3e Zondag na Pascha, Zondag van de Myron-dragende vrouwen

myrondraagsters, μυροφόρες,
العربات الجرارة مايرون

  Joseph van Arimathea, was een aanzienlijk lid van de Raad, die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte; en hij waagde het naar Pilatus te gaan en het lichaam van Jezus te vragen. En het bevreemdde Pilatus, dat Hij reeds gestorven zou zijn, en hij ontbood de hoofdman en vroeg hem, of Hij reeds lang gestorven was. En toen hij het van de hoofdman vernomen had, schonk hij het Lichaam aan Joseph. En deze kocht linnen en legde Hem in een graf, dat in een rots uitgehouwen was, en hij wentelde een steen voor de ingang van het graf.
     Maria van Magdala en Maria, de moeder van Joses, zagen, waar Hij was neergelegd.
En toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria [de moeder] van Jacobus, en Salome specerijen om Hem te gaan zalven.
En zeer vroeg op de eerste dag der week gingen zij naar het graf, toen de zon opging.
En zij zeiden tot elkander: Wie zal ons de steen afwentelen van de ingang van het graf?
En toen zij opzagen, aanschouwden zij, dat de steen afgewenteld was; want hij was zeer groot.
En toen zij in het graf gegaan waren, zagen zij een jongeling zitten aan de rechterzijde, bekleed met een wit gewaad, en ontsteltenis beving haar.
Hij zeide tot haar: ‘Weest niet ontsteld. Jezus zoekt gij, de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie de plaats, waar zij Hem gelegd hadden. Maar gaat heen, zegt zijn discipelen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult gij Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft’.
En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar bevangen. En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesdMarc.15: 43-16: 8.

de apostelen met de 70 discipelen,οι απόστολοι με τις 70 μαθητές, الرسل مع 70 تلاميذ

    En toen in die dagen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemor bij de Grieks sprekenden tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen bij de dagelijkse verzorging verwaarloosd werden. En de twaalven riepen de menigte der discipelen bijeen en zeiden: Het bevredigt niet, dat wij met veronachtzaming van het woord Gods de tafels bedienen. Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen onder u, die goed bekend staan, vol van Geest en wijsheid, opdat wij hen voor deze taak aanstellen;  maar wij zullen ons houden aan het gebed en de bediening van het woord.
En dit voorstel vond bijval bij de gehele menigte, en zij kozen Stephanos, een man vol van geloof en Heilige Geest, Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaus, een Jodengenoot uit Antiochie; hen stelden zij voor de apostelen, die, na gebeden te hebben, hun de handen oplegden. En het woord Gods wies en het getal der discipelen te Jeruzalem nam zeer toe en een talrijke schare van de priesters gaf gehoor aan het geloofActs 6: 1-7.

Het boek van de Blijde Boodschap

De weergave van degenen, die met Myron naar het graf kwamen verschilt nogal onderling bij de evangelisten, duidelijk is wel dat zij bij het graf kwamen, niet een keer, maar twee of drie keer, in gezelschap met Myron in en inderdaad al in de vroege morgen, maar niet op precies hetzelfde moment en de Magdalena ging alleen terug en bleef langer. Het weergeven doet er eigenlijk niet toe, want het gaat om onszelf; waar zijn wij hedendaagse christenen in deze Blijde Boodschap?
De volgelingen werden in die dagen talrijker en er ontstond gemor, omdat er minderheidsgroepen verwaarloosd werden bij de dagelijkse verzorging. Het bevredigde niet langer dat het Woord van God aan de altaren werd veronachtzaamd – het werd noodzakelijk uit te zien naar broeders/zusters, die goed bekend staan, vol van Geest en wijsheid, opdat ook zij voor deze taak zouden worden aangesteld. Ja, óók vrouwen, het Patriarchaat Alexandrië heeft voor het Afrikaanse continent reeds vrouwelijke diakens gewijd, dat verneem je niet via de vrije nieuwsgaring der Lage Landen; die houden zich liever met schandalen bezig. De aanwezigheid van God ontvangt ieder van ons persoonlijk in z’n leven en dat kan onmogelijk in woorden worden uitgedrukt, dáár hebben we geen tolk voor nodig, de aanwezigheid van de Genadegaven blijkt uit datgene wat ieder van ons afzonderlijk – in Christus – in deze samenleving zal mogen voortbrengen.
Wij zijn allen met Myron gezalfd en hebben allen dezelfde opdracht meegekregen: “  Ga heen, doet gij evenzoLuc.10: 37

MP4: مشاهد من جبل اثوس اثناء الفصح المقدس – de heilige berg Athos tijdens Pasen:

Dit is de  allereerste les welke ons door de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan door de Heer Zèlf is gegeven: “Wie naar het huis van God gaat en Gods Barmhartigheid kent, bemint ‘nog niet’ automatisch zijn naaste!“.
Je kunt héél de Blijde Boodschap via de Schrift leren kennen, je kunt alle regels van de Goddelijke Liturgie kennen, je kunt héél de [Orthodoxe] Theologie bestudeerd hebben, maar uit het kennen volgt niet automatisch het beminnen: beminnen is een heel andere weg, er is verstand, inzicht en gevoel voor nodig, maar ook iets meer . . . . . Genadegaven.
Om te zorgen dat het christenvolk voortdurend de gerechtigheden leert te onderhouden preken bisschoppen en priesters, onder aanvoering van de diakens brengt het volk God eer en lof door via de wereld haar offer te brengen, door als Christus het kruis te dragen. Niemand stelt eisen aan hoeveel z’n medemens dient te doen, eenieder doet wat hij kan. En wie flink ook maar het geringste doet oogst geen lof, wie minder doet geen kritiek, zo is men dat onder christenen gewoon. Onder Christenen wordt gecommuniceerd, bestaat géén enkele àndere meerdere dan Christus. Er bestaat geen ‘ware’ Godsdienst, Dienst aan God, wanneer Die Zich niet vertaalt in dienst aan de naaste. Laten we nooit vergeten: dat mèt het lijden van zoveel mensen voor ogen, uitgeput door honger, door geweld en door onrecht, wij christenen onmogelijk langer toeschouwers dienen te blijven. Wat betekent het lijden van de mens miskennen? Het betekent dat we ‘God’ miskennen! Wanneer je niet dichtbij die lijdende mens komt, bij die man, die vrouw, bij dat kind, bij die bejaarde man of vrouw, dan nader je óók niet tot God.

De betekenis van de namen van de eerste diakenen;
Stephanos [Στεφανος] is ‘
gekroond’; van de naam Philippos [philos (φίλος) = vriend, hippos (ἵππος) = paard], dus paardenliefhebber; van de Naam Prochoros [Προχορος] voordanser; van de naam Nikanor [Νικανωρ] zegevierende strijkracht; Timon [hangt samen met het Grieks τιμή = eer] God trotsmakend; Parmenas = blijvend, onveranderlijk en Nikolaos zegevierende mens.

de maan is een afspiegeling van het licht van de zon

Wat doe je als christen na afloop van een feest als Pascha? Het antwoord is duidelijk; verbonden zijn, solidair zijn, dat hoor je immers in de Blijde Boodschap als gevolg van de Paasboodschap. Dààr dienen we ‘toch wel’ eens even bij stil te staan. Hebben wij als gemeenschap inderdaad oog voor de mensen om ons heen? In de vasten hebben we weliswaar aandacht besteedt aan de vrijgevigheid en dat is goed; dat dient zo te blijven.
Met name in onze tijd van onverschilligheid, van “ieder voor zich en God voor ons allen”; mensen, die van de Bron des Levens hebben gedronken dienen echter aandacht, vriendschap en medeleven te betonen voor mensen, die dit nodig hebben bij een [echt-]scheiding, een sterfgeval en daarbij gaat het veelal niet om financiële steun.
De eerste stap -voor eenieder van ons- die we gewoon kunnen zetten is hartelijkheid, vriendelijke omgang met onze omgeving zonder druk uit te oefenen. Daarop zal al spoedig een tweede stap volgen, want degene, die vriendelijk is, wekt anderen op. Mensen zullen vlugger hun verhaal komen vertellen wanneer zij aanvoelen dat je meevoelt, dat je in staat ben te luisteren en niet alles alleen maar op jezelf projecteert. En dàn komt de volgende stap, die mensen bijstaat hen uit hun isolement te halen. Wanneer mensen aanvoelen dat wíj als christenen deel uitmaken van een ‘warme‘ gemeenschap, die aan ieder persoonlijke vrijheid en ruimte laat en waar toch óók verbondenheid en daadwerkelijke vriendschap heersen , dàn zal hun geloof in medemensen, in God als vanzelfsprekend weer opgewekt worden.
      Maar wij dienen dit te doen zonder bijbedoelingen om bijvoorbeeld een leeg kerkgebouw weer vol te krijgen; gewoon vanuit ons geloof in het Licht van Pascha, wat wij tenslotte zèlf om niets ontvangen hebben; het is een Genade, die God geeft om onszelf en de anderen te helpen weer òp te staan, te verrijzen uit de verlorenheid in deze wereld.

staretz Joseph, de hésychast

      Een staretz, dat is een [oudere] wijze monnik, die andere mensen/monniken bijstaat en levenslessen geeft vroeg aan een hem bezoekende monnik: “Wanneer je ’s-morgens opstaat uit je  bed, dien je onmiddellijk te kiezen tussen twee wegen: liefde tot God en liefde tot de naaste, maar wat gaat dan boven het andere uit, wat is werkelijk belangrijk“. De monnik wist het niet. de staretz zei: “In het gebedenboek dient te worden aangetekend: vóórafgaand aan het bidden dient men het volgende te zeggen:  ‘bemin je naaste als jezelf’”. De ware [Goddelijke] Liefde begint namelijk met de Liefde voor de mensen en als iemand zegt dat hij Liefde voor God heeft en geen Liefde voor de mensen bezit, kun je er zeker van zijn, dat hij liegt. Johannes schreef dat al: “ Want dit is de Liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar, want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft; ons Geloof1John.5: 3,4. 
      Men kan gemakkelijk zeggen: “ ik hou van je, maar je gezicht bevalt me niet” òf “ de toon staat me niet aan”. Wanneer we beweren -en door onze kerkgang doen we dat- van Chrìstus te houden, dan dienen we ‘Hèm‘ [Christus] ook graag te zien in al die gezichten waardoor Christus ons aankijkt. Niet alleen door de gezichten van degenen, die in ons straatje passen, van degenen die ons welgevallig zijn, maar ook de angstige, verbitterde of teleurgestelde gezichten van de eenzamen, van de hulpbehoevenden; de wantrouwige gezichten van vreemdelingen of verschoppelingen . . . . ., die een ik weet niet hoe zwaar leven achter zich hebben.

     Wanneer we straks ‘boven’ komen [gaan hemelen] wordt er door velen de vraag gesteld: “zullen we onze geliefden terugzien?”. Ik ben ervan overtuigd dat dàt het geval is, maar eveneens ál die anderen, die wij in ons leven ontmoet hebben. Want Christus plaatst de Liefde tot de naaste en tot God op één lijn en Hij zet er als verwijzing ook de Liefde tot jezelf bij: “Bemin de ander zoals je jezelf bemint”. Wat wensen we voor onszelf? Wat zijn de ècht diepgaande dingen die ons gelukkig maken?
Iemand, die ècht en welgemeend vanuit z’n hart naar je luistert; de ander liefhebben is dan ook ècht luisteren naar die ander, vanuit het hart. Je hoopt dat de mensen je aandacht geven en met aandacht aan je denken; begin dan met zèlf attent te zijn voor die ander. Jij bent gesteld op vrijheden, levensruimte, je wilt je mening kunnen zeggen: zorg dat de ander dat ook kan doen. Jij hebt een redelijk inkomen en een warm huis voor jezelf, gun dat een ander ook. Dan wordt het Woord van Christus, onze Heer en Meester van ons leven, in de naastenliefde heel concreet.
Je voelt het vanuit je binnenste, zowel voor jezelf als voor die ander. Dàt is de Myron, Die wij de doden om ons heen toewensen. De Orthodoxe Kerk gelooft in het koninklijk priesterschap [1Petr.2: 9], dus alle leden van de christelijke gemeenschap zijn gelijkwaardige “priesters” in de gemeenschap waarin zij leven, in die zin dat zij zich verzamelen in Jezus Christus, in de Kerk [Zijn Lichaam] van hun leven. De roepstem van God heeft iets onweerstaanbaars, is lokkend en dwingend tegelijk; Gods stem is ‘niet’ mis te verstaan. Bij tijd en wijlen schrikken we hiervan; de invloed is zó ontzettend groot, maar voor het merendeel is ze een bron van gelukzaligheid, bovenal een uiting van Gods Liefde. Daarom kàn onze enige reactie zijn een liefdevolle overgave aan Zijn overwegingen; maar de roepstem van God is steeds opnieuw met een opdracht verbonden. Het gaan naar Hem is tevens een gaan naar Zijn broeders; er bestaat immers geen godsdienstig – ‘alleen aan jezelf’ – denken. Wat een mens ontvangt, dient hij door te geven; hij dient een klok te zijn, die luidt [een ‘klokkenluider’], een golf, die klotst, een stormwind, die meesleurt; hij dient een wegwijzer te zijn en tevens één [eenzaam] door God geleidde [‘projectiel‘] gids. Datgene wat die mens doorgeeft dient als een ‘bom’ in te slaan, zo indringend is de Goddelijke Blijde Boodschap.

Maria van Magdala

Een vrouw is de allereerste, die bij het graf komt, de eerste, die het graf leeg aantreft, de eerste aan wie Jezus verschijnt. Doch zij dient er niet zèlf op uit te trekken en te prediken, maar zij dient de leerlingen te gaan waarschuwen, voor wie de taak van de prediking is weggelegd. Vrouwendiensten zijn discreet, bescheiden, maar daarom niet minder belangrijk dan de dienst van de mannen, die zichtbaar en hoorbaar meer op de voorgrond treden. Alleen waar beide harmonisch samengaan vinden we de juiste door Christus gewilde orde. Het zou echter verkeerd zijn vrouwen iedere zending in de wereld te ontzeggen. Heiligen in de meest uiteenlopende eeuwen hebben het tegendeel bewezen. Het zou echter verkeerd zijn, aan de vrouwen de Kerk, vooral in de kerkelijke leer, de leiding toe te vertrouwen. Volgens de wil van Christus komt deze toe aan de mannen. Daarom is een vrouw de eerste, die de Verrezene aanschouwt en aldus het geluk van de nieuwe  zaligheid proeft. Doch zij treedt niet in het openbaar op, maar brengt de tijding aan de leerlingen en laat dit geheel aan hen over, de juiste weg te vinden om de Blijde Boodschap te verkondigen. Uit dergelijke passages in het Evangelie heeft de Kerk haar houding onttrokken en is daaraan door de eeuwen trouw gebleven. 

Apolytikion     tn.2
  De rechtvaardige Joseph naam Uw alleruiterst Lichaam van het Kruis.
Hij wikkelde Het met specerijen in een zuiver linnen doek;
daarna legde hij Het in een nieuw graf.
Maar Gij, Heer, zijt opgestaan op de derde dag
en schenkt aan de wereld de grote Genade
”.

Kondakion     tn.2
  Toen Gij tot de Myrondraagsters het ‘verheug u’ riep,
kwam er een eind aan de klacht van de Voormoeder Eva,
door Uw Opstanding, oh Christus God.
En Gij hebt aan de Apostelen bevolen om te verkondigen:
De Verlosser is Opgestaan/ Verrezen uit het graf
”.

Orthodoxie & Myron, geurende kruiden, zalfolie

Το ελαιόλαδο και το Άγιο Πνεύμα – Olijfolie en de Heilige Geest                        – زيت الزيتون والروح القدس

Het christelijk gebruik van zalfolie is een symbolisch, profetisch, gebruik van olie met een geur, die een diepere geestelijke betekenis heeft. Deze geuren hebben in het Hebreeuws een letterlijke betekenis òf het gebruik er van duidt een symboliek aan.
Olie staat voor de Heilige Geest, de geuren gaan over van het karakter van Jezus.
Geuren komen pas vrij bij kneuzing, het persen, de verhitting of druk en het is een duidelijk symbool van het kostbare wat er in verborgen is, maar pas vrij komt als er druk op wordt uitgeoefend; Getsemané betekent olijfpers.
Het kostbare komt eerst uit onszelf voort, wanneer we door strijd en pressie heen zijn gegaan, ons persoonlijk kruis; welke God ons in Liefde verleent om daardoor te groeien. Het opgelegde kruis is nooit té zwaar, altijd dusdanig dat we in staat zijn te overleven.
Het is in de Orthodoxe kerken dan ook gebruik dat de Myron, waarmee bekeerlingen gedoopt worden op donderdag in de Grote en Heilige Week door de Patriarchen bereid wordt.
Zalfolie met Bijbelse geur is een nuttig gebruik van een zintuig, het drukt ons met de neus op de feiten. De olie heeft op zichzelf geen kracht, maar werkt door ons Geloof, de zalving wordt verleend door de Heilige Geest. Herinneringen liggen samen met geuren in de hersenen opgeslagen in het lymbisch systeem. Door de geur van deze zalfolie bewust te plaatsen op een gebied van pijn, koppelen we onze situatie los van de omstandigheden van het verleden en focussen we ons op de Heer, de Gezalfde Verlosser en Zijn geur. Messias komt van het Hebreeuwse woord mosjiach, dat ‘zalven’ betekent; in het Grieks betekent ‘Christus’ gezalfde.
Zo heet de Heilige Geest de zalfbereider; Hij geeft ons de Genadige zalving. Als symbool wordt hiervoor wordt olijfolie gebruikt; ελέη σον = activiteit uit barmhartigheid, zoals het olijftakje in de bek van de terugkerende duif bij Noach.  
Er zijn veel meer geuren en oliën in de Blijde Boodschap, die een diepere betekenis aan ons geven. bv in het Hooglied: de gelovige als “de bruid van Christus”:
  Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw Naam is een olie, Die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden liefHoogl.1: 3.
  Maar God zij gedankt, Die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren en de reuk van Zijn Kennis/Wijsheid allerwegen door ons verspreidt, want wij zijn voor God een geur van Christus onder hen, die gered worden, en onder hen, die verloren gaan; voor dezen een doodslucht ten dode, voor genen een levensgeur ten leven. En wie is tot zulk een taak bekwaam? Want wij zijn niet als zovelen, die winst* maken uit het woord van God, maar wij spreken in Christus uit zuivere bedoelingen, ja, op gezag van God en voor Gods aangezicht2Cor.2: 14-17

In onze waardering over de zintuigen neemt de reuk de minst favoriete plaats in. We hechten meer waarde aan zien en horen dan aan het ruiken. De mens laat zich in zijn zintuiglijke waarneming dan ook het eerst door het oog leiden. Pas als zijn oog het sein op groen zet gaat hij de neus en tong gebruiken. Bij een hond is dat bv net andersom. Onze zintuigen geven via de zenuwen deze informatie door aan de hersenen. Bij de mens vinden we de reuk-zintuigcellen in een gespecialiseerd stukje slijmvlies in de neus. Het heeft een oppervlakte van 3cm2, bij veel dieren is dit aanzienlijk groter, toch is onze menselijke neus nog zeer gevoelig. De reukzin heeft een aantal verschillende functies die grotendeels overeenkomen met de andere zintuigen; in de eerste plaats vervult de reukzin een waarschuwingsfunctie. Daarnaast helpt het mensen giftige stoffen te vermijden, omdat vrijwel alle giftige stoffen al bij lage concentraties geroken kunnen worden [sommige uitzonderingen zoals koolmonoxide daargelaten].

