2e Zondag ná Pinksteren – Synaxis van alle Athonitische Heiligen

Athonitische monniken, vissend

      Toen Hij nu langs de zee van Galilea ging, zag Hij twee broeders, Simon, die Petrus genoemd wordt, en Andreas, diens broeder, een net in zee werpen; want zij waren vissers.
        En Hij zei tot hen: ‘Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken’.
Zij nu lieten terstond hun netten liggen en volgden Hem. En vandaar verder gegaan zijnde, zag Hij nog twee broeders, Jakobus, de zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedeus, terwijl ze bezig waren hun netten in orde te brengen, en Hij riep hen.
       Zij lieten dan terstond het schip en hun vader achter en volgden Hem.
En Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun synagogen en verkondigde het Evangelie van het Koninkrijk [der Hemelen] en genas alle ziekte en alle kwaal onder het Volk [de Kerk]” Matth.4: 18-23.

Athosmonnik, ‘n ‘andere kant’ van de wereld

        Heerlijkheid, Eer en Vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek. Want er is geen aanzien des persoons bij God.
Want allen, die zonder Wet gezondigd hebben, zullen ook zonder Wet verloren gaan; en allen, die onder de Wet gezondigd hebben, zullen door de Wet geoordeeld worden; want niet de [toe-]hoorders van de Wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders [uitvoerders] van de Wet zullen gerechtvaardigd worden.
       Wanneer toch heidenen, die de Wet niet hebben, van nature doen wat de Wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder Wet, zichzelf tot Wet; immers, zij tonen, dat het werk van de Wet in hun harten geschreven is, terwijl hun geweten mede getuigt en hun gedachten elkander onderling aanklagen of ook verontschuldigen, ten dage, dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn evangelie, door Christus Jezus
Rom.2: 10-16.

Athos, Agion Oros, oostelijk schiereiland Chalkidiki [Gr.]

Op de 2e Zondag ná Pinksteren vieren wij in de Orthodoxe kerken samen met de heiligen van andere landen dan hun eigen land de Synaxis van Alle Heiligen op de Berg Athos, hetgeen werd ingesteld door de Heilige Nicodemos de Haghiorite.

Beginnend met de voorafgaande avond van dit feest wordt er door iedere monnik en asceet een nachtwake gehouden. Geen klooster, skete, kellia of cel zal deze nachtvigilie overslaan, welke gehouden wordt ter ere van de Heilige Vaders, die meer dan duizend jaar al door hun aanwezigheid het Licht van Christus door middel van hun leven hebben doorgegeven. Ieder nacht is er in de kloosters ook ten minste één van de monniken, die de nacht biddend doorbrengt en bidt voor degenen, die niet waken, want het verblijf op de Athos is een ‘intensief‘ bestaan en ook monniken zijn gewone mensen en hebben hun slaap hard nodig.
De Heilige berg is de enige plaats op de wereld waar iedere 24 uur minstens 100 keer de Goddelijke Liturgie gevierd wordt tot heil van de wereld.

Alheilige Moeder Gods, abdes van de berg Athos

De Heilige berg Athos wordt niet voor niets de ‘tuin van de Panaghia  genoemd en is een ‘onafgebroken brandend Licht’ van voortdurend gebed tot de Heer.
Monastiek leven is een niet aflatend gebed tot God, waarbij Onze Heer, Jezus Christus, door het gebed van het hart wordt aangeroepen: “Heer, Jezus Christus, Zoon van de levende God, ontferm U over ons arme zondaars”; zelfs in hun slaap zijn er hoogstaande beoefenaars, die dit gebed ‘als behorende tot het Leven’ voortzetten.
Met dit gebed vragen zij de Almachtige God, ons mensen te doen herleven, te verzorgen, te versterken, te verlichten en Zijn dienaren in nood bij te staan, hen barmhartigheid te verlenen.
Deze heilige plaats, waar de monniken zich uit de wereld hebben teruggetrokken, is toegewijd aan “de Al-heilige Moeder Gods”, de Theotokos, de Godbarende, die alle mensen in nood ter harte neemt en hen tot redding aanbeveelt bij haar Zoon.
De monniken vragen zowel Christus als Zijn moeder aandacht voor de zieken in de ziekenhuizen, in het bijzonder zij, die op een afdeling ‘intensive care’ zijn beland, voor de eenzamen en ontheemden, ontvoerden en gevangen mensen, de dak- en werklozen, de weduwen en wezen en allen, die hen bijstaan in hun ellende. 
Het is goed dat wij, in de wereld, ons met deze Vaders op de Heilige berg, die ‘in God’ Wijsheid hebben ontvangen, verbonden weten.
In de Orthodoxie zijn het de monniken en Monialen, die ons orthodox christenvolk door hoogte en dieptepunten hebben voort geholpen; zij stonden ons met raad en daad bij.
Monniken van de Athos hebben assistentie verleend bij de eerste vertalingen van de statenvertaling, waartoe de staten Generaal der Nederlanden hen indertijd uitnodigde. Dit gemeenschappelijke feest, waarbij alles wat dit oord aan heiligen heeft voortgebracht, zowel degenen waarvan de namen bekend zijn als degenen die -in alle stilte en eenvoud- niet gekend zijn; zij zijn echter bekend bij de Éne, heilige Drie-eenheid, als broeders in de geest en zijn heengegaan naar de eeuwige rust. “Zij zijn als de [gewijde] olie [Myron], Die uitgestort is over het hoofd van Aäron en naar beneden druipt in z’n baard en als de dauw van de berg Hermoncf. Psalm 132[133].
Voor zover dit niet eerder nodig werd geacht, vond de Heilige Nicodemos de Haghiorite het noodzakelijk, dat degenen die voor ons welzijn ‘welbehaaglijk’ waren aan de Heer, gezamenlijk dienden te  worden onthaald op een feestelijke gedenkdag. Daarom nemen we vandaag in onze gedachten ook de anachoreten [kluizenaars] en die van de cenobieten [gemeenschapsmonniken] in de wereld; wij komen samen om ons – gelijk het betaamt – gelukkig te prijzen; onze kinderen, de jongeren, de ouderen, de vaders en moeders; de zondaars met de ons verblijvende heiligen en zingen hardop eendrachtig:
    Heer behoud deze plaats, die u heeft als uw woning hebt uitverkoren
en bescherm haar tegen elke vorm van het kwaad.
O veelheid van Heiligen, die op Athos hebben geleefd,
die rond de troon van God staan, door uw heilige gebeden,
bidt God voor ons, onze zielen te redden! “
 

Panagia Portaitissa, de Glykophilousa

Net als de Panagia Portaitissa, de Glykophilousa een icoon is van degenen die in de iconoclastische periode werden gered en wonder boven wonder over gebracht werd naar de berg Athos.
Deze icoon was oorspronkelijk in het bezit van Victoria, de vrome vrouw van de senator Simeon.
Victoria was degene die de heilige iconen vereerde en in het bijzonder de icoon van de Allerheiligste Moeder Gods, bij wie ze elke dag haar gebeden deed. Haar echtgenoot daarentegen was een beeldenstormer, die haar vroomheid maar aanstootgevend vond, want hij verkondigde net als Keizer Theophilos [rond 829-842], dat de verering van iconen verwerpelijk was. Simeon vertelde zijn vrouw hem haar lievelings-icoon te geven, zodat hij deze zou kunnen verbranden. Met het oog deze icoon van de ondergang te redden, gooide Victoria haar heimelijk in de zee en deze dreef recht op de golven van haar heen.
Na een paar jaar verscheen deze icoon door aan te spoelen op de oevers van de berg Athos, waar hij met grote eer en vreugde door de vadertjes [liefdelijke uitdrukking van de gelovigen voor de monniken] werd ontvangen nadat zij – door een openbaring van de Theotokos [de God-barende] op de hoogte waren

Bright Tuesday, the arrival of the Holy Icon of Panagia Portaitissa, to the Holy Monastery of Iviron

gesteld. Een stroompje water ontstond daarop op de plek waar ze het icoon aan wal kwam [bij het klooster Iviron]. Elk jaar wordt er op de dinsdag van de ‘Lichte week’ [ de week na Pasen] een processie gehouden, waarbij de monniken van de Athos massaal met ‘de icoon van de Moeder Gods’ uit wandelen gaan en er een zegening van de wateren plaats vindt. Talrijke zijn de wonderen, die bij deze icoon hebben plaatsgehad.
▪︎ Hoewel er vele wonderen van de Glykophilousa Icoon bekend zijn, zullen we er maar een paar op noemen. In 1713, beantwoordt de Moeder van Gods de gebeden van de vrome Ecclesiarch Ioannikios, die klaagden over de armoede van het klooster. Zij verzekerde hem dat ze in de materiële behoeften van het klooster zou voorzien. ▪︎ Nog een wonder vond plaats in 1801. Een pelgrim, nam zich, na het zien van de kostbare offers die via de icoon werden geschonken, vóór deze te stelen. Hij bleef in de kapel achter nadat de Ecclesiarch deze had gesloten. Vervolgens stal hij datgene wat was aangeboden- en naaste zich  naar de haven van Iviron, hetgeen een 500 meter vanaf de kapel is. Daar vond hij een boot die zou afvaren naar Ierissos [een plaats op het vaste land].
Na een tijdje wilde het schip vertrekken, maar ondanks het uitstekende weer, bleef het stil in de zee liggen. Toen de Ecclesiarch ontdekte wat er gebeurd was, zond de abt monniken in verschillende richtingen uit, op zoek naar de dader. Twee gingen naar de haven van Iveron en toen zij het schip onbeweeglijk in de haven zagen liggen, beseften zij wat er gebeurd was.
De schuldige man die deze vreselijke heiligschennis gedaan had – heeft hen om vergeving gevraagd. De monniken waren grootmoedig en wilden niet dat de dief zou worden gestraft en lieten hem heimelijk ontsnappen. ▪︎ 
Een pelgrim uit Adrianopolis bezocht een van de Athos kloosters in 1830. Hij had aandachtig geluisterd naar de geschiedenis van de heilige icoon, die een monnik verhaalde en tevens van de wonderen die ermee verbonden zijn, maar hij beschouwde het als een fictief verhaal dat slechts een kind zou kunnen geloven. De monnik was bedroefd over het ongeloof van de man en probeerde hem ervan te overtuigen dat alles wat hij had gezegd was absoluut waar. De onfortuinlijke pelgrim liet zich niet overtuigen. Diezelfde dag liep deze pelgrim op een van de hooggelegen balkons, gleed hij en begon te vallen. Hij riep uit: “AlHeilige Moeder Gods, help me!” De moeder Gods hoorde hem en kwam hem te hulp. De pelgrim landde volledig ongedeerd op de grond.
De Glykophilousa Icoon behoort tot de Eleousa iconen [de Maagd van Tederheid] een categorie van de iconen, waar de moeder de genegenheid laat blijken, hetgeen door het Christus.kind wordt aanvaard. Deze icoon krijgt in het bijzonder op 27 maart en op de dinsdag na Pascha speciale aandacht.
De icoon toont de Moeder Gods, die een buiging naar Christus maakt, Die haar op zijn beurt omhelst. De Moeder Gods lijkt Christus strakker dan in andere iconen te omhelzen, en haar expressie is meer aanhankelijk; deze icoon is op een pilaar geplaatst aan de linkerkant van de katholikon [hoofdkerk]

De 12 Apostelen, icoon I.M.Karakallou, Athos

        Het gebroeder- zuster-lijk  samenleven ziet het samenleven allereerst als geprivilegieerde weg om beter en sneller te groeien tot een biddend leven. Als weg om elkaar te helpen trouw te blijven aan het gebed en het zoeken van God.
Als weg tot zelfkennis en nederigheid, want niets maakt méér ontvangst-bekwaam voor het bidden van Christus’ Heilige Geest in ons, dan juist zelfkennis en nederigheid. Dit samenleven heeft daarom een eigen positieve gevoeligheid voor de ongemakkelijke kanten van het samenleven: juist die vormen een indringende leerschool om jezelf te verliezen, zodat Christus alles ‘in je’ kan worden – en het gemeenschappelijke [liturgisch] gebed God des te meer zal verheerlijken.
        Twaalf mensen werden uitverkoren en discuteerden onderling wie er nu elke plaats zou verkrijgen in het Koninkrijk der Hemelen. Zij waren de eerste menselijke stenen van de Tempel Gods, waarvan Christus de poort is. Met de huidige stand van zaken en de verdeeldheid in de kerken, is het geen wonder dat mensen openlijk sceptisch worden over Waarheid en Gerechtigheid. Inderdaad, het probleem met rechtvaardigheid is dat onze praktijk van rechtzinnigheid [ons gevoel met wat rechtzinnig is] niet langer meer ontvankelijk is voor een menselijk oordeel. Er komt echter een dag, wanneer de dingen anders -radicaal anders- zullen zijn en daar wijst Paulus vandaag op in bovenstaande Apostellezing, de dag dat God de mensen zal oordelen.
Er is geen noodzaak tot een dispuut [discussie]; God behoeft niet recht te praten wat krom is en behoeft niet te luisteren naar kerkrechtelijke strategieën. Geen Christelijke bloedgroep behoeft zich ‘boven‘ de andere verheven te voelen – wij zijn allen dienaren, die als vreemdelingen [vluchtelingen] zijn aangesteld in een vreemd land, want onze Stad-staat bevindt zich vèrre van hier.
In de wetenschap wáár onze Stad-staat Zich bevindt, waarom verwerven jullie je hier in het ondermaanse dan, landerijen, kostbare meubels, gebouwen en zwakke woningen? Iedereen die deze dingen voor zichzelf in dit ondermaanse zal verwerven, kan niet verwachten dat hij dé weg naar z’n eigen [innerlijke] stad [tempel] vindt. Dwaze, dubbelzinnige, miserabele mens: “Weet je niet dat al deze dingen hier niet van jou zijn, dat ze slechts door eigen machtsuitoefening in handen zijn gekomen? De heerser van de [Hemelse] Stadstaat zal hierbij zeggen: Ik laat niet toe dat je in Mijn Stad woont! Nee, je hebt je van deze Stad afgewend, want je houdt je niet aan Mijn Wetten! “. Nu hebt u eigen landerijen en velden, gebouwen en vele andere bezittingen en je wordt door de Heer der Heerscharen verdreven! Wat ga je nu doen met je landerijen, je velden, je huizen [kerken?] en alle andere dingen die je hebt verzameld? Heel terecht zal de Heerser u zeggen: “Let op Mijn wetten of verlaat Mijn land!cf. de profetieën van de Herder van Hermas [140-150 na Chr.]

Er zal geen behoefte zijn herinnerd te worden aan wat er in werkelijkheid zoal gebeurd; God is alwetend en alomtegenwoordig. Hij weet -beter dan de mens- wat er zoal plaatsvindt en hoe een heeft plaats gevonden; inderdaad Hij [God] was erbij toen de daden werden verricht en of dit onder Zijn toezicht en verantwoording heeft plaatsgevonden. Er zal geen behoefte noodzakelijk zijn om onderscheid te maken of iemand daadwerkelijk de waarheid spreekt of niet; nogmaals, God ‘weet’ alle dingen al, Hij kent ons door en door.
Kort geformuleerd er zal uiteindelijk slechts één perfecte situatie doorslag geven: één heilige Opperrechter, Die ‘niet‘ kàn liegen òf zondigen, Die ‘niet‘ kan worden omgekocht of door degenen, die -ons kent ons- te bevoordelen of door wat voor manier dan ook ‘beschadigd‘ is.
Deze Almachtige Opperrechter zal beschikken over de volledige kennis van alle verzachtende factoren en omstandigheden en Zijn laatste Oordeel zal rechtvaardig zijn en er zal geen gelegenheid zijn tot Hoger beroep.
Inderdaad het zal een radicaal andere dag inhouden, voor een Almachtige, Alwetende en Heilige Rechter, Die een definitief [finaal] standpunt zal innemen en ieder menselijke kwestie voor eens en voor altijd zal oplossen.
Op welke basis zal  God de mensen dan beoordelen?
Paulus geeft hier vandaag een antwoord op:
    ten dage, dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn Evangelie, door Christus Jezus“.

