2e Zondag van Pascha, Thomaszondag – Antipascha – Beloken [besloten] Pasen

Thomaszondag [Αντίπασχα]

  Toen het dan avond was op die eerste dag van de week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zei tot hen: ‘Vrede zij u!’.
   En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Heer zagen. Jezus dan zei nogmaals tot hen: ‘Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik ook u’. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zei tot hen: ‘Ontvangt de Heilige Geest. Aan wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend’.
En Thomas, een der twaalven, genaamd Didymos [= tweeling], was niet met hen, toen Jezus daar kwam. De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben de Heer gezien! Maar hij zei tot hen: Indien ik in Zijn handen het teken van de nagelen niet zie  en mijn vinger niet steek in de plaats van de nagelen en mijn hand niet steek in Zijn zijde, zal ik geenszins geloven.
En na acht dagen waren Zijn discipelen weer in het huis en Thomas met hen. Jezus kwam, terwijl de deuren gesloten waren en Hij stond in hun midden en zei: ‘Vrede zij u!’. Daarna zei Hij tot Thomas: ‘Breng uw vinger hier en zie Mijn handen en breng uw hand en steek die in Mijn zijde en wees niet ongelovig, maar gelovig’.
Thomas antwoordde en zei tot Hem: ‘Mijn Heer en mijn God!’.
Jezus zei tot hem: ‘Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven’.
Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen van Zijn discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naamJohn.20: 19-31.

  En door de handen van de Apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het Volk; en zij waren allen eendrachtig bijeen in de zuilengang van Salomo. Doch van de anderen durfde niemand zich bij hen aansluiten, maar het Volk stelde hen hoog. En des te meer werden er toegevoegd, die de Heer geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen, zo zelfs, dat men de zieken op straat droeg en op bedden en matrassen legde opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen. En ook de menigte uit de steden rondom
Jeruzalem stroomde toe en bracht zieken en door onreine geesten gekwelden mee. En zij werden allen genezen.
     Maar de hogepriester stond op en allen, die met hem waren – de zogenaamde partij van de Sadduceeën – en zij werden vervuld met naijver, en zij sloegen de handen aan de apostelen en zetten hen in het huis van bewaring.
     Maar een engel des Heren opende des nachts de deuren van de gevangenis en leidde hen naar buiten en zei: Gaat heen, gaat in de tempel staan en spreekt tot het volk al deze woorden des levensHand.5: 12-20.

Christus geneest

Christus heeft het als Zoon van God, als geheel mens en geheel God, als Zijn tegenwoordigheid in de wereld, van groot belang geacht de morele waarden, mentaliteit en karakter, het leven en de dood dusdanig kenbaar te maken, dat de mens via z’n theologie, filosofie en literatuur Gods bedoelingen met de mens zou leren kennen. God heeft in Zijn oneindige Liefde en medemenselijkheid de wereld en de mens geschapen. Hij is God [goed] en is niets dan ‘Liefde’.  
”  De Liefde is uit God; en een- ieder, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is Liefde1John.4: 7. En … het door Mozes geredigeerde boek van Genesis presenteert de schepping van de mens. ”  En God zei: ‘Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte aan de hemel en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij henGen. 1: 26-27. Met andere woorden, iedere mens is geschapen naar Gods Beeld en Gelijkenis en draagt de Bron van de Goddelijke Liefde in zich [zijn leven] mee. 
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de verschillende delen van het Oude en het Nieuwe Testament hier brede bekendheid aan geven.
Gods verhaal is immers òns verhaal, de mens is daarmee verantwoordelijk z’n omgeving dusdanig in te richten dat de voor de hand liggende Goddelijke ontwikkeling werkelijkheid wordt en te werken aan het veranderen van z’n geestelijk karakter. 
Dit Verhaal is een verslag of weergave van gebeurtenissen, die zowel de mens als God aangaan. 
Dit doet ons allereerst denken aan de Goddelijke Genadegaven en in de tweede plaats aan de geestelijke en morele waarden, die indien deze door een mens worden opgevolgd naar God leiden, door Hem te volgen: God zorgt aldus voor de volmaakte mens en zal de mens zoveel mogelijk te ontdoen van z’n menselijke ongerechtigheden.
Hij heeft de mens slechts weinig beneden de engelen geplaatst; Hij heeft ons gekroond met Glorie en EerPsalm 8: 6.  Adam en Eva waren oorspronkelijk trouw en gehoorzaam aan God en leefden als product van Zijn hand in het aards Paradijs; zo werd Zijn Naam wonderbaar over heel de aarde.
Trek daarom allen de wereld in vanuit uw hart en spreekt tot het Volk om u heen al deze woorden des levens [van Gods Liefde tot de mensen] en een engel des Heren zal des nachts ook u de deuren van de gevangenis openen en u naar buiten leiden [vrijheid geven].
Wanneer onze ziel in God, z’n oorspronkelijke vrijheid probeert te zoeken, Hem tracht te gehoorzamen en zich naar ziel en lichaam bloot geeft en zich in nederigheid overgeeft aan de Schepper welgevallig te zijn zal het in overeenstemming met z’n bedoeling en in een toestand van rust doorbrengen.
Zijn harmonie en z’n evenwicht wordt echter verstoord als gevolg van de hoogmoed, de menselijke zonde, omdat de mens hierdoor God niet langer gehoorzaamheid verschuldigd is wordt zijn lichaam en ziel niet langer beschermd tegen de aanvallen van de tegenstrever op de oorspronkelijke Goddelijke bedoelingen. “ Niemand steekt een lamp aan en zet die in de kelder of onder de korenmaat, maar op de standaard, opdat wie binnentreden het licht zien. De lamp van het lichaam is uw oog. Indien dan uw oog zuiver is, is ook uw gehele lichaam verlicht, maar wanneer het slecht is, is ook uw lichaam duister. Zie dan toe, dat wat licht in u is niet duisternis zij. Indien dan uw lichaam geheel verlicht en geen deel duister is, zal het geheel verlicht zijn, evenals wanneer de lamp u met haar schijnsel verlichtLuc.11: 33-36.

“Christus is Verrezen/Opgestaan”

Zitten er twee koorleden na de Agape na afloop van de Paaswake met een kopje koffie en een glaasje met Baklava, Paasbrood en Pascha aan tafel, wordt er opgemerkt: “We zingen nu wel dat Christus is verrezen uit het graf [het waren Vlamingen in Nederland blijft men ‘Opgestaan’ verkondigen], maar als Christus had geweten hoe koud het op dit ogenblik is [het vriest buiten 5 graden], dan had Hij vast en zeker nog even gewacht.
Het is dit jaar helemaal geen weer voor Pasen
”.  
“Ja”, zegt de ander, “Dat zou best eens kunnen. Maar weet jij nou wat uit het graf verrezen betekent? Geloof je dat echt?”.
Dit is een doodernstige vraag voor koorleden en voor alle andere kerkgangers: ‘wéten we wàt we zingen en oprecht geloven wàt wij, christenen verkondigen!

Juist door daar niet te zijn – de rest van de apostelen was wel aanwezig en dus was er geen conciliaire eenheid – kan de als ongelovig aangeduide Thomas z’n medebroeders kritische vragen stellen! toch?
Daarin klinkt voor velen onder ons wel iets van afkeuring door. “Doe niet zo vervelend. Geloof het gewoon!”;  anderen herkennen zich in hem : “Die kritische Thomas is één van ons, één van ons broeders in Christus”.
Zijn ongeloof voor zomaar een bewering “Wij hebbende Heer gezien”, wekt ook verwondering, verwachting. Zijn ongeloof is geen gebrek aan Geloof in Jezus; zijn ongeloof betreft de kritiekloze Vreugde van de anderen.
Juist omdat Thomas zo intens geloofde in Jezus, op Hem zijn vertrouwen stelde, zoveel van Hem hield dat hij bereid was met Jezus te sterven . . . . . daarom heeft Thomas het er moeilijk mee wanneer er zo gemakkelijk “Alleluja” – “Hij heeft ons het Leven geschonken” en “Christus is Verrezen [Opgestaan]”, gezongen en ” Hij is waarlijk Verrezen [Opgestaan] uitgeroepen wordt.
Jezus is toch een smadelijke dood gestorven; ze hebben Christus toch “allemaal” – ook Thomas zelf –  in de steek gelaten. De vrouwen hebben Hem in een graf gelegd en iedereen is teruggegaan naar huis. En daar zitten ze als bange wezels bij elkaar in de bovenzaal en Thomas is waarschijnlijk een boodschap doen in de winkel, die met het hoogfeest van Pasen nog open is [waarschijnlijk van een andere gezindte].  Wat de Joodse leiders Jezus hebben aangedaan, zouden ze dat ook hen niet kunnen aandoen?  Leerling van Jezus zijn is en blijft tenslotte gevaarlijk, je wordt voor afwijkend versleten.
Thomas weet van het gevaar en Hij weet van het kruis van Jezus: “Als de Heer zich te zien geeft dan wil ik zijn wonden kunnen betasten, mijn hand in zijn doorboorde hartstreek leggen. Dan zal ik Hem geloven. Voor die Heer heb ik mijn leven over”. 
Vraagt Thomas hier dan te veel? Had hij niet beter met de anderen in de vreugde kunnen delen? Thomas tast hier het geloven van de anderen af.
Weet je zeker dat de Heer, Die jullie gezien hebben, ook de Gekruisigde is?
De vreugde van Pasen mag het verdriet om Goede Vrijdag niet verdringen!
Deze Thomas ontnuchtert de andere apostelen èn Christus volgelingen, door hem gaan ze zichzelf eveneens vragen stellen. Thomas vraagt het óók aan ons, want Christus verhaal is ook ons verhaal: “Geloof je wat je daar staat te zingen?”.

Geloven betekent voor Thomas niet “voor wáárachtig aannemen”, maar “je overgeven en toevertrouwen aan Iemand, Die voortaan jouw leven zal bepalen”.
Is dàt ook voor òns de betekenis van geloven?

Acht dagen later zijn de twaalf, net als wij hier compleet en als gemeenschap bijeen. Thomas is er ook; ook op deze dag verschijnt de Heer in hun midden.
Jezus nodigt Thomas èn ons uit: “Breng uw vinger hier en zie Mijn handen en breng uw hand en steek die in Mijn zijde [Mijn Hartstreek], en wees niet ongelovig, maar gelovig”.  Thomas roept uit: “Mijn Heer en mijn God”. “Ik geef mij aan U gewonnen. Ik geloof in U”.
Deze kortste Geloofsbelijdenis is het fundament van elke andere getuigenis.
Door deze woorden wordt het getuigenis van de twaalf volledig. Nu de Gekruisigde en de Verrezene één zijn, wordt het geloofwaardig en betrouwbaar dat God in Jezus Zijn Levenschenkende Tegenwoordigheid schenkt.
Thomas wordt als twijfelende en tastende zoekende gelovige de eerste die door Jezus gebracht wordt tot het Geloof in de Verrijzenis/Opstanding: “Mijn Heer en mijn God”.
Er staat niet dat Thomas op Jezus toeloopt en Hem aanraakt. Thomas raakt Jezus niet aan als zou Jezus een uit de dood teruggekeerd lichaam hebben; zo iets als een levend lijk. De aardse Jezus laat Zich op een heel nieuwe manier ontmoeten. Hij is ook geen geest, geen denkbeeld in de hoofden en de harten van de apostelen zoals zij misschien voor de eerste keer de Heer zagen.
Thomas is de eerste die inziet dat Jezus op een volstrekt Nieuwe Wijze aanwezig is: een mens in Wie Gods Liefde, Licht en Warmte zichtbaar, tastbaar en ervaarbaar wordt. Terwijl Thomas een ‘echt’ mens aanschouwt, verkondigt hij met luide stem de God, Die hij niet kan/kon zien.

Waarom zouden we nog wachten, mijn vrienden, tot er opnieuw slechte tijden [crises] komen? Onze Vader, uw en Mijn Vader heeft u allen lief, ook waar jullie Hem nog niet liefhebben.  Jullie Hemelse Vader wacht op jullie, Hij komt je tegemoet, ook waar je nog niet aan volledig geloven toe bent nog geen antwoord hebt kunnen vinden op Zijn Liefde.
‘”Zie, Ik sta hier voor jullie, leg je hand in Mijn hartstreek en herken dat Ik jullie de Liefde van God verkondig. Ach, waarom grijpen jullie die Liefde niet aan? Kunnen jullie niet geloven? Als je eens wist, hoe Lief Ik, als Zijn Zoon, u allen heb, indien jullie zien konden, hoe Mijn hart overstroomt van Liefde, als een niet aflatende bron – jullie zouden iets kunnen begrijpen van de oneindige tederheid van God . . . . . Waarom grijpen jullie deze Zaligheid niet, Die je wordt aangeboden? Laat los je zelfzucht, laat los je zonden, laat je twijfel, laat je droefheid los. Ik weet heus wel, dat jullie allen bedroefd zijn, Ik zie wel dat de wereld jullie geen vreugde geeft. Ik heb het immers zelf, aan den lijve ondervonden, gekend, de moeheid, de bitterheid, de eenzaamheid van een mensenziel zonder God. Ik weet hoe daar geen vrede woont in uw hart…”.
Hij glimlachte als de Énige, Die alle aardse, menselijke smart gekend en overwonnen heeft en nu weet, dat al het leed van de wereld niets waard is dan slechts een glimlach, een glimlach van medelijden. Gods hart wat Zich bedroeft over onze droefheid.

Voorheen heb ik mezelf ook over m’n smarten bedroefd, vroeger toen ik Jezus Christus, als Heer en Meester van mijn leven, nog niet kende en Zijn vrede nog ‘niet’ gevonden had. Ja, ik weet best wat het is, eenzaam te zijn in de wereld, – alleen, verlaten, miskend, en ik ken dat onduldbaar verdriet, die rusteloze strijd van onvervulde wensen, uitgestelde hoop.
Ik weet, wat het betekent, je vrienden, ja zelfs het Liefste op aarde te verliezen, teleurgesteld te worden in datgene, waarop we ons aardse vertrouwen hadden gesteld . . . . .
Maar ik ben gegaan tot de Mensenvriend, die nooit teleurstelt, ik vond het Hart van de wereld, Dat altijd liefheeft met een onuitputtelijke, onveranderlijke Liefde, Dat me liefheeft, Dat me heeft, nog éér ik Hem zocht . . . . .
Ik vond Hem, Die mijn leven maakt tot een lofzang van dankbare liefde, Hem, mijn Heiland, mijn Koning,  Mensenvriend, Jezus Christus . . . . .
Indien ik ooit heb gezegd, dat ik gelukkig was – het bleek een leugen.
Indien ik door het leven ben/heb rondgelopen met opgeheven hoofd, alsof ik niet moe, niet eenzaam, niet onbegrepen was – het was een leugen, God . . . geloof het niet …
Och we weten immers beiden wel beter. Gij weet hoe zwak ik ben, hoe klein, – veel te klein, om alleen te blijven in deze oneindige wereld . . . . . hoe ook ik hunker naar de liefde van mensen.
Maar ik zal U dat nooit toegeven God, ik zal het nooit erkennen, ik zal door het leven, alsof alles juist zó door mij besteld, zó door mij beschikt was . . . . .
en toch . . . toch God . . . we weten beiden samen wel beter . . . . .

Christus is verrezen/opgestaan;
Hij is waarlijk verrezen/opgestaan en
Hij heeft ons het Leven gegeven,
wij vereren Hem op de derde dag
”.

De vraag blijft: “Gelooft u dit zelf ook?”.

Apolytikion     tn.7
Nadat de steen verzegeld was, o Christus onze God, zijt Gij, het Leven opgegaan uit het graf,
en bij gesloten deuren stond Gij temidden van Uw Leerlingen, als de Opstanding van het heelal,
om door hen in ons de rechte geest te vernieuwen,
volgens Uw grote Barmhartigheid
”.

Kondakion     tn.8
Met zijn nieuwsgierige hand o Christius, onze God,
noch Thomas Uw levenbrengende  zijde betasten,
hoewel Gij binnengetreden wa door gesloten deuren.
Daarom riep hij tot U, tezamen met de andere Apostelen:
Gij zijt mijn Heer en mijn God
”.

Orthodoxie, het hoogfeest van Pascha en de wereldse benadering

Aangezicht van hedendaags Jeruzalem

Vanuit menselijk [aards] gezichtsveld is de grote en heilige week, welke met ‘Lazarus’- zaterdag en Palmzondag begint een religieus spektakel, waarbij los van dat er iets opzienbarends plaatsvindt, totaal geen sprake is van lawaai, drukte en herrie. Alle christenen vieren Pasen dit jaar samen in Griekenland en Cyprus het religieuze spektakel ‘Pasen’ zo propageert ‘domradio’ dit feest van verstilling en de bewust wording [26-3-2017, https://www.domradio.de/themen/ostern/2017-03-26/die-domradiode-osteraktion].
Het is de ‘hemel’ op z’n kop, gezien vanuit een behoefte tot sensatie.
Hoe kun je de stilte van het graf en de Opstanding, die -hier en nu- in de Blijde Boodschap verkondigd wordt, verwoorden met de uiterlijkheden, die voor de buitenstander waarneembaar zijn; dan sla je toch de plank toch volkomen mis!
Je kunt inderdaad verslag doen van de de diensten van de komende week en hier een uiterlijk verslag van doen, maar wat er werkelijk plaatsvindt, is datgene wat innerlijk beleefd wordt. 
Het christelijke Pasen wordt dit jaar inderdaad door alle christelijke gelederen gelijktijdig gevierd en dat is tevens bijzonder omdat onze kinderen hierdoor de eenheid van de Kerk in de wereld kunnen ervaren; maar die eenheid bestaat al in de verscheidenheid, dat we iedere zondag de Opstanding van onze Heer en Verlosser bezingen en daardoor als gespleten Kerkgenootschappen God de eer toebrengen, die alleen Hem toekomt.

