2e Zondag van Pascha – Thomaszondag – ‘opdat jullie, gelovende, het leven hebben in Zijn Naam..

Toen het dan avond was op die eerste dag van de week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zei tot hen: ‘Vrede zij u!’
En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Heer zagen.
Jezus dan zei nogmaals tot hen: ‘Vrede zij u!’.
Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u.
En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zei tot hen: ‘Ontvangt de Heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend’. En Thomas, een der twaalven, genaamd Didymus, was niet met hen, toen Jezus daar kwam. De andere discipelen dan zeiden tot hem: ‘Wij hebben de Heer gezien!’ Maar hij zei tot hen: ‘Indien ik in Zijn handen niet zie het teken van de nagels en mijn vinger niet steek in de plaats van de nagels en mijn hand niet steek in Zijn zijde, zal ik geenszins geloven.
En na acht dagen waren Zijn discipelen weer in het huis en Thomas met hen. Jezus kwam, terwijl de deuren gesloten waren, en Hij stond in hun midden en zei: ‘Vrede zij u!’.
Daarna zei Hij tot Thomas: ‘Breng uw vinger hier en zie Mijn handen en breng uw hand en steek die in Mijn zijde, en wees niet ongelovig, maar gelovig.
Thomas antwoordde en zei tot Hem: ‘Mijn Heer en Mijn God!’.
Jezus zei tot hem: ‘Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven’.
Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen van Zijn discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat jullie geloven, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat jullie, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam” John.20: 19-31.

”      En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het Volk; en zij waren allen eendrachtig bijeen in de zuilengang van Salomo. 
Doch van de anderen durfde niemand zich bij hen aansluiten, maar het Volk stelde hen hoog. En des te meer werden er toegevoegd, die de Heer geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen, zo zelfs, dat men de zieken op straat droeg en op bedden en matrassen legde opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen.
En ook de menigte uit de steden rondom Jeruzalem stroomde toe en bracht zieken en door onreine geesten gekwelden mede. En zij werden allen genezen.
     Maar de hogepriester stond op en allen, die met hem waren – de zogenaamde partij van de Sadduceeën – en zij werden vervuld met naijver [jaloezie] en zij sloegen de handen aan de apostelen en zetten hen in het huis van bewaring.
        Maar een engel des Heren opende ‘s-nachts de deuren van de gevangenis en leidde hen naar buiten en zei: 
Gaat heen, gaat in de tempel staan en spreekt tot het Volk al deze woorden van het levenHandelingen 5: 12-20.

Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.
De sterrenstelsels vallen uiteen van een geheel in z’n samenstellende delen; zo gaat het ook met onze lichamen, zij verouderen, sterven en vallen uiteen.
Alle zichtbare dingen gaan voorbij.
Daarom wordt verkondigt dat: “Wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig” 2Cor. 4:18.
Daar God eeuwig is, is Zijn woord ook eeuwig.
Heer, de aarde is vol van Uw Barmhartigheid; leer mij Uw Gerechtigheden” Psalm  118[119]: 60.
Zoek daarom de Heer met heel je hart, laat je niet afdwalen van Zijn Geboden.
Hij heeft immers Zijn Belofte in jouw hart opgeborgen, opdat jij je tegen Hem niet verzet door van Hem af te dwalen en je eigen weg te gaan.
In de Handelingen van de Apostelen wordt de genezing van een bedelaar beschreven, die vanaf de geboorte kreupel was.
Dit verslag is een ware icoon die onze kijk op de Opstanding/Verrijzens dient te  vergroten. De genezing van deze man door de handen en het gebed van Petrus transformeert de Opstanding van een geïsoleerde gebeurtenis, welke alleen betrekking zou hebben op Historische Christus, via de Heilige Geest heeft God, dit overgedragen op het Lichaam van Christus, de Kerk.
Christus heeft als mens ons de Kracht aangetoond van de Opstanding, van de opgestane Christus, Die ooit aan het werk was in deze wereld.
Christus geeft ons het Leven en bevrijdt ons van de vele graven waarin we met handen en voeten gebonden zijn, vastzitten.
De lamme mens met z’n levenslange beperkingen, is een bestaan ​​in de levende dood van de bedelaar, die parallel loopt aan de kwelling, die elke afstammeling van Adam grote schade en veel leed toebrengt, de mens in z’n ontwikkeling tegenwerkt. Ja, we worden sterfelijk geboren en worden de onvermijdelijke dood ingestuurd.
Twee apostelen komen de lamme man tegen terwijl hij om Genade smeekt;
niet een keer, maar ontelbare malen per dag:
Heer, Jezus Christus, wees mij zondaar, genadig”.
De Apostelen, dood de Heer onderwezen, doen wat het Lichaam van Christus, de  Kerk voor ons doet, gewone mensen, die eveneens door de zonde verlamd zijn en de Genadegaven van God afsmeken. Ze wekken het hart van de verwondde mens op tot de realiteit van het leven in Christus, teneinde op te gaan staan ​​en je weg met al de mogelijkheden en onmogelijkheden in de Hoop op de Opstanding voort te zetten.
De Kerk, het Lichaam van Christus heeft een opdracht: de Kracht van God van de Wederopstanding uit te breiden en te onthullen dat we kunnen lopen en dansen  voor God, onze Schepper, zoals Hij van plan is om te doen toen Hij de mens in het aards Paradijs plaatste.
We kennen de misvormingen van de zonde maar al te goed, en hoe onwaardig we zijn om de tuin, het Hemels Koninkrijk van de Heer binnen te gaan.
Toch wordt in de gemeenschappen van de Kerk de compassievolle Kracht van de Opgestane Heer Jezus, Christus, onze Verlosser ervaren, Die ons naar Zijn voetbank brengt.
Onze Heer heeft Zijn Volgelingen opgeroepen onze medemensen, die verlamd zijn het Hemels Koninkrijk binnen te leiden – door de Macht van de Opgestane Christus en hen voor het eerst te laten ervaren wat het is God in de tempel van het hart te aanbidden en te verheerlijken.
Laten we de voorwaarden onderzoeken waaronder het Lichaam van Christus de  Kracht van de Opstanding in ons leven doet toenemen.
Eerst en vooral gaat de kerk door met haar regelmatige cyclus van gebed en aanbidding.
Wij zijn niet met een opdracht uitgezonden op zoek naar bedelaars, gewonden of
verstotenen, maar gewoon om op het negende uur naar de Tempel van ons hart te gaan om aldaar de laatste dienst van de dag bij te wonen.
Genezing vindt dan plaats binnen de voortdurende routine van het gebed.
De Kracht van de Wederopstanding wordt gemanifesteerd in de context van het leven in samenhang met de eredienst van de Kerkgemeenschap.
Inderdaad, het negende uur markeert de tijd voor ‘dankzegging’ voor wat we gedurende de dag hebben gekregen en voor onze prestaties; de belijdenis van onze mislukkingen, onze vrijwillige of onvrijwillige wandaden, bewust of onbewust, hetzij in woord of daad of in het hart zelf,
Door onze gebeden God’s Genade afsmekend voor alles wat wij zoal meemaken.
De apostelen hebben het normale schema van het Joodse gebed gevolgd, wanneer ze worden geconfronteerd met de verlamde mens, die hulp nodig heeft en de Kerk van Christus heeft deze lijn voortgezet.
“De Heer zal ons altijd en overal blijven zegenen” en bereiden de Kerk ons erop voor om “de wederopstanding van Christus” te zingen: want
“daarin heeft Christus het Kruis voor ons ondergaan en heeft Hij de dood door de dood vernietigd”.
De kracht van de Wederopstanding komt vanuit de kerkelijke aanbidding voort.
Verder merken we op hoe de apostelen vertrouwen op de Naam van de Heer Jezus Christus:
“Heer, Jezus Christus, Zoon van de levende God, ontferm U over mij zondaar”.

Verwachten wij ons erfdeel, het hemels Koninkrijk te bereiken, dan laat God ons zien dat “Hij dezelfde Heer over alles rijk is voor allen die Hem aanroepen.
Want degene die de Naam des Heren aanroept zal worden geredRom.10: 12-13.
Sterker nog  Christus volgelingen vertrouwen niet op hun eigen kunnen, zij  vertrouwen volledig op het gezag van Jezus Christus, onze Heer.
Dit geeft hen de zekerheid dat zij het weten, zij vertrouwen daarbij op Hem dat iedereen, die genezing nodig heeft -de kennis van de levende God gebracht dient te worden. Ze verwachten vervolgens dat Christus, hun verrezen Heer, zal handelen. “Vol Geloof nemen ze de lamme bij de hand en tillen hem opHand. 3: 7. Aan allen die vol verwachting naar de Kerk komen en antwoorden op de roep van de Heer breidt de Heer Zijn hand uit voor onze genezing.
Sta op O God’: red en verlos ons in Uw naam!“.

De paas-groet: Christus is opgestaan – Hij is waarlijk opgestaan

Ja, Christus is opgestaan! – Hij stond ècht op!


Hoe geweldig heeft deze paas-groet gisteren geklonken
in alle talen was deze in de dienst te horen!
De harde stemmen van de [land-] arbeider, de visser [naar meer],
òf het nu een geestelijke geschoold iemand was òf een eenvoudig gelovige
het klonk gisteren over berg en dal, langs heide en strand teneinde
de Verrijzenis van Christus te verkondigen.
Niemand van ons kòn die oproep weerstaan en jubelde mee
– het was een ware opkomst een tumult in onze parochiekerk!
Veertig dagen werden lang tot aan Hemelvaart zal deze feestkreet door de gelovigen weer herhaald worden in hun begroeting.
En vandaag, slechts één dag ná de dag des Heren, ná de Opstandingsdag,
klinkt deze roep als van ouds – en groet eenieder, heel  gewoon zeggend: Christus is opgestaan!.  en je antwoord het genadige antwoord, als was het een felicitatie: “Hij is waarlijk, Hij is ‘waarachtig’ opgestaan!”.
Zal dit de wereld doen veranderen?;
zullen de tijden van ‘Vreugde en onderlinge Liefde weerkomen?
Het ontzag van alle mensen in de aanbidding van de Blijde Boodschap,
bij het verkondigen van het Evangelie op de Paasdag is/was iets heel bijzonders en doet/deed een warmte ontspringen onder de mensen:
“In het begin was het Woord . . .
en het Woord was bij God . . .
en het laatste Woord is bij God,
zònder Hém is er ‘niets’ geworden van hetgeen geworden is . . . ” etc.
Lees het opnieuw en laat deze woorden opnieuw indalen,
zeker waneer je de dodelijke vrieskou weer om je heen ervaart,
de neerwaardse druk, die het beest van de wereld ons oplegt.
Maar laat je niet verontrusten, veer opnieuw òp en júbel:
“Christus is Opgestaan!” en antwoord:
“Hij is waarlijk opgestaan!”

…… en Hij heeft ons het eeuwige Leven geschonken,
wij aanbidden Zijn Opstanding op de derde dag”.

De Evangelie & Apostellezing van Paaszondag – Johannes 1: 1-17, Handelingen 1: 1-8

Het Evangelie van Paaszondag 8-4-2018; het Evangelie van het hart: het veranderingsproces dat door de Zoon van God in de mens en de gehele wereld op gang is gebracht op aarde:

>>> “ Jezus Christus leeft en regeert” <<<

In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God.
Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is.
In het Woord was leven en het leven was het Licht der mensen; en het Licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen.
Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes; deze kwam als getuige om van het Licht te getuigen, opdat allen door Hem geloven zouden.
Hij was het Licht niet, maar was om te getuigen van het Licht. Het waarachtige Licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld.
Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend.
Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen.
Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen van God te worden, hun, die in Zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van een man, doch uit God geboren zijn.
Het Woord is Vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn Heerlijkheid aanschouwd, een Heerlijkheid als van de eniggeborene van de  Vader, vol van Genade en Waarheid.
Johannes heeft van Hem getuigd en heeft geroepen, zeggend:
‘Deze was het, van wie ik zei: Die ná mij komt, is vóór mij geweest, want Hij was eer dan ik.
Immers uit Zijn Volheid hebben wij allen ontvangen zelfs Genade op Genadegave; want de Wet is door Mozes gegeven, de Genade en de Waarheid zijn door Jezus Christus gekomen“.

God is voor ons onbenoembaar vanwege de onbegrensdheid van alle zijn in Hem. Al onze begrippen en namen drukken echter iets uit wat begrensd is. Op die manier kunnen we met ons verstand nooit beredeneren Wie of Wat God is. Maar wat wij vanuit de Heilige Geest, vanuit het hart zeker weten is dat Hij is opgestaan – Hij is waarlijk opgestaan en Hij heeft ons via Zijn Zoon de onvoorwaardelijke Wet van de liefde tot Hem en de liefde tot onze naasten geopenbaard, als principe, als levensvoorwaarde.
God heeft Zich via Zijn Zoon volledig bekend gemaakt en Deze is/was het, Jezus Christus, want Hij was eer dan ik. Immers uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs Genade op Genadegave; want de Wet door Mozes gegeven, was te beperkt, maar de Genade door de Heilige Geest en de Waarheid van God zijn door Jezus Christus geopenbaard.

Christus is opgestaan” – “Hij is waarlijk opgestaan!”.

Dit is de dag des Heren,
die de Heer gemaakt heeft,
laten wij juichen en ons verheugen
Belijd de Heer, want Hij is goed;
in eeuwigheid duurt Zijn Erbarmen

De Apostellezing Handelingen 1: 1-9
Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Theofilus * [Gr.: Θεόφιλος = vriend van God], over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren, tot de dag dat Hij werd opgenomen, nadat Hij aan de apostelen, die Hij had uitgekozen, door de heilige Geest Zijn bevelen had gegeven; aan wie Hij Zich ook na Zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft.
En terwijl Hij met hen aanzat, gebood Hij hun Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, die jullie [zei Hij] van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte met water, maar jullie zullen met de Heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze. Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Heer, herstelt U in deze tijd het koningschap voor Israel?  Hij zei tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar jullie zullen Kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over jullie komt, en jullie zullen Mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde
“.

Alleluia! Alleluia!Alleluia!
Heer, sta op om U over Sion te ontfermen;
het is tijd om Barmhartig te zijn”.
“De Heer ziet neer uit de Hemelen;
Hij aanschouwt alle kinderen der mensen“.
– ‘Zalig Pasen‘ –

* Theofilus is een naam met een diepere betekenisVan oorsprong is het een koppeling van twee Griekse woorden. Theos wat God betekent, en filos wat vriend betekent. Een Vriend van God dus. Naderhand kwamen er meerdere varianten op deze naam zoals Theo en Thea, of Theofiel en Theodorus.

 

Paaszaterdag in de Grote en Heilige week, Stille Zaterdag – Christus rooft de Hades leeg en het gloren van het Paradijs.

de Goddelijke Raad

”     God staat in de Goddelijke Raad: in hun midden oordeelt Hij goden. Hoe lang nog zullen jullie onrechtvaardig oordelen en zijn jullie partijdig voor Zondaars?”.

“Sta op o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

Doe recht aan wezen en zwakken, wees gerecht voor hen die gering zijn en de armen. Verlos behoeftigen, bevrijd de arme uit de hand van de zondaar“.

“Sta op o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

Zij weten niets en begrijpen niets, zij tasten in het duister. Alle grondvesten van de aarde, wankelen en worden geschokt“.

“Sta op o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

Ikzelf heb gezegd: jullie zijn goden, allen zijn jullie zonen van de Allerhoogste. Toch zullen jullie sterven als mensen, als elk ander vorst zullen jullie vallen. Sta op o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

“Sta op o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.
Hymne conform Psalm 81[82] voorafgaand aan het Evangelie tijdens de Basilios-Liturgie, deze morgen.

NB. Voor de Orthodoxe gelovigen van de oude kalender is het dit jaar een heel bijzondere Stille Zaterdag, want bij hen wordt tevens het feest van de Boodschap aan de Moeder Gods gevierd

Het Paradijs en de hel
De Heilige Païsios, geestelijk leidsman op de berg Athos heeft een geschiedenis bekend gemaakt over God, Die het Paradijs en de Hel aan een eenvoudig mens openbaarde [misschien wel aan deze heilige zelf, want bij mijn ontmoeting met hem, heb ik waarachtige eenvoud mogen ervaren].
Dit is zijn resumé:
Wel, op een nacht terwijl dat deze eenvoudig levende mens sliep,
hoorde hij een stem zeggen:’    Kom, ik zal je de hel tonen’. 
Hij bevond zich toen in een kamer waar veel mensen rond een tafel zaten,
in het midden van die tafel stond een grote pot met voedsel. 
Toch hadden ze allemaal honger, omdat ze niet konden eten. 
Ze hadden elk een heel lange lepel waarmee ze voedsel uit de pot haalden,
maar met zo’n lange lepel waren zij niet in staat hun mond te bereiken. 
En dus klaagden sommigen, anderen schreeuwden, terwijl anderen zelfs huilden . . . . . “.
Toen hoorde deze eenvoudig levende mens dezelfde stem zeggen:
‘ Kom, ik zal je nu ook het Paradijs laten zien. 
Hij bevond zich vervolgens in een andere kamer, waar eveneens veel mensen rond een tafel zaten, net zoals de vorige. 
En, nogmaals stond er een grote pot met voedsel in het midden op tafel en de mensen hadden dezelfde lange lepels. 
Ze waren echter allemaal goed gevoed en gelukkig, omdat iedereen met z’n lepel voedsel uit de pot kon nemen
en
zo waren ingesteld dat de persoon naast hem gevoed werd. 
Begrijp je nu ook hoe jij, vanuit dit aardse leven vooruit kunt komen en
het leven van het Paradijs op aarde al kunt [be-]leven?”.

Ieder van ons heeft een soort “lepel” gekregen die we kunnen gebruiken om met anderen te delen of om het voor onszelf te proberen. waar het dus om draait is:
Hoe gebruik je de aan jou persoonlijk verleende “lepel?”
Hoe maak jij persoonlijk gebruik van de aan jou persoonlijk verleende talenten [de Genadegaven], die je van God hebt gekregen?

Vanuit de diepte van mijn hart,
roep ik tot de Heer, Die
mij steeds gedenkt

Paaszaterdag of Stille Zaterdag volgt op Goede Vrijdag;
maar wat is zo bijzonder aan deze dag?
Eenieder, die de diensten bezoekt wordt geconfronteerd met een Mystiek gegeven; het is de zaterdag vóór Pasen en de laatste dag van de vastentijd en lijdensweek die voorbereidt op het christelijke paasfeest.
Deze zaterdag wordt ook wel Stille Zaterdag genoemd, omdat op die dag de klokken niet luiden tot aan de Paaswake.
In de nacht ná Goede Vrijdag tot zaterdagmorgen herdenken christenen de tijd dat het dode lichaam van Jezus Christus in het graf ligt; je kunt dit ook aanschouwen wanneer je op deze nacht/ochtend in een Orthodoxe Kerk bent geweest – er heerst een zwijgende drukte, omdat de actieve parochianen druk doende zijn met de onafgebroken lezing van de Evangeliën – hetgeen een gebruik is bij overledenen, voorafgaand aan de begrafenisdienst.
De apostel Petrus verkondigt:
      Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als Rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen: Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest, in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis [de hades,de hel], die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht, waarin weinigen, dat is acht zielen, door het water heen gered werden1Petr.3: 18-20.

In de Orthodoxe Kerk wordt deze dag Heilige en Grote Zaterdag of de Grote Sabbat genoemd, omdat op deze dag Christus fysiek “rustte” in het graf.
Maar men gelooft tevens dat Christus op deze dag geestelijk nederdaalde in de hel, de  Hades veroverde, om de zielen van hen die daar vastgehouden waren te redden en naar het Paradijs te voeren.

De Metten van de Heilige en Grote Zaterdag [meestal gehouden op de avond van Goede Vrijdag, zodat meer gelovigen er aan deel kunnen nemen] nemen een vorm aan van een begrafenisdienst voor Christus.
De gehele dienst vindt plaats rond de Epitaphios [Kerkslavisch Plasjenitsa], een icoon in de vorm van een geborduurde of geschilderde doek met de afbeelding van de graflegging van Christus.
Op zaterdagmorgen, wordt er een gecombineerde vesperdienst met de Goddelijke Liturgie van de Heilige Basilius de Grote gevierd.
Dit is de langste Goddelijke Liturgie van het gehele kerkelijk jaar en traditioneel ook degene die qua uur het laatst gevierd wordt.
Na de Kleine Intocht zijn er 15 oud-oudtestamentische lezingen.
1.]. Genesis 1: 1-13
2.]. Isaiah 60: 1-16
3.]. Exodus 12: 1-11
4.]. Jonah 1: 1-4: 11.
5.]. Joshua 5: 10-15
6.]. Exodus 13: 20-15: 19
7.]. Zephaniah 3: 8-15
8.]. 3[1] Koningen 17: 8-24
9.]. Isaiah 61: 10-62: 5
10.]. Genesis 22: 1-18
11.]. Isaiah 61: 1-9
12.]. 4[2] Koningen 4: 8-37
13.]. Isaiah 63: 11- 64: 5
14.]. Jeremia 31: 31-34
15.]. Danie2l 3: 1-23; waarna de Hymne van de drie Jongelingen in de vuuroven. 