Christ Pantocrator enthroned with four Evangelists

God oordeelt de mensen overeenkomstig de Blijde Boodschap – onpartijdig, naar hun werken en in Waarheid en om hier inzicht in te krijgen dienen we vanaf het begin van deze perikoop te lezen:
      Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt. Want 
waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen.
        Wij weten echter, dat het oordeel Gods onpartijdig gaat over hen, die zulke dingen bedrijven.
Rekent gij wellicht hierop, o mens, die oordeelt over hen, die zulke dingen bedrijven, en ze zelf doet, dat gij het oordeel Gods ontgaan zult? Of veracht gij de rijkdom van Zijn Goedertierenheid, Verdraagzaamheid en Lankmoedigheid en beseft gij niet, dat de Goedertierenheid Gods u tot 
boetvaardigheid leidt? Maar in uw weerbarstigheid en on-boetvaardigheid van hart hoopt gij u toorn op tegen de ‘Dag van Gods Toorn’ en van de Openbaring van het Rechtvaardig Oordeel van God, Die een ieder vergelden zal naar zijn werken: hun, die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; maar hun, die zichzelf zoeken, ongehoorzaam aan de waarheid en gehoorzaam aan de ongerechtigheid zijn, wacht toorn en gramschap. Verdrukking en benauwdheid [zal komen] over ieder levend mens, die het kwade bewerktRom. 1: 1-9. 
Gelovigen [ja, óók christenen] die heidenen of ‘anders niet-gelovigen’ hypocriet beoordelen en daarmee dus de Genadegaven van God verachten, zullen ‘zelf’ -onpartijdig en overeenkomstig de waarheid en hun werken door [‘hun’] God worden beoordeeld. Eenieder wordt dus op dezelfde wijze beoordeeld. God zal eeuwig leven voor hen, die door volharding in goede werken ‘Goddelijke Glorie en Eer zoeken’ en daarmee onsterfelijkheid verkrijgen. Daartegenover staat wraak en woede voor degenen die in geldingsdrang [hoogmoed] zwelgen en de Waarheid [van Christus] niet gehoorzamen, maar ongerechtigheid bedrijven. God is onpartijdig; er zullen verdrukking en nood komen voor degenen die kwaad doen en Heerlijkheid, Eer, Vrede, voor iedereen die het goede doet.

de weg van Christus

De weg van Christus loopt dus verder dan ’s-mensen neus lang is – Gelovigen die heidenen hypocriet beoordelen en daarmee Gods Genadegaven verachten, zullen ‘zelf’ door God onpartijdig
worden beoordeeld. Sommige gelovigen tonen minachting voor Gods Zachtmoedigheid, etc. zich niet realiserend dat Zijn Geleidelijkheid leidt hen tot bekering; God beschikt over de tijd, Hij wacht op ieder mensenkind dat zich bekeert.
Niet-gelovigen bezitten kennis van God en zij zullen de werken Gods in gelovigen herkennen, je behoeft hen nog niet eens te spreken over de werken Gods, want dit staat in hun harten geschreven en zij zullen het herkennen. hierom en het feit dat hen “van nature” kan verwezen naar de innerlijke realiteit, lijkt mij de meest geëigende methode om hen mee te nemen in het “doe de dingen die nodig zijn overeenkomstig de Goddelijke Wet”.
Liefde overwint alles, laten wij ons eveneens overgevenconf. Vergilius, Eclogae 10.69

Orthodoxie & de christenen [heiligen] in het bijzonder

icoon, “Hemelvaart des Heren”

Nadat onze Heer en Zaligmaker werd gedood, verkondigde de kleine groep van Zijn volgelingen te Jeruzalem dat hoewel hun Inspirator alle schaamte had afgelegd, Deze inderdaad nog steeds leefde en hun Hoop en Geloof als de brenger van het Hemels Koninkrijk nog steeds op Hem gevestigd bleef.
De tegenwoordige tijd, zo verkondigden zij was aan z’n einde gekomen; aangezien de mensheid vanaf dat moment geconfronteerd werd met het grootste keerpunt wat ooit in haar geschiedenis had plaats gevonden en dat hun Heer en Meester een tweede keer in volle Glorie en met Autoriteit zou terugkeren. Gods heerschappij zou daarmee over de hele aarde worden gewaarborgd.

Hemelvaart, de Belofte van de H. Geest, SimeonArtschischez, miniatuur [1305]

De realiteit van dit bericht zou in de primitieve kerk door de werking van de hen toekomende Genadegaven van de Heilige Geest kunnen worden herkend. Mensen werden getransformeerd. De kracht om weldra de dood te ondergaan, welke inherent verbonden is aan het offer van de Heer Jezus Christus, leidde ertoe dat Zijn volgelingen de uitnodiging van het martelaarschap heldhaftig aanvaarden en dit gaf hen de overtuiging dat zij de demonische krachten van boosheid en ziekte zouden kunnen overwinnen.

Degene Die hen door de doop in de de Heilige Geest tot leven had gewekt,  bezorgde een levenskracht die een geheel nieuwe houding in het leven deed ontstaan:
Liefde voor broeders en zusters, alsmede Liefde voor je vijand, de Goddelijk verkregen Rechtvaardigheid van het komende koninkrijk Gods.
Door deze vernieuwende geest werd het persoonlijk eigendom in de vroege kerk niet langer in stand gehouden. Materiële bezittingen werden aan de kerkelijk vertegenwoordiger overhandigd ten behoeve van de onder hen aanwezige armen. Door de aanwezigheid en Kracht van de Heilige Geest en door het Geloof in de Heer en Zaligmaker werd deze band van de volgelingen een broederschap.

Tympaan, Gevelsteen vroeg-christelijke kerk Klein-Azië

Onder ons vindt u niet-wetenschappelijk opgeleide mensen, ambachtslieden en lieve oude moedertjes die het algemeen belang van hun verheven Leer niet onder woorden zouden kunnen brengen, maar slechts ‘door hun daden‘ de waarde van hun principes aantonen. Ze herhalen niet de woorden die ze uit het hoofd hebben geleerd, maar ze tonen hen door hun goede daden: wanneer ze geslagen worden slaan ze niet terug, wanneer ze beroofd worden, gaan ze niet naar de rechtbank,   ze geven antwoord op vragen, die hen gesteld worden en zij houden van hun medemensen als van zichzelf”.
cf. Athenagoras, kerkvader [ws. Athene,133-190 na Chr. ], uit: pleidooi voor christenen

vrij van hartstochten

“We zijn zo ver verwijderd van het beoefenen van de seksuele omgang met anderen, dat we zelfs niet de ambitie tot lust hebben, ook niet door te kijken. Wat zou ons meer doen twijfelen over de zuiverheid van het leven, welke aangevoerd wordt door degenen die hun ogen niet voor enig ander doel mogen gebruiken dan daartoe waarvoor God deze geschapen heeft, namelijk om alles in het Goddelijk Licht te bezien, voor degenen voor wie zelfs een sensuele blik als overspel wordt beschouwd! Voor hen geldt het komende oordeel zelfs voor gedachten!
      Wij zijn niet degenen, die erop worden aangesproken zich te houden aan de wereldse wetten, die een goddeloos persoon met gemak kan ontwijken. Van het begin af aan heb ik mij ingezet u te overtuigen van de goddelijke oorsprong van onze leer, ons onderwijs; wij beschikken over geheel andere wetten.
We hebben ons als opdracht gesteld, wij hebben een taak op ons genomen, die ons heeft geleid te bewerkstelligen dat de  algemene strekking tot volledige uitvoering van Gerechtigheid wordt gevonden teneinde onszelf en onze naasten op het rechte pad te houden.
     Met dit in het achterhoofd kijken we naar een aantal mensen, naargelang hun leeftijd, als zonen en als dochters; sommigen behandelen we als broeders en zusters; en degenen die ouder zijn, brengen wij de eer als vaders en moeders.
Het is voor ons christenen van het allergrootste belang dat hun lichaam niet misbruikt en onbeschaamd blijft: zij behoren immers tot degenen die wij als onze broeders en zusters of een ander soortig relatie beschouwen! Het Woord Gods spreekt ons hier nogmaals op aan: “ Wanneer een relatie gevorderd is wordt er gekust, omdat men elkaar vertrouwt. Echter wanneer dit jou een tweede keer overkomt, dient men de kus en daarmee de begroeting met zorg uit te wisselen, want waneer dit door een verkeerde gedachte zou worden verontreinigd, zou dit ons van het eeuwige leven kunnen beroven”.

Saint Athenagoras, the Athenian and Apologist

”     De wereld jaagt slechts ‘genot’ na, die alleen ‘-in de wereld van de verbeelding’- wordt ervaren.
Zo heeft ieder van ons slechts één vrouw, die hij gehuwd heeft volgens onze eigen wetten, min of  meer met de bedoeling, kinderen te verwekken. De boer verwacht na het zaad in de moedergrond op de oogst zonder nog meer zaad te gaan zaaien. Op dezelfde manier bereikt onze wens haar doel in de voortplanting van kinderen. Niettemin zullen jullie veel mede-gelovigen tegenkomen, zowel mannen als vrouwen, die oud worden zonder ooit te trouwen, in de hoop op een innerlijke   gemeenschap/samensmelting met God. Wanneer dan in de staat van maagdelijkheid wordt volhard, brengt dit beide geslachten dichter bij God en als één enkele gedachte of seksuele begeerte ons van God wegneemt, hoeveel te meer zouden wij wel niet de daden verachten, die de gedachte ons zou
verbieden?
     Ons leven bestaat niet uit het uitspreken van mooie volzinnen maar uit het verrichten van daden en werken, die ‘eenieder’ [ons allemaal] ten goede komen. Iedere mens dient dusdanig te volgroeien zoals hij geboren is of slechts één keer te trouwen, want een tweede huwelijk omvat slechts een gecamoufleerde overspel . . . . Degene die zich van zijn eerste vrouw ontdoet, zelfs al is zij vroegtijdig gestorven, is iemand, die op versluierde wijze zijn Genadegaven verspilt. Hij verheft zichzelf boven het goddelijk gebod, die in den beginne slechts één man en één vrouw heeft geschapen.
     Maar waarom zou ik zaken aanhalen, die slechts een Mysterie zijn?
Ondanks zulk een hoogste graad van schone  grondbeginselen worden er ernstigste beschuldigingen tegen ons geuit, die het gezegde inhouden dat: “De hoer de kuisheid verwerpt”. Mensen die regelmatig een vrij slaven-verkeer bewerkstelligen; die er op uit zijn de Wet slechts te ontlopen, biedt jongeren elk vorm van datgene wat zij dienen te verafschuwen; die zich zelfs niet eens van mannen kunnen onthouden, maar aangrijpende daden ten uitvoer brengen, zoals mannen met mannen doen; die in alle opzichten alleen de meest sierlijke en mooie lichamen verontreinigen; die het glorieuze handwerk van Gods schepping tot op het stof vernederen – want schoonheid bestaat niet slechts uit stof, maar doordat het vanuit Gods hand tot mens en als Genadegave is geschonken. Dit soort lieden bedrijven -zichzelf volkomen bewust- slecht bekend staande zaken voor onze ogen en schrijven ze zelfs toe aan de door henzelf ontworpen “als ideaal” [en goddelijk], zij beschouwen hun daden als zijnde in moreel opzicht “edel”, welke hun persoonlijke voorkeuren [afgoden] met respect tegemoet treden!
       Zij, die overspel plegen met schandknapen willen ons beschuldigen, die in een staat van maagdelijkheid of een strikt monogaam huwelijk leven leiden!  Zij die hun leven als vissen praktiseren, die als prooi dienen en het bed delen met eenieder die zij maar op hun weg tegenkomen, je ziet hoe de sterkere de zwakkeren opjaagt.
O, wat een teniet doen van de waarde van het menselijk vlees, wanneer de wetten, die door u en uw voorouders in rechtvaardigheid ter overweging werden aangenomen, worden geschonden, wanneer mensen onder zulk een kracht onderdrukt worden ​​dat de door u aangewezen vertegenwoordigers de rechtszaken zelfs niet kunnen opleggen, wanneer mensen als gevolg van dit gedrag veel leed wordt berokkend, wanneer ze zó vernederd worden wanneer zij er zelfs maar op zouden terugkomen.
       Om dit slechts te verdragen, is ons niet genoeg, omdat dit zou inhouden dat wij u met gelijke munt terugbetalen, maar wij ‘christenen’ hebben ons de opdracht eigen gemaakt om nog veel vèrder te gaan, door vriendelijk en geduldig te blijven.
       Hoe kan iemand met een goede inborst ons beschuldigen van moord wanneer we ons aan zulke principes optrekken, want je dient iemand eerst [geestelijk] te vermoorden wil je het menselijk vlees tot je nemen!  Net zoals ze in de eerste opmerking een bedoeling hebben, doen ze ook met de tweede. Wanneer iemand hen zou vragen of ze eigenlijk hebben ingezien wat ze beweren, zou er niet één van hen het lef hebben om “ja” te zeggen. En toch dragen wij een last met ons mee, de een wat meer, de ander wat minder. Niets kan voor hen verborgen blijven, maar niet één van hen heeft ooit dergelijke onzin of verzinsels over ons als iets nieuw bedacht of bekend gemaakt.

Vrouw wordt bekleed met Christus, ‘Priscilla-catacomben’, te Rome

Hoe het ook te rechtvaardigen zou zijn wij kunnen het niet verdragen om onszelf te recht- vaardigen een ​​man of vrouw nakend te zien !
Hoe kunnen we ons dan van moord en kannibalisme laten beschuldigen?
Hoe kunnen we eventueel iemand vermoorden als we dit niet eens kunnen aanzien, als we niet met de schuld van moord en heiligdom vervuild zijn!
Hoe zouden we in het voorkomende geval eventueel iemand kunnen doden, wij die degenen vrouwenmoordenaars noemen die medicijnen gebruiken om een ​​abortus tot stand te brengen, wij die verklaren dat zij ooit ten opzichte van God verantwoording zullen dienen af te leggen!
Wij zijn ervan overtuigd dat er bij God niets wordt onderzocht, dan na de beredeneerbare drang en de begeerten van de ziel, en dat het lichaam het aandeel in de straf zal ondervinden.
Dat is de reden om zelfs maar de geringste zonde te verwerpen“.
cf. Athenagoras, kerkvader [ws. Athene,133-190 na Chr. ], uit: pleidooi voor christenen

        Toen ik dit zo las, nam ik het ter harte, toen ik het zag,
diende ik daar eveneens een les uit te trekken en dan spreek ik nog niet eens over vroegtijdige levensbeëindiging, hetgeen momenteel ‘hot’ item is in de kabinetsformatie van Nederland.

Gregory, the wonderworker, bishop nea-ceasarea

        Maar aan een ieder wordt de Openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen. Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens diezelfde Geest; aan de een Geloof door dezelfde Geest en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest; aan de een werking van Krachten, aan de ander Profetie; aan de een het onderscheiden van geesten en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen. Doch dit alles wordt bewerkt door één en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij [God] het wil1Cor.12: 7-11 lezing feest H. Gregorios, de Wonderdoener [17 Nov.]

Pala d’Oro, Christus & Evangelisten, Venetië, San Marco

       Reeds in het begin van het ontstaan van de Kerk ontstond er binnen haar geledingen een onderscheid door rangen. Er waren apostelen, bisschoppen, presbyters en diakens.
Er waren ook andere onderscheidingen, die niet meer in gebruik zijn. Sinds die tijd worden de leden van de kerk in twee groepen ingedeeld, de geestelijkheid, de clerus en de leken, de eerstgenoemde in de hogere echelons [bisschoppen, presbyters en diakens] en de lagere geestelijken [subdeacons, psaltisten, enz.]

        We gaan het hier nu niet hebben over het werk wat iemand in deze ambten doet, hoewel het verleidelijk is de functie van de toezichthouder eens onder de loep te nemen. Wel willen we  erop wijzen dat het absurd zou zijn om de Kerk van discriminatie te beschuldigen vanwege  het verschil tussen twee klassen christenen, van preventief, tot de cultivator van het spirituele leven en de beoordeling van van de kleine groep, die over de benoeming in dit soort weinige ambten gaat, want in religieuze zaken maakt juist ‘dìt‘ het onderscheid.
      We dienen altijd in gedachten te houden dat canonieke autoriteit één ding is en geestelijke vitaliteit iets anders; dat ze zouden samenvallen is uiteraard de meest gewenste situatie. Het zou uitmuntend zijn als degenen die aan de leiding van de gemeenschap zijn toevertrouwd, ook geestelijke vitaliteit ten toon zouden spreiden, als Christus via hen een lichtend voorbeeld zou zijn. Want dat is onmogelijk, zelfs in theorie blijken degenen die geestelijke vitaliteit aan de dag leggen niet altijd toegewijd zijn aan de kerkelijke autoriteit.