Op Lazaruszaterdag wordt onze grootste vijand -de dood- als niet te doorgronden fenomeen van zijn omhulsel ontdaan. Palmzondag verkondigt [net als iedere zondag] de betekenis van de overwinning op de dood, als een triomf van het Koninkrijk van God. De [christelijke] wereld viert op [Palm-]zondag het feit dat onze Heer Jezus Christus als onze enige Koning van het heelal wordt erkend/aanvaard. Wij vieren dat Christus, als Zoon van God, door de Heilige Geest uit de maagd Maria werd geboren en dat God Zich openbaart – uitdrukking geeft van Zijn menswording.
God is niet ‘iets’ wat vèr weg is, vèr van ons verwijderd ergens in de lucht, afgelegen en ontoegankelijk. Maar God is ons nabij gekomen, zo dichtbij als dat Hij een van ons is geworden.
Dat is wat werkelijk gevierd wordt – het feit dat God ons nabij is – op de rand van ons hart – en met ons meeleeft, sterft en naar de Opstanding groeit. Dit is geen spektakel, dit is een Godswonder – een voor de mens haast niet te begrijpen fenomeen.
De apostel Paulus verwoordt dit als volgt:
    Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet: zij, die in het vlees zijn, kunnen aan God geen genoegen doen. [-God bezit immers alles al-] 
Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. 
Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woontRom.8: 7-11.

Apostel Paulus
απόστολος Παύλος
الرسول بولس

Paulus wijst ons hier op een ongezonde scheiding tussen vlees en geest; het hele punt van de incarnatie is dat er een verkeerd onderscheid wordt gemaakt. Ten opzichte van onze lichamelijke  aangelegenheden is ‘de kwaliteit van leven’ van elke persoon van belang, omdat het lichamelijk welzijn door de dood wordt aangetast. Het welzijn van de gehele mens, zowel lichamelijk als geestelijk is voor God van belang en daarom heeft Hij om ons de Blijde Boodschap te verkondigen, als God het mens-’zijn’ op Zich genomen; is mens geworden.
Graaf je echter wat dieper, en dat is wat Paulus ons hier tevens voorhoudt, dan heeft Paulus het er over dat de mens zijn leven dusdanig indeelt – dat deze slechts naar het vlees [de aardse, wereldse manier] leeft en niet overeenkomstig de Geest [ de weg naar God]. Dat is ook de reden waarom ik over het woord spektakel val – hier wordt dit fenomeen op journalistieke [wereldse] wijze onrecht aangedaan. De krachten van deze wereld oefenen onafgebroken druk op ons uit om te voldoen aan de waarden, die de wereld -ook de Kerk- ons opleggen. Vraag daarom God om de geest in deze wereld te vernieuwen en laten we de komende periode bidden voor degenen voor wie dit hoogstnoodzakelijk blijkt te zijn.
We hebben allemaal een roeping om iets van de goedheid van God aan de anderen in de wereld te laten zien, – doe dat dan ook volledig -, opdat de wereld werkelijk Gods Liefde en Licht mag aanschouwen; het ondoorgrondelijk Licht van de nog nooit werkelijk aanschouwde God.

Orthodoxie & geestelijke ontwikkeling [1]

kloostertoren Athos

De kunst van het inrichten van een religieus leven vindt z’n fundament in het leggen van de menselijke relatie met het Goddelijke, de Goddelijke Wijsheid of de Heilige Geest. Het woord religie is ontleend aan het latijnse woord religare [religere = vastklampen, versmelten]   of het Griekse [θρώσκω (throsko) = opstijgen], het geeft in ieder geval het relationele karakter weer van de religie; tussen God en de mens.  Andere karakter-eigenschappen, welke met religie verbonden zijn, betreffen de bovennatuurlijke relatie met het natuurlijke, het ware, het schone en goede; de intuïtieve relatie tussen het stoffelijke en het geestelijke; het fysiek [lichamelijke] en het psychisch [geestelijk] vermogen, het persoonlijk en sociaal maatschappelijk gedrag.

Voor de grondslag van de religie zijn twee voorwaarden vereist: het goddelijke en de [klein-]menselijke. Waar bij religie absoluut sprake van dient te zijn – blijkt uit het feit dat de mens zich vrijwillige overgeeft en zich laat beïnvloeden door een positieve omgang met het Goddelijke en uit zijn/haar godsdienstig gevoeligheid [sensibiliteit] het beste tracht te halen; waar het dus om draait is dat de mens zich in een gemeenschap thuis voelt en zich ongedwongen kan voortbewegen op zijn/haar geestelijke weg.
Onderontwikkeling op het gebied van religie is het gevolg van interne factoren zoals slecht bestuur, traditionele voorkeuren en cultuur. Ontwikkeling volgt automatisch op de ontmanteling van deze traditionele structuren en het volgt een bepaald schematisch model. Ook religie is onderhevig aan evolutie, hetgeen blijkt uit de Joods- christelijke cultuur waarin wij leven, welke door de Goddelijke Wijsheid, de Heilige Geest geleid wordt.
Hoewel Christus als de God-menselijke leermeester reeds aan Zijn eerste volgelingen, de apostelen heeft voorgehouden dat er bij God geen onderscheid des persoons bestaat en ieder voor God een gelijke positie inneemt; wordt de onderontwikkeling van een overgroot gedeelte van Zijn Lichaam [de kerk] veroorzaakt door ongelijke macht’s-verhoudingen. Onderontwikkeling is een gevolg van het verkrijgen/verlenen van bepaalde gunsten, [religieuze] onderdrukking en een gesloten basisopstelling;

Ontwikkeling vraagt namelijk om een open gesprek op basis van gelijk-waardigheid. Tevens kan de [na de 2e wereldoorlog] snelle demografische groei een rol hebben gespeeld, waarbij de nadruk meer op economische dan op sociaal-religieuze ontwikkeling kwam te liggen. De bestaande religieuze instituties werden -met name in het westen- in de loop van de laatste decennia steeds minder serieus genomen. De politieke ontwikkeling volgde dit proces door een steeds verdere afstand te scheppen tussen kerk en staat. In het onderwijs werd gepropageerd dat waar het om God gaat, er slechts wordt weg-gekeken; hetgeen tot gevolg had dat men tot de ontdekking kwam data men bij ervaren eenzaamheid en kwetsbaarheid niet meer in contact kwam met zichzelf. Het resultaat was een overwaardering van de psychische opvang door de inzet van Psychiatrie en therapeutische kunstgrepen. De hedendaagse mens vindt geen rust meer, niet voor zichzelf, niet voor z’n relaties; niet af en toe en beschouwt dit niet meer als basis van een levenshouding.

Bergrede, juiste relatie met Christus

Daar waar Onze Heer en Verlosser ons uitnodigt aan Zijn voeten te komen zitten en daar tot rust te komen; te leren van de pedagogie, waar onze voorouders op steunden; wordt radicaal afwijzend gereageerd op alles wat maar enigszins met religie te maken heeft. Waar we wel gecharmeerd door raken is datgene wat verafgelegen vreemde culturen ons zouden kunnen aanbieden; onze eigen religieuze evolutie wordt daarmee afgebroken. Indien ik bang ben en eenzaamheid ervaar bestaat er niet meer het lijntje waarmee wij van huis uit gewend waren met het Hogere verbonden te zijn; deze verbondenheid was naast God met onze naasten – hetgeen evenwicht tot gevolg had. De insluitende manier waarbij God zegt, schuil maar bij Mij, mét je angsten, mét je eenzaamheid wordt systematisch om zeep geholpen. Hier viert de vrije markt hoogtij en overheerst er een globalisering met zo min mogelijk beperkingen tot economische groei waardoor massaconsumptie natuur en leefomgeving verontreinigt en ongelijkheid hoogtij viert.

‘Wat is dan de Blijde Boodschap?’

Daar waar ik me met mijzelf mag verbinden en aan God toevertrouwen, behoef ik niet meer hard te werken om een beter [rijker] mens te worden. Wanneer ik mijzelf door God, als liefhebbende Vader laat liefhebben, stel ik me onder Zijn hoede en word ik haarzelf zachter, rustiger en opener van; dan word ik als vanzelf een schoner mens. Wanneer ik weer een tijdje -in de wereld- aan het dolen ben geweest en vervreemd ben geraakt van God, dan komt er een moment dat ik heimwee krijg. Ik mag aandacht hebben voor mijzelf, ik mag met mezelf omgaan zoals God met mij omgaat. En om  frank en vrij te worden, dien ik genadig en liefdevol met mijzelf om te gaan; ik behoef niet hemel en aarde te bewegen om hogerop te klimmen, want God komt naar mij toe. Hij zit op de rand van mijn gevoelsleven [hart] en wacht geduldig, klopt tot ik aan Hem toe ben.
Het is Zijn Genadegave, die mij in beweging brengt; die mij tot het bewustzijn brengt, die mij doet beseffen; het is tijd dat ik zelf op zoek ga naar bezinning en rust. Ja, ik dien de oude mens af te leggen, maar je kunt iets niet afleggen waarvan je niet hebt onderkent dat het er is.
Vroeg of laat confronteert God ons met onszelf – worden wij verzocht, beproefd en wat voor woorden we er niet meer over bedacht hebben; we knallen tegen onszelf op en bemerken dat er iets dient te gebeuren en dan gaan we zoeken.

De Blijde Boodschap is van oudsher en dat is het bijzondere dat ons geleerd wordt; dat God eigenlijk op zoek is naar ons. Omdat God op zoek is naar ons, heeft Hij ons allen een basisverlangen meegegeven, om op zoek te gaan naar Hem. Want als jouw Schepper, houdt Hij van je en trekt je tot Hemzelf. God is op zoek naar jou en wil intens graag dat je Hem leert kennen. Daarom spreekt Hij tot je hart, om Hem te zoeken. Het is alsof God tot je zegt: “Zoek Mij, Ik wil dat je Mij vind!”. Dat is de Pedagogie van onze Heer en Verlosser in zijn gelijkenis van de Verloren Zoon.
      Zoekt de Heer, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze dient zijn weg te verlaten en de ongerechtige mens zijn gedachten en hij dient zich tot de Heer te bekeren, dan zal Hij Zich over hem ontfermen; en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.
Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten. Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel  neerdaalt en daarheen niet weerkeert, maar bevochtigt deze eerst de aarde en maakt haar vruchtbaar en doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de zaaier en brood aan de eter.
Evenzo zal Mijn Woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend. Want in Vreugde zult gij uittrekken en in Vrede geleid worden; de bergen en de heuvelen zullen voor u uitbreken in gejuich en alle bomen van het veld zullen in de handen klappen. Voor een doornstruik zal een cypres opschieten, voor een distel zal een mirt opschieten, en het zal de Heer zijn tot een Naam, tot een eeuwig teken dat niet uitgeroeid zal worden”.
Isaiah 55: 6-13

       God Zelf vernedert Zich, wordt mens en wekt Zijn Volk op om Hem te zoeken.  Wat vreemd, toch? Dat ‘zoeken’ dient toch eigenlijk vanzelfsprekend zijn. Hìj is toch onze Schepper? U bent als zijnde goed bevonden uit Zijn hand voortgekomen. Jullie konden Hem dienen; je leefde uit Hem, door Hem, met Hem en tot eer van Hem. Hij heeft ons geschapen om eeuwig voor Hem te leven. Daarop heeft Hij gewoon recht.  Maar het vreselijke gevolg van de diepe hoogmoedige val in het paradijs is de oorzaak dat wij Hem niet langer zoeken. Wij mensen hebben het zelf over ons afgeroepen en zoeken onszelf in plaats van God. Wij zijn gewend geraakt de eer naar onszelf toe te trekken tegenover God en zijn slechts uit op eigen eer en roem. Heel bewust hebben wij de band met onze Schepper doorgesneden.
Wij hebben Hem de nek en rug toegekeerd om vanuit onszelf nooit meer terug te keren. 
Dit is een zeer aangrijpende gedachte!
De diepte van onze geestelijke dood en ons verloren zijn is hierin getekend. Toch heeft God als een eeuwig wonder van Zijn welbehagen, van eeuwigheid een weg van heil uitgedacht en heeft  daardoor ons, die dood waren door de zonde van dood weer tot het Leven terug geroepen.
       God is met de mens een Verbond aangegaan; Hij, Die van eeuwigheid de getrouwe en onveranderlijke Heer van het Verbond is. Die God, Die Mozes is verschenen in de brandende braambos als de “Ik zal zijn, Die Ik zijn zal”. Hij Zelf laat Zich in met diep gevallen kinderen van Adam. Uit en van zichzelf waren wij nooit in staat geweest Hem te gaan zoeken; daartegenover stelt Hij Zijn zoeken tot ons eeuwig behoud; dit gaat van Hem uit. Dit is de eeuwige, eenzijdige Goddelijke Liefde tot de zondaar. Daarom zingen wij als Gods gemeenschap: “in Uw Licht, zullen wij het licht aanschouwen”.
       God zoekt ons, terwijl wij Hem mijden; Hij zit op de rand van ons hart en klopt.
      Heer, Gij zijt mijn God, U zal ik verheffen, uw Naam loven, want Gij hebt wonderen gedaan, raadsbesluiten uit een ver verleden in waarheid en trouw volvoerd. Want Gij hebt de stad tot een steenhoop gemaakt, de versterkte veste tot een bouwval, de burcht van de vreemden tot wat geen stad meer is; in eeuwigheid zal deze niet herbouwd worden. Daarom zal een sterke natie U eren, de veste van gewelddadige volken zal U vrezen; want Gij zijt voor de geringe een Sterkte geweest, een sterkte voor de arme toen hij benauwd was, een schuilplaats tegen de stortbui, een schaduw tegen de hitte. Want het briesen van geweldenaars is als een stortbui tegen een muur, als hitte in een dorre streek. Het rumoer van vreemden onderdrukt Gij; als hitte door de schaduw van een wolk wordt het gezang van de geweldenaars gedempt.
En de Heer der heerscharen zal op deze berg voor alle volken een feestmaal van vette spijzen aanrichten, een feestmaal van belegen wijnen: rijk aan merg, vette spijzen, van gezuiverde, belegen wijnen. En Hij zal op deze berg de sluier vernietigen, die alle natiën omsluiert, en de bedekking, waarmee alle volken bedekt zijn. Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen, en de 
Heer der Heerscharen zal de tranen van alle aangezichten afwissen en de smaad van zijn volk zal Hij van de gehele aarde verwijderen, want de Heer heeft het gesproken. En men zal te dien dage zeggen: Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen; dit is de Heer, op Wie wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft. Want de hand des Heren zal op deze berg rusten, maar Moab zal op zijn plaats neer gestampt worden, zoals stro neer gestampt wordt in het water van een mestkuil. Spreidt het zijn handen daarin uit, zoals een zwemmer ze uitspreidt om te zwemmen, dan zal Hij zijn hoogmoed vernederen ondanks zijn listige handgrepen. Ja, de ontoegankelijke versterking van uw muren zal Hij neerwerpen, vernederen, op de grond doen neerstorten tot in het stof”.
Isaiah 25: 1-12
Christus zit op de rand van ons hart en klopt en het is vreemd wanneer je Zijn aandringen niet beantwoordt, in het geheel niet naar Hem vraagt. Besef echter de ernst van Zijn Woord, het is geen mensenwoord, hetgeen je ongestoord terzijde kunt leggen. Het betreft een Goddelijk scheppend Woord, waarvan je het gewicht dient te onderkennen. Daarom blijft Christus aanhouden en opent de mogelijkheid antwoord te verkrijgen op duizend en een vragen, hetgeen je nog eens versteld zal doen staan. Zou jij Zijn aandringen dan niet beantwoorden en Zijn aanwijzingen in de wind slaan. Buig daarom voor Gods Woord en val ook jij voor Zijn voeten neer. Zoek de Heer waar Hij te vinden is, roep Hem aan en Hij zal je nabij komen; smeek Hem om Genade en de werking van Zijn Heilige Geest. Opdat je Hem leert zoeken met al de kracht, die je bezit. Want degene die Hem vindt, ontmoet het ware Leven en verkrijgt een welgevallen in de Heer. “     Hoort naar de vermaning, dan wordt gij wijs, slaat haar niet in de wind. Welzalig de mens die naar Mij luistert, dag aan dag wacht houdende aan Mijn deuren, bewakende de posten van Mijn poorten. Want wie Mij vindt, heeft het Leven gevonden, hij heeft van de Heer welgevallen verkregen. Maar wie Mij mist, doet zijn leven geweld aan; allen die Mij haten, hebben de dood lief”.
Spr.8: 34-36

Orthodoxie & Geestelijke ontwikkeling [2]

Wie van ons mensen gaat er mee op weg om eerherstel te zoeken; is er dan niemand die dit mist? Iets zoeken is nog wat anders dan iets kwijt zijn. Ik kan mijn beurs met honderd euro kwijt zijn, zonder dat ik het weet. Dan ga ik die ook niet zoeken. Maar als ik in een winkel iets wil betalen en mijn portemonnee niet vind, dan schrik ik. Dan ga ik net als de weduwe terugdenken: Waar ben ik het laatst geweest? Waar kan ik mijn bezit [penninkske] zijn verloren? Of heeft iemand die misschien uit mijn zak gehaald?
Over dat zoeken vanuit een levend, door Gods Geest opgewekt gemis, gaat het hier. Herken je dit; herken je het in je hart en nieren [(νεφρὸς), als plaats van je verlangens/gevoelens] leven? Is de Levende God werkelijkheid voor je; ben je God kwijtgeraakt door dezelfde hoogmoedige diepe val in het paradijs? Mijn zonden veroorzaken scheiding, het heeft iets stuk gemaakt; het heeft me vervreemd van de levende God. De verhouding met Hem is gebroken, door mijn eigen schuld; dat wordt nu met groot verdriet ervaren.  Dat is de droefheid die Gods Geest bewerkt in het hart; het houdt je bezig. Je staat er mee op en je gaat er mee naar bed; het maakt je onrustig. En diep in je ziel ervaar je een hunkering en een verlangen naar de Heer, om Hem opnieuw te kennen en lief te hebben.
Je gaat je weg na en zoekt in datgene wat plaats vond, het blijkt een rusteloos zoeken, net zo lang totdat je Hem weer gevonden hebt en belijdt Hem je schuld, waarop onherroepelijk weer vergeving volgt.