Moeder en kind

Geuren spelen een belangrijke rol bij het zoeken naar voedsel. Overigens zijn geuren belangrijk in het reguleren van de relaties tussen individuen van eenzelfde soort, de geurstoffen die hiervoor gebruikt worden heten feromonen.
Moeder en kind herkennen elkaar o.a. aan lichaamsgeuren.
Bij veel diersoorten helpen geuren het individu om zijn plaats in de sociale orde van een groep te vinden.
Seksuele relaties zijn bij veel diersoorten strikt gereguleerd door geuren. Zo kunnen bepaalde vrouwtjes vlinders een stof afscheiden die mannetjes van dezelfde soort naar hen toe kan lokken over afstanden van 20 km. Spanningen en geuren hebben toch al veel met elkaar te maken; aan het angstzweet herkennen paarden en honden onze angst. Ook wij kennen in het taalgebruik een soortgelijke communicatiemechanisme: “Ik kan hem niet luchten of zien”.

De Heer zei tot Mozes: Neem u welriekende stoffen: druipende hars, onyx en galbanum, welriekende stoffen en reine wierook, in gelijke delen. Gij zult dit alles maken tot een reukwerk, een mengsel, zoals een zalfbereider bereidt, gezouten, zuiver, heilig. Een gedeelte daarvan zult gij uiterst fijn wrijven, en iets ervan leggen voor de Getuigenis in de tent van de samenkomst, waar Ik met u zal samenkomen; allerheiligst zal dit voor u zijn. En wat het reukwerk betreft, dat gij bereiden zult, volgens deze bereidingswijze zult gij niets voor u zelf maken; het zal u iets heiligs zijn, voor de HeerEx.30: 34-37. Mozes kreeg dus toen hij de de Israëlieten uit Egypte wegleidde, nauwkeurige aanwijzingen van God voor het samenstellen van een reukoffer.
Christus is de sleutel voor al de typen;”  Dit zijn Mijn Woorden, Die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was, dat alles wat over Mij geschreven staat in de Wet van Mozes,  de Profeten en de Psalmen vervuld moest wordenLuc.24: 44.
Daarom zegt Hij bij Zijn komst in de wereld: ‘slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar 
Gij hebt Mij een Lichaam [de Kerk] bereid; in brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehad. Toen zei Ik: ‘zie, hier ben Ik – in de boekrol staat van Mij geschreven – om Uw Wil, o God, te doen.  In de aanhef zegt Hij: “slachtoffers en offergaven, brandoffers en zondoffers, hebt Gij niet gewild, noch daarin een welbehagen gehad, hoewel zij naar de Wet gebracht worden”. [Doch] daarna heeft Hij gezegd: “Zie, hier ben Ik om Uw Wil te doen. Hij heft het eerste op, om het tweede te laten gelden. Krachtens die Wil zijn wij eens en  voor altijd geheiligd door het offer van het Lichaam van Jezus ChristusHebr.10: 5-10. 
Christus is de gevolgtrekking, de einduitkomst van al de offeranden, die ter ere van God de Vader plaatsvinden! 
In deze laatste tekst vinden wij een voorafschaduwing van het Eénmalige Offer van het Lichaam van onze Heer Jezus Christus. Als je het meest vertrouwd bent met een persoon [Christus] herken je het eerst Zijn Goddelijke schaduw [zie Col.2: 17, Hebr. 8: 5 10: 1].

Door middel van de offers [ons persoonlijk kruis] brengt God ons binnen het bereik van onze beperkte vermogens, het enig begrip van de hoge staat van Zijn heiligheid en de afschuwelijkheid van de zonde van de mens. Maar die onkreukbare Heiligheid gaat gepaard met een onbeperkte Genade, Die tegemoet komt aan de behoefte van de mens. De geur/reukoffers worden tegelijk gebracht bij het brandoffer, het vredeoffer alsook het spijs en drankoffer. De offers waren er in de eerste plaats voor om de offeraar aannemelijk te maken voor onze ware God. De lieflijke reuk betekent letterlijk ook de reuk van de rust [conf. Gen.8: 21].
Pas als de mens bekleedt is met Christus [conf. 2Cor.5: 3] d.w.z. met het leven van Christus, door het plaatsvervangend lijden sterven en de opwekking van de Heilige Geest in het nieuwe opstanding’s-leven van Christus, pas dan kan hij vrijmoedig voor God komen [conf. Hebr.10: 22]. Daarom wordt in de Orthodoxe kerken in de grote en Heilige week het Lijden en de Opstanding voorafgegaan door de ziekenzalving.

Getsemané, by Mogens Hoff

Laten we toetreden met een waarachtig hart in volle verzekerdheid van het Geloof met een hart dat door de besprenkeling gezuiverd is van besef van kwaad en met een lichaam gewassen met het zuivere water uit de Goddelijke Bron.
Is de mens door Geloof en uit Genadegave ‘één’ geworden met Christus [conf. John.17: 21], dan staat hij in de geur van Christus en kan zo bij God komen. Frappant is dat een van de belangrijkste bestanddelen van het geuroffer wierook is, dat is de witte en gele hars van de boswelia boomsoorten, een ‘hart‘-versterkend middel is.  Dit tezamen met wijn [beeld van het vergoten bloed van Christus] olijfolie [het lijden van Christus o.a. in Gethsemane = olijvenpers] en een beetje honing [beeld van het Woord van God]. Dit mengsel verbeeldt voortreffelijk de genezing van het nieuwe hart, zodat de mens opnieuw geboren kan worden en voor God kan komen conf. Ex.36: 25-27.
Wanneer wij door het offer van Jezus Christus, onze Heer voor God de Vader mogen komen laten we er dan ook naar handelen door niet alleen vanuit onszelf te leven, maar vanuit het leven van Christus.  ”   Wees dan navolgers Gods als geliefde kinderen en wandelt in de Liefde zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer Gods tot een welriekende geur/reukEph.5: 1-2.
”   Maar God zij gedankt, Die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren en de reuk van Zijn Kennis/Wijsheid allerwegen door ons verspreidt, want wij zijn voor God een geur van Christus onder hen, die gered worden, en onder hen, die verloren gaan; voor dezen een doodslucht ten dode, voor genen een levensgeur ten leven. En wie is tot zulk een taak bekwaam?2Cor.2: 14-16.
Ja, slechts God zijn wij eer, glorie en dank verschuldigd, Die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren. De Kerk [het Lichaam van Christus] is  dè leerschool waar je Christus de eer brengt, die Hem toekomt, een school die geurt naar Christus, is een school die gekenmerkt door Leven, Liefhebben en Lof[-zang].
1.]. Leven. 
Het gaat om een levendige, veelkleurige Goddelijke Pedagogie, waar de Geest van leven en van creativiteit waait. Een Goddelijke Pedagogie waar hartelijke blijdschap heerst, omdat alle kinderen en alle leerkrachten, hoewel ze anders zijn, allemaal uniek door God zijn geschapen.
Leven is in de Blijde Boodschap altijd sprankelend, nooit grijs, nooit een napraterij [achterklap], nooit doods, nooit saai. Een Christelijke Kerk is een bron van ‘stromend‘ en ‘levend‘ water in de Naam van Christus;  want Christus schenkt ons het eeuwige Leven:
    Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien jullie Mij hadden gekend, zouden jullie ook Mijn Vader gekend hebben. Van nu af aan kennen jullie Hem en hebben jullie Hem gezienJohn.14: 6,7 en
      Indien jullie dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.  Want jullie zijn gestorven en jullie leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, Die ons leven is, zullen ook jullie met Hem verschijnen in heerlijkheidCol.3: 1-4.

2.]. Liefhebben
Het gaat om een levendige, veelkleurige Goddelijke Pedagogie, Die gestempeld wordt door een liefdevolle atmosfeer. In de Kerk hebben de Leermeesters de leerlingen/kinderen lief omdat ze geliefd zijn door Christus:
      Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik jullie liefgehad; blijft in Mijn LiefdeJohn.15: 9.  
Zo benaderen Leermeesters hun leerlingen/kinderen altijd, ook als er sprake is van gedrag dat niet gewenst is. Op in een Christelijke Pedagogie zijn de leerlingen/kinderen en hun leermeesters ‘niet’ allereerst zondaars [uitzonderingen daargelaten *], maar door God geliefde mensen die in Christus al onze liefde waard zijn. Deze onderlinge Liefde is Vrucht van de Heilige Geest:
      Maar de Vrucht van de Geest is Liefde, Blijdschap, Vrede, Lankmoedigheid, Vriendelijkheid, Goedheid, Trouw, Zachtmoedigheid, ZelfbeheersingGal.5: 22 en op z’n allermooist zichtbaar in het leven van onze Heer Jezus Christus.

Koor monniken en pelgrims, Mount Athos, Gr.

3.]. Lofzang
Het gaat om een levendige, veelkleurige Goddelijke Pedagogie, waar aanbidding een belangrijke rol speelt. Het kennen van Christus verdiept zich vooral ook in de Wegen van lofprijzing en aanbidding. Het [‘mee‘-]zingen van hymnen in een Christelijke Kerk beperkt zich dan ook niet tot het leren van een Psalm of een of ander lied, maar neemt een onmisbare plek in in het leven van de Kerk, het beklijft en vormt onwillekeurig welk moment van de dag ook een basis tot verdieping. Er wordt [wanneer het goed is] net als de catechese veel tijd aan zangstudie besteed, zodat de Liturgische gezangen de krans van het kerkelijk jaar helder voor ogen stellen. Want de vervulling met de Heilige Geest, Die voortkomt uit de Vader leidt tot het zingen van lofzangen en geestelijke liederen:
      En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is, maar wordt vervuld met de Geest en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen en zingt en jubelt de Heer van harte, dankt te allen tijde in de Naam van onze Heer Jezus Christus God, de Vader, voor alles  en weest elkander onderdanig in de vreze van ChristusEph.5: 18-21. Een levendige, veelkleurige Goddelijke Pedagogie waar veel wordt gezongen tot eer aan God is een Pedagogie waar het Leven en de Liefde van Christus -door dagelijkse memorie- steeds verder zal opbloeien.

N.B.

‘De haan kraaide en Petrus huilde bitter’ by Kees Aalbers

 * Wanneer we op zoek willen gaan naar het geheim dat in de feiten  besloten ligt, wie zijn dan degenen die runderen verkopen? En degenen die de schapen verkopen en de duiven?
Dat zijn zij die hun ‘eigen belang’ zoeken in de Kerk, niet het belang van Jezus Christus” [conf. Phil.2: 21]. Ze beschouwen alles als handelswaar, maar willen niet worden vrijgekocht. Ze willen helemaal niet gekocht worden, maar ze willen wèl verkopen. Het zou goed voor hen zijn als ze met het bloed van Christus werden vrijgekocht zodat ze tot de ‘Vrede van Christus’ kunnen komen. Want wat voor zin heeft het om in deze wereld te verwer­ven wat tijdelijk en vergankelijk is: geld, genot voor lichaam, maag en mond of aanzien ontleend aan menselijk eerbetoon? Dat is toch allemaal rook en wind? Dat gaat toch allemaal voorbij, in een ommezien? En wee je degenen die zich hechten aan wat voorbijgaat, want zij gaan tegelijk voorbij. Is dat alles niet een snelstromende rivier die zich in zee stort? Wee degene die daarin valt, want hij wordt meegesleurd naar zee en  laat het Leven omkomen in de golven.
     Wij christenen dienen dus al onze gevoelens verre houden van zulke begeerten. Mijn broeders,  zusters, wie dat soort dingen zoekt, dát is een verko­per, dat is een handelaar. Jazeker, ook die Simon wilde de Heilige Geest kopen, omdat hij de Heilige Geest wilde dóórverkopen [Hand.8: 18-19] en hij dacht dat de apostelen net zulke handelaren waren als degenen die door de Heer met een zweep uit de tempel werden gejaagd. Hij was namelijk zèlf zo iemand, hij wilde slechts datgene kopen wat hij kon doorverkopen om er eer en aanzien voor terug te verkrijgen. Hij behoorde tot de verkopers van de duiven. De Heilige Geest is immers verschenen in de gedaante van een duif [Marc.1: 10]. En wie verkopen er nu duiven, onder de christenen, wie anders dan degenen die zeggen: “Wij bieden u de Heilige Geest?”. Waarom beweren zij dat toch en welke prijs vragen ze er wel niet voor hun koopwaar? Die prijs is eerbetoon aan henzelf; ze ontvangen vergankelijke ere-titels/zetels als prijs en zo kan iedereen zien dat ze duiven verkopen. Laten ze maar oppassen dat ze niet een pak slaag met Christus’ touwen krijgen!
De Heilige Geest in de gedaante van een duif is niet te koop; “Genadegaven” worden gratis, om niet, gegeven omdat zij van God afkomstig zijn.
conf. Heilige Aurelius Augustinus – “Geef mij te drinken”.

de weg – ‘O que é a terapia artística’ [‘of èn vanwege de kunstzinnige therapie] – anoniem
Gods Glorie, de moeite waard om te herinneren
    ” Laat ons nu de vermaarde Lieden prijzen en onze Voorvaderen na elkaar. Vele dingen heeft de Heer van het begin af aan door Zijn Macht bij hen gedaan. Zìj hebben koninkrijken wèl [goed] geregeerd en eervolle daden gedaan: zij hebben wijze raad gegeven en geprofeteerd. Zij hebben landen en volkeren geregeerd met raad en verstand van de Blijde Boodschap. Zij hebben de muziek bestudeerd en geestelijke liederen gecomponeerd. Zij zijn ook rijk geweest en hebben bezit gehad aan grootse goederen en in vrede geregeerd, terwijl zij toch onder ons verbleven hebben. Op die manier zijn zij het allen in hun leven waard gebleken geëerd te worden en al tijdens hun leven beroemd; en die hebben alom geachte namen nagelaten. Maar de anderen hebben geen roem en zijn omgekomen, alsof zij nooit geweest waren; en toen zij nog leefden, was het net alsof zij niet leefden en hun kinderen [werken] eveneens.
Maar de heiligen onder hen, wiens gerechtigheid niet vergeten wordt, hebben een goed erfdeel gekregen en ook hun kinderen. Hun nakomelingen zijn het Verbond indachtig gebleven en om hunnentwil zijn hun kleinkinderen de hele tijd door gebleven en hun lof zal niet verdwijnen. Zij zijn in vrede begraven, maar hun naam blijft eeuwig. De mensen spreken over hun wijsheid en de [christelijke] gemeenschap verkondigt hun lof“.
cf. Jezus Sirach 44: 1-15 

in alles en in allen‘ is Christus, de weg

Onze Heer en Zaligmaker mag ook jullie verlenen dat jullie allen, gegrepen door het verlangen naar geestelijke schoonheid, dit alles met liefde onderhoudt. Leef zo dat u door uw leven de levenwekkende goede geur van Christus wordt verspreid, want:
  Wij zijn voor God een geur van Christus onder hen, die gered worden, en onder hen, die 
verloren gaan; voor dezen een doodslucht ten dode, voor genen een levensgeur ten leven. En wie is tot zulk een taak bekwaam?2Cor.2: 15,16.
Ga daarom niet als slaven gebukt onder de Wet, maar leef als ‘vrije‘ mensen onder de door God verleende Genadegaven
     “     Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de Wet, maar onder de Genade. Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de Wet, maar onder de Genade zijn? Volstrekt niet!   Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook dient te gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid? Maar God zij dank: gij waart slaven der zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is en, vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de Gerechtigheid.
   Ik zeg dit van menselijk standpunt om de zwakheid van uw vlees. Want gelijk gij uw leden gesteld hebt ten dienste van de onreinheid en van de wetteloosheid tot wetteloosheid, zo stelt nu uw leden ten dienste van de gerechtigheid tot heiliging.
   Want toen gij slaven waart der zonde, waart gij vrij van de Gerechtigheid.
Wat voor vrucht hadt gij toen? Dingen, waarover gij u nu schaamt; immers, het einde daarvan is de 
dood. Maar thans, vrijgemaakt van de zonde en in de dienst van God gekomen, hebt gij tot vrucht uw heiliging en als einde het eeuwige levenRom.6: 14-22.
       Baant allen eensgezind een weg voor Hem, Die optrekt naar het westen; Zijn Naam is Heer. Juicht voor Zijn Aanschijn, want anderen worden in verwarring gebracht door Zijn Aangezicht. Hij is de Vader voor de minderbedeeldenconf. Psalm 67[68]: 7,8 ,  “één van ziel en één van hart” [Hand.4: 32] op weg naar God. Want is dit juist niet de reden waarom God jullie bij elkaar heeft samengebracht?

2e Zondag van Pascha, Thomaszondag – Antipascha – Beloken [besloten] Pasen

Thomaszondag [Αντίπασχα]

  Toen het dan avond was op die eerste dag van de week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zei tot hen: ‘Vrede zij u!’.
   En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Heer zagen. Jezus dan zei nogmaals tot hen: ‘Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik ook u’. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zei tot hen: ‘Ontvangt de Heilige Geest. Aan wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend’.
En Thomas, een der twaalven, genaamd Didymos [= tweeling], was niet met hen, toen Jezus daar kwam. De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben de Heer gezien! Maar hij zei tot hen: Indien ik in Zijn handen het teken van de nagelen niet zie  en mijn vinger niet steek in de plaats van de nagelen en mijn hand niet steek in Zijn zijde, zal ik geenszins geloven.
En na acht dagen waren Zijn discipelen weer in het huis en Thomas met hen. Jezus kwam, terwijl de deuren gesloten waren en Hij stond in hun midden en zei: ‘Vrede zij u!’. Daarna zei Hij tot Thomas: ‘Breng uw vinger hier en zie Mijn handen en breng uw hand en steek die in Mijn zijde en wees niet ongelovig, maar gelovig’.
Thomas antwoordde en zei tot Hem: ‘Mijn Heer en mijn God!’.
Jezus zei tot hem: ‘Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven’.
Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen van Zijn discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naamJohn.20: 19-31.

  En door de handen van de Apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het Volk; en zij waren allen eendrachtig bijeen in de zuilengang van Salomo. Doch van de anderen durfde niemand zich bij hen aansluiten, maar het Volk stelde hen hoog. En des te meer werden er toegevoegd, die de Heer geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen, zo zelfs, dat men de zieken op straat droeg en op bedden en matrassen legde opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen. En ook de menigte uit de steden rondom
Jeruzalem stroomde toe en bracht zieken en door onreine geesten gekwelden mee. En zij werden allen genezen.
     Maar de hogepriester stond op en allen, die met hem waren – de zogenaamde partij van de Sadduceeën – en zij werden vervuld met naijver, en zij sloegen de handen aan de apostelen en zetten hen in het huis van bewaring.
     Maar een engel des Heren opende des nachts de deuren van de gevangenis en leidde hen naar buiten en zei: Gaat heen, gaat in de tempel staan en spreekt tot het volk al deze woorden des levensHand.5: 12-20.