Niet alle christenen die vol ijver zijn en hun christendom in toewijding en deugd beoefenen, kunnen  de kerk als behoeder dienen en voor toekomst ongeschonden bewaren. Neem alleen al het feit dat vrouwen het priesterschap niet mogen betreden, zij zijn in de dienstverlening aan de kerk namelijk van oudsher beperkt, terwijl het genieten van de goddelijke Genadegaven en de invulling van het geestelijk leven onbeperkt is.  Anderzijds is het spirituele leven binnen de Kerk, het Lichaam van Christus, nimmer afhankelijk gesteld van de spiritualiteit van de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder en zou laatstgenoemde niet de administratie en de boekhouding dienen te beheren maar zouden de gelovigen deze laatste taken dienen te beheren. Het behoud van de plaatselijke gemeenschap is van de bezoekende beminde gelovigen afhankelijk; zij beheren en dragen zorg voor het onderhoud van de gebouwen en de inboedel.

Daar tegenover staat dat de eeuwenoude praktijk van onze Heilige Katholieke [-over de wereld verspreide-] Kerk die van de gelovige is, maar dat de clerus zorg draagt voor de uitvoering van de canonieke jurisdicties, zodat toch alle gelovigen christenen actieve leden van de kerk zijn. En, om een ​​fijne illustratie van Paulus te noemen [1Cor.12: 12-30], als één lid niet het oog is, maar het oor, òf de hand òf de voet, betekent dit nog niet dat hij/zij geen deel uitmaakt van de Lichaam [van Christus]. Wij bevelen u, lezer dit in het bijzonder aan, deze illustratie van Paulus eens grondig te bestuderen vanwege de uitstekende waarde aan onderwijs dat hier gegeven wordt, evenals het belang welke deze schriftinhoud ten opzichte van dit onderwerp aan de orde stelt.
       Deugd, ijver en overdracht van geestelijk leven, onderhouden binnen een ‘onbeschadigd‘ vertrouwenskader; teneinde daar Geloof aan te kunnen ontlenen en, indien nodig erdoor te worden geheiligd, want – ‘dit’ – zijn allemaal onherstelbare consequenties van een christelijk leven dat door de gelovige [incl. de clerus] dient te worden beoefend. Nog meer onaanvaardbaar en absurd is het verwijt ten opzichte van de Orthodoxe Kerk als dat zij het directe contact van de mens met God zou vermijden en dit door de interventie van de geestelijkheid zou worden belemmerd. We denken niet dat dit argument met eerbied zal worden gelezen door lezers die afkomstig zijn uit landen rond de middellandse zee die dit in deze uit eigen ondervinding hebben ervaren. Door de eeuwen heen hebben ‘nationalisten‘ daar gehoor gevonden in die landen, die aan allerlei gevaar en vervolging werden blootgesteld en een  heldenstrijd hebben moeten voeren.
En de meesten onder ons hebben tevens geen weet van de miljoenen die in deze tijdperken leefden waarin preventief contact met God diende te worden gemeden, alleen vanwege de ‘onzorgvuldige‘ begeleiding van de geestelijkheid! Daarentegen zijn er momenteel nog steeds duizenden gelovigen, die vervolgd worden en in angst leven en in kritieke ogenblikken op momenten, die daar debet aan zijn, wanneer alles verloren lijkt te zijn, hun hart tot God wenden terwijl zij stiekem ze naar de priester [op de radio] luisterden: “verhef uw harten” [σηκώστε τις καρδιές –
رفع قلوب].

Vanuit de diepte van mijn hart             roep ik tot U!

Niet alleen in die gegeven omstandigheden, maar ook in persoonlijke moeilijkheden hebben duizenden, nee miljoenen mannen en vrouwen hun vergeten contact met God weer op weten te nemen, enkel en alleen omdat er een inspirerende priester aanwezig was, die hen ertoe leidde. Het  Mysterie van de ontmoeting, de communie met God omvat echter geen enkel obstakel, maar omvat het kernpunt, het centrale punt als basis en waarborg van aanbidding.
        Nooit en te nimmer is er in onze Kerk onderwezen, zoals sommige van de vijanden verkondigen, dat de gelovigen alleen maar zouden bidden vanwege de priester. ‘Bid zonder ophouden‘ is niet alleen een fundamentele Leer van de Blijde Boodschap, maar een voortdurende praktijk binnen de Orthodoxe Kerk.
Dit onophoudelijke gebed is echter als gevolg een voortdurende hang naar ontkenning door de clerus -als mogelijkheid tot openbare aanbidding- genegeerd, de laatste jaren komt hier in Nederland een kentering in. En daar waar het aan deze drang ontbrak had dit tot gevolg dat het onderling contact van God met de gelovigen eerder vermeerderd werd dan afnam. Want de verbinding als gevolg van de Genadegaven heeft de persoonlijke voorkeuren van de clerus uiteindelijk teniet gedaan.

Orthodoxe betrokkenheid & een antwoord op onaangepast gedrag

Utrecht, -‘stad van mijn hart’-

De Metropoliet van het Patriarchaat Constantinopel deed te Utrecht een omstandige [‘uitgebreide’] oproep aangaande ‘de nood aan reorganisatie van de pastorale zorg’ in Nederland. Hij liet blijken persoonlijk trots te zijn om tot het Oecumenisch Patriarchaat te behoren, onze Moeder, de Grote Kerk van Christus, met de verantwoordelijkheid om haar oecumenische en bovennationale eigenheid te bewaren”.
Goddelijke Liturgie – 28 mei 2017, kerk van de Parochie “Boodschap a/d Moeder Gods” Utrecht

Profeet Isaiah, gedenkdag 9 Mei

Isaiah was ongetwijfeld een van de voornaamste profeten van het oude testament, doch van zijn persoonlijke levenswandel weten wij maar heel weinig. Wat ons wèl -vanuit zijn geschriften- bekend is , dat hij een vlijmscherpe kritiek uitoefende op de sociale problemen onder zijn Volk.

Betreffende zijn benoeming tot de profeet weten we echter veel meer, want dit wordt nauwkeurig aangeduid: het valt samen met de dood van de joodse koning Usija, waarschijnlijk in het jaar 739 voor Chr. In een periode van vier decennia, werkte Isaiah in Jeruzalem, als geen van de andere profeten en had aldaar toegang tot het koninklijk hof.
In Isaiah 6 wordt zijn aanstelling als profeet beschreven, de Heer, onze God toonde hem in Zijn Genadegaven, Zijn Hemelse Troon en liet hem Zijn Heerlijkheid en Glorie zien. Het lijkt erop dat God hem duidelijk wil maken dat Macht en Majesteit niet dient af te hangen van de aardse grootheid [dimensie]. Isaiah’s reactie drukt een diepe angst uit, want in het aangezicht van God is hij zich van zijn eigen onwaardigheid en zonde bewust. Het is een reactie, die wij ook bij andere bijbelse figuren tegenkomen, de traditionele weergave van roepingen van de profeet Mozes tot aan Petrus toe.
Zodra God een mens op een directe wijze benadert, wordt deze mens zich bewust van zijn nietigheid en maakt hem bewust en bang voor de eigen zondigheid; dat komt omdat goddelijkheid en zondigheid onmogelijk kunnen samengaan.

Daarom vindt er een reinigingsrite door Serafijnen plaats, door aan Engelen gelijke wezens. Met een brandende kool wordt aan Isaiah, de profeet voor altijd vergeving op de lippen gegeven en gaat hij de strijd aan.
Daarop hoorde ik de stem des Heren, die zei: ‘Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons [de Heilige Drieëenheid] gaan?’. En ik zei: ‘Hier ben ik, zend mij’Isaiah 6: 8.
De opdracht, die aan Isaiah vervolgens wordt gegeven, toont de ernst en de toch ‘benarde’ situatie van de profeet. Isaiah wordt uitgezonden om de mensen aan te spreken wier harten ‘koud’ zijn en die ‘niet’ bereid zijn, enig begrip voor hun misstappen te tonen, zodat zij ‘berouw’ tonen. Een Kerk is een natie voor één Volk en dat is het Volk van God, en wanneer De Kerk Zich niet meer op de juiste wijze aan het Verbond houdt, wordt er iemand gezonden, die daar een opening toe kan bieden, een sleutel kan aanreiken.
Isaiah is [ten behoeve van het Israëlische Volk, de Kerk] politiek actief geweest; hij kwam regelmatig in conflicten de machtigen, de koningen van Juda, omdat deze het bestaan van God en met name de Goddelijke interventie niet accepteerden. Een van zijn meest bekende uitspraken was: “  Indien gij niet [werkelijk] gelooft, voorwaar, gij wordt [eveneens] niet bevestigdIsaiah 7: 9.
Jeremia eveneens een profeet zal net als Isaiah zijn leven door deze Blijde Boodschap van God in barre tijden hebben laten leiden.

de Opstanding

Op de vraag hoe lang het de mens aan boetvaardigheid zal ontbreken, krijgt Isaiah een indrukwekkend antwoord: “Tot het rechtvaardig oordeel van God aan Israël [de Kerk] is voltooid”. Slechts aan het einde daarvan zal dit de voormalig priester van Utrecht een sprankje hoop geven: – ‘Via de Goddelijke Rechtbank wordt ons blijvend de heilige rust geschonken en geeft God een opening via een nieuwe start‘.

    Daarom heet het: ‘Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten’. Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen, u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad. Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de Wil des Heren isEph.5: 14-17.

De heilige Georgios, Aarts- en Groot- martelaar, tijdens het begin van de vervolging onder despoot Dioktetiaan [284-305]

De Heilige George was een Aarts- en Grootmartelaar, aan het begin van de vervolging van christenen onder despoot Diocletianus  [284-305]; hij werd de meest populaire heiligen van het christendom. In de Orthodoxe Kerk wordt hij beschouwd als een groot martelaar. In 1969 werd de H. George in een waan van veranderingszucht door de [H.] paus Paulus, de VIe van de lijst van alle Heiligen van de Roomse Kerk geschrapt, zijn naam wordt niet langer vermeld op de algemene romeinse kalender, officieel van de katholieke kalender. Maar dit raakte zijn populariteit allerminst en deze grote heilige doet evenals de H. Nicolaas van Myra niet anders dan gróte bewondering opbloeien. Deze namen zijn zowel geestelijk als taalkundig de méést populaire namen van het Europese halfrond.
Zijn symbool is het zogenoemde “george kruis”, het rode kruis op een witte achtergrond wordt in veel wapenafbeeldingen en de vlaggen gebruikt – ook in de Utrechtse provincie en Amersfoort draagt deze afbeelding. Meer heilige attributen zijn de draak, de lans en zijn icoon als ridder en ruiter. Een deel van de martelaren zal worden gepresenteerd met een palmtak.

Saint George van Cappadocië 3e eeuw

Terwijl de Heilige George -in de oudere legende- de dood van een martelaar ondergaat, is hij in de moderne ‘draken legende’ een toonbeeld van de macht, die de held en de actieve belegeraars van het kwaad weergeeft. En dit in zowel in de verzen van de muzelman als de christelijke legende. De oudste verwijzing naar de Heilige George is die van de geschiedschrijver Eusebius en weet de Kerk zeer weinig over zijn dood als martelaar. Deze verwijzing zal worden gebruikt met name wat betreft de datum van zijn overlijden, het vormt de basis voor de feestdag van deze heilige op 23e April.
De kleine Aziatisch-Syrische compositie ontwikkelde legenden en deze brengen verslag uit van verschillende gebeurtenissen, welke ‘de wreedheid van de marteling‘ centraal stellen en de pijn, die deze George met behulp van zijn Geloof in Christus, onze God en Zaligmaker weet te weerstaan/ te overwinnen.
De H. George verzet zich met name tegen die christenvervolgingen, die in het nadeel van christenen belemmeringen opwerpen tegen het -‘open en vrij‘- beleven van het Geloof en al degenen, die vanuit hun overtuiging de waarden van het Christendom ondergraven. Men heeft in z’n leven misschien veel kennis opgedaan. Maar hoeveel heb je ‘niet’ geleerd? Denk bijvoorbeeld eens aan algemeen gebruikelijke overlegprocedures; dan komt naar buiten wat er eigenlijk wáár is van datgene wàt je geleerd hebt. Immers Socrates zegt hierover:” Ware kennis bestaat erin te weten dat men niets weet“. Het Orakel van Delphi zegt dat er niemand wijzer is dan Socrates, maar Socrates zegt over zichzelf: “over mezelf weet ik dat ik ‘niets’ weet”.  Persoonlijke trots en invloed uitoefenen – voor wat betreft een ‘multicultureel’ samengestelde organisatie – vraagt om bescheidenheid en al zeker geen besluitvorming aan de hand van vermeende bevoegdheden waarmee de ontwikkelingsmogelijkheden van anderen worden getorpedeerd. 

Wapen Provincie Utrecht

Ten tijde van de kruistochten, had de aartsengel Michaël, aan waarde als beschermheilige ingeboet, die van oorsprong bekend stond als drakendoder en werd de legende van de draak door ‘een ridder te paard‘ te bestrijden op de voorgrond geschoven. Het wezenlijk doel betreft het feit dat de tegenstrever [de duivel en zijn trawanten] uitgebeeld in een vuurspuwende draak de heilzame werking van de Heilige Geest, welke door de Doop en Myronzalving door de christen werd verkregen, teniet trachtte te doen.
De Heilige aartsengel Michaël, alsmede de aartsmartelaar George doodde de draak [de duivel]. Dit is in grote lijnen het wezenlijke doel waarom de draak [de duivel] vernietigd dient te worden en toon de Heilige George ons de voorspraak tegen de moedige strijd van alle kwaad.  In de christelijke context kan de draak -‘de duivel’- blijken te zijn.

“george kruis”

“           Houd gericht, Heer, over hen die mij onrecht doen; bestrijd hen die mij bestrijden. Omgord u met wapen en schild, sta op om mij te helpen. Trek het zwaard, sluit mijn vervolgers in; zeg tot mijn ziel:
‘Ik ben uw Redding’.

Dat beschaamd en ontsteld worden die mijn ziel zoeken te doden; dat terugdeinzen en beschaamd staan die kwaad tegen mij beramen. Laat hen worden als stof voor de wind, als de Engel des Heren hen voortjaagt. Hun weg zij duister en glibberig, als de Engel des Heren hen achtervolgt. Want zonder reden hebben zij hun moordende strik tegen mij verborgen; zij hebben mijn ziel arglistig belaagd.
            Doe hem zelf in een strik vallen waarvan hij niets weet; het net dat hij verborgen heeft moge hem vangen, zodat hij valt in zijn eigen strik. Maar mijn ziel moge juichen over de Heer en zich verheugen in Zijn verlossing. Al mijn beenderen roepen uit: Heer o Heer, wie is gelijk aan U? Die de ellendigen verlost uit de hand van zijn overweldigers, de arme en behoeftige van hen die hem plunderen.
Valse getuigen staan tegen mij op; waar ik niets van weet, daarover ondervragen zij mij. Zij vergelden mij kwaad voor goed, zij beroven mijn ziel. 
Maar toen zij mij kwelden, trok ik een boetekleed aan. Door vasten onderwierp ik mijn ziel; mijn gebed was naar mijn schoot gekeerd. Als gold het een vriend, een eigen broeder, zo was het mij; als iemand die rouwt en treurt, zo was ik neergebogen.
Zij verheugden zich over mij en schoolden samen; zij geselden mij, al wist ik van niets. Zij werden uiteen gedreven, maar zij bekeerden zich niet.
Zij kwelden mij; spottend hoonden zij mij, zij knarsten tegen mij met hun tanden.
Heer, hoelang zult Gij dit aanzien? bevrijd mijn ziel van hun kwaadaardigheid, mijn eengeboren van de leeuwen. Dan zal ik U belijden in de grote bijeenkomst; Uw lof zingen onder een machtig volk. Laat zich niet over mij verheugen wie mij ten onrechte vijandig zijn, die mij zonder reden haten, en tekens geven met hun oog.
Want zij spraken wel vredelievend tegen mij, maar in toorn smeedden zij bedrieglijke plannen. Zij sperden hun mond tegen mij open, zeggend: Aha, nu zien wij het met eigen ogen. Zie toch toe, Heer, zwijg niet langer; Heer, wend U niet van mij af.
Sta op, Heer, zie toe op mijn geding;  mijn God en mijn Heer, geef acht op mijn recht. Oordeel mij, Heer, volgens Uw gerechtigheid; Heer mijn God, laat hen zich niet over mij verheugen.
Laat hen niet zeggen in hun hart: ha, wat een vreugde voor onze ziel; laat hen niet zeggen: wij hebben hem verslonden.
Doe beschaamd en ten schande worden wie zich verheugen over mijn ongeluk;
bekleed hen met schande en schaamte die vol hoogmoed over mij spreken.
Laat hen juichen en zich verblijden die mijn rechtvaardiging wensen; mogen zij de Heer verheffen die vrede wensen voor Zijn dienaar.
Dan zal mijn tong over Uw gerechtigheid spreken en heel de dag Uw lof bezingen”.
Psalm 34[35] vert. ROK. ’s-Gravenhage

Orthodoxie & de Antiocheens Orthodoxe Parochie in Nederland

Logo GOPA-en

Antiocheens Orthodoxe Kerk [AOKN] in Nederland – Rum Orthodox.