Weet je waarom je de weg naar Hem terug zoekt?; omdat God het is Die je zoekt; Gods Geest maakt je tot een zoekende; net zolang tot je in Hem de oorspronkelijke rust heb teruggevonden. Daarom zegt God bij monde van Isaiah: 
      Te raadplegen was Ik voor hen die naar Mij niet vroegen, te vinden voor hen die Mij niet zochten; Ik zeide tot een volk dat Mijn Naam niet aanriep: ‘Hier ben Ik, hier ben Ik‘. 
De ganse dag breidde Ik mijn armen uit naar een opstandig Volk, dat volgens eigen overleggingen wandelde op een weg, die niet goed is; een volk, dat Mij bestendig openlijk krenkt door te offeren in de hoven en offers te ontsteken op de tichelstenen; die in de graven zitten en op verborgen plaatsen overnachten; die vlees van zwijnen eten en in wier vaatwerk verfoeilijk voedsel is; Die zeggen: ‘Blijf daar, nader mij niet, want ik ben voor u ongenaakbaar. Dezen zijn een rook in mijn neus, een vuur dat de ganse dag brandt’. Zie, het staat voor Mij geschreven, Ik zal niet zwijgen, voordat Ik het vergolden heb; ja, Ik zal hun de vergelding in de schoot werpen. Voor jullie ongerechtigheden en de ongerechtigheden van jullie vaderen tezamen, zegt de Heer; omdat zij offers hebben ontstoken op de bergen, en op de heuvels Mij hebben gehoond, daarom zal Ik hun allereerst het loon in hun schoot toemeten.
Zo zegt de Heer: Zoals men, wanneer er nog sap in een druiventros gevonden wordt, zegt: Verderf hem niet, want er ligt een zegen in; zo zal Ik doen ter wille van Mijn dienaren/knechten, dat Ik niet alles zal verderven”. Isaiah 65:1-8
Dit zoeken is Vrucht van de eenzijdige Genadegaven, slechts het werk van God; het is het resultaat, ja, de Vrucht van Zijn zoeken. Door de Kracht van Zijn Liefde worden wij als de bruid uit het Hooglied tot Hem getrokken: “Ik zocht des nachts op mijn leger Hem Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide: Ik zal nu opstaan en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. De wachters die in de stad omgingen, vonden mij; ik zeide: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft? Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene die mij gebaard heeft”.  Hooglied 3:1-4

MP3 : “Ας προσευχή μου να οριστεί πριν Εσείς, ως θυμίαμα” – ” Laat mijn gebed opstijgen, als wierook voor Uw Aangezicht“, Psalm 140[141]

monnikenkoor Athos

Hier ontmoet je zulke zoekers; zijn we dan zo timide/verlegen om Gods Genadegaven, Zijn liefde en gezegende feestelijke grote intocht? Nee, dan kun je niet langer lijdelijk toezien; je wordt heilig actief; je gaat ijverig op zoek in je hart. Je gaat niet alleen zoeken, maar ook jubelt het ook uit, je stemt in overeenstemming met de dichter:        Heer, ik roep tot U: verhoor mij; verhoor de stem van mijn smeking. Wanneer ik tot U roep, verhoor mij, o Heer. Laat mijn gebed opstijgen, als wierook voor Uw Aangezicht. De opheffing mijner handen zij een avondoffer; verhoor mij, o Heer.  Stel, Heer, een wacht aan mijn mond: maak een gesloten deur van mijn lippen. Neig mijn hart niet tot slechte woorden, om met uitvluchten mijn zonden te verontschuldigen. Tezamen met mensen die goddeloosheid bedrijven; ik wil geen deel hebben aan hun lusten. Laat de rechtvaardige mij tuchtigen met erbarmen, dan zal hij mij van schuld overtuigen. Maar sta niet toe, dat mijn hoofd gezalfd wordt door olie van zondaars; mijn gebed verzet zich tegen hun lusten. Wanneer hun rechters vanaf de rots geworpen worden, zullen zij weten dat mijn woorden God aangenaam zijn. Want als aardkluiten over het land, zo zijn hun beenderen verstrooid bij het graf. Heer, op u zijn mijn ogen gericht; Heer, op U vertrouw ik: ontneem mij het leven niet. Bewaar mij voor de strik die zij tegen mij spannen, voor de struikelblokken der boosdoeners. Laat de zondaars in hun eigen net vallen; al ben ik alleen, toch ga ik Uw weg”. Psalm 140[141] vert ROK ’s-Gravenhage

Het ware zoeken gaat samen met roepen, smeken, dat doe je vanuit de nood; dat gaat gepaard met tranen. Je loopt tegen de troon van Gods Genade aan, als een waterstroom. Het is als bij een jong kind dat z’n moeder kwijt is; het schreeuwt om vader/moeder, in angst en paniek. Het kind in je is niet tot bedaren te brengen; eerst moet vader/moeder weer bij je zijn. Begrijp je het nu; hoor je jezelf – zie je het vóór je gebeuren?
Wat komt er van het zoeken terecht; waar zijn degenen, die de Heer aanroepen?

-de rijke en de arme lazaros-

Vindt dit niet plaats vanuit de grootste nood, opdat we onze diepe verlorenheid aanvaard willen worden? Of weten we nog steeds niet uit welke nood en dood we verlost dienen te worden. Daarom vindt dit aanroepen vanuit de diepten van ons ellendige hart tot God, tot onze Vader, Die alleen Heil[iging] kan en wil zenden. God roept ons vanuit de hemelen toe: Zoekt de Heer terwijl Hij [nog] te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is, straks is het misschien te laat en kan dat niet meer. Straks blijft ons alleen de arme Lazaros over, die wij kunnen aanroepen om onze dorst te lessen en onze nazaten te waarschuwen voor de goede weg in te slaan. Dit zoeken van de Heer en het Hem aanroepen wordt eveneens gekenmerkt door ons verlaten voelen op de goddeloze weg. De goddeloze heeft Gods weg verlaten en de ongerechtige mens zijn gedachten; en hij dient zich tot de Heer te bekeren.  Wij bevinden ons allemaal op zo’n weg, want we zijn allemaal zondaars, niemand uitgezonderd. Diep ingrijpend is dat ons aller levensweg een doodlopende weg is. Nodig is dat je daaraan wordt herinnerd, opdat je het ontdekt. En wanneer dat gebeurt is, komt je er achter: “mijn weg is een weg zonder God [= zonde], zonder hoop en zonder Jezus Christus geweest. De rust wordt u ontnomen, het wordt tijd je van de wereld te distantiëren; je terug te trekken in je stille hoek – in de stilte van je hart en je gaat God zoeken, Die op de rand van je hart wacht. Hij wacht op je op de rand van de bron, zoals bij de Samaritaanse. Je roept Hem aan bij dag en bij nacht, want je verlangt ernaar met de zonde, met het leven zonder God te breken. Het zou immers je dood betekenen, daarom verlaat je jouw goddeloze, heilloze weg.

Waarom? Omdat je zonden scheiding veroorzaken tussen God en je ziel; jouw zonden beledigen God’s Almacht, Zijn grenzeloze Liefde voor jou als Zijn kind. Het is jouw verlangen om Hem lief te hebben; omdat Hij de mensen lief heeft, is Hij het ontzagwekkend waard.
Het vervult je met diepe smart dat daar niets van terechtkomt; hoewel je telkens weer opnieuw probeert om de zonden met wortel en tak uit te roeien, kom je er achter dat het van jouw kant hopeloos is; zelfs je gedachten getuigen tegen je. Ze veroordelen u tot in het diepste van je bestaan toe. Alles wat je als vanzelfsprekend beschouwt, zelfs je gedachtewereld, is één en al ongerechtigheid. Daarmee hang je er maar verloren bij, maar gá je ook verloren?
En op dat ogenblik  begrijp je de Psalmist, David, de man naar Gods hart:
Schep in mij een rein hart, o God, en vernieuw in m’n binnenste een reine geest
Psalm 50[51]: 12.  
De goddeloze verlaat zijn weg, en de ongerechtige mens zijn gedachten; en hij bekeert zich tot de Heer, Die “ in welwillendheid aan Sion; de muren van Jerusalem weer opgebouwd laat worden”. Daar ontmoet je de waarachtige bekering; dat is een inkeren tot jezelf, een afkeren van de zonden en een terugkeer tot de Heer. Van nature sta je met de rug naar God toe; je bewandelt een weg steeds verder bij God vandaan. Maar als Gods Geest uw hart vernieuwt, dan wordt u omgekeerd. Hij draait je honderdtachtig graden om en jij hervindt daarmee je oorspronkelijke staat en komt daarmee weer met je gezicht naar God toe te staan. je bent omgekeerd.
        Dan zal Ik [de Heer, onze God] de volken andere, reine lippen geven, opdat zij allen de Naam des Heren aanroepen; opdat zij Hem dienen met eenparige schouder. 
Van gene zijde van de rivieren van Ethiopië zullen Mijn aanbidders, Mijn verstrooiden, Mijn offer brengen. Te dien dage zult jullie je u niet behoeven te schamen over al de daden waarmee je tegen Mij hebt overtreden, want dan zal Ik uit uw midden uw hoogmoedig juichenden verwijderen. En voortaan zult gij niet meer overmoedig zijn op mijn heilige berg. En Ik zal in uw midden overlaten een ellendig en gering volk, en wie schuilen bij de Naam des Heren. Het overblijfsel van Israël [de Kerk] zal geen onrecht doen noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden, want zij zullen weiden en neerliggen, zonder dat iemand hen verschrikt.
       Jubel, dochter van Sion; juich, Israël [Kerk]; verheug u en wees vrolijk van ganser harte, dochter van Jeruzalem!  De Heer heeft uw gerichten weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd. De Koning van Israel [de Kerk], de Heer, is in uw midden; gij zult geen kwaad meer vrezen. Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, Sion, laten uw handen niet slap worden. De Heer, uw God, is in uw midden, een Held, Die verlost. Hij zal Zich over jullie met vreugde verblijden; Hij zal zwijgen in Zijn Liefde; Hij zal over jullie juichen met gejubel. Wie bedroefd zijn, ver van de feestvergadering, zal Ik samenbrengen; zij behoren toch bij jullie. Als een last drukt de smaad op hen”. Sefanja 3: 9-18
Christus is in ons midden, Hij is en zal zijn!”.

Zondag van de terugkeer van de verloren zoon

En Christus sprak de volgende gelijkenis en zei:

de terugkeer van ‘de verloren zoon‘ – Bartolome Esteban Murillo 1670 – National gallery Washington USA

Iemand had twee zonen.
De jongste van hen zeide tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van ons vermogen, dat mij toekomt. En de vader verdeelde zijn bezit onder hen. 
En weinige dagen later maakte de jongste zoon alles te gelde en ging op reis naar een ver land, waar hij zijn vermogen verkwistte in een leven van overdaad.
Toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden. 
En hij trok er op uit en drong zich op aan een van de burgers van dat land en die zond hem naar het veld om zijn varkens te hoeden. En hij begeerde zijn buik te vullen met de schillen, die de varkens aten, doch niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot zichzelf en zei: Hoeveel dagloners 
van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners.
     En hij stond op en keerde naar zijn vader terug. En toen hij nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen. En hij liep hem tegemoet viel hem om de hals en kuste hem. 
En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten.
     Maar de vader zeide tot zijn slaven: Brengt vlug het beste kleed hier en trekt het hem aan en doet hem een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten. En haalt het gemeste kalf en slacht het, en laten wij een feestmaal hebben, want mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen feest te vieren.     Zijn oudste zoon was op het land, en toen hij dicht bij huis kwam, hoorde hij muziek en dans. En hij riep een van de knechts tot zich en vroeg, wat er te doen was. Deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel terug heeft. Maar hij werd boos en wilde niet naar binnen gaan.
     Toen kwam zijn vader naar buiten en drong bij hem aan. Maar hij antwoordde en zeide tot zijn vader: Zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst en nooit heb ik uw gebod overtreden, maar mij hebt gij nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Doch nu die zoon van u gekomen is, die uw bezit heeft opgemaakt met slechte vrouwen, hebt gij voor hem het gemeste kalf laten slachten.
     Doch hij zei tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is het uwe.
Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn, want uw broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden”.
Luc.15: 11-32

‘Ik zal me door niets laten knechten’

    Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is nuttig.
      Alles is mij geoorloofd maar ik zal mij door niets laten knechten.
Het voedsel is voor de maag en de maag voor het voedsel, en God zal zowel het een als het ander teniet doen. Maar het lichaam is niet voor de ontucht, doch voor de Heer, en de Heer voor het lichaam. God heeft niet alleen de Heer opgewekt, maar zal ook ons opwekken door zijn kracht.
     Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan leden van Christus wegnemen om er leden van een ontuchtige van te maken? Volstrekt niet!  Of weet gij niet, dat wie zich aan een ontuchtige hecht, een lichaam [met hem/haar] is? Want, zegt Hij, die twee zullen tot een vlees zijn.
     Maar die zich aan de Heer hecht, is een geest [met Hem]. Vlucht voor de ontucht. Elke andere zonde, die een mens doet, gaat buiten zijn eigen lichaam om. Maar door ontucht bezondigt men zich aan zijn eigen lichaam.
      Of weet gij niet, dat uw lichaam een Tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt? Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam”.
1Cor.6: 12-20

    De christelijke Gemeenschap wordt aan alle kanten aangevallen en vaak zien – wijzelf als gelovigen – dit niet meer, want het gaat allemaal zo sluipend, dat wij ons er niet druk om kunnen en vaak niet willen maken. De ene na de andere ketterij sluipt ongemerkt kerken en gemeenschappen binnen, het lijkt allemaal ‘prachtig‘ en wel aardig te gaan, maar zoals meestal zit het venijn in de staart.     Daarnaast leven wij mensen, óók een christen, in een hectische maatschappij waar alles steeds sneller dient te moeten gaan, elk mens claimt rechten op geld en goed en o, wee, als iemand aan ons “ego-tje” komt. En de gelovige schijnt ook niet te ontkomen aan de waanzin van de maatschappij want of we willen of niet, in bepaalde opzichten gaan wij met z’n allen in deze ontwikkeling mee.
Terwijl we geacht worden ons met Christus bekleed te hebben en ons dus anders dienen te oriënteren: “ Jullie hebben toch van Christus gehoord en zijn in Hem onderwezen, zoals dit de Waarheid is in God, dat jullie, wat je vroegere wandel betreft, de oude mens hebt afgelegd, die tot verderf leidt, naar zijn misleidende begeerten, dat je verjongd wordt door de geest van uw denken en de nieuwe mens aandoet, die naar [de Wil van] God is geschapen in waarachtige gerechtigheid en heiligheid”.
Eph.4: 20

elkaar in de gaten houden

Voorheen was de onderlinge sociale controle veel groter, ook binnen de kerken hield men elkaar -zoals je dat noemt – in de gaten en daardoor waren de uitwassen kleiner. In onze dagen is het individualisme tot norm verheven, de mens staat centraal, zélfs in het geloofsleven.
Familieleden, die met mistoestanden geconfronteerd worden, reageren met: “nou doet ie ’t weer!” en zwijgen, om de reputatie niet te beschadigen. Steeds vaker gaat het ons om de bevrediging van onze verlangens, of dit nu tijdens samenkomsten is of iets anders.
Wij volgelingen van Christus stellen ‘ons zelf’ steeds meer centraal, net zoals in bovenstaande verloren zoon. Wanneer wij de wereld om ons heen met ons menselijk verstand zouden willen begrijpen komen we er niet meer uit, blijven veel zaken een raadsel voor ons. Ik vraag mij bijvoorbeeld vaak af waarom onze Heer bepaalde zaken maar laat voortwoekeren en waarom er nog volgelingen zijn, die daar blind mee meegaan.
Tevens vraag ik me de laatste jaren af waarom de ene mens moet lijden onder ziekten en kwalen, terwijl een ander schijnbaar kan doorgaan en zich van God noch gebod iets aantrekt en vrolijk zijn verdorven leventje voortzet. Paulus geeft hier enigszins een antwoord op:
Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben”.
1Cor.13: 12

Het volle zicht op ‘het Woord‘ nog niet verkregen

Wat ons hiermee voorgeschoteld wordt wil zeggen dat we het volle zicht op, het Woord van de Heer – ‘Zijn’ doen en laten met de wereld nog niet verkregen hebben. Voor ons is alles troebel en even moeilijk te zien zoals het gezicht van een mens eeuwen geleden slechts te zien was in de weerspiegeling van het water. Bekend is hieromtrent de Griekse mythe over Narcissus, een man, die het ‘zo’ goed met zichzelf getroffen had, ‘zo’ vervuld van eigenliefde dat hij wegkwijnde voor zijn spiegelbeeld tot de dood erop volgde. Nog steeds wordt deze benaming gebruikt voor een mens die zich verheven voelt boven zijn naasten [en God]. In de tijd van Paulus waren de spiegels nog niet van glas, maar nam men een stuk koper dat werd gedreven tot een plaat en daarna glimmend werd gepoetst.       In dergelijke spiegels kon je de contouren van het gezicht wel zien maar details van het gezicht bleven wazig en vervormd door de oneffenheden van het uitgeklopte metaal en de beperkte spiegeling van het materiaal.
Hier wijst Paulus dus op met de opmerking: “Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen”. 
Zo vergaat het ook ons tijdens het leven op aarde, wij hebben tot op zekere hoogte zicht op de Goddelijke zaken en Gods overwegingen. Onze menselijke overwegingen blijven echter beperkt tot een bepaald niveau door ons menselijk denken en onze beperkte waarneming. We weten dat de Heer alle dingen ten goede doet komen maar het uiteindelijke resultaat zien we nog niet. In lastige en moeilijke omstandigheden begrijpen wij vaak niet welke weg de Heer met ons op wil  en wordt het ons vaak te veel. We strekken onze handen ten Hemel en meten de Heer aan ónze normen, wensen en verlangens, maar is het niet zo dat wij Zijn wegen moeten volgen?

