Kerk bevestigt dit. Door de verlichting van Christus’ Liefde, hebben dwazen zich ontwikkeld tot wiizen, zijn lafaards verworden tot martelaren, zijn verstrooiden heiligen geworden, vrekken – weldoeners, koningen en rijke mensen slaven van Christus, wolven lammeren en lammeren tot leeuwen”.
– Geschreven aan het meer van Ohrid 1921-1922

    Neen, als gij werkelijk uw handel en wandel wilt verbeteren, wanneer gij werkelijk onder elkander recht doet, vreemdeling, wees en weduwe niet verdrukt, geen onschuldig bloed vergiet op deze plaats en andere goden -u tot onheil- niet achternaloopt, dan wil Ik u op deze plaats, in het land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb, laten wonen van eeuw tot eeuw. Zie, gij stelt – zonder elk voordeel- uw vertrouwen op bedrieglijke woorden. Daarentegen, stelen jullie, slaat elkander dood, verbreekt uw huwelijk, pleegt meineed, ontsteekt offers voor de Baäl en loopt andere goden achterna, die gij niet gekend hebt. En dan komt gij voor mijn aangezicht staan in dit huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen, en zegt: Wij zijn goed verzorgt voor de toekomst! terwijl jullie uiteindelijk al deze gruwelen bedrijven?”.
Jer.7: 5-10

Landschap met de Barmhartige Samaritaan, Rembrandt Harmenszn. van Rhijn

Wie is Het die door alle sterren en hemellichamen op mij alle schepselen op aarde neerkijkt? Bedek je ogen, sterren en wezens; kijk niet neer op mijn naaktheid. Het kwelt me al jammerlijk​​genoeg met mijn eigen ogen. Wat is er voor U om te zien? Een boom in leven, die is teruggebracht tot een doorn op de weg, dat zichzelf en anderen slechts prikt. Wat anders, behalve een hemelse vlam, die is ondergedompeld in de modder, een vlam die geen licht meer geeft, noch uitgaat?  Akkerlieden, zijn het niet uw ploegen [in plaats van geweren] die van waarde zijn, of is het de Heer die de tijd beheerst. Zangers, betreft het uw zang die van waarde is, of is het de Heer, Die naar u luistert. Slapenden, is het jullie slapen, die niet jullie doet opbloeien of is het de Heer, Die jullie toch maar weer doet opstaan en wekt. Zijn het niet de overvloedige bronnen van water, die zich rond het meer bevinden, niet belangrijker dan het meer zelf?
       Wat is alle menselijke tijd, slecht een golf die de brandende zand aan de kust bevochtigt en zich vervolgens bij het meer betreurt, omdat het als druppel is opgedroogd?
O sterren en wezens, kijk niet naar mij met je ogen, maar richt ze op de Heer. Hij alleen ziet, kijk alleen naar Hem en je zult jezelf in je vaderhuis, bij je oorsprong thuis voelen. Wat zie je mens, wanneer je naar me kijkt? Een foto van uw verbanning? Een spiegel van je vluchtige vergankelijkheid?
O Heer, mijn mooie [bruids-]sluier, die met gouden serafijnen is geborduurd, is als een sluier over het gezicht van een weduwe over mijn gezicht geplooid en is doordrenkt van mijn tranen, waarin het verdriet van al Uw schepselen hoorbaar bruist.
       O Heer, mijn Schoonheid, kom en bezoek mij, want ik schaam me voor mijn naaktheid -opdat de vele dorstige blikken die op mij terug vallen-  vanwege het [vader-]huis waar zij naar verlangen”.
H. Nicolai [Velimirovich] uit “gebeden aan het meer”.

Orthodoxie & geestelijke ontwikkeling [1]

kloostertoren Athos

De kunst van het inrichten van een religieus leven vindt z’n fundament in het leggen van de menselijke relatie met het Goddelijke, de Goddelijke Wijsheid of de Heilige Geest. Het woord religie is ontleend aan het latijnse woord religare [religere = vastklampen, versmelten]   of het Griekse [θρώσκω (throsko) = opstijgen], het geeft in ieder geval het relationele karakter weer van de religie; tussen God en de mens.  Andere karakter-eigenschappen, welke met religie verbonden zijn, betreffen de bovennatuurlijke relatie met het natuurlijke, het ware, het schone en goede; de intuïtieve relatie tussen het stoffelijke en het geestelijke; het fysiek [lichamelijke] en het psychisch [geestelijk] vermogen, het persoonlijk en sociaal maatschappelijk gedrag.