Christus geneest

Christus heeft het als Zoon van God, als geheel mens en geheel God, als Zijn tegenwoordigheid in de wereld, van groot belang geacht de morele waarden, mentaliteit en karakter, het leven en de dood dusdanig kenbaar te maken, dat de mens via z’n theologie, filosofie en literatuur Gods bedoelingen met de mens zou leren kennen. God heeft in Zijn oneindige Liefde en medemenselijkheid de wereld en de mens geschapen. Hij is God [goed] en is niets dan ‘Liefde’.  
”  De Liefde is uit God; en een- ieder, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is Liefde1John.4: 7. En … het door Mozes geredigeerde boek van Genesis presenteert de schepping van de mens. ”  En God zei: ‘Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte aan de hemel en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij henGen. 1: 26-27. Met andere woorden, iedere mens is geschapen naar Gods Beeld en Gelijkenis en draagt de Bron van de Goddelijke Liefde in zich [zijn leven] mee. 
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de verschillende delen van het Oude en het Nieuwe Testament hier brede bekendheid aan geven.
Gods verhaal is immers òns verhaal, de mens is daarmee verantwoordelijk z’n omgeving dusdanig in te richten dat de voor de hand liggende Goddelijke ontwikkeling werkelijkheid wordt en te werken aan het veranderen van z’n geestelijk karakter. 
Dit Verhaal is een verslag of weergave van gebeurtenissen, die zowel de mens als God aangaan. 
Dit doet ons allereerst denken aan de Goddelijke Genadegaven en in de tweede plaats aan de geestelijke en morele waarden, die indien deze door een mens worden opgevolgd naar God leiden, door Hem te volgen: God zorgt aldus voor de volmaakte mens en zal de mens zoveel mogelijk te ontdoen van z’n menselijke ongerechtigheden.
Hij heeft de mens slechts weinig beneden de engelen geplaatst; Hij heeft ons gekroond met Glorie en EerPsalm 8: 6.  Adam en Eva waren oorspronkelijk trouw en gehoorzaam aan God en leefden als product van Zijn hand in het aards Paradijs; zo werd Zijn Naam wonderbaar over heel de aarde.
Trek daarom allen de wereld in vanuit uw hart en spreekt tot het Volk om u heen al deze woorden des levens [van Gods Liefde tot de mensen] en een engel des Heren zal des nachts ook u de deuren van de gevangenis openen en u naar buiten leiden [vrijheid geven].
Wanneer onze ziel in God, z’n oorspronkelijke vrijheid probeert te zoeken, Hem tracht te gehoorzamen en zich naar ziel en lichaam bloot geeft en zich in nederigheid overgeeft aan de Schepper welgevallig te zijn zal het in overeenstemming met z’n bedoeling en in een toestand van rust doorbrengen.
Zijn harmonie en z’n evenwicht wordt echter verstoord als gevolg van de hoogmoed, de menselijke zonde, omdat de mens hierdoor God niet langer gehoorzaamheid verschuldigd is wordt zijn lichaam en ziel niet langer beschermd tegen de aanvallen van de tegenstrever op de oorspronkelijke Goddelijke bedoelingen. “ Niemand steekt een lamp aan en zet die in de kelder of onder de korenmaat, maar op de standaard, opdat wie binnentreden het licht zien. De lamp van het lichaam is uw oog. Indien dan uw oog zuiver is, is ook uw gehele lichaam verlicht, maar wanneer het slecht is, is ook uw lichaam duister. Zie dan toe, dat wat licht in u is niet duisternis zij. Indien dan uw lichaam geheel verlicht en geen deel duister is, zal het geheel verlicht zijn, evenals wanneer de lamp u met haar schijnsel verlichtLuc.11: 33-36.

“Christus is Verrezen/Opgestaan”

Zitten er twee koorleden na de Agape na afloop van de Paaswake met een kopje koffie en een glaasje met Baklava, Paasbrood en Pascha aan tafel, wordt er opgemerkt: “We zingen nu wel dat Christus is verrezen uit het graf [het waren Vlamingen in Nederland blijft men ‘Opgestaan’ verkondigen], maar als Christus had geweten hoe koud het op dit ogenblik is [het vriest buiten 5 graden], dan had Hij vast en zeker nog even gewacht.
Het is dit jaar helemaal geen weer voor Pasen
”.  
“Ja”, zegt de ander, “Dat zou best eens kunnen. Maar weet jij nou wat uit het graf verrezen betekent? Geloof je dat echt?”.
Dit is een doodernstige vraag voor koorleden en voor alle andere kerkgangers: ‘wéten we wàt we zingen en oprecht geloven wàt wij, christenen verkondigen!

Juist door daar niet te zijn – de rest van de apostelen was wel aanwezig en dus was er geen conciliaire eenheid – kan de als ongelovig aangeduide Thomas z’n medebroeders kritische vragen stellen! toch?
Daarin klinkt voor velen onder ons wel iets van afkeuring door. “Doe niet zo vervelend. Geloof het gewoon!”;  anderen herkennen zich in hem : “Die kritische Thomas is één van ons, één van ons broeders in Christus”.
Zijn ongeloof voor zomaar een bewering “Wij hebbende Heer gezien”, wekt ook verwondering, verwachting. Zijn ongeloof is geen gebrek aan Geloof in Jezus; zijn ongeloof betreft de kritiekloze Vreugde van de anderen.
Juist omdat Thomas zo intens geloofde in Jezus, op Hem zijn vertrouwen stelde, zoveel van Hem hield dat hij bereid was met Jezus te sterven . . . . . daarom heeft Thomas het er moeilijk mee wanneer er zo gemakkelijk “Alleluja” – “Hij heeft ons het Leven geschonken” en “Christus is Verrezen [Opgestaan]”, gezongen en ” Hij is waarlijk Verrezen [Opgestaan] uitgeroepen wordt.
Jezus is toch een smadelijke dood gestorven; ze hebben Christus toch “allemaal” – ook Thomas zelf –  in de steek gelaten. De vrouwen hebben Hem in een graf gelegd en iedereen is teruggegaan naar huis. En daar zitten ze als bange wezels bij elkaar in de bovenzaal en Thomas is waarschijnlijk een boodschap doen in de winkel, die met het hoogfeest van Pasen nog open is [waarschijnlijk van een andere gezindte].  Wat de Joodse leiders Jezus hebben aangedaan, zouden ze dat ook hen niet kunnen aandoen?  Leerling van Jezus zijn is en blijft tenslotte gevaarlijk, je wordt voor afwijkend versleten.
Thomas weet van het gevaar en Hij weet van het kruis van Jezus: “Als de Heer zich te zien geeft dan wil ik zijn wonden kunnen betasten, mijn hand in zijn doorboorde hartstreek leggen. Dan zal ik Hem geloven. Voor die Heer heb ik mijn leven over”. 
Vraagt Thomas hier dan te veel? Had hij niet beter met de anderen in de vreugde kunnen delen? Thomas tast hier het geloven van de anderen af.
Weet je zeker dat de Heer, Die jullie gezien hebben, ook de Gekruisigde is?
De vreugde van Pasen mag het verdriet om Goede Vrijdag niet verdringen!
Deze Thomas ontnuchtert de andere apostelen èn Christus volgelingen, door hem gaan ze zichzelf eveneens vragen stellen. Thomas vraagt het óók aan ons, want Christus verhaal is ook ons verhaal: “Geloof je wat je daar staat te zingen?”.

Geloven betekent voor Thomas niet “voor wáárachtig aannemen”, maar “je overgeven en toevertrouwen aan Iemand, Die voortaan jouw leven zal bepalen”.
Is dàt ook voor òns de betekenis van geloven?

Acht dagen later zijn de twaalf, net als wij hier compleet en als gemeenschap bijeen. Thomas is er ook; ook op deze dag verschijnt de Heer in hun midden.
Jezus nodigt Thomas èn ons uit: “Breng uw vinger hier en zie Mijn handen en breng uw hand en steek die in Mijn zijde [Mijn Hartstreek], en wees niet ongelovig, maar gelovig”.  Thomas roept uit: “Mijn Heer en mijn God”. “Ik geef mij aan U gewonnen. Ik geloof in U”.
Deze kortste Geloofsbelijdenis is het fundament van elke andere getuigenis.
Door deze woorden wordt het getuigenis van de twaalf volledig. Nu de Gekruisigde en de Verrezene één zijn, wordt het geloofwaardig en betrouwbaar dat God in Jezus Zijn Levenschenkende Tegenwoordigheid schenkt.
Thomas wordt als twijfelende en tastende zoekende gelovige de eerste die door Jezus gebracht wordt tot het Geloof in de Verrijzenis/Opstanding: “Mijn Heer en mijn God”.
Er staat niet dat Thomas op Jezus toeloopt en Hem aanraakt. Thomas raakt Jezus niet aan als zou Jezus een uit de dood teruggekeerd lichaam hebben; zo iets als een levend lijk. De aardse Jezus laat Zich op een heel nieuwe manier ontmoeten. Hij is ook geen geest, geen denkbeeld in de hoofden en de harten van de apostelen zoals zij misschien voor de eerste keer de Heer zagen.
Thomas is de eerste die inziet dat Jezus op een volstrekt Nieuwe Wijze aanwezig is: een mens in Wie Gods Liefde, Licht en Warmte zichtbaar, tastbaar en ervaarbaar wordt. Terwijl Thomas een ‘echt’ mens aanschouwt, verkondigt hij met luide stem de God, Die hij niet kan/kon zien.

Waarom zouden we nog wachten, mijn vrienden, tot er opnieuw slechte tijden [crises] komen? Onze Vader, uw en Mijn Vader heeft u allen lief, ook waar jullie Hem nog niet liefhebben.  Jullie Hemelse Vader wacht op jullie, Hij komt je tegemoet, ook waar je nog niet aan volledig geloven toe bent nog geen antwoord hebt kunnen vinden op Zijn Liefde.
‘”Zie, Ik sta hier voor jullie, leg je hand in Mijn hartstreek en herken dat Ik jullie de Liefde van God verkondig. Ach, waarom grijpen jullie die Liefde niet aan? Kunnen jullie niet geloven? Als je eens wist, hoe Lief Ik, als Zijn Zoon, u allen heb, indien jullie zien konden, hoe Mijn hart overstroomt van Liefde, als een niet aflatende bron – jullie zouden iets kunnen begrijpen van de oneindige tederheid van God . . . . . Waarom grijpen jullie deze Zaligheid niet, Die je wordt aangeboden? Laat los je zelfzucht, laat los je zonden, laat je twijfel, laat je droefheid los. Ik weet heus wel, dat jullie allen bedroefd zijn, Ik zie wel dat de wereld jullie geen vreugde geeft. Ik heb het immers zelf, aan den lijve ondervonden, gekend, de moeheid, de bitterheid, de eenzaamheid van een mensenziel zonder God. Ik weet hoe daar geen vrede woont in uw hart…”.
Hij glimlachte als de Énige, Die alle aardse, menselijke smart gekend en overwonnen heeft en nu weet, dat al het leed van de wereld niets waard is dan slechts een glimlach, een glimlach van medelijden. Gods hart wat Zich bedroeft over onze droefheid.

Voorheen heb ik mezelf ook over m’n smarten bedroefd, vroeger toen ik Jezus Christus, als Heer en Meester van mijn leven, nog niet kende en Zijn vrede nog ‘niet’ gevonden had. Ja, ik weet best wat het is, eenzaam te zijn in de wereld, – alleen, verlaten, miskend, en ik ken dat onduldbaar verdriet, die rusteloze strijd van onvervulde wensen, uitgestelde hoop.
Ik weet, wat het betekent, je vrienden, ja zelfs het Liefste op aarde te verliezen, teleurgesteld te worden in datgene, waarop we ons aardse vertrouwen hadden gesteld . . . . .
Maar ik ben gegaan tot de Mensenvriend, die nooit teleurstelt, ik vond het Hart van de wereld, Dat altijd liefheeft met een onuitputtelijke, onveranderlijke Liefde, Dat me liefheeft, Dat me heeft, nog éér ik Hem zocht . . . . .
Ik vond Hem, Die mijn leven maakt tot een lofzang van dankbare liefde, Hem, mijn Heiland, mijn Koning,  Mensenvriend, Jezus Christus . . . . .
Indien ik ooit heb gezegd, dat ik gelukkig was – het bleek een leugen.
Indien ik door het leven ben/heb rondgelopen met opgeheven hoofd, alsof ik niet moe, niet eenzaam, niet onbegrepen was – het was een leugen, God . . . geloof het niet …
Och we weten immers beiden wel beter. Gij weet hoe zwak ik ben, hoe klein, – veel te klein, om alleen te blijven in deze oneindige wereld . . . . . hoe ook ik hunker naar de liefde van mensen.
Maar ik zal U dat nooit toegeven God, ik zal het nooit erkennen, ik zal door het leven, alsof alles juist zó door mij besteld, zó door mij beschikt was . . . . .
en toch . . . toch God . . . we weten beiden samen wel beter . . . . .

Christus is verrezen/opgestaan;
Hij is waarlijk verrezen/opgestaan en
Hij heeft ons het Leven gegeven,
wij vereren Hem op de derde dag
”.

De vraag blijft: “Gelooft u dit zelf ook?”.

Apolytikion     tn.7
Nadat de steen verzegeld was, o Christus onze God, zijt Gij, het Leven opgegaan uit het graf,
en bij gesloten deuren stond Gij temidden van Uw Leerlingen, als de Opstanding van het heelal,
om door hen in ons de rechte geest te vernieuwen,
volgens Uw grote Barmhartigheid
”.

Kondakion     tn.8
Met zijn nieuwsgierige hand o Christius, onze God,
noch Thomas Uw levenbrengende  zijde betasten,
hoewel Gij binnengetreden wa door gesloten deuren.
Daarom riep hij tot U, tezamen met de andere Apostelen:
Gij zijt mijn Heer en mijn God
”.

Orthodoxie & de onverstandigen en tragen van hart

Emmaüsgangers, by Constant Nieuwenhuys

    En zie, twee van hen waren juist op die dag op weg naar een dorp, zestig stadiën van Jeruzalem verwijderd, genaamd Emmaüs en zij spraken met elkander over al wat voorgevallen was. En het geschiedde, terwijl zij daarover spraken en van gedachten wisselden, dat Jezus zelf bij hen kwam en met hen meeging. Maar hun ogen waren bevangen, zodat zij Hem niet herkenden. Hij zei tot hen: Wat zijn dit voor gesprekken, die gij al wandelende met elkander voert? En zij bleven met somber gelaat staan.
       Een dan van hen, genaamd Cleophas, antwoordde en zei tot Hem: ‘Zijt Gij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen geschied is?’.       En Hij zeide tot hen: Wat dan?
Zij zeiden tot Hem: ‘Hetgeen geschied is met Jezus de Nazarener, een man, die een profeet was, machtig in werk en woord voor God en het ganse volk  en hoe Hem onze overpriesters en oversten overgegeven hebben om Hem ter dood te veroordelen 
en Hem gekruisigd hebben. Wij echter leefden in de hoop, dat Hij het was, die Israël [onze Kerk] verlossen zou. Maar met dit al is het thans reeds de derde dag, sinds dit geschied is. Maar ook hebben enige vrouwen uit ons midden ons doen ontstellen: zij waren in de vroegte bij het graf geweest en hadden zijn lichaam niet gevonden en zijn toen komen zeggen, dat zij ook een verschijning van engelen gezien hadden, die zeiden, dat Hij leeft. En enigen van de onzen zijn naar het graf gegaan en hebben het zo bevonden, als de vrouwen ook gezegd hadden, maar Hem hebben zij niet gezien.
       En Hij zei tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan?  En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.
       En zij naderden het dorp, waar zij heengingen, en Hij deed, alsof Hij verder zou gaan. En zij drongen sterk bij Hem aan en zeiden: Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is reeds gedaald. En Hij ging binnen om bij hen te blijven. En het geschiedde, toen Hij met hen aanlag, dat Hij het brood nam, de zegen uitsprak, het brak en hun toereikte. En hun ogen werden geopend en zij herkenden Hem; en Hij verdween uit hun midden.
       En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?
       En zij stonden op en keerden terzelfder tijd terug naar Jeruzalem en zij vonden de elven en die bij hen waren, vergaderd en dezen zeiden: De Heer is waarlijk opgewekt en is aan Simon verschenen. En zij verhaalden wat onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend was bij het breken van het brood” Luc.24: 13-35.

    Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weer een slavenjuk opleggen.  Gij zijt los van Christus, als gij door de Wet Gerechtigheid verwacht; buiten de Genade staat gij. Wij immers verwachten door de Geest uit het Geloof de Gerechtigheid, waarop wij hopen.  Gij liept goed. Wie is u in de weg gekomen, dat gij aan de Waarheid niet meer gehoorzaamt? Die overreding kwam niet van Hem, die u roept. Een weinig zuurdeeg maakt het gehele deeg zuur. Ik voor mij ben van u overtuigd in de Heer, dat gij geen andere mening zult hebben. Maar wie u in verwarring brengt, zal zijn straf hebben te dragen, wie hij ook zijn zalGal.5: 1, 4-5, 7-10.

In de kerkgeschiedenis heeft God in Zijn Genade veel onzuiverheid verdragen om de verspreiding van de blijde Boodschap voort te zetten. Een voorbeeld hiervan is de kerk van de middeleeuwen, waar veel afgoderij en onreinheid zich met het christelijk geloof had vermengd. In die periode zien wij aan de ene kant oordeel via enorme rampen en epidemieën. Toch heeft God de Kerk laten voortbestaan en heeft de verspreiding van de Blijde Boodschap ondersteund, ondanks de verschrikkelijke geestelijke en morele corruptie. Ook in onze tijd zien we dat de Heer veel misstanden en onvolwassenheid heeft getolereerd, om te voorkomen dat allerlei hoopvolle ontwikkelingen tot stilstand zouden komen. Omdat God ZichZelf niet verloochent en dus ook trouw is aan Zijn Heiligheid, komt er echter onherroepelijk een moment waarop Hij het schietlood gaat hanteren en ziet of Zijn huis nog in de pas loopt met Zijn Instructies.
Dan gaat hij ook de hedendaagse versies van de zonen van Levi, de gemeente en haar leiders, zuiveren door het oordeel heen. Deze reiniging is een hoofdkenmerk van het geestelijke seizoen waarin wij nu beland zijn. De maatstaven die de Heer hierbij hanteert zijn onder meer financiële integriteit, waarachtige nederigheid en seksuele reinheid.
Ook geestelijke volwassenheid is een belangrijke maatstaf. Hierbij draait het onder meer om de volgende vragen. Blijven wij als kinderen op onze eigen noden en behoeften gericht of draait ons leven op het volgen van Hem en het bouwen van Zijn Koninkrijk der Hemelen? Blijven de beminde gelovigen geestelijk afhankelijk van enkele gewijde leiders of leren zij ook ‘zelf’ in geestelijke evenwicht te gaan en te blijven staan? Het niet tijdig onderkennen van demonische misleiding is een belangrijke reden waarom christelijke gemeenschappen in de Lage Landen in ernstige crises belanden en waarom bewegingen tot vernieuwing na verloop van tijd vastlopen.
Deze crises zijn dus niet alleen maar aanvallen van de duivel, maar zijn in veel gevallen veroorzaakt door de Heer Zelf. Deze crises zijn door God gestuurde louteringen en zijn bedoeld om ons te dwingen slechts voor Hem en Zijn idealen te laten kiezen.

Les réfugiés 1991 detail, by Constant Nieuwenhuys

God is alleen maar Licht, en in Hem is geen duisternis. Dus, zo redeneren veel christenen, als God door iemand heen werkt, kan er geen ruimte zijn voor duisternis, en dus ook niet voor demonische krachten in die persoon. Het feit is echter dat wij christenen, God niet zijn. Alleen in God is Licht en geen duisternis, maar dat wil niet zeggen dat in christenen ook dus alleen maar licht huist en geen duisternis. Het werk van de Heilige Geest in ons is natuurlijk altijd zuiver. Maar er kan geestelijke onzuiverheid in ons zitten die zich tijdens ons bidden, zegenen of bedienen manifesteert samen met het werk van de Heilige Geest.  Dit is net als zuiver water dat door een vervuilde waterleiding loopt. Uiteindelijk komt dan uit de kraan met het zuivere water ook vervuiling van de leiding mee. Ook is het water uit de kraan niet helemaal zuiver wanneer water uit een zuivere bron vermengd wordt met water uit een onzuivere bron. Van geestelijke onreinheid gemengd met een zalving van God zien wij al voorbeelden in het oudtestamentische Israël, het komt dus ook in de hedendaagse Kerk voor. Geestelijke onreinheid komt gedeeltelijk voort uit demonische smetten uit ons verleden die wij nog niet hebben opgeruimd, maar wij kunnen ook opnieuw demonische smetten oplopen nadat wij zijn bevrijd. Rijpe christenen en leiders zijn hiervan niet uitgezonderd. “      Geeft de duivel geen voet [laat hem er niet in slagen een positie te verwerven] en bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossingEph.4: 27,30.
Een van de twee mannen die van Jeruzalem naar Emmaüs lopen, door het bergachtige terrein, heette Cleophas. Een van de vrouwen die onder het Kruis stonden was Maria, de vrouw van Cleophas. Als die twee dezelfde zijn, dan hebben ze misschien in de ochtend wel ruzie gehad: de trouw van Maria tegen de rouw van haar man, beide emoties zijn manieren om te geloven. Ze zijn in de Blijde Boodschap verbeeld in twee personen ofschoon ze in werkelijkheid altijd samengaan. In ieder leven veel van dit soort conflicten; daardoor lijkt het alsof we moeten kiezen.