Net voor de Evangelielezing [Matth.28: 1-20] worden alle
[altaar-]bekledingen en gewaden veranderd van zwart naar wit.
De diaken bewierookt de gehele kerk.
In de Griekse traditie strooit de geestelijkheid laurierbladeren en bloembladeren door de gehele kerk om de verbrijzelde poorten en verbroken ketenen van de hel en Jezus’ overwinning op de dood te symboliseren [de Koninklijke deuren wordt uit de scharnieren gelicht en opzij tegen de iconostase gezet.
Terwijl de liturgische sfeer verandert van verdriet naar blijdschap, wordt de paasgroet “Christus is Opgestaan” nog nèt niet uitgewisseld.
Deze klinkt pas héél zachtjes door in afwachting van de Paasvigilie.
De gelovigen gaan door met de vasten, nuttigen slechts wat studentenhaver.

Johannes de doper kondigt de nederdaling ter helle aan de rechtvaardigen van de hades [Slovetsky klooster [17e eeuw]

De reden hiervoor is dat, de Goddelijke Liturgie op Heilige en Grote Zaterdag de verkondiging voorstelt, van Jezus’ overwinning op de dood, aan hèn in de Hades. De Opstanding is nòg niet verkondigd aan de mensen op de aarde
[dit zal plaatsvinden tijdens de Paasvigilie]
De Grote Vasten was van oorsprong
de periode van catechese voor de catechumenen teneinde hen voor te bereiden op de doop en Myronzalving op Pascha [Pasen].
Voor het samenstellen van het hedendaagse Paasvigilie van Johannes Damascinos was deze dienst dè belangrijkste Paasviering.
Volgens de traditie vindt de doop of de inzegening/het ontvangen van de catechumenen plaats na deze dienst.

Voorafgaand aan de Paasvigilie komen de mensen in een stille, niet-verlichte kerk, alwaar de handelingen van de Apostelen worden gelezen.
Later op de avond [meestal rond 23:00 u., begint de Paasvigilie met het Middernachtsgebed, waarbij de canon van de Heilige Zaterdag wordt herhaald.
De weinige kandelaars en lampen, die in de duistere kerk nog enig oriëntatie- gevoel geven worden gedoofd.
En allen wachten in duisternis en stilte op de processie die voorafgaat aan de [Licht-]viering van de Opstanding.

Hij is niet hier, want Hij is opgewekt!
      Laat na de Sabbat, tegen het aanbreken van de eerste dag der week, ging Maria van Magdala en de andere Maria het graf bezien . . . . .
. . . . . En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel des Heren daalde uit de hemel neer en kwam nader, en hij wentelde de steen weg en zette zich daarop.
. . . . . Zijn uiterlijk was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw.
. . . . . .En de bewakers werden door vrees voor hem bevangen en zij werden als doden [zij schrokken zich dood en geraakten buiten zichzelf van vrees].
. . . . . Doch de engel antwoordde en zeide tot de vrouwen: ‘Weest gij niet bevreesd; want ik weet, dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats, waar Hij gelegen heeft. En gaat terstond op weg en zegt zijn discipelen, dat Hij is opgewekt uit de doden. En zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd’.
En zij gingen terstond weg van het graf, met vrees en grote blijdschap, en liepen haastig voort om het Zijn discipelen te berichten.
. . . . . En zie, Jezus kwam haar tegemoet en zeide: ‘Weest 
gegroet’. Zij naderden Hem en grepen Zijn voeten en zij aanbaden Hem.
. . . . . Toen zeide Jezus tot haar: ‘Weest niet bevreesd. Gaat heen en bericht mijn broeders, dat zij naar Galilea gaan, en daar zullen zij Mij zien’.

Toen zij onderweg waren, zie, enigen van de wacht kwamen in de stad om de overpriesters al het gebeurde te berichten. En in een vergadering met de oudsten kwamen zij tot een besluit en zij gaven de soldaten veel geld, en zij zeiden: ‘Zegt, zijn discipelen zijn ’s-nachts gekomen en hebben Hem gestolen, terwijl wij sliepen. En indien dit de stadhouder ter ore komt, wij zullen het in orde brengen en maken, dat gij buiten moeite blijft. En zij [de soldaten] namen het geld aan en deden zoals hun gezegd was. En dit gerucht is onder de Joden verbreid tot de dag van heden toe.

En de elf discipelen vertrokken naar Galilea, naar de berg, waar Jezus hen bescheiden had. En toen zij Hem zagen, aanbaden zij, maar sommigen twijfelden.
En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggend:
. . . . . ‘Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Gaat dan heen en maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heiligen Geest en leert hen onderhouden al wat Ik jullie bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van de wereld’
Matth.28: 1-20.

Hymne bij de grote Intocht met de offergaven:
Dat alle sterflijk vlees zal zwijgen, en met vrees en ontzag staande, niets aards in het hart meer zal denken. Want de Koning van de koningen, De Heer van de heersers nadert nu als Offer ter slachting, tot Spijs van de Gelovige, Amen.
Voor Hem schrijden de Koren van de Engelen: de Vorstendommen en Machten, de Cherubijnen en Serafijnen, terwijl zij hun aangezicht bedekken
”.

Communiezang:
de Heer is ontwaakt, als iemand, die slaapt:
Hij is opgestaan om ons te redden!
”.

Laat ons nu verder zwijgen en vol ontzag in stilte de avond afwachten,
en ons verheugen op het komend voortgezet feestgebeuren.

 

Vrijdag in de Grote en Heilige week, Goede Vrijdag – de grootsheid van het Lijden, het sterven aan het Kruis en de begrafenis – wij leggen het stoffelijk overschot van onze Heer in een ongeschonden graf

Op Goede Vrijdag beleven Christenen over de hele wereld
het hoogtepunt van dit Goddelijk Drama.
Het is dè dag van de Passie van Jezus.
De dienst opgedragen door onze Orthodoxe Kerk
in de laatste uren vóór de kruisiging, Zijn dood en begrafenis
herinnert ons aan de volgende feiten:

Blijde Boodschap in het Arabisch

Christus na de arrestatie van de Olijfberg, is berecht en veroordeeld door de Hoge Priesters.
De rechtszaak was uiteraard maar een formaliteit, omdat het vonnis van deze Onschuldige was reeds uitgesproken voordat onze Heer zelfs ook maar was gearresteerd.
De Leidinggevenden wilden Zijn dood.
Maar omdat ze de wettelijke bevoegdheid niet bezaten,
diende het vonnis -op hun aanwijzingen- onder druk
te worden geveld door de Romeinse gouverneur.
Die jarenlange commandant in Jeruzalem was Pilatus.
In het heen en weer gesleept van onze Heer en de opgeruide menigte,
op aandringen van Geloof’s-oudsten vernemen wij het geschreeuw
dat onze Heer gekruisigd dient te worden.
Er was een gewoonte onder hen, dat op de dag van de Joodse Pascha,
de Romeinen een gevangene Jood vrij zouden laten.
Pilatus, die niet verantwoordelijk voor de kruisiging van Christus wenste te zijn,
vroeg hij de menigte te kiezen tussen de Godmens Christus en Barabas,
een rebel en een moordenaar, welke degene zou worden, die vrijgelaten werd.
De menigte, door godslastering opgezweept, verkreeg als gevolg van intimidatie
daarna onmiddellijk van Pilatus het mandaat Christus naar de binnenplaats,
het Pretorium te leiden 
Onmiddellijk daarna en het mandaat langere Pilatus Christus geleid in de binnenplaats van het Pretorium [d.w.z. de Romeinse  (Διοικητηριου administratieve plaats ) Rechtsgebouw].
Daar omhangen de Romeinse soldaten een paarse mantel om
het vrijwillig slachtoffer en geven onze Heer en doornkrans.
Spottend noemden ze hem de “Koning der Joden“, ze sloegen hem en bespuugden Hem. De tijd van de kruisiging is nabij.
Jezus wordt met het Kruis belast waarop Hij zal worden gekruisigd en
wordt naar de Calvarieberg [de schedelplaats] buiten de stad Jeruzalem geleid.
Onderweg kan hij het gewicht van het Kruis, gevolgd door het vallen niet weerstaan. De Romeinen hebben Simon, de Cyrene, op dat ogenblik opgedragen,
om dat zware Kruis van de gemartelde mens over te nemen en verder te dragen.
Na een periode aan het Kruis roept de Heer uit:
Het is volbracht” en aldus brengt onze Heer
Zijn onmenselijke, maar Goddelijk gedragen taak ten einde:
het Lam Gods, dat wegneemt de zonden van de wereld“,
nadat hij degenen die verantwoordelijk zijn/waren voor Zijn dood heeft vergeven.
Bij de dood van onze Heer en Zaligmaker wordt hij door de soldaten doorstoken
in Zijn zijde en loopt er bloed en water uit Zijn borst.

De natuur geeft aan dat er hier sprake is van een bovennatuurlijk gebeuren,
doden in de omgeving van Jeruzalem staan op uit het graf en verschijnen aan hun familie. Ten slotte, bij zonsondergang, is het Joseph van Arimathea en Nicodemus, twee leden van de Joods raad, die zich heimelijk bij Hem aangesloten hadden, die samen met zijn naaste leerling en de vrouwen het stoffelijk overschot, het Lichaam van Christus mogen bergen, de hoofdman heeft daar bij Pilatus van getuigd, dat Hij reeds gestorven was – er vloeide bloed en water.
Het Heilig Lichaam van onze Heer en Leraar wordt in een witte lijkwade gelegd en begraven in een nieuw grafmonument en afgesloten met een Groot rotsblok, een immens zware steen.

De ceremonie van de Opstanding vindt in de Orthodoxe Kerken plaats
in de ochtend volgend op de grote [goede] Vrijdag.
Terwijl de nacht in deze de processie van het Epitaphion wordt gehouden.
De klokken van al de Orthodoxe kerken geven dit
de gehele dag weer door de rouwklanken te verspreiden.

Deze dag wordt een zeer streng, zware vasten aangehouden en is zelfs de olie verboden. Veel gelovigen hebben de neiging om op de Goede Vrijdag voorafgaand aan Pasen een beetje azijn [oud- en verzuurd geworden wijn] te drinken, hetgeen hen herinnert aan het ogenblik dat onze Heer water en bloed liet vloeien op de laatste momenten van Zijn aardse leven te herdenken.

De Traditie verbiedt -om het even- welk werk ook te verrichten deze dag.

derde uur:
      Dit zit de Dienstknecht des Heren: De Heer der Heerscharen heeft mij als
een leerling leren spreken om met het woord de moede te kunnen ondersteunen.
Hij wekt elke morgen, Hij wekt mij het oor, opdat ik hore zoals leerlingen doen.
De Heer de Heerscharen heeft mij het oor geopend en ik ben [nu eens]
niet weerspannig geweest, ik ben niet teruggedeinsd.
Mijn rug heb ik gegeven aan wie sloegen, en mijn wangen aan
wie mij de baard uittrokken; mijn gelaat heb ik niet verborgen voor smadelijk speeksel.
Maar de Heer der Heerscharen helpt mij,
daarom werd ik niet te schande; daarom maakte ik mijn gelaat als een keisteen,
want ik wist, dat ik niet beschaamd zou worden.
Hij is nabij, die mij recht verschaft; wie wil met mij een rechtsgeding voeren?
Laten wij samen naar voren treden. Wie zal mijn tegenpartij in het gericht zijn?
Hij zal tot mij naderen.
Zie, de Heer der Heerscharen helpt mij, wie zal mij dan schuldig verklaren?
Zie, zij allen vergaan als een kleed, de mot zal ze verteren.
Wie onder u vreest de Heer, wie hoort naar de stem van zijn knecht?
Wanneer hij in diepe duisternis wandelt, van licht beroofd, zal
hij op de Naam des Heren vertrouwen en steunen op zijn God.
Zie, gij allen die vuur ontsteekt, u met brandpijlen uitrust,
gaat in de vlam van uw eigen vuur en onder de brandpijlen die gij aangestoken hebt.
Van mijn hand overkomt u dit, in pijn zult gij neerliggenIsaiah 50: 4-11.

    Broeders, zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te Zijner tijd voor goddelozen is gestorven.
Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven
– maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven -.
God echter bewijst Zijn Liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is.
Veel meer zullen wij derhalve, thans door Zijn Bloed gerechtvaardigd,
door Hem behouden worden van de toorn.
Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn
door de dood van Zijn Zoon, zullen wij veel meer,
nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft; 
en dat niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Heer Jezus Christus,
door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebben
Rom.5: 6-11.

      En terstond, ’s-morgens vroeg, stelden de overpriesters met de oudsten en schriftgeleerden, de gehele Raad, een besluit vast, en zij boeiden Jezus en zij leidden Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus.
En Pilatus ondervroeg Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?
En Hij antwoordde hem en zei: Gij zegt het.
En de overpriesters brachten vele beschuldigingen tegen Hem in.
En Pilatus vroeg Hem wederom [en zei]:
Geeft Gij niets ten antwoord? Zie, hoeveel beschuldigingen zij tegen U inbrengen.
Doch Jezus gaf hem niets meer ten antwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.
En bij elk feest liet hij hun een gevangene los, voor wie zij dit vroegen.
Nu was er iemand, genaamd Barabbas, gevangengezet met de oproermakers, die in het oproer een moord begaan hadden.
En de schare kwam naar voren en begon te eisen, dat hij hun deed, zoals hij gewoon was.
Pilatus antwoordde en zei tot hen:
Wilt gij, dat ik u de Koning der Joden loslaat?
Want hij bemerkte, dat de overpriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden.
Doch de overpriesters zetten de schare op, dat hij hun liever Barabbas zou loslaten.
Pilatus antwoordde en zei wederom tot hen:
Wat moet ik dan doen met Hem, die gij de Koning der Joden noemt?
En zij schreeuwden wederom: Kruisig Hem!
Pilatus zei tot hen: Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan? Zij schreeuwden des te meer: Kruisig Hem!
Pilatus oordeelde het geraden de schare haar zin te geven en hij liet hun daarom Barabbas los en gaf Jezus, na Hem gegeseld te hebben, over om gekruisigd te worden.
De soldaten nu leidden Hem weg tot binnen het hof, dat is het gerechtsgebouw, en riepen de gehele afdeling bijeen.
En zij trokken Hem een purperen kleed aan en zetten Hem een kroon op, die zij van doornen gevlochten hadden. En zij begonnen Hem te begroeten:
Wees gegroet, Gij Koning der Joden!
En zij sloegen Hem met een riet op het hoofd en bespuwden Hem en zij vielen op de knieën en bewezen Hem hulde. En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem het purperen kleed uit en deden Hem Zijn klederen aan. En zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen.
En zij presten een voorbijganger om Zijn Kruis te dragen, een zekere Simon van Cyrene, die van het land kwam, de vader van Alexander en Rufus.
En zij brachten Hem op de plaats Golgota, hetgeen betekent Schedelplaats.
En zij gaven Hem wijn, met mirre gemengd, doch Hij nam die niet.
En zij kruisigden Hem en verdeelden zijn klederen door het lot te werpen, wat ieder ervan krijgen zou.
Het was het derde uur, toen zij Hem kruisigden.
En het opschrift, dat de beschuldiging tegen Hem vermeldde, luidde: De Koning der Joden.En met Hem kruisigden zij twee rovers, een aan zijn rechterzijde en een aan zijn linkerzijde.
[En het schriftwoord is vervuld geworden, dat zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.]
En de voorbijgangers spraken lastertaal tegen Hem, schudden hun hoofd en zeiden:
Ha, Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, kom af van het kruis!
Evenzo spotten de overpriesters onder elkander samen met de schriftgeleerden, en zij zeiden:
Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Laat de Christus, de Koning van Israel, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven.
Ook die met Hem gekruisigd waren beschimpten Hem.
En toen het zesde uur aangebroken was kwam er duisternis over het gehele land tot het negende uur.
En op het negende uur riep Jezus met luider stem:
Eloi, Eloi, lama sabachtani, hetgeen betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
En sommige van de omstanders, dit horende, zeiden:
Zie, Hij roept Elia.
En iemand liep toe, drenkte een spons met zure wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken, zeggende: Stil, laat ons zien, of Elia komt om Hem eraf te nemen.
En Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.
En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot beneden.
Toen de hoofdman, die tegenover Hem stond, zag, dat Hij zo de geest gegeven had, zei hij: Waarlijk, deze mens was een Zoon Gods.
Er waren ook vrouwen, die uit de verte toeschouwden, onder wie ook Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, de jongere, en van Joses, en Salome, die, toen Hij in Galilea was, Hem volgden en Hem dienden, en vele andere vrouwen, die met Hem opgegaan waren naar JeruzalemMarc.15: 1-41.

Heden is opgehangen aan een boom [het Hout, het Kruis] Hij Die de aarde boven de wateren  hing.
Heden is opgehangen aan een boom
[het Hout, het Kruis] Hij Die de aarde boven de wateren  hing.
Heden is opgehangen aan een boom
[het Hout, het Kruis] Hij Die de aarde boven de wateren  hing.
De Koning der Engelen draagt een Kroon van doornen,
Hij, Die de Hemel met wolken bekleedt, wordt in spottend purper gehuld.
Hij, Die in de Jordaan Adam weer heeft vrijgemaakt, wordt in het gelaat geslagen.
De Bruidegom van de Kerk wordt met spijkers vastgenageld;
de Zoon van de Maagd wordt met een lans doorboord.
Wij aanbidden Uw Lijden, o Christus;
Wij aanbidden Uw Lijden, o Christus;
Wij aanbidden Uw Lijden, o Christus;
Toon ons nu ook de Heerlijkheid van Uw Verrijzenis
”.

negende uur:
      De Heer nu heeft het Mij geopenbaard [Mij doen weten] en zo
bemerkte ik het: toen hebt Gij Mij hun daden laten zien!
Ik Zelf was als een argeloos Lam, dat ter slachting geleid wordt, en ik wist niet, dat
zij zulke plannen tegen mij smeedden, zeggend:
“Laat ons
[hout, op Zijn brood leggen] de Boom [des Levens] met Zijn vrucht verderven, laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, opdat
aan Zijn Naam niet meer gedacht zal worden!
Maar, Heer der heerscharen, rechtvaardige Rechter, Die nieren en hart toetst,
ik zal Uw Wraak aan hen zien, want op U heb ik mijn rechtszaak gewenteld!
Daarom zegt de Heer aldus van de mannen van Anatot, die
u naar het leven staan en zeggen:
Profeteer niet in de Naam des Heren, of gij sterft door onze hand.
Daarom zegt de Heer der heerscharen aldus:
Zie, Ik zal bezoeking over hen doen; de jonge mannen zullen sterven door het zwaard,  hun zonen en dochters zullen sterven door de honger, 
niemand van hen zal overblijven; want Ik zal onheil brengen over de mannen van Anatot in het jaar van hun bezoeking.
Het recht hebt Gij aan Uw zijde, Heer, als ik met U zou twisten;
toch wil ik over rechtszaken met U spreken:
Waarom is de weg der goddelozen voorspoedig, 
en zijn zonder zorg allen die zich trouweloos gedragen?
Gij hebt hen geplant, ook hebben zij wortel geschoten;  zij wassen, ook zetten zij vrucht. Nabij zijt Gij in hun mond, maar ver van hun binnenste.
Gij, o Heer, kent mij toch, Gij ziet Mij en toetst Mijn gezindheid jegens U.
Ruk hen weg als slachtschapen en wijd hen voor de dag der slachting.
Hoelang moet het land kwijnen en het gewas van het gehele veld verdorren?
Om de boosheid van hen die er wonen, is vee en gevogelte verdwenen, 
want zij zeggen:
Hij zal ons einde niet zien.
Als gij met voetgangers loopt, maken zij u moede; hoe zult gij dan een wedloop beginnen met paarden?
In een vredig land voelt gij u niet veilig;  hoe zult gij het dan maken in de pronk van de Jordaan?
Want zelfs uw broeders en het huis van Uw Vader, zelfs zij zijn trouweloos jegens u,
zelfs zij roepen u luidkeels na;  vertrouw hen niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken.
Ik heb mijn huis verlaten, mijn erfdeel verworpen; Ik heb mijn zielsgeliefde gegeven in de greep van haar vijanden.
Mijn erfdeel was Mij geworden als een leeuw in het woud,  het had tegen Mij gebruld; daarom ben Ik het gaan haten.
Een bont-gevederde vogel was Mij mijn erfdeel;  de roofvogels komen er van alle kanten op af.
Gaat heen, verzamelt al het gedierte van het veld,  doet het komen om te eten!
Vele herders hebben Mijn wijngaard verwoest, Mijn akker vertrapt,
Mijn kostelijke akker gemaakt tot een woeste steppe,
Zij hebben hem tot een woestenij gemaakt;  treurig, verwoest ligt hij voor Mij,
verwoest is het gehele land;  niemand echter neemt het ter harte.
Op alle kale heuvels in de woestijn zijn verwoesters gekomen, want
het zwaard des Heren verslindt van het ene einde van het land tot het andere,
niemand heeft vrede.
Zij hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid, zij hebben zich afgetobd zonder enige bate.
Ja, staat beschaamd over de opbrengst die gij hebt verkregen  ten gevolge van de brandende toorn des Heren.
Zo zegt de Heer:
Aangaande al de boze naburen, die losslaan op het erfdeel,
dat Ik aan Mijn volk,  aan Israël [de Kerk], ten erfdeel gegeven heb:
zie, Ik ruk hen weg van hun bodem, en  het huis van Juda ruk Ik weg uit hun midden.
Maar nadat Ik hen heb weggerukt,  zal Ik Mij weer over hen erbarmen en hen terugbrengen,  een ieder naar zijn erfdeel en een ieder naar zijn landJeremia 11: 18- 12: 15.

      Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, en wij een grote priester over het huis Gods hebben, laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het Geloof, met een hart, dat door besprenkeling gezuiverd is van besef van kwaad en  met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water.
Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want
Hij, Die beloofd heeft, is getrouw.
En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken.
Wij dienen onze eigen bijeenkomst niet te verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn,  maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen.
Want indien wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis der waarheid gekomen zijn, blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur, dat de weerspannigen zal verteren.
Indien iemand de Wet van Mozes terzijde heeft gesteld,  wordt hij zonder mededogen gedood op het getuigenis van twee of drie personen.
Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal hij verdienen, die de Zoon van God met voeten heeft getreden, het Bloed van het Verbond, waardoor hij geheiligd was,
onrein geacht en de Geest der genade gesmaad heeft?
Want wij weten, Wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden!
En wederom: De Heer zal Zijn Volk oordelen
Hebr.10: 19-31.

          Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw. En het was vroeg in de morgen; doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten.
Pilatus dan kwam tot hen naar buiten en zei: Welke aanklacht brengt gij tegen deze mens in?
Zij antwoordden en zeiden tot hem:
Indien Hij geen boosdoener was, zouden wij Hem niet aan u overleveren!
Pilatus dan zei tot hen:
Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uw wet.
De Joden dan zeiden tot hem:
Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen; 
opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had, aanduidende, welke dood Hij sterven zou.
Pilatus dan keerde terug in het gerechtsgebouw en riep Jezus en zei tot Hem:
Zijt Gij de Koning der Joden?
Jezus antwoordde:
Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken?
Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood?
Uw Volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?
Jezus antwoordde:
Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien Mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd;
nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.
Pilatus dan zei tot Hem:
Zijt Gij dus toch een koning?
Jezus antwoordde:
Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar Mijn stem.
Pilatus zei tot Hem:
Wat is waarheid? En na dit gezegd te hebben, kwam hij weer
naar buiten tot de Joden en zei tot hen:
Ik vind geen schuld in Hem. Maar bij u bestaat het gebruik, dat ik u op Pascha iemand loslaat: wilt gij dan, dat ik u de Koning der Joden loslaat?
Zij schreeuwden dan wederom en zeiden:
Hem niet, maar Barabbas! En Barabbas was een rover.
Toen nam dan Pilatus Jezus en liet Hem geselen.
En de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen kleed om, en zij traden op Hem toe en zeiden:
Gegroet, Koning der Joden! En zij gaven Hem slagen in het gelaat.
En Pilatus kwam wederom naar buiten en zeide tot hen:
Zie, ik breng Hem voor u naar buiten, opdat gij weet, dat ik geen schuld in Hem vind.
Jezus dan kwam naar buiten met de doornenkroon en het purperenkleed.
En [Pilatus] zei tot hen:
Zie, de mens!
Toen dan de overpriesters en hun dienaars Hem zagen, schreeuwden zij en zeiden:
Kruisigen, kruisigen!
Pilatus zei tot hen:
Neemt gij Hem en kruisigt Hem: want ik vind geen schuld in Hem.
De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want  Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.
Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog meer bevreesd en  hij ging weer het gerechtsgebouw binnen en zei tot Jezus:
Waar zijt Gij vandaan?
Maar Jezus gaf hem geen antwoord.
Pilatus dan zei tot Hem:
Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen?
Jezus antwoordde:
Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven zou zijn:  daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde.
Van toen af trachtte Pilatus Hem los te laten, maar de Joden schreeuwden en zeiden:
Indien gij deze loslaat, zijt gij geen vriend van de keizer; een ieder, die zich koning maakt, verzet zich tegen de keizer.
Pilatus dan hoorde deze woorden en hij liet Jezus naar buiten brengen en zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Litostrotos, in het Hebreeuws Gabbata.
En het was Voorbereiding voor het Pascha, ongeveer het zesde uur, en hij zei tot de Joden:
Zie, uw koning!
Zij dan schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!
Pilatus zei tot hen:
Moet ik uw koning kruisigen?
De overpriesters antwoordden:
Wij hebben geen koning, alleen de keizer!
Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden. Zij dan namen Jezus en
Hij, Zelf Zijn Kruis dragende, ging naar de zogenaamde Schedelplaats, in het Hebreeuws genaamd Golgota, waar zij Hem kruisigden en met Hem twee anderen, aan weerszijden een, en Jezus in het midden.
En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven: Jezus, de Nazoreeër, de Koning der Joden. Dit opschrift dan lazen vele der Joden, want de plaats, waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad, en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks. De overpriesters der Joden dan zeiden tot Pilatus:
Schrijf niet: De Koning der Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.
Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.
Toen dan de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen zij Zijn klederen en maakten daarvan vier delen, voor iedere soldaat een deel, en zijn onderkleed.
Dit kleed nu was zonder naad, aan een stuk geweven.
Zij zeiden dan tot elkander:
Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten, voor wie het zijn zal;
zodat het schriftwoord vervuld werd:
Zij hebben Mijn klederen onder elkander verdeeld en over Mijn kleding
hebben zij het lot geworpen.
Dit hebben dan de soldaten gedaan.
En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Klopas en Maria van Magdala.
Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande,
zei Hij tot zijn moeder:
Vrouw, zie, uw zoon.
Daarna zeide Hij tot de discipel:
Zie, uw moeder.
En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis.
Hierna zei Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden:
Mij dorst!
Er stond een kruik vol zure wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysop-stengel en brachten die aan zijn mond.
Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zei Hij:
Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf de geest.
De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven – want de dag van die sabbat was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden.
De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was braken zij Zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in Zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit.
En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de Waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft.
Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden:
Geen been van Hem zal verbrijzeld worden.
En weer zegt een ander schriftwoord:
Zij zullen zien op Hem, die zij doorstoken hebben
John.18: 28- 19: 37.

Wake Up – Opstanding

 

 

Vrijdag in de Grote en Heilige week, Goede Vrijdag – de grootsheid van het Lijden, het sterven aan het Kruis, kortom de Heilige Passie van de Godmens

In de avond voorafgaand aan Goede Vrijdag, dus de donderdagavond
is er een samengesteld gedeelte uit de Blijde Boodschap;
aangezien vandaag acht wordt geslagen op diverse hoogtepunten bestaande
uit de kruisiging van de Godmens.
De 12 Evangeliën,
Die de Heilige Passie beschrijven worden gelezen:

korte weergave:
Jezus laatste vermaningen aan zijn discipelen …
Houd van God en van de mensen [de naasten] als van uzelf“.
Het laatste afscheid; het Gebed van Jezus.
Zijn verraad door Judas gevolgd door de arrestatie van de Heer.
Overbrenging naar – Van Annas naar Kajafas- en de berechting van Jezus door de overpriesters.
Petrus’ verloochening [“de haan zal niet kraaien, eer gij Mij driemaal verloochend hebt”].
Voor Pilatus, in het Pretoro, zijn poging om de Heer vrij te spreken, maar dit wordt door de vastberadenheid van de Farizeeërs onmogelijk gemaakt.
Veroordeling van Christus” Pilatus, vertegenwoordiger van de toenmalige Macht van de wereld “wast zijn Handen in onschuld“.
Judas terechtgewezen geeft de “dertig zilverlingen” aan de tempeldienaren terug, die ze in de Corvana [het Tempelfonds] hebben gestopt en er een bloedakker voor kopen.
Door het gehele Jodendom veroordeeld. De lijdensweg naar de Calvary-berg, alwaar de Kruisiging van Jezus.
Jezus geeft de geest aan het Kruis; de twee mede-veroordeelden aan het kruis. Verzoek van één van hen, de vraag aan Christus om hem te herinneren wanneer Hij in Zijn Koninkrijk der Hemelen komt.
Jozef van Aramithea vraagt Pilatus Jezus’ Lichaam om het in Zijn graf te begraven.
Begrafenis van Jezus en de verzegeling van Zijn Graf door de hoofden van het Volk en de Farizeeën.

Griekse icoon Kruisiging van Christus

Vandaag hangt aan het schandhout, 
de Rechter van ‘leven en dood’ laat Zich vrijwillig kruisigen.
De koning der engelen wordt gekroond met de engelenkroon.
Vaal paars is in de wolken rond de hemel waarneembaar.
Christus wordt verslagen door het helse zwaard, in het graf sluit men Hem,
Die de Hades berooft en de Heer geeft hiermee Adam z’n vrijheid terug, bevrijdt hem van de vloek.
U verbindt Zich als Bruidegom aan de Kerk.
De menselijke overblijfselen worden verwelkomd, als de Zoon van de Maagd.
Wij prijzen u, Pasha, de Christus; Gij zijt m’n broeder/zuster, waarachtig Zoon van God de Vader en wij kijken uit naar Uw erfdeel”.

Avondcanon
Completen, 4e Irmos – triodion van H. Andreas van Kreta
  De Profeet hoorde van Uw Komst, dat Gij uit de Maagd geboren wilde worden,
om aan de mensen te tonen en hij sprak:
‘ik heb de tijding aangaande U vernomen en ik werd bevreesd:
Ere zij Uw Kracht o Heer
”.

  De toebereide bovenzaal nam U op, o Schepper, tezamen met Uw Ingewijden.
Daar hebt Gij het Pascha voltrokken en de Mysteriën voltooid,
nadat door de twee leerlingen voor U het Pascha was bereid
”.

    De Alwetende had tevoren aan Zijn apostelen bevolen naar die bepaalde man te gaan.
Zalig is wie de Heer met Geloof opneemt in de toebereide bovenzaal van zijn hart, met als maaltijd de vreze God’s
”.

    Hoezeer heeft de [hoogmoedige] gierigheid u verleid en tot welk een wanhoop zijt gij daardoor geraakt, dwaze Judas! Slechts aan de buidel waart Gij gehecht en [zonder enig overleg] hebt gij u afgekeerd van elke menselijkheid. Gij hebt uw harde hart gesloten en Hem verraden, Die alleen Barmhartigheid is”.

    De wens der God’s-moordenaars vond gehoor bij de [hoogmoedige] gierigaard. Zij overlegden hoe zij Hem gevangen konden nemen, en reeds bood hij zich aan, terwille van de zilverlingen. Tenslotte koos hij de strik in plaats van het berouw, en zo verloor hij op ellendige wijze zijn leven”.

  Hoe verraderlijk is de kus die door zijn grote het zwaard aanvoerde. De lippen spraken woorden van eenheid terwijl het hart op uiteenscheuren zon. Vol arfklist hebt ge uw Weldoener overgeleverd aan de bloeddorstigen”.

    Hij kust terwijl hij verkoopt, hij omhelst en aarzelt niet om de Omhelsde te verraden. Wie haat terwijl hij kust? Wie verkoopt voor geld wie hij omhelst? Hier is het uiterste bereikt aan verraderlijke schaamteloosheid”.

Eer aan de Vader . . .

    Gij zijt ondeelbaar in Uw Wezen, onvervangbaar in de Personen: zó belijd ik U, drievoudige, éne Godheid, gelijk in macht op dezelfde troon.
Tot U zing ik de grootste zang, de drievoudige hymne uit den hoge
“.

Nu en altijd . . .

Onzegbaar is uw ontvangen, Moeder Gods, wonderbaar Uw baren. Want het is gebeurd door de Geest en niet vanuit het vlees; het was daarom onttrokken aan de wetten van de natuur en ging het wezen van elke geboorte te boven. Want het kind dat zij baarde, was de oneindige God”.

Metten grote en Heilige Vrijdag op donderdagavond:
Opening van deze lezingendienst voorafgegaan door de vredeslitanie:

P. Alleluia, Alleluia, Alleluia.

“Uit de nacht ontwaakt mijn geest vroeg tot U, o God, want
Uw Geboden stralen als Licht over de aarde”
conform: “ Van ganser harte verlang ik naar U in de nacht, ja, uit het diepst van mijn gemoed zoek ik U; want wanneer uw gerichten op de aarde zijn, leren de inwoners der wereld gerechtigheid.
Al wordt de goddeloze Genade bewezen, hij leert geen gerechtigheid; hij handelt slecht in een land van recht en de Majesteit des Heren ziet hij niet. Heer, uw hand is verheven, maar zij beseffen het niet; zij zullen het echter beseffen en beschaamd staan over uw ijver voor het volk. Ja, het vuur over uw tegenstanders zal hen verteren. Heer, Gij zult vrede over ons beschikken, want ook
al onze daden hebt Gij voor ons verricht. Heer, onze God, andere heren dan Gij hebben over ons geheerst; uw naam alleen huldigen wij.
Doden herleven niet, schimmen staan niet op; daarom hebt Gij hen bezocht en verdelgd en alle 
gedachtenis aan hen uitgeroeid. Gij hebt het volk vermeerderd, Heer, het Volk vermeerderd, U zelf verheerlijkt, alle grenzen van het land verwijd. Heer, in de nood heeft men U gezocht, een verzuchting geslaakt, toen uw tuchtiging trof. Zoals een zwangere die in barensnood raakt, ineenkrimpt en onder haar weeën schreeuwt, zo waren wij voor Uw aangezicht, Heer. Wij waren zwanger, wij krompen ineen; maar het was, als baarden wij wind; wij brachten het land geen verlossing aan en wereldbewoners werden niet geboren. Herleven zullen uw doden (ook mijn lijk), opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, gij, die woont in het stof! Want uw dauw is een dauw van Licht; en de aarde zal aan de schimmen het Leven hergeven. Kom, Mijn Volk, ga in uw binnenkamers, en sluit uw deuren achter u; verberg u een korte tijd, tot de gramschap over is.
Want zie, de Heer verlaat Zijn plaats om de ongerechtigheid van de bewoners van de aarde aan hen te bezoeken; dan zal de aarde het op haar vergoten bloed aan het licht brengen en haar verslagenen niet langer bedekkenIsiaiah 26: 9-21.

Alleluia,Alleluia,Alleluia.
“Leert Gerechtigheid, bewoners van de aarde”.
         Alleluia,Alleluia,Alleluia.
“ Een niet onderricht Volk, wordt door naijver bevangen; reeds nu verslindt het vuur de tegenstanders”
         Alleluia,Alleluia,Alleluia.
“Breng kwaad over hen, Heer, breng kwaad over hen bijeen: over al de hoogmoedigen der aarde”.
         Alleluia,Alleluia,Alleluia.

Troparion.     tn.8.
    Terwijl de roemrijke Leerlingen bij de voetwassing verlicht werden, werd Judas ziek van geest, verduisterd, en U, de rechtvaardigste Rechter, leverde hij over aan wetteloze rechters. Gij die door geldzucht zijt bevangen, zie op hem die zich daardoor de beulsdood heeft verworven. Ontvlucht de gierigheid die tot zulk een verraad aan de Leraar geraakte.
O Goede boven alles, heer, ere zij U
”.       [wordt driemaal gezongen]

Kleine Litanie, waarna:
“Want aan U is de Kracht, het Koninkrijk, de Macht en de Heerlijkheid: Vader Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen; Amen.

P.   “En dat wij waardig mogen zijn om te luisteren naar het Heilige Evangelie, Laat ons de Heer bidden”.
Kyrië eleïson, Kyrië eleïson, Kyrië eleïson.
      “ Wijsheid. Staat op. Laat ons luisteren naar het Heilige Evangelie.
         Vrede aan allen”.    “En met uw geest”
D.   “ Lezing uit het heilige Evangelie volgens  . . . . . . . .
V.    “ Ere zij Uw lankmoedigheid [= toegevendheid], o Heer”

1e.].    Toen hij dan heengegaan was, zei Jezus:
Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt.
Als God in Hem verheerlijkt is, zal God ook Hem in Zich verheerlijken, en Hem terstond verheerlijken.
Kinderkens, nog een korte tijd ben Ik bij u; gij zult Mij zoeken en, gelijk Ik de Joden gezegd heb:
Waar Ik heenga, kunt gij niet komen, zo spreek Ik thans ook tot u.Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt.
Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander.
Simon Petrus zei tot Hem: Heer, waar gaat Gij heen? Jezus antwoordde: Waar Ik heenga, kunt gij 
Mij nu niet volgen, maar gij zult later volgen.
     Petrus zei tot Hem: Heer, waarom kan ik U thans niet volgen? Ik zal mijn leven voor U inzetten!
Jezus antwoordde: Uw leven zult gij voor Mij inzetten? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de haan zal niet kraaien, eer gij Mij driemaal verloochend hebt. Uw hart dient niet ontroerd te worden; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.
En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg.
     Thomas zei tot Hem: Heer, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg?
Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kende, zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien.
     Philippos zei tot Hem: Heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg. Jezus zei tot hem: Ben Ik zolang bij u, Philippus en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; en wat gij ook vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden. Indien gij Mij iets vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen. Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren. En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.
Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven. Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u. Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.
     Judas, niet Iskariot, zei tot Hem: Heer, en hoe komt het, dat Gij Uzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?
Jezus antwoordde en zei tot hem: Indien iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn Woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen.
Wie Mij niet liefheeft bewaart mijn woorden niet; en het Woord, dat gij hoort, is niet van Mij, maar 
van de Vader, die Mij gezonden heeft. Dit heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik nog bij u verblijf; maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb. Vrede laat Ik u, Mijn Vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart dient niet ontroerd of versaagd [= de moed verliezen] te worden.
Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb; Ik ga heen en kom tot u. Indien gij Mij liefhadt, zoudt gij u verblijd hebben, omdat Ik tot de Vader ga, want de Vader is meer dan Ik.
En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschiedt, opdat gij geloven moogt, wanneer het geschiedt.
Niet veel zal Ik meer met u spreken, want de overste van de wereld komt en heeft aan Mij niets, maar de wereld moet weten, dat Ik de Vader liefheb en zo doe, als Mij de Vader geboden heeft. Staat op, laten wij vanhier gaan.
– Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen.
Gij zijt nu rein om het Woord, dat Ik tot u gesproken heb; blijft in Mij, gelijk Ik in u.
Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft.
Ik ben de Wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.
Wie in Mij niet blijft, is buiten geworpen als de rank en is verdord, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij worden verbrand.
Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden.
Hierin is Mijn Vader verHeerlijkt, dat gij veel Vrucht draagt en gij zult Mijn discipelen zijn.
Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad; blijft in Mijn Liefde.
Indien gij Mijn geboden bewaart, zult gij in Mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden van Mijn Vader bewaard heb en blijf in Zijn Liefde.
Dit heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn Blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld zal worden.
Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad.
Niemand heeft grotere Liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden.
Gij zijt Mijn vrienden, indien gij doet, wat Ik u gebied.
Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt.
Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aangewezen, opdat gij zoudt heengaan en vrucht dragen en uw vrucht zou blijven, opdat de Vader u alles geve, wat gij Hem bidt in Mijn Naam.
Dit gebied Ik u, dat gij elkander liefhebt.
Indien de wereld u haat, weet dan, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft.
Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat u de wereld.
Gedenkt het Woord, dat Ik tot u gesproken heb:
Een slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn Woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.
Maar dit alles zullen zij u aandoen om Mijn Naam, want zij kennen Hem niet, die Mij gezonden heeft.
Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij zouden geen zonde hebben, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Wie Mij haat, haat ook Mijn Vader.
Indien ik niet de werken onder hen gedaan had, die niemand anders gedaan heeft, zouden zij geen zonde hebben; maar nu hebben zij, hoewel zij ze gezien hebben, toch Mij en Mijn Vader gehaat.
Maar het Woord moet vervuld worden, dat in hun Wet geschreven is:
‘ Zij hebben Mij zonder reden gehaat’.
Wanneer de Trooster komt, die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest der Waarheid, Die van de Vader uitgaat, zal Deze van Mij getuigen; en gij moet ook getuigen, want gij zijt van het begin aan met Mij.
  Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij niet ten val komt. Men zal u uit de Synagoge bannen; ja, de ure komt, dat een ieder, die u doodt, zal menen aan God een heilige dienst te bewijzen.
En dit zullen zij doen, omdat zij noch de Vader, noch Mij kennen.
Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer hun uur komt, gij u moogt herinneren, dat Ik ze u gezegd heb.
Doch dit heb Ik u niet van het begin aan gezegd, omdat Ik bij u was.
En nu ga Ik heen tot Hem, die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat Gij heen? Maar omdat Ik dit tot u gesproken heb, heeft droefheid uw hart vervuld.
Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga.
Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden. En als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van Gerechtigheid en van Oordeel;
• van zonde, omdat zij in Mij niet geloven;
• van Gerechtigheid, omdat Ik heenga tot de Vader en gij Mij niet langer ziet;
• van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is.
Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der Waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle Waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen.
Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en Dit u verkondigen.
Al wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom zei Ik:
Hij neemt uit het Mijne en zal het u verkondigen. 
Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet meer, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien.
Sommige van Zijn discipelen dan zeiden tot elkander:
Wat betekent dit, dat Hij tot ons zegt: Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien? En: Ik ga heen tot de Vader?
Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Nog een korte tijd? Wij weten niet, wat Hij bedoelt.
Jezus bemerkte, dat zij Hem iets wilden vragen en zei tot hen:
Redeneert gij hierover met elkander, dat Ik zei:
Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien?
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zult schreien en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden; gij zult u bedroeven, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden.
Een vrouw, die baart, heeft droefheid, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan haar benauwdheid, uit vreugde, dat een mens ter wereld is gekomen.
Ook gij hebt dan nu wel droefheid, maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden en niemand ontneemt u uw blijdschap.
En te dien dage zult gij Mij niets vragen.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn Naam.
Tot nog toe hebt gij niet om iets gebeden in Mijn Naam;
bidt en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.
Dit heb Ik in beelden tot u gesproken; er komt een ure, dat Ik niet meer in beelden tot u zal spreken, maar u vrijuit over de Vader spreken zal.
Te dien dage zult gij in Mijn Naam bidden en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u vragen zal, want de Vader zelf heeft u lief, omdat gij Mij hebt liefgehad en geloofd hebt, dat Ik van God ben uitgegaan.
Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weder en ga tot de Vader.
Zijn discipelen zeiden: Zie, nu spreekt Gij vrijuit, zonder beeldspraak te gebruiken.
Nu weten wij, dat Gij alles weet en niet nodig hebt, dat iemand U vraagt; hierom geloven wij, dat Gij van God zijt uitgegaan.
Jezus antwoordde hun: Gelooft gij thans?
Zie, de ure komt en is gekomen, dat gij verstrooid wordt, een ieder naar het zijne en Mij alleen laat. En toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij.
Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt.
In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.
– Dit sprak Jezus en Hij hief Zijn ogen ten Hemel en zei:
Vader de ure is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke, gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken.
Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.
Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt.
En nu, verHeerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid, Die Ik bij U had, eer de wereld was.
Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben Uw Woord bewaard.
Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in Waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.
Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U, en al het Mijne is het Uwe en het Uwe is het Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.
En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij.
Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd.
Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle Mijn Blijdschap in zichzelf mogen hebben.
Ik heb hun Uw Woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben.
Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze.
Zij zijn niet uit de wereld, gelijk Ik niet uit de wereld ben.
Heilig hen in Uw Waarheid; Uw Woord is de Waarheid.
Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld; en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in Waarheid.
En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun Woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld zal geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.
En de Heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn:
Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld zal erkennen, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.
Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om Mijn Heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad voor de grondlegging van de wereld.
Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt; en Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt en Ik zal Hem bekend maken, opdat de Liefde, Waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij in Ik in hen.
  Na dit gezegd te hebben, ging Jezus met Zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron, waar een hof was, die Hij met zijn discipelen binnengingJohn.13: 31- 18: 1.

