Orthodoxie & Mens durf te leven

Mensen hebben mensen nodig om mens te zijn; de ont-Goddelijking van deze wereld leidt altijd tot een ont-menselijking.
Een mens zonder liefde verwordt tot een monster, jaagt anderen angst aan, de meesten verachten dit niet.
Deze mens verwordt tot een gevoelloze nietsontziende ambtenaar, die als ware hij/zij een robot slechts de regeltjes  uitvoert.
De mens is géén naakte aap, noch is het tot een veredeld heiligdom gedoemd,
om slechts volgzaam anderen te volgen.
Ten diepste verlangt elk mens omhelsd te worden door zijn Vader als  de verloren zoon en is aanspreekbaar als de door God geroepene.
De mens die in afzondering leeft, leeft zonder meer als een zonderling, maar zal er beslist z’n eigen bedoelingen mee hebben, hij/zij zoekt de hoogste hoogten.
De Übermensch in de wereld, die zich verheft boven de anderen roept altijd maar weer opnieuw als tegenhanger de onderdrukte op.
De mens is als gevolg doorgaans geneigd tot het goede, maar heeft tevens een donkere kant wanneer hij zich losmaakt uit  z’n relatie met God en z’n naasten.
Onder de mensen zijn meer profiteurs die profiteren dan Profeten die profeteren; zij zijn tot een zwijgende, niet-reagerende meerderheid verworden, die via een afstand tot de naaste en een cultuur slechts toekijkt.
De mens is geen machine waar als vanzelfsprekend vreugde, geluk en vrolijkheid uit voortkomt – je dient je daar voor ìn-te-zetten. Mensen vragen niet meer “wat zijn je beweegredenen?”, maar “ hoe voel je je nu?”; de moderne mens zegt ” -Ik voel, dus ik ben-”. Wie zichzelf onbenullig vindt, geeft zichzelf een te laag cijfer en cijfert zich weg tot voordeel van degene, die zich over z’n rug verheft.
Een mens is geneigd tot een gulzige levenshouding, wanneer hem/haar niet geleerd is te minderen en in z’n lust naar alom heersende hang naar lust en genot, loopt hij tegen de klippen op en zichzelf voorbij.
Medemensen zijn evenmensen en treden niet op de voorgrond; de meeste van ons zijn in het intermenselijke verkeer vaak tegenliggers, die anderen trachtten te verblinden door onszelf te verheffen. Wij zijn verslaafd aan zelfmedelijden, onze ik-zucht, hebzucht, eerzucht en genotzucht en dienen ons anderszins te ontwikkelen door ons in de liefde tot onszelf en elkaar zien te komen.
Op het gebied van de naastenliefde ervaren we een hellend vlak, waar we wat onszelf betreft trachtten we te ontlopen. Wij ervaren dat wij reinigers zijn naar een onbekende bestemming, maar wanneer we een bestemming aangereikt krijgen gedragen wij onszelf alsof we misleid worden en gaan geleidelijke vooruitgang uit de weg. Wij reageren slechts verstandelijk en wanneer wij de Waarheid dienen te ervaren overvalt ons een lelijk-eendje-gevoel; een geestelijk aangetast gevoel van eigen waarde; toch heeft onze Schepper ons boven de engelen gesteld.
Mensen zijn wat dat betreft als ijspegels, die weliswaar warmte bij elkaar zoeken,  maar o wee, wanneer je te dichtbij komt; dàn hebben we veelal lange tenen en meestal ook een scherpe tong.
Wanneer het over het hart gaat, lopen we direct naar een cardioloog in plaats van rust te nemen en je tot de Schepper te wenden
– dat doen we pas wanneer er helemaal geen redden meer aan is en we op het randje van onze mogelijkheden staan, geen uitweg meer weten.
Zelfonderzoek is wat ons mensen vreemd is, we rennen liever de grote mensenmenigte na en vergeten dat wij ook op goddelijke inzichten blind kunnen varen.
Zoals je in de achterafstraatjes van een mensenleven valse geesten tegenkomt,  worden we omgeven door valse bankbiljetten, waar bloed aan kleeft en we maken er [ook als kerk] maar al te graag gebruik van; we verbergen ons heimelijk onder zwart-witte camouflagekleding van een keurig leven.
Wij hebben telkens een bemoediging nodig en om de moed niet te verliezen verbergen onszelf achter onze negatieve motivatie, die kan leiden tot uitputting.
We hebben behoefte aan een geestelijk fundament, maar wanneer we ons op dat gebied succesvol dienen te gedragen zijn we toevallig niet thuis; het komt ons nimmer gelegen.
Veel succesvolle mensen zijn geestelijk zo van zichzelf vervuld en betrokken als hun juist geleegde papier-bak, zijn niet genegen energie buiten hun vriendenkring te besteden; voor hen is het aardig om slechts ‘belangrijk’ te zijn.
In plaats van elkaar tegen te werken is het voor een mens echter véél meer van  belang om aardig te zijn, want door gemeenschap met eenieder wordt de gehele wereld overwonnen.

Hoe ziet de wereld van God er uit? door Giovanni di paolo

1.]. Voorvader Adam werd de rauwe wereld ingestuurd samen met z’n metgezel Eva, nadat zij zich beiden door van de boom te eten bóven God hadden gesteld. Deze hoogmoedige daad werd hen tot zonde aangerekend en zij hebben er tot op de dag van vandaag spijt van.
2.]. De Heer heeft daarop de profeet Noach, met de onbewuste Schepping gevrijwaard van de ondergang en hen als teken de regenboog gesteld, als teken van Zijn Verbond met de mensheid, haar nageslacht en met alle levende wezens. Wanneer wij de boog in de wolken zien verschijnen, dienen wij niet te denken aan een mogelijke pot met goud, waar zij de aarde treft, maar aan het eeuwigdurende Verbond tussen God en al wat op aarde leeft:
Zie Ik richt Mijn Verbond met u op en met uw nageslacht en met alle levende wezens. Als Ik de boog in de wolken zie verschijnen, zal Ik denken aan het eeuwigdurende verbond tussen u en al wat op aarde leeftGen.9: 16. Zoals de regenboog de aarde omspant, zo omspant Gods Trouw de wereld, Die trouw heeft God vastgelegd in het Verbond met  Noach.

Belofte aan Abraham

3.]. Onze Voorvader Abraham is door het Geloof uitgegaan uit zijn land en heeft uitgezien naar de vervulling van Gods belofte. In zijn nageslacht  zou de hele wereld gezegend worden. In de geboorte van Isaäk heeft hij daarvan al de voorlopige vervulling gezien.
4.]. De profeet Joseph werd uit de put gehaald, waarin hij door z’n broeders werd verkocht en God liet hem in Egypte volgroeien tot Farao’s hoogte, waarop
5.] De ogen van profeet Jaäcob, later ook Israël genoemd [volgens de Traditie de derde aartsvader na zijn grootvader Abraham en vader Isaäk] konden weer zien, waardoor hij zijn zoon Joseph herkende. God had hem [Israël] gezegd: “Ik ben God, de God van uw vaderen. Wees niet bang om verder te reizen naar Egypte, want ik zal daar een groot volk uit je doen voortkomen. Ikzelf zal met je meereizen naar Egypte, en ik zal je daar ook weer vandaan brengen. En niemand anders dan Jozef zal jou de ogen sluiten”.
De geschiedenis van Joseph  de brug tussen de verhalen van de aartsvaders Abraham, Isaäc en Jaäcob aan de andere kant het latere verhaal over het slavenvolk Isräel in Egypte. Ze horen toch in Kanaän, dat is toch het land van belofte? Hoe zijn ze dan terechtgekomen in Egypte?
6]. De profeet Mozes heeft de Joodse Volk met God verbonden en hen van Egypte, het land van ellende naar het beloofde land geleid, waardoor ze bevrijd werden van onderdrukking en slavernij.
7.]. De Profeet Isaiah draagt in zijn naam [Yeshayahoe, de Hebreeuwse naam], niet alleen materiaal van hemzelf, maar ook van latere leerlingen. Hij was gehuwd en had twee zonen die allebei een symbolische naam droegen: ‘Maher-Salal Chas-Baz‘ [haastige roof, spoedige buit, Isaiah 8: 1-4] en ‘Sear-Jasub‘ [een rest keert weer, Isaiah 7: 3].
Deze twee namen vormen als het ware een samenvatting van wat Isaiah te zeggen had: hij voorspelde de verovering en verwoesting van Jeruzalem, maar zag ook hoop voor de tijd daarna. Een kleine rest van het Volk zal overblijven en een hernieuwd Godsvolk vormen, onder een ideale koning uit het huis van David. Daarnaast protesteerde Isaiah ook tegen allerlei godsdienstige en sociale misstanden in het beloofde land van zijn tijd.

Profeet David, zoon van Jesse, bidt . . . . .

8.]. De Profeet David liet ons naast de lofzangen, de boetepsalm na, waarin hij zijn berouw toonde over z’n begane zonden.
9.]. De Profeet Job werd beproefd en door zijn standvastig Geloof werd hij genezen van zijn ziekte.
10.]. De Profeet Jeremia maakt het volk duidelijk dat de oorzaak van de problemen niet bij God ligt – hij roept het Volk op hun manier van leven te veranderen. Hij laat ook zien dat het onvoldoende is dat de tempel en de eredienst aldaar goed draaien – er is meer nodig om Gods hulp te verkrijgen, zij dienen op een rechtvaardige manier met elkaar om te gaan. Hij heeft de godsdienstige en politieke ontwikkelingen van z’n tijd goed gevolgd; hij gaat in tegen de spelleiders [priesters en koningen van het Volk]. Zelden luisteren ze naar hem, isoleren hem en voeren hem tegen zijn wil in naar Egypte, waar hij vermoedelijk is overleden.

Jonah, de vis’ model voor de diepten, waarin de mens ten onder gaat

11.] de Profeet Jonah [Hebr. ‘duif’] overleefde drie dagen in de buik van een vis. Hij vertegenwoordigt het verhaal van de leer van het vermogen om zich te bekeren en door God te worden vergeven.
Jonah is het hoofdpersonage in het gelijknamige boek, waarin de Heer hem gebiedt naar de stad Ninevé te gaan om daar tegen te profeteren “want hun grote verdorvenheid is voor mij opgekomen”, maar Jonah probeert
in plaats daarvan te ontkomen.
In het tweede Verbond noemt Christus Zich “méér dan Jonah” en houdt de Farizeeën “het teken van Jonah” voor, dat is Zijn Opstanding. Vroeg-  christelijke gelovigen zagen Jonah als een type voor Jezus Christus, onze Verlosser. Bewonderen wij niet de volmaaktheid van onze gezegende Heer?
Met Zijn Liefde, Zijn tederheid, Zijn vermogen om te verdragen wat er ook op Zijn weg kwam, is niets te vergelijken. Toch ervoer Hij het menselijk ongeloof, dat er de oorzaak van was, dat zij niet wisten hoe ze door zich afhankelijk van God op te stellen en door zelfverloochening gebruik konden maken van de Macht, waardoor de tegenstrever uit zijn bouwwerken geworpen kan worden!
Wie echt de behoefte heeft om te vasten, die zal dat ook doen en degenen, die dat niet kunnen opbrengen zullen er niet toe worden gedwongen. Vasten is immers het jezelf open stellen tot God, de Vader, dit heeft onze Heer Jezus Christus ons zo geleerd en niemand heeft Hij daartoe gedwongen.
De Heer der Heerscharen zorgt ervoor dat een plant [Hebr.
קיקיון een kikayon, wonderolieboom een snelgroeiende plant, die na enkele jaren een hoogte tot 13 meter kan bereiken] over Jonah’s schuilplaats groeit om hem wat schaduw van de zon te geven. Later veroorzaakt de Heer dat een worm de wortel van de plant bijt en deze verdort. Jonah, nu blootgesteld aan de volle kracht van de zon, wordt zwak en smeekt Jahweh hem te doden.

Wonderolieboom

      God vroeg Jonah: ‘Ben jij terecht vertoornd over de wonderboom?’.
En hij antwoordde: ‘Terecht ben ik vertoornd, ten dode toe’.
Daarop zei de Heer: Jij wilde de wonderboom sparen, waarvoor jij jezelf geen moeite hebt gegeven en die je niet hebt doen groeien, die in een nacht is ontstaan en in een nacht is vergaan.

vrucht van de kikayon – de wonderolieboom

Zou Ik dan Ninevé niet sparen, de grote stad, waarin meer dan honderd- en-twintigduizend mensen zijn, die het onderscheid niet kennen tussen hun rechterhand en hun linkerhand, benevens veel vee?’Jonah 4: 9-11.

Het heeft velen getroffen wat de beroemde theoloog en verzetsman Dietrich Bonhoeffer over de wraakpsalmen schreef.
Het gaat niet over Bijbelse plaatsen, of het moest die cel zijn in Flossenburg van waaruit hij in het laatste uur van zijn leven werd weggeroepen door de commandant om opgehangen te worden:
Gefangene Bonhoeffer, mitkommen !”.
Hij nam één van zijn vrienden terzijde en antwoordde: ”Dit is het einde, voor mij het begin van het nieuwe Leven”.
In al de wraakpsalmen wordt het oordeel van God afgesmeekt over de vijanden en belagers van de psalmist. Wat we daar lezen over de vijanden van de psalmist klinkt niet zo vriendelijk:
In hun mond is geen waarheid: hun hart is lichtzinnig. Een open graf is hun keel, zij plegen bedrog met hun tong” Psalm 5: 10. De dichter bidt vervolgens: “Oordeel hen God, doe hen vallen in hun plannen. Verstoot hen om hun talrijke misdaden, want zij hebben U getrek, O Heer”. De psalmdichter – en meestal is dit David – roept het Godsgericht op over Gods vijanden.  Hoe kan dat nou?
Jezus heeft toch gezegd dat we onze vijanden dienen lief te hebben, maar Hij heeft in Zijn Traditie de wraakpsalmen gebeden of Hij die vijanden wilde straffen. Hebben we hier niet  te maken met een heel groot probleem, met een theologische dwaling en nog wel in de Blijde Boodschap?
Christus bidt aan het kruis voor zijn vijanden. Maar kunnen we de wraakpsalmen en het gebed van Jezus dan nog wel serieus nemen? Wordt het niet hoog tijd dat we ook de wraakpsalmen maar dienen te gaan schrappen uit ons psalterion?, die passen toch niet meer in onze tijd? Kunnen wraakpsalmen vandaag de dag nog wel verstaan worden als een gebed van onze Heer Jezus Christus en een oproep tot Gods wraak?
We mogen ons zelf toch niet wreken?
Allereerst dienen wij hier vast te stellen dat het hier niet gaat om persoonlijke wraak. De vijanden waarvan hier immers sprake is, zijn vijanden van God en van de zaak van God, het gaat om het uitbannen van de tegenstrever.
Het gaat de dichter en degene die de Traditie volgt zeker niet om persoonlijke wraakgevoelens; het is niet de wraaklust die Christus in z’n gebed drijft.
Christus toont dat de wraak ten-opzichte van de tegenstrever van de mensen aan God overgelaten dient te worden.
Het gebed om de wraak van God is het gebed om de voltrekking van Gods Gerechtigheid en Zijn uiteindelijke Gericht over de zonde. Wij zijn hierbij echter niet slechts toeschouwers; we kunnen en mogen geen standpunt innemen: Laat het Gericht van Uw heilige toorn maar als een bliksem inslaan bij al die smeerlappen en slechte mensen.
Echter Gods wraak is gekomen; Zijn gericht is voltrokken; Het vuur van Gods toorn is ingeslagen. Waar?
Op Golgotha. Meestal zeggen we: het gaat in de wraakpsalmen om wat er tenslotte, in de toekomst zal plaatsvinden – hetgeen ons in de Blijde Boodschap met zoveel woorden in duidelijke taal is voorzegd. In het eindgericht zullen al Gods vijanden ten onder gaan in het uur en in het vuur van het goddelijk gericht.
Zij wel en wij niet”, want wij [Orthodoxe Christenen] behoren immers niet tot de vijanden van God.
In het geheel niet, want de Blijde Boodschap zegt tevens dat niemand aan dat gericht kan ontkomen; we dienen allemaal voor de rechterstoel van Christus, de Zoon van God te  verschijnen.
Maar met die boodschap dien je niet aan te komen in deze tijd, waarin alles nadrukkelijk en vooral de het ’openbare werk’ de eredienst van het volk – waar voor het oog van de wereld ‘de buitenkant’ wordt vertoond en daarvoor God als Liturg [‘sponsor’]  heeft dient schoon, helder en sprankelend ‘soft’ over te komen. Dat er op de achtergrond zaken spelen, die het daglicht wel eens niet kunnen verdragen en dat er vooraleerst men begint ‘vergeving’ aan allen voor de misdaden gevraagd dient te worden, wordt veelal vergeten – het Kyrië eleïson klinkt immers zó ‘mooi’. De gelovigen zouden immers gillend wegrennen wanneer zij geconfronteerd worden met de werkelijke betekenis van de woorden, die in de Goddelijke Liturgie aan de mens worden voorgehouden – daarom is het maar goed dat we kunnen wegzwijmelen bij de Kerk-slavische, Oud-Griekse, Latijnse teksten, die toch geen hond verstaat.
Toch zijn we allemaal vijanden van God en ontkomt niemand – ook de spelleiders niet aan het Laatste Oordeel, wat ons allen te wachtten staat.
Maar als besluit de uiteindelijke tekst van de Blijde Boodschap: Gods wraak trof niet de zondaar, maar de enige Zondeloze, Die in de plaats van de zondaar is gaan staan: Jezus Christus, de Zoon van God, onze Verlosser.
Hij en Hij alleen droeg de wraak van God om de voltrekking waarvan de psalmist heeft gebeden; Hij alleen stilde Gods toorn over de zonden van de mensen.
Hij alleen bad in het uur waarin dat goddelijk gericht aan Hem werd voltrokken voor zijn vijanden: “Vader vergeef het hun, ze weten niet wat ze doen”.
God vonnist Zijn vijanden door hun straf aan de enige Rechtvaardige te voltrekken, waardoor wij van vijanden, vrienden van God mogen worden.
Wij mensen zijn per slot van rekening allemaal vijanden van God. Maar zoals alle offers in het Oude Verbond plaatsvervangend waren, zo is ook het grote offer van Jezus Christus plaatsvervangend.
Hij gaat onder het Gods gericht ten onder en Hij alleen bidt voor de vijanden van God om vergeving.

Bewogen woorden

Alleen aan het kruis van Jezus Christus, onze Heer en Verlosser is de Liefde van God te vinden. “Vader vergeef het hun, ze weten niet wat ze doen”, Hij richt zich daarbij tot mensen die moe zijn van het leven onder het juk van hun eigen zonde. Zij, die verdriet hebben, niet in de eerste plaats over de zonden van anderen, maar over zichzelf. Daarom zegt Christus tot de mens, die Hij tot Zich roept: “      Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;  neemt Mijn Juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn Juk is zacht en Mijn Last is lichtMatth. 11: 28-30.
Het zal ons nu duidelijk zijn alle wraakpsalmen leiden naar het Kruis van onze Heer Jezus Christus en naar de vergevende liefde van de vijanden van God; aan iedereen zijn wij mensen liefde verschuldigd.
    Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben; want
wie de ander liefheeft, heeft de Wet vervuld.
Want de geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan,
gij zult niet stelen, gij zult niet begeren en welk ander gebod er ook zij,
worden samengevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom
is de liefde de vervulling van de Wet

Rom.13: 8-10;
Want de gehele Wet is in één woord vervuld, in dit:
gij zult uw naaste liefhebben als uzelf
” Gal..5: 14.
 doe dit evenzo en je zult leven

Mens, naastenliefde is op billijkheid gebaseerd.
    En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen,
doet gij hun evenzo
Luc.6: 31;
Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen,
doet gij hun ook aldus: want
dit is de Wet en de profeten
” Matth.7: 12.
Zij die werkelijk God’s kinderen zijn en die Hem liefhebben, die Hem in zichzelf bezitten als een onschendbare schat van al het goede, ontvangen overeenkomstig de Bergrede de gekwetsten en de vernederden met een onuitsprekelijke vreugde en geluk. Zij verdubbelen de liefde en de oprechte liefde voor hen die vermoeid en belast zijn en zij ondergaan dit alles, alsof Christus hun Weldoener mag zijn . . .
Hoe goed past hierbij de bijna juichende boetezang
de Deur der Boete’ welke ons de komende weken zal begeleiden:
De deur der boete open mij, o Levenschenkende,
want , zie, mijn geest is ontwaakt en verlangt naar Uw heilige Tempel,
daar ik de tempel van mijn lichaam geheel verontreinigd heb.
Maar Gij, Barmhartige, reinig mij door Uw Genade
””;
en het
Gebed van Jonah:
  Ik schreeuwde in mijn nood tot de Heer,
mijn God, verhoor mij.
Uit de ingewanden van de onderwereld klonk
mijn angstkreet en U hebt mijn stem gehoord.
U hebt mij gewroken in de diepte in het hart
van de zee, en de watervloed heeft mij omvangen.
Al Uw draaikolken en golven zijn [als een tsunami] over mij heen gegaan.
Toe zei ik: ‘ verstoten ben ik uit Uw ogen;
zal ik ooit weer Uw Heilige Tempel aanschouwen?
Wateren omringen mij tot in mijn ziel;
de uiterste afgrond is om mij heen.
mijn hoofd komt tot in de grondslag van de bergen,
ik ben neergezonken in de aarde, waar de grendels voor eeuwig gesloten zijn.
Maar U voert mijn leven uit het verderf tot U omhoog, Heer mijn God.
Toen mijn ziel in mij ontsteld was, dacht ik aan de Heer,
en mijn gebed kwam tot U, in Uw Heilige Tempel.
Zij die ijdelheden en leugens vereren,
geven prijs wat hun tot barmhartigheid strekt.
Maar ik zal lof zingen met mijn stem:
met belijdenis zal ik U offeren.
mijn geloften zal ik gestand doen,
want mijn Verlossing komt van de Heer’ 
Jonah 2: 2-7.
En de Heer sprak tot de vis en
deze spuwde Jonah uit op het droge en
daarop klonk de lofzang:

— Theotokos van het teken —

    Zij die nietige afgoden dienen, geven Hem prijs,
Die hun met veel medeleven Genadig is.
Maar ik, met lofzegging wil ik aan U offeren; 
wat ik beloofd heb, wil ik betalen;
de redding is aan de Heer der Heerscharen.
“Hoe heilig is Gods Naam!
Laat volk bij volk te zaâm Barmhartigheid verwachten;
nu Hij de zaligheid, voor die Hem vreest,
bereidt, door al de nageslachten.
Des Heren arm is sterk; Hij deed een krachtig werk;
die hoog zijn van gevoelen, heeft Hij verstrooid, verward, met alles,
wat het hart, dier trotsen mocht bedoelen.
Die stout zijn op hun macht, heeft Hij versmaad, veracht, gestoten van de tronen;
maar Hij verhoogt en hoedt het nederig gemoed, waarin Zijn Geest wil wonen.
Hij heeft, na lang geduld, met goederen vervuld de hongerige monden;
Hij zag geen rijken aan; maar heeft z’, in hunnen waan, gans ledig weggezonden.
Zijn goedheid klom ten top; Hij nam Zijn Gemeenschap op, naar ‘t heil, Zijn knecht beschoren; gelijk Hij, ons ten troost, aan Abram en zijn kroost, voor eeuwig had gezworen
“.
uit: lofzang van de Theotokos, berijming Statenvertaling.

de Opdracht van onze Heer en Verlosser Jezus Christus in de Tempel [ontmoeting des Heren], 2 Februari.

      En toen de dagen van hun reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem aan de Heer voor te stellen, gelijk geschreven staat in de Wet des Heren: Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Heer en om een offer te brengen overeenkomstig hetgeen in de Wet des Heren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven.
       En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van Israël en de Heilige Geest was op hem. En hem was door de Heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had.
       En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen overeenkomstig de gewoonte der Wet, nam ook hij Het in zijn armen en hij loofde God en zei:
      ‘Nu laat U, Heer, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw Woord, want mijn ogen hebben Uw Heil aanschouwd, dat U bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: Licht tot openbaring voor de heidenen en Heerlijkheid voor Uw Volk Israël.
       En Zijn vader en Zijn moeder stonden verwonderd over hetgeen van Hem gezegd werd.
En Simeon zegende hen en zei tot Maria, Zijn moeder:
      ‘Zie, deze is gesteld tot een val en Opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat weersproken wordt – en door uw eigen ziel zal een zwaard gaan -, opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden.
      Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuel, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud en zij diende God onafgebroken in de Tempel, met vasten en bidden, nacht en dag.
En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten.
En toen zij alles volbracht hadden, wat volgens de Wet des Heren te doen was, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth.
Het kind groeide op en werd krachtig, en het werd vervuld met wijsheid, en de genade Gods was op HemLuc.2: 22-40.

Christus, de mens geworden Wijsheid Gods, zegent

      Nu is het onweersprekelijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend. En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch daar iemand, van Wie wordt getuigd, dat Hij leeft.
Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Abraham aan het tiendrecht [van een ander] onderworpen, want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Melchizedek deze tegemoet kwam.
Indien nu het Levitische priesterschap het volmaakte gebracht had, immers, daaronder heeft het Volk de Wet ontvangen – waarom was het dan nog nodig, dat een andere priester naar de ordening van Melchizedek opstond, van wie niet gezegd werd, dat hij naar de ordening van Aaron is?
Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van Wet.
Want Hij, van wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar te doen had: het is immers duidelijk, dat onze Heer uit Juda is gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft.
En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Melchizedek een andere priester opstaat, die dit niet geworden is krachtens een Wet met een voorschrift betreffende vleselijke afkomst, maar krachtens een onvernietigbaar leven.
Want van Hem wordt getuigd: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek“ Hebr.7: 7-17.

Dit jaar het accent op de Apostel-lezing:
In de Orthodoxe Kerk heet dit feest ‘het feest van de ontmoeting’; daarmee wordt de aandacht op Jezus gericht. De Orthodoxe Kerk wordt wel ‘Christocentrisch’ genoemd. Christenen en de Orthodoxe Kerk in het bijzonder, geloven dat God ervoor gezorgd heeft dat de Blijde Boodschap, de H. Schrift door God – in de loop van de eeuwen – is geopenbaard.
Want God is niet de Onbekende, Die op afstand blijft, maar de God Die verbondenheid zoekt, Die zich laat kennen, Die spreekt van hart tot hart. Vooral dat laatste is typisch voor de God van de Blijde Boodschap: Hij is een sprekende God!  Deze God heeft Zich ten diepste uitgesproken in Zijn Zoon Jezus Christus:
God heeft eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken in de profeten, Hij heeft nu in het laatst van de dagen tot ons gesproken in Zijn Zoon, Die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de wereld geschapen heeftHebr.1: 1-2.
Zoals we met De Geboorte van Christus in het vlees de herders het Kind in de kribbe aantreffen, zo treffen twee andere vertegenwoordigers van het volk, Simeon en Hanna, het Kind aan in de Tempel. Het feest heet tegenwoordig ‘de Opdracht van onze Heer en Verlosser Jezus Christus in de Tempel’, of ‘de ontmoeting des Heren’ en daarmee is onze aandacht gericht op Christus.
De Blijde Boodschap, de H.Schrift geeft z’n Wijsheid pas prijs door het ‘reddende Geloof’ in Christus. Paulus zegt daarom tot zijn geestelijk kind:
  Mijn kind, Blijf jij echter bij wat je geleerd en toevertrouwd is, wel bewust van wie je het hebt geleerd en dat je van kindsbeen af de heilige schriften kent, die je wijs kunnen maken tot zaligheid door het Geloof in Christus Jezus2Tim.3: 14,15.
Wie de H. Schrift, de Blijde Boodschap leest zonder Christus, leest de Bijbel niet; dat is de ene kant. Maar er is ook een andere kant: ‘Wie Christus wil leren kennen’ – zònder de Bijbel te lezen, zal Hem ‘niet’ leren kennen !!!
Het is waar dat we God ook leren kennen in de schepping. Want alles wat geschapen is vertelt over Zijn Eer:
De hemelen verhalen de Heerlijkheid van God, het uitspansel verkondigt het Werk van Zijn handenPsalm 18[19]: 2.
Maar als we alleen zouden zijn aangewezen op de schepping en Gods Glorie daarin, zouden we Christus en de volkomen Verlossing, Die alleen Hij kan geven, niet leren kennen. Want Hem ontmoeten we in de H. Schrift, de Blijde Boodschap.
Daarom vormt het omgaan met de Bijbel een onmisbare geestelijke oefening voor wie willen groeien in het kennen van de Zoon van God.
Daarbij is het uiterst waardevol om gericht te zijn op het vergroten van je kennis van en inzicht in het geheel van de Bijbel, wanneer de aandacht altijd maar geconcentreerd blijf op het zoeken en zien van de rol van Christus in het geheel der dingen.
In de schepping manifesteert God zich als een Vader, Die de oorsprong is van het leven en Die Zijn almacht toont door te scheppen.
De beelden die de Blijde Boodschap daarvoor gebruikt roepen bepaalde voorstellingen op.  Als een Goede en Machtige Vader zorgt Hij voor wat Hij geschapen heeft met een Liefde en Trouw die – onveranderlijk – niet kleiner worden; dàt is wat de psalmen herhalen;
– “ Ik wil U belijden onder de volkeren, Heer, ik wil de Psalm voor U zingen onder de heidenen
Psalm 56[57]: 11;
– “ Wees verheven boven de hemelen, God, over heel de aarde zal Uw Heerlijkheid zijn”.
Psalm 107[108] : 5;
– “Heer, in de hemel is Uw Barmhartigheid, Uw Waarheid reikt tot boven de wolken.
Uw Rechtvaardigheid is hemelhoog gebergte; Uw oordelen een bodemloze zee

Psalm 35[36] : 6,7

Zo wordt de schepping de plaats waar de Almacht en Goedheid des Heren gekend en erkend worden en wordt zij voor de gelovigen een uitnodiging tot Geloof om God als Schepper te belijden.
Geloof doet ons zien”, zegt Paulus:
      Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembareHebr.11: 3.
Geloof impliceert dus dat men het onzichtbare erkent door het spoor ervan in de zichtbare wereld te herkennen. De gelovige kan het grote boek van de natuur lezen en zijn taal begrijpen; maar het Woord van Gods openbaring dat het Geloof wekt, is noodzakelijk opdat de mens tot het volle besef zou komen van de realiteit van God als Schepper en Vader.
Door het lezen van de H. Schrift, door je te verdiepen in de Blijde Boodschap kan het menselijk verstand met het Licht van het Geloof, de sleutel vinden om de wereld te begrijpen.
    Elke dag openbaart een [Gods] Woord aan de volgende dag; van nacht tot nacht wordt kennis verkondigd. Niet met gesproken woorden, er wordt geen klank vernomen. Toch klinkt over heel de aarde hun boodschap, tot aan de grenzen van de wereld hun woorden.
God heeft een tent gemaakt voor de zon, die als een bruidegom uit zijn bruidsvertrek treedt. Hij juicht als een reus om zijn baan te doorlopen; hij gaat op aan het einde des hemels. Zijn loop gaat tot het andere einde; niemand kan zich verbergen voor zijn gloedPsalm 18[19]: 2-7.
Dit is een metafoor zoals de dichter David de Heerlijkheid God’s ziet.
Het hoogtepunt is van heel de schepping is de Schepping van man en vrouw, de mens, de enige die bekwaam is Zijn Schepper te kennen en te beminnen.
De Psalmist bevraagt zich af terwijl hij naar de hemelen kijkt:
Als ik opzie naar de hemelen, het werk van Uw vingers: naar maan en sterren die U heeft gemaakt. Wat is dan de mens, dat U hem gedenkt? Wat is een mensenkind, dat U acht op hem slaat?Psalm 8: 4-5.
De mens, door God tot Liefde voor de mens geschapen, is maar klein ten overstaan van de immensiteit van het heelal; wanneer wij gefascineerd naar de enorme afstanden in het firmament kijken, bemerken wij soms ook onze begrensde werkelijkheid.
In de mens leeft de paradox: onze kleinheid en eindigheid wonen samen met de grootsheid van wat Gods eeuwige liefde voor hem gewild heeft.
Het Geloof is alles voor zover als het een werktuig en middel is teneinde Christus aan te grijpen, die ons mensen tot goddelijke volheid, een -‘nieuw mens’- brengt; net zoals iemand door het aangrijpen van een tak [van de wijnrank] behouden wordt.
Van het ‘nieuwe schepsel’ wordt gezegd alles [de goddelijke volheid] te zijn.
Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is.

En allen, die zich naar die regel zullen richten – Vrede en Barmhartigheid zal over hen komen en ook over het Israël God’sGal. 6: 15,16; en het ‘nieuwe schepsel’ is alles [de goddelijke volheid]; voor zover als het ons tot de hemel bekwaam maakt. “Jaagt naar Vrede met allen en naar de Heiliging, zonder welke niemand de Heer zal zienHebr.12: 14.

Taal is nooit onschuldig, zij verraadt een manier van denken.

De Goddragende Simeon & de Profetes Anna

Zowel Simeon [betekenis: ‘gehoord, luisteren’], een rechtvaardig en vroom man en hij verwachtte de vertroosting van Israël [= ‘God heeft de overhand’, ‘God zegeviert’] en de Heilige Geest was op hem, dus was hij een Profeet en Anna [Gr. vorm van Hebr. Hanna הינה, hetgeen ‘lieflijke, genadige’ betekent], een profetes, een dochter van Fanuël [‘het gelaat van God’], uit de stam Aser [‘gezegend, gelukkig’] èn Paulus [Lat. ’klein’,’gering’] getuigen vandaag over het kind, wat door z’n ouders in de Tempel overeenkomstig de Joodse Wet aan God wordt opgedragen.
Er wordt van Hem wordt getuigd: “Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek [‘Mijn koning is gerechtigheid’]”; “ Anna sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten“ en loofde met de profeet Simeon dat: “Dit kind is Licht tot openbaring voor de heidenen en Heerlijkheid voor Uw Volk Israël“.
Wie is deze Melchizedek eigenlijk?

Melchizedek, door de H. Geest Profeet, icon ‘aan de Zoon van God gelijkgesteld

Rondom de persoon van Melchizedek, die slechts in drie Bijbelboeken genoemd wordt, zijn de wildste theorieën en geruchten ontstaan.
Zo zou hij een engel zijn? Of, naar de Joodse overleveringen, Sem [
שם = ‘er’, de zoon van Noach [נוח=‘comfortabel’]?
Òf Melchizedek zou Henoch zijn, waarvan we ook niets meer hebben vernomen, na zijn opname in de hemelse gewesten? Dit komt omdat Paulus van Melchizedek zegt: “koning der gerechtigheid, vervolgens ook:
koning van Salem, dat is: koning des Vredes; zonder Vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens en aan de Zoon van God gelijkgesteld, blijft hij priester voor altijdHebr.7: 2,3.
Als je door Paulus op die wijze benoemd wordt, kan het niet anders of je zal ‘een hoogstaande priester’ geacht worden, zoals je maar weinig tegenkomt.
Melchizedek bracht voort: ‘brood en wijn’. je kunt zeggen: “Gelijk Christus ons heeft meegegeven” en Melchizedek zegende Abram. Iemand zegenen is doorgaans de uitbeelding van het werk van de priester; ook wanneer een vader zijn zoon zegent, blijft het de uitbeelding van het werk van de priester; Abram, een vermogend man, gaf Melchizedek van alles dat hij had, een tiende.
Opmerkelijk is dat Paulus vermeldt dat Melchizedek zelf ook deel uitmaakt van de van diverse oorlogen tegen koningen; daarbij werd Lot, Abrams broer, ook slachtoffer werd deze gevangen genomen:
      Want deze Melchizedek, koning van Salem, priester van de allerhoogste God, die Abraham bij zijn terugkeer na het verslaan van de koningen tegemoet kwam en hem zegendeHebr.7: 1.
Paulus noemt deze Melchizedek, koning van Salem [afgeleid van שלום (Hebr.  Shalom= Vrede)] ongeveer 1000 jaar nadat David 1000 jaar gewacht heeft om Melchizedek te bezingen in:
    De Heer zegt tot mijn Heer: zit neer aan mijn rechterhand. Opdat Ik uw vijanden zal maken  
tot een steun onder uw voeten. Een scepter van Kracht zal de Heer u zenden vanuit Sion: Heer, temidden van Uw vijanden. Bij U is Heerschappij op de dag van Uw Kracht, in de stralende luister van Uw heiligen. Uit de schoot heb ik U voortgebracht vóór de morgenster. De Heer heeft gezworen, onveranderlijk: Gij zijt de priester in eeuwigheid, volgens de orde van Melchizedek.
De Heer is aan uw rechterhand; Hij verbrijzelt koningen op de dag van Zijn toorn. Hij oordeelt de volkeren, maakt talrijk de gevallenen; de hoofden van velen verplettert Hij op de grond. Uit een beek onderweg zal Hij drinken en dan het hoofd verheffen
” Psalm 109[110], vert. ROK ’s-Gravenhage.