Logo AOKN

De AOKN is 18 Januari 2015 opgericht.

Patriarch John X [Yazigi] of Antioch and All the East

De Antiocheens Orthodoxe Parochie in Nederland omvat alle gelovigen die afkomstig zijn uit landen die onder de wettelijke bevoegdheid van de Orthodox Kerk van het Patriarchaat van Antiochië en het [Midden-] Oosten vallen.
De huidige Patriarch is Zijne Zaligheid Johannes de tiende, Yazigi, geb. 1955 in Lattakia, Syrië. Voorafgaand aan zijn verkiezing als Patriarch op 17 december 2012 leidde hij het Antiochieens Orthodoxe Aartsbisdom van Europa, via het hoofdkwartier in Frankrijk [Parijs].

De Antiocheens Orthodoxe Parochie in Nederland

Metropolite Isaac Barakat in de Anfridus-kerk Amersfoort, waar de AOKN te gast is.

volgt het Aartsbisdom van Duitsland en Centraal-Europa en is een van de Aartsbisdommen van het Patriarchaat van Antiochië. De huidige aartsbisschop is Zijne Eminentie aartsbisschop Isaac Barakat [Köln], welke 15 October 2013 door het Patriarchaat van Antiochië en het Oosten in Duitsland en Centraal-Europa werd aangesteld. Zijn aartsbisdom Duitsland en Centraal-Europa omvat het Antiocheens Orthodoxe Aartsbisdom met parochies in de volgende landen: Duitsland, Oostenrijk, Nederland en Hongarije.
De Antiocheens Orthodoxe Parochie in Nederland is toegewijd aan de Al-heilige “ Moeder van God” en omvat ongeveer honderdvijftig gezinnen.

De liturgische, en heilige rituelen zijn openbaar en voor eenieder te bezoeken.
De toegang tot de Mysteriën [RK. Sacramenten] in deze Parochie zijn communautair
[overeenkomstig de besluiten] aan de Orthodoxe Kerk en als zodanig toegankelijk voor eenieder, die de doop via een van de Orthodoxe kerken heeft ontvangen.

Goddelijke Liturgie, Grote intocht – dienst 12-3-2017

Abuna Basilios Khamis is een nog  jonge priester uit Syrië, die door aartsbisschop Isaac Barakat [Köln] is aangesteld als de inmiddels gewijd aartspriester voor de Grieks-orthodoxen uit Syrië en Libanon in ons land.  Het woord Abuna komt vanuit het Arabisch [أَبُونَا (ʾabū-nā, “vader”)] en komt in het Nederlands neer op de gewijd geestelijk mentor.

Abuna Basilios Khamis*

De oprichting van een nieuwe parochie in de “diaspora” ver weg van het Moederland is een apostolische inspanning bij uitstek, ondanks de vele moeite, die dit kost. De Orthodoxe Kerk gelooft echter dat de Genadegaven van de Heer de oprichters van zo’n parochie zal bijstaan. Met name in de teksten van de Goddelijke Liturgie, wordt er gebeden voor de eenheid van de christelijke kerken en voor degenen, die zich inzetten voor het werk aan de heilige Goddelijke Tempels.  In de betekenis, die de Apostel Paulus hieraan geeft is dat de tempel ‘de ziel’ [het hart] vormt van de gelovigen 1Cor.6: 19. Deze nieuwe, bezielde ereplaats aan God wordt ook opgebouwd onder de Antiocheens Orthodoxe gelovigen die in Nederland wonen. Het gaat hierbij om de gelovigen die onder het geestelijk en kerkelijk gezag van het Grieks-orthodoxe patriarchaat van Antiochië en het gehele [Midden-] oosten staan, voornamelijk mensen uit Syrië en Libanon en hun nakomelingen.
Ook zíj hebben behoefte aan een eigen kerkgebouw, waar zij naast hun sacramentele behoeften, eveneens ruimte kunnen geven aan de geestelijke opbouw. Geestelijke opbouw vindt in de eerste plaats zijn oorsprong in de Genadegaven via de Mysteriën [RK. Sacramenten], maar tevens via Catechese aan zowel kinderen als volwassenen – waarbij de gemeenschap in het gezamenlijk optrekken haar vorm behoudt.
Vanaf binnenkomst in een voor hen vreemd land ondervinden immigranten moeilijkheden bij de integratie in hun omgeving waarmee zij geconfronteerd worden. Dat is het geval bij alle migranten naar Europa en zeker bij het opzetten van een nieuwe parochie. Immigranten hebben het vanaf het begin niet breed en door hun verspreid wonen behoort de komst naar een centraal gesitueerd kerkgebouw – door een minimaal inkomen – tot een van de grotere gezinsproblemen. Daarnaast verschilt het leven van de leden van deze kerk -hier in Nederland- in vele opzichten van de gemeenschap in het Moederland. Gelovigen in het thuisland waren gewoon aan hun vele dagelijkse rituelen, maar in het nieuwe thuisland dienen zij zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden.
Vergeet overigens niet dat vele van de parochianen een zeer traumatisch verleden [de dood kon immers elk moment toeslaan] hebben te verwerken, waarmee zij via het nieuws [en hun familieleden elders] nog dagelijks geconfronteerd worden. Door de nieuwe parochie wordt ervaring opgedaan, de Nederlandse samenleving in hun bestaan te integreren en wordt wederzijds respect bevorderd. Bovenstaande is een reden te meer de Nederlandse samenleving welwillendheid te vragen deze parochie de mogelijkheden te bieden om hun bestaan hier in Nederland op te bouwen.

* Vader Basileos Khamis is te bereiken,
mobiel: 06 55246561
e-mail: 
info.aokn@gmail.com
internet: 
http://rum-orthodox.de/gemeinden/amersfoort
Giro: NL16INGB0007235738,
Antiocheens Orthodoxe Parochie in Nederland
o.v.v. gift, [belastingtechnisch aftrekbaar]
Zie ook: Rum-Orthodox.de met haar nieuwsbrief via newsletter@rum-orthodox.de

2e Zondag van Pascha, Thomaszondag – Antipascha – Beloken [besloten] Pasen

Thomaszondag [Αντίπασχα]

  Toen het dan avond was op die eerste dag van de week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zei tot hen: ‘Vrede zij u!’.
   En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Heer zagen. Jezus dan zei nogmaals tot hen: ‘Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik ook u’. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zei tot hen: ‘Ontvangt de Heilige Geest. Aan wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend’.
En Thomas, een der twaalven, genaamd Didymos [= tweeling], was niet met hen, toen Jezus daar kwam. De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben de Heer gezien! Maar hij zei tot hen: Indien ik in Zijn handen het teken van de nagelen niet zie  en mijn vinger niet steek in de plaats van de nagelen en mijn hand niet steek in Zijn zijde, zal ik geenszins geloven.
En na acht dagen waren Zijn discipelen weer in het huis en Thomas met hen. Jezus kwam, terwijl de deuren gesloten waren en Hij stond in hun midden en zei: ‘Vrede zij u!’. Daarna zei Hij tot Thomas: ‘Breng uw vinger hier en zie Mijn handen en breng uw hand en steek die in Mijn zijde en wees niet ongelovig, maar gelovig’.
Thomas antwoordde en zei tot Hem: ‘Mijn Heer en mijn God!’.
Jezus zei tot hem: ‘Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven’.
Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen van Zijn discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naamJohn.20: 19-31.

  En door de handen van de Apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het Volk; en zij waren allen eendrachtig bijeen in de zuilengang van Salomo. Doch van de anderen durfde niemand zich bij hen aansluiten, maar het Volk stelde hen hoog. En des te meer werden er toegevoegd, die de Heer geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen, zo zelfs, dat men de zieken op straat droeg en op bedden en matrassen legde opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen. En ook de menigte uit de steden rondom
Jeruzalem stroomde toe en bracht zieken en door onreine geesten gekwelden mee. En zij werden allen genezen.
     Maar de hogepriester stond op en allen, die met hem waren – de zogenaamde partij van de Sadduceeën – en zij werden vervuld met naijver, en zij sloegen de handen aan de apostelen en zetten hen in het huis van bewaring.
     Maar een engel des Heren opende des nachts de deuren van de gevangenis en leidde hen naar buiten en zei: Gaat heen, gaat in de tempel staan en spreekt tot het volk al deze woorden des levensHand.5: 12-20.

Christus geneest

Christus heeft het als Zoon van God, als geheel mens en geheel God, als Zijn tegenwoordigheid in de wereld, van groot belang geacht de morele waarden, mentaliteit en karakter, het leven en de dood dusdanig kenbaar te maken, dat de mens via z’n theologie, filosofie en literatuur Gods bedoelingen met de mens zou leren kennen. God heeft in Zijn oneindige Liefde en medemenselijkheid de wereld en de mens geschapen. Hij is God [goed] en is niets dan ‘Liefde’.  
”  De Liefde is uit God; en een- ieder, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is Liefde1John.4: 7. En … het door Mozes geredigeerde boek van Genesis presenteert de schepping van de mens. ”  En God zei: ‘Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte aan de hemel en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij henGen. 1: 26-27. Met andere woorden, iedere mens is geschapen naar Gods Beeld en Gelijkenis en draagt de Bron van de Goddelijke Liefde in zich [zijn leven] mee. 
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de verschillende delen van het Oude en het Nieuwe Testament hier brede bekendheid aan geven.
Gods verhaal is immers òns verhaal, de mens is daarmee verantwoordelijk z’n omgeving dusdanig in te richten dat de voor de hand liggende Goddelijke ontwikkeling werkelijkheid wordt en te werken aan het veranderen van z’n geestelijk karakter. 
Dit Verhaal is een verslag of weergave van gebeurtenissen, die zowel de mens als God aangaan. 
Dit doet ons allereerst denken aan de Goddelijke Genadegaven en in de tweede plaats aan de geestelijke en morele waarden, die indien deze door een mens worden opgevolgd naar God leiden, door Hem te volgen: God zorgt aldus voor de volmaakte mens en zal de mens zoveel mogelijk te ontdoen van z’n menselijke ongerechtigheden.
Hij heeft de mens slechts weinig beneden de engelen geplaatst; Hij heeft ons gekroond met Glorie en EerPsalm 8: 6.  Adam en Eva waren oorspronkelijk trouw en gehoorzaam aan God en leefden als product van Zijn hand in het aards Paradijs; zo werd Zijn Naam wonderbaar over heel de aarde.
Trek daarom allen de wereld in vanuit uw hart en spreekt tot het Volk om u heen al deze woorden des levens [van Gods Liefde tot de mensen] en een engel des Heren zal des nachts ook u de deuren van de gevangenis openen en u naar buiten leiden [vrijheid geven].
Wanneer onze ziel in God, z’n oorspronkelijke vrijheid probeert te zoeken, Hem tracht te gehoorzamen en zich naar ziel en lichaam bloot geeft en zich in nederigheid overgeeft aan de Schepper welgevallig te zijn zal het in overeenstemming met z’n bedoeling en in een toestand van rust doorbrengen.
Zijn harmonie en z’n evenwicht wordt echter verstoord als gevolg van de hoogmoed, de menselijke zonde, omdat de mens hierdoor God niet langer gehoorzaamheid verschuldigd is wordt zijn lichaam en ziel niet langer beschermd tegen de aanvallen van de tegenstrever op de oorspronkelijke Goddelijke bedoelingen. “ Niemand steekt een lamp aan en zet die in de kelder of onder de korenmaat, maar op de standaard, opdat wie binnentreden het licht zien. De lamp van het lichaam is uw oog. Indien dan uw oog zuiver is, is ook uw gehele lichaam verlicht, maar wanneer het slecht is, is ook uw lichaam duister. Zie dan toe, dat wat licht in u is niet duisternis zij. Indien dan uw lichaam geheel verlicht en geen deel duister is, zal het geheel verlicht zijn, evenals wanneer de lamp u met haar schijnsel verlichtLuc.11: 33-36.

“Christus is Verrezen/Opgestaan”

Zitten er twee koorleden na de Agape na afloop van de Paaswake met een kopje koffie en een glaasje met Baklava, Paasbrood en Pascha aan tafel, wordt er opgemerkt: “We zingen nu wel dat Christus is verrezen uit het graf [het waren Vlamingen in Nederland blijft men ‘Opgestaan’ verkondigen], maar als Christus had geweten hoe koud het op dit ogenblik is [het vriest buiten 5 graden], dan had Hij vast en zeker nog even gewacht.
Het is dit jaar helemaal geen weer voor Pasen
”.  
“Ja”, zegt de ander, “Dat zou best eens kunnen. Maar weet jij nou wat uit het graf verrezen betekent? Geloof je dat echt?”.
Dit is een doodernstige vraag voor koorleden en voor alle andere kerkgangers: ‘wéten we wàt we zingen en oprecht geloven wàt wij, christenen verkondigen!

Juist door daar niet te zijn – de rest van de apostelen was wel aanwezig en dus was er geen conciliaire eenheid – kan de als ongelovig aangeduide Thomas z’n medebroeders kritische vragen stellen! toch?
Daarin klinkt voor velen onder ons wel iets van afkeuring door. “Doe niet zo vervelend. Geloof het gewoon!”;  anderen herkennen zich in hem : “Die kritische Thomas is één van ons, één van ons broeders in Christus”.
Zijn ongeloof voor zomaar een bewering “Wij hebbende Heer gezien”, wekt ook verwondering, verwachting. Zijn ongeloof is geen gebrek aan Geloof in Jezus; zijn ongeloof betreft de kritiekloze Vreugde van de anderen.
Juist omdat Thomas zo intens geloofde in Jezus, op Hem zijn vertrouwen stelde, zoveel van Hem hield dat hij bereid was met Jezus te sterven . . . . . daarom heeft Thomas het er moeilijk mee wanneer er zo gemakkelijk “Alleluja” – “Hij heeft ons het Leven geschonken” en “Christus is Verrezen [Opgestaan]”, gezongen en ” Hij is waarlijk Verrezen [Opgestaan] uitgeroepen wordt.
Jezus is toch een smadelijke dood gestorven; ze hebben Christus toch “allemaal” – ook Thomas zelf –  in de steek gelaten. De vrouwen hebben Hem in een graf gelegd en iedereen is teruggegaan naar huis. En daar zitten ze als bange wezels bij elkaar in de bovenzaal en Thomas is waarschijnlijk een boodschap doen in de winkel, die met het hoogfeest van Pasen nog open is [waarschijnlijk van een andere gezindte].  Wat de Joodse leiders Jezus hebben aangedaan, zouden ze dat ook hen niet kunnen aandoen?  Leerling van Jezus zijn is en blijft tenslotte gevaarlijk, je wordt voor afwijkend versleten.
Thomas weet van het gevaar en Hij weet van het kruis van Jezus: “Als de Heer zich te zien geeft dan wil ik zijn wonden kunnen betasten, mijn hand in zijn doorboorde hartstreek leggen. Dan zal ik Hem geloven. Voor die Heer heb ik mijn leven over”. 
Vraagt Thomas hier dan te veel? Had hij niet beter met de anderen in de vreugde kunnen delen? Thomas tast hier het geloven van de anderen af.
Weet je zeker dat de Heer, Die jullie gezien hebben, ook de Gekruisigde is?
De vreugde van Pasen mag het verdriet om Goede Vrijdag niet verdringen!
Deze Thomas ontnuchtert de andere apostelen èn Christus volgelingen, door hem gaan ze zichzelf eveneens vragen stellen. Thomas vraagt het óók aan ons, want Christus verhaal is ook ons verhaal: “Geloof je wat je daar staat te zingen?”.