2e.].      Na dit gezegd te hebben, ging Jezus met Zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron, waar een hof was, die Hij met zijn discipelen binnenging.
En ook Judas, zijn verrader, wist die plaats, omdat Jezus daar dikwijls was samengekomen met zijn discipelen.
Judas dan kwam daar, die een afdeling soldaten tot zijn beschikking had gekregen en dienaars van de overpriesters en de Farizeeën, voorzien van lantaarns, fakkels en wapenen.
Jezus dan, alles wetende, wat over Hem komen zou, kwam naar voren en zeide tot hen:  Wie zoekt gij?
Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazoreeër. Hij zei tot hen: ‘Ik ben het’.
En ook Judas, zijn verrader, stond bij hen.
Toen Hij dan tot hen zei:
Ik ben het, deinsden zij terug en vielen ter aarde.
Wederom dan stelde Hij hun de vraag:
Wie zoekt gij?
En zij zeiden: Jezus, de Nazoreeër.
Jezus antwoordde:
‘Ik zeide u, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan; 
opdat het Woord vervuld werd, dat Hij gesproken had:
Wie Gij Mij gegeven hebt, uit hen heb Ik niemand laten verloren gaan.
Simon Petrus dan, die een zwaard had, trok het, en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het rechteroor af; de naam van nu van de slaaf was Malchus.
Jezus dan zei tot Petrus:
‘Steek het zwaard in de schede;  de beker, die de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik die niet drinken?’.
De afdeling soldaten dan en de overste en de dienaars der Joden namen Jezus gevangen, boeiden Hem, en brachten Hem eerst voor Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was; en Kajafas was het, die de Joden de raad had gegeven:
‘Het is nuttig, dat een mens sterft ten behoeve van het Volk’.
En Simon Petrus en een andere discipel volgden Jezus. En die discipel was een bekende van de hogepriester en hij ging met Jezus het paleis van de hogepriester binnen, maar Petrus stond buiten aan de poort. De andere discipel dan, de bekende van de hogepriester, kwam naar buiten, en hij sprak met de portierster en bracht Petrus binnen.
De slavin dan, die portierster was, zei tot Petrus:
‘Gij behoort toch ook niet tot de discipelen van deze mens?’.
Hij zeide: Ik niet!
De slaven en de dienaars stonden zich te warmen bij een kolenvuur, dat zij aangelegd hadden, want het was koud, en ook Petrus stond zich bij hen te warmen.
De hogepriester dan vroeg Jezus naar zijn discipelen en naar zijn leer.
Jezus antwoordde hem:
Ik heb vrijuit tot de wereld gesproken; Ik heb voortdurend in de Synagoge geleerd en in de Tempel, waar al de Joden bijeenkomen, en in het verborgen heb Ik niets gesproken.
Waarom vraagt gij Mij? Vraag hun, die gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.
En toen Hij dit zei, gaf een van de dienaars, die erbij stond, Jezus een slag in het gelaat en zei:
‘Antwoordt Gij zo de hogepriester?’.
Jezus antwoordde hem:
‘ Indien Ik verkeerd gesproken heb, geef aan wat verkeerd was, maar indien het goed was, waarom slaat gij Mij?’.
Annas dan zond Hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.
En Simon Petrus stond zich te warmen. Zij zeiden dan tot hem:
‘Gij behoort toch ook niet tot zijn discipelen?’.
Hij ontkende het en zei: ‘Ik niet!’.
Een van de slaven van de hogepriester, een verwant van hem, wiens oor Petrus had afgeslagen, zei: ‘Zag ik u niet in de hof met Hem?’.
Petrus dan ontkende het wederom en terstond daarop kraaide een haan.
Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw.
En het was vroeg in de morgen; doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten

John.18: 1-28.

3e.]. Matth.26: 57-75.
4e.]. John.18: 28-19: 16.
5e.]. Matth.27: 3-32.

13e Antifoon     tn.6
De scharen der Joden eisten van Pilatus om U te kruisigen, o Heer;
en ofschoon deze geen schuld in U gevonden had,
lieten zij de schuldige Barabas vrij,
maar u, de Rechtvaardige, veroordeelden zij ter dood, en
riepen Uw Bloed af over zichzelf en overhun kinderen.
Maar door dit Bloed hebt Gij ons allen verlost van onze ongerechtigheden,
in Uw Liefde tot de mensen“.
6e.]. Marc.15: 16-32c.

Zaligsprekingen:
” Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.
Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.
Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.
Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd“.

7e.]. Matth.27: 33-54.
Psalm 50[51]
”  O
ntferm U mijner, O God, volgens Uw grote barmhartigheid.
En volgens de overvloed van Uw ontferming, delg mijn ongerechtigheid uit.
Was mij schoon van mijn onrecht; reinig mij van mijn zonde.
Want ik erken dat ik onrecht gedaan heb: mijn zonde is steeds voor mijn ogen.
Tegen U alleen heb ik gezondigd; ik heb kwaad gedaan voor Uw aanschijn.
Zodat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw uitspraak en zult winnen in Uw oordeel.
Want zie, in ongerechtigheid ben ik geboren; mijn moeder ontving mij in zonde.
Want zie, Gij bemint de Waarheid; Uw onzichtbare en verborgen wijsheid hebt Gij mij geopenbaard.
Besprenkel mij met hyssop, dan word ik rein; was mij, dan word ik witter dan sneeuw.
Doe mij vreugde en blijdschap horen, opdat mijn vernederd gebeente kan juichen.
Keer Uw aangezicht af van mijn zonden; delg al mijn ongerechtigheid uit.
God schep in mij een zuiver hart; vernieuw in mijn binnenste de rechte geest.
Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht; neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
Geef mij de vreugde terug van Uw heil, sterk mij met Uw besturende Geest.
Dan zal ik de ongerechten Uw wegen leren; de goddelozen zullen zich tot U bekeren.
God, bevrijd mij van bloedschuld: Gij zijt de God van mijn heil; mijn tong zal over uw gerechtigheid juichen.
Heer, open mijn lippen, opdat mijn mond Uw lof verkondige.
Wilt Gij een offer, dan zou ik het brengen, maar in brandoffers schept Gij geen behagen.
Een offer voor God is een berouwvolle geest: God, Gij versmaadt geen vermorzeld en nederig hart.
Doe goed, Heer, in Uw welwillendheid aan Sion; laat de muren van Jeruzalem weer opgebouwd worden.
Dan hebt Gij behagen in offers van gerechtigheid, gaven en brandoffers, dan zal men kalveren op Uw altaar leggen“.

Synaxarion:
Op deze Grote en Heilige Vrijdag vieren wij het Heilig, Verlossend en ontzagwekkend Lijden dat onze Heer, God en Verlosser Jezus Christus voor ons heeft ondergaan:
      het bespuwen, de slagen, de geseling, de beledigingen, de bespottingen, de purperen mantel, de rietstok, de spons met azijn, de nagels, de lans; en Bovenal het Kruis en de dood.
      Dit alles is op deze Vrijdag gebeurd. Maar ook de verlossende belijdenis op het Kruis van de goede Rover, die met Hem gekruisigd was.
      Door dit medelijden, dat de krachten der natuur te boven gaat, en dat niemand anders voor ons had kunnen hebben be halve Gij, Christus onze God, ontferm U over ons.       Amen
”.

8e.]. Luc.23: 32-49.

9e.]. John.19: 25-37.
10e.]. Marc.15: 43-47.

11e.]. John.19: 38-42.

12e]. Matth.27: 62-66.

Donderdag in de Grote en Heilige week – de grootsheid van het Goddelijke Mysterie

Vandaag is er een samengesteld gedeelte uit de Blijde Boodschap; aangezien vandaag acht wordt geslagen op diverse hoogtepunten bestaande uit het wassen van de voeten van de volgelingen door Christus, het Laatste Avondmaal, het gebed in de hof van Olijven [Gethsemane] en het verraad van Judas:

➻ “      Gij weet, dat het over twee dagen Paasfeest is, en alsdan wordt de Zoon des mensen overgeleverd om gekruisigd te worden.
Toen kwamen de overpriesters en de oudsten van het Volk bijeen in het paleis van de hogepriester, genaamd Kajafas en zij beraamden een plan om Jezus door list in handen te krijgen en te doden.
Maar zij zeiden: ‘Niet op het feest, opdat er geen opschudding ontsta onder het Volk’.
Toen Jezus te Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse, kwam een vrouw tot Hem met een albasten kruik vol kostbare Myron en goot die uit over Zijn hoofd, terwijl Hij aanlag. Toen de discipelen dit zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: ‘Waartoe die verkwisting?’. Want deze [Myron] had duur verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden. Maar Jezus merkte het op en zei tot hen: ’Waarom valt gij deze vrouw lastig? Want zij heeft een goede daad aan Mij verricht. De armen hebt gij immers altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd.
Want toen zij deze Myron over Mijn lichaam uitgoot, heeft zij dat gedaan om Mijn begrafenis voor te bereiden.
       Voorwaar, Ik zeg u, overal waar dit evangelie verkondigd zal worden in de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft’.
Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters en hij zei: ‘Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren’
En zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. En 
van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leveren.
       Op de eerste dag van het feest der ongezuurde broden, kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: ‘Waar wilt Gij, dat wij toebereidselen maken voor U om het Pascha te eten?
Hij zei: Gaat naar de stad tot die-en-die en zegt tot hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; bij u houd Ik met mijn discipelen het Pascha.
En de discipelen deden, zoals Jezus hun had opgedragen, en zij maakten het Pascha gereed.
Toen het avond geworden was, lag Hij aan met de twaalf discipelenMatth.26: 2-20;
➻ “        Christus stond, wetende, dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heenging, van de maaltijd op en Hij legde Zijn klederen af en nam een linnen doek en omgordde Zich daarmee. Daarna deed Hij water in het bekken en begon de 
voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met de doek, waarmede Hij omgord was.
Hij kwam dan bij Simon Petrus. Deze zei tot Hem: ‘Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?’. Jezus antwoordde en zei tot hem: ‘Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het later verstaan’. Petrus zei tot Hem: ‘Gij zult mijn voeten niet wassen in eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: ‘Indien Ik u niet was, hebt gij geen deel aan Mij’.
Simon Petrus zei tot Hem: ‘Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd!’. Jezus zei tot hem: ‘Wie gebaad heeft, behoeft zich alleen de voeten te laten wassen, want hij is geheel rein; en gijlieden zijt rein, doch niet allen’. Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zei Hij: ‘Gij zijt niet allen rein’.
Toen Hij dan hun voeten gewassen had en zijn klederen aangedaan en weer plaats genomen had, zei Hij tot hen: ‘Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb?. Gij noemt Mij Meester en Heer, en gij zegt dat terecht, want Ik ben het. Indien nu Ik, uw Heer en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb.
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. Indien gij dit weet, zalig zijt gij, als gij het doet. Ik spreek niet van u allen; Ik weet, wie Ik heb uitgekozen; maar het schriftwoord moet vervuld worden: Hij, die mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgehevenJohn.13: 3-17;
➻ “        En terwijl zij aten, zei Hij: ‘Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij verraden zal. 
En zeer bedroefd, begonnen zij, een voor een, tot Hem te zeggen: ‘Ik ben het toch niet, Heer? Hij antwoordde hun en zei: Die zijn hand met Mij in de schotel heeft gedoopt, die zal Mij verraden.
           De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed geweest, als hij niet geboren was.
Judas, zijn verrader, antwoordde en zei: ‘Ik ben het toch niet, Rabbi?’.  Hij zei tot hem: ‘Gij hebt het gezegd’.
       En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zei: ‘Neemt, eet, dit is Mijn Lichaam’. En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zei: ‘Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van Mijn Verbond, Dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader’.
       En na de lofzang gezongen te hebben vertrokken zij naar de Olijfberg.
Toen zei Jezus tot hen:
‘Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. Doch nadat Ik zal zijn opgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
Petrus antwoordde en zei tot Hem: ‘Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit!’. Jezus zei  tot hem: ‘Voorwaar, Ik zeg u, in deze nacht, eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen’.
Petrus zei tot Hem: ‘Zelfs al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen’. Zo spraken ook al de discipelen.
       Toen ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij zeide tot de discipelen: ‘Zet u hier neder, terwijl Ik heenga om daar te bidden’.
En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeus mee en Hij begon bedroefd en beangst te worden.
       Toen zei Hij tot hen: ‘Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij’.
En Hij ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggend:
‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wiltMatth.26: 21-39;
➻ “        En Hem verscheen een engel uit de hemel om Hem kracht te geven. En Hij werd dodelijk beangst en bad des te vuriger. En zijn zweet werd als bloeddruppels, die op de aarde vielen.
En Hij stond op van het gebedLuc.22: 43-45a;
➻ “        En Hij kwam bij zijn discipelen en vond hen slapende, en Hij zei tot Petrus:
‘Waart gijlieden zo weinig bij machte een uur met Mij te waken? Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’.
       Wederom, ten tweeden male, ging Hij heen en bad, zeggende: ‘Mijn Vader, indien deze beker niet kan voorbijgaan, tenzij dan dat Ik die zal drinken, uw wil geschiede!’.
En toen Hij terugkwam, vond Hij hen slapende, want hun ogen waren bezwaard.
       En Hij liet hen daar en ging wederom heen en bad ten derden male, opnieuw dezelfde woorden sprekende.
Toen kwam Hij bij de discipelen en zei tot hen:
‘ Slaapt nu maar en rust. Zie, de ure is nabijgekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren. Staat op, laten wij gaan. Zie, die Mij overlevert, is nabij.
       En terwijl Hij nog sprak, zie, daar was Judas, een van de twaalven, en met hem een grote schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en oudsten van het Volk. En die Hem overleverde had hun een teken gegeven, zeggend: ‘Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem’. En terstond trad hij op Jezus toe en zei: ‘Wees gegroet, Rabbi, en hij kuste Hem.
        Maar Jezus zeide tot hem: ‘Vriend, waartoe zijt gij hier?’.
Toen traden zij toe, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. En zie, een van die bij Jezus waren, strekte zijn hand uit, trok zijn zwaard en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het oor af. Toen zei Jezus tot hem:
‘Breng uw zwaard weer op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen? Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden?’.
       Op dat ogenblik sprak Jezus tot de scharen:
‘Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken om Mij gevangen te nemen? Dagelijks zat Ik in de tempel te leren, maar gij hebt Mij niet gegrepen. Doch dit alles is geschied, opdat de schriften van de Profeten in vervulling zouden gaan’.
Toen lieten al de discipelen Hem alleen en vluchtten.
Die nu Jezus gegrepen hadden, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester bij wie de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren.
       En Petrus volgde Hem van verre tot aan de hof van de hogepriester, en binnengekomen zijnde, ging hij tussen de dienaars zitten om de afloop te zien.
De overpriesters en de gehele Raad trachtten een vals getuigenis tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden er geen, hoewel er vele valse getuigen optraden.
Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: ‘Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen’.
En de hogepriester stond op en zei tot Hem: ‘Geeft Gij geen antwoord; wat getuigen dezen tegen U?’.
Maar Jezus bleef zwijgen. En de hogepriester zei tot Hem:
‘ Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God’.
       Jezus zei tot hem:
‘ Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken van de hemel.
Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en zei:
‘Hij heeft God gelasterd! Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u?’.
Zij antwoordden en zeiden: ‘Hij is des doods schuldig’.
Toen spuwden zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten; anderen sloegen Hem in het gelaat en zeiden:
‘ Profeteer ons, Christus, wie is het, die u geslagen heeft?’.
Petrus zat buiten in de hof en er kwam een slavin naar hem toe, die zei:
‘Ook gij waart bij Jezus, de Galileeër’.
Maar hij loochende het ten aanhoren van allen en zei: ‘Ik weet niet, wat gij zegt’.
Toen hij naar het portaal ging, zag een andere hem en zij zei tot hen, die daar waren:
‘ Die man was bij Jezus, de Nazoreeër.
En wederom loochende hij het met een eed: ‘Ik ken de mens niet’.
Even later kwamen zij, die daar stonden, naar Petrus toe en zeiden:
‘ Waarlijk, ook gij behoort tot hen, want ook uw uitspraak verraadt u’.
Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: ‘Ik ken de mens niet’.
En terstond kraaide een haan.
En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus gesproken had:
‘Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen’. En hij ging naar buiten en weende bitter.
       Toen het nu morgen geworden was, namen al de overpriesters en de oudsten van het Volk het besluit tegen Jezus om Hem te doden. En zij boeiden Hem, leidden Hem weg en zij leverden
Hem over aan Pilatus, de stadhouderMatth.26: 40-27: 2.

NB.: is er sprake van een voetwassing dan wordt John.13: 3-11 tijdens de voetwassing gelezen en John.13: 12-17 erna.

Apostellezing:
        Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam, de dankzegging uitsprak, het brak en zei: ‘Dit is Mijn Lichaam voor u, doet dit tot Mijn Gedachtenis.
Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zei:
‘ Deze beker is het Nieuwe Verbond in Mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot Mijn Gedachtenis. Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.
Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren.
Maar ieder dient zichzelf te beproeven en dient te eten dan van het brood en te drinken uit de beker. Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt. Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen.
Indien wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet onder het oordeel komen. Maar onder het oordeel des Heren worden wij getuchtigd, opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden
1Cor.11: 23-32.

Schrijf dit op voor het volgend geslacht: Ook het Volk dat nog niet geboren is, zal de Heer loven. Want onze Heer en Meester ziet neer uit Zijn verheven Heiligdom, onze God ziet uit de Hemel neer op de aardePsalm 101[102]: 19-21.
uit: het gebed van iemand die bijna sterft van ellende; de mens vertelt hier aan de Heer hoe ongelukkig deze is: ‘Heer, verhoor ons gebed, laat ons roepen tot U komen;  wend Uw aangezicht niet van ons af, om het zuchten en steunen van uw dienaren, die gevangen zijn te horen, om vrij te laten, die de dood nabij zijn‘.