Veelkleurige levensweg by S. Brombacher

De resultaten van het onderzoek ‘God in Lage landen‘ ten spijt: de tijd dat iedereen dacht dat God en geloof een privékwestie voor een zonderling rijtje enkelingen zouden worden, is echt voorbij. Steeds minder mensen geloven in God, meer mensen noemen zich atheïst, zo wordt ons voorgehouden. De meeste kerken zien veel van hun leden vertrekken, kerken sluiten en worden aan de hoogste bieder ‘verkocht’. De groep die het belang van religie voor de samenleving onderschrijft, slinkt snel. En de groep Nederlanders die nog wel eens in een kerkbank plaatsneemt, telt weliswaar nog meer dan drie miljoen mensen, maar wordt eveneens steeds kleiner. Maar dat alles betekent niet dat religie uit de samenleving verdwijnt. Secularisatie betekent niet het einde van religie; het betekent wèl het einde van religie zoals we haar kenden. Godsdienst manifesteert zich opnieuw krachtig in de samenleving, religie is overal. Niet alleen omdat de Lage landen eeuwenlang een christelijke samenleving hebben gehad en je zo’n erfenis niet zomaar wegpoetst. Religie is tastbaar aanwezig, in het maatschappelijk debat, in nieuwe ontwikkelingen. We zien dit in de vele nieuwe vormen van samen-kerk-zijn die de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond schieten, in polemieken over de vluchtelingenstromen en wat hun komst voor onze westerse samenleving betekent, in de debatten over het gevaar van religieus terrorisme. De diversiteit van de religiositeit in de samenleving is enorm, en neemt alleen maar toe. Mensen sprokkelen ‘zelf’ hun zingeving bij elkaar, al dan niet geïnspireerd door verschillende westerse en niet-westerse religieuze tradities. Want als we nergens meer in geloven, kunnen we ‘alles’ geloven.
Zoals geen ge . . . [gezeur], iedereen rijk, dus ieder z’n eigen religie. De bindende en verbindende kracht van religieuze gemeenschappen is niet meer vanzelfsprekend. Niet de gemeenschap, maar jijzelf wordt de drager van je eigen religiositeit. De ongebonden ‘zelf’-religiositeit gaat gepaard met een ontwikkeling die ook in de politiek waarneembaar is: de verzwakking van het midden – als het verbindende midden zijn kracht verliest, bloeit er aan de randen van alles op. Met de kleinere kerken aan de flanken – orthodox, vrijzinnig, evangelisch – blijkt het over het algemeen wél goed te gaan. Aan de randen van het weggezakte institutionele religieuze midden kan echter ook veel ellende opbloeien, de duivel heeft vrij spel.

Emmaüsgangers onderweg

De apostel Paulus heeft ons geleerd: “Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet zietHebr.11: 1. Indien je dus Geloof hebt, hoop je op dingen die niet gezien worden, maar waar een Waarheid op gebaseerd wordt. Geloof is een beginsel van iets ondernemen en ook in het resultaat geloven. Wanneer je aan een waardig doel werkt, oefent je Geloof uit; je vestigt je Hoop op iets dat je nog niet hebt kunnen waarnemen.
Maar in onze tijd lijkt het erop dat je niet behoeft te kiezen, niets behoeft te ondernemen – en dat welk resultaat het ook oplevert vrucht zou kunnen dragen – je doet goed en wanneer je na dit leven je Heer en Meester zult ontmoeten zie je dan wel weer.  Het nastreven en zoeken naar datgene wat onze voorvaders hebben gedaan wordt als ouderwets  – niet van deze tijd afgedaan.
Het lijkt mij onvoldoende een zuivere ziel te handhaven; het zoeken naar het goddelijke in jezelf lijkt voor mij passender dan de kostbaarste edelstenen, die momenteel voor miljoenen bij Christies worden geveild. Met andere woorden men dient het offer aan de Heer te dragen vol innerlijke 
zuiverheid en adeldom. De Kerk, het Lichaam van de Heer, dient, naast eredienst, een plaats van verstilling te zijn met ruimte voor onderlinge aandacht en plaats van gesprek, geen persoonlijke ambitie maar een aansporing voor de gehele wereld om haar heen.
Dit vormt het antwoord op het onderricht van de Meester.
In het Lichaam zijn alle ledematen door de Heer gelijk bevonden, als tegenwicht gegeven voor vermeende Hoogmoed van enkelingen, welke slechts tweedracht zou zaaien en afdwalen van de oorspronkelijk opdracht, de onderlinge Liefdesband. Eigenwaan brengt Gods bedoeling om zeep en brengt het christenvolk af van de rechte weg en druist in tegen Gods plannen. Het Lichaam van Christus, Zijn Kerk heeft de bedoeling het afdwalen van de mens van de weg naar God recht te zetten, te herstellen en de verlangens van iedereen te richten op slechts een doel: vooruitgang in Christus.  Het bouwen van een Godshuis heeft slechts een doel een ‘bestaande’ gemeenschap een, hetgeen door hen gewenst werd, geschikt bevonden om onderdak te bieden voor de dienst aan God.
Een gebouw en haar inrichting mag nimmer als een voorwerp vormen van speculatie of eigen gewin, het dient slechts een bekroning te zijn van het christelijk Geloof van de medebroeders. Niets wijst er op dat de Heer hierbij behoefte betoonde aan pracht en praal, wat hiervan gemaakt is, is louter van wat wij mensen ‘kunst’ noemen, een opvallen door uiterlijk vertoon, waarbij de een niet onder wil doen voor de ander, dus Hoogmoed.

De mens dient in de leer van de Blijde Boodschap van de Heer slechts gericht te zijn op onthechting, zonder gebruikmaking van allerlei kunstgrepen. Onthechting aan het aardse heeft tot gevolg dat men als vanzelfsprekendheid ook de naaste zijn primaire levensbehoeften gunt, immers de gedeelde [geld]middelen komen ten goede van minderbedeelden. Saamhorigheid komt alle stervelingen te goede en zal de aantrekkelijkheid van Gods Boodschap onder de mensen alleen maar doen toenemen, enerzijds omdat het beter is om te geven en anderzijds de vreugde van het delen/ontvangen.
Zo’n overtuigingskracht en vruchtbare uitstraling zal een zichtbare uiting zijn van de christelijke ethiek; het zal een gunstig invloed uitoefenen op de westerse cultuur als geheel. Dit christelijk gedachtengoed zal een andere dan verbale uiting vormen waarmee de wereld zich kan omgevenen.
Er dienen nieuwe lijnen getrokken te worden in de geschiedenis der mensheid, zowel in die van de productie van goederen, het verkrijgen en gebruik van energie, het geld en de handel, de macht [via het huidige wapengeweld], ongekende verslavingen van de een tegenover de armoede van anderen. De geschiedenis zal zich daadwerkelijk gaan richten op de navolging van Christus, de naastenliefde en de armoede. Iedereen, die aanspraak wil maken op daadwerkelijke betekenis voor de toekomst dient zich in deze lijnen te verdiepen.
Er dient niet langer gedaan te worden alsof het om losse verbanden gaat en er mag niet [om 
eigen gewin] verdoezeld worden dat er nog steeds geen enkel andere methode bestaat om met zekerheid de wezenlijke problemen van deze wereld op te lossen: wat is de wisselwerking tussen de ontwikkeling van de huidige westerse welvaart en die van de samenleving als geheel?
Het is mij duidelijk geworden, dat je de vraag naar de toekomst van het christendom niet kunt stellen los van de vraag naar de toekomst van de mens.
– Met welk mensbeeld zijn we bezig, waar streven wij als samenleving naar? Welk ideaalbeeld van de mens staat ons eigenlijk voor ogen als je daarbij denkt aan wat mogelijk is? Je zou daarbij het 
begrip Kerk, het Lichaam van Christus sterker dienen te accentueren, waarbij er een zachte bries van rebellie door de samenleving waait.
– De kerken mogen voor wat betreft hun plaatselijke concilies met opgeheven hoofd door het leven gaan, maar de nederigheid wordt meer met de mond beleden dan vanuit de oorspronkelijke 
belijdenis. Zou er sprake zijn van intens beleefde nederigheid dan zou genoemde rebellie reeds aanwezig zijn en zich vanuit de christelijk traditie alom manifesteren en de bevrijdingstheologie zich door Gods Geest daadwerkelijk bevrijding in de wereld veroorzaken. Wie God bemint, zoekt in alles Gods eer.

Zijn eigen vernedering maakt die mens juist blij, omdat daardoor Gods Grootheid, Zijn Heiligheid, Sterkte en Onsterfelijkheid uitkomt en de mens Gods vriendschap hierdoor kan winnen. Wie zichzelf liefheeft, kàn God niet beminnen. Maar wie zichzelf nìet liefheeft omwìlle van de alles overtreffende volheid van de Liefde, die bemint God. ” In Christus, om in de komende eeuwen de overweldigende Rijkdom van Zijn Genadegaven te tonen naar Zijn Goedertierenheid over ons in Christus JezusEph.2: 7.
Daarom zoekt de mens niet zijn eigen eer, maar Gods eer. Want wie zichzelf liefheeft zoekt zijn eigen eer, maar wie God liefheeft zoekt de eer van zijn Schepper, die in hem hernieuwde schepping mogelijk maakt [een nieuwe Hemel en een nieuwe aarde]. 
Het behoort tot de aard van een opmerkzame en godminnende ziel om altijd Gods eer te zoeken in alle geboden die zij onderhoudt en zich te verheugen in haar vernedering, omdat God eer toekomt vanwege Zijn Grootheid en de mens daarom vernedering, om daardoor God vriendschap te winnen. Als wij dat doen, zijn ook wij, naar het voorbeeld van de Heilige Johannus de Doper, blij over de eer die de Heer geniet en dan gaan wij onafgebroken zeggen: “Hij moet grotere worden, wij moeten kleiner worden.  Die van boven komt, is boven allen; wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt van de aarde. Die uit de hemel komt, is boven allen; wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij en Zijn getuigenis blijken maar weinig mensen aan te nemen. Wie Zijn getuigenis echter aanvaardt, heeft bezegeld, dat God waarachtig is” conf. John.3: 30-33.
Spreken wij met wijsheid over God, dan zullen wij nooit ijdel worden; wereldse wijsheid echter is uit op roem en eigen gewin. Uit datgene wat wij doen, kunnen wij zonder omhaal van woorden opmaken krachtens welke wijsheid wij spreken. Dit dienen wij dan te doen: alle eer en roem te ontvluchten vanwege de alles overtreffende rijkdom van de Liefde van onze Heer, Die ons zozeer bemind heeft.
Heeft iemand God lief, dan is deze door Hem gekend1Cor.8: 3.
Want naar de mate waarin de ziel waarneemt opdat zij de Liefde van God in zich ontvangt, groeit zo iemand in de liefde tot God en de mensen om hem heen.
Derhalve verlangt zo iemand vurig naar de verlichting van de kennis, tot hij bemerkt dat zelfs zijn gebeente het gewaar wordt. Hij herkent zichzelf niet meer, maar is door de liefde tot God geheel omgevormd. Hij verblijft dan in het leven en is er niet langer in, want terwijl hij in het lichaam woont, verblijft hij er buiten, omdat zijn ziel door de liefde rusteloos naar God uitgaat. Immers, onverminderd gloeit zijn hart van het, door de Goddelijke Geest verleende liefdesvuur en wordt als het ware aangezet door zijn verlangen. Hij wordt een met God, eens en voorgoed ontrukt aan de liefde voor zichzelf door de liefde tot God. “ Want hetzij wij in geestvervoering kwamen, het was in dienst van God, hetzij wij nuchter van zin zijn, het is ter wille van U. Want de liefde tot Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat een voor allen gestorven is. Dus zijn zij allen gestorven, opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, Die voor hen gestorven en opgewekt is” 2Cor.5: 13-15.

De zon komt op en geeft ons licht;
zo brengen de Hemelen een bericht.
Want na het donker van de nacht
komt altijd weer een nieuwe dag.

 

Johannes Chrysostomos [349-407] – zijn preken voor de Grote & Heilige week.

الضابط الكل الرب الهنا المسيح تعشيق زجاج

Johannes van Antiochië, Chrysostomus genaamd, dat wil zeggen “Guldenmond” vanwege zijn welsprekendheid, mag ook vandaag de dag nog levend genoemd worden, mede vanwege zijn geschriften.
Zijn geschriften maken het ook ons, net als de gelovigen van zijn tijd, die hem herhaaldelijk moesten missen vanwege zijn ballingschappen, mogelijk om met zijn boeken te leven ondanks zijn afwezigheid.

Geboren rond 349 in Antiochië in Syrië [tegenwoordig Antakya, in het zuiden van Turkije] oefende hij er ongeveer elf jaar het priesterambt uit, tot aan 397, toen hij tot Bisschop van Constantinopel werd benoemd en in de hoofdstad van het keizerrijk het bisschopsambt uitoefende vóór de twee ballingschappen, die op korte afstand op elkaar volgde, van 403 tot 407.
Wij beperken ons tot de Antiocheense jaren van Chrysostomus.

Omdat hij nog toen hij heel klein was zijn vader al verloren had, leefde hij met zijn moeder, Antusa, die op hem een uiterst verfijnde menselijke gevoeligheid overbracht, en een diep christelijk geloof. Na zijn lagere en hogere studies te hebben gevolgd, die bekroond waren met filosofie en retorica, had hij Libanius als leermeester, een heiden, de beroemdste redenaar van die tijd. In zijn leerschool werd Johannes de grootste spreker van de late Griekse oudheid.Gedoopt in 368 en in het kerkelijk leven gevormd door Bisschop Meletius, werd hij door deze in 371 aangesteld als lector. Dit feit markeert het officiële begin van Chrysostomus’ kerkelijke loopbaan. Van 367 tot 372 bezocht hij, samen met een groep jongeren waarvan sommigen later Bisschop zijn geworden, het “Asceterium“, zoiets als het seminarie van Antiochië, dat onder de leiding stond van Diodorus van Tarsus, die Johannes in de richting van de historisch-letterlijke exegese oriënteerde, die zo kenmerkend is voor de Antiocheense traditie.

De ziel waarin God Zichzelf weerspiegelt

Daarna trok hij zich vier jaar lang terug tussen de kluizenaars op de nabije berg Silpius. Hij zette dit teruggetrokken leven nog eens twee jaar langer door, die hij in eenzaamheid doorbracht onder de leiding van een “oudere“. In die periode wijdde hij zich geheel aan de meditatie van “de wetten van Christus“, de Evangelies en speciaal de brieven van Paulus. Ziek geworden, was het hem onmogelijk zichzelf te verzorgen, waardoor hij moest terugkeren naar de christengemeenschap van Antiochië. De Heer – zo legt de biograaf uit – greep door deze ziekte op het juiste moment in om Johannes in staat te stellen zijn ware roeping te volgen. Hij zal inderdaad zelf schrijven dat hij, als hij voor de keuze geplaatst zou worden tussen de tegenslagen bij het besturen van de Kerk of de rust van het monniksleven, hij dan duizendmaal de voorkeur zou geven aan het pastorale dienstwerk: want tot juist dit dienstwerk voelde Chrysostomus zich geroepen. Hier voltrekt zich de beslissende wending in zijn roepingsgeschiedenis: voltijds zielenherder!

Christus & de 4 evangelisten en de 4 grote profeten Haregarius van Tours [9e eeuw]
De vertrouwelijke omgang met het Woord van God, die hij tijdens de jaren van zijn kluizenaarschap had onderhouden, had in hem de onweerstaanbare drang doen rijpen om het Evangelie te preken, aan anderen te geven wat hij zelf in de jaren van meditatie had ontvangen. Het missionaire ideaal bracht hem, vurig van ziel als hij was, tot de pastorale zorg.
Tussen 378 en 379 keerde hij terug naar de stad. Diaken in 381 en priester in 386, werd hij een beroemd predikant in de steden van zijn stad. Hij hield preken tegen de Arianen, gevolgd door die ter gedachtenis van de Antiocheense martelaren, en door andere over de voornaamste liturgische feesten. Het gaat hierbij om een groots Onderricht in het Geloof in Christus,
ook in het licht van Zijn Heiligen.
Preken voor de Grote & Heilige week van
de H. Johannes Chrysostomos
[PDF – Engels]:
Homily 77 on Matthew – parable of the fig tree
Homily 82 on Matthew – My blood of the New Testament
Homily 83 on Matthew – let this cup pass from me
Homily 84 on Matthew – one of them smote off his ear
Homily 85 on Matthew – they spit in His face, and buffeted Him
Homily 86 on Matthew – Are you the king of the Jews
Homily 87 on Matthew – they stripped Him – they had platted a crown of thorns
Homily 88 on Matthew – about the ninth hour Jesus cried with a loud voice
Homily 89 on Matthew – the sepulchre was sealed, so there was no unfair dealing
Homily 90 on Matthew – the soldiers declared unto the chief priests all the things that were done
Paschal homily of Saint John Chrysostom

“I hope the Easter bunny brings you lots of chocolate!”.

Zalig feest van Pascha

Het hoogfeest van Pascha [1]

‘ Bekeert u . . . . .!’.

Broeders en zusters bekeert u, zo zegt de Heer, want het Koninkrijk der Hemelen is nabij.
    En toen de Sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria (de moeder) van Jacobus, en Salome specerijen om Hem te gaan zalven.
– En zeer vroeg op de eerste dag der week gingen zij naar het graf, toen de zon opging. – En zij zeiden tot elkaar:  ‘Wie zal ons de steen afwentelen van de ingang van het graf?’.
– En toen zij opzagen, aanschouwden zij, dat de steen afgewenteld was; want hij was zeer groot.
– En toen zij in het graf gegaan waren, zagen zij een jongeling zitten aan de rechterzijde, bekleed met een wit gewaad, en ontsteltenis beving haar.
Hij zei tot haar:
‘’Weest niet ontsteld. Jezus zoekt gij, de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie de plaats, waar zij Hem hebben neergelegd.
Maar gaat heen, zegt aan al zijn volgelingen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult gij Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft’.
– En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar bevangen. En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd” Marc.16: 1-8.

Van de Apostel Paulus hebben wij vernomen, dat Christus door het Geloof in onze harten leeft:
    Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar Wie alle geslacht in de Hemelen en op de aarde genoemd wordt, opdat Hij u geve, naar de Rijkdom van Zijn Heerlijkheid, met Kracht gesterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het Geloof in uw harten woning zal maken. Geworteld en gegrond in de Liefde, zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is en te kennen de Liefde van Christus, Die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid van GodEph. 3,14-19.