En dan komen we Melchizedek uitgebreid tegen bij Paulus in de Hebreeën. Namelijk negen keer bij naam. Eerst in Hebr.5 waar Paulus spreekt over de nieuwe Hogepriester en vervolgens in Hebr.6 dat Christus ons is voorgegaan, het voorhangsel voorbij, omdat Hij Hogepriester is in eeuwigheid;
✦         “      Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer toegekend hogepriester te worden maar Hij, die tot Hem sprak: ‘Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt; zoals Hij ook op een andere plaats spreekt: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van MelchizedekHebr.5: 5,6.
✦         “      Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst, en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden, door God aangesproken als hogepriester naar de ordening van MelchizedekHebr.5: 7-10.
✦         “      Daarom heeft God, toen Hij des te nadrukkelijker aan de erfgenamen der belofte het onveranderlijke van zijn raad wilde doen blijken, Zich onder ede verbonden, opdat door twee onveranderlijke dingen, waarbij het onmogelijk is, dat God liegen zou, wij, die [tot Hem de] toevlucht genomen hebben, een krachtige aansporing zouden hebben om de hoop te grijpen, die voor ons ligt. Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel, waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Melchizedek hogepriester geworden in eeuwigheidHebr.6: 17-20.
Paulus legt uit dat Christus de Priester is geworden, maar dit niet uit de stam van Levi, door erfopvolging heeft ontvangen, maar op grond van Zijn Opstanding uit de doden:
✦      “      Indien nu het Levitische priesterschap het volmaakte gebracht had, immers, daaronder heeft het volk de Wet ontvangen – waarom was het dan nog nodig, dat een andere priester naar de ordening van Melchizedek opstond, van wie niet gezegd werd, dat hij naar de ordening van Aäron is? Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van Wet. 
Want Hij, van wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar te doen had: het is immers duidelijk, dat onze Heer uit Juda is gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft.
En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Melchizedek een andere priester opstaat, die dit niet geworden is krachtens een Wet met een voorschrift betreffende vleselijke [afkomst, maar krachtens een onvernietigbaar leven. Want van Hem wordt getuigd: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van MelchizedekHebr.7: 11-17.

Apostel Paulus, I.M. Stavronikita Monastery, Athos [16th cnt]
Op de vraag, die daarop volgt: “Hoe kon Paulus dit weten?” is zijn antwoord:
      Tracht ik thans mensen te winnen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Indien ik nog mensen trachtte te behagen, zou ik geen dienstknecht van Christus zijn. Want ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, Hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens. Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door Openbaring van Jezus ChristusGal.1: 10-12.
En dat is Paulus’ meest eerlijke antwoord welke wij uit de Blijde Boodschap kunnen halen.
Paulus heeft deze kennis, ja ‘al zijn kennis’, van Christus ontvangen. Daar werd in zijn dagen al aan getwijfeld, maar in onze dagen net zo goed. Hij kan niet volledig aan ons verzoek voldoen en blijft daarom zeggen: 
      Wat ik u schrijf, zie, voor het aangezicht van God, ik lieg nietGal.1: 20. De nieuwe punten die Paulus in Hebr.7 heeft aangehaald, dienden verborgen te blijven, tot het moment dat God Zelf hem en ons het zal openbaren.
Openbaren is immers het tegenovergestelde van verbergen !!!
Deze verborgen punten zijn kennelijk van essentieel belang de periode, dat wij ons volledig overgeven aan het Geloof, die ook wordt aangeduid als de Genadegave van de verborgenheid.
Paulus verwoordt dat door te zeggen dat hij God wil behagen en niet de mensen en dat hij daarom – in tegenstelling tot z’n voorgeschiedenis- dienstknecht van Christus is geworden. De Blijde Boodschap, de H. Schrift geeft z’n Wijsheid immers pas prijs door het ‘reddende Geloof’ in Christus.
Het doel van Christus’ komst naar de wereld is, dat iedere volgeling van Hem, door de Heilige Geest in Hem zou leven, zoals Hij Zelf leeft in relatie met Zijn Vader:

Christus als pedagoog [opvoeder].
      Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven. Te dien dage zult gij weten, dat Ik in [en] Mijn Vader ben en gij in [en] Mij en Ik in [en] u. Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door Mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbarenJohn.14: 18-21.
Om ‘in’ [en alsChristus [christen] te kunnen zijn, dient iemand eerst ‘in’ [-‘tot’-] Christus te  komen. Degene, die een diepgaande studie maakt over Gods plan, teneinde van zonde verlost te worden en daarmee z’n ziel tracht  te redden, raakt er van overtuigd dat de redding alleen door het Geloof komt.
Het Geloof nu is de zekerheid van de dingen, die men Hoopt en
het bewijs der dingen, die men ‘niet’ ziet.
Want door dit [Geloof] is aan de ouden een Getuigenis gegeven.
  Door het Geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord van Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare.
Door het Geloof heeft Abel aan God een beter offer gebracht dan Kaïn; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.
Door het Geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen. Want voordat hij werd weggenomen, is van hem getuigd, dat hij aan God welgevallig was geweest;
maar zonder Geloof is het onmogelijk [Hem] welgevallig te zijn.
Want wie tot God komt, dient te geloven, dat Hij bestaat en
een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken
Hebr.11: 1-6.

Troparion     tn.1.
  Verheug u, Hoog-begenadigde Moeder Gods en Maagd;
want uit U is opgegaan de Zon der Gerechtigheid: Christus onze God,
Om hen te verlichten, die in duisternis gezeten zijn.
Verheug u ook, rechtvaardige Grijsaard,
want in uw armen hebt u gedragen de Bevrijder van onze zielen,
Die ons ook de Opstanding schenkt
”.

Kondakion     tn.1
  Door Uw Geboorte hebt U de maagdelijke schoot geheiligd,
en de armen van de gerechten Simeon gezegend.
Gij zijt gekomen, Christus God, om heden ons te redden.
Schenk vrede aan Uw stad en versterk hen.
die U bemint, o enig menslievende
”.

Theotokion     tn.1 – bij 7e Ode [H. Simeon & Anna 3-2]
Zonder de schoot van de voortbrengende Vader te verlaten,
heeft de Volmaakte God in uw schoot gewoond, Al-reine;
en Hij heeft deze daardoor gemaakt tot Zijn geheiligde Troon
”.


Theotokion     tn.1. – bij 8e Ode [H. Simeon & Anna 3-2]
Het Woord, de God, Die alles te boven gaat,
heeft u voor Zichzelf genomen als een lelie,
als een welriekende roos, met hemelse geur, al-reine Bruid van God.
Hij heeft in uw schoot gewoond en daardoor onze menselijke natuur,
die door de zonde met stank en ontbinding was overgegaan,
weer geurend van leven gemaakt, Maria, de Moeder Gods
”.

Theotokion    tn.1.- bij 9e Ode [H. Simeon & Anna 3-2]
Toen de hoogbejaarde u zag komen als de Moeder Gods,
Heeft hij profetisch gesproken:
Zie uw Zoon zal strekken tot val en Opstanding van velen, Koningin
en zal een teken van tegenspraak zijn
”.

Zondag van de tollenaar en de farizeeër – begin van het Triodion

de tollenaar en de farizeeër

      Christus sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen verachtten, deze gelijkenis:
      Twee mensen gingen op naar de Tempel om te bidden; de een was een Farizeeër, de ander een tollenaar.
  De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf: ‘ O God, ik dank U, dat ik niet zo ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al mijn inkomsten.
  De tollenaar stond van verre en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst en zei: ‘O God, wees mij, zondaar, genadig!’.
Ik zeg u: Deze keerde, in tegenstelling met de ander, gerechtvaardigd naar huis terug. Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert, zal verhoogd wordenLuc.18: 9-14.

      Gij daarentegen hebt volle aandacht geschonken aan mijn onderricht, wijze van doen, bedoeling, Geloof, lankmoedigheid [toegevendheid], Liefde, volharding, vervolgingen en lijden, zoals mij getroffen hebben te Antiochië, te Ikonium en te Lystra.
Al die vervolgingen heb ik
[in Christus] doorstaan en de Heer heeft mij uit alle gered. Trouwens, allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden.
      Maar slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger komen; zij verleiden en worden verleid.
            Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wel bewust van wie gij het hebt geleerd en dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het Geloof in Christus Jezus2Tim.3: 10-15.

Slechts Onze Heer en Verlosser,
Jezus Christus vormt voor ons het begin van redding & bevrijding, omdat wij nogal kortzichtig zijn sprak Hij eveneens  met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen verachtten.  Als Zoon van de liefdevolle Vader wil Hij bereiken dat de mens zich slechts voor Hèm openstelt,  teneinde het doel in het proces van verzoening, het doel van Zijn levensproject, te bereiken.
Moge God zowel voor jouw als voor mij, de grootste zondaar, de weg vereffenen, de weg naar “onze Vader”, Die ons het Hemels Koninkrijk binnenleidt en reeds van verre staat op te wachten.

Het Triodion, welke vandaag begint en tot Grote en Heilige Zaterdag duurt staat bekend als de weg tot het Licht. Deze voorbereidingsperiode op Pascha bestaat uit drie fasen:
1.]. de eerste periode is om je voor te bereiden op de vastenperiode.
2.]. de tweede periode de werkelijke periode van het vasten. 
3.]. de derde periode, de laatste week, die van de lijdensweek.
De Orthodoxe Kerk wijdt de eerste zondag van de voorbereidingsfase aan het thema van de tollenaar en de Farizeeër – de boodschap richt zich op de beoefening van de nederigheid.
Gebrek aan nederigheid is te herleiden tot trots, de wortel van het ontstaan van de zonde. Dat is herkenbaar, wie trots is, denkt immers in termen van wij-zij, goeden tegenover de slechten; je voelt je in elke geval beter dan die ander, je bent je in het geheel niet bewust van de blunders, die je maakt.
De ander wordt vervolgens buitengesloten; ‘Ik wil daar immers in het geheel niet meer mee te maken hebben’ – òf – ‘Ik ga alleen met je om als je nèt zo wordt als ik’, – òf – ‘Als je mijn culturele gewoonten niet overneemt, dien je er niet gek van òp te kijken, dien je niet te klagen als er vreemd tegen je wordt aangekeken en je er bij mij niet meer ‘in’ komt en je bijvoorbeeld ‘minder snel een baan krijgt’. Je sluit je op in je culturele vriendenkring en poetst je gezwollen ikheid [ego] op en sluit de rest van de wereld op jouw ‘nivo’ uit. 

De tijd van het Triodion is een periode, die deze zondag begint en eindigt op Stille Zaterdag; het is een tijdgebonden periode waarin de mens z’n/haar best doet terug te keren tot zichzelf en zich tot God wendt met het verzoek hem/haar tot een nieuw mens om te vormen.
Het woord Triodion is een Grieks woord en betekent drie Oden, van elk drie hymnen, het woord ωδή betekent lof, hetgeen uitgevoerd wordt door αείδώ [= zingen]. Het is een periode van zelfzuivering onder de aanroep: “ O, God wees mij genadig, ik ben een zondaar”.
Dit lezen we eigenlijk al aan het begin van Synaxarion op de eerste dag: “ O Schepper van al wat boven en beneden is, U aanvaardt de Hymne van het Trisagion van de Engelen: Neem ook aan het Triodion uit mijn mond, uit de mond van een mens”.

‘Open voor mij, o Leven-schenker, de poorten tot boete’?

Hoe goed past bij deze zondag de bijna juichende boetezang: “De deur der boete open mij, o Leven-schenker”, welke ons de komende weken zal begeleiden.
mp3:   فتح أبواب التوبة بالنسبة لي  = ‘open the repent doors for me’;

 

In de dagen van Christus rondgang op aarde waren farizeeërs mensen met passie voor geloofsopvoeding.
Zij zetten zich in om de rijke traditie van Mozes en de profeten te bewaren en over te leveren.
Zij willen niets liever dan voorkomen dat de mensen God zouden vergeten.
Het werkte echter in de hand dat het volk geleidelijk aan van God vandaan zou geraken, farizeeërs dàt waren immers dè schatbewaarders, zij waren immers geroepen om de enorme rijkdom aan Wijsheid en het Geloof te bewaren, daar kon het gewone volk niet bij.
En in het licht van die kostbare en rijke Traditie zijn ze niet enthousiast over nieuwigheidjes op geloofsgebied; zij onderstrepen dat het volgen van leefregels je slechts beschermt tegen afval, de buitenkant is slechts belangrijk. En zij zien een volstrekte sabbatsrust als een belangrijke – wekelijkse weg tot God; de spelleiders van het volk, de farizeeërs waren echter doorgeslagen in hun goede bedoelingen. Zij gingen zó vèr in hun ijver voor de Traditie en zij waren zó afgeknapt op de onverschilligheid van de gewone mensen, dat er iets verbetens en boosaardigs binnen was geslopen – zo werkt de tegenstrever.
Ze hadden het eigenlijk vooral nog over ‘de Wet van Mozes’ en het daarop volgend oordeel Gods; zij verloren daarbij Gods Liefde en Barmhartigheid uit het oog. Zij communiceerden niet meer met het gewone volk en concentreerden zich zo sterk op vormen en uiterlijkheden dat ze vergaten dat God het hart aanhangt en ziet wat er wèrkelijk van binnen plaatsvindt.

Wij, die onszelf, in eigen ogen, zulke brave christenen beschouwen, kunnen ons eigenlijk heel goed vinden in dat beeld van die farizeeër, wanneer we daar maar niet de tegenwoordige betekenis van “huichelaar” aan verbinden, want die betekenis hindert ons.
Maar wanneer wij ons bewust worden dat wij eigenlijk ‘net zo’ over onszelf denken als die mens uit de parabel, die over zichzelf dacht:
Wij komen netjes onze verplichtingen na, we bidden regelmatig, en we houden ons aan de wekelijkse en jaarlijkse Vastenregels; we doen eigenlijk nooit iemand kwaad; en wanneer we met iemand niet goed kunnen opschieten, dan is die ander toch gewoon ‘een volkomen onmogelijk mens’.
We zien maar al te goed hoe àndere mensen regelmatig tekort schieten en al zeggen we het niet met zulke mooie woorden, we zijn er toch innerlijk van overtuigd dat we ‘in God ogen‘ eigenlijk heel wat méér waard zijn dàn de meeste mensen, die zich immers nèrgens iets van aantrekken.
Wat hebben wij orthodoxen het toch goed met elkaar getroffen, òf niet soms? Ja, het gebeurt zelfs dat er openlijk vanaf het ambon verklaard wordt, dat je trots kunt zijn tot een bepaald Patriarchaat te behoren. 

    Doch sommigen van hen [de joden en de farizeeën] zeiden:
‘ Door Beëlzebub, de overste der boze geesten, drijft Hij de geesten uit’. Anderen begeerden, om Hem te verzoeken, van Hem een teken uit de hemel.
      Maar Christus kende hun gedachten en zei tot hen:
‘ Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en het ene huis valt op het andere.
Indien ook de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal zijn koninkrijk kunnen standhouden? Want jullie zeggen, dat Ik door Beëlzebub de boze geesten uitdrijf. Indien Ik door Beëlzebub de boze geesten uitdrijf, door wie doen uw zonen het dan? Daarom zullen zij rechters over u zijn.
      Maar indien Ik door de vinger Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen.  Wanneer een sterke, goed gewapende man zijn eigen hof bewaakt, is zijn bezit in veiligheid. Maar wanneer iemand, die sterker is dan hij, hem aanvalt en hem overwint, rooft deze zijn wapenrusting, waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit.
          Wie met Mij niet is, die is tegen Mij en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit.
Zodra de onreine geest van de mens is uitgevaren, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, en als hij die niet vindt, zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgevaren. En als hij komt, vindt hij het geveegd en op orde. Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mee, bozer dan hij zelf; en zij komen binnen en wonen daar. En het wordt met die mens in het einde erger dan in het begin’.
En het geschiedde, toen Hij deze dingen sprak, dat een vrouw uit de schare haar stem verhief en tot Hem zei:
‘ Zalig de schoot, die U heeft gedragen, en de borsten, die Gij hebt gezogen’.
Maar Christus zei:
                ‘ Zeker, zalig, die het Woord Gods horen en het bewaren.
Toen de scharen te hoop liepen, begon Hij te zeggen:
                ‘ Dit geslacht is een boos geslacht. Het begeert een teken, maar het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona. Want gelijk Jona voor de Ninevieten ten teken geworden is, zo zal ook de Zoon des mensen het zijn voor dit geslacht. De koningin van het Zuiden zal in het oordeel optreden met de mannen van dit geslacht en hen veroordelen, want zij is gekomen van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen, en zie, meer dan Salomo is hier. De mannen van Nineveh zullen in het oordeel opstaan met dit geslacht en het veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona en zie, méér dan Jona is hier
Luc.11: 15-32.

      Farizeeër                    en    de tollenaar

En dan is daar die andere figuur, daar achterin, achter die pilaar.
We hebben al snel een zwak voor hem, maar laten we van hem geen knuffel-tollenaar maken, hij heeft als mens net als wij terecht allerlei redenen om zich te schamen. Wanneer hij in de spiegel kijkt ziet hij niet bepaald de mens die hij altijd had willen worden. Hij is bepaald geen zegen geweest voor de gemeenschap, hij heeft niet veel licht en warmte verspreid; anderen niet erg gelukkig gemaakt, slechts gezegd waar het op stond. Hij heeft er geen levenslange vriendschappen aan overgehouden; wèl waren er erg veel conflicten, altijd spanning rond hem heen; veel donkere bladzijden in zijn leven; heel wat mensen heeft hij op hun ziel getrapt en pijnlijk bezeerd achter gelaten. Het verschil met de man daar voorin is, dat deze mens in de spiegel durft te kijken.
Hij is -‘niet’- blij is met wat hij daar in z’n rugzakje, zijn eigen hart aantreft.
Hij durft z’n blik -‘niet’- naar de hemel te richten.

farizeeër en de tollenaar, door Fabritius

Door deze passage van de Blijde Boodschap leren wij tevens het belang van het onophoudelijk gebed, het gebed van het hart en onderkennen we nog een vereiste om onze gebeden voor God  aanvaardbaar te doen zijn, dat wij kunnen bidden als waren wij de grootste dichters, die niet in staat zijn met de mooiste woorden Gods aandacht te trekken, we blijven mensen, die slechts van binnen dienen te beseffen, dat wij in ons doen en laten niets te ‘verdienen’ hebben.
Er blijft ons niets anders over en niet in staat iets anders te vragen dan Gods Genadegave: “O God, ontferm U over mij, zondaar“, alleen dàt blijft nog óver voor Gods genadige weg. Het belangrijkste in deze gelijkenis is dat Christus de menselijke bekering verbonden heeft met nederigheid. De H. Schrift laat duidelijk zien dat het de trots was die Satan deed vallen.
Nederigheid doet de mens zich in zichzelf terugtrekken om te erkennen dat hij ‘altijd maar weer‘ ongelijk heeft en dat hij op God dient te vertrouwen.
Het is het gebed van deze tollenaar welke de Kerk heeft gebracht tot  het gebed van het hart, het Jezusgebed – ‘Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij, zondaar‘ en het komt dan ook in alle gebeden van de Kerk terug en wij blijven dit gebed maar onophoudelijk herhalen: ‘Heer ontferm U‘.
De laatste woorden -‘ontferm U‘- van dit gebed ten opzichte van onze Heer, toont de menselijke nederigheid en zelfopoffering en is het thema van de periode die op deze zondag begint en aan het einde van onze pelgrimstocht op aarde ‘de Opstandingsdag‘, ‘het Licht‘ van het Hemels Koninkrijk in het vooruitzicht stelt. De mens, hij/zij buigt zich voorover, slaat zich op zijn/haar borst en zegt: ‘Heer, wees mij, zondaar, genadig’.

    De deemoedige gezindheid van de Tollenaar werd voor hem een ladder, die hem deed opstijgen tot de Hemelse Gewesten [Hoogten]. Maar doordat de Farizeeër zichzelf verhief in de lichtzinnigheid van zijn ijdelheid, viel hij gebroken neer tot in de kerker van de hel. Vanuit een hinderlaag berooft de bedrieger de gerechten door ijdelheid. Hij vangt zondaars in de strik van de wanhoop. Maar laat ons de Tollenaar navolgen, om zo van beide kwaden te worden bevrijd7e Irmos

Ikos     tn.3.
   
Laten wij onszelf verdeemoedigen, broeders en zusters, en met klagend zuchten ons geweten slaan, zodat wij zonder schuld mogen staan in het eeuwige Gericht, daar wij dan vergeving hebben ontvangen. Dat is in waarheid de Rust, smeek dat wij deze mogen aanschouwen, waar kwelling noch smart meer worden gevonden, en wij niet meer behoeven te zuchten uit de diepte. Want dan zijn wij in het wonderbaar Paradijs, dat geschapen is door Christus, onze God, zonder begin, evenals de Vader”.

Kondakion      tn.4.
Laat ons vluchten de hoogmoedige grootspraak van de farizeeër,
maar navolgen de grootheid van de deemoed van de Tollenaar.
En laat ons rouwmoedig roepen tot de Verlosser;
Wees U ons genadig, Die alleen Verzoening wilt
”.

Kondakion      tn.3.
Laat ons, zondaars, aan de Heer opdragen
het zuchten van de Tollenaar en voor Hem neervallen,
want Hij is onze Meester.
Hij wil de Verlossing van alle mensen
en schenkt vergiffenis aan allen, die boete doen.
Want terwille van ons is Hij vlees geworden,
terwijl Hij God is;
zonder begin, evenals de Vader
”.

Theotokion     t.3.
  Wij erkennen u als de wonderbaarlijke heilige ladder,
welke eens door Jacob in de droom was aanschouwd,
en die vanuit de diepte tot in de hoogste hemelen reikt, Al-reine.
Want gij hebt God vanuit den hoge neergetrokken in het vlees
en hebt daardoor de sterflijken omhooggevoerd
”.

32e Zondag na Pinksteren – Zondag na Theophanie & afscheid van Theophanie

    Toen Hij vernam, dat Johannes overgeleverd was, trok Hij Zich terug naar Galilea. En Hij verliet Nazareth en ging wonen te Kapharnaüm, aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali, opdat vervuld zou worden het woord, door de profeet Isaiah gesproken, toen hij zei:
      ‘Het land Zebulon en het land Naftali, aan de zeeweg, over de Jordaan, Galilea der heidenen: het volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een Groot Licht gezien en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een Licht opgegaan.
     Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen: ‘

Christus is de levende Waarheid‘;                       ‘Ο Χριστός είναι η ζωντανή Αλήθεια‘;                ‘المسيح هو الحقيقة الحية

Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen’Matth.4: 12-17.             Maar aan een ieder van ons afzonderlijk is de Genade gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt.
Daarom heet het: ‘opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mee, Gaven gaf Hij aan de mensen’.
Wat betekent dit: ‘Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook neergedaald is naar de lagere, aardse gewesten?
       Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen.
En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid van het Geloof en van de volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom van de volheid van ChristusEph.4: 7-13.

De oudere – ‘Arsenios’ onderwijst de jongere ‘Paisios’                                    كبار السن – ‘أرسينيوس’ يعلم الصغار ‘بايسيوس’

Er vallen ons twee zaken op in deze lezingen:
1.]. ‘ Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen’ en
2.].Het toerusten van de Heiligen tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid van het Geloof en van de volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom van de volheid van Christus’.

De Evangelielezing van ‘het afscheid van Theophanie’ is een herhaling:   Jezus uit Galilea kwam naar de Jordaan tot Johannes, om Zich door hem te laten dopen . . . . .  En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods neerdalen als een duif en op Hem komen. En zie, een stem uit de hemelen zei: Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb” Matth.3: 13; 16b,17.
En de Apostel van ‘het afscheid van Theophanie’:
    Want de Genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd,
rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de Zalige Hoop en de Verschijning van de Heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, Die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken.  Want vroeger waren ook wij verdwaasd, ongehoorzaam, dwalende, verslaafd aan velerlei begeerten en zingenot, levende in boosheid en nijd, hatelijk en elkander hatende. Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland [en] God verscheen, heeft Hij, niet om werken der gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, doch naar zijn ontferming ons gered door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de Heilige Geest, die Hij rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland, opdat wij, gerechtvaardigd door zijn genade, erfgenamen zouden worden overeenkomstig de Hoop van het eeuwige  levenTit.2: 11-14;3: 4-7.

Paulus was een van de eersten die de verwrongen concepten van de God van de Vader en de Zoon van God later op Jezus Christus introduceerde in de leringen van Jezus.

Dankzij de Genadegaven van God is ons, die gezeten zijn in het land en de schaduw van de dood via de Heilige Geest een Licht opgegaan in de duisternis. Voorheen waren wij heiligen immers ook verdwaasd, ongehoorzaam, dwalende, verslaafd aan velerlei begeerten en zingenot, levende in boosheid en nijd, hatelijk en elkander hatende.
Maar nu wij door de doop met de Heilige Geest toegerust zijn tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid van het Geloof en van de volle kennis van de Zoon van God bereikt hebben, zouden wij de mannelijke rijpheid en de maat van de wasdom van de volheid van Christus kunnen bereiken.

Ons doel, als volgelingen van Christus, is te wandelen in de volheid van de Heilige Geest en tot de eenheid van de volmaakte mens te komen.
Deze woorden betrekken ons in datgene waar iedere gelovige van doordrongen dient te zijn. Zoals wij ons als gemeenschap in Christus verenigd hebben streven wij naar eenheid van het Geloof en de volle kennis van de Zoon van God.
Het woord “volheid” in deze passage komt van het Griekse woord πληρότητα en betekent: “wie niets mist, perfectie nastreven, de taak compleet maken teneinde de volheid te bereiken“.
Dat is de taak die God ons heeft gegeven: de volheid van de zegen van Christus in ons persoonlijke leven na te jagen.
Paulus gaat hier verder over door als hij schrijft:
Er is…. één Heer, één Geloof, één Doop, één God en Vader van allen, Die is boven allen en door allen en in allenEph.4: 4-6.
Ik heb u in een vorig schrijven al kenbaar gemaakt dat Ephese een rijke handelsstad was, die bewoond werd door tal van rijke jongelingen, die in overvloed leefden. Op den duur bevredigt dit een mens niet en hij/zij loopt tegen zichzelf op, geraakt in een crisis en bidt de vellen van de Hemel om verlost te worden. God bepaalt wanneer het zover is, daar helpt geen lieve moedertje aan.

God de Vader en de Zoon en de Heilige Geest verblijven in al Gods kinderen en daarvan is niemand op deze wereld uitgezonderd, je dient het alleen te aanvaarden. Christus, onze Verlosser beloofde toen Hij nog onder ons was:
Indien iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn Woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonenJohn.14: 23.

verloren zekerheid, samen me Paulus op zoek naar de weg

Paulus maakt ons duidelijk dat we allemaal dezelfde toegang tot de Vader hebben. Daarom hebben we allemaal een zelfde mogelijkheid om Zijn steeds groter wordende Zegen/Genadegaven van boven te verkrijgen.
Inderdaad, onze levens zouden steeds meer in de “Genadegaven van Christus” dienen toe te nemen.
Bedenk hoe de mate van de Genadegaven van Christus was in het leven van Paulus. Ondanks zijn vroeger strijd tegen het Christendom ontving deze mens persoonlijk openbaringen van Jezus. Hij schrijft dat Christus Zichzelf in hem openbaarde.
Natuurlijk wist Paulus dat hij nog niet perfect was; maar hij wist ook, dat er niets in zijn leven was dat de stroom van de Genadegaven van Christus verhinderde, daar was geen twijfel mogelijk. Daarom kon Paulus zeggen:
En ik weet, dat ik bij mijn komst onder de uwen met een volle Zegen van Christus zal komen. Maar, broeders, ik vermaan u bij onze Heer, Jezus Christus en bij de Liefde  van de Heilige Geest, ‘om samen met mij’ te worstelen in de gebeden voor mij tot God, 
opdat ik behoed zal worden voor de weerspannigen in mijn omgeving en dat mijn dienstbetoon voor het land waar ik ben neergezet gunstig zal worden opgenomen door de heiligenconf. Rom.15: 29-31.
Als toezichthouder en hoeder van de spelleiders had Paulus een heilig vertrouwen in zijn wandel met Christus.
Hij verzekerde z’n omgeving: ” En hierin oefen ik mijzelf, altijd een onergerlijk geweten te hebben voor God en de mensen. En na verloop van vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen voor mijn volk te brengen en offeranden, waarmede men mij, geheiligd zijnde, in de tempel bezig vond, zonder volksoploop of opschuddingHandelingen 24:16-18.

Hier valt een bijzonder Nederlands woord op: “een onergerlijk geweten” hebben voor God en de mensen.
We bezitten allemaal een geweten daarvoor behoef je heel eenvoudig maar in gedachten een bepaalde herinnering op te roepen, waarover jij je momenteel schaamt. Paulus zegt hierover aan z’n geestelijk kind:
    Alles is rein voor de reinen, maar voor hen, die besmet en onbetrouwbaar zijn, is niets rein. Maar bij hen zijn zowel het denken als het geweten besmet.
Zij belijden wel, dat zij God kennen, maar met hun werken verloochenen zij Hem, daar zij verfoeilijk en ongehoorzaam zijn en niet deugen voor enig goed werk
Tit.1: 15-,16.
In de Blijde Boodschap zie ik in handelingen twee mensen tegenover elkaar staan.  Een groot, haast onoverbrugbaar contrast!
1.]. We zien Felix op zijn troon. Zijn naam betekent: gelukkig, gefeliciteerd; Hij is machtig en rijk; Hij heeft carrière gemaaktHij is opgeklommen.
Hij is de rechter, maar hij heeft een slecht geweten, want als er gesproken wordt van rechtvaardigheid en matigheid en het toekomende oordeel, dan wordt deze ‘gelukkige’ ongelukkig en zéér bevreesd.
2.]. Tegenover hem staat de apostel Paulus.
Hij is gevangen en waarschijnlijk ook geboeid.
Ik zie hem daar voor het gerecht staan, met de kettingen aan de handen en voeten, zoals hij in het volgende hoofdstuk zegt tegenover Festus: “Ik wenste wel dat u in alle dingen was zoals ik, uitgenomen deze banden, deze boeien”.
Zo staat hij daar; als een veroordeelde, als een crimineel, opgepakt door de sterke hand.
Vals beschuldigd.
En toch in het hart van Paulus…. is geen spoortje vrees. Hij staat daar vrij, want hij heeft een goed geweten!
Hij formuleert het ook: “Daarin beoefen ik mijzelf, om altijd een onergerlijk geweten te hebben, voor God en de mensen”.
“Waar ze me ook van beschuldigen”, zo zegt Paulus, “daar ben ik van op de hoogte, dit weet ik, maar ik sta hier als een vrij man, met een goed geweten”.

Wie is er hier nu eigenlijk de gevangene? Paulus of Felix?
Paulus is vrij! En Felix? Die zit gevangen in z’n structuren, moet naar de pijpen dansen van z’n hogergeplaatsten en kan niet anders dan datgene uitvoeren wat zijn superieuren in deze -‘van God verlaten‘- wereld hem opdragen.
Zoals één van de streng protestantse richting in Engeland [de Puriteinen] het in woorden uitdrukte: “Een kwaad geweten is een gevangenis, waaruit je nooit meer kunt ontsnappen”.
Ons persoonlijk geweten -ook die van ‘hoog aangestelde plaatsbekleders‘ van de wereldse macht is een door de zonde bevlekt geweten en het is daarom niet per definitie zo dat de gewetensstem de stem van God is.
Wel kan God door middel van het geweten tot de mens spreken, waardoor een mens -‘door Christus Bloed‘-, want er zal een flinke strijd voor nodig zijn, tot een Genadevol inzicht kan komen en kan omkeren op de hem/haar zo vertrouwde weg.
Hoeveel te meer zal het Bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om -de levende God- te dienen? En daarom is Christus de middelaar van een nieuw Verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan, om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste Verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden.
Want waar een testament is, moet noodzakelijk van de dood van de erflater melding gemaakt worden; een testament toch wordt alleen van kracht, indien er iemand gestorven is, daar het nog geen gevolg heeft, zolang de erflater leeftHebr.9:14-17.

Het onderwijs, de pedagogie, die de Heer Zijn Lichaam, de Kerk heeft meegegeven is ‘zó ontzèttend’ belangrijk; soms mis je echter de directe toepassing in de praktijk en lijkt het niet compleet.
En wanneer je de hoofdstukken gelezen hebt tussen de tekst, die
gisteren en vandaag en morgen in de kerkelijke kalender werd voorgeschreven,
dan blijft het maar gaan over het Volmaakte Offer en het onvolmaakte offer.
En het gaat dan telkens over dat we Mozes, de profeten en via Christus’  voetsporen Paulus, dus Gods Wil dienen te volgen.
Maar wanneer je al deze Pedagogie van De Heer hebt laten binnenkomen, en op één lijn plaatst, het binen laat komen, dan kunnen we slechts één conclusie trekken.
Wanneer je gelooft en belijdt dat Jezus, Christus, de Zoon van God,
het ware Offer is dat ons echt met God verzoend en
dat Jezus als Koning en Priester ons weer terugbrengt in de gemeenschap met God, dan is je hart gereinigd van je slechte geweten.
Door het Geloof wordt van Godswege door Christus het menselijk geweten hersteld. Ervaar je dat altijd zo? Neen, maar dit is wel de Waarheid die Gods Woord ons geeft.

Mijn Lichaam en  Mijn Bloed

En hoe méér je in dit Geloof leeft en het beleeft, hoe méér je geweten gezuiverd wordt. Dàt is de Mysterieuze Kracht van het Bloed van onze Heer Jezus Christus.
Er wordt aldoor om ons heen gezegd dat we zondaars blijven tot onze laatste snik en we overwinnen de zonden nooit, of niet soms?
Dat is een leugen, er zullen altijd zonden blijven, maar
door de “nieuwe en levende” weg naar het Hemels Koninkrijk, van het lijden en de verzoening van onze Heer Jezus Christus te gaan, breken wij mensen -beetje bij beetje- de zonden in ons leven af.
Dat is de absolute Kracht van Christus als Hogepriester.

Maar daardoor mag je ook zeker weten dat je waarachtig mag naderen tot God.
Iedereen is helemaal welkom, wanneer je over ‘deze Weg’, ‘deze Ladder‘ die nieuwe en levende Weg, samen met onze Heer over de Weg tot God naar het Hemels Koninkrijk gaat.
En dàn mag je geweten je niet meer aanklagen, want
dàn weet je door je persoonlijk Geloof dat God
geen zonden meer ziet in jouw leven.
Hij ziet het niet eens meer, omdat je volgeling van Zijn Zoon bent.
En soms dien je er misschien wel heel concreet om vragen
of God je geweten ècht wil reinigen en je wil wegleiden
van al datgene wat je tot verkeerde dingen aanzet.
Maar dat is dàn voor jouw persoonlijke beleving
omdat er zonden op je netvlies staan die niet weg willen.
Maar vanuit God mag je wèrkelijk naderen met
een schoon geweten en een rein hart.