Laten wij eens kijken naar de bruiloft te Cana. De Theotokos, Gods Moeder, wilde dat de Heer zou ingrijpen toen er geen wijn meer voorradig was, maar wat was Gods reactie:
En toen er gebrek aan wijn kwam, zei de moeder van Jezus tot Hem: ‘Zij hebben geen wijn’. En de Heer en Verlosser zei tot haar: ‘Vrouw, wat heb Ik met u van doen? Mijn uur is nog niet gekomen’”.
John.2: 3-4      Dat hadden wij eens tegen ons moeder moeten zeggen, zij had dit beslist niet leuk gevonden, maar de Moeder Gods wist dat haar zoon en God en mens was, waarop zij  alles in haar hart bewaarde.
Wij aardgebonden mensen verwachten in onze kleinmenselijkheid een oplossing of genezing zoals wij het ‘zelf’ in gedachten hebben. Het komt voor dat wij als Christus’ volgelingen veel en lang bidden teneinde een oplossing af-te-dwingen voor bepaalde problemen of genezing van een ziekte of chronische kwaal. En wanneer de verhoring van de gebeden uitblijft, hoe is onze gesteldheid dan? Zijn wij overtuigd van de oplossing van de ‘Genezer en Verlosser’ zoals Maria dit verwachtte? Verlangen wij dan dat de hulp van de Heer komt en Zijn oplossing de beste oplossing is zoals de Moeder Gods dit schijnbaar had begrepen? Maria zei namelijk tegen de bedienden: “Wat Hij u ook zegt, doet dat!
John.2: 5   Maria zorgde er tegelijk voor dat het personeel klaar stond, dat er ruimte kwam voor een wonder, een wonder zoals Christus het wilde! De tijd zal het ook ons leren, óók als wij denken dat onze gebeden niet door de Christus, onze God gehoord worden. Op dit moment zien we nog in spiegels, in raadsels, maar straks zullen we alles in haar volle waarde, en in het volle licht.
Daarom begrijpen wij vaak de volle omvang van de grootheid van onze Heer en zaligmaker niet. Wél hebben wij het Licht van de Heilige Geest ontvangen maar vanwege ‘onze gebroken situatie’ – waarin de oude mens nog al wel eens opspeelt – wordt er aan het Levend Woord veel helderheid ontnomen.

Zie, Ik maak alle dingen nieuw . . .

      De verhouding en het onderscheid tussen Israël en de christelijke gemeenschap hebben onze voorvaderen, de kerkvaders ook bestudeerd en daar  mogen wij ons voordeel mee doen. Zo werd er door hen vaak gezegd dat Israël onze oudere broeder is. Dit is ook zo want Israël wordt door de Heer de eerst geboren zoon genoemd:
Dan zult gij tot Farao zeggen: Zo zegt de Heer: Israel is Mijn eerstgeboren zoon; Daarom zeg Ik u: laat mijn zoon gaan, opdat hij Mij zal dienen; zoudt gij echter weigeren hem te laten gaan, dan zal Ik uw eerstgeboren zoon doden”.
Ex.4:22-23  Dat betekent tegelijkertijd wél dat wij christenen de jongste broer zijn.  Laten wij de gelijkenis van de “verloren zoon” eens als type, een voorbeeld, bekijken in de verhouding tussen, zowel Israël, als ook de christelijke gemeenschap en de Heer, onze God.
     Wij beginnen met de jongste zoon als type van de christelijke gemeenschap en hoe het daarmee is gegaan, vinden wij als beeld: ‘De jongste zoon eiste zijn rechtmatig deel van de erfenis op zoals dat in die tijd de gewoonte was’.
Als wij naar Handelingen 2 kijken zien wij dat er niet alleen inwoners uit Israël-‘zelf’ aanwezig waren op dat moment, maar óók Joden uit andere landen waren opgetrokken naar de Tempel. Het waren Joden, of nakomelingen van Joden, die in den vreemde een nieuw bestaan hadden opgebouwd.
          In feite hadden beide zonen, Israël en de heidenen, het zicht op de ”Vader der Eeuwigheid” verloren, de oudste omdat hij de beloofde Messias niet accepteren wilde en de jongste die vol goede moed en met de beste bedoelingen op weg ging maar jammerlijk faalde omdat de wereld greep op “hem” [de Christelijke Gemeenschap] kreeg. Uiteindelijk zien we hoe de Vader Zijn jongste zoon [de Christelijke volgelingen], bestaande uit Joden en heidenen die wilden luisteren, weer in de armen sluit, zoals we dit ook vandaag in de gelijkenis zien.
De Christelijke Gemeenschap, de jongste zoon, van onze tijd dient  opnieuw – net als Filippus in Johannes 14:9 – te ontdekken dat  die Mij [de christelijke weg, de Waarheid en het Leven] heeft gezien, heeft de Vader gezien”.

de oudste zoon

     De oudste zoon, Israël, moet hier echter niets van hebben en besluit daarom niet aan het feest, het leven als volgeling van Christus, in het Nieuwe verbond, deel te nemen. De oudste zoon riep een knecht tot zich en vroeg wat er in het huis aan de hand was.
In de oudste zoon zien wij een type van Israël, hij zei b.v. “Zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst”, blijkbaar was het voor hem “een moeten’ werken” voor zijn vader en zag hij helemaal niet dat later alles voor hem persoonlijk ten goede zou komen. De wet ging ook uit van “moeten”, “doe dit en gij zult leven”. Dóór de wet, en dan vooral de uitlegging daarvan, én vooral vanwege de nadruk op die uitleg, is het zicht op het Nieuwe verbond verduisterd.
     Bij de oudste zoon, Israël, van de gelijkenis dit nog steeds het geval, Israël beseft niet wat “Genade” in kan houden. Het Nieuwe Verbond betekent een stralende toekomst bij de Heer, Jezus Christus, de Zoon van God. Mensen die in Hem gestorven zijn zullen -zoals beloofd- Opstaan en de wedergeboren Christenen die op dat moment op aarde leven zullen totaal veranderd worden.  De christelijke Gemeenschap zal in z’n geheel haar Heer tegemoet gaan in de lucht. “In zijn geheel” wil zeggen dat overledenen, die de Heer Jezus als Heiland en Heer tijdens hun aardse leven aangenomen hebben, samen met de op dat moment levende gelovigen die grote dag mee zullen maken. Dit zegt het Woord des Heren ons:
      Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet 
bedroefd zijt, zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zo hen, die ontslapen zijn, door Jezus weder-brengen met Hem. Want dit zeggen wij u met een Woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst van de Heer, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Heer zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het klinken van een bazuin Gods, neerdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan;  daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Heer tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met de Heer wezen.
Vermaant elkander dus met deze woorden”.
1Thess.4: 13-18

        Veel wijst er op dat wij op dit moment héél dicht bij die grote dag én daarmee aan het einde van het Genade-tijdperk leven. Natuurlijk kan ik dit niet met zekerheid zeggen, maar wèl weet ik dat wij dagelijks de voortekenen in de nieuwsberichten voorgeschoteld krijgen. Nadat de christelijke Gemeenschap is weggenomen zal er een periode van verdrukking, natuurrampen en andere onverklaarbare zaken aanbreken zoals er nog niet eerder is geweest. Persoonlijk heb ik het vermoeden dat wij heel dicht bij die geprofeteerde tijd aangekomen   zijn. Tegelijkertijd zien wij dat veel zich christen noemende mensen totaal geen zicht meer hebben op de tekenen van deze tijd. Ze zijn opnieuw naar de weiden getrokken waar de jongste zoon in het verleden de varkens moest hoeden. Veel gelovigen hebben de oproep van Petrus na de nederdaling van de Heilige Geest uit het oog verloren toen door zijn toespraak vanuit Jeruzalem het Woord des Heren uitging. Petrus riep de wereld op: “Bekeert u en een ieder van u zal zich laten dopen in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de Genadegave van de  Heilige Geest ontvangen”.
        Door de oproep tot bekering niet meer te leren raakte de jongste zoon [de Christelijke Gemeenschap], het zicht op de Blijde Boodschap [de Schrift] kwijt en verviel opnieuw in wereldse rituelen en leringen. Ze kwam geestelijk aan lager wal, was tevreden met een religie zonder de persoonlijke relatie met haar Heer en God.  Hierdoor is ook de christelijke gemeenschap weggezakt naar het modernisme, zo ver zelfs dat we het niet meer kunnen bevatten.
Vaak kijken wij beminde gelovigen met een scheef oog en een beetje trots naar de andere geloofsgemeenschappen, want bij “ons” zou zo iets niet voor komen. Maar als wij de ogen eens zouden openen zagen wij dat de afval en oppervlakkigheid heden-ten-dage gepraktiseerd wordt in christelijke gemeenten die jaren geleden nog bekend stonden om hun ware leer.
Moderne theologen ontkennen de Heer, onze God als “Persoon”, ze spreken liever over “een hogere macht, een kracht” of “de god in ons”, dit dragen ze ruiterlijk uit in woord, geschrift en daad.
     Er zijn óók orthodoxe godsdienstige leiders, die met een schijn van Godsvrucht, precies het hetzelfde praktiseren; maar zich verschuilen in prachtig verpakte mooie volzinnen. De gelovigen die dergelijke mensen volgen drijven van de Levende God af en zoeken ‘het goddelijke’ uiteindelijk alleen nog maar ‘in zichzelf’, vegen hun eigen straatje schoon, door zich – door een vast omringende groep, die met elkaar optrekken en elkaar helpen . . . . . voordeeltjes bezorgen – te laten bejubelen. De gemeenschap van Christus is ècht diep gezonken, New Age en andere uitwassen, waaraan hele organisaties aan worden opgehangen, komen stormende hand opzetten.
Wanneer de Heer Zelf niet zou ingrijpen, zouden vele gemeenschappen eveneens afglijden. De jongste zoon, de christelijke gemeenschap, is op vele plaatsen inderdaad opnieuw bij de onreine varkens in de leer. Wij kunnen ons langzamerhand afvragen of Christus gelijk had, toen Hij zei:
    Want er is niets verborgen, dat niet aan het licht zal komen, en niets geheim, dat niet bekend zal worden en aan het licht komen. Ziet dan toe, hoe gij hoort. Want wie heeft, hem zal gegeven worden, en wie niet heeft, ook wat hij meent te hebben, zal hem ontnomen worden”.
Luc. 8:17,18 en
    Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het Geloof vinden op aarde?”.
Luc.18: 8

      Wie de levende God heeft leren kennen, dient zich te verbazen en slechts z’n hart vast te houden. God vrezen betekent immers, dat wij ons tot in het stof voor Hem dienen te vernederen, omdat wij dagelijks tegen Hem zondigen in gedachte, woord en daad.
Òf heb je het nooit bij jezelf waargenomen: al dat egoïsme, die hoogmoed, harteloosheid en ongeloof die ons Gods oordeel dubbel en dwars waardig maken? “God is immers Rechter” – en wij dienen te buigen voor Zijn Gezag – “Hij vernedert de een en verheft de ander”. Psalm 74[75]: 8, maar er is bij Hem geen enkel moment sprake van willekeur.
Dat is Hij niet alleen in het straffen van het kwaad; Hij is het ook in het richten van de rechtszaak van ellendigen. Ja juist dààrin komt “Zijn heilig Recht als Heer” voor de dag, dat Hij rechtelozen, arme mensen die -hun deel in de Kerk- kwijt zijn, aan hun recht helpt. Hij komt op voor hen die geen helper hebben; Hij is de sterke arm van de hulpelozen, die niets meer hebben om op terug te vallen en die vrezen, dat zij overal buitengesloten worden.
Dat God een rechtvaardige Rechter is, bewijst Hij zelfs in de redding van goddelozen, die heel hun leven tegen hebben; Hij trekt Zich zelfs hùn lot aan? Soms denken zij, dat ook God hèn vergeten is . . . . .
     Wie ècht om God verlegen is geworden, roep dan dag en nacht zijn hulp in, ook al heb je de ogen niet gesloten en de handen niet gevouwen. In de gelijkenis van de vriend, die ’s-nachts het verzoek krijgt om wat brood te lenen gaat het om bidden.
Maar indien je God werkelijk nodig hebt, bidt dan met volharding. Ga er bij het gebed van uit dat je reeds verkregen hebt waar je om verzoekt en houdt er rekening mee dat God de grote Profeet Mozes 40 jaar lang het Beloofde heeft voorgehouden en deze tenslotte kenbaar gemaakt heeft:
Laat het genoeg zijn, spreek Mij niet meer over deze kwestie”.
Deut.3: 26
Vervolgens kreeg Mozes vanaf de hoogte van Pisga wel een ogenblik een prachtig uitzicht over geheel het Beloofde land te zien, maar mocht er uiteindelijk niet binnengaan.
     Stel je voor dat jij al de gruwelen van de komende eeuwen nog mee zouden moeten maken, we zouden dit op hoge leeftijd toch zeker niet meer aankunnen. Besef dan tevens dat God diezelfde Mozes eeuwen later toch -op-de berg-Thabor-  nog heeft laten aanschouwen, dat Hij Zijn belofte had waargemaakt en dat Hij Zijn Messias aan Zijn Volk heeft gegeven. Paulus zegt daarvan dat hem gezegd werd: “Mijn Genadegave is u genoeg” en daarop reageerde “Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht”, wat hebben wij nog méér nodig?
2Cor.12: 9
     Vergeet één ding dan niet, het liefste wat de Heer ons geeft, is toch wat Hij weg te geven heeft in Zijn geliefde Zoon. En wanneer aller ogen nu maar weer op Hem gericht mogen zijn, mag u het ook geloven, dat God ons zal geven wat wij voor het Leven in het Hemels Koninkrijk nodig zullen hebben. Zo gaat de Hemelse Vader nu eenmaal om met Zijn kinderen.

Apolytikion     tn4
Spoed U tot mij en open Uw vaderlijke armen;
mijn leven heb ik verkwist.
Doch zie slechts op de onuitputtelijke rijkdom Uw Barmhartigheid, o Verlosser,
veracht niet mijn hongerig hart.
Want vol berouw roep ik tot U:
Ik heb gezondigd, Vader,
tegen de hemel en tegen U
”.

Kondakion     tn3
Vol onbezonnenheid heb ik Uw Vaderlijke heerlijkheid weggeworpen,
en met zondaars heb ik de mij door U geschonken rijkdommen verkwist.
Daarom roep ik tot U het woord van de Verloren Zoon:
Tegen U heb ik gezondigd, barmhartige Vader,
neem mij aan nu ik boete doe,
en maak mij tot een van Uw loondienaren
”.

Orthodoxie & de voorvasten

Zonder de periode van de Vóór-vasten zou men geen enkele voorbereiding hebben op de vastenperiode. De overgang – zo kort na de Kerst, Theophanie en Ontmoeting – naar de Grote Vastentijd vraagt om een voorbereidingsperiode, zelfs vanuit een louter psychologisch standpunt bekeken. Er schuilt veel wijsheid in de traditie van de Kerk.