Geloven betekent voor Thomas niet “voor wáárachtig aannemen”, maar “je overgeven en toevertrouwen aan Iemand, Die voortaan jouw leven zal bepalen”.
Is dàt ook voor òns de betekenis van geloven?

Acht dagen later zijn de twaalf, net als wij hier compleet en als gemeenschap bijeen. Thomas is er ook; ook op deze dag verschijnt de Heer in hun midden.
Jezus nodigt Thomas èn ons uit: “Breng uw vinger hier en zie Mijn handen en breng uw hand en steek die in Mijn zijde [Mijn Hartstreek], en wees niet ongelovig, maar gelovig”.  Thomas roept uit: “Mijn Heer en mijn God”. “Ik geef mij aan U gewonnen. Ik geloof in U”.
Deze kortste Geloofsbelijdenis is het fundament van elke andere getuigenis.
Door deze woorden wordt het getuigenis van de twaalf volledig. Nu de Gekruisigde en de Verrezene één zijn, wordt het geloofwaardig en betrouwbaar dat God in Jezus Zijn Levenschenkende Tegenwoordigheid schenkt.
Thomas wordt als twijfelende en tastende zoekende gelovige de eerste die door Jezus gebracht wordt tot het Geloof in de Verrijzenis/Opstanding: “Mijn Heer en mijn God”.
Er staat niet dat Thomas op Jezus toeloopt en Hem aanraakt. Thomas raakt Jezus niet aan als zou Jezus een uit de dood teruggekeerd lichaam hebben; zo iets als een levend lijk. De aardse Jezus laat Zich op een heel nieuwe manier ontmoeten. Hij is ook geen geest, geen denkbeeld in de hoofden en de harten van de apostelen zoals zij misschien voor de eerste keer de Heer zagen.
Thomas is de eerste die inziet dat Jezus op een volstrekt Nieuwe Wijze aanwezig is: een mens in Wie Gods Liefde, Licht en Warmte zichtbaar, tastbaar en ervaarbaar wordt. Terwijl Thomas een ‘echt’ mens aanschouwt, verkondigt hij met luide stem de God, Die hij niet kan/kon zien.

Waarom zouden we nog wachten, mijn vrienden, tot er opnieuw slechte tijden [crises] komen? Onze Vader, uw en Mijn Vader heeft u allen lief, ook waar jullie Hem nog niet liefhebben.  Jullie Hemelse Vader wacht op jullie, Hij komt je tegemoet, ook waar je nog niet aan volledig geloven toe bent nog geen antwoord hebt kunnen vinden op Zijn Liefde.
‘”Zie, Ik sta hier voor jullie, leg je hand in Mijn hartstreek en herken dat Ik jullie de Liefde van God verkondig. Ach, waarom grijpen jullie die Liefde niet aan? Kunnen jullie niet geloven? Als je eens wist, hoe Lief Ik, als Zijn Zoon, u allen heb, indien jullie zien konden, hoe Mijn hart overstroomt van Liefde, als een niet aflatende bron – jullie zouden iets kunnen begrijpen van de oneindige tederheid van God . . . . . Waarom grijpen jullie deze Zaligheid niet, Die je wordt aangeboden? Laat los je zelfzucht, laat los je zonden, laat je twijfel, laat je droefheid los. Ik weet heus wel, dat jullie allen bedroefd zijn, Ik zie wel dat de wereld jullie geen vreugde geeft. Ik heb het immers zelf, aan den lijve ondervonden, gekend, de moeheid, de bitterheid, de eenzaamheid van een mensenziel zonder God. Ik weet hoe daar geen vrede woont in uw hart…”.
Hij glimlachte als de Énige, Die alle aardse, menselijke smart gekend en overwonnen heeft en nu weet, dat al het leed van de wereld niets waard is dan slechts een glimlach, een glimlach van medelijden. Gods hart wat Zich bedroeft over onze droefheid.

Voorheen heb ik mezelf ook over m’n smarten bedroefd, vroeger toen ik Jezus Christus, als Heer en Meester van mijn leven, nog niet kende en Zijn vrede nog ‘niet’ gevonden had. Ja, ik weet best wat het is, eenzaam te zijn in de wereld, – alleen, verlaten, miskend, en ik ken dat onduldbaar verdriet, die rusteloze strijd van onvervulde wensen, uitgestelde hoop.
Ik weet, wat het betekent, je vrienden, ja zelfs het Liefste op aarde te verliezen, teleurgesteld te worden in datgene, waarop we ons aardse vertrouwen hadden gesteld . . . . .
Maar ik ben gegaan tot de Mensenvriend, die nooit teleurstelt, ik vond het Hart van de wereld, Dat altijd liefheeft met een onuitputtelijke, onveranderlijke Liefde, Dat me liefheeft, Dat me heeft, nog éér ik Hem zocht . . . . .
Ik vond Hem, Die mijn leven maakt tot een lofzang van dankbare liefde, Hem, mijn Heiland, mijn Koning,  Mensenvriend, Jezus Christus . . . . .
Indien ik ooit heb gezegd, dat ik gelukkig was – het bleek een leugen.
Indien ik door het leven ben/heb rondgelopen met opgeheven hoofd, alsof ik niet moe, niet eenzaam, niet onbegrepen was – het was een leugen, God . . . geloof het niet …
Och we weten immers beiden wel beter. Gij weet hoe zwak ik ben, hoe klein, – veel te klein, om alleen te blijven in deze oneindige wereld . . . . . hoe ook ik hunker naar de liefde van mensen.
Maar ik zal U dat nooit toegeven God, ik zal het nooit erkennen, ik zal door het leven, alsof alles juist zó door mij besteld, zó door mij beschikt was . . . . .
en toch . . . toch God . . . we weten beiden samen wel beter . . . . .

Christus is verrezen/opgestaan;
Hij is waarlijk verrezen/opgestaan en
Hij heeft ons het Leven gegeven,
wij vereren Hem op de derde dag
”.

De vraag blijft: “Gelooft u dit zelf ook?”.

Apolytikion     tn.7
Nadat de steen verzegeld was, o Christus onze God, zijt Gij, het Leven opgegaan uit het graf,
en bij gesloten deuren stond Gij temidden van Uw Leerlingen, als de Opstanding van het heelal,
om door hen in ons de rechte geest te vernieuwen,
volgens Uw grote Barmhartigheid
”.

Kondakion     tn.8
Met zijn nieuwsgierige hand o Christius, onze God,
noch Thomas Uw levenbrengende  zijde betasten,
hoewel Gij binnengetreden wa door gesloten deuren.
Daarom riep hij tot U, tezamen met de andere Apostelen:
Gij zijt mijn Heer en mijn God
”.

Orthodoxie, het hoogfeest van Pascha en de wereldse benadering

Aangezicht van hedendaags Jeruzalem

Vanuit menselijk [aards] gezichtsveld is de grote en heilige week, welke met ‘Lazarus’- zaterdag en Palmzondag begint een religieus spektakel, waarbij los van dat er iets opzienbarends plaatsvindt, totaal geen sprake is van lawaai, drukte en herrie. Alle christenen vieren Pasen dit jaar samen in Griekenland en Cyprus het religieuze spektakel ‘Pasen’ zo propageert ‘domradio’ dit feest van verstilling en de bewust wording [26-3-2017, https://www.domradio.de/themen/ostern/2017-03-26/die-domradiode-osteraktion].
Het is de ‘hemel’ op z’n kop, gezien vanuit een behoefte tot sensatie.
Hoe kun je de stilte van het graf en de Opstanding, die -hier en nu- in de Blijde Boodschap verkondigd wordt, verwoorden met de uiterlijkheden, die voor de buitenstander waarneembaar zijn; dan sla je toch de plank toch volkomen mis!
Je kunt inderdaad verslag doen van de de diensten van de komende week en hier een uiterlijk verslag van doen, maar wat er werkelijk plaatsvindt, is datgene wat innerlijk beleefd wordt. 
Het christelijke Pasen wordt dit jaar inderdaad door alle christelijke gelederen gelijktijdig gevierd en dat is tevens bijzonder omdat onze kinderen hierdoor de eenheid van de Kerk in de wereld kunnen ervaren; maar die eenheid bestaat al in de verscheidenheid, dat we iedere zondag de Opstanding van onze Heer en Verlosser bezingen en daardoor als gespleten Kerkgenootschappen God de eer toebrengen, die alleen Hem toekomt.

Op Lazaruszaterdag wordt onze grootste vijand -de dood- als niet te doorgronden fenomeen van zijn omhulsel ontdaan. Palmzondag verkondigt [net als iedere zondag] de betekenis van de overwinning op de dood, als een triomf van het Koninkrijk van God. De [christelijke] wereld viert op [Palm-]zondag het feit dat onze Heer Jezus Christus als onze enige Koning van het heelal wordt erkend/aanvaard. Wij vieren dat Christus, als Zoon van God, door de Heilige Geest uit de maagd Maria werd geboren en dat God Zich openbaart – uitdrukking geeft van Zijn menswording.
God is niet ‘iets’ wat vèr weg is, vèr van ons verwijderd ergens in de lucht, afgelegen en ontoegankelijk. Maar God is ons nabij gekomen, zo dichtbij als dat Hij een van ons is geworden.
Dat is wat werkelijk gevierd wordt – het feit dat God ons nabij is – op de rand van ons hart – en met ons meeleeft, sterft en naar de Opstanding groeit. Dit is geen spektakel, dit is een Godswonder – een voor de mens haast niet te begrijpen fenomeen.
De apostel Paulus verwoordt dit als volgt:
    Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet: zij, die in het vlees zijn, kunnen aan God geen genoegen doen. [-God bezit immers alles al-] 
Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. 
Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woontRom.8: 7-11.

Apostel Paulus
απόστολος Παύλος
الرسول بولس

Paulus wijst ons hier op een ongezonde scheiding tussen vlees en geest; het hele punt van de incarnatie is dat er een verkeerd onderscheid wordt gemaakt. Ten opzichte van onze lichamelijke  aangelegenheden is ‘de kwaliteit van leven’ van elke persoon van belang, omdat het lichamelijk welzijn door de dood wordt aangetast. Het welzijn van de gehele mens, zowel lichamelijk als geestelijk is voor God van belang en daarom heeft Hij om ons de Blijde Boodschap te verkondigen, als God het mens-’zijn’ op Zich genomen; is mens geworden.
Graaf je echter wat dieper, en dat is wat Paulus ons hier tevens voorhoudt, dan heeft Paulus het er over dat de mens zijn leven dusdanig indeelt – dat deze slechts naar het vlees [de aardse, wereldse manier] leeft en niet overeenkomstig de Geest [ de weg naar God]. Dat is ook de reden waarom ik over het woord spektakel val – hier wordt dit fenomeen op journalistieke [wereldse] wijze onrecht aangedaan. De krachten van deze wereld oefenen onafgebroken druk op ons uit om te voldoen aan de waarden, die de wereld -ook de Kerk- ons opleggen. Vraag daarom God om de geest in deze wereld te vernieuwen en laten we de komende periode bidden voor degenen voor wie dit hoogstnoodzakelijk blijkt te zijn.
We hebben allemaal een roeping om iets van de goedheid van God aan de anderen in de wereld te laten zien, – doe dat dan ook volledig -, opdat de wereld werkelijk Gods Liefde en Licht mag aanschouwen; het ondoorgrondelijk Licht van de nog nooit werkelijk aanschouwde God.

Orthodoxie & geestelijke ontwikkeling [1]

kloostertoren Athos

De kunst van het inrichten van een religieus leven vindt z’n fundament in het leggen van de menselijke relatie met het Goddelijke, de Goddelijke Wijsheid of de Heilige Geest. Het woord religie is ontleend aan het latijnse woord religare [religere = vastklampen, versmelten]   of het Griekse [θρώσκω (throsko) = opstijgen], het geeft in ieder geval het relationele karakter weer van de religie; tussen God en de mens.  Andere karakter-eigenschappen, welke met religie verbonden zijn, betreffen de bovennatuurlijke relatie met het natuurlijke, het ware, het schone en goede; de intuïtieve relatie tussen het stoffelijke en het geestelijke; het fysiek [lichamelijke] en het psychisch [geestelijk] vermogen, het persoonlijk en sociaal maatschappelijk gedrag.

Voor de grondslag van de religie zijn twee voorwaarden vereist: het goddelijke en de [klein-]menselijke. Waar bij religie absoluut sprake van dient te zijn – blijkt uit het feit dat de mens zich vrijwillige overgeeft en zich laat beïnvloeden door een positieve omgang met het Goddelijke en uit zijn/haar godsdienstig gevoeligheid [sensibiliteit] het beste tracht te halen; waar het dus om draait is dat de mens zich in een gemeenschap thuis voelt en zich ongedwongen kan voortbewegen op zijn/haar geestelijke weg.
Onderontwikkeling op het gebied van religie is het gevolg van interne factoren zoals slecht bestuur, traditionele voorkeuren en cultuur. Ontwikkeling volgt automatisch op de ontmanteling van deze traditionele structuren en het volgt een bepaald schematisch model. Ook religie is onderhevig aan evolutie, hetgeen blijkt uit de Joods- christelijke cultuur waarin wij leven, welke door de Goddelijke Wijsheid, de Heilige Geest geleid wordt.
Hoewel Christus als de God-menselijke leermeester reeds aan Zijn eerste volgelingen, de apostelen heeft voorgehouden dat er bij God geen onderscheid des persoons bestaat en ieder voor God een gelijke positie inneemt; wordt de onderontwikkeling van een overgroot gedeelte van Zijn Lichaam [de kerk] veroorzaakt door ongelijke macht’s-verhoudingen. Onderontwikkeling is een gevolg van het verkrijgen/verlenen van bepaalde gunsten, [religieuze] onderdrukking en een gesloten basisopstelling;

Ontwikkeling vraagt namelijk om een open gesprek op basis van gelijk-waardigheid. Tevens kan de [na de 2e wereldoorlog] snelle demografische groei een rol hebben gespeeld, waarbij de nadruk meer op economische dan op sociaal-religieuze ontwikkeling kwam te liggen. De bestaande religieuze instituties werden -met name in het westen- in de loop van de laatste decennia steeds minder serieus genomen. De politieke ontwikkeling volgde dit proces door een steeds verdere afstand te scheppen tussen kerk en staat. In het onderwijs werd gepropageerd dat waar het om God gaat, er slechts wordt weg-gekeken; hetgeen tot gevolg had dat men tot de ontdekking kwam data men bij ervaren eenzaamheid en kwetsbaarheid niet meer in contact kwam met zichzelf. Het resultaat was een overwaardering van de psychische opvang door de inzet van Psychiatrie en therapeutische kunstgrepen. De hedendaagse mens vindt geen rust meer, niet voor zichzelf, niet voor z’n relaties; niet af en toe en beschouwt dit niet meer als basis van een levenshouding.

Bergrede, juiste relatie met Christus

Daar waar Onze Heer en Verlosser ons uitnodigt aan Zijn voeten te komen zitten en daar tot rust te komen; te leren van de pedagogie, waar onze voorouders op steunden; wordt radicaal afwijzend gereageerd op alles wat maar enigszins met religie te maken heeft. Waar we wel gecharmeerd door raken is datgene wat verafgelegen vreemde culturen ons zouden kunnen aanbieden; onze eigen religieuze evolutie wordt daarmee afgebroken. Indien ik bang ben en eenzaamheid ervaar bestaat er niet meer het lijntje waarmee wij van huis uit gewend waren met het Hogere verbonden te zijn; deze verbondenheid was naast God met onze naasten – hetgeen evenwicht tot gevolg had. De insluitende manier waarbij God zegt, schuil maar bij Mij, mét je angsten, mét je eenzaamheid wordt systematisch om zeep geholpen. Hier viert de vrije markt hoogtij en overheerst er een globalisering met zo min mogelijk beperkingen tot economische groei waardoor massaconsumptie natuur en leefomgeving verontreinigt en ongelijkheid hoogtij viert.