Er is namelijk maar één Hogepriester, één kerkelijke Opperspelleider met al de eigenschappen van de afgelopen dagen Die met Zijn Eigen lichaam door het voorhangsel is gegaan.
God was/is onzichtbaar, maar door Onze Heer en Verlosser is de weg naar het Vaderhart opengescheurd.
God verscheurde het Zelf, vanwege het leven van Christus, ging het voorhangsel [in de Koninklijke deuren] open; van Boven naar beneden.
      Thans  bent u allen in Christus Jezus, die eertijds veraf waren, dichtbij gekomen door het Bloed van Christus. Want Hij is onze Vrede, Die de twee een heeft gemaakt en de tussenmuur [het voorhangsel], die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, 
doordat Hij in Zijn Vlees de Wet van de geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, Vrede makende, de twee tot een nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot een Lichaam verbonden, weer met God te verzoenen door het Kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeftEph.2: 13-16.
Met alles wat je bezighoudt, mag je daarom opgaan tot het heiligdom [het ambon],  tot in het Vaderhart van God en Hem ontvangen door Christus, onze Heer.

Apolytikion     tn.7.
  Door Uw Kruis zijt Gij de Overwinnaar van de dood
en hebt Gij het Paradijs geopend voor de Rover.
De droefheid der Myrondraagsters hebt Gij veranderd in vreugde,
en Gij hebt haar gezonden tot de Apostelen om te verkondigen,
dat Gij waart verrezen, o Christus onze God,
om aan de wereld grote Genade te schenken
”.

Kondakion     tn.7.
  Niet langer houdt de onderwereld de gestorvenen vast,
want Christus is er afgedaald,
en heeft dienst kracht vernietigd.
De hades is geboeid;
de Profeten jubelen en roepen:
de Verlosser is aan de gelovigen verschenen.
verheft u in het Geloof, ter Opstanding
“.

Theotokion     tn.7.
Gij zijt de schatkamer van onze Opstanding, o Albezongene.
Voer daarom hen die op U vertrouwen,
vanuit de poel en de afgrond omhoog.
Want Gij hebt ons,
die aan de zonden schuldig waren, verlost,
doordat gij de Verlossing gebaard hebt.
Voor deze Geboorte waart Gij Maagd,
en in die Geboorte waart Gij Maagd
en zijt na deze Geboorte Maagd gebleven
”.

 

December 31e – Oudjaar: dankzegging – Akatist “Dank aan God voor alles”.

Logo AOKN,                                                    namens allen een heel gelukkig Nieuw Jaar!

Wees altijd verheugd, bid onophoudelijk,
breng dank aan God onder
alle omstandigheden, want
dat is wat Hij van u, die bekleed is met en één is met Christus Jezus, verlangt.

Christus heeft voorzegd:
      Het uur komt en is gekomen, dat gij verstrooid wordt, een ieder naar het zijne en Mij alleen laat. En toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij.
Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij Vrede hebt. In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed,
Ik heb
[Mijn Vader volgend] de wereld overwonnenJohn.16: 32-33.

Christus, onze Verlosser heeft hiermee aangegeven, dat ongeacht hoe moeilijk en droevig de gebeurtenissen van de aardse geschiedenis ook zijn, de Almachtige God wint altijd. Er woedt een dodelijke strijd onder ons en wij
weten dat Christus de vijand van het menselijk ras al heeft verslagen, maar dat ieder mens deze ook zelf nog dient te overwinnen.

      Verblijdt u in de Heer te allen tijde!
Opnieuw zal ik u zeggen: Verblijdt u!
Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Heer is ons nabij.
Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door
gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God.
       En de Vrede van God, Die alle verstand te boven gaat,
zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus.
Voorts, broeders en zusters,
al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein,
al wat beminnelijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient,
bedenkt dat; wat u geleerd en overgeleverd is, wat gij van mij [Paulus]
gehoord en gezien hebt, breng dat in toepassing
en de God van de Vrede zal altijd met u zijnPhil.4: 4-9.

Митр. Трифон Туркестанов [1861-1934]

Mijn vriend en gesprekspartner Adelbert Roessingh van de Russisch Orthodoxe Parochie te Amsterdam heeft mij de hernieuwde uitgave van de Akathist van Dankzegging “DANK AAN GOD VOOR ALLES ” in de Nederlandse taal ter hand gesteld.
De auteur is Metropoliet Trifon Turkestanow [1861-1934].
Deze Akathist verscheen na zijn dood in 1935 in Odessa binnen Orthodoxe kring in de openbaarheid, onder de titel Akathist van dankzegging aan de Heilige Drie-eenheid, na door een onbekend gebleven priester uit een Russisch concentratiekamp gesmokkeld te zijn.

Leven vanuit de ‘vol-einding’ “ gaat aan de Akathist vooraf,
als volgt:
1.]. Leven vanuit de voorafbeelding der ‘vol-einding’: vanuit de Wederkomst van Christus en het Koninkrijk van God.
Door de zondeval zijn wij uit Gods werkelijkheid weggevallen. Daardoor staat onze aardse tijd in een flagrante tegenstelling tot de tijd van Gods eeuwigheid.
– Als we van onze aardse werkelijkheid kunnen zeggen dat elk moment en elke gebeurtenis verdwijnt om een opvolging te vinden in een volgend-, dan geldt daarentegen dat in de tijd van Gods werkelijkheid, waaruit wij weggevallen zijn, nooit iets verdwijnt.
– Als wij zeggen dat in onze aardse werkelijkheid steeds weer een nieuw begin wordt gemaakt, dan geldt dat in de voortdurende actualiteit van Gods werkelijkheid nooit iets verdwijnt.
In die werkelijkheid blijft elk begin bestaan. Beter is het om dan niet over een begin te spreken en het eerste Schriftwoord “In den beginne …” te zien als een uitdrukking van de altijd aanwezige oorsprong  die zich in de schepping steeds verder ontvouwt.
Vergelijkbaar is de ruimte  waarin onze relatie met God zich afspeelt.
Voor de zondeval bestond die niet, omdat in de ruimte van het Paradijs de afstand die er tussen God en mens bestond, door Gods liefde overbrugd werd. De verhouding tussen Adam en zijn Schepper was als die tussen een kind en zijn moeder. Door de zondeval treedt er afstand  op. Terwijl Gods liefde voor de mens onveranderlijk is, stelt de mens zichzelf op afstand.  De eigenlijke ruimtelijke taal der dingen die van God getuigde, gaat verloren. Maar de mens die zich juist door deze afstand als existentiëel-zoekend wezen ontwerpt, is vanuit een ongeschapen, buiten elk zijnsverband staande vrijheid, scheppend bezig.
Maar alle door hem gecreëerde ‘zijnden’ (ideeën, ideologieën, opvattingen, normen etc.) lijden op den duur aan sklerodermie : zij verharden en daardoor worden zij óf tot afval, óf tot monumenten, óf zij worden hergebruikt in een andere scheppingsact. Dit verharden vindt zijn oorsprong in de ‘objectivering’  (exteriosatie, in het Duits; Verdinglichung), een verzakelijking van wat in de menselijke geest zijn oorsprong heeft.

Door het begripsmatige denken kunnen verbindingen worden hersteld, waardoor in de onvrijheid welke de objectivering met zich meebrengt, toch de gebeurtenissen van de geest tot uitdrukking kunnen worden gebracht.
Het herstel van de verbindingen in de geobjectiveerde vormen van ‘deze wereld’ noemt Berdjajew “communicatie”; het vormt voor hem juist het tegendeel van de echte ‘communio’, gemeenschap, ofschoon beide de verbinding beogen.
De laatste is personalistisch; zij betekent de ontmoeting van een ‘Ik’ met een ‘Gij’ in een ‘Wij’.
In de geobjectiveerde wereld is voor het herstel van de gemeenschap alleen de communicatie mogelijk. Communio en communicatie verhouden zich tot elkaar als scheppende vrijheid tot niet-scheppende noodzakelijkheid.
De hoogste vorm van communio is de liefde en Berdjajew karakteriseert de eschatologische betekenis van de liefde als teken van echt scheppen, dikwijls met de opmerking dat de liefde het eind is van deze wereld en het begin van het Rijk Gods. “De liefde betekent uit de geobjectiveerde wereld uitbreken en binnendringen in de innerlijke existentie. Het object verdwijnt en opent zich voor het ‘Gij’. Daarom breekt in elke echte liefde in zekere mate het Rijk Gods aan, een andere zijnsorde”.
Doordat het uitbreken uit de ellende der eenzaamheid en onvrijheid van de geobjectiveerde wereld eerst op het einde der tijden ten volle bereikt wordt, zou het troostvoller zijn, als de mens daar in het hier-en-nu enig zicht op had.
Dit uitzicht, ja zelfs de communio, wordt hem aangeboden, doordat de mens, die weliswaar uit de werkelijkheid van zijn naar Gods beeld en gelijkenis geschapen mens-zijn is weggevallen, iets van dit mens-zijn herkent in contact met de heilsopenbaring van God in Christus en hij door die herkenning deze heilsopenbaring ook als waar erkent.
– In deze heilsopenbaring, welke altijd een openbaring-voor-ons is, openbaart God Zich in Zijn menslievendheid als de Zijnde,  als Degene Die in het worden  op weg is naar Zichzelf, naar Degene Die Hij in alle eeuwigheid voor ons is. God laat in Zijn openbaring-voor-ons  Zijn hart zien, want Zijn openbaring is wezenlijk voor Hem.
Hierbij overstijgt Hij het Zijn, Dat Hij ook is. Als God-voor-ons gaat Zijn existentie aan Zijn Zijn vooraf. Hij is dan de Zich openbarende Persoon Die Zich in liefde naar ons toe ontwerpt. Hij gaat ons daarin voor. Ook wij moeten ons naar elkaar en naar de schepping toe in liefde ontwerpen zonder iets te willen zijn.
Als God Zich als Persoon ná de eindtijd ontwerpt in de vol-einding,  een wereld waarin geen tijd en geen voorbijgaan meer is, maar enkel Zijn Wederkomst, waarin Hij alles in allen en in alles is, dan kunnen wij Hem nu slechts omfloerst alsVoorafbeelding  zien in de beelden van de schoonheid der natuur en in de beelden die de Schrift ons heeft overgeleverd. Juist als voorafbeelding van wederkomst van de Heer hebben die beelden deel aan het goede, schone en ware van Gods wereld en van Zijn Koninkrijk.

Ik wil dit verduidelijken: Ook al spreekt onze Heer Zijn kruiswoorden in een diep tragische werkelijkheid, toch zijn die kruiswoorden schoon, goed en waar, omdat ze de voorafbeelding zijn van het volmaakt schone, goede en ware van onze Heer waarin Hij bij de Wederkomst zal stralen. Ondanks de marteling aan het Kruis tonen de kruiswoorden ons in de godverlatenheid de bovenmenselijke schoonheid van de ware Mens Die helemaal boven Zichzelf uitstijgt om te worden Wie Hij wezenlijk is.
Het gaat hier om een wederkomst die er bij alle tragiek toch altijd is. Ook het lot der martelaren is tragisch, maar zij stralen in de harten der gelovigen aan wie de wederkomst verschijnt.
De natuur, gezien als het geheel van alles wat geschapen is, mogen we dus terecht goed en schoon vinden voor zover we haar zien als voorafbeelding van die nieuwe hemel en van die nieuwe aarde der voleinding.
Wat onvolmaakt en slecht is, kan geen voorafbeelding van die wederkomst van God zijn, echter wel voor zover het ons lukt uit haar iets naar boven te halen wat aan die voltooiing herinnert.
Dit is een zeer troostrijke gedachte. Wat wij als goed, schoon en waar ervaren, mogen we zelfs in een gevallen werkelijkheid tot op zekere hoogte zien als een voorafbeelding van een in de tijd der wederkomst herwonnen werkelijkheid,  waarvan God bij het scheppen van de wereld zag dat het goed was. En dat is geen valse romantiek, want wij moeten de gehele geschapen werkelijkheid waarin wij leven, trachten te zien vanuit de Wederkomst van de Heer waarbij we alles wat als kwaad, lelijk en boosaardig verschijnt, zonder meer terzijde stellen, tenzij er nog hoop in leeft. Dit geldt ook voor ons zelf: juist als wij in alle eerlijkheid ons bewust worden van het feit dat wij zondaars zijn, kunnen wij intens verlangen naar die Wederkomst en vanuit dat verlangen leven.
– Maar de allereerste vraag is hier: welke is de geestelijke voorwaarde om de hooggestemde woorden van de hierna volgende Akathist van Dankzegging  in de mond te nemen, zonder aan het odium van een jager naar schoonheid te zijn ten prooi te vallen? Alvorens deze woorden in de mond te nemen moet men zich reinigen.
In het leven der Kerk zijn voldoende aanwijzingen waarop dit gedaan zou kunnen worden. Het eenvoudigste is hier de aanwijzingen te volgen die het Boek der Akathistoshymnen *  geeft in de Orde voor de private lezing van de Akathisten  en welke in hoofdzaak bestaat uit de gebruikelijke Inleidingsgebeden uitlopende op Psalm 50 met daarna de Geloofsbelijdenis.
In deze spiritualiteit gaan alle dingen en voorvallen terug op twee kanten: één kant heeft deel aan de gevallen werkelijkheid waarin wij leven, de andere kant verwijst naar de werkelijkheid zoals God die goed, schoon en waarachtig geschapen heeft en die dat in de niet-eindigende tijd der voleinding weer zal hebben.
Ook het Evangelie laat ons de tijd van de Wederkomst van de Heer zien, omdat wat Christus ons in Zijn omwandeling op aarde heeft getoond, een voorafbeelding is van wat eerst in die nooit eindigende tijd van ‘de dag zonder avond’ ten volle wordt vervuld. Daarom leest de Kerk in een Moleben voor een zieke b.v. de Evangelieperikoop van de bloedvloeiende vrouw (Marcus 5:24-34), opdat dit Evangelie vanuit de volheid van de Wederkomst van onze Heer, over de zieke vaardig moge worden en deze deel moge krijgen aan de door Christus bewerkstelligde verlossing van zijn of haar ziekte.

2.]. Akathist van Dankzegging aan de Heilige Drievuldigheid.
Kort samengevat: wij kunnen Gods aanwezigheid (of weemoedige afwezigheid) in natuur, in leven en vooral in de Mysteriën der Kerk slechts ervaren in zoverre wij ze willen zien als een voorafbeelding van het eeuwige heden van de tijd der Wederkomst, als God alles in allen en in alles zal zijn. Als spiritualiteit vind ik dit
nergens mooier en treffender uitgedrukt dan in de Akathist van Dankzegging aan de Heilige Drie-eenheid geschreven door Metropoliet Trifon (Turkestanow), die leefde van 29 november 1861 tot 5 juni 1934.
In de eerste Wereldoorlog is deze – toen nog bisschop – Trifon aan het Poolse front gewond geraakt en was daardoor gedwongen terug te keren naar Moskou, waar hij zich terugtrok in het Nieuw Jeruzalem Opstandingsklooster. Omdat hij in de Russische Kerk geen openbare functie bekleedde, werd hij verder met rust gelaten. Formeel in ruste, was hij nochtans een van de voornaamste leidinggevenden in de Russische Kerk.
Een nimmer aflatende stroom bezoekers die geestelijke hulp zochten, had hem in zijn teruggetrokken plaats snel ontdekt en Vladika Treifon werd voor hen een staretz zoals ook de heilige Ambrosius van Optina Poestin, waarvan hij eertijds een geestelijk kind geweest was.
Hij heeft deze Akathist van Dankzegging  onder het motto “Dank aan God voor alles” aan het einde van zijn leven geschreven, naar schatting omstreeks 1930. In de Sovjettijd van toen werd deze tekst kennelijk niet in de openbaarheid gebracht. Dat was te gevaarlijk. Maar in 1935, een jaar na zijn dood, verscheen de Akathist van Dankzegging  (met de latere toevoeging: aan de heilige Drie-eenheid)  in Odessa in de openbaarheid, nadat deze uit een Russisch concentratiekamp gesmokkeld was. Kennelijk had een van de vrienden van metropoliet Trifon deze tekst bij zich toen hij in dat concentratie-kamp werd opgesloten en speelde deze het klaar die naar buiten te smokkelen.
Ik zal deze Akathist niet geheel bespreken, omdat, in zoverre deze inderdaad zijn inspiratie haalt uit ons gelovige verlangen naar die niet voorbijgaande tijd, deze ook deel heeft aan de schoonheid daarvan. Dan is het een gedicht. Naar een gedicht dat voor zichzelf spreekt kan men hoogstens met de vinger wijzen, of kort uitleggen wat zonder meer niet begrijpelijk is.
Ik beperk mij daarom tot een tweetal plaatsen in deze Akathist, waarin degene die deze leest of bidt overtuigend naar de wereld van de Wederkomst van Christus en het Koninkrijk van God wordt opgevoerd.

Uit Kondakion 2: “… Gezegend zij moeder aarde in haar kortstondige luiste, welke ons doet verlangen naar ons eeuwig tehuis, waar te midden van schoonheid, die nimmer voorbij gaat, we zonder einde horen zingen: Alleluia”.
Uit Ikos 3 (over de triomf van de lente): “… de wouden dragen hun sneeuwwit lichtend gewaad: heel de aarde smacht naar de eeuwige bruiloft, want zij mag de onvergankelijke Bruidegom worden tot bruid. Wanneer Gij zulk een schoonheid reeds schenkt aan de kruiden, welk een luister zullen wij dan in de Opstanding zien: hoe lichtend zal ons lichaam dan stralen! Met welk een schoonheid zal onze ziel worden getooid!”
Maar er is veel meer aan ontroering en gelovige herkenning in deze Akathist. Zoveel aangrijpende beelden én – door alles heen – die tintelende vreugde. Deze wonderbare Metropoliet Trifon die als oorlogsinvalide op onopvallende wijze voor tallozen een geestelijke steun is geweest in deze voor de Kerk verschrikkelijke tijd en nahef overlijden van Patriarch Tichon ook voor de Russisch Orthodoxe Kerk als geheel, hij is het die zo iets moois en ontroerends schiep als deze Akathist van Dankzegging.
Hij hoefde voor zichzelf niet te verklaren hoe hij deze voorafbeeldingen van de Parousie (glorieuze verschijning, wederkomst) ontving.
Hij leefde vanuit de spiritualiteit daarvan, dat is: vanuit de voorafbeelding van wat in de niet eindigende dag der Wederkomst als realiteit leeft.  De voorafbeelding van deze realiteit is ook de aarde waarmee Aljosja Karamazow een verbond sluit nadat hij het visioen van de Bruiloft van Kana heeft gehad.
Ook herdenk ik hier de onbekende priester, één van de nieuwe Martelaren, die de tekst van deze Akathist kennelijk bij zich had toen hij in een strafkamp werd opgenomen. Hij heeft ervoor gezorgd dat deze tekst uit het strafkamp gesmokkeld werd en zodoende in de openbaarheid kwam in Odessa in 1935, het jaar volgende op het sterfjaar van Metropoliet Trifon.

Alles wat ik hiervoor gezegd heb over het leven vanuit de voorafbeelding van de Wederkomst van onze Heer, wordt tot niets bij de ontroering die deze Akathist mij geeft. Hoe moeilijk valt het mij mijn gedachten te combineren met zoiets overweldigends!
Tot besluit geef ik onderstaand de volledige vertaling in het Nederlands van deze Akathist.
Hopelijk is het mij gegeven de oorspronkelijke tekst nog in andere vertalingen te bekomen, en te vermenigvuldigen voor de verkoop in de ‘kerkwinkeltjes’ van de Orthodoxe Parochies die wij in ons land rijk zijn.
Adelbert Roessingh.

Акафист «СЛАВА БОГУ ЗА ВСЕ»
Metropoliet Triphon [Turkestanow] 1861-1934

Beginnend met de inleidingsgebeden:
L.
Door de gebeden van onze heilige vaders,
Heer Jezus Christus, onze God, ontferm U over ons”.
Amen.

P/L. Eer aan U, onze God, eer aan U.
Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid,
Die alom tegenwoordig zijt en alles vervult,
Schatkamer van het goede,
en Schenker van het leven,
kom en verblijf in ons,
reinig ons van alle smet,
en red onze zielen, o Goede”.

L: “ Heilige God, Heilige Sterke, Heilige Onsterfelijke,
ontferm U over ons. (3x)
Eer … Nu en …

Alheilige Drieëenheid, wees ons genadig,
Heer, wis onze zonden uit,
Meester, vergeef ons onze ongerechtigheden,
Heilige, bezoek ons en genees onze zwakheden,
omwille van Uw Naam.
Heer, ontferm U. (3x)

Eer … Nu en …

Allen: “Onze Vader, Die in de hemelen zijt,
Uw Naam worde geheiligd,
Uw Koninkrijk kome,
Uw wil geschiede,
zoals in de hemel, zo ook op aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood,
en vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij onze schuldenaren vergeven,
en leid ons niet in verzoeking,
maar verlos ons van de boze”.

P: “Want van U is het Koninkrijk …”
L:  “Amen.
Heer, ontferm U. (12x) Eer .. Nu en …
Komt, laat ons aanbidden en neervallen voor God, onze Koning.
Komt, laat ons aanbidden en neervallen voor Christus God, onze
Koning.
Komt, laat ons aanbidden en neervallen voor Christus Zelf, onze
Koning en God”.

Kondakion 1
Onvergankelijke Heerser over de eeuwen,
in Uw hand liggen alle wegen van het menselijk lot,
door de Kracht van Uw verlossende zorgen.
Wij danken U voor alle weldaden, bekend of onbekend voor het leven op aarde en voor de vreugde in Uw Hemel.
Blijf ons overdekken met Uw Genade, ons die U zingen: Alleluja“.
refr: “Alleluia, Alleluia, Alleluia”.

Ikos 1
Als onmachtig en hulpeloos kind werd ik in deze wereld geboren, maar Uw Engel overdekte met lichtende vleugels mijn wieg.
Sindsdien heeft Uw Liefde mij geleid op al mijn wegen,
om mij te brengen tot het eeuwige Licht.
Ik bezing de rijke Gaven van Uw zorgende Liefde,
die Gij mij dag in, dag uit, hebt geschonken.
Ik dank U, en roep met allen die U erkennen, tot U:
        Eer aan U, Die mij in het leven gebracht hebt;
        Eer aan U, Die de pracht van het heelal aan mij toont;
        Eer aan U, Die mij doet zien in Uw Hemel en aarde
                het eeuwige Boek van Uw Wijsheid;
        Eer aan U, voor elk van mijn schreden;
        Eer aan U, voor elk ogenblik van vreugd’;
        Eer aan Uw eeuwigheid in deze voorbijgaande wereld;
        Eer aan U, voor elke klop van mijn hart.
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.
refr: “Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid

Kondakion 2
Heer, hoe wonderbaar is het om Uw gast te wezen:
hoe geuren Uw bloemen, hoe hoog reiken Uw bergen!
Hoe spiegelt het water het gouden licht en de stralende wolk!
Heel de natuur is vervuld van Uw Schoonheid;
Uw scheppende Liefde zegelt al het gedierte van het veld.
Gezegend zij moeder aarde, in haar kortstondige luister,
welke ons doet verlangen naar ons eeuwig tehuis,
waar temidden van schoonheid, die nimmer voorbijgaat
we zonder einde zingen: Alleluja“.
refr: “Alleluia, Alleluia, Alleluia”.

Ikos 2
Als een Paradijs is ons geschonken op aarde: een kelk van grondeloos blauw, geveld met vogelgezang, rustgevend ruisen de oneindige wouden, met muziek van het murmelend water der beek.
Als spijs de heerlijke vruchten en de geurende honing; hoe schoon is de aarde; welk een vreugd’ het te gast zijn bij U!
Eer aan U, voor het feest van het leven;
Eer aan U, voor de lieflijke geur van de                     bloemen;
Eer aan U, voor de veelsoortige smaak                     van het fruit;
Eer aan U, voor de diamanten der dauw in de ochtend;
Eer aan U, Die daarin Uw Lieflijke glimlach zendt;
Eer aan U, voor dit aardse leven, voorbode van hemelse vreugd’.
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid
”.
refr:
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.

Kondakion 3
“ De Macht van Uw Geest zien wij in de bloemen weerspiegeld:
in haar stoelende zachtheid, haar rijkdom van geuren en kleur:
de luister der Grootheid, weerkaatst in het kleinste.
Zingt voor God een hymne voor het bloemtapijt van de bergen,
voor tarwe, die velden siert als een kroon,
en korenbloemen daartussen, als scherven van de Hemel,
waardoor onze ziel met zoveel vreugd’ wordt gevuld.
Verheug u dan en jubelt voor God: Alleluia”.
refr: “Alleluia, Alleluia, Alleluia”.

Ikos 3
Hoe heerlijk zijt Gij, in triomf van de Lente, als de natuur tot het nieuwe leven ontwaakt en U met duizendvoudige vreugd’ verheerlijkt:
Gij zijt de Bron van het Leven, de Overwinnaar van de dood!
   De nachtegaal doet in het maanlicht zijn zangen weerklinken, de wouden dragen hun sneeuwwit, lichtend gewaad:
heel de aarde macht naar de eeuwige bruiloft,
want zij mag de onvergankelijke Bruidegom worden als bruid.
Wanneer Gij zulk een schoonheid reeds schenkt aan de kruiden,
welk een luister zullen wij dan in de Opstanding zien:
hoe Lichtend zal ons lichaam dan stralen!
met welk een schoonheid zal onze ziel worden getooid!
Eer aan U, Die het Licht uit het duister doet stralen
en zulk een rijkdom van smaken en kleuren bereidt;
Eer aan U, voor de gulheid en tederheid van geheel de natuur;
Eer aan U, dat U ons hebt omringd met duizenden van Uw scheppingen;
Eer aan U, voor Uw Wijsheid, Die alles omvat.
Eer aan U!  In liefde kus ik de sporen van Uw onzichtbare voeten;
Eer aan U, Die ons het Licht van het eeuwige Leven schenkt;
Eer aan U, onze Hoop op onsterflijkheid en eindeloze schoonheid.
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid
”.
refr:Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.

Kondakion 4
Welk een vreugde schenkt U aan wie U gedenken,
hoe Leven-scheppend is Uw zo Goddelijk Woord!
Met U spreken is zachter dan olie en zoeter dan honing:
bezield en gevleugeld stijgt ons gebed tot U omhoog.
Welk een enthousiasme vervult ons hart bij het opzien
naar de met zulk een diepe Wijsheid vervulde natuur,
en Uw Majesteit, Die Zich toont in alles omvattend Leven.
Waar u niet zijt, daar is slechts het niets,
dan verzinkt alles in een wanhopige leegheid.
Maar toont U Zich aan ons, dan verheugt zich de ziel
in een alles overtreffende rijkdom:
en als een fontein ontspringt uit haar de lofzang: Alleluia

refr:Alleluia, Alleluia, Alleluia”.

Ikos 4
De stilte van de zonsondergang daalt over de aarde,
de rust van het avondlicht overwint de dovende dag;
de roodgouden wolken in de diepblauwe Hemel tonen ons het verblijf in Uw stralend Paleis.
Vuur en purper, gouden, azuren schoonheid, verkondigen ons iets van de
luister van onze woning bij U en fluisteren ons toe, zonder woorden:
Laat ons opgaan tot onze Vader en God!
Eer aan U, op het stille uur van de avond;
Eer aan U, Die groter rust over de wereld heeft uitgestort;
Eer aan U, voor de laatste straal van de ondergaande zon;
Eer aan U, voor de rust van de Genadige sluimer;
Eer aan U, Die ons nasi is als in het duister de wereld verdwijnt;
Eer aan U, voor ons ontwaken in de eeuwige dag zonder avond
Eer aan U, voor het gloeiend gebed van een bewogen ziel.
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid
”.
Volk, refr:Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.

Kondakion 5
Geen storm van het leven kan ons van ontzetting vervullen,
zolang het Licht van Uw Vuur onze harten verlicht.
Al woedt om ons heen de duistere storm van het onweer,
in onze ziel heersen kalmte em licht.
Daar is het warm en rustig, want daar is Christus,
en ons hart zingt met innerlijke vreugd’: Alleluia

refr:Alleluia, Alleluia, Alleluia”.

Ikos 5
Ik zie op naar Uw van sterren stralende Hemel:
hoe groot is Uw Rijkdom, hoeveel Licht is er bij U!
Eeuwige oneindigheid straalt mij toe uit Uw Hemel;
hoe klein en nietig ik mij ook voel, toch ziet mij de Heer,
en waar ik ook ben, Hij draagt mij in Zijn liefdevolle handen.
Eer aan U, Die onophoudelijk voor mij zorgt;
Eer aan U, voor hen, die Uw Voorzienigheid mij doet ontmoeten;
Eer aan U, voor de liefde van de mijnen en de toewijding van vrienden;
Eer aan U, voor de zachtmoedigheid van de dieren die mij dienen;
Eer aan U, voor de lichte minuten van mijn leven;
Eer aan U, voor de blijdschap, door U aan mijn hart geschonken;
Eer aan U, voor het geluk dat ik leef en beweeg en mag zien.
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid
”.
refr:Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.

Kondakion 6
Hoe is Uw Majesteit ons nabij bij het indrukwekkend geweld van het onweer!
Wij zien Uw Machtige hand in de verblindende bliksemschicht.
Hoe prachtig Uw Grootheid!
De stem des Heren over de landen:
de stem des Heren in triomf van de donder met zijn regenvloed;
de stem des Heren in het angstig geweld van het vuur uit de aarde.
     Gij rolt de Hemel op als een mantel;
hoog tot de Hemel jaagt Gij de stonnende golven der zee.
De hoogmoedige mens vernedert U als een gewonde,
maar de deemoedige doet U in verrukking roepen: Alleluia
”.
refr:Alleluia, Alleluia, Alleluia”.

Ikos 6
Hoe armelijk verbleekt de stralende lamp naast Uw bliksem:
Zo hebt U eensklaps, midden in de aardse vreugd’n, gestraald in mijn ziel;
na deze Lichtflits, hoe verbleekt en onecht werden die vreugd’n,
want de werkelijke honger van de ziel gaat alleen uit naar U!
Eer aan U, Einddoel van ons verlangen;
Eer aan U, voor de onstilbare dorst naar gemeenschap met God;
Eer aan U, deze onbevredigbaarheid hebt U ons geschonken; dit eindeloos                        verlangen hebt u in ons wezen geplant.
Eer aan U, Die ons Uw onzinkbaar Licht doet aanschouwen;
Eer aan U, Die de macht van de geest van de duisternis breekt;
en Die al het boze tenslotte aan vernietiging prijsgeeft;
Eer aan U, Die ons iets van het uiteindelijk geluk bij U openbaart.
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid
”.
refr:Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.

Kondakion 7

Drinken aan de Bron

“ De klankrijkdom van de natuur openbaart ons Uw roepstem;
U opent voor ons een voorhof van het Paradijs in het vervoerend geluid van zang en muziek met hun wijdse harmonieën.
Het de stralende Kracht van elk kunstwerk, van alles dat werkelijk schoonheid bezit,
om ons op te heffen met machtige Kracht tot U, de ware Schoonheid
en Die ons ertoe brengt om in extase tot U te zingen: Alleluia”.
refr:Alleluia, Alleluia, Alleluia”.

Ikos 7
De kracht van kunstenaars, genieën en dichters
komt uit de inspiratie van de Heilige Geest.
In hun bovenbewustzijn, in profetisch schouwen,
heerst daar de van U komende, innerlijke Wet
en de afgrond van Uw Wijsheid.
Zelfs ongewild zijn zij daarom getuigen van U:
hoe groot U Zichzelf toont in s’mensen hoogste en scheppende daad!
”.
        Eer aan U, Die ons de ondoorgrondelijke Wijsheid leert kennen van de
wetten waardoor het heelal wordt bestuurd;
Eer aan U, hoe toont heel de natuur Uw aanwezigheid;
Eer aan U, voor alles wat U ons in Uw Goedheid doet zien;
Eer aan U, voor wat U in Uw Wijsheid  voor ons hebt verborgen’
Eer aan U, voor het genie van het mensenverstand;
Eer aan U, voor de leven-scheppende kracht van de arbeid;
Eer aan U, voor de vuurvlam van de inspiratie.
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid
”.
Volk, refr:Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.

Kondakion 8

U geeft ons voedsel te rechter tijd

Hoe bent U ons nabij in dagen van ziekte.
U bent het Zelf, Die lijdenden met Uw Goedheid bezoekt.
U buigt U over onze smart en ons hart mag tot U spreken:
temidden van leed en druk geeft Uw Vrede ons Licht.
U schenkt ons hulp, waaraan wij niet durfden denken:
U bent de Trooster, de Liefde, de Barmhartigheid.
Wel is het een Liefde, Die op de proef stelt,
maar die ook met ons meelijdt en ons weer redt
om ons daarom vol vreugde tot U te laten zingen: Alleluia”.
refr:Alleluia, Alleluia, Alleluia”.

Ikos 8
Toen ik als kind voor het eerst bewust tot U heb gebeden,
hebt U mij verhoord en mij met kalmte vervuld.
Toen heb ik begrepen dat U in Waarheid Goed bent,
en dat zalig is al wie zijn toevlucht mag nemen tot U,
zoals ik mij ook nu tot U richt met de woorden:
        Eer aan U, Die mijn wensen ten Goede vervult;
Eer aan U, Die over mij waakt in het licht en het duister;
Eer aan U, Die zoveel ernstig verdriet door de loop van de tijd weet te helen;
Eer aan U, in Uw nabijheid bestaat geen verlies zonder Hoop,
want U schenkt aan allen het eeuwige Leven.
Eer aan U, al wat goed is en verheven maakt U ons onsterfelijk
en U belooft het weerzien met onze beminden.
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid
”.
refr:Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.

Kondakion 9

het altaar met vader Basilios Khamis

“ Het is als glimlacht de natuur ons stil toe als wij Uw feesten vieren:
hoe komt dan die wonderbare lichtheid in ons hart, die met niets anders op aarde vergeleken kan worden?
Zelfs de lucht in het altaar lijkt doorschemerend van Licht.
Het is de stille ademtocht van Uw Genade, het ThaborLicht, dat verborgen nog steeds in de wereld straalt,
wanneer de Hemel de aarde tezamen de lofzang zingen: Alleluia”
refr:Alleluia, Alleluia, Alleluia”.

Ikos 9
Toen U het Goede in mijn hart had gelegd
om mijzelf te wijden aan de dienst tot de naaste:
toen hebt U mijn ziel door deemoed verlicht,
door een straal van Uw oneindig Licht, Die U in mij deed schijnen.
Toe werd mijn hart lichtstralend: als ijzer, verhit door het vuur;
en Uw onaanschouwbaar Gelaat mocht ik geheimenisvol aanschouwen.
        Eer aan U, Die al Uw bevelen verbindt met onzegbaar geluk;
Eer aan U, Die als lieflijke geur opstijgt uit elke daad van erbarmen;
Eer aan U, Die ons onderricht door mislukking en smart,
om ons gevoelig te maken voor het lijden der mensen;
Eer aan U, Die het goed doen beloning schenkt in zichzelf;
Eer aan U, Die medelijden hebt met de klacht van ons smeken;
Eer aan U, Die
  hoger dan al het aardse de Liefde hebt gesteld.
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.
refr:Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.

Kondakion 10
Wat grondig vernield is, kunnen wij mensen niet herstellen,
maar U brengt zelfs tot Leven hen wier geweten geheel is vergaan.

Schoonheid, waarin                                      Gods Geest aan het werk is

Aan zulke zielen schenkt U terug hun vroegere schoonheid, die zij zo wanhopig teniet hadden gedaan.
Want U bent in Wezen geheel en al Liefde:
bij U bestaat niets dat niet kan worden hersteld: U bent immers de Schepper en de Formeerder.
En wij zeggen U met onze zang: Alleluia”
refr: “Alleluia, Alleluia, Alleluia”.

Ikos 10
Mijn God, zelfs lucifer, Uw Lichtdrager, is oneindig gevallen:
red mij in Uw Genade: laat mij niet afvallig worden van U.
Laat mij niet de herinnering verliezen aan Uw Gaven en Weldaden;
laat niet toe dat de twijfel aan U doordringt in mijn hart!
Scherp mijn gehoor om in alle omstandigheden van het leven
Uw geheimvolle stem te vernemen in mijn ziel,
opdat ik mag roepen tot U, de Alomtegenwoordige:

        Eer aan U, Die mijn levensgebeuren Heerlijk hebt samengevlochten;
Eer aan U, voor de hoge vermoedens die Gij ons schenkt;
Eer aan U, voor de innerlijke stem om mij te leiden;
Eer aan U, voor inzicht mij geschonken in waken of droom;
Eer aan U, Die onze nutteloze plannen verijdelt;
Eer aan U, Die door lijden de roes van onze hartstochten breekt;
Eer aan U, Die tot onze genezing ons hoogmoedig hart vernedert.
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.
refr: “Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.