Het is voorzeker dat men daaruit mag opmaken, dat Christus zolang in onze harten leeft als ons Geloof levend is. Wanneer echter ons geloof dood is, dan is in zekere zin ook Christus in ons dood. Verder zijn het de werken die van het leven van het geloof ‘getuigenis’ afleggen, zoals geschreven staat: “ Ik kan van Mijzelf niets doen; gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet Mijn wil, doch de wil van Hem, die Mij gezonden heeft.
    Indien Ik getuig van Mijzelf, is Mijn getuigenis niet waar; Een Ander is het, die van Mij getuigt, en Ik weet, dat het getuigenis, dat Hij van Mij aflegt, waar is. Gij hebt tot Johannes [de doper] gezonden en hij heeft van de Waarheid getuigd; maar Ik behoef het getuigenis van een mens niet, doch Ik zeg dit, opdat gij behouden wordt. Hij was de brandende en schijnende lamp en gij hebt u een tijdlang in zijn licht willen verheugen. Maar Ik heb een getuigenis, gewichtiger dan dat van Johannes [de doper]; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen, juist die werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft. En de Vader, die Mij gezonden heeft, die heeft van Mij getuigenis gegeven. Gij hebt nooit Zijn stem gehoord of Zijn gedaante gezien en Zijn Woord hebt gij niet blijvend in u, want die Hij gezonden heeft, gelooft gij nietJohn 5: 30-38Over deze kwestie lijkt ook de apostel Jakobus overeen te stemmen, die de verzekering geeft dat een geloof zonder werken in zichzelf dood is:
      Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert Geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat Geloof hem behouden? Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel en iemand van u zegt tot hen: ‘Gaat heen in Vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit?
Zo is het ook met het Geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood. Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt Geloof en ik heb werken. Toon mij dan uw Geloof zonder de werken en ik zal u mijn Geloof tonen uit mijn werken“ Jac.2: 14-18.

Zoals wij namelijk het leven van dit lichaam het feit dat het beweegt, herkennen, zo herkennen wij het leven van het Geloof aan de goede werken. Het leven van het lichaam is dus de ziel, van haar krijgt het beweging en gevoel.
En zo is het leven van het Geloof de Liefde, want door haar werkt het Geloof, zoals U kunt lezen bij de Apostel:
      Wij immers verwachten door de Geest uit het Geloof de Gerechtigheid, waarop wij hopen. Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar Geloof, door Liefde werkende. Gij liept goed. Wie is u in de weg gekomen, dat gij aan de Waarheid niet meer gehoorzaamt? Gal.5: 5-7.
Wanneer dus de Liefde bekoeld is, koud wordt, sterft het Geloof, zoals het lichaam sterft, als de ziel het verlaat. Ziet ge dus iemand die ijverig is in het doen van goede werken en zich in heel zijn levenswandel blijmoedig toont, dan kun je er zeker van zijn, dat in hem het Geloof leeft, want je hebt de onbetwijfelbare bewijzen van dit leven. Maar helaas, sommigen beginnen met de geest, maar eindigen later met het vlees.
Wij weten echter, dat de geest van leven dan niet langer in hen blijft, zoals geschreven staat:                 Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. En de Heer zei:Mijn Geest zal niet altoos in de 
mens blijven, nu zij zich misdragen hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijnGen.6: 1-3. En als de geest niet blijft, dan lijdt het geen twijfel, dat ook de Liefde zal verdwijnen, Die: “      in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven isRom.5: 5.
Overigens laat de Apostel Paulus ons zien, zoals wij reeds zeiden, dat het leven van het Geloof in de Liefde bestaat, wanneer hij zegt dat het Geloof door de Liefde werkt: “      Gij zijt los van Christus, als gij door de wet Gerechtigheid verwacht; ‘buiten’ de Genade staat gij. Wij immers verwachten door de Geest uit het Geloof de Gerechtigheid, waarop wij hopen. Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar Geloof, door Liefde werkendeGal 5: 4-6Daaruit volgt dus, dat het Geloof sterft als de geest verdwijnt, want ‘het is de Heilige Geest die levend maakt: “     “ De Geest is het, Die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn Geest en zijn Leven. Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou. En Hij zei: ‘Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij” John.6: 63-65.

Vervolgens, als wijsheid naar het vlees [kennis] de dood betekent, dan moeten ongetwijfeld zij, over wier leven wij ons verheugden, zolang zij de werken door de Geest van het lichaam doodden, thans als doden beweend worden, nu zij weer naar het vlees leven.
Daarom staat er ook bij dezelfde apostel te lezen: “      Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zult gij leven. Want allen, die door de Geest van God geleid worden, zijn zonen [kinderen] van God. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap [kindschap], door welke wij roepen: ‘Abba, Vader’Rom 8: 13-15.
Wat een ongeluk valt u ten deel, wie gij ook bent, wanneer gij als een hond naar zijn braaksel terugkeert of als een schoongewassen zwijn zich weer in de modder wentelt! 2Petr.2: 22; m.a.w. die weer in oud gedrag vervalt.

‘Je bent bekeerd voor de ander . . . . .’

     Ik spreek niet alleen van degenen die naar het lichaam weer naar Egypte terugkeren, maar ook van hen die dit in hun hart doen, doordat zij naar de geneugten van deze wereld streven en zo het leven van het Geloof, dit is de Liefde, niet bezitten.        Ik heb u geschreven, vaders, want gij kent Hem, Die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk en het Woord van God blijft in u en gij hebt de boze overwonnen. Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de Liefde van [God] de Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een hovaardig [trots zichzelf beter vindend dan de ander] leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid1John.2: 14-17.
Wie is er immers meer dood dan hij die het vuur in het hart, dit is de zonde in zijn geweten, brandend houdt en dit niet voelt, niet ervoor terugschrikt en het niet uitdooft?
Overweeg nu daarom maar eens opnieuw: Christus is in het graf en het dode geloof is in de ziel.
Wat kunnen wij voor Hem doen?
Wat deden de heilige vrouwen die als enige van alle volgelingen met een grotere Liefde bezield waren?
Zij kochten specerijen om daarmee naar het graf te gaan en Jezus, lichaam te gaan zalvenMarc. 16: 1. Deden zij dat om Hem tot leven te wekken?
Ook wij, broeders, weten, dat een opwekking uit de doden niet in onze macht ligt. Onze opgave is het om te zalven. Waarom doen wij dat?
Om te voorkomen dat een mens die in die toestand een verkeerde geur afgeeft, gaat stinken, hij wordt voor zijn omgeving tot een doodslucht, tot ontbinding overgaat en geheel vergaat.
“      Maar God zij gedankt, Die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren en de reuk van Zijn Kennis allerwegen door ons verspreidt, want wij zijn voor God een geur van Christus onder hen, die gered worden, en onder hen, die verloren gaan; voor dezen een doodslucht ten dode, voor genen een levensgeur ten leven. En wie is tot zulk een taak bekwaam? Want wij zijn niet als zovelen, die winst maken uit het Woord van God, maar wij spreken in Christus uit Zuivere bedoelingen, ja, op Gezag van God en voor Gods aangezicht2Cor.2: 14-17.
De gehele wereld mag weten wat wij doen en hoe wij het doen; open en eerlijk, in gezamenlijk overleg – niemand om ons heen frustrerend.

waterpas, drieledige balans

Vandaar dat de drie vrouwen, dat zijn ‘de geest’, ‘de tong’ en ‘de hand’, specerijen kopen. Hierop heeft naar mijn mening de opdracht die Petrus kreeg, betrekking, toen hem tot driemaal toe werd opgedragen de kudde van de Heer te weiden: ‘Weid hen‘, sprak Jezus, met de Geest, met de mond, met de daad’, dit is: ‘met het gebed van het hart’, ‘met de opwekking van uw Woord’ en ‘door het voorbeeld te geven’; tot een voorbeeld te wezen voor geheel de mensheid.
Onze geest dient derhalve haar welriekende oliën te zoeken:
in de eerste plaats het gevoel van medelijden, vervolgens ijver voor wat rechtvaardig is en daarbij dient men de geest -van verstandig onderscheiden- niet uit het oog te verliezen.
Telkens wanneer je een broeder ziet zondigen, dient er bij U terstond een gevoel van medelijden op te komen. Het is als het ware aan de menselijke natuur verwant, want het komt uit Uzelf voort.
Paulus zegt hierover:        Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen. Verdraagt elkanders moeilijkheden; zo zult gij de [Liefdes-]Wet van Christus vervullen. Want indien iemand zich verbeeldt, dat hij iets is, en het niet is, dan vergist hij zich zeer. Ieder moet zijn eigen werk toetsen; dan zal hij slechts voor zichzelf stof tot roem hebben en niet voor een ander. Want ieder zal zijn eigen last dragen. En hij, die onderricht wordt in het Woord, dele van alle goed mee aan wie dat onderricht geeft. Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogstenGal 6, 1-7.
En toen de Heer de stad uittrok en Zijn Groot en Heilig Kruis droeg en enige vrouwen -nog niet alle stammen der aarde – over Hem weenden: “     En toen zij Hem wegleidden, grepen zij een zekere 
Simon van Cyrene, die van het land kwam en legden hem het Kruis op om het achter Jezus aan te dragen. En Hem volgde een grote menigte van volk en van vrouwen, die zich op de borst sloegen en over Hem weeklaagden. En Jezus wendde Zich tot haar en zeide: ‘Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen, want zie, er komen dagen, waarop men zeggen zal: Zalig de onvruchtbaren, en de schoot, die niet heeft gebaard, en de borsten, die niet hebben gezoogd. Dan zal men beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvelen: Bedekt ons. Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal met het dorre geschieden?Luc. 23: 26-31.

Let goed op de volgorde: eerst zegt Hij ‘over Uzelf’ en dan pas ‘over uw kinderen’.
Let op Uzelf om te Ieren met een ander medelijden te ervaren en om hem ‘in een geest van zachtmoedigheid’ te onderrichten.
Let op Uzelf, dat ook gij niet in bekoring komt.

‘Vandaag hij, morgen ik . . . . . .!’.

– Omdat een voorbeeld echter meer overtuigingskracht heeft en diepere indruk maakt op de menselijke geest, wijs ik U op het voorbeeld van een heilige oude man die, toen hij van de zonde van een van zijn broeders gehoord had, in bittere tranen uitbarstte en uitriep: ‘Vandaag hij en morgen ik!’ Meen je, dat iemand die zo over zichzelf weende, geen medelijden had met zijn broeder? Daarom kan dit gevoel van medelijden ‘vele gelovigen en niet-gelovigen’ tot nut zijn, omdat een edel gemoed zich schaamt iemand leed te berokkenen, waarvan het ziet dat deze bezorgd om hem is.

– Wat doen wij echter, als sommigen zo hardnekkig en onbeschaamd zijn, dat zij van ons medelijden en ons geduld des te meer misbruik maken, naarmate wij hun meer medelijden betonen? Moeten wij dan niet op dezelfde wijze, als wij met die broeder medelijden gehad hebben, ook met de gerechtigheid zelf medelijden hebben, die wij zo schaamteloos met voeten getreden zien en zo roekeloos getergd?
Ik weet, dat, indien er Liefde in ons leeft, wij deze verachting van God niet onverschillig kunnen verdragen. Dat is de ijver van de gerechtigheid die ons doet ontvlammen tegenover hen, die overtredingen begaan; in zekere zin worden wij geleid door liefde jegens Gods gerechtigheid die wij veracht zien worden.
Maar het gevoel van medelijden moet in ieder geval voorrang voor zich opeisen, want anders zouden wij in een heftige gemoedsgesteldheid de schepen van Tharsis verpletteren:
    Want zie, de koningen zijn samengeschoold; zij zijn [in vergadering] bijeengekomen. Dit ziende stonden allen verbaasd, zij ontstelden en beefden; zij werden door schrik bevangen, door barensweeën gegrepen. Door een geweldige storm [echter] werden de schepen van Tarsis verbrijzeld. Zoals wij het gehoord hebben, zo hebben wij het ook gezien in de stad van de Heer der Krachten [Heerscharen]” Psalm 47[48]: 5-8.
    Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun; Mijn uitverkorene, in Wie Ik een welbehagen heb. Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd: Hij zal de volkeren het Recht openbaren. Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal Hij niet uitdoven; naar Waarheid zal Hij het Recht openbaren. Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot Hij op aarde het Recht zal hebben gebracht; en op Zijn
Wetsonderricht zullen de kustlanden [de Lage Landen] wachtenIsaiah 42: 1-4Wanneer nu echter beide gevoelens aanwezig zijn, namelijk het oprecht gevoel van medelijden en de ijver voor wat Recht is, dan moet ook nog de geest van het verstandig onderscheiden erbij komen; want het zou kunnen gebeuren, dat, waar medelijden getoond dient te worden, de ijver zich op de voorgrond dringt en onberadenheid alles in de war stuurt.
Daarom heeft ons verstand ook de derde specerij nodig, de geest der onderscheiding, zodat het met verschillende omstandigheden rekening houdt door op de juiste tijd ijver te betonen, maar ook op de juiste tijd Vergeving te schenken.
Hij is een echte Samaritaan die er nauwlettend op toeziet, wanneer hij de olie van de barmhartigheid en de wijn van de vurige ijver moet toedienen.
En denkt nu niet dat ik dit bedacht heb. Luister naar de profeet die in een van de Psalmen om hetzelfde en in dezelfde volgorde smeekt: “     Heer, de aarde is vol van Uw Barmhartigheid; leer mij Uw Gerechtigheden. Doe met Uw Knecht, Dienaar, Heer, volgens Uw Woord. Leer mij goedheid, tucht en kennis, want ik geloof in Uw Geboden. Leer mij uw goedheid, tucht en kennis” Psalm 118[119]: 64-67 vert. ROK ’s-Gravenhage

Het Hoogfeest van Pascha [2]

‘Zij kochten specerijen om Hem te komen zalven’

Waar halen wij deze specerijen vandaan?
De bodem van ons hart laat dergelijke planten, die deugden opwekken niet ontspruiten, maar brengt eerder doornen en distels voort:
    En tot de mens zei de Heer, onze God: ‘Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom hebt gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft. En doornen en distelen zal hij u voortbrengen en gij zult het gewas van het veld eten; in het zweet van uw aanschijn zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij weerkerenGen 3: 17-19.
Wij moeten dus de specerijen zien te kopen. Maar wie verkoopt ons zulke specerijen? Juist bij Diegene, Die ons gezegd heeft: “      O, alle dorstigen, komt tot de wateren en gij die 
geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk.  Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan?
Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel zal zich in overvloed verlustigen. Neigt uw oor en komt tot Mij; hoort, opdat uw ziel zal leven; Ik zal met u een eeuwig Verbond [een contract (af-)]sluiten: de betrouwbare Genadebewijzen van David. Zie, Ik heb hem tot een getuige voor de natiën gesteld, tot een vorst en gebieder der natiën. Zie, een volk dat gij niet hebt gekend, zult gij roepen en een Volk dat u niet kende, zal tot u snellen ter wille van de Heer, uw God en van de Heilige van Israël [de Kerk], omdat Hij u verheerlijkt heeft. Zoekt de Heer, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij isIsaiah 55: 1-6.

‘In de Hemelen wordt niet gekocht!’

Jullie weten heel goed, wat de zoetheid van melk en de wrangheid van wijn betekenen. Maar wat dient er onder het ‘kopen zonder zilver of zonder betaling’ verstaan te worden? Bij de minnaars van deze wereld bestaat immers een dergelijk kopen niet, maar bij de Schepper van deze wereld kan er onmogelijk een ander kopen bestaan.  Immers de profeet David zegt tot de Heer: “       Bewaar mij, Heer, want ik vertrouw op U en zeg: Gij zijt mijn God, mijn goederen hebt Gij niet nodig, Voor de heiligen in Zijn Land heeft de Heer al Zijn wonderen gedaan. Zij waren met zwakheid vervuld, maar met Zijn hulp werden zij snel Psalm 15[16]: 1-4.
Welke prijs zal de mens dus aan God voor Zijn Genadegenaden geven, aan Degene, Die geen enkele gave nodig heeft [omdat Hij alles al heeft] en aan Wie alles toekomt? De Genadegaven worden ‘om niet’ geschonken; en ook als wij ze moeten kopen, kopen wij ze ‘om niet’, want: wat daarvoor gegeven wordt, blijft ons behouden als iets beters.
– Wanneer iemand van het volk Israël een enorme schuld had aan iemand – een schuld die zo groot was dat hij in de huidige situatie deze niet kon terugbetalen – dan kon de schuldenaar aanbieden om slaaf te worden van iemand die in zijn plaats de schuld kon betalen.
De schuldenaar werd daarmee slaaf van de persoon die in zijn plaats zijn schuld had afbetaald en vervolgens zou hij deze persoon gaan dienen, soms zelfs levenslang.

Dit is precies wat ons overkomt en met alle christenen. Op een bepaald punt in ons leven, erkennen wij dat wij een enorme en niet terug te betalen zondeschuld bezitten. Daarop hebben wij ons tot onze Heer, Jezus Christus gewend en bieden ons aan Hem aan omdat wij begrepen dat Hij de enige is Die onze schuld kan betalen; wij hebben afscheid genomen van de wereld en al haar onhebbelijkheden. Wij geloven in de Blijde Boodschap dat Jezus aan het Kruis voor alles onze schuld ingelost heeft bij de Vader en wij ons als kinderen van de Vader over Zijn Hemels Koninkrijk mogen verheugen. Christus heeft ons van de schuld van de zonde bevrijd en wij zijn blij en dankbaar om een ‘nieuwe’ Meester te hebben.

Er zijn dus drie welriekende specerijen van de geest. Zij dienen met de munt van de eigenwil [het streven naar nederigheid] betaald te worden worden. Als wij deze daarvoor geven, verliezen wij niets, maar winnen er zelfs nog heel veel bij, want wij ruilen haar in voor iets beters. Wat eigenwil was, wordt nu gemeenschappelijke wil, de christelijke wil, de wil van de Vader, zoals de Vader ons als kinderen graag ziet.
Die gemeenschappelijke Wil bestaat uit de Liefde tot God en de Liefde tot de naasten.
Zo kopen wij ‘zonder betaling’; wij ontvangen iets dat wij niet bezeten en wat wij hadden, behouden wij als iets beters. 
Want wanneer kan iemand aan zijn medebroeder medelijden betonen, die, gevangen in zijn eigenwil, enkel en alleen medelijden met zichzelf heeft?  Of wanneer kan iemand die slechts zichzelf liefheeft, de gerechtigheid liefhebben en de ongerechtigheid haten:
God, Uw Troon is in de eeuwen der eeuwen, een scepter van Gerechtigheid is de scepter van Uw Rijk. Gij bemint Gerechtigheid, maar haat onrecht; daarom heeft God, uw God, u gezalfd met olie van de Vreugde boven uw gezellen. Myron, balsem en kaneel geuren in uw klederen in de ivoren vertrekken, waaruit de koningsdochters u Vreugde verschaffen in uw heerlijkheid. De koningin staat aan uw rechterzijde met een gewaad van goudbrokaat getooidPsalm 44[45]: 7-10.

Zo’n persoon kan voor de ogen van de mensen wel doen ‘alsòf’, ja hij kan zichzelf zèlfs iets voorspiegelen, zodat hij meent dat het om ‘gevoel van medelijden’ en de inzet voor de Gerechtigheid gaat, wanneer hij zich door eigenliefde of persoonlijke haat laat leiden.
Maar het valt gemakkelijk in te zien, hoe vèr datgene wat ‘eigen’ is aan de Liefde, afstaat van de eigenwil, ja dat zij zich juist als haar tegendeel laat zien, want Liefde is goedgunstig en zij verheugt zich niet over onrecht:         Al ware het, dat ik al wat ik heb tot spijs uitdeelde, 
en al ware het, dat ik mijn lichaam gaf om te worden verbrand, maar had de Liefde niet, het baatte mij niets. De Liefde is lankmoedig, de Liefde is goedertieren, zij is niet afgunstig, de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwaad niet toe. Zij is niet blij over ongerechtigheid, maar zij is blij met de Waarheid1Cor.13: 3-6.