‘Wat is dan de Blijde Boodschap?’

Daar waar ik me met mijzelf mag verbinden en aan God toevertrouwen, behoef ik niet meer hard te werken om een beter [rijker] mens te worden. Wanneer ik mijzelf door God, als liefhebbende Vader laat liefhebben, stel ik me onder Zijn hoede en word ik haarzelf zachter, rustiger en opener van; dan word ik als vanzelf een schoner mens. Wanneer ik weer een tijdje -in de wereld- aan het dolen ben geweest en vervreemd ben geraakt van God, dan komt er een moment dat ik heimwee krijg. Ik mag aandacht hebben voor mijzelf, ik mag met mezelf omgaan zoals God met mij omgaat. En om  frank en vrij te worden, dien ik genadig en liefdevol met mijzelf om te gaan; ik behoef niet hemel en aarde te bewegen om hogerop te klimmen, want God komt naar mij toe. Hij zit op de rand van mijn gevoelsleven [hart] en wacht geduldig, klopt tot ik aan Hem toe ben.
Het is Zijn Genadegave, die mij in beweging brengt; die mij tot het bewustzijn brengt, die mij doet beseffen; het is tijd dat ik zelf op zoek ga naar bezinning en rust. Ja, ik dien de oude mens af te leggen, maar je kunt iets niet afleggen waarvan je niet hebt onderkent dat het er is.
Vroeg of laat confronteert God ons met onszelf – worden wij verzocht, beproefd en wat voor woorden we er niet meer over bedacht hebben; we knallen tegen onszelf op en bemerken dat er iets dient te gebeuren en dan gaan we zoeken.

De Blijde Boodschap is van oudsher en dat is het bijzondere dat ons geleerd wordt; dat God eigenlijk op zoek is naar ons. Omdat God op zoek is naar ons, heeft Hij ons allen een basisverlangen meegegeven, om op zoek te gaan naar Hem. Want als jouw Schepper, houdt Hij van je en trekt je tot Hemzelf. God is op zoek naar jou en wil intens graag dat je Hem leert kennen. Daarom spreekt Hij tot je hart, om Hem te zoeken. Het is alsof God tot je zegt: “Zoek Mij, Ik wil dat je Mij vind!”. Dat is de Pedagogie van onze Heer en Verlosser in zijn gelijkenis van de Verloren Zoon.
      Zoekt de Heer, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze dient zijn weg te verlaten en de ongerechtige mens zijn gedachten en hij dient zich tot de Heer te bekeren, dan zal Hij Zich over hem ontfermen; en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.
Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten. Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel  neerdaalt en daarheen niet weerkeert, maar bevochtigt deze eerst de aarde en maakt haar vruchtbaar en doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de zaaier en brood aan de eter.
Evenzo zal Mijn Woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend. Want in Vreugde zult gij uittrekken en in Vrede geleid worden; de bergen en de heuvelen zullen voor u uitbreken in gejuich en alle bomen van het veld zullen in de handen klappen. Voor een doornstruik zal een cypres opschieten, voor een distel zal een mirt opschieten, en het zal de Heer zijn tot een Naam, tot een eeuwig teken dat niet uitgeroeid zal worden”.
Isaiah 55: 6-13

       God Zelf vernedert Zich, wordt mens en wekt Zijn Volk op om Hem te zoeken.  Wat vreemd, toch? Dat ‘zoeken’ dient toch eigenlijk vanzelfsprekend zijn. Hìj is toch onze Schepper? U bent als zijnde goed bevonden uit Zijn hand voortgekomen. Jullie konden Hem dienen; je leefde uit Hem, door Hem, met Hem en tot eer van Hem. Hij heeft ons geschapen om eeuwig voor Hem te leven. Daarop heeft Hij gewoon recht.  Maar het vreselijke gevolg van de diepe hoogmoedige val in het paradijs is de oorzaak dat wij Hem niet langer zoeken. Wij mensen hebben het zelf over ons afgeroepen en zoeken onszelf in plaats van God. Wij zijn gewend geraakt de eer naar onszelf toe te trekken tegenover God en zijn slechts uit op eigen eer en roem. Heel bewust hebben wij de band met onze Schepper doorgesneden.
Wij hebben Hem de nek en rug toegekeerd om vanuit onszelf nooit meer terug te keren. 
Dit is een zeer aangrijpende gedachte!
De diepte van onze geestelijke dood en ons verloren zijn is hierin getekend. Toch heeft God als een eeuwig wonder van Zijn welbehagen, van eeuwigheid een weg van heil uitgedacht en heeft  daardoor ons, die dood waren door de zonde van dood weer tot het Leven terug geroepen.
       God is met de mens een Verbond aangegaan; Hij, Die van eeuwigheid de getrouwe en onveranderlijke Heer van het Verbond is. Die God, Die Mozes is verschenen in de brandende braambos als de “Ik zal zijn, Die Ik zijn zal”. Hij Zelf laat Zich in met diep gevallen kinderen van Adam. Uit en van zichzelf waren wij nooit in staat geweest Hem te gaan zoeken; daartegenover stelt Hij Zijn zoeken tot ons eeuwig behoud; dit gaat van Hem uit. Dit is de eeuwige, eenzijdige Goddelijke Liefde tot de zondaar. Daarom zingen wij als Gods gemeenschap: “in Uw Licht, zullen wij het licht aanschouwen”.
       God zoekt ons, terwijl wij Hem mijden; Hij zit op de rand van ons hart en klopt.
      Heer, Gij zijt mijn God, U zal ik verheffen, uw Naam loven, want Gij hebt wonderen gedaan, raadsbesluiten uit een ver verleden in waarheid en trouw volvoerd. Want Gij hebt de stad tot een steenhoop gemaakt, de versterkte veste tot een bouwval, de burcht van de vreemden tot wat geen stad meer is; in eeuwigheid zal deze niet herbouwd worden. Daarom zal een sterke natie U eren, de veste van gewelddadige volken zal U vrezen; want Gij zijt voor de geringe een Sterkte geweest, een sterkte voor de arme toen hij benauwd was, een schuilplaats tegen de stortbui, een schaduw tegen de hitte. Want het briesen van geweldenaars is als een stortbui tegen een muur, als hitte in een dorre streek. Het rumoer van vreemden onderdrukt Gij; als hitte door de schaduw van een wolk wordt het gezang van de geweldenaars gedempt.
En de Heer der heerscharen zal op deze berg voor alle volken een feestmaal van vette spijzen aanrichten, een feestmaal van belegen wijnen: rijk aan merg, vette spijzen, van gezuiverde, belegen wijnen. En Hij zal op deze berg de sluier vernietigen, die alle natiën omsluiert, en de bedekking, waarmee alle volken bedekt zijn. Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen, en de 
Heer der Heerscharen zal de tranen van alle aangezichten afwissen en de smaad van zijn volk zal Hij van de gehele aarde verwijderen, want de Heer heeft het gesproken. En men zal te dien dage zeggen: Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen; dit is de Heer, op Wie wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft. Want de hand des Heren zal op deze berg rusten, maar Moab zal op zijn plaats neer gestampt worden, zoals stro neer gestampt wordt in het water van een mestkuil. Spreidt het zijn handen daarin uit, zoals een zwemmer ze uitspreidt om te zwemmen, dan zal Hij zijn hoogmoed vernederen ondanks zijn listige handgrepen. Ja, de ontoegankelijke versterking van uw muren zal Hij neerwerpen, vernederen, op de grond doen neerstorten tot in het stof”.
Isaiah 25: 1-12
Christus zit op de rand van ons hart en klopt en het is vreemd wanneer je Zijn aandringen niet beantwoordt, in het geheel niet naar Hem vraagt. Besef echter de ernst van Zijn Woord, het is geen mensenwoord, hetgeen je ongestoord terzijde kunt leggen. Het betreft een Goddelijk scheppend Woord, waarvan je het gewicht dient te onderkennen. Daarom blijft Christus aanhouden en opent de mogelijkheid antwoord te verkrijgen op duizend en een vragen, hetgeen je nog eens versteld zal doen staan. Zou jij Zijn aandringen dan niet beantwoorden en Zijn aanwijzingen in de wind slaan. Buig daarom voor Gods Woord en val ook jij voor Zijn voeten neer. Zoek de Heer waar Hij te vinden is, roep Hem aan en Hij zal je nabij komen; smeek Hem om Genade en de werking van Zijn Heilige Geest. Opdat je Hem leert zoeken met al de kracht, die je bezit. Want degene die Hem vindt, ontmoet het ware Leven en verkrijgt een welgevallen in de Heer. “     Hoort naar de vermaning, dan wordt gij wijs, slaat haar niet in de wind. Welzalig de mens die naar Mij luistert, dag aan dag wacht houdende aan Mijn deuren, bewakende de posten van Mijn poorten. Want wie Mij vindt, heeft het Leven gevonden, hij heeft van de Heer welgevallen verkregen. Maar wie Mij mist, doet zijn leven geweld aan; allen die Mij haten, hebben de dood lief”.
Spr.8: 34-36

Orthodoxie & Geestelijke ontwikkeling [2]

Wie van ons mensen gaat er mee op weg om eerherstel te zoeken; is er dan niemand die dit mist? Iets zoeken is nog wat anders dan iets kwijt zijn. Ik kan mijn beurs met honderd euro kwijt zijn, zonder dat ik het weet. Dan ga ik die ook niet zoeken. Maar als ik in een winkel iets wil betalen en mijn portemonnee niet vind, dan schrik ik. Dan ga ik net als de weduwe terugdenken: Waar ben ik het laatst geweest? Waar kan ik mijn bezit [penninkske] zijn verloren? Of heeft iemand die misschien uit mijn zak gehaald?
Over dat zoeken vanuit een levend, door Gods Geest opgewekt gemis, gaat het hier. Herken je dit; herken je het in je hart en nieren [(νεφρὸς), als plaats van je verlangens/gevoelens] leven? Is de Levende God werkelijkheid voor je; ben je God kwijtgeraakt door dezelfde hoogmoedige diepe val in het paradijs? Mijn zonden veroorzaken scheiding, het heeft iets stuk gemaakt; het heeft me vervreemd van de levende God. De verhouding met Hem is gebroken, door mijn eigen schuld; dat wordt nu met groot verdriet ervaren.  Dat is de droefheid die Gods Geest bewerkt in het hart; het houdt je bezig. Je staat er mee op en je gaat er mee naar bed; het maakt je onrustig. En diep in je ziel ervaar je een hunkering en een verlangen naar de Heer, om Hem opnieuw te kennen en lief te hebben.
Je gaat je weg na en zoekt in datgene wat plaats vond, het blijkt een rusteloos zoeken, net zo lang totdat je Hem weer gevonden hebt en belijdt Hem je schuld, waarop onherroepelijk weer vergeving volgt.

Weet je waarom je de weg naar Hem terug zoekt?; omdat God het is Die je zoekt; Gods Geest maakt je tot een zoekende; net zolang tot je in Hem de oorspronkelijke rust heb teruggevonden. Daarom zegt God bij monde van Isaiah: 
      Te raadplegen was Ik voor hen die naar Mij niet vroegen, te vinden voor hen die Mij niet zochten; Ik zeide tot een volk dat Mijn Naam niet aanriep: ‘Hier ben Ik, hier ben Ik‘. 
De ganse dag breidde Ik mijn armen uit naar een opstandig Volk, dat volgens eigen overleggingen wandelde op een weg, die niet goed is; een volk, dat Mij bestendig openlijk krenkt door te offeren in de hoven en offers te ontsteken op de tichelstenen; die in de graven zitten en op verborgen plaatsen overnachten; die vlees van zwijnen eten en in wier vaatwerk verfoeilijk voedsel is; Die zeggen: ‘Blijf daar, nader mij niet, want ik ben voor u ongenaakbaar. Dezen zijn een rook in mijn neus, een vuur dat de ganse dag brandt’. Zie, het staat voor Mij geschreven, Ik zal niet zwijgen, voordat Ik het vergolden heb; ja, Ik zal hun de vergelding in de schoot werpen. Voor jullie ongerechtigheden en de ongerechtigheden van jullie vaderen tezamen, zegt de Heer; omdat zij offers hebben ontstoken op de bergen, en op de heuvels Mij hebben gehoond, daarom zal Ik hun allereerst het loon in hun schoot toemeten.
Zo zegt de Heer: Zoals men, wanneer er nog sap in een druiventros gevonden wordt, zegt: Verderf hem niet, want er ligt een zegen in; zo zal Ik doen ter wille van Mijn dienaren/knechten, dat Ik niet alles zal verderven”. Isaiah 65:1-8
Dit zoeken is Vrucht van de eenzijdige Genadegaven, slechts het werk van God; het is het resultaat, ja, de Vrucht van Zijn zoeken. Door de Kracht van Zijn Liefde worden wij als de bruid uit het Hooglied tot Hem getrokken: “Ik zocht des nachts op mijn leger Hem Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide: Ik zal nu opstaan en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. De wachters die in de stad omgingen, vonden mij; ik zeide: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft? Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene die mij gebaard heeft”.  Hooglied 3:1-4

MP3 : “Ας προσευχή μου να οριστεί πριν Εσείς, ως θυμίαμα” – ” Laat mijn gebed opstijgen, als wierook voor Uw Aangezicht“, Psalm 140[141]

monnikenkoor Athos

Hier ontmoet je zulke zoekers; zijn we dan zo timide/verlegen om Gods Genadegaven, Zijn liefde en gezegende feestelijke grote intocht? Nee, dan kun je niet langer lijdelijk toezien; je wordt heilig actief; je gaat ijverig op zoek in je hart. Je gaat niet alleen zoeken, maar ook jubelt het ook uit, je stemt in overeenstemming met de dichter:        Heer, ik roep tot U: verhoor mij; verhoor de stem van mijn smeking. Wanneer ik tot U roep, verhoor mij, o Heer. Laat mijn gebed opstijgen, als wierook voor Uw Aangezicht. De opheffing mijner handen zij een avondoffer; verhoor mij, o Heer.  Stel, Heer, een wacht aan mijn mond: maak een gesloten deur van mijn lippen. Neig mijn hart niet tot slechte woorden, om met uitvluchten mijn zonden te verontschuldigen. Tezamen met mensen die goddeloosheid bedrijven; ik wil geen deel hebben aan hun lusten. Laat de rechtvaardige mij tuchtigen met erbarmen, dan zal hij mij van schuld overtuigen. Maar sta niet toe, dat mijn hoofd gezalfd wordt door olie van zondaars; mijn gebed verzet zich tegen hun lusten. Wanneer hun rechters vanaf de rots geworpen worden, zullen zij weten dat mijn woorden God aangenaam zijn. Want als aardkluiten over het land, zo zijn hun beenderen verstrooid bij het graf. Heer, op u zijn mijn ogen gericht; Heer, op U vertrouw ik: ontneem mij het leven niet. Bewaar mij voor de strik die zij tegen mij spannen, voor de struikelblokken der boosdoeners. Laat de zondaars in hun eigen net vallen; al ben ik alleen, toch ga ik Uw weg”. Psalm 140[141] vert ROK ’s-Gravenhage

Het ware zoeken gaat samen met roepen, smeken, dat doe je vanuit de nood; dat gaat gepaard met tranen. Je loopt tegen de troon van Gods Genade aan, als een waterstroom. Het is als bij een jong kind dat z’n moeder kwijt is; het schreeuwt om vader/moeder, in angst en paniek. Het kind in je is niet tot bedaren te brengen; eerst moet vader/moeder weer bij je zijn. Begrijp je het nu; hoor je jezelf – zie je het vóór je gebeuren?
Wat komt er van het zoeken terecht; waar zijn degenen, die de Heer aanroepen?