Kondakion 11
Dwars door de ijzige boeien van de voorbijgaande eeuwen
bespeur ik hoe zij toch door Uw Levende Adem worden verwarmd,
omdat Uw Goddelijk Bloed daarin werd vergoten.
Reeds bent U ons nabij: ik zie op naar Uw Kruis:
Uw Grote en Heilig Kruis: daarvoor werp ik mij neer in het stof:
het is de eindoverwinning van de verlossende Liefde.
Nooit eindigt daarom de lofzang: Alleluia

refr: “Alleluia, Alleluia, Alleluia”.

Ikos 11
Welzalig wie deelheeft aan Uw Avondmaal in Uw Koninkrijk!
Hoe vaak reeds hebt U mij daaraan deelgenoot gemaakt!
In al mijn zondigheid mocht ik Deze Heiligheid in mij opnemen,
mocht ik ervaren hoezeer U mij bemint.
Eer aan U,  voor de ondoorgrondelijke Levenschenkende Kracht van Genade
Eer aan U,  voor de stille haven in deze uitgeputte wereld: Uw Kerk;
Eer aan U, Die ons door het water van de Doop hebt herboren;
Eer aan U, Die aan de bekeerde weer lelie der reinheid schenkt;
Eer aan U, voor de Kelk des Levens en voor het Brood van de eeuwige Vreugd’
Eer aan U, Die ons tot in de Hemel verheven hebt;
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.
refr: “Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.

Kondakion 12
een glimp van Uw Schoonheid toont vaak het Gelaat van een dode:
onvergelijkelijke rust, geheimzinnige Vreugd’;
hoe schijnen die trekken bijna onstoffelijk, bevrijd van zwaarte,
als een overwinningskreet van Vrede en Geluk,
woordeloos zwijgend toch over U sprekend.
Verlicht ook mijn ziel in het scheidingsuur, opdat ook ik tot U mag roepen: Alleluia

refr: “Alleluia, Alleluia, Alleluia”.

Ikos 12
Hoe klein is mijn lof, mij is niet de zang der Cherubijnen geschonken,
die in de zielen der begenadigden klinkt
maar ik weet toch hoe heel de aarde U verheerlijkt:
ik zie haar, in maanlicht en witte gewaden gehuld
en met sneeuwdiamanten getooid, U aanbidden.
Ik mocht zien de vlammende vreugd’ van de opgaande zon:
ik mocht horen hoe het lieflijke koor der vogels Uw eer bejubelt;
hoe geheimvol de wind voor U zingt in het ruisende woud;
het gedruis van het water van de zee en het murmelend beekje.
En hoe machtig verkondigt de reidans der sterren Uw lof!
     Welk belang heeft dan nog mijn loflied?
De schepping gehoorzaamt, maar ik niet.
Doch zolang ik levend Uw Liefde mag zien, wil ik bidden en roepen:
Eer aan U, Die ons het Licht doet aanschouwen;
Eer aan U, Die ons met zulk een diepe, Goddelijke Liefde bemint;
Eer aan U, Die zoveel Engelen en Gerechten rond ons gesteld hebt;
Eer aan U, Heilige Vader, Die ons Uw Koninkrijk hebt beschikt;
Eer aan U, Zoon van God, Die ons de weg ter Verlossing hebt geopend;
Eer aan U, Heilige Geest, Levenschenkende Zon der komende eeuw;
Eer aan U, voor alles, Goddelijke Algoede Drieëenheid.
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.
refr: “Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.

Slot-Kondakion 13 . . . . . 3 maal!
    Algoede Levenschenkende Drieëenheid,
aanvaard voor Uw Genadegaven onze dank;
maak ons genadig Uw weldaden waardig,
zodat wij woekeren met het ons toevertrouwde talent,
en mogen wij ingaan in de Vreugd’ des Heren
onder het zingen van het overwinningslied: alleluia
”.

Daarna:
Kondakion 1

Onvergankelijk Heerser over de eeuwen,
in Uw hand liggen alle wegen van het menselijk lot,
door de Kracht van Uw verlossende zorgen.
Wij danken U voor alle weldaden, bekend of inbeukend.
voor het leven op aarde en voor de vreugde in Uw Hemel.
Blijf ons overdekken met Uw Genade, ons die U zingen: Alleluia
”.
refr: “Alleluia, Alleluia, Alleluia”.

Ikos 1
Als onmachtig en hulpeloos kind werd ik in deze wereld geboren,
maar Uw Engel overdekte met lichtende vleugels mijn wieg.
Sindsdien heeft Uw Liefde mij geleid op al mijn wegen,
om mij te brengen tot het eeuwige Licht.
Ik bezing de rijke Gaven van Uw zorgende Liefde,
die Gij mij dag in, dag uit, hebt geschonken.
Ik dank U, en roep met alle, die U erkennen, tot U;
Eer aan U, Die mij in het leven gebracht hebt;
        Eer aan U, Die de pracht van het heelal aan mij toont;
        Eer aan U, Die mij doet zien in Uw Hemel en aarde
                                          het eeuwige Boek van Uw Wijsheid;
        Eer aan U, voor elk van mijn schreden;
        Eer aan U, voor elk ogenblik van vreugd’;
        Eer zij aan Uw eeuwigheid in deze voorbijgaande wereld;
        Eer aan U, voor elke klop van mijn hart.
Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.
Volk, refr: “Eer aan U, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid”.

Theotokos,                                die naar Christus verwijst

Psalm 50 met daarna de Geloofsbelijdenis

        Door de gebeden van al Uw Heiligen,
de Alheiligste Moeder God,
        Heer Jezus Christus,
        Zoon van God,
        ontferm U over ons en red ons
.
Amen.

30e Zondag na Pinksteren – Afscheid van het feest van de Geboorte des Heren & de Zondag voorafgaand aan Theophanie

Marcus’ Evangelie

      Begin van het Evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God.
Gelijk geschreven staat bij de profeet Isaiah:
‘Zie, Ik zend Mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg bereiden zal; de stem van een, die roept in de woestijn:
Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden, geschiedde het, dat Johannes doopte in de woestijn en de doop der bekering tot vergeving van zonden predikte.
       En het gehele Joodse land liep tot hem uit en alle inwoners van Jeruzalem, en zij lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan onder belijdenis van hun zonden.
       En Johannes was gekleed met kameelhaar en met een lederen gordel om zijn lendenen, en hij at sprinkhanen en wilde honing.
       En hij predikte en zeide:
Na mij komt, Die sterker is dan ik, Wiens schoenriem ik niet waardig ben, neerbukkende, los te maken. Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de heilige Geest
Marc.1: 1-8.

    Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle. Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur.
Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij maar ook allen, die Zijn Verschijning hebben liefgehad2Tim.4: 5-8.

De Blijde Boodschap, Die Marcus in opdracht van Petrus geschreven heeft, begint dit Evangelie overduidelijk  met de getuigenis ‘Jezus Christus, de Zoon van God’
Wij concentreren ons op de getuigenissen van hen die verklaren dat Jezus Christus de Zoon van God is.
Sommigen verklaren deze gedeelten typologisch, omdat zij van mening zijn dat de Heer Jezus pas de Zoon van God werd na Zijn Opstanding; God zou dan deze uitspraak gedaan hebben, vooruitziende op de tijd ná de Opstanding.
Dit is een verzinsel van vele gevallen bijbeluitleggers, die u op het verkeerde been trachten te zetten. Hun beweringen blijken immers nergens uit, het is betreurenswaardig dat er voorgangers rondlopen, die in het geheel niet meer geloven dat Christus, vanaf Zijn komst hier op aarde, God en Mens ja, “voor de volle 100% God en voor de volle 100% mens” is geweest. Dit soort voorgangers zouden op grond van de uitspraak van de eerste getuigen van de Kerk onmiddellijk hun functie dienen neer te leggen en voor hun eigen ziel en zaligheid iets anders dienen te gaan doen.
Wie gelooft en zich laat dopen zal behouden worden, maar wie niet gelooft zal veroordeeld wordenMarc.16: 16;  
Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van GodJohn.3: 18Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, doch wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hemJohn.3: 36.
Iedereen gaat uiteraard zijn eigen weg, maar we zien bij veel mensen na verloop van tijd bepaalde vroegere verworvenheden weer terugkeren. Ze hebben op grond van tijdsverschijnselen en in blinde navolging hun kerkrelatie verbroken. Vaak gaat het om mensen, die vroeger in een bepaalde traditie zijn opgevoed en op gegeven moment zeggen: “zou ik daar toch niet weer eens mee aan de slag gaan?”. Sommigen gaan op zoek en nemen heel gericht contact op met een gemeenschap. Anderen oriënteren zich op getuigenissen, met name tijdens de hoogfeestdagen.

♨︎ Het getuigenis van God zelf:

Theophany, Transfiguration & Opstanding van Lazaros, Sinaï-icon

Ten eerste God zelf, Die getuigd heeft, twee maal is Zijn stem gehoord.
De eerste keer bij de doop van onze Heer en daarna nog een keer op de berg Thabor, waar Hij temidden van Mozes en Elijah verheerlijkt werd.
God, de Vader Zelf:
En zie, een stem uit de hemelen zei: “Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!” Matth.3: 17; Marc.1: 11 en Luc.3: 22.
Je maakt God tot een leugenaar wanneer je stelt dat Gods uitspraak nog niet op dat moment gold. God maakt daar Zelf namelijk geen melding van.
En Gods uitspraak aan te passen aan je eigen bijbelse inzicht in plaats van die aan de Kerk, hetgeen na Thomas van Aquino gebruikelijk is geworden lijkt mij absoluut geen goede zaak. Vanaf het begin van de Blijde Boodschap werd op basis van de Voor- en Kerkvaderen [de Kerk] het Geloof doorgegeven en je zou je dood dienen te schamen, wanneer je jouw persoonlijke eigen bijbelinzicht aan een of ander modieus verschijnsel zou aanpassen.

Het getuigenis van de tegenstrever, de duivel:
♨︎ Na dit getuigenis van God over Zijn Zoon, komt de Satan persoonlijk op het

Verzoeking van de Heer

toneel om onze Heer en Verlosser te verzoeken; Hij herkende namelijk vanaf het begin z’n tegenstander. Hij grijpt terug op het Getuigenis van God en zegt: “Indien Gij Gods Zoon zijt ………….”. Dit heeft God immers gezegd en de duivel maakt hier gebruik van. Opgemerkt moet worden dat onze Heer en Verlosser niet ontkent dat Hij Gods Zoon is en dat de duivel niet zegt “Indien Gij Gods zoon zult worden………
Christus’ God-menselijke Lijden en Opstanding en onze gelijkenis aan Zijn Lijden en Opstanding Rom.6: 8-11 zijn twee cruciale onderwerpen van De Blijde Boodschap; de gelijkenis behoort immers alleen aan hen die zich met Christus bekleed hebben; Hem onvoorwaardelijk volgen.
Alles wat dit deel van de brief zegt over Christus’ dood en opstanding zijn van persoonlijk belang voor ieder van de heiligen, want ze zijn in ieder opzicht precies als Christus. We zouden daarom heel zorgvuldig iedere stap moeten markeren in de presentatie betreffende Zijn kruis en Opstanding, zodat we op verstandelijke wijze Zijn Oproep gehoorzamen: “Zo dient dit ook voor iedere christen onomwonden vast te staan en is er geen discussie mogelijk”.

♨︎ Petrus, als eerste onder de [gelijke] Apostelen:
Ook Petrus bevestigt Gods uitspraak op de berg der verheerlijking: “Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, toen een stem als deze van de verheven heerlijkheid tot Hem kwam: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb2 Petr.1: 17.

♨︎ Het getuigenis van de Heer, onze Verlosser:
Maar Hij zweeg en antwoordde niets.
Opnieuw stelde de hogepriester Hem een vraag, en zei tegen Hem: ‘Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende?’.
En Jezus zei: ‘Ik ben het. En u zult de Zoon des mensen zien zitten aan de rechter hand van de Kracht van God en zien komen met de wolken van de hemel’
”. Marc.14: 61,62; Matth.26: 63-64.

 

♨︎ Het getuigenis van de opstanding van Lazaros:
En toen Jezus hoorde over Lazaros:”  Heer, zie, die Gij liefhebt, is ziek’, zei Hij:
Deze ziekte is niet tot de dood, maar is er met het oog op de heerlijkheid van God, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt wordt
” John.11: 3,4.

♨︎ Het getuigenis van de blindgeborene:
Toen de Joden Hem wilde stenigen onder de verantwoording: “Niet om een goed
werk willen wij U stenigen, maar om godslastering en omdat Gij, een mens, Uzelf God maakt”, antwoordde Jezus hun:  Is er niet geschreven in uw Wet: Ik heb gezegd: Gij zijt goden? Als Hij hen goden genoemd heeft, tot wie het woord Gods gekomen is, en de Schrift niet kan gebroken worden, zegt gij dan tot Hem, Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft Gij lastert, omdat Ik heb gezegd: Ik ben Gods Zoon? Indien Ik de werken mijns Vaders niet doe, gelooft Mij niet, doch indien Ik ze doe en gij Mij toch niet gelooft, gelooft dan de werken, opdat gij weten en zult mogen erkennen, dat de Vader in Mij is en Ik in de VaderJohn.10: 33-38.
Jezus hoorde dat zij de genezen blindgeborene uit de synagoge geworpen hadden, en toen Hij hem gevonden had, zei Hij tegen hem: “Gelooft u in de Zoon van God? Hij antwoordde en zei: Wie is Hij, Heer, zodat ik in Hem kan geloven? En Jezus zei tegen hem: Die u gezien hebt én Die met u spreekt, Die is het. En hij zei: Ik geloof, Heer! En hij aanbad Hem” John.9: 35-38.
        Opm. n.a.v. John.9: 35: Er zijn enkele vertalers die vertalen met ‘Zoon Gods‘, de meesten vertalen echter met ‘Zoon des mensen‘,
Dit is afhankelijk van welke Griekse tekst gebruikt is.
In o.a. de Texus Receptus en de Byzantijnse Majority Griekse tekst staat Θεός [Theos =  God en o.a. in de Nesle, de Nesle-Atland en de Tischendorf staat
ανθρωπος [anthropos = mens]. Over de getuigenissen van God en onze Heer Jezus Christus zijn geen misverstanden, daarom nu naar andere getuigenissen.

♨︎ Het getuigenis van Markus:
Het begin van het Evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God” Marc.1: 1.

♨︎ Het getuigenis van Petrus:
“Simon Petrus antwoordde en zei: U bent de Christus, de Zoon van de levende God. En Jezus antwoordde en zei tegen hem: Zalig bent u, Simon Barjona, want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is” Matth.16: 16-17;  ook Marc.8: 29 en Luc.9: 20
Simon Petrus antwoordde Hem: Heer, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven; en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige van God” John.6: 68-69.

♨︎  Het getuigenis van Johannes de Doper: 
En Johannes getuigde: “Ik heb de Geest zien neerdalen uit de hemel als een duif, en Hij bleef op Hem. En ik kende Hem niet, maar Hij Die mij gezonden heeft om te dopen met water, Die had tegen mij gezegd: Op Wie u de Geest zult zien neerdalen en op Hem blijven, Die is het Die met de Heilige Geest doopt. En ik heb gezien en getuigd dat Híj de Zoon van God is” John.1: 32-34.

♨︎ Het getuigenis van Nathanaël:

Ik zag je onder de vijgenboom

Nathanaël antwoordde en zei tegen Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël. Jezus antwoordde en zei tegen hem: Omdat Ik tegen u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgenboom, gelooft u. U zult grotere dingen zien dan deze. En Hij zei tegen hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u allen: Van nu af zult u de hemel geopend zien en de engelen van God opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen” John.1: 50-52.

♨︎  Het getuigenis van Martha:
Jezus zei tegen haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al was hij gestorven, en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft u dat? Zij zei tegen Hem: Ja, Heer, ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou” John.11: 25-27.

♨︎ Het getuigenis van de honderdman:
En toen de hoofdman over honderd en zij die met hem Jezus bewaakten, de aardbeving zagen en de dingen die gebeurden, werden zij erg bevreesd en zeiden: Werkelijk, Dit was Gods Zoon!” Matth.27: 54.

♨︎ Het getuigenis van de Joden:
Daarom dan probeerden de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen het gebod van de sabbat brak, maar ook zei dat God Zijn eigen Vader was, en daarmee Zichzelf aan God gelijk maakte John.5: 18.

♨︎ Het getuigenis van de Farizeën:
En de voorbijgangers lasterden Hem, schudden hun hoofd, en zeiden: U Die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf. Als U de Zoon van God bent, kom dan van het kruis af! En evenzo spotten ook de overpriesters, samen met de schriftgeleerden en de oudsten en de Farizeeën, en zij zeiden: Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. Als Hij de Koning van Israël is, laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen Hem geloven. Hij heeft op God vertrouwd; laat Die Hem nu verlossen als Hij Hem welgezind is, want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods ZoonMatth.27: 39-43.
            Opm.: “Dat Christus Gods Zoon was, bewees Hij niet door van het kruis af te komen, maar door op te staan uit de dood.

♨︎ Het getuigenis van de ex- Farizeër Paulus:

Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God, dat Hij tevoren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften, ten aanzien van Zijn Zoon, Die wat het vlees betreft geboren is uit het geslacht van David. Wat de Geest van heiliging betreft, is Hij met kracht bewezen te zijn de Zoon van God, door Zijn opstanding uit de doden, namelijk Jezus Christus, onze Heer” Rom.1: 1-4. 1:1-4)

♨︎ Het getuigenis van de demonen:
En zie, zij riepen: Jezus, Zoon van God, wat hebben wij met U te maken? Bent U hier gekomen om ons te pijnigen vóór de tijd?” Matth.8: 29.
En telkens wanneer de onreine geesten Hem zagen, vielen zij voor Hem neer en riepen: U bent de Zoon van God! En Hij gebood hun streng en met klem dat zij niet bekend zouden maken wie Hij was” Marc.3: 11-12.
en met luide stem schreeuwde hij: Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon van God de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God dat U mij niet pijnigt! (Want Hij had tegen hem gezegd: Onreine geest, ga uit van deze man!) En Hij vroeg hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde: Mijn naam is Legio, want wij zijn met velen” Marc.5: 7-9; Luc.8: 28.
Ook gingen er van velen demonen uit, die schreeuwden en zeiden: U bent de Christus, de Zoon van God! Maar Hij bestrafte hen en liet hun niet toe te spreken, omdat zij wisten dat Hij de Christus was” Luc.4: 41.

Al het bovenstaande in aanmerking genomen nog een getuigenis van de schrijver van de Hebreeënbrief, de apostel, die als ex-farizeeër, de christenen vervolgde:
    Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer gegeven om Hogepriester te worden, maar Hij Die tot Hem heeft gesproken: ‘U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt. Zoals Hij ook op een andere plaats zegt: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek’. In de dagen dat Hij op aarde was, heeft Hij met luid geroep en onder tranen gebeden en smeekbeden geofferd aan Hem Die Hem uit de dood kon verlossen.  En Hij is uit de angst verhoord. Hoewel Hij de Zoon was, heeft Hij toch gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij heeft geleden.
En toen Hij volmaakt was geworden, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwige zaligheid geworden. Door God is Hij Hogepriester genoemd naar de ordening van Melchizedek
Hebr.5: 5-10.

de Kerk legt getuigenis af van onze voorvaderen

De getuigenissen die bovenstaand op een rijtje gezet worden onthullen dat zowel God als  Christus, de twee hoofdpersonen zijn die de Blijde Boodschap initiëren.
Christus luistert en Hij leert Zijn volgelingen hetzelfde en leert zodoende wat God voor elkaar heeft gebracht. Hij heeft voorzien in een rechtvaardiging van beërfde zonde.
Veel volgelingen zijn zich niet bewust dat de noodzaak voor zoiets ooit bestond!
Toch is het de fundamentele waarheid van de verlossing en heiliging, die in de hoofdstukken zes tot acht van de brief aan de Romeinen wordt gepresenteerd.
Het is zelfs voor de heiligen uit de heidenen moeilijk hierbij stil te staan en de redding van onze Heer en Verlosser te zien; we willen zo graag iets doen.
De opdracht ” gaat heen” volgt op de onthulling van Gods reddende Macht; God roept ons via Zijn Zoon op een godsvruchtig leven te leiden en daarmee het voorbeeld aan anderen te zijn; opdat iedere mens, die op deze aarde rondloopt, gered zal kunnen worden.
God heeft ons als een Vader lief en daarom heeft Hij Zijn Zoon gezonden om de wereld te redden. De geredde, de geheiligde dient zich niet te beroepen op zijn Geloof, dit heeft hij ontvangen als een Goddelijke Genadegave.
Het is niet vanwege het feit dat wij Geloof hebben dat Christus met onze oude mensheid verbonden was òf als gevolg van die relatie het recht hebben er voor verantwoordelijk te worden en ons aan het daaropvolgende lijden – ons kruis te dragen onderwerpen.
Ons Geloof laat ons als medegekruisigde zondedrager niet opstaan uit de doden; God laat dit plaatsvinden; Hij doet dit allemaal in Zijn Woord, door Jezus Christus.
Het was Christus Die, in uiterste gehoorzaamheid, naar de veroordeling en kruisiging ging. Hij was het Die ons in Zijn lichaam doopte.
Wij zijn niets meer dan nietsdoende en ongeïnteresseerde toeschouwers bij de tragedie op Golgotha, totdat God onthulde wat Hij in Christus’ dood en Opstanding aan het doen was.
Toen pas leerden we dat Christus ten behoeve van ons tot zonde was gemaakt, dat het onze veroordeling en dood was die Hij droeg, omdat wij niet in staat of gekwalificeerd waren om af te rekenen met onze beërfde zonde – nu niet nooit niet, ten minste niet in het ondermaanse, wij verwachten echter een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Alleen wanneer wij naar Gods onthulling van wat nodig is voor onze redding opzien, dan realiseren we ons de vreselijke veroordeling waaronder onze oude mensheid heeft gelegen en nog steeds ligt.
Indien wij, volgens de getuigenissen, tezamen met Christus gestorven zijn en indien wij in Hem zijn, zijn we verzekerd van het aanvullende feit dat we ook tezamen met Hem zullen leven.
Indien we niet op Christus’ wijze met Hem gestorven zijn, dan hebben we eveneens geen enkele  zekerheid dat we mèt Hem zullen leven.
De veelvuldig voorkomende woorden “tezamen mèt” zijn van belang.
⁌ Tezamen met Hem begraven zijn,
⁌ tezamen geplant zijn in de gelijkenis van Zijn dood,
⁌ tezamen gestorven zijn met Christus,
⁌ zullen we tezamen met Hem leven.
Dit zijn de feiten van onze verbintenis [het 2e Verbond] en eenheid met Hem.
Nadat wij met Christus in Zijn doop gedoopt zijn, wanneer wij met Hem zijn bekleed, wordt het heilige [het streven naar het volmaakte] nooit van Hem gescheiden gezien.
De mens is tezamen mèt Christus, zoals Christus in Zijn Theophanie, mèt Christus als gevolg van diezelfde doop.
We zijn niet alleen gerechtvaardigd van zonde omdat Hij aan zonde stierf, maar
ook omdat wij tezamen mèt Hem zullen sterven.

Tezamen sterven mèt Christus is niet enkel een innerlijke verandering,
het is een verandering van relatie mèt met zonde en diens veroordeling,
zoals die plaatsvond in Christus toen Hij er aan stierf.
Hoewel we aan zonde sterven en we er dientengevolge van gerechtvaardigd zijn,
bestaat de zonde nog steeds in ons.
Maar ze was nooit in Christus, want Hij is en was geheel God en geheel mens en kon derhalve niet zondigen.
    Christus,  die geen zonde gedaan heeft en
in wiens mond geen bedrog is gevonden
1Petr.2: 22;
      Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande;
in Naam van Christus vragen wij u: ‘laat u met God verzoenen’. Christus, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot Verlosser van onze zonden gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem2Cor.5: 20,21;
“     E
n een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is. Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid en de zonde is wetteloosheid. En gij weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij de zonden zou wegnemen en in Hem is geen zonde. Een ieder, die in Hem blijft, zondigt niet; een ieder, die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend“ 1John.3: 3-6.
       Christus’ dood aan de zonde had niet als doel Hem voor zonde verantwoordelijk te stellen. Wanneer gezegd wordt dat wij mèt Hem stierven, betekent het dat onze dood aan de zonde voor ons precies hetzelfde betekent als wat het voor Hem deed.  Wij volgelingen van Christus zijn bevrijd van dezelfde veroordeling en kruisiging als onze oude menselijke natuur moest ondergaan toen die werd gekruisigd. Wij mogen dan dood zijn omwille van de rechtvaardigheid, maar we kunnen nooit meer veroordeeld of gekruisigd worden vanwege onze inwonende zonde!

Apolytikion     tn.5.
Komt laat ons bezingen en aanbidden
het met de Vader en de Geest mede-eeuwige Woord,
Dat om ons te verlossen uit de Maagd geboren is.
Want Hij heeft het op Zich genomen
Zijn Lichaam aan het Kruis te laten slaan en de dood te verduren,
Om door Zijn Roemrijke Opstanding
de doden op te wekken
”.

Kondakion     tn. 5.
Ter helle zijt Gij neergedaald, mijn Heiland,
en in Uw Almacht hebt Gij de ijzeren poorten gebroken.
Al Schepper hebt Gij de gestorvenen opgewekt;
de prikkel des doods vernietigd,
en Adam van de vloek bevrijd, o Menslievende.
Daarom roepen wij U allen toe: Heer, red ons
”.

Theotokion     tn.5.
  Gij zijt in waarheid de cherubijnentroon,
want in U heeft het Woord woning genomen Alreine
en is in het vlees uit U voortgekomen.
Om ons heeft Hij het kruis ondergaan en
heeft Hij als God de Opstanding geschonken
Om onze natuur te verheerlijken.
Vraag voor ons om vergeving van zonden
”.

Hoogfeest van de Geboorte van Christus in het Vlees, opent u om de Verlosser voort te brengen

”    Toen nu Jezus geboren was te Betlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit het Oosten kwamen te Jeruzalem en deze vroegen:
‘Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen’.
     Toen koning Herodes hiervan hoorde, ontstelde hij en geheel Jeruzalem met hem. En hij liet al de overpriesters en schriftgeleerden van het volk vergaderen en trachtte van hen te vernemen, waar de Christus geboren zou worden.
Zij zeiden tot hen: ‘ Te Betlehem in Judea, want aldus staat geschreven door de profeet: En gij, Betlehem, land van Juda, zijt geenszins de minste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman voortkomen, die mijn volk Israël weiden zal’.
     Toen riep Herodes de wijzen in het geheim en deed bij hen nauwkeurig navraag naar de tijd, dat de ster geschenen had. En hij liet hen naar Betlehem gaan, en zeide: ‘Gaat en doet nauwkeurig onderzoek naar dat kind; en zodra gij het vindt, bericht het mij, opdat ook ik hem hulde ga bewijzen’. 
     Zij hoorden de koning aan en reisden weg; en zie, de ster, die zij hadden gezien in het Oosten, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het kind was. Toen zij de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.
     En zij gingen het huis binnen en zagen het kind met Maria, zijn moeder, en zij vielen neer en bewezen hem hulde. En zij ontsloten hun kostbaarheden en boden hem geschenken aan: goud en wierook en mirre. 
En van Godswege in de droom gewaarschuwd om niet tot Herodes terug te keren trokken zij langs een andere weg naar hun land terugMatth.2: 1-12.

”     Toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen.
      En, dat gij zonen zijt – God heeft de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader. 
Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door GodGal 4: 4-7.

God heeft de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader“. Zoekenden naar het Goede en volmaakte, ‘God’-zoekers, die zich bij de Kerk melden zijn op zoek naar het wezenlijke van het christendom.
Vaak denken ze dan eerst aan ‘goed doen voor de ander‘, daar is helemaal niets mis mee, maar de essentie van het Geloof is ons zoeken naar de persoonlijke relatie met onze Heer en Zaligmaker. Zijn Blijde Boodschap, Zijn Onderwijs [Pedagogie] omtrent datgene wat goed en slecht is, de boodschap, die aan Gods relatie voorafgaat vindt de zoekende mens veelal al bevrijdend.
       God heeft ons lief en uit liefde voor ons heeft Hij in ons verblijf willen komen zoeken, wachtend op het nederig antwoord van onze kant. God is onder ons, heeft Zich in ons gevestigd, daar wij tempels zijn van de beminnelijke Drie-eenheid:
Weten jullie niet, dat jullie Gods tempel zijn en dat de Geest van God in jullie woont? 
Indien iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods, en dat zijt gij, is heilig!1Cor.3: 16.

Zorg dat ook anderen klaar zijn deze oproep te verstaan:
Van de Bewoners van de Lage Landen wordt gezegd: “ God schiep de Hemelen en de aarde, maar de Nederlanders schiepen hun nederig land [beneden de waterspiegel]”.
Ja, Nederlanders spelen een beetje voor god, overeenkomstig Gods beeld en gelijkenis, want het is in deze wereld ‘pompen òf verdrinken’ en daarom scheppen wij onze mini-Cosmos.
       Maar wat wordt er bedoeld met:
      Weten jullie niet, dat jullie Gods Tempel zijn en dat de Goddelijke Geest ons –op all onze aardse wegen– onophoudelijk begeleidt”.
Vergeef mij wanneer ik iemand met m’n woorden ontstem.
Ik schrijf u slechts met de woorden die m’n hart mij ingeven, de goddelijke geest in mij, die dicteert, maar het is voor uw voordeel, om u te sterken in uw christelijk Geloof.
Ik doe dit, opdat u zichzelf ‘niet’ zoals zovelen in dit land toelaat om misleid te worden door hen, die het bestaan van God ontkennen.
Zij hebben het verkeerd met u voor; laat u niet misleiden, noch door hen beetnemen, waardoor u op een vals spoor zou komen, dat u naar de eeuwige verdoemenis geleid zou kunnen worden.

Velen onder ons zijn doof geworden voor de roep van onze Heer, van wat wordt er werkelijk gezegd in het onderwijs van de Heer; Die op Zijn Hoogfeest in het vlees, in ons vlees geboren wordt, Die ons zo van harte uitnodigt?
Hij richt zich tot de mensen die moe zijn van het leven onder het juk van hun eigen zonde, die verdriet hebben, niet in de eerste plaats over de zonden van anderen, maar over zichzelf.
      Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk [kruis] op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 28-31.
       Met deze geest van Geloof en onwillekeurig hun gebrek aan wereldse kennis, droegen onze bewonderenswaardige voorouders de grootste zorg voor de vrijwaring van de onschuld van hun kinderen uit vrees, dat ook maar iets de blanke kinderziel zou bevuilen.
Zoals de Heer Zelf ons Zelf heeft gewaarschuwd:
Ziet toe, dat gij niet een dezer kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het Aangezicht zien van mijn Vader, Die in de hemelen is. 
[Want de Zoon des mensen is gekomen om het Verlorene te behouden]
Matth.18: 10,11.      

De Schepping en de val van de mens

‘uit water en geest’

       Hemelse engelen aanschouwen altijd het Aangezicht van het Eeuwige Licht, en daarin [als in een immense spiegel waaraan alles voorbijgaat] is alles aanwezig en blijft alles alsof het gegraveerd is in de onuitwisbare kenmerken: het verleden, het heden en de toekomst.
Alles wat bestaat en wat geschapen is, is door God gevormd en al dan niet van Leven voorzien: – Hemel en hel, aarde, zon, maan en sterren, bekende en onbekende werelden, bezielde en onbezielde schepselen, absoluut alles, ontvangt het wezen en Leven door de Wil van de Almachtige, de Kennis en de Wijsheid van dat Oneindige Licht, welke God is, de enige waarachtige Bron van Waaruit alles is afgeleid, Welke zonder begin bestaat en waarvan elk licht en Leven niet meer is dan een heel klein deeltje, een zwakke weerspiegeling, een van Zijn klein opgloeiend klein gedeelte.

Wake-up
light

En zo zien de engelen in de Hemelen, die kijken zonder uitdrukking in de spiegel van het Licht, Die de oneindige God is, in Hem, zijn alle goede dingen, vinden alle dingen hun juiste plaats en grijpen alle dingen ineen door hun volkomen eenheid met God en hun deelname aan Zijn Genadegaven.

Schepping van de mens, Adam & Eva, vanuit het stof

En temidden van dit alles werd de mens en z’n gezellin gevormd uit de aarde en God vormde hen naar Zijn Beeld en gelijkenis en God zag dat alles wat Hij gemaakt was goed was.
Het is hier goed om hier naast alles wat de Blijde Boodschap ons naast de beperking meegeeft te herinneren, die de mens en z’n gezellin van God opgelegd kregen.
De Heer, onze God, hield de eerste mensen het volgende voor: “Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven” De vrouw keek naar die boom [van kennis van goed en kwaad] en zag dat de vruchten aan die boom er heerlijk uitzagen, zij waren een lust voor het oog, en zij vond het aanlokkelijk, dat de boom haar wijsheid zou schenken. Zij plukte een paar vruchten en at ervan en zij gaf ook wat aan haar man, die bij haar was en ook hij at ervan.

boom des levens, afbeelding op borduurwerk

Toen gingen hun beiden de ogen open en bemerkten ze, dat zij naakt waren; daarom regen zij vijgenbladeren aaneen en maakten er lendenschorten van . . . . .
Toen de man en zijn vrouw de Heer, onze God in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen.
Maar God, de Heer, riep de mens: “Waar ben je?”. Hij antwoordde: “Ik hoorde U in de tuin en werd bang, omdat ik naakt ben. Daarom verborg ik me”.
Wie heeft je verteld, dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan Ik je verboden had te eten?”. De mens antwoordde: “De vrouw, die U hebt gemaakt om mij terzijde te staan, heeft mij vruchten van de boom gegeven en toen heb ik ervan gegeten . . . . .”.
Toen zei de Heer, onze God, tot de man: “Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom, die Ik je had verboden. Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang. Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven. Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen, want stof ben je, en tot stof zul je terugkeren . . . . .”. Onze Heer en God maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok hen die aan Gen.2: 16-17 en 3: 6-21.

Al dan niet met Christus, met God bekleed zijn

Openbaring des Heren

Deze aloude geheiligde tekst toont ons, dat God de lichamen bedekte, die zij door zichzelf, door zich met hun verkregen kennis, te verheffen [de hoogmoed] hadden ontdekt, dat wil zeggen:
door de zonde, hadden zij zichzelf het ongeluk op de hals gehaald’.
Zij waren niet langer bekleed met de kledij van de door God verleende Genadegave; “zij waren niet langer met Christus bekleed”.
Om deze reden dienen wij mensen onszelf overeenkomstig de goede zeden te bekleden, ons zedig en met waardigheid [als heren en dames] te gedragen.
De mensen, die zich ‘niet’ overeenkomstig de goede zeden kleden, zijn een prikkel tot de zonde en zijn op die wijze niet alleen verantwoordelijk voor hun eigen zonden, maar eveneens voor de zonden, die anderen begaan omwille van hen. Denk derhalve na over jouw uiterlijk, niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk, en wanneer het niet is zoals het hoort en de wereld om je heen volgt dit alsof het wet is, dan is het een list van de tegenstrever [de duivel], een handige val waarmee de duivel zielen vangt. Op dezelfde wijze vangen jagers hun prooi in een schutkleur in de wouden en de velden [de tegenstrever, de ‘gevallen‘ engel, vangt zijn prooi ook onverwacht, in het geniep, in het donker].
God gaf ons de kledij ‘niet’ als een versiering om de menselijke pronkzucht en lichtzinnigheid te voeden. Neen! Hij gaf het ons als een bescherming tegen de zonde, als een teken van boete en straf voor onze begane zonden, alsmede om ons aan Zijn Wet te herinneren aan welke wij verplicht zijn te gehoorzamen.
Dit is slechts een voorbeeld van hoe wij mensen ons ‘na de val van de mens’ dienen te gedragen; hetgeen slechts een weergave is van hoe dit van geslacht tot geslacht, van eeuwen her, door onze voorvaderen aan ons is overgeleverd.
        Sta er eens bij stil en bekijk eens aandachtig hoe het een teken van de val, van zonde en straf, is voor de begane zonde en een bescherming tegen de verleiding.
De Blijde Boodschap vertelt ons dat, Adam en Eva probeerden zichzelf te bedekken met vijgenbladeren, maar God zag dat dit niet voldoende was, omdat er ons wordt verteld: “Hij maakte voor de man en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok hen die aanGen.3: 21.