Voor de grondslag van de religie zijn twee voorwaarden vereist: het goddelijke en de [klein-]menselijke. Waar bij religie absoluut sprake van dient te zijn – blijkt uit het feit dat de mens zich vrijwillige overgeeft en zich laat beïnvloeden door een positieve omgang met het Goddelijke en uit zijn/haar godsdienstig gevoeligheid [sensibiliteit] het beste tracht te halen; waar het dus om draait is dat de mens zich in een gemeenschap thuis voelt en zich ongedwongen kan voortbewegen op zijn/haar geestelijke weg.
Onderontwikkeling op het gebied van religie is het gevolg van interne factoren zoals slecht bestuur, traditionele voorkeuren en cultuur. Ontwikkeling volgt automatisch op de ontmanteling van deze traditionele structuren en het volgt een bepaald schematisch model. Ook religie is onderhevig aan evolutie, hetgeen blijkt uit de Joods- christelijke cultuur waarin wij leven, welke door de Goddelijke Wijsheid, de Heilige Geest geleid wordt.
Hoewel Christus als de God-menselijke leermeester reeds aan Zijn eerste volgelingen, de apostelen heeft voorgehouden dat er bij God geen onderscheid des persoons bestaat en ieder voor God een gelijke positie inneemt; wordt de onderontwikkeling van een overgroot gedeelte van Zijn Lichaam [de kerk] veroorzaakt door ongelijke macht’s-verhoudingen. Onderontwikkeling is een gevolg van het verkrijgen/verlenen van bepaalde gunsten, [religieuze] onderdrukking en een gesloten basisopstelling;

Ontwikkeling vraagt namelijk om een open gesprek op basis van gelijk-waardigheid. Tevens kan de [na de 2e wereldoorlog] snelle demografische groei een rol hebben gespeeld, waarbij de nadruk meer op economische dan op sociaal-religieuze ontwikkeling kwam te liggen. De bestaande religieuze instituties werden -met name in het westen- in de loop van de laatste decennia steeds minder serieus genomen. De politieke ontwikkeling volgde dit proces door een steeds verdere afstand te scheppen tussen kerk en staat. In het onderwijs werd gepropageerd dat waar het om God gaat, er slechts wordt weg-gekeken; hetgeen tot gevolg had dat men tot de ontdekking kwam data men bij ervaren eenzaamheid en kwetsbaarheid niet meer in contact kwam met zichzelf. Het resultaat was een overwaardering van de psychische opvang door de inzet van Psychiatrie en therapeutische kunstgrepen. De hedendaagse mens vindt geen rust meer, niet voor zichzelf, niet voor z’n relaties; niet af en toe en beschouwt dit niet meer als basis van een levenshouding.

Bergrede, juiste relatie met Christus

Daar waar Onze Heer en Verlosser ons uitnodigt aan Zijn voeten te komen zitten en daar tot rust te komen; te leren van de pedagogie, waar onze voorouders op steunden; wordt radicaal afwijzend gereageerd op alles wat maar enigszins met religie te maken heeft. Waar we wel gecharmeerd door raken is datgene wat verafgelegen vreemde culturen ons zouden kunnen aanbieden; onze eigen religieuze evolutie wordt daarmee afgebroken. Indien ik bang ben en eenzaamheid ervaar bestaat er niet meer het lijntje waarmee wij van huis uit gewend waren met het Hogere verbonden te zijn; deze verbondenheid was naast God met onze naasten – hetgeen evenwicht tot gevolg had. De insluitende manier waarbij God zegt, schuil maar bij Mij, mét je angsten, mét je eenzaamheid wordt systematisch om zeep geholpen. Hier viert de vrije markt hoogtij en overheerst er een globalisering met zo min mogelijk beperkingen tot economische groei waardoor massaconsumptie natuur en leefomgeving verontreinigt en ongelijkheid hoogtij viert.

‘Wat is dan de Blijde Boodschap?’