-de rijke en de arme lazaros-

Vindt dit niet plaats vanuit de grootste nood, opdat we onze diepe verlorenheid aanvaard willen worden? Of weten we nog steeds niet uit welke nood en dood we verlost dienen te worden. Daarom vindt dit aanroepen vanuit de diepten van ons ellendige hart tot God, tot onze Vader, Die alleen Heil[iging] kan en wil zenden. God roept ons vanuit de hemelen toe: Zoekt de Heer terwijl Hij [nog] te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is, straks is het misschien te laat en kan dat niet meer. Straks blijft ons alleen de arme Lazaros over, die wij kunnen aanroepen om onze dorst te lessen en onze nazaten te waarschuwen voor de goede weg in te slaan. Dit zoeken van de Heer en het Hem aanroepen wordt eveneens gekenmerkt door ons verlaten voelen op de goddeloze weg. De goddeloze heeft Gods weg verlaten en de ongerechtige mens zijn gedachten; en hij dient zich tot de Heer te bekeren.  Wij bevinden ons allemaal op zo’n weg, want we zijn allemaal zondaars, niemand uitgezonderd. Diep ingrijpend is dat ons aller levensweg een doodlopende weg is. Nodig is dat je daaraan wordt herinnerd, opdat je het ontdekt. En wanneer dat gebeurt is, komt je er achter: “mijn weg is een weg zonder God [= zonde], zonder hoop en zonder Jezus Christus geweest. De rust wordt u ontnomen, het wordt tijd je van de wereld te distantiëren; je terug te trekken in je stille hoek – in de stilte van je hart en je gaat God zoeken, Die op de rand van je hart wacht. Hij wacht op je op de rand van de bron, zoals bij de Samaritaanse. Je roept Hem aan bij dag en bij nacht, want je verlangt ernaar met de zonde, met het leven zonder God te breken. Het zou immers je dood betekenen, daarom verlaat je jouw goddeloze, heilloze weg.

Waarom? Omdat je zonden scheiding veroorzaken tussen God en je ziel; jouw zonden beledigen God’s Almacht, Zijn grenzeloze Liefde voor jou als Zijn kind. Het is jouw verlangen om Hem lief te hebben; omdat Hij de mensen lief heeft, is Hij het ontzagwekkend waard.
Het vervult je met diepe smart dat daar niets van terechtkomt; hoewel je telkens weer opnieuw probeert om de zonden met wortel en tak uit te roeien, kom je er achter dat het van jouw kant hopeloos is; zelfs je gedachten getuigen tegen je. Ze veroordelen u tot in het diepste van je bestaan toe. Alles wat je als vanzelfsprekend beschouwt, zelfs je gedachtewereld, is één en al ongerechtigheid. Daarmee hang je er maar verloren bij, maar gá je ook verloren?
En op dat ogenblik  begrijp je de Psalmist, David, de man naar Gods hart:
Schep in mij een rein hart, o God, en vernieuw in m’n binnenste een reine geest
Psalm 50[51]: 12.  
De goddeloze verlaat zijn weg, en de ongerechtige mens zijn gedachten; en hij bekeert zich tot de Heer, Die “ in welwillendheid aan Sion; de muren van Jerusalem weer opgebouwd laat worden”. Daar ontmoet je de waarachtige bekering; dat is een inkeren tot jezelf, een afkeren van de zonden en een terugkeer tot de Heer. Van nature sta je met de rug naar God toe; je bewandelt een weg steeds verder bij God vandaan. Maar als Gods Geest uw hart vernieuwt, dan wordt u omgekeerd. Hij draait je honderdtachtig graden om en jij hervindt daarmee je oorspronkelijke staat en komt daarmee weer met je gezicht naar God toe te staan. je bent omgekeerd.
        Dan zal Ik [de Heer, onze God] de volken andere, reine lippen geven, opdat zij allen de Naam des Heren aanroepen; opdat zij Hem dienen met eenparige schouder. 
Van gene zijde van de rivieren van Ethiopië zullen Mijn aanbidders, Mijn verstrooiden, Mijn offer brengen. Te dien dage zult jullie je u niet behoeven te schamen over al de daden waarmee je tegen Mij hebt overtreden, want dan zal Ik uit uw midden uw hoogmoedig juichenden verwijderen. En voortaan zult gij niet meer overmoedig zijn op mijn heilige berg. En Ik zal in uw midden overlaten een ellendig en gering volk, en wie schuilen bij de Naam des Heren. Het overblijfsel van Israël [de Kerk] zal geen onrecht doen noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden, want zij zullen weiden en neerliggen, zonder dat iemand hen verschrikt.
       Jubel, dochter van Sion; juich, Israël [Kerk]; verheug u en wees vrolijk van ganser harte, dochter van Jeruzalem!  De Heer heeft uw gerichten weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd. De Koning van Israel [de Kerk], de Heer, is in uw midden; gij zult geen kwaad meer vrezen. Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, Sion, laten uw handen niet slap worden. De Heer, uw God, is in uw midden, een Held, Die verlost. Hij zal Zich over jullie met vreugde verblijden; Hij zal zwijgen in Zijn Liefde; Hij zal over jullie juichen met gejubel. Wie bedroefd zijn, ver van de feestvergadering, zal Ik samenbrengen; zij behoren toch bij jullie. Als een last drukt de smaad op hen”. Sefanja 3: 9-18
Christus is in ons midden, Hij is en zal zijn!”.

Zondag van de terugkeer van de verloren zoon

En Christus sprak de volgende gelijkenis en zei:

de terugkeer van ‘de verloren zoon‘ – Bartolome Esteban Murillo 1670 – National gallery Washington USA

Iemand had twee zonen.
De jongste van hen zeide tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van ons vermogen, dat mij toekomt. En de vader verdeelde zijn bezit onder hen. 
En weinige dagen later maakte de jongste zoon alles te gelde en ging op reis naar een ver land, waar hij zijn vermogen verkwistte in een leven van overdaad.
Toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. 
En hij trok er op uit en drong zich op aan een van de burgers van dat land en die zond hem naar het veld om zijn varkens te hoeden. En hij begeerde zijn buik te vullen met de schillen, die de varkens aten, doch niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot zichzelf en zei: Hoeveel dagloners 
van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners.
     En hij stond op en keerde naar zijn vader terug. En toen hij nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen. En hij liep hem tegemoet viel hem om de hals en kuste hem. 
En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten.
     Maar de vader zeide tot zijn slaven: Brengt vlug het beste kleed hier en trekt het hem aan en doet hem een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten. En haalt het gemeste kalf en slacht het, en laten wij een feestmaal hebben, want mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen feest te vieren.     Zijn oudste zoon was op het land, en toen hij dicht bij huis kwam, hoorde hij muziek en dans. En hij riep een van de knechts tot zich en vroeg, wat er te doen was. Deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel terug heeft. Maar hij werd boos en wilde niet naar binnen gaan.
     Toen kwam zijn vader naar buiten en drong bij hem aan. Maar hij antwoordde en zeide tot zijn vader: Zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst en nooit heb ik uw gebod overtreden, maar mij hebt gij nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Doch nu die zoon van u gekomen is, die uw bezit heeft opgemaakt met slechte vrouwen, hebt gij voor hem het gemeste kalf laten slachten.
     Doch hij zei tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is het uwe.
Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn, want uw broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden”.
Luc.15: 11-32

‘Ik zal me door niets laten knechten’

    Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is nuttig.
      Alles is mij geoorloofd maar ik zal mij door niets laten knechten.
Het voedsel is voor de maag en de maag voor het voedsel, en God zal zowel het een als het ander teniet doen. Maar het lichaam is niet voor de ontucht, doch voor de Heer, en de Heer voor het lichaam. God heeft niet alleen de Heer opgewekt, maar zal ook ons opwekken door zijn kracht.
     Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan leden van Christus wegnemen om er leden van een ontuchtige van te maken? Volstrekt niet!  Of weet gij niet, dat wie zich aan een ontuchtige hecht, een lichaam [met hem/haar] is? Want, zegt Hij, die twee zullen tot een vlees zijn.
     Maar die zich aan de Heer hecht, is een geest [met Hem]. Vlucht voor de ontucht. Elke andere zonde, die een mens doet, gaat buiten zijn eigen lichaam om. Maar door ontucht bezondigt men zich aan zijn eigen lichaam.
      Of weet gij niet, dat uw lichaam een Tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt? Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam”.
1Cor.6: 12-20

    De christelijke Gemeenschap wordt aan alle kanten aangevallen en vaak zien – wijzelf als gelovigen – dit niet meer, want het gaat allemaal zo sluipend, dat wij ons er niet druk om kunnen en vaak niet willen maken. De ene na de andere ketterij sluipt ongemerkt kerken en gemeenschappen binnen, het lijkt allemaal ‘prachtig‘ en wel aardig te gaan, maar zoals meestal zit het venijn in de staart.     Daarnaast leven wij mensen, óók een christen, in een hectische maatschappij waar alles steeds sneller dient te moeten gaan, elk mens claimt rechten op geld en goed en o, wee, als iemand aan ons “ego-tje” komt. En de gelovige schijnt ook niet te ontkomen aan de waanzin van de maatschappij want of we willen of niet, in bepaalde opzichten gaan wij met z’n allen in deze ontwikkeling mee.
Terwijl we geacht worden ons met Christus bekleed te hebben en ons dus anders dienen te oriënteren: “ Jullie hebben toch van Christus gehoord en zijn in Hem onderwezen, zoals dit de Waarheid is in God, dat jullie, wat je vroegere wandel betreft, de oude mens hebt afgelegd, die tot verderf leidt, naar zijn misleidende begeerten, dat je verjongd wordt door de geest van uw denken en de nieuwe mens aandoet, die naar [de Wil van] God is geschapen in waarachtige gerechtigheid en heiligheid”.
Eph.4: 20

elkaar in de gaten houden

Voorheen was de onderlinge sociale controle veel groter, ook binnen de kerken hield men elkaar -zoals je dat noemt – in de gaten en daardoor waren de uitwassen kleiner. In onze dagen is het individualisme tot norm verheven, de mens staat centraal, zélfs in het geloofsleven.
Familieleden, die met mistoestanden geconfronteerd worden, reageren met: “nou doet ie ’t weer!” en zwijgen, om de reputatie niet te beschadigen. Steeds vaker gaat het ons om de bevrediging van onze verlangens, of dit nu tijdens samenkomsten is of iets anders.
Wij volgelingen van Christus stellen ‘ons zelf’ steeds meer centraal, net zoals in bovenstaande verloren zoon. Wanneer wij de wereld om ons heen met ons menselijk verstand zouden willen begrijpen komen we er niet meer uit, blijven veel zaken een raadsel voor ons. Ik vraag mij bijvoorbeeld vaak af waarom onze Heer bepaalde zaken maar laat voortwoekeren en waarom er nog volgelingen zijn, die daar blind mee meegaan.
Tevens vraag ik me de laatste jaren af waarom de ene mens moet lijden onder ziekten en kwalen, terwijl een ander schijnbaar kan doorgaan en zich van God noch gebod iets aantrekt en vrolijk zijn verdorven leventje voortzet. Paulus geeft hier enigszins een antwoord op:
Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben”.
1Cor.13: 12

Het volle zicht op ‘het Woord‘ nog niet verkregen

Wat ons hiermee voorgeschoteld wordt wil zeggen dat we het volle zicht op, het Woord van de Heer – ‘Zijn’ doen en laten met de wereld nog niet verkregen hebben. Voor ons is alles troebel en even moeilijk te zien zoals het gezicht van een mens eeuwen geleden slechts te zien was in de weerspiegeling van het water. Bekend is hieromtrent de Griekse mythe over Narcissus, een man, die het ‘zo’ goed met zichzelf getroffen had, ‘zo’ vervuld van eigenliefde dat hij wegkwijnde voor zijn spiegelbeeld tot de dood erop volgde. Nog steeds wordt deze benaming gebruikt voor een mens die zich verheven voelt boven zijn naasten [en God]. In de tijd van Paulus waren de spiegels nog niet van glas, maar nam men een stuk koper dat werd gedreven tot een plaat en daarna glimmend werd gepoetst.       In dergelijke spiegels kon je de contouren van het gezicht wel zien maar details van het gezicht bleven wazig en vervormd door de oneffenheden van het uitgeklopte metaal en de beperkte spiegeling van het materiaal.
Hier wijst Paulus dus op met de opmerking: “Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen”. 
Zo vergaat het ook ons tijdens het leven op aarde, wij hebben tot op zekere hoogte zicht op de Goddelijke zaken en Gods overwegingen. Onze menselijke overwegingen blijven echter beperkt tot een bepaald niveau door ons menselijk denken en onze beperkte waarneming. We weten dat de Heer alle dingen ten goede doet komen maar het uiteindelijke resultaat zien we nog niet. In lastige en moeilijke omstandigheden begrijpen wij vaak niet welke weg de Heer met ons op wil  en wordt het ons vaak te veel. We strekken onze handen ten Hemel en meten de Heer aan ónze normen, wensen en verlangens, maar is het niet zo dat wij Zijn wegen moeten volgen?

Laten wij eens kijken naar de bruiloft te Cana. De Theotokos, Gods Moeder, wilde dat de Heer zou ingrijpen toen er geen wijn meer voorradig was, maar wat was Gods reactie:
En toen er gebrek aan wijn kwam, zei de moeder van Jezus tot Hem: ‘Zij hebben geen wijn’. En de Heer en Verlosser zei tot haar: ‘Vrouw, wat heb Ik met u van doen? Mijn uur is nog niet gekomen’”.
John.2: 3-4      Dat hadden wij eens tegen ons moeder moeten zeggen, zij had dit beslist niet leuk gevonden, maar de Moeder Gods wist dat haar zoon en God en mens was, waarop zij  alles in haar hart bewaarde.
Wij aardgebonden mensen verwachten in onze kleinmenselijkheid een oplossing of genezing zoals wij het ‘zelf’ in gedachten hebben. Het komt voor dat wij als Christus’ volgelingen veel en lang bidden teneinde een oplossing af-te-dwingen voor bepaalde problemen of genezing van een ziekte of chronische kwaal. En wanneer de verhoring van de gebeden uitblijft, hoe is onze gesteldheid dan? Zijn wij overtuigd van de oplossing van de ‘Genezer en Verlosser’ zoals Maria dit verwachtte? Verlangen wij dan dat de hulp van de Heer komt en Zijn oplossing de beste oplossing is zoals de Moeder Gods dit schijnbaar had begrepen? Maria zei namelijk tegen de bedienden: “Wat Hij u ook zegt, doet dat!
John.2: 5   Maria zorgde er tegelijk voor dat het personeel klaar stond, dat er ruimte kwam voor een wonder, een wonder zoals Christus het wilde! De tijd zal het ook ons leren, óók als wij denken dat onze gebeden niet door de Christus, onze God gehoord worden. Op dit moment zien we nog in spiegels, in raadsels, maar straks zullen we alles in haar volle waarde, en in het volle licht.
Daarom begrijpen wij vaak de volle omvang van de grootheid van onze Heer en zaligmaker niet. Wél hebben wij het Licht van de Heilige Geest ontvangen maar vanwege ‘onze gebroken situatie’ – waarin de oude mens nog al wel eens opspeelt – wordt er aan het Levend Woord veel helderheid ontnomen.

Zie, Ik maak alle dingen nieuw . . .