Liefdevolle berisping                – Luc.14: 7

Hierop volgt een beschrijving van de straf en de boete, die door de liefdevolle Vader aan de mens wordt opgelegd omwille van de zonde: “Daarom stuurde Hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomenGen.3: 23 en dit “totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen, want stof ben je, tot stof keer je terugGen.2:  17.
Ja, het menselijk lichaam zal afsterven, omdat het gezondigd heeft en de Wet van onze Heer en God heeft overtreden. Maar erger nog zal onze ziel voor eeuwig verloren zijn, tenzij de mens berouw toont en boete doet. Wij mensen zullen sterven wanneer wij onze wereldse levenswijze niet veranderen en niet terugkeren tot gehoorzaamheid aan de Wet van onze Schepper, de Heer, onze Almachtige God.
Merk hierbij echter op, dat het niet enkel om deze twee redenen is [straf en boete voor onze zonden] dat God ons heeft gekleed, maar dat het eveneens tot andere doelen strekt. Naast een bescherming tegen de zonde, is zedige kledij [je kleden als de Heer onze God, je bent immers naar zijn beeld geschapen], die wij dienen te dragen, een teken, hetgeen ons onderscheidt van het gangbare immorele gedrag in de wereld en ons toelaat om voor de wereld ware getuigen te zijn van Christus.
Het kleden dient eveneens om ons te herinneren aan Gods Wet[ten] en aan onze ernstige verplichting deze te gehoorzamen. In feite vroeg God aan de mensen om hun kledij te bedekken met duidelijke tekenen, die hen doen herinneren aan Zijn Heilige Geboden.
Zeg tegen de Israëlieten, dat zij en al hun nakomelingen aan de zoom van hun kleren kwastjes moeten bevestigen waarin een blauw-purperen draad verwerkt is. Bij het zien van die kwastjes zullen jullie herinnerd worden aan alle geboden van de Heer, zodat jullie die naleven en Mij niet ontrouw worden door de begeerten van je hart en je ogen te volgenNum.15: 38-39.
Laat ons bekijken wat God hier bedoelt:
De kwastjes van uw kledij zullen dienen om u te herinneren aan de geboden des Heren,  om dezen niet ontrouw te zijn naar uw eigen hart en ogen, waartoe u geneigd bent om deze te volgen, zodat wij onszelf niet toelaten om gevangen te worden door de verleidingen van het vlees, de tegenstrever [de duvel en z’n trawanten] en de wereld.
De kwastjes in bovenstaande tekst hebben zonder enige twijfel betrekking op enige soort versiering, maar dan in overeenstemming met de eerbaarheid van de menselijke persoon, met welvoeglijkheid of kortom met zedelijkheid, die ons alert maakt om de Gods geboden na te leven.
Laat we tot slot gaan we de uitdrukking, die God gebruikt: “en al hun nakomelingen” uitdiepen.
Dit doet ons denken, dat God niet alleen sprak over de redding van de Israëlieten.
Wat Hij de toenmalige uitverkoren mensheid zei heeft betrekking op zowel ons, vandaag, als op hen, die ná ons zullen komen, in de betekenis en mèt de bijzondere bedoeling, dat wij niet uit het oog zouden verliezen, dat wij de dingen moeten eerbiedigen, zoals God ze heeft geschapen. Omdat de Wet door God tot ons komt en niet verandert; Gods Wet is onveranderlijk, zoals Hijzelf onveranderlijk is. 
Het is de Heer Zelf, Die ons dit vertelt in het Evangelie:
Denk niet, dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke titel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijnMatth.5:  17-18. Wie deze Wet onderhoudt, zal worden gered, wie dit niet doet, zal worden veroordeeld.

Wanneer we nu terugkeren naar het gedeelte uit het boek Genesis over de straffen voor de zonden van onze eerste ouders, laten we dan niet verder gaan zonder even stil te zijn om na te denken over een andere straf, die God als liefhebbende Vader oplegt als straf voor onze zonden:
“Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug. En de Heer stuurde de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen”
Gen.3: 19-23.
Het is een werkstraf. Wij zullen allen dienen te gaan werken, met het zweet op ons voorhoofd, om ons brood te kunnen eten. Het is nèt zoals wanneer in onze tijd -straffen worden toegepast- zoals het schoonhouden van ons groen van al het vuil wat de mensen in hun omgeving achterlaten.
Het is een plicht waar in feite niemand omheen kan, want de Wet van het werk heeft betrekking op iedereen: de rijken en de armen, de wijzen en de dwazen, de meerderen en de ondergeschikten: “houdt dus allen je straatje schoon!”.
Maar werken wij eigenlijk wel in een bijbehorende geest van boete? Òf met andere woorden, tot herstel van onze ongerechtigheden, onze zonden? In een geest van herstel en liefdadigheid voor onze naaste?
Zo ja, dàn verlenen wij de volle kracht aan het eerste en het grootste gebod: “Gij zult de Heer, uw God liefhebben met geheel uw hart en met het geheel uw ziel, met geheel uw geest en uw zult uw naaste liefhebben zoals uzelf” Matth.22: 37-39.

De engel Raphaël zei tot Tobith:
“Toen jij, Tobit, bad, en toen Sara bad, was Ik het, Die jullie gebeden voor de troon van de Heer bracht. Toen je de doden begroef, deed ik dat eveneens”
Tobith 12: 12.
Zal ons werk en onze inzet dan voortaan bekleed zijn met liefdadigheid en op die manier waardig om aan de Heer op te offeren, zoals het gebed?
Wanneer wij door het werk, dat wij doen en door het leven, dat wij leiden, heilzame boetedoening kunnen offeren aan God en wanneer wij hierdoor de Hemel en de Redding kunnen winnen,  waarom zouden wij dan verloren willen gaan?
      Komt [daarom] tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk [kruis] op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 28-31.

Gij allen, die in Christus zijt gedoopt, hebt u bekleed met Christus
Laten we nu eens, in ruil voor het antwoord op al uw vragen, wat wedervragen aan u stellen.
Wanneer uw eigen verblijf in uw Tempel [in uw hart] niet beter is en op z’n minst zo goed als de twee huizen [lichaam en ziel], onderling in evenwicht, die van de wereld en die van de geestelijke wereld, zoals beschreven wordt?
Is uw huis gezegend [gebleven] met het Mysterie [RK. Sacrament] van het Huwelijk? Hebt u dit aanvaard en bent u er nog steeds toe bereid om elk leven te aanvaarden, dat God u toevertrouwt, een Verbond [een huwelijk met Hem aan te gaan]?
Onthoudt dat afstand hiervan doen, tegen de Wet van God is, Die ons in het vijfde gebod heeft gezegd: “U zult niet doden en wie doodt zal onderworpen worden aan het oordeelMatth.5: 21.
Wanneer jullie dan een Verbond [een huwelijk] met Hem bent aan gegaan, houdt u zich dan aan uw [huwelijks-]Verbond, die u aan elkander hebt beloofd, voor God?  Ook dit wordt van u vereist door de Wet van God, wanneer Deze zegt: “Wees kuis”.
Dit komt zowel voor in het zesde als in het negende gebod, dat onze Heer Jezus Christus als volgt uitlegt: “U zult geen overspel plegen [. . .] En Ik zeg zelfs: iedereen, die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd” Matth.5: 27-28 en ook God zegt: “Leg geen valse eed af, voor de Heer gedane geloften moeten worden ingelostMatth.5: 33.
Let er derhalve met alle voorzichtige inschattingen op, dat uw kinderen worden gedoopt om hen op die wijze tot Christen te maken en uit hun zielen de smet van de erfzonde te verwijderen en hen zo erfgenamen van het Koninkrijk der Hemelen te maken?
Ook dit is ons door God voorgeschreven: “ Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het Evangelie [de Blijde Boodschap] aan de gehele schepping. Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld wordenMarc.16: 15-16.
Dit koninklijk Gebod legt waarachtig een grote verantwoordelijkheid op de schouders van de ouders. Zij, die hen het doopsel ontzeggen, stellen hun kinderen bloot aan het afsluiten van de weg naar het geluk, iets wat veel erger is dan het verliezen van alle bezittingen ter wereld.
Jawel en zo is het, het klopt helemaal, want niets kan worden vergeleken met het Opperste Goede van het Eeuwige Leven. En wie kan er u verzekeren, dat z’n kinderen dit zullen meemaken als u hen zo’n belangrijke gebeurtenis hebt ontzegt?
Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered.
Een pasgeboren kind kan geen daden van geloof uit zichzelf stellen, maar de waarde van de Genadegave van het Geloof wordt in de ziel geprent als een der vruchten van het Mysterie [RK. Sacrament] van het Doopsel, dat het kind zuivert en bevrijdt van smet van de erfzonde en het kind waardig maakt voor het eeuwig geluk.
De Kerk van Christus legt er de nadruk op om uzelf niet verantwoordelijk te maken door onbezorgdheid of door gebrek aan Geloof en hen zo te weerhouden van het grootse geluk van de Hemel. De waarheid is dat, als u hen verloren laat gaan [en de Kerk hoopt en smeekt eerlijk tot God om zulke dingen niet toe te laten], dat dit een andere eeuwige bestraffing betekent voor u.

Evangelieboek voor Zon- en Feestdagen

Zon- en feestdagen
Om nu van onderwerp te veranderen.
Houdt u zich aan het derde gebod van de Wet van God, dat van ons vereist om Zon- en Feestdagen, als dagen van verbintenis te beschouwen?
Doet u dit door u te onthouden van zwaar werk en door de Goddelijke Liturgie [RK. de Mis, PKN avondmaal] bij te wonen? Weet, dat de Heer, onze God in de Heilige Schrift zegt:
Zes dagen mag je werken, maar de zevende dag is het sabbat, een dag van volstrekte rust, die aan de Heer gewijd isEx.31: 15.
Let op de uitdrukking, die God hier gebruikt:
“een dag toegewijd aan de Heer” òf “een dag, die niet mag besteed worden aan nutteloze [wereldse] dingen of onwettig genot, in ontucht of enige andere zonde”.
Zon- en Feestdagen zijn er om ons dichter bij God te brengen door deel te nemen aan de Eucharistie en andere toewijdingen, door goede boeken te lezen, die ons meer kennis bijbrengen van God en Zijn Wetten, zodat wij ze beter kunnen volbrengen. Ons inlaten met ‘heilzaam‘ vermaak, dat ons toelaat om ons lichamelijk en geestelijk te herladen. Enkel op deze wijze kunnen wij een goed geweten hebben en er zeker van te zijn dat wij de Wet van God vervullen.
Draagt u er zorg voor, dat ook úw kinderen met de primaire kennis van God en Zijn wetten worden grootgebracht? Plaats goed in uw gedachten, dat ook dit een heilige plicht is en deel uitmaakt van de opdracht, die God heeft toevertrouwd aan de ouders, zoals ons is voorgeschreven door de Heilige Schrift: Wanneer uw kinderen u later vragen:
Wat betekenen al die bepalingen en wetten en regels, die de Heer, onze God, u heeft voorgehouden”, antwoordt dan
Opdat het ons goed zou gaan en Hij ons leven sparen, zoals
Hij tot nu toe heeft gedaan en als wij voor het oog van de Heer, onze God,
deze geboden altijd naleven, zoals Hij ons heeft opgedragen,
zal het ons ten goede worden aangerekend
Deut.6: 20, 24-25.

God heeft de mens teneinde als goden, als de Heer ‘te Leven
allerlei gedragsregels, allerlei wetten, opgelegd
Onze Heer en Verlosser, de Goddelijke Meester ontweek geen vragen, die Hem gesteld werden over Gods gedragsregels/wetten, zelfs wanneer ze waren gesteld om Hem in de val de lokken, zoals “Meester, welk is het grootste van alle geboden?”.
Hij gaf het goddelijk antwoord: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: Heb uw naaste lief als uzelf. Deze twee geboden zijn de grondslag van alles wat er in de Wet en de Profeten staat”.
En ook het boek Deuteronomium laat bij ons ook geen enkele twijfel achter: “Houd de geboden, die Ik u vandaag opleg, steeds in gedachten. Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat. Draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad” Deut. 6: 6-9.
In deze woorden zullen de ouders en hun kinderen hun eeuwig geluk vinden:
“Hadden zij altijd maar zo’n verlangen om Mij te vereren en Mijn geboden na te leven. Voor eeuwig zou het hun en hun kinderen goed gaan”
Deut.5: 29.
            Deze woorden omschrijven nauwkeurig de opdracht, die God heeft toevertrouwd aan de ouders in de opvoeding van hun kinderen. De ouders zijn de eerste opvoeders van de kinderen.
Het is in hun op vaders arm en in hun moeders schoot, wanneer zij nog onschuldig zijn, dat  de kleine kinderen de Heilige naam van God dienen te leren uitspreken en  hun zuivere handen in gebed naar de Hemel moeten richten,
kinderlijk dienen te leren lachen naar het beeld van hun Hemelse Vader en hun Hemelse Moeder. 
Het zijn de ouders, die hun kinderen dienen te leiden op het rechtvaardige pad van Gods Wet en hen toevertrouwen, in overeenstemming met hun middelen en omstandigheden, aan bekwame leraars, die hen niet wegleiden van het pad waarop ze geplaatst zijn. Wat is anders het voordeel van een grote kennis wanneer zij hiermee hun onsterfelijke zielen verliezen? Door hun ziel te verliezen, verliezen zij alles, omdat ons leven -‘hier op aarde in een flits voorbijgaat’-, terwijl de eeuwigheid onveranderlijk in ons verblijft!

  • Ongetwijfeld is de menselijke wetenschap, met al de kennis, die zij bevat, goed, vooral wanneer zij door ‘wijze‘ mensen gestuurd wordt, om de grootsheid van de kracht, de wijsheid en de goedheid der kennis ons een diepe menselijkheid bijbrengt, zodat wij er ons van bewust worden, dat zelfs, na zoveel moeite en studie, de meest geleerde mensen er steeds nog niet in zijn geslaagd om zelfs één van de ontelbare schoonheden te begrijpen, die van de almachtige, scheppende handen van de Heer komen.
                En zo dient elk huis de eerste school te zijn van kinderen, waar zij God leren kennen en dichter tot Hem komen door middel van de Mysteriën en het gebed, waar zij leren om zichzelf voor te bereiden op de ontmoeting met onze Heer in de communie, niet alleen door de voorschriften van Gods Wetten te leren, maar eveneens door het levendig Geloof, de sterke Hoop en de vurige Liefdadigheid bij hen in te prenten, die op jonge leeftijd, gegrift in hun zielen, in hen zal blijven vertoeven als een licht om hun stappen te leiden doorheen hun leven.
  • Op deze wijze zullen de kinderen gelukkig zijn en zal het Brood der Engelen het voedsel zijn, dat hen zal sterken: “Dit is het brood dat neerdaalde uit de Hemel (…) hij die ervan eet zal voor eeuwig leven” John.6: 58.
    Wanneer jullie deze regels leest, jullie, die op weg zijn naar het Hemels Koninkrijk zullen sommigen onder u zich afvragen wat dit allemaal van doen heeft met de Blijde Boodschap of met het Feest van Christus Geboorte.
    Sta me toe u te zeggen, dat dit er alles mee te maken heeft, daar de Boodschap in haar geheel een oproep is om Gods Wet na te leven.
    De Kerk, het Lichaam van Christus heeft, het dankzij dit een feit is, dat onze voorgeslachten de Goddelijke gedragsregels en Wetten hebben onderhouden en dit ondanks hun onvermijdelijke zwakheden van menselijke aard, die over hen die blik van de oneindige Barmhartigheid van God heeft gebracht.
            Want de Geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren en welk ander gebod er ook zij, worden samengevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
    De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet.
    Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het Geloof kwamen.
    De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij.
    Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen van het Licht!
    Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar wandelen, niet in brasserijen en drinkgelagen, niet in wellust en losbandigheid, niet in twist en nijd!Rom. 13: 9-13.

Onderhoudt al wat ik U bevolen heb.

De verering van de Naam, El Greco [1578-79]

Wie Mijn [Christus] woorden hoort en ze doet’ is een terugkerend refrein in de Bergrede te vinden in Mattheüs hoofdstuk 5-7.
Daarbij gaat over zaken als: niet oordelen, geven in plaats van nemen, de ander behandelen zoals je zelf behandeld zou willen worden.
Ware woorden waar wij onszelf ook weleens door hebben laten ontmoedigen.
Zo van: ‘Dat gaat ons mensen echt niet lukken om dit in praktijk brengen. Deze ethiek gaat onze beperkte menselijke mogelijkheden te boven’.
Het gaat hier volgens De Kerk niet om een gebod dat ogenblikkelijk, van het ene op het andere moment, vervuld dient te worden, maar om een aansporing om je op een leerweg te begeven, waarop je al doende leren mag, ook en met name van je fouten. ‘Geef niet op’, zo hoor ik nu en dan, maar ‘blijf het proberen’, en blijf daarom ook bezig met woorden van Wijsheid zoals die in de Bergrede zijn meegegeven.
Deze woorden aan jou opgedragen -hier en nu- en prent ze in je hart, berg ze in het binnenst van je ziel, leer ze aan je kinderen. Herhaal ze, thuis en onderweg, waar je ook bent, wanneer je gaat slapen en wanneer je opstaat, deze woorden aan jou toevertrouwd.
      Hoor, Israël [de Kerk]: de Heer is onze God; de Heer is een! Gij zult de Heer, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, Gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij neerligt en wanneer gij opstaatDeut.6: 4-7.
        Het Geloof bestaat niet louter uit het geloven in het bestaan van God, Zijn macht en in Zijn wijsheid. In feite heeft het vele overige aspecten in diverse richtingen en onze volle aanhankelijkheid moet zich uitstrekken in hun uiterste uiteinden.
Het Woord van God, vervat in de Heilige Schrift, is een onthulling, die wij niet mogen, noch kunnen ontkennen, omdat het Jezus zelf is die ons het Evangelie vertelt:  “Ik spreek ‘niet’ namens mezelf als Ik tegen jullie spreek, maar de Vader die in Mij blijft, doet zijn werk door Mij. Geloof Me: Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij. Als je Mij niet gelooft, geloof het dan om wat Hij doetJohn.14: 10-11.
Wij zien, dat onze Heer en Verlosser onze aandacht richt op Zijn grootse Werken, omdat wat een persoon doet, getuigt van wie hij is en bevestigt wat hij zegt.
Daarom antwoordde Jezus, toen Johannes de Doper zijn volgelingen tot Jezus zond om Hem te vragen of Hij de Messias was of dat zij dienden te wachten op iemand anders: “ Gaat heen 
en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet: ‘blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het Evangelie’Matth.11: 4-5.

– de storm in je leven stillen –
mysterie van de Vijgenboom

Zoals niemand dan God alleen Mysteriën [wonderen] kan verrichten, wendt Jezus deze aan om Zijn Woord en Zijn Kracht van het Leven te bevestigen: “Waarachtig, Ik verzeker u: wie luistert naar wat Ik zeg en Hem gelooft die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven. Over hem wordt geen oordeel uitgesproken, hij is van de dood overgegaan naar het levenJohn.5: 24.
Zo zien we, dat het Woord van Jezus Christus het Woord van God is, omdat Jezus Christus in alle opzichten gelijk is aan de Vader en zegt: “Ik en de Vader zijn éénJohn.10: 30.
Jezus Christus is waarachtig de Zoon van God, die door de Heilige Geest mens wordt in de schoot van de Theotokos, de Moeder Gods: “De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het Kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van GodLuc.1: 35.
Toen de Aartsengel Gabriël deze woorden bij de Aankondiging tot Maria richtte, verkondigde Hij de Goddelijkheid van de Zoon, die als menselijk vlees in Haar schoot zou worden opgenomen en geboren zou worden om Zichzelf gelijk te maken aan ons, zichtbaar voor onze ogen en om zo het Werk van onze Verlossing te kunnen vervullen.
Zodoende is Jezus Christus zowel waarachtig God als Mens.
Zijn Woord is het eeuwige leven voor hen, die er naar luisteren en het ten uitvoer brengen.  Dit Woord verwerpen is hetzelfde als zijn eigen zin van de veroordeling uitkerven, want de Heer zegt ons:
En indien iemand naar Mijn woorden hoort, maar ze niet bewaart, Ik oordeel hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, doch om de wereld te behouden. 
Wie Mij verwerpt en mijn woorden niet aanneemt, heeft één, die hem oordeelt het woord, dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen ten jongsten dage.
Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij heeft gezonden, heeft zelf Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen en spreken moet. En Ik weet, dat zijn gebod eeuwig leven is. Wat Ik dan spreek, spreek Ik zo als de Vader Mij gezegd heeftJohn.12: 47-50.
Daarvoor had Hij reeds gezegd: “De Geest maakt levend, het lichaam dient tot niets. Wat Ik gezegd heb is Geest en LevenJohn.6: 63.
Het Woord van Christus is het Woord van de Vader: “De Vader, die Mij gezonden heeft, heeft Mij opgedragen wat Ik moest zeggen en hoe Ik moest sprekenJohn.12: 49b.
En zo kwam Christus in deze wereld, niet om de Wet van God te vernietigen, maar om ze te vervullen, het te vervolmaken het aan ons uit te leggen in haar ware betekenis en hoe wij het moeten begrijpen en uitvoeren. Hier zijn de woorden waarmee Christus dit formuleerde:
Denk niet, dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengenMatth.5: 17.
Toen kwamen er vanuit Jeruzalem Farizeeën en Schriftgeleerden naar Jezus.
Zij vroegen hem: “Waarom overtreden uw volgelingen de tradities van onze voorouders? Zij wassen hun handen niet voor zij hun brood eten”.
Hij gaf hun ten antwoord: “En waarom overtreedt u het gebod van God, alleen om uw eigen traditie in stand te houden? Want God heeft gezegd: ‘Toon eerbied voor uw vader en moeder’, en ook: ‘Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden’.
Maar u leert: ‘Wie tegen zijn vader of moeder zegt: Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn, bestem ik tot offergave’, die behoeft zijn ouders geen eerbied te tonen. Zo ontkracht u het Woord van God uit eerbied voor uw eigen Traditie. Huichelaars, wat is Isaiah’s Profetie toch toepasselijk op u: ‘Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij. Tevergeefs vereren zij Mij, want zij onderwijzen hun eigen leer, voorschriften van mensen’
Matth.15: 1-9.
Deze weg toont duidelijk de omvang van hoe de Wet van de Rechtvaardigheid en de Liefdadigheid worden vervormd, daar waar deze van ons eerst en vooral vereist om ons naaste, zowel als onze ouders te helpen.
En het is zowel juist, welwillend en nodig voor ons om anderen te helpen.
Dit is wat Jezus ons onderwees, toen Hij zei:
        Méér dan de Tempel is hier. Indien gij geweten hadt, wat het zeggen wil:
Barmhartigheid wil Ik en geen offerande, dan zoudt gij geen onschuldigen hebben veroordeeldMatth.12: 6,7.
Hieruit kunnen wij afleiden hoe nodig het was om Gods Wet te verduidelijken, omdat de mensen ze verkeerd interpreteerden. Wij kregen deze opheldering en verduidelijking door Christus, die tot ons was gezonden door de Vader en zo tot ons kan zeggen:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, 
heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven. Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf.
En Hij heeft Hem Macht gegeven om Gericht te houden, omdat Hij de Zoon des mensen is.
Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeelJohn.5: 24-29.
Gods onderricht via het Woord is waarachtig en juist.
Maar om het Woord van Jezus Christus ten uitvoer te brengen, dienen wij het kennen en in Hem geloven. Hoe kunnen wij een Wet vervullen, als wij deze niet kennen, of als wij niet geloven in de Ware, die het verkondigd heeft?
En zo is het noodzakelijk geworden om de Persoon van de Zoon van God, van Jezus Christus te kennen.
– In de wereld bestaan er ongelukkigerwijze ook mensen, die zichzelf ‘geleerd‘ noemen, maar die weinig of niets kennen van Gods Wetten. Erger nog, mensen vechten deze Wetten dikwijls aan, niet, omdat zij deze niet zouden kennen, maar omdat zij deze als een hindernis zien voor hun eigen verstoorde driften, door hun gebrek aan rechtvaardigheid en liefdadigheid. Het zijn net gieren, ze gaan nooit weg, ze gaan alleen op een andere boom [kruis] zitten.
Nochtans zijn het Gods Wetten waarover wij ons het meest bekommerd dienen te maken om deze te kennen, omdat het dóór deze Wetten is, dat wij òfwèl gered òfwèl veroordeeld zullen worden.
– Dan zijn er nog anderen die, in feite de Wetten van God wel kennen, maar deze juist andersom verklaren dan dat wat Christus zei en zo geloven, dat zij op deze wijze de wanorde van hun eigen ontregelde houding rechtvaardigen en daarbij grote schade berokkenen aan zichzelf en aan hun naasten, die zij misleiden door hun eigen slechte voorbeeld, uiterlijk en misleidende woorden.
Hen zijn dezen waarover Jezus Christus zei: “ Elke plant, die Mijn Hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. Laat hen gaan, blinden zijn zij, die blinden leiden. Indien een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een put vallenMatth.15: 13,14.
Daarom dienen wij op onze hoede te blijven, ook binnen de christelijke gemeenschappen, maar door de regel toe te passen, die Jezus ons gaf, kunnen wij deze herkennen aan hun vruchten:
      Immers, er is geen goede boom, die slechte vrucht voortbrengt, noch ook een slechte boom, die goede vrucht voortbrengt. Want elke boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend. Want van dorens leest men geen vijgen, en van een braamstruik oogst men geen druif.
       Een goed mens brengt uit de goede schat van zijn hart het goede voort en een slecht mens brengt uit de boze schat het boze voort. Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond. Wat noemt gij Mij Heer, Heer, en doet niet wat Ik zeg?
Een ieder, die tot Mij komt en mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen aan wie hij gelijk isLuc.6: 43-47.
Dit is de alom geldende Kerkelijke regel, die ons door Christus Zelf is gegeven: door de vruchten te onderzoeken van hen, die zichzelf voorstellen als onze gidsen in onze levenswijze en door te zien of deze al dan niet in overeen-stemming zijn met de leer van de ware Kerk van God, gesticht door Jezus Christus en die de gave van onfeilbaarheid bezit in het herkennen en verklaren van de Waarheid van Christus, met de hulp van de Heilige Geest:

de ‘Trooster’, Geest der Waarheid

En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest van de Waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u [uw tempel, uw hart] zijn. Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven. Te dien dage zult gij weten, dat Ik in Mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in uJohn. 14: 16-20.
Deze Belofte, door onze Heer Jezus Christus gemaakt aan Zijn Lichaam [Zijn Kerk], geeft ons een absolute zekerheid van de wijze waarop wij het geloof moeten behandelen, en welke voor ons is uitgetekend door de Kerk van Christus en daar de Kerk, op Haar beurt, wordt geleid door de Heilige Geest, is het de Heilige Geest, die tot ons spreekt door de mond van de Kerk.

De ene Heilige Katholieke [in de betekenis van algemeen, over de gehele wereld verspreid] en de Apostolische Kerk.

Christus en Zijn Apostelen, Saint Apollinare Nuovo, Ravenna

De volgende vraag wordt ons navolgers meerdere malen gesteld: “Hoe kunnen wij de ware Kerk van Christus kennen?” De theologen onder ons, die deze dingen bestuderen zullen wel bekwamer zijn dan de eenvoudigen, die arm en onwetend zijn, om een antwoord op deze vraag te geven. Zij zouden er zelfs geen poging toe doen, ware het niet, dat de Heilige Blijde Boodschap bestaat om deze kwestie nader toe te lichten.
De weergave volgens de Apostel en Evangelist Mattheüs beschrijft ons hoe Jezus Christus, wanneer Hij Zich met Zijn Apostelen in de streek van Caesarea Philippi.      {Panias of Panio een van de bronnen van de Jordaan, de bijbehorende stad werd in de eerste eeuw Caesarea Filippi genoemd. Tegenwoordig heten zowel de bron als de nabijgelegen plaats Banias [ook wel gespeld als Banyas]. Beiden bevinden zich aan de voet van de Hermonberg op de Golanhoogten}                 Nadat de Apostelen het meer waren overgestoken om er de Meester te gaan halen. Toen Christus hen had gewaarschuwd tegen de valse leer van de Farizeeërs, die ‘niet’ in Hem  geloofden:
Toen vroeg Christus hun: “En wie ben Ik volgens jullie?”; “U bent de Messias, de Zoon van de levende God” antwoordde Simon Petrus.
Daarop zei Jezus tegen hem: “Gelukkig ben je, Simon Bar-Jona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel. En Ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop Ik mijn Kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigenMatth.16: 15-19.
En zo werd Petrus door Jezus Christus als aangesteld als ‘eerste onder de gelijken’ [de Twaalven] van Zijn Kerk op aarde, want in het Hemels Koninkrijk bestaan geen rangen en standen. Onder begeleiding en eeuwige hulp van de Heilige Geest, werden zij in staat gesteld tot het geven van instructies en richtlijnen. Indien dit niet het geval zou geweest zijn, zou Jezus Christus zeker niet hebben kunnen beloven, dat wat ook zijn de Heilige Geest bewerkstelligde, in Zijn Naam bekrachtigd zou worden in de Hemelen.
Wij weten allen hoe man en vrouw, louter schepselen als zij zijn, het voorwerp zijn van tekortkomingen en onderhevig zijn aan fouten, vandaar is het de door Jezus Christus beloofde begeleiding van de Heilige Geest, Die voor ons Christus onfeilbaarheid verzekert:
Wat jullie Mij horen zeggen, zijn niet Mijn woorden, maar de Woorden van de Vader door Wie Ik gezonden ben. Dit alles zeg Ik tegen jullie nu Ik nog bij jullie ben en op die geestelijke wijze zal Ik door de Heilige Geest:      En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van de wereldMatth.28: 20.
Later zal de Pleitbezorger, de heilige Geest, die de Vader jullie namens Mij zal zenden, jullie alles duidelijk maken en alles in herinnering brengen wat Ik tegen jullie gezegd heb John.14: 24-26 en verder gaande over hetzelfde onderwerp, zegt onze Heer en Verlosser eveneens:
    Wanneer de pleitbezorger komt, die Ik van de Vader naar jullie zal zenden, de Geest van de Waarheid, die van de Vader komt, zal die over mij getuigenJohn.15: 26 en  “De Geest van de Waarheid zal jullie, wanneer Hij komt,  de weg wijzen naar de volle WaarheidJohn.16: 13.
Aldus is de Waarheid van de Kerk voor ons verzekerd door de woorden van Christus, die de Waarheid is: “Ik ben de Weg, [die de mens geduid wordt te gaan] de Waarheid, [die door de Kerk aan de mensen verkondigd wordt] en het Leven [dat Christus ons via Zijn Lichaam, de Kerk schenkt]. Niemand kan bij de Vader komen dan door Mij [Christus en Zijn Lichaam, de Kerk].” John.14: 6.
Onze weg is het Woord van Christus, toevertrouwd aan zijn Kerk, onder de begeleiding van de Heilige Geest.

Maar uw vragen gaan verder dan dat:
Welke onder de verschillende Kerken, die zichzelf Christen noemen, is de vroegste en de ware?” 
Zoals wij gezien hebben koos Jezus Christus Zijn Apostelen om Zijn Blijde Boodschap [Zijn Pedagogie via Zijn Lichaam, de Kerk] onder de mensen over de gehele wereld te verkondigen.
Hij vertrouwde de Apostelen de waarborg van zijn onderricht toe, om verder te onderrichten met al dezen, die verenigd zouden blijven met Hem in hetzelfde Geloof, dezelfde Hoop en dezelfde Liefdadigheid. De Heilige Johannes geeft ons via zijn weergave van de Blijde Boodschap mee, dat Jezus hen op een dag, na de Verrijzenis, opwachtte op het strand, nadat Zijn apostelen waren gaan vissen, en dat Hij hen een maaltijd van gegrilde vis en brood gaf toen zij uit de boot stapten:
Simon, zoon van Johannes, heb je Mij lief, meer dan de anderen hier?”.
Petrus antwoordde: “Ja, Heer, U weet, dat ik van U houd”. Hij zei: “Weid mijn lammeren”.  Nog eens vroeg hij: “Simon, zoon van Johannes, heb je Mij lief?”.
Hij antwoordde: “Ja, Heer, U weet, dat ik van U houd”. Jezus zei: “Hoed mijn schapen” en voor de derde maal vroeg Hij hem: “Simon, zoon van Johannes, houd je van Me?”.  Petrus (…) zei: “Heer, U weet alles, U weet toch dat ik van U houd”. Jezus zei: “Weid mijn schapenJohn.21: 15-17.
En zo vertrouwde Jezus aan de Apostel Petrus toe dat hij -‘de eerste onder de gelijken’- werd van Zijn kudde, die Zijn Kerk is, de schapen en de lammeren en de herders. Vandaar is de ware Kerk van Christus opgebouwd op al diegenen, die verenigd blijven met de Apostelen door hetzelfde Geloof, dezelfde Hoop en dezelfde Liefde voor Christus.  God is Liefde en om deze reden ontlokt Hij van Zijn Vertegenwoordigers een drievoudige verklaring van Liefde.
In werkelijkheid is de Kerk van God, de Kerk van Liefdadigheid, van Liefde.
Het is precies datgene wat Jezus Christus aan Zijn Vader vroeg, kort voordat Hij Zichzelf gaf voor ons bij Zijn dood:
Vader, U hebt hen aan Mij geschonken, laat hen dan zijn waar Ik ben. Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen, die door hun verkondiging in Mij geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals U in Mij bent en Ik in U, laat hen zo ook in Ons zijn, opdat de wereld gelooft, dat U Mij hebt gezonden. Ik heb hen laten delen in de grootheid, die U mij gegeven hebt, opdat zij één zijn zoals Wij: Ik in hen en U in Mij. Dan zullen zij volkomen één zijn en zal de wereld begrijpen, dat U Mij hebt gezonden, en dat U hen liefhad zoals U Mij liefhadJohn.17: 11: 20-24a.

Christus bidt en zegent

Wij zien, dat onze Heer niet enkel voor de Apostelen en hun opvolgers tot de Vader bidt.
En waarvoor bidt Hij tot Zijn Vader? Opdat de volgelingen van Zijn Kerk verenigd als één zouden mogen blijven: “Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen, die door hun verkondiging in Mij geloven, opdat de wereld gelooft, dat U Mij hebt gezonden en dat U hen liefhad, zoals U Mij liefhad, zodat zij volmaakt één mogen worden”.
Met deze woorden onthult Jezus aan ons de aard van de eenheid van Zijn enige Kerk. Eén enkele éénsgezindheid, éen éénheid, die geen verdeeldheid toelaat:
De eer, die U Mij hebt gegeven, heb Ik aan hen gegeven, zodat zij één zouden zijn zoals Wij verenigd zijn”. Verenigd in hetzelfde Geloof, dezelfde Hoop en dezelfde Liefde, Liefdadigheid. 
Vóór dit gebed tot Zijn Vader, had Jezus reeds lange tijd tot zijn leerlingen gesproken.
Op een bepaald ogenblik zei Hij tot hen:
Blijf in Mij, dan blijf Ik in jullie. Een rank, die niet aan de wijnstok blijft, kan uit zichzelf geen vrucht dragen. Zo kunnen jullie geen vrucht dragen als jullie niet in Mij blijven. Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Als iemand in Mij blijft en Ik in hem, zal hij veel vrucht dragen. Maar zonder Mij kun je niets doen. Wie niet in mij blijft wordt weggegooid als een wijnrank en verdort. Hij wordt met andere ranken verzameld, in het vuur gegooid en verbrandJohn.15: 4-6.
Met de beeldspraak van de wijnstok en de ranken, zien wij dan de leden van Zijn Mystieke Lichaam, dat de Kerk is, afhankelijk zijn van hun vereniging met Christus. Hij is en blijft tot het einde der tijden het Hoofd van de Kerk en wij zijn Zijn leden; Hij is de wijnstok en wij zijn de ranken. Indien een rank gescheiden is van de wijnstok, zal hij geen vrucht dragen.
Indien wij ons, op een dergelijke wijze van de ware wijnstok, die Christus is, scheiden, en zo ophouden om gevoed te worden door het sap van Zijn Genade, maar,  indien wij ons bekleden met de Waardigheid van Christus, waarmee wij Zijn waardigheid kunnen vergroten en werken voor een toename van Zijn waardigheid in de leden van Zijn Mystieke Lichaam, zodat ieder van ons achtenswaardiger zou worden.
Om dit te bereiken dienen wij onszelf ten volle aan de Heer te geven in
één Geloof, Hoop en Liefde.