Daar waar ik me met mijzelf mag verbinden en aan God toevertrouwen, behoef ik niet meer hard te werken om een beter [rijker] mens te worden. Wanneer ik mijzelf door God, als liefhebbende Vader laat liefhebben, stel ik me onder Zijn hoede en word ik haarzelf zachter, rustiger en opener van; dan word ik als vanzelf een schoner mens. Wanneer ik weer een tijdje -in de wereld- aan het dolen ben geweest en vervreemd ben geraakt van God, dan komt er een moment dat ik heimwee krijg. Ik mag aandacht hebben voor mijzelf, ik mag met mezelf omgaan zoals God met mij omgaat. En om  frank en vrij te worden, dien ik genadig en liefdevol met mijzelf om te gaan; ik behoef niet hemel en aarde te bewegen om hogerop te klimmen, want God komt naar mij toe. Hij zit op de rand van mijn gevoelsleven [hart] en wacht geduldig, klopt tot ik aan Hem toe ben.
Het is Zijn Genadegave, die mij in beweging brengt; die mij tot het bewustzijn brengt, die mij doet beseffen; het is tijd dat ik zelf op zoek ga naar bezinning en rust. Ja, ik dien de oude mens af te leggen, maar je kunt iets niet afleggen waarvan je niet hebt onderkent dat het er is.
Vroeg of laat confronteert God ons met onszelf – worden wij verzocht, beproefd en wat voor woorden we er niet meer over bedacht hebben; we knallen tegen onszelf op en bemerken dat er iets dient te gebeuren en dan gaan we zoeken.

De Blijde Boodschap is van oudsher en dat is het bijzondere dat ons geleerd wordt; dat God eigenlijk op zoek is naar ons. Omdat God op zoek is naar ons, heeft Hij ons allen een basisverlangen meegegeven, om op zoek te gaan naar Hem. Want als jouw Schepper, houdt Hij van je en trekt je tot Hemzelf. God is op zoek naar jou en wil intens graag dat je Hem leert kennen. Daarom spreekt Hij tot je hart, om Hem te zoeken. Het is alsof God tot je zegt: “Zoek Mij, Ik wil dat je Mij vind!”. Dat is de Pedagogie van onze Heer en Verlosser in zijn gelijkenis van de Verloren Zoon.
      Zoekt de Heer, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze dient zijn weg te verlaten en de ongerechtige mens zijn gedachten en hij dient zich tot de Heer te bekeren, dan zal Hij Zich over hem ontfermen; en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.
Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten. Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel  neerdaalt en daarheen niet weerkeert, maar bevochtigt deze eerst de aarde en maakt haar vruchtbaar en doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de zaaier en brood aan de eter.
Evenzo zal Mijn Woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend. Want in Vreugde zult gij uittrekken en in Vrede geleid worden; de bergen en de heuvelen zullen voor u uitbreken in gejuich en alle bomen van het veld zullen in de handen klappen. Voor een doornstruik zal een cypres opschieten, voor een distel zal een mirt opschieten, en het zal de Heer zijn tot een Naam, tot een eeuwig teken dat niet uitgeroeid zal worden”.
Isaiah 55: 6-13