      De verhouding en het onderscheid tussen Israël en de christelijke gemeenschap hebben onze voorvaderen, de kerkvaders ook bestudeerd en daar  mogen wij ons voordeel mee doen. Zo werd er door hen vaak gezegd dat Israël onze oudere broeder is. Dit is ook zo want Israël wordt door de Heer de eerst geboren zoon genoemd:
Dan zult gij tot Farao zeggen: Zo zegt de Heer: Israel is Mijn eerstgeboren zoon; Daarom zeg Ik u: laat mijn zoon gaan, opdat hij Mij zal dienen; zoudt gij echter weigeren hem te laten gaan, dan zal Ik uw eerstgeboren zoon doden”.
Ex.4:22-23  Dat betekent tegelijkertijd wél dat wij christenen de jongste broer zijn.  Laten wij de gelijkenis van de “verloren zoon” eens als type, een voorbeeld, bekijken in de verhouding tussen, zowel Israël, als ook de christelijke gemeenschap en de Heer, onze God.
     Wij beginnen met de jongste zoon als type van de christelijke gemeenschap en hoe het daarmee is gegaan, vinden wij als beeld: ‘De jongste zoon eiste zijn rechtmatig deel van de erfenis op zoals dat in die tijd de gewoonte was’.
Als wij naar Handelingen 2 kijken zien wij dat er niet alleen inwoners uit Israël-‘zelf’ aanwezig waren op dat moment, maar óók Joden uit andere landen waren opgetrokken naar de Tempel. Het waren Joden, of nakomelingen van Joden, die in den vreemde een nieuw bestaan hadden opgebouwd.
          In feite hadden beide zonen, Israël en de heidenen, het zicht op de ”Vader der Eeuwigheid” verloren, de oudste omdat hij de beloofde Messias niet accepteren wilde en de jongste die vol goede moed en met de beste bedoelingen op weg ging maar jammerlijk faalde omdat de wereld greep op “hem” [de Christelijke Gemeenschap] kreeg. Uiteindelijk zien we hoe de Vader Zijn jongste zoon [de Christelijke volgelingen], bestaande uit Joden en heidenen die wilden luisteren, weer in de armen sluit, zoals we dit ook vandaag in de gelijkenis zien.
De Christelijke Gemeenschap, de jongste zoon, van onze tijd dient  opnieuw – net als Filippus in Johannes 14:9 – te ontdekken dat  die Mij [de christelijke weg, de Waarheid en het Leven] heeft gezien, heeft de Vader gezien”.

de oudste zoon

     De oudste zoon, Israël, moet hier echter niets van hebben en besluit daarom niet aan het feest, het leven als volgeling van Christus, in het Nieuwe verbond, deel te nemen. De oudste zoon riep een knecht tot zich en vroeg wat er in het huis aan de hand was.
In de oudste zoon zien wij een type van Israël, hij zei b.v. “Zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst”, blijkbaar was het voor hem “een moeten’ werken” voor zijn vader en zag hij helemaal niet dat later alles voor hem persoonlijk ten goede zou komen. De wet ging ook uit van “moeten”, “doe dit en gij zult leven”. Dóór de wet, en dan vooral de uitlegging daarvan, én vooral vanwege de nadruk op die uitleg, is het zicht op het Nieuwe verbond verduisterd.
     Bij de oudste zoon, Israël, van de gelijkenis dit nog steeds het geval, Israël beseft niet wat “Genade” in kan houden. Het Nieuwe Verbond betekent een stralende toekomst bij de Heer, Jezus Christus, de Zoon van God. Mensen die in Hem gestorven zijn zullen -zoals beloofd- Opstaan en de wedergeboren Christenen die op dat moment op aarde leven zullen totaal veranderd worden.  De christelijke Gemeenschap zal in z’n geheel haar Heer tegemoet gaan in de lucht. “In zijn geheel” wil zeggen dat overledenen, die de Heer Jezus als Heiland en Heer tijdens hun aardse leven aangenomen hebben, samen met de op dat moment levende gelovigen die grote dag mee zullen maken. Dit zegt het Woord des Heren ons:
      Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet 
bedroefd zijt, zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zo hen, die ontslapen zijn, door Jezus weder-brengen met Hem. Want dit zeggen wij u met een Woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst van de Heer, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Heer zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het klinken van een bazuin Gods, neerdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan;  daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Heer tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met de Heer wezen.
Vermaant elkander dus met deze woorden”.
1Thess.4: 13-18

        Veel wijst er op dat wij op dit moment héél dicht bij die grote dag én daarmee aan het einde van het Genade-tijdperk leven. Natuurlijk kan ik dit niet met zekerheid zeggen, maar wèl weet ik dat wij dagelijks de voortekenen in de nieuwsberichten voorgeschoteld krijgen. Nadat de christelijke Gemeenschap is weggenomen zal er een periode van verdrukking, natuurrampen en andere onverklaarbare zaken aanbreken zoals er nog niet eerder is geweest. Persoonlijk heb ik het vermoeden dat wij heel dicht bij die geprofeteerde tijd aangekomen   zijn. Tegelijkertijd zien wij dat veel zich christen noemende mensen totaal geen zicht meer hebben op de tekenen van deze tijd. Ze zijn opnieuw naar de weiden getrokken waar de jongste zoon in het verleden de varkens moest hoeden. Veel gelovigen hebben de oproep van Petrus na de nederdaling van de Heilige Geest uit het oog verloren toen door zijn toespraak vanuit Jeruzalem het Woord des Heren uitging. Petrus riep de wereld op: “Bekeert u en een ieder van u zal zich laten dopen in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de Genadegave van de  Heilige Geest ontvangen”.
        Door de oproep tot bekering niet meer te leren raakte de jongste zoon [de Christelijke Gemeenschap], het zicht op de Blijde Boodschap [de Schrift] kwijt en verviel opnieuw in wereldse rituelen en leringen. Ze kwam geestelijk aan lager wal, was tevreden met een religie zonder de persoonlijke relatie met haar Heer en God.  Hierdoor is ook de christelijke gemeenschap weggezakt naar het modernisme, zo ver zelfs dat we het niet meer kunnen bevatten.
Vaak kijken wij beminde gelovigen met een scheef oog en een beetje trots naar de andere geloofsgemeenschappen, want bij “ons” zou zo iets niet voor komen. Maar als wij de ogen eens zouden openen zagen wij dat de afval en oppervlakkigheid heden-ten-dage gepraktiseerd wordt in christelijke gemeenten die jaren geleden nog bekend stonden om hun ware leer.
Moderne theologen ontkennen de Heer, onze God als “Persoon”, ze spreken liever over “een hogere macht, een kracht” of “de god in ons”, dit dragen ze ruiterlijk uit in woord, geschrift en daad.
     Er zijn óók orthodoxe godsdienstige leiders, die met een schijn van Godsvrucht, precies het hetzelfde praktiseren; maar zich verschuilen in prachtig verpakte mooie volzinnen. De gelovigen die dergelijke mensen volgen drijven van de Levende God af en zoeken ‘het goddelijke’ uiteindelijk alleen nog maar ‘in zichzelf’, vegen hun eigen straatje schoon, door zich – door een vast omringende groep, die met elkaar optrekken en elkaar helpen . . . . . voordeeltjes bezorgen – te laten bejubelen. De gemeenschap van Christus is ècht diep gezonken, New Age en andere uitwassen, waaraan hele organisaties aan worden opgehangen, komen stormende hand opzetten.
Wanneer de Heer Zelf niet zou ingrijpen, zouden vele gemeenschappen eveneens afglijden. De jongste zoon, de christelijke gemeenschap, is op vele plaatsen inderdaad opnieuw bij de onreine varkens in de leer. Wij kunnen ons langzamerhand afvragen of Christus gelijk had, toen Hij zei:
    Want er is niets verborgen, dat niet aan het licht zal komen, en niets geheim, dat niet bekend zal worden en aan het licht komen. Ziet dan toe, hoe gij hoort. Want wie heeft, hem zal gegeven worden, en wie niet heeft, ook wat hij meent te hebben, zal hem ontnomen worden”.
Luc. 8:17,18 en
    Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het Geloof vinden op aarde?”.
Luc.18: 8

      Wie de levende God heeft leren kennen, dient zich te verbazen en slechts z’n hart vast te houden. God vrezen betekent immers, dat wij ons tot in het stof voor Hem dienen te vernederen, omdat wij dagelijks tegen Hem zondigen in gedachte, woord en daad.
Òf heb je het nooit bij jezelf waargenomen: al dat egoïsme, die hoogmoed, harteloosheid en ongeloof die ons Gods oordeel dubbel en dwars waardig maken? “God is immers Rechter” – en wij dienen te buigen voor Zijn Gezag – “Hij vernedert de een en verheft de ander”. Psalm 74[75]: 8, maar er is bij Hem geen enkel moment sprake van willekeur.
Dat is Hij niet alleen in het straffen van het kwaad; Hij is het ook in het richten van de rechtszaak van ellendigen. Ja juist dààrin komt “Zijn heilig Recht als Heer” voor de dag, dat Hij rechtelozen, arme mensen die -hun deel in de Kerk- kwijt zijn, aan hun recht helpt. Hij komt op voor hen die geen helper hebben; Hij is de sterke arm van de hulpelozen, die niets meer hebben om op terug te vallen en die vrezen, dat zij overal buitengesloten worden.
Dat God een rechtvaardige Rechter is, bewijst Hij zelfs in de redding van goddelozen, die heel hun leven tegen hebben; Hij trekt Zich zelfs hùn lot aan? Soms denken zij, dat ook God hèn vergeten is . . . . .
     Wie ècht om God verlegen is geworden, roep dan dag en nacht zijn hulp in, ook al heb je de ogen niet gesloten en de handen niet gevouwen. In de gelijkenis van de vriend, die ’s-nachts het verzoek krijgt om wat brood te lenen gaat het om bidden.
Maar indien je God werkelijk nodig hebt, bidt dan met volharding. Ga er bij het gebed van uit dat je reeds verkregen hebt waar je om verzoekt en houdt er rekening mee dat God de grote Profeet Mozes 40 jaar lang het Beloofde heeft voorgehouden en deze tenslotte kenbaar gemaakt heeft:
Laat het genoeg zijn, spreek Mij niet meer over deze kwestie”.
Deut.3: 26
Vervolgens kreeg Mozes vanaf de hoogte van Pisga wel een ogenblik een prachtig uitzicht over geheel het Beloofde land te zien, maar mocht er uiteindelijk niet binnengaan.
     Stel je voor dat jij al de gruwelen van de komende eeuwen nog mee zouden moeten maken, we zouden dit op hoge leeftijd toch zeker niet meer aankunnen. Besef dan tevens dat God diezelfde Mozes eeuwen later toch -op-de berg-Thabor-  nog heeft laten aanschouwen, dat Hij Zijn belofte had waargemaakt en dat Hij Zijn Messias aan Zijn Volk heeft gegeven. Paulus zegt daarvan dat hem gezegd werd: “Mijn Genadegave is u genoeg” en daarop reageerde “Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht”, wat hebben wij nog méér nodig?
2Cor.12: 9
     Vergeet één ding dan niet, het liefste wat de Heer ons geeft, is toch wat Hij weg te geven heeft in Zijn geliefde Zoon. En wanneer aller ogen nu maar weer op Hem gericht mogen zijn, mag u het ook geloven, dat God ons zal geven wat wij voor het Leven in het Hemels Koninkrijk nodig zullen hebben. Zo gaat de Hemelse Vader nu eenmaal om met Zijn kinderen.

Apolytikion     tn4
Spoed U tot mij en open Uw vaderlijke armen;
mijn leven heb ik verkwist.
Doch zie slechts op de onuitputtelijke rijkdom Uw Barmhartigheid, o Verlosser,
veracht niet mijn hongerig hart.
Want vol berouw roep ik tot U:
Ik heb gezondigd, Vader,
tegen de hemel en tegen U
”.

Kondakion     tn3
Vol onbezonnenheid heb ik Uw Vaderlijke heerlijkheid weggeworpen,
en met zondaars heb ik de mij door U geschonken rijkdommen verkwist.
Daarom roep ik tot U het woord van de Verloren Zoon:
Tegen U heb ik gezondigd, barmhartige Vader,
neem mij aan nu ik boete doe,
en maak mij tot een van Uw loondienaren
”.

Orthodoxie & de voorvasten

Zonder de periode van de Vóór-vasten zou men geen enkele voorbereiding hebben op de vastenperiode. De overgang – zo kort na de Kerst, Theophanie en Ontmoeting – naar de Grote Vastentijd vraagt om een voorbereidingsperiode, zelfs vanuit een louter psychologisch standpunt bekeken. Er schuilt veel wijsheid in de traditie van de Kerk.

Sommige mensen verrichten hun taak, omdat zij dit als hun plicht beschouwen; anderen vertrekken pas nadat hen dit diverse malen duidelijk is gemaakt, opdat zij aldus een zuiver geweten wensen te behouden. Nu zijn er ook mensen, die vanwege hun eergevoel en tevredenheid het zo met zichzelf getroffen hebben dat zij hun post nimmer kunnen afstaan; terwijl anderen zich kost wat kost in-spannen, opdat er zal gebeuren wat ‘zij’ willen.  Waarachtig in Geloof vertrouwen op God en vastberaden vasthouden aan gestelde doelen zou wonderen kunnen doen.  Het echter gewoon schoonmaken van je eigen huis [cel, binnenste] is waar je dan dient te beginnen: het verzamelen van de puinhopen en het stof, de vloeren repareren, de muren en de ramen kuisen en vervolgens kun je op het einde van je leven vaststellen, dat je het ‘zelf’ misschien – nog niet eens zo slecht hebt gedaan – en aldus voor de levens-Rechter zal kunnen verschijnen”.
cf. heilige Johannes Climacos [van de Ladder]

    Neigt uw oor en komt tot Mij;
hoort, opdat uw ziel leve;
      Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten
”.
Isaiah 55: 3
Gods stem, die je innerlijke rust geeft, zal je via de Heilige Geest leiden, je verzekerdheid verschaffen, je in zware ogenblikken verlichten, met raad en troost bijstaan, je overtuigen dat je op de goede weg bent en je kalmeren.
De satan daarentegen strikt je in zijn web, dwingt je ‘je eigen zin’ door te drijven, alarmeert je regelmatig, zodat je verward raakt en je jezelf achtervolgt voelt, hij ontmoedigt je en maakt je dat je zorgen krijgt tot een obsessie aan toe en brengt je van Gods pad af.

Heilige Staretz Silouan, monnik van de Athosberg [1866-1936]

Door gebed, stilte en een ascetisch leven, zo mogelijk onder de begeleiding van een geestelijke vader [die zéér schaar zijn], leer je de verschillen in de stemmen in je binnenste te onderscheiden. Voorzichtigheid en gehoorzaamheid aan Gods geboden is altijd nodig. Wees daarom dankbaar voor de talenten, die je meegegeven zijn en bedenk tussen alle bedrijven door dat de wereld helemaal niet -zit te wachten en op de hoogte behoeft te zijn- van je goede werken; het is voldoende als je Vader in de Hemelen dit alles aanschouwt. Als christenen dienen we ons leven zo in te richten, dat we slechts lof en eer brengen aan Hem en mocht de wereld je dan toch eens voor het voetlicht stellen, verwijs dan naar Hem. Wanneer de wereld je toch een keertje op een voetstuk zet, verwijs dan naar je Schepper, want God heeft dit alles mogelijk gemaakt en de wereld dient Hem via jou te prijzen.
Er was eens iemand, die op een gedachte kwam en deze zonder meer aanvaarde; en een ander, die eveneens een voorstelling in de geest van iets kreeg en deze aan de Waarheid toetste; wie van deze twee heeft juist en met eerbied aan de Schepper gehandeld?  
Of de benadering van deze ingevingen van de geest nu goed of slecht benaderd worden, is waarachtig handelen afhankelijk van de mate waarin geduld opgebracht wordt en acceptatie van het feit dat het niet genoeg aandacht zou krijgen [ – de druk, die je ervaart – ]. Geef nimmer anderen de schuld van jouw tegenslagen, want wie iets goeds doet verwacht geen beloning, maar stelt zijn wil ondergeschikt aan die van God, terwijl een zondaar nimmer aan de vergelding kan ontsnappen dan door zich op passende wijze te bekeren van zijn overtreding”.
cf. heilige Marcus de Asceet

Aartsengel Michaël begeleidt de zielen naar het laatste oordeel, miniatuur

Het zal de komende weken van voorbereiding op het grote feest van Pasen wel een beetje meer moeite gaan kosten, maar een waarachtig christen draagt zijn kruis zonder te klagen. En wanneer je het idee krijgt dat jij iets bijzonders bent hou dan voor ogen dat je zonden en zwakheden nimmer . . . . . te rechtvaardigen zullen zijn, maar dat je ‘zelf‘ inziet hoe ‘jij‘ je  -in werkelijkheid-  gedraagt en wie ‘jij‘ voor God bent en vooral dat ‘je‘ je naaste liefhebt als jezelf.

Tradika, metten     tn.7 [horologion blz 97]
Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest“.

Tot de ontoegankelijk Godheid,
tot de Drievoudige Éénheid, zingen wij
steeds opnieuw het Trisagion van de Serafijnen en
roepen met ontzag:
Heilig, Heilig, Heilig, zijt Gij o God;
door de gebeden van al Uw heiligen,
ontferm U over ons“.

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen“.

Schud, evenals de slaap, de traagheid van u af, o ziel;
toon aan de Rechter uw ontwaken tot gerechtigheid,
en roep tot Hem in ontzag:
Heilig, Heilig, Heilig, zijt Gij, O God
door de gebeden van de Al-Heilige Moeder Gods,
ontferm U over ons“.