Iconen en de verering van Christus, de Moeder Gods en de Heiligen
Doch zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar zij hebben hun nek verhard in 
plaats van gehoor te geven en zich te laten gezeggen.
Indien gij echter wel naar Mij hoort, luidt het Woord des Heren, en op de sabbatdag geen last door de poorten van deze stad binnenbrengt, maar de sabbatdag heiligt, door daarop generlei werk te doen, dan zullen door de poorten van deze stad koningen en vorsten, die op de troon van David zitten, binnenkomen, rijdende op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, en zal deze stad blijven bestaan voor immer.
Dan zal men komen uit de steden van Juda en de omstreken van Jeruzalem, uit het land van Benjamin en uit de Laagte, van het Gebergte en uit het Zuiderland, en brengen brandoffer, slachtoffer, spijsoffer en wierook, en ook brengen lofoffer in het huis des Heren.
Maar indien gij niet naar Mij hoort om de sabbatdag te heiligen en op de sabbatdag geen last te dragen en binnen te komen door de poorten van Jeruzalem, dan zal Ik een vuur ontsteken in zijn poorten, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren zonder te worden geblust” Jer.17: 23-27.

‘Ik Ben, Die ben, Die is’ – de uitdaging om God bij Zijn Naam te kennen

           Hierbij vestigt de Blijde Boodschap onze aandacht op het eerste gebod van Gods Wet:
Ik ben de Heer, uw God […] Vereer naast Mij geen andere goden. U zult geen beelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde. Buig u niet voor hen neer en bewijs hun geen goddelijke eer, want Ik, de Heer, uw God, Ik ben voor hen, die Mij haten een jaloerse God” Ex. 20: 2-5.
En op weer een andere plaats lezen wij: “Vereer de Heer, jullie God, dan zal Hij je voedsel en je water zegenen en jullie vrijwaren voor ziektenEx.23: 25.
Door deze Wet roept God ons op om alléén ‘Hem’ te aanbidden, omdat alléén Hij waardig is om door Zijn schepselen te worden aanbeden.
Hij verbiedt ons om afgoden te maken van dingen, die door Hem zijn geschapen en die zelfs nog minder kracht bezitten dan wij: zij kunnen niets doen en zijn niets waard en daarom verbiedt Hij ons om aan deze dingen eer te betuigen of deze te aanbidden.
Maar wij dienen daarbij een onderscheid te maken tussen de afgoden waar God in dit gebod naar verwijst en de beelden van Christus, de Moeder Gods [de Theotokos] en Zijn Heiligen. Het is niet onze bedoeling om deze stukken hout of steen, deze beelden te aanbidden.
Door de afbeelding brengen enkel eer aan Hem omwille van wat zij vertegenwoordigen en brengen hen zo in herinnering, op dezelfde wijze als wij door foto’s onze ouders, broers en zusters en onze vrienden in herinnering brengen door hen een plaats te schenken op de meest eerbare plaatsen van onze huizen, zodat wij hen beter zouden kunnen zien en opdat de mensen, die ons thuis komen opzoeken, ook aan hen worden herinnerd.

Christus, het ware licht, dat ieder mens, die in de wereld komt, heiligt

We vereren Icoon-afbeeldingen van Jezus Christus, de Moeder Gods en van de Heiligen, omdat ze ons doen herinneren aan de mensen, die zij waren, aan hun waarden en hun leer, en op de wijze moedigen wij de anderen aan om hetzelfde te doen.
Jezus Christus, die ons aller voorbeeld is in al deze dingen, weigerde om iemand anders te aanbidden, buiten God.  De Heilige Apostel, Evangelist en icoon-schilder Lucas vertelt ons, dat, nadat Christus gedurende veertig dagen en nachten in de woestijn was geweest, om te bidden en te vasten, Hij verleid werd door de tegenstrever [de duivel], die tot Hem sprak:
Ik geef u de macht over dat alles en ook de roem, die ermee gepaard gaat, want ik kan daarover beschikken en ik geef het aan wie ik wil en als U in aanbidding voor mij neervalt, zal dat allemaal van u zijn”.
Maar onze Heer antwoordde: “Er staat geschreven: Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen HemLuc.4: 6-8.
En zo is het aanbidden van God een plicht en een gebod, door God Zelf  aan ons opgelegd uit liefde, opdat Hij Zijn Genadegaven over ons zou kunnen uitstorten.
Dit wordt duidelijk in de volgende ervaring.

– het Gouden kalf –

Wanneer Mozes de Israëlieten naar het Beloofde Land bracht, hielden ze allen halt aan de berg Sinaï. Hierop zei God tegen Mozes om naar de top van de berg te gaan om zo de tafels met de Tien Geboden uit Gods eigen handen te ontvangen.
Terwijl Mozes ginds in aanwezigheid van God was, maakte het Volk het gouden kalf en vereerde het. Over deze zonde van het volk was God ten zeerste verbolgen en Hij vertelde aan Mozes, dat Hij dat idolaat volk zou vernietigen:
Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieën en boog zich neer. “Als u mij goedgezind bent, Heer,” zei hij, “trekt u dan met ons mee, ook al is dit volk onhandelbaar. Schenk ons vergeving voor onze schuld en zonde en maak ons tot uw eigen bezitEx.34: 8-9.
Door zichzelf ter aarde te werpen in aanbidding voor God, verzekerde God de vergeving voor het volk en een hernieuwd verbond met God.
Hoe wij God dienen aanbidden wordt ons door de Heilige Johannes is beschreven in een gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse.  Op een bepaald ogenblik zegt de Samaritaanse:
Nu begrijp ik, Heer, dat u een Profeet bent! Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij U zegt men, dat Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.”
“Geloof me,” zei Jezus, “er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden (…) Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, Hem aanbidt in Geest en in Waarheid. De Vader zoekt mensen, die Hem zo aanbidden, want God is Geest, dus wie Hem aanbidt, moet dat doen in geest en in waarheid
John.4: 19-24.
En zo zien we, dat het van belang is, waar de persoon zich bevindt.
Het belangrijkst voor onze geest en intelligentie is om God te herkennen in Zijn oneindige Grootsheid, en immense Macht en Hem Aldus te aanbidden en te vereren. 
Aanbidding gaat samen met Liefde, erkenning en dankbaarheid, omdat wij aan niemand méér toebehoren dan aan God.  Soms drukken de mensen hun grote liefde uit voor een persoon door dingen te zeggen als:
Ik hou van u, hoe aanbid ik hem, etc…
Dit is niet meer dan een uitdrukking van genegenheid, waardering en eerbied voor een persoon als onszelf. En zo moeten we deze aanbidding boven alles bezitten voor God, die het meer verdient dan iemand anders.

Het is juist, dat de Heer in Leviticus zei:
Maak geen afgodsbeelden, zet geen godenbeelden neer, richt geen gewijde stenen op en plaats in jullie land geen stenen met afbeeldingen om je daarvoor neer te buigen, want Ik, de Heer, ben jullie GodLev. 26: 1, maar we lezen eveneens dat, toen het volk van Israël werd aangevallen door een plaag van giftige slangen, wiens beet fataal was, God aan Mozes de opdracht gaf om een bronzen slang te laten maken en die te bevestigen op een staak en dat de Heer zei, dat iedereen, die door de slang was gebeten en naar het beeld zou kijken, in leven zou blijven Num.  21: 4-9.
Duidelijk was echter, dat het niet de bronzen slang was, die het Mysterie [Wonder] verrichtte van het redden van het leven van deze mensen, maar hun Geloof in de uitwerking van Gods Woord, Die het immers zo had beloofd: het was dus het Geloof waarmee ze naar de slang keken, die Jezus Christus vertegenwoordigde op het Hout van het Kruis.
Het is op deze wijze dat we naar de beelden van de Heiligen dienen te zien, om onszelf eraan te herinneren voor wat ze staan, en geloven, liefhebben en eerbiedigen voor wat ze staan.
“Indien u geloof als een mosterdzaadje bezit, kunt u bergen verplaatsenMatth.17: 20.

In de Openbaringen vertelt de Heilige Johannes ons, dat hij de Engel hoorde, die belast was met het afkondigen van het Goede Nieuws aan de inwoners van de aarde:  “Aanbid Hem, Die Hemel en aarde, zee en waterbronnen geschapen heeftOpenb.14: 7.
Na te hebben nagedacht over de pracht van de Hemel welke door God is voorbereid voor de uitverkorenen, wou Johannes zich ter aarde werpen om de Engel, die hem deze dingen had getoond en uitgelegd, te aanbidden, maar de Engel zei tot hem:
Doe dat niet! Ik ben een dienaar, zoals jij en je medeprofeten, en zoals degenen, die zich houden aan wat er in dit boek staat. Je moet God aanbiddenOpenb.22: 9.
Opnieuw is het de Heilige Johannes, die het volgende visioen voor ons beschrijft:
Toen zag ik iets als een zee van glas, vermengd met vuur. Op de glazen zee stonden zij, die het beest, zijn beeld en het getal van zijn naam hadden overwonnen. Ze hadden lieren om daarop te spelen voor God. Ze zongen het lied van Gods dienaar Mozes en het lied van het Lam: Groot en wonderbaarlijk zijn uw werken, Heer, onze God, Almachtige, rechtvaardig en betrouwbaar is uw bestuur, vorst van de volken. Wie zou u, Heer, niet vereren, uw Naam niet prijzen? Want U alleen bent heilig. Alle volken zullen komen en zich voor U neerbuigen, want uw rechtvaardige daden zijn geopenbaardOpenb.15: 2-4.

Dit is de lofzang van onze aanbidding van God.
Wij aanbidden Hem met Geloof, omdat wij in Hem geloven.
Wij zegenen Hem met Hoop, in de overtuiging, dat al de goede uit Hem tot ons zou komen.
We bedanken Hem, omdat we weten, dat het uit Liefde was, dat Hij ons schiep en dat het omwille van de Liefde is, dat Hij ons voorbestemde om deel te kunnen uitmaken van Zijn goddelijk leven.
Vandaar dient onze verering een lofzang te zijn van een volmaakte eer, want, zelfs voor we geschapen werden, hield God reeds van ons en werd Hij door deze liefde bewogen om ons te scheppen zoals we zijn.

De oproep onze Hoop als basis te nemen
Al onze Hoop dient op God te zijn gesteld, omdat Hij de enige ware God is Die ons heeft geschapen met eeuwige Liefde en ons heeft verlost door ons Zijn eigen Zoon, Jezus Christus te zenden, de Ware God en de Ware Mens, die leed en stierf voor onze redding.
Het is dit dat in de weergave van de Blijde Boodschap door van Johannes ons voorgehouden wordt door verslag uit te brengen van de volgende woorden van Jezus tot Nicodemus:
Maar hoe kan dat?” vroeg Nicodemus.
Begrijpt u dit niet”, zei Jezus, “terwijl u een leraar van Israël bent?
Waarachtig, Ik verzeker u: wij spreken over wat we weten en we getuigen van wat we gezien hebben, maar jullie accepteren onze getuigenis niet. Wanneer jullie Me niet geloven als Ik over aardse dingen spreek, hoe zouden jullie Me dan geloven als Ik over hemelse dingen spreek?
Er is nog nooit iemand opgestegen naar de Hemel, behalve degene, die uit de Hemel is neergedaald: de Mensenzoon? De Mensenzoon dient hoog verheven te worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhooggeheven heeft, opdat iedereen, die gelooft, in Hem eeuwig leven heeft.
Want God had de wereld zo lief, dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen, die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.
God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door Hem te redden. Over wie in Hem gelooft, wordt geen oordeel uitgesproken, maar wie niet in Hem gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet wilde geloven in de Naam van Gods enige Zoon.
Dit is het oordeel: het Licht kwam in de wereld en de mensen hielden meer van de duisternis dan van het Licht, want hun daden waren slecht.
Wie kwaad doet, haat het Licht; hij schuwt het Licht, omdat
anders zijn daden bekend worden
John. 3: 9-20.

Deze Heilige tekst vormt voor ons de basis van onze Hoop:
Zo dient de Zoon van de mensen omhooggeheven te worden, opdat iedereen, die gelooft, in Hem eeuwig leven heeft”. Wanneer de Israëlieten, die dodelijk waren gewond, genezen werden door naar de slang te kijken die Mozes had laten plaatsen, hoe veel meer kunnen wij dan, als we de kans zien dit te bereiken met Geloof en vertrouwen,

delen van het Groot en Heilige Kruis

onze ogen oprichten en kijken naar de Verrezen Christus op het Kruis.
Wanneer wij ons dagelijks kruis, ons werk, arbeid, de dingen, die verkeerd gaan, onze pijnen en zorgen, met een diep berouw voor onze zonden en met vastberadenheid hierin niet meer te hervallen, hiermee kunnen verenigen, dan  zal ons vertrouwen beloond worden en zullen, zoals Christus heeft beloofd:
Iedereen die in Hem gelooft, zal het eeuwig leven bezitten!”.

Om u een voorbeeld te geven van hoe groot ons vertrouwen in Christus dient te  zijn, wil ik u herinneren aan de tijd, dat de Apostelen het meer overstaken na het Mysterie [Wonder] van de vermenigvuldiging van de broden.
Jezus vertelde Z’n leerlingen om in de boot het meer over te steken naar Betsaïda, dat gelegen was aan de overkant, terwijl Hij het Volk [de menigte] wegstuurde.  Nadat Hij van de mensen afscheid had genomen, ging Hij de berg op om er te bidden. Bij het vallen van de avond was de boot midden op het meer, en Hij was alleen aan land.  Toen Hij zag dat de leerlingen door de hevige tegenwind maar nauwelijks vooruitkwamen, hoe hard ze ook roeiden, liep Hij tegen het einde van de nacht over het meer naar hen toe, en Hij wilde hen voorbijlopen. Toen ze Hem over het water zagen lopen, dachten ze, dat Hij een geestverschijning was en ze schreeuwden het uit. 
Ze hadden Hem allemaal gezien en raakten in paniek.
Maar Hij sprak hen meteen aan en zei:
Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang
Hij stapte bij hen in de boot en de wind ging liggen.
Zijn leerlingen waren totaal van streek, helemaal van hun stuk gebracht.
Ze waren niet tot inzicht gekomen door wat er met de broden was gebeurd, omdat ze hardleers waren. Nadat ze waren overgestoken, kwamen ze bij Gennesareth aan land en  daar legden ze aan. Toen ze uit de boot stapten, werd Hij meteen herkend.

bezit jij de vrijmoedigheid om Christus’ kleed aan te raken?

In het hele gebied ontstond een druk komen en gaan van mensen, die zieken op draagbedden meenamen naar elke plaats waarvan ze hoorden, dat Hij daar was.
Overal waar Hij kwam, in dorpen, steden en gehuchten, legden ze de zieken op het plein. Ze smeekten Hem of ze ten minste de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En iedereen, die Hem aanraakte, werd genezen Marc.6: 46-56.
Tijdens Jezus’ afscheidswoorden bij het Laatste Avondmaal, noteert de apostel Johannes  voor ons een aantal uitwisselingen, die ons aanzetten tot hetzelfde vertrouwen. De Meester was pas klaar met het wassen van de voeten van de apostelen, waarna Hij aan opnieuw aan tafel ging zitten om de betekenis van wat Hij zojuist had verricht, uit te leggen, door hen aan te sporen tot nederigheid en liefdadigheid.
Daarop voorspelde Hij het verraad van Judas en toen deze wegging om zijn verraderlijk plan uit te werken, zei Jezus tot zijn apostelen;
Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op Mij. In het huis van mijn Vader zijn veel kamers. Zou Ik anders gezegd hebben, dat Ik een plaats voor jullie gereed zal maken? Wanneer Ik een plaats voor jullie gereedgemaakt heb, kom Ik terug. Dan zal Ik jullie met Me meenemen, en dan zullen jullie zijn waar Ik benJohn.14: 1-3.

Christus sprak op vertrouwelijke wijze

Daarna ging Hij op een heel vertrouwelijke wijze verder met spreken tot Zijn apostelen over Zijn naderende dood, door hen te zeggen:  “Er komt een tijd, en die tijd is er al, dat jullie uiteengedreven worden, dat ieder zijn eigen weg gaat en Mij alleen achterlaat. Maar Ik ben niet alleen, want de Vader is bij Mij. Ik heb dit gezegd, opdat jullie vrede vinden bij Mij. Jullie zullen het zwaar te verduren krijgen in de wereld, maar houd moed: Ik heb de wereld overwonnenJohn.16: 32-33.
Hier verzekert Jezus ons, dat er in de Hemel een plaats voor ons is wanneer wij voor Zijn weg kiezen, Zijn weg, dat Hij door Zijn woorden en Zijn voorbeeld voor ons heeft geplaveid, de Weg die Hijzelf is: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door Mij. Als jullie Mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen . . . . .John.14: 6-9.
Vandaar dat Jezus Christus onze weg is.
Hij is onze weg door Zijn woord, Zijn onderricht en Zijn leven.
Daarom kunnen wij christenen niet anders dan ons te vereenzelvigen met Christus om Zijn leven in ons ten uitvoer te brengen en Christus te zien als een Vader, zoals Hij ons heeft verteld:
Ik en de Vader zijn éénJohn.10: 30.
Deze vereenzelviging van ons met het leven van Christus,  het slachtoffer als vergelding voor onze zonden,  voorziet dat in ons de grondslag van ons vertrouwen steeds sterker wordt.
Want wij weten, dat het door onze eenheid met Christus is en door Zijn verdiensten, dat wij zullen worden gered en dat de Vader ons ook zal behagen door in ons de gevoelens van Zijn Zoon, Jezus Christus ten uitvoer te brengen, zodat de Vader in ons het aanschijn van Zijn Woord ziet. Dit is de weg, die wij moeten volgen als wij de plaats willen bereiken, die de Vader in de hemel voor ons heeft bereid.

De verkondiging van Jezus, waartoe wij geroepen worden om ze na te volgen, bevat Zijn totale afhankelijkheid van Zijn Vader en zijn uiterste onderwerping aan de wil van Zijn Vader, in die mate, dat Hij ons kan verzekeren, dat Zijn eigen Woord het Woord van de Vader was:
“Ik heb niet namens Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij gezonden heeft, heeft Mij opgedragen wat Ik moest zeggen en hoe Ik moest spreken. Ik weet, dat zijn opdracht eeuwig leven betekent. Alles wat Ik zeg, zeg Ik zoals de Vader het Mij verteld heeftJohn.12: 49-50.
Voor eeuwig door de Vader voortgebracht, ontving het Woord alles van Hem.
Terecht kunnen deze woorden ons verzekeren dat alles wat Hij ons heeft verteld, van Zijn Vader komt. Al datgene wat wij behoeven te doen is dit Woord van het Leven met geloof te volgen en met de eenvoudigheid van een kind dat, zich bewust van zijn eigen machteloosheid, zichzelf overlaat in de armen van zijn Vader, waar het veilig rust en slaapt, omdat het weet dat zijn Vader er veilig zorg voor zal dragen, het beschermen en het neerleggen zal om te rusten, en indien het zou gebeuren, dat het zijn Vader beledigt door ongehoorzaam te zijn aan één van Zijn geboden, kent het kind het Hart van de Vader en vertrouwt het op Zijn liefde en zal het naar Hem toegaan om zijn fout op te biechten, vertrouwend op Zijn vergiffenis en met hetzelfde vertrouwen als daarvoor, zal hij het zich opnieuw in Zijn armen leggen.
In Gods ogen zijn wij allen kinderen; Hij is de Vader van de grote menselijke familie, onze Kosmos. Hij wiegt ons allen in de kribbe van Zijn Voorzienigheid en leid ons allen naar de wegen van de Liefde.
Laten wij van deze weg niet afstappen, laten wij ons niet wegdrijven van Zijn Vaderlijke armen!
Laat onze Hoop in God geworteld worden, in Zijn woord, in Zijn Vaderlijke liefde en Zijn reddende Handen. Zoals kinderen in de armen van hun Vader, vertrouwend op Zijn onmetelijke Genadegaven, zullen wij weten, dat ons vertrouwen er een is, die terecht is.

De oproep tot Liefde voor God, onszelf en onze naasten
God zegt tot ons mensen: ”Ik hou van jullie”,
God heeft de mensen Lief.
Kon de Kerk maar uitleggen wat Liefde ‘werkelijk’ is!
God is onmetelijk in Zijn Liefde”.
De heilige Johannes, de Theoloog en Apostel, vertelt ons, dat God met een eeuwige Liefde liefheeft, met andere woorden, Zich in eeuwige Liefde uit.
Wij zien deze eeuwige Aanwezigheid van ons bij God en in God, zo voorspeldt in een tekst van de Blijde Boodschap, Die verwijst naar de Goddelijke Wijsheid, welke er uiteraard reeds was voor de schepping, omdat het verspreid is onder ons in de schepping.
De Heilige Algemeen over de wereld verspreidde Kerk vindt het daarom niet moeilijk om het volgende eveneens op de Theotokos, de Moeder Gods, op Onze Lieve Vrouw toe te passen:
Hij heeft uit een enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der 
aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: ‘Want wij zijn ook van Zijn geslacht’Hand.17:  26-28.
Vandaar dat de Theotokos het toonbeeld van gehoorzaamheid is van de Kerk en dat de Heer heeft haar eveneens geschapen vanuit het begin van Zijn werk, het eerste van Zijn handelingen. Salomon in al zijn wijsheid zegt: ‘Luister goed naar deze wijze uitspraken en stel uw hart open voor mijn kennis en inzicht. Want het is goed als u die in uw hart sluit, dan zullen ze ook uw woorden beïnvloeden. Ik geef deze wijsheden aan u door, die jaren en jaren geleden al in elkaar is gezet gezet, vóór het begin van de aarde met haar velden, of de eerste van stof in deze wereld.
      Ik heb lief wie Mij liefhebben, wie Mij ijverig zoeken, zullen mij vinden.
Rijkdom en eer zijn bij Mij, duurzaam goed en gerechtigheid.
Mijn vrucht is meer waard dan goud, ja dan gelouterd goud, mijn opbrengst meer dan uitgelezen zilver.
Ik wandel op het pad van de gerechtigheid, midden op de wegen van het recht, om hen die Mij liefhebben, bezit te doen beërven; hun schatkamers zal Ik vullen.
De Heer heeft Mij tot aanzijn geroepen als het begin van Zijn wegen, voor Zijn werken van ouds af. Van eeuwigheid aan ben ik geformeerd, van den beginne, eer de aarde bestond.
Toen er nog geen oceaan was, ben ik geboren, toen er nog geen bronnen waren, rijk aan water.
Eer de bergen omlaag gezonken waren, voor de heuvelen ben ik geboren;
Toen Hij het aardrijk en de velden nog niet had gemaakt, noch de eerste stofdeeltjes der wereld.
Toen Hij de hemel bereidde, was ik daar; toen Hij een kring trok op het oppervlak van de oceaan,
Toen Hij de wolken daarboven bevestigde, en de bronnen van de oceaan met kracht opborrelden,
Toen Hij aan de zee haar perk stelde, opdat de wateren zijn gebod niet zouden overtreden, en Hij de grondslagen der aarde bepaalde,
Toen was ik een troetelkind bij Hem, ik was een en al verrukking dag aan dag, te allen tijde mij verheugend voor Zijn aangezicht, mij verheugend in de wereld van Zijn aardrijk en mijn vreugde was met de mensenkinderen.
Nu dan, zonen, luistert naar mij, want welzalig zijn zij die mijn wegen bewaren.
Hoort naar de vermaning, dan wordt gij wijs, slaat haar niet in de wind.
Welzalig de mens die naar mij luistert, dag aan dag de wacht houdende aan mijn deuren, bewakende de posten van mijn poorten.
Want wie mij vindt, heeft het leven gevonden, hij heeft van de Here welgevallen verkregen.
Maar wie mij mist, doet zijn leven geweld aan; allen die mij haten, hebben de dood lief“  Spr8: 17-32.

Desondanks zijn wij mensen, wat de eeuwigheid aangaat, gelijkwaardig aanwezig in Gods Geest, als deel van zijn creatief ontwerp.
Bovendien schiep Hij alle andere dingen uit Liefde voor ieder van ons, omdat wij altijd aanwezig zijn geweest voor Hem en door Hem zijn liefgehad.
Wij hebben een innerlijke schuld te betalen aan God, een schuld, die enkel kan worden terugbetaald, omdat Gods liefde vóór alles was en voortdurend vermeerderd in intensiteit. Vandaar, dat niemand en niemand verdienstelijk kan zijn jegens God, zonder onze liefde voor Hem als tegenprestatie.
Daarom dienen wij te kijken/ons te richten naar de grondregel, die God ons heeft gegeven: “Bemin Hem” en als een nieuw bewijs van Zijn Liefde, zal het een teken zijn, dat Hij onze Liefde aanvaardt, onze dankbaarheid, onze nederige tegenprestatie van liefde voor Liefde.
Wij zijn maar heel klein voor de immensiteit van God, maar wij geven Hem wat wij hebben: “Onze kleinmenselijke Liefde!
Het is een beetje zoals wat er gebeurt met kinderen, die gewiegd worden in de armen van de vader, van wie ze alles ontvangen en hem deze Liefde terug schenken met een knuffel en een kus, de symbolen van Liefde. En de vader lacht gelukkig en is voldaan, omdat het kind hem als tegenprestatie de liefde heeft geschonken.
Wij tonen en bewijzen onze kleinmenselijke liefde voor God door de liefde, die wij geven aan onze broeders en zusters, omdat, zoals wijzelf, ook zij Gods kinderen zijn, geliefd en verlost door Hem in Jezus Christus.
Wanneer wij werkelijk onze liefde willen tonen aan een vader van één familie [de Kerk], is er geen effectievere weg door geschenken te geven aan de kinderen.
Het is in deze betekenis, dat Jezus ons in het Evangelie vertelt, dat Hij alles wat wij doen voor onze broeders en zusters beschouwt als iets, dat wij voor Hem doen en dit om de reden, dat onze broeders en zusters, zoals wijzelf zijn, kinderen van één en dezelfde Vader zijn, die zich in de Hemel bevindt, geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis en bestemd om het eeuwige leven met God te delen:
      God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem;
man en vrouw schiep Hij hen
Gen.1: 27. Het werk van de schepping is een werk van liefde. God schiep ons uit liefde, zoals een vader.
Hij leidt onze stappen op het pad van het leven.
Hij gaf ons Zijn Wetten, Zijn onderricht, die het voorbeeld zijn, dat wij moeten volgen:
Heb daarom de Heer, uw God, lief en houd u aan uw verplichtingen tegenover Hem. Leef zijn wetten, regels en geboden elke dag na. Wees u ervan bewust, dat uw kinderen geen getuige zijn geweest van de opvoeding, die de Heer u gaf, en niet met eigen ogen zijn grootheid hebben gezien, zijn sterke hand en opgeheven arm. Houd mijn woorden dus in gedachten, maak ze u eigen, draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat. Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stadDeut.11: 1-2 en 18-20.
Alles wat God ons in dit gedeelte zegt is een Openbaring van de Liefde, Die Hij voor ons heeft, op dezelfde wijze zoals een vader gedragsregels oplegt aan zijn kinderen, opdat zij niet zouden afstappen van de weg, die zij moeten volgen.        – Op de dagen volgend op zijn triomfantelijke intocht in Jeruzalem, werd onze Heer Jezus Christus door de Farizeeërs en de Sadduceeërs bestookt met listige vragen en problemen.  Eén van de schriftgeleerden, die naar hen geluisterd had, terwijl zij discussieerden en gemerkt had dat Hij hun correct had geantwoord, kwam dichterbij en vroeg:
Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod?
Jezus antwoordde: “Het voornaamste is: ‘Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer; heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht’”. Het op één na belangrijkste is dit: “Heb uw naaste lief als uzelf en zijn geen geboden belangrijker dan deze”.
De schriftgeleerde zei tegen hem: “Inderdaad, meester, wat U zegt is waar: Hij alleen is God en er is geen andere god dan Hij, en Hem liefhebben met heel ons hart en met heel ons inzicht en met heel onze kracht, en onze naaste liefhebben als onszelf, betekent veel meer dan alle brandoffers en andere offers”.
Jezus vond, dat hij verstandig had geantwoord en zei tegen hem: “U bent niet ver van het Koninkrijk van God”.
En niemand durfde hem nog een vraag te stellen Marc.12: 18-34.
En aldus is het Koninkrijk van God, het Koninkrijk der Hemelen, het Koninkrijk der Liefde: om Lief te hebben en te dienen uit Liefde.
          Maar deze liefde moet worden begrepen in de betekenis van de eerbied van de zuiverheid voor de reinheid vereist in iemands levenswijze, voor de trouw aan God en de anderen en voor het houden van enige belofte, een eed en een plechtige gelofte. Het falen in het naleven van één van deze punten is een handeling van ontrouw en aldus een gebrek aan liefde, die wij aan God en ons naaste verplicht zijn.
         Wij mensen willen allemaal worden bemind, gewaardeerd, aanvaard en worden geëerd als een soort wederdienst. Dit is een verlangen, dat God in het menselijk hart heeft gegrift, omdat Hij ons uit liefde schiep om lief te hebben. Liefdadigheid is de waarde, die wacht op de eeuwigheid in de Hemel, waar wij het refrein der Liefde zullen zingen.
En het om het mogelijk te maken ons daar te krijgen, heeft God ons Zijn Wet gegeven, met boven alles het gebod Hem Lief te hebben, omdat het de Liefde is, die er zorg voor dient te dragen dat wij Zijn voorschriften naleven.
Het was de Liefde, die God ertoe bewoog om ons te scheppen, en door ons te verlossen door ons Zijn Zoon te zenden, die Zichzelf opofferde als slachtoffer tot vergeving van onze zonden. Indien God ons niet had liefgehad, zouden wij niet eens bestaan en zouden wij voor eeuwig in het niets zijn gebleven. Vandaar dat het onze plicht is, in dankbaarheid en waardering, in gerechtigheid en billijkheid, om God boven alles lief te hebben, om Zijn Liefde met onze liefde terug te betalen, òf anders gezegd: “betalen voor liefde met liefde,” zoals wij, christenen, dit niet allen plegen te zeggen, maar ook proberen in hun leven wáár te maken, te bewerkstelligen.
Bovendien is het één daad van rechtvaardigheid om die Ene lief te hebben, Die ons zo heeft liefgehad en van Wie wij al het goede hebben ontvangen. Maar onze liefde dient oprecht, opgewekt en zelfopofferend te zijn.
Neem het voorbeeld van een goede zoon, die van zijn vader houdt en alles doet wat in zijn mogelijkheid ligt om hem te behagen. Ook indien hij zichzelf dan iets zal moeten ontzeggen, zal hij het met vreugde doen, omdat het hem blij maakt zijn vader gelukkig te zien.
Van de andere kant zal het geluk van zijn vader de zoon ten goede komen, omdat de vader, verheugd door zijn dankbare zoon, hem in zijn armen zal nemen, massa’s goede dingen voor hem zal doen, kortom: alles voor zijn zoon zal doen.
Onze menselijke liefde voor God dient tevens te zijn zoals die van tussen man en vrouw.
Wanneer hun wederzijdse liefde oprecht is, zal de vrouw zichzelf volledig opofferen om haar man gelukkig te maken en daartegenover de echtgenoot zal zichzelf opofferen voor zijn vrouw, opdat ook zij gelukkig zou zijn.
Dit is de normale wederzijdse liefde, welke opoffering en overgave vereisen.
En de vruchten van deze wederzijdse liefde zijn vrede, vreugde en welzijn.
En zo moet ook onze Liefde zelfopofferend zijn.
Te beginnen met het vermijden van alles wat ons tot ernstige zonde kan aanzetten tegenover God en onze naaste, met andere woorden wij mogen aan Gods Wet niet ongehoorzaam zijn, en zeker niet in ernstige aangelegenheden.
Vervolgens dienen wij ook af te zien van alles wat ons kan aanzetten om God en onze naaste te beledigen in minder ernstige aangelegenheden, met andere woorden door de dagelijkse zonden.

De onderlinge Liefde, Die ons hiertoe zal leiden, dient in Zichzelf de kracht bevatten om ons toe te laten om onze slechte neigingen te overwinnen, die ons tot het kwade aanzet, die verleidingen van de trots, afgunst, hebzucht, wraak, pronkzucht en sensualiteit, enz.
Enkel door middel van een dergelijk gevecht met onszelf zullen wij erin slagen om op het rechte pad van onze liefde voor God en onze naaste te blijven.
Dit is een plicht voor ons, zoals Jezus Christus ons Zelf als Pedagogie heeft voorgehouden in Zijn Blijde Boodschap, in het Evangelie:
Voorwaar, Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan 
Johannes de Doper, maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan hij.
Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar.
Want al de profeten en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes toe; en indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou. Wie oren heeft, die hore!Matth.11: 11-15.
Met andere woorden het Koninkrijk der Hemelen wordt gewonnen door hen, die zichzelf verloochenen, zichzelf geweld aandoen om zichzelf en de kwade neigingen te overwinnen, de verleidingen van de wereld, de duivel en het vlees, om zo nauwgezet van het pad der gerechtigheid, waarheid en liefde niet af te wijken.
                      Dit is de inspanning, die we onszelf moeten opleggen en het is Dit Dat werkelijk waarde geeft aan onze liefde voor God en onze naaste. Allen die liefhebben, zichzelf verloochen voor diegenen van wie zij houden, doen precies wat Jezus Christus voor ons heeft gedaan. Hij offerde zichzelf op en leverde zich over aan de dood om ons het leven te schenken. Is er iets meer dat wij moeten doen voor Zijn Wil, dan onze grillen, onze kwade neigingen, onze overdreven pronkzucht, ons zelfvermaak, onze trots en ambities aan banden te leggen?