Sommige mensen verrichten hun taak, omdat zij dit als hun plicht beschouwen; anderen vertrekken pas nadat hen dit diverse malen duidelijk is gemaakt, opdat zij aldus een zuiver geweten wensen te behouden. Nu zijn er ook mensen, die vanwege hun eergevoel en tevredenheid het zo met zichzelf getroffen hebben dat zij hun post nimmer kunnen afstaan; terwijl anderen zich kost wat kost in-spannen, opdat er zal gebeuren wat ‘zij’ willen.  Waarachtig in Geloof vertrouwen op God en vastberaden vasthouden aan gestelde doelen zou wonderen kunnen doen.  Het echter gewoon schoonmaken van je eigen huis [cel, binnenste] is waar je dan dient te beginnen: het verzamelen van de puinhopen en het stof, de vloeren repareren, de muren en de ramen kuisen en vervolgens kun je op het einde van je leven vaststellen, dat je het ‘zelf’ misschien – nog niet eens zo slecht hebt gedaan – en aldus voor de levens-Rechter zal kunnen verschijnen”.
cf. heilige Johannes Climacos [van de Ladder]

    Neigt uw oor en komt tot Mij;
hoort, opdat uw ziel leve;
      Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten
”.
Isaiah 55: 3
Gods stem, die je innerlijke rust geeft, zal je via de Heilige Geest leiden, je verzekerdheid verschaffen, je in zware ogenblikken verlichten, met raad en troost bijstaan, je overtuigen dat je op de goede weg bent en je kalmeren.
De satan daarentegen strikt je in zijn web, dwingt je ‘je eigen zin’ door te drijven, alarmeert je regelmatig, zodat je verward raakt en je jezelf achtervolgt voelt, hij ontmoedigt je en maakt je dat je zorgen krijgt tot een obsessie aan toe en brengt je van Gods pad af.

Heilige Staretz Silouan, monnik van de Athosberg [1866-1936]

Door gebed, stilte en een ascetisch leven, zo mogelijk onder de begeleiding van een geestelijke vader [die zéér schaar zijn], leer je de verschillen in de stemmen in je binnenste te onderscheiden. Voorzichtigheid en gehoorzaamheid aan Gods geboden is altijd nodig. Wees daarom dankbaar voor de talenten, die je meegegeven zijn en bedenk tussen alle bedrijven door dat de wereld helemaal niet -zit te wachten en op de hoogte behoeft te zijn- van je goede werken; het is voldoende als je Vader in de Hemelen dit alles aanschouwt. Als christenen dienen we ons leven zo in te richten, dat we slechts lof en eer brengen aan Hem en mocht de wereld je dan toch eens voor het voetlicht stellen, verwijs dan naar Hem. Wanneer de wereld je toch een keertje op een voetstuk zet, verwijs dan naar je Schepper, want God heeft dit alles mogelijk gemaakt en de wereld dient Hem via jou te prijzen.
Er was eens iemand, die op een gedachte kwam en deze zonder meer aanvaarde; en een ander, die eveneens een voorstelling in de geest van iets kreeg en deze aan de Waarheid toetste; wie van deze twee heeft juist en met eerbied aan de Schepper gehandeld?  
Of de benadering van deze ingevingen van de geest nu goed of slecht benaderd worden, is waarachtig handelen afhankelijk van de mate waarin geduld opgebracht wordt en acceptatie van het feit dat het niet genoeg aandacht zou krijgen [ – de druk, die je ervaart – ]. Geef nimmer anderen de schuld van jouw tegenslagen, want wie iets goeds doet verwacht geen beloning, maar stelt zijn wil ondergeschikt aan die van God, terwijl een zondaar nimmer aan de vergelding kan ontsnappen dan door zich op passende wijze te bekeren van zijn overtreding”.
cf. heilige Marcus de Asceet

Aartsengel Michaël begeleidt de zielen naar het laatste oordeel, miniatuur

Het zal de komende weken van voorbereiding op het grote feest van Pasen wel een beetje meer moeite gaan kosten, maar een waarachtig christen draagt zijn kruis zonder te klagen. En wanneer je het idee krijgt dat jij iets bijzonders bent hou dan voor ogen dat je zonden en zwakheden nimmer . . . . . te rechtvaardigen zullen zijn, maar dat je ‘zelf‘ inziet hoe ‘jij‘ je  -in werkelijkheid-  gedraagt en wie ‘jij‘ voor God bent en vooral dat ‘je‘ je naaste liefhebt als jezelf.

Tradika, metten     tn.7 [horologion blz 97]
Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest“.

Tot de ontoegankelijk Godheid,
tot de Drievoudige Éénheid, zingen wij
steeds opnieuw het Trisagion van de Serafijnen en
roepen met ontzag:
Heilig, Heilig, Heilig, zijt Gij o God;
door de gebeden van al Uw heiligen,
ontferm U over ons“.

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen“.

Schud, evenals de slaap, de traagheid van u af, o ziel;
toon aan de Rechter uw ontwaken tot gerechtigheid,
en roep tot Hem in ontzag:
Heilig, Heilig, Heilig, zijt Gij, O God
door de gebeden van de Al-Heilige Moeder Gods,
ontferm U over ons“.

Februari de 2e – Opdracht in de Tempel, de Ontmoeting van de Heer

Wie verleent ons de Opstanding – Who grants us Resurrection – الذي يهبنا القيامة – Ποιος μας δίνει την Ανάσταση?

En toen de dagen van hun reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem aan de Heer voor te stellen, gelijk geschreven staat in de Wet van de Heer: ‘Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Heer en om een offer te brengen overeenkomstig hetgeen in de wet van de Heer gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven’.
     En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van Israël en de Heilige Geest was op hem. En aan hem was door de Heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus van de Heer gezien had. En hij kwam door de Geest in de tempel.
     En toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen overeenkomstig de gewoonte van de Wet, nam ook hij het in zijn armen en hij loofde God en zei:
          ‘Nu laat Gij, Heer, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, want mijn ogen hebben uw heil aanschouwd, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volkeren: Licht tot verlichting voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël’.
En Zijn vader en Zijn moeder stonden verwonderd over hetgeen van Hem gezegd werd. En Simeon zegende hen en zei tot Maria, Zijn moeder:
          ‘Zie, Deze is gesteld tot een val en Opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat 
weersproken wordt – en door Uw eigen ziel zal een zwaard gaan -, opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden’.
Ook was daar Hanna, een Profetes, een dochter van Phanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem Verlossing verwachtten.
En toen zij alles volbracht hadden, wat volgens de Wet van de Heer te doen was, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth.
Het kind groeide op en werd krachtig, en het werd vervuld met Wijsheid, en de Genade van God  was op Hem”.
Luc.2: 22-40

  Nu is het onweersprekelijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend. En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch daar iemand, van wie wordt getuigd, dat hij leeft. Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Abraham aan het tiendrecht [van een ander] onderworpen, want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Melchisedek deze tegemoet kwam.
Indien nu het Levitische priesterschap het volmaakte gebracht had, immers, daaronder heeft het volk de wet ontvangen – waarom was het dan nog nodig, dat een andere priester naar de ordening van Melchisedek opstond, van Wie niet gezegd werd, dat hij naar de ordening van Aaron is? Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van Wet.
Want Hij, van wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar te doen had: het is immers duidelijk, dat onze Heer uit Juda is gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft.
En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Melchisedek een andere Priester opstaat, Die dit niet geworden is krachtens een Wet met een voorschrift betreffende vleselijke [afkomst, maar krachtens een onvernietigbaar leven. Want van Hem wordt getuigd: Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek“.
Hebr.7: 7-17

Luister dochter, zie en neig uw oor, vergeet uw volk en het huis van uw vader, want de Zoon van God, Die gedragen wordt in de armen van de rechtvaardige Simeon zal ons verlossen. Zijn Troon is tot in eeuwigheid een scepter van Gerechtigheid is de scepter van Zijn Rijk Daarom heeft God, uw God, Hem gezalfd, met olie van Vreugde boven uw gezellen en de Koningin staat aan Zijn rechterzijde met een gewaad van goudbrokaat getooid”.
cf. Antiphonen van deze dag

  Wat gebeurt hier, wat wordt hier vandaag door de Kerk, onze maagdelijke moederschoot, voor ogen gesteld, waarom wordt ons gevraagd onze oren te spitsen? Ja, er vindt hier een ontmoeting plaats, dat zien we wel overeenkomstig de wet van Mozes en er wordt daarmee een hoofdstuk afgesloten en een nieuw beging gemaakt; ook dat gaat er nog wel in. Maar waarom twee oudjes, die een heel leven achter de rug hebben?

➥ Is het misschien omdat je wanneer je oud bent, je eindelijk weer kunt spelen? – volgens Epicurus [Gr. Ἐπίκουρος 340-270 v.Chr] Grieks filosoof en aanhanger van het atomisme [de mens dient als rationeel wezen als volledig zelfstandige ‘atomen‘ te worden gezien; los van sociale en maatschappelijke relaties en ongebreideld aards genot dient na te jagen] ‘is de ouderdom het hoogtepunt van ons leven, omdat we dan vrij zijn van streven’ en je jezelf toonaangevend en provocerend niet behoeft te binden aan welke levensvisie dan ook, gewoon leven als god in Frankrijk? Dit zal de meesten onder ons – kinderen van deze tijd – als muziek in de oren klinken; we wandelen immers nog maar zelden in de Gods- tuin als voorbereiding op de ontmoeting met de goddelijke Tuinman – gebed is immers niet langer de venster van de hedendaagse ziel.

Mozes en de brandende braambos

➥ Of  is een ontmoeting, die plaats vindt, een gebeurtenis, die iets vertelt over jezelf? Iets waar jij net als de profeet Mozes energie aan onttrekt, hetgeen je bijzonder de moeite waard vindt op je levensweg; je ambities, je toekomst, de meest relevante activiteit? Gebed is als het je open stellen voor de gemeenschappelijke betekenis van de Schepping. Je mag jezelf daarbij de vraag stellen of je werkelijk het lef hebt iets van jezelf laat zien en aan het hogere wezen te tonen; want anders gaat de communicatie mislukken en verdwijnt  de gelijkwaardigheid/  gemeenschappelijkheid God-mens, mens-God. De dialoog met God opzoeken is zinvol, maar werkt averechts als je het doet om jezelf te verbergen; je dient ècht wel iets van jezelf te laten zien, dat is de rolverdeling, anders heeft het moment van zo’n ontmoeting geen enkele zin. Wanneer je echter – in jouw huis, in jouw Tempel een ontmoeting met de Hemelse Koning gaat hebben, zorg er dan voor dat je goed bent voorbereid. Je gaat eens goed door je klerenkast om te zien wat je aantrekt; de schoenenkast wordt nageplozen en de gekozen schoenen gepoetst. Een afspraak met de kapper zodat je er op z’n best uitziet. Je huis wordt op orde gemaakt en de oprit nog eens extra geveegd, het onkruid uit de tuin verwijdert. Buren en vrienden worden gemobiliseerd om samen te zorgen dat je er klaar voor bent. En ondertussen ben je zó druk dat je geen tijd over hebt om te eten omdat deze ontmoeting immers perfect dient te zijn. Hier wil jij je zelf op je best presenteren en het maximale uit deze ontmoeting halen. Aanstaande zondag is het de eerste zondag van de voorvasten en worden we net als alle Isaëlieten in Susa bij opgeroepen tot het vasten: “Eet niet en drink niet, overdag niet en ’s nachts niet, drie dagen lang. Ook ik zal op die manier vasten met mijn dienaressen. En na die voorbereiding zal ik naar de koning gaan, al is dat tegen de wet. Moet ik omkomen, goed, dan zal ik omkomen”.
Ester 4: 16
Wanneer je weet dat je een ontmoeting met God gaat hebben is het belangrijk je voor te bereiden. Wanneer je weet dat je met meerdere mensen een ontmoeting met God gaat hebben is het belangrijk dat iedereen zich voorbereidt
  tijd apart zetten om jezelf af te vragen wat je van God verwacht;
  te vasten om zoveel mogelijk tijd te kunnen steken in je voorbereiding;
  je leven onder de loep te nemen en orde op zaken te stellen zodat je het maximale uit je ontmoeting kunt halen;
  zorgen dat je anderen bemoedigt en aanspoort dat met jou samen te doen.
Misschien beginnen we nu te begrijpen, waarom de Kerk ons de ontmoeting in deze periode  met ‘de Heer in de Tempel‘ voor ogen stelt, waarom ons gevraagd wordt ons oor te neigen en onze nationale en persoonlijk afkomst te vergeten. Ontmoeting is een levenskunst, je voorbereiden op de ontmoeting met jouw Heer en Zaligmaker, die o zo ver van ons verwijderd blijkt te zijn. Zolang je leeft dien je jezelf op de dood voor te bereiden; de dood die een ieder van ons vroeg of laat zal tegenkomen; niemand is hiervan gevrijwaard en op zo’n moment kun je alleen God nog aanroepen.

‘De Profeten’, by Abraham Joshu Heschel

➥   Het eerste Verbond kent profeten [zieners, woordvoerders (de mond) van God], die van Godswege hebben gesproken, maar waarvan ons geen geschrift is nagelaten. We noemen hen woordprofeten, tot hen behoren bijvoorbeeld Elia en Elisa. Het Oude Testament kent echter ook profeten waarvan wij een schriftelijke vastlegging hebben, tot hen behoren de schriftprofeten: Ezechiel, Jeremia, Jesaja en de 12 zogeheten “kleine profeten”, Hosea t/m Maleachi. Ook Abraham [Gen.20: 7], Mozes [Deut.18: 15, 34: 10], Aaron [Ex.7: 1], Samuel [1Sam.3: 20], David [Hand.2: 30] worden in de Bijbel “profeet”genoemd, omdat God door hen gedeelten van Zijn plan heeft bekendgemaakt.

✥ ✥ ✥ Vandaag gebeurt er iets vreemds, Jezus Christus, de Zoon van God, geboren uit de Maagd gaat overeenkomstig de Joodse wet [Hij is afkomstig uit het Joodse Volk] naar de Tempel om als eerstgeborene van het mannelijk geslacht – die Heilig [heel] heet voor de Heer, een offer te brengen: ‘een paar tortelduiven of twee jonge duiven’En dan komt Hem, als Zoon van God, die Zich aan Mozes’ wet houdt een man uit Jeruzalem tegemoet, wiens naam Simeon is, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van Israël en de Heilige Geest was op hem. En aan hem was [als een profeet] door de Heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus van de Heer gezien had. En hij kwam door de Geest in de Tempel.
          En deze vrome man uit Jeruzalem spreekt namens God zoals een profeet dat doet; een actueel spreken, dwz. hij spreekt altijd in een bepaalde concrete situatie van Israëls geschiedenis. Dat spreken is vermanend of vertroostend, al naar gelang de situatie. In dat spreken komen het godsdienstige, sociale en maatschappelijk leven aan de orde. Wanneer het volk Israël door allerlei invloeden en oorzaken onder de bekoring kwam van het veelgodendom [zoals in hun omgeving het geval was] en verviel tot een louter formele dienst aan God [afval, ongehoorzaamheid], dan waren het de profeten, die het volk van Godswege opriepen tot inkeer en omkeer, tot vasten. 
In het profetisch spreken blijken elementen en gedachten voor te komen die over de grens van de direct historische situatie van dat ogenblik heen reiken.

– Ontwikkeling –

Anders gezegd: de profetie gaat zo nu en dan het actuele gebeuren te boven waardoor het Woord van God een wijdere strekking en een diepere vervulling krijgt. Zulk een spreken kan plaatsvinden omdat God, Die de profeten doet spreken, niet gebonden is aan de grenzen van de tijd. Wanneer de profetie op een verder liggende gebeurtenis betrekking heeft, kan, afhankelijk van de tijd waarin de profeet optreedt aan de volgende situaties gedacht worden:
1.]. de terugkeer uit de ballingschap;
2.]. het leven, lijden, sterven en Opstanding van de Heer Jezus Christus;
3.] het ontstaan, wezen en uitbreiding van de christelijke gemeente, bestaande;
     uit gelovigen met zowel een joodse als heidense achtergrond [Eph.2: 11-22];
4.]. de voleinding, dat is, de terugkeer van Jezus met de daarmee
      verbonden elementen van heil (volle verlossing) en onheil (oordeel).
De reikwijdte van sommige profetieën hebben er toe geleid, dat de profeten vaak in het onzekere verkeerden over de uiteindelijke strekking van hun boodschap. Zij zagen wel in de verte, maar hun horizon bleef onscherp en beperkt. [1Petr.1:10-12, vgl. Hebr.11: 13-16, 39&40].
Nota bene is de profetische taal geen feitelijke, exacte informatie. Ze is poëtisch van aard, beeldtaal, een icoonschilderkunst met woorden; voor ons gevoel vaak omslachtig en overdadig. Profetie verkondigt, maakt duidelijk dat Gods reddend en richtend bezig is Zijn koninklijke heerschappij door te zetten tot het voltooid is en Hij kan zien dat het goed is. In dat scheppend werk van God naar de uiteindelijke triomf zien de profeten de ene toekomst onstuitbaar op zich afkomen.