Over de geest van het verstandig onderscheiden weten wij al, dat niets hem zo volledig uitdooft als de eigenwil die het hart van de mensen afkeert en de ogen van het verstand sluit.
Daarom dienen wij, zoals al gezegd is, met de munt van onze eigenwil drie welriekende specerijen voor onze geest kopen:
het gevoel van medelijden
de ijver voor wat recht is en
de geest van het verstandig onderscheid.
Op dezelfde wijze bestaan er ook voor de tong drie welriekende specerijen, namelijk:
gematigdheid in het berispen,
welbespraaktheid in het vermanen en
doeltreffendheid in het overtuigen.
Wil je deze specerijen bezitten?
Koop ze dan van de Heer uw God.
Koop ze, zeg ik, juist zoals de vorige ‘zonder betaling’; je wint erbij zonder iets te verliezen.
Koop van de Heer gematigdheid bij het berispen, want
dit is een heel groot goed en een zeer goede gave en slechts weinigen bezitten haar.
Want de tong”, zo zegt de heilige Jacobus, “kan niemand  bedwingen. Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn. Met haar loven wij de Heer en Vader en met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Gods geschapen zijn: uit dezelfde mond komt zegening en vervloeking voort. Dit moet, mijn broeders, niet zo zijnJac.3: 8-10.

Je ziet veel mensen, die, ofschoon met een oprechte bedoeling bezield en welwillend gestemd, een lichte opmerking maken waaraan echter zwaar getild wordt. Eén woord vliegt heen en wij kunnen het niet terugroepen. Het had tot genezing moeten dienen, maar omdat het wat te scherp klinkt, verbittert en kwetst het nog meer.
Wanneer zich bij de onverschilligheid ook nog onbeschaamdheid voegt, neemt het ongeduld zelfs nog toe. “Weet dat de tijd nabij is. Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij zal  nog vuiler worden; wie rechtvaardig is, hij zal nog meer uiting geven van Rechtvaardigheid; wie heilig is, hij zal nog meer geheiligd wordenOpenb.22: 11, terwijl “hij zich van slechte woorden bedient om met uitvluchten zijn zonden te verontschuldigingenPsalm 140[141]: 4.
Als een waanzinnige wijst hij -niet slechts- de hand van [de Meester] de Geneesheer af, maar poogt er ook nog in te bijten. Verder zijn er velen, die geen rijkdom aan woorden tot hun beschikking hebben, maar in hun vergeefs zoeken naar woorden “het gevoel hebben dat hun tong aan hun gehemelte blijft plakken” en dus zwijgen” Ezech.3: 26.
Ook dat werkt een groot aantal keren bijzonder ‘schadelijk’ voor degenen, die als toehoorders een antwoord verwachten.
Anderen weer beschikken over een overvloedige rijkdom aan woorden, maar wat ze te zeggen hebben, valt minder in de smaak en wordt minder goed opgenomen. En omdat wat ze zeggen, geen aantrekkingskracht bezit, heeft het weinig uitwerking.
Je ziet, hoe noodzakelijk het is uw specerijen, namelijk
bescheidenheid bij het berispen,
welbespraaktheid bij het vermanen en
doeltreffendheid bij het overreden,
van de Heer te kopen die de Gever is van alle Goed en de bron is van alle Kennis;
      Want als de Heer, uw God tot u zal spreken, dan zal Hij u de mond openen en je zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heer der Heerscharen: ‘Wie horen wil, hore. En wie het nalaten wil, late het na’. Want zij zijn een weerspannig geslachtEzech.3: 27.

Koop daarom deze specerijen met de munt van uw schuldbelijdenis, dat wil zeggen: ‘belijd eerst uw eigen zonden, voordat je ertoe overgaat anderen van de hunne te zuiveren’.
Een groot en wonderlijk Mysterie is de opwekking van de ziel.
Zorg ervoor, dat je dit mysterie niet onrein benadert.
Indien je het niet in algehele onschuld kunt, of beter: omdat je dit niet kunt,
Was je handen met de onschuldigen: voordat je het altaar van de Heer nadert. Om het geluid van de Lofzang te horen, om Gods wondere daden te meldenPsalm 26[27]: 6,7.
Met de belijdenis van de zonden wordt alles afgewassen en deze reiniging word je in een zekere zin als onschuld aangerekend, zodat je te midden van de onschuldigen kunt staan.

Tot de heilige dienst op het altaar nadert niemand in zijn dagelijkse kleding, maar al wie wil naderen, dient zich eerst met Christus [een wit kleed] te bekleden. Wanneer jij je dus naar het altaar van de Heer spoedt, was je dan, bekleed je met Hem [trek een wit kleed aan] en bekleed je met het kleed van de Heerlijkheid, zodat er tot je gezegd wordt:
Gij bekleed U met luister en pracht, Gij omhult U met licht als een mantelPsalm 103[104]: 1;
want “Belijdenis en schoonheid zijn voor Zijn Aangezicht; heiligheid en pracht in Zijn heiligdomPsalm 95[96]: 6.
Dit alles wordt u hier voorgehouden om u allen ervan te overtuigen dat
de welriekende specerijen van de tong, namelijk
gematigdheid in het berispen,
welbespraaktheid in het vermanen en
doeltreffendheid in het overtuigen
met de munt van uw Belijdenis van zonden gekocht kunnen worden.

Wij hebben evenwel gelezen en ook in onze dagelijkse ervaring waargenomen, dat wanneer iemands levenswandel geminacht wordt, ook zijn prediking niet serieus genomen wordt. Laat dus ook de hand -haar eigen specerijen- aanschaffen, opdat de wijze niet de spot met ons drijft, om die reden wordt gezegd:“al heeft de luiaard zijn hand in de schotel gestoken, hij brengt ze niet eens aan de mond. Sla je de spotter, dan wordt de onverstandige schrander, tuchtig je de verstandige, hij zal er kennis uit puttenSpr.19: 24,25.
Anders zou degene die jij terecht wijst, kunnen zeggen:
        Indien gij u dan gelovige [christen] laat noemen, steunt op de Wet, u beroemt u op God, dat gij Zijn Wil kent, weet te onderscheiden waarop het aankomt, daar gij onderricht in de Wet geniet en u overtuigd houdt, dat gij een leidsman van blinden zijt, een licht voor hen, die in duisternis zijn, 
een opvoeder van onverstandigen en een leermeester van onmondigen, daar gij in de Wet de belichaming van de Kennis en van de Waarheid bezit, – hoe nu, gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet? Gij, die predikt, dat men niet stelen mag, steelt gij?  Die overspel verbiedt, doet gij overspel? Die gruwt van de afgoden, pleegt gij tempelroof? Die u op de Wet beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de Wet?Rom.2: 17-23

Je bindt namelijk zware en ondraaglijke lasten bijeen en legt ze op de schouders van mensen, maar zelf wil je ze met geen vinger aanraken conf. Matth.23: 4.
Ik zeg U: Een levend en werkzaam woord is het voorbeeld van een daad.
Het geeft onze christelijke bedoeling overtuigingskracht, omdat het aantoont dat
datgene waartoe wij aansporen, ook uitvoerbaar is.
Daarvoor heeft ook de hand haar specerijen nodig:
– zelfbeheersing van het lichaam,
– barmhartigheid tegenover een broeder en
– geduld in de godsvrucht.
Daarom zegt de Apostel: “      Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de Zalige Hoop en de Verschijning van de Heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, Die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid en voor Zich te reinigen een eigen Godsvolk, volijverig in goede werken. Spreek hiervan, vermaan en weerleg met alle nadruk: ‘niemand mag u verachten’Titus 2:11-15.

Deze drie,  zelfbeheersing van het lichaam, barmhartigheid tegenover een broeder en geduld in de Godsvrucht zijn voor onze levenswandel onontbeerlijk. De eerste zijn wij verschuldigd aan onszelf, de tweede aan onze naasten en de derde aan God.
Want “ degene, die ontucht bedrijft, zondigt tegen zijn ‘eigen’ lichaam1Cor.6: 18, want hij berooft het van een hoge eer, geeft het aan een angstwekkende en schandelijke ontluistering prijs en neemt een lidmaat van Christus om er een lidmaat van een ontuchtige van te maken” 1Cor.6:15.
Paulus leert echter tevens, dat men zich niet slechts deze verfoeilijke lust, maar van ieder vleselijk genieten dient te onthouden. Zoek dus vooral deze ‘volkomen zelfbeheersing’, die je aan jezelf 
schuldig bent; niemand is je immers zo nabij dan jijzelf. Voeg er vervolgens de goddelijke barmhartigheid aan toe die jij de naaste verschuldigd bent, want ‘met hem’ dien jij gered worden. Tenslotte ook nog het geduld dat je aan God verschuldigd bent, want door Hem moet je gered worden. “      Gij daarentegen hebt volle aandacht geschonken aan mijn onderricht, wijze van doen, bedoeling, Geloof, Lankmoedigheid, Liefde, Volharding, [in Christus] vervolgingen en lijden, zoals mij getroffen hebben te Antiochie, te Ikonium en te Lystra. Al die vervolgingen heb ik doorstaan en de Heer heeft mij uit alle gered. Trouwens, allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden. Maar slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger komen; zij verleiden en worden verleid. Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wel bewust van wie gij het hebt geleerd en dat gij van kindsbeen af de [Blijde Boodschap] Heilige Schriften kent, Die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het Geloof in Christus Jezus2Tim.3: 10-15. Daarnaast vergeet niet, dat het uw opdracht is: “      De zielen van de volgelingen te versterken en hen te vermanen om te blijven bij het Geloof en dat wij [slechts] door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods moeten binnengaanHand. 14: 22.

Zie er derhalve op toe dat je niet door gebrek aan geduld te gronde gaat, maar alles verdraagt voor Hem, Die het eerst veel ergere dingen voor jou doorstaan heeft en bij Wie jouw geduld niet zonder vrucht zal zijn, zoals ook de profeet zegt: “     Want niet ten einde toe wordt de arme vergeten: de verwachting van de ellendigen zal niet voor immer vergaanPsalm 9: 19

Deze drie welriekende specerijen voor de hand moeten wij met de munt van de volgzame onderdanigheid kopen. Want zij is het die onze schreden leidt en ons de Genadegave van een Heilige levenswandel verwerft. Wanneer wij immers in onze ledematen een tegenstrijdige Wet ten gevolge van de ongehoorzaamheid bespeuren conf. Rom.7: 23, wie weet dan niet, dat de gehoorzaamheid zelfbeheersing schenkt?
Het is ook deze deugd die de Barmhartigheid weet te ordenen en zij is het die geduld leert en schenkt. Ga met deze welriekende specerijen naar degene, in wie het geloof dood is.
Wij dienen hierbij te bedenken, wat voor een groot werk het voor ons is om zo iemand op te wekken, hoe moeilijk is het dan niet om slechts bij zijn hart te komen dat vergrendeld is door steenharde halsstarrigheid en schaamteloosheid?
Dan moeten ook wij, zo is het christelijke uitgangspunt, op dat moment zeggen:
Wie zal ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?Marc.16:13
Terwijl wij echter, zo door vrees bevangen, ervoor terugdeinzen om tot zo’n hart te naderen, wanneer wij voor een zo groot Mysterie aarzelen, gebeurt het zo nu en dan, dat Gods oor, vol Goedheid en Liefde zoals steeds, de voorbereiding van ons hart waarneemt en dat op Zijn Machtig Woord een dode tot het Leven verrijst/opstaat. En zie dan vervolgens, dat een engel des Heren met een ‘van vreugde stralend’ gelaat aan ons verschijnt bij de ingang van het graf en een zeker Lichtende Glans duidt de Opstanding aan. Men ziet duidelijk dat de trekken van zijn gelaat veranderd zijn. Hij stelt de toegang tot zijn Hart voor ons open, ja Hij roept ons tot Zich; hij wentelt zelf de steen van
zijn hardnekkigheid weg en gaat erop zitten.

schiermonnik

  Wanneer zó het Geloof weer tot Leven gewekt is, toont het ons zelfs de doeken waarin het eens gewikkeld was. Tegelijk laat het ons alles zien wat er zich vroeger in het hart afspeelde, het spreekt uit en belijdt hoe het zichzelf in het binnenste had begraven; en zijn lauwheid en nalatigheid erkennend zegt het: “Komt en ziet de plaats waar de Heer was neergelegdMatth.22: 6.
conf. lessen van broeder Romero [Hakvoort], de Schiermonnik

      Broeders, zusters ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik. Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de Wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Aan God zij dank door Jezus Christus, onze Heer! Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zondeconf. Rom.7: 18-26.

Hymne op paaszaterdag i.p.v. alleluia voorafgaand aan het Evangelie:
God staat in de goddelijke raad, in hun midden oordeelt Hij goden. Hoelang nog zult ge onrechtvaardig oordelen en zijt ge partijdig voor zondaars

Sta op, o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

Doe recht aan wezen en zwakken, wees gerecht voor seringen en armen. Verlos de behoeftige, bevrijd de arme uit de hand van de zondaar”.

Sta op, o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

  Zij weten niets en begrijpen niets, zij tasten rond in het duister. Alle grondvesten der aarde wankelen en worden geschokt”.

“ Sta op, o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

“ Ikzelf heb gezegd: gij zijt goden, allen zijt ge zonnen/dochters van de Allerhoogste. Toch zult ge sterven als mensen, als elk ander vorst zult ge vallen”.

“ Sta op, o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

Hymne paaszaterdag i.p.v. Cherubijnenlied:
Dat alle vlees nu dient te zwijgen en staande met vrees en ontzag, niets aards in het hart meer niet te denken. Want de Koning der koningen, de Heer der heersers nadert nu, als offer ter slachting, tot spijzen van de gelovige Christenen. Amen.
. . . . .
Voor Hem schrijden de Koren der Engelen, de Vorstendommen en de Machten, de Cherubijnen en Serafijnen, terwijl zij hun aangezicht bedekken en de lofzang jubelen: Alleluia, alleluja, alleluja
“.

Christus is verrezen
Hij is waarlijk verrezen

Heer, laat Uw Gemeenschap Zich altijd verheugen nu de oorsprong van de ziel is vernieuwd, zodat het [gelovige volk] dat
nu zijn vreugde vindt in het herstel van de Glorie van de geestelijke aanneming,
met vaste Hoop op – het Hemels Geluk in U –
uitziet naar de dag van de Verrijzenis.

Palmzondag – Orthodoxie & Lazarus zaterdag als voorfeest van Palmzondag [1]

Als Heer en Meester van het Leven, geeft Christus bevelen.

Het lijden van God is voor ons mensen niet te begrijpen, toch heeft God Zijn Zoon als mens tot ons gezonden en deze heeft als mens, het lijden op zich genomen. Strikt genomen betekent dit dat de mensgeworden God kan lijden en Hij doet dit inderdaad ook, maar God in Zichzelf niet. In het Oude Testament wordt, lang vóór de Incarnatie, over God gezegd: “Zij verwijderden de vreemde goden uit hun midden en dienden de Heer; toen kon de Heer de ellende van Israël niet langer aanzien” [Ri.10: 16].
Tevens worden God dergelijke woorden in de mond gelegd:
Is Efraïm Mij een lievelingszoon, een troetelkind, dat Ik, zo vaak als Ik van hem spreek, gedurig weer aan hem denken moet? Daarom is Mijn binnenste over hem ontroerd, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, luidt het woord des Heren” [Jer.31: 20]. En “  Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraïm, u overleveren, Israël? Hoe zou Ik u prijsgeven als Adma, u maken als Seboïm? Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt Mijn Erbarmen opgewekt. Ik zal mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen. Ik zal Efraïm niet verder verderven. Want Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden, en Ik zal niet komen in toorngloed” [Hos.11: 8,9].
     Indien deze passages een betekenis hebben, dan moet het wel deze zijn dat, zelfs voor de Incarnatie, God Zich onmiddellijk betrokken voelt bij het lijden van Zijn Schepping. Onze zorgen doen God verdriet; de tranen van God voegen zich bij die van de mens.
Een juist begrip van deze apophatische benaderingswijze [Grieks ”αποφασεις“ = ontkenning, die niet ontkent, maar gebruikt de ontkenning als afbakening van de verklaring om de waarheid van het Geloof of dogma van de fundamenteel onbegrijpelijk God te verduidelijken] zal er ons natuurlijk voor behoeden God zomaar menselijke gevoelens toe te schrijven. We mogen toch wel bevestigen dat: ‘De ware Liefde andermans lijden tot de zijne maakt’ – letterlijk tot mede-lijden. Wanneer dit waar is voor de menselijke liefde dan geldt dit zeker voor de Goddelijke Liefde. God is immers Liefde en Hij heeft de wereld immers geschapen als een liefdesdaad en omdat God ons persoonlijk nabij is, heeft Hij eveneens een persoonlijk medeleven en kan Hij onmogelijk onverschillig blijven tegenover de zorgen van de gevallen wereld.
Wanneer ik als mens onberoerd blijf door iemands angsten, in hoeverre hou ik dan wel echt van hem/haar? Hoe zou God het dan niet begaan zijn met de angsten van Zijn Schepping?

       Wij gaan dit weekend de grote en Heilige Lijdensweek in en worden geconfronteerd met de dood van een van de trouwste volgelingen van Christus. Vanaf hun eerste ontmoeting was Lazaros’ Geloof in Christus sterk ge­weest; zijn liefde voor Hem was innig, en hij was zeer geliefd bij de Heiland. Het was voor Lazarus, dat het grootste wonder van Christus werd verricht. De Heiland zegende allen die Zijn hulp zochten; Hij heeft de gehele mensheid lief, maar met sommigen is Hij door een bijzonder liefderijke omgang verbonden. Zijn hart was door een sterke band van genegenheid verenigd met het gezin in Bethanië, en voor één van hen werd Zijn grootste wonderwerk verricht.

“Waarlijk zalig zijn zij die het Woord Gods beluisteren,
het bewaren in hun hart en het onderhouden” Luc.11: 28.

      Er was iemand ziek, Lazarus van Bethanie, het dorp van Maria en haar zuster Martha. Maria was het, die de Heer gezalfd had met Myron en Zijn voeten met haar haren had afgedroogd. En haar broeder Lazarus was ziek. De zusters dan zonden Hem bericht: ‘Heer, zie, die Gij liefhebt, is ziek’. Toen Jezus het hoorde, zei Hij: ‘Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt zal worden. Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief.
Toen Hij dan hoorde, dat hij ziek was, bleef Hij daarop nog twee dagen ter plaatse, waar Hij was; daarna echter zei Hij tot zijn discipelen: Laten wij weer naar Judea gaan. ‘De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi, onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat Gij opnieuw daarheen? Jezus antwoordde: ‘Gaan er geen twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is’. Zo sprak Hij en daarna zei Hij tot hen: ‘Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken’.
De discipelen zeiden dan tot Hem: Heer, als hij slaapt, zal hij herstellen. Doch Jezus had het bedoeld van zijn dood; zij echter meenden, dat Hij het van de rust van de slaap bedoelde.
Toen zei Jezus ronduit tot hen: ‘Lazarus is gestorven, en het verblijdt Mij om u, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij tot Geloof komt; maar laten wij tot hem gaan’.
Thomas dan, genaamd Didymus, zei tot zijn medediscipelen: ‘Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’. Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag. Bethanië nu was dicht bij Jeruzalem gelegen, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. Vele uit de Joden waren tot Martha en Maria gekomen om haar te troosten over haar broeder. Toen nu Martha hoorde, dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, doch Maria bleef in huis zitten. Martha dan zei tot Jezus: ‘Heer, indien gij hier geweest zou zijn, zou mijn broeder niet gestorven zijn. Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert’. Jezus zei tot haar: ‘Uw broeder zal opstaan’. Martha zei tot Hem: ‘Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage’. Jezus zei tot haar: ‘Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat? Zij zei tot Hem: ‘Ja, Heer, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou. En na deze woorden ging zij heen en riep haar zuster Maria in stilte en zei: ‘Daar is de Meester en Hij roept u’. En toen zij dat hoorde, stond zij ijlings op en ging tot Hem; Jezus echter was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats, waar Martha Hem ontmoet had. De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende, dat zij naar het graf ging om daar te wenen. Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zeide tot Hem: Heer, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn.
Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar meegekomen waren, zag wenen, werd Hij verbolgen in de geest en diep ontroerd, en Hij zei:  ‘Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Here, kom en zie.     –  Jezus weende  -.
De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had! Maar sommigen van hen zeiden: Had Hij, Die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf? Jezus dan, wederom bij Zichzelf verbolgen, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan. Jezus zei: Neemt de steen weg! Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem: ‘Heer, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag’. Jezus zei tot haar: ‘Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?’.
Zij namen dan de steen weg. En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zei: ‘Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt’.
En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luide stem: ‘Lazarus, kom naar buiten!’.
De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden. Jezus zei tot hen: ‘Maakt hem los en laat hem heengaan’. Vele van de Joden dan, die tot Maria gekomen waren en aanschouwd hadden wat Hij gedaan had, geloofden in HemJohn.11:1-45.