       God Zelf vernedert Zich, wordt mens en wekt Zijn Volk op om Hem te zoeken.  Wat vreemd, toch? Dat ‘zoeken’ dient toch eigenlijk vanzelfsprekend zijn. Hìj is toch onze Schepper? U bent als zijnde goed bevonden uit Zijn hand voortgekomen. Jullie konden Hem dienen; je leefde uit Hem, door Hem, met Hem en tot eer van Hem. Hij heeft ons geschapen om eeuwig voor Hem te leven. Daarop heeft Hij gewoon recht.  Maar het vreselijke gevolg van de diepe hoogmoedige val in het paradijs is de oorzaak dat wij Hem niet langer zoeken. Wij mensen hebben het zelf over ons afgeroepen en zoeken onszelf in plaats van God. Wij zijn gewend geraakt de eer naar onszelf toe te trekken tegenover God en zijn slechts uit op eigen eer en roem. Heel bewust hebben wij de band met onze Schepper doorgesneden.
Wij hebben Hem de nek en rug toegekeerd om vanuit onszelf nooit meer terug te keren. 
Dit is een zeer aangrijpende gedachte!
De diepte van onze geestelijke dood en ons verloren zijn is hierin getekend. Toch heeft God als een eeuwig wonder van Zijn welbehagen, van eeuwigheid een weg van heil uitgedacht en heeft  daardoor ons, die dood waren door de zonde van dood weer tot het Leven terug geroepen.
       God is met de mens een Verbond aangegaan; Hij, Die van eeuwigheid de getrouwe en onveranderlijke Heer van het Verbond is. Die God, Die Mozes is verschenen in de brandende braambos als de “Ik zal zijn, Die Ik zijn zal”. Hij Zelf laat Zich in met diep gevallen kinderen van Adam. Uit en van zichzelf waren wij nooit in staat geweest Hem te gaan zoeken; daartegenover stelt Hij Zijn zoeken tot ons eeuwig behoud; dit gaat van Hem uit. Dit is de eeuwige, eenzijdige Goddelijke Liefde tot de zondaar. Daarom zingen wij als Gods gemeenschap: “in Uw Licht, zullen wij het licht aanschouwen”.
       God zoekt ons, terwijl wij Hem mijden; Hij zit op de rand van ons hart en klopt.
      Heer, Gij zijt mijn God, U zal ik verheffen, uw Naam loven, want Gij hebt wonderen gedaan, raadsbesluiten uit een ver verleden in waarheid en trouw volvoerd. Want Gij hebt de stad tot een steenhoop gemaakt, de versterkte veste tot een bouwval, de burcht van de vreemden tot wat geen stad meer is; in eeuwigheid zal deze niet herbouwd worden. Daarom zal een sterke natie U eren, de veste van gewelddadige volken zal U vrezen; want Gij zijt voor de geringe een Sterkte geweest, een sterkte voor de arme toen hij benauwd was, een schuilplaats tegen de stortbui, een schaduw tegen de hitte. Want het briesen van geweldenaars is als een stortbui tegen een muur, als hitte in een dorre streek. Het rumoer van vreemden onderdrukt Gij; als hitte door de schaduw van een wolk wordt het gezang van de geweldenaars gedempt.
En de Heer der heerscharen zal op deze berg voor alle volken een feestmaal van vette spijzen aanrichten, een feestmaal van belegen wijnen: rijk aan merg, vette spijzen, van gezuiverde, belegen wijnen. En Hij zal op deze berg de sluier vernietigen, die alle natiën omsluiert, en de bedekking, waarmee alle volken bedekt zijn. Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen, en de 
Heer der Heerscharen zal de tranen van alle aangezichten afwissen en de smaad van zijn volk zal Hij van de gehele aarde verwijderen, want de Heer heeft het gesproken. En men zal te dien dage zeggen: Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen; dit is de Heer, op Wie wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft. Want de hand des Heren zal op deze berg rusten, maar Moab zal op zijn plaats neer gestampt worden, zoals stro neer gestampt wordt in het water van een mestkuil. Spreidt het zijn handen daarin uit, zoals een zwemmer ze uitspreidt om te zwemmen, dan zal Hij zijn hoogmoed vernederen ondanks zijn listige handgrepen. Ja, de ontoegankelijke versterking van uw muren zal Hij neerwerpen, vernederen, op de grond doen neerstorten tot in het stof”.
Isaiah 25: 1-12
Christus zit op de rand van ons hart en klopt en het is vreemd wanneer je Zijn aandringen niet beantwoordt, in het geheel niet naar Hem vraagt. Besef echter de ernst van Zijn Woord, het is geen mensenwoord, hetgeen je ongestoord terzijde kunt leggen. Het betreft een Goddelijk scheppend Woord, waarvan je het gewicht dient te onderkennen. Daarom blijft Christus aanhouden en opent de mogelijkheid antwoord te verkrijgen op duizend en een vragen, hetgeen je nog eens versteld zal doen staan. Zou jij Zijn aandringen dan niet beantwoorden en Zijn aanwijzingen in de wind slaan. Buig daarom voor Gods Woord en val ook jij voor Zijn voeten neer. Zoek de Heer waar Hij te vinden is, roep Hem aan en Hij zal je nabij komen; smeek Hem om Genade en de werking van Zijn Heilige Geest. Opdat je Hem leert zoeken met al de kracht, die je bezit. Want degene die Hem vindt, ontmoet het ware Leven en verkrijgt een welgevallen in de Heer. “     Hoort naar de vermaning, dan wordt gij wijs, slaat haar niet in de wind. Welzalig de mens die naar Mij luistert, dag aan dag wacht houdende aan Mijn deuren, bewakende de posten van Mijn poorten. Want wie Mij vindt, heeft het Leven gevonden, hij heeft van de Heer welgevallen verkregen. Maar wie Mij mist, doet zijn leven geweld aan; allen die Mij haten, hebben de dood lief”.
Spr.8: 34-36