Simeon: “ – ‘Nu laat Gij Uw dienaar heengaan, o Meester, volgens Ue heilig Woord in Vrede. Want mijn ogen hebben Uw Heil aanschouwd, dat Gij bereid hebt voor het oog van alle volkeren. Licht, tot verlichting van de heidenen en tot Glorie van Uw Volk Israël’ – [vert. Horologion blz 306 ROK, ‘s-Gravenhage]. Christus’ pleegvader en moeder waren verbaasd over wat er over Hem werd gezegd en Simeon

– De vervulling van het Oude Testament, protyposeon op de Theotokos –

zegende hen en zei tegen Maria, Zijn moeder: ‘Weet wel dat velen in Israël door hem ten val zullen komen of juist zullen opstaan. Hij zal een teken zijn dat betwist wordt en zelf zult u als door een zwaard doorstoken worden. Zo zal de gezindheid van velen aan het licht komen’.
cf. Luc.2: 29-35

Dit ‘heengaan van Gods dienaar werd vaak als sterven opgevat. De heilige Geest, zo vertelt Lucas, had immers aan Simeon doen weten, dat hij de dood niet zou zien, voordat hij Gods gezalfde zou hebben gezien. Het wordt in ons Orthodox Getijdengebed [Vespers], gebruikt om de dag mee af te sluiten; een hymne ook om mee vooruit te blikken op het einde van ons leven: ‘Nu kan ik rustig sterven. Want mijn ogen hebben Uw Heil gezien’.  De Naardense Bijbelvertaling luidt: ‘

– ‘Meester, nu laat Gij Uw dienaar gaan in Verde naar Uw Woord’ –

Meester, nu laat gij Uw dienaar los’ – van ‘vrijuit laten gaan’.   ’Losmaken’, ‘verlossen’ dat is dus de grondbetekenis van dit werkwoord. Wanneer dit werkwoord bij Deutero-Isaiah gebruikt wordt is er nooit sprake van het einde van een weg, van iemands levensweg, maar juist van ‘het begin van een weg‘ of van een nieuwe weg.
Het boek van de tweede Isaiah  was bestemd voor de periode van de Babylonische ballingschap. De wanhoop van de ballingen, maar ook van de achterblijvers in Judea was groot. Er was weinig vertrouwen dat de ballingen ooit weer terug zouden keren.
Aan Babels stromen zaten wij, daar weenden wij’’ in die situatie zijn de woorden van de tweede Isaiah zeer troostend en bemoedigend. God wordt daar ‘de Verlosser van Israël’ [van de Kerk] genoemd. Er worden vergelijkingen getrokken met verlossing in het 
verleden, de bevrijding uit het slavenhuis Egypte. Hierop baseert Isaiah de verwachting dat God zijn volk ook opnieuw zal verlossen.
Steeds wanneer er bij Isaiah sprake is van verlossing [en ook van redding/heil], dan staat dat in verband met beweging, met het gaan van een weg; wanneer er sprake is van verlossing (en ook van redding/heil), dan wordt dat niet beschreven als eindpunt, als een tot rust komen, maar dan staat het juist in verband met beweging, met het gaan van een 
weg. Deze weg, die het verloste volk mag gaan, wordt vergeleken met de weg door de Rietzee, het “pad door machtige wateren
Isaiah 43: 14-21

   Wat is het dan, dat Simeon heeft gezien? Volgens Lucas’ weergave van de Blijde Boodschap  gewoon een pasgeboren baby, het kind van arme ouders, gezien het eenvoudige offer dat ze brengen. Maar in dit helder ogenblik zag Simeon méér, verlicht door de Heilige Geest; de Lichtglans van Gods aangezicht zag hij weerspiegeld in dit kind. Hij wist: “een lichtende persoonlijkheid zal dit kind zijn, Jezus, Christus, de Zoon van God, is een Toorts, een Lichtdrager“.
Dit beeld van -Licht, dit visioen van Licht roept immers allerlei verwachtingen op. Want wat doet licht; wat brengt het teweeg? Licht ontmaskert; wat het daglicht niet verdragen kan, wordt ontmaskerd door het licht; onrecht, gesjoemel, haat en nijd. Licht geeft Hoop; het is een teken van Leven voor wie verkeren in duisternis en schaduw van de dood. Met licht zie je waar je loopt. Met een lamp voor je voeten en een licht op je pad, kom je een stuk verder. Bij licht komen de dingen in een ander licht te staan dan in het pikkedonker van een doorwaakte nacht; wat een afgang lijkt, blijkt een opgaande beweging; wat verlies leek, wordt winst; wanhoop slaat om in hoop.
Dit is wat Simeon ziet in de ogen van dit Goddelijk kind; dit is wat hij verwacht dat er zal gaan gebeuren; dat er verhelderend, ontmaskerend, hoopgevend Licht op zal gaan. Daarom zegent hij zijn God met dit avondlied.
Maar ondertussen is er in zijn situatie en die van Hanna en van de mensen rondom hem van zichtbare redding en verlossing eigenlijk helemaal geen sprake. De Romeinse bezetters zijn niet van de een-op-de-andere-dag verdreven. Er is ook niet duidelijk sprake van bevrijding van innerlijke bezetters, kwade neigingen, angsten, schuldbesef.

Christus, het Licht der wereld – temidden van Zijn Heiligen.

Wat houdt die verlossing dàn in, waarvan Simeon zingt; de verlossing waardoor hij vrij is om te gaan op de weg van de vrede? Ik denk dat de glimp van het komende Licht dat Simeon heeft gezien in het kind in zijn armen hem voorgoed verlost heeft van zijn moedeloosheid, van de ontgoocheling, van zijn wanhopen aan Gods trouw en de mogelijkheid van menselijke goedheid, verlost van alle desillusie, misschien ook van opkomend cynisme.
Ik denk dat Simeon door wat hij zag vrijuit de weg van de Hoop kon inslaan. De weg van de Hoop, Die bij Isaiah ook de weg van de Vrede wordt genoemd, òf de weg van de geboden, òf de weg van de terugkeer naar God òf de weg van God naar ons toe.
De tekst van Simeon “In Vrede mag ik vrijuit m’n weg vervolgen” beschrijft dus niet het einde van een weg, maar het begin ervan, of het verloop. Simeons tekst lijkt niet zozeer op een avondlied, maar veel meer op de klassieke woorden van de wegzending, aan het einde van de Goddelijke Liturgie:
Dat Christus, Die opgestaan is uit de doden] onze ware God, Zich over ons mogen ontfermen en ons zal redden: door de Kracht van het kostbare en levendmakende Kruis; door de gebeden van Zijn al-onbevlekte Moeder; door de bijstand van de roemrijke, Hemelse Krachten van de Engelen; door de smeekbede van de eerbiedwaardige, roemrijke Profeet, Voorloper en Doper Johannes; van de roemrijke alom-geëerde Apostelen; van de heilige, roemrijke overwinning-dragende Martelaren; van d eerbiedwaardige, Christus-dragende Vaderen; van onze Vader onder de Heiligen, Johannes Chrysostomos, wiens Liturgie wij gevierd hebben; van de Heilige, die wij vandaag herdenken en van alle heiligen, Want onze God is goed en heeft de mensen lief”.

En wij mensen?:
Wij menselijke wezens hebben onze bankrekening opgebouwd [met goud en zilver], bezitten meer kleding dan ons lief is, dragen [bloed]diamanten en andere voorwerpen die het bewijs in zich dragen van oorlog en tirannie; wij bezitten een dwaze arrogantie, welke ons hart verhardt; voor onze broeders in nood hebben wij geen medelijden; wij zijn volkomen blind! . . . Houd je niet op met de wet van de sterksten, maar houd je aan de wet van de Schepper.
Helpt de natuur naar uw beste vermogens, eert de vrijheid van de schepping, beschermt uw soort tegen de schande, komt voor hen op en staat allen de zieken bij, redt degenen die in armoede verkeren . . . . .
Tracht daarbij jezelf alleen van anderen te onderscheiden in je vrijgevigheid. Verkondig God aan de armen, door Gods Genade na te bootsen. De mensheid heeft niets zoveel gemeen met God als het vermogen om goed te doen
”.
cf. de Heilige Gregorius van Nazianze, de Theoloog

Apolytikion     tn1
Verheug u, Hoogebegenadigde Moeder Gods en Maagd;
want uit U is opgegaan de Zon der Gerechtigheid:
Christus, onze God,
om hen te verlichten, die in duisternis gezeten zijn.
Verheug u ook rechtvaardige Grijsaard, want
in uw handen hebt gij gedragen de Bevrijder van onze zielen,
Doe ons ook de Opstanding schenkt
”.

Kondakion     tn.1
Door Uw Geboorte hebt Gij de maagdelijke schoot geheiligd,
en de armen van de gerechte Simeon gezegd.
Gij zijt gekomen, Christus God,  om ons heden te redden.
Schenk vrede aan uw Stad, en versterk hen, die
Gij bemint, o enig menslievende
”.

Orthodoxie & de Waarheid des Heren blijft in eeuwigheid

God, Gij hebt mij onderricht van mijn jeugd af
Verlaat mij niet, o God, nu ik grijs word en oud . . .
Psalm 70: 17,18

  Staat er niet geschreven, dat mijn huis een bedehuis zal heten voor alle volken?”.
Marc.11: 17
De tegenstrever schept plezier in het verblinden van de Waarheid, welke ons vanuit de Blijde Boodschap, de Pedagogie van de Heer en Verlosser, Jezus Christus bereikt. Het Evangelie wordt hierdoor afgeschermd en het:
Verwart hen, die verloren gaan, ongelovigen, wier overleggingen de god van deze eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel van het evangelie der heerlijkheid van Christus niet ontwaren, hetgeen het Beeld van God is”.
2Cor.4: 4
De tegenstrevers nemen de mens in beslag  door zijn bedriegerijen; het lijkt er haast op, dat God hen [als bij Job] in de gelegenheid stelt de waarheid te verdraaien: “ en de mens zich, ontnuchterd, wendt tot Gods Wil, teneinde los te komen uit de strik van de duivelen, die hem gevangen houden”.
conf. 2Tim.2: 26

De tegenstrever en zijn trawanten

De tegenstrevers verdraaien de Schriften, zoals we zien toen hij  Christus op de rand van  het dak van de Tempel plaats liet nemen en Hem zei:
Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelf dan naar beneden; er staat immers geschreven: Aan zijn engelen zal Hij opdracht geven aangaande u en op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot”.
Matth.4: 6
Hij werkt trouwe dienaren tegen God in het harnas, zoals Paulus ons duidelijk maakt:
Wij, of liever: ik, Paulus, heb namelijk een en andermaal tot u willen komen, doch de satan heeft het ons belet”.
1Thess.2: 18
De Satan en zijn trawanten kunnen zich voordoen als dienaren van Gods, als pilaarbijters:
Want zulke lieden zijn schijn-apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als  Apostelen van Christus. Geen wonder ook! Immers, de satan zelf  doet zich voor als een engel van het licht”.
2Cor.11: 13,14
De duivel is een leugenaar en de vader van de leugen en de tegenstander van de Blijde Boodschap van Christus:
  Waarom begrijpt gij niet wat Ik zeg? Omdat gij Mijn Woord niet kunt horen. 
Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensen-moordenaar vanaf het begin en staat niet in de Waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en  de vader der leugen.
Maar omdat Ik [Christus] U de Waarheid zeg – Mij gelooft gij niet. Wie van u overtuigt Mij van zonde? Als Ik waarheid spreek, waarom gelooft gij Mij niet?”.
John. 8: 43-46
Wanneer je met Christus in aanraking komt, hetgeen een Genadegave van de Heilige Geest is begin je de Blijde Boodschap te lezen, want op die manier leer je God kennen; het is echter verstandig dit vanuit de Traditie van de Kerk te doen, want je begint je zonder meer vragen te stellen. Je zult jezelf vragen gaan stellen, want je komt dingen tegen van wat dit voor jouw persoonlijk leven allemaal betekent. Wanneer je jezelf als Christen bevestigd hebt, met Christus bekleed bent door het doopsel en de zalving met de Myron – sta je weliswaar op de goede weg, maar je bent er nog niet.
Zoals je bij Christus op de rand van het dak van de Tempel zag, is de tegenstrever zich rot geschrokken en probeert hij al het mogelijke om jou persoonlijk onderuit te halen.

Wanneer je onafhankelijk van de Kerk, de Schrift, de Blijde Boodschap leest en herleest zul je het gevoel krijgen dat je bepaalde capaciteiten mist, het vermogen om bepaalde dingen ten aanzien van je levenspad te duiden. Neem de gelijkenis van de zaaier – Christus Zelf vond het nodig om hier nadere uitleg aan te geven en nog is het je niet helemaal duidelijk. Wat is het zaad wat op rotsgrond, op de weg, tussen de dorens [het onkruid] en in de goede grond valt; wie of welke omstandigheden worden hier bedoeld?
Het geeft aan dat je verplicht bent je jezelf in samenhang op basis van de Kerkvaders met je christelijke gemeenschap te laten informeren; het is een plicht om daar gebruik van te maken.
De parabel van de Zaaier kan namelijk geheel fout worden geïnterpreteerd.
Christus heeft deze gelijkenis verteld om de verschillende effecten op de mens aan te tonen, wanneer hem Het Woord Gods wordt gepredikt – dit heeft totaal niets van doen met de verantwoordelijkheid van een mens om zijn eigen bekwaamheden en Genadegaven te gebruiken.
De Verklaring van deze parabel wordt door Christus, onze Heer Zelf al gegeven:
Dit is de gelijkenis: Het zaad is het Woord Gods.
Die langs de weg, zijn zij, die het gehoord hebben; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven en behouden worden.
Die op de rotsbodem, zijn zij, die het woord, zodra zij het horen, met blijdschap ontvangen; en dezen hebben geen wortel, zij geloven voor een tijd en in een tijd van beproeving worden zij afvallig.
Wat in de dorens viel, dat zijn zij, die het gehoord hebben; en gaandeweg worden zij door zorgen en rijkdom en lusten des levens verstikt en zij brengen het niet tot vrucht.
  Dat in goede aarde, dat zijn zij, die met een goed en vroom hart het woord gehoord hebbende, dat vasthouden en vrucht dragen in volharding.
Niemand steekt een lamp aan en bedekt die met een vat of zet haar onder een bed, maar hij zet haar op een standaard, opdat wie binnentreden het licht mogen zien.
Want er is niets verborgen, dat niet aan het licht zal komen, en niets geheim, dat niet zal bekend worden en aan het licht komen”.
Luc.8: 11-17

Bijbelezing dient van oudsher in gemeenschap met de Kerk te gebeuren

Veelal wordt bovenstaande gelijkenis verbonden aan de parabel van de Talenten, welke in Matth.25: 14-30 iets vermeldt van de gemiste kansen; Christus vraagt echter getrouwheid van Zijn Volgelingen, dat betekent Hem nauwgezet te volgen.
We dienen samen met de Kerk te werken aan deze taak en er zijn  – net zoals Christus met de Emmaüsgangers – regelmatig momenten dat we teruggrijpen aan de hand van de Kerkvaders op het gemeenschappelijk erfgoed van de Kerk vanuit de geschiedenis van Israël [de Abrahamitische religie].