Christus sprak tot de ziel: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ . . . . . en ‘maak hem [uit Liefde /Licht van God voor deze mens] los [van de zelf- en oorlogs-zuchtige dood] en laat hem heengaan!’.

Niet lang vóór deze gebeurtenis hadden de vijanden van Christus Hem beschuldigd van godslastering, en hadden stenen opge­nomen om naar Hem te werpen, omdat Hij beweerde de Liefdevolle Zoon van God te zijn. Zij beschuldigden Hem ervan, dat Hij wonderen verrichtte door de kracht van Satan. Maar hier beweert Christus, dat God Zijn Liefdevolle Vader is, en met een volmaakt vertrouwen in Zijn Liefde voor de mens verklaart Hij, dat Hij de Zoon van God is. In alles wat Hij deed, werkte Christus Liefdevol samen met Zijn Vader. Steeds had Hij ervoor gezorgd, duidelijk te doen uitkomen, dat Hij niet ‘op eigen [menselijke] Kracht werkte; door ‘Geloof en Gebed’ verrichtte Hij Zijn Goddelijke wonderen.
Chris­tus verlangde, dat alle kinderen Zijn verhouding tot Zijn Vader zouden kennen. “Vader“, zei Hij, “Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt”.
John.11: 41,42

Christus pleegt dus overleg met de Vader, doet niets op eigen houtje, uit eigen inzicht. Het belangrijkste is dat hierbij Zijn volgelingen en het gehele Israëlische Volk het meest overtuigende bewijs ont­vangen omtrent de Liefdevolle Verhouding die er bestaat tussen Christus en God. En tevens wordt hun/ons aangetoond, dat de bewering van Christus absoluut geen mis­leiding is; Hij is de Zoon van God, Die de mensen lief heeft.

Broeders en zusters,
Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem aangename wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur. Laat de broederlijke liefde blijven. Vergeet de gastvrijheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen onderdak bezorgd.  Denkt aan de gevangenen, alsof gij met hen gevangen zou zijn; aan hen, die mishandeld worden, als [mensen], die ook zelf een lichaam gekregen hebt. Het huwelijk dient bij allen in ere te worden gehouden en het bed onbezoedeld, want ontuchtigen en echtbrekers zal God oordelen.  Laat uw manier van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: ‘Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten’.
Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: ‘De Heer is mij een helper [Psalm 22[23], ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen’? Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; ‘let [vooral] op het einde van hun wandel en volgt hun Geloof na [en niet hun streken]. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid”. Hebr.12: 28 -13: 8

Opnieuw wordt de mens weer eens aangetoond dat hij/zij zich vrijwillig in liefde als christen met God dient aan te bieden en samen te werken met zijn naasten. De mens dient zich in te zetten voor de ander, min of meer te lijden voor de medemens. Lazarus wordt ontbonden en staat voor de schare, niet als iemand die uitgeteerd is als gevolg van een ziekte en zwak en wankel in de benen is, maar als een mens in de bloei van zijn leven, als een mens die zich op het hoogtepunt van zijn kracht bevindt. Zijn ogen stralen van begripsvermogen en liefde voor Zijn Heiland. Hij werpt zich in aanbidding aan de voeten van zijn Heer en Meester, Jezus Christus, de Verlosser.

En zij, die het als toeschouwers hebben gadegeslagen zijn aanvankelijk sprakeloos van verbazing, dan volgt er een onbeschrijfelijk toneel van vreugde en dankbaarheid. De zusters ontvangen hun broer terug in het leven als een geschenk van God en met tranen van vreugde brengen ze stamelend hun dank aan de Heiland onder woorden. Maar terwijl broeder, zusters en vrienden zich verheugen over deze hereniging, trekt Jezus Zich in gebed terug. Wanneer zij omzien naar de Leven-schenker, blijkt Hij onvindbaar.

God dringt er niet op aan noch wenst Hij, dat wij zouden treuren met pijn in ons hart; het is eerder Zijn wens dat wij, uit liefde tot Hem, in onze ziel vreugde en glimlach zouden kennen. Neem de zonde weg en tranen worden overbodig; want waar geen verwonding bestaat, is ook geen genezing [zalf] nodig.
Vóór de zondeval heeft Adam geen tranen gekend en zo zullen er ook na de Opstanding uit de doden, wanneer de zonde vernietigd zal zijn, geen tranen meer bestaan. Want pijn, zorgen en tranen zullen dan verdwenen zijn
”. Heilige Johannes Climacos

Bethanië [“Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen”] lag zo dicht bij Jeruzalem,[“Stad van Vrede”] dat het nieuws van de opwekking van Lazarus al spoedig naar de stad werd overgebracht. Door de spionnen die getuigen waren geweest van het wonder, kenden de Joodse leiders al spoedig de feiten;
die hadden geen behoefte aan Gods Liefdevolle bevrijding. Terstond werd een vergadering van het Sanhedrin belegd om te besluiten wat zij zouden doen. Christus had nu Zijn Goddelijke Macht over ‘dood en graf’ volledig aan de wereld getoond. Dat machtig wonder was het doorslaggevend bewijs, door God aan de mensen gegeven, dat Hij Zijn Zoon naar de wereld had gezonden om hen te redden.

Het was een Openbaring van de Kracht van God, die voldoende was om iedere geest die beheerst wordt door gezond verstand en verlicht geweten, te overtuigen. Velen, die getuigen waren/zijn van de Opwekking van Lazarus, werden tot het Geloof in Jezus gebracht.
Maar het wekte de haat van de priesters tegen Hem nog meer op; nu waren ze erg ongerust geworden hun Macht en betweterigheid werd aangetast. Zij dienden als geestelijk leiders de wijsheid in pacht te hebben, door een paar woorden van Christus was hun theorie omvergeworpen. Er was aange­toond, dat zij, zowel wat betreft de Schriften alsook de Macht van God, onwetend waren. Zij zagen geen mogelijkheid om de indruk die dit wonder op het volk gemaakt had, weg te nemen. Hoe kon men bewerkstelligen, dat mensen zich afwendden van Hem Die erin was geslaagd het graf van zijn dode te beroven?

Leugenachtige verhalen werden in omloop gebracht, maar het Godswonder kon niet worden ontkend, en zij wisten niet, hoe ze de uitwerking daarvan zouden kunnen tegengaan.
Tot dusverre hadden zij het plan om Christus ter dood te brengen, niet aangedurfd. Maar na de opwekking van Lazarus besloten zij, dat alleen door Zijn dood Zijn onverschrokken aanklachten tegen hen tot een einde ge­bracht konden worden. 
Zij hadden alle mindere aanwijzingen van Zijn Goddelijkheid verworpen en zij waren alleen maar woedend door dit nieuwe Wonder. De dode was in het volle daglicht opgewekt en in tegenwoordigheid van een schare van getuigen. Geen list zou een dergelijk getuigenis kunnen wegredeneren. Juist vanwege deze reden werd de vijandschap van de priesters nog dode­lijker. Zij waren meer dan ooit besloten om een einde te maken aan het Goddelijk Werk, de Verkondiging van de Blijde Boodschap van Christus.

Palmzondag – Orthodoxie & Lazarus zaterdag als voorfeest van Palmzondag [2]

Christus bij binnenkomst in de hoofdstad gezeten op een ezel

De enige triomf, die onze Heer en Verlosser -menselijk gezien- tijdens zijn verblijf hier op aarde heeft mogen ervaren was Zijn Intocht in  -ook de in onze tijd- beleefde Heilige stad Jeruzalem. In de voorliggende periode heeft Christus telkenmale afstand genomen -en heeft dit ook aan Zijn volgelingen voorgehouden- van enige vorm van pracht en praal.
Hij wilde dit niet en verlangde dit niet -het zat niet in Zijn Goddelijke genen- ; z’n moeder [Gods] zal net als de mijne verkondigd hebben, ‘doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’.
Ondanks Zijn afwijzende houding liet Hij -enige vorm van lof toe-, niet groots, niet met groot spektakel aangekondigd, maar eenvoudig omringd door Zijn volgelingen en de kinderen.
Hij liet toe wat de Profeet voorzegd had:
        Jubel luid, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning komt tot u, Hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een jong van een ezelin. Dan zal Ik de wagens uit Efraim en de paarden uit Jeruzalem tenietdoen, ook de strijdboog wordt tenietgedaan; en Hij zal de volkeren Vrede verkondigen, en Zijn Heerschappij zal Zich uitstrekken van zee tot zee, en van de Rivier tot de einden der aarde. Ook laat Ik ter wille van uw eigen verbondsbloed de gevangenen onder u vrij uit de put, waarin geen water is. Keert terug naar de burcht, gij gevangenen, die hoop moogt koesteren; nog heden verkondig Ik: ‘dubbel zal Ik u vergelding doen’. Want Ik span Mij Juda, op de boog leg Ik Efraim, en wek uw kinderen, o Sion, op tegen uw kinderen, o Griekenland, en maak u als het zwaard van een held. Dan zal de Heer hun verschijnen, en Zijn pijl zal als de bliksem uitschieten, en de Heer der Heerscharen zal de bazuin blazen en optrekken in zuiderstormenZacharia 9: 9-14.
Uiteraard wilde Hij dat het doel van Zijn missie openbaar zou worden; Hij is immers de Messias, de Koning en Verlosser van Israël en de Kerk.
De eenvoud van de Blijde Boodschap benadrukt vandaag alle Messiaanse elementen, de Palmtakken, het Hosanna, de uitroepen van blijdschap voor Jezus Christus, de Zoon van David en de Koning van Israël en Zijn Kerk.
Heel gewoon, in Zijn dagelijkse gewaad, Zijn werkkleding, zonder al te veel poespas – zo heeft Hij dit gewild, geen nieuwsgaring, geen ophef, gewoon heel eenvoudig op een ezel.

– Ezels zijn sobere, taaie, aanhankelijke, sterke, intelligente, voorzichtige en volgzame rijdieren. Ezels houden van aandacht; ze moeten met soortgenoten samen leven om zich prettig te voelen. Het is alsof Christus hier de biologische aanleg aangeeft, waarmee Hij Zijn Kudde op de juiste wijze verzorging geeft.

Israël God’s Volk

 

De geschiedenis van Israël wordt hierbij op deze dag voltooid, komt tot een einde en draagt bovendien de betekenis in zich, dat het Koninkrijk der Hemelen wordt aangekondigd. Om het doel van Zijn missie , de Blijde Boodschap van het Koninkrijk van God te openbaren, wordt ons -als proloog- de komst van de Messias  voorgehouden.
Omdat de Koning, Zijn Heilige Stad, Zijn Hoofdstad [als ’s-Gravenhage, Brussel & Luxemburg] binnenkomt vinden alle profetieën en verwachtingen hun vervulling in de persoon van Jezus, Christus, de Zoon van God.
Christus openbaart hier het Koninkrijk Gods op aarde, tussen ons mensen.
– Op Palmzondag brengen wij deze herinnering tot leven; door Palmtakken stellen wij ons gelijk aan de inwoners van het [Hemels] Jeruzalem; tezamen verwelkomen wij de Heer der Heerscharen, de Koning van Hemel en aarde.
Wij zingen luid: “Hosanna, gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heer [van God]”; ik vraag me daarbij af of iedereen hierbij in onze tijd wel de ware betekenis voor ons mensen herkent?
Het belangrijkste van wat hier plaatsvindt is onze eigen belijdenis, dat Jezus Christus, onze Heer en Meester is, Die komt ons  -hier en nu- verlossen van alle ongerechtigheden. We vergeten maar al te vaak dat het Koninkrijk der Hemelen, hier op aarde is – ‘onze Vader, Die
in de Hemelen zijt’ en niet zoals de vrijzinnigen het tegenwoordig formuleren; ergens in de Hemel [enkelvoud].
God is ons nabij, heel nabij op de rand van ons hart en wij zijn -door de doop- medeburgers van Zijn Koninkrijk en meer dan ooit belijden wij hier ons Geloof in Hem.

Lazaros, temidden van zijn zusters Maria en Martha

Laten we niet vergeten dat Christus werkelijk hier op aarde heeft rondgelopen en slechts een korte periode in de hoofdstad Jeruzalem. En in de icoon van Lazaros heeft Hij de mens in z’n algemeenheid als ware vriend herkent; in Lazaros herkent Hij iedere mens afzonderlijk – in deze stad Jeruzalem [volksetymologisch ‘woning door God bewoond, beschermd’ -‘stad van Vrede’] wordt de gehele mensheid/schepping door God omarmd.

⁌  In die korte periode dat Christus, de Zoon van de levende God, in Jeruzalem verbleef werd het lot van de gehele schepping bepaald – deze korte periode was beslissend voor de vervulling van de Goddelijke wens om via Zijn Zoon de mensheid te redden en hen mee te voeren naar het hernieuwde Paradijs, het Hemels Koninkrijk.

de sleutel tot bevrijding

Gedurende het voorbereidend proces wordt een begin gemaakt van de vervulling van Gods beloften aan Abraham, Izaäk en Jacob, hier wordt beslissend onthuld wat Gods bedoeling is met ons verblijf in het ondermaanse; het is de ‘finishing touch’ van alles wat God voor de mens heeft gemaakt; en vervolgens is het aan de mens wat deze hiermee doet. God houdt ons de deur naar bevrijding voor ogen, wij behoeven alleen maar -in positieve zin- te reageren.

Groot en Heilig Kruis boven de iconostase – Kerk van alle Heiligen, Stavrovouni, Cyprus

  In de komende week houden wij christenen onszelf deze korte tijd van Christus Triomf, die zo’n grote eeuwige betekenis heeft, voor ogen.
De Kerk, hoewel hier op aarde verdeeld, verkondigt het lijden, het Kruis en de Opstanding van Christus – zij getuigt ook in onze tijd van de Goddelijke achtergrond en eeuwige betekenis van Haar fundament. Christus zal uiteindelijk een oordeel vellen over degenen, die Hem ontkennen, omdat er geen ruimte voor hèn is in het Leven, waar Hij regeert, redt en verlost.

De mens ziet zwijgend en treurend toe hoe machthebbers en geld hun lot bepalen; kan z’n lot alleen in God’s handen leggen

  Wij weten tevens dat het gelovige volk, dat Hem bejubelt, slechts voor het moment is, want op de weg naar Golgotha, aan het Kruis en in het graf, zal Hij opgeofferd worden aan de Macht en het geld. Het menselijke door God ingegeven gevoel wordt opzij geschoven en Christus wordt genadeloos gedood; Hij, Die Leven schenkt wordt gedood om door Zijn offer, de mensheid te redden. De takken in onze handen bevestigen onze bereidheid en ons verlangen om Hem te volgen in Zijn offervaardigheid; geestelijk accepteren wij de weg van de opoffering en zelfverloochening als de enige koninklijke weg naar het Goddelijke Koninkrijk. Maar uiteindelijk verwelken deze takken en wordt de overwinning van Christus vergeten op het moment dat wij werkelijk met de keuze worden geconfronteerd; wij zijn maar mensen en niet in staat gebleken de aanvallen van de tegenstrever en de door God toegestane beproevingen te weerstaan. Maar wij weten dat Zijn Leven, welke Hij aan het Kruis voor ons heeft gegeven – voor ons eeuwig leven inhoudt.

‘Langs de weg in het veld staat het kruis alleen, want het is niet meer zoals voorheen.
Van iedere voorbijganger kreeg het een groet en ook van verschillenden een weesgegroet. Nu sta je daar geheel alleen te staan, wat hebben de mensen je toch voor kwaad gedaan?’.

Eeuwigheid wil zeggen: nooit eindigende vooruitgang, steeds voort-schrijdende progressie. Zoals J.R.R.Tolkien het formuleerde: ‘Wegen gaan steeds maar door‘. Dit geldt eveneens voor de geestelijke Weg, niet alleen in dit leven maar ook in de Komende Tijd, we gaan steeds verder en steeds voorwaarts, niet achteruit. De komende Tijd is niet enkel en alleen een terugkeer naar het begin, een herstel van de oorspronkelijke staat van volmaaktheid in het paradijs, maar het is een ‘nieuw’ begin. Er zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn, groter en mooier dan de vorige.
‘Hier beneden’ zegt kardinaal John Henry Newman, “betekent leven: veranderen en volmaakt zijn wil zeggen dat men vaak veranderd is“. Maar is dat enkel hier beneden het geval? De Heilige Gregorius van Nyssa geloofde dat er zelfs in hemelse volmaaktheid een groei zit. Omdat God oneindig is, is ook dit ‘streven voorwaarts‘ [επέκτασης, zoals de Griekse vaders het noemden] onbeperkt.
De ziel, die God ‘bevat’, blijft Hem toch maar steeds weer verdere zoeken; haar vreugde is volkomen en toch wordt ze altijd maar intenser. God komt ons steeds méér nabij en toch blijft Hij de Andere; wij aanschouwen Hem van aangezicht tot aangezicht en toch dringen we steeds dieper door in het Goddelijk Mysterie. Hoewel wij niet langer vreemdelingen zijn, blijven we toch pelgrims. Wij zijn onderweg “tot een steeds heerlijkere gelijkenis met Hem” [2Cor.3: 18] en dan tot nog grotere heerlijkheid.
Door Zijn dood heeft Christus de dood vertreden en zingen wij:

Apolytikon Palmzondag     tn.1
Als een belofte van de gemeenschappelijke Opstanding
hebt Gij voor Uw Lijden Lazaros uit de doden opgewekt, o Christus God.
En daarom mogen wij, evenals de kinderen, de symbolen dragen van de zegepraal
en tot U roepen als Overwinnaar van de dood:
Hosanna in den hoge: gezegend Hij, die komt in de Naam des Heren
”. 

Kondakion Palmzondag     tn.6
In de Hemelen gezeten op de Troon,
maar op aarde opeen lastdier,
hebt Gij, o Christus God,
de hymne der engelen en het gezang van de kinderen aanvaard,
die U toeriepen: Gezegend Hij, die komt, om Adam weer te roepen
”.

  • -Wanneer de Leraar in de Goddelijke Liefde Zijn knechten dient, hoeveel te meer zullen de slaven dan niet elkaar in liefde dienen? –

    Wìj zien op aarde de buitenkant; Gód kent de binnenkant. Wij zien de schijn, God ziet het wezen.