                     Maar wat bedoel ik door te zeggen, dat wij onszelf dienen op te offeren?
De Waarheid is, dat wij uit deze opoffering eigen voordeel halen, omdat wij er niet enkel de Hemel mee winnen, maar er eveneens onze vreugde en vrede op aarde mee verzekeren.  Wij willen allen leven in Vrede en Geluk, wij willen allen een gelukkig leven leiden, maar wij zijn er ons niet van bewust, dat wij er naar zoeken op plaatsen waar dit niet kan gevonden worden.
Onze Heer en Verlosser leert ons:
Welzalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezittenMatth.5: 5 en
Welzalig de Vredestichters, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.
Welzalig wie vanwege de Gerechtigheid vervolgd worden, want voor hen is het Koninkrijk der Hemelen
Matth.5: 9-10.
        De Vredestichters, Die deemoedig lijden, zijn zij, Die gezegend zijn in dit leven, omdat zij in Vrede zijn met hun eigen geweten, omdat zij zichzelf in alles wat nodig was hebben verloochend om God en hun naaste niet te beledigen.
        Dit is waar de ware Liefde wordt gevonden. Het is deze boordevolle liefde voor God, die uit het hart vloeit op onze naaste met zo’n uitbarsting van geloof en vrijgevigheid, dat wij het gelaat van Jezus Christus zien in elk menselijk wezen, of deze nu ons geloof deelt of niet, of hij of zij een goede persoon is of verstrikt in de zonde, en in Christus houden wij van hen als onze broeders en zusters, kinderen van dezelfde God en Vader, die ons allen schiep en ons allen oproept om deel uit te maken van de erfenis van de Hemel.
        Vandaar dat onze Liefde zich dient uit te strekken tot iedereen! Wij worden hiertoe geroepen door de Boodschap die God zendt door middel van zijn Engelen.
                       Om ons Geloof, onze eer aan God, Die onze Hoop is en onze Liefde waarachtig te maken en God te behagen, dient dit geloof zich uit te strekken tot onze broeders en zusters, door ons gebed, ons goede voorbeeld, onze woorden en onze daden.  Wij dienen onszelf inspannen door hen te helpen en naar God te leiden door de juiste wegen: ‘Waarheid’, ‘Rechtvaardigheid’, ‘Vrede‘ en ‘Liefde’.
– Rechtvaardigheid, omdat deze waarde niet enkel moet begrepen worden in termen van bestraffingen, want het is evenzeer een waarde om het goede met het goede te belonen en de goddelozen te straffen.
En wie in de loop van zijn leven elke moeite heeft gedaan om te studeren en
goed heeft gehandeld/geantwoord tijdens de beproeving/het examen
dient men te belonen, zoals men slechte punten dient te geven aan hen, die geen enkele inspanning leverden tijdens de leerperiode en die verkeerde antwoorden gaven tijdens de ondervraging, of zich slecht hebben gedragen.
        Op dezelfde wijze is het gelijkwaardig om hen, die goed werken en anderen dienen te belonen, en de luiaards, die niet willen werken, noch anderen willen dienen, loon af te houden.
Dit is zo, omdat de Wet van het goddelijke werk op ons allen van toepassing is.
Wij zijn allen verplicht om te werken en om anderen te dienen, elkeen dient zich volgens zijn of haar talenten, positie in het leven, cultuur ten dienste te stellen van anderen door de talenten, die ons geschonken zijn door God.
        De boer, die het land bewerkt, is niet minderwaardig aan de leraar, die de kinderen van de boer onderricht geeft op school, omdat de eerste de laatste ondersteunt door het resultaat van zijn werk en zo dienen zij allen elkaar, iedereen ten gunste van de andere.
        In het zweet van uw aangezicht zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem terugkeert, want daaruit werdt gij genomen” Gen.3: 17-19.
In Ezechiëls tempelvisioen zei de Heer, onze God dat de dienstdoende priesters linnen klederen moesten dragen en dat ’er geen wol op hen diende te komen’.
        Maar de levitische priesters, de zonen van Sadok, die de dienst in Mijn Heiligdom in acht genomen hebben, toen de Israelieten van Mij afdwaalden,
die zullen tot Mij naderen om Mij te dienen, en zij zullen in mijn dienst staan om Mij vet en bloed te brengen, luidt het woord van de Heer der Heerscharen.        Die zullen mijn heiligdom binnengaan, en die zullen tot mijn tafel naderen om Mij te dienen, en zij zullen Mijn dienst waarnemen. Wanneer zij dan de poorten van de binnenste voorhof ingaan, zullen zij linnen klederen aantrekken; zij mogen geen ‘wol’ dragen, als zij dienst doen in de poorten van de binnenste voorhof of in het huis. Linnen hoofddoeken zullen op hun hoofd zijn en linnen broeken aan hun heupen, zij zullen zich niet omgorden met iets dat doet zweten.
En wanneer zij uitgaan naar de buitenste voorhof tot het volk, dan zullen zij hun klederen waarin zij dienst gedaan hebben, uittrekken en die neerleggen in de vertrekken van het heiligdom en andere 
klederen aantrekken, opdat zij door hun klederen het volk niet heiligenEzechiël 44: 15-18.
Misschien werd dit gezegd om elke onreinheid als gevolg van zweet te voorkomen òf  omdat transpireren hun dienst onaangenaam zou maken in plaats van vreugdevol, daar zweet immers doet denken aan zwaar, moeizaam werk, zoals in het geval van Adam.
        De goddelijke Wet verplicht ons allen [voor zover mogelijk] om te werken om zo onze broeders en zusters te dienen, kinderen van dezelfde Vader, die God is en die ons allen heeft geschapen voor dezelfde bestemming: het Koninkrijk der Hemelen.
Jezus Christus liet ons tevens iets weten over de wijze hoe te leven:
“Maar ú dient u geen “rabbi” [geestelijk leraar] te laten noemen, want er is er maar Één, Die uw leermeester is en u bent allemaal broeders van elkaar.
Ook dient u niemand hier op aarde ‘Vader’ te noemen, want u heeft maar Één Vader, uw Hemelse Vader. En laat u geen ‘Leraar’ noemen, want uw énige Leraar is de Christus.
De belangrijkste onder u zal de anderen moeten dienen.
      Gij zult u niet rabbi laten noemen; want een is uw Meester en gij zijt allen broeders. En gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want een is uw Vader, Hij, die in de hemelen is. Laat u ook geen leidslieden noemen, want een is uw Leidsman, de Christus.
Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn.
Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd 
wordenMatth.23: 7b-12.
Deze indringende woorden onthullen hoe wij ons [in de Kerk] dienen te gedragen en functioneren ten dienste van God in de persoon van onze broeders en zusters en kinderen van dezelfde Vader, Die ons geeft geschapen voor één zelfde doel: namelijk, het bezit van het eeuwige, bovennatuurlijke leven, wat wij dienen op te bouwen voor onszelf in de hoogst mogelijke graad, omdat dit het énige is dat eeuwig zal blijven duren.
Het is hiervoor dat we opofferingen doen, dat we bidden en werken: zodat al onze broeders en zusters zich van het slechte pad zouden afwenden en het enige ware pad, dat Christus is, zouden betreden, zoals Hijzelf ons verteld: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het LevenJohn.14: 6.
Op dezelfde weg en nog steeds in verband met de woorden van Christus hierboven, dienen wij in elk vaderschap en menselijke wijsheid, het vaderschap en de wijsheid van God zien, van Wie elk vaderschap en alle wijsheid zijn afgeleid als vanuit een bron.
Het is om deze reden, dat wij diegene ‘vader’ noemen, die God voor ons op aarde vertegenwoordigen en van wie God gebruik maakt om ons leven te geven.
En zo noemen wij hem, die ons onderricht in de Naam van God, ‘meester,’ hij die onderwijst in de Naam van God.
Op deze manier zien wij God in iedereen en erkennen wij in iedereen het beeld van God, en zijn wij er zeker van, dat wij allen kinderen en dienaren van dezelfde God zijn.
Dit is de ware weg, die Jezus ons heeft onderwezen:
de weg van de Waarheid, de weg van het Leven, de Hoop en de Vrede.
Om dit te kunnen bereiken dienen wij de weg van de leugens, de inbeeldingen en fantasieën, die de wereld tot slaaf maakt, de rug toe te keren.
        Waarom zouden wij willen leven in een onechte wereld?
– Om misleid te worden door slechte vrienden, valse beloften en ideeën, die de mensen weghouden van het pad en hen leiden tot het kwade en de tegenspoed?
– Om onszelf toe te laten om te worden misleid door onze eigen fantasieën en kwade neigingen, die ons naar het geluk doen zoeken, waar het niet bestaat?
– Om in de eerste plaats te worden bedrogen door een verlangen naar eer, rijkdom, zonder erover na te denken, dat dit alles uiteindelijk zal leiden tot de vernedering van het ledige?

In het Koninkrijk der Hemelen zullen de blinden zien, de kreupelen lopen en de melaatsen rein worden

          Op een dag beklaagde Jezus zich over de blindheid van zo velen in de wereld, toen Hij zei: “Alles wat zij doen, doen zij om op te vallen bij de mensen . . . . .  zij zijn gesteld op de beste plaatsen aan tafel en de voorste banken in de synagoge. Ze willen graag gegroet worden op het marktplein en met ‘rabbi’ worden aangesprokenMatth. 23: 5-7.
– Wanneer dit leven ten einde is, wat zal er dan van overblijven van dit alles?
En wat zal er gebeuren met al die zielen en lichamen op de dag der Verrijzenis?
Zij hadden geen Geloof, noch Hoop en bezaten geen ‘zuivere’ Liefde voor God en voor hun naaste uit liefde tot God.
De apostel Paulus spreekt hierover in zeer duidelijke woorden:
Weet u niet, dat zij die onrecht doen, geen deel zullen krijgen aan het Koninkrijk van God? Maak uzelf niets wijs: mensen, die ontucht plegen, afgodendienaars, echtbrekers, schandjongens, knapenschenders, dieven, geldschrapers, drinkers, kwaadsprekers, uitbuiters, zij zullen geen van allen deel krijgen aan het koninkrijk van God1Cor.6: 9-10.
Hier zien we het lot, dat diegenen te wachten staat, die volharden in het volgen van deze slechte wegen, van hen, die weigeren dit de rug toe te keren en hun leven te beteren, van hen die geen berouw hebben over hun zonden en er geen enkele boete voor doen, in plaats van te willen inschepen op de paden het Geloof, de Hoop, de Liefdadigheid, dat de zuivere Liefde tot God is en tot onze naaste in Gods Liefde.

Jacob’s Ladder

Dit is de weg, die leidt naar het leven.
En op deze wijze van leven, die wij volgen is het licht Christus, zoals Hijzelf ons heeft verteld:
Ik ben het Licht voor de wereld. Wie Mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft Licht, dat Leven geeftJohn.8: 12.
Dit Goddelijk Licht beschijnt onze stappen, door het Woord, het Leven en het Voorbeeld, de Pedagogie van Christus. Al wat wij dienen te doen, is Hem te volgen.
De motivatie om dit te doen is reeds aanwezig, zowel als de uitnodiging aan ons om het te doen, met de woorden:
En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.
Dit zei Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt wasJohn.7:  37-39.
Dit goddelijk [Doop-]water waarop de Heer doelt is een symbool van de Heilige Geest, omdat de Geest het Leven is in ons, of eerder, het is door de Geest van God dat het bovennatuurlijke Leven is geboren en opwelt in ons. Het was deze zelfde [Genade-]gave van de Geest waarover Jezus dacht toen Hij aan de Samaritaanse vrouw onthulde, dat Hij in het bezit was van water dat beter was dan dat van de bron, waarheen ze kwam:
Iedereen die dit water drinkt, zal weer dorst krijgen, maar wie het water drinkt, dat Ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat Ik geef, zal in hem een bron worden waaruit het water opwelt dat eeuwig leven geeftJohn. 4: 13-14.
Het is het goddelijk [Doop-]water van de Genade waarin we moeten springen en ook in onszelf ontvangen, opdat het op haar beurt uit ons zou kunnen stromen, om de uitgedroogde zielen van onze broeders en zusters te verfrissen en hen te leiden naar de vruchten van het eeuwige leven.
En dit opdat het Geloof in onze zielen niet zou verzwakken, noch het Geloof zou wankelen en noch de Liefdadigheid zou uitdoven, maar eerder zou groeien en steeds sterker de band van onze vertrouwelijke eenheid met God en met onze naaste door ons wederkerige hulp, vergeving en begrip, zodat de vrede, de vreugde en de liefde zou mogen regeren onder ons, overeenkomstig de woorden van Christus:
Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader Mij heeft liefgehad. Blijf in Mijn Liefde: je blijft in Mijn Liefde als je je aan Mijn Geboden houdt, zoals Ik Mezelf ook aan de Geboden van Mijn Vader gehouden heb en in Zijn Liefde blijf. Dit zeg Ik tegen jullie om je Mijn Vreugde te geven, dan zal je vreugde volkomen zijn. Mijn Gebod is, dat jullie elkaar liefhebben, zoals Ik jullie heb liefgehadJohn.15:  9-12.

De oproep tot Vergeving voor God, onszelf en onze naasten
Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij zondaar?”.
Op deze wijze vraagt een orthodox christen vergiffenis . . . . ., zoals dat tientallen keren in onze goddelijke diensten wordt herhaald, wat wij kunnen dit niet genoeg herhalen:
| Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij zondaar?”.

‘Terugkeer van de Verloren Zoon’, door Rembrandt van Rijn

Onmiddellijk na de oproep tot Liefde voor God, onszelf en onze naasten, spreekt de boodschap ons van vergiffenis en verlangt van ons om Gods vergeving te vragen voor onze broeders en zusters en ook voor onszelf, voor hen, die niet geloven, maar ook voor hen, die wel geloven, voor hen, die niet aanbidden en voor hen, die neerbuigen uit eerbied voor God, voor hen, die niet hopen en voor hen, die alle vertrouwen hebben, voor hen, die niet liefhebben en voor hen, die werken van liefdadigheid uitoefenen.
                            Het is een gegeven, dat wij allen Gods Genadegaven dienen te verdienen voor ons gebrek aan Geloof, hetgeen dikwijls zo breekbaar is, voor onze Hoop, die dikwijls zo zwak is, voor onze Liefde en liefdedaden, welke dikwijls zo koud en ongevoelig zijn en voor onze aanbidding, die dikwijls zo traag en lui is.
Wij vragen vergeving voor hen, die niet geloven, voor hen, die niet aanbidden, voor hen, die niet hopen en voor hen, die niet liefhebben en heel dikwijls mogen wij onszelf  daar ook onder rekenen. Het is om deze reden, dat Jezus Christus ons het “Onze Vader” heeft geleerd;
om Hem te vragen: “Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenarenMatth.6: 12 en zo kunnen wij Gods Genadegaven niet verdienen, wanneer wij onszelf en onze broeders en zusters niet kunnen vergeven.
                            Daarom mogen wij geen wrok dragen, noch een ziekelijke eigenzinnige wil of nog minder een ziekelijk verlangen om wraak te nemen voor enig ongenoegen, noch in grote of kleine dingen, noch tegen onze buren of anderen, die ons iets hebben misdaan.
Onze vergiffenis dient mild te zijn, volledig en zelfopofferend in de betekenis, dat wij onszelf overwinnen. Het is nodig om in ons de oproep tot protest tot stilte te brengen, onze opgewonden zenuwen te kalmeren en een sterke greep te houden op ons humeur en de hitte van onze wonden van eigenliefde bedekt te houden die, goed of slecht, kwetsend zijn en aanzetten tot ergernis.
Het is in dergelijke omstandigheden, dat wij gevraagd worden om onze naaste te vergeven, wanneer hij ons om genade komt vragen:
Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u 
heeft, laat uw gave daar, voor het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave. Wees vriendelijk jegens uw tegenpartij, tijdig, terwijl gij nog met hem onderweg zijt, opdat uw tegenpartij u niet aan de rechter zal overleveren en de rechter aan zijn dienaar en gij in de gevangenis wordt geworpenMatth.5: 23-25.
                                 Deze woorden van Jezus tonen ons aan, dat God zowel vergiffenis als verzoening wenst en enkel onze offers, onze gebeden en boete God zullen behagen en door Hem zullen worden aanvaard.
Onze vergeving dient mild te zijn, oprecht en uit het hart komen en ook duidelijk tot uiting komen, zodat God ons op dezelfde wijze kan vergeven.
Dit is wat onze Goddelijke Meester ons onderwijst:
Want als u anderen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Maar vergeeft u anderen niet, dan zal uw Vader uw fouten ook niet vergevenMatth.5: 14,15.
Sommige mensen zeggen: “ik heb niet het gevoel dat ik kan vergeven”.
Vergeving is echter niet gebaseerd op een gevoel; maar op een besluit.
Het is geen zaak van emoties, maar een zaak van uw wil. Vergeving behoef je niet te voelen; je dient het te willen. Indien je een wedergeboren kind van God bent, dan zul je door Gods Kracht in staat worden gesteld dit te willen; probeer het maar, er valt een pak van je hart.
Zo beschouwd is vergeven dus niet moeilijk. Het is een handeling van de wil en een uiting van de lippen. Je besluit het; je zegt het; en dat is dat!
Wees daarbij specifiek en noem mensen bij hun naam:
Heer, ik vergeef mijn man; ik vergeef mijn vrouw, ik vergeef mijn zoon en [schoon-]dochter, mijn broeder of zuster, mijn naasten, waaronder mijn voorganger . . . . ., mijn medemens.
Zoals ik wil dat U mij vergeeft, zo vergeef ik hen
”, in al mijn onvolkomenheid.
Met het oog op deze Woorden, deze Pedagogie van ons Heer en Verlosser Jezus Christus, is onze vergiffenis tot onze naaste onontbeerlijk als wijzelf vergiffenis wensen te bekomen van God. Vandaar dat de Blijde Boodschap ons opdraagt om Gods vergeving te vragen voor onze broeders en zusters en voor onszelf.
God is Genadig en onophoudelijk bereid om ons te vergeven, zodra Hij maar ons eigen berouw en verlangen tot rechtzetting waarneemt en dit is, wanneer Hij ziet dat wij spijt hebben, omdat wij onze levenswijze hebben veranderd en het pad van de zonde de rug hebben toegekeerd om in te schepen op het pad van de Genade.
Onze Heer zei tot Maria Magdalena en over haar heen tot de Farizeeërs, die sterke verdachtmakingen hadden over haar soort zonden en hun bedenkingen hadden over de vriendelijkheid en het begrip: “ Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde. En Hij zei tot haar: Uw zonden zijn u vergevenLuc.7: 47,48.
Onze Heer zag in de ogen van Maria Magdalena de tranen, die van haar wangen liepen.  Hij zag in haar hart de zalf [de Myron] waarmee zij Hem zalfde, haar minachting voor de pronkzucht van deze wereld en haar vastbeslotenheid om haar levenswijze te veranderen.
Hij zag in haar hart de pijn en het verdriet waarmee ze haar leven wilde beteren: “Vrouw, uw zonden zijn u vergeven”.
Toen zij Jezus zag, geloofde Magdalena in Hem en zij had Hem lief.
Het was dit Geloof en deze Liefde, Die aan de basis lagen van haar haat voor de zonde, om te treuren over en de ijdelheden der wereld te minachten, aan haar levenswandel te veranderen.
En de Heer was verheugd met dit alles met de woorden:
Vele zonden zijn haar vergeven omwille van haar liefde. Uw geloof heeft u gered. Ga in Vrede”. Het is het Geloof en de Liefde, Die ook bij ons de haat voor onze zonden kan doen opwellen, er spijt over hebben en onze levenswijze doen veranderen, zodat God tegen ons kan zeggen, zoals Hij tot Maria Magdalena zei:Uw zonden zijn u vergeven”.
                            Tot de overspelige vrouw zei Hij: “Heeft iemand u veroordeeld?” Zij zei: “Niemand, Heer” John.8: 10-11.
De Heer zag het verdriet in het hart van de vrouw en haar verlangen om haar levenswandel te veranderen, vandaar dat Hij haar beloofde om haar niet te veroordelen en haar vergiffenis te schenken, op voorwaarde echter, dat zij niet meer zou zondigen:
Ga naar huis en zondig voortaan niet meer”.
Op dezelfde wijze richtte Jezus zich met zijn boodschappen tot hen, die ervan uitgingen, dat ze enkel goed moesten lijken in de ogen van de anderen, zonder zich iets van Gods ogen aan te trekken. Voortdurend riep Hij hen op tot berouw over hun levenswijze en om boete te doen:
Voorwaar, Ik zeg u, de tollenaars en de hoeren gaan u voor in het Koninkrijk Gods. 
Want Johannes heeft u de weg der Gerechtigheid gewezen en gij hebt hem niet geloofd. De tollenaars en de hoeren echter hebben hem geloofd, doch hoewel gij dat hebt gezien, hebt gij later geen berouw gekregen en ook in hem geloofdMatth. 21: 31,32.
Het is juist, dat de Joden de gewoonte hadden aangenomen om andere offergaven te schenken aan God voor hun zonden, waarbij zij dieren kozen als slachtoffers, maar zij begrepen de regel van de liefdadigheid niet, vooral met betrekking tot de armen en de verstotenen, de wezen en de weduwen, die zij dikwijls zonder gerechtigheid en zonder hulp achterlieten.
Gods antwoord hierop was echter als volgt:
                                 Wat zal Ik u aandoen, o Efraim? Wat zal Ik u aandoen, o Juda?
Immers uw liefde is als een morgenwolk, en als een dauw die in de vroegte vergaat.
Daarom heb Ik er door de Profeten op ingehouwen, heb Ik hen gedood door de woorden van Mijn Mond. De oordelen over u waren een doorbrekend licht.
Want in Liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer, in kennis van God en niet in brandoffersHos. 6: 4-6.
Inderdaad, hoe kan een uiterlijk offer God behagen, tenzij wij Hem het innerlijke offer aanbieden van de vergiffenis, die we aan anderen schenken?
Dat komt, omdat de waarde van deze daad, die Jezus ons vertelt in het Evangelie, zo weinig begrepen wordt: “Barmhartigheid wil Ik, geen offergavenMatth. 9: 13.
Wij dienen werkelijk aan te leren om volledig te begrijpen, dat het de Genade en de Vergiffenis tegenover de anderen zijn, Die dienen op te wellen in onze harten en dit uit Liefde voor God, zoals de liefde uit het Gods Hart opwelt voor ons.
Op een dag vroeg Petrus aan Jezus:
Heer, hoeveel maal zal mijn broeder/zuster tegen mij zondigen en moet
ik hem vergeven? Tot zevenmaal toe?
Jezus zei tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zevenmaal.
Daarom is het Koninkrijk der Hemelen te vergelijken met een koning, die afrekening wilde houden met zijn dienarenMatth.18: 21-23.
Met andere woorden gezegd betekent dit: ‘Wij dienen altijd en overal te vergeven’.
God heeft de mensheid, ons mensen Lief en uit Liefde voor ons is Hij in ons verblijf komen zoeken, wachtend op ons nederig antwoord van onze kant.
God is onder ons, Hij is en zal zijn!”.
Hij heeft Zich in en onder ons gevestigd, daar wij allen tempels geworden zijn van de liefdesband van de beminnelijke Drie-eenheid, in de Vader en in de Zoon en in de Heilige Geest.

Troparion     tn.4.
    Uw Geboorte, Christus, onze God,
bracht aan de wereld het Licht der kennis:
een ster onderwees de aanbidders der sterren
om U te aanbidden als Zon der Gerechtigheid
en als Opgang uit de n Hoge:
Heer, eer aan U
”.

Kondakion     tn.3.
    De Maagd baart heden Hem,
Die was voor alle zijn,
en de aarde biedt een grot aan Hem, Die ongenaakbaar is.
De Engelen zingen lof met de Herders;
de Koningen volgen de sterre;
want voor ons is geboren als Kind,
Die God is in alle eeuwigheid
”.

Prijslied
    Prijs haar, mijn ziel, met blijde zang;
want verheerlijkt boven alle Engelen:
de aller-reinste Maagd en Moeder van onze God:
Moeder van onze God;
die Hem in het vlees heeft gebaard,
Die genoemd wordt: Emmanuel:
God is met ons, Christus, Gezalfde.
Heilig Mysterie, zo vreemd en zo heerlijk,
nu een grot hemel, een Maagd Cherubijnen-troon geworden is.
En Hij in een kribbe ligt,
Die door de Hemelen niet omvat noch begrensd kan worden:
Wij vereren U
”.

29e – Zondag voorafgaand aan Christus Geboorte, de Voorvaderen van het 1e Verbond

De Voorvaderen van het 1e Verbond
τους προπάτορες του 1ου Συμφώνου
أجداد العهد الأول

      Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham.
Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jaäcob, Jaäcob verwekte Juda en zijn broeders,
Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram,
Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon,
Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isai,
Isai verwekte David, de koning. David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria,
Salomo verwekte Rechabeam, Rechabeam verwekte Abia, Abia verwekte Asa,
Asa verwekte Josafat, Josafat verwekte Joram, Joram verwekte Uzzia,
Uzzia verwekte Jotam, Jotam verwekte Achaz, Achaz verwekte Hizkia,
Hizkia verwekte Manasse, Manasse verwekte Amon, Amon verwekte Josia,
Josia verwekte Jechonja en diens broeders ten tijde van de Babylonische ballingschap.
      Na de Babylonische ballingschap verwekte Jechonja Sealtiel, Sealtiel verwekte Zerubbabel,
Zerubbabel verwekte Abihud, Abihud verwekte Eljakim, Eljakim verwekte Azor,
Azor verwekte Sadok, Sadok verwekte Achim, Achim verwekte Eliud,
Eliud verwekte Eleazar, Eleazar verwekte Mattan, Mattan verwekte Jakob,
Jacob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is,
Die Christus genoemd wordt.
Al de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten en van David tot de Babylonische ballingschap veertien geslachten en van de Babylonische ballingschap tot de Christus veertien geslachten.
      De geboorte van Jezus Christus geschiedde aldus.
Terwijl zijn moeder Maria ondertrouwd was met Jozef, bleek zij, voordat zij gingen samenwonen, zwanger te zijn uit de heilige Geest.
Daar nu Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, was hij van zins in stilte van haar te scheiden.
Toen die overweging bij hem opkwam, zie,  een engel des Heren verscheen hem in de droom en zei:
‘Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen,
want wat in haar verwekt is, is uit de heilige Geest. 
Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven.  Want Hij is het die Zijn Volk zal redden van hun zonden.
Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen de Heer door de profeet gesproken heeft, toen hij zei:
       Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immanuel geven, hetgeen betekent: ‘God met ons’.
Toen Jozef uit zijn slaap ontwaakt was, deed hij, zoals  de engel des Heren hem bevolen had en hij nam zijn vrouw tot zich. 
En hij had geen gemeenschap met haar, voordat zij een zoon gebaard had.  En hij gaf Hem de naam JezusMatth.1: 1-25.

Abraham gehoorzaamt aan God.

    Door het Geloof heeft hij vertoefd in het land der Belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaäc en Jaäcob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte; want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.
      En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers, de tijd zou mij ontbreken, als ik ging verhalen van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en Samuel en de profeten, die door het Geloof koninkrijken onderworpen, Gerechtigheid geoefend, de vervulling van de Belofte verkregen hebben, muilen van leeuwen dichtgesnoerd, de kracht van het vuur gedoofd hebben.
Zij zijn aan scherpe zwaarden ontkomen, in zwakheid hebben zij Kracht ontvangen, zij zijn in de oorlog sterk geworden en hebben vijandige legers doen afdeinzen.
      Vrouwen hebben haar doden uit de opstanding terugontvangen, anderen hebben zich laten folteren en van geen bevrijding willen weten, opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben.
      Anderen weder hebben hoon en geselslagen verduurd, daarenboven nog boeien en gevangenschap.  Zij zijn gestenigd, op zware proef gesteld, doormidden 
gezaagd, met het zwaard vermoord; zij hebben rondgezworven in schapenvachten en geitenvellen, onder ontbering, verdrukking en mishandeling – de wereld was hunner niet waardig – zij hebben rondgedoold door woestijnen, en gebergten, in spelonken en de holen der aarde.
      Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komenHebr.11:9-10;32-40.

Velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren [uitgekozen]’.
Dat zegt Christus ons in de Blijde Boodschap op de dag voorafgaand aan Zijn Geboorte in het vlees, de zondag dat wij Zijn Voorvaderen gedenken.
Wij gedenken daarbij hoe zij in barre tijden de Godskennis niet alleen verkregen maar ook bewaard en doorgegeven hebben; zij hebben daardoor een speciale betekenis gekregen.
Sommigen van hen hebben maar een zwak aftreksel van de ware Goddelijke betekenis voor de mens meegekregen, anderen hebben zich dermate verheft dat onze kinderen nog steeds naar hen vernoemd worden.

In Australië hielden de Aboriginals een vage herinnering aan hoe God de wereld perfect schiep, hetgeen zij benoemen als de ‘Droomtijd‘.
Over de gehele wereld, van het noordste puntje van Azië tot de Zuidelijkste streken van Amerika, hebben zo’n 120 verschillende volkeren en culturen de herinnering aan een grote, universele [in-]vloed bewaard, die we tot in detail in onze herinnering aan de geschiedenis aan de ark van Noach [het schip van de Kerk] herkennen.
Een ‘Trinitaire God‘, de Goddelijke drie-eenheid werd bij de Hindoes lang geleden krachtens hun  intuïtie beleden, maar hun kennis van God raakte onder hen op den duur zo verwrongen dat hun drie-eenheid een drie-eenheid van destructieve goden is geworden.
Andere volken gingen nog verder op hun zoektocht en begonnen stenen en bomen, rivieren en bergen te aanbidden en daardoor de schepping met de Schepper te verwarren.
In onze westerse streken aanbaden duizenden jaren voor Christus, de ‘slimste’ mensen,  bijvoorbeeld niet anders dan sommigen vandaag, de sterren, zoals we kunnen zien aan het grote astronomische monument dat zij bouwden en ‘Stonehenge‘ noemden. Op datzelfde moment bouwden de knapste mensen in Egypte ook ‘enorme piramides‘ om de zon te aanbidden, waardoor ze geloofden dat hun leiders, de farao’s, sterrengoden zouden worden.
Andere volken gaven alles op ooit God te kennen en verklaarden dat de weg vooruit bestond uit het volgen van de meest wijze mannen van hun culturen, Boeddha in India, of Confucius in China.
In het oude Griekenland verklaarden de meest wijze mannen dat mensen God nooit zouden kunnen kennen tenzij God Zichzelf voor het eerst aan de mens zou openbaren en in Athene werd daarom een altaar opgericht voor ‘de onbekende God‘.
Velen werden geroepen, maar weinigen werden uitverkoren [gekozen], want van al deze volken en culturen waren er slechts vertegenwoordigers van één Volk Die de ware geschiedenis van de mensheid bewaarden. Dit uitverkoren Volk werd gevormd door het Joodse Volk, de oude Hebreeën, het uitverkoren Volk, en vandaag herdenken we alle rechtvaardigen onder hen, onze voorouders en voorouders in het Geloof.

♨︎ Vanaf Adam en Eva waren er onder ons mensen rechtvaardige en heilige mannen en vrouwen. In hun leven hebben ze het leven van Christus voor ogen gehad en Christus voorzegd.
♨︎ Abel, die werd vermoord door z’n broeder Kaïn, is een voorafbeelding van Christus, die ook door mensen werd vermoord.
♨︎ Melchizedek de priester is de prefiguratie van Christus, de Hogepriester.
Henoch en Elia, die werd opgenomen in de Hemel, geven de voorkeur aan Christus Die ook met Hemelvaart in de Hemelen werd opgenomen.
♨︎ Noach, wiens familie alleen de zondvloed overleefde, is een voorbode van de doop met de zuivering die Christus ons heeft gegeven, door Zich als Zoon van God met ons als mens te bekleden.
♨︎ Job z’n lankmoedigheid staat voor de lankmoedigheid van Christus.
♨︎ Abraham, die werd gevraagd om zijn zoon Isaäc te offeren, geeft de voorkeur aan het offer dat God de Vader met zijn Zoon heeft gebracht.

Jacob’s Ladder

♨︎ Jaäcob geeft de voorkeur aan Christus, want hij zag de ladder die de aarde met de Hemel verbindt, waardoor de hemel naar de aarde en de aarde zo ver zal kunnen komen om ‘op te staan’ en de Hemel, het Hemels Koninkrijk kan bereiken.
♨︎ Joseph, die verraden werd door zijn twaalf broers, geeft de voorkeur aan Christus die verraden werd door Zijn discipelen.
♨︎ Mozes, de leider van het uitverkoren Volk, aan wie ‘de grote openbaring van de Tien Woorden’ – ‘de Wet’ werd gegeven, was onovertroffen totdat Christus ons de zaligsprekingen gaf, als voorafbeelding van Christus, want Mozes zag de brandende [braam-]struik, die niet verbrandde,  de moederschoot van de Moeder Gods, die niet door het vuur van Christus werd verteerd.
♨︎ Joshua, wiens naam hetzelfde is als die van Christus, dat is Jezus, de Verlosser, geeft de voorkeur aan Jezus de Verlosser van Zijn volk.
♨︎ David, verwant door z’n bloedlijn aan Christus, zag Christus in de Psalmen die hij opschreef.
♨︎ Salomon bracht de Wijsheid van God tot uitdrukking in zijn Boeken van Wijsheid.
♨︎ De profeet Daniël zag de heilige drie-eenheid door de drie heilige jongelingen in de oven van Babylon [de wereld].
♨︎ De profeet Isaiah zag Christus als de lijdende dienaar.
♨︎ De profeet Jonah is de voorbode van de driedaagse begrafenis van Christus door zijn driedaagse verblijf in de buik van de walvis.
Al deze heilige voorvaderen samen met onze heilige voormoeders, Sarah, Rebecca, Ruth, Deborah en nog veel, veel meer, wiens iconen allemaal op de achtermuur van vele kerkgebouwen staat afgebeeld, die toegewijd zijn aan de rechtvaardigen van het Oude Testament, dit alles herdenken we vandaag.
We eren hen allen, die met hun eigen achtergrond en om verschillende redenen, die hun leven geconcentreerd hebben, die hun leven gericht hebben op de komst van de Messias, als hun Heer en Meester:
  Sommigen van hen hebben de Heer trouw gediend.
  Sommigen van hen hebben de Heer onomwonden, eerlijk, zonder slinkse methoden [achterbaksheid, maar rechtdoorzee] gediend.
Sommigen van hen, omdat de Heer hen door de Kracht van God, bovenmenselijke kracht heeft verleend.
Sommigen van hen omdat zij De Heer door hun doen een voorafbeelding hebben afgegeven, door een Beeld van God de Vader te zijn, naar Wiens beeld zij geschapen waren.
Sommigen van hen hebben door hun liefdevolle en medemenselijk leven het Mysterie van de Drie-eenheid voorafgaand al geopenbaard en werd Christus in hun leven al onder de mensen bekend en verwacht.
Sommigen van hen hebben onze Heer Jezus Christus in het vlees ervaren en geprofeteerd.
En sommigen van hen hebben onze Heer geopenbaard doordat zij als mens boven de tijd en ruimte leefden.
En zoals de Heer onze God aan – Abraham, Isaäc en Jaäcob – een Verlosser beloofde Die uit hun eigen hart zou voortkomen, zo heeft Hij hen tevens voor gehouden de Vader te zijn van vreemdelingen, van de herders van Israël.
Want vanaf den beginne was dit het doel van God om alle mensen, Joden en heidenen, bijéén te brengen, tot getuigenis van Zijn Hemels Koninkrijk.
Dit is al door vele getuigen van welke natie dan ook op aarde getuigd, voorgeschreven en voorbereid.
In de woorden van Paulus, ‘dè Apòstel onder de heidenen‘ heeft God alle natiën hun wegen laten doorlopen, maar Hij heeft zichzelf niet verlaten zonder getuigenis achter te laten:
“ . . . de levende God, die de Hemel, de aarde, de zee en al wat erin is gemaakt heeft. Hij heeft ten tijde van de geslachten, die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan en toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wèl te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken” Hand.14: 15a-17.
De Christus, onze Verlosser kwam tot ons in een kribbe – in een grot,
Want Hij is onze Vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, heeft weggebroken, doordat Hij in Zijn vlees de Wet van de Geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, Vrede makende, de twee tot ‘één nieuwe mens’ te scheppenEph. 2: 14-15.
Om deze reden wordt vandaag een signaal afgegeven aan de ontwrichte mensheid: de oude mens af te leggen en de nieuwe mens aan te doen [je te bekleden met Christus]:
      Want hoewel ik vrij sta tegenover allen, heb ik mij allen dienstbaar gemaakt, om er zoveel mogelijk te winnen; en ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; hun, die onder de wet staan, als onder de wet – hoewel persoonlijk niet onder de wet – om hen, die onder de wet staan, te winnen; hun, die zonder wet zijn, ben ik geworden als zonder wet – hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de Wet van Christus – om hen, die zonder wet zijn, [noch Griek noch Jood … noch barbaars noch asceet] te winnen. Ik ben voor de zwakken zwak geworden, om de zwakken te winnen; voor allen ben ik alles geweest, om in elk geval enigen te redden.  Alles doe ik ter wille van het evangelie, om er zelf 
ook deel aan te verkrijgen1Cor9: 19 -23.

kerkklok‘ in Saleby, Västergötland [Zweden] met rune-inscriptie

Deze voorvaderen en voormoeders zijn allemaal onze geestelijke familie, want zij zagen, reeds lang voordat wij ook maar geboren waren, Degene Die wij heden-ten-dage belijden, Christus, onze waarachtige God, Die is opgestaan uit de dood en ons daarmee voor ons het eeuwig Leven heeft gewonnen.

Laten we in deze laatste dag[en] voor de viering van de Geboorte van de Heiland op aarde één of tenminste een deel van hun geschriften lezen, bijvoorbeeld het boek Genesis, het boek van Exodus, het boek Spreuken, of gewoon de Psalmen, en laten we onze band met onze voorouders in het Orthodoxe Geloof vernieuwen.