World by Ortelius

De Orthodoxie verwerpt de westerse opinie van het gezag van een mens over de Kerk, de Kerk is het Lichaam van Christus en behoort alleen Hem toe, zij heeft de sacramentele [Mysterie] verbintenissen door middel van het vasthouden aan de doctrines van de eerste zeven Oecumenische Concilies behouden en betreurt de breuk met het Westen, die in 1054 A.D. plaatsvond. De tweedeling had tot gevolg dat de leer voorop gesteld werd ten opzichte van macht en gezag en er ontstond een geestelijk overspelige relatie tussen de politieke invloed en de afvallige kerkleiders ….. beide stromingen beweren rechtstreeks van Christus en de Apostelen afkomstig te zijn, maar dat deze claim was/is vervalst en duidelijk niet in overeenstemming met de Apostolische leerstellingen en praktijken. Jammerlijk is de uitwerking, die deze breuk heeft gehad op het gehele Westen, de afscheidingen volgden elkaar op en de tegenstrever lachte in z’n knuistje bij zoveel chaotische taferelen.
De Westelijke kerk vereren de Moeder Gods; en/of tal van ‘heiligen’; en/of hun kerkleiders; en/of het Communie brood [de hostie] – en andere dingen als afgoden; hoewel de Blijde Boodschap ons voorhoudt dat:

H. Nicolaas weigert de borst van zijn moeder, anoniem

  Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.
     Daarom dan, mijn geliefden, ontvlucht de afgoderij!
1Cor.10: 13-14
We dienen ons te verzetten tegen afgodendienaars en hen niet te legitimeren: “   Nu evenwel schrijf ik u, dat gij niet moet omgaan met iemand, die, al heet hij een broeder, een ontuchtige, geldgierige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard, of oplichter is; met zo iemand moet gij zelfs niet samen eten”.
1Cor.5: 11;
    Indien iemand een andere leer verkondigt en zich niet voegt naar de gezonde woorden van onze Heer Jezus Christus en de leer der godsvrucht, dan is hij opgeblazen, hoewel hij niets weet, en heeft hij een zwak voor geschillen en haarkloverijen, een bron van nijd, twist, lasteringen, kwade vermoedens en geharrewar bij mensen die niet helder meer zijn van denken en het spoor der waarheid bijster geraakt zijn, daar  zij de godsvrucht als iets winstgevends beschouwen”.
1Tim.6: 3-5;
    Een ieder, die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet; wie in die leer blijft, deze heeft zowel de Vader als de Zoon.
     Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en heet hem niet welkom. Want wie hem welkom heet, heeft deel aan zijn boze werken“.
2John 1:9-11;
  Want gij waart vroeger duisternis, maar thans zijt gij licht in de Heer; wandelt als kinderen van het Licht, – want de vrucht van het Licht bestaat in louter goedheid 
en gerechtigheid en waarheid – en toetst wat de Heer welbehaaglijk is.
    En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmaskert ze veeleer, want het is zelfs schandelijk om te noemen, wat heimelijk door hen wordt verricht; maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is Licht”.
Eph. 5: 8-13

Elke winter komt Christus met Zijn eenvoud ons weer op onze weg tegemoet en probeert onze ziel in onze nood en moeilijkheden met Zijn nederigheid aan te raken, teneinde onze wereld te verlichten met Zijn Goddelijke Vrede.
De Heer roept ons op ons opnieuw bij Hem aan te sluiten en  samen met ons Zijn Tempel in onze ziel op te bouwen; Hij plant Zijn zaden in het hart en in de gehele menselijke persoon.
God die van oudsher de hemelen heeft gevestigd, strooit deemoedig het manna in de woestijn rond, teneinde Zijn Volk te voeden. Het is niet voldoende alleen maar naar de voorschriften van de Heer te luisteren, maar men dient deze met grote nauwkeurigheid te bestuderen en ze door te laten dringen in het hart, opdat onze handen Zijn werken kunnen vervullen.
De Genade van Zijn Heilige Geest vervult onze omgeving met Heerlijkheid en doet ons hart overstromen van Vreugde.
De situatie waarin we ons nu bevinden is zoals de Apostel het verwoordt:
  Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in Rechtvaardigheid, Vrede en Blijdschap, door de Heilige Geest.
    Want wie door deze Geest een dienstknecht is van Christus,
is welgevallig bij God, en in achting bij de mensen
”.
Rom.14: 17,18
Ons geloof is niet gebaseerd op iemands inzichten, maar de wijze waarop hij/zij met de dingen omgaat en is het overtuigend bewijs van zijn/haar geest en kracht. Wij zijn een van degenen die de Heer voorafgaan, zoals Hij gezegd heeft:
Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in Zijn Koninklijke Waardigheid”.
Matth.16: 28
Zo zijn wij in staat de Heer te verwelkomen, want het is een grote Vreugde Hem te verwelkomen: zoals Macarios van AlexandrIë, [de Grote] het formuleerde:
Leven temidden van de Heilige Geest heb ik in mijn hart ontvangen dankzij de Genadegave van de Heilige Geest”. Je behoeft er niet meer bij stil te staan op welke manier de Heilige Geest Zich in jou openbaart, je weet zèlf via doen en laten wel wat hetgeen is dat je motiveert om datgene te doen wat Christus van je verlangt. God begeleidt je op je weg en sterkt je in je Geloof en maakt je ten nutte voor je medemens.
Verkondig door je daden Gods Heilige Boodschap . . . in deze is niets onmogelijk, je kunt bergen verzetten . . .  wanneer je hierom bidt zal God al je verzoeken verhoren, wanneer het gaat om je broeders en zusters terzijde te staan. De Heer weet wat we nodig hebben en maakt regelmatig van de harde wijze gebruik om het ons duidelijk te maken. Hij wil dat we elkanders lasten dragen; niets scheidt ons armzalig geluk af van Zijn Glorie. Alles wat we voor de kleinste van zijn broeders doen, zal ook voor ons werken.
De Heer kijkt naar het hart van eenieder die oprecht vervuld is met het geloof dat Zijn Geest in ons zal neerdalen, opdat het menselijk hart in staat is het Koninkrijk van God te omvatten, want de Heilige Geest en het Koninkrijk Gods is één.
cf. Heilige Seraphim van Sarov

Jezus reinigt de Tempel

➽ Jeremia zegt het zo:
Ga, predik ten aanhoren van Jeruzalem: Zo zegt de Heer: ‘Ik gedenk de genegenheid van uw jeugd, de liefde van uw bruidstijd, toen jullie Mij gevolgd waren in de woestijn, in onbezaaid land’; Israël [de Kerk] was de Heer geheiligd, de eersteling van Zijn opbrengst; allen die daarvan wilden eten, zouden schuld op zich laden, onheil zou over hen komen luidt het woord van de Heer. ‘
Hoort het Woord van de Heer, o huis van Jacob en alle geslachten van het huis Israël!’”
Jer. 2: 2-4

Profeet Jeremia

Is dit een Profetische overdrijving; is alles wel zo rozengeur en maneschijn geweest in dat door en door verdorde landschap? Weet de Profeet soms niet van het morren en klagen, van het murmeren en de opstand tegen God? Kent hij de tartende, maar o zo begrijpelijke, invoelbare vraag niet: ‘Waar is onze God?‘. Want waar, maar meer hoe klinkt Zijn stem? Was de Profeet het gebeuren van Massa en Meriba [Ex.17: 7] vergeten; omdat zij de Heer op de proef gesteld hadden door te zeggen: ‘Is de Heer nu in ons midden of niet?‘.
Herodes heeft zelfs de stem van de woestijn, monddood gemaakt, klein gekregen; de Profetie lijkt het Woord ontnomen te hebben, het uitzicht versperd. Hoe zullen wij de weg te weten komen. Jezus brengt zijn volgelingen naar de woestijn:

Heilige Marcus, Apostel & Evangelist

En de apostelen kwamen weer samen bij Jezus en berichtten Hem al wat zij gedaan en geleerd hadden. En Hij zeide tot hen: “Komt hier en gaat [met Mij] alleen naar een eenzame plaats [de woestijn] en rust een weinig. Want er waren velen, die kwamen en gingen, en zij hadden zelfs geen tijd om te eten. En zij vertrokken in het schip naar een eenzame plaats, alleen. En zij zagen hen wegvaren en velen letten erop, en zij liepen te voet uit al de steden daarheen en waren er voor hen. En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hun vele dingen te leren. En toen het reeds laat geworden was, kwamen zijn discipelen tot Hem en zeiden: De plaats [hier] is eenzaam en het is reeds laat. Zend hen weg, dan kunnen zij naar de gehuchten en dorpen in de omtrek gaan om voedsel voor zich te kopen. Maar Hij antwoordde hun en zeide: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij dan voor tweehonderd schellingen brood gaan kopen en hun te eten geven? Hij zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Gaat eens zien! En toen zij het nagegaan hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen. En Hij droeg hun op, dat allen groepsgewijze moesten gaan zitten op het groene gras. En zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig. En Hij nam de vijf broden en de twee vissen, zag op naar de hemel, sprak de zegen uit en brak de broden en gaf ze aan de discipelen, dat die ze hun zouden voorzetten, en de twee vissen verdeelde Hij onder allen. En zij aten allen en werden verzadigd. En zij raapten de brokken op, twaalf manden vol, en ook van de vissen. En die de broden gegeten hadden, waren vijfduizend man“.
Marc.6: 30-44
Christus, de eeuwige Verlosser verleent hen ‘Water uit de rots’ en ‘Brood uit de woestijn’. 
Zij verlaten het land en daarmee al degenen, die kwamen en gingen . . . . .  Een wonderlijk decor, zeker als we in herinnering houden dat we in die woestijn de stem van Johannes niet zullen horen en tevens niet zullen horen van gebaande paden en rechte wegen. Zij gaan naar de woestijn, die plaats van de eerste prille liefde, maar ook de plaats van verzoeking en lokkende beproeving, de plaats waar de Bevrijding kan worden ontkend, waar gezegd ken worden: “Laten we teruggaan naar Egypte [de wereld], daar hadden we het goed”.
De woestijn is alles behalve een plaats voor een rustgevende barbecue, een picknick. Het is daar onheilspellend, zeker na de dood van Johannes, er is daar geen padvinder, geen voorloper; en de menigte waagt zich toch in die woestijn, ze gaan er te voet heen.
Maar daar horen ze van de Heer waarom het Volk en de Volgelingen zich daarheen dienen te begeven. Zij komen naar de woestijn om daar te horen van de Ontferming van onze Heer; zij horen daar dat zij zijn als schapen ‘zonder’ een herder. Ze horen dat Christus hen daar onderricht geeft, maar wat Christus leert, hoe Hij Zijn Blijde Boodschap overdraagt, lijkt Marcus niet te vermelden.
Dat ‘zij zijn als schapen zonder een herder’ zijn Profetische woorden, dat er geen goede koningen zijn; er zijn alleen maar slechte koningen. Koningen volgens het herodïsch model zijn koningen, die niet deugen. Dat zijn koningen, die de Profetie om zeep helpen, de Profeet een kopje kleiner maken, dat zijn pilaarbijters [‘schijn’-heiligen].
Door die woorden worden bij Marcus de visioenen van Jeremia en Ezechiël opgeroepen. En dan kan de Naam van de Koning, Die verwacht wordt, in grote letters worden gespeld: De heer, onze Verlosser, onze Gerechtigheid . . . . .; Dat Koningschap wordt opgeroepen in de woestijn en daar zorgt Marcus dat de Volk [de schare] en de Volgelingen dat aanwezig zijn.

Christus voedt de schare – de tafel in de woestijn

Zo blijkt de woestijn een plaats te zijn van onderricht, want in de woestijn wordt het uitzicht opengehouden voor het onderricht, het Beloofde Land, waar het Volk uiteindelijk wonderbaar gevoed zal worden met het manna. Ver verwijderd en vrijgesteld van het werk van onze eigen handen, ver weg van wat wij menen te kunnen maken en produceren, levend alleen van de Belofte.
Onze Heer, geeft bij het ontbreken van middelen, een ontnuchterend antwoord:
Geeft hun te eten”; zo wordt duidelijk
wáár de verantwoordelijkheden liggen.
Er zijn ternauwernood vijf broden en twee vissen en we weten niet wat Degene, Die leeft, de Enige, Die Trouw en Betrouwbaar is daar allemaal mee kan doen. Laat de mensen gaan zitten.
Hij neemt echter de broden en de vissen, slaat Zijn ogen op ten Hemel, sprak de zegen en brak de broden; Hij gaf ze aan de Volgelingen, opdat zij dit proces zouden voortzetten.
Dit zijn Liturgische woorden, Die ons herinneren aan ons Bevrijdingsmaal, aan het Hemels Koninkrijk, welke in eeuwigheid blijft.
  Zo wordt een glimp opgevangen van het Koninkrijk wat komen gaat . .
  Zo wordt de weg geëffend en zo worden de paden gelijk gemaakt.
➥ Daarom komen we samen rondom de offertafel en eten we van hetzelfde brood en drinken uit dezelfde beker tot herinnering aan de Vreugde [het Licht], Die ons te wachten staat.
Kan het dan werkelijk zo zijn, dat we elkaar dag in dag uit aan die ene tafel kunnen ontmoeten, in overleg mededeelzaam, mededelend als broeders en zusters van de Ene God, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.     Amen. 

Januari de 1e, Besnijdenis des Heren & gedachtenis aan de Heilige Basilios de Grote en de Heilige Gregorius van Nazianze

Besnijdenis des Heren

De Besnijdenis des Heren is ontstaan als uiting van de overeenkomst [het Verbond] tussen Abraham, de voorvader van alle volkeren en God, hetgeen blijkt uit datgene wat Mozes toen hij  van de berg afdaalde op de geschreven Wet van het oude Verbond heeft beschreven.
Teneinde zich verbonden te weten met het Joodse, het met God verbonden Volk werd  hen opgedragen de door God gegeven Wet te handhaven en zich te laten besnijden, waarmee het Verbond met God werd bevestigd.
God heeft met het Verbond tussen God en de mens slechts één heilsplan voor ogen gehad; het Verbond der Wet, dat wél verplichtingen oplegt aan de partij (Israël) waarmee het is aangegaan en bevat voor hen beloften de verplichtingen na te komen, het is voorwaardelijk.
God, de Vader, die “Rijk is aan Barmhartigheid” [Eph.2: 4], en die Zijn Naam aan Mozes heeft geopenbaard als “een Barmhartige en Genadige God, geduldig, groot in Liefde en Trouw” [Ex.34: 6], is sindsdien nimmer opgehouden om in de loop van de geschiedenis op verschillende manieren zijn goddelijke aard te tonen.
In de “volheid van de tijd” [Gal.4: 4], toen alles geordend was volgens Zijn Heilsplan, heeft Hij Zijn enige Zoon in de wereld gezonden, geboren uit de Maagd Maria, om Zijn Liefde voor ons op een beslissende manier te openbaren.
Wie de Zoon, Jezus ziet, ziet God de Vader [vgl. John.14: 9].
Door Zijn woorden, Zijn daden en Zijn totale God-menselijke Persoon openbaart
Jezus van Nazareth de Barmhartigheid van God.

TORA

Daarom verkondigt de apostel Paulus dat de Heer Jezus Christus de Wet vervulde en geboren onder de Wet, werd Christus ook op de achtste dag besneden.
Wat dus beschouwd werd als verbintenis met het Joodse Volk, want Hij werd besneden omdat Hij geboren werd uit een Joodse vrouw, zoals de apostel Paulus zegt dat Christus hoewel geboren onder de Wet, als God mens is geworden om degenen te verlossen van die Wet en wij goedkeuring zouden ontvangen kinderen van God te worden.
  Want de Liefde van Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is. Dus zijn zij allen gestorven.
    En voor allen is Hij gestorven, opdat zij, die leven, 
niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, Die voor hen gestorven is en opgewekt.
    Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees.
Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer.
    Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan,
zie, het nieuwe is gekomen.
    En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd”.
2Cor.5: 14-19

Christus, de Barmhartige God

De gehele geschiedenis van de mensheid is God altijd Degene geweest Die aanwezig is, dichtbij, vooruitziend, Heilig en Hij was Barmhartig en gaf geen straf.
Dit wordt concreet gedemonstreerd in Zijn vele handelingen, waar
Zijn Goedheid het overwint van straf en vernietiging.
Op een bijzondere manier plaatsen de Psalmen de Grootsheid van Zijn handelen op de voorgrond:
  Hij vergeeft al uw zonden; Hij geneest al uw kwalen.
Hij redt uw leven van de dood; Hij kroont u met Barmhartigheid en Genade
”.
Psalm 102[103]: 3,4
Op een nog nadrukkelijker wijze getuigt een andere Psalm van Zijn concrete tekenen:
  Hij behoedt de Waarheid in eeuwigheid;
Hij verschaft Recht aan wie onrecht lijden.
Aan hongerigen geeft Hij voedsel;
de Heer verlost de geboeiden.
De Heer schenkt het gezicht aan de blinden;
Hij richt de geborenen op.
De Heer bemint de gerechten:
de Heer behoedt de bekeerlingen.
Hij is de steun van wees en weduwel
maar Hij vernietigt de weg van de zondaar
”.
Psalm 145[146]: 7-9  en
  Die de gebroken harten geneest,
en hun de verwondingen verbindt.
De Heer heft de zachtmoedigen op,
maar de zondaars [hoogmoedigen] vernedert Hij
tot op de grond
”.
Psalm 146[147]: 3,6
Overigens wordt als keerzang  bij Psalm 135[136]
Zijn Barmhartigheid duurt tot in eeuwigheid” gezongen,
terwijl het de geschiedenis van Gods openbaring gememoreerd.
Johannes de Theoloog geeft aan dat het Geloof in Jezus, Christus, onze Heer ons de bevoegdheid heeft gegeven om als kinderen te kunnen zeggen “Onze Vader” en als we in Hem geloven, neemt God ons aan als Zijn kinderen en worden we erfgenamen van Zijn erfenis.
  Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in Zijn Naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van een man, doch uit God geboren zijn”.
John.1: 12,13
Op dat moment ligt de straf voor al onze zonden op Jezus en
zijn we daar niet langer verantwoordelijk voor.
    Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden.
Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de Heer heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen neerkomen”.
Isaiah 53: 5,6
Dat is wat het betekent om wedergeboren te worden als een kind van God en het eeuwige leven te verkrijgen.
Door wedergeboren te worden zijn wij als kinderen geworden in de ogen van God en daarom gekwalificeerd om Zijn Koninkrijk der Hemelen te kunnen binnengaan en te genieten van het eeuwige leven met Hem.
  Zalig zij, wier overtredingen zijn vergeven en wier zonden zijn bedekt.
Zalig is de mens aan wie de Heer de zonden niet toerekent en in wiens mond geen bedrog is
Psalm 31[32]: 1,2
en wens ik u allen de vruchten van de bekering
  en een goed nieuw jaar 2017,
     met liefde en vrede/
  καλή χρονιά, με αγάπη και ειρήνη!
     Χρόνια πολλά
  سنة جيدة، مع الحب والسلام!
     العديد من أنتم بخير

– Heilige Basilios de Grote en Heilige Gregorius van Nazianze –

Heilige Basilios de Grote
Vandaag 1 januari wordt het feest van de Heilige Vasílios [Vasílis] van Kaisarea,
ook wel Heilige Basilios de Grote [Grieks: Άγιος Βασίλειος ο Μέγας] genoemd en
Vader van het Orthodox Monastieke Leven.
Hij leefde in Caisarea [Cappadocië], ca. 330-379

Heilige Gregorius van Nazianze
Tevens wordt vandaag de gedachtenis gevierd van de Heilige Gregorius van Nazianze of Gregorius de Theoloog [Grieks: Γρηγόριος ὁ Θεολόγος] die samen met
de heilige Basilius de Grote de grondlegger is van het Orthodox Monastieke Leven. Hij werd in 329 geboren in Arianze, nabij Nazianze in Cappadocië.
In 381 werd Gregorius patriarch van Constantinopel
Gregorius van Nazianze kreeg vanwege zijn gezagvolle schriftuitleg en zijn welsprekendheid de bijnaam ‘De Theoloog’.
Hij overleed op 25 januari 389 in Nazianze.
Zijn lichaam werd in de tiende eeuw naar Constantinopel overgebracht.