Dàt het Lichaam van Christus het medicijn tegen de zonde is en Zijn Bloed de enige manier is waarop een mens van zijn pijn afkomt en van zijn zondelast verlost wordt.
Het lichaam van Christus is uitgegroeid tot een schat van goddelijke perfectie en wast altijd rein van alle zonde en rechtvaardigheid.
Met uitzondering van iedere hooghartige verkondiger, die predikt dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest onder de mensen onbekend zal blijven tot het moment dat zij zich eerst met Hem kunnen verenigen.
Hij predikte Christus weliswaar in woord en maar vergeet de daad; dat het nuttigen van het Lichaam en Bloed méér is.
Dat het lijden en sterven aan het Groot en Heilig Kruis méér is dan een rituele slachting, die wij herdenken.
➻ Wij offeren met dit onbloedig offer van Brood en wijn onszelf temidden van het vlees en het bloed, waaruit wij zelf bestaan
– “wij bevelen aan Chrisus God onszelf, elkaar en geheel ons leven aan”, in de Heilige Geest bieden wij De moeder Gods en alle heiligen gedenkend aan God ons gehele leven aan. “Aan U, o Heer!” wordt in de vragende Litanie gebeden.
➻ Wij bieden als Christenen ons leven aan ter slachting aan het kruis, dat wij mèt Christus dragen, mèt het bijbehorend verdriet en het leed en de kwelling toen Hij het tijdstip naderde om ná gebed en vasten temidden van zweet van bloed geofferd te worden.
Judas verraadde Hem en liet Hem door de tegenstander grijpen en deze mens was door zijn doen en laten met handen en voeten gebonden aan zijn boosdoeners [de wereld] en hij getuigde daarmee eveneens voor Pilatus, zoals de apostel Paulus zegt. Vanwege zijn grote getuigenis draagt hij eveneens bij aan de dood, de dood aan het kruis.
      Jezus dan, alles wetende, wat over Hem komen zou, kwam naar voren en zeide tot hen:
‘Wie zoekt gij?’
Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazireeër. Hij zeide tot hen: Ik ben het.
En ook Judas, zijn verrader, stond bij hen.
Toen Hij dan tot hen zeide: ‘Ik ben het, deinsden zij terug en vielen ter aarde’.
Wederom dan stelde Hij hun de vraag:
Wie zoekt gij? En zij zeiden: Jezus, de Nazireeër.
Jezus antwoordde: Ik zeide u, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan; opdat het Woord vervuld werd, dat Hij gesproken had: ‘Wie Gij Mij gegeven hebt, uit hen heb Ik niemand laten verloren gaan’John.18: 4-9

➻ Draag als christen dit lichaam dat gegeten wordt de huid, de door nagels doorboorde handen en aanvaard het doorboord worden door de speer, het gestoken worden met een bajonet in de zijde en aanvaard de lijfelijke pijn als Zijn grote pijn en lijden dat Hij gedragen heeft – en bovenal de pijn toen hij genageld aan het kruis hing en uitriep “ God, mijn God, waarom hebt Gi mij verlaten”.
➻ 
Dit is het Heilig Lichaam en het Heilig Bloed, het Bloed van Christus dat vergoten is, tot vergeving van de zonden der mensen, welke wij mede-ervaren in ons christelijk leven in deze wereld.
Daarop verduisterde God, de Schepper van Hemel en aarde, de zon en beefde de aarde en wordt de gehele wereld en de kosmos gezuiverd uit de gruwel van de zonde.
➻ De letterlijke Wet – de Wet van het Oude Testament – bezat geen macht om degenen te dusdanig te vormen dat zij tot volmaaktheid konden komen, want het is een onvolmaakte wet, een menselijke wet.
Het was nodig om de wet van de Heilige Geest, de Liefde tot de mensen tot het uiterste te openbaren, de volledige en bekwame nieuwtestamentische wet van de Goddelijke Liefde tot de mensen en de onderlinge liefde van de mens, die de mens tot volmaaktheid brengt.
➻ 
De pijn en het leed, de kwellingen, die door christenen wordt gedragen en het bloed, zweet en tranen, die als offer aan God daaruit voorkomen verdienen het om opnieuw gezegend te worden.
Hetgeen de mens door zijn hoogmoed veroorzaakt heeft, de verwijdering van God, heeft zij verloren als gevolg van de zonden, die hen ook na de doop niet ten goede komt als iets wat mensen teniet gedaan hebben en
dit wordt als gevolg van het bloed van het Nieuwe Testament en het lichaam van Christus, die aan het kruis geofferd is opgeheven.
➻ 
Dit is het geheim van dankzegging – het grote Mysterie dat wacht op de gerechtigheid van God, degenen die hebben erkend dat Isaäc zich tot God heeft gewend met hun zonden. God heeft ons volgelingen van Christus onze zonden vergeven; deze vorm van vergeving noemen wij indirecte vergeving.
      En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Heer [na Zin Opstanding] zagen. Jezus dan zei nogmaals tot hen: “Vrede zij u!’ ‘Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u’.
En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zei tot hen: ‘Ontvangt de Heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend’John.20:20-23.

• Indien je ooit iemand barmhartig bent, zal genade aan je getoond worden.
• Indien je mededogen toont aan iemand die lijdt (en dit is natuurlijk geen grote daad), word je tot de martelaren gerekend.
• Indien u iemand vergeeft die u heeft beledigd, dan zullen niet alleen al uw zonden worden vergeven, maar u zult een kind van de hemelse Vader worden.
• Indien je bidt vanuit je hele hart voor redding – zelfs een beetje – zul je gered worden.
• Indien je jezelf bestraft, je beschuldigt en jezelf voor God veroordeelt voor je zonden, met een gevoelig geweten, zelfs voor deze zul je gerechtvaardigd zijn.
H. Moses van Optina 

➻ Wij blijken keer op keer Gods vertrouwen te verkrijgen, maar toch vervallen wij in onze ongerechtigheden, omdat wij als mensen fouten maken en om ons te ontdoen van onze herhaalde zondeval en vergeving te verkrijgen is het essentieel, dat we haast om onszelf te bekeren en de strijd tegen de zonde aan te gaan. Door regelmatig het Lichaam en Bloed van Christus te ontvangen, worden wij genezen hetgeen het medicijn is voor de genezing van het menselijk kwaad blijkt te zijn.
conf. Heilige Nicholas Cabasilas

”     Een rechtvaardig mens, verstoten van wijsheid, die
is als een lamp in volle zon.
Het gebed van degene, zich beledigingen herinnerend, die
is als een zaad dat op de rots is geworpen.
Een asceet, zonder barmhartigheid, die
is als een onvruchtbare boom.
Een verwijt dat voortkomt uit het begeren, dat
is als een vergiftigde pijl.
Een lofbetuiging voortkomend uit dubbelhartigheid , dat
is een verborgen valkuil.
Een onredelijke raadgever blijkt een blinde leider te zijn.
De kring van de spotters breekt het hart.
Geregeld een wijs mens bezoeken is als een verfrissende bron.
Een wijze raadgever is een veilige schutsmuur.
Een onredelijke vriend, verstoten van wijsheid, is een vat vol onheil.
Het is beter een huis in rouw te zien dan een wijze die een dwaas volgt.
Het is beter bij wilde dieren te verblijven dan met begerige lieden rond te dolen.
Het is beter in een graf te verblijven dan met verdorven mensen op te trekken.
Verkies eerder te leven met gieren dan met hebzuchtige en onverzadigbare mensen.
Verkies liever een moordenaar als gezel dan een ruziemaker.
Verkies het gezelschap van een zwijn boven dat van een gulzigaard, want
de pens van een zwijn past beter in de mond van een gulzigaard.
Verkies het gezelschap van melaatsen boven dat van trotsen
Isaäc de Syriër [van Ninivé] .

➻ Er waren joodse christenen onder de bekeerlingen, christenen, die gebonden bleven, gebonden aan de Wet en de joodse waarnemingen van de Wet, de perceptie.
Zij onderwezen de christenen in Galatië om de Wet te houden, inclusief de besnijdenis en  ze betekenden de ceremoniële Wet, die vervuld was in Christus, en die vervangen was door de vrijheid van de Genadegaven van de Heilige Geest en  hierin onderwezen zij een heel ander Evangelie, zoals de Apostel Paulus elders zegt:
      Och, verdroegt gij een weinig onverstand van mij! Maar dat doet gij ook. Want met een ijver Gods waak ik over u, want ik heb u verbonden aan een man om u als een reine maagd voor Christus te stellen. Maar ik vrees, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, uw gedachten van de eenvoudige en loutere toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden. 
Want indien de eerste de beste een andere Jezus predikt, die wij niet hebben gepredikt, of gij een andere geest ontvangt, die gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel2 Cor. 11: 1-4.
➻ Deze joodse christenen bleven in hun joodse traditie hangen, in de schaduw van het christendom en het menselijke, dat ‘niet verlost’, wat mensen als creaties in Christus – naar het evenbeeld van de Schepper ‘niet nieuw maakt’.
Dit zijn degenen, die Paulus aanspreekt in de brief die we via de overlevering vernemen, laten we dit fragment nog maar een keertje horen waar hij zegt:
          Allen, die zich uiterlijk goed willen voordoen, trachten u te dwingen tot de besnijdenis, alleen om niet vervolgd te worden ter wille van het kruis van Christus Jezus. Want zij, die zich laten besnijden, houden zelf niet eens de wet, doch zij willen, dat gij u laat besnijden, opdat zij op uw vlees roem kunnen dragen. Maar ik zal ervoor bewaard mogen blijven te roemen anders dan in het Kruis van onze Heer Jezus Christus, door wie de wereld mij gekruisigd is en ik van de wereld
Gal.6: 12-14.
➻ Daarop wordt gewezen wanneer wij in de Goddelijke Liturgie voorafgaand aan de Epiclese [aanroeping] horen – wanneer wij de Heilige Geest aanroepen:
Neemt en eet” en ‘drinkt uit deze Beker’.
Dàt dient onze dagelijkse spirituele maaltijd te zijn – als volgelingen van Christus volgen wij Hem geïnspireerd door de Heilige Geest dàgelijks door ons Kruis op te nemen.
➻ Zovelen om ons heen verlangen om hier een ​​goede vertoning in het vlees van te maken, uiterlijke schijn, deze zouden je dwingen weliswaar aangesneden te worden, maar niet genuttigd te worden; alleen opdat ze niet aan het [mede-] lijden deelachtig zullen worden; de vervolging vanwege het kruis van Christus.
Want zelfs niet degenen die aangesneden zijn bewaren de onvoorwaardelijke Goddelijke Liefdeswet, maar zij verlangen om u te laten besnijden, opdat zij mogen roemen in uw vlees.
➻ En luister hiernaar, dit is de sleutel:
      Maar God verhoede dat ik zou moeten opscheppen, behalve in het Kruis van onze Heer Jezus Christus, door wie de wereld heeft gekruisigd voor mij en ik voor de wereld”.
Wat de ontrouw bewijst is datgene wat Paulus aldus beschrijft:
        Maar het dient zo te blijven; God is waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden [in Zijn Woord] en overwint in uw rechtsgedingen [Zijn Rechtsgeding].
Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen? Is 
God, Die zijn toorn doet voelen – ik spreek op menselijke wijze – soms onrechtvaardig?
Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen?Rom.3: 4-6.

➻ De vraag is nu waarom de Joodse christenen dit leerden? Waarom hebben ze zich gezocht [zich zo thuis gevoeld] om bij ‘de oude Wet’ van Mozes te blijven hangen . . . . .
om gevangen te blijven zitten in de mentaliteit, waar we nog altijd in verblijven – in het type, wachtend in de schaduw [d.w.z. ‘niet in het Licht van Christus] op de vervulling.
Ze proberen er in op te vallen en uit te blinken de ogen van die onbekeerde Joden,
• die beweerden dat ook de joden bekeerlingen hadden,
• die de Tradities van hun voorvaderen hadden verlaten.
Dat wil zeggen, ze zochten het compromis met de geest van de wereld en
het ongeloof van de Joden, met de vijanden van het Kruis!
•  Ten einde een ​​compromis te sluiten, om
te voorkomen een uitdrukking van schuld of afkeuring op te lopen;
verwelkomden zij Christus met het milde verwijt Hem vervolgens
met het opnemen van het Kruis ‘alleen’ te laten, omdat ze ‘niet’ werkelijk geloofden.
•  Onder al deze wereldsheid was deze weerstand uiteindelijk
een gebrek aan vertrouwen in het offer van onze Heer.
Blijkbaar hadden geen vertrouwen, maar het had een zweem van
spirituele,  geestelijke vernieuwing – wedergeboren worden was er niet bij.
Uit al hun doen en laten blijkt dat zij vervolging wilden vermijden,
zij wilden het Kruis ontlopen, vermijden!
Zij misten het charisma, de ‘Genadegaven‘ van de Heilige Geest.
Je kent misschien wel het woord ‘charisma’, uitstraling:
      Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest; aan de een Geloof door dezelfde Geest en aan de ander Gaven van genezingen door die ene Geest; aan de een werking van Krachten, aan de ander Profetie; aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen. Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die 
een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij [God het] wil1Cor.12: 8-11.
•  
De geschiedenis van de Kerk zit vol van zulke mensen, tot  op de dag van vandaag en in onze tijd hebben we  misschien veel te veel van zulke valse, verraderlijke christenen.
De Heilige Johannes Chrysostomos zegt dat we Christus liever beledigen en
zelfs verwerpen we aangenaam te zijn voor de mensen;  liever beledigen we God om de mensen te behagen!
We zijn mensen, die mensen behagen, medewerkers, die samenwerken met de vijanden [de satan en z’n trawanten] van het Kruis.
Het leven van de Kruis vereist opoffering.
Christus eist offers van ons, omdat opoffering liefde tot God en medemenselijkheid en liefde tot de mens [onze naaste] inhoudt.
• Indien we ons niet opofferen, houden we hier allemaal niet van.
•  Indien we niet van onze naasten houden – kunnen we onmogelijk
verenigd worden met de God, Die slecht Liefde is.

➻  Het Kruis opnemen en Christus volgen is onze levensweg,
ons pelgrimspad, onze opening naar het leven in liefde tot/met de Meester,
het Eeuwige leven dat we allemaal nastreven en zoeken.
➻  Indien we het Kruis opzij zetten, het omzeilen,
gaan we de verkeerde kant op,
zijn we niet op weg naar het Hemels Koninkrijk,
de weg naar God, want we zetten de Liefde van God op een zijpad.
➻  Alleen degenen die het Kruis van Christus verheffen
worden in de vrijheid van God Genadegaven binnengeleid.
➻  Christus volgen is de kunst van -‘buit te maken’- door je Kruis op te nemen en
uit Liefde tot God en de naaste Christus op Zijn weg hier op aarde te volgen.
Indien we het Kruis verloochenen, ontkennen we het offer,
dan ontkennen wij de kruisiging van ons intellect.
➻  Dàn blijven we de slaven van de wereld, zoals
we door de verlokkingen van de wereld verworden zijn,
we blijven zoals we -‘voor onze Doop en Myronzalving’ waren en
nemen niet deel aan de versmelting met onze Heer Jezus Christus.
➻  Wij nuttigen het Lichaam en Bloed niet,
wij doen maar wat en blijven in de schaduw van de dood,
terwijl er vanuit de schaduw – de grootsheid van de Blijde Boodschap,
aan ons bestaan een Heilig en `Groots doel in ons bestaan wordt aangeboden;
waarmee we kunnen overleven.

Is dat niet geweldig !!!
➻  
Dit is het grote Geheim dat in ons christelijk leven dient ten worden waargemaakt, gerealiseerd:
➻ 
Het is de Genadegave van de Heilige Geest en de Kracht van redding, Die overwinning biedt.
➻ Het inzicht en de beheersing van het Christelijk Geloof, is Christus,
God, Die ons door alles heen draagt in de Heilige Geest tot in de Tempel van het hart.
      Wij weten, dat wij uit God zijn en de gehele wereld in het boze ligt.
Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus.
Dit is de waarachtige God en het eeuwige leven”.
Daarom zegt Johannes de Theoloog:
Kinderkens, wacht u voor de afgoden1John.5: 19-21.
Waar God, via de mens in Christus aanwezig is, ontstaat er “leven”.
Het leven is je overgeven aan de dood, omdat de mens die de dood proeft
– en ik spreek over zijn smaak van de dood, niet alleen op het niveau van het lichamelijke,  maar op geestelijk niveau van de Goddelijke Waarheid, Die door God gecreëerd is, 
Die Hij schiep – in feite volledig vervreemd is van de liefde van God.
➻  
Het kan alleen maar zijn dat de vervreemding van God compleet is.
Daarom is het Woord van on ze Heer en Meester:
Ik ben de Opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, 
en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet stervenJohn.11: 25,26.
•  Hier spreekt hij met Maria, de zuster van Lazaros over de dood van het lichaam, dat bij de tweede komst tot heerlijkheid zal worden hersteld.
      Draag mij als een zegel op je hart, als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde, beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur, een laaiende vlamHooglied 6: 8.
•  Hier wordt gesproken over de mens die vol liefdevol leven is, omdat hij vol is van liefde tot God. Een mens die van God houdt, is een mens die de dood ‘uit’-drukt als of er een slaper voorbij komt. Dit is waar de dood ‘overwonnen’ wordt genoemd. Hier spreekt hij over de dood van het lichaam, dat bij de tweede komst tot heerlijkheid zal worden hersteld.
Wie in Mij gelooft, als hij sterft, zal hij leven. 
Hij die levend is en veilig in Mij, zal de dood voor eeuwig niet zien”.
•  Hier spreekt hij over de mens die vol liefdevol leven is, omdat
deze mens vol is van liefde voor God!
Een mens die van God houdt,
is een mens die de dood ‘uit’-drukt, die
slechts als een slaper voorbijtrekt.

Woensdag in de Grote en Heilige Week – opgaand naar de Bron van Liefde

Wat waardeert God – Wat waardeert Hij?
Hij heeft ons veel geboden gegeven, maar wat is de kern daarvan?
What appreciates God – What does He value?
He has given us many commandments, but what is the essence?

      Toen Jezus te Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse, kwam een vrouw tot Hem met een albasten kruik vol kostbare mirre en goot die uit over zijn hoofd, terwijl Hij aanlag.
Toen de discipelen dit zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: Waartoe die verkwisting?
Want deze Myron had duur verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden.
        Maar Jezus merkte het op en zei tot hen: Waarom valt gij deze vrouw lastig? Want zij heeft een goede daad aan Mij verricht. De armen hebt gij immers altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd. Want toen zij deze Myron over Mijn lichaam uitgoot, heeft zij dat gedaan om Mijn begrafenis voor te bereiden.

De vrouw giet Myron olie over de voeten van Christus; The woman pours Myron oil over the feet of Christ.

        Voorwaar, Ik zeg u, overal waar dit evangelie verkondigd zal worden in de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft.
        Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters, en hij zei: Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren. En zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. En van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leverenMatth.26: 6-16.

Mijn ziel zegent de Heer, ziet de Bruidegom komt!
– Christus mededogen stelt ons schadeloos –

De albasten kruik met mijn tranen
giet ik als Myron over Uw hoofd, o Heiland,
en ik roep tot U zoals de zondares die om genade vroeg.
U bied ik mijn smeekbede aan,
en ik smeek om vergeving te ontvangen“.

De overspelige, mijn ziel, hebt gij niet nagestreefd,
die de albasten kruik met Myron nam,
en onder tranen de voeten van de Heer zalfde;
en ze droogde met haar haren de voeten af van Hem
Die de schuldbrief van haar vroegere misdrijven voor haar verscheurde“.
uit: 8e ode Grote Canon  H. Andreas, Herder van Kreta

Dit is de dag, die de Heer heeft voorbeschikt om de goede daad door de zonda[a]r[e]s aan Hem verricht in het daglicht te stellen.
De zonda[a]r[e]s gaat/gaan Myron over Zijn lichaam uitgieten en zij doet/doen dit om Zijn begrafenis voor te bereiden. Christus heeft het voorzegd:
    overal waar dit evangelie verkondigd zal worden in de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft“.

Het pad van de Biecht;
The path of Confession.

         Wat kan er dan nog op tegen zijn om allereerst onze zonden [in de Biecht] te belijden en vervolgens eveneens met heilige olie te worden gezalfd, teneinde waardig het Groot en Heilig Pascha tegemoet te treden.
Deze twee Mysteriën [sacramenten] staan ons vandaag voor ogen en kunnen derhalve alleen door gedoopte Orthodoxen [mede-] ondergaan worden.
Onze ziel zegent de Heer, want ziet de Bruidegom komt!’ – en dankzij Zijn mededogen worden wij schadeloos gesteld.
        In de Orthodoxe Kerk hebben we het over de kruisiging van Christus in verband met Zijn Grote en Heilige Opstanding. Dit omdat het Kruis zonder Wederopstanding een wrede en oneerbiedige realiteit is en de Wederopstanding zonder het Kruis als een valse en emotionele toestand wordt beschouwd.
Wanneer we spreken over de redding van het menselijk ras, bedoelen we het niet in een bepaalde vorm, die men zelf niet kan ondergaan en een nadenkend en voorzichtig bedenksel, maar als een realiteit – iets wat werkelijk bestaat- om de mens te verlossen van de tirannie en de vreselijke gevangenis van dood, de zonde en de tegenstrever [de satan].
Mèt Christus ‘Kruis en Wederopstanding’ heeft Christus de dood overwonnen, de zonde en de veroorzaker, de tegenstrever en gaf Hij ons in Zijn mededogen aldus de gelegenheid om deze drie vijanden te overwinnen.
Bovenal dienen we er een besluit over te nemen dat we in het offer van Christus en Zijn opstanding onze sterfelijkheid en ons natuurlijk vooruitzicht [de dood] kunnen overwinnen.
. . . . . vanaf het ogenblik dat we immers als mens geboren worden, heeft de dood zich in vele vormen in ons biologische wezen gemanifesteerd, zoals ziekte, lichaamsslijtage, onzekerheid, toenemende leeftijd, passies van zelfbehoud, verdriet, etc. Dit onomkeerbaar groeiproces tot de dood vormt zich bij iedere mens op de achtergrond een bedreiging op ons menselijk leven.
Het kind op de leeftijd van 8-10 begrijpt al dat de dood onomkeerbaar is.
De tiener ziet de marteling van de dood voor ogen.
De mens van middelbare leeftijd ziet de jaren zonder doel of betekenis voorbij vliegen en
gepensioneerden gaan door een vreselijke crisis, welke uiteindelijk leidt tot de onherroepelijke dood.
De Orthodoxe Kerk maakt plaats voor de existentiële leegte van de mens en legt daarom de nadruk van de Opstanding. Wij zingen weliswaar op woensdag en vrijdag:
Heer, red Uw Volk en zegen Uw Erfdeel; en bescherm Uw Gemeente door Uw Kruis“, maar …
wij beseffen iedere week dat Zondag de Opstanding wordt gevierd en bezingen dat in 8 tonen [melodieën] opdat wij er van overtuigd zijn dat God volgens Zijn heilig raadsbesluit ons is komen verlossen door ons door Zijn Roemrijke Opstanding uit de doden op te wekken.
De Bruidegom van de Kerk, de Bruidegom van onze ziel, is één van ons; sterker nog is onafgebroken “onder ons”, “Hij is immers en blijft”.
Dag na dag naderen we Zijn Goddelijke Genade en Zijn oneindige liefde tot de mensen – Hij is ons tot voorbeeld in de naastenliefde.
Degenen die deze woensdagavond voorafgaand aan Zijn Lijden en Opstanding samenkomen, stellen onszelf een vraag: “ In welke toestand zal Christus ons aantreffen wanneer we Hem  boven aan de Lader [van Climacos] ontmoeten? Hij vertrouwde ons, Hij gaf ons alles, Hij droeg elke pijn omwille van ons. Verdienen we zo’n opoffering? Zijn wij een dergelijk groot vertrouwen waard?