‘het Goede’ blijven na te volgen en gehoorzaam te zijn aan het ‘juiste’ de voorkeur te geven!

Heilige voorvaders en voormoeders van Christus, bid God voor ons, om onze zielen te redden?!‘.

O Heer der heerscharen, wees ons genadig …
Hoe zal de Heer onder ons verkeren; onder ons verblijf houden?
Christus vertegenwoordigt Gods Kracht; Hij is het Woord des Heren.
O Heer der heerscharen wees met ons …”.
Zoals Isaiah ons voorgezegd heeft: “Indien de Heer Sabaoth ons geen zaad overgelaten had, dan zouden wij als Sodom geworden zijn en als Gomorra zouden wij met de grond gelijk gemaakt zijnconf. Rom.9: 29.
Probeer toch eens in te zien, wat er met deze woorden bedoeld wordt; het kan toch niet anders of het heeft wèl dégelijk iets voor ons te betekenen.

Welnu, zoals de Heilige Voorvaderen het ons voorzegd hebben:
Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen Gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit Geloof is; doch het Volk Israël, hoewel het een Wet ter Gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen. Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van Geloof, maar van vermeende werken. Zij hebben zich gestoten aan de Steen des aanstoots, gelijk geschreven staat: Zie, Ik leg in Sion een Steen des aanstoots en een Rots der ergernis, en wie op Hem z’n Geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomenRom.9: 30-33.
Tot eenieder, die zichzelf heer en meester, leider of ‘opvolgend’ prins in deze wereld acht – zal in het toekomende leven geen stand houden.  Het geluid van God, Zijn Woord heeft zo’n grote Kracht dat hetgeen Hij beveelt onmiddellijk uitgevoerd wordt.
Een mens kan onmogelijk op ‘eigen‘ spirituele kracht in het leven voortgaan.
O Heer der heerscharen wees met ons …”.
Wij vragen de hemelen om ons geestelijke kracht te geven.
Christus is weliswaar gewond en aan het Kruis geslagen, doch onze heilige Voorvaderen, hebben deze dagen voorzegd en deze dagen aan ons verklaard – ondanks alles hebben zij ervoor hebben gekozen om deze dagen hem te blijven aanroepen en Hem te vragen om te komen en onder ons te zijn.
Hij, Die van deze dingen getuigt, zegt: ‘Ja, Ik kom spoedig’. Amen, kom, Heer Jezus!Apocolyps 22: 20.
Hij, Die komt, Die is het Hoofd van alle Krachten en Heer en Meester over alles en Hij komt tot ons.
Met welk doel?
Om voor ons tot een ​​Trooster te worden, Hij, Die komt.
Hij zal voor ons een Middelaar zijn, een Pedagoog [leraar] en een Geneesheer; Hij is Degene Die over alles en iedereen de overhand heeft en met ons zal optrekken; “Hij zal met ons meegaan“.
We vragen Hem ons Zijn Kracht te verlenen.
Maar deze Kracht komt niet op een hoogdravende wijze, maar eenvoudig en overtuigend. Het is geen uniform wat wij aantrekken of een of ander tuniek.
Het is geen fysiek iets dat we tot ons nemen, maar het is een spirituele Kracht.
Het is God Zelf, waarop wij onze Hoop op hebben gesteld.
Het is onze Hoop op Zijn bereidheid tot ons te komen en wij zien er hunkerend naar uit, omdat Hij verklaard heeft dat Hij bereid is ieder ogenblik dat wij daarom verzoeken bij ons te komen.
Wij zijn dankbaar en blij, om Hem bij te staan hier op aarde een schaduw van Zijn Bestaan wéér te geven en dienen dáártoe een plaats voor Hem te bereiden – opdat de wereld voor Hem ontvankelijk zal zijn.

Christus met de heilige Joseph, verloofde van de Theotokos

Wie is deze Kracht, Wie heeft al deze Macht?
Dit is Christus, Die wij navolgen en Die in de wereld kwam en Zijn Goddelijk Bloed vergoot. De Heilige der heiligen is gekomen om ons vrij te kopen en ons Kracht te geven, zodat we op “slangen en schorpioenen” kunnen treden en de kracht van de gehele tegenstrever vertrappen.
Maar dit overkomt ons niet zo maar, allereerst dienen wij datgene wat ons aangenaam is in de wereld de rug toekeren.
En daarom zingen wij met de Voorvaders en hebben wij ons voorbereid op Zijn komst, omdat die voorbereidingstijd ons klaar maakt Hem te ontvangen; eerst dan zijn wij gekleed om naar het feest te trekken.
Wanneer onze aardse gebondenheid niet verdwijnt, wanneer wij die niet hebben afgelegd, zal God niet komen.
Maar hoe kunnen we God ertoe brengen om mèt ons te zijn?
Ik heb het idee dat je dat nu wel weet.
Door ons vóór te bereiden zullen we God zover brengen om mèt ons te zijn en dat is voor de nederigste onder ons hartverscheurend. Onze harten hunkeren naar Liefde, Nederigheid, Geduld en vastberadenheid om Goed te doen, teneinde Gods verblijf mèt ons mogelijk te maken.
Maar het is niet eenvoudig, omdat het niet gemakkelijk is om onze aardse gebondenheid af te leggen en ons met Christus te bekleden.
Wij nodigen God uit in ons persoonlijke hart [grot] en in onze kerkgemeenschap en we treuren en wenen om onze gevallen zielen.
Maar op hetzelfde ogenblik doen we het tegenovergestelde; zodra we zijn heen gegaan, verliezen we alles wat we zojuist hebben gewonnen.
Hoe? Door te haten, door wanpraktijken, door kwaad te doen, anderen te veroordelen en al wat niet meer aan andere passies, die wij elke dag als mens bevechten.
En Christus heeft onder ons gesproken: ‘dat Zijn heer, Zijn troepen ons zullen begeleiden …’, maar indien zij het ook maar eventjes laten afweten, eventjes niet  doen waar zij voor dienen, doen wij Gods werken niet meer.

Heilige Anthonius de Grote met Paulus van Thebe in de woestijn van Egypte

We zijn niet bang voor God en ondanks dàt houden we niet van Hem.
De heilige Anthonius de Grote zei zelfs: “Ik ben niet bang voor God omdat ik hem met geheel mijn ziel liefheb“, maar “vanwege het feit dat Zijn Liefde m’n angst volledig verdrijft”.
Hoe laten we zien dat we niet van Hem houden?
Wanneer wij onszelf verheffen, wanneer we niet tolerant zijn en
– wanneer iemand dat doet worden we toch niet verpletterd en
– wanneer wij dingen doen, die God niet leuk vindt, ontsnappen we gewoon niet aan datgene wat de tegenstrever ons via ons werelds gedrag aanpraat.
Hebben wij het dàn verkeerd aangepakt?
Wij mensen doen onszelf tekort en pijn; wáár je ook gaat, zul je ook gaan, en daar wáár je geest ook is, daar zal deze op de vlucht dienen te zijn voor de tegenstrever.
Maar wat win je daar dan mee?
In plaats van vreugde, rust en troost veroorzaak je jezelf verdriet en angst.
Hoe zo zal God dàn mèt je zijn?
Wanneer wij ergens buiten treden, zien we dat de mens tegengesteld reageert
– er twee helften die op dezelfde stoel verblijven, soms zien we ons verheffen en ander momenten onszelf vernederen.
Waarom zal dat niet op een ander moment kunnen plaatsvinden?
En waarom is dit je niet in de voorgaande jaren overkomen, maar overvalt dit je  niet alleen iedere dag in deze voorbereidingsperiode?
Omdat we niet wisten dat het -hier en nu- niet bestond; de kans dat er -hier en nu- iets vervelends of gevaarlijks plaats vindt en dat onze ziel op ieder moment van de dag kan worden getroffen, ziet alleen onze Heer en Zaligmaker, onze God.
Wij, al zijn we als christenen onder elkaar, zien het gevaar niet dat onze ziel elk moment van de dag kan treffen.
Wij hebben niet dóór hoe gemakkelijk wij een werktuig in handen van de Satan kunnen zijn geworden.
Is onze geestelijke kracht dan verlamd?

open vogelkooitje

Wie doet hier een uitspraak als was je als een vogeltje, dat maar heen en weer fladdert?
Wie zou àl die jaren niet tegen ons gezegd hebben ‘stop‘ daar nu eindelijk eens mee?
Wees eens verstandig en ga daar nu eens niet mee door en verzet je daar eens tegen, verman jezelf?
Niemand en elk mens weet dat er slechts via de goddelijke weg een plaats van rust is te vinden.
Wij zijn nu eenmaal mensen van de rede en dienen toegewijd te zijn aan God.
Waarom vluchten we naar wereldse begrippen, daar waar slechts het gevaar beschikbaar is?
Waarom zwijg je niet?
Waarom handhaven wij onze menselijke gehoorzaamheid niet?
Waarom hebben we geen liefde, geduld en verzoening, datgene waarmee we ons van alle gevaar verwijderen en de goddelijke Kracht in ons brengen?
Wanneer je dit ontdekt hebt zul je je verbazen dat zelfs een piepklein vogeltje het gevaar kent en wij als geen ander worden beïnvloed !!!
God gaf dit vogeltje wijsheid en bewustzijn, dat er op enige moment in Zijn nabijheid gevaar is en angst het om het hart slaat om hem te schaden.
Maar voor ons broeders is de goddelijke Genadegave niet voldoende, om te zeggen dat we de tijd van het Heilig Feest door de voorbereidingsperiode hebben bereikt en er helemaal zeker van zijn dat we ons hebben voorbereid, omdat deze periode alleen maar gericht is geweest op een verandering in de kwaliteit van ons voedsel.

wijd open kerkdeuren

Laten we het anders formuleren; de Heer en Verlosser zegt ons:
Vasten is geen onderbreking van ons eten, maar een actieve opstelling tot verandering”; laten wij ons daarom verheugen om de komst van onze Heer in het vlees: “ Want Hij maakt u los uit de strik van de jagers, behoedt u voor de kwaadaardige tong.
Hij zal u met Zijn vleugels overschaduwen en
onder Zijn wieken vindt gij een toevlucht,
Zijn Trouw is uw Pantser en Schild”
conf.Psalm 90[91]: 3,4.

Troparion     tn.2.
 
In het Geloof hebt Gij de Voorouders gerechtvaardigd
en in hen hebt Gij reeds tevoren
de Kerk uit de volkeren aan U verloofd,
terwijl zij zich verheugen in heerlijkheid,
omdat uit hun zaad de Vrucht gekomen is
Die U zonder zaad gebaard heeft.
Door hun gebeden, o Christus God,
ontferm U over ons
”.

Kondakion     tn.6.
Het met handen gemaakte beeld
hebt gij niet willen vereren.
Daarom werd gij beschut door de niet-gemaakte Wezenheid,
en in de arena van het vuur zijt gij verheerlijkt.
Overwonnen temidden van de vlammengloed
heeft Uw drietal de Ene God aangeroepen.
Kom ons te hulp, Menslievende,
want Gij kunt alles wat Gij wilt
”.

December 18e – H. Simeon, de rechtvaardige wonderdoener van Verkhoturye


De Oeral in Rusland heeft veel heiligen voortgebracht, maar Simeon van Verkhoturye, de wonderdoener van heel Siberië, is de meest gevierde heilige van deze regio van de Oeral en Siberië.
Hij werd geboren in 1607 als zoon van een adellijke familie, die afstand deed van zijn erfgoed en een eenvoudig leven leidde onder de dorpsbewoners.
Hij werd bekend vanwege zijn zachtmoedigheid en zuiverheid van hart en zijn liefde voor de Schepping.

Heilige Simeon van Verkhoturye,                      ‘dwaas om Christus’

Hoewel Simeon van Verkhoturye van adel was verborg hij zijn afkomst en leidde hij het leven van een bedelaar, als een dwaas om Christus Wil.
Hij wandelde door de dorpen en ‘om niet’ zette hij kleren en mantels voornamelijk voor de armen in elkaar. Terwijl hij dit werk als kledingmaker deed, faalde hij bewust bij de fabricage van een kledingsstuk, handschoen of een sjaal, waarvoor hij het misbruik van zijn ‘rijke’ klanten van zich afhield. Die rijken wilden namelijk via zijn activiteiten voor een dubbeltje op de eerste rang zitten; het is immers hun manier van doen – òf zo voordelig mogelijk via de armen rijk worden òf de minderbedeelden zo uitpersen dat zij via hun arbeid, de beter-bedeelden een extra inkomen doen toekomen. De rijkelui, die ondanks dàt toch met hem in zee gingen -stonden met hun kleding te kijk voor geheel hun omgeving.
Het is zoals de jongeren van deze tijd, die ‘blikken of blozen‘ niet meer wanneer er een slijtageplek in hun kleding bevindt, ze verklaren het gewoon tot mode.
In de tijd van Simeon van Verkhoturye was het echter een blamage op die wijze de schijn van rijkdom voor de omgeving op te houden.

Heilige Simeon, de rechtvaardige van Verkhoturie

De asceet wandelde veel en bleef daardoor in conditie, maar verbleef veelal op een kerkhof van het dorp Merkushinsk, niet ver van de stad Verkhoturye [in de omgeving van Perm] waar hij een onderkomen gevonden had.
Het is nu eenmaal zo dat een kerkhof in tegenstelling tot de crematoria van tegenwoordig ‘rust’ uitstralen en een oase van natuurlijke plantensoorten herbergen. De westers gevestigde mens laat zich namelijk door de tijdgeest meeslepen en acht zich vèr verheven boven de schepping van God en prefereert een crematie boven een graflegging, hetgeen de Zoon van God ons als voorbeeld heeft meegegeven.
Zij menen namelijk dat alles tòch tot stof vergaat en nimmer zal weerkeren en ontkennen daarmee de Goddelijke natuur welke hen van oudsher is meegegeven. God heeft ons echter vanaf den beginne het Koninkrijk der Hemelen voorzegd en de mens in Zijn Liefde z’n verhevenheid als Zijn zoon voorzegd en dit ontkennen is het ontkennen van de menselijke oorsprong bij God. God ontkennen is zonde en zonde is de dood, dewelke Hij ons in Zijn Liefde nimmer heeft toegewenst.
Wanneer wij als westerse mens God willen ontkennen spelen wij het spel van de duivel en stellen daarmee onze eigen verdoemenis voor ogen.

De Heilige Simeon hield daarentegen van de natuur in de Oeral en terwijl hij vreugdevol nadacht over de majestueuze schoonheid, had hij bedachtzaam zijn Schepper van de wereld voor ogen. De rust van zijn eenzaamheid bracht hij graag door met vissen; hetgeen hem herinnerde aan de discipelen van Christus, wiens werk hij voortzette, de plaatselijke bevolking tot het ware Geloof te brengen. 
Zijn gesprekken brachten de Vrucht tot Genadegaven van de Heilige Geest voort, hetgeen zich via de Heilige Geest over de gehele Oeral en Siberië uitspreidde, met gevolg dat deze Heilige voornamelijk in die streken wordt vereerd.
De Heilige Simeon van Verkhoturye stierf in 1642, toen hij 35 jaar oud was.
Hij werd door de kerkgemeenschap, welke was toegewijd aan de Aartsengel Michael, op het kerkhof Merkushinsk begraven.

Reliekschrijn Simeon van Verkhoturye

Op 12 september 1704 werden, met de zegen van Aartsbisschop Philotheus van Tobolsk, de relikwieën [de stoffelijke overblijfselen] van deze Heilige Simeon overgebracht van de kerk van de Aartsengel Michael naar het Sint Nicolaas klooster te Verkhoturye.
De Heilige Simeon bracht via zijn aanwezigheid ook ná zijn dood vele wonderen voort, waarmee hij Christus

Christus zegent het werk van de    H Simeon, de rechtvaardige   samen met de werken in het klooster van de H Nicolaas van Myra te Verkhoturye.

en Zijn Opstanding tot op de dag van vandaag blijft verkondigen. Hij verscheen regelmatig in dromen aan de zieken en genas hen en bracht met name velen tot bezinning die aan dronkenschap verslaafd waren geworden, hetgeen volksziekte nummer één is in die streken.
Verslaafd zijn is een voor je leven lang voortslepende ziekte – welke alleen bedwongen kan worden door definitief voor God en jezelf te verklaren nimmer meer in je oude valkuil te zullen verzanden; met een levenslange strijd tegen jezelf tot gevolg.  Ex-verslaafden kunnen deze strijd alleen volhouden door opvang, medeleven en warmte te vinden bij hun mede-slachtoffers, waaronder de Anonieme Alcoholisten. Dit is niet alleen voor Alcohol verslaafden het geval, ook andersoortige verslaafden kunnen de strijd tegen de tegenstrever met elkander aangaan.  Neem de computerspelletjes verslaafden van onze tijd; zie toe dat geen enkele verslaving, welke immers door de duivel wordt veroorzaakt, je leven gaat overheersen. Een bijzonderheid van de verschijningen van deze Heilige is dat hij met de genezing van lichamelijke zwakheden ook instructie en leiding geeft aan de verslaafde zielen, die hij tijdens zijn leven al begeleid had.
Het leven en de uitwerking van het leven van deze Heilige Simeon, de rechtvaardige wordt gevierd op 18 december, vanaf de dag van zijn Heiligverklaring in 1694.

Heiligen zijn ons ten voorbeeld gegeven – denk nu niet, waar zijn zij in deze tijd nog goed voor – zij geven ons aan òf wij nu rijk òf arm zijn, dat wij allemaal wel behept zijn met het -een of ander- mankement; die van jezelf uiteraard de grootste.
Zoals de Apostel Paulus ons wijst op de Genadegaven van de Heilige Geest, heeft de duivel en zijn trawanten maar al te goed ‘kennis’ van onze zwakste punten en weet deze op slinkse wijze dáár misbruik van te maken.
De machtige mag dan verslaafd aan zijn hoogmoed, de rijke verslaafd aan zijn bezitsdrang, de arme wordt belaagd door de weemoed en is in het uiterste geval de wanhoop nabij, ieder mens heeft zo z’n eigen sterke en zwakke punten en zal door deze te beteugelen de eindstreep dienen te behalen.
De overwinning is aan Christus, Die ons met geduld en vergevingsgezindheid bijstaat, rust geeft om de eindstreep van het eeuwig leven te behalen. Dit gebeurt ècht niet omdat wij zèlf zó goed zijn, maar omdat wij ons vertrouwen stellen op Hem, Die ons Zijn redding heeft voorzegd en het eeuwig Leven heeft gegeven.
”     Laten wij er dus ernst mede maken om tot die rust in te gaan, opdat niemand ten val zal komen door een voorbeeld tot ongehoorzaamheid te volgen. Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zo diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij [Zijn volgelingen] rekenschap hebben af te leggenHebr.4: 11-13.
Laten wij op deze wijze de komende dagen ingaan en ons voorbereiden op het Hoogfeest van Zijn Geboorte en onze deemoed richten op -het verlangen van de- behoeftigen en daarmee onze dankbaarheid -door ons genadig omgaan met de medemens- richten op God, Die onder ons geboren wordt. Daarmee openbaart Christus Zich in ieder van onze medebroeders en zusters en ervaren wij wat het inhoudt om met Christus bekleed te zijn en met de plaats, die onze Heer en Zaligmaker onder ons inneemt.

Verlos, o Zoon van God,
Die uit de Maagd geboren is,
ons die tot u zingen:

Al-le-lu-ia“.

28e Zondag na Pinksteren – de Genodigden

    De Heer zei tot hen [tot ieder van ons westerlingen]:
Iemand richtte een grote maaltijd aan en nodigde velen.
En hij zond zijn slaaf uit tegen het uur van de maaltijd om tot de genodigden te zeggen: ‘Komt, want het is nú gereed’.
En zij begonnen zich allen opeens te verontschuldigen. De eerste zei tot hem:
– Ik heb een akker gekocht en ik moet die noodzakelijk gaan bezien; 
ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd.
– En een ander zeide: Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga die keuren;  ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd.
– Weer een ander zeide:Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen.
      En de slaaf kwam terug en berichtte zijn heer deze dingen. Toen werd de heer des huizes toornig en zei tot zijn slaaf:
– Ga aanstonds de straten en stegen van de stad in en breng de bedelaars en misvormden 
en blinden en lammen hier.
      En de slaaf zei: Heer, wat gij hebt opgedragen, is geschied en nog is er plaats.
En de heer zei tot de slaaf: ‘Ga de wegen en de paden op en dwing hen binnen te komen, want mijn huis moet vol worden. Want ik zeg u: Niemand van die mannen, welke genodigd waren, zal van mijn maaltijd proeven . . . . .  Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren’Luc.14: 16-24; Matth.22: 14.

      Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid. Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: ontucht, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij, om welke dingen de toorn Gods komt.
       Daarin hebt ook gij eertijds gewandeld, toen gij erin leefde.
Maar thans moet ook gij dit alles wegdoen: toorn, heftigheid, kwaadaardigheid, laster en vuile taal uit uw mond. Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd, en de nieuwe aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper, waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Skyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is ChristusCol.3: 4-11.

Geloof in Christus, Die ons leven is
De uitnodiging tot een religieus leven, wordt door de op de wereld gerichte mens, als een dwaasheid gezien, maar is juist verbonden met de aloude Belofte van onze Heer, op de Sinaï, het uitverkoren Volk als hun God te beschermen. Deze belofte van aardse bescherming en vervulling zet zich voort in het tweede Verbond, een vernieuwd Verbond, omdat het eerste via het navolgen van de Wet ‘niet’ in staat bleek in zichzelf tot volkomenheid te komen.
De beslissende Goddelijke formulering volgt op de bergrede en luidt:
      Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft. Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn Gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden.  Maakt u dan niet bezorgd tegen de dag van morgen, want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaadMatth.6: 31-34.
Wij mogen deze uitspraak niet onstoffelijk te maken, wij dienen veeleer haar kerngedachte voor ogen te houden. Er staat niet, loop maar met je hoofd in de wolken en wanneer intussen het aardse te gronde gaat, dat is dan van geen enkel belang, daar zorgt God wel voor.
Neen, er staat: Maakt plaats voor het Hemels Koninkrijk, van de Vader, en de Zoon en de Heilige Geest, waar Gerechtigheid uit geboren wordt [voortkomt] en aan Zijn ordening van waarden en motieven, van de gezindheid en handelen boven alles wat in de wereld is.
            Eerst dàn wordt je leven als een Koninkrijk Gods; tegelijkertijd wordt dit zodanig verbonden met de wereld om je heen, dat óók jij zult hebben wat je op en van de aarde nodig hebt. Hierbij dient uiteraard herinnerd te worden aan het feit dat de Belofte in het teken staat van de ‘Zaligsprekingen‘ en dat de maatstaf daarvan dus niet ‘de overvloed’ is, maar hetgeen je als individueel mens ‘slechts nodig’ hebt.
De verwerkelijking van het Hemels [het Goddelijke] Koninkrijk en de aardse leiding over het leven der mensen, waarbij om beurten het een in het ander ligt, vormen de feitelijke basis van -het fundament- van de Joods-, Christelijke Historie.
Het kan zich in concrete en afzonderlijke gebeurtenissen zo verdichten dat deze als zodanig tot de  Mysteriën en kenmerken kan worden beschouwd.
Zij betekenen dàn iets buitengewoons nog binnen de overschrijding van de pure natuurlijkheid, zoals deze doorgaans in een Joods-, Christelijke leven alleen als feit wordt ervaren.
Dit laatste is op zichzelf al iets, dat vanuit de wéreld àlléén ‘niet’ mogelijk is; een ergernis en een dwaasheid voor ieder denken dat alleen nog de wereld en haar verbanden erkent.
Maar juist dáárin kan évenééns de ‘Openbaring des Heren’ plaatsvinden, hetgeen  duidelijk maakt dat hier ‘het bovennatuurlijke’, ‘het eigenlijke’ dàn alléén God maar aan het werk is. Zoals het oudtestamentische hier een Licht op werpt, zo gaat ook het Christelijke bestaan op iets toekomstigs af, dat dit toekomstige evenwel nú reeds is begonnen, alleen nog verhuld.
De inhoud van dìt komende is de voltooiing van de nieuwe mens, zoals Paulus het in zijn brief aan de Romeinen en Corinthiërs bepaalt. En ‘niet alleen van de nieuwe mens‘, maar ook van de nieuwe Hemel en de nieuwe aarde, zoals Paulus in de Romeinen-brief en Johannes de Theoloog in de laatste hoofdtukken van de Apocalyps [de Openbaringen] hier over spreken.
In dit teken wordt ‘een groots 
signaal’ afgeven, Het straalt bij iedere afzonderlijke gebeurtenis het geheel door, dat in de loop van de menselijke geschiedenis verhuld is, maar aan het einde pas Openbaar zal worden en alles geheel zal bepalen.
Pas het doorleeft en het ervaren hebben van de indruk van een Heilige Tegenwoordigheid, het aangeraakt-worden door een vermaning van ergens anders vandaan geeft aan het voorval haar religieus karakter en brengt de ontvankelijke mens ertoe dáár dóór àlle mogelijke en te verachten rationele verklaringen heen te denken aan het Heersen van God en zich daarnaar te richten.      

Wanneer onze Heer door het [ons] ‘Heilig’ Land [ons binnenste] binnentrekt, Zijn Pedagogie verkondigt en daarbij als Zijn mensgeworden Zoon, in Zijn Geest, God, de Vader verheerlijkt, verheerlijkt Hij tevens de mensen, die Hem uitnodigen aan de Maaltijd des Heren.
Hij beheerst hierbij de menslievendheid van God, Die hen allemaal met Zijn liefde omarmt. Als de God-mens, Die Zich als dienaar niet behoeft te schamen, onderschatte Hij als zondeloze, de zondaar niet.
Bij zo’n gelegenheid wordt Hem de mogelijkheid geboden uiting te geven van het grote Avondmaal, hetgeen ons na Zijn Wederkomst voor ogen wordt gesteld.
Dit geeft ons opnieuw de gelegenheid ons met Zijn woord te bevruchten en ons Zijn oneindige Liefde en Zijn Goddelijke Wijsheid te laten ervaren/proeven.

Wanneer wij als gasten des Heren om ons heen kijken, in de prachtige wereld, die ons omringt, is het niet moeilijk het bestaan van de Gastheer, onze Vader, Die in de Hemelen is, te ervaren, te zien. De enige en enige waarachtige God, de Schepper van Hemel en aarde, van alle wezens, die zichtbaar en onzichtbaar zijn.

Theophylact van Ohrid [Gr. Θεοφύλακτος, Bulg. Теофилакт 1050-1107, feestdag 31 Dec.] geeft aan dat God hem met z’n hele hebben en houden heeft geroepen aan de hand van de orde en de harmonie waarmee Deze Zich kenbaar heeft gemaakt via Zijn Natuur en de natuurlijke wetten. Naast ons mens-zijn en de schepping om ons heen heeft God de menselijke behoefte meegegeven Hem te leren kennen en met Hem verenigd te worden.
Daarmee heeft God ons naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen. 
Het fenomeen religiositeit, de aanbidding van het Allerhoogste Wezen is universeel, een tijdloos, ingebakken gedachtengoed. Het vindt hierin z’n bevestiging, inderdaad van onze goddelijke oorsprong, van de getuigenis van het bewustzijn, de inherente morele wet in de diepten van ons bestaan.
Maar de Heer, die ons vanuit het niets heeft geroepen om het leven, blijft maar kijken naar het drama en het lijden van de mensen die zich steeds maar weer van Hem verwijderden, voorheen de Israëlieten, de Profeten en de Wet en vervolgens de mensheid, die Hij via Zijn Zoon, onze Heer Jezus Christus onophoudelijk tracht voor te bereiden op De Blijde Boodschap [het Evangelie] van de Verlossing en dit deemoedig te aanvaarden.
De intentie waarmee we als mens geroepen worden en de afwijzende reactie daarop doet menigeen, waaronder ook Theophylact van Ohrid de tranen over de wangen biggelen.

Hier wordt ons de Grote Maaltijd des Heren: de incarnatie van de Zoon en het Woord van God voor ogen gesteld.
De ‘Dienaar Gods’, Zijn Zoon Jezus Christus, Emmanuel, de Profeten spreken al vele eeuwen over Zijn Komst, zal volgens Zijn getuigenis de Ark van het Leven gestalte geven.
Die uit de Hemelen neerdaalt om de eeuwige geestelijke honger van de mensen te stillen/te vervullen.
Maar helaas, zij verontschuldigen zich, de Heren Gezagsdragers spannen tegen Hem samen.
Zij zijn op zoek naar de seculiere koning, die het [Joodse] Volk van de [Romeinse] overheersing zou bevrijden.
Zij weigerden Christus, om tal van uiteenlopend vermijdende redenen en leidden Hem uiteindelijk naar Golgotha [schedelplaats].
Blind door egoïstische hoogmoed, lieten zij de gelegenheid voorbijgaan deel te nemen aan Zijn eeuwig Avondmaal.
– Volgens de gelijkenis stuurt de gastheer zijn [Goddelijke] dienaar naar de pleinen en straten van de stad en nodigt de armen, de gehandicapten, de ontheemden, de doven en blinden, uit om met Hem te komen eten.
En inderdaad, dit gebeurde met Christus, omdat de schare [de menigte mensen] die Hij door Zijn ongekende genezende woorden verwierf, belast en beladen waren en uitzagen waar ze door de pijn en de slavernij van de zonde konden worden verlost.  “Net zoals in het Paradijs wandelt God onder ons op zoek naar de mens” H. Ambrosius van Milaan [340-397 na Chr.]

Incunabulum by Theophylact, The Explanation of the Gospels’ 

Herinneren wij ons hier de eerste Pinksterdag, de Geboorte van de Kerk, waarop duizenden Joden zich bekeerden en gedoopt werden en aldus de eerste Kerk tot stand brachten.
– In de derde fase van de gelijkenis krijgt de dienaar des Heren het bevel zich buiten de stad te begeven en ‘degenen’ te die daar ronddolen door hun overredingskracht in te zetten het Huis des Heren [de Kerk] te komen vullen. Hiermee worden de afgodendienaars, de heidenen bedoeld. De Heilige Theophylact van Ohrid  bedoelt hiermee degenen, die niet met het Oude Verbond bekend waren en in het geheel niet met de Goddelijke Wet van de Sinaï verbonden waren en die, door vele “paden” van wetteloosheid en “belemmeringen” van de zonde belaagd werden, wij westerlingen dus. Hij voegt eraan toe dat, hoewel Christus niemand dwingt om het te geloven, andere nationaliteiten dan het uitverkoren Volk van Israël worden op een of andere manier door de preken en de wonderdaden [tekenen] van de Apostelen gewezen op hun afgoderijen en overgehaald hun verrukkingen / hun aardse gebondenheid op te geven.

Naar de alomvattende gastvrijheid van de Alleenheerser [Pantocrator]
          Het is begrijpelijk dat de Heer deze gelijkenis niet alleen heeft uitgesproken teneinde de ondankbaarheid, de onverschilligheid en de vreselijke dwaasheid van het religieuze leiderschap van de Joden te openbaren.
We dienen het anders te formuleren: “alle seizoenen van het leven” die hier in de Blijde Boodschap [zowel oud als nieuw] getoond worden, zijn uiteraard  behorend tot de menselijke natuur, m.a.w. zijn die van onszelf.
De vraag, waar het om draait, is derhalve in te zien waarom mensen reageren zoals zij op Gods roeping tot Zijn Hemels Koningsmaal reageren.
De gasten van de gelijkenis hebben –ieder voor zich  hun eigen redenen gevonden en ook geuit.
– De eerste, zo zegt hij, “kocht een stuk landbouwgrond” en moest het zien.
– De tweede, had zich een os aangeschaft en die wilde hij uitproberen.
– En de derde was zojuist gehuwd [een ‘nieuwgeborene’ dus] en kon ‘door de huwelijksvreugde overmand’, niet naar het avondmaal komen. 

De mens heeft óók en met name de mens van onze tijd heeft zoveel werk, zorgen, verplichtingen – op het land [z’n voedsel], commercieel, familieaangelegenheden. We kunnen niet bedenken of het kan allemaal ons gedrag niet rechtvaardigen, want helaas wordt de meerderheid van de medemensen dusdanig verwereldlijkt, door de wereldse zaken in beslag genomen, dat het verdrietige gevolgen heeft voor hun persoonlijke leven.
Zij zijn onverschillig voor de innerlijke en uiterlijke Oproep van Christus:
    Komt allen die vermoeid en belast zijn . . . . .“, Die voortdurend door de Kerk, Zijn Lichaam, wordt gericht tot hen, die ‘in de gevangenis’ de vogelkooi verblijven,  zich staande proberen te houden in een ànder ‘extreem rijk‘ van de ‘wereld‘, op hun werk, in hun relaties, dáár waar hun áárdse goederen hen onafgebroken in beslag nemen.
Wanneer zij aan de Geboorte van Christus denken, worden ze door de wereld [de tegenstrever] in beslag genomen en herinneren zij zich slechts wereldse geneugten.
Herinneringen als vanouds, dagen van onderlinge liefde, christelijke verbondenheid en  aloude historische vreugde wordt terzijde  geschoven om maar te kunnen produceren, winst te behalen en te consumeren.
De Kerk, het Lichaam van Christus uit vervlogen jaren bestaat voor hen niet meer en wordt als alt-modisch afgedaan.
Een geboekte familievakantie, zorgt ervoor dat we terugkeren naar heidense tijden, we vergeten het mooie en warme thuis.
We verdringen het christelijk leven, welke ‘vanouds‘ op deze dag gevierd wordt, met onderling samenzijn met familie, met het dagelijks leven, in de consumptiemaatschappij.
Maar ‘in de schaduw van de aloude Wet’ verandert ons uitzicht op de gastheer van het leven, de God van de Liefde.
Alleen dankzij ‘Zijn Genade’ kunnen we ons hele verloren-gegaan òf het veranderde “portret” [icoon] herbouwen, dat is de oplossing van de levens- ‘puzzel’ – van de ware liefde. Ons leven is zo afschuwelijk kort, laten we geen  gelegenheid tot herstel ‘zo maar‘ voorbij laten gaan en ons uiteindelijk doel  missen.

Parochiekerk, H. Magdalena, ‘s-Gravenhage

            Onze Orthodoxe Kerk, welke zich met z’n 40-daagse vasten voorbereidt op dit Hoogfeest, het feest, waarbij alle profeten en heiligen oplichten en een groot aantal prehistorische hymnen en hagiografische teksten, daarvoor zorgt, dat we ons met een waarachtige en zinvolle viering voorbereiden op de Geboorte van Christus, Gods Geboorte in het vlees.
            De eerste gasten in de grote Koningsmaaltijd des Heren hebben de vreugde en de eer van de gastheer in waarde doen dalen, gedevalueerd – beter gezegd verkracht.
            Laten wij gelovige christenen ons hart tot een grot van Bethlehem maken en ons hart gastvrij openstellen, als gastheer voor de Heer en Hem in ons dagelijks leven blijven volgen: Laat de wereld de Pantocrator zien [Ξένια δεσπότη] en de onsterfelijke offertafel in de kleine grot, loyaal met hoge afbeeldingen [iconen, fresco’s] en proef en ontvang de voordelen van de menswording van de Logos/ de vleesgeworden Logos [de geïncarneerde Logos], samen met de drie mysterieuze Wijzen uit het oosten en daarmee groeien op de geestelijke weg, welke ons naar het Hemels Koninkrijk kan leiden.

Apolytikion     tn.3.
Dat hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen
want de Heer  heeft de Kracht van Zijn arm getoond.
Door Zijn dood heeft Hij de dood vertreden
en werd Hij de Eerstgeborene uit de doden.
Hij heeft ons verlost uit de diepten der hel
en aarde wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.3.
Heden zijt Gij, Barmhartige, opgestaan uit het graf,
en hebt ons verlost uit de poorten des doods,
Heden jubelt Adam en Eva verheugt zich;
en de Profeten en Patriarchen bezingen zonder einde
de Goddelijke Macht van Uw Heerschappij


Theotokion     tn3.
Gij zijt Middelaarster geweest bij de Verlossing van ons geslacht,
daarom prijzen wij U, o Moeder Gods en Maagd.
Want in het vlees dat Hij aannam uit uw schoot,
heeft uw Zoon, onze God,
het lijden van het Kruis ondergaan.
En heeft Hij ons uit het verderf verlost
als de Menslievende
”.