Geboorte in het vlees van onze Heer en Verlosser Jezus Christus

kerstgroetDe herders op de velden zagen
een nieuw Licht . . .
“  En het geschiedde, toen de engelen van hen heen-gevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkander spraken:
Laten wij dan naar Betlehem gaan om te zien hetgeen geschied is en ons door de Heer bekend is gemaakt.
En zij gingen haastig en vonden Maria en Jozef, en het kind liggende in de kribbe.
    En toen zij het gezien hadden, maakten zij bekend hetgeen tot hen gesproken was over dit kind.
    En allen, die ervan hoorden, verbaasden zich over hetgeen door
    de herders tot hen gezegd  werd.
Doch Maria bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar hart.
    En de herders keerden terug, God lovende en prijzende om alles wat zij hadden gehoord en gezien, gelijk het hun gezegd was”.
Luc.2: 15-20

Een zeer Gelukkige Kerstmis aan ieder van u, met name iedereen die deze site regelmatig bezoekt! 
Deze Kerstdag vernemen we de vreugde en verbazing van de herders omdat zij voor het eerst en als eerste mensen onze Heer en Zaligmaker ontmoeten.
Niet als een Machtige vorst, als een alleenheerser [Pantocrator] over Hemel en aarde, maar als een kind gelegen in een kribbe in een grot, omdat er geen plaats was in de herberg.
In plaats van ons te concentreren op de woorden van de lezing van vandaag, gaan we ons richten op dit grote evenement zelf.
In plaats van de lezing te herhalen, gaan we wat tijd doorbrengen bij iedere scène, staan we stil bij elk van de drie taferelen, die op deze dag beschreven staan, zo levendig als we ons maar kunnen voorstellen . . . . .

1.]. De herders op de velden
De herders hebben de verkondiging van de engelen vernomen,
      haast u naar Bethlehem om onze Heer en Zaligmaker te zien.
Stel je voor hoe het voor hen geweest zal zijn – de opwinding in hun hart, hoe verbaasd, maar niet volledig begrijpend wat er gaande was.
Misschien is een van hen, bij het horen van dit geweldige nieuws, vooruit gegaan, heeft zich gehaast, en kwam buiten adem bij de kribbe om
datgene te zien, wat velen van ons voor onszelf wel hadden willen meemaken.
1b.]. De herders komen bij de grot – [een grot bevindt zich op de icoon als een soort doorgang, een poort, waarbij je de wereld als een volkomen nieuwe mens achter je kunt laten, het is een begin en een einde, de Alpha en Omega’ van een lijdensweg [daarom ligt het kind in een doodskist] – en vinden daar Maria en Jozef en het kind in een lijkkist, een kribbe.
Zie en Geloof, als een van de herders, die daar stonden en het kind aanschouwden.
1c.]. Tot slot keren de herders terug, verheerlijkten en prezen God over alles wat ze gehoord en gezien hadden, net zoals de Engelen het hen had verteld.
Stelt je het moment van de vreugde in hun hart voor, de blik op hun gezichten,  de dingen die ze tegen elkaar hebben gezegd, de verwondering in hun stemmen wanneer ze iedereen, die ze maar tegenkomen vertellen dat ze dit verbazingwekkende Blijde Nieuws hebben gezien en gehoord.

2.]. De Theotokos, de God barende, de Moeder Gods
De Theotokos, zo zegt de Blijde Boodschap, bewaarde al deze dingen
en overwoog die in haar hart.
Dit geeft rust en stilte weer – stilte, voor gebed, hetgeen je wilt koesteren en overwegen.
Wat overkomt je en wat brengt de Heer hier tot stand?

3.]. De wijzen uit het Oosten
Toen nu Jezus geboren was te Betlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes,
zie, wijzen uit het Oosten kwamen te Jeruzalem en vroegen:
   Waar is de Koning der Joden, die geboren is?
Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen.
Toen koning Herodes hiervan hoorde, ontstelde hij en geheel Jeruzalem met hem.
En hij liet al de overpriesters en schriftgeleerden van het volk vergaderen en trachtte van hen te vernemen, waar de Christus geboren zou worden.
Zij zeiden tot hen: Te Betlehem in Judea, want aldus staat geschreven door de Profeet:
   En gij, Betlehem, land van Juda, zijt geenszins de minste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman voortkomen, die mijn volk Israel weiden zal.
Toen riep Herodes de wijzen in het geheim en deed bij hen nauwkeurig navraag naar de tijd, dat de ster geschenen had.
En hij liet hen naar Betlehem gaan, en zeide: Gaat en doet nauwkeurig onderzoek naar dat kind; en zodra gij het vindt, bericht het mij, opdat ook ik hem hulde ga bewijzen.
   Zij hoorden de koning aan en reisden weg; en zie, de ster, die zij hadden gezien in het Oosten, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het kind was.
Toen zij de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.
   En zij gingen het huis binnen en zagen het kind met Maria, zijn moeder, en zij vielen neer en bewezen Hem hulde.
En zij ontsloten hun kostbaarheden en boden hem geschenken aan: goud en wierook en mirre.
En van Godswege in de droom gewaarschuwd om niet tot Herodes terug te keren trokken zij langs een andere weg naar hun land terug”.
Matth.2: 1-12

In de tekst staat wijzen uit het oosten; het  getal van drie werd vastgesteld aan de hand van het aantal geschenken dat ze meebrachten; in veel oosterse tradities zijn er niet drie maar 12 wijzen.
De namen Balthasar [met wierook], Melchior [met goud] en Caspar [met myron] dateren uit de middeleeuwen; rond de 8e eeuw werden ze anders genoemd:
Bithisarea, Melichior en Gathasp; terwijl de Syrische christenen de drie wijzen
Larvandad, Goesjnasap en Hormisdas noemen.
De Griekse grondtekst [Mattheüs] benoemt de wijzen uit het oosten μάγοι [magoi]; omdat dit woord oorspronkelijk priesters van het zoroastrisme een oud Perzisch geloof betreft, hetgeen nog steeds in het huidige Iran voortleeft en zo wordt ook voorgesteld dat de wijzen uit het oosten Perzische priesters waren.
De benaming “drie koningen” komt vanaf de 3e eeuw voor en is waarschijnlijk gebaseerd op de vervulling van de voorspelling:
Alle koningen der aarde zullen Hem aanbidden; alle volkeren zullen Hem dienen”.
Psalm 71[72]: 11 vert. ROK ’s-Gravenhage

  • Ook de geschenken hebben een symbolische waarde:
    Goud zou Jezus’ aardse Koningschap [over de koningen] symboliseren;
    Wierook symboliseert de Goddelijkheid van de Heer en
    Myron [nl. Mirre] verwijst naar de uiteindelijke begrafenis, het kind ligt ook in een doodskist, hetgeen eveneens verwijst naar Zijn lijden en sterven aan het Kruis.
  • De Ster – het maar de vraag of het zinnig is een astronomische verklaring te zoeken voor de ster van Bethlehem.
    Het verhaal komt alleen voor de versie van Mattheüs; het handelt hier echter om een religieuze tekst, niet om een historisch verslag.
    Het lijkt erop dat de Lucas en Mattheüs een onafhankelijk geboorteverhaal [let op het gaat hier om verkondiging] hebben opgeschreven als antwoord op de vraag hoe het kan dat Jezus uit Nazareth kwam, zoals waarschijnlijk velen wisten, terwijl de Messias  volgens de Profetische geschriften in Bethlehem geboren had moeten worden.
    Ook bij andere historische figuren werden miraculeuze geboortes gerapporteerd, met een rol voor maagdelijke moeders, goden en [achteraf gezien] bijzondere  voortekenen.
  • Herodes was zeer bevreesd voor troonpretendenten; hij liet zelfs zijn eigen zoons Alexander en Aristobulus [7 v. Chr.] en Antipater [4 v. Chr.] ter dood  brengen uit vrees dat ze hem van de troon zouden stoten.
    De geboorte van nog een andere koning was derhalve zeer slecht nieuws voor hem.
  • Volkstelling – Het moeilijk voor te stellen dat inderdaad het hele Romeinse Rijk naar de stad zou moeten gaan waar hun voorouders zo’n 1000 jaar eerder woonden vanwege een volkstelling.
    Stel je de reactie voor op een voorstel om alle EU-burgers zoiets te laten doen – je ziet nu de chaos al ontstaan door de wereldwijde globalisering.
    Ik zou persoonlijk niet weten in welke stad mijn voorouders in het jaar 1000 woonden [of welke van de duizenden grootouders ik zou moeten kiezen].
    Daarnaast is bekend dat deze volkstelling, op het moment dat Quirinius gouverneur van Syrië was, plaatsvond in het jaar 6 na onze jaartelling, zo’n 9 jaar na de dood van Herodes in 4 voor onze jaartelling.

christus-geboorte          –  De waarachtige God, Die als waarachtig Gods-Zoon is geboren uit de God de Vader, is als geheel God en geheel mens uit de hemel neergedaald – .

De Christelijke kerk is ontstaan nadat Christus naar de Hemel is teruggekeerd en Hij de uitstorting  van de Heilige Geest met Pinksteren aankondigde.  De Heilige Geest is op aarde gekomen om het werk van Jezus Christus, onze  Heer voort te zetten in de harten van mensen en
om Zijn volgelingen,  de Christenen in alles te leiden.
    Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij Vrede hebt.
In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen

John.16: 33
Hiermee heeft Christus Hij aangegeven, dat wij net als Christus Zelf het in de wereld ‘zwaar’ te verduren zullen krijgen; daarom wordt Christus op de kersticoon ook in een lijkkist [de kribbe] weergegeven.
Christus is ìn de wereld, maar niet vàn de wereld, hetgeen wij ons nadrukkelijk dienen te realiseren, maar zo verkondigt Christus; houdt moed, want ‘Ik heb de wereld overwonnen’.
Gods Openbaring in de Mens Jezus Christus [in het vlees] heeft daarom een dwingend en exclusief karakter en Gods werk in Hem is daarom waarlijk reddend en genoegzaam, omdat deze Mens niet een van God verscheiden [afgestorven] wezen is, maar de enige Zoon van de Vader, d.w.z. de op geheel enige wijze ‘door en uit Zichzelf’ levende God Zelve, Gods Almacht, Genade en Waarheid in de drie-ene Persoon en als zodanig de waarachtige Middelaar tussen God en alle andere mensen.
Christus heeft ook gezegd:
        het Koninkrijk van God is ‘in je’”[Luc.17: 21,22] en
        Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld”[Joh.18: 36];
waarmee heel duidelijk onder woorden wordt gebracht, dat wij ons van de wereld dienen te distantiëren, willen wij in staat zijn Hem te volgen.

Wanneer je dit zo hoort – dien je bij jezelf te rade te gaan wiens Geboorte we op deze dag vieren.
Het is beslist niet zomaar een lief klein Kindeke, maar God Zelf, de God van de Waarheid, Die onze menselijke conditie aanneemt op zwakte en kwetsbaarheid, waarbij je gevaar loopt en het risico dat je in zware nood zult verkeren en de mensen je uit de weg zullen gaan.
        Centraal in het Christelijk geloof staat de persoon van Jezus Christus, in eenheid met de Vader en de Heilige Geest, de Drieëenheid.
In Hem is God reddend naar de wereld toegekomen.
Iemand heeft het eens zo uitgelegd:
In alle godsdiensten zijn mensen op zoek naar God,
alleen in het Christendom is God op zoek naar mens[en]“.
Dat God – in Jezus Christus – reddend naar de wereld is gekomen is geen bedacht verhaal waar even zo vele verhalen naast te plaatsen zijn.
Het Evangelie van de Bijbel is een beschrijving van wat God gedaan heeft in de menselijke Geschiedenis, niet een verslag van wat mensen bedacht hebben.
Niet voor niets heet het ‘Evangelie’, de Blijde Boodschap; er zijn dingen gebeurd die iedereen – van Godswege – dient te weten.
Het Christendom bestaat niet uit mooie ideeën maar uit het goed nieuws, wat rechtstreeks van God afkomstig is.

In de tijd dat de Apostelen de Blijde Boodschap verkondigden, was er nog geen radio of TV.
Wanneer er ergens een belangrijke veldslag was gewonnen en iedereen moest dit horen kwam er een heraut op een paard, bijvoorbeeld op een marktplein.
Wanneer alle mensen zich hadden verzameld bracht de heraut het ‘Evangelie’; het goede bericht dat de strijd was gewonnen.

christos-pIedereen moest weten wat er was gebeurd.
Dít woord werd gebruikt voor de Blijde Boodschap over Jezus Christus, Die reeds langs tevoren verwacht en voorzegd werd.
Geen mooie theorieën maar feiten.
We kunnen van het begin tot einde door deze wereld van Openbaringen heenlopen, de Heilige Schrift van kaft to kaft lezen en herlezen, we kunnen hier en daar een hoger licht ontvangen, hier “overtuigd” en daar “overweldigd” worden.
De Kracht echter van het eerste en laatste, als van het één en het al, dat de mensen zou kunnen weerhouden om, na de vreugde of zelfs de bedwelming van zulke openbaringen ondergaan te hebben, bestaat daarin dat de mens vrij is – gewoon de mogelijkheid blijft bezitten de oude levensweg te vervolgen en de oude levenswijze gewoon voort te zetten.
De Apostel merkt hierover op dat de menselijke ziel alleen dan behouden kan worden, wanneer je alle vuilheid en alle uitwas van boosheid aflegt en met zachtmoedigheid het in u 
geplante Woord aanneemt:
Weest daders van het Woord en niet alleen toehoorders:
dan zoudt gij uzelf misleiden.
Want wie toehoorder is van het Woord en niet dader [de daad bij het Woord voegt],
die gelijkt op een man, die het gelaat, waarmee hij geboren is, in een spiegel beschouwt;
en nadat hij zich heeft bekeken, is hij heengegaan en
heeft terstond vergeten, hoe hij er uitzag
”.
Jac.1: 22-24
Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem.
Hierin is de Liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar
dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon gezonden heeft
als een verzoening voor onze zonden“.
1John.4: 9

Troparion      tn.2
bij het “Heer ik roep. . . . . “ – Grote Vespers, avond voorafgaand 25 dec
Uw Koninkrijk, Christus God
is een rijk van alle eeuwen
en Uw Heerschappij van geslacht op geslacht.
Vleesgeworden door de Heilige Geest
en Mensgeworden uit de altijd-Maagd Maria
zijt Gij bij de komst, voor ons allen een Licht opgestraald, Christus God
Licht uit Licht en Afglans van de Vader
Gij hebt verlicht de gehele schepping

alles wat adem heeft looft u:
het Zegelbeeld van de Heerlijkheid van de Vader.


Gij Die zijt en tevoren waart:

God, Die uit de Maagd zijt opgestraald,

ontferm U over ons“.

Apolytikion      tn. 4
Uw Geboorte, o Christus onze God

deed opgaan voor de wereld het Licht van Uw kennis.

Want het zijn de aanbidders der sterren

in die kennis onderwezen

om U te aanbidden:
 de Zon der Gerechtigheid,

en U te kennen, De Opgang uit den Hoge,

Eer aan U, o Heer“.
vert. klooster ‘Geboorte van de Moeder Gods, Asten

”   Blijven ook wij dan, na dit alles vernomen te hebben – onmondig -,  onderworpen aan de wereldgeesten?
Of hebben we boodschap aan Gods Woord, dat toen de volheid des tijds gekomen was, God Zijn Zoon heeft uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet,  om ons, die onder de wet van de wereld leven, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zullen verkrijgen?
En, dat gij zonen zijt – God heeft de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader.
Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God.
Maar in de tijd, dat gij God niet hebt gekend, hebt gij goden gediend, die het in wezen niet zijn.
Nu gij echter God hebt leren kennen, ja, meer nog, door God gekend zijt, hoe kunt gij thans terugkeren tot die zwakke en armelijke wereldgeesten, waaraan gij u weer van meet aan dienstbaar wilt maken?
cf. Gal.4: 3-9
We hebben morele waarnemers van de kosmos [Gods universum] nodig, die ons uit de diepte van de waanzinnige vooruitgang ten koste van de onzichtbare armen, terug naar de hoogte van de medemenselijkheid roepen.
De vraag voor de christenen in deze tijd dient te zijn:
Wat weet ik niet en waarom weet ik het niet?“.
Het intellectuele onderzoek van de grote theologische, politieke, economische en sociale vragen van deze tijd is van wezenlijk belang om inzicht te verkrijgen in de voortgang van de verkondiging van de Blijde Boodschap van de Heer, Die op deze dag geboren is.
De intellectuele ontwikkeling nastreven is altijd een vast onderdeel geweest van het religieuze leven, laat ons ook in deze tijd deze Traditie voortzetten en daarmee de burger weer moed geven zijn/haar weg naar het eeuwig leven voort te zetten.