Orthodoxie & Geestelijke ontwikkeling [2]

Wie van ons mensen gaat er mee op weg om eerherstel te zoeken; is er dan niemand die dit mist? Iets zoeken is nog wat anders dan iets kwijt zijn. Ik kan mijn beurs met honderd euro kwijt zijn, zonder dat ik het weet. Dan ga ik die ook niet zoeken. Maar als ik in een winkel iets wil betalen en mijn portemonnee niet vind, dan schrik ik. Dan ga ik net als de weduwe terugdenken: Waar ben ik het laatst geweest? Waar kan ik mijn bezit [penninkske] zijn verloren? Of heeft iemand die misschien uit mijn zak gehaald?
Over dat zoeken vanuit een levend, door Gods Geest opgewekt gemis, gaat het hier. Herken je dit; herken je het in je hart en nieren [(νεφρὸς), als plaats van je verlangens/gevoelens] leven? Is de Levende God werkelijkheid voor je; ben je God kwijtgeraakt door dezelfde hoogmoedige diepe val in het paradijs? Mijn zonden veroorzaken scheiding, het heeft iets stuk gemaakt; het heeft me vervreemd van de levende God. De verhouding met Hem is gebroken, door mijn eigen schuld; dat wordt nu met groot verdriet ervaren.  Dat is de droefheid die Gods Geest bewerkt in het hart; het houdt je bezig. Je staat er mee op en je gaat er mee naar bed; het maakt je onrustig. En diep in je ziel ervaar je een hunkering en een verlangen naar de Heer, om Hem opnieuw te kennen en lief te hebben.
Je gaat je weg na en zoekt in datgene wat plaats vond, het blijkt een rusteloos zoeken, net zo lang totdat je Hem weer gevonden hebt en belijdt Hem je schuld, waarop onherroepelijk weer vergeving volgt.

Weet je waarom je de weg naar Hem terug zoekt?; omdat God het is Die je zoekt; Gods Geest maakt je tot een zoekende; net zolang tot je in Hem de oorspronkelijke rust heb teruggevonden. Daarom zegt God bij monde van Isaiah: 
      Te raadplegen was Ik voor hen die naar Mij niet vroegen, te vinden voor hen die Mij niet zochten; Ik zeide tot een volk dat Mijn Naam niet aanriep: ‘Hier ben Ik, hier ben Ik‘. 
De ganse dag breidde Ik mijn armen uit naar een opstandig Volk, dat volgens eigen overleggingen wandelde op een weg, die niet goed is; een volk, dat Mij bestendig openlijk krenkt door te offeren in de hoven en offers te ontsteken op de tichelstenen; die in de graven zitten en op verborgen plaatsen overnachten; die vlees van zwijnen eten en in wier vaatwerk verfoeilijk voedsel is; Die zeggen: ‘Blijf daar, nader mij niet, want ik ben voor u ongenaakbaar. Dezen zijn een rook in mijn neus, een vuur dat de ganse dag brandt’. Zie, het staat voor Mij geschreven, Ik zal niet zwijgen, voordat Ik het vergolden heb; ja, Ik zal hun de vergelding in de schoot werpen. Voor jullie ongerechtigheden en de ongerechtigheden van jullie vaderen tezamen, zegt de Heer; omdat zij offers hebben ontstoken op de bergen, en op de heuvels Mij hebben gehoond, daarom zal Ik hun allereerst het loon in hun schoot toemeten.
Zo zegt de Heer: Zoals men, wanneer er nog sap in een druiventros gevonden wordt, zegt: Verderf hem niet, want er ligt een zegen in; zo zal Ik doen ter wille van Mijn dienaren/knechten, dat Ik niet alles zal verderven”. Isaiah 65:1-8
Dit zoeken is Vrucht van de eenzijdige Genadegaven, slechts het werk van God; het is het resultaat, ja, de Vrucht van Zijn zoeken. Door de Kracht van Zijn Liefde worden wij als de bruid uit het Hooglied tot Hem getrokken: “Ik zocht des nachts op mijn leger Hem Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide: Ik zal nu opstaan en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. De wachters die in de stad omgingen, vonden mij; ik zeide: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft? Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene die mij gebaard heeft”.  Hooglied 3:1-4