  • De Kerk neemt dikwijls de kleur aan van haar omgeving; op schrale grond is ook kerkelijk leven armetierig. In plaatsen waar van geslacht op geslacht vissers hebben gewoond, die ongevoelig werden, is de Kerk lijdelijk. Waar eeuw op eeuw de mens zich voor kou en vocht diende terug te trekken in hun huizen zijn de christenen meer naar binnen gekeerd, waar men altijd buiten leeft in Licht en Zon zijn de christenen meer naar buiten gekeerd. De beste gemeenschap is echter de gemeenschap, die ‘leeft’.
Catholicon, church of the Holy Sepulchre, Jerusalem

Wanneer staat een gemeenschap als goed bekend? Daarvoor bestaan wel enkele criteria; morgen- en avonddiensten zijn goed bezocht; de catechetische vorming vindt algeheel onthaal; het bestuur doet datgene waar zij voor staat [vertrouwen, rust en regelmaat]; de geestelijkheid krijgt het respect wat haar toekomt [niet te veel en niet te weinig] en het gezamenlijk overleg [de parochie-vergaderingen] worden goed bezocht. Wanneer de gemeenschap dan ook nog genuanceerd kan omgaan met verschillen [alles met de mantel der liefde wordt omringd], zou je kunnen spreken van een goede en levende gemeenschap. Komende week zal in iedere gemeenschap saamhorigheid noodzakelijk zijn – er is in de hoeveelheid aan diensten genoeg te doen; zie in alles wat je te doen staat de ‘verplichting’ ten opzichten van de Heer en Zijn Lichaam.
Voor de komende dagen zullen er wat betreft de deelname en de inzet overvloedige deelnames noodzakelijk zijn, hou je beschikbaar voor het geval men een beroep op je doet – aanwezigheid, inzet, schoonhouden, bloemen, kaarsen, financiële bijdragen en al wat niet meer.
We dienen als gemeenschap gewoon onze verplichtingen te kennen en ons niet onttrekken aan datgene wat van ons verwacht wordt. Dit dient eenvoudig het doel te zijn van onze deelname aan het komend kerkbezoek; op die manier bewaken wij de voortgang van onze heilige diensten en dat begint bij onszelf. Indien wij naar lichaam en geest onze gezondheid willen bewaken, dienen we ons leven dusdanig in te richten dat wij een ander geen aanleiding geven zich te ergeren aan ons gebrek aan inzet. Misverstanden over dit onderwerp zijn er velen en veroorzaken verdriet en teleurstelling, welke juist in deze tijd vermeden dienen te worden; oppervlakkigheid, onwetendheid kunnen teleurstellende calamiteiten voorkomen.

“Biecht, ‘God heeft de tijd’, wij niet!”.

Wees daarom op tijd met je afspraken omtrent biecht en laat dit niet op het allerlaatste moment aankomen, bereid je hier thuis al op voor, dan behoef je jezelf geen goedkope excuses te maken en ga je met respect om met je medemensen. De Kerk verwacht van haar gelovigen een goede voorbereiding en niet alleen dat jij je persoonlijk aan het vasten houdt.  Laat je hoogmoed in deze varen en steek de komende dagen de handen uit de mouwen, zodat de inzet niet van steeds maar weer dezelfde mensen afhankelijk is. Kom nu eens een half uurtje vroeger dan gewoonlijk, dan ontdek je als vanzelfsprekend wat voor inzet er noodzakelijk is; het voorkomt dat er misverstanden ontstaan en er geïmproviseerd moet worden.
Het laat van jou kant een bewuste mate van deelname zien, het kost je haast niets en het geeft inhoud aan je ziel. Wanneer je de komende periode op deze wijze aan de diensten deelneemt zul je ervaren dat God Zich werkelijk in je openbaart. Je doet namelijk wat je kunt, je stelt je beschikbaar naar datgene wat je aankunt, je geeft je over in Gods handen en als tegenprestatie zul je ervaren dat God verschijnt.

Orthodoxie & onderwijs

Orthodoxe Les

Luister, mijn zoon, naar de tucht van uw vader en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet; en een wijze zoon doet zijn vader zich verheugen, maar is hij een dwaas, dan is hij een bekommering voor zijn moederSpr.1: 8; 10: 1.

Zo worden onze zonen gewaarschuwd voor lichtzinnige vrouwen, die gladde praatjes hebben en wreed zijn. Bij zulke mensen dien je uit de buurt te blijven; al spreekt het boek spreuken niet over
mannen met gladde praatjes en hun slechte invloed op jongeren – want die kwamen in die tijd ook voor.
De nadruk van de kennisoverdracht is hier echter van man tot man, omdat de man het in de Joodse cultuur het voor het zeggen had en daar heeft de hiërarchieke structuur van de Kerk nog steeds last van. De negatieve stereotypes over de vrouw vliegen je om de oren, maar ik ken genoeg collega’s die voor de vrouwen niet onder doen. 
De verleidelijke man/vrouw wordt omschreven als een ‘lichtzinnig’ en ‘afgedwaald’ verachtelijk mens, die menigeen op het ‘verkeerde been’ heeft gezet. Dit soort personen onttrekken zich niet alleen aan de gemeenschap, doch bedreigen eveneens het bestaan van de Kerk. Zij hebben hun vroegere verbintenis [Verbond] verbroken en Christus’ onderwijs verlaten en daarmee ook God. “        Die de echtvriend van haar jeugd verlaat en het Verbond van haar God vergeet; want haar huis zinkt weg naar de dood, haar paden voeren naar de schimmen; niet een van allen die tot haar gaan, keert weer en zij bereiken de paden van het Leven nietSpr.2: 17-19.
Het is goed te beseffen dat spreuken uit de Blijde Boodschap altijd een onderliggende aanwijzing bevatten. Ze gelden niet alleen voor de specifieke situatie, die ze beschrijven, maar ze hebben ons veel méér te zeggen; –
‘pas op’-, dat ook jij niet afdwaalt van de Kerk en van de verbintenis, waarmee jij jezelf met Christus hebt bekleed. Ontrouw aan Chrisus’ Lichaam staat voor een gelovige gelijk aan ontrouw aan God. De lessen, die je hier voorgehouden worden gaan véél dieper dan jij denkt. Wijsheid staat hier voor jou als mens en staat direct tegenover het begrip dwaasheid.

Het thema van de boekenweek is ‘Verboden vruchten’; het lijkt haast een vrijbrief om ongegeneerd je gang te laten gaan en over overspel en verleiding als normaal te spreken. De begrippen ‘beproeving‘, ‘verzoeking‘ en ‘verleiding‘ liggen dicht bij elkaar. In het Grieks, de taal waarin het Nieuwe Testament oorspronkelijk is geschreven, worden deze begrippen zelfs met hetzelfde woord beschreven, [πειρασμός].
⁌ Elke beproeving is tegelijk een verleiding om een gelovige niet langer op God te laten vertrouwen, maar op z’n eigen kunnen, z’n eigen verlangens, eigen ideeën en vermogen. Terwijl de satan door beproevingen probeert jou tot zonde te verleiden, is het juist God’s uitgangspunt jou hier sterker door maken, doordat je in Zijn kracht leert te overwinnen na een innerlijke strijd.
⁌ Elke verleiding is daarmee tegelijk een beproeving, want het is een test waaruit zal blijken in hoeverre je toegewijd bent aan God. Het laat zien of je een geestelijke ruggengraat hebt; het is een test op de geestelijke kracht, die jij bezit. Verleidingen kunnen heel gevaarlijk zijn, omdat ze zich meestal richten op je zwakke plekken. De zwakke plekken vinden hun fundament in de hoogmoed, want het ontbreken aan deemoed, doet je opstaan tegen de Vaderlijke begeleiding van God.
Het WorldWideWeb van verleidingen welke volledig beheerst wordt door de satan en zijn trawanten speelt in op onze zelfzuchtige begeerten. Het is een ongelofelijk doortrapte en indringende, grote macht en zeker als westerse christenen zijn we blind, vaak stekeblind voor de macht die de satan via een verziekte maatschappij ook op ons uitoefent.
Christenen in landen met veel vervolging bidden voor gelovigen in het welvarende westen, omdat die ‘zó zwáár’ te lijden hebben onder verleidingen. Vervolgde christenen zijn ervan overtuigd dat hun eigen verdrukkingen minder bedreigend en minder dodelijk zijn dan de verleidingen waar vrije, westerse christenen aan blootgesteld worden.
En dan te bedenken dat de meeste christenen in de welvarende landen niet eens ‘dóór hebben’ dat ze grote problemen hebben, zo slim is de tegenstrever.
Via je zintuigen word je vaak geprikkeld om iets te doen waardoor je behoeften, verlangens, begeerten of hartstochten worden bevredigd. God heeft jou een vrije wil gegeven om zelfstandig keuzes te maken en de grote vraag is: hoe ga ‘jij’ om met die keuzevrijheid. Een verleiding zorgt voor een soort tweestrijd: ga je God gehoorzamen of volg je het dringende advies van je eigen ik? Ieder mens is zèlf verantwoordelijk om zondige begeerten te weerstaan. De satan heeft Adam en Eva niet naar de verboden vruchten aan de boom van kennis van goed en kwaad gelokt, maar ze waren er zelf naar toe gelopen en dat was een gevaarlijke misstap. Daar gaf de duivel zijn aanwezigheid niet aan als met een giftig bijtend klein slangetje, maar deed hij zichzelf poeslief voor als een schattig roodborstje of een lammetje uit eigen gelederen. Mensen, die gewend zijn aan verleidingen toe te geven, zijn nogal eens geneigd anderen erin mee te slepen, het moet toch wel kunnen, ach, één keertje kan toch geen kwaad. Bekend is dit bij mensen die verslaafd zijn aan roken, alcohol of drugs. Zij oefenen vaak groepsdwang op anderen uit om mee te doen.
Christus -en Christus niet alleen- velt een ongekend hard oordeel over mensen die anderen tot zonden verleiden; een grotere ontluistering is haast niet denkbaar. Christus laat tevens zien dat het verleiden van anderen een zwaar oordeel oproept, speciaal het verleiden van kinderen: 
En wie een van deze kleinen, die geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gedaan en hij in de zee was geworpenMarc.9: 42.
Bij het voorgaande kun je ook denken aan het verleiden van mensen die niet zo sterk in hun schoenen staan. Verleidingen vormen over het algemeen een groter gevaar voor iemands geestelijk welzijn dan beproevingen. Naar verhouding wordt er weinig aandacht geschonken om gelovigen te wapenen tegen verleidingen of om hen te helpen als ze ermee worstelen. Dat komt ook doordat mensen hun problemen met verleidingen meestal verborgen houden. Catechese heb ik niet nodig, dat is voor de ander, die net komen kijken; ik weet alles al, ik loop al langer mee. Het blijkt ook gemakkelijker om pastorale hulp te vragen bij beproevingen dan bij verleidingen. Beproevingen lijken je meestal te overkomen, terwijl een worsteling met verleidingen altijd een schaamtegevoel geeft. Daardoor vertel je het niet graag aan anderen als je er een probleem mee hebt. Toch is het juist zo belangrijk om ondersteuning te vragen voordat je erin vastloopt.

Wie de strijd niet schuwt, doet er goed aan zo nu en dan z’n uitrusting eens te laten inspecteren aan de hand van datgene wat de Apostel Paulus schrijft. In het laatste hoofdstuk van zijn brief aan de inwoners van Ephese wijst hij op de wapenuitrusting, waar alle vurige pijlen van de boze op afketsen. De uitrusting, die Paulus noemt is voor het overgrote deel bestemd voor de verdediging en beschutting.
⁌ Er is slechts één aanvalswapen bij: het zwaard van de Geest en dat is het Woord van God. Met dit aanvalswapen presenteert Christus Zich aan Zijn volgelingen: “Ik ben het tweesnijdend zwaard”. Dat zwaard heeft Christus in de mond: het is het symbool van Zijn tong, Die het Woord Gods spreekt.

Mijn docent aan de middelbare school was gewoon te zeggen:” Jongens, wanneer je last hebt van de tegenstrever, moet je één van de Psalmen gaan reciteren; daarvoor gaat hij op de loop”; ik kende dit al, want mijn moeder had mij geleerd een kruisteken te maken. De gehele hel gaat aan de haal voor de Psalmen van David. Soms gingen we onder de les boekhouden een lied zingen; daarmee leerde je dat we altijd christelijk dienden te rekenen. Je zit namelijk zo gauw naar jezelf toe te rekenen en de duivel kruipt maar wat graag in getallen. Ook getallen van kerkelijke begrotingen en balansen, vooral die op hoger niveau.
      Zou mijn ziel zich niet aan God onderwerpen, door Hem komt immers mijn heil. Ja, Hij is mijn God en Mijn Heiland en mijn steun; ik zal niet langer wankelen. Hoe lang stort gij u op een mens als op een hellende wand of een vervallen muur; gij zijt allen moordenaars. Waarlijk, zij zijn besloten mijn eer omver te halen; dorstig moest ik vluchten. Zij zegenden met hun mond, maar verwensten met hun hart. Mijn ziel, onderwerp u volkomen aan God, want van Hem komt mijn geduld. Ja, Hij is mijn God, mijn Heiland en mijn steun; ik zal niet verbannen worden. In God is mijn heil en mijn heerlijkheid; Hij is de God van mijn hulp, ik vertrouw op God. Vertrouw op Hem, gehele gemeenschap van de Kerk, stort uw hart uit voor Zijn aangezicht, want God is onze Helper. Waarlijk ijdel is het geslacht der mensen; bedrieglijk zijn de mensenkinderen. In de weegschaal blijkt hun onrecht, alle tezamen zijn zij ijdelheid. Stel geen vertrouwen op onrecht, haak niet naar plundering; wanneer rijkdom u toevloeit, zet uw hart er niet op. Eens en voor immer heeft God gesproken en twee dingen heb ik gehoord: dat de Macht toekomt aan God, maar evenzeer de Barmhartigheid aan U, o Heer; en dat Gij eenieder zult vergelden naar zijn werken”.
Psalm 61[62] vert. ROK ’s-Gravenhage
Met de Blijde Boodschap de duivel en zijn mallemoer bestrijden is geen magie, iets wat betoverend is; zo bedoel ik het ook niet – een tekst is geen toverspreuk. Maar wie stonden er ook weer letterlijk in hun hemd, toen ze dat probeerden:
      En ook enige van de rondreizende Joodse geestenbezweerders waagden het over hen, die zulke boze geesten hadden, de Naam van de Heer Jezus te noemen met de woorden: Ik bezweer u bij de Jezus, die Paulus predikt. Het waren nu zeven zonen van een zekere Skevas, een Joodse overpriester, die dit deden. Maar de boze geest antwoordde en zei tot hen: Jezus ken ik en van Paulus weet ik maar wie zijt gij? En de mens, in wie de boze geest was, sprong op hen af, overweldigde hen tezamen en bleek zoveel sterker dan zij, dat zij zonder kleren en gewond uit 
dat huis moesten vluchten. En dit werd bekend aan allen, Joden en Grieken, die te Ephese woonden en vrees overviel hen allen en de Naam van de Heer Jezus Christus werd grootgemaakt; en velen van hen, die gelovig geworden waren, kwamen hun schuld belijden en uitspreken wat zij bedreven hadden. En enigen van degenen, die toverkunsten hadden uitgeoefend, brachten hun boeken bijeen en verbrandden ze ten aanschouwen van allen. En men berekende de waarde ervan en stelde die vast op vijftigduizend zilverstukken. Zo wies het woord des Heren krachtig en het werd sterkerHand.19: 13-20.
De duivel heeft een imitatie-zwaard, hij gebruikt de Blijde Boodschap immers ook en soms ook de geestelijkheid. Wanneer een geestelijke op geld belust is en zich voor zijn diensten [als duiveluitdrijving] rijkelijk laat belonen, klopt er iets niet. Hier wordt zwart gespeeld, terwijl God speelt met ‘openlijk’ witte stukken, iedereen mag de boeken controleren. De duivel gebruikt precies dezelfde woorden als God. God heeft gezegd, dat de engelen ons zullen bewaren, maar de duivel zei dat ook . . . . . om onze Heer Jezus Christus te verzoeken.
Wij kunnen er zeker van zijn, dat in de hel door theologisch geschoolde demonen hard wordt gewerkt aan een korte verklaring van de Blijde Boodschap en aan wetenschappelijke commentaren. De duivel zet de teksten over de verkiezing op de plaats van roeping; hij behandelt het goddelijk geduld onder het dogma der bekering en schrapt daar: “Héden, zo gij Zijn stem hoort, verhard u niet”. Naar aanleiding van de geboden aan Mozes schrijft hij :” de verborgen dingen zijn voor de Heer, onze God” en op de voorpagina van de catechese: “Die geloven, haasten niet”.
“Vreest niet” [voor God] wordt bij de tegenstrever:”Vreest niet voor de zonde!” Er is in de hel een theologische opleiding, waar met scherp intellect aan geloofsleer wordt gewerkt en waar de namaakzwaarden worden geslepen.

lieflijk roodborstje als twitter-‘demon’.

Dat er in onze tijd een ontzettend gebrek is aan bijbelkennis, behoeft geen uitvoerig betoog – godsdienstles is verworden tot maatschappelijke vaardigheden; de middelbare school tot een samenraapsel van  pretpakketten en het bijzonder onderwijs groeit naar het openbare, vrijzinnige.
Wij kennen de Blijde Boodschap niet meer in z’n grote verband. Allerlei waarheden worden verwrongen  en wij bekommeren ons niet omtrent de gevolgen. Bij veel christenen houdt de kennis over hun religie op bij de hoofdfeesten, Pasen en Kerst en dat alleen voor zover zij nog geen Paasbrood en eieren of Kerst-stol mogen nuttigen. Carnaval heeft wèl de volle aandacht, want in die periode worden alle grenzen van het genot oerschreden. Wij strijden niet meer met het zwaard van de Heilige Geest, door dagelijks tenminste tienminuten de teksten van de Blijde Boodschap tot ons te nemen, maar storten ons op het nieuws en het weerbericht, waar we al de ellende van de wereld over ons heen krijgen. De verdieping in Gods Woord leert ons niet alleen dat er in Gods Vaderhuis vele woningen zijn, maar leert ons tevens de geschiedenis der mensheid kennen met haar talloze duistere lanen en afwijkende zijpaden. Christus weet waar wij verblijven en ook de gevaarlijke situaties waarin wij ons bevinden. Het hoofdkwartier van de tegenstrever ligt vlak naast de kerk, we leven niet alleen in het jachtgebied van de duivel, maar bevinden ons in het hol van de leeuw. Als de kerkklokken luiden, ontwaken de duivelen: met de geestelijkheid glipt er iedere zondag een optocht tegenstrevers vanuit de hel door de kerkdeur. Dan is het zo fijn wanneer wij onze land-, geestgenoten ontmoeten en dienen dringend al de wetenswaardigheden uit te wisselen. De duivel verlicht de hel als de hemel, doet zich voor als een figuur uit Disneyland; pas als we verloren zijn, draait hij de knop om en blijken we in een hel terecht gekomen te zijn. Voor slechts weinige mensen is de donkere kant van het leven een dagelijkse verzoeking; er zijn echter ook christenen voor wie allerlei duistere gelegenheden helemaal geen verzoeking zijn; ze lopen met een grote bocht om de duivel heen. Met zelfhandhaving en pijnlijke herinnering, wrok kan een duivel ons beïnvloeden, terwijl we bezig zijn christelijke teksten te formuleren. Ook uw schrijver is hier niet van ontheven, de stinkende hete adem komt ook langs hem strijken. Pilaarbijterij [schijnheiligheid] is niet minder demonisch dan zwijnerij; alleen het eerste wordt minder gemakkelijk als je het/hem niet verduvels goed onderkent . . .

Het zou goed zijn als de biechtvader na de absolutie onder het orarion met een lach om de mond zou afsluiten met: “Welkom in de strijd!”.  De christen staat immers altijd en in elke situatie aan het front – tussen hemel en aarde: in het kerkgebouw en aan de bestuurstafel – niemand is van verleidingen en dwalingen vrijgesteld.
Tot U, Heer, verhef ik mijn ziel: mijn God, ik vertrouw op U, laat mij niet beschaamd staan in eeuwigheid.
            Heer, gedenk Uw ontferming en Barmhartigheid, die van eeuwigheid zijn“.