De wereld om ons heen maakt haar keuzes en zal ongetwijfeld de gevolgen daarvan ondergaan; de wereld om ons heen wendde haar gezicht af van de bron des Levens, van Liefde en Gerechtigheid en heeft zich in haar bestaan koude rillingen bezorgd.
Wij Orthodoxen kijken dagelijks uit naar het moment dat wij mèt hen samen kunnen leven, ons kunnen verenigen door de mentaliteit en methoden van de wereld te verzoenen met die van de Bruidegom.
Aan zulke dagen ontbreekt het hen echter: “het is immers onmogelijk dat duisternis het Licht in de duisternis verslaat”.
      in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood aan het Kruis. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle naam geschonken, opdat in de Naam van Jezus [Christus] zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader!Phil.2: 8-11.
Laten we naar Hem opzien en moed en geduld betrachten, want de strijd tegen de duisternis is noch pijnloos, noch ongestraft. En inderdaad, het is een strijd met kwade valstrikken die de wereld goed weten te bedriegen.
Geen duisternis kan met het Licht de strijd aangaan of ook zij wordt verlicht.
Maar de wereld om ons heen weet de duisternis dusdanig te verdonkeremanen dat de wereldse  duisternis als licht en aantrekkelijk overkomt.
De wereld weet precies hoe zij de mens met aantrekkelijke [veelal kortdurende] pleziertjes tot zich kan trekken – in slaap sust -, hoe wij mensen radicale veranderingen uit dienen te stellen, hoe zij de mens kan bedriegen met beloften, die niet zijn wat zij lijken te zijn.

Daardoor hebben wij onze ziel onhandelbaar, onbeheerd en onbeheersbaar achtergelaten, en ondergaan ongehinderd alle fouten, die de wereld ons voorhoudt. We hebben het beslissende kenmerk, de voorwaarden waar wij als mens in het beeld van God aan dienen te voldoen, het criterium van goed en kwaad, van moreel en immoreel, verloren laten gaan.

uit: metten Grote Woensdag
Kathismazangen
tn.3.
  De zonda[a]r[e]s gaat/gaan tot u en goot Myron en tranen over Uw voeten, Menslievende.
Toen werd zij, op Uw bevel, van de slechte geur van haar zonden bevrijd,
maar de ondankbare leerling [volgelingen] die in Uw Genade[gaven] ademen mocht[en],
heeft [hebben] deze Genade[gaven] verworpen en in zijn [hun] geldzucht bevlekte hij [zij] zich met het slijk van verraad. Eer aan U, o Christus in Uw Barmhartigheid
            [herhalen]

Eer . . . nu en altijd . . .

    God, blijf niet zwijgen bij mijn lofzang, want de mond van de zondaar en bedrieger is wijd  tegen mij geopend. Zij spreken tegen mij met valse tong, zij omsingelen mij met hatelijke woorden, zij strijden tegen mij zonder reden.
Inplaats van mij lief te hebben, leveren zij mij over; ik echter bid.
Zij vergelden mij kwaad voor goed, en antwoorden met haat op mijn liefde.
Stel een zondaar over hem aan, doe een aanklager staan aan zijn rechterhand.
Hij zal veroordeeld worden in het gericht; zijn gebed zal worden tot zonde. Dat zijn dagen weinig zijn; zijn bisschopsambt dient aan een ander toe te komen. Zijn kinderen worden tot wezen, zijn vrouw weduwe.
Zwervers en bedelaars worden zijn zonen: verdreven vanuit hun woning.
Dat de woekeraar zijn hand leggen op al zijn bezit dat vreemden zijn arbeid roven.
Niemand zij er om hem te helpen, of om barmhartig te zijn voor zijn wezen.
Dat zijn kinderen ten onder gaan; dat in één geslacht zijn naam zal verdwijnen.
De ongerechtigheid van zijn vaderen worden herinnerd voor de Heer; dat de zonde van zijn moeder onuitgewist zal blijven. Laat dit de Heer altijd voor ogen staan, zodat zijn gedachtenis van de aarde verdwijnt. Want hij dacht er niet aan om barmhartig te zijn. Hij vervolgde armen en bedroefden, en wier hart gebroken was, bracht hij ter dood. Hij hield van vervloeking: deze zal over hemzelf komen.
Hij wilde geen zegen: deze zal verre van hem blijven. Hij trok vervloeking aan als een kleed: als water in zijn binnenste en als olie in zijn beenderen.
Laat die hem dån zijn als een mantel die hem geheel overdekt: als een gordel die hij altijd moet dragen. Dit moge de Heer doen gebeuren aan hen die mij belasteren: aan wie kwaad spreken tegen mijn ziel.
Maar Gij, Heer doe met mij volgens Uw Naam, want goedertieren is Uw barmhartigheid. Bevrijd mij, want ik ben behoeftig en arm; mijn hart is beangst in mijn binnenste. Ik verdwijn als een lengende schaduw; ik word weggevoerd als een sprinkhanen-zwerm. Mijn knieën zijn verzwakt door het vasten; mijn vlees is vervallen, door onthouding van olie. Ik ben hun tot versmading geworden; zij zien mij hoofdschuddend aan. Help mij, Heer, mijn God: red mij volgens Uw Barmhartigheid. Doe het weten dat dit alles Uw hand was: dat Gij, Heer, dit zelf hebt gedaan. Al vloeken zij, Gij zult mij zegenen, beschaam hen die tegen mij opstaan, maar laat Uw dienaar zich verheugen. Die mij belasteren, bekleed hen met schaamte: dat hun schande hen als een mantel zal bedekken. Ik wil de Heer belijden met luide stem; ik wil Hem loven in de grote menigte. Want Hij stond de arme terzijde, om mijn ziel te redden van mijn vervolgers

Psalm 108[109] vert. ROK ’s-Gravenhage.

tn.4.
Door geldzucht gedreven, overwoog de bedrieglijke Judas,
U, Heer, de Schat des Levens, te verraden door list.
Als een roes snelt hij naar de Joodse Raad en zegt tot de wettelozen:
wat geeft u mij, wanneer ik Hem in uw handen overgeef om hem te kruisigen
” [herhalen]

Eer . . . nu en altijd . . .

All people will be blessed through us

    Gelukkig is de mens die de Heer vreest, die Zijn geboden vurig liefheeft.
Zijn zaad zal machtig zijn op aarde, het geslacht der gerechten zal gezegend zijn.
Heerlijkheid en rijkdom zijn in zijn huis; zijn gerechtigheid blijft in de eeuwen der eeuwen. In de duisternis is het licht op-gegaan voor de oprechten; de Liefderijke Barmhartige en Rechtvaardige. Goed is de mens, die zich ontfermt en te leen geeft.
Hij overweegt zijn woorden met oordeel, zodat hij niet wankelt in eeuwigheid.
In eeuwige Gedachtenis staat de rechtvaardige; hij vreest niet als hij slechte tijding hoort. Want zijn hart is bereid, en hij vertrouwt op de Heer. Zijn hart is standvastig en zonder vrees, zelfs wanneer hij zijn vijanden aanschouwt. Hij deelt uit en geeft aan de armen; zijn gerechtigheid blijft in de eeuwen der eeuwen. Zijn hoorn wordt verheven in Heerlijkheid; de zondaar ziet het tot zijn woede. Hij knarst met de tanden, maar verdwijnt, want elk zondig verlangen vergaat
”.

    Gij, Zijn dienaren, looft de Heer; looft de Naam des Heren. De Naam des Heren zij gezegend, van nu af tot in eeuwigheid. Van zonsopgang tot zonsondergang, zij de Naam des Heren gezegend. Hoogverheven boven alle Volkeren is de Heer; boven alle hemelen is Zijn Heerlijkheid. Wie is als de Heer onze God? Hij woont in de hoge, maar ziet neer op het  geringe van hemel en aarde. Hij richt de arme op van de grond, Hij heft de behoeftige op uit het slijk. Om hem te doen zitten bij vorsten, bij de vorsten van Zijn Volk. En de onvruchtbare doet Hij wonen in een huis, als blijde moeder der kinderen” Psalm 111[112] en 112[113] vert. ROK ’s-Gravenhage.

tn.1.
    Terwijl zij in vurige liefde Uw ongeschonden voeten afdroogde met de haren van haar hoofd,
riep[en] de Zonda[a]r[e]s zuchtend en wenend vanuit de grond van haar hart:
Verstoot mij niet, Medelijdende, verafschuw mij niet, mijn God;
maar aanvaard mij in mijn berouw, en red mij, U enig Menslievende”. [herhalen]

Eer . . . nu en altijd . . .

Maak je belofte aan de Redder der Levens waar, zondaar en leg het jezelf op als
dwingend gebod aan zo’n schitterend kleinkind van het Grote lied:
Mijn ziel, kruipt verlangend op naar de Opstanding uitroepend:
‘Heilig, Heilig, Heilig is onze God.
Door de gebeden van de Moeder Gods,
Heer wees ons zondaars genadig’“.
Denk daarbij opnieuw aan de waakzaamheid, die vorm van waakzaamheid welke onze beschouwende Kerkvaders, die vanaf oudsher tot de dag van vandaag, die in voortdurend gebed en vastende zelfkastijding systematisch de menselijke ziel hebben bewaakt, als vlijtige bijen hun korf van de ziel beschermend tegen elke aanvaller.
– Waakzaamheid, de controle van de ziel,
– Waakzaamheid, de beschermheilige van alle geestelijke arbeid,
– Waakzaamheid, de slapeloze bewaker van ons hart heeft onze Heer en Zaligmaker daar Zelf met onze doop geïnstalleerd.
Bij het ontbreken van deze waakzaamheid verworden wij tot een mengeling van omstandigheden en invloeden. Wij kronkelen onszelf in onze zelfzucht en
verworden tot de nietigheid welke deze wereld ons aandoet. We kunnen niet langer meer vreugde vinden, geraken gevangen in spijt, nutteloosheid en pessimisme en ontstaan er momenten waarop we ervaren dat we geen eigen wil geen zelfrespect bezitten; wij verworden tot buitenlanders in ons eigen lichaam.
– De Bruidegom nodigt ons uit om ons te doen herleven, teneinde de controle over onszelf te herwinnen.
– De Bruidegom, Die ons liefheeft onthult in Eigen Persoon onze mentale krachten.
– En bovenal werkt onze Bruidegom aan de vernieuwing van onze vrijheid.
De vrijheid van die teniet werd gedaan toen onze voorouders deze misbruikten om zich van de Schepper te verwijderen.
‘Weer Opgestaan’, noemen wij hetgeen onze ziel dan ervaart; we verlangen er opnieuw naar, vrij en levend te zijn, dicht bij Hem te zijn, Die ons met Zijn Genadegaven nooit heeft laten varen, zelfs niet toen Hij ons Zijn zoete blik afwendde.
Hij kwam, komt en blijft ons roepen en staat erop dat we herwinnen wat ons door onze zonde is afgenomen.
Hij kwam om ons Zichzelf aan te bieden, geheel en al, zonder aarzeling en trok ons verlossend weg van neerslachtigheid en losbandigheid.

De Kerk roept ons vandaag op om de Myron van onze liefde als Christus over alles en iedereen uit te storten.
” . . . . . de geur van de Myron verspreidde zich door het gehele huisJohn 12: 3, werd gezegd over het huis waar God verblijft – het betreft onze Kerk en niet alleen de Orthodoxe Kerk, maar het verspreid zich van alle kerken, die Christus navolgen. Door alle eeuwen heen hebben de Heiligen [Zij, Die Christus in hun hart meedragen], deze zoete geur van Myron om Zich heen verspreid.
Zij hebben dit op een dusdanige wijze gedaan, dat de Genadegaven van Christus, Die de Kerk -ook vandaag de dag- nog steeds verspreidt, de onvergankelijke Myron van het leven wordt genoemd, deze welriekende Myron vloeit zelfs soms als een Mysterie uit Orthodoxe iconen.

Heavenly Jeruzalem, ‘You see this city? Here God lives among men. He will make his home among them; they shall be his people….’ Apocalypse 21: 1-5. jpg

Laten wij allen vanavond onze ziel en levendige dankbaarheid verheffen, klaar om het uit te roepen:
Heilig, Heilig, Heilig bent U, o Heer, Sabaoth” [Sabaoth = Heer aller heerscharen, God van alle werelden], onze uitroep is alles wat ons verenigt.
Prijst de Heer, Die geduldig is , niet ontmoedigd is door onze menselijke tekort-komingen, maar onze Bruidegom komt als de bewaker van ons eeuwige leven.
Deze heilige God en Heer van alles, Hij is de Heilige, de enige Sterke, de enig Onsterflijke, Die in staat is om de listen van de tegen-strever [de Satan] te verslaan.
Hij, de Heilige, de enige onsterfelijke en Leven-schenker, de overwinnaar van de dood door het leven en
        Hij gaat ons bij door ons te overweldigen in Zijn Licht.
Wij reageren op Christus’ oproep, Heer, bevrijdt ons van de lusteloosheid als gevolg van de ziekelijk zonde, laat ons door de overgave aan Uw ondoorgrondelijk Grote Liefde voor de mensen het leven weer ter hand nemen – dankzij het geven dat U ons als uw dienaren aanvaard!

En wanneer we ons voorbereiden gereed maken, strekt onze Heer dezelfde uitnodiging uit aan ons zoals Hij Zich tot Jacobus en Johannes wendde.
Voor ieder van ons die Zijn Glorie willen zien, die ernaar verlangt aan Zijn zijde te verblijven bij het Groot en Heilig Pascha, zegt Christus eerst tot jou en tot mij:
” . . . . . Maar ben jij in staat en bereid om de beker te drinken waarvan ik drink? 
Ben jij in staat met mij deze Grote en Heilige Week op te trekken?
Ben jij bereid aan Mijn zijde te staan ​​en het door God, onze Vader aangeboden Kruis met Mij te dragen en daarmee werkelijk Mijn Volgeling te zijn?
Christus verlangt dat je volmondig ‘ja’ zult zeggen.
En de Kerk hoopt daarbij dat het groot en Heilig Pascha niet alleen een zondag is waarop christenen, als Zijn Volgelingen komen opdagen, want ieder Zondag van het jaar dat volgt wordt Zijn Opstanding volmondig in de hymnen, de Apolytikia
bezongen.

 

Grote en Heilige Week, de dinsdag – houdt uw lampen branden

”     Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen.
Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal 
de komst van de Zoon des mensen zijn.
Want zoals zij in die dagen voor de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop
Noach in 
de ark ging en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.
    Dan zullen er twee in het veld zijn, een zal aangenomen worden en een achtergelaten worden;
    twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen, een zal aangenomen worden, en een achtergelaten worden.
                Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Heer komt” Matth.24: 36-42.

”      Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden, die haar lampen namen en uittrokken, de bruidegom tegemoet.
En vijf van haar waren dwaas en vijf waren wijs.
       Want de dwaze namen haar lampen mede, maar geen olie;
doch de wijze namen olie in haar kruiken, met 
haar lampen.
Terwijl de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig 
en sliepen in.
En midden in de nacht klonk een geroep:
De bruidegom, 
zie, gaat uit hem tegemoet!
Toen stonden al die maagden op en brachten haar lampen in orde. En de dwaze zeiden tot de wijze: Geeft ons van uw olie, want onze lampen gaan uit. Maar de wijze antwoordden en zeiden: Neen, er mocht niet genoeg zijn voor ons en voor u; gaat liever naar de verkopers en koopt voor uzelf.
Doch terwijl ze heengingen om te kopen, kwam de bruidegom, en die gereed waren, gingen met hem de bruiloftszaal binnen, en de deur werd gesloten.
       Later kwamen ook de andere maagden en zeiden:

       ” Heer, heer, doe ons open!”.
Maar hij antwoordde en zei:
“Voorwaar, ik zeg u, 
ik ken u niet’.
 
Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur”. Matth.25: 1-13

Matth. 24:36 – 26-2.
Wanneer we de gelijkenis van de tien maagden goed bekijken, dienen we van tevoren vast te stellen dat er veel discussie is geweest over de betekenis van deze woorden van onze Heiland. Ten minste één aspect van deze gelijkenis kan met absolute zekerheid bekend zijn. De bruidegom is Jezus Christus en deze gelijkenis beschrijft Zijn wederkomst.
In het eerste Verbond met Israël beeldt God Zichzelf uit als de “echtgenoot” – “Hij, Die is en altijd zal zijn” van Israël:
”     
Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet meer denken. 
Want uw man is uw Maker, Heer der Heerscharen is zijn naam; en uw losser is de Heilige van Israël, God van de ganse aarde zal Hij genoemd worden. Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de Heer geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd, zegt uw God ” Isaiah 54: 4-6; en
”     Men zal u niet meer noemen: Iemand, die Verlaten is en men zal uw land niet meer noemen: Woestenij; maar gij zult genoemd worden: Mijn Welgevallen, en uw land: Gehuwde. Want de Heer heeft een welgevallen aan u, en uw land wordt ten huwelijk genomen. Want zoals een jongeling een maagd huwt, zullen uw zonen u huwen, en zoals de bruidegom zich over de bruid verblijdt, zal uw God Zich over u verblijden” Isaiah 62: 4-5 ; alsmede bij:
”     Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming;  Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de Heer kennenHosea 2: 19,20.
In de nieuwe verbintenis van de Blijde Boodschap van Christus wordt deze afgebeeld als de bruidegom van de Kerk:
”     Johannes antwoordde en zei: ‘Geen mens kan iets aannemen, of het moet hem uit de Hemel[en] gegeven zijn. Gij kunt zelf van mij getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar ik ben voor Hem uit gezonden.  Die de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom, die erbij staat en naar hem luistert, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld” John. 3: 27-30;
”     Jezus zeide tot hen: Kunnen soms bruiloftsgasten treuren, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is, en dan zullen zij vastenMatth.9 : 15 en op dezelfde wijze
”     En Jezus zei tot hen: Kunnen bruiloftsgasten dan vasten, terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang zij de bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten. Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is en dan zullen zij vasten, te dien dageMarc 2: 19-20;
terwijl Paulus de Kerk beschrijft en op gelijk niveau stelt als een Verbonds-huwelijk dat wordt afgesloten als de bruid van Christus:
”      Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zo dat zij heilig is en onbesmet. Zo zijn ook de mannen verplicht hun vrouw lief te hebben als hun eigen lichaam. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief;  want niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het zoals Christus de gemeente, omdat wij leden zijn van zijn lichaam. Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn. Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de gemeenteEph.5: 25-32.

Wat gebeurt er als alles wat Geloof aangaat om je heen verandert?
Wanneer we deze vraag ernstig nemen begrijpen we plotseling dat deze ogenschijnlijk zo ver afgelegen tekst heel actueel wordt, omdat dat precies inhoudt waar we vandaag de dag op een dramatische manier mee geconfronteerd worden: – de transformatie van al datgene wat met religie van doen heeft – ; de scheiding tussen kerk en staat is een kenmerk van de westerse samenleving geworden. Nationalisme blijkt in de moderne tijd de religie te hebben vervangen voor het sacrale, datgene wat onmisbaar is en waarvoor we willen sterven – niets lijkt meer te zijn van wat het voorheen was.
Ouders ervaren hoe zij hun kinderen de taal van de Blijde Boodschap, de taal van de Kerk, niet meer over kunnen brengen – het lijkt of je tegen een muur oploopt. Er zijn nog lichtpunten onder sommige jongeren, maar hoewel er steeds meer mensen zich totaal in de wereld verliezen, lijken de verschillende bloedgroepen van de Kerk zich zelfs niet af te vragen wat er van deze mensen zal worden.
Wel worden ze herhaald opgetrommeld wanneer het ergens uit de hand lijkt te lopen – bij echtscheiding, ongeluk en verslavingen aan de meest vreemde producten van de wereld.
De voorheen grote gemeenschappen zien het aantal teruglopen en worden gedwongen hun onroerend goed van de hand te doen – het is niet meer op te brengen en de Geloofsgemeenschappen zelf worden achtervolgt door steeds hogere schulden.
Waar ga je heen met je problemen – de verzorgingsstaat loopt vast en blijkt ontoereikend te zijn de maatschappelijke problemen op te lossen. Het enige wat je ziet is dat rijken nog rijker worden en een kleine groep top-figuren het totale vermogen van de samenleving in handen hebben. Wat kan de generatie die opgroeit nog doen – loonslaven, de massa van de samenleving worden armlastig en vallen terug op het minimum – leuk vooruitzicht of niet soms?
Waar ga je heen? Wat is het alom heersend bezwaar tegen de ontoereikendheid waarmee het gewone volk niet meer in overeenstemming kan komen met aloude begrippen, welke in de Blijde Boodschap wordt onderwezen.
Het zijn niet slechts vijf maagden, die hun lamp niet brandend hebben weten te houden – de mensen zijn totaal niet ontvlamd en we keren terug naar de tijd van de Apostelen waarbij slechts een kleine groep Volgelingen van Christus de werkelijke Boodschap heeft ervaren.

Ogenschijnlijk beschrijft Johannes in historisch opzicht wat hij heeft beleefd, toen Hij door de Heer geroepen werd als een god die God in het achterhoofd achterliet. Dan komt Jezus met Zijn discipelen naar het land van Judea en het is alsof Johannes zich nog een laatste keer wil binden aan de religie waarin hij zelf is opgegroeid. In een terugkeer zou het vertrek van het volkomen nieuwe zich opnieuw in het verleden moeten wortelen.
Christus doopte naar mijn verwachting ook, evenals Zijn voorloper Johannes de Doper in tegenstelling tot de opmerking: ”     – ofschoon Jezus niet zelf doopte, maar zijn discipelen -” John.4: 2.  Alleen al omdat de toekomst opnieuw is versmolten met het verleden.
Om zeker te zijn, lijken Johannes historische uitspraken een aanfluiting.
Religie, dat betekent opnieuw zoals in het vroege christendom – in je gewone kloffie – de straat op en mensen opnieuw motiveren door aan te geven waarom zij in de wereld vastlopen en moeilijkheden ondervinden op allerlei vlakken.
De toekomst van het Christendom blijkt zich opnieuw  dienen te versmelten met het verleden.
Religie, dat betekent gewoon najagen mensen te bekeren en te dopen zoals Johannes de doper deed; hoewel Christus Zelf niet doopte; Onze Heer klopte slechts aan bij de mensen en maakte op die wijze volgelingen:

de vrouw aan de bron

”     Toen nu de Heer vernam, dat de Farizeeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes,  – ofschoon Jezus niet zelf doopte, maar zijn discipelen –  verliet Hij Judea en vertrok weer naar Galilea.
En Hij moest door Samaria gaan. Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, dicht bij het veld, dat Jaäcob aan zijn zoon Jozeph gegeven had; daar was de bron van Jaäcob. Jezus nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur. Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zei tot haar: ‘Geef Mij te drinken’John.4: 1-7.
Onze Heer klopt dus heel subtiel bij de mensen aan en vindt aldus Zijn volgelingen. Dit betekent dat de Kerk Zich eveneens in de puur uiterlijke dingen dient te manifesteren en pas in de tweede plaats met het doopwater op de proppen dient te komen. Om de uiterlijke vertoning van de geïnstitutionaliseerde religie op een dusdanige manier terug te brengen dat je met overeenkomstige middelen je eigen identiteit waarmaakt – waarmee je jezelf als Kerk karakteriseert en markeert en daarmee ‘getuigt’ dat ‘de Kerk’, het Lichaam van Christus, onlosmakelijk met het leven verbonden is – dat houdt in dat we terug naar de bron zullen dienen te gaan!  De bron van Abraham, Isaäc en Jaäcob, dus trek uit je voorland, je toekomstig lot. Wanneer onze jongeren opnieuw gemotiveerd willen worden – hun leven in te zetten voor verandering van het bestaan en zich daarbij gesteund weten dat zij dat doen in de naam van God, met Christus als voorbeeld, dan zou dat tot gevolg hebben dat zij een middenvinger leren op te steken tegen de minachting waarmee onze religie in de wereld behandeld wordt. Een waarachtige innerlijke ervaring komt voort uit het tot op het bot geroerd geraken en hoe kan dit anders dan het opheffen van geïsoleerde ivoren torens en je richten op de primaire behoeften van de mens.

primaire behoeften
Veel lichamelijke basisbehoeften zijn er vooral om in leven te blijven en de soort te laten voortbestaan. Eten, drinken, seks en de behoefte aan veiligheid, zijn onze grootste verlangens en zijn daarom door Maslow terecht als basis van zijn piramide opgenomen. Erkenning en waardering ontvangen is ook een belangrijke basisbehoefte, maar daaraan denken we niet zolang we honger hebben of voor ons leven vrezen. Behoeftes kennen nu eenmaal een prioriteit. Indien we honger hebben denken we niet langer aan onze veiligheid, en nemen we risico’s om aan eten te komen voor ons en onze kinderen. Maar met volle maag willen we vervolgens eerst een veilig gevoel voordat we zin in seks hebben. Ieder mens wil van jongs af aan waardering voor geleverde prestaties, hard werken, studie, ontwikkeling inzicht, aanleg, en allerlei andere goede eigenschappen. Maar we willen ook erkenning voor onze tekortkomingen, bij de pech die we hadden, het leed dat ons is overkomen. Indien dergelijke complimenten, respectievelijk armen over de schouders uitblijven, tast dat onze gezondheid aan zowel in geestelijk als in lichamelijk opzicht.
We breken dan misschien de banden met bekenden, raken gefrustreerd, zijn boos. We rusten niet totdat we schadevergoeding, excuses hebben gekregen etc.
Maslow spreekt niet over onze allergrootste behoefte, namelijk het constant inademen van zuurstofrijke lucht en schoon water, terwijl het tevens ook een bewezen feit is dat de behoefte aan jezelf kunnen uiten in kunst, muziek en humor, bij de mens eveneens bijzonder sterk is, ook al is het geen essentiële basisbehoefte. Zonder vloed geen eb, zonder ziekte geen gezondheid en zonder ongeluk geen geluk. Het is triest dat ellende en verdriet (van anderen) nodig zijn om ons prettig en dankbaar te voelen op de momenten dat we zelf geen hinder van dergelijk onheil ondervinden.
De term basisbehoeften heeft in de economie een nauwe relatie met de begrippen als schaarste en het ‘alternatief‘ aanwenden van middelen.
Alternatief betekent -‘niet gebaande wegen‘ volgen; vanuit je Geloof in de medemens [de naasten] door je voorbeeld en adviezen oplossingen bieden, waardoor zij weer lucht krijgen. Hoe kun je de mensen op een andere manier weer een gevoel van  onschuld terug geven, weer in harmonie e komen met zichzelf, zich weer in z’n leven onaantastbaar te kunnen voelen? Een mens, die ziek is, het leven weer mogelijkheden te bieden dit te [ver-]dragen; armoede en verslavingen overwinnen, opdat het zelfrespect weer een bloei kan doormaken; gevangenen en oorlogsslachtoffers bevrijden en opnieuw mogelijkheden aan te bieden teneinde van hun weg richting de ondergang te geraken; kort samengevat de slachtoffers van de menselijke samenleving [de wereld] weer opvangen.

gelijkenis van de Maagden [coptische icoon]

De maagden, die vol verwachting de komst van de Heer afwachten [competitie]
En natuurlijk breekt er vervolgens een onmiddellijk strijd uit onder degenen, die  bepalen welke kant de gemeenschap opgaat en er ontstaat onrust.
Er ontstaat onmiddellijk een puur kwalitatieve en kwantitatieve rivaliteit welke oud-gedienden nog wel “succesvol” blijken te zijn.
Maar de onenigheid, die nu ontstaat – het geschil – heeft een algemeen dogmatisch thema: het mindere maakt plaats voor het meerdere, dat wil zeggen het kan niet anders of er vindt een schoonmaak plaats.
Dit is helemaal niet erg – het werkt vernieuwend – en zal eerst na enige decennia z’n nut bewijzen – zo niet, dan zal een hele generatie verloren gaan.
Uitgangspunt zal echter wèl dienen te zijn dat er onderling gecommuniceerd wordt – zònder communicatie absoluut geen gemeenschap; en de hiërarchische structuur zal behoorlijk dienen in te binden en zich zoals in de vroeg-christelijke Kerk alleen met het toezicht dienen te bemoeien.
De Kerk wordt niet voor niets al vanaf z’n prille begin in de voorvaderlijke oudheid vergeleken met een huwelijk, een huwelijk is alleen mogelijk op basis van wederzijds respect.
Het haast vervallen menselijk Lichaam van Christus duidt op een stervensproces en de Kruisdood zal allereerst dienen te worden ondergaan voordat er sprake kan zijn van leven; van een opstanding – van een herleven – dit proces heeft zich in de kerkelijke geschiedenis al meermalen bewezen.
Hetgeen betekent reiniging van de mensen, van het Lichaam van Christus – het gaat erom de mens van deze tijd weer te beroeren – het overbrengen van de oorspronkelijke ontroering, iedere oorspronkelijke betekenis van het navolgen van Christus dient weer zin te krijgen – iets van ons eigen leven te weerspiegelen. De breuk tussen de vroeg christelijke Kerk en het jodendom is onderbouwd met bewijzen, terwijl in de formuleringen van het getuigenis van Johannes parallellen worden getrokken.
Vertrek van het principe dat alle mensen gelijk geschapen zijn- en pas dat toe.
En doe een beroep op de gulden regel, zoals Confucius het formuleerde: “leg anderen niet op wat je zelf niet verlangt, maar overleg en kom tot overeenstemming met vernieuwende initiatieven.
De wereld doet dit voortdurend: met financiële en militaire macht zaken opleggen aan anderen die we zelf echt niet zouden verlangen.
De wereld blijft geen bewoonbare plek, tenzij we alle mensen, of we hen nu graag hebben of niet, of ze onze belangen dienen of niet, echt gelijk gaan behandelen en daar dient de Kerk het voortouw in te nemen.
De Kerk – dat is een historische ontmoetingsplek – al van het begin van de schepping af waar we nog steeds toegang toe hebben.
Er worden verschillende ontwikkelingsassen gevormd en slechts één moet door God worden gecertificeerd; iedereen wordt opzij geschoven.
Dit is momenteel het historische thema: ‘vormen van religie in competitie met elkaar‘. Maar wat ècht op het spel staat, is iets heel anders met dit onderwerp;
Wàt er op het spel staat, is de knagende vraag wat religie kan en zou dienen te  zijn. Het verandert, zoveel is neem ik aan nu wel duidelijk, maar waarom?
Vanuit welke krachten dient ze te veranderen? Wat gebeurt er als het verandert?
Als het goed is heb – ontzettend veel water uit de geestelijke Bron – beschikbaar en dat trekt grote menigten te blijven?
Om het verhaal compleet te maken:
religie,  op een zodanige wijze is identiek aan de overeenkomstige binnenkomende middelen, ze “getuigt” door hun gemarkeerd interesse in massabewegingen!
In één zin zodanig kan het verlies worden beschreven geen echte innerlijke ervaring nauwelijks duidelijker dan hier gebeurt.
En natuurlijk breekt er onmiddellijk strijd uit in de nabijheid van zo’n religie. Onmiddellijk gaat het niet over een puur kwantitatieve rivaliteit, maar over welke groepen mensen “succesvol” zullen zijn is relatieve competentie.
Kwaliteit is een dogmatisch thema, hetgeen inhoudt een grote totale aanpak en schoonmaak van het christendom. Hoe kun je anders  aan de mensen een gevoel van hun onschuld teruggeven, want de harmonie met zichzelf, omvat de integriteit van hun leven.

Completen 8e ode
tn.2.

Mozes en de brandende braambos

Hem, Die in de braambos op de berg Sinaï,
aan Mozes het wonder van de Maagd heeft vóóraf gebeeld, prijst en verheft Hem in alle eeuwigheid“.

Hoewel voor Hem, Die de tijden beheerst,
het einde van de tijd niet onbekend kan zijn,
heeft Hij toch voorzegd dat Hij als mens die dag niet wist, om te doen zien binnen welke grenzen wij in deemoed gebonden zijn“.

Wanneer Gij als Rechter zult zetelen om, zoals U voorzegd hebt, als een Herder de bokken af te scheiden van de schapen, ontzeg ons dan niet, Verlosser, het staan aan Uw Goddelijke rechterzijde“.

Gij zijt ons Pascha Dat, als Lam en offer en Verzoening
voor de zonden voor allen geslacht wordt.
Daarom verheffen wij in alle eeuwen Uw goddelijk Lijden, o Christus“.

Heel ons aardse leven heeft Christus samengevat in die woorden over de molen, de akker en het huis. Verwerf u daarom een hart dat gereed is voor God, zodat het niet met het vlees in verderf opgaat“.

Woman & the Myron by Victor Wolfvoet

Niet alleen godsdienstigen, zoals Simon de Farizeeër, hebt Gij voor Uw maaltijd waardig geacht, Verlosser, maar ook tollenaars en zondaressen mogen deelnemen aan Uw Barmhartigheid“.

Bij het uitgieten van de Myron werd Judas, de door geldzucht bevangen verrader, op de gedachte gebracht de Meester te verkopen. Hij ging naar de wettelozen en kwam de prijs overeen“.

Zalig zijn de handen en de haren en de lippen van de zo wijze zondares! Want daarmee heeft zij de Myron over Uw voeten uitgegoten, Verlosser, en die afgedroogd en steeds weer gekust“.

Toen U bij de maaltijd aanlag, o Woord, kwam een vrouw bij Uw voeten staan.
Wenend goot zij een kruik met Myron  uit over Uw hoofd, Verlosser, Die Zelf de onsterfelijke Myron zijt“.

Nu en altijd . . .
Zegenen wij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, de Heer.
Met de Vader verheerlijken wij de Zoon en de Heilige Geest:
de Heilige Drieëenheid in één Godheid.
en wij roepen: Heilig, Heilig, Heilig, zijt Gij in alle eeuwigheid“.

Zingen, zegenen en aanbidden wij de Heer,
Hem lovend en prijzend in alle eeuwigheid

Hem, Die in de braambos op de berg Sinaï,
aan Mozes het wonder van de Maagd heeft vóóraf gebeeld,
prijst en verheft Hem in alle eeuwigheid“.

Grote en Heilige Week, de dinsdag – De Heilige Geest neemt uit het Mijne en zal het u verkondigen

Bergrede, juiste relatie met Christus; Sermon on the Mount, right relationship with Christ; موعظة على الجبل ، العلاقة الصحيحة مع المسيح; Ομιλία στο Όρος, σωστή σχέση με τον Χριστό.

      Toen sprak Jezus tot de scharen en tot zijn discipelen, zeggende:
De schriftgeleerden en de Farizeeën hebben zich gezet op de stoel van Mozes.
Alles dan, wat zij u ook zeggen, doet dat en onderhoudt dat, maar doet niet naar hun werken, want zij zeggen het wel, maar doen het niet.
Zij binden zware lasten bijeen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren.  Al hun werken doen zij om in het oog te lopen bij de mensen, want zij maken hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot, zij houden van de eerste plaats bij de maaltijden en van de erezetels in de Synagogen en van de begroetingen op de markten en om door de mensen rabbi genoemd te worden. Gij zult u niet rabbi laten noemen; want één is uw Meester en gij zijt allen broeders.
                                     En gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want Één is uw Vader, Hij, Die in de Hemelen is. Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, de Christus.
                                   Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn. Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden.
      Maar wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij sluit het Koninkrijk der Hemelen toe voor de mensen. Immers, gij gaat er niet binnen en die trachten binnen te gaan, laat gij niet toe daarin te komen.
⁌       [Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij eet de huizen der weduwen op, terwijl gij voor de schijn lange gebeden uitspreekt. Daarom zult gij zwaarder oordeel ontvangen].
⁌       Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij trekt zee en land rond, om een bekeerling te maken, en wanneer hij het wordt, maakt gij van hem een kind van de hel, tweemaal zo erg als gij het zelf zijt.
⁌       Wee u, blinde wegwijzers, die zegt: Heeft iemand bij de Tempel gezworen, dat betekent niets; maar heeft iemand bij het goud van de Tempel gezworen, dan is hij gebonden. Gij dwazen en blinden, wat toch is meer, het goud of de Tempel, die het goud geheiligd heeft? En heeft iemand bij het altaar gezworen, dat betekent niets; maar heeft iemand bij de [Genade]gave, die daarop ligt, gezworen, dan is hij gebonden. Gij blinden, immers, wat is meer, de [Genade]gave of het altaar, dat de [Genade]gave heiligt? Wie dus gezworen heeft bij het altaar, zweert daarbij en bij alles, wat erop ligt. En wie gezworen heeft bij de Tempel, zweert daarbij en bij Hem, Die erin woont. En wie gezworen heeft bij de Hemel, zweert bij de Troon God’s en bij Hem, Die daarop gezeten is.
⁌       Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de Wet verwaarloosd: het Oordeel en de  Barmhartigheid en de Trouw. Dit moest men doen en het andere niet nalaten. Gij blinde wegwijzers, die de mug uitzift, maar de kameel doorzwelgt.
⁌       Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij reinigt de buitenzijde van de beker en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid. Gij blinde Farizeeër, reinig eerst de inhoud van de beker; dan zal hij ook van buiten rein worden.
⁌       Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij gelijkt op gewitte graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid. Zo ook gij, van buiten schijnt gij de mensen wel rechtvaardig, doch van binnen zijt gij vol huichelarij en wetsverachting.
⁌       Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij bouwt de grafsteden van de  Profeten en verfraait de gedenktekenen der rechtvaardigen en gij zegt: Indien wij geleefd hadden in de dagen van onze vaderen, zouden wij met hen geen gemene zaak gemaakt hebben ten opzichte van het bloed van de Profeten. Gij getuigt dus van uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der Profeten.  Maakt ook gij de maat van uw vaderen vol! Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel van de hel? Daarom, zie, Ik zend tot u Profeten en Wijzen en Schriftgeleerden. Van hen zult gij sommigen doden en kruisigen en van hen zult gij anderen geselen in uw Synagogen en vervolgen van stad tot stad, opdat over u zal komen al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, de zoon van Berekja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar.

      Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.
       Jeruzalem, Jeruzalem, dat de Profeten doodt, en stenigt, Wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb
       Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen 
haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild.
Zie, uw huis wordt aan u overgelaten.
      Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, Die komt in de Naam des Heren!Matth.23: 1-39.

Deze ochtend [avond] wordt gelezen: Matth.22: 15 – 23: 39;
het zal u opvallen dat deze week ochtend en avond door elkaar gehaald  worden, alsof de Kerk de weg een beetje kwijt is – wees niet verontrust wanneer u ‘s-avonds een Metten meemaakt of ‘s-ochtends een completen,
dat is in deze periode heel gewoon.

Er is sprake van een langzaam proces dat naar de lastering voert:
☦️ irritaties van de joodse leidslieden, zij, die het allemaal zo goede geleerd hebben en het mogen weten, tegenover Jezus, conflicten.
Daarom gaat onze zachtmoedige Heer vandaag zo tekeer tegen de schriftgeleerden en Farizeeën.

Wanneer een blinde en stom mens bij Jezus wordt gebracht, die bovendien een prooi van de tegenstrever [de satan] is, geneest en verlost Jezus hem.
De satan verliest en de mensen weten niet wat ze zien.
Maar dan komen de Farizeeën naar voren, die dit waarachtig werk van de Heer als duivelswerk karakteriseren, tegen beter weten in.
In dat verband klinkt deze ernstige waarschuwing van onze Heer en verkettert Hij dit gedrag.
De lastering van de Heilige Geest bestaat in een bewust, tegen beter weten in, uit de haat ten opzichte van de H. Geest en Zijn werk. Zij lasteren en degenen die uit Hem geboren zijn, bespotten zij – zij ervaren zich vèr boven het Volk verheven.
De lastering tegen de Zoon des mensen is nog vergeeflijk, wanneer die uit zwakheid of onwetendheid plaatsvond.
☦️ Weet wel dat dit een zonde betreft, die alleen door kerkmensen bedreven kan worden;
☦️ zonde tegen de Blijde Boodschap en niet tegen de Wet – kan niet bedreven worden door ware gelovigen.
Deze zonde bestaat uit een definitieve afval van God en van de Kerk en wordt gekenmerkt door bewuste haat tegen God, Zijn Woord en Zijn volk; zij wordt zichtbaar in een onomkeerbare verharding. Iemand die ‘angst heeft’ de zonde tegen de Heilige Geest bedreven te hebben, draagt daarmee het bewijs in zich dat hij deze zonde ‘niet’ bedreven heeft.
Heer Gij hebt mij op Uw pad gezet en mij de toegang tot Uw Koninkrijk niet ontzegd !“.
Iemand die deze afschuwelijke zonde heeft begaan, heeft de mens tekort gedaan, zal er nooit last van krijgen, maar er in ten onder gaan.
Vandaar dat datgene wat onze Heer hier zegt; dienen we op te vatten als een waarschuwing; neem ieder mens, die je ontmoet – en jou iets zegt – bij voorbaat serieus ! [je kunt er alleen maar van leren]:

De Heilige Geest:

de ‘Trooster’, Geest der Waarheid

      En nu ga Ik heen tot Hem, die Mij gezonden heeft en niemand van u vraagt Mij: ‘Waar gaat Gij heen? Maar omdat Ik dit tot u gesproken heb, heeft droefheid uw hart vervuld.
Doch Ik zeg u de Waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden.
En als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van Gerechtigheid en van Oordeel;
☦️   van zonde, omdat zij in Mij niet geloven;
☦️   van gerechtigheid, omdat Ik heenga tot de Vader en gij Mij niet langer ziet; 
☦️   van oordeel, omdat de overste van deze wereld geoordeeld is.
Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen;
doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen
tot de volle Waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar
al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen.
Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen.
Al wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom zei Ik:
‘Hij neemt uit het Mijne en zal het u verkondigen
’’’ John.16: 5-15.

In de “afscheidsredes” van onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus probeert de Blijde Boodschap van de hand van Johannes de Theoloog de vraag te beantwoorden wat er vervolgens zou moeten gebeuren – in het voortdurend groeien en biedt ons daarmee de oriëntatie en de ondersteuning in de navolging van Christus op onze levensweg.
Grotere verscheidenheid, variatie door middel van dagelijkse op- en neerwaardse beweging en veelvoudig aanpassen van onze waardeverhoudingen, bevorderen op deze manier door de persoon van Christus, Die in dit proces een actieve rol speelt en waardepunten aangeeft,  de weg naar het Hemels Koninkrijk. In het steeds toenemend tijdsverschil tot periode dat de boodschap werd verkondigt – en de oplossing, die Christus geopenbaard heeft – is Hij nooit geaarzeld in contact met ons te blijven.
Het draait er niet om een historisch correct bewijs te leveren van wat onze Heer twee, drie of ik weet niet hoeveel generaties in het verleden te zeggen had, het is van het hoogste belang om te verstaan – wat Hij ons innerlijk heeft mede te delen wat Hij ons – hier en nu – vanuit Zijn eeuwige heden te zeggen heeft; wat voor ons van belang is wat heeft God ons via Zijn Geest van de Zoon des mensen vandaag de dag te vertellen.
Op die manier begrijpen wij veel beter wat Zijn leven voor ons betekend heeft en dit verklaart het grote contrast met de huidige ‘wereld’.
Via de Zoon stelt God ons immers iedere dag weer dezelfde vraag: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben”, oftewel waar geloven wij ècht in: Jagen wij de wereld na of zijn wij navolgers van Christus, de Zoon van God?

We weten donders goed dat er maar één vorm van echte ‘zonde’ is, van echt gedrag, welke bedoeld is om alles wat mooi is kapot te maken, de hopeloosheid en wanhoop, die daaruit voortkomt: – wanneer wij alles maar accepteren zoals ze ons voorgeschoteld wordt of zoals ze nu eenmaal zijn.

“ • Mensen zijn nu eenmaal zo – “; dat betekent dat we nog steeds [of opnieuw] in de verdediging gaan, d.w.z. oorlogspantsers, soldaten en slagvelden nodig hebben.
De geschiedenis leert het ons”, d.w.z. “het gelijk hebben, het juiste is altijd sterker” en “wee degenen die zwak is”, “men dient daarom met de wolven mee te huilen” en: “als we dat niet doen, dan  zullen de anderen dat wel voor ons doen“.
Dit alles betekent: “Dat je als individu, als een persoonlijkheid nergens meer een oordeel over hebt“; “en het ontbreken van een oordeel brengt een net zo groot nutteloos gevaar met zich mee“; en dat is dan wat je doet:
•  zodra je weigert bevelen te geven, afziet van gehoorzaamheid, je meerderen tegenspreekt en je trouw blijft aan de Waarheid
•  in feite verdwaal je temidden van de ‘wereld‘ waarin je de moed hebt om de zogenaamde machtigen uit te dagen of ze op hun plaats te zetten.
Maar dàt is nu precies zoals onze Heer was, die mens uit Nazareth, het plaatsje waar niets goeds uit voort kon komen.
Dat is nu precies wat onze Heer en Zaligmaker deed en dàt is precies hoe Hij in onze harten blijft spreken!
De niet aflatende vraag van onze Heer Jezus Christus is:
Wat is er zo slecht aan dat iemand verzandt alleen maar omdat hij trouw is?
Het was goed, zelfs voor Jezus persoonlijk, om eens ‘niet’ toe te geven aan
de angst en de volharding wanneer in deze wereld ‘eerlijkheid en oprecht gedrag
bestraft wordt met buitensluiten of met de dood.

Vreest hen dan niet, want er is niets bedekt, of het zal geopenbaard worden en
verborgen, of het zal bekend worden. Wat Ik u zeg in het donker, zegt het in het licht; 
wat gij u in het oor hoort fluisteren, predikt het van de daken.
En weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar
de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die
beide, ziel en lichaam, kan verderven in de he
l” Matth.10: 26-28.
En dit gebeurt, ook in de Kerk, met name door kerkmensen !!!

de tollenaar; the tax collector; του φορολογουμένου; جامع الضرائب.

Hoe langer of het duurt, hoe méér je begint te begrijpen wat Christus daarmee bedoelde en al Zijn woorden spreken hier heel helder en duidelijk over tot ons. Om waarachtige Vrede met God te ervaren is het ontzettend veel méér waard dan al het applaus tot de kerkelijke troon en het kerkelijk altaar.
Alle ‘duivelse bokkensprongen’ in deze “wereld” zijn gebaseerd op een
ontmoediging van de hoop dat een “andere” wereld – een
nieuwe Hemel en een nieuwe aarde”op zijn minst mogelijk is.
Er is een bepaalde vorm van ‘herkenbare werkelijkheid’ die uiteindelijk
tot de ondergang dient te voeren. Een God-mens als Jezus lijkt geen enkele poot meer aan de grond te krijgen; absoluut geen mogelijkheden meer te worden,
⤽ Hij wordt buitengesloten in plaats van omarmd !!! .

Maar de Bergrede werkt helemaal niet“, zo verkondigde een voormalig politicus in een discussie, “en we moeten nú iets doen – we kunnen onmogelijk wachten tot het Koninkrijk der Hemelen verschijnt”.
En dàt is nu precies waar het hier om gaat – de Bergrede werkt wèl, als je maar wilt en je er voor inzet.
Het “Hemels Koninkrijk, het rijk van God” behoeft helemaal niet te komen, zo verklaart de Blijde Boodschap overeenkomstig Johannes de Theoloog; de Goddelijke Waarheid is zó eenvoudig en de énige vraag is òf we het nog langer pikken òf dat we ondanks alles doorgaan.

Wie de Geest van onze Heer Jezus Christus ontvangt, wie zich mèt Hèm bekleed, wie gedoopt wordt en Zìjn Leer aanvaardt, zal ‘de wereld’ ontdekken, die is gebaseerd is op drie cruciale punten:
➥ Het is “zonde” [niet gericht op God’s goedheid], omdat ze hun gehechtheid aan hun angst en het daarbij behorende geweld niet loslaten,
➥ omdat zij weigeren om de Pedagogie van de mens uit Nazareth serieus te nemen. Door deze Pedagogie systematisch af te wijzen ontstaat dat ze nooit tot een “rechtvaardig leven voor God” kunnen komen
• te komen tot een “rechtvaardigheid” die zij niet willen afstaan;
• pertinent afwijzen van hun eigen rechten af te zien of dit af te laten dwingen
• maar stelselmatig proberen te worden gerechtvaardigd door een “goed en aangenaam leven voor God” ten koste van de behoeften van anderen;
en daarmee dus zelf gedoemd zijn te mislukken, aan het eigen gecreëerde ‘hof’, omdat ze met deze manier van doen alleen maar dood en geweld zaaien in plaats van dat zij ‘het leven’ van Christus schenken.

In de taal van het Evangelie van Matteüs is Jezus Pedagogie van het Koninkrijk van God en Zijn  spreken voor ‘allen die er slecht aan toe waren‘ het Ultieme middelpunt:
  En het gerucht van Hem drong door tot in geheel Syrië en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, gekweld door allerlei ziekten en pijnen, bezetenen en maanzieken en verlamden en Hij genas henMatth.4: 24.

Het is het uiteindelijke centrum van een visie tot verandering van het leven en deze visie is niet  alleen mogelijk, maar absoluut noodzakelijk om de wereld haar menswaardige Goddelijke vorm [terug] te geven.

Op basis hiervan is het eigenlijk niets anders dan een excuus om te zeggen: “De Bergrede werkt niet“, want zonder de Christelijke Kerk zouden we nooit in de wereldse maatschappij in de hoffelijke “functie” zijn gebracht?

En hoe heeft het huidige [wereld-] beleid en de “menselijke rede” gewerkt?
De ene oorlog was altijd nog barbaarser dan de vorige, de productie van “wapens” is “geoptimaliseerd” tot de neutronenbom aan toe, de stelling dat zelfs miltvuur, pest en cholera misschien zelfs wel een welkome “munitie” zou vormen is al sociaal aanvaardbaar;
•                  dit alles heeft nooit en te nimmer een morele barrière op geworpen. laat staan gevonden.
De exploitatie van de Derde Wereld en de vernietiging van de leefomgeving drijven de mensheid op dit ogenblik -hier en nu- wereldwijd naar de rand van vernietiging.
Wat wij werkelijk dienen te beseffen is dat er alleen maar één keuze over blijft:
om te leven vanuit de bewijzen van de menselijkheid welke onze Heer en God Jezus  Christus de mensheid heeft voorgehouden.
Het alternatief loert om de hoek – het is het duivels dilemma –
de wereld op grote schaal “naar de hel te laten gaan”.
Alleen dient de vraag gesteld te worden:
als dit nu eenmaal zo is, wat dient dan toch nog de aarzeling te zijn?
Zoveel dient toch overduidelijk te zijn:
de betekenis van de persoon van de mens uit Nazareth kan alleen maar groeien,
➥      alles wat Hij, als God-mens belichaamt, blijkt de laatste kans te zijn, als het enige serieuze alternatief.
Utopisten” [mensen met onuitvoerbare plannen] zijn niet de mensen
die slechts geloven in de sfeer waarin Hij, als Heer ‘en Meester van het Heelal’
ons in geloofwaardigheid wil overtuigen.
Utopisten” blijken vandaag de dag nog steeds de mensen te zijn die zichzelf voor de gek houden, ze kunnen slechts slagen door te blijven zoals ze alles tot nu toe altijd al gedaan hebben.
In zekere zin laat het “vaarwel” van onze Heer en Zaligmaker daarom alleen maar zien,
hoe dicht Hij bij ons aanwezig is en hoe Hij innerlijk met ons verbonden is en voor ons opkomt,
indien wij waarachtig proberen spiritueel te leven en ons leven geestelijk, zinrijk in te delen.

De woorden van de ‘afscheidstoespraken’ van onze Heer en Verlosser bevestigen datgene wat de vroege Kerk reeds is overkomen:
• ze worden uit de Synagoge gezet, buitengesloten en door de gehele toenmalige wereld [het hele Romeinse rijk] vervolgt.
• Desalniettemin is het niet mogelijk teksten zoals deze tot een bepaalde tijd te beperken en ze van buiten te leren – en daardoor op een afstand te houden – als ware het documenten uit een ver verleden.
➥ Indien wij deze teksten op deze manier begrijpen, wordt de Waarheid, Die er in verkondigd wordt  alleen van de buitenkant begrepen; de inhoudt wordt omzeild.
➥ Deze toespraken vertegenwoordigen het middelpunt van de fundamentele beslissing betreffende elke cultuur en elke religie, de vraag of u zich wil verdiepen in de Waarheid.
➥ Het gaat niet om het buitenaanzicht het gaat er om dat wij willen begrijpen
òf dat wij willen doordringen tot op het bot en proberen van hieruit ons leven in te richten.
➥ Het draait hier om het maken van keuzes:
  òf wij verdiepen ons in – en geven miljarden uit – om kennis te vergaren in buitenaardse wezens en schaffen ons telescopen en ruimtevaartconstructies aan.
  òf wij verdiepen ons tot in uitersten in onze werkelijke waarachtige God, een keuze die Israël sinds haar ontstaan al diende te maken.


Dit was het essentiële bevel dat God op de berg Sinaï openbaarde:

Ik ben de Heer, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is“ Ex.20: 2-4.
  Wees trouw aan de God van uw vader en voorvaderen.

Maar zelfs dit gebod kan uiterlijk worden begrepen.
      Nu dan, u geldt, o priesters, deze aanzegging:

Indien gij niet hoort, en indien gij het niet ter harte neemt Mijn Naam eer te geven,
zegt de Heer der heerscharen, dan zal Ik onder u een vloek zenden en uw zegeningen in vloek verkeren; ja, Ik heb ze reeds in vloek verkeerd, omdat gij het niet ter harte genomen hebt.
        Zie, Ik zal uw nakroost bedreigen en vuil op uw gelaat werpen, het vuil uwer feesten, ja, men zal u daarheen slepen. Dan zult gij inzien, dat Ik u deze aanzegging gezonden heb, opdat mijn verbond met Levi besta, zegt de Heer der heerscharen.
        Mijn verbond met hem was: leven en vrede; Ik heb ze hem gegeven tot godsvrucht, opdat hij Mij zou vrezen en voor Mijn Naam beven. Betrouwbaar onderricht in de Wet was in zijn mond en ongerechtigheid werd op zijn lippen niet gevonden. In Vrede en in Oprechtheid wandelde hij met Mij en velen bracht hij van ongerechtigheid terug.
       Want de lippen van de priester bewaren kennis en uit zijn mond zoekt men onderricht in de Wet, want een bode van de Heer der heerscharen is hij.
Gij evenwel zijt van de weg afgeweken; gij hebt door het onderricht in de wet velen doen struikelen; gij hebt het verbond met Levi verdorven, zegt de Heer der heerscharen.
       Zo maak Ik u ook tot verachten en vernederden voor het gehele volk, omdat gij mijn wegen niet onderhoudt en bij het onderricht in de wet de persoon aanziet.
       Hebben wij niet allen een Vader? Heeft niet een God ons geschapen? Waarom zijn wij dan trouweloos tegenover elkander en ontheiligen het Verbond van onze vaderen?
– Juda is trouweloos geweest en een gruweldaad is bedreven in Israël en in Jeruzalem, want Juda heeft het Heilige des Heren, dat Hij liefheeft, ontheiligd, en heeft de dochter van een vreemde god getrouwd. De Heer zal de mens uitroeien, die zulks doet, wie hij ook zal zijn, uit de tenten van Jaäcob, ook al brengt hij offer aan de Heer der heerscharen.
– In de tweede plaats doet gij dit: gij bedekt met tranen het altaar des Heren, onder geween en gezucht, omdat Hij Zich niet meer tot het offer wendt, noch het uit uw hand aanneemt als Hem welgevallig. En dan zegt gij: Waarom? Omdat de Heer getuige geweest is tussen u en de vrouw uwer jeugd, aan wie gij ontrouw geworden zijt, terwijl zij toch uw gezellin en uw wettige vrouw is.

       Niet een doet zo, die voldoende geest bezit, want wat zoekt die ene? Het zaad Gods? Weest dan op uw hoede voor uw hartstocht, en dat men niet ontrouw dient te worden aan de vrouw van  zijn jeugd. Want Ik haat de echtscheiding, zegt de Heer, de God van Israël, en dat men zijn gewaad met geweldpleging overdekt, zegt de Heer der heerscharen.

Daarom, weest op uw hoede voor uw hartstocht en weest niet ontrouw.

Gij vermoeit de Heer met uw woorden. En dan zegt gij: Waarmee vermoeien wij Hem? Doordat gij zegt: Ieder die kwaad doet, is goed in de ogen van de Heer en aan hen heeft Hij een welgevallen; waar is anders de God van het Recht?Maleachi 2: 1-17.

Het gaat hier om ‘de belijdenis van een uitverkoren Volk‘ van een onfeilbare Goddelijke Openbaring, het beste karakteriseert dit Volk boven alle anderen en tot absolute Gehoorzaamheid aan deze Éne God, moet degene zijn koper  rechtvaardigen in een overvloed aan bijzondere wetten, toegewijde tradities en regelgeving. In feite heeft Jezus, teneinde de boodschap van de vrijheid, de menselijkheid en de liefde te weerleggen, dit geschil over leven en dood aangepakt. 
Het conflict was en is onvermijdelijk.

conflict is onvermijdelijk; conflict is inevitable.

In een religie van uitwendigheid en de buiten-wereldse besturing vallen alle zaken van de Waarheid blijkbaar verkeerd, institutioneel wordt alles goed beschermd en bewaakt men een ritueel, gewoon door van buitenaf te worden voorgeschreven met een goedkoop tarief en komt men aldus tot overeenstemming en bepaald dat het nog functioneel is ook. Alle dingen lijken er blijkbaar in òp te gaan ​​en te zorgen dat àlle mogelijke twijfels worden vermeden, men doet op deze wijze àlle zorgen voor elk individu in de organisatie verdwijnen en een dergelijk religieus systeem heeft daarmee àlles, maar dan ook àlles in zijn geestelijke greep, en aangezien er geen vragen meer zijn, wordt voorkomen dat alles niet zou beantwoorden aan de bestaande Traditie.

Eigenlijk moest alles gewoon voortgezet worden en wee de herrieschoppers, die dat zouden willen voorkomen! Zo’n religie ligt daar als een witte lappendeken over het [drassig] winterlandschap onder de sneeuw. Ze is schoon en opgeruimd; overal is de aarde hard en koud bevroren; zelfs de meren en rivieren kunnen veilig worden bewandeld en de hemel wordt door het ijs weerspiegeld onder de noordenwind; een en al verkilling.
Niets ademt nog een spoor van de drassige bodem, de koude en verharding transformeert de grond van slijk en moeras, voorkomt dat rivieren overstromen,
opent mogelijkheden voor zee en de bevroren meren, totdat er niets meer waarneembaar is, overduidelijk gemarkeerd en op het eerste gezicht duurzaam lijkt. Is de menselijke vrijheid volgens deze beschrijving geen chaos,
een vreselijk aanzicht voor alle fatsoenlijke mensen, die voor de gek worden gehouden?
Maar juist deze lentewind wenste onze Heer en Verlosser, ja, Hij belichaamde die geestelijke wind. Hij heeft er zelfs nog iets aan toegevoegd:
Hij beschouwt Zichzelf, zijn hele levensopdracht, als een Vuur dat uit de hemel komt en uiteindelijk zal ontbranden, met alle passie en de daarbij behorende consumerende sintels.
      Vuur ben Ik komen werpen op de aarde en wat is Mijn Wil, als het reeds ontstoken is?
Ik moet gedoopt worden met een doop, en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is. Meent gij, dat Ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen?
Neen, zeg Ik u, veeleer verdeeldheid
Luc.12: 49-51.
      Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt. Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt.
       En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid, Die Ik bij U had, eer de wereld was. Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt.
Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben uw Woord bewaard.
       Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.
       Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U en al het Mijne is het Uwe en het Uwe is het Mijne en Ik ben in hen verheerlijktJohn.17: 3-10.

“Heer, Gij hebt mij op Uw pad gezet en mij de toegang tot Uw Hemels Koninkrijk niet ontzegd”.

David noemt God Heer; Utrechts Psalter, blz 52; Ο Δαβίδ καλεί το Θεό του Θεού Utrecht Psalter, σελ. 52; David calls God Lord; Utrecht Psalter, p. 52; 46/5000
داود يدعو الله رب. أوترخت مزامير ، صفحة 52.

Barmhartigheid en recht wil ik voor U zingen, Heer; ik wil psalmzingen en wijs zijn op een vlekkeloze weg.
Wanneer zult Gij tot mij komen? Ik heb gewandeld in de onschuld van mijn hart in het midden van mijn huis.
Geen slechte daden duld ik voor mijn ogen: die overtredingen begaan heb ik steeds gehaat.
Geen bedorven hart hangt mij aan: die van mij afwijkt naar het kwaad wil ik niet
kennen.
Wie heimelijk zijn naaste belastert, die heb ik uitgedreven.
Wie trots zijn van oog en onverzadiglijk van hart, met hen houd ik geen maaltijd.
Mijn ogen zijn op de getrouwen van het land; ik doe hen bij mij wonen.
Wie wandelt op de vlekkeloze weg, die mag mijn dienst verrichten.
In het midden van mijn huis mag niemand wonen die hoogmoed bedrijft, wie onrecht spreekt geldt niet als recht in mijn ogen.
Reeds s’morgens heb ik alle zondaars van het land gedood, om uit de stad des Heren allen die onrecht doen te verdelgenPsalm 100[101] vert. ROK ‘s-Gravenhage.

Bij ‘Heer, ik roep’ van de Vespers:
tn.6.
Komt gelovigen, laat ons vol ijver werken voor de Meester,
want Hij verdeelt rijkdommen onder Zijn dienaren [slaven]
Laat ieder van ons het hem geschonken talent naar vermogen vermeerderen,
zodat de een door goede werken wijsheid verwerft, terwijl
de ander uitblinkt door Liefde tot de naaste;
laat de gelovige het Woord meedelen aan wie nog niet is ingewijd;
laat een ander zijn rijkdommen uitstrooien onder de armen.
Want zo vermenigvuldigen wij wat ons geleend is en
zullen wij, als trouwe rentmeesters der Genadegaven,
waardig worden geacht voor de Vreugde van de Meester.
Verleen ons dàt Christus God, als de Menslievende“.  [herhalen]

tn.6.
Wanneer Gij in heerlijkheid zult komen, met de machten der Engelen
en zult zetelen , Heer, op de rechterstoel:
zonder mij niet af, Goede Herder;
bij U zijn immers de wegen aan de rechterhand, maar die ter de linkerzijde zijn verkeerd.
Laat mij, die door zonde hard geworden ben, niet met de bokken verloren gaan,
maar tel mij bij de schapen aan Uw rechterhand,
en red mij in Uw menslievendheid“.

Eer . . . nu en altijd . . .
tn.7.
Zie mijn ziel, het talent dat de Meester jou toevertrouwt:
ontvang de Genadegaven met bevreesdheid.
Leen aan Hem, Die ze jou geschonken heeft,
en doe wel aan de armen om de Heer tot Vriend te maken;
op jij moogt staan aan Zijn rechterhand wanneer hij komt in Heerlijkheid,
opdat je de zalige stem mag horen zeggen:
Trouwe dienaar [slaaf] ga binnen in de Vreugde van uw Heer.
Acht mij daartoe waardig, hoewel ik ben afgedwaald,
Verlosser, in Uw Grote Genadegaven“.