MP3 : “Ας προσευχή μου να οριστεί πριν Εσείς, ως θυμίαμα” – ” Laat mijn gebed opstijgen, als wierook voor Uw Aangezicht“, Psalm 140[141]

monnikenkoor Athos

Hier ontmoet je zulke zoekers; zijn we dan zo timide/verlegen om Gods Genadegaven, Zijn liefde en gezegende feestelijke grote intocht? Nee, dan kun je niet langer lijdelijk toezien; je wordt heilig actief; je gaat ijverig op zoek in je hart. Je gaat niet alleen zoeken, maar ook jubelt het ook uit, je stemt in overeenstemming met de dichter:        Heer, ik roep tot U: verhoor mij; verhoor de stem van mijn smeking. Wanneer ik tot U roep, verhoor mij, o Heer. Laat mijn gebed opstijgen, als wierook voor Uw Aangezicht. De opheffing mijner handen zij een avondoffer; verhoor mij, o Heer.  Stel, Heer, een wacht aan mijn mond: maak een gesloten deur van mijn lippen. Neig mijn hart niet tot slechte woorden, om met uitvluchten mijn zonden te verontschuldigen. Tezamen met mensen die goddeloosheid bedrijven; ik wil geen deel hebben aan hun lusten. Laat de rechtvaardige mij tuchtigen met erbarmen, dan zal hij mij van schuld overtuigen. Maar sta niet toe, dat mijn hoofd gezalfd wordt door olie van zondaars; mijn gebed verzet zich tegen hun lusten. Wanneer hun rechters vanaf de rots geworpen worden, zullen zij weten dat mijn woorden God aangenaam zijn. Want als aardkluiten over het land, zo zijn hun beenderen verstrooid bij het graf. Heer, op u zijn mijn ogen gericht; Heer, op U vertrouw ik: ontneem mij het leven niet. Bewaar mij voor de strik die zij tegen mij spannen, voor de struikelblokken der boosdoeners. Laat de zondaars in hun eigen net vallen; al ben ik alleen, toch ga ik Uw weg”. Psalm 140[141] vert ROK ’s-Gravenhage

Het ware zoeken gaat samen met roepen, smeken, dat doe je vanuit de nood; dat gaat gepaard met tranen. Je loopt tegen de troon van Gods Genade aan, als een waterstroom. Het is als bij een jong kind dat z’n moeder kwijt is; het schreeuwt om vader/moeder, in angst en paniek. Het kind in je is niet tot bedaren te brengen; eerst moet vader/moeder weer bij je zijn. Begrijp je het nu; hoor je jezelf – zie je het vóór je gebeuren?
Wat komt er van het zoeken terecht; waar zijn degenen, die de Heer aanroepen?

-de rijke en de arme lazaros-

Vindt dit niet plaats vanuit de grootste nood, opdat we onze diepe verlorenheid aanvaard willen worden? Of weten we nog steeds niet uit welke nood en dood we verlost dienen te worden. Daarom vindt dit aanroepen vanuit de diepten van ons ellendige hart tot God, tot onze Vader, Die alleen Heil[iging] kan en wil zenden. God roept ons vanuit de hemelen toe: Zoekt de Heer terwijl Hij [nog] te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is, straks is het misschien te laat en kan dat niet meer. Straks blijft ons alleen de arme Lazaros over, die wij kunnen aanroepen om onze dorst te lessen en onze nazaten te waarschuwen voor de goede weg in te slaan. Dit zoeken van de Heer en het Hem aanroepen wordt eveneens gekenmerkt door ons verlaten voelen op de goddeloze weg. De goddeloze heeft Gods weg verlaten en de ongerechtige mens zijn gedachten; en hij dient zich tot de Heer te bekeren.  Wij bevinden ons allemaal op zo’n weg, want we zijn allemaal zondaars, niemand uitgezonderd. Diep ingrijpend is dat ons aller levensweg een doodlopende weg is. Nodig is dat je daaraan wordt herinnerd, opdat je het ontdekt. En wanneer dat gebeurt is, komt je er achter: “mijn weg is een weg zonder God [= zonde], zonder hoop en zonder Jezus Christus geweest. De rust wordt u ontnomen, het wordt tijd je van de wereld te distantiëren; je terug te trekken in je stille hoek – in de stilte van je hart en je gaat God zoeken, Die op de rand van je hart wacht. Hij wacht op je op de rand van de bron, zoals bij de Samaritaanse. Je roept Hem aan bij dag en bij nacht, want je verlangt ernaar met de zonde, met het leven zonder God te breken. Het zou immers je dood betekenen, daarom verlaat je jouw goddeloze, heilloze weg.

Waarom? Omdat je zonden scheiding veroorzaken tussen God en je ziel; jouw zonden beledigen God’s Almacht, Zijn grenzeloze Liefde voor jou als Zijn kind. Het is jouw verlangen om Hem lief te hebben; omdat Hij de mensen lief heeft, is Hij het ontzagwekkend waard.
Het vervult je met diepe smart dat daar niets van terechtkomt; hoewel je telkens weer opnieuw probeert om de zonden met wortel en tak uit te roeien, kom je er achter dat het van jouw kant hopeloos is; zelfs je gedachten getuigen tegen je. Ze veroordelen u tot in het diepste van je bestaan toe. Alles wat je als vanzelfsprekend beschouwt, zelfs je gedachtewereld, is één en al ongerechtigheid. Daarmee hang je er maar verloren bij, maar gá je ook verloren?
En op dat ogenblik  begrijp je de Psalmist, David, de man naar Gods hart:
Schep in mij een rein hart, o God, en vernieuw in m’n binnenste een reine geest
Psalm 50[51]: 12.  
De goddeloze verlaat zijn weg, en de ongerechtige mens zijn gedachten; en hij bekeert zich tot de Heer, Die “ in welwillendheid aan Sion; de muren van Jerusalem weer opgebouwd laat worden”. Daar ontmoet je de waarachtige bekering; dat is een inkeren tot jezelf, een afkeren van de zonden en een terugkeer tot de Heer. Van nature sta je met de rug naar God toe; je bewandelt een weg steeds verder bij God vandaan. Maar als Gods Geest uw hart vernieuwt, dan wordt u omgekeerd. Hij draait je honderdtachtig graden om en jij hervindt daarmee je oorspronkelijke staat en komt daarmee weer met je gezicht naar God toe te staan. je bent omgekeerd.
        Dan zal Ik [de Heer, onze God] de volken andere, reine lippen geven, opdat zij allen de Naam des Heren aanroepen; opdat zij Hem dienen met eenparige schouder. 
Van gene zijde van de rivieren van Ethiopië zullen Mijn aanbidders, Mijn verstrooiden, Mijn offer brengen. Te dien dage zult jullie je u niet behoeven te schamen over al de daden waarmee je tegen Mij hebt overtreden, want dan zal Ik uit uw midden uw hoogmoedig juichenden verwijderen. En voortaan zult gij niet meer overmoedig zijn op mijn heilige berg. En Ik zal in uw midden overlaten een ellendig en gering volk, en wie schuilen bij de Naam des Heren. Het overblijfsel van Israël [de Kerk] zal geen onrecht doen noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden, want zij zullen weiden en neerliggen, zonder dat iemand hen verschrikt.
       Jubel, dochter van Sion; juich, Israël [Kerk]; verheug u en wees vrolijk van ganser harte, dochter van Jeruzalem!  De Heer heeft uw gerichten weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd. De Koning van Israel [de Kerk], de Heer, is in uw midden; gij zult geen kwaad meer vrezen. Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, Sion, laten uw handen niet slap worden. De Heer, uw God, is in uw midden, een Held, Die verlost. Hij zal Zich over jullie met vreugde verblijden; Hij zal zwijgen in Zijn Liefde; Hij zal over jullie juichen met gejubel. Wie bedroefd zijn, ver van de feestvergadering, zal Ik samenbrengen; zij behoren toch bij jullie. Als een last drukt de smaad op hen”. Sefanja 3: 9-18
Christus is in ons midden, Hij is en zal zijn!”.