12e Zondag na Pinksteren – bij God zijn alle dingen mogelijk

Jaäcob’s droomGen.28: 10-16

      En zie, iemand kwam tot Hem en zei:
    Meester, wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’.
Christus zei tot hem:
‘ Wat vraagt gij Mij naar het goede? Eén is de Goede. Maar indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden.
Hij zei tot Hem: ‘Welke?’  Jezus zei daarop:
➻ ‘ Deze: Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, eer uw vader en uw moeder, en gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’.
De jongeling zei tot Hem:
‘Dat alles heb ik in acht genomen; waarin schiet ik nog te kort?’.
Jezus zei tot hem:
⁌  ‘ Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij’.
Toen de jongeling [dit] Woord hoorde, ging hij bedroefd heen, want hij bezat vele goederen.
Jezus zei tot Zijn discipelen:
⁌  ‘ Voorwaar, Ik zeg u, een rijke zal moeilijk het Koninkrijk der hemelen binnengaan.
⁌  
Wederom zeg Ik jullie, het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat.
Toen de discipelen dit hoorden, waren zij zeer verslagen en zeiden:
➻ ‘Wie kan dan behouden worden?’.
Jezus zag hen aan en zei:
⁌  ‘Bij de mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk’“ Matth.19: 16-26.

      Ik maak jullie bekend, broeders, het Evangelie, dat ik jullie verkondigd heb, dat jullie ook ontvangen hebben, waarin jullie ook staan, waardoor jullie ook behouden worden, indien jullie het zo vasthouden, als ik het jullie verkondigd heb, tenzij jullie tevergeefs tot Geloof gekomen zijn.
Want voor alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften, en Hij is verschenen aan Cephas, daarna aan de twaalven.
Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen [aan de volheid van al degenen, die Hem zouden volgen].
Vervolgens is Hij [ook] verschenen aan Jaäcobus [Hebr. = hielenlichter, onderkruiper], daarna aan al de apostelen; maar het allerlaatst is Hij ook aan mij [Paulus,Hebr.= klein] verschenen, als aan een ontijdig geborene.
        Want ik ben de geringste der apostelen, niet waard een apostel te heten, omdat ik de gemeente van God vervolgd heb.
        Maar door de Genade van God ben ik, wat ik ben, en Zijn Genadegave aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de Genade van God, die met mij is.
Daarom dan, ik of zij, zo prediken wij, en zo zijt gij tot het Geloof gekomen1Cor.15: 1-11.

De Gemeenschap in Christus

Paulus [en de Kerk] zit in de gevangenis, waar precies weten wij niet, als mensen hebben wij geen zicht op God’s bedoelingen.
Maar hoe moet het met de voortgang van z’n verkondiging van de Blijde Boodschap nu hij/zij als een van de belangrijkste verkondigers onder de apostelen [de navolgers van Christus] langzamerhand wordt uitgeschakeld?
In de Christelijke gemeenschap van Philippi [liefhebbers van het Woord] maakt men zich daar zorgen over. En vervolgens laat Paulus [de Kerk] weten:
      Ik wil, dat gij weet, broeders, dat hetgeen mij overkomen veeleer is tot bevordering van de 
evangelieprediking heeft gestrektPhil.1: 12.
Het Woord van God is niet gebonden door tijd en omstandigheden waarin wij door de hand van God dienen te verkeren.
Als gevolg van de verkondiging van de Blijde Boodschap is de Kerk en Paulus in de gevangenis terecht gekomen, wàt zij ook in haar onnozele handelingen heeft uitgespookt. Paulus [en de Kerk] zit er niet bij als een zware misdadiger [hoewel, maar als een gezant van Christus, die ook in gevangenschap niet kan blijven zwijgen, maar voluit de Naam van Christus mag blijven verkondigen.
Zelfs zó dat zijn gekleed, verbonden zijn, met/in Christus toch openbaar geworden is aan het gehele hof en aan al de anderen. Het is/was voor allen, onze  medegevangenen en het gevangenis-personeel, duidelijk dat Paulus niet zomaar een delinquent, een boef was, maar een bijzonder mens, omdat hij een bijzondere God mocht dienen en van Wie hij [als Kerk] mag getuigen.
Zo is het ook met de huidige Kerk, waar het gonst van de beschuldigingen en aantijgingen, waar ieder weldenkend mens ‘ach en wee’ over roept.
Paulus prediking wordt onderwerp van gesprek, wij denken in dit verband aan zijn rechters en het personeel van de rechtbank en alle anderen [de totale omgeving] met wie Paulus in aanraking kwam.
Men heeft uitgerekend dat Paulus, indien hij elke dag door twee soldaten werd bewaakt en dit elke dag twee anderen waren, hij in 2 jaar tijd zo’n 1400 soldaten in zijn nabijheid heeft gehad – ga maar eens na hoe dat bij jou persoonlijk is.
En onder al die verschillende mensen waren er voor wie Paulus een middel was om te komen tot Geloof in de Naam van Christus.
Wie zijn broeders zijn is niet met zekerheid te zeggen, maar het gaat hier om het merendeel waarvoor geldt dat zij zich bekleed hebben [en nog zullen bekleden]  met Christus, door wie wij met hen geroepen zijn als gevolg van het kloppen op het hart – waaraan wij/zij vervolgens gevolg hebben gegeven.
Velen hebben door contact met Paulus [en ons] de moed opgevat om het Woord van God te verkondigen. Een minderheid is er die juist door de gevaren geen vrijmoedigheid heeft, dat is immers altijd de bedoeling van de tegenstrever, dat een mens zwijgt en niet meer spreekt in de Naam van Christus, de Zoon van God – ook in onze tijd.
Ondanks ons verdriet, mag de blijdschap toch overheersen omdat de Naam van Christus, de Zoon van God alom verkondigd ‘blijft’ worden ondanks de omstandigheden waarin wij momenteel verkeren.
En wij verkeren in een tijd dat spelleiders onomwonden verkondigen dat zij betwijfelen of Christus, de Zoon van God is – zij zich verschonen door te verkondigen, dat zij dit doen om de discussie met niet-gelovigen levend te houden. En indien ze volhardende christenen tegenkomen zeggen ze dat zij hen in een bepaald filosofisch hokje stoppen en brengen de gemeenschap daardoor in opperste verwarring. “Heer, kom ons in ons ongeloof te hulp, Heer, haast U ons te helpen?”.
        Indien wij echter hopen op hetgeen wij ‘niet’ zien, verwachten wij ‘het’ met volharding. En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met ‘onuitsprekelijke verzuchtingen’.
En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling van de Geest, dat Hij namelijk naar de Wil van God voor heiligen pleit. Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. Want, die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het Beeld van Zijn Zoon, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijktRom.8: 25-30.

 

Onze Heer en Verlosser wordt niet beperkt door plaats of tijd, Hij is daar waar wij Hem niet verwachten, wanneer wij als mens maar reikhalzend naar Hem uitkijken; ربنا ومخلّصنا لا يقتصران على المكان أو الزمان ، إنه هناك حيث لا نتوقعه ، عندما نتطلع إليه كبشر بشغف; Our Lord and Savior is not limited by place or time, He is there where we do not expect Him, when we as human beings look forward to Him eagerly. 

Onze Heer en Verlosser, de Opper-rechter van Hemel en aarde, zal het voor Zijn knechten opnemen, het recht zal uiteindelijk zegevieren, òf Paulus nu de Martelaarsdood zal sterven, òf dat hij uiteindelijk vrij gelaten zal worden.
Paulus en in zijn voetsporen wij, mogen net als Job, weten dat onze Heer en Verlosser leeft.
Wie op de Heer zijn vertrouwen stelt, zal nimmer beschaamd uitkomen en kruipt door het oog van de naald. Dit vertrouwen wordt nu omringd door het gebed niet alleen van Paulus voor de  gemeente, maar ook van de gemeente voor Paulus [hun onafscheidelijke spelleider].
➻ Op die manier wordt de gemeenschap van de Heiligen beoefend en in één adem noemt hij naast het gebed van de gemeente, de hulp van de Heilige Geest.
➻ Christus is het, Die hulp verschaft in nood – ook al laten wij mensen, ik weet niet hoeveel steken vallen.
➻ Dit is de Geest, Die Christus Jezus verworven heeft en aan Zijn Volk geeft.
➻ Dit is de Geest, Die het werk van God in leven zal houden en het zal onderhouden en ons alles geven wat nodig is; in welke omstandigheden wij ook verkeren.
“ Christus is onder ons, Hij is en zal zijn !”.

Apolytikion     tn.3.
  Dat Hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen
want de Heer  heeft de Kracht van Zijn arm getoond.
Door Zijn dood heeft Hij de dood vertreden
en werd Hij de Eerstgeborene uit de doden.
Hij heeft ons verlost uit de diepten der hel
en aarde wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.3.
  Heden zijt Gij, Barmhartige, opgestaan uit het graf,
en hebt ons verlost uit de poorten des doods,
Heden jubelt Adam en Eva verheugt zich;
en de Profeten en Patriarchen bezingen zonder einde
de Goddelijke Macht van Uw Heerschappij


Theotokion     tn3.
  Gij zijt Middelaarster geweest bij de Verlossing van ons geslacht,
daarom prijzen wij U, o Moeder Gods en Maagd.
Want in het vlees dat Hij aannam uit uw schoot,
heeft uw Zoon, onze God,
het lijden van het Kruis ondergaan.
En heeft Hij ons uit het verderf verlost
als de Menslievende
”.

Orthodoxie & vertrouwen, een appeltje voor de dorst in warme dagen

En op de derde dag was er een bruiloft te Cana in Galilea en de moeder van de Heer was daar; en ook Jezus en Zijn Volgelingen waren op die bruiloft uitgenodigd.
En toen er gebrek aan wijn kwam, zei de Theotokos, [de Moeder God’s] tot Hem:
‘Zij hebben geen wijn’.
En Jezus zei tot haar:
Vrouw, wat heb Ik met u van node?
Mijn uur is nog niet gekomen.
Zijn moeder zei echter tot hen, die bedienden: ‘Wat Hij u ook zegt, doet dat!’

Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet volgens het reinigingsgebruik der Joden, elk met een inhoud van twee of drie metreten.
Jezus zeide tot hen:
‘Vult de vaten met water. En zij vulden ze tot de rand’.
En Hij zei tot hen:
‘Schept nu en brengt het aan de leider van het feest”.
En zij brachten het.Toen nu de leider van het feest het water proefde, dat wijn geworden was – en hij wist niet, waar deze vandaan kwam, maar de bedienden, die het water geschept hadden, wisten het – riep de [spel-]leider 
van het feest de bruidegom, en hij zei tot hem:
‘Iedereen zet eerst de goede wijn op en als er goed gedronken is, de mindere gij echter hebt de goede wijn tot dit ogenblik bewaard’.
Dit heeft Jezus gedaan als begin van zijn tekenen te Cana in Galilea en Hij heeft zijn Heerlijkheid 
geopenbaard en Zijn discipelen geloofden in HemJohn 2: 1-11.

    Zo zegt de Heer:
‘ De Hemel is Mijn troon en de aarde de voetbank voor Mijn voeten, waar zou dan 
het huis zijn, dat gij Mij zoudt bouwen en waar de plaats van Mijn rust?
Dit alles heeft immers Mijn hand gemaakt en zo is dit alles ontstaan’, luidt het Woord des Heren; ‘op zulk soort mensen sla Ik acht: op de ellendige, de verslagene van geest en wie voor mijn woord beeft. Wie een stier slacht, verslaat een mens; wie een schaap offert, breekt een hond de nek; wie spijsoffer brengt, [offert] zwijnenbloed; wie wierook tot gedenkoffer ontsteekt, prijst een afgod. Zoals zij hun eigen wegen verkozen hebben en hun ziel in hun gruwelen behagen schept,
Zo zal Ik hun ongeluk verkiezen en dat wat zij vrezen, over hen brengen, omdat niemand geantwoord heeft, toen Ik riep, en zij niet gehoord hebben, toen Ik sprak, ‘maar gedaan hebben wat kwaad is in Mijn ogen en verkozen wat Mij mishaagt.
‘Hoort het Woord des Heren, gij die voor Zijn Woord beeft:  Uw broeders die u haten, die u verstoten omwille van Mijn Naam, zeggen:  Dat de Heer Zijn Heerlijkheid zal tonen, opdat wij uw vreugde aanschouwen. Maar zij zelf zullen beschaamd staan.
Er klinkt gedruis uit de stad!  Het klinkt uit de tempel!
De stem van de Heer, Die vergelding brengt over Zijn Vijanden’Isaiah 66: 1-6.

Theotokos“, de Moeder God’s, de vreugde van alle bedroefden.

Doe wat Hij je gebiedt om te doen” John. 2:  5 en “ Er klinkt gedruis uit de stad! Het klinkt uit de Tempel [van je hart]! De stem van de Heer, Die vergelding brengt over Zijn Vijanden

De Moeder des Heren was duidelijk en beslissend in haar woorden voor de discipelen: “Doe wat hij je zegt te doen”.
Indien we zorgvuldig naar de volgorde van de gebeurtenissen kijken, zullen we zien dat de God’s Moeder slechts geïnteresseerd was in de mensen van de bruiloft die bij een probleem als eerste haar Zoon benaderden: ”   toen er gebrek aan wijn kwam, zei zij als zijn moeder tot Hem: Zij hebben geen wijnJohn.2: 3.
Het heeft gewoon zo moeten zijn, dat zowel onze Heer als Zijn Moeder en Zijn volgelingen op de bruiloft uitgenodigd werden en het verzoek van de Vrouwe vormt alleen al het bewijs dat zij Christus, als God kende, zoals Christus de mens kent. 

Wij zien hier dat zij als Moeder God’s de belichaamde Liefde is, die weigert ànders om te gaan met de haar toegewezen mensheid dan uit liefde en tederheid.
De reactie van onze Heer en Verlosser suggereert een afwijzing, zo iets als van ‘bemoei je er niet mee’, maar de werkelijkheid laat ons wat anders zien – het uur van Christus als Verlosser van de mensheid is nog niet gekomen en wat vervolgens plaats vindt benadrukt dit alleen maar.
Het is geen hoky-poky, het is een Mysterie van God, Die te Zijner tijd uitkomst zal bieden. Dit door zaken vinden niet op oproep plaats – generaties nadien, tot in onze tijd zal de mensen de ogen geopend worden, wanneer we zullen doen wat Christus ons in Zijn Pedagogie voorhoudt.
Hoe vaak zegt Christus niet na afloop de genezingen, die plaatsvinden: Uw Geloof heeft u gered.
Christus’ Boodschap is: “   Kom tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven; neem mijn juk op je en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en je zult rust vinden voor je ziel; want mijn juk is zacht en mijn last is licht” Matth.11: 28-30.
De Theotokos gelooft in Christus en vertrouwt volkomen op de goede afloop – zij vertrouwt Hem volkomen en weet dat Hij zachtmoedig en nederig van hart is.
Zij weet dat Hij de eenvoud ‘Zelf’ is, Die Zich niet boven de ander verheft en zelfs in het eerstvolgende hoofdstuk van Johannes de Theoloog aan Nicodemus uit de Farizeeën, een overste van de Joden, die heimelijk [’s-nachts] bij Hem komt zegt:
“ Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien”. En de nuchtere lettervreter [geschoolde] zegt: “ Hoe kan een mens 
geboren worden, als hij al oud is? Kan hij dan voor de tweede maal in de moederschoot ingaan en geboren worden?”.
En onze Heer geeft hem en ons ten antwoord: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan. Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest. Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet opnieuw geboren worden. De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren isJohn.3: 3-8.

Geloof en vertrouwen is het enige wat Christus van ons verlangt en daarop volgt dan een bewustzijn dat wij als mens zwaar te kort schieten ten opzichte van de oneindige Grootheid van God.
Het enige wat Christus doet is dat Hij ons ook hier van harte uitnodigt aan het Hemels koninkrijk deel te nemen.
Hij richt zich tot mensen die moe zijn van het leven onder het juk van hun eigen zonde.
De mens, die verdriet heeft, niet in de eerste plaats over de zonden van anderen, maar over zichzelf.
Tot die mensen, die het meer dan zat zijn om – steeds weer te vallen voor dezelfde tekortkomingen/ongerechtigheden, al zijn die nog zo verborgen.
Jezus wist: er zijn mensen die heel goed weten dat het héél anders dient te gaan in hun leven. Misschien onderken jij dàt ook, een aanhoudende onrust, een leegte die door niks in deze wereld gevuld kan worden, een verlangen naar God misschien zelfs zonder dat je dat onder woorden kunt brengen. Je hebt spijt van je hardheid, en je ziet je eigen arrogantie en egoïsme.
Je ervaart dat je onrein bent vanwege je eigen gedachten en fantasieën, die maar komen en gaan zonder dat je er grip op krijgt.
Daardoor voel je je schuldig. 
Hoe andere mensen jou beoordelen, òf ze jouw strijd zien – zal je een worst wezen. Wanneer het gaat over vechten en strijd in een christenleven, dan verwijst dit bijna altijd naar een innerlijke strijd die ontstaat wanneer zondige gedachten je verzoeken tot het kwade.
God’s Geest en het vleselijk bestaan in deze wereld staan tegenover elkaar.
Indien je hebt besloten om ‘alleen maar’ God’s Wil te doen, Hem stelt boven al het andere, omdat Hij nu eenmaal de Schepper van alle dingen is en je te laten leiden door Zijn Geest, dan ontstaat een conflict tussen…
– het van God gegeven inzicht of niet, en
– of je christen bent of niet, dat verandert niets aan het feit dat je zelf heel goed beseft dat het toch regelmatig nog niet goed met je gaat.
Je beseft dat er krachten in je leven zijn die sterker zijn dan jezelf en die jou in je gedachten bij God vandaan trekken naar dingen die niet goed voor je zijn en waardoor je in een spiraal van ellende terecht kunt komen.
Zou je dat negeren dan zou je niet meer eerlijk zijn; maar je wilt eerlijk zijn  en gaat tot het uiterste!
  Ik ben de alfa en de omega, zegt de Heer, onze God, Die is en Die was en Die komt de AlmachtigeOpenb. 1: 8.

1-jarig parochiefeest [2016], Antiochees Orthodoxe Parochie ‘Geboorte van de Moeder Gods‘ te Amersfoort; in de Ansfriduskerk.

Indien de Moeder God’s ons nooit duidelijk had gemaakt
– dat Christus ons mensen datgene vraagt te doen, wat Hij van ons verlangt
– dat wij durven op te kijken en Hem in geloof en vertrouwen te volgen,
dàn hadden wij slechts uit onwetendheid en zelfmedelijden gehandeld in plaats van uit innige Liefde tot God en onze naasten.
Door Zijn Leven te geven voor ons mensen heeft Christus ons verlost en uit Liefde tot Hem dienen wij een levensvervulling na te streven als Zijn Moeder, die van het begin af aan heeft ervaren wat het hart van de Liefde, onze Tempel, is.
Leef derhalve in navolging van Christus door net als Hij zachtmoedig en nederig van hart te zijn en je zult rust vinden voor je ziel tòt het ogenblik dat je Hem tegemoet mag treden.

Theotokos Θεραπεία; Moeder Gods van de toevlucht; 

”   Onder Uw hoede vluchten wij,
Maagd en Moeder van onze God.
Hoor onze smeking in alle noden en
verlos ons uit elk gevaar.
Gij, die alleen ongeschonden en gezegend zijt,
Alheilige Moeder Gods, bescherm ons“.

”   Ὑπὸ τὴν σὴν εὐσπλαγχνίαν,
καταφεύγομεν, Θεοτόκε.
Τὰς ἡμῶν ἱκεσίας,
μὴ παρίδῃς ἐν περιστάσει,
ἀλλ᾽ ἐκ κινδύνων λύτρωσαι ἡμᾶς,
μόνη Ἁγνή, μόνη εὐλογημένη”.
Mp3: 

“Подъ твою милость,
прибѣгаемъ богородице дѣво,
молитвъ нашихъ не презри в скорбѣхъ.
но ѿ бѣдъ избави насъ,
едина чистаѧ и благословеннаѧ”.

Christus Pantocrator; ‘de alleen Heerser’

”     En toen ik Hem zag,
viel ik als dood voor Zijn voeten;

de Heer legde [daarop]
Zijn rechterhand op mij en zei:

‘Wees niet bevreesd, Ik ben de Eerste en de Laatste,
en de Levende, en Ik ben dood geweest,
en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden,
en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.
Schrijf dan hetgeen gij gezien hebt en hetgeen is
en hetgeen na dezen geschieden zal’Openb.1: 17-19.

Juni 29e – de heilige Glorieuze en alom-geprezen Apostelen, Petrus en Paulus

Deze twee apostelen waren totaal verschillend kwa karakter en toch worden ze meestal afgebeeld terwijl zij elkaar omarmen of een kerkgebouw tussen hen in houden.
De Liefde van Christus overstijgt de persoonlijke voorkeuren en de verschillen in karakter. Het nauwgezet lezen van de levens van de heiligen onthult bij velen [vooral onder de heilige hiërarchen en theologen] dat zij eenvoudigweg niet met elkaar overweg kunnen. Zoals een doorleefd  ‘spelleider’ mij eens onthulde:
We zijn geroepen om van elkaar te houden, al passen we totaal niet bij elkaar.

De onschatbare Waarde van het Christelijk Geloof, de Pedagogie van Christus hebben deze Apostelen aan ons overgeleverd.
Van hen ontvingen we het Heilige Evangelie en de brieven van de apostelen. Als beginnend leidinggevenden [κορυφαίοι] legden zij daartoe een stevig fundament voor de Kerk van Christus.
De Apostelen zijn in de volle zin van het woord – onze voorlopers – in het Heilig Christelijk Geloof.
Door hun werkzaamheid en inzet gaf God de mensheid en elke natie in de Kerk, het Lichaam van Christus ‘alles’ wat beschouwd wordt tot de Goddelijke Apostolische Traditie te behoren.
Zowel Petrus als Paulus kregen van de Heer een nieuwe naam, die hun verbintenis met God aangaf. In ons christelijk doen en laten dienen we daarom niet te vergeten dat we alles uit hun handen hebben gekregen; alles wat we aan christelijke waarden -‘om niet’- bezitten, hebben we te danken aan hun apostolische inspanningen en hun gebeden . . . . .
De heilige apostel Paulus claimt de eerste plaats, want in zijn brieven heeft hij de Kerk de rijke openbaring van God gegeven en een schat aan goddelijke leringen….
Het liturgisch jaar geeft de Apostel Petrus echter de eerste plaats en kent hem twee dagen in het jaar toe, namelijk 16 januari – het feest van ‘Petrus Banden‘ en 29 juni, samen met de Apostel Paulus.
Op 29 juni viert onze Oosterse Kerk met grote plechtigheid dit feest, dat in onze liturgische boeken wordt genoemd:
De heilige roemruchte en alom-geprezen Apostelen, Petrus en Paulus”.
Beide apostelen onderscheiden zich door hun karakter, hun ijverige apostolische arbeid en hun grote culturele waarde in de Heilige Katholieke en Apostolische Kerk.

Paulus
Paulus [Hebr.: שאול התרסי, Šaʾul HaTarsi, “Saul van Tarsus”] was van de stam van Benjamin en leefde in Tarsus in Cilicië. Hij beschreef zichzelf ooit als een Hebreeër, een Israëliet van het zaad van Abraham 2Cor.11: 22. Hij was ook een farizeeër en een tentmaker Hand.18: 3, die de Wet met Gamaliël in Jeruzalem had bestudeerd. Hij werd Saul genoemd en had de Kerk vervolgd, hetgeen wij weten uit zijn aanwezigheid bij de steniging van Stephanos – Hand.7: 58. Toen  hij onderweg naar Damascus door een verschijning van Christus werd bekeerd, geraakte hij verblind en werd door Ananias genezen, die hem de handen oplegde en doopte in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest – Hand.9: 18.
De Apostel Paulus predikte de Blijde Boodschap in Griekenland, Klein-Azië en in Rome, daarnaast schreef hij totaal 14 brieven. De Traditie leert ons dat hij in Rome door het zwaard werd vermoord rond 68 na Chr.

Wij Christenen jagen als toonbeeld van ons leven een Verlosser na, die elke mens in z’n ontwikkeling ten goede komt, zowel man als vrouw hemelt Christus op.
Daartegenover is het enige wat Christus van ons verlangt, dat wij ons losmaken van de verderfelijke banden van de wereld en ons uiteindelijk met Zijn Geestelijke Invloed laten bevruchten.
De invloed van dit verlangen tot onze Heer en Zaligmaker wordt tevens gevolgd door het voorbeeld van de Heilige Apostel Paulus voor ogen te stellen.
Deze heilige [geheelde] koos ervoor slechts de deugden te omarmen dewelke zijn tegenstanders vonden dat het zwakheden waren – 2Cor.11: 21-23.
Hij stelde daarmee waarheden op een hoger plan, die alom als onwaardig werden geacht – 2Cor.11: 22-26.
Hij vereenzelvigde zich met degenen, die zich als zwak beschouwden en met zichzelf wat betreft de Blijde Boodschap aangaat in conflict leven en er maar moeilijk mee uit de voeten kunnen – 2Cor.11: 28-29 en hij aanvaardde zijn hele leven lang oprecht z’n persoonlijke en fysieke tekortkomingen – 2Cor.11: 27, 30, 7-9.
Is je het wel eens opgevallen hoeveel mensen er wel niet beweren dat ze zachtmoedig zijn, deemoedig, vergevingsgezind, dienstbaar aan anderen en de Liefde als grote idealen respecteren, terwijl ze in deze in de praktijk als zeer ondoeltreffend beoordelen en maar niets vinden?
In het dagelijks leven wijzen ze dergelijke deugden af omdat ze namelijk niet doeltreffend zouden blijken te zijn en in strijd zijn met de wereld, die nu eenmaal draait om het behalen van persoonlijk winst, die slechts gericht is op zelfverheerlijking en persoonlijk ophemelen.
Het draait in de blijde Boodschap om een nieuwe Hemel en een nieuwe aarde en dat vraagt om enorme spirituele veerkracht, zoals het leven van onze Heer Jezus Christus en te Apostelen te zien geeft.
Ware deugden zijn niet absoluut, maar afhankelijk van moreel gedrag en hoe men er naar kijkt en handelt; maar teneinde de christelijke deugden in waarde te doen afnemen, draait de wereld zich in allerlei bochten om dit verstandelijk te benaderen en zich daaraan te onttrekken.
Een voorbeeld daarvan is een verkozen regeringsleider, die zich beroept op mens-onwaardig gedrag om z’n doelen te kunnen bereiken; ouders en kinderen zijn ook als zij dingen doen, die jou niet uitkomen, niet van elkaar te scheiden – dat is onmenselijk. Wanneer je zegt “God save the U.S.A.” dien je op je tellen te passen.

De Joods-Christelijke tegenstanders van de Apostel Paulus ontlenen valse macht/kracht aan hun beroep op de Wet, welke zij uit hun op de Wet gebaseerde Traditie ontlenen – 2Cor.11: 22. Het stelt hen in staat niet alleen arrogant en egoïstisch, maar tevens liefdeloos en meedogenloos te zijn.
Ze hebben dat betoogd ten einde de bediening in de Naam van God alleen het [eigen] Volk [Israël, de Kerk] ten goede zou dienen te komen.
verg. “ Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël [de Kerk]” Matth.15: 24.
Ze verzetten zich heftig tegen andersdenkenden, wensen heidenen, niet- en anders- gelovigen, vluchtelingen ‘niet’ te ontvangen en welk onderscheid een mens wel niet allemaal weet te verzinnen.
Paulus en vele navolgers van Christus betalen hier hun prijs voor – Paulus werd geslagen en gestenigd – diende zelf regelmatig te vluchtten – om trouw te blijven aan de Waarheid dien je stevig in je schoenen te staan en menig ‘
paars’ pantoffelheld, die zich, hoewel hij een ander leer verkondigt en zich aan de wereld overgeeft weten dit onderscheid eveneens niet te maken.
Paulus propageert daarom dat hij zich vastklampt aan de ‘zwakke’ krachten van Christus, teneinde Hem trouw na te volgen en slechts ‘de Waarheid’ voorop te stellen.
De wereld steunt slechts op meerderheid’s-vooroordelen [‘eigen Volk eerst’] en wijst daarmee de trouw aan de dienstbaarheid van Christus af – 2Cor.11: 23-25.
Waarheid is datgene waar je voor staat en in de wereld wordt dit maar al te vaak verworpen – ‘succesvolle’ politici en juridisch geschoolden kennen deze waarheid maar al te goed er uitvoering aan geven ‘hó maar‘.

De Apostel Paulus kòn het derhalve absoluut niet hebben dat er een negatief standpunt werd ingenomen ten opzicht van het toelaten van heidenen tot de Kerk en distantieerde zich resoluut van de traditioneel joods geaccepteerde toelatingspraktijk [de besnijdenis].
Het Christelijk gevoel van de Apostel verwierp een dergelijke veilig geachte toelatingseis en daarop kreeg hij een enorme vijandigheid van de meerderheid van de Joden en van sommige heidenen op z’n nek. Voor de joden was hun religie immers een veilige haven in de Grieks-Romeinse samenleving, maar de werken van de Heilige Apostel Paulus bleken in navolging van Christus de voorbode te zijn van twee eeuwen van afwijzing en vervolging van de Kerk van Christus – tot aan het moment dat keizer Constantijn de vervolging van de gelovigen een halt toe riep.
Wij, Christenen leven momenteel in een gelijksoortige tijd, het gaat weer strijd kosten en je dient je af te zetten ten opzichte van algemeen aanvaarde begrippen wil je je Geloof gestalte kunnen geven.
Toch omarmde de Apostel niet alleen zwakheid als de modus voor het Christelijk Geloof, hij deed dit tevens met overtuiging en hield voet bij stuk – 2Cor.11: 24-26.
De grote Apostel diende hiermee de gemeenschappen die hij tot Christus had gebracht. Hij domineerde ze niet, maar deelde onwankelbaar in hun nederlagen en gevechten – 2Cor.11: 28.
Dáár kwam geen Macht en krachtig optreden aan te pas – zijn tegenstanders probeerden echter met nieuwe manieren om hem de mond te snoeren, òm te vormen en waren op hun èigen voordeel uit.
Uit innerlijke Liefde tot de gelovigen, voor ‘alle’ dienaren van Christus, omhelsde de Heilige Apostel Paulus de ‘zwakte’ van het dienstbaar zijn, wàt hem ook mocht overkomen.
Heilige Apostel blijf ervoor pleiten, dat de Kerk uw goede belijdenis ten opzicht van Zichzelf tot haar laatste adem mag bewaren”.
Overweeg daarbij tevens dat de kwaal van deze Apostel, welke bestond uit -zijn ‘doorn in het vlees’- wat het ook volgens bepaalde theorieën geweest mag zijn, welke variëren van slecht zicht tot oorpijn, hoofdpijn of epilepsie – 2Cor.12: 17.
Zoals onze Heer in de Hof van Olijven [Gethsemane], vroeg de Apostel God driemaal dat deze beproeving misschien zouden kunnen worden verwijderd, maar deze heilige aanvaardde de fysieke zwakheid als de Wil des Heren, van God – 2Cor12: 7-9.
God gebruikt zwakheden en lichamelijke tekortkomingen indien we ze omhelzen en aan Christus aanbieden om God’s Macht door hen aan de mens te openbaren.
De tegenstanders van de Apostel beschouwden zijn lichamelijke problemen als een zeker teken dat Paulus ‘buiten’ Gods Genade was gevallen. In feite gaf Christus Zijn heilige Kracht om onder verdrukking te gedijen 2Cor12: 9.

Petrus
Jezus Christus, die al aan het begin van zijn roeping grote plannen had voor de heilige Petrus [Gr: Πέτρος], veranderde z’n naam Simon in de symbolische naam van Petrus-Kephas, wat rots betekent, want hij zou de rots zijn die de fundering van zijn kerk zou gaan  vormen.
Petrus was nauw verbonden met Christus tijdens zijn openbare leven:
hij was getuige van de glorie van Christus op de berg Thabor;
in de naam van alle apostelen, profeteerde hij de Goddelijkheid van Christus;
hij werd met Johannes uitgezonden om het Paasmaal te bereiden;
Hij was getuige van het lijden van Christus in de tuin van de olijven;
de tempelbelasting werd betaald door Christus voor Zichzelf en voor Petrus.
Al de Apostelen voorzagen zichzelf door noeste arbeid van een schamel inkomen.

Na Christus’ Hemelvaart werd de heilige Petrus het hoofd van de apostelen en de leider van de eerste christelijke gemeenschap in Jeruzalem.
Onder zijn leiding werd een nieuwe apostel gekozen om de plaats van Judas in te nemen. Petrus riep de eerste ‘Raad van kerken‘ [het 1e Concilie] in Jeruzalem bijeen.
De Heilige Johannes Chrysostomos noemt Petrus:
het eerstgeboren lam van de kudde van de Goede Herder”.
De Liefde van Christus was het belangrijkste motief van Petrus als leidraad voor de ‘apostolische’ activiteit, inzet en offerbereidheid.
Die liefde leidde hem uiteindelijk ertoe om te lijden en te sterven omwille van zijn geliefde Leraar.
Een vrome Traditie spreekt over het feit dat hij zichzelf onwaardig vond om aan het kruis te sterven zoals Christus deed, en daarom werd gevraagd om ondersteboven gekruisigd te worden. Deze Traditie wordt bevestigd door bisschop Eusebius  [ca.340] in zijn historische weergave van de Kerk en door de H. Johannes Chrysostomus in een preek over de apostelen [H. Petrus en Paulus], waarin hij zegt:
Verheug u, Petrus, die stierf met het hoofd naar beneden aan het kruis
Petrus stierf in Rome tijdens het bewind van keizer Nero [54-68], tussen de jaren 64 en 67 A.D .; H.Johannes Chrysostomos geeft volgens de Traditie aan als de dag van zijn dood.

Jezus vraagt zijn volgelingen onomwonden:
  Wie is volgens de opvatting van de mensen de Mensenzoon?.
En het regent vanzelfsprekende antwoorden:
  Wie U bent? Een bijzonder mens, maar jammerlijk genoeg door Uw tijdgenoten om het leven gebracht.
  Wie U bent? Voor mij bent u een revolutionair.
Ik heb U bij vrienden weleens op een afbeelding [icoon ?] gezien.
Daar droeg U een geweer om de schouder als Ernesto Guevara, beter bekend onder de naam Che Guevara [1928-1967].
Dat vond ik toch wel aardig, want dat U hard kunt optreden lezen we in de verhale, die over U de ronde doen, waarin staat dat U de kooplui met een zweep uit de Tempel heeft geranseld. 

 ⁌  Wie U bent? Voor mij degene die de maatschappij kan omturnen,
die mensen vrij kan maken van de wurgende greep van machtsmisbruikers en westerse kapitaalbaronnen;
⁌ Wie U bent? Voor mij de Jezus die tegenwoordig is in het H. Mysterie [het Sacrament],
de Jezus van mijn Eerste Communie. Degene die woont in mijn hart en spreekt in mijn geweten.
Mensen hebben de Naam van Christelijk verbonden aan hun huwelijk, hun vakbond, hun politieke partij, hun radio-omroep, hun kerk, hun bezit, hun naam, hun leven.

 Wie zeggen de mensen dat Ik ben?”.
Jezus prikt bij Zijn Volgelingen door met de vraag:
Maar jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?”.
En Petrus geeft het antwoord: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”.
Waar haalt-ie het vandaan, die visser? Dat is ándere taal dan wat de mensen van Hem zeggen. Petrus, voor wie de zaak van de Messias een zaak van leven en dood was. Evenals de andere apostel van wie we vandaag het feest vieren: de apostel Paulus. Petrus en Paulus, twee mensen die de traditie heeft samengevoegd op één feestdag.

Tòch mogen we niet vergeten dat het vanmorgen om twee totaal verschillende mensen gaat. Ze vertegenwoordigen twee vormen van trouw.
Zelfs bij een oppervlakkige lezing van de Handelingen der Apostelen wordt het verschil duidelijk tussen de spontane, soms zwakke, trouwhartige visser uit Galilea en de bijna fanatieke, theologisch gedreven tentmaker uit Tarsus.
De spanningen tussen Petrus en Paulus zijn in Handelingen onderhuids en in Paulus brieven’ zelfs boven-huids aanwezig.
In Antiochië komt ‘t conflict tot een uitbarsting.
Concreet gaat het dan over de vraag: “Kan iemand christen worden zonder zich tot het Jodendom te bekeren?”.
Het was een reëel probleem: theologisch, psychologisch, maatschappelijk, cultureel en dus ook “Kerkelijk”.
Uiteindelijk kiezen de Apostelen voor de visie van Paulus.
En ook Petrus, de eerste onder zijn ‘gelijke‘ broeders, sluit zich uiteindelijk bij de visie van Paulus aan.

 De historie van de Kerk laat zien dat ‘het Lichaam van Christus’ ook ‘n Kerk van mensen is; ook van de Kerk kan regelmatig gezegd worden “het lijken wel mensen”, waarmee we aangegeven dat het er heftig en tegenstrijdig in de Blijde  Boodschap aan-toe-kan-gaan.
Een kerk die voortdurend worstelt met de Waarheid
– pausen en kerkleraren, toezichthouders en spelleiders spreken elkaar samen met gemeenschapsleden al eeuwenlang tegen.
We spreken vaak over de éne Heilige Katholieke Kerk, maar in feite is de Kerk een verzameling van ruim één miljard mensen, die in de sporen van Schrift en Traditie ‘op zoek zijn’ naar God in hun leven.
De Geschiedenis leert ons dat er toezichthouders zijn die zich op de een of andere manier hebben misdragen; bv. als schuinsmarcheerders, slippendragers van koninklijke machthebbers, banken, presidenten en tirannen, maar tevens dat diezelfde mensen zich elk jaar as op het hoofd strooiden onder het uitspreken van de woorden: ‘Gedenk, mens, dat je van stof bent en tot stof zult wederkeren’.

‘Divina Commedia’Dante 1265-1321

In de tijd van de Italiaanse schrijver Dante was de kerk zó verloedert, dat
hij in zijn boek Divina Commedia een verhaal schrijft, waarin
Paus Nicolaas II in de hel terecht kwam.
We herinneren ons hier in het Westen tevens de treurige tijden, waarin
Frankrijk en Rome streden om de machtige pauselijke zetel.
Beurtelings heeft de Kerk de Cultuur gewantrouwd en bevorderd.
In haar spoor vinden we strenge kloosters met trappisten-monniken en uitbundige Barok-kerken. Eeuwenlang heeft de Kerk de seksualiteit gewantrouwd, maar het huwelijk tot Mysterie [Sacrament] verheven.
Praalzieke prelaten liepen naast eenvoudige monniken in één en dezelfde processie, hoewel ze elkaar niet konden luchten of zien.
Dat alles is mogelijk in één en dezelfde Kerk: dàt is het wonderlijke spanningsveld van de meest tegenstrijdige ideeën.
Elkaar tegensprekende idealen konden in al hun felheid naast elkaar bestaan.
De schrijver Chesterton schreef:
De geschiedenis van de Kerk laat geen kudde makke schapen zien, maar eerder een kudde pauwen, tijgers en stieren!”.

Petrus en Paulus, verschillend in karakter en visie, zijn het maar -‘al te vaak’- niet eens over elkaars opvattingen en praktijken, zijn soms zelfs elkaars tegenstanders in de leer, maar zij zijn wél solidair in de Éne: zij zijn beiden trouw gebleven aan de Levende!
Dàt is waar het op aankomt:
– ook al waait er een geweldige storm door de Kerk en wereld;
– al schijnt de één de ander met geld en macht te verdrukken.
Blijf trouw aan de verbondenheid in de Heer en schrijf niemand àf, haal je de zonde van zijn/haar ondergang niet op je nek. Want elkaar verketteren is een heilloze en zelfs afwijkende christelijke manier in de omgang met God en met elkaar. “De strijd om de Waarheid in Christus gaat verder
òf we het leuk vinden of niet”.

3e Irmos     tn.4
Wij vertrouwen niet op rijkdom, noch op wijsheid of macht,
maar op de Persoon-geworden Wijsheid van God;
want niemand is heilig dan Gij alleen, die mensen de mensen lief heeft
”.

Op de rots van uw Godsbelijdenis heeft de Heer Jezus onwankelbaar Zijn Kerk gebouwd.
Daarom verHeerlijken wij u, Apostel Petros”
Hoger dan de Engelen werd Petros verheven, toen Christus God hem voorzegde,
dat hij bij Zijn Komst, met Hem zou tronen om Israël
[de Kerk] te oordelen”.

Gij hebt een onwankelbare fundering onder ons Geloof gelegd, o Paulus:
de in alle opzichten volmaakte Hoeksteen en Sluitsteen, onze Verlosser en Heer.
Altijd hebt gij het sterven van Jezus in uw lichaam gedragen, gezegende Paulus
en daardoor zijt gij waardig bevonden voor het ware Leven”.

[Theotokion] “ In waarheid, alle geslachten der mensen prijzen u zalig, zoals gij voorzegd had, Alreine; want daardoor zijn wij gered”.

Hypakoi     tn.8
In welke stad zijt gij niet gevangen geweest: welke Kerk hebt gij niet geleerd? Damaskus zag u, door Goddelijk Licht verblind; Rome ontving uw laatste bloed; en Tarsos verheugt zich als zijn grootste Zoon, Apostel Paulus, roem van heel de aarde. Nu is uw verblijf in de Hemelen: bid daar voor ons allen”.

8e Irmos     tn.4
Gij, Die het heelal in stand houdt door Uw onzegbare Kracht,
hebt aan de Drie Jongelingen koelte gebracht
temidden van de helse vlammengloed, terwijl zij zongen:
‘Zegent, alle werken des Heren, de Heer’”.

Men zal uw handen uitstrekken en u beladen met een kruis,
zo heeft de Meester aan Petros geprofeteerd: en deze roept met ons:
‘Zegent, alle werken des Heren, de Heer’
”.

Christus, Gij hebt aan Petrus doen zien dat
de heidenen gereinigd waren door de uitstraling van Uw Geest:
reinig ook mijn geest, opdat ik mag roepen:
‘Zegent, alle werken des Heren, de Heer’
”.

Paulus werd neergeveld door Uw Liefde en
ontdekte vol verbazing hoe Heerlijk hij veranderd was.
De voor altijd Gedenkwaardige leefde niet meer voor zichzelf;
maar Gij, de Barmhartige, leefde in hem: tot is alle eeuwigheid

Gij moogt de Kerk aanbieden als een Bruid aan Christus, de Bruidegom,
want gij hebt u een waardige Bruidsleider getoond, door God geïnspireerde Paulus.
Daarom eert zij vol liefde uw gedachtenis
”.

[Theotokion] “ Verheug u, Vuurtroon des Heren;
verheug u, ongehuwde, maagdelijke Bruid;
verheug u, wolk waaruit opstaat de Zon der Gerechtigheid,
Die wij verheffen tot in eeuwigheid

Troparion     tn.4
Gij eerst-tronenden der Apostelen en Leraren van de wereld,
bidt tot de Meester van het heelal,
om aan de wereld Vreded te schenken,
en aan onze zielen de grote Genade
”.

Kondakion     tn.2
De trouwe Verkondigers van God, de eersten der Apostelen,
hebt Gij, o Heer, deelachtig gemaakt aan Uw goederen,
en doen binnentreden in de eeuwige rust.
Want hun zwoegen en sterven
was kostbaar voor U, boven alle offers,
omdat Gij de harten kent
”.

3e Zondag na Pinksteren – de Heilige Nieuwe Martelaren onder de Ottomanen

de wereld, door de ogen van een theoloog

      De lamp van het lichaam is het oog. Indien dan uw oog zuiver is, zal geheel uw lichaam verlicht zijn; maar indien uw oog slecht is, zal geheel uw lichaam duister zijn.
     Indien nu wat licht in u is, duisternis is, hoe groot is dan de duisternis!
Niemand kan twee heren dienen, want hij zal of de ene haten en de andere liefhebben, of zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen en Mammon.
        Daarom zeg Ik u:
Weest niet bezorgd over uw leven, wat gij zult eten of drinken, of over uw lichaam, waarmee gij het zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding?
        Ziet naar de vogelen des hemels: zij zaaien niet en maaien niet en brengen niet bijeen in schuren, en toch voedt uw hemelse Vader die; gaat gij ze niet verre te boven?
        Wie van u kan door bezorgd te zijn een el aan zijn lengte toevoegen?
        En wat zijt gij bezorgd over kleding? Let op de leliën van het veld, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze.
        Indien nu God het gras van het veld, dat er heden is en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen?
Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft.
        Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken wordenMatth.6: 22-33.

      Wij dan, gerechtvaardigd uit het Geloof, hebben Vrede met God door onze Heer Jezus Christus, door Wie wij ook de toegang hebben verkregen in het Geloof tot deze Genade, waarin wij staan, en roemen in de Hoop op de Heerlijkheid in God.
        En niet alleen [hierin], maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, en de volharding beproefd worden, en het beproefd worden Hoop; en de Hoop maakt niet beschaamd, omdat de Liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, die ons gegeven is, zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen is gestorven.
       Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven – maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven?
       God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is.
       Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn.
       Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeftRom.5: 1-10.

Het Ottomaanse rijk
De troepen van moslimleider Mohammed II namen op 29 mei 1453 de grote stad Constantinople in; hoewel orthodoxe christenen al meer dan 1000 jaar hadden aangenomen dat het Byzantijns Christelijk Rijk zou blijven bestaan.
Zij hadden hun stad altijd de ‘door God beschermde stad’ genoemd en inderdaad tot dan toe was de stad beschermd gebleven ondanks de aanvallen van de zijde van zowel Russische als de troepen van de stad Venetië, welke tot op de dag van vandaag pronken met de kunstwerken van Byzantijnse grootmeesters.
Maar toe hun keizer, Constantijn XI, ten val kwam, werd de heilige stad van Byzantium de hoofdstad van een nieuw rijk, het Ottomaanse Rijk, geregeerd door een heidens volk, vijanden van Christus en het christendom, de moslims. In dat deel van de wereld viel er op dat moment een duistere wolk over de orthodoxe christenen.
In hun overweldigende haat tegen het christendom, aangewakkerd door de misdaden van de Latijnse Kruisridders, operaties die door christelijk Europa in de middeleeuwen werden gehouden, begonnen de moslim-Turken aan een vervolgingsoperatie die tot doel had om de kudde van Christus effectief aan banden te leggen.
Hun strategie was niet minder wreed dan die van andere atheïstische fascisten, die in de huidige samenleving, God noch gebod kennen, om hun macht ten toon te spreiden; de parallellen met de huidige Islamitische staat zijn opvallend.
De meeste kerken en kunstwerken herinnerend aan de historie van vroegere tijden werden vernietigd, enige kerken, die wel van nut konden zijn werden omgebouwd tot moskeeën, zoals het majestueus bouwwerk de Hagia Sophia in Constantinopel. Net zoals in latere periode Petersburg werd veranderd in Leningrad werd de naam van Constantinopel verandert in Istanbul – dictators zijn weinig orgineel.
Hun verplaatsbare iconen werden vernietigd en hele muren van inspirerende en stralende mozaïeken werden bedekt met verf of gips. Kruisen werden van de koepels verwijderd en verwisseld door Moslim symbolen. De schoonheid van de Hagia Sophia werd verkracht door er minaretten bij te bouwen als speren ten teken van hun snoeimessen tegen al wat in hun nabijheid kwam.

stromende bloed rond de Turkse vlag

In 330 na Chr. wijdde keizer Constantijn de stad Constantinopel toe aan de Theotokos en hij voegde een ster toe aan de beginnende halve maan, die al het symbool van de stad was. Toen de Turken de stad veroverden, her-noemden zij deze stad tot Istanbul. Zij namen het bestaande symbool van de halve maan met daarin de ster en veranderden het zo tot een Islamitisch symbool. Het Rode Kruis gebruikt in Islamitische landen de rode halve maan op een witte achtergrond als alternatief voor het rode kruis symbool.

Strikt genomen kent de Islam geen symbolen, in tegenstelling tot veel andere culturen mogen de moslims helemaal geen beeltenis maken van Allah [Arab. God] of van zijn profeet Mohammed; zij mogen zich enkel bedienen van teksten, zoals ‘God zij geprezen’[Subhan-Allah], ‘eer aan God’[Alhamdulillah] en ‘God is groot’ [Allãhu Akbar].

De moslims garandeerden christenen een definitieve plaats in de Turkse samenleving; maar dit betekende een zwaar ondergeschikte, een plaats van gegarandeerde minderwaardigheid. Orthodoxe Christenen dienden naast hun de normaal bestaande lasten – jaarlijks een hoofdbelasting betalen, zoals het afstaan van vee. Voor de Turken zijn het ongelovigen en ze hadden absoluut geen burgerrechten – zij dienden zelfs opvallende kleding [jurken] te dragen, waardoor zij van verre herkenbaar waren. Zij konden niet met moslims trouwen, noch mochten zij zich bezighouden met verkondiging op welke manier ook, niet in woord, niet in geschriften radio of van welke aard dan ook. In feite werd het als een misdaad beschouwd, gewoonlijk bestraft met de dood, om een moslim tot het christelijk geloof te bekeren. Nog steeds is het zo dat wanneer een moslim zich tot het Christendom bekeert, hij/zij zich het leven in de waagschaal stelt – de familie-eer dient gered te worden en er is geen ander pardon, dan de dood.
Alsof deze maatregelen nog niet genoeg waren, namen de moslims actief de leiding over van de kerkgemeenschap in hun contreien. De sultan beschouwde zichzelf ironisch genoeg als de ‘beschermer’ van de Orthodoxie, zogenaamd het voortbestaan van de kerk garanderend, maar het was feitelijk een vreselijke wurggreep, waarmee het christendom in de ban werd gehouden.  In dit systeem deinde elke patriarch een stevige vergoeding aan de Sultan te betalen alvorens hij kon worden toegelaten tot de patriarchale troon.

het bloed van Martelaren

De patriarch is/was niet in staat om het geld bij zijn toch al uitgebuite gelovigen te halen, aldus wordt/werd hij genoodzaakt een vergoeding op te eisen van elke nieuwe bisschop voordat hij hem in z’n bisdom installeert en deze verhaalt deze last uiteraard weer op z’n kudde gelovigen.
Door gebruik te maken van deze lucratieve handelspartner, dwingen/dwongen de Turken tot de  aanstelling van oude patriarchen, zodat er met een buitensporige snelheid nieuwe en herverkiezingen dienden plaats te vinden. De Turkse overheid dient de kandidaat voor het Patriarchaal Constantinopel nog steeds goed te keuren.
De meeste sultans waren zieke, door demonen geteisterde mannen, wiens irrationele heerschappij en ongebreidelde macht alleen maar de demorali-serende uitwerking van de Turkse heerschappij op de Kerk versterkten.

Niet zonder reden merkte een 17e eeuws handelaar in Istanbul op: “Elke goede Christen behoort met droefheid te overwegen zich aan dit regiem over te geven [moslim te worden] teneinde de eens zo glorieuze kerk te aanschouwen, die haar ingewanden scheurt en uitdeelt en hen als voedsel aan de gieren en de kraaien geeft”.
Stilzwijgend zijn heel wat families zich onder deze druk en ter verkrijging van privileges, zoals brood op de plank via een overheidsaanstelling, onder deze druk bezweken. Zo kom je in Turkije nog veel verlaten kerkjes tegen, die slechts uit toeristisch oogpunt nog overeind staan.  Het doel van de Orthodoxie in het Ottomaanse Rijk is simpelweg nog steeds een kwestie van overleven.
Ze konden er weinig van weten, in 1453, dat het zwaard van de Islam niet voor een generatie of twee, maar voor méér dan 500 jaar, tot an de dag van vandaag, al bijna zes ontzettend lange eeuwen van duisternis en moeilijkheden zou opleveren.

icoon van de Martelaren van Batak 1876 [Bulg.], de vergeten genocide!

Armeniërs, Bulgaren, Serviërs kunnen u hier heden-ten-dage nog veel meer van vertellen, maar vergeet deze tijd niet -president Erdogan- valt -met steun van een oud KGB-strijder -uit Moskou- zonder pardon de Koerden in Syrië aan en de wereld kijkt toe.
Maar zelfs onder dergelijke verwoestende omstandigheden laat God het ‘Licht van Christus’ niet onder hen uitdoven; zo goed en kwaad als het kan weet de Kerk zich in het midden en verre  oosten nog staande te houden; hoe? – door stilzwijgend de situatie te aanvaarden en de duivelse heersers hun zin te geven.

➥ Tot op de dag van vandaag verwijzen de ‘Nieuwe Martelaren’ op de Orthodoxe kalender van heiligen naar slachtoffers, die steeds maar opnieuw lijden vanwege hun Geloof onder het Ottomaanse juk. Hun leven is veelal niet bekend en toch vormen zij een -nog steeds niet afgesloten- rij van slachtoffers welke onder dit regiem vallen.

‘Servische actie’ Arch. Habakuk & Martelaren, 1815

⁌ Tot op de dag van vandaag blijkt het politiek systeem in Turkije af te wijken van de Joods- christelijke waarden en normen, zet het oude onmenselijk regiem openlijk zijn aloude gedrag voort – “voor degenen, die dit gedrag volhouden is geen weg onbegaanbaar” – de enige weg, die christenen overblijft is accepteren òf ten onder gaan.
Voor de westerse samenleving welke toch voornamelijk gebaseerd is op Joods-Christelijke principes dienen we -ook wat de politieke houding aangaat- ons niet te laten knevelen en waakzaam te blijven en ons niet laten verleiden tot gelijksoortige tegenacties.
Er zijn in het verleden vele beloningen gegeven in de vorm van geldelijk gewin en privileges aan die christenen die zich tot de moslimgodsdienst zouden bekeren.

Balkan oorlog 1878-79

Onze westerse maatschappij laat zich nòg àl te gemakkelijk verleiden door geldelijk gewin – je kunt uit de handel mèt een ‘dergelijke grote‘ groep mensen immers veelvuldig geldelijk gewin halen, wat hun waarden en normen aangaat – kijk je gewoon de andere kant op.
Wij, westerlingen, dienen ons echter absoluut geen zand in de ogen te laten strooien; ons hiervan te distantiëren – dit soort praktijken uit de weg te gaan.
Vele Christenen leven momenteel dagelijks nog in angst en beven, gaan nog steeds de Koninklijke  strijd aan met dit kamp van de tegenstander [de duivel] en handhaven in ‘het midden- en verre oosten’ nog steeds moedig -als strijdvaandel het Kruis van Christus- doordrongen van de heilige strijd het Christendom in de oorspronkelijke landen te handhaven, doorstaan zij verschrikkelijke martelingen. De overwinning van de martelaren wordt echter alleen vanuit een buitenaards perspectief begrepen, want zij bewaren diep in hun hart de worden van de Blijde Boodschap:
“            Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden.
              Want wat zou het een mens baten, als hij de gehele wereld won, maar schade leed aan zijn ziel? Of wat zal een mens geven in ruil voor zijn leven?
               Want de Zoon des mensen zal komen in de Heerlijkheid van Zijn Vader, met zijn engelen, en dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn dadenMatth.15: 25-27

Een goede stellingname blijkt heden heden ten dage nog steeds te zijn:
Mensen gaan veelal voor direct resultaat, bevrediging van verlangens en gevoelens, dat toch maar bereiken – maar blijken zichzelf toch onderweg te verliezen”.
Christus is daar diep bezorgd over:
Hij wil ons het Eeuwige Leven geven, dàt is het Enige wat ons tot in het Koninkrijk der Hemelen overblijft”.
Daartoe roept Hij ons achter Zich, zoals Hij Petrus deed: “Ga verre van Mij, jij satan”, want wij hebben een ziel te verliezen en dat wil Hij niet.

Beeld van het Leven

Zorgen voor je ziel betekent, dat je de weg gaat achter Christus aan.
Dat is de weg van de radicale overgave van je zelf [ -je ziel, je leven- ] omwille van de blijde Boodschap.
Het is de bereidheid alles, ook je eigenste wezen, in te leveren om Christus te winnen.
De mens staat eerst dàn centraal wanneer z’n ziel opnieuw de hoofdnorm wordt van het menselijk bestaan.
Ofwel: ‘Christus wordt mijn leven!‘;
In Hem heb ik een wereld te winnen‘;
een nieuwe Hemel en een nieuwe aarde.

Apolytikion     tn.2
Toen Gij, het onster’flijke Leven nederdaalde tot de dood,
hebt Gij de kracht der onderwereld gedood door de bliksem der Godheid.
En toen Gij de gestorvenen uit de onderwereld opwekte,
riepen alle Machten der Hemelen:
O Christus onze God, Schenker des Levens, ere zij U“.

Kondakion     tn.2
Gij zijt opgestaan uit het graf, Almachtige Verlosser,
en bij het aanschouwen van dit wonder stond de onderwereld verslagen.
De doden verrezen en heel Uw Schepping verheugt zich samen met U.
Ook Adan jubelt en het Heelal mijn Verlosser,
zingt U de lofzang zonder einde“.

Theotokion     tn.2
Onbegrijpelijk en hoog-Heerliik zijn alle Mysteriën
Die aan u voltrokken zijn, o Moeder Gods.
Verzegeld in reinheid en vast in maagdelijkheid,
zijt gij waarlijk Moeder geworden
en hebt gij de Ware God gebaard.
Smeek tot Hem dat onze zielen worden verlost
”.

Kondakion     tn.8. van de Martelaren
”  Als het eerstelingen-offer der natuur,
offert de wereld U,
de Heer en Schepper van het heelal,
de God-dragende Martelaren.
Bewaar om hun gebeden Uw Kerk in diepe Vrede,
door de Moeder Gods, Barmhartige“.

2e Zondag na Pinksteren – Zondag van alle Heiligen van Nederland [en de wereld]

De eerstelingen, de Apostelen, de eerstgeroepenen; The firstfruits, the Apostles, the first called.

      Toen Hij nu langs de zee van Galilea ging, zag Hij twee broeders, Simon, die Petrus genoemd wordt, en Andreas, diens broeder, een net in zee werpen; want zij waren vissers.
       En Hij zei tot hen: Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken.
       Zij nu lieten terstond hun netten liggen en volgden Hem.
En vandaar verder gegaan zijnde, zag Hij nog twee broeders, Jakobus, de zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedeus, terwijl ze bezig waren hun netten in orde te brengen, en Hij riep hen.
       Zij lieten dan terstond het schip en hun vader achter en volgden Hem.
En Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun Synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het VolkMatth.4: 18-23.

    Allen, die door het Geloof koninkrijken onderworpen, gerechtigheid geoefend,
de vervulling van de Belofte verkregen hebben, muilen van leeuwen dichtgesnoerd,
de kracht van het vuur gedoofd hebben.
Zij zijn aan scherpe zwaarden ontkomen, in zwakheid hebben zij Kracht ontvangen,
zij zijn in de oorlog sterk geworden en hebben vijandige legers doen afdeinzen.
Vrouwen hebben haar doden uit de opstanding terugontvangen, anderen hebben zich laten folteren en van geen bevrijding willen weten, opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben.
Anderen weer hebben hoon en geselslagen verduurd, daarenboven nog boeien en gevangenschap. Zij zijn gestenigd, op zware proef gesteld, doormidden gezaagd, met het zwaard vermoord; zij hebben rondgezworven in schapenvachten en geitenvellen, onder ontbering, verdrukking en mishandeling – de wereld was hunner niet waardig
– zij hebben rondgedoold door woestijnen, en gebergten, in spelonken en de holen der aarde.
       Ook deze allen, hoewel door het Geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen.
       Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die voor ons ligt.
       Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder van het GeloofHebr.11: 33-12:12a.

”  We hebben de Messias gevonden, Die de Christus is ”  De enige Christus, Die van nature God is, heeft zich vernederd en is mens geworden. Hij toonde Andreas en alle andere apostelen de bron van het Mysterie en de grootsheid van God’s Genadegaven. God is getrouw, door wie ook jullie zijn geroepen tot gemeenschap met Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer.
Allen, die geroepen worden -en dat zijn wij-
wij zullen dus àllen dóór het Geloof koninkrijken van de wereld dienen te onderwerpen, gerechtigheid te beoefenen en daardoor de vervulling van de Belofte te verkrijgen.
De koninkrijken van de wereld zullen dit niet accepteren; wees er dus maar op voorbereid dat je een golf van tegenwerkingen en boosheid over je heen zult krijgen.
Dàt is de dood, die ons westerlingen vandaag voor ogen wordt gehouden.
Vandaag stellen we ons de vraag:
waarin bestaat deze algemene roeping om heilig te worden?
En hoe kunnen wij haar verwerkelijken?
Allereerst dienen we goed beseffen dat Heiligheid niet iets is, dat wij voor onszelf kunnen verwerven, iets dat wij verkrijgen dankzij onze kwaliteiten en capaciteiten.
Heiligheid is een Genadegave, de Gave, Die onze Heer Jezus Christus ons schenkt, wanneer Hij ons op Zijn weg mèt Zich mééneemt, ons mèt Hem bekleedt en ons maakt zoals Hijzelf.
Christus verschaft ons het beeld naar Zijn Gelijkenis !!!
Christus heeft de Kerk liefgehad en heeft Zich voor haar overgeleverd
om haar Heilig en rein te maken
Eph.5: 25-26.
Nu dan, Heiligheid is werkelijk de mooiste icoon van de Kerk:
==> het uit zich, door het herontdekken van innige vereniging, gemeenschap met God, in de Volheid van Zijn Goddelijk leven en Zijn Liefde.
Daarop begrijpen we tevens dat Heiligheid niet een voorrecht is van slechts ènkelen, zogenaamde bevoorrechten, de gewijden:
Heiligheid is een Genadegave, Die aan àllen, niemand uitgezonderd, wordt aangeboden en waardoor het ‘afwijkend‘ karakter van elke volgeling van Christus wordt omgevormd.

Bovenstaande geeft ons inzicht dat het om Heilig te worden niet ‘per sé’ nodig is een speciale wijding te ondergaan, als toezichthouder, spelleider òf als gevolg van een bijzondere religieuze zalving, waarna de drievoudige uitroep ‘Axios’:
  we zijn ‘allemaal’ als Christen geroepen om heilig te worden, ‘niemand uitgezonderd’ !  -.
In de wereld worden we echter -door uiterlijk vertoon- verleid ons in te beelden dat Heiligheid alleen is weggelegd voor degenen die zich de mogelijkheid hebben toegeëigend om te kunnen ontsnappen, vrijgesteld te worden aan de alledaagse beslommeringen, om zich uitsluitend te wijden aan het gebed.
Dat is beslist ‘niet zo’! Heiligheid is iets veel groters.
Sommigen denken dat de Heiligheid betekent je ogen sluiten en
een vroom gezicht trekken als op een icoon-afbeelding.
Dat behoeft geen heiligheid in te houden!
Heiligheid is iets immens groters, het heeft een véél grotere en diepere inhoud,
welke God ons als Genadegave geeft.
Heiligheid staat helemaal los van ‘wat’ wij kunnen doen alsof; het spel, de buitenkant.
Heiligheid ontstaat door waarachtig te leven vanuit de Goddelijke Liefde en dit vervolgens dóór het geven, door middel van een waarachtige Christelijk getuigenis, in onze dagelijkse beslommeringen, waarmee wij onze omgeving klip en klaar tonen dat ‘wij’ persoonlijk geroepen zijn Heilig [= voor God volmaakt] te worden.

Dat wordt ons vandaag voorgehouden:
       Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die voor ons ligt.
       Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder van het Geloof”
              En dat geldt voor iedereen in de omstandigheden en de levensstaat waarin hij zich bevindt.
  Ben je een man of een vrouw, die tegen een wijding is opgelopen en leid je inderdaad een op God gericht voorbeeldig leven?
Wees dan een voorbeeld voor je omgeving, door je Genadegaven en verricht je dienstwerk in Liefde en Vreugde. te beleven.
  Ben je gehuwd? Wees dan een voorbeeld voor je omgeving en kom je verplichtingen na – door je man of je vrouw waarachtig lief te hebben en voor haar of hem te zorgen, zoals Christus met zijn Kerk heeft gedaan.
  Ben je gedoopt en niet gehuwd? Wees dan een voorbeeld voor je omgeving en kom je verplichtingen na – door je werk eerlijk en bekwaam te verrichten en je tijd te besteden aan de dienst van je broeders, altijd en overal.
Ook als putjesschepper, ook als vroeg-gehandicapte, ook als zijnde werkloos, ook als verschoppeling kun je in deze wereld laten zien dat je leven door Christus gedragen wordt.
Dáár waar je geplaatst bent, kun je heilig worden.
God geeft je de Genadegaven om volmaakt te leven en je leven Heilig in te richten; God laat je in het gebed weten hoe, Hij deelt Zich aan jou mee.
Altijd en overal kun je Heilig worden, dat wil zeggen dat wij ontvankelijk kunnen zijn voor deze Genadegaven die ons van binnen bewerkt en ons tot de volwaardig Christen brengt.
Ben je vader geworden, als moeder belast met kinderen, òf opa, oma ?
Wees dan volmaakt door je kinderen of kleinkinderen met hartstocht over onze Heer Jezus Christus, onze Verlosser te vertellen en hen te leren Hem te volgen. Het gezin is immers de baarmoeder van de Kerk en daarvoor is ontzettend veel geduld voor nodig.
Je kunt er geen opleiding voor volgen, om een goede vader, een goede opa, een goede moeder, een goede oma te zijn, dus in dat geduld komt de volmaaktheid, de Heiligheid:
enkel en alleen door geduld te oefenen.
Iedere kerkgemeenschap zou een crisisopvang dienen te hebben, als christenen het appèl niet meer horen om zich onvoorwaardelijk in te blijven zetten in de strijd voor het christelijk leven, dan is het ook moeilijk te verwachten dat de mensen uit de wereld een helpende hand zullen  toesteken.
➻➻➻ Geef je catechese-lessen, ben je catecheet, onderwijzer of gewoon vrijwilliger?
Wees dan heilig door een levend teken te worden van de liefde van God en
van Zijn Aanwezigheid onder ons blijk te geven.
Elk gezin zou als vanzelfsprekend gericht dienen te zijn op  dienstbaarheid aan de ander.

Elke levensstaat leidt tot de roep van Christus:
      Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen;  want het Christelijk juk is zacht en de Christelijke last is licht“ conf. Matth.11: 28-30.
Je behoeft je niet uit te sloven met in je achterhoofd: ‘Kijk mij eens’ ‘. . . doe het gewoon, dan doe je gek genoeg’.   Thuis, op straat, op het werk, in de Kerk, op dit moment en in jouw levensstaat ligt de weg naar de Heiligheid open.
Wees niet bang om die eenvoudige weg te bewandelen.
God geeft je die Genade; als tegenprestatie is het enige dat God van ons vraagt:
dat wij in gemeenschap zijn met Hem en ten dienste staan van onze broeders”;
dat is heiligheid en niets anders, dus laat je niet belachelijk maken.

Christus staat aan de deur en klopt

Zodra de Heer ons roept, uitnodigt heilig te worden, roept Hij ons niet op tot iets moeilijks, iets treurigs . . . Integendeel!
Het is een uitnodiging om zijn vreugde mee te beleven, om elk moment van ons leven in vreugde te beleven en aan te bieden, en al doende tegelijkertijd een Liefdegave te worden voor de mensen om ons heen.
Wanneer wij dàt begrijpen, verandert àlles en krijgt àlles een nieuwe inhoud, een mooie betekenis, te beginnen met de kleine dingen van elke dag.
Het gaat er namelijk helemaal niet om iets ‘groots’ te doen het gaat er om wat ‘klein’ wordt beschouwd een grotere inhoud te geven.
Iedere stap in je leven kan bijdragen tot heiligheid, wanneer je zelf het initiatief neemt iets in liefde aan God op te dragen, zonder weerzin, met geduld en fantasierijk – dàt is al een stap in de goede richting.
Dàn aan het einde van de dag zijn we allemaal moe, maar dan is het tijd voor het gebed.
We zeggen onze gebeden, dàt is een volgende stap in de richting van de heiligheid.
Dàn komt het weekend en worden we opgeroepen voor de Heilige Diensten, onder andere de Goddelijke Liturgie en het ontvangen van de communie.
dit wordt voorafgegaan door een voorbereiding en indien nodig door
de belijdenis van onze misstappen/ongerechtigheden, hetgeen op onze weg kan begeleiden.
==> Dagelijks gebed, waaronder het gebed van het hart kan ons eveneens begeleiden op de Christelijke weg; of je nu op straat loopt of in de bus je weg vervolgt.
Het zijn maar kleine dingen, maar evenzovele kleine stappen naar de volmaaktheid.
Elke stap voorwaarts zal een beter mens van ons maken, ons bevrijden van egoïsme en van het opgesloten zijn in onszelf, en zal ons openen voor onze broeders en hun behoeften.

      Dient elkander, een ieder naar de Genadegave, Die hij/zij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei Genade van God.
       Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God; dient iemand, laat het zijn als uit kracht, door God verleend, opdat in alles God verheerlijkt zal worden door Jezus Christus, aan Wie de Heerlijkheid is en de Kracht, in alle eeuwigheid! Amen.
        Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds zal overkomen. Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus opdat gij u ook met Vreugde zult mogen verblijden bij de Openbaring van Zijn Heerlijkheid
1Petr.4: 10-13.
Als vrienden onder elkaar, die je regelmatig tegenkomt kunnen problemen veel groter worden ervaren dan elders. Dan is het contact mogelijk niet zo leuk meer omdat je elkaar [mogelijk tijdelijk] niet meer zo veel meer te vertellen hebt, doordat je teleurgesteld bent in iemand.
Maar wat maakt het uit in een gemeenschap, het is toch logisch dat daar mensen in zitten met wie je een sterkere band hebt dan met anderen? Heb in de gemeenschap gewoon iets minder contact met deze persoon maar respecteer elkaar gewoon wel voor wie je bent, met alle onvolmaaktheden.
Laten wij díe met vreugde ontvangen en elkaar ondersteunen in de goede dingen, omdat je de weg naar de volmaaktheid niet alleen loopt -iedereen voor zichzelf- , maar die weg doorloop je samen, in dat éne Lichaam dat de Kerk is, geliefd en Heilig gemaakt door de Heer Jezus Christus.
Laten we daarom met goede moed ons Kruis dragen en verder gaan op deze weg naar de Heiligheid.

6e Irmos, Canon van Pinksteren     tn. 7.
  Zoals op de golven wordt mijn geest
door de dagelijkse zorgen geslingerd.
Mijn zonden hebben mij in zee geworpen;
het zielenrokende monster dreigt mij te verslinden.
Daarom roep ik, o Christus, als Jonah tot U:
ontruk mij uit de diepte van de dood
”.

7e Irmos, Canon van Pinksteren     tn. 7.
  De drie jongelingen in de vuuroven
veranderden het vuur in dauw door hun loflied,
en zij riepen:
Gezegend zijt Gij, Heer, God van onze vaderen
”.

8e Irmos, Canon van Pinksteren     tn. 7.
  Het braambos, dat in het vuur niet verbrandde,
sprak God-verkondigend op de Sinaï,
tot Mozes, die slecht bespraakt was.
Ook de Jongelingen,
die door het vuur niet werden aangetast,
werden door hun ijver voor God tot zangers;
Alle week des Heren zegent de Heer,
en verheft Hem in alle eeuwigheid
”.

9e Irmos, Canon van Pinksteren     tn. 7.
  Gij onbevlekte, hebt gedragen in uw schoot,
het Woord dat alles geschapen heeft,
en hebt daaraan het vlees geschonken, o Moeder zonder man.
Maagd, en Moeder Gods,
omvattend Hem, Die zonder grenzen is;
woonplaats van de eindeloze Schepper,
wij verheerlijken U”

Apolytikion     tn.1.
“   Terwijl de steen door de Joden verzegeld was
en de soldaten Uw alleruiterst Lichaam bewaakten,
zijt Gij na drie dagen opgestaan, o Verlosser,
om aan de wereld Leven te schenken.
Daarom riepen de Hemelse Machten U Toe, o Levenschenker:
Ere zij Uw Opstanding, o Christus.
Ere zij Uw Koninkrijk:
Ere zij Uw Voorzienigheid o enige Menslievende
”.

Kondakion     tn.1.
“   Als God zijt Gij opgestaan uit het graf in Heerlijkheid
en de wereld hebt Gij mede opgewekt.
De mensennatuur bezingt U als God
en de dood is teniet gedaan.
adam jubelt o Meester
en Eva, uit haar noemen bevrijd, verheugt  zich en roept uit:
Gij zijt het, o Christus,
Die aan allen de Opstanding schenkt
”.

Theotokion     tn.1
“  Toen Gabriël tot U o Maagd het ‘verheug u’ sprak,
nam de Schepper van het heelal in U het vlees aan.
Toen werd gij ‘de Heilige Ark’, waarover David sprak,
meer omvattend dan de Hemelen.
Eer zij Hem, Die in U woning nam,
Eer aan Hem, die uit u tevoorschijn trad.
Eer aan Hem, Die ons door uw baren heeft bevrijd
”.

Orthodoxie & zicht op religieus leiderschap

    En onze Heer Jezus Christus zei:
‘Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen en wie zien, blind worden’.
Dit hoorden sommigen uit de Farizeeën, die bij Hem waren, en
zij zeiden tot Hem: ‘Zijn wij soms ook blind?’.
       Jezus zei tot hen:
‘ Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zonde. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten.
Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen
volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen’.
       In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.
Jezus zei dan nogmaals:
‘ Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die voor Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.
De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.  Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen     maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht – en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen – want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte.
Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij,  gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen’John.9: 39-10: 15.

                   In religieuze en spirituele gemeenschappen neemt leiderschap vaak een specifieke vorm aan.
Religieuze leiders zoals Patriarchen staan namelijk –  ‘verschillend ’ van seculiere leiders zoals keizers – centraal in het verbinden van gelovigen, t.o.v. het transcendente en de buitenwereld.
In het Russisch wordt de term ‘maffia‘ gebruikt voor de ‘corrupte politieke elite‘, die altijd verbonden is/was met machthebbers; in de Sovjetperiode werden met ‘maffia‘ mensen aangeduid die verantwoordelijk waren voor bepaalde goederen of diensten, of degenen die hoge posities op de maatschappelijke ladder hadden [номенклатура , воры в законе – kort omschreven, dieven onder de wet].
Het goed functioneren van religieuze en spirituele gemeenschappen is grotendeels afhankelijk van dit leiderschap.
Religieus leiderschap en religieuze gemeenschappen staan in een tijd van de-ïndividualisatie, de-secularisatie en super-diversiteit sterk onder druk.
Onderzoek laat zien dat men in dit soort tijden van onzekerheid behoefte heeft aan charismatische leiders die richting en veiligheid kunnen verschaffen. Daarnaast zorgt een onzekere of aarzelende situatie er ook voor dat leiders meer mogelijkheden hebben om charismatisch [goeroe-]gedrag te gaan vertonen.
Dit wekt nieuwsgierigheid op wat betreft de ervaringen met charismatisch leiderschap in religieuze en spirituele geloofsgemeenschappen.
Alles is nu eenmaal geschapen, voordat het tot het bestaan kwam, zelfs de mens, als sluitstuk van de Schepping; komt voort uit Gods Liefde tot verlangen naar iets wat van verre [uit het hart] voortkomt; de wens Goed te doen en overwoekerd te worden door Goddelijk Licht, is ontstaan uit de onmetelijke schoonheid van het Goddelijk Licht.

Wanneer we bovenstaande woorden van de Blijde Boodschap van de hand van Johannes horen, lijken ze in eerste instantie te doen afnemen, ze zijn bijna weerzinwekkend, ze zijn al meer dan tweeduizend jaar voer voor handelaren, voor een schijntje te koop op de marktplaatsen van de theologie:
– Onze Heer Jezus Christus is ‘de ware Herder en degenen die in Hem geloven, vormen de kudde’, – die de relatie en de klasse beschrijft van de Christelijk leider en de ‘en masse’ Christus volgende gelovigen, inclusief alle vormen van mogelijk misbruik.
Een natie van “schapen” heeft leiderschap nodig.
Iedere gedragspsycholoog kan ons uitleggen waarom: ‘In tegenstelling tot de sluwe geiten, degenen die zich in de hoge bergen voortbewegen, ten opzichte van de schapen die zich in de dalen op uitgestrekte boomloze vlakten bevinden, waar slechts gras en mos groeit, althans zo lag het er ongeveer achtduizend jaar geleden bij voordat zij aan het menselijk leven gewend was geraakt, voordat zij zich in de wereld thuis begonnen te voelen. Het menselijk leven is afhankelijk van erkenning, respect van degene die dat aanlevert, deze ervaring begeleidt en beschermt’.
Meer dan het geblaat en het exploiteren van deze dieren kan zelfs in een noodgeval niet worden vertrouwd. Wanneer een dergelijk gedrag als een model van “gelovigen” wordt voorgesteld, mag  het tevens duidelijk worden waarom de [schaaps-]kudde gelovigen aan Christus een centrale uitgangspunt toekennen en Hem als het onmiskenbare centrale Hoofd van de Kerk dienen te herkennen, de Enige [God-]mens, op Wie je werkelijk je vertrouwen kunt stellen.
Hier wordt dus klip en klaar gesteld: “ Ja, Jezus Christus, de Zoon van God is de Herder, de behoeder van de Kerkgemeenschap”.
Christus maakt dit hier duidelijk aan ieder mens, die zich als herder, als spelleider, als toezichthouder in Zijn stal aanmeldt om er te komen werken!

Deze scène is tevens opgenomen in de sterk sentimentele weergave van het erfgoed van de Nazarener: een herder die vredig in de avondschemering bij zijn kudde doorbrengt; hij trekt met hen op, met allen, alsof er geen gevaar dreigt.
Vele van dit soort fresco’s en iconen zijn te vinden in de christelijke kerken in Israël, Jordanië, Libanon en Syrië als ingevoerd product uit het koloniaal verleden van het Christendom tot in de 21e eeuw aan toe. Een enkele blik op de bergen van Galilea of ​​Judea zou je andere dingen kunnen laten zien: ‘Hoe bewerkelijk het werk van een herder is en wat de werkelijkheid inhoudt‘.
Bij de weergave van Johannes is er zelfs sprake van een naderende dood, van een leven vol avontuur, van een verbintenis tot ‘alles of niets’, hetgeen een herder als ‘beroepsrisico’ dient in te calculeren en als heel natuurlijk daarop volgend, één opmerking:
Het betreft het uitgangspunt dat het gedrag van de spelleider en toezichthouder, als herder ten opzichte van de schapen afhankelijk is van hoe we tegen de relatie tussen God en de mens aankijken. Geloof en erkenning van de uitvoering daarvan wordt niet beschouwd als taak waarvan de vervulling charismatisch gelegitimeerde eisen stelt aan de mens zelf’.

Met name nieuwe religieuze splintergroeperingen kenmerken zich door een charismatisch leiderschap als een ‘levend voorbeeld’, van een profeet, een mysticus of plaatsvervanger van God. Charismatische leiders worden door hun volgelingen en ook door zichzelf [een soort zelfhypnose] beschouwd als ‘ontzettend’ bijzondere personen met wèl ‘héél bijzondere’ eigenschappen, een soort supermens, die van alle markten thuis is, òf zij doen het slechts voorkomen en spelen het spel, zoals dat van hen verwacht wordt.
Charismatische leiderschap onderscheidt zich in een ideaaltype in contrast met de twee andere vormen van leiderschapsautoriteit, gezag of macht: ‘legaal’ leiderschap en ‘traditioneel’ leiderschap.
       Bijzondere [Genade-]gaven om anderen te inspireren en te leiden is een bepaalde eigenschap van een individuele persoonlijkheid, dankzij welke hij/zij [de geit op de berg] zich onderscheidt van de gewone mens [het schaap in de steppe] en behandeld wordt als begiftigd met bovennatuurlijke, bovenmenselijke, of op z’n minst specifiek uitzonderlijke krachten of kwaliteiten.
Deze eigenschappen zijn dusdanig dat gewone mensen er absoluut geen toegang toe hebben, maar beschouwd worden als ‘van goddelijke oorsprong’ òf wat als voorbeeld kan dienen en het individu dat deze eigenschappen bezit wordt op grond hiervan als leiderschapsfiguur behandeld.
       Na nadrukkelijke bestudering van dit onderwerp is het algemeen min of meer gebruikelijk geworden, begrippen als charisma of charismatisch leiderschap nog uitsluitend op te vatten als omschrijvingen van innerlijke kwaliteiten van een persoon onafhankelijk van de omgeving.

Persoonlijke uitstraling
De charismatische autoriteit berust op “geloven” in de desbetreffende ‘profeet‘, op de “erkenning” die de charismatische ‘held’ zichzelf verwerft en toekent of ermee door de mand valt.
Niettemin ontleent het z’n autoriteit niet aan deze erkenning door degenen, die in de wereld regeren; Macht uitoefenen. Integendeel: Geloof en erkenning worden beschouwd als taken, waarvan de vervulling ‘charismatisch gelegitimeerde eisen’ stelt aan zichzelf [Maximilian C.E. (Max) Weber 1864–1920].
De vraag die daarop volgt is of charisma overdraagbaar is, kunnen de volgelingen worden vastgehouden wanneer de voorafgaande leider er niet meer is, wat gebeurt er als het charisma z’n glans gaat verliezen, minder interessant, minder de moeite waard wordt?
Dit is het vraagstuk van de institutionalisering van het charisma of, zoals Weber het noemt, de routinematig behouden van charisma. De charismatische leider heeft ideeën en idealen, die ook na zijn verscheiden, bewaard en uitgedragen dienen te worden; om de leider heen bevindt zich een groep van mensen, die economisch en sociaal van hem afhankelijk zijn geworden en er zijn volgelingen die het geloof en het vertrouwen in hun leidsman willen behouden, eventueel ook geritualiseerd.
De socioloog Weber gaat er van uit dat charismatisch leiderschap in zijn puurste vorm een zo onzeker, instabiel en vluchtig gegeven is, dat er in de praktijk bijna altijd reeds na een korte tijd een routinematig behouden van het charisma gaat optreden. De mensen rond de charismaticus en vaak ook de leider zelf, willen immers zekerheid en continuïteit; zij tolereren geen enkele tegenstand.

Krishnamurti is een typische voorbeeld van een charismatisch leider, die zich juist ‘tégen’ het routinematig behouden van z’n charisma in een georganiseerde vorm heeft verzet, de ‘antimeester’, zoals godsdienstige leermeesters dit noemen.

De tragiek van de charismatisch leider is dat hij naarmate hij méér succes heeft, meer en meer van z’n oorspronkelijke charisma verliest. Het is een opeenvolgend proces dat vrij gemakkelijk te herkennen is.
1.]. Iemand wordt een charismatisch leider, wanneer hij volgelingen krijgt die zijn charisma herkennen en erkennen. Hij is dan de leider [‘hoofdspelleider’ kon Weber in zijn tijd nog onbelast zeggen] en zijn volgelingen zijn ‘de jongelingen’.
2.]. In de tweede fase, wanneer het leiderschap in bredere kring erkend wordt, worden de volgelingen beschermers en bewakers. Zij gaan om de leider heen staan, onttrekken hem aan het directe contact met de meerderheid van de volgelingen. Om hem zijn charismatische werking niet te doen verliezen, tillen ze hem op, verheffen ze hem tot een zichtbaar, maar onbereikbaar idool.
3.]. In de derde fase zijn de beschermers en de bewakers van de charismatische leiders tot zijn beheerders geworden: het charisma wordt gemanipuleerd ten behoeve van de organisatie die zich om de leider heeft ontwikkeld. De charismatische leider is een marionet geworden van zijn omgeving.
4.]. In de vierde fase tenslotte zijn de beheerders geëvolueerd tot bestuurders en de charismatische leider is nog slechts een herinnering, die de legitimatie is voor de handelingen van de bestuurders. De marionet is dan een mascotte geworden: een symboolfiguur.

De leermeester als algemeen ‘spelleider van de ziel’ is vandaag de dag de ‘religieus charismaticus’ bij uitstek: hij is geen plaatsvervanger zoals iemand die de Blijde Boodschap verkondigt, hij is eveneens geen profeet, die oude waarheden vernieuwt, maar hij ontpopt zich als mysticus, de ‘verlichte’, die z’n volgelingen kan helpen en bijstaan [als starets] zelf de toestand te bereiken, die  zijn bestaan uitmaakt.
De eerbiedwaardige persoon is geen geroepene, geen uitverkorene, maar een ‘verlichte’, een navolgbare [dat weinigen dat stadium van ‘verlicht’ zijn bereiken, is principieel niet van belang]. De leermeester wordt vereerd als voorbeeld en als methode; dat is heel sterk het geval bij geestelijk leidslieden uit India en het verre oosten. Bij velen van hen heeft dit aspect na het overlijden van de stichter reeds duidelijk aan betekenis ingeboet. Interessant is dat vele leermeesters hun eigen charisma ook als afgeleid of overgenomen zien worden. Hieruit blijkt meteen al hoe persoonlijke kwaliteiten ‘alleen’ al onvoldoende zijn voor de erkenning van het charismatisch leiderschap.
De intelligente, steeds wisselende en dagelijks optredende geestelijk leidsman is niet méér of minder dan een charismatisch – verwende, materialistische en intellectueel spelleider. Als eerbiedwaardig spelleider hebben beiden overigens wel ieder een eigen publiek en een eigen functie. Of iemand ‘waarachtig’ de kwaliteiten bezit, die hem door z’n eigen optreden en de reactie daarop van z’n omgeving worden toegeschreven is eigenlijk niet relevant.
Waar het om gaat is of de charismatisch spelleider ‘integer’ is: gelooft hij in z’n eigen charisma en in de opdracht die daarin besloten ligt of in ieder geval als daarin besloten liggend door hem wordt uitgedragen?
Een charismatisch leider kan immers een bedrieger zijn; daarmee is zijn charismatisch leiderschap geen bedrog, maar wèl het misbruik dat hij ervan maakt.
                         Een probleem dat hiermee samenhangt is de enscenering van het charismatisch leiderschap. Iedere charismatisch leider die succes heeft, komt in de situatie terecht dat hij zijn charismatische eigenschappen moet gaan ‘opvoeren’ , zowel in het spel wat gespeld wordt als de mate waarin het gemanifesteerd wordt.
Een steeds groter publiek met steeds grotere verwachtingen dienen in zijn charismatische eigenschappen te blijven geloven, ook buiten het persoonlijk contact om.
Dat vraagt op zijn beurt weer om enscenering van het charisma, om vertoon van bijzondere kwaliteiten en om vertoon van ‘de grote spelleider’.
Dit betekent tevens dat charisma als zodanig tot op grote hoogte tot een schijnvertoning op te voeren is. In zekere zin gaat het hier om een behendigheid, die aangeleerd wordt door het regelmatig [voor de spiegel] geoefend te hebben, het zogenaamde geroutineerd charisma.
De onzekerheid en het wantrouwen dat de enscenering oproept bij degenen die zich niet in de ban van de charismatische leider bevinden, klinken als verontwaardiging door in het commentaar op de levensstijl van de leiders van nieuwe religieuze bewegingen. De buitenwacht veronderstelt bij hen misbruik van het charisma ter verwerving van macht, vermogen en seksueel genot.
– ‘All the groups that we are talking about have living leaders who ware demonstrably wealthy’ [Clark, 1976].
– ‘Zwischen dem anspruchslosen Leben der Guru-Anhänger und dem luxuriösen Lebensstil ihres vollkommenen Meisters Maharaj Ji klafft ein tiefer Graben’ [Löffelmann, 1979],
– ‘Er worden boeken verkocht, waarvan Hubbard [oprichter van Scientology] de royalties opstrijkt: zijn inkomsten worden geschat op enkele miljoenen per jaar’ [Köllen, 1980, 180].
De dag- en weekbladjournalistiek is op dit punt nog veel onverbloemder. Voortdurend vindt men verwijzingen naar de wijze, waarop sekten en sekteleiders zich vergrijpen aan alles wat de burger zo angstig voor zich behoudt en zo gretig anderen ziet verliezen:
geld, bloed, zweet, tranen, eer’.
Geen goeroe zonder giro’, wordt in de pers regelmatig gezegd en hoewel de goeroe daarin dan juist niet van de gemiddelde Nederlander zou verschillen,
drukt deze korte en kernachtig stelling toch vooral een onverbloemd wantrouwen tegen de charismatische godsdienstige spelleider uit, met name wat betreft het inkomen van de toezichthouders.
Zeker ook wat betreft de erfopvolging; je leidt je opvolger als het ware op ten einde verzekerd te zijn van de voortzetting van het charismatisch – verwende, materialistische en intellectueel spel. De volgelingen worden als het ware ‘voor’-geprogrammeerd om ook de voortzetting op handen te dragen, te voeden en te versterken.

Christus geeft het verschil aan
Overeenkomstig deze inleiding sprak ook onze Heer, Jezus  Christus tot ons, maar wij gelovigen begrepen niet, wat het was, waarover Hij – in te tijd- tot ons sprak.
Jezus zei daarom dan nogmaals:
‘ Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die voor Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.
De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.  Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen     maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht – en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen – want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte’”.
De autoriteit van Christus berust enkel en alleen bij Christus en stelt hoge eisen aan degenen, die zich tot Zijn Blijde Boodschap geroepen voelen, zowel aan de geiten als aan de schapen.
Willen wij het Koninkrijk der Hemelen bereiken dan dienen wij ons alle ondergeschikt aan onze ‘Heer en Meester’ van ons leven op te stellen.
Daarom wordt in het vasten gebed gebeden: “Bewaar mij voor een geest van luiheid, moedeloosheid, heerszucht en ijdel gepraat. Maar schenk mij; Uw dienaar, een geest van ingetogenheid, nederigheid, geduld en liefde. Ja, Heer en Koning, doe mij m’n eigen fouten zien en niet mijn broeder veroordelen, want Gij zijt gezegend In de eeuwen der eeuwen. Amen”.
Een bitter voedingsmiddel was het die Adam in z’n hoogmoed uit het Paradijs verdreven heeft; hij weigerde om zich te onthouden [van z’n verheffing] volgens het gebod van z’n Heer en werd toen veroordeeld om de aarde, waaruit hij genomen was, met veel moeite te bewerken en z’n brood te eten in het zweet van z’n aanschijn. Vernedert u dan onder de Machtige hand van God, opdat Hij u zal verhogen te Zijner tijd.
Dit gaat geheel tegen de mentaliteit van de wereld van vandaag in, waarin je vooral bijgebracht  wordt om voor jezelf op te komen.
Waar spelleiders soms manipuleren en controleren, een machtspositie innemen.
Waar spelleiders zich monseigneur, vader, pastor of apostel laten noemen, profeet of doctor of welke titel dan ook. Ze lopen uiteraard graag in keurige pakken met stropdas, wonen in paleizen en berijden voertuigen, die menigeen van ons onmogelijk kan bekostigen.
                             Mensen kijken vaak naar de buitenkant, hoe mensen overkomen, hoe ze zich gedragen. Mensen zetten spelleiders en toezichthouders op een voetstuk, kijken tegen ze op.
                             Mensen zien aan wat voor ogen is, maar God ziet het hart aan!
      Gij zijt het, die voor rechtvaardig wilt doorgaan voor de mensen, maar God kent uw harten. Want wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor GodLuc.16: 15.
      Hij sprak tot de genodigden een gelijkenis, omdat Hij bemerkte, hoe zij de eerste plaatsen uitkozen, en zei tot hen: ‘Wanneer gij door iemand op een bruiloft genodigd zijt, ga dan niet op de eerste plaats aanliggen. Misschien is er iemand, voornamer dan gij, door hem genodigd; en dan zou hij, die u en hem genodigd heeft, komen en tot u zeggen: Maak plaats voor deze, en 
dan zoudt gij tot uw schande de laatste plaats moeten gaan innemen. Maar wanneer gij genodigd zijt, ga dan, als gij erheen gaat, op de laatste plaats aanliggen. Dan zal misschien hij, die u genodigd heeft, wanneer hij binnenkomt, tot u zeggen: ‘Vriend, kom meer naar voren. Dan zal dat u tot eer zijn tegenover allen, die met u aanliggen. Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden Luc.14: 7-11.
Onze Heer en Verlosser vernederde Zichzelf en
was z’n gehele leven een vriend voor de uitgestotene en de zwakke; stond naast hem in z’n eenvoudig leven. 

Religie uit balans
Vooral het type religie op basis van eenzijdige macht is herhaaldelijk ondersteund door theologische verwijzingen naar de mens als schapen onder de leiding van een meerdere [de geiten]. Mensen – onder hen stellen sommige kerkleden vandaag nog voor als echte “schapen“, kijken op ze neer als wezens die God totaal uit het zicht hebben verloren, omdat ze alleen maar om zichzelf heen draaien en zelfs hun “zonden” als deugden voor de hemel claimen.
Met zulke koppige existenties dient God op een strikte en beslissende manier van reageren aan de dag te leggen teneinde hun goddeloosheid te doorbreken.
God, komt altijd van buitenaf, komt onder zulke omstandigheden altijd van buiten; wanneer Hij komt, bedient Hij Zich van zelfverzekerdheid van de “zondaars” te verpletteren, Hij dient de mensen aan te spreken als ware Hij de officier van Justitie met de Wet in de hand met het doel de ondeugden en de zonden van mensen aan het daglicht bloot te stellen. Hij staat onmiddellijk klaar ​​om te straffen en de mens ter verdoemenis uit te stoten.
God verschijnt daar als de tegenstander van de mens en dat wil zeggen dat er een verbinding, een brug tussen dient te worden opgebouwd, die God Zelf heeft geschapen en de God die op de mens wacht.
Net zoals de mens op z’n God wacht, wordt deze onmiddellijk overvleugeld en
wordt deze onmiddellijk ondergesneeuwd door “zelfverlossing” te prediken: ‘God wordt op een afstand geplaatst en wordt onderwezen als zou de mens dienen te leven op een manier die God overbodig maakt’.
In feite, als het niet nodig is om de mens van z’n “schuld” te redden, dan bestaat er misschien helemaal geen god, dan is dit misschien gewoon een hersenschim, een bedenksel van de mens; en leidt zo’n opvatting dan niet automatisch tot pantheïsme of atheïsme? Dan is er helemaal geen God, alleen de mens en zijn ziel!

Godzijdank heeft de Blijde Boodschap van Johannes zich anders uitgedrukt dan hedendaagse theologen welke het om dogmatische redenen in tegenstellingen onder woorden brengen.
Het vierde Evangelie kiest een tussenweg, een rotsachtige, steile maar letterlijk besparende manier om valse alternatieven te vermijden.
Het is onmogelijk dat God en de mens één en dezelfde zijn, integendeel, het benadrukt, per zin, hoe noodzakelijk de mens God nodig heeft om te bestaan; maar omgekeerd ook: wat God de mens in de persoon van Jezus te zeggen heeft – dat is overduidelijk in het Evangelie van Johannes – het is geen verkondiging van een vreemdeling, van een overweldigende, van een aanklager, maar eerder van een zeer stille, vriendelijke en vriendschappelijke samenspraak.
In de inleiding tot de ‘pastorale rede’, vormt Johannes daaruit zijn antithese: er zijn altijd mensen in de geschiedenis van religie geweest die zijn uitgegaan van het verschil tussen God en de mens:
– hoe lager ze de mens benaderden, hoe groter werd hun macht, want
– hoe verder ze uit elkaar werden gedreven, bewoog God Zich als een wolk in de nabijheid van en behorend tot het volk,
– hoe meer ze Hem op een hoger niveau stelden – verhieven zij zichzelf daarmee boven al het aardse en werden zij als Zijn boodschappers herkend.
Allen die dàt op die wijze realiseren, zo verklaart onze Heer overeenkomstig de formulering van het Evangelie van Johannes, zijn in de schaapskooi gekomen alsof ze van een vreemd land zijn, alsof ze van buiten komen en wat ze bezeten en voor ogen hadden, kan gezien, opgevat worden als de uitwerking van hun aantrekkingskracht, hun optreden.

Dit vormt een duidelijk criterium om te testen wat religie ons waard is; uiteraard kan dit voor van alles worden misbruikt.
Dan komen er dieven, dan verschijnen degenen die de mens overvallen: ook zij houden zich bezig met de schapen, maar alleen met het doel ze af te slachten en te exploiteren, – καταστρέψτε [= te vernietigen], zegt het Griekse woord op zo’n moment. Je kunt religie zo ‘tegenkomen’ dat uiteindelijk geloofsvragen niets meer of minder zijn verworden, dan goedkope hulpmiddelen om macht, geld, invloed en posities te verwerven.
Dit alles is maar al te vaak gebeurd en dit zal aldus, in de Naam van God, in alle tijden doorgaan en, zoals je kunt zien, zelfs in de Naam van Jezus Christus, onze Heer, maar het precies hetzelfde als diefstal en dit stelen heeft niets mee te maken met datgene wat onze Nazarener daarmee voorhad.

De God-mens uit Nazareth
Wanneer de mens zich inzet om inzicht te verkrijgen in Wie de God-mens uit Nazareth wel niet voorstelt en overeenkomstig het Evangelie van Johannes Hem dient weer te geven, doet dat op  deze manier, want Christus spreekt heel intiem met de mensen, zoals een herder tot zijn schapen. 
Op een heel natuurlijke wijze blijkt de gelijkenis van de Goede Herder zich in te voegen en wordt ogenschijnlijk gerechtvaardigd door de historische verschijning van onze Heer, Jezus Christus, waarin Hij op dit punt Gods evenbeeld openbaart, zoals Hij verkondigt heeft, maar zich tegelijkertijd de verloren mens, de ‘zondaars’ tegemoet trad en Zich daarvoor inspande.
        Al de tollenaars nu en de zondaars plachten tot Hem te komen om naar Hem te horen.
En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: ‘Deze ontvangt zondaars en eet met hen’. En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zei:
        Wie van u, die honderd schapen heeft en er een van verliest, laat niet de negenennegentig in de wildernis achter en gaat het verlorene zoeken, totdat hij het vindt? En als hij het vindt, tilt hij het met blijdschap op z’n schouders en thuisgekomen, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tot hen: ‘Verblijdt u met mij, want ik heb m’n schaap gevonden, dat verloren was.
Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de Hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebbenLuc.15: 1-7;
Christus vervulde daarmee tevens de messiaanse visie van een herder,
zoals God Hem heeft aangegeven:
De Herder en z’n schapen

profetie Ezechiël, mozaïek in Osios David – Thessaloniki, 5e eeuw

      Het woord des Heren kwam tot mij:
‘ Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tot hen, tot die herders: zo zegt de Heer der Heerscharen:
‘ wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?
• Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar de schapen weidt gij niet;
• Zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij.
• Zij raken verstrooid, omdat er geen herder is, en worden tot voedsel voor al het gedierte van het veld; zo raken zij verstrooid.
• Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel; over de gehele aarde zijn mijn schapen verstrooid zonder dat er iemand is die naar hen vraagt of ze zoekt.
Daarom, gij herders, hoort het woord des Heren.  Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Heer der Heerscharen,
omdat mijn schapen tot een prooi geworden zijn,
omdat mijn schapen tot voedsel geworden zijn voor al het gedierte van het veld
doordat er geen herder is [want Mijn herders vragen niet naar Mijn schapen; de herders weiden zichzelf, maar Mijn schapen weiden zij niet]
Daarom, gij herders, hoort het woord des Heren. Zo zegt de Heer der Heerscharen:
  Zie, Ik zal die herders! Ik eis Mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapenweiden van hen. De herders zullen niet langer zichzelf weiden, Ik zal Mijn schapen uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel dienen.
Want zo zegt de Heer der Heerscharen:
Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar hen omzien;
Zoals een herder naar zijn kudde omziet, wanneer hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar Mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duisternis.
Ik zal ze midden uit de volkeren doen uittrekken, uit de landen bijeen-vergaderen en ze naar hun eigen land brengen;
Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de beekbeddingen en in alle bewoonde streken van het land.
In een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen zij zich legeren op een goede weideplaats en zullen zij in een vette weide grazen, op de bergen van Israël.
Ik Zelf zal Mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van de Heer der  Heerscharen;
De verlorene zal Ik zoeken en de afgedwaalde terughalen;
de gewonde zal Ik verbinden en
de zieke versterken,
maar de vette en krachtige zal Ik verdelgen.
Ik zal ze weiden zoals het behoort.
En gij, Mijn schapen, zo zegt de Heer der Heerscharen, zie, Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen de rammen en de bokken. Is het u niet genoeg, dat gij de beste weide afweidt en de rest van de weiden met uw hoeven vertreedt; dat gij het helderste water drinkt en wat overblijft met uw hoeven vertroebelt? Moeten mijn schapen dan afweiden wat uw hoeven hebben vertreden en drinken wat uw hoeven hebben vertroebeld?
Daarom, zo zegt de Heer der Heerscharen tegen hen:
Zie, Ik ga zelf rechtspreken tussen de vette en de magere schapen; omdat gij al wat zwak is, met flank en schouder wegdringt en met de horens stoot totdat gij ze naar buiten gedreven hebt, zal Ik mijn schapen verlossen, opdat zij niet langer tot een prooi zijn;
Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere. 
Dan zal Ik een herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: Mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn.
Ik, de Heer, zal hun tot een God zijn, en Mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden.
Ik, de Heer, heb het gesproken.
Ik zal met hen een Verbond van Vrede sluiten en het wild gedierte uit het land wegdoen, zodat zij veilig kunnen wonen in de steppe en slapen in de bossen.
Ik zal die, ja al wat rondom mijn heuvel ligt, tot een zegen stellen;
Ik zal de regen doen neerdalen op zijn tijd, zegen-brengende regens zullen het zijn;
Het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven en het land zijn opbrengst.
Veilig zullen zij in hun land leven. En zij zullen weten, dat Ik de Heer ben, 
wanneer Ik de stangen van hun juk verbreek en hen bevrijd uit de macht van wie hen knechten.
Dan zullen zij de volken niet langer tot een prooi zijn; het wild gedierte der aarde zal ze niet meer verslinden, maar zij zullen veilig wonen, zonder dat iemand hen opschrikt.
Ik zal voor hen een plantengroei doen opschieten, waarvan men overal spreekt, zodat niemand in het land meer door honger zal worden weggerukt en zij de smaad der volkeren niet langer te dragen hebben.
En zij zullen weten, dat Ik de Heer, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis van Israël, Mijn volk zijn, luidt het woord van de Heer der Heerscharen.
Gij toch zijt Mijn schapen, de schapen die Ik weid; gij zijt mensen en Ik ben uw God, luidt het woord van de Heer der HeerscharenEzech.34: 1-31.

Theologie wetenschap of persoonlijke ervaring
Maar zoals Paulus, dat in verwoord vermijdt Johannes in zijn weergave bijna al de traditionele zinnen van Jezus te citeren en op te nemen; Johannes geeft er de voorkeur aan zijn eigen interpretaties van gebeurtenissen over de persoon van de God-mens uit Nazareth en Zijn Blijde Boodschap in ‘eigen’ woorden om te zetten;
Paulus laat “zijn” Heer en Meester zeggen wat zich allemaal decennia later uit zal kristalliseren als “Theologie“.
Hoe belangrijker is het niet dat Johannes, als meest nabije apostel van de Heer, de betekenis van onze Heer bepaalt, in de speciale ‘Acte de présence’ van wat eenmaal aan de oevers van het meer van Galilea gezegd zou zijn; de doorslag-gevende factor voor hem is de wijze waarop onze Heer en Meester tot de mens spreekt, hij verwoord wat werkelijk bedoeld wordt.
Wie hem begrijpt, hoort in z’n hart een vertrouwd geluid zonder een enkele valse toon; over zaken, die sinds de prehistorie tijd reeds bekend zijn gemaakt, sommigen komen ons helemaal niet vreemd voor, omdat zij bij de Liefde van God voor de mens passen, maar als uit de eeuwigheid vernomen hun zegje doen en om die reden graag beantwoord willen worden vanuit het hart van de mens.
De taal van de ‘herder‘ als zijn ‘schaap‘, zoals belichaamd in de weergave van Johannes, is kennelijk niets meer dan een dialoog op basis van liefde.
En is ‘dìt’ de gehele religie zoals, die verstaan dient te worden, er is geen andere weergave mogelijk: de relatie tussen God en de mensen dient te worden gezien als de dialoog van Liefde, waarin het Goddelijke Woord niet als vijand, bedreigend of sinister wordt opgevat, maar als iets wat een bepaalde tendens vertoont, iets geheel gevoeligs, kwetsbaar.

Net zoals iemand liefde nodig heeft, zo heeft de mens eveneens behoefte aan deze taal van God, God is tenslotte de Liefde Zelf.
Waarachtig stilstaan en een verdieping op datgene wat Christus bedoeld heeft
dient minder beoefend te worden als een terugblik op het verleden, maar
als een bekroning van een leven dat goed geleefd is.
Begin derhalve met een nieuwe start, leeg en in tegenstelling tot een leven
waarin in het verleden verkeerde keuzes werden gemaakt en
de icoon werd gekwetst die niet kon worden hersteld.
Een goddelijke benadering van de problemen is de liefde zelf en
Christus verklaart ons als ontsnapt aan en technisch vrij van zonden.

Het getuigenis over ons werk in Christus [overeenkomstig Johannes].
      Toen kwam het Vernieuwingsfeest te Jeruzalem; het was winter.
En Jezus wandelde in de tempel, in de zuilengang van Salomo.
De Joden dan omringden Hem en zeiden tot Hem:
‘Hoelang houdt Gij onze ziel nog in spanning? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit’.
Jezus antwoordde hun:
        Ik heb het u gezegd en gij gelooft het niet;
         de werken, die Ik doe in de naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij; maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort.
         Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij en Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand roven. Wat Mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand van Mijn Vaders. Ik en de Vader zijn een’John.10: 22-30.
                            Oorspronkelijk was de Blijde Boodschap als een kabbelende beek, die zich verbreedde tot een steeds breder wordende rivier en uiteindelijk samen-smolt tot een grote stroming.
De boodschap van Jezus werd overgebracht naar een heel andere cultuur, de wereld van het Hellenisme en dáár in dezelfde bewoordingen [vertaald] en woorden werden geïnterpreteerd op een manier die vreemd is, soms zelfs in strijd met de oorsprong.
Het heeft geholpen vorm van de wolken te geven aan het water dat ooit op aarde stroomde en het door het land te laten drijven, door de eeuwen heen en de millennia to nu toe.
Maar niemand kan op de wolken leven. Het werk van iedereen, die het Evangelie van de hand van Johannes leest, dient uitvoerend te zijn – om de wolken te laten regenen, zodat ze de aarde hydrateren.
             Het dient daarom onze vraag te zijn wat de concepten, de woorden, de gedachten die in de mond van Jezus in het Evangelie van Johannes werden weergegeven, oorspronkelijk bedoeld waren – wat zij in die tijd in deze nieuwe, zo volledig heidense, hellenistische wereld zeiden – wat ze ons vandaag kunnen vertellen in weer een andere, ja, een totaal andere cultuur.
Niet voor niets verwijst ‘herder’ Franciscus de Duitse bisschoppen terug naar hun eigen Duitse overleg, teneinde nieuwe wegen te banen op basis van het Goddelijk-Liefdes-gebod. Iedere tijdspanne en iedere omgeving vraagt z’n eigen liefdevolle oplossingen. De mens is zèlf verantwoordelijk in de keuzes, die hij maakt en zal te Zijner tijd door Christus op basis van een liefdevolle benadering beoordeeld worden – God is geen aanklager, maar handelt in de context van wetten met betrekking tot het maatschappelijk middenveld – het belang van eerlijke getuigenissen in een rechtbank en een juiste behandeling van de medemens:
        In het zevende jaar zult gij het land braak laten liggen en het met rust laten, opdat de armen van uw volk eten, en wat zij overlaten zal het gedierte van het veld eten. Evenzo zult gij doen met uw wijngaard en met uw olijfbomenEx.23: 11. Neem in deze de tijd – inzake lastige beslissingen gas terug -; op die wijze zal de Wet der Liefde Z’n Goddelijk Scheppingswerk doen. Het heeft in de huidige omstandigheden de ondergang van de kerkgemeenschap tot gevolg wanneer er op basis van Macht ingegrepen wordt in bestaande structuren/processen; het uitwisselen van informatie op basis van liefdevol contact is daarbij een basisvoorwaarde. Je kunt het merendeel van je gemeenschappen niet opheffen, omdat je zelf door [financieel] wanbeleid, tekorten hebt opgebouwd – iedere gemeenschap vraagt een eigen aanpak en onderling overleg.
Het gezamenlijk gebruik van kerkruimte door verschillende bloedgroepen dient hierbij als een overlevingsstrategie overwogen te worden – jezelf terugtrekken op ‘eigen’ eilandjes is in deze niet uit te leggen aan de breed-georiënteerde samenleving. Kerkgebouwen kunnen gezamenlijk dienst doen ter ere van Christus, de Zoon van God, de zondagsrust wordt ‘gezamenlijk’ in acht genomen.
      Zes dagen zult gij uw werk doen, maar op de zevende dag zult gij [in uw gemeenschap rust nemen] rusten, opdat uw rund en uw ezel [lichaam en geest] kan uitrusten, en de zoon van uw slavin en de vreemdeling adem kan scheppen.
Ten aanzien van alles, wat Ik u bevolen heb, zult gij op uw hoede zijn; de naam van andere goden zult gij niet noemen, hij zal uit uw mond niet gehoord wordenEx.23: 12,13.

Wie is Jezus van Nazareth?
Het begint allemaal als een historische herinnering, leidend tot de tweedeling die in het midden van alle controverse stond tussen de vroege Kerk en het jodendom in de eerste eeuw na Christus. Wie was Jezus van het Nazareth?
           Was Hij, zoals de vroegchristelijke Kerk beweerde, de Messias, of niet?
Voordat we een stuk van ten minste de omstandigheden aan de hand van het verleden op deze vraag duidelijk kunnen maken, dienen we te beginnen met de opmerking dat de historische Jezus de suggestie dat hij slechts de Messias was bruusk heeft verworpen.
      En Hij vroeg hun: ‘Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?’
Petrus antwoordde en zei: ‘Gij zijt de Christus’. En Hij verbood hun nadrukkelijk met iemand hierover te spreken [en dan gebeurt het juist toch]. En Hij begon hen te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en de overpriesters en de schriftgeleerden en gedood worden en na drie dagen opstaan.
       Hij sprak dit woord vrijuit. En Petrus nam Hem terzijde en begon Hem te bestraffen.
Doch Hij keerde Zich om en, ziende naar zijn discipelen, bestrafte Hij Petrus en zei:
‘ Ga weg, achter Mij, satan; gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die van de mensen’
Marc.8: 29-33.
Het verhaal in Marcus onthult dat de titel “Jezus, is de Christus” tijdens Zijn leven ondenkbaar was en niet eerder de overhand kreeg dan na Zijn dood.
Misschien is het echt zo gedragen, zoals sommige commentatoren denken dat men Jezus is bekend als “Koning” in strijd om de titel, die op Golgotha ​​aan Hem werd gegund aan het Groot en Heilig Kruis.
De Romeinse procurator stelt vervolgens als een schuldig vonnis dat de gekruisigde “de koning van de Joden” is; Dit is een Romeinse naam die een Jood nooit zou gebruiken.
Koning van Israël – dat zou Joods zijn; “Koning der Joden” – dat is de uitgesproken uitdrukking vanuit het Romeinse gezichtspunt van iemand die Macht en Royalty wil veroveren, maar die het niet kan winnen.
Hij wordt daarom zowel gestraft voor rebellie als voor machteloosheid. Het ene is de reden, de andere is het gevolg van Zijn arrogantie.   Macht komt immers alleen aan Rome toe en die strijdt woed nog steeds voort.
Dat Jezus veroordeeld werd onder deze term: “Koning der Joden” – is een van de weinige vaststaande historische feiten! – iedereen die zich in z’n leven als volgeling achter Hem heeft geschaard, veroorzaakt dit geestelijke pijn: was deze macabere titel, de beoogde politieke bekleding toch niet helemaal goed?
Jezus, als ‘Christus Koning’ [een roomse uitdrukking] – Christus heeft dit persoonlijk nimmer willen zijn; maar aan de andere kant: wie zijn hier degenen die zichzelf in het verhaal voor koningen uitgeven? Voelt de ene bloedgroep van Christenen zich niet verheven boven de andere en heeft de ander ongelijk?

  • Het is onmogelijk om dit te herkennen en het is zelfs na Golgotha nog onmogelijker dan ooit tevoren. Als iets het menselijk leven zou kunnen bepalen, zodat het de troost van de levenden zou dienen, zodat het zou kunnen bijdragen aan de humanisering ervan, dan was en is het de Blijde Boodschap van de Jezus van Nazareth. Maar dienen we niet tegen alle vervorming in nog meer te benadrukken: ‘Hij is de Koning der koningen, de enige waarachtige Koning?’.
    Dient men Hem dan niet met de liefdevolle ogen van God te zien, met hetzelfde zelfvertrouwen waarmee hij God als Zijn vader tot mens wilde brengen? Vrij spoedig al groeit, op basis van de Palestijnse gemeenschap, het Geloof dat de Jezus uit de plaats Nazareth, waar niets goed uit kon voortkomen, toen hij stierf, “verheven” werd tot God, dat wil zeggen, tot koning gemaakt, zoals in het oude Egypte aan degene, die gestorven was een plaats werd toegekend aan de rechterhand van de zon, als heerser in de Hemelen anders gezegd over de hemelen.
  • Zij geloofden vurig, er werd vanaf dat moment gehoopt en gebeden, dat Jezus van Nazareth Zijn macht, Zijn Koning der koninklijke Waardigheid, zou tonen bij de val van deze ‘wereld’.
    Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was. Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben. Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de Liefde1Cor.13: 11-13.
    Hiervan is/was een ding zeker: het einde zou heel spoedig komen, en de tijdspanne tot die tijd zou alleen tot de laatste ademhaling duren, want dan hield de tijd voor het individu op te bestaan en sta je meteen in de goddelijke eeuwigheid.
    Het is/was koortsachtig aan het anticiperen op deze tijd; maar dan werd die komst van het einde der tijden werd uitgesteld en uitgerekt tot het werkelijk zal plaatsvinden.
    Er zijn al een aantal passages in de weergave van Marcus waaruit blijkt dat – men steeds maar is doorgegaan – om van Jezus van Nazareth, de door God aan-gewezen Messias, aan te geven dat Deze Zoon van God op de laatste dag de Koning der Koningen zou zijn.
    Het was voor degenen die waarachtig in Hem geloofde ondenkbaar dat Christus slechts in de Hemel zit af te wachten, om het zo uit te drukken, als de keizer Barbarossa in Kyffhäuser, om het geluid van de laatste bazuin af te wachten.
    Degenen die in Hem geloofden, zagen Hem al aan de Macht, en zelfs hier op aarde was Hij niet, zoals de mensen Hem aanschouwden.
    Boven alles begint de Grieks, Hellenistiche cultuur, die volledig vreemd is aan de God-mens uit Nazareth hier parten te spelen en dit als vraag op te nemen.
    Degenen die door Zijn Blijde Boodschap worden bewogen – aangeraakt, zien reeds in de op aarde verblijvende Jezus, de Koning, de Messias, de Heer der Heerscharen en niet alleen in het verborgene, maar als Degene, Die Zich heeft geopenbaard en in het bijzonder in door Zijn werken.
  • Dit is de wenk, die het Evangelie van Johannes ons geeft:

    Reddende Christus, Mysterie en Goddelijke Liturgie’; ‘Saving Christ, Mystery and Divine Liturgy’

    Je kunt je over de persoon van Jezus van Nazareth tussen Joden blijven verwonderen, het blijft een Mysterie – wat overblijft is dat we nu kunnen vaststellen, zoals Griekse christenen vaststellen: een debat aan te gaan vanuit de verdeelde mens, maar er blijft een argument op de achtergrond van het Evangelie van Johannes overeind, waarover men vanuit dit perspectief in staat is te ontkennen: “Dat dit de “Mysteriën” – de wonderen zijn die Jezus als God-mens op aarde heeft verricht“.
    Reeds Marcus bereidt zich alvast een beeld in de weergave van Mattheüs voor; en men vraagt zich af: ‘Wat zijn deze daden waarin Jezus zichzelf als Koning de koningen zou moeten bewijzen, dus het zijn alle genezingen, die Hij als God-mens vooral voor de verdrukten, de zwakken en de zieken werkte’.
    De weergave van de Blijde Boodschap van Johannes kan niet genoeg krijgen om de genezing van de blinde mens aan Jeruzalem’s poort aan te halen als een “bewijs” dat Jezus waarachtig  van God kwam.
    maar Ik behoef het getuigenis van een mens niet, doch Ik zeg dit, opdat gij behouden wordt. Hij was de brandende en schijnende Lamp en gij hebt u een tijdlang in zijn Licht willen verheugen. Maar Ik heb een getuigenis, gewichtiger dan dat van Johannes [de Doper]; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen, juist die werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft. En de Vader, die Mij gezonden heeft, Die heeft van Mij getuigenis gegeven. Gij hebt nooit Zijn Stem gehoord of Zijn Gedaante gezien en Zijn Woord hebt gij niet blijvend in u, want Die Hij gezonden heeft, gelooft gij niet. 
    Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen en toch wilt gij niet tot Mij komen om [eeuwig] Leven te hebben.
    Eer van mensen behoef Ik niet, maar Ik ken u: gij hebt de Liefde Gods niet in uzelf. Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en gij neemt Mij niet aan; indien een ander komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen.
    Hoe kunt gij tot geloof komen, gij, die eer van elkander behoeft en de Eer, Die van de enige God komt, niet zoekt? John.5: 34-44.

  • Pinksteren is in aantocht
    Over heel de aarde klinkt hun Boodschap tot aan de grenzen van de wereld hun woorden. De Hemelen verhalen de Heerlijkheid van God, het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. De Wet [van de Liefde] is onbevlekt en bekeert de zielen; het gebod des Heren is stralend en verlicht de ogen”.
    Prijslied:
    Koningin verheug U, die de Heerlijkheid van de maagdelijkheid verenigt met het Moederschap. Want in Uw schoot droeg U het Woord, de Zoon van God, als een sterveling, Die de zwakheid van onze natuur, doordat Hij als God heeft willen lijden, genezen heeft. Nu zetelt Hij op de Troon van Zijn Vader.
    Nu zendt Hij ons de Genade[-gaven] van Zijn Heilige Geest
    ”.

5e Zondag na Pascha – de Samaritaanse vrouw, martelares

      Hij kwam dan in een stad van Samaria [= ‘wacht-berg’], genaamd Sichar [=’dronken’], dicht bij het veld, dat Jaäcob aan zijn zoon Joseph gegeven had; daar was de bron van Jaäcob.
Jezus nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur. Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten.
De Heer zei tot haar: ‘Geef Mij te drinken’.
Want Zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen.
De Samaritaanse vrouw dan zei tot Hem: ‘Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen?’. Want Joden gaan niet om met Samaritanen.
Jezus antwoordde en zei tot haar: ‘Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven’.
Zij zei tot Hem: ‘Heer, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan het levende water? Zijt Gij soms meer dan onze vader Jaäcob, die ons de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden?’.
Jezus antwoordde en zei tot haar: ‘Een ieder, die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen; maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven’.
De vrouw zei tot Hem: ‘Heer, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet hierheen behoef te gaan om te putten’.
Hij zei tot haar: ‘Ga heen, roep uw man en kom hier’.
De vrouw antwoordde en zei: ‘Ik heb geen man’.
Jezus zei tot haar: ‘Terecht zegt gij: ik heb geen man; want gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt, is uw man niet; hierin hebt gij de waarheid gesproken’.
De vrouw zei tot Hem:

H. Svetlana, Photini – Theologisch geïnteresseerd.

‘Heer, ik zie, dat Gij een Profeet zijt.
Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden’.
Jezus zei tot haar: ‘Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in Waarheid’.
De vrouw zei tot Hem: ‘Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen’.
Jezus zei tot haar: ‘Ik, die met u spreek, ben het’.
En daarop kwamen Zijn discipelen en waren verbaasd, dat Hij met een vrouw in gesprek was, en toch zei niemand: ‘Wat zoekt Gij’ of: ‘Waarom spreekt Gij met haar?’.
De vrouw dan liet haar kruik staan, en ging naar de stad en zei tot de mensen: ‘Komt mee en ziet een mens, die gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: zou deze niet de Christus zijn?’.
Zij gingen de stad uit en kwamen tot Hem. Intussen vroegen zijn discipelen Hem, zeggende: ‘Rabbi, eet’.
Hij zei echter tot hen: Ik heb een spijs te eten, waarvan gij niet weet’.
De discipelen dan zeiden tot elkander: ‘Iemand heeft Hem toch niet te eten gebracht?’.
Jezus zei tot hen: ‘Mijn spijs is de Wil te doen van Degene, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk te volbrengen. Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten. Reeds ontvangt de maaier loon en verzamelt hij vrucht ten eeuwigen leven, opdat de zaaier zich tegelijk met de maaier verblijde. Want hier is de spreuk waarachtig: De een zaait, de ander maait. Ik heb u uitgezonden om datgene te maaien, wat u geen arbeid heeft gekost; anderen hebben gearbeid en gij hebt de vrucht van hun arbeid geplukt’.
En uit die stad geloofden vele der Samaritanen in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: ‘Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb’.
Toen dan de Samaritanen tot Hem kwamen, verzochten zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. En nog veel meer werden er gelovig om Zijn Woord en zij zeiden tot de vrouw: ‘Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland van de wereld is’John.4: 5-42.

      Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stefanus plaats vond, trokken verder tot Phoenicië, Cyprus en Antiochië toe, zonder tot iemand het woord te spreken dan alleen tot de Joden.
Doch er waren onder hen enige Cyprische en Cyreense mannen, die, te Antiochië gekomen, ook tot de Grieken spraken en hun de Heer Jezus predikten.
En de hand des Heren was met hen, en een groot aantal kwam tot het Geloof en bekeerde zich tot de Heer.
En het bericht daarvan kwam de gemeente van Jeruzalem ter ore en zij vaardigden Barnabas af naar Antiochië.
Toen deze aankwam en de Genade van God zag, verheugde hij zich en wekte allen op om naar het voornemen van hun hart de Heer trouw te blijven; want hij was een goed man, vol van de Heilige Geest en van Geloof. En een brede schare werd de Heer toegevoegd.
En hij vertrok naar Tarsus om Saulus te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. En het geschiedde, dat zij een vol jaar in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genoemd werden. En in die dagen kwamen Profeten van Jeruzalem te Antiochië; en een uit hen, genaamd Agabus *, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius.
En de discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden; dit deden zij ook en zij zonden het aan de oudsten door de hand van Barnabas en SaulusHand.11:19-30.


* Agabus
: ‘Hetoimos’ [Gr. Hij is in orde – geschikt, gereedgemaakt of vaardig] betekent dat we voortdurend geschikt [voor God beschikbaar] dienen te zijn, voortdurend gereed moeten zijn. Het Griekse werkwoord legt de nadruk op de handeling die van onbepaalde duur is.
Bij de Apostel Paulus zien we een levensloop die ons verstand helemáál te boven gaat. Hij gaat naar Jeruzalem om over Jezus Christus te vertellen. Wie had dat gedacht?
De Griekse vertaling van ‘bereid zijn‘ komt het best tot zijn recht in het woord ‘geschikt‘ zijn. Paulus werd ‘geschikt‘ bevonden, hij was door en door was hij gepokt en gemazeld om de strijd aan te gaan. Hij heeft dat zelf mogen ontdekken door de Heilige Geest; de Heilige Geest is het die de Genadegaven aan ons bekend maakt. In diezelfde tijd kwamen er vanuit Jeruzalem Profeten naar Antiochië.  Eén van hen, die Agabus heette, voorspelde door de Geest dat de wereld door een hongersnood zou worden getroffen, iets dat tijdens de regering van Claudius inderdaad gebeurd is‘. De leerlingen besloten hierop te reageren door hun broeders en zusters te ondersteunen. Agabus komt met een boodschap tot de gemeente in Antiochië. In de taal van de bijbel is een boodschapper volledig afgevaardigde van zijn zender. Het is Christus Zelf, Die Agabus vervult met de Heilige Geest en Die tot het volk spreekt. Het is geen bangmakerij maar het is dé toerusting die Paulus nodig heeft voor hij naar Jeruzalem vertrekt. Christus wijst ons hier ook op Zijn eigen lijden. Soms houden wij persoonlijk bewust of onbewust het werk van de Heilige Geest tegen.

Hemel en aarde zullen vergaan
De Heer sprak tot de Samaritaanse: “zo gij de Genadegave van God slechts kende”.
De mens wordt gekweld door hartstochten, maar als in een frisse lente is de Geest van het eeuwig Leven in staat om ons te verlossen.
Met beide voeten op de grond zijn wij tot de bron van Jaäcob gekomen, waar wij door de frisse Genade uit de Bron de dorst van ons lichaam kunnen lessen, maar de kennismaking met de Heer van het eeuwig leven geneest de menselijke ziel voor altijd.
Echter vanuit het Joodse werd Christus al eerder door de raadsheer Nicodemus de vraag gesteld hoe een eenmaal geboren mens, opnieuw geboren kan worden, hetgeen inhoudt dat de Heilige Geest de mens dusdanig aanraakt en als een frisse lentewind het uitzicht op het eeuwig [Goddelijk] Leven doet ontstaan.
Vandaag wordt dezelfde vraag gesteld door de Samaritaanse, een vrouw, welke op het grensgebied is opgegroeid uit Sichar [Gr: συχαρ = ‘dronken’], de plaats van de bron van Jaäcob een gebied tussen het Geloof en het heidendom – zij was echter theologisch geïnteresseerd, want zij wist dat de Messias verwacht werd.

Het lijkt in een juiste volgorde geplaatst, want op deze ontmoeting volgt de ontmoeting van vorige week met de heidense Romeinse honderdman, die wij vorige week hebben ontmoet. Dit is verbijsterend, want hier wordt het probleem van humanistische aard aan de orde gesteld, die z’n weerga in onze 21e eeuw niet kent; de hopeloze religieuze kwestie welke ouders steevast aan hun spelleiders en theologen voorleggen:
Waar en hoe kan er in de mens een verbinding gevonden worden van het Hemelse met het aardse – de belevenis van alledag; zijn we nog wel in staat daar aanspraak op te maken? – komt dat nog wel overeen met de moderne manier van leven?
De mens van deze tijd is immers totaal vervreemd van het Woord van God, laat staan van het eeuwige leven – veelal wordt dat gezien als een ideologie, die ons door de Machtigen der aarde wordt voorgehouden – om ons rustig te houden of zo iets.
Wordt niet te allen tijde de angst dikwijls dusdanig gerechtvaardigd dat religieuze verkondiging de mens in bedwang houdt – als het ware misvormt, hetgeen dit de mens van buitenaf wordt opgelegd en de mens van z’n vrijheid berooft in plaats van hem levensgenot te schenken?

In de Naam van God wordt er door de mond van degenen, die Theologie gestudeerd hebben in dienst aan God veel geweld aangedaan en zij verworden  veelal tot handlangers van het menselijk denken.

Tegen het eind van de 1e eeuw na Christus wordt de aan Johannes toegeschreven Blijde Boodschap geconfronteerd ​​met precies dezelfde ervaring en een realiteit, die identiek schijnt te zijn.
God, zo wordt gezegd, is geen object van aardse ervaring, het is wezenlijk anders dan al datgene wat wij mensen kunnen bevatten of begrijpen en toch geeft dit vierde evangelie in dit gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw op de klassieke wijze weer, waarop ook wij in onze tijd in de taal van de zogenaamde historische Jezus, ons de weg zouden kunnen voorstellen die naar en tot in het hart van de mensen leidt en de aarde een heel eind richting de Hemel voert.
Betekent dit dat op een bepaalt moment de aarde ontploft en God een Nieuwe Hemel en aarde, een nieuwe schepping begint? En wat is er in hemelsnaam mis met de huidige Hemel?
Ik kan me nog voorstellen dat een nieuwe aarde geen gek idee is, maar waarom wordt er gesproken over Nieuwe Hemel en aarde?

De eerste drie Evangeliën vertellen ons steeds opnieuw dat onze Heer, Jezus Christus graag in beelden van God sprak als van Zijn Vader.
Hij betoogde eenvoudige ervaringen die Hij over het geheel genomen in tekenen en verbanden omzet die een geheel andere werkelijkheid en richting aangeven, waar wij naar ons gevoel behoefte aan hebben, maar rust en troost aanbieden te midden van de angst van de wereld en ons in staat stellen staande te blijven in Zijn Pedagogie.
Het hele beeld des Levens wordt ons door onze Heer en Verlosser aangeboden als mogelijke gelijkenis:
1.]. een vrouw die het deeg kneed voor een brood: ”    Hij zei dan: Waaraan is het Koninkrijk Gods gelijk en waarmee zal Ik het vergelijken? Het is gelijk aan een mosterd-zaadje, dat iemand nam en in zijn tuin zaaide en het groeide en werd een boom en de vogelen des Hemels nestelden in z’n takken. En opnieuw sprak Hij: Waarmee zal Ik het 
Koninkrijk Gods vergelijken? Het is gelijk aan een zuurdesem, welke een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel doorzuurd was  Luc.13: 18-21;
2.]. een zaaier in het veld: “    En Hij zei: Alzo is het Koninkrijk Gods, als een mens, die zaad werpt in de aarde en slaapt en opstaat, nacht na dag en het zaad komt op en groeit, zonder dat hij zelf weet hoe. De grond brengt vanzelf vrucht voort; eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar. Wanneer dan de vrucht rijp is, laat hij er terstond 
de sikkel in slaan, omdat de oogsttijd aangebroken isMarc.4: 26-29;
3.]. een vrouw op zoek naar een verloren penning: “    Of welke vrouw, die tien schellingen heeft, en er één verliest, steekt niet een lamp aan en veegt het huis en zoekt zorgvuldig, totdat zij hem vindt? En als zij hem gevonden heeft, roept zij haar vriendinnen en buren bijeen en zegt: ‘Verblijdt u met mij, want ik heb de schelling gevonden, die ik verloren 
had’. Alzo is er, zeg Ik u, blijdschap bij de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeertLuc.15: 8-10:
4.]. een herder die zijn kudde begeleidt: “    Al de tollenaars nu en de zondaars plachten tot Hem te komen om naar Hem te horen. En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: ‘Deze ontvangt zondaars en eet met hen’. En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zei: ‘Wie van u, die honderd schapen heeft en er één van verliest, laat niet de negenen-negentig in de wildernis achter en gaat het verlorene zoeken, totdat hij het vindt? En als hij het vindt, tilt hij het met blijdschap op zijn schouders en thuisgekomen, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tot hen: ‘Verblijdt u met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was’. Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen-en-negentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebbenLuc.15: 1-7.
➻➻ Totaal niets kwam onze Heer vreemd voor, het was allemaal heel gewoon, zó doodgewoon, dat het als muziek/poëzie in de oren klinkt, temidden van alle vergankelijke dingen –  àls een te ontdekken teken voor wat datgene wat eeuwig is. De weergave van Johannes de Theoloog bevat vrijwel geen woord, welke de historische Jezus had kunnen zeggen;
Integendeel, het Evangelie van Johannes weegt Zijn woorden en formuleert ze zoals ze zouden moeten worden gezegd tegen mensen, die onder nogal verschillende omstandigheden een cultureel en spiritueel leven leiden.

Waar bevindt zich het aanknopingspunt waar wij westerlingen geraakt kunnen worden? Met deze vraag worden wij bij elke perikoop in het Vierde Evangelie geconfronteerd.
Wanneer onze Heer met een Joodse raadslid als Nicodemus in gesprek is over God, heeft Hij met iemand te maken die zich al lange tijd verbonden weet met Mozes en Abraham, met een mens, dan, die er stellig van overtuigd is dat hij de kennis van Gods geheimen bezit. Je zou haast vaststellen, dat er voor hem in de omgang met God niets verborgen is, maar dat alleen degene, die bekeerd is, wedergeboren is, de adem en de wind van de Heilige Geest heeft ervaren en daarmee in vuur en vlam gezet is en het enthousiasme van de Heilige Geest in zich draagt; dit is de persoon, die aan het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw voorafgaat.
Maar hóe praat je tegen een niet-Jood? De wijze waaròp deze perikoop begint is al het begin van de mogelijkheid tot herkenning.
Jezus gaat weg uit Judea, niet alleen ruimtelijk, maar ook spiritueel; Hij, de Zoon van God, geheel God en geheel mens, walgt van de heersende religie in z’n geïnstitutionaliseerde en de buitenkant, waarmee het zich manifesteert.
Het uitzicht is ons zo vertrouwd het is als een alom bekende speeltuin voor opmerkelijke prestaties; je hebt beminde gelovigen en je hebt gezaghebbende spelleiders.

Religie, zoals wij die kennen, is een onderwerp van studie geworden van doeltreffende  bóvennatuurlijke begrippen en voer voor statistici.
Dàt krijg je wanneer je de religie maar aan één bepaalde beroepsgroep overlaat, aan één bepaalde rite, aan één Traditie, waar je op kunt bouwen, maar zich tegelijkertijd bezig houdt en z’n oor te luisteren legt bij een bepaalde hoeveelheid geld, als goed geoliede motor, welke de uitvoering van deze religieuze overtuiging als systeem gaande houdt.
Er is niets bekend behalve dàtgene wat al niet al lang bekend is, maar tévens en vooràl probeert de één boven de ander een -al te bekende- rivaliteit te overwinnen.
– Wie heeft méér volgelingen, méér parochies onder z’n hoede – ja, die zijn niet op één hand te tellen; het zijn de telbare en kwantificeerbare massa’s mensen, die jij persoonlijk op de been brengt. Neen, niet met de hoogfeesten, niet met het aantal gemeenschappen, maar hoeveel daadwerkelijke mensen heb jij als toezichthouder in jouw kerkgemeenschap onder je persoonlijke beheer?
Elk van deze groepen pleegt te geloven de gehele Waarheid van God voor zichzelf te hebben, bij wijze van spreken voor zichzelf in erfpacht te hebben gekregen en die degenen, die niet geloven gewond langs de kant van de weg laat liggen en dit laat de grenzen van de zien van de referentiegroep.

Christus als voorbeeld
Het is de basis van het Evangelie van Johannes, de Theoloog, het is zuiver op basis van een hypothese, maar het toont een kracht en energie, die om een bevestiging, een ​​achterwaartse zoekactie, schreeuwt met het oog om de argumenten aan te tonen, dat onze Heer en Verlosser dit zou hebben kunnen zeggen en als argument , dat deze perikoop tevens déze achtergrond heeft – èn óók werkelijk zo bedoeld is!
Christus zou Zich, zoals de Blijde Boodschap van Johannes de Theoloog beweert, met afkeer over de zielen en de mensen van -zowel van ‘die‘ als ‘déze‘ tijd- hebben uitgesproken, sterker nog hèn en ook ons de rug hebben toegekeerd, en dat deed/doet Hij dan ook!
Hijzelf, onze Christus, de gezalfde, doopte, om het botweg te zeggen, helemaal niet; dit betreft het niveau van Johannes de Doper en omtrent de doop van Jezus aan Zijn Volgelingen is een vergelijking ten opzichte van deze man uit Nazareth niet mogelijk. Jezus heeft Zich nooit toegewijd aan riten om er mensen aan te verbinden.
Het is maar al te wáár dat het Christendom -heel vroeg al- een “sacramentele” basis heeft gevormd, – de doop was zelfs voor de formele toetreding en voorwaarde om jezelf als een waarachtige discipel van onze Heer te presenteren, maar dat was ‘zéker niet’ de gewoonte van Jezus Christus Zelf.
Zelfs het basis-Mysterie [het sacrament] van alle zeven sacramenten van de Apostolische Kerk komt niet van onze Heer en Verlosser, Jezus Christus Zelf, zo legt het Evangelie van Johannes hier in de inleiding uit.

Wat zó belangrijk is voor de dogmatische Kerk – alsòf de redding van de wereld ervan afhankelijk en aan verbonden was, lijkt hier vrij onbelangrijk; de cruciale vraag is eerder:
Hoe kun je in een innerlijk gesprek met onze Heer, Jezus Christus komen?’.
Zolang men erbij ‘blíjft’ dat men religie kwantificeerbaar maakt en zonder een enkele dialoog de garantie vormt, omdat ideologische aanspraken tot de Waarheid, gewoon door de structuur van de Macht aan de beminde gelovigen van boven naar beneden worden opgelegd, heeft men van de menswording van onze Heer en Zaligmaker en het koningschap van God ‘in Hem’ helemaal geen kaas gegeten, het gewoon niet begrepen;
Integendeel, Jezus wordt voortdurend uit “Judea” verdreven.
Nogmaals, het is niet alleen maar een topografische verklaring dat Jezus op weg was naar Zijn geboorteland [dat de onze zou dienen te zijn] naar Galilea moet gaan door heel Samaria.
Wanneer we over Samaritanen horen spreken, hebben we het nog steeds over de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan [van Luc.10: 25-37].

Omdat een Samaritaan de filantropische modelfiguur is, om het maar eens krachtig uit te drukken, van de deugd van Barmhartigheid.
Degene, Die de half-dood achtergelaten mens langs de weg ‘niet’ in de steek laat, door beschikbaar te zijn, maar Hij onderbreekt Zijn reisweg en stelt alles in het werk om met toewijding de gevallene er weer boven op te helpen.
Bij deze herinnering behoort het niet bij ons op te komen, een zo’n belangrijke gelijkenis van de explosief reagerende Heer en Verlosser aan de kant te schuiven, een plaats die de historische Nazarener in deze weergave toekomt.
Om een gesprek aan te knopen met Samaritanen betekende in Zijn tijd, zoals reeds in het verhaal van de reiniging van de tempel, bekend werd, legde Hij de aartsvijand op het podium van de geschiedenis, het betrof elke behoudende Orthodox van deze tijd en de orthodoxe Joden van de periode waarin Hij op de wereld rondliep.

NB. De Samaritanen waren de nakomelingen van de bevolking van het zogenaamde noordelijke koninkrijk van weleer, dat dateert uit het einde van de achtste eeuw voor Christus; onder de aanval van de Assyriërs was het nagenoeg ineengestort, voelde zich ook niet verbonden, zelfs niet religieus, met de mensen in het zuiden, uit Judea.
Na het begin van de 6e eeuw voor Chr. werd het Zuiden, Jeruzalem, bezet door de Babyloniërs en de bevolking werd gedeporteerd en keerde na de terugkomst van de Babylonische ballingschap opnieuw naar de heilige stad, enerzijds om de Tempel weer op te bouwen, anderzijds om de Wet van Mozes voor ogen te stellen; maar mèt dit alles bleven zíj ‘dè’ Joden onder elkaar; en zij sloten de Samaritanen uit.

Het Joods-Samaritaans Geloof komt in verkorte vorm tot uitdrukking in: “ Ik heb de Heer in uzelf geoefend, èn in Mozes, de zoon van Abraham, Uw dienaar, en in de Heilige Wet [Thora] en op de berg Gerazim, Bethel, en op de dag van wraak en vrede”. Zij beleven het Joodse Geloof, op zichzelf, zijn trouw aan de vijf boeken van Mozes, de Thora, de Wet, maar zij distantieerden zich van de cultus van heropgebouwde en prachtig versierde Tempel en zeiden dat zij zich niet thuis voelden, niet verbonden voelde, zich niet konden inpassen in het priesterschap van het zuiden, ze hielden zich als het ware onafhankelijk.
Historisch gezien bleven zij hun ‘eigen weg’ behouden en werden in zekere zin extreem conservatief. Maar hun kwaadheid en afwijzing richtte zich op de Tempel in Jeruzalem, welke zij vanaf het begin, dus nooit, ook niet onder Salomo, hadden zien zitten, dit zorgde ervoor dat zij blaakten van energie, hetgeen hen hun zelfbewustzijn bezorgde.
       In de tijd van onze Heer Jezus Christus waren hun heilige plaatsen van elkaar gescheiden en werden zij door iedere jood uit Judea van de Joodse eer afgewezen en vanwege hun afwijkend gedrag als schande ervaren – dat was de haat tussen de Samaritanen en de mensen uit Judea, die al meer dan een half millennium was aangewakkerd.

                 Dus wanneer onze Heer en Verlosser een Samaritaanse introduceert met haar achtergrond en zelfs voor mogelijk stelt dat voor “het waarachtige echte leven voor God”, teneinde “meer rechtvaardig gedrag” ingang te doen vinden Hij er niets meer of minder van wil zeggen dan dat de gehele cultus in de Tempel van Jeruzalem, waar de complete priesterkaste dienst doet om dieren te slachten voor een naijverige [jaloerse] God, wat de dienst aan God betreft, nietig en leeg is.
      Wie dan een van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der Hemelen; doch wie ze ‘doet en leert’, die zal groot heten in het Koninkrijk der Hemelen. Want Ik zeg u: Indien uw gerechtigheid niet overvloedig 
is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der Hemelen voorzeker niet binnengaanMatth.5: 19,20.
Het is mogelijk, zó verkondigt onze Heer hier, dat een priester God zo kosjer en ritueel correct aanbidt, dat hij zich niet langer onder de mensen bevindt; dit bewijst echter alléén dat de God van die spelleider niets meer is dan een ideologische lafaard en dat de priesters in hun zelfgebouwde tabernakels alleen bezig maar zijn zichzelf te feestelijk te herdenken.
Dit komt God niet ten goede en het dient ook de mensen niet.
Een Samaritaan die absoluut geen gebouwde Tempel accepteert, zoals bij een anti-joodse aartsvijand mogelijk blijkt, is echter wèl ’vrij genoeg’ en bereid om menselijk medelijden te accepteren buiten alle ideologische beperkingen om.

Christus, onze God en Verlosser, zegt: ‘God is Geest !’.

” Jezus zei : ‘Geloof Mij, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in Geest en in Waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in Waarheid’”.

 ➻➻ Een Samaritaan die helemaal geen Tempel waarneemt, zoals bij een anti-joodse aartsvijand mogelijk blijkt, is echter vrij genoeg – bereid om menselijk medelijden te accepteren – buiten alle ideologische beperkingen om.

De Samaritaanse mens accepteert Hem als waarachtige God [Messias] en kàn zelfs met z’n verstand behappen Dat Jezus Christus, de zoon God is.
Daarvoor heb je geen Tempel nodig, – alleen open’ ogen, alleen een open hart, alleen een ‘open’ hand; waar God gedragen wordt.
Dàt is hier de Blijde Boodschap van de historische Jezus Christus, onze Heer.
Al met al is menigeen in onze tijd tot de conclusie gekomen dat het zaak is: ‘onderscheid te maken tussen het Christelijk Geloof [van de Geloofsbelijdenis] enerzijds en het instituut Kerk anderzijds‘. Helaas was en is het vaker regel dan uitzondering dat de laatste een bedreiging vormt voor de eerste.
De Christelijke kerk is niet slechter, maar ook absoluut niet béter dan andere menselijke instituten en dat dienen we ook niet te verwachten.
Wij stervelingen hebben de gewoonte van onze instellingen een zootje te maken en gelovigen doen daar net zo hard en krachtig aan mee. Mensen, die zichzelf volgeling van Christus noemen en van het Christelijk Geloof een puinhoop maken, zijn geen vreemder verschijnsel dan de schriftgeleerden en Farizeeën uit het Nieuwe Testament, die van het Jodendom een karikatuur hadden gemaakt,  òf [in onze dagen] de extremistische Theologen,  die van hun Geloof een vertekenend beeld geven.
Het merendeel van onze samenleving gelooft in de Goddelijke openbaring, in aanstekelijkheid van het Christelijk Geloof en dit beschouwen zij als één van de voornaamste bronnen – om niet te zeggen de énige – van geestelijke en sociale verlichting – en zijn er ook van overtuigd dat onze religieuze instellingen, die geroepen zijn het Profetisch Woord te bewaren, in de loop der tijd juist het tegenovergestelde zijn gaan doen.
Een Blijde Boodschap van Liefde en Hoop wordt binnen de kerkelijke kaders verwrongen tot een boodschap van vrees.
Bevoorrechte Christenen voor wie Vrijheid van Godsdienst al een leven lang de gewoonste zaak van de wereld is, veroordelen christelijke gezagsdragers die [zowel nu als in het verleden] hun positie misbruikten, met het grootste gemak als je reinste misdadigers. Het maakt niet uit òf we nu verwijzen naar de

Godfrey of Bouillon, kruisvaarder
Kruisboog

Kruisvaarders, de uitvoerders van de Spaanse Inquisitie, de Calvinisten die [Servetus en] talloze Doopsgezinden vermoordden; de echte boosdoeners waren niet de mensen, die in de gegeven omstandigheden deden wat goed was in hun ogen. De ware aanstichters van het kwaad waren angst en religieuze dogma’s, zoals de doctrine van de eeuwige verdoemenis, die de angst in de hand werkten. Vanaf het moment dat de Westerse kerk afstand nam van de universele verzoening en dit zelfs veroordeelde, verwijderde zij zich van de enig houdbare Theologie waarin Liefde altijd de overhand houdt. Een sindsdien worstelt de Kerk [tot op de dag van vandaag] met het enig alternatief dat overblijft: een leer, die angst inboezemt en vanuit angst voor de toekomst in het hiernamaals regeert.
Zondaars zijn de handen van God’ en God, Die verzoekt en mensen voor niets anders waardig zou achten – zelfs onze Heer geeft vandaag aan, dat Zijn ogen te zuiver zijn om dit te verdragen.
Paulus vermaant ons allen: “  Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, [ook] voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid. Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, Die [immers] wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis van de Waarheid komen. Want er is één God en ook één Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, Die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen; en daarvan wordt getuigd te juister tijd1Tim.2: 1-6; en
Petrus verkondigt dit: “      Doch dit éne mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. De Heer talmt niet met de Belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen.
Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Op die dag zullen de Hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan en de aarde en de [menselijke] werken daarop zullen gevonden worden. Daar al deze dingen aldus vergaan, hoedanig behoort gij dan te zijn in heilige wandel en godsvrucht, vol Verwachting u spoedende naar de [weder-]komst van de dag God’s, ter wille waarvan de Hemelen brandende zullen vergaan en de elementen in vuur zullen wegsmelten. Wij verwachten echter naar Zijn Belofte Nieuwe Hemelen en een nieuwe aarde, waar Gerechtigheid woont2Petr.3: 8-13.

Psalm 43[44]
    God, wij hebben onze oren gehoord, onze Vaderen hebben het ons verhaald.
Wat Gij tot stand gebracht hebt in hun dagen, in de dagen van weleer.
Uw hand heeft heidenen uitgerukt om hen te planten; Gij hebt volkeren zwak gemaakt en uitgedreven.
Want niet door het zwaard hebben zij het land verkregen, hun eigen arm heeft hun geen redding gebracht.
Maar Uw rechterhand, Uw arm, het licht van Uw aanschijn, omdat Gij behagen had in hen.
Gij zelf zijt mijn Koning en mijn God; Gij hebt verlossing bevolen voor Jaäcob.
Door U nemen wij onze vijanden op de horens, in Uw Naam versmaden wij hen die tegen ons opstaan.
Want niet op mijn boog stel ik mijn vertrouwen; mijn eigen zwaard hoeft mij niet te redden.
Gij hebt ons immers gered van onze verdrukkers; hen die ons haten hebt Gij beschaamd.
In God juichen wij heel de dag; Uw naam belijden wij tot in eeuwigheid.
Nu echter hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt; God, Gij trekt niet uit met onze legermacht.
Gij hebt ons de rug doen keren voor onze vijanden; die ons haten hebben zich door buit verrijkt.
Gij hebt ons overgeleverd als schapen ter verslinding, Gij hebt ons verstrooit onder de heidenen.
Gij hebt Uw Volk verkocht als had het geen prijs; er was over ons zelfs maar weinig gejuich.
Gij hebt ons te schande gemaakt voor onze buren, tot hoon en spot van hen die ons omringen.
Gij hebt ons tot spreekwoord gemaakt onder de heidenen, tot een hoofdschudden onder de volkeren.
Heel de dag staat mijn schande mij voor ogen, het schaamrood van mijn gelaat overdekt mij.
Door de stem van hen die mij smaden en honen ten aanschouwe van de vijand en de verdrukker.
Dit alles is over ons gekomen, terwijl wij U niet hadden vergeten; evenmin hadden wij Uw Verbond overtreden.
Ons hart was niet teruggeweken, maar Gij hebt onze schreden afgewend van Uw weg.
Zodat Gij ons vernederd hebt in een oord van verdrukking en de schaduw van de dood heeft ons bedekt.
Zo wij de Naam vergeten hadden van onze God, of als wij onze handen hadden uitgestrekt naar een vreemde god.
Zou God dit niet onderzoeken? Hij kent toch de verborgenheden van het hart?
Juist omwille van U worden wij ter dood gebracht heel de dag en worden wij beschouwd als schapen voor de slachtbank.
Ontwaak, waarom slaapt Gij, Heer? Sta op, verstoot ons niet voor altijd.
Waarom wendt Gij Uw aangezicht af? Waarom vergeet Gij onze ellende en onze verdrukking?
Want tot in het stof is onze ziel vernederd; ons lichaam kleeft aan de grond.
Sta op, Heer, help ons: bevrijd ons omwille van Uw Naam
Psalm 43[44] vert.ROK ’s-Gravenhage

Bij Heer ik roep . . . tn.5. 4e donderdag
    In het midden van de Tempel, staat God de Heer, Die geen grenzen kent.
Want volgens Zijn eigen Natuur is Hij werkelijk God,
ook al is Hij uit Liefde voor ons als sterflijk en begrensd verschenen.
Hij doet de levende stroom van Zijn woorden ontspringen en roept tot allen:
Reinigt uw ziel en verkwikt u van de hitte der hartstochten.
Laat niemand deze drank ontgaan, want Ik schenk de Kelk der Goddelijke Genade,
die onsterfelijk en boven alles Krachtig is,
dan zult u met Mij, uw Schepper, deel hebben aan het Koninkrijk,
zodat [ook] gij zult worden verheerlijkt
”.

Kathismazang      tn.4. Samaritaanse
    De Vorst der Wijsheid, de Meester van het Heelal,
zat neer in de Tempel en leeraarde:
Komt tot Mij, Gij allen die dorst hebt, en
drinkt van de levende stroom, die Ik u schenk,
want daadoor zult U allen genieten
het goddelijke Leven en de Vreugde
”.

Kondakion     tn.8.
    Met Geloof naderde de Samaritaanse tot de Bron:
daar aanschouwde zij U, het Water der Wijsheid.
En toen zij daarvan gedronken had
begeerde zij dorstig het Koninkrijk uit den hoge.
Daarom wordt zij geprezen in alle eeuwigheid
”.

Exapostilarion  refr. uit Paschaboek blz 156
Toen Gij naar het vlees was ontslapen als een sterveling, o Koning en Heer,
zijt Gij ten derde dage opgestaan, na Adam te hebben opgewekt uit het verderf en de dood te hebben verdelgd.
Pascha der onvergeeflijkheid, Redding van de Kosmos

tn.3a.
Gij zijt gekomen naar Samaria, mijn almachtige Verlosser
en hebt daar gesproken met een vrouw;
en zoals Gij eens de Joden water hebt doen stromen uit de steenrots,
hebt Gij nu aan haar water gevraagd om te drinken
om haar te bevestigen in het Geloof:
en geniet zij voor eeuwig het Leven in de Hemelen
”.

tn.3a.
    Op het midden van het Vijftigdagenfeest,
hebt Gij medelijdend in de Tempel geroepen:
Gij die dorst hebt, komt tot Mij,
om levend en stromend water te putten,
dat U de Volheid van de Genade schenkt
en eveneens het onsterfelijke Leven”.

De al-Heilige wereldomvattende Kerk, ‘een Mysterie’ – icoon

NB.  het is onmogelijk om God [Christus] te beminnen buiten de Kerk om.
Ik weet dat deze vraag heden ten dage door velen gesteld wordt.
Het antwoord is dat er zeker een mogelijkheid is om enkele aspecten van Christus te beminnen buiten de Kerk om , maar buiten de Kerk, kan men Christus Zelf – als Zijn Verschijning in het vlees – niet beminnen, men zou afdwalen.
Er zijn mensen die houden van enkele woorden van Christus of Hem zien als een Profeet of een rebel en wijze. Er zijn er zelfs die zich alleen maar interesseren in Zijn Liefde tot de mensen, Zijn medemenselijkheid en anderen die in Hem de Wonderdoener zien.
Maar Christus, de Zoon van God, is ‘niet’ op de wereld gekomen om wonderen te verrichten, noch om kostbare leringen te houden, zelfs niet om de wereld te oordelen. Christus is enkel en alleen gekomen -door de Vader gezonden- om de wereld te redden!’.
Christus heeft Zijn Apostelen uitgezonden om gemeenschappen van gelovigen bijeen te roepen, die op éénzelfde plaats samenkomen, waar ze allen tezamen ‘Zijn aanwezigheid kunnen beleven en herbeleven‘, door deel te hebben aan Zijn kostbaar Lichaam en Bloed, zoals ‘Hij’ het ons zelf heeft voorgedragen.
Hoe kunnen we Christus liefhebben en onverschillig blijven t.o.v. zijn uitnodiging? Het is in de Kerk, de gemeenschap van heiligen dat Christus handelt.
De Apostelen hebben lokale Kerken gesticht die samen de Universele Kerk van Christus vormen. Zonder de zichtbare Kerk, door God gesticht, kan geen enkele eenheid bestaan tussen de leden van een gemeenschap, die niet het Lichaam van Christus zou zijn, want het Lichaam van Christus, is Zijn Kerk, van dewelke Hij het universele hoofd is.
                      De eerste christelijke gemeenschappen werden gevestigd in steden die ‘een zeker aanzien genoten‘ en waar de universeel gebruikte taal van die beschaving Grieks was. Vanaf dat moment werd in deze taal de eerste christelijke prediking gedaan door de Apostelen van de Heer.
Maar toen het Christelijk Geloof doordrong in het niet-gehelleniseerde landschap van het Oosten of werd geëxporteerd naar landen buiten het Romeinse Rijk, zoals Armenië, Georgië, Ethiopië, werden de dienaren van het Evangelie door omstandigheden genoodzaakt om de dialecten van deze verschillende volkeren te gebruiken en hen op die manier in te leiden in de Christelijke leer en het Gebed tot God.
Vanaf dat ogenblik begon men God ook te vereren in het landstaal in Afrika, in Gallië en in de landelijke kantons van Italië; in het Koptisch voor de Egyptische landgenoten; in het Syrisch voor de Syrische boeren en de inwoners van de kleine steden van de regio; in het Armeens, Georgisch, Ethiopisch en Gotisch.
Later, toen het Oecumenisch Patriarchaat van Constantinopel het initiatief nam inzake de grote missionaire beweging die de Slavische volkeren zou moeten bekeren, werd dezelfde tactiek aangewend en werden de Heilige Boeken en Liturgische teksten vertaald in het Slavisch en het Nederlands, aanvankelijk

Archimandriet Adriaan [Korporaal]
voornamelijk door Archimandriet Adriaan Korporaal van het Russisch Orthodox klooster H. Johannes de Voorloper, van het bisdom Den Haag en Nederland. Dit initiatief tot vertaling van de teksten in het Nederlands werd vervolgens voortgezet door het Klooster Geboorte van de Moeder Gods te Asten patriarchaat Constantinopel.
De verschillende uitgaven zijn aldaar verkrijgbaar.
adres: Gruttoweg 7, 5725 RT Heusden Gem. Asten;
website: www.orthodoxasten.nl

Orthodoxie & de Bron des Levens

Heilige Drieëenheid, toonbeeld van Goddelijke Liefde

God is in de Drie-eenheid de oorsprong van al het leven.
Alle schepselen en ook wijzelf leven door Hem. Voor ons mensen is God veel meer, Hij wil ook de bron zijn van ons geestelijk leven. Veel mensen leven los van deze levensnoodzakelijke bron en zijn, geestelijk gesproken, eigenlijk dood. Denk dat je kan worden aangesloten op deze bron, die leven en overvloed geeft.

Die Levensbron vult je met Wijsheid, en je leven kan zo overvloedig worden dat je zelf een bron wordt voor anderen, waardoor zij geholpen worden om dodelijke gevaren te ontgaan.

Hoe de mens over God denkt – de manier waarop de mens Hem ervaart – is in wezen een weerspiegeling van hemzelf.

    Een vermogen, uit niets verkregen, slinkt weg; maar wie met eigen hand vergadert, wordt rijk. Een langgerekt hopen maakt het hart ziek, maar een vervulde begeerte is een boom des Levens. Wie het Woord veracht, moet het ontgelden; maar wie het gebod vreest, hem zal vergolden worden. Het onderricht van de Wijze is een Bron des levens, om de strikken des doods te ontwijken. Goed inzicht verschaft gunst, maar de weg der trouwelozen is onbegaanbaarSpr.13: 11-15.
De wetsovertreder besluit bij zichzelf om te zondigen, want er is geen vreze Gods voor zijn ogen. Hij huichelt voor Zijn aangezicht, dat hij onrecht zou opsporen en haten. De woorden van zijn mond zijn wetteloosheid en bedrog, hij wil niet verstandig zijn om het goede te doen. Hij beraamt onrecht op zijn bed, hij staat op elke slechte weg; van boosheid heeft hij geen afkeer.
Heer, in de hemel is Uw barmhartigheid, Uw waarheid reikt tot de wolken. 
Uw rechtvaardigheid is hemelhoog gebergte; Uw oordelen een bodemloze zee. Mensen en vee hebt Gij, Heer, gered; overvloedig is Uw erbarmen, o God.
De kinderen der mensen zijn vol vertrouwen onder de beschutting van Uw vleugelen. Zij verzadigen zich aan de overvloed van Uw huis, Gij drenkt hen met de stroom van Uw vreugden.
            Want bij U is de bron van het leven; in Uw licht zien wij het licht.
Schenk Uw erbarmen aan wie U kennen, Uw gerechtigheid aan de oprechten van hart. Laat de hoogmoedige voet mij vertreden, noch de hand van zondaars mij doen wankelen. Want gevallen zijn allen die onrecht bedrijven, zij zijn neergestort en konden niet blijven staan” Psalm 35[36] vert. ROK ’s-Gravenhage.

“ Want bij U is de bron van het Leven; in Uw Licht zien wij het licht”.

  God heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende Rijkdom van Zijn Genade[gaven] te tonen naar [Zijn] goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want door Genade[gaven] zijt gij behouden, door het Geloof en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand zal roemen” Eph.2: 6-9.

Veel mensen willen zo graag Gods goedheid ervaren.
God is niets dan goed; Hij laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden en
laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen;
Zijn Liefde is universeel, Die omvat alle mensen.
Maar dat wil niet zeggen dat iedereen zich
door God geliefd voelt, zijn goedheid opmerkt.
Je kunt de indruk krijgen dat er bij Hem
aanzien des persoons is, maar dat is absoluut niet zo.
En de oorzaak ligt bij de mens zelf.
Het geheim bestaat erin om tot Christus te komen en
in Hem tot een nieuw mens herboren te worden.
Daar, ìn Christus Jezus, bewaart God Zijn Goedheid als
een kostbare schat, in de ‘goede werken’ die Hij voor ons heeft bereid.

Walking by Faith

Dus wanneer de mens wandelt in de werken, die God voor de mens bereid heeft, en daarmee God dient in eenvoudige trouw en liefde voor Hem,
gaat de mens de overweldigende rijkdom aan goedertierenheid ondervinden van Gods Genadegaven.
De mens gaat ervaren wat David weergeeft in: 
    De Heer is mijn Herder, het ontbreekt mij aan niets.
Op grazige weiden doet Hij mij verblijven; aan verkwikkende wateren heeft Hij mij geleid. Hij heeft mijn ziel bekeerd. Hij leidt mij langs het pad der gerechtigheid omwille van Zijn Naam. Zelfs al ga ik midden in de schaduw des doods, dan vrees ik geen kwaad, want Gij zijt met mij.Uw staf en Uw stok, juist deze zijn mijn troost. Gij richt een tafel voor mij aan, voor de ogen van mijn verdrukkers. Met olie zalft Gij mijn hoofd: hoe heerlijk is Uw heilige Kelk! Uw barmhartigheid volgt mij van nabij, alle dagen van mijn leven. Ik mag wonen in het Huis des Heren, tot in lengte van dagenPsalm 22[23] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Gods Goedheid zal de mens altijd blijven achtervolgen!

Je kunt zeggen: het Godsbeeld van een mens, zoals hij over God denkt, is z’n eigen spiegelbeeld.
      Dan vergeldt mij de Heer volgens mijn gerechtigheid, volgens de reinheid van mijn handen voor Zijn  ogen. Met een heilige zult Gij U heilig tonen en onschuldig met een schuldeloos mens. Met een uitverkorene zijt Gij uitgelezen, maar met een arglistige toont Gij Uw list. Een nederig volk zult Gij verlossen, maar de ogen der trotsen vernedert Gij. Gij schenkt licht aan mijn lamp; Heer mijn God, verlicht mijn duisternis” Psalm 17[18]: 25-26.

Wie zelf bekrompen is en weinig over heeft voor z’n medemensen, ervaart God als bekrompen. Wil je God ervaren als loyaal, als Koninklijk, met een warm en goed hart, wees dan evenzo tegenover je medemensen.
Daarvoor is Kracht genoeg de vinden in de Blijde Boodschap, de Pedagogie, die Jezus Christus, de Zoon van God, heeft gebracht om de mens van een slechte, akelige natuur herboren te doen worden tot iemand die oprecht, rein en rechtschapen is.
      Ten slotte, weest allen eensgezind, medelijdend, hebt de broeders lief, weest barmhartig en ootmoedig en vergeldt geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegent integendeel, wijl gij hiertoe geroepen zijt, dat gij zegen zoudt beërven.Want: wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, dient zijn tong van het kwade te weerhoudenen zijn lippen van bedrog te spreken; hij dient van het kwade af te wijken en het goede te doen, hij dient de vrede te zoeken en die na te jagen, want de ogen des Heren zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun smeking, maar het aangezicht des Heren is tegen hen, die het kwade doen1Petr.3: 8-12.

Trouw blijven aan Gods wetten en Gods werkingen teneinde slechts het goede te doen, om het Theologisch uit te drukken: “in de goedertierenheid Gods blijven”.

God dwingt iemand niet tegen zijn wil in.
          Rekent gij wellicht hierop, o mens, die oordeelt over hen, die zulke dingen bedrijven, en ze zelf doet, dat gij het oordeel Gods ontgaan zult? Of veracht gij de rijkdom van Zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt? Maar in uw weerbarstigheid en on-boetvaardigheid van hart hoopt gij u toorn op tegen de dag van de toorn en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God, Die een ieder vergelden zal naar zijn werken: hun, die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; maar hun, die zichzelf zoeken, der waarheid ongehoorzaam 
en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, wacht toorn en gramschap” Rom.2: 3-8.

In Gods geweldige goedheid en lankmoedigheid jegens ons mensen trekt en lokt Hij ons  heel subtiel naar Zijn Bron, naar Zijn weg, om zo volgens Zijn eigen wetten, Zijn rijkdom aan goedheid over ons te kunnen uitstorten.
            Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.
Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met Mijn Vader op Zijn troon.
Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt“ Openb.3: 20-22.
            Hoe vereerd zou je wel niet zijn, als de Zoon van de Allerhoogste voor je deur zou staan? Onze Heer en Verlosser staat voor de deur van ons hart en Hij klopt. Hij wil graag naar binnen, maar Hij is geen brutale indringer; Hij wacht tot wij de deur voor Hem opendoen. We hebben zelf de sleutel van de deur van ons hart! Wij bepalen wat er binnenkomt: het goede, of het kwaad.
Goed en kwaad kan niet samengaan – als we het goede, het Licht, Christus binnen willen laten, dient de schaduwzijde, het kwaad verwijdert te zijn.

Onze Heer, Jezus Christus, de Zoon van God wil binnenkomen. Hij wil maaltijd met òns mensen houden, en wil graag dat wij maaltijd houden met Hèm.
Híj wil onze innerlijke mens versterken, zodat we Zíjn Kracht verkrijgen om in onze dagelijkse situaties nèt zo te leven als Hij!
Een goede, neen, de beste grond om Hem binnen te laten in ons hart.

De apostel Johannes, de Theoloog bij uitstek, waarschuwt de wereld ‘niet’ lief te hebben en ‘ook niet’ wat ‘ìn’ de wereld is en dan wijst hij op allerlei begeerten die ons van God aftrekken. Als die begeerten macht hebben in ons leven gaan we samen met de wereld ten onder.
Paulus, de Apostel bij uitstek schrijft over het Kruis [opnemen] als de mogelijkheid om  bevrijd en verlost te worden van al die kapot makende begeerten.
Hij verkondigt, als persoonlijke getuigenis: “ Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, [dat is], niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mijGal.2: 20; en
      Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan Zijn dood, zullen wij het ook zijn [met hetgeen gelijk is] aan Zijn Opstanding; dit weten wij immers, dat onze oude mens mee-gekruisigd is, opdat aan het lichaam van de zonde, z’n kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven van de zonde zouden zijn; want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zondeRom.6: 5-7.
Iedere dag zie je het opnieuw in het nieuws: politici, winnaars van een vredesprijs, wetenschappers en sociaal hulpverleners, kortom mensen met een duidelijke roeping in het leven. Mensen die iets voor de mensheid betekenen, of in ieder geval voor delen ervan. Het lijkt of zij vanaf hun geboorte tot grote daden voorbestemd zijn.
Maar jij? Wat is het doel van jouw persoonlijk leven?

Indien jij jezelf bij Christus hebt aangesloten, in Christus bent gedoopt en je met Hem [met het gewaar worden van de Gerechtigheid] hebt bekleed, heb je de boze, het kwaad verzaakt en kun je vervolgens jezelf meer concreet de vraag stellen: Wat wil Jezus dat ik met mijn leven zal doen? Wat wil Hij met de jaren die ik hier op aarde zal leven?
Het antwoord is, dat je met Jezus als ‘Heer en Meester van je leven’ een roeping en toekomst hebt, die al ‘het’ verheven prijzen van de wereld alsmede de macht en eer onder de mensen niet kunnen evenaren!
Dàt is pas leven.

MidPinksteren – Orthodoxie & ‘Op het Midden van het Feest . . .’

Christus lerend in de Temple – het feest van Mid-Pinksteren; לימוד המשיח בבית המקדש – חג של חג השבועות; Christ teaching in the Temple – the feast of Mid-Pentecost.

      Doch toen het feest reeds op de helft was, ging Jezus op naar de Tempel en
leerde
[Hij gaf daar Z’n levenslessen].
De Joden dan verbaasden zich en zeiden: ‘Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen?’.
Jezus antwoordde hun en zei: ‘Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft; indien iemand Diens Wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van z’n Zender, Die is Waar en er is geen onrecht in Hem. Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de Wet. Waartoe tracht gij Mij te doden?’.
De menigte [schare] antwoordde: ‘Gij zijt bezeten; wie tracht U te doden?’.
Jezus antwoordde en zei tot hen: ‘Een werk heb Ik verricht en gij verwondert u allen. Daarom: Mozes heeft u de besnijdenis gegeven – niet, dat zij van Mozes komt maar van de Vaderen – en gij besnijdt een mens op sabbath. Als een mens op sabbath de besnijdenis ontvangt, opdat de Wet van Mozes niet verbroken zal worden, zijt gij dan op Mij vertoornd, omdat Ik op sabbath een gehele mens gezond gemaakt heb? Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel’.
Sommigen dan uit de Jeruzalemmers zeiden: ‘Is deze het niet, die zij trachten te doden?. En zie, Hij spreekt vrijuit en zij zeggen Hem niets. Zouden waarlijk onze oversten hebben ingezien, dat deze de Christus is? Van deze echter weten wij, vanwaar Hij is, doch wanneer de Christus komt, weet niemand, vanwaar Hij is’.
Jezus dan riep, terwijl Hij in de Tempel leerde, en sprak:
‘ Mij kent gij en gij weet, vanwaar Ik ben; en Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar er is een Waarachtige, Die Mij gezonden heeft en Die gij niet kent. Ik ken Hem, want Ik kom van Hem en Hij heeft Mij gezonden’.
Zij trachtten Hem dan te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want zijn ure was nog niet gekomenJohn.7: 14-30.

Paulus geneest de Verlamde te Lystra, Karel Dujardin – Rijksmuseum, Amsterdam.

    Zij namen, de toestand overzien hebbende, de wijk naar de steden van Lykaonie, Lystra en Derbe en omgeving en verkondigden daar een tijd lang het Evangelie.
      En er woonde te Lystra een man, die geen macht had over zijn voeten, verlamd van de schoot van zijn moeder af aan, die nooit had kunnen lopen. Deze man luisterde naar Paulus, wanneer hij sprak, en Paulus keek hem scherp aan en zag, dat hij Geloof had om genezing te vinden en hij zei met luider stem:
‘Ga recht op uw voeten staan!’
     En hij sprong overeind en liep heen en weer.
     En toen de scharen zagen, wat Paulus gedaan had, verhieven zij hun stem en zeiden in het Lykaonisch: ‘De goden zijn, in mensengedaante, tot ons neergedaald’; en zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij het was, die het woord voerde.
     En de priester van Zeus-voor-de-stad bracht stieren en kransen aan bij het poortgebouw en wilde met de scharen offeren.
          Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus dat hoorden, scheurden zij hun mantels en sprongen naar voren onder de schare, uitroepende:
          ‘Mannen, wat doet gij daar? Ook wij zijn maar zwakke mensen zoals gij en verkondigen 
u, dat gij u van dit ijdel bedrijf moet bekeren tot de levende God, die de Hemel, de aarde, de zee en al wat erin is gemaakt heeft. Hij heeft ten tijde der geslachten, die achter ons liggen, alle volkeren op hun eigen wegen laten gaan en toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken’.
En hoewel zij zo spraken, konden zij ternauwernood de scharen weerhouden hun te offeren“  Hand.14: 6-18.

Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Heilige Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in Heerlijkheid; Who manifested Himself in the flesh is justified by the Holy Spirit, appeared to the angels, is preached among the Gentiles, believed in the world, included in Glory.

Woensdag van de vierde week, dus de 25e dag na Pascha, wordt het feest van Mid-Pinksteren gevierd. Op het Midden van het feest ging onze Heer en Verlosser regelmatig naar de Tempel, het heiligdom te Jeruzalem en onderwees daar de mens over Zijn ‘reddend’ zendingswerk. Hij biedt de mens en iedereen, die het maar horen wil “Het Levende Water van onsterfelijkheid” aan, zoals we in de Blijde Boodschap van de hand van Johannes kunnen lezen.
Volgens de vaste regels verlopend, op vaste tijden terugkerend wordt de gelovige mens herinnerd aan de aanwezigheid van de Meester en de Goddelijke reddingsbelofte: “Als iemand dorst heeft, laat hem dan naar Mij [Christus] toe komen en drinkenJohn.7: 37.

the world, thirst for God

    Hoe lieflijk zijn Uw tenten, Heer der Krachten: mijn ziel dorst en smacht naar de voorhoven des Heren. Mijn hart en mijn vlees juichen voor de levende God.
Zelfs de mus vindt zich een woning, de tortel een nest om voor haar jongen te zorgen. Bij Uw altaren, Heer der Krachten, mijn Koning en mijn God.
Zalig zij die in Uw Huis wonen; in de eeuwen der eeuwen zullen zij U loven.
Zalig de mens die zijn hulp vindt bij U: hij maakt opgangen gereed in zijn hart.
Weg uit het dal der tranen, naar de plaats die Hij heeft vastgesteld.
Want de Wetgever schenkt zegeningen, zodat zij gaan van Kracht tot kracht, 
om de God der goden te zien in Sion.
Heer, God der Krachten, verhoor mijn gebed; neig Uw oor, God van Jaäcob.
God, onze beschermer, zie ons aan: zie neer op het aangezicht van Uw gezalfde.
Want één dag in Uw voorhoven is beter dan vele duizenden daarbuiten.
Liever ben ik veracht in het Huis van mijn God, dan thuis te zijn in de tenten der zondaars.
Want de Heer bemint Barmhartigheid en Waarheid; God schenkt Genade en Heerlijkheid.
De Heer weigert geen enkele weldaad aan hen die wandelen in onschuld.
Heer, God der Krachten, zal is de mens die op U vertrouwt
Psalm 83[84] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Op het ogenblik dat het zó dient te zijn, is de juiste God-mens òp de geëigende plaats – òm het Mysterie [het Geheim, het Godswonder] te ontsluieren; openbaar te maken.
De Profeet David heeft het in lyrische vorm bezongen in bovenstaande Psalm, de Schepper en Meester van het heelal staat hier en verkondigt Zijn Blijde Boodschap.
De mensen zijn in staat woning te vinden in de Tempel, in hun hart, zij mogen daar wonen en als een tortel haar jongen verzorgen. Zalig zij, die daar wonen en hulp vinden bij God – de Wetgever schenkt zegeningen, zodat de mens kan gaan van Kracht tot kracht, om de God der goden te zien in Sion, in Jeruzalem – het Hemels Koninkrijk.
Met de woorden van deze Psalm – samen met Psalmen 119[120]-134[135] op de lippen, gingen de Joden in Israël op naar het Loofhuttenfeest een hoogfeest om aan God hun dankbaarheid te tonen. Dankbaar vanwege de vruchten van het veld, de opbrengst van de dorsvloer en de wijnpers. Het was een intens vreugdevol feest, wat gevierd werd met processies, met muziek en dans, met geschenken voor God en de mensen – een feest van dankbaarheid, bijna te uitbundig voor woorden. Het werd door buitenstaanders opgevat als een feest voor de romeinse god van de wijn [Bacchus], maar heeft een mens op z’n tijd niet eens behoefte aan zo’n feest – is dìt geen waarachtige religie, welke de mens op deze manier samenbrengt in het Heiligdom, in het binnenste binnen, tot de kern? Het doet alleen een beetje koud aan, dat dit gebeuren toch zo maar een beetje op de achter-grond wordt geschoven, weliswaar wordt er herinnert [tot gedachtenis] maar historisch blijkt het van geen belang. Zelfs de Joden laten zich laatdunkend uit; ze durfden in het openbaar in Jeruzalem in de Tempel ‘niet’ over Christus, de Zoon van God te praten – uit angst voor de Joden, wordt er letterlijk gezegