21e Zondag na Pinksteren – Keer terug naar uw huis en verhaal al wat God u gedaan heeft

      En zij voeren naar het land der Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt.
Toen Hij aan land gegaan was, kwam Hem een man uit de stad tegemoet, die door boze geesten bezeten was, en sinds lang had hij geen mantel meer aan en woonde niet in een huis, maar in de graven.
     Toen hij nu Jezus zag, stiet hij een kreet uit en hij viel aan zijn voeten en sprak met luider stem: Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik smeek U, dat Gij mij niet pijnigt. Want Hij gaf de onreine geest bevel van de man uit te varen. Want menigmaal had de geest hem met geweld meegesleurd, en om hem te bewaken werd hij met ketenen en voetboeien geboeid, maar hij brak de boeien stuk en werd door de geest naar eenzame streken gedreven.
     En Jezus vroeg hem: Wat is uw naam? Hij zei: Legioen; want vele geesten waren in hem gevaren. En zij smeekten Hem, dat Hij hun niet gelasten zou in de afgrond te varen.
Nu werd op de berg een talrijke kudde zwijnen gehoed; en zij smeekten Hem, dat Hij hun zou toestaan daarin te varen. En Hij stond het hun toe. En de geesten voeren uit die mens en voeren in de zwijnen en de kudde stormde langs de helling het meer in en verdronk.
     Toen de hoeders zagen wat er gebeurd was, namen zij de vlucht en berichtten het in de stad 
en op het land. En de mensen liepen uit om te zien wat gebeurd was, en zij kwamen bij Jezus en vonden de mens, van wie de boze geesten uitgevaren waren, aan de voeten van Jezus zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, en zij werden bevreesd.
     En zij, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene genezen was.
     En de gehele bevolking van de streek der Gerasenen vroeg Hem, of Hij van hen wilde weggaan, want zij waren door grote vrees bevangen.
En Hij ging in het schip en keerde terug.
En de man, van wie de boze geesten uitgevaren waren, verzocht Hem bij Hem te mogen blijven. Maar Hij liet hem heengaan en zei:
  Keer terug naar uw huis en verhaal al wat God u gedaan heeft’. En hij ging de gehele stad door verkondigen al wat Jezus hem gedaan hadLuc.8: 26-39.

      wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der Wet, maar door het Geloof in Christus Jezus, zijn ook zelf tot het Geloof in Christus Jezus gekomen, om gerechtvaardigd te worden uit het geloof in Christus en niet uit werken der wet. Want uit werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden.

Jezus Christus, de uiteindelijke Rechter, over de mens

            Maar indien wij, trachtende in Christus gerechtvaardigd te worden, ook zelf zijn gebleken zondaars te zijn, staat Christus dan in dienst der zonde? Volstrekt niet.
Immers, indien ik hetgeen ik afgebroken heb, weer opbouw, bewijs ik daardoor, dat ik zelf een overtreder ben. Want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te leven.
Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, [dat is], niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegevenGal.2: 16-20.

Verlost“, dankzij ‘Christus‘ en                           niet dankzij “de Wet“;
.

In tegenstelling tot zovele anderen aan wie Jezus het tegenovergestelde zegt, beveelt Jezus deze mens te gaan vertellen wat hem in zijn leven is overkomen.
Waarom?
Waarschijnlijk omdat deze man niet Joods was en de mensen in zijn familie geen verwachtingen van de Messias zouden hebben gehad.

Wij weten het niet zeker, maar waar we wel zeker van kunnen zijn is dat:.
Onze Heer en Verlosser ons heeft gevraagd anderen te vertellen wat Hij gedaan heeft om ons ter wille te zijn”.
Laten we deze opdracht derhalve serieus nemen.
Ga er maar eens voor zitten en schrijf alle positieve dingen, die jij in je leven ‘om niets’ hebt ontvangen om jouw leven te zegenen.
Herhaal dit vaak genoeg voor jezelf om dit met anderen te kunnen delen indien je het zo God het je geeft nodig hebt om anderen te motiveren.
Bid vervolgens dat God jouw de ogen opent voor de mensen om je heen
die wachten om dit goede nieuws via jouw mond te mogen horen!
  Daar wij nu een grote Hogepriester hebben, Die de Hemelen is doorgegaan,
Jezus Christus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden

Hebr.4: 14.
Denk bij je overweging dat Christus ons ‘ALLES’ gegeven heeft en dat wij derhalve eenieder, die ons iets vraagt tegemoet dienen te komen.

De goede & trouwe knecht

Het zou immers zo kunnen zijn dat ons verweten wordt dat wij als de mens zijn, die een torenhoge schuld dient af te lossen bij de Koning bij Wie hij/zij in dienst is, maar niets heeft om de koning terug te betalen.
Dat is immers voor ieder van ons de situatie waarin wij ons bevinden en wat gebeurt der vervolgens, wanneer je je medemens niet liefdevol terwille bent – iedere toehoorder van deze gelijkenis [Matth.8: 23-35] begint een diepe afkeer te krijgen van die dienaar, die zo ondankbaar handelt en zo onbarmhartig is tegenover de ander.
Had hij dan niets geleerd van zijn eigen situatie?
De andere man is ontdaan van de harde opstelling van zijn mede-broeder.
De basis voor redding is God’s Woord en dat dient toegepast te worden door middel van ons Geloof.
Vervolgens zijn er twee dingen die we dienen te doen – het eerste met ons hart en het tweede met onze mond of onze pen/computer.
We dienen te geloven vanuit ons hart, maar vervolgens dient dit te blijken door de wijze waarop wij het Geloof belijden, door het te doen – het dient dus met onze handen -in doen en laten- beleden te worden en wanneer het de mensen opvalt en je erop aangesproken wordt dienen wij het uit te spreken, met onze mond.
Het is goed om met je hart te geloven, maar Geloof alleen is niet voldoende, dat blijkt al in het eerste Verbond, waar dit als gebod wordt opgelegd:
      Het is voor u niet te moeilijk [het vereist weinig inspanning] en het is niet ver weg [van u verwijderd]. Het is niet [hoogdravend] in de hemel, zodat gij zoudt moeten zeggen: ‘Wie zal opstijgen ten hemel, het voor ons halen en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?’.
En het is niet aan de overkant der zee, zodat gij zoudt moeten zeggen:
’ Wie zal oversteken naar de 
overkant der zee, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?’.
       Maar dit Woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te volbrengen. Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwadeDeut. 30: 11-15.
    Wanneer dan al deze dingen over u komen, de zegen en de vloek, die ik [Mozes] u voorge-houden heb,
en gij dit ter harte neemt te midden van al de volkeren, naar wier gebied de Heer, uw God, u verdreven heeft;
en wanneer gij u dan tot de Heer, uw God, bekeert en naar zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebied, gij en uw kinderen, met geheel uw hart en met geheel uw ziel;
Dàn zal de Heer, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen; Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volkeren, naar wier gebied de Heer, uw God, u verstrooid heeftDeut.30:  1-3.
            Dàt is hetgeen ons heden ten dage duidelijk wordt gemaakt: “We dienen het niet alleen maar te geloven en het de rest van de week maar voor gezien achten”, maar wij dienen te geloven met

Geloven met hart en ziel.
Op zondag vrijmoedig belijden met onze mond, zodat onze woorden overeenstemmen met Gods Woord.
Vanaf het Mysterie van de Doop werd ons via de Geloofsbelijdenis de voorwaarden van het Verbond met Christus voorgehouden – het bracht ons in in relatie met onze Heer Jezus Christus als de hogepriester, maar Zijn voortdurende bediening voor ons als Hogepriester hangt af van onze onophoudelijke belijdenis van dit Geloof, -in doen en laten-.
Dat dit niet door iedereen zo wordt beleefd en dat er veel kaf is onder de volgelingen van Christus behoeft slechts te observeren wat er de afgelopen dagen in de orthodoxe wereld is gezegd en geschreven in verband met de controverse rond de Oekraïense crisis.
                     Jonge mensen leven tegenwoordig in een wereld vol technologie, terwijl ze geen regelmatige menselijke relaties en communicatie hebben, en dat ze zich ondanks dat vaak eenzaam voelen.
Wij kunnen in sociale netwerken contact opnemen met de gehele wereld, hebben een zee van volgers, maar voelen een verschrikkelijke dorst naar een ontmoeting met een levend Persoon”.
            Echter iedereen, die de chaos aanschouwt, welke momenteel in de Orthodoxe Kerk [ook, die hier in de Lage Landen] verneemt is geschokt over het lage theologisch niveau van onze [hoofd-]toezichthouders en degenen die als ontwikkeld, hoger geschoold dienen te worden beschouwd.
Men kan niet anders dan ach en wee klagen over het feit dat zij wegzakken in een taal van mobilisatie,  een steriel debat om de een of andere positie te rechtvaardigen en de manier waarop hun hofdichters –de toezichthouders van de gemeenschappen– dit stilzwijgend goed te keuren, ja, hetzelfde gedrag kopiëren – en een dreigende houding aannemen indien je hen van onwaarachtig gedrag beschuldigt.
De gemiddelde gelovige kan zich alleen maar afvragen waarom degenen die zich als verantwoordelijke dienen te gedragen voor het behoud van eenheid niet trachten de scheuren te repareren in plaats van hun toevlucht te nemen tot geschiedenisboeken om hun houding en het nieuwe schisma te rechtvaardigen.
                Waarom negeren ze het doel van de officiële posities en studies die hun lokale kerken hebben voorbereid over het probleem van Autocefalie [de nationale organisatie van de Kerk per land] en hoe dit dient te worden uitgeroepen?
[Het uit het Grieks afkomstige woord ‘autocefaal’ betekent letterlijk ‘met een eigen hoofd’; een autocefale kerk wordt door alle leden van de gemeenschap beschouwd als zelfstandig en is aan géén enkele andere kerk verantwoording schuldig]
               Waarom publiceren zij deze studies voor het publiek in plaats van elkaar te beconcurreren teneinde eeuwenoude documenten te publiceren en beleggen ze Pan-Orthodoxe Concilies – worden we zoet gehouden door hun onmogelijk gedrag?
               Hoe kan een Kerk iets zeggen en het tegenovergestelde ervan aan de dag leggen?
Hoe kan een Kerk haar officiële interpretatie en consistente analyse van de kwestie autocefalie ontkennen in het belang van een kortstondig project?
              Hoe kunnen spelleiders in alle lokale kerken niet de vinger op de zere plek leggen wanneer bepaalde personen de nagedachtenis afleggen van de resultaten van de inspanningen die generaties hebben geleverd om een gemeenschappelijke aanpak te vinden voor autocefalie?

In God’s Naam,
Stop met het aanwakkeren van de vlammen van onenigheid!
Stop met het wandelen op de rand van de afgrond!
Stop een struikelblok te vormen voor de gelovigen en een lachertje voor de hele wereld!
Stop met het misbruiken van de Naam van God [het vloeken in de Kerk], door Voor- en Kerkvaders aan te halen en je eigen adviesraden voor het karretje te spannen van je duivelse projecten!

de Heer arriveert in een stad in het land Gadarin en ontmoet een demonische man die geen [doop-]kleren droeg en woest door de wildernis wandelde.
                In de ogen van God en van de geschiedenis zullen degenen die op scheuring uit zijn en degenen die zich laten misleiden slechts dienstknechten van de prins van deze wereld zijn en zich van wereldse wapens bedienen; Geld, Heersen als een wereldse Macht en stiekem gedrag aan de hand van een politieke agenda.
♥︎                  O, Heer Jezus Christus, hoofd van de Gemeenschap, die naar u genoemd is, doe deze afdaling naar het hellevuur stoppen.
♥︎                 Waar zijn de volgelingen van Degene die de mond vòl hadden van Oecumene en Raad van Kerken, opdat wij Volgelingen van Christus allemaal één zouden kunnen worden?
      Wij zijn schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven.
Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zult gij leven.
Want allen, die [slechts] door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen God’s.
Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: ‘Abba, Vader’ [vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen].
Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in Zijn lijden, is dat om ook te delen in Zijn verheerlijkingRom.8: 12-17.
En ten slotte:
“       Weest allen eensgezind, medelijdend, hebt de broeders lief, weest barmhartig en ootmoedig, en vergeldt geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegent integendeel, wijl gij hiertoe geroepen zijt, dat gij zegen zoudt beërven.                                                                                                 Want: wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, dient zijn tong te weerhouden van het kwade, en zijn lippen van bedrog te spreken; hij dient af te wijken af van het kwade en het goede te doen, hij dient de Vrede te zoeken en die na te jagen, want de ogen des Heren zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun smeking, maar het aan-gezicht des Heren is tegen hen, die het kwaad doen.
En wie zal u kwaad doen, als gij u beijvert voor het goede?
Al moest gij lijden om de gerechtigheid, toch zijt gij zalig.
Doch vreest niet voor hun dreiging, en laat u niet verschrikken.
Maar heiligt de Christus in uw harten als Heer [en Meester], altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de Hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze, en met een goed geweten, opdat bij al het kwaad, dat men van u spreekt, zij die uw goede wandel in Christus smaden, beschaamd gemaakt worden.
Want het is beter te lijden, indien de wil van God dit eist, goed doende dan kwaad doende.             Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen:
Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de Geest

1Petr.3: 8-17.

 

          Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Heilige Geest,          is verschenen aan de engelen,                             is verkondigd onder de heidenen,                     geloofd in de wereld,                              opgenomen in Heerlijkheid.

God is niet op Macht belust
God is Liefde:
Dat is niet macht’s belust de scepter zwaaien ten einde invloed en algemeen beheer via juridische constructies naar je toe te trekken. Niet voor niets wordt in de Apocalyps de Ontuchtige van Babylon genoemd, die zich verlustigt aan àl wat werelds is.
God is Liefde:
Waar is de Kerk mee bezig dat zij òf bezig is met kapitaalvorming òf zich via Stichtingen tracht haar toekomst te verzekeren?
God is Liefde:
Waar is het volmaakte offer, het pad van de jeugd?
               In het afremmen van snelheid en bewuste keuze voor langzaam aan [ascese] bemerkt de mens opnieuw de dingen om zich heen en weet zijn levensdoel trefzeker [haarfijn] te duiden.
Tegelijkertijd wordt in het gebed de blik naar binnen gericht en zullen er vanzelfsprekend stiltes vallen.
Het gaat daarbij niet
– over wat hoort of wat vaststaat, maar
– over de wonderlijke wandelingen van de geest, over de slingerende wegen van het leven,
– over  wat men bedoelde maar net niet zei of net niet kon verwoorden,
– over een gebaar, een gemis, over de verdeeldheid in ieders hart en hoofd.                                   Het pad van deugd staat ‘altijd‘ in het centrum; is ‘altijd‘ in evenwicht. Je kunt eenvoudig niet naar rechts of links zwaaien, je hebt geen behoefte aan Jurisische Bijstand om jezelf te verdedigen.
De uitersten, zowel goed als slecht, komen altijd uit de boze,                                                                hoe verleidelijk ze ook mogen lijken.
Gebaseerd op Abba Dorotheos van Gaza

Keer terug naar uw Huis, het Lichaam van Christus en verhaalt allen slechts al datgene wat God u gedaan heeft.
De Kerk, de voortzetting van de Blijde Boodschap aan ‘alle‘ Volkeren werd er door de logica van het Geloof toegebracht de ogen te richten op zeer verre einden en uit te zien naar een toekomstige handeling van God, die veel meer behelsde dan alles wat de individuele vrome ooit kon hopen te verstaan.
In de eerste plaats bracht de logica van het Geloof van de Kerk God’s kunstgenoten niet tot het Geloof in de onsterfelijkheid van de ‘ziel
zij wisten immers dat zij die ‘bezaten’, in zich bij de Schepping meegekregen hadden –
maar in de wederopstanding van de gehele נפסג ‘Hebr.= Nefesj’, die zij, naar zij wisten, ’waren’.
      Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de zielLev.17: 11.
Met andere woorden wij zijn als mensen stof en zullen tot stof wederkeren. Vanuit het samengaan van God’s Geest en klei ontstond iets volkomen nieuws; verbindt u als aards stof derhalve met God’s Geest en wordt weer gelijk aan Zijn Beeld, opdat allen in éénheid zullen belijden, dat Hij spoedig wederkomt en alles zal herstellen, hetgeen de mens door de duivel verleidt [in het wereld’s bestaan en de Kerk] heeft stukgemaakt.
Toen zei de profeet: ‘Luister, dit zegt de Heer over Zerubbabel [Hebr.= geboren in Babel, d.w.z. Babylon]: Niet door eigen kracht of macht zal hij slagen – zegt de Heer der Hemelse Heerscharen – maar met de hulp van Mijn Geest’Zacharia 4: 6.

 Psalm 85[86]
      Heer, neig Uw oor en verhoor mij, want ik ben arm en behoeftig.
Behoed mijn ziel, want ik ben U gewijd; mijn God, red Uw dienaar die op U vertrouwt. Ontferm U mijner, o Heer, want heel de dag roep ik tot U.
Schenk vreugde aan de ziel van Uw dienaar, want tot U verhef ik mijn geest.
Schenk vreugde aan de ziel van Uw dienaar, want tot U verhef ik mijn geest.
Gij, Heer, zijt immers goed en zachtmoedig, en rijk aan barmhartigheid voor ieder die U aanroept.
Leen Uw oor, Heer, aan mijn gebed; geef acht op de stem van mijn smeken.
Toen ik beproefd werd heb ik tot U geroepen, omdat Gij mij altijd verhoort.
Uws gelijke is er niet onder de goden, Heer: niets evenaart Uw werken.
Alle volkeren die Gij gemaakt hebt, Heer, zullen komen en voor U neervallen; zij zullen Uw naam verheerlijken.
Want Gij zijt groot en Gij doet wonderen: Gij alleen zijt God.
Heer, leid mij op Uw weg, opdat ik voortga in Uw waarheid.
Moge mijn hart zich verheugen, door het vrezen van Uw Naam.
Ik wil U belijden, Heer mijn God, uit heel mijn hart; ik wil Uw naam verheerlijken in eeuwigheid.
Want Uw barmhartigheid is groot over mij: Gij hebt mijn ziel ontrukt aan de afgrond van de hades.
God, de overtreders zijn tegen mij opgestaan, de samenscholing der machtigen belaagt mijn ziel: want zij houden U niet voor ogen.
Maar Gij, Heer mijn God, zijt Goedertieren en Barmhartig: Grootmoedig, rijk aan Genaden, en Waarachtig.
Zie op mij neer, ontferm U over mij, geef kracht aan Uw dienaar; red de zoon van Uw dienstmaagd.
Doe aan mij een teken ten goede, opdat zij die mij haten, het zien en beschaamd staan.
Omdat Gij, Heer, mijn Helper zijt, Die mij hebt getroost”.
Psalm 85[86] vert. ROK ’s-Gravenhage

Apolytikion     tn.4.
  Nadat zij de Blijde Boodschap van de Opstanding
en van de Bevrijding van de veroordeling van de Stamhouders
uit de mond van de Engel gehoord hadden,
riepen de Myron-draagsters jubelend tot de Apostelen:
Vernietigd is de dood, Christus de Heer is opgestaan,
en heeft aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.4.
  Mijn Heiland en Verlosser
heeft als barmhartige God de aardgeborenen opgewekt,
uit de ketenen van het graf.
Hij heeft de poorten van de hel verbrijzeld
en is als Gebieder na drie dagen verrezen
”.

Theotokion     tn.4.
  Het van eeuwigheid verborgen en aan de Engelen onbekende Mysterie,
is door U aan de aardbewoners openbaar geworden, Moeder Gods:
in onvermengde eenheid is God vlees geworden
en heeft Hij om ons het Kruis op Zich genomen.
Daardoor heeft Hij de Eerst-geschapene weer opgewekt
en onze zielen uit de dood verlost
”.

Oktober de 15e – Heilige Lucian van Antiochië

H. Lucian, gedragen door de Heilige Geest, is hij ons tot voorbeeld geworden; لقد أصبح القديس لوسيان ، الذي يحمله الروح القدس ، مثالاً لنا;  Ο Άγιος Λουκιανός, που μεταφέρεται από το Άγιο Πνεύμα, μας έχει γίνει παρά-δειγμα; Saint Lucian, carried by the Holy Spirit, he has become an example to us.

De Heilige Lucian van Antiochië, die leefde van ca. 240 tot 312) is ook wel bekend als Lucianos de Martelaar en was naast spelleider/priester voor de hem toegewezen gemeenschap, theoloog  en  martelaar. Hij is alom in de Kerkelijke wereld bekend geworden vanwege zij studiezin en gedreven ascetische vroomheid.

Afgaand op de uit de oude 10e eeuwse mediterrane wereld bekende encyclopedie Soudas  [Σούδας]  of Souidas [Σουίδας vernoemd naar haar auteur, werd Lucian geboren in Samosata, Kommagene gelegen in Syrië , uit een gezin van christelijke ouders en werd hij opgeleid in de naburige stad Edessa aan de opleiding van Macarios van Mesopotamië.
De grootste en laatste Romeinse vervolging van christenen begon in het jaar 303 onder de keizer Diocletianus. Lucian werd gearresteerd in Antiochië en afgevoerd naar de keizerlijke stad Nicomedia, waar de keizers vaak met hun hofhouding verblijf hielden.

• Eusebius schreef dat: “… in de aanwezigheid van de keizer, verkondigde hij het Hemelse Koninkrijk van Christus, eerst in een mondelinge verdediging, en daarna ook door daden” [Ecclesiastical History, 13, 2].
Lucian zat negen jaar gevangen, waarbij hij de andere christenen met hem aanmoedigde standvastig te blijven in hun belijdenis van Christus. Hij leed zowel de marteling als de honger, omdat hij het enige voedsel weigerde dat hem werd gegeven, vlees dat was aangeboden was aan Romeinse afgoden toegewijd.
• De vierde-eeuwse geschiedenis van Philostorgios van Cappadocië vertelt dat Lucianus, toen hij op zijn rug in de gevangenis werd gebonden en vastgeketend, de Goddelijke Mysteriën [H. Communie] op zijn eigen borst wijdde en de gelovigen die aanwezig waren liet meedelen in de ontmoeting met de Heer.

H. Lucian de Martelaar van Antiochië

Lucian stierf op 7 januari 312, tegen het einde van de laatste grote vervolging van christenen door de Romeinse autoriteiten. Zijn lichaam werd meegenomen naar Drepanum (later omgedoopt tot Helenopolis door Constantine ter nagedachtenis aan zijn moeder) en werd onmiddellijk vereerd door de kerk van Antiochië en elders. In een preek op zijn feestdag in 387 spoorde H. Johannes Chrysostomos de christenen aan zijn voorbeeld te volgen:
Hij minachtte de honger. Laten we ook luxe bespotten en de heerschappij van de maag vernietigen; dat we, wanneer de tijd rijp is om ons aan zulke martelingen te ontmoeten, van tevoren voorbereid zijn, met de hulp van een mindere ascee, om ons waardig te zijn van glorie in het uur van de strijd”.

De H. Lucian van Antiochië wordt op 7 januari in het Westen gevierd. Toen het feest van de Theophanie in de oosterse kerken werd uitgebreid door de herdenking van Johannes de Doper op die dag, werd zijn feest verplaatst naar 15 oktober.

Lofzang uit de Vespers voor deze heilige martelaar
    U hebt de gelovigen standvastig gemaakt en
hen verrijkt door uw geloof en het betoog van de kennis van God, zodat
zij moedig de woede van de tiran zouden kunnen verduren,
terwille van het onvergankelijke leven dat zal komen.
Daarom noemen wij u gezegend, o rechtvaardige glorieuze Lucian
en vieren we vandaag uw goddelijke stemmigheid
”.

H. Lucianos, hieromartelaar; Αγίου Λουκιανού του ιερομάρτυρα.

De theologische positie van Lucian is een onderwerp waar nogal wat onenigheid over is. Pogingen om zijn theologie uit de bestaande bronnen te reconstrueren hebben tot tegenstrijdige resultaten geleid.
Omdat Arius in een brief aan Eusebius van Nicomedia schreef als “συλλουκιανιστές” [d.w.z. navolgers van de theologie van Lucian] wordt zijn theologie geassocieerd met de Ariaanse controverse.
Toch wordt de H. Lucian beschouwd als een belangrijke voorstander van de bijbelse interpretatie in de Traditie die bekend staat als de “School van Antiochië”.  Terwijl in het belangrijkste centrum van de bijbelstudie, Alexandrië, de allegorische interpretatie van de Schrift werd bevorderd, benadrukten Antiochiaanse schrijvers een méér letterlijke interpretatie van heilige teksten.
Ze gebruikten ook typologie om latere teksten een basis te geven [te bewortelen]  in samenhang met eerdere onthullingen. Deze stijl zou in de bijbelstudie domineren tot in onze moderne tijd.
Vierde-eeuwse voorstanders van deze school waren Diodoros van Tarsus, Johannes Chrysostomos en Theodore van Mopsuestia.

De Antiochiërs benadrukten ook het onderscheid tussen het menselijke en het goddelijke in de persoon van Christus, terwijl de Alexandrijnen de eenheid van het menselijke en het goddelijke in Hem benadrukten.
In de volgende eeuw zouden uitersten van deze opvattingen worden beschreven als het Nestoriaans ordeningsprincipe [Antiochië]: je begint met een sterk argument, geeft dan enkele zwakke argumenten en eindigt weer met een sterk argument. Dit was 
in tegenstelling tot het Monofysitisch principe [Alexandrië] en het beslissende uitgangspunt worden in respectievelijk de Kerk van het Oosten en de Oosters-orthodoxe kerken.

Zowel de oudtestamentische als de nieuwtestamentische studies vinden voor het grootste deel een basis op grond van de werkzaamheden van Lucian van Antiochië. Hij was bekwaam in zowel het Hebreeuws als de Griekse taal en op die wijze produceerde Lucian een editie van de Septuagint waarin hij de Hebreeuwse tekst gebruikte om de fouten van kopiisten en andere verschrijvingen/interpretaties die in de loop der eeuwen waren binnengeslopen, te corrigeren. Zijn versie werd zéér gewaardeerd door de heilige Hiëronymus, de grootste Latijnse bijbelse autoriteit van die tijd.
Het werd uiteindelijk de voorkeurstekst die werd gebruikt in de Antiochische en Byzantijnse kerken. 
Lucian produceerde ook een editie van het [Griekse] Nieuwe Testament die bekend werd als de “Byzantijnse tekst” die op liturgische wijze in de Grieks-sprekende kerken van het Oosten werd gebruikt.
Eeuwen later zou het de basis zijn van de uitgave van de zestiende-eeuwse Nederlandse geleerde Desiderius Erasmus. Deze versie werd in het Westen algemeen aanvaard als de “door Goddelijke ingreep ontvangen tekst” en werd gebruikt als basis voor vele moderne vertalingen.
Door
 gebrek aan definitief onderbouwde informatie is het onmogelijk om de verdiensten van zijn kritische werkzaamheden nauwkeurig vast te stellen.
De Heilige Lucian van Antiochië geloofde echter in de letterlijke betekenis van de bijbelse tekst en legde aldus de nadruk op de noodzaak van tekstuele nauwkeurigheid. Hij vereenzelvigde zich met zijn roeping om de Septuagint te herzien op basis van het originele Hebreeuws en het resulterende manuscript werd zeer populair in Syrië en Klein-Azië.

Apolytikion     tn.1.
Door het lijden van de Heilige Lucian,
dat hij heeft verdragen om U,
Laat ons verbidden, o Heer,
en genees ons van onze ongerechtigheden,
zo smeken wij U, die alle mensen liefhebt”.

Kondakion     tn.8.
Als fel-schijnende fakkel bent u verschenen,
o goddelijke martelaar Lucian,
en door de stralen van uw wonderen verlicht u heel de schepping.
U hebt ziekten genezen en het die duister voor immer verjaagd.
Bid zonder ophouden voor ons allen tot Christus God”.

 

Orthodoxie & haar uiterlijke bevestiging van het Geloof in Jezus Christus.

      Hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de Hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt bevonden zullen worden.
Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven verslonden zal worden.

1e dag van de Schepping, kapel Palatina te Palermo

       God is het, Die ons juist daartoe bereid heeft en Die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft.
   Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Heer in den vreemde zijn
– want wij wandelen in Geloof, niet in aanschouwen
– maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Heer onze intrek te nemen.
Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn”  2Cor.5: 2-9.

Een Christen is geen navolger van Christus omdat hij/zij over God kan praten.
Hij, zij is een Christen omdat hij/zij de ervaring van ‘God is onder ons’ kan bemachtigen.
En zoals wanneer je ècht van iemand houdt en nadrukkelijk mèt hem praat,
ervaar je dàt, je geniet er van, en dàtgene vindt ook plaats wanneer je
in Gemeenschap leeft [bent] met God.
Er is geen énige relatie, die van buitenaf plaatsvindt, maar
een eenheid van God vindt in de Heilige Geest
in de mens en de mensen onderling plaats
”.
Arch. Georgios abt van I.M. Gregoriou, Athos.

God’s Geest Gods zweefde niet voor niets over de wateren, Hij doet dat nòg stééds bij al diegenen, die door het Mysterie van de doop bekleed zijn met Christus. Wanneer je in aansluiting op deze gebeurtenis stelselmatig -in je binnenkamer-, jouw persoonlijke Tempel, in gesprek gaat met God, zul je ervaren dat Hij je begeleidt op al de paden van je leven.
De ontmoeting van de mens met de Kerk van Christus en het begin van zijn/haar  persoonlijke deelname aan vergoddelijking en regeneratie in Christus zijn vruchten van het Mysterie [RK, Sacrament] van het Doopsel.
Door dit Mysterie wordt de mens gereinigd van zonde en bevrijd van de banden met/van de dood. Tussen zonde en dood bestaat een oorzakelijk verband: de dood kwam in de wereld door de zonde en vanaf dàt moment vormde de zonde het speerpunt/de angel van de dood. Het is onmogelijk om zuivering van de menselijke zonde te herkennen zonder dat hij wordt bevrijd van datgene wat hem blijkt te provoceren.
Zolang de mens zich overgeeft aan de heerschappij van de zonde, is hij/zij aansprakelijk voor zijn of haar dood; wordt zij/hij bedreigd met de dood en gaat hij/zij verder met zondigen.
Dus hoe wordt het haar/hem mogelijk gemaakt om zonder zonde te leven, wanneer haar/zijn aardse gesteldheid hier de oorzaak ervan is?
Welke mogelijkheid van leven blijft de mens over als hij/zij mens in persoon is geworden, betrokken is bij de zonde en er verantwoordelijk voor is, blijft?
Er bestaat geen andere fysieke of morele uitweg uit deze vicieuze cirkel; dan dat het overstegen wordt door het Mysterie van de Doop.
     Door de doop sterft de mens met Christus en is hij/zij met Hem verrezen en is hij/zij met Hem opgestaan in het leven van een nieuwe Hemel en een nieuwe aarde.

Het Mysterie van de doop verenigt  de dood met het leven, je zult eerst sterven, opdat je zult leven, vanuit het graf en door de Opstanding.
Door de dood van de zonde [het sterven] te ondergaan komt de mens binnen in de Goddelijke invloedssfeer van de Genadegaven van de Heilige Geest, welke hem/haar wordt aangeboden door het zegel [de Myronzalving] van de Genade- gaven van de Heilige Geest en de communio, het binnentreden in de Gemeenschap met het Lichaam en Bloed van Christus.
De tegenstrever, de duivel, ‘vindt’ niets in/aan/bij de gedoopte mens.
      Desondanks is zelfs de gedoopte mens van buitenaf onderworpen aan aanvallen van de kant van de duivel, en het juk van de corruptie blijft hem lastig vallen, zeg maar treiteren.
Dit is niet te wijten aan enige onvolkomenheid in de regeneratie van de mens door de Genadegaven van God, maar wordt door God deze mens bij uitstek in de gelegenheid gesteld om zich te gedragen in de opdracht van de zaligheid, om zichzelf voor te bereiden de onsterfelijkheid op zich te nemen en neemt hij/zij daarmee de zegeningen van het toekomstige leven aan.
De doop herinnert de mens niet aan welke erfelijke schuld dan ook, zoals de Heilige Augustinus van Hippo verkondigde en met hem, de gehele Traditie van het Westen,  maar herinnert de mens aan de kracht van de dood, die in de wereld kwam door de zonde en hier de oorzaak van is.
Door het Mysterie van de Doop – zo wordt het door de heilige Cyrillus van Jeruzalem waargenomen, wordt het speerpunt, de angel van de dood vernietigd;
en Gregorius van Nyssa definieert de Doop als de oorzaak van wedergeboorte en regeneratie. Volgens de Heilige Gregorios Palamas hernieuwt de doop de geschapen mens, geeft hem/haar over aan het leven van de nieuwe tijd, die boven de zinnen en de geest uitgaat, en maakt hem/haar deelgeno[te]ot aan het incorrupt handelen en de zondeloosheid.
Door de bij de doop ontvangen Genadegaven, verkrijgt de mens, Datgene wat ‘het Beeld en de Gelijkenis aan God‘ vormt, wordt de mens gezuiverd en verlicht en verwerft hij/zij de Kracht om die Gelijkenis aan God of de vergoddelijking te verwerven, te bereiken, die de val onmogelijk had gemaakt.
Genadegaven [Gr.= X
αρισματα, Charismata] zijn geschenken [om niet] Welke door God via de Heilige Geest worden overgeleverd:

Zowel Man als Vrouw houden de fakkel van Geloof brandende, dankzij de H. Geest

            Maar aan een ieder wordt
de Openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen.
•  
Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken,
• en 
aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest;
• aan de een geloof door dezelfde Geest en
• aan de 
ander gaven van genezingen door die ene Geest;
• aan de een werking van krachten,
• aan de ander 
profetie;
• aan de een het onderscheiden van geesten,
• en aan de ander allerlei tongen,
• en aan weer een ander vertolking van tongen.
Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil“ 1Cor.12: 7-11.

Onze Heer en Verlosser gebruikt het Woord om het Geloof -‘in ons‘- te laten werken, te laten opgroeien, volwassen te laten worden. Daarom dien wij als Gemeenschap mensen zijn van het Woord en van niets en niets anders.
Al biddend lezen en bestuderen van het Woord en daarbij om het Getuigenis van de Heilige Geest te vragen, Die ons het Goddelijk inzicht geeft [het ‘Thabor’- Licht onthult], Die ons het een en het ander openbaart en die ons allen onderwijst.
Het gaat daarbij niet om jezelf blind te staren op je eigen vermeende vermogen om te geloven, of je onvermogen om tot geloof te komen.
Het gaat daarbij niet om wat je bezit, aan wat je in het verleden gekregen hebt, of wat je allemaal nog wel niet zou kunnen doen om het Hemels Koninkrijk te verwerven.
Bidt daarom slechts om de Genade van het Geloof, Jezus Christus, te mogen ontmoeten, te zien. Om te mogen zien en te mogen geloven wat Hij heeft gedaan en wat Hij met je kan en wil doen, dat je er ook gevolg aan mag geven.
De beste daad van het Geloof is: jezelf volkomen te verliezen en verslonden te worden in de volheid van Christus.
En daarom, is ‘God in ons midden, Hij is [er] en zal [er altijd aanwezig] zijn’ en ligt hier een sterke aanbeveling voor het onophoudelijk gebed in stilte [het Jezusgebed]:
Heer, Jezus Christus, Zoon van de levende God, ontferm U over mij, arme zondaar”.
Neem van mij aan dat hetgeen je vraagt je reeds hebt ontvangen – bidt dan ook als zodanig, want Christus heeft Zelf gezegd:
      Men zal u uit uw gebedshuis bannen; ja, het uur komt, dat een ieder, die u doodt, zal menen aan God een heilige dienst te bewijzen. En dit zullen zij doen, omdat zij noch de Vader, noch Mij [als Zijn Zoon her-]kennen. Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer hun uur komt, gij u moogt herinneren, dat Ik ze [tot] u gezegd heb
John.16: 2-4.
En:
      Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der Waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen.
Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen.
Al wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom zei Ik: ‘Hij neemt uit het mijne en zal het u verkondigen’John.16: 12-15.
Op deze manier richt de Heilige Geest Zich niet alleen op ons Geloof als volgeling van onze Heer, Jezus Christus, maar door Christus op de Heerlijkheid van de Heilige Drieëenheid.

Apolytikion doopdienst:
Gij allen, die in Christus zijt gedoopt,
gij hebt u met Christus bekleed, Alleluia“. [3x],
zie bijgaand Pdf:
De Dienst van De Doop en De Myronzalving
uitgave orthodox Klooster in De Peel ❖ geboorte van De Moeder God’s ❖ Asten – Nederland 

20e – Orthodoxie & Liefde is goddelijk, superieur aan cognitieve ontwikkeling

De ontwikkelingsfase van de mens heeft een tijdbestek van meer dan 40 jaar, dat is de reden waarom er over drie deelfasen van een leven wordt gesproken.
– De jongvolwassene 22 tot 40 jaar
– De midden volwassene 40 tot 55 jaar
– De oudere volwassene 55 tot 65 jaar
De jong volwassene verschilt ten opzichte de oudere volwassene. De jong volwassene is vooral gericht op de toekomst en zoekt daarbij  grenzen van zijn mogelijkheden en kansen.

In de ontwikkelingspsychologie worden de ouderen ook in deelfasen verdeeld.
– Jongere ouderen ook wel jong-bejaarden of
actieve ouderen genoemd 65 tot 80 à 85 jaar
– Oudere ouderen ook wel hoogbejaarden of
afhankelijke ouderdom genoemd 80/85 jaar en ouder.
Alle oudere mensen hebben een eigen levensgeschiedenis.
Ontwikkelen is een duurzame en langzame verandering en
er zijn drie manieren van ontwikkelen:
– Door te lichamelijk te groeien
– Door het leren bezitten van theoretische, praktische en sociale kennis en vaardigheden.
– Door rijping ‘ergens aan toe zijn’.

De ontwikkelingspsychologie
Psychologie houdt zich bezig met, de wetenschap die met mensen gedrag bestudeerd. Ontwikkelingspsychologie houdt zich bezig met de ontwikkeling van de mens. Geronto-psychologie is het gedrag- en belevingsverandering bij de ouder wordende mens.
Ontwikkelingsfactoren Ieder mens is uniek en ontwikkelt zich ook uniek.
Niemand is hetzelfde. 
Zo zijn er drie factoren:
– Interne factoren, ieder mens heeft zo zijn eigen mogelijkheden en beperkingen, dat is vanaf de geboorte al bepaald.
– Externe factoren, factoren van buitenaf die de ontwikkeling bepalen.
Bepaalde omstandigheden of een bepaalde omgeving.
– Zelfbepaling de mogelijkheid om een richting te geven aan je eigen ontwikkeling.

De ontwikkelingsfasen van de mens van baby tot oudere:
Ongeboren kind     = 40 weken
Baby / zuigeling     = 0-18 maanden
Peuter                   = 18 maanden- 4 jaar
Kleuter                   = 4-6 jaar
Schoolkind             = 6- 12 jaar
Puber                     = 12-17 jaar
Adolescent             = 17-22 jaar
Volwassenen         = 22-65 jaar
Oudere mens         = 65+ jaar

Voor God is iedere mens Zijn kind

De meesten van ons zijn bekend met het schepping verhaal, hetgeen een door ‘משה’, Mozes [Hebr.= uit het water gehaald] gegeven beschrijving is van hoe God Heel een aarde heeft geschapen [Genesis 1: 1 – 2: 4], vervolgens rustte God ná 6 tijdseenheden scheppen op de 7e dag. Hierbij werd de mens mannelijk en vrouwelijk geschapen en zowel man als vrouw mochten God’s Beeld en Gelijkenis vorm geven en kregen een opdracht waartoe ze volmaakt werden toegerust. Man en vrouw waren dus volkomen gelijkwaardig! Zij kregen samen de opdracht om de aarde te bevolken. Vervolgens komen we in de tuin van Eden, een paradijstuin [Genesis 2: 5-25] een prachtige maar afgeschermde plek waar alles uitbundig groeit en bloeit, waar dieren in alle soorten en maten leven. Misschien was er nog niet een volmaakte orde, maar het is duidelijk dat er in de tuin geen chaos was zoals buiten de tuin nog wel het geval was. Gods bedoeling was dat de tuin zich zou uitbreiden over heel de aarde. En omdat dieren nu eenmaal dieren zijn die een weinig ruime horizon hebben omdat ze niet denken kunnen, schiep God de mens. En die mens kreeg de opdracht om alles zo te regelen en te beheren dat op termijn de hele aarde een tuin van Eden geworden zou zijn. Tussen de schepping van Adam en Eva zit een bepaalde tijd.

Schepping van de mens, Adam & Eva, vanuit het stof

In Z’n onnoemlijke Wijsheid schept God eerst de man Adam. Deze krijgt de opdracht om alle dieren een naam te geven [te classificeren om ze een geschikte plek te kunnen toewijzen].
Hij, Adam, krijgt ook het verbod te horen dat hij niet mag eten van de boom ‘van kennis van goed en kwaad’ en dat hij bij overtreding van dit gebod onherroepelijk zal sterven.

Adam gaat vervolgens aan het werk. Zoals we later lezen kwam God gewoonlijk aan het einde van de middag naar de aarde. Tijd voor overleg, het begin van sociaal overleg.
Adam doet verslag en stelt z’n vragen en doet voorstellen. God en Adam wandelen samen. Ze hebben de tijd voor elkaar en genieten van de Schepping. 
Adam ontdekt dan dat hij niet zoals de dieren een ‘soortgenoot’ heeft met wie hij kan optrekken. Hoe lang Adam alleen geweest is, weten wij niet. Maar het is duidelijk dat Adam al een stuk levensgeschiedenis achter de rug had toen God besloot om aan hem een helper te geven.
God schiep een vrouw en bracht haar naar Adam.  Adam was dolgelukkig en noemde haar Mannin [vrouw, virago, heldin, pas na de zondeval zal ze Eva (Hebr.=
חוה, Chavah), levengevende genoemd worden] vanwege het feit dat dit prachtige schepsel gebouwd was uit een rib van de man en zo vlees van zijn vlees en been van zijn been vormde.
Het was volop genieten voor hen beiden, en dus ook voor God.
Hier zijn twee mensen die niet zonder elkaar ‘kunnen’ en ook niet ‘willen’ en die leven en werken mogen ‘delen’ als vertegenwoordigers van de Schepper op aarde.
Adam en Eva vormen als God’s kinderen beiden het beeld van God en zijn volkomen gelijkwaardig – ook in de keuzes, die ze maken en als zodanig zijn zij vrij om te doen en laten wat zij willen, naast de ‘levensboom’ was er echter een beperking van hun vrijheid via de boom ‘van kennis van goede en kwaad’.
De tweede boom eist onze aandacht op en doet ook allerlei vragen in ons opkomen. Wat doet hij daar in het paradijs, een plaats ongestoord door de zonde?  Er dient in de volkomenheid van de schepping een boom te zijn die werkelijk het kwaad [zij het tezamen met het “goede”] vertegenwoordigt?
En is de plaatsing van zo’n boom zuiver om die eerste mensen op de proef te stellen? Had deze boom slechts zo’n negatieve functie?

Dit zijn vooralsnog “gedachten”, dat wil zeggen, geen afgerond wetenschappelijk onderzoek, maar een poging om een en ander, zij het deels wat speculatief, een mogelijke verklaring te geven. Wanneer de boom “van de kennis van goed en kwaad” zuiver als een beproeving van Adam en Eva beschouwd wordt, ligt het voor de hand om de naam te doen slaan op deze beproeving. De uitslag ervan zal de “kennis” leveren over de vraag of Adam en Eva “goed” dan wel “kwaad” handelen. En toch biedt het Hebreeuws een andere mogelijkheid.
Sowieso mag duidelijk zijn dat deze “kennis” geen intellectuele kennis is.
Door van de vrucht te eten zouden Adam en Eva niet ineens gaan begrijpen hoe een offeraltaar te bouwen (“goed”), of hoe een ingewikkelde misdaad te plannen en uit te voeren (“kwaad”) zou zijn.

De uitdrukking “kennis van goed en kwaad” wordt óók in “de boeken van Mozes” op een andere manier gebruikt, namelijk, om volwassenheid tegenover kinderlijkheid als begrip te stellen.
      En uw kleine kinderen, waarvan gij gezegd hebt: ‘ten roof zullen zij zijn, en uw zonen, die op dit ogenblik nog geen kennis hebben van goed en kwaad, die zullen dáár komen, ja, aan hen zal Ik het [Beloofde Land] geven en zij zullen het in bezit nemenDeut.1: 39.
Het draait om het sociale, de emotionele en persoonlijke omgang met God en de mens, een specifiek soort ‘volwassen’- geworden kennis.
In de persoonlijkheidsontwikkeling, de levensloop-psychologie van de mens
draait het voor wat z’n medemensen om:
1.]. In het leven van een volwassene:
– Kinderen krijgen en opvoeden, het werken,
waardoor inkomen wordt vergaard en hoe dit te besteden.
– De relatie met de partner en met de eigen ouders.
2.]. In het leven van de ouderen:
– De relatie met de partner, met anderen, waaronder vrijwilligerswerk
– De relatie met volwassen kinderen en kleinkinderen en het verlies van naasten.
Om goed te begrijpen wat deze boom met omgang’s bewustzijn te maken heeft
dienen we er bij stil te staan dat Adam, en vervolgens ook Eva, uit het stof der aarde geschapen werden met ‘volwassen’ lichamen. Desondanks hadden zij geen enkele levenservaring direct na hun schepping. Zij maakten het proces van het opgroeien van baby tot volwassene zelf niet mee. Indien je hun leeftijd op dag twee van de schepping hebben kunnen schatten, zeg maar pakweg minimaal 22 jaar, waren zij in hun beleving geen volwassenen.

Maar Adam en Eva waren niet in alle aspecten kinderen, zij kregen naast hun volwassen lichamen ook denkvermogens. Vanaf het begin lijkt het erop dat zij op een volwassen manier konden communiceren, zij spraken immers met God.
Indien wij hiermee rekening houden, kan de kennis van goed en kwaad van de bijzondere boom niet bedoeld worden om Adam en Eva onderscheidingsvermogen te geven. Het mag duidelijk zijn dat zij dát vermogen al hadden! Zij kregen een verbod om van die boom te eten. Daaruit wordt verondersteld dat ze ‘het besef hebben’ dat God-ongehoorzaam-zijn “kwaad” is, en dat God-gehoorzaam-zijn “goed” is. Ze hoefden van de boom niet te eten om dat te leren! God-ongehoorzaam-zijn is het jezelf verheffen, alsof je God helemaal niet nodig hebt, dat je zelf wel man’s [mens] genoeg bent om je leven te leiden, zoals jij dat wilt.

Schepping van de mens, Adam, vanuit het stof – Mosaïc. Sicilië Italië 12e eeuw]

En toch vond de Heer het kennelijk nodig om in het begin heel voorzichtig met de mens en zijn partner om te gaan. Ondanks het bevel om de aarde in te gaan [Gen.1: 28] en deze te vervullen, plaatst de Heer Adam en Eva eerst in de bescherming van een gecultiveerde tuin, de plaats die wij kennen als het paradijs.
Het Hebreeuws woord
 גן [hebr.=gan, tuin] suggereert een afgebakende park, bijvoorbeeld door middel van een grote hek, of heg.
Hier dienden Adam en Eva eerst dat nieuwe fenomeen van het leven te ontdekken. Hier moesten zij ook leren hoe zij het land konden cultiveren en zo gedomesticeerde planten doen groeien door middel van irrigatie.
      Er was nog geen enkel veldgewas op de aarde, en er was nog geen enkel kruid van het veld uitgesproten, want de Heer, onze God had het niet op de aarde doen regenen, en er was geen mens om de aardbodem te bewerken“ Gen.2: 5 en er was op dat moment ook geen mens die vanuit de rivieren irrigatiesystemen kon bouwen om het land te bewerken.

Hierdoor komen wij iets meer te weten van wat de mensen in de hof moesten aanleren. Zo ook laat God Adam de dieren verkennen. De Heer brengt ze tot Adam en Adam geeft de verschillende dieren aparte namen.
Hij merkt eerst dàn pas dat hij geen gepaste partner heeft en voelt zich eenzaam.
De Heer wilde Adam dat gevoel leren ervaren vóórdat Hij Eva voor hem schept.
Zo leert ons de Blijde Boodschap het paradijs te beschouwen als een opvoedingscentrum voor de eerste twee mensen. En gebonden met deze gefaseerde opvoeding van Adam en Eva is ook de merkwaardige constatering dat zij nog geen volwassen seksuele bewustzijn gegeven waren. Wij komen dit voor het eerst tegen na de schepping van Eva.
En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar
zij schaamden zich voor elkander niet
Gen.2: 25.

Mensen van allerlei geloofsrichtingen hebben hun spelleider, toezichthouder de vraag gesteld waarom? Waarom sta ik vroeg of laat naakt in de wereld en zie ik om mij heen het verderf?

Joseph [Hebr. = de Heer heeft toegevoegd]

Ik sta dan als Joseph, die in een droom bedenkt: “Ik ben ver van hier, hetgeen ik niet bemerkte, ik ben afgedwaald met alle mensen in het veld en ontdek bij het binden van het koren, wanneer mijn schoof zich van de aarde hief, bleef staan en staan bleef voor mijn ogen, terwijl de andere schoven al te faam zich voor mijn ogen bogenGen.37.
De dromen kwamen van onze Heer en zaligmaker, zij waren profetisch en God wilde dat Joseph de boodschap ervan aan anderen doorgaf. In een bepaald opzicht moest Joseph hetzelfde doen als alle Profeten na hem, die Gods boodschappen en oordelen aan Zijn Opstandige Volk bekendmaakten. Joseph was niet de eerste en ook niet de laatste aanbidder van onze Heer en God, die gevraagd werd een profetische boodschap door te geven, die niet populair bleek en zelfs tot vervolging leidde.
Van al die boodschappers was onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus, als Zoon van God de belangrijkste en Hij zei tegen zijn volgelingen: „ Gedenkt het Woord, dat Ik tot u gesproken heb:
Een dienaar, een slaaf staat niet boven zijn Heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn Woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. Maar dit alles zullen zij u aandoen om Mijn Naam, want zij kennen Hem niet, die Mij gezonden heeftJohn.15: 20,21.
      En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouderen zullen dromen dromen: ja, zelfs op Mijn dienstknechten en Mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van Mijn {Heilige] Geest uitstorten en zij zullen profeterenHand.2: 17,18.
Christenen van alle leeftijden en van alle volkeren kunnen dan ook ontzettend véél leren van het Geloof en de moed van de jonge Joseph. De wereld is in het dol-huis ‘naakt’ en heeft in de lof der zotheid de zorgen van haar toehoorders verjaagd.

Maar wanneer je goed om je heen kijkt zie je op elke hoek van de straat wel iemand met een gezicht als een vaatdoek, ogen, die pijn, verdriet en bitterheid uitstralen. En deze zullen op hun beurt in hun omgeving eveneens wreedheid, depressie en pessimisme teweeg brengen.
De mens is vergeten wat het vreugde betekent, of andersgezind heeft zijn leven niet weten af te bakenen [
גן (hebr.=gan, tuin) het afgebakende park] , door te zeggen tot hier en niet verder.
Het is de mensheid, zoals bij zoveel andere dingen, totaal niet bijgebracht te gaan leven door zichzelf en z’n doen en laten – ook wat het bovenaardse aangaat te bestuderen, het in ieder geval te proberen te begrijpen.
De filantroop, Onze Heer Jezus Christus, onze Verlosser, onze God, is uiteindelijk alleen maar op aarde gekomen, waar Hij de pijn van Zijn schepsel kon meevoelen, teneinde de pijn, de dood en alles wat daarmee samenhangt af te schaffen.

Jezus Christus, Verlosser van pijn en dood

Daar roept Hij onophoudelijk:
      Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; 
want Mijn juk is zacht en Mijn last is lichtMatth.11: 28-30.
De alomvattende weldoener, de mensenvriend, onze Heer Jezus Christus is gekomen als de overwinnaar op de dood:
1.]. bij de opwekking van Lazaros [Hebr.= ‘God helpt hem’] was Hij aanwezig teneinde ons duidelijk te maken dat Hij de overwinnaar is van onze slijtageslag.
2.]. de Opstanding van de eniggeboren zoon van de weduwe van Naïn [Hebr.= schoonheid], doet op ons een beroep ‘open’ te gaan staan, dat Hij de grondslag is van alle redding, een halt toeroept aan alle pijn, het  verlossend antwoord, de remedie is op onze persoonlijk verlies tegen de aanvallen van de tegenstrever. Onze Christus komt in Naïn en doet een Mysterie, een wonder plaatsvinden, alleen maar om een boodschap af te geven aan de wereld, aan ieder mens, dat die pijn een omkeerbaar conditie is. De tegenstrever lijkt misschien als een beest klaar om een ieder te verslinden, maar in feite is de mens al betaald en de duivel verslagen door de Verlosser van de mensheid.
De steeds maar doorgaande, niet aflatende dwaling van de mensheid is dat het weigert z’n toevlucht te nemen tot Christus als de tegenstander van de pijn en de blijdschap van de vreugde.
En tot op de dag van vandaag blijft Christus Zelf Zijn volgelingen toespreken op de meest geloofwaardige manier over de vreugde die de mens zichzelf kan gunnen en die niemand van hen zonder Zijn bemiddeling kan verkrijgen.

MP4: de grote Doxologie [arab]

19e Zondag na Pinksteren – ‘Ween niet’ en hoor God’s Stem: “ Jongeling, Ik zeg je, sta op!”

      En het geschiedde kort daarna, dat Hij reisde naar een stad, genaamd Naïn. En zijn discipelen reisden met Hem, en een grote schare.
       Toen Hij dicht bij de stadspoort gekomen was, zie, een dode werd uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, die weduwe was, en veel volk uit de stad was bij haar.
       En toen de Heer haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogen en Hij heeft tot haar gezegd: ‘Ween niet’.
       En naderbij gekomen raakte Hij de baar aan – de dragers stonden stil – en Hij zei:  ‘Jongeling, Ik zeg je, sta op!’.
       En de dode ging overeind zitten en begon te spreken, en Hij gaf hem aan zijn moeder.
En vrees beving hen allen en zij verheerlijkten God, zeggend:
      Een groot profeet is onder ons opgestaan’, en:
      God heeft naar Zijn Volk omgezien’
“.
Luc.7:11-16

      De God en Vader van onze Heer Jezus, geprezen zij Hij in eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. Te Damascus liet de stadhouder van koning Aretas de stad van de Damasceners bewaken, om mij te grijpen,
       en door een venster in de muur werd ik in een mand neergelaten en ik ontkwam aan zijn handen.
       Er moet geroemd worden; het dient wel tot niets, maar ik zal komen op gezichten en openbaringen des Heren.
       Ik weet van een mens in Christus, veertien jaar is het geleden – of het in het lichaam was, weet ik niet, of dat het buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het – dat die persoon weggevoerd werd tot in de derde hemel.
       En ik weet van die persoon – of het in het lichaam of buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het – dat hij weggevoerd werd naar het paradijs en onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken.
       Over die persoon zal ik roemen, maar over mijzelf zal ik niet roemen, of het moest zijn in mijn zwakheden. Want als ik wil roemen, zal ik niet onverstandig zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik onthoud mij ervan, opdat men mij niet meer zal toekennen dan wat men van mij ziet en hoort, en ook om het buitengewone van de openbaringen.
       Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen.
       Driemaal heb ik de Here hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten.
En Hij heeft tot mij gezegd:
‘ Mijn Genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij zal komen
“ 
2Cor.11: 31-12: 9.

Het Evangelie:
Wie is die Jesus, die Zoon van God?
Dit is vanaf het eerste begin tot op de dag van vandaag een vraag geweest, die op de lippen van mensen is geweest. Elk van de evangeliën biedt een enigszins ander antwoord op de vraag; een passend antwoord voor de specifieke Gemeenschap, weergegeven door een van de Evangelieschrijvers.
Terwijl de Evangeliën verslag doen van de leringen van onze Heer en Verlosser, geven ze tevens een verslag van daden van Macht en Superioriteit, waarin Christus, als Zoon van God, mensen geneest en in sommige gevallen hen uit de dood opheft. De woorden van Jezus zijn in onze moderne tijd veel méér dan zijn helende inspanningen.
In het voorspel van datgene wat wij overeenkomstig onze kalender op deze zondag lezen geneest Christus de dienstknecht van [‘Cornelius?, naam afgeleid van ‘Corn’= hoorn, ‘een ‘harde‘ huid’] de Honderdman, die op sterven ligt.
In de perikoop, die we vandaag lezen komt Christus nèt iets te laat.
Vandaag wordt vermeldt: “Toen Hij dicht bij de stadspoort gekomen was, zie, een dode werd uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, die weduwe was”.
        Is dat even een misrekening, het lijkt de huidige wereld wel, de zorgkosten stijgen elk jaar. De oorzaak is dat steeds meer mensen een beroep doen op de hulp van fondsen. Er dient bezuinigd te gaan worden, maar hóe, dat weet nog niemand, paniek in de tent bij een oriënterende ronde, er zijn zoveel vaagheden. Er worden vermoedens uitgesproken over de enorme toeloop van aanvragen – de mensen worden dankzij al die Genadegaven ook veel ouder. De Mens weet de grote Zorgverlener sneller te vinden en worden sneller geholpen en ouders willen tenslotte de ‘beste’ zorg voor hun kinderen.
            Maar terugkomend op het Evangelie, wat een verdriet schuilt er in deze  omschrijving van Lucas, Christus is nèt te laat. De jongeling is gestorven en hij is de enige zoon van zijn moeder die bovendien ook nog eens weduwe is.
Lucas laat de aandacht vallen op het wegdragen van deze jongeling.
Hij gebruikt het woordje ‘zie‘ en beschrijft de handeling in de onvoltooid verleden tijd, waardoor de nadruk valt op deze handeling.
Men mag dit stukje daarom ook als volgt vertalen: “zie daar was men bezig een gestorvene uit te dragen…”. De nadruk valt hier in eerste instantie niet op onze Heer en Verlosser, maar op de jongeling van Naïn, die gestorven is.
De suggestie wordt gewekt dat onze Heer ‘nèt’ te laat komt, Hij heeft het nakijken, is dat eventjes een teleurstelling over de Gerechte afloop, de dood is Hem dit keer te vlug af, wat hier op aarde een ambtelijke pennenstreek is, blijkt in de Hemel een gezicht, een icoon te hebben.
In bovenstaande verhandeling aan de stadspoort over de jongeling van Naïn tekenen zich twee scharen af, die elkaar in tegenovergestelde richting naderen.
Er is een schare die Jezus volgt en die op weg is naar Naïn. zij volgen de Vorst van het leven; en er is een schare die net de stad uit komt en achter de baar loopt waar de gestorvene op ligt. Het is de schare die achter de vorst van de dood aangaat. Lucas stelt dat beide scharen groot waren.
Het woord οχλος [lett: gepeupel, te hoop gelopen menigte] betekent in de Blijde Boodschap doorgaans een niet gering getal mensen maar nu is ook het woordje ‘groot’ erbij gevoegd [Gr.= πολύς χίκανός – ‘veel kuikentjes’].
            Kortom hier treffen beide  grote scharen elkaar en het was in die tijd [en ook bij ons] de gewoonte dat een rouwstoet ‘voorrang’ kreeg. Men diende eerbiedig aan de kant te gaan staan.
Men had toen eerbied voor de tegenstrever, de vorst van de dood. Geen mens, die ooit geboren is, kan de wereldse vorst van het leven ontlopen. Vroeg of laat zal ieder mensenkind voor de dood, deze ‘ grillige vorst’ dienen te buigen, daar wil je wel eventjes voor aan de kant gaan en als het enigszins kan maak je ook nog een kruisteken!

Lucas verhaalt hoe Jezus deze droevige stoet ziet, opnieuw gebruikt Lucas het woord ‘zien’, maar nu gebruikt hij een tegenwoordig deelwoord wat de nadruk op deze handeling aangeeft:
“ . . . . toen de Heer haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogenLuc.7: 13.  Over het feit dat de Heer haar zag, letterlijk “Hij zag naar haar om’” zou je boekdelen kunnen schrijven. Over dat woordje ‘[om]zien’ van Onze Heer en Verlosser naar ellendige schepselen zou je hele verhandelingen kunnen houden . . . . .
Ik noem slechts Exodus 6 : 1-7, sla het maar open, waar vermeld staat dat God de kinderen van Israël [de Kerk] ziet en dat God hen kent. Het gaat hier om de verdrukking door de Egyptenaren van het Volk, dat met Hem een Verbond is aangegaan. Israël, zowel als de Kerk, God ziet naar Zijn Volk in ellende om, daar hebben we het vorige week ook al over gehad. Wanneer je in zak en as zit kijkt God naar je om en is de Verlossing nabij. God ziet vanuit de hemelen neer op Zijn Volk. Met droefheid moest Hij de vele tekortkomingen en overtredingen vaststellen.

Telkens weer zond Hij Zijn Profeten om hen te waarschuwen en op te roepen tot bekering. En, de Barmhartigheid van God is, dat Hij in plaats van dit onboetvaardige volk voor eeuwig te verstoten [iets, wat het zeker had verdiend], belooft Hij in de toekomst een nieuw Verbond met hen te zullen oprichten [lees maar bij Jer.31: 31-34].
Opeens wordt het doodse zwijgen doorbroken en klinkt de levendige stem van onze Heer en Verlosser: “ween niet”.
Ween niet? Is dit niet een opmerkelijk bevel?
Deze vrouw moet toch haar verdriet kwijt zien te geraken, dat weet ieder spelleider, zo u wilt de pastor, de dominee en Zeker onze Heer Jezus Christus, de goede Herder.
Bovendien heeft deze weduwe een grote schare bij zich die haar bijstaat in haar verdriet. ‘Ween niet‘ dat is toch te dol voor woorden, is dit op zo’n moment geen ‘misplaatst’ bevel?
Deze woorden komen echter uit de mond van onze Heer en Verlosser, de Schenker van het Leven en dan liggen de zaken toch wel een beetje anders.
Het boek Openbaringen geeft ons nòg méér inzage in het werk van de Schenker des Leven’s. Je hoort dáár de stem van de Troon vanuit de Hemelen zeggen:
  Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen Zijn Volkeren zijn en God Zelf zal bij hen zijn en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.
En Hij, die op de Troon gezeten is, zei:
    Zie, Ik maak alle dingen nieuw’. En Hij zei: ‘Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. En Hij sprak tot mij [Johannes de Theoloog]: ‘ Zij zijn geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water van het leven om niet. Wie overwint, zal deze dingen beërven en Ik zal hem/haar een God zijn en hij.zij zal Mij een zoon/dochter zijn” Openb.21: 3- 7.
Dit ‘Weent niet’ biedt zo’n Machtig perspectief, een verrassend doorkijkje. Voor men het weet is men als mens aangekomen in Openb.21: 4; aldaar worden zelfs alle tranen gedroogd omdat God de oorzaak weg neemt namelijk de dood.

De Schenker van het Leven maakt het verschil tussen nèt te laat en ‘niet‘ te laat.
Lucas houdt ons voor dat onze Heer de baar aanraakt; voor een Jood is dat zéér onverstandig want dan werd men onrein en kon men voor even niet deelnemen aan de dienst in de Tempel. God dienend was men dàn uitgerekend en voor even uitgeteld. Christus, onze Heer, Die echter volkomen rein is, neemt dus plaatsvervangend de onreinheid van de dood op Zich. Toen Jezus echter de baar had aangeraakt, stonden de dragers stil.
Hier houdt de dood eerbiedig stil voor de Schenker des Levens en dàn klinkt Zijn machtwoord: ‘Jongeling, Ik zeg tegen jou: sta op‘.
Het is het machtswoord van de Schenker des Levens, hetgeen ontzettend veel meer uithaalt dan een geneesheer, een dokter, die in dit geval net te laat zou komen. Dit Machtswoord van onze Heer klinkt overigens ook door in Zijn Pedagogie van de Blijde Boodschap, waardoor doden de stem van de levende God gaan horen en gaan leven en
dàt . . . . . voor eeuwig . . . . . ja, eeuwige gedachtenis!

Apolytikion     tn.2.
Toen Gij, het onster’flijke Leven nederdaalde tot de dood,
hebt Gij de kracht der onderwereld gedood door de bliksem der Godheid.
En toen Gij de gestorvenen uit de onderwereld opwekte,
riepen alle Machten der Hemelen:
O Christus onze God, Schenker des Levens, ere zij U
“.

Kondakion     tn.2.
Gij zijt opgestaan uit het graf, Almachtige Verlosser,
en bij het aanschouwen van dit wonder stond de onderwereld verslagen.
De doden verrezen en heel Uw Schepping verheugt zich samen met U.
Ook Adan jubelt en het Heelal mijn Verlosser,
zingt U de lofzang zonder einde
“.

Theotokion     tn.2.
Onbegrijpelijk en hoog-Heerlik zijn alle Mysteriën
Die aan u voltrokken zijn, o Moeder Gods.
Verzegeld in reinheid en vast in maagdelijkheid,
zijt gij waarlijk Moeder geworden
en hebt gij de Ware God gebaard.
Smeek tot Hem dat onze zielen worden verlost
”.

De Apostel-lezing van vandaag:

Petrus & PaulusApostelen, icon I.M. Karakallou, Athos

Paulus [Hebr.= ‘klein’] was een man die zeer geliefd was door God.
Hij werd als nakomeling onder de Apostelen gerekend, hij had immers de opgestane Heer in het verblindende Licht [als op de berg Thabor] gezien op de weg naar Damascus [Hebr.= de zakkenwever zwijgt].
Hij kreeg, zoals hij vanmorgen vermeldt, vele Goddelijke bezoeken en toch kreeg hij een doorn in het vlees vanwege zijn nederigheid. De Vader begrijpt deze doorn als een bepaalde verleiding of beproeving of moeilijkheid, een kruis dat door God aan Paulus werd gegeven.
We weten niet zeker wat de doorn was, maar we kennen zijn reactie – hij smeekte om opluchting, ontving een woord van de Heer [“Mijn kracht is volmaakt geworden in zwakheid” en hij aanvaardde vanaf dat moment maar al te graag zijn doorn in het vlees.
En we weten waarom de H. Paulus dit specifieke kruis heeft gekregen om te dragen, hij vertelt ons de reden – om de hoogmoed te bestrijden die zou kunnen komen van de vele Genadegaven, Die God hem had gegeven.
Wetende dat onze strijd van God komt, is een beetje opluchting, maar vragen waarom we deze worstelingen moeten doorstaan is een vraag die velen van ons hebben.
We zullen het onderwerp benaderen met de woorden van H. Isaäc de Syriër, wiens geschriften, over het geestelijk leven tot de meest gerespecteerde kerkvaders behoren.
En we zullen daarbij zijn homilie gebruiken, toepasselijk getiteld:
Over de redenen waarom God toestaat dat verleidingen komen over degenen die Hem liefhebben”, het gaat hierbij over de Kracht uit den Hoge, die ons volmaakt maakt in onze zwakheid en dat we trots mogen zijn op onze zwakheden vanwege Christus.
We horen om ons heen voortdurend de vragen;
Waarom ik – waarom lijd ik, waarom worstel ik, waarom zijn dingen zo slecht” dat zijn vragen, die wij onszelf voortdurend voor ogen houden.

Maar waarom is het zo?
Wetende dat onze strijd van God komt, geeft een beetje Geestelijke ondersteuning, een beetje lucht/wind van de Heilige Geest, maar vragen waarom we deze worstelingen moeten doorstaan is een vraag die velen van ons hebben.

H. Isaäc de Syriër

De Heilige Isaäc de Syriër geeft ons 3 basisredenen
waarom God ons een doorn in het vlees heeft meegegeven:
1.]. Want [de verwerving van vrijmoedigheid voor Hem] God staat toe dat Zijn heiligen worden berecht door elk verdriet, dan om opnieuw te ervaren en om Zijn hulp te bewijzen, en om te begrijpen hoe groot een voorzienigheid Hij voor hen heeft, want in hun gevaren is Hij hun tot Verlosser bevonden“.
God staat ons toe om berecht te worden zodat we Zijn zorg, Zijn verlossing, Zijn redding kunnen ervaren. Zoals de Apostel Paulus het formuleert: “zodat we Zijn Kracht in onze zwakheid kunnen ervaren”.
Ons Geloof, in de navolging van Christus, onze Verlosser, neemt toe wanneer Hij ons helpt onze doorn in onze belevingswereld te verdragen, en met meer Geloof groeien we ook in vrijmoedigheid voor God.
We kunnen met Geloof en Vrijmoedigheid voor onze Heiland staan, met de grootste Hoop op onze persoonlijke redding.
Verdere uitleg op dit punt door de H, Isaäc maakt ons tevens duidelijk:
We leren de zwakte van onze aard en de hulp van Goddelijke kracht wanneer God eerst Zijn kracht van ons weghoudt terwijl we in verleiding zijn. Op die manier maakt Hij ons bewust van de impotentie van onze natuur, de moeizame verleidingen en de sluwheid van de vijand. Aldus geeft Hij ons te verstaan tegen wie we dienen te strijden en waar wij het moeilijk mee hebben . . . hoe machteloos we wel niet zijn voor het aangezicht van elke hartstocht … “.
We verkrijgen hiermee inzicht in de diepte van onze zwakheid en de noodzaak van God’s redding, wanneer we gezonken zijn temidden van verleidingen. En ons Geloof wordt versterkt waneer we onszelf aanleren om alleen nog redding bij onze Heer en Verlosser te zoeken en we onderkennen daarop Zijn snelle reageren op onze verzoeken.
2.].En nogmaals, [zo schrijft de H. Isaäc, laat God verleidingen toe] dat we wijsheid kunnen verkrijgen uit verzoekingen … zodat we de kennis van alle dingen kunnen verwerven, opdat misschien we niet worden bespot door de demonen. Want indien Hij [God] ons alleen in het goede zou laten oefenen, dan zouden we geen training op andere onderdelen verkrijgen en slechts blind ten strijde trekken . . . indien de mens niet eerst door de ervaring van het kwaad wordt beproefd, heeft hij geen smaak voor het goede … hoe zoet is kennis die is opgedaan door feitelijke ervaring en door ijverige training”.
Onze verleidingen, onze doornen, onze kruisen, in onze strijd in Christus verheffen de deugd van de Genadegave van Wijsheid. We leren uit de eerste hand de keuze tussen goed en kwaad, tussen God en onze vijand. Adam en Eva werd, in de hof van Eden, gezegd niet te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. In het begin waren ze niet klaar voor die verantwoordelijkheid. Maar de Vaders zijn het er allemaal over eens dat ze uiteindelijk klaar zouden zijn en dat ze dat ooit verboden fruit met Gods zegen hadden kunnen opeten.
God leert ons zodat we er helder inzicht door verkrijgen en klaar zijn voor de strijd – zoals de Schriften zeggen, Hij legt nooit een last op ons die te zwaar voor ons is om te dragen.
We worden op Zijn Woord getraind in de druppelsgewijze aangedragen wijsheid en verkrijgen daarop overeenkomstig datgene wat wij aankunnen naar vermogen kennis en de ervaring van God. En onze kracht komt voort uit God en niet uit onszelf, zoals de H. Isaäc dit in het eerste punt al heeft aangegeven en wordt in tijden van verleiding steeds verder opgebouwd.
3.]. Het derde en laatste punt dat Isaäc maakt, is dat God ons verleidingen toestaat, zodat als we groeien in wijsheid, indien we nimmer afhaken, maar volharden, waarmee ons Geloof wordt versterkt en we de vrijmoedigheid verkrijgen voor de Heiland.
Wanneer Hij als God Zijn genadige Genadegaven over ons kan blijven uitstorten wanneer onze training heeft ons klaargestoomd om Hem te ontvangen, in ‘communio’ met Hem te leven.
God laat ons die doornen in het vlees tot bloedens toe ervaren, zodat we kunnen worden getooid met de Genade van nederigheid, door in het gebed te volharden komen we God steeds verder nabij, ervaren we het Geloof in de Verwachting, verkrijgen wij dapperheid in het aangezicht van de  verzoekingen en vrijmoedigheid voor het aangezicht de Wijsheid van God.
De H. Isaäc schrijft: “
– De ascetische worstelaars [de doodgewone volgelingen van Christus] worden berecht, dat kunnen we toevoegen aan onze rijkdommen;
– de luiaards worden beproefd, opdat zij daardoor kunnen waken voor wat schadelijk voor hen is;
– de slaperigen worden beproefd, opdat zij gewapend zijn met waakzaamheid;
⁌ zij die ver weg zijn, worden berecht, opdat zij nader tot God komen;
⁌ zij die God’s eigendom zijn, worden beproefd,
opdat zij met vrijmoedigheid zijn huis mogen binnengaan.
Daarom probeert God ons eerst uit en treft ons tot in het diepst van ons hart en
vervolgens onthult Hij daarop Zijn Genadegaven.
Eer komt toe aan onze Heer en Meester Jezus Christus,
Die ons de zoetheid van gezondheid brengt met krachtige, maar zware medicijnen!”
God test onze zwakheden om ons sterker te maken, zoals een bodybuilder,
die zijn zwakkere gebieden uitwerkt om ze aan te scherpen en perfect te maken.
God geeft ons onophoudelijk de mogelijkheid om Zijn Genadegaven te verkrijgen,
ons als een voortdurende Schepper aan Zijn Beeld de Gelijkenis gevormd te krijgen en dat vindt slechts plaats in de ons gegeven tijden van beproevingen en verleidingen.
Zoals de H. Isaäc het formuleert:
Eer komt toe aan onze Heer en Meester Jezus Christus,
Die ons de zoetheid van gezondheid brengt
door ons zware medicijnen toe te dienen!

Eer aan God, door onze Heer, Jezus Christus!
Eer aan Hem, voor nu en alle eeuwigheid!

H. Ephraïm de Syriër

Zijn evenknie voegt hier nog aan toe:
Ik, Ephraïm ben stervende en
schrijf mijn testament.

Moge het een getuigschrift zijn voor
hen die na mij komen;

Bidt dag en nacht, uw hele leven door.
Zoals een ploeger ploegt, dag in dag uit.
Een ploeger, zijn werk is eerzaam en bewonderenswaardig;
Wees niet zoals luie mensen in wier velden doornen groeien.
Bidt constant, want hij die het Gebed liefheeft,
Zal hulp vinden in beide werelden“.

            Gaandeweg zullen we hoe langer hoe meer gaan beseffen dat
we onze spelleiders en toezichthouders in de oorlog tegen de vijand eigenlijk helemaal niet nodig hebben om inzicht in die oorlogen te krijgen.
            Zij gaan veelal uit van ‘andere’ belangen, die zij zichzelf hebben toegemeten, hun grootste zorg [en angst!] gaat in het westen vaak uit naar de indruk, die zij in de geschiedenis zullen achterlaten en zij zijn daarop geneigd tot de meest intense leugen-achtigheid. Helden blazen zich immers op, schurken belazeren zelfs de geschiedschrijvers.
De meest betrouwbare kroniekschrijvers, zijn degenen:
  die zich in hun binnenkamer terugtrekken,  de gewone navolgers van Christus,
– die zich als een kluizenaar schuilhouden, zij die zich ‘werkelijk’ onder behandeling blijven stellen van de Enige Geneesheer van het Leven.
– die stilzwijgend de wereld in kijken en zich verwonderen over zoveel onnodig leed;
•  De gewone mensen die zonder ambitie maar met een veel groter historisch besef, zonder eigenbelang, die  oorlog tussen de mens en zijn vijand vastleggen. Temidden van alle chaos, smeerlapperij, onoverzichtelijkheid, slechtheid en gevaar, ook voor eigen leven, vervullen zij hun zelfopgelegde taak.
•  En wanneer het stof van de bommen, het vergiftigende gas, kortom de kruitdamp is opgetrokken zijn hun tijdgenoten hen dankbaar, het nageslacht zal vaak zelfs opgetogen zijn.
In de Lage Landen hebben we over de kwaliteit en de kwantiteit van kroniekschrijvers de afgelopen kerkhistorische jaren van ‘kommer en kwel’ niet te klagen gehad. Behalve de bekendste van allen, de Apostelen Petrus en Paulus, zijn er honderden verdienstelijke burgers van het Hemelrijk, die in soms moeilijke omstandigheden hun deel van de werkelijkheid nauwkeurig en consciëntieus hebben bijgehouden; voor later, want dat er voorzeker een làter zal zijn, dat staat voor iedereen vast.
•  Toch blijven wij ons maar voortbewegen op de weg naar het einde der tijden, hetgeen voor velen – òf we hun gedachten nu kennen of niet – een bewegen zal zijn op een moeilijk begaanbaar grensgebied tussen Waarheid en bezegeling, waarin iemand’s leven beschreven wordt en reflecteert vanaf zijn kindertijd tot zijn ‘over’-lijden.
•  Voor de Troon van God wordt eerst dàn verantwoording afgelegd van het simpele begrip van religie en natuur met de luttele levensplanning en zelfbeeld.
➥ Vanwege de bloedband met Christus en de erfenis, die daaruit voorkomt weten wij ons in ieder geval gered en zullen tot in de eeuwigheid leven in het Hemels Koninkrijk.   

October de 1e – Orthodoxie & de bescherming van onze al-heilige Moeder God’s, de Theotokos.

Mozes bouwt de Ark van het Verbond, kopergravure by Jan Goeree, Amsterdam 1730

      Nu had ook wel het eerste [Verbond] bepalingen voor de eredienst en een heiligdom voor deze wereld. Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kandelaar en de tafel met de toonbroden stonden; deze werd het heilige genoemd; en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het Heilige der Heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark van het Verbond, rondom met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden kruik met het manna, de staf van Aäron, die gebloeid had, en de [-2-] tafelen van het Verbond [met de 10 Geboden]; daar-boven waren de Cherubijnen der Heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwen; hierover kunnen wij nu niet in bijzonderheden treden.
     Dit was dan aldus ingericht, en de priesters kwamen bij het vervullen van hun diensten voortdurend in de voorste tent, maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het Volk in onwetendheid bedrevenHebr. 9: 1-7.

 

icon ‘Protection of the Theotokos’

Vandaag staat de Maagd midden in de Kerk en met de koren van alle Heiligen bidt ze  onzichtbaar voor God voor ons. Engelen voorouders, waaronder overleden toezichthouder’s van het Geloof vereren haar, Apostelen, Martelaren en Profeten juichen samen, omdat zij voor ons bidt tot de eeuwige God!”.
Deze wonderbaarlijke verschijning van de Moeder Gods vond plaats in het midden van de tiende eeuw in de hoofdstad Constantinopel, in de Blachernae-kerk, waar haar gewaad, sluier en deel van haar riem werden bewaard nadat ze in de vijfde eeuw uit Palestina waren overgebracht.
Wat moeten wij heden ten dage eigenlijk met haar gewaad, sluier en deel van haar riem?

‘Heavenly Jerusalem’, see: ‘all feasts’ of the church-calendar together

                 Welnu, God heeft ons naar Zijn Beeld en gelijkenis geschapen uit het stof van de aarde, zodat wij een samenwerking met Hem kunnen aangaan om Zijn wereld te voltooien. Onze oprechte bezorgdheid voor het leven dat we op aarde leven, mag ons bewustzijn van het ‘leven van de komende wereld‘ niet uitsluiten, waaronder hemel en aarde [een Nieuwe Hemel en aarde] gesymboliseerd in het Nieuwe en Hemelse Jeruzalem. Om temidden van het Kerkelijk leven, het Lichaam van Christus staande te blijven, om datgene te laten functioneren wat op ‘kritieke momenten in de kerkgeschiedenis‘ door de Verlichting door de Heilige Geest gezamenlijk uit de Schrift geleerd is en wàt allemaal vastgelegd is in de belijdenissen van de Vroeg-Christelijke Kerk.

            
In díe belijdenis hebben onze voorvaderen, die God in een andere tijd gediend hebben, verwoord Wie’ God is, hoe’ God in de Blijde Boodschap spreekt. 
Onlosmakelijk daaraan gekoppeld zien we wie ‘wijzelf’ als mensen zijn. Onze verlorenheid maakt ons totaal aangewezen op ‘God’s Genadegaven’.
     Het Godsbeeld en het bijbehorende beeld van de mens behoren bijeen en om die beide gaat het in ons Christelijk Geloof. Het geloof leeft niet bij beelden maar door het spreken over God, Hij leeft als gevolg van Zijn Liefdesgebod en de daarop volgende Belofte van het Heil.

Het Hemels Koninkrijk is ‘vrij’ en zij is onze moeder, los van welk Patriarchaat òf welk door mensenhanden geconstrueerd instituut dan ook.
Het Hemels Koninkrijk is ‘het Huis’ van één God, hoofdstad van twee volkeren,
heiligdom van drie religies en gesymboliseerd in de enige stad Jeruzalem,
die twee keer bestaat: in de Hemelen zówèl als op de aarde.
Als Christelijke Gemeenschap van het Nieuwe Verbond, de nieuwe verbintenis tussen God en de Volkeren mogen we denken aan het Hemelse Jeruzalem, het Jeruzalem dat hier Boven is en ook van Boven is gekomen op aarde.
Met het Jeruzalem van hierboven – verwijst de Apostel Paulus naar de vervolmaakte Kerk, het Koninkrijk der Hemelen, dat is vermengd met de kerken hier op aarde.

      Eens was de gedachte dat er ook in Jerusalem Vrede tussen de Palestijnen en het oude Volk mogelijk zou zijn. Strategisch is het zo dat Jeruzalem werd afgesneden van het natuurlijke achterland, de Westoever. Ook tussen Bethlehem en Jeruzalem, altijd met elkaar verbonden geweest, is een nederzetting geplaatst. Vervolgens de muur, de checkpoints, en ook de verwoestingen van huizen, langzaam maar zeker worden de plaatselijke bevolking Jeruzalem uitgewerkt;  een sluipende etnische zuivering.

      We kennen ‘allemaal‘ [?] te duidelijk de tekortkomingen van de Kerk en afgescheiden kerken hier op aarde – ze worden zeer snel opgemerkt door de wereld om ons heen. Maar ook, op de een of andere manier, ondanks zijn fouten en onvolkomenheden in de uitoefening van z’n bediening, iets van het Jeruzalem dat boven is, blijft iets van die volmaakte Kerk in de hemelen schijnen – het is één door God geïnspireerd oecumenisch lichaam, het ‘Lichaam van Christus‘.
Het Lichaam van Christus vormt de onderlinge liefde’s-basis van de wereldraad van kerken.

De Kerk brengt kinderen het Koninkrijk binnen door de doop en voedt hen op hun reis door hen door God geschreven Woord en het beheer van de andere Mysteriën [ Sacramenten] te onderwijzen.
Hoe een goede moeder te zijn vereist veel Genadegaven en veel Gebeden, welke door ascese inzicht en fundamentele door de door de H. Geest gegeven Wijsheid, kennis van het Koninkrijk oplevert. Geen Patriarchaat, instituur, stad of land kan zich eenzijdig -in de ogen van de éne God-  de aarde toe eigenen; als God is Hij immers ‘De Éne’, Die de voortgang bepaalt en ‘op Wie’ men aanspraak kan maken wanneer men ondersteuning behoeft.

In de blijde Boodschap zie je dat God aangeeft, dat ‘Hij -als God, Hij, Die is en zal zijn’, herinnerd wil worden. Het Volk is nauwelijks uit Egypte bevrijd, de tranen van de Rode Zee heeft zij ondergaan en zij bevindt zich nog in de woestijn, òf God geeft instructies voor de bouw van een draagbaar heiligdom, waar offergaven gebracht dienen te worden. voor het brengen van offers èn voorschriften voor de kleding van de hogepriester.
⁌ Er dient een borsttas gemaakt te worden:
      Gij zult een borsttas, -schild der beslissing maken, kunstig werk.
• Op dezelfde wijze als de efod [een (speciale) gordel] zult gij het maken: van goud, blauwpurper, roodpurper, scharlaken en getweernd fijn linnen zult gij het maken.
– Vierkant zal het zijn, dubbel, een span lang en een span breed. Gij zult het vullen met een steenvulling, vier rijen stenen: een rij rode jaspis, chrysoliet en malachiet, de eerste rij;
– de tweede rij: hematiet, lazuursteen en prasem;
– de derde rij: barnsteen, agaat en amethist;
– de vierde rij: turkoois, chrysopraas en nefriet. {Elk der edelstenen heeft een eigen betekenis]
Met goud omgeven zullen zij in hun zettingen gevat zijn. En de stenen zullen overeenkomstig de namen van de zonen van Israël twaalf in getal zijn, overeenkomstig hun namen; als zegel-graveerwerk zullen zij, elk met zijn naam, zijn voor de twaalf stammen.
• Ook zult gij op het borstschild gedraaide kettinkjes maken, vlechtwerk, van louter goud.
• Gij zult op het borstschild twee gouden ringen maken en de beide ringen aan de beide einden van het borstschild zetten.
• Gij zult de beide gevlochten kettinkjes van goud in de beide ringen aan de einden van het borstschild doen. De beide andere einden der beide gevlochten kettinkjes zult gij aan de beide kassen vastmaken en op de schouderstukken van de efod zetten, aan de voorkant.
• Gij zult twee gouden ringen maken en ze aan de beide einden van het borstschild zetten, op de binnenrand, die naar de efod toegekeerd is. Ook zult gij twee gouden ringen maken en ze op de beide schouderstukken van de efod zetten, onderaan, aan de voorkant, dicht bij de plaats waar hij verbonden is, boven de gordel van de efod.
• Dan zal men het borstschild met zijn ringen aan de ringen van de efod vastbinden met een blauwpurperen snoer, zodat het op de gordel van de efod vastzit, en het borstschild niet van de efod kan afschuivenEx.28: 15-28.
⁌ “Neem twee onyxstenen [‘Hurva’ tempelstenen] en graveer daarin de namen van Israëls zonen …. en zet ze op de schouderstukken van het schort van de priester [de spelleider]: 
wanneer Aäron dan voor de Heer verschijnt en de namen van de Israëlieten op zijn schouders draagt, zal de Heer aan de Israëlieten herinnerd wordenEx.28: 9-12.

Voor sommigen is dit toch een heel vreemd concept. 

  Het draait hierbij om het feit dat wij God herinneren aan Zijn Woord. Je mag toch zeker aannemen dat als God iets laat opschrijven, Hij dit natuurlijk niet vergeet. Hoezo herinneren? Menen we dat wij als mensen Hem een handje dienen te helpen?
Een mens, die beweert dat God aan Zijn Woord herinnerd dient te worden wordt door velen als arrogant, zelfingenomen, ja hoogmoedig beschouwd.
En toch doen we dit iedere dag en als het mogelijk is blijven we dit doen tot de Christus weer terug zal komen; wij dragen ons doopkruisje op ons hart. Het wijkt niet van ons, net als een trouwring, waaraan de mensen kunnen zien dat je een huwelijksverbond met iemand hebt afgesloten.

  Waarom toch iedere keer dit gedrag?
Op uw muren, o Jeruzalem, heb Ik wachters [aan het hart] aangesteld, die de ganse dag en de ganse nacht nimmer zullen zwijgen. Gij, die de Here indachtig maakt, gunt u geen rust. En laat Hem geen rust, totdat Hij Jeruzalem grondvest en het stelt tot een lof op aarde. gezet die nooit zullen zwijgen, dag noch nachtIsaiah 62: 6-7.

God zet wachters op de muren van Jeruzalem. God wil dat deze wachters, die een beroep doen op de Heer, of beter vertaald, die God herinneren [!], niet zullen rusten en dus ook God niet met rust laten totdat…, inderdaad, totdat Hijzelf Jeruzalem’s roem op aarde heeft bevestigd.
En dat zou wel eens kunnen zijn wanneer Christus op aarde terugkomt.

Dus het is helemaal niet arrogant God [en jezelf] te herinneren omdat Hij [en jij] iets zouden vergeten, maar vanuit een diep besef dat Hij [en jij] herinnerd wil worden aan Zijn stad Jeruzalem, Zijn volk Israël en Zijn land [de Kerk].
In dezelfde lijn als de kleding van de spelleider [de priester].
Het is God, Die herinnerd wil worden [niet de spelleider of toezichthouder, die zich hooghartig opstelt] en dááròm worden er wachters in de vorm van een kruisje gedragen, een geknoopt gebedssnoer om je pols of een herinnering’s steentje.
Met alles, alles wat je op je weg onder ogen krijgt, òf datgene wat je ter ore komt dien je iets te doen, dus ook hier mee.
Ik hoor je al denken: als Christen ben ik toch ‘vrij’ in m’n keuzes, ik moet toch helemaal niets.
En tòch, zit het leven is vol met keuzes, bewust en onbewust, met name nadat je een Verbond met Christus bent aangegaan, in het dienen van God.
En als dan het Godsvolk Israël [de Kerk] onder je aandacht wordt gebracht, wanneer je geconfronteerd wordt met Gods verlangen om herinnerd te worden aan Jeruzalem, de nieuwe Hemel en de nieuwe aarde.
Wuif je dàn nog dat Verbond terzijde, wat je via de doop met Hem bent aangegaan,
òf leidt dàt dà tot een sprong van je stoel:
Wat?  Wil God dàt van ons? 

Hemeltje lief, Vadertje lief:
Vader, hier ben ik! Ik herinner me U!”.
Dàn herinner je dat je:
op Hem mag vertrouwen, je hebt de Allerhoogste als je toevlucht.
Geen kwaad kan tot je doordringen; geen plaag kan je woonplaats naderen”
Psalm90[91]: 8,9 en;
“      Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord?
Een eeuwig God is de Heer, Schepper van de einden van de aarde.
Hij wordt noch moe noch mat, zijn verstand [Wijsheid] is niet te doorgronden.
Hij geeft de vermoeide Kracht en de machteloze vermeerdert Hij Sterkte.
Jongelingen worden vermoeid en mat, zelfs jonge mannen struikelen,
Maar wie de Heer verwachten, putten nieuwe Kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet vermoeid; zij wandelen, maar worden niet matIsaiah 40: 28-31.

Kun je je voorstellen dat je “zwevend op de wind, gedragen door de Heilige Geest” of “hopend op de Heer, je vleugels uitslaat” opeens boven het Hemels Jeruzalem komt en beneden je de Hurva-, de Tempel-stenen ziet, met de namen van Israël’s zonen erop?
        Niet alleen zichtbaar en leesbaar voor God, maar ook voor jou?
Weet je, God herinneren aan Zijn beloften voor Zijn Volk, Israël [de Kerk] kan heel klein beginnen. Ook als je “eventjes” niet naar Jeruzalem kunt komen, dan komt het Hemels toch naar jou toe, doordat je iedere dag aan de hand van de kalender Zijn woord kunt pakken en met Hem aan al die prachtige Beloften van het Hemels Verbond wordt herinnerd.

              werkt God bij jou aan huis, in je binnenkamer, op je eigen manier, het wordt helemaal jouw eigen tempel zoals het bij jou past, dan zal je tempel van je hart opbloeien.
Wie zegt dat geschriften van de vaders van de Kerk gedateerd zijn, ‘niet meer van deze tijd’? Wàt is de ascetische visie van de kerkvaders, die dit na een lang leven aan ons doorgegeven hebben, geheel doorleefd en uitgemolken?
          ‘Het mooie is dat God op verschillende manieren aanwezig kan zijn: boven, naast en in ons.
God gaat ons te boven als de Goddelijke Kracht van de Hemelen en de aarde, Die openstaat voor ‘ontmoeting, verbinding’ met òns nietszeggende mensen, als een zandkorrel, een waterdruppel zijn wij ten opzicht van Zijn Aanwezigheid.
Naast ons kan God zichtbaar worden in een mens, zoals in onze Heer en Verlosser Jezus Christus òf in ieder mens, die Hem als Zoon van God volgt en waarin we iets van God mogen ontdekken, als een engel op ons pad.
En God kàn ‘ìn’ ons werken als inspirerende Geestkracht, als de goddelijke vonk, die in ieder mens als innerlijke kracht kan werken’

Ter ere van God laat de Kerk zien hoe nodig het is het gesprek te voeren over ons denken over God èn de wacht te betrekken bij de inhoud van onze Geloofsbelijdenis. Omdat het gaat om de eer van God en om het behoud van mensen.

war of a real believer

Ook binnen onze Orthodox-Christelijke instituties mogen we elkaar aanscherpen ten aanzien van de gedachten over God waarmee wij ons trachten in het Liefdesgebod te verbinden, te communiceren.
Immers, we leven in een tijd waarin mensen zelf snel gepikeerd lijken, terwijl er over God zomaar wat gezegd kan worden, tot het opheffen van het verbod op godslastering toe. De Theotokos, de Moeder van onze God heeft het verstaan en hiervan gezongen:
      Mijn ziel maakt groot de Heer, en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland, omdat Hij heeft omgezien naar de lage staat van Zijn dienstmaagd. Want zie, van nu aan zullen mij zalig

prijzen alle geslachten, omdat grote dingen aan mij gedaan heeft de Machtige. En Heilig is Zijn Naam en Zijn Barmhartigheid van geslacht tot geslacht voor wie Hem vrezenLuc.1: 46-50.

Bij de Blachernae-kerk werd de herinnering aan de wonderbaarlijke verschijning van de Moeder God’s herinnerd. In de veertiende eeuw zag de Russische pelgrim en griffier Alexander in de kerk een icoon van de Allerheilige Theotokos die voor de wereld aan het bidden was en de Heilige  Andrei Rublev schreef [‘niet’ schilderde] in contemplatie niet alleen de icoon van de Heilige Drieëenheid, maar tevens van de Moeder God’s.
De primaire Kronieken van de Heilige Nestor geven aan dat de beschermende bemiddeling van de Moeder God’s nodig was omdat er een aanval dreigde van een grote heidense Russische vloot onder leiding van Askole en Dir.
Het feest viert de goddelijke vernietiging van de vloot die Constantinopel zèlf bedreigde, ergens in de jaren 864-867 of volgens de Russische historicus Vasiliev, op 18 juni 860. Echter ironisch genoeg wordt dit feest door de Slavische kerken als belangrijk beschouwd, maar niet door de Grieken.
Dat is de uiteenlopende steeds terugkerende tegenstrijdigheid [discrepantie] tussen de menselijke instituten, die tot op de dag van vandaag voortduurt vanuit een steeds opkomend machtsdenken, en daardoor beseffen wij als gelovigen daarbij steeds weer opnieuw hoe vreselijk onwetend zowel de mensen als een deel van de geestelijkheid blijkt te zijn van de basisprincipes van het Christelijk Geloof. Wij ascetisch ingestelde  gelovigen betreuren dit gebrek aan Wijsheid en zijn vastbesloten om een middel te bieden waardoor mensen kunnen worden opgeleid in het Geloof en in het christelijk samenleven.
Op dit feest van de bescherming van de allerheiligste Moeder God’s, de Theotokos  smeken wij derhalve op de 1e October de verdediging en hulp in van
de Koningin van het Hemels Koninkrijk af:
Gedenk ons in uw gebeden, o maagd en moeder van onze God,
dat wij niet verloren gaan door de stelselmatige toename van onze zonden. 
Bescherm ons tegen elk kwaad en tegen zware smarten,
want wij hopen in u, en vereren het feest van uw bescherming,
wij verheffen u”.

Orthodoxie & het ‘onze’ Vader wordt niet alleen voor jezelf opgeëist.

Behorend bij onderstaande uitleg,
Evangelielezing van de zaterdag in de 4e Paasweek:
Jezus dan zei tot de Joden, die in Hem geloofden:
‘ Als gij in Mijn Woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de Waarheid verstaan, en de Waarheid zal u vrijmaken’.
Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit iemands slaven geweest; hoe zegt Gij dan: gij zult vrij worden?
Jezus antwoordde hun: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een ieder, die de zonde doet, is een slaaf der zonde. En de slaaf blijft niet eeuwig in het Huis, de Zoon blijft er eeuwig. Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij werkelijk vrij zijn. Ik weet, dat gij Abrahams nageslacht zijt; maar gij tracht Mij te doden, omdat Mijn Woord bij u geen plaats vindt. Wat Ik gezien heb bij de Vader, spreek Ik; zo doet ook gij, wat gij van uw Vader gehoord hebt’.
Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. 
 Jezus zei tot hen:                   ‘Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham;
maar nu tracht gij Mij te doden, een mens, Die u de Waarheid gezegd heeft, Welke Ik van God gehoord heb; dit deed Abraham niet. Gij doet de werken van uw Vader’. 
Zij zeiden tot Hem: Wij zijn niet uit hoererij geboren, wij hebben een Vader, God.
Jezus zei tot hen:
‘Indien God uw Vader was, zoudt gij ‘Mij’ liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen; want Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar Hij heeft ‘Mij’ gezonden’
John.8: 31-42.

Apostellezing van vrijdag 28 september 2018 Julian Calendar,
verkrijgbaar Orthodox Fellowship Saint John the Baptist:
available £4.00, ofsjbcalendar@gmail.com.

      En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen; ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken zal worden, om vrijmoedig het geheimenis van het Evangelie [de Blijde Boodschap] bekend te maken, waarvoor ik een gezant ben in ketenen.
[Eerst] Dàn zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken.
       Opdat ook gij van mij moogt weten, hoe het mij gaat, zal Tychikus
[Gr.= ‘tuchè‘,’geluk‘, ‘gunstig lot‘; vergelijkbaar met het Latijnse. ‘fortunatus’, oftewel ‘Waarheidvriend‘],
mijn geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heer, u alles bekendmaken.
        Met dit doel heb ik hem tot u gezonden, dat gij onze omstandigheden zoudt weten en hij uw harten zou vertroosten.
        Vrede zij de broeders en Liefde met Geloof, van God, de Vader, en van de Heer Jezus Christus. De genade zij met allen, die onze Heer Jezus Christus onvergankelijk liefhebben“ Eph.6: 18-24.

  Soms schijnt een weg voor iemand recht [de juiste] te zijn,
maar het einde daarvan blijkt naar de dood te voeren
Spr.16: 25.

H. Cyprianos, Thascius Caecilius, ca. 200 – 258, bisschop van Carthago, martelaar

We hebben onze kinderen opgevoed en hen geleerd tot ‘onze Vader’  te bidden, de Heer en Meester over alle dingen. Veelal leerden wij dit gebed als een persoonlijk gebed, het was zó alledaags dat wij de inhoud op ònszèlf betrokken, niet bewust zijnde, beseffende dat:
‘Jezus Christus’, De Heer en Meester van ons leven in eenheid en vrede hier op aarde is gekomen om ons bij te brengen dat het gebed niet bedoeld is als privé aangelegenheid, zodat degene die tot de Vader zou bidden Hem alleen voor zichzelf zou opeisen.
  We zeggen immers niet ‘Mijn’ Vader, Die in de Hemelen zijt òf
geef ‘mij’ heden [deze dag en wel onmiddellijk] ‘mijn’ dagelijks brood;
  evenmin vraagt iedereen dat alleen zijn/haar eigen schuld hem/haar wordt vergeven;
  noch vraagt hij/zij alleen voor zichzelf, opdat hij/zij niet in verzoeking wordt gebracht,
  maar dat alle mensen verlost zullen mogen worden van de boze, het kwaad.
Ons gebed is een openbaar gebed en wanneer wij ons aangeleerd hebben dit te bidden, bidden we niet dit voor één persoon [onszelf], maar voor het gehele volk, omdat wij, als gehele mensheid, één mogen zijn.

God’s bestaan òf God’s rol in onze menselijke geschiedenis

De Schepping, The Canturbury Psalter, 1147 AD

We dienen in ogenschouw te nemen dat wij in onze hedendaagse orthodoxe gemeenschap gevoelsmatig heel erg gericht op vragen over religieuze verplichtingen en hoe deze op onze kinderen over te brengen. Wij hebben hierbij het doel voor ogen en zijn gericht op vragen over religieus geloof en hoe dat kan worden gecultiveerd, bewaard of misschien wel verloren gaat.
Wij vergeten hierbij het principe dat God, Heer en meester is, dat niemand ter wereld de Zoon kent dan de Vader, en niemand de Vader kent dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren.
God roept ons op het moment welke Hij verkiest: “     Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 28-30.
In onze hedendaagse beleving zijn wij het niet meer gewend – af te wachten – tot God ons zover op Zijn pad heeft gebracht, dat wij voor Hem ‘open’ staan en onszelf geheel aan ‘Hem’ overgeven. Wij hebben onze ogen gericht op welvaart en welzijn, hoe wij dat binnen niet al te lange tijd zelf kunnen bewerkstelligen, door onszelf dusdanig te ontwikkelen dat wij de touwtjes in handen hebben en zijn daarom aan niemand verantwoording schuldig.
Maar bij God werkt dat anders, Die weet wel beter, Die geeft ons ons dagelijks brood op ‘Zijn’ tijd.
En wanneer Hij ons dan uiteindelijk ‘het dagelijks brood’ geeft, dan doet Hij er als het enigszins kan ook nog iets op, zodat je er van doordrongen wordt dat ‘Hij’, als God, de Heer en Meester van ons leven is.

Heilige Drieëenheid

Eenheid, vanuit het éne Verbond, de éne overeenkomst in navolging van Christus.
God, Die ons telkenmale Vrede wenst is de Meester van het overeengekomen akkoord, zowel het Oude als het Nieuwe Verbond, de Blijde Boodschap.
De Blijde Boodschap welke de eenheid heeft onderwezen, de onderlinge Liefde is namelijk het fundament van Zijn Pedagogie en Hij wilde dat men voor ‘iedereen’ zou bidden, net zoals Hij Zelf, één is met ons allen, ons allen vanaf den beginne heeft gedragen. 

De drie kinderen in de vuuroven hielden zich aan dit gebod, deze Wet toen zij op last van een despoot in een vuurzee werden ingesloten, verbleven zij daar al biddend met één stem en met één hart.
Ons Geloof als navolgers van Christus leert ons dìt in de goddelijke pedagogie en geeft ons in het Oude Verbond reeds een voorbeeld hoe wij dienen te bidden.
Wanneer Christus Zich dus terug trok op de berg en aldaar ging bidden geeft Hij ons overeenkomstig Zijn Traditie en bidt Hij nèt als de drie jongelingen. Wij dienen Hem daarin te volgen en wanneer wij bidden dienen wij nèt als de drie een hymne als uit één mond aan te heffen, zodat wij kunnen worden zoals Hij en zij. Wij, navolgers van Christus bidden als uit één mond en bieden ons menselijk onvermogen als uit één mond aan aan God, de Vader en zegenen al doende de Heer, die in eenheid is met de Vader en de Heilige Geest. De drie jongelingen in de vuuroven spraken uit één hart en één mond, ook al had Christus hen nog niet geleerd hoe te bidden.
    Heer, onze Heer, hoe wonderbaar is Uw Naam over geheel de aarde!
Want hoog boven de Hemelen is Uw Heerlijkheid verheven.
Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij U lof toebereid
Psalm 8: 1-3

En dàt is de reden dat zij, terwijl zij baden, in hun gebeden werden verhoord en waren ze vruchtbaar, omdat een vredig, oprecht en geestelijk gebed de Barmhartigheid des Heren toekomt, dit Hem waard is/was.
Zo zien we ook de apostelen en de navolgers in de bovenzaal na de Hemelvaart des Heren bidden:
    Zij allen bleven eendrachtig bijeen volhardend in gebed, met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broedersHand.1: 14.
Ze gingen dus ééndrachtig dóór met bidden en toonden door de urgentie en de unanimiteit van hun gebed, dat God, die de bewoners van een huis tot één geest maakt, alleen maar Zijn  Goddelijke en eeuwige Thuis geeft aan degenen onder wie het gebed unaniem is.

Maar, geliefde broeders en zusters, welke diepe zegeningen zijn er wel niet in ‘het Onze Vader’ meegegeven! Hoeveel zijn het er wel niet en hoe grandioos is het samengesteld, in zo weinig woorden ondergebracht, maar zó ontzettend rijk aan spirituele kracht!
Er is niets dat niet in dit gezamenlijk gebed en onze smeekbeden te vinden is, als het ware een grote verzameling van hemelse leerstellingen.
Dus, heeft Christus ons geleerd, toen Hij zei: “Aldus dien je te bidden: “Onze Vader, Die in de hemelen zijt”.

Onze Vader, Die over Zijn Genadegaven in en vanuit de Hemelen beschikt.
De nieuwe mens, wordt Door God’s Genadegaven wedergeboren en teruggebracht tot God, en zegt vanaf het allereerste begin, Vader, want hij is zojuist begonnen God’s zoon te zijn. 

Hij kwam bij de zijnen en de zijnen accepteerden Hem niet. Maar voor hen die Hem wel accepteerden, gaf Hij de macht om kinderen van God te worden, voor hen die in Zijn Naam geloven. Iedereen die in God’s Naam gelooft en Zijn zoon is geworden, zou hier dienen te beginnen, zodat hij kan danken en beweren dat hij God’s zoon is, door God zijn Vader in de Hemelen te noemen.
conf. commentaar op het Onze Vader, door H. Cyprianos, Thascius Caecilius,
bisschop van Carthago, martelaar [ca. 200-258 ná Chr.].

H. Cyprianos, Thascius Caecilius, ca. 200 – 258, bisschop van Carthago, martelaar – feestdag 14 september [kruisverheffing!]

De Heilige Cyprianos was een markante persoonlijkheid, vooral omdat hij als een oprecht mens z’n leven leidde en vriendelijk en verstandig als bisschop zijn Gemeenschap de juiste richting deed opgaan.

Cyprianos werd geboren als de zoon van een rijke familie in Carthago, Noord-Afrika, rond 200/220. Zijn ouders waren ongelovigen. Hij bekwaamde zich door het onderwijs dat in die tijd door rijke jongelingen veelal werd verkregen door zich voornamelijk te bekwamen in de retoriek. 

Met betrekking tot de vorm, de etiquette van die tijd werd het deskundigen alleen toegestaan hun kunstjes ten toon te spreiden bij officiële aangelegenheden, mensen die goed van de tongriem gesneden waren verkregen op die manier op eenvoudige wijze een hogere positie onder de mensen. Cyprianos werd zeer gewaardeerd vanwege zijn welsprekendheid, hij draaide nergens omheen, was ‘recht to the point’, kwam rechtstreeks ter zake, zoals men dat tegenwoordig uitdrukt.
Omstreeks 246, op ongeveer 40 jarige leeftijd, werd Cyprianos door God’s innerlijke roep opgewekt en bekeerde hij zich tot het christendom, mede dankzij zijn relatie met een priester genaamd Caecilius. De priester respecterend, die Cyprianus gedoopt heeft, voegde hij de naam van de priester aan zijn naam toe, Caecilius Thascius Cyprianus.

In zijn boek “Ad Donatum” [aan Donatos gericht] beschreef Cyprianus hoe zijn leven was verlopen, voordat hij zich tot het christendom bekeerde:
Als een blind mens liep ik in die tijd van links naar rechts, doelloos als in een pikdonkere nacht, vanuit m’n eigen hoogten in de zee van de wereld geworpen, die hoorbaar schuimt, die heel levend en dynamisch op je overkomt. Ik zweefde zonder de juiste kennis van het leven, ver van Waarheid en Licht verwijderd. Toen ik mijn gedrag op dat moment onder ogen kreeg, voelde ik me zwaar belast en onmogelijk in staat God’s geboden ten uitvoer te brengen, die mij op de weg naar de zaligheid zouden begeleiden”.

Nadat Cyprianus het Mysterie [RK= Sacrament] van de heilige doop had aanvaard en daadwerkelijk had ontvangen, bekeerde hij zich ook radicaal.
Zijn bezittingen en eigendommen werden zoals Christus de rijke jongeling voorhield aan de armen  uitgedeeld.
Daarop volgend onderging een turbo-ontwikkeling en werd twee jaar na zijn doop in 248 na Chr. gekozen tot toezichthouder [bisschop] van de Christelijke gemeenschap in Carthago, de hoofdstad van de Noord-Afrikaanse provincie.
Al heel spoedig leidde hij de gemeenschap aldaar naar rustige wateren.
In 249 besteeg keizer Decius de troon; deze Decius was een gepassioneerde persoonlijkheid, die het Romeinse rijk wilde redden dat bijna ingestort was door de aanvallen van de Germaanse naties.
Teneinde het Romeinse rijk te redden, achtte hij het noodzakelijk om zich eerst van de loyaliteit van al zijn ondergeschikten te verzekeren.
Christenen zouden immers ontrouw zijn aan de staat, omdat zij niet aan de cultus van de keizer deelnamen. Hij beeldde zich in dat de afwezigheid van christenen aan de cultus van de keizers de goden boos hadden gemaakt op het eens zo machtige rijk. Hij nam daarbij aanvankelijk voor zich te richten op de kerkleiders , teneinde hun invloed op het volk af te remmen.
Cyprianos nam daarop de beslissing Carthago te verlaten – zich voor deze overmacht te verstoppen – zodat de kerkgemeenschap haar leider zou verliezen. Deze daad werd door de Romeinse geestelijkheid veroordeeld als een minder gedurfde daad, maar later bleek deze daad toch de meest verstandige te zijn geweest. Cyprianos ging ertoe over zijn gemeente vanuit zijn schuilplaats te voorzien van Catechese, godsdienst-onderwijs door middel van schriftelijke het ontvangen en versturen van brieven.
               Nadat keizer Decius gestorven was, pakte Cyprianos zijn taak weer op en gaf hij opnieuw leiding en hield hij toezicht op de bevordering van de Christelijke Leer.
Er was een geschil in de kerk ontstaan over degenen die als gevolg van de vervolgingen van Decius afvallig geworden waren, doch spijt hadden betoond en wilden terugkeren naar de gemeenschap van de Kerk.
Over het algemeen is de algemene Christelijke Gemeenschap geneigd twee houdingen aan te nemen: De aanvankelijke houding is dat de Kerk hen niet opnieuw zou willen accepteren en vervolgens de houding om van hen onvoorwaardelijk terugkeer te verlangen.
Cyprianus koos de middenweg, de afvalligen kregen na een lange periode van spijtbetuiging de mogelijkheid op hun schreden terug te keren en werden weer als volwaardige leden in de gemeenschap opgenomen.
➥   De laatste jaren van zijn leven kwam Cyprianos hierbij op gespannen voet te staan met Stephanos, de bisschop van Rome, over de aan- of afwezigheid van ketterij bij de Christelijke doop. Volgens Cyprianos was de ketterse wijze waarop gedoopt werd absoluut ongeldig.
In plaats daarvan betoogde Stephanos dat iedere vorm van de kerkelijke doop van ketterijen legaal was.
De basis van Cyprianos’s betoog is dat niemand buiten de Apostolische Kerk het Mysterie [RK=  Sacrament] zal mogen toedienen.
Ketters hebben zich namelijk van de Kerk afgekeerd, hebben zich door zich af te zonderen van de bisschop aan de Apostolische verbintenis onttrokken en staan daarop buiten de Kerk, het Lichaam van Christus en mogen zich als zodanig niet langer Christen noemen.
Cyprianos was er derhalve van overtuigd dat:
    De Bisschop als toezichthouder tot de Christelijke Kerk wordt gerekend en de Kerk zich via de verbintenis aan de toezichthouder verbonden weet met Christus, indien de toezichthouder, bisschop ontbreekt, staat iemand derhalve buiten de Kerk”.
Er bestaat geen redding buiten de Kerk, het Lichaam van Christus [Extra ecclesiam nulla sallus], volgens Cyprianus, m.a.w. de Kerk is de moeder van de navolgers van Christus, de gelovigen.
            Stephanos wilde de kerk in Afrika dwingen de traditie van de Roomse kerk als een universele traditie te volgen. Gelukkig ging Stephanos hemelen, zodra dit conflict begon en onderging  Cyprianus al spoedig de marteldood, dus ontstond er geen schisma, verdeeldheid tussen de Roomse kerk en de Kerk in het Noordelijk Afrika.

➥   Bovenstaand conflict spitste zich tevens toe omtrent het primaat van de jurisdictie van de bisschop van Rome, zoals in onze dagen nog steeds opnieuw de kop op steekt. De ene mens probeert zich boven de ander te verheffen en dat terwijl slechts Christus het hoofd van de Kerk is. God leidt de Kerk op al haar wegen in ‘wederzijdse trinitaire Liefde’ en op deze wijze dienen de toezichthouders dit zowel ten opzichte van hun collega’s als ten opzichte van het kerkvolk te handhaven. Geen mens kan zich in de Kerk dus beroepen de eerste onder gelijken te zijn, hetgeen immers vanuit het  menselijk oer-instinct wordt omgevormd tot ‘de eerste onder ongelijken’. Zie daar de mens, die God probeert in juist vaarwater te leiden.

➥   ➥   ➥   Het primaat van de bisschop van Rome werd door Cyprianos besproken in zijn boek “De Unitate Ecclesiae” [De Eenheid van de Kerk].
Hij maakt hierbij duidelijk dat toezichthouder van de verschillende gemeenschappen, de bisschop de vertegenwoordiger en garantie – is/was en zal zijn – voor eenheid van de Kerk, omdat hij met vrienden in het ambt van de bisschop in een onderlinge [Goddelijke] Liefdesrelatie verbonden is vanwege de basis van zijn positie, het ambt van de Apostelen. Van de Apostelen was het Petrus die slechts in zijn persoon een speciale positie verkreeg, omdat hij de macht kreeg om in alle vrijheid te vergeven en te ontbinden. Omdat die macht wordt overgegeven door Christus en slechts aan één Apostel is verstrekt, betekent dit dat de eenheid van de Kerk door Christus is gevestigd.
Cyprianos trok daaruit echter ‘niet’ de conclusie dat Petrus hiermee de macht, als ware het een rechtsmacht, verkreeg over andere apostelen en de beminde gelovigen. 
Evenmin heeft hij geconcludeerd dat de bijzondere macht van Petrus [als een erfrecht] werd  overgedragen aan zijn opvolger, de bisschop van Rome.
De Romeinse congregatie werd slechts speciaal geëerd omdat Peter aldaar gewerkt heeft en daar ook gestorven is.
Het recht van de bisschop van Rome om rechtstreeks in een andere kerk tussenbeide te komen door bevelen te geven, werd [en wordt nog steeds door een ‘groot’ deel van de Kerk, waaronder de Antiocheens Ortodoxe Kerk] door Cyprianos absoluut van de hand gewezen. Verbintenis met God aangaan is een liefdesband en kan nimmer door menselijke geldingsdrang de boventoon kunnen voeren.

In 257 brak de vervolging op de Christenen opnieuw uit onder het bewind van keizer Valerianus. Echter nu probeert Cyprianos niet weer opnieuw te hieraan te ontkomen. Cyprianus werd berecht door de gouverneur van Afrika, Paternus, in een hal in Carthago.
Dapper verweerde Cyprianus zichzelf, ten eerste als volgeling van Christus en vervolgens als toezichthouder van de Christelijke Gemeenschap in Carthago.
Cyprianos verklaarde dit als volgt:
Ik ben Christen, zowel als toezichthouder, bisschop.
Ik erken geen andere goden behalve de ene en ware God,
Die de Hemelen en de aarde, de zee en al wat er bestaat heeft gemaakt.
Wij christenen dienen God; tot Hem bidden we dag en nacht
voor onszelf en voor iedereen en voor de veiligheid van de de despoot, de keizer zelf
”.
Vanwege deze bekentenis werd Cyprianus verbannen naar de stad Curubis en hij verbleef daar een periode.
Vervolgens werd Paternus vervangen door Galerius Maximus die Cyprianos opriep om opnieuw te worden berecht; Cyprianos bleef staande in zijn Geloof.
Maximus veroordeelde Cyprianus tot de dood en deze antwoordde op het vonnis door te zeggen: “Goddank!”.
Cyprianus diende God op 14 september 258 door een marteldood te ondergaan.
                 Eer aan God in de Hoge en Vrede op aarde aan de mensen van goede wil”;
Alheilige, Moeder van God, bidt God voor ons allen, om onze zielen te redden?“.

18e Zondag na Pinksteren – Hebt uw vijanden lief

‘God’s akker zijn wij’;
‘We are God’s field’;
‘Είμαστε ο χώρος του Θεού’;
‘ نحن حقل الله’

    En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo.
En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat hebt gij voor? Immers, ook de zondaars hebben lief, die hen liefhebben.
Want indien gij goed doet aan wie u goed doen, wat hebt gij voor? Ook de zondaars doen dat. En indien gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets te ontvangen, wat hebt gij voor? Ook zondaars lenen aan zondaars om evenveel terug te ontvangen.
       Neen, hebt uw vijanden lief, en doet hun goed en leent zonder op vergelding te hopen, en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed jegens de ondankbaren en bozen.
Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig isLuc.6: 31-36.

      [Bedenkt] dit: wie karig zaait, zal ook karig oogsten, en wie mildelijk zaait, zal ook mildelijk oogsten. En ieder doe, naar dat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen, niet met tegenzin of gedwongen, want God heeft de blijmoedige gever lief.
    En God is bij Machte alle Genade in u overvloedig te schenken, opdat gij, in alle opzichten te allen tijde van alles genoegzaam voorzien, in alle goed werk overvloedig moogt zijn, gelijk geschreven staat:
            ‘ Hij heeft uitgedeeld, aan de armen gegeven, zijn gerechtigheid blijft in eeuwigheid’. 
Hij nu, die zaad verschaft aan de zaaier en brood tot spijze, zal u uw zaaisel verschaffen en vermeerderen, en het gewas uwer gerechtigheid doen opschieten, terwijl gij in alles verrijkt wordt tot alle onbekrompenheid, welke door onze bemiddeling dankzegging aan God bewerkt2Cor.9: 6-11.

‘ Christus de zaaier, wij zijn mede-zaaiers’;
‘ Christ the Sower, we are co-sowers’;
‘ Ο Χριστός ο σπορέας, είμαστε συνεργοί’;
‘ المسيح الزارع ، نحن متعاطفون’.

Ja, ‘dàn’ heb je wel makkelijk praten, maar wie zaait er hier nog in deze wereld?:
  indien gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets te ontvangen, wat hebt gij voor?”.
Maar als dat lenen nu gewoon een overval betreft van iemand, die drommels goed geweten heeft dat het geld bestemd was voor de toekomst van een gemeenschap.
Het gewone kerkvolk verlangt ‘goed’ te doen, zeker de religieus bewogen mens verlangt dit.
Het tegenkomen van eigen zwakheden beschadigt een mens en brengt hem in de war – zonder God is er namelijk niets dan chaos. Ook de ‘Heilige Kerk’ is hierdoor teneergeslagen, indien je ziet wat er binnen haar rangen aan falen, ja aan gruwel gebeurd is en nog steeds plaatsvindt. De realiteit van eigen zwakheid, van eigen boosheid doet de mens angstig zoeken naar het goede in zichzelf; hij klampt zich er zelfs aan vast.
Niet goed zijn‘ en bij ‘de gevallenen‘ en de ‘niet zó goeden behoren‘ is het ergste wat de gelovige mens zou kunnen overkomen . . . diep in onszelf zijn we ons ervan bewust op ‘niets‘ aanspraak te kunnen maken. Wij hunkeren naar ‘ontfermingvan geheel ons mens zijn als drager van rechten en plichten. Wanneer je op zo’n moment geconfronteerd wordt met hoogmoed van gezagdragers, die zonder enige vorm van overleg beschikken over het geld dat voor een ander doel bestemd is, dan geraak je geheel van slag. Dit wordt nog eens bekrachtigd wanneer de persoon in kwestie zich tracht te verantwoorden en te legitimeren door te verkondigen: “Maar het was toch een lening, ja, zo is het de bedoeling geweest”. Ja, dank je de koekoek, zo lust ik er nog wel eentje.
          Dat er in de ‘heilige Kerk‘ ongerechtigheden plaatsvinden is uit de geschiedenis bekend, maar dat het binnen eigen gelederen zonder dat er pardon wordt uitgesproken ongestraft plaatsvindt gaat mijn ontwikkelingsniveau te boven.
       Ik betitel dit als diefstal en dat is liefdeloos en reeds bij Wet, zowel de 613 regels van de Thora, als de 10 geboden en de liefdeswet van Christus verboden.
De Kerk is niet beter dan de wereld, wanneer een kind ons duidt dat al die oorlogen beter op een schaakbord uitgevochten dienen te worden. In de ogen van een kind draait het om delen en geven, elkaar het Licht in de ogen gunnen, om ‘over’leven en verwachting op hetgeen komen gaat; wat dat aangaat zijn zij wijzer dan menig politicus. Immers alles zal wijken voor medelijden en medeleven tot degenen die het aan rust en leeftocht ontbreekt. Doch ook het schaakbord van de sportiviteit is vergiftigd  door de geldingsdrang van geld en macht. Oorlogen worden op vreemd grondgebied uitgevochten, het Westen bevecht het Oosten in het Midden-oosten, Iran steunt de ene partij en de Saudisch de ander in Jemen en het volk aldaar is de dupe, komt om van ellende. Het wachten is op een volgende brandhaard tussen de V.S. en China of is het Afrika waar hun strijd wordt uitgevochten. Ondertussen maak je het streven naar Vrede via een Permanent Hof van Arbitrage in dit soort zaken uit voor al wat lelijk is, teneinde eigen onvermogen aan leiderschap te verbloemen.

Bewogen woorden;
Moving words;
Κινούμενες λέξεις;
نقل الكلمات.

      Wij hebben de Heer in het Evangelie van zondag voor de Verheffing van het Heilige Kruis gehoord, waarbij de grootte van Zijn Liefde wordt onthuld, Die culmineert en verzegeld wordt door Zijn kruisiging.  De vernedering van de Blijde Boodschap van deze zondag door een gezagsdrager brengt ons tot de poging een ‘horizontale dimensie’ van de Liefde te definiëren.
Het formuleren van de universele, ‘hoogste regel’ die elke menselijke opvatting vóór en ná Zijn aanwezigheid op aarde overschrijdt.
Laten wij daarom, plechtig en nederig, stilstaan bij de woorden van de eenzame Verlosser, onze Heer Jezus Christus, Die onze harde harten tracht te verzachten en de woestijnen van het leven doet herleven.
            Waar ben je ?Gen. 3: 9.
Dat is de allereerste vraag, die Hij aan de mens heeft gesteld.
Het is opgenomen in Zijn Woord en het leert ons een les aan het begin van de Blijde Boodschap. Deze woorden “ Waar ben je ?“, leren ons dat God de zondaar nooit alleen zal laten in z’n zonde.
De mens hoort Zijn stem, sprekend in Zijn gewone accenten van vriendschap en vriendelijkheid; maar het sloeg op ‘een schuldig hart’ in als de stem van een vijand. Er bevindt zich een getrouwe getuigenis voor God in ‘s-mens eigen borst, die hem vertelt dat hij zichzelf had verwond; en “hij was bang !”.
God had tot nu toe Zelf geen enkel teken van verandering in de richting van hem getoond; maar de mens had zichzelf verheven tot god en hij deed het zichzelf aan

De “gouden regel van de liefde:
           Zijn de mensen gezegend, die de Heer niet willen zien en horen op de kusten, de vlakten en de heuvels van Galilea, omdat Zijn aanwezigheid de aarde heiligt?
           Zijn toespraak op de berg is diep doorgedrongen in het geheugen van degenen die Hem navolgen en dringt door tot de ethers, om onschatbare waarde te blijven, een eeuwige schat van de mensheid.  De beroemde Zaligsprekingen versieren de harten van hen die getroffen worden door de hoogmoed van anderen door alle tijden.
Tòch geven de woorden:  Waar ben je ?  en die van de bergrede moed aan de armen van geest, de eenvoudige leden van die gemeenschap, die zich maar dienen te schikken onder al dat hoogmoedig geweld. Zij geven moed aan de armen, de hongerige, de rouwklachten, de gewonden, de toegewijden, met de belofte van eeuwige vreugde.
            Integendeel, de rijken, de hard-hartige en de hartstochtelijk aan de wereld geklonkenen zullen de ellende in het eeuwige leven ontvangen! Maar de Heer opent nieuwe horizonten in de relaties van mensen:
   Allereerst organiseert onze Heer, wat mij zelf aangaat, geheel onverwacht een ontmoeting met een Metropoliet, die wèl door de wol geverfd is, een bloedserieuze monnik, die z’n sporen elders verdiend heeft. Het heeft mij verwonderd, ik had de moed binnen de Orthodoxie al opgegeven en was van plan niet nogmaals m’n neus te stoten aan zulk ongeregeld hooghartig gedrag.
           Om je vijanden lief te hebben, om degenen die je haten te bevoordelen, degenen die vervloekt zijn te zegenen, om te bidden voor degenen die je mishandelen” Luc.6: 27-28.
Aan de hand van het Torah-gebod omtrent de naastenliefde [Lev.19: 18] werd aan de hand van de positieve versie van Tobias 4: 15 een algemeen geldende en begrijpelijke “gouden gedragsregel in de Liefde” ontwikkeld: “ . . . . . Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook de ander niet”. Soortgelijke, negatief of positief geformuleerde, kernspreuken of leerstellingen, met verschillende betekenissen, werden vanaf de 7e-eeuw v.Chr. overgeleverd in religieuze en filosofische teksten uit China, India, Perzië [het huidige Iran], het oude Egypte en  Griekenland.
Oordeel mij, God; voer mijn rechtszaak, tegen een ongewijd volk.
Bevrijd mij van de niet-gerechte mens en van de bedrieger.
God, Gij zijt toch mijn sterkte, waarom verstoot Gij mij?
Waarom moet ik treurig voortgaan onder de slagen van mijn vijanden?
Zend Uw licht uit en Uw waarheid, om mij te geleiden.
Zij zullen mij voeren naar Uw heilige berg, naar Uw woonplaats.
Dan zal ik opgaan tot Gods altaar; tot de God die mijn jeugd verblijdt.
Ik wil U belijden op de harp, God, mijn God.
Waarom zijt gij zo treurig mijn ziel? Waarom verontrust ge mij ?
Vertrouw op God, want ik zal Hem belijden: Hij is het heil van mijn aanschijn; Hij is mijn GodPsalm 42 vert. ROK ’s-Gravenhage.

Peace Palace in The Hague

Waarom zegt Christus ons, als je van degenen houdt die van jou houden, als je goed doet aan degenen die alles jou ten goede laten komen, als je datgene leent aan hen, die jou zullen terugbetalen, wat is dan de toegevoegde waarde?
  Werkelijkheid is meer dan waarheid” het lijkt een wat merkwaardige boodschap van een denker des Vaderlands. Deze houdt kort samengevat in dat het gewone voordravende en niet- bewust-levende volk niet zo geïnteresseerd is in waarheid. Een merkwaardige opvatting, die uit de ontmoeting met mensen en de menselijke conditie wordt weersproken. Niemand vindt het namelijk fijn te worden voorgelogen of bedrogen [ in bed, in de supermarkt of in de vriendschap] – dat lijken mij vrij universele waarden te zijn.
“ . . . . . Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook de ander niet” Doen de hoogmoedige zondaren niet hetzelfde?  Maar u gelovigen houdt van uw vijanden, opdat uw beloning groot zal zijn en uw zonen van de Allerhoogsten  zijn, omdat Hij als God gewoon te goed is om ondankbaar en kwaad te zijn.
God staat mijlenver boven de mens.  Het Woord heeft dus te maken met je ingewanden, en jouw Vader in de Hemelen gaat daarin tot het uiterste, is visceraal!!!

Het Mysterie van de Drie-eenheid

Heb elkander Lief, zoals de Heilige Drie-eenheid in een Liefdes-band één God is’.

          Het zou voor iedereen vele [dag-]boekdelen van het leven kunnen vullen: ‘Onze Heer en Verlosser, Die zelfs met een dood eenvoudige aanpak van het universele fenomeen van de liefde ons probeert te genezen’.
          Het is eenvoudig zo dat God’s vormen of uitdrukkingen niet te tellen zijn; relaties, obligaties, gevoelens, en al de situaties waarmee wij ze verwarren of daaraan verwant zijn.
          Dus als je wat vraagt in datgene ‘waarin’ wij de mensen om ons heen elkaar lief hebben, krijg je de meest vreemde, misschien tegenstrijdige antwoorden.  Afhankelijk van hun psychosynthese zijn onderwijs, overtuigingen, doelen, mensen actief; soortgelijk zijn zij uit op liefde voor zichzelf en hun eigen belangen, de toezichthouder wordt dan een ‘tot-zich-houder’ en doet gewoon waar die zelf zin in heeft, wie doet hem wat? We kunnen echter zeggen dat de hoofdvormen van liefde in zijn maatschappelijke dimensie zijn: moeder en vaderschap’s liefde, broederliefde, liefde van kinderen voor ouders, liefde in een huwelijk of vriendschap, liefde voor dieren en de ons omringende natuur.
Gegeven vanuit de Liefde tot God, creëren deze woorden wonderen; daar is op het hoogste niveau over nagedacht en het verfraait het leven.
Het is eigenlijk niet nodig om te benadrukken dat ‘Liefde‘ de centrale as is van  de Blijde Boodschap en de prediking van Christus en de Apostelen; in primaire gemeenschappen ben je als vanzelfsprekend op elkaar aangewezen.
Nood leert bidden‘, dat wisten onze ouders reeds, tijdens en nog tot vlak na de 2e wereld oorlog – die tijd wordt echter wel herdacht, maar niet langer beleden, want dat heeft voor velen voor goed afgedaan.
De woorden van de brieven van de H. Johannes de Theoloog, de ‘Evangelist van de Liefde’ worden echter alom in de Kerk vernomen en vormen omdat zij diep in ons hart zijn doorgedrongen een richtlijn in ons leven.
Hetzelfde gaat op voor de beroemde “Hymne van de Liefde” van de hand van de Apostel Paulus. Unieke teksten die de leringen van Christus en de werking van de Kerk voortstuwen in de tijd.
Zij realiseren, als door God Zelf gemaakte creaties, die het organisme realiseert van de ware Liefde, omdat ze de innige samensmelting verbeeldt met haar geliefde Bruidegom.
            Door deel te nemen aan deze levendige ‘communio’ van Liefde, waar àlles verlicht wordt door het Licht van Christus, kunnen we begrijpen waarom Hij ons vraagt om onze naaste lief te hebben als onszelf.
Deze Liefde negeert en onderschat de Wet niet, niet de 613 regels, niet de 10 geboden evenals de 2-voudige Liefdeswet van Christus en daarbij de inspanningen van mensen waardoor een Verbond’s Volk in harmonie kan samenkomen.
Dáár wordt niet stilzwijgend gedaan of er niets aan de hand is wanneer je een faliekant verkeerde beslissing hebt genomen, die mensen op hun ziel hebt getrapt en vernedert. Die mensen van je verwijdert, hen de Kerk ‘uit’-jaagt’, omdat jij ‘despoot’ heel onvolwassen de nagel van je disfunctioneren niet durft te verwijderen. Maar omdat Christus onze menselijke fouten kent, de afwijkingen van onze goddelijke bestemming en de aantrekking’s-kracht van de wereldse goederen, dringt Hij er bij ons op aan om ook hierin een heldhaftige stap te nemen, een overgang te bewerkstelligen, zelfs om van je vijanden te houden!
Daarom zijn er in onze relaties met onze medemensen veel “overbrugging’s-mogelijkheden”, trappen van bekwaamheid, maar daar behoort het gewoon maar ‘doodzwijgen’ en het geven van ontwijkende antwoorden niet bij.
Iemand, die goede dingen doet voor andere mensen, zeker wanneer deze vòl zijn van Genadegaven zal de één anders handelen dan de ander, zo is het ook met onze Heer en verlosser, Die wel-doende rondgaat in deze wereld.

        Wil je dan ook iemand voorstellen om tot oprecht berouw te komen, met name van degenen, die hun hartstochtelijke liefhebberijen nog niet hebben gedoofd, dan dien je die bemoedigend tegemoet te treden, zodat zij er niet in stikken en zich terugtrekken.
       Met name zij die vanuit de Kerk door geweld gewond zijn geraakt en hier keer op keer mee in aanraking komen, komt dit van tijd tot tijd opzetten en moedigt hen aan in herhaling te vervallen.
         Gemeenschap’s-zin komt voort uit een goed samenspel van betrokken gelovigen, een betrouwbare overheid en inlevende ambtsdragers, zeker wanneer deze door een ‘AXIOS’ omgeven zijn. De verbindende schakel is een sociaal-fysieke infrastructuur: plekken waar toegankelijke vertrouwdheid kan ontstaan waardoor onderlinge vooroordelen doorbroken kunnen worden en mensen weten wàt ze aan elkaar hebben. Daartoe dienen er verbanden te ontstaan waarbinnen gelovigen zich al doende de benodigde kennis, vaardigheden en houding kunnen aanmeten, zodat zij weten dat zij in hun doen en laten worden gewaardeerd.

Robotisering van de mens betekent verharding;
Robotisation of man means hardening;
Η ρομποτικοποίηση του ανθρώπου σημαίνει σκλήρυνση.

        Het omzeilen òf bewust niet reageren op opwinding vanwege menselijk falen leidt niet vanzelfsprekend tot meer participatie van beminde gelovigen, broeders en zusters in de leer.
Het is niet vanzelfsprekend dat diegenen, die gevorderd zijn in ‘praktische’ arbeid stilzwijgend hun wonden likken en enkel genoegdoening accepteren op basis van hemelse verlichting.
Zwijgen en ontwijkend reageren bevordert ‘bewust’ een gevangenschap van het absurde en leidt tot gelovigen, die jarenlang kwaad blijven op degenen die zich in hun ogen misdragen hebben.
De verlichting van de geest wordt geblokkeerd en heeft openbaar maken van mistoestanden tot gevolg – brengen logische en godelievende [om een Belgisch woord te gebruiken] beslissingen voort. 

        Wanneer de geest zorgvuldig onder strenge knoet gehouden wordt en de zintuigen door irrationele impulsen en bewegingen onderworpen worden, wordt er beslist geen rust in de gemeenschap bevorderd, eerder zal men de superieur niet langer serieus nemen; hem als niet-geschikt terzijde schuiven, uit de weg gaan, vermijden.
        Het sterflijke wordt immers verzwolgen door het Leven òf zoals men het in goed Nederlands formuleert “het zal mijn tijd wel duren” oftewel “zo’n iemand zal ìk mijn geestelijke en zakelijke kwesties niet meer toevertrouwen”.
En dan wordt in ogenschouw genomen: “  Aan eenieder van ons afzonderlijk is de Genade 
gegeven, naar de mate, waarin Christus haar verstrektEph.4: 7.
Laat hem maar gaan, hij krijgt z’n trekken wel thuis, laat hem stikken en zoek een normaal reagerend gezagdrager.

H. Johannes Chrysostomos, geïnspireerd door de H. Apostel Paulus

        De één geeft God wijsheid, de ander al naar zijn behoeften, bediening voor opleiding, scholing en beoefening van de bemanning van de gemeenschap. En dit is nu precies datgene wat, niet “in de huidige tijd” past, maar vandaag gewoon als Waarheid beschouwd kan worden, dat wil zeggen, om de Belofte van onze Heer uit te breiden, dat Hij ons in ieder geval ‘nooit en te nimmer’ met rust zal laten.
        De Heilige ‘Guldenmond”, die de woorden van de Heer analyseert, somt negen heldhaftige stappen op, die de mens zou dienen te nemen, om een overgangsperiode te bewerkstelligen, ja, zelfs om zó vèr te komen dat we van onze persoonlijke vijanden gaan houden!
        Verdraagzaamheid en de bal niet terugspelen geeft geen genoegdoening voor degene, die ons geschaad hebben – om de liefde te bereiken blijft ons alleen nog over ons gebed op te pakken en terwille van hen ontferming af te smeken.
Deze reactie is het enige wat overblijft en zó God het wil zal dit gloeiende kolen op iemand’s hoofd plaatsen. Dit is niet oproepen agressief te worden, met vurige kolen op iemands hoofd stapelen wordt bedoeld dat je iemand die iets verkeerds of slechts heeft gedaan niet straft, maar juist heel vriendelijk voor hem bent.
In feite zeg je hiermee het meest onbegrijpelijke dat de Heer van ons verlangt, dat we zijn zoals onze Hemelse Vader. Hij houdt zonder dollen van kwaadaardige mensen en laat weten dat zij die niet behandeld willen worden als ‘ziek’, ja zelfs als ‘stervend’ beschouwd dienen te worden. 

De gaven van de Heilige Geest

Christus, Verlosser van de wereld

          In het leven van de Kerk en de ascetische Traditie zien we dat de Heiligen Christus imiteren, hun passies en zwakheden bestrijden en inderdaad de bron van alles kwaad, de verschrikkelijke zelfliefde.
Adam’s ‘treuren omdat iemand gestorven is‘ gaat door met het Leven. Het dwingt de mens ertoe te komen tot een “leegmaken“, een mededogen en alle mensen onder dezelfde vleugelen te hoeden. De geplengde tranen strekken zich over de gehele schepping uit.
Daarmee staan voor het Mysterie van de Liefde. We kunnen op die manier ervaren hoeveel “bovenmenselijke Kracht” z’n uitwerking vindt. Filosofen en opvoeders beoefenen ‘pedagogische liefde’, veel mensen hebben hier al boeken over vol geschreven. Wetenschappers gebruiken het als een methode van psychotherapie.
Maar, zoals onze Heer en Verlosser het ons duidelijk maakt, kan het ‘nooit‘ gebaseerd zij op een zuivere menselijke overwinning/verovering op jezelf.
Deze Liefdeshouding overschrijdt al de menselijke grenzen.
Als de mooiste bloem vanuit de Hemel op aarde neergedaald is het een Genadegave van de Heilige Geest. Om mensen hun getrouwheid in Christus te laten dragen en de goederen van het komende Koninkrijk te genieten.
Wel, mijn broeders in de Heer, in haat, wraak en onmenselijkheid, die we in onze tijden te verduren hebben en die wij als gevolg van ons menselijk handelen voortdurend over onze geloofsgemeenschap  doen toekomen, laten we ons niet van de Liefde in Christus afkeren, doch er naar te kijken als handreiking van Hem persoonlijk aan ons lijdenden gericht als teken van Zijn Aanwezigheid in deze wereld. Liefde, welke, met het vooruitzicht van de eeuwigheid, volgens de apostel van de naties, “nooit ontkend mag worden”.
            Moreel besef, omdat onvoorwaardelijke liefde voor de officiële partner een vereiste is.
Nooit, nee nooit, mag deze belast worden met kennis van overspel, laat staan verlaten worden voor een ‘tijdelijke’ tochtgenoot. Overspel vereist paradoxaal genoeg ook voor monniken een goede, stabiele liefdesrelatie, anders is het niet minder dan een ordinaire zoektocht naar een nog leukere ‘instabiele‘ partner.
De pijn van het gemis van een goede stabiele liefdesrelatie is de manier waarop je hart je duidelijk maakt dat ware Liefde nog steeds bestaat . . . . . 

Apolytikion     tn.1
“   Terwijl de steen door de Joden verzegeld was
en de soldaten Uw alleruiterst Lichaam bewaakten,
zijt Gij na drie dagen opgestaan, o Verlosser,
om aan de wereld Leven te schenken.
Daarom riepen de Hemelse Machten U Toe, o Levenschenker:
Ere zij Uw Opstanding, o Christus.
Ere zij Uw Koninkrijk:
Ere zij Uw Voorzienigheid o enige Menslievende
”.

Kondakion     tn.1
“   Als God zijt Gij opgestaan uit het graf in Heerlijkheid
en de wereld hebt Gij mede opgewekt.
De mensennatuur bezingt U als God
en de dood is teniet gedaan.
adam jubelt o Meester
en Eva, uit haar noemen bevrijd, verheugt  zich en roept uit:
Gij zijt het, o Christus,
Die aan allen de Opstanding schenkt
”.

Theotokion     tn.1
“   Toen Gabriël tot U o Maagd het ‘verheug u’ sprak,
nam de Schepper van het heelal in U het vlees aan.
Toen werd gij ‘de Heilige Ark’, waarover David sprak,
meer omvattend dan de Hemelen.
Eer zij Hem, Die in U woning nam,
Eer aan Hem, die uit u tevoorschijn trad.
Eer aan Hem, Die ons door uw baren heeft bevrijd
”.

Orthodoxie & de liefdesverhouding buiten het Verbond en het toegeven dat men iets verkeerd heeft aangepakt.

Met de eerste maand van het jaar zijn we een nieuw seizoen binnengegaan en indien we dan één fundamentele kwestie serieus nemen, dan is het de verlossende Kracht van een persoonlijke of publieke biecht.
Zoals dat in Orthodoxe kringen genoemd wordt ‘het is en blijft een Mysterie‘, de uitwerking, die hierdoor in het verborgene plaatsvindt.
En als er één mens in de Blijde Boodschap beschreven wordt, die hier een voorbeeld van deze verlossende Kracht toont, dan is dat ‘David’.
David is de oer-ervaring van het diepste binnenste, datgene wat zich altijd als heer en meester [het ego] van de mens probeert te verheffen, teneinde de ondergang van zijn bestaan te bewerkstelligen.
Overweeg daarbij allereerst Psalm 50[51], waarbij de liefdesverhouding  buiten het Verbond wordt toegegeven en waarin de mens het uitjubelt dat hij/zij gered mag worden. David het archetype, de symbolische voorstelling, die in het onderbewustzijn van alle mensen aanwezig is, is belast met de erfzonde. 

Er zijn vijf ‘vooruitzichten‘ op te noemen van David’s ongerechtigheden en die hem er in eerste instantie aanzetten, absoluut niet toe te geven, dat er iets verkeerds is gegaan [zie: 2Sam.11].
Een mens laat zich nu eenmaal moeilijk iets gezeggen, indien hij/zij op onvolkomenheden wordt aangesproken, dat zit ingebakken vanaf de schepping.

1.]. Hij had seksuele relaties met Bathseba [Hebr.= ‘dochter van een eed’], een vrouw die getrouwd was met zijn gezagsgetrouwe officier Uria [Hebr.= ‘licht van de Heer’] de Hethiet [Hebr. nakomeling van Heth = ‘schrik‘; 2Sam.11: 2-4].

2.]. Nadat van Bathseba[Hebr.= ‘dochter van een eed’] vernomen werd dat ze door David’s toedoen zwanger was, probeerde hij de afkomst van het kind te verstoren door Uria ertoe te brengen een echtelijk bezoek te brengen aan Bathseba [2Sam.11:  5-13].

3.]. Na het falen van dit eerste plan, pleegde hij doodslag door bevelen te geven aan zijn generaal Joab die het leven van Uria [en die van anderen] onnodig in gevaar bracht [2Sam.11: 14-25].

4.]. David veroorzaakte daardoor dat Uria – en anderen die die dag zijn gevallen – een waardige dood sterven.

5.]. David nam Bathseba onmiddellijk na de rouwperiode als vrouw, waardoor de Halacha [het practisch Joodse Recht ] werd overtreden door een wachtperiode van drie maanden op te leggen om het vaderschap te verduidelijken [2Sam.11: 27].

Waar tref je een nog dramatischer illustratie aan, notabene in de Blijde Boodschap van hoe een ontwijken van een bekentenis, het toegeven dat men iets verkeerd heeft aangepakt de neiging doet opkomen een misdaad te verdoezelen en tegelijkertijd te verergeren?

Maar als bovenstaande antwoorden van David op de zonde een discipline gaat worden, verwordt het tot een stelselmatige reactie wanneer iemand op z’n fouten gewezen wordt – en z’n omgeving hem daarin uit onderhorigheid ondersteunt, ja, dàn verwordt dìt tot een ontkenning van het Mysterie, de verlossende Kracht van de Biecht.

King Saul & King David

In tegenstelling tot Saul die door de schuld van zijn falen op anderen af te schuiven, [om berisping van de profeet Samuel’s] te reageren [1Sam.15: 20-21].
Vergelijk dit derhalve met:
      En de Heer zond Nathan [Hebr. = ‘een aangever‘] tot David [Hebr. = ‘de  geliefde‘]. Deze kwam bij hem en zei tot hem:
  Er waren in een stad twee mannen; de een was rijk en de ander arm. De rijke had zeer veel schapen en runderen; de arme had niets, behalve een klein ooilam dat hij had gekocht en opgekweekt. Het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen; het at van zijn bete, dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot, het was hem als een dochter. 
Eens kreeg de rijke man bezoek; en hij kon er niet toe komen, een van zijn schapen of runderen te nemen en te bereiden voor de reiziger die bij hem was gekomen; dus nam hij het ooilam van de arme man en bereidde dat voor de man die bij hem gekomen was”.
Toen ontbrandde de toorn van David zeer tegen die man en hij zeide tot Nathan:
  Zo waar de Heer leeft: de man die dit gedaan heeft, is een kind des doods’”
2Sam.12: 1-5.

David aanvaardt de volledige schuld als hij wordt geconfronteerd met de profeet Nathan.  Zoals opgetekend biedt David slechts een eenvoudig antwoord:
Ik heb gezondigd tegen de Heer, onze God 2Sam.12: 13.
En als deze versie van David’s bekentenis perfect is in zijn eenvoud, dan komt dit tot uitdrukking in de Psalm, die in iedere Orthodoxe dienst wel aan de orde komt en die we eigenlijk allemaal van buiten dienen te leren reciteren [eerst dàn begint het voor je te leven]
Een Psalm van David, toen Nathan de profeet naar hem toe kwam nadat hij naar Bathseba was gekomen is perfect in zijn welsprekendheid:
    Ontferm U over mij, o God, in Uw grote Goedheid en delg mijn ongerechtigheid uit door de overvloed van Uw Barmhartigheid” Psalm 50[51]: 1,2 vert. ROK ’s-Gravenhage.
In dit ontroerende gebed om mededogen en barmhartigheid in
    Was mij geheel van mijn ongerechtigheid en reinig mij van mijn zonde” Psalm 50[51]: 3, gebruikt David zeven keer het woord het of de “zonde” om naar zijn daden te verwijzen en het als een woord, waarop men zich dient te richten teneinde het doel van het gedicht vast te stellen.
Er wordt door divers woordgebruik dertien totale verwijzingen naar de zonde, welke waarschijnlijk  verwijzen naar de dertien attributen van Gods Genadegaven:
      De Heer ging aan hem voorbij en hij riep:
   Heer, Heer, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar [de schuldige] houdt Hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid van de vaderen bezoek-ende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslachtEx.34: 6-7.

Is dit niet tot God verheffende literatuur, die oproept je in je binnenkamer terug te trekken en het gebed van het hart te reciteren: “  Heer Jezus Christus, Zoon van de levende God, ontferm U over mij zondaar”; hoe kun je nog een ander boek ter hand nemen?.

Maar nu gaan we nog een stapje verder en komen op het punt van de biddende Kerk. Een gemeenschap van návolgers van Christus is een biddende gemeente.
Ook als ze samenkomen dan vormen ze samen die biddende gemeenschap rond het Woord.  Dat bidden doen ze niet passief, de leden van die gemeenschap zijn daar actief bij betrokken.
In de meeste  kerkdiensten van tegenwoordig zijn wij dat niet meer gewend.
Wanneer wij samenkomen in ons onderkomen, òf die nu in eigendom is verkregen òf niet, dàn is er maar al te vaak één persoon, die voorgaat in gebed, de spelleider of zoals je wilt de priester, pastor of dominee.
In de vroeg-christelijke kerk was dat anders.
Die oorspronkelijke Kerk, waar de Orthodoxe Kerken zich onafgebroken op beroepen, bestond uit kleine huisgemeenten, hooguit 100 gezinnen, die wekelijks op een centraal punt samenkwamen.
En waneer zij een eredienst hadden, dan mochten ‘alle’ gemeenteleden ‘– méé – ‘ bidden, de mannen, zowel als de vrouwen.
Wèl werd de samenkomst voorgegaan door ‘een oudste’, een spelleider, iemand dient toch het voortouw te nemen, of niet soms?
En die spelleider kreeg een toezichthouder, in navolging van de initiërende Apostelen, die haast ‘niets’ bezittend en met hun stok en hun staf [ ‘ja. dezen zijn mijn troost’, psalm 22(23)] de navolgers van Christus bezochten en toezicht hielden of de Leer wel juist verkondigd werd.
Dat was het ‘in den beginne’, het principe van de Heilige Katholieke en Apostolische Kerk.
Zij verkondigden een leer, een Pedagogie van de Éne, Die in hun midden is:

Christus, Verlosser van de wereld

Één is heilig, één is Heer: Jezus Christus, tot Heerlijkheid van God de Vader. Amen”.
En dan ontwikkeld zich een proces wat in de menselijke belevingswereld is ingebakken:
        Toen Samuel oud geworden was, stelde hij zijn zonen aan tot richters over Israël.
De naam van zijn eerstgeboren zoon was Joël [Hebr.+ ‘voor wie de Heer God is’], die van de tweede Abia [Hebr.= ‘mijn vader is de Heer‘]; zij waren richters te Berseba [Hebr.= ‘ put van de zevenvoudige eed’].
Maar zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; zij waren op winstbejag uit, namen geschenken aan en bogen het recht”.
Dat gebeurde in de oudheid, dat gebeurt er nog steeds in ònze Christelijke historie, dat gebeurt “hier en nu”, want dat is ingebakken, dat is door God in het menselijk onderbewuste meegegeven.
Maar hoe kan ik dàn de betekenis van het vers vaststellen:
En zij zochten naar onrechtvaardige winst”, wat aangeeft dat zij zondaars waren? Dat betekent dat zij zich niet hebben gedragen [en nog steeds niet gedragen] in overeenstemming met de acties van hun voorvader[en].
Als Samuel [Hebr.= 
van God gebeden, ‘van God afgesmeekt’zou de rechtvaardige reizen naar alle plaatsen waar ‘het volk van Israël [de Kerk] Zich bevond en zat in het oordeel in hun steden’, zoals staat vermeld:
“En hij ging van jaar tot jaar in circuit van Beth-El [Hebr.= ‘huis van God‘], en Gilgal [Hebr.= ‘wiel of rollend’ en Mitzpa [Hebr.= ‘wachttoren’], en richtte [beoordeelde] Israël [de Kerk] op al die plaatsen “1Sam.7: 6.
En/Maar zij deed dit niet, dat reizen van plaats tot plaats. Integendeel, zij zaten in hun ‘eigen’ steden om de vergoedingen te verbeteren die door hun bedienden en schriftgeleerden werden verzameld. Daarom schrijft het vers hun de aan-sprakelijkheid toe alsof ze gezondigd hadden door ongehoorde aanwinsten en steekpenningen te zoeken, tot eigen eer en glorie !!!

goed & kwaad

God heeft de mens meegegeven dat hij/zij persoonlijk afwegingen diende te maken, de keuzevrijheid heeft en zal hebben om ‘goed en kwaad‘ te doen en het één van het ander te onderscheiden.
Dat is voor Christenen het tweeledig gebod van de Liefde,  enerzijds tot God en tegelijkertijd tot de naaste.
In het oude Testament [Verbond] werd dit omschreven in de Wet, voor de meesten bekend als de 10 Geboden en voor insiders de 613 regels van “het pad” of “de manier van hoe je je weg gaat, vervolgt” het boek Leviticus [Hebr.= ‘De Heer riep’ (‘ons’)].
Vervolgens zegt Petrus:
      Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk [aan God] ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar Licht: u, eens niet Zijn volk, nu echter God’s Volk, eens 
zonder ontferming, nu ìn zijn ontferming aangenomen.
      Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke 
begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel; en dat gij een goede wandel leidt onder de heidenen, opdat zij, nader toeziende op datgene, waarin zij u als boosdoeners belasteren, op grond van uw goede werken God mogen verheerlijken ten dage der bezoeking.
       Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om wille van de Heer: hetzij aan de keizer, als opperheer, hetzij aan stadhouders, als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie ‘goed’ doen. Want zó is het de Wil van God, dat gij dóór ‘goed te doen’ de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid ‘misbruiken’ tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. Eert allen, hebt de broederschap lief1Petr.2: 9-17a.

 

uit Liefde de handen ineen slaan

Nu is de Kerk ‘oud en belegen’ geworden en is door de jaren heen tot een instituut verheven, die de Goddelijke Boodschap in de wereld behoort te bewaren; door al die wir-war van de omstandig-heden is zij helaas hopeloos verdeeld geraakt.
Wij, gewone en eenvoudige gelovigen, willen evenwel gemeenschap hebben met ‘de énige wáre God’, zodat Hij onze geest inspireert, ons denken beïnvloedt en vernieuwt.
Wanneer wij ‘Hem’ dus als voorwerp van verering aanbidden, willen wij ons eerst met Hem  identificeren, teneinde geen vreemde goden te dienen. Wij willen ‘Hem’ aanbidden in Geest en in Waarheid.
             Toch beroept ieder van de Christelijke groeperingen Zich op/tot een eigen Waarheid en proberen zich als het enigszins kan ‘gróter’ voor te doen alsof ze God Zelf zijn. De verdeeldheid is alom en niemand durft de ander een stro-breed toe te geven. Zo het mogelijk is kent ‘de verdeeldheid‘ zijn weerga niet, de Kerk is tot het bot van haar geledingen net zo verdeeld als de mens en dat steken we niet onder [kerk-]stoelen òf [kerk-]banken.
             De opvolgers van de Apostelen volgen hetzelfde pad als de zonen van Samuel; ’hun zonen wandelden niet naar God’s wegen; zij zijn op winstbejag uit, nemen geschenken aan en buigen voor het recht’.
Zij onderwerpen zich méér dan ooit aan alle menselijke instellingen, in Naam van de Heer:
hetzij aan de wereldse overheden, als opperstalmeester,
hetzij aan de ontwikkelingsmaatschappijen/ de banken [als stadhouders] als door God gezonden tot bestraffing van boosdoeners.
          Kerkgebouwen en bijbehorende bezittingen worden voor ‘grof’-geld verkocht en indien dit niet gelukt worden makelaars benaderd om maar zo veel mogelijk rendement uit hun bezittingen te distilleren.
             In de drang naar groei en meer worden verkregen middelen [veelal met dubbeltjes en kwartjes voor God’s doeleinden bij-een-geharkt] te gelde gemaakt teneinde een verdronken kalf uit de put te redden.
            Nu is het niet verwerpelijk voor de mens de gedachte te koesteren om eenmaal aan het beeld van God gelijkvormig te zijn, want Johannes schreef en Paulus verkondigde:
Wij zullen aan Hem gelijk wezen, die het ‘geen roof behoefde te achten
aan God even gelijk te zijn”
Phil.2: 6.

De [eind-]tijd komt echter dat God alles in allen zal zijn – dóór en vóór – de mensheid zal denken, eerst dàn zal er sprake zijn van Oecumene, in zowel spreken als handelen.
De gelovige mens is uiteindelijk tot een zéér hóge roeping uitverkoren, want hij is bestemd om als woning van God te dienen.
            Toch dìt alles bereikt de mens en haar Kerk ‘niet’ door geld te genereren, maar door een ontwikkelingsproces. Wanneer hij/zij zich aan de Waarheid houdt, groeit hij/zij als vanzelfsprekend ‘als kool‘ naar dit doel toe:
      Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neer, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt,  maar dan groeien wij, ons aan de Waarheid houdende, in Liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het Hoofd is, Christus. En aan Hem ontleent het gehele Lichaam als een wel-sluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de Kracht, die elk lid op zijn [eigen-]wijze [be-]oefent, deze groei van het Lichaam [des Heren],
om Zichzelf op te bouwen in de Liefde
Eph.4: 14-16.

De Schepping, The Canturbury Psalter, 1147 AD

            Het is dan ook geen wonder dat Adam en Eva ná hun daad van ongehoorzaamheid wegscholen tussen het geboomte van de hof van Eden.
Zij ervoeren wèlzéker dat hun verhouding met God veranderd was. Ze waren bevreesd dat God hen zou straffen, wellicht zou willen doden; met het maaiveld gelijk zou willen maken. Zij geloofden immers dat Hij eveneens kwaad zou kunnen doen.
Hij maakt dood en Hij maakt levend! 1Sam.2:6.
            Alsof de Heer, onze God iemand zou doden! Heeft Hij niet Zijn eigen Zoon geschonken, “opdat deze door Zijn dood hem, die macht over de dood had, de duivel, zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij waren gedoemdHebr.2: 14,15.
          De Heer is immers een alwetend God en door Hem worden de daden getoetst.
De boog van de helden
[de toezichthouders, als zij niet veranderen] is verbroken, maar de wankelende [degene, die ondanks alle tegenstand het ‘oorspronkelijk Geloof’ heeft bewaard] is met Kracht omgord.
Wie verzadigd waren, verhuren zich om brood, maar wie hongerig waren, mogen rusten.
Zelfs een onvruchtbare baart er zeven, maar wie rijk was aan kinderen, verwelkt.
De Heer doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen.
De Heer maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk,
om hem te doen zitten bij edelen en een erezetel te doen verwerven
“ 
1Sam.2: 3b-8.

Het doen en laten van de meeste kerkleiders spreekt momenteel boekdelen, zij geloven er zèlf niet meer in en durven ‘ – onmogelijk – ‘ toe te geven dat zij zelf – ‘ook maar iets’- verkeerd hebben gedaan.

  Ons vóór-land is ons bloed:
Voor gelovigen uit de Lage Landen is het een etiquette, een ongeschreven wet, dat je je mond open doet, wanneer de Vrijheid [en de Vrijheid van Geloof] op wàt voor gebied dàn óók, door machtsmisbruik verkracht wordt. Dan hou je je mond niet langer en wanneer er ‘dan nog’ door ontwijkend manoeuvreren getracht wordt aan verandering te ontkomen dan publiceer je het gewoon, hetgeen dan bij deze is gedaan.

Heer, Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Heilige Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in Heerlijkheid“.

  Psalm
  Heer, verhoor mijn gebed, luister naar mijn smeking in Uw waarachtigheid. Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar.
Immers, niemand der levenden, kan zich rechtvaardigen voor Uw aangezicht.
De vijand heeft mijn ziel vervolgd; mijn leven vernederd tot op de grond. Hij doet mij neerzitten in het duister, evenals de doden van eeuwigheid.
Nu is mijn geest in mij beangst; mijn hart is bevreesd in mijn binnenste. Maar ik herinner mij de dagen vanaf den beginne; ik overweeg al Uw werken.
Ik denk aan de daden Uwer handen; Ik strek mijn handen naar U uit. Mijn ziel dorst naar U, als een land zonder water; verhoor mij spoedig, Heer, mijn geest versmacht.
Wend Uw aangezicht niet van mij af, anders wordt ik gelijk aan wie afdalen in het graf. Doe mij in de ochtend Uw barmhartigheid horen, want op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
Heer, doe mij de weg kennen die ik moet gaan, want tot U heb ik mijn ziel verheven.
Bevrijd mij van mijn vijanden, Heer, want tot U heb ik mijn toevlucht genomen.
Leer mij Uw wil te doen, want Gij zijt mijn God.
Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land; Heer, doe mij leven, omwille van Uw Naam.
Gij voert mijn ziel uit de verdrukking, in Uw rechtvaardig­heid; Gij verstrooit mijn vijanden, in Uw barmhartigheid. Gij verdelgt allen, die mijn ziel verdrukken: ik ben immers uw dienaar.
            Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed  niet in het gericht met Uw dienaar; Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar landPsalm 142[143] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

  aangever tot gebed:
    Heer,
Die bewerkt dat iedere ziel op aarde aan U gelijkwaardig wordt;
Die slechts wilt dat Uw Rijk van de Hemelen op aarde gevestigd wordt;
Die slechts wilt dat wij onze inzet erop richten om het goede te bewerkstelligen;
Die de duisternis in ons hart verlicht.
             Dat ik mag toezien op mijn eigen zielenheil en
             de angel uit m’n verderfelijk bestaan mag boeten;
             Dat het goede het kwaad mag overwinnen;
             Dat ik slechts beoordelen mag diegene die om wat voor reden ook rechtvaardig is;
             Dat ik U als rechtvaardige en gerechte Heer en Meester van mijn leven mag liefhebben.
Heer, begeleid mij in al wat in mij leeft, laat mij onbekommerd zijn als een kind, die niet langer angstig is, omdat het onbevooroordeeld weet hoe Liefde werkt.
Het kind in ons wordt ons de van God gegeven Pedagoog, Die elk stekje hier op aarde met meer instinct en liefde omringt dan Z’n eigen Zoon, Die voor ons geleden heeft en Zich verheugt wanneer het onderste in ons boven komt.
En wanneer je dan bij het laatste woord komt,  blijkt alles goed te zijn
”.

17e Zondag na Pinksteren – wij zijn allen door het Woord geroepen tot het priesterschap

      En het geschiedde, toen de menigte op Hem aandrong en naar het woord Gods hoorde, dat Hij zelf aan de oever van het meer Gennesaret stond, en Hij zag twee schepen aan de oever liggen. De vissers waren eruit gegaan en spoelden de netten. Hij ging in een van de schepen, dat van Simon, en vroeg hem de zee in te gaan, niet ver van de oever. En Hij zette Zich neder en leerde de menigte vanuit het schip.
Toen Hij opgehouden had met spreken, zei Hij tot Simon:
‘Ga naar diep water en zet uw netten uit om te vissen’. En Simon antwoordde en zei: ‘ Meester, de gehele nacht door hebben wij hard gewerkt en niets gevangen, maar op uw woord zal ik de netten uitzetten’.
En toen zij dit gedaan hadden, haalden zij een grote menigte vissen binnen, en hun netten dreigden te scheuren. En zij wenkten hun makkers in het andere schip, dat zij hen zouden komen helpen. En dezen kwamen en zij vulden beide schepen, tot zinkens toe.
Toen Simon Petrus dit zag, viel hij neer aan de knieën van Jezus en zei:
Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens, Here.

De alheilige wereldomvattende Kerk, ‘een Mysterie’ – icoon

Want verbazing had hem en allen, die bij hem waren, aangegrepen over de vangst der vissen, welke zij gevangen hadden; evenzo ook Jaäcobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die metgezellen van Simon waren.
En Jezus zei tot Simon:
‘ Wees niet bevreesd, van nu aan zult gij mensen vangen’.
En zij trokken de schepen op het land en lieten alles achter en volgden Hem
Luc.5: 1-11.


➥➥➥ in verband met dit onderwerp wijkt de Apostel-lezing
in dit artikel af van de officiële kalender

      Legt daarom de leugen af en spreekt Waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander.
Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan;  en geeft de duivel geen voet.
Wie een dief was, dient niet meer te stelen, maar dient zich liever in te spannen liever met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mee-delen aan de behoeftige.
Geen liederlijk woord dient uit uw mond te komen, maar als gij een goed (woord) hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen.
En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek dient uit uw midden gebannen te worden, evenals alle kwaadaardigheid.
Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeftEph.4: 25-32.

God’s Uitverkorene, by Marc Chagall

Indien we onze God lief willen hebben; ons toch zorgen blijven maken dat
Hij ons de misstappen vergeeft in plaats van onze fouten bij te houden als
het ware ons onophoudelijk te controleren teneinde
ons in Zijn voorzienigheid te beschermen, is het raadzamer ons op onze naaste te richten en
deze inzet aan hem/haar aan te bieden.          
Je behoeft je niet onophoudelijk te verontschuldigen, doe geen moeite.
Wat je werkelijk nodig hebt is jezelf te vernederen, jezelf de minste te tonen.
Door ons ten opzichte van onze naaste te verontschuldigen, zullen we
als vanzelfsprekend vergeving van onze ontelbare zonden verkrijgen en
we hebben allemaal het recht om tot God zeggen:

Μετάνοια – Metanoia, Berouw

Heer, vergeef het hen, vergeef het degenen, die mij wat aandoen.
Uit liefde tot je medemens zul je de verontschuldiging vinden en jouw Blijde Boodschap ten opzichte van je omgeving uitstralen, volgens jouw Woord.
Ook hierbij zul je je omgeving leren liefde uit te stralen en hen jou je eigen ongerechtigheden te vergeven

spelleider vader Ephraïm van I.M. Philotheou, Athos [Gr.]

Heiligen en mensen, die begenadigd zijn, vormen de leraren van het Christendom en hebben veel verschillen ten opzichte van overeenkomstige mensen, die ‘opvallen‘.
Er zijn echter drie elementen die het voor mij interessant maken, mijn interesse opwekken om het beter uit te drukken en dat geeft mij de gelegenheid het algemeen priesterschap van de gelovige Christen te onthullen.
1.]. Er bestaat in het leven voor deze Christenen geen ‘methode’, waarmee de mens als het ware [als bij de sport] geoefend wordt in het verwerven van Christelijk eigenschappen, noch zijn voor deze Christenen een geheime leer [een soort trukendoos , waarmee zij zichzelf als toegewijd in de leer van Christus mogen beschouwen..   

Het enige wat ze doen is dat zij hun hart totaal ‘open stellen’ voor Christus, zowel voor Christus als God en daarop volgend de medemens.

H. Silouan, de Athoniet

Hun manier van leven omvat niet de praktijk van een methode [zoals yoga, sport of meditatie, danwel een of andere krijgskunst}, maar we zouden zeggen dat het een weg is die de afdaling in twee mentale ruimten omvat die de moderne heilige staretz Sophrony Sacharov in navolging van zijn geestelijk vader de H. Silouan de athoniet “een heg, een omsluiting” noemt: de “hel van het berouw” en de “hel van de Liefde” [“keep thy mind in Hell and despair not”].
De eerste “hel” is de volledige afwijzing van mijn oude persoonlijkheid, m’n daden en verlangens [gekenmerkt door empathie].
de tweede “hel” bevat de on-voorwaarde-lijke Liefde en zelf-opoffering voor elk individu, zelfs voor de persoonlijke vijand, die hem volledig hebben vergeven.
Deze liefde culmineert in [of begint met] de ‘Liefde in Christus’, met Wie je regelmatig  persoonlijke communicatie onderhoudt door gebed, maar ook met deelname aan de goddelijke diensten en in het Mysterie [RK. Sacrament] van Goddelijke Verzoening.

Het ‘Jezusgebed’ òfwel
het gebed van het hart
genoemd

Omdat er geen methode meer bestaat om een resultaat te gaan boeken, kan de piek van geestelijke ervaringen niet alleen door monniken of andere gewijde spelleiders, maar ook door de gewone mens, als huis- vader, -moeder en zelfs kinderen, die misschien niet eens weten wat het doet, worden ervaren.
Christelijke spirituele ervaringen – bijv. Mysteriën, wonderen of verschijningen van Christus, de Moeder Gods en Maagd of een van de heiligen
– ervaringen, die zelfs niet-christenen, die soms trouw zijn gebleven aan hun ‘van kindsbeen meegekregen’ Geloof, maar de moed niet hebben gehad zich over te geven aan de Orthodoxie, die het vroeg-christelijke Geloof, een voorsprong geven aan het begin van het hele proces.
Alle hebben echter één ding gemeen: de hel van de bekering, die het nederig hart verheft en de hel van liefde verwerven, hetgeen impliceert dat het hart vernedering ondervindt.

2.].

Christus Pantocrator icon,
I.M. Chilandar. berg Athos [Gr.]

Een tweede kenmerk van de orthodoxe wonderen van heiligen is dat ze niet de buitengewone gaven of de ervaring van bepaalde spirituele ervaringen nastreven.
Noch willen ze hun kennis vergroten, vanwege de “wijsheid” of  het “superieur bewustzijn” of een  vereniging met het universum” te verkrijgen, om ze te “harmoniseren” met dit of dat wat Yogi aanbieden of iets dergelijks.
Ze willen enkel en alleen Christus, als ‘Heer en Meester’ van hun leven.

Zij verlangen zich uit zichzelf direct aan een andere persoon over te geven, dat vast te houden en zich in die richting, die neiging over te geven zich als het ware te verenigen, Zijn weg na te volgen, de weg van de nederige en onbaatzuchtige Liefde voor God
[de Heilige Drie-enige God en niet een subjectief idee “van God” of een fantasie die “God” is een symbool van schoonheid of liefde of een vonk in ons en in alle wezens, etc.] en de naaste.

We behoeven derhalve niet langer weg te zinken in onszelf als yogi’s,
maar leven slechts om door Christus als God aangesproken te worden en
Zijn barmhartigheid en waardevolle hulp aan te roepen/te zoeken teneinde
de zuivering van het hart van de hartstochten te verkrijgen en
de mutatie op dit schepsel te laten neerdalen met wat Christus als God voor ons wil.
       Ook behoef je niet langer te proberen om “op eigen kracht en eigen methode tot perfectie te komen” het meeslepende, de aantrekkingskracht wordt binnen de weg door Christus en het Lichaam dat Hij oprichtte, de Kerk, onderwezen.
            Christenen werden niet en nooit opgeroepen een individuele strijd voor perfectie aan te gaan, maar om deel te nemen en te integreren in de geestelijke en morele worsteling, van de Kerk: zich te verzamelen te groeperen, met hun broeders een gemeenschap te vormen teneinde gemeenschappelijk uit dezelfde kelk, het Lichaam en bloed van Christus, te putten.
De bron des Levens, is Christus en de rest is allemaal mensenwerk!

Lid van deze gemeenschap wordt namelijk gevormd door Christus, namelijk het hoofd en binnen die gemeenschap zul je Hem kunnen ontmoeten.
Wat praten wij dan en filosoferen wij dan – of is het slechts om menselijk gevormde machtsinstituten in stand te houden, die macht over de individuele mens tracht te behouden.
Het draait niet om de wereldraad van Kerken, de Oecumene – het draait om de Wet van de onderlinge Liefde, die gestalte dient te krijgen in ons leven hier in het ondermaanse.
Zelfs een kluizenaar is altijd nog een lid van de gemeenschap,
door zijn gebed samen met de Christelijke Gemeenschap gericht op Christus
[het gebed voor alle mensen en inderdaad van alle wezens, [“voor allen in allen zal Uw Naam gezegend zijn”] en neemt deel aan de Goddelijke maaltijd, de communie wanneer het overeenkomstig de menselijke regeltjes haalbaar blijkt te zijn.

Ziet, met hoe grote letters ik u eigenhandig schrijf! Allen, die zich uiterlijk goed willen voordoen, trachten u te dwingen tot de besnijdenis, alleen
om niet vervolgd te worden ter wille van het kruis . . . Gal.6: 11-18
van Christus Jezus.

Omdat het alleen Christus is, de God-mens, Die ik liefheb, want met Hem ik wil mij verenigen en weet dat deze vereniging/samensmelting mogelijk is. 
[zó bekennen alle heiligen van de Orthodoxie, dat de reeds ‘levende’ (niet-doden) in dit leven dit ervaren – en het is deze vereniging die zo Mystiek, wonderbaarlijk maakt, met geschenken aangeboden door de drie-enige God, wanneer en in de vorm, die Hij wenst en Zich terug zal trekken zoals ze geen mens “ze terug zou kunnen brengen” met God’s Eigen methoden, die heel egoïstisch zouden zijn, want God erkent geen ander God].
En het kan mij persoonlijk in het geheel niet schelen dat er dan nog mogelijke ‘andere paden’ bestaan tot het verkrijgen van wijsheid, kennis of bovennatuurlijke krachten. 

Deze krachten [hoewel sommigen me doen voorkomen dat het aangekleed aan worden om ze op te wekken òf hoe je er vervolgens mee om dient te gaan] wil ik gewoon niet dat mij op de een of andere manier beïnvloeden, want het is mensenwerk en onderhevig aan duivelse invloed.
Ik wil alleen Christus!

Op mijzelf, ben ik in het verborgene, wanneer ik heel diep van binnen doordring, zoals krachten dat doen, totaal niet in staat om Christus te zien
– en mocht het zo zijn, als je iets te zien krijgt, zal het waarschijnlijk niet iedereen betreffen, maar de “ander” die Hij wil controleren. 

Heiligen, die de perfectie trachten te bereiken [heb jij er ooit eentje ontmoet?],
zijn dit inderdaad geworden vanuit hun persoonlijk nastreven, dus uit menselijk egoïsme en niet op eigen kracht of zo u wilt andere krachten, maar alleen ‘in en door Christus’.
Een favoriete voorbeeld daarvan wordt ons door Christus in Orthodoxie voorgehouden door de gelijkenis, die laat zien hoe dicht onze Heer Jezus Christus in Zijn leven, lijden en sterven ’de verloren zoon’ nadert, hij is uitgeput, viel aan de voeten van zijn vader, en smeekte Hem om Zijn knechten te sturen.
Dus voel jezelf in navolging van Christus nederig, Christen en
wees je bewust van de kloof die de verloren zoon scheidt van de absolute zuiverheid van Christus.
Hij weet dat hij niet zondeloos is, maar de Vader van de verloren zoon
[symbool voor Christus] herstelde de verloren zoon in z’n vroegere staat
en hem vervolgens met eer te omringen en hem lichte [feest-]kleding aan te bieden.

NB.
[Laten we niet over het hoofd zien te vermelden dat de meeste mensen ondanks hun Christelijke achtergrond hoewel zij de intentie hebben nauwelijks zuiver genoemd kunnen worden en wanneer zij zichzelf willen bevoordelen zelfs schade toebrengen aan anderen en zich wel op een zeer duister pad begeven wanneer zij zichzelf hebben overgeleverd aan hun egoïstische manier van doen om zichzelf maar als [hoofd-]toezichthouder of spelleider te kunnen handhaven en hun persoonlijk voordeel mee binnenhalen.
Wij dienen, óók vaak voor ons zelf, ook toe te geven, dat wij onszelf “waardig” achten de gaven van brood en wijn als het Lichaam en bloed van Christus te ontvangen
⁌  zelfs komt het voor dat onze spelleiders zelfs openlijk verklaren niet eens te erkennen dat Christus, de Zoon van God is en doen voorkomen dat het slechts één filosofische wijze van spreken is, een ‘goddelijke stof’ of een ‘universele ziel’ en zij de “Ware God” de rug toe keren, hoewel ze wel dienen te erkennen dat Deze Zich wel in talloze Heiligen heeft gemanifesteerd].

De 5 wijze en de 5 dwaze maagden

Christus zegt ons: “ Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vindenJohn.10: 9.
Onze Heer en Verlosser is de toegang tot Het Koninkrijk der Hemelen, hetgeen we – al diep van binnen, in ons hart, tijdens dit leven kunnen vinden en dat voor eeuwig zal  voortduren.
Maar hoe vinden we de toegang tot Hem tussen al die duizenden verschillende sekten en filosofieën?
Elk van hen presenteert een ander, een verschillend beeld van Christus, Hij vervolmaakt het goede met Zijn Wijsheid.
Wanneer we de geschiedenis van de door Hem gestichte Kerk, Zijn Lichaam, nader onderzoeken, vinden we één enkelvoudige on-onderbroken lijn waarin Zijn Beeld zuiver en onvervormd bewaard is gebleven. Deze lijn is de Orthodoxie van de vroeg-Christelijke Kerk, de grondgedachte, het fundament van het ware Christendom.
Kom naar die poort, die toegang! en vind via haar het oude vertrouwde, historische pad terug naar de oorsprong naar God . . . . .

Doopvont in de vroeg-christelijke Kerk

Het algemeen priesterschap van de Christelijke gelovigen is de theologische bezinning en de kerkelijke praktijk door de eeuwen heen. Al heel spoedig wordt dé verbinding gelegd met de doop. Gedoopt worden, betekent immers deel krijgen aan de nederdaling/zalving met de Heilige Geest en zo aan de drie ambten van Christus.
Christen-zijn is gezalfd zijn en in het Orthodoxe Mysterie [Sacraments-toediening] vindt de doop dan ook drievoudig plaats.
1.]. de bekende doop – door onderdompeling heen – de situatie van de voorafgaande dood en het sterven daarna wordt daadwerkelijk beleefd.
2.]. de zalving met de Myron, de bevestiging van de Opname in de Orthodoxe gemeenschap alsmede de kruinschering [uiting van het algemeen priesterschap]
3.]. het ontvangen van het Lichaam en bloed van Christus in de eerstvolgende Goddelijke Liturgie.

Géén van bovenstaande rituelen mag ontbreken, anders is er geen sprake van en Orthodoxe Doop. De H. geschied-schrijver Hiëronymus zegt het daarom kort en bondig:
Het priesterschap van de leken, dat is de doop’ en dat doet hij vanuit bovenstaand begrip. Ten aanzien van de inhoud van dit algemeen priesterschap wordt de lijn van het Nieuwe Testament, die we bovenstaand hebben geschetst, doorgetrokken.
Leden van het Volk van God brengen geestelijke offers:
lofprijzing, belijdenis, het geven van aalmoezen, toewijding van het leven aan Christus, het getuigenis jegens ongelovigen”.

Geleidelijk aan gaan ook ascetische idealen doorwerken en
wordt het offerkarakter van de christen gezien in
zelfonthouding, ascese en ook het martelaarschap.
Je ziet in de loop van de eerste eeuwen dat het accent, komt te liggen op:
          komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die aan God [de Vader, door de Heilige Geest] welgevallig zijn door [Zijn Zoon] Jezus Christus
1Petr.2 :4,5.
Mag ik u er tevens op wijzen, dat in die periode er in het geheel geen sprake was van een ‘instituut’ van de Kerk, zoals wij die kennen, die is eens ná Keizer Constantijn [zijn daden waren groot, 274-337 na Chr.] ontstaan.
Bovendien beschikte Christus en ook Zijn grote navolger Paulus niet over kerkgebouwen, maar maakten zij geheel ‘als gast’ gebruik van ‘Joodse’ gebedsplaatsen, de Synagogen.

Apolytikion     tn.8.
  Uit den Hoge zijt Gij neergedaald, o Barmhartige,
en zijt drie dagen in het graf gebleven,
om ons van het lijden te bevrijden.
Gij zijt ons Leven en onze Verrijzenis;
Heer, eer aan U”.

Kondakion     tn.8.
  Nadat Gij zijt opgestaan uit het graf,
hebt Gij de doden opgewekt,
en Adam weer doen opstaan.
De einden der wereld jubelen
over Uw ontwaken uit de doden,
O Albarmhartige”


Theotokion     tn.8.
  Om ons zijt Gij uit de Maagd geboren,
en hebt Gij het Kruis ondergaan, o Goede.
Door Uw dood hebt Gij de dood overwonnen
en ons als God de Opstanding getoond.
Veracht het werk van Uw handen niet;
toon ons Uw mensenliefde, o Barmhartige.
Verhoor haar die U gebaard heeft:
de Moeder Gods, die voor ons bidt
en verlos Verlosser het wanhopige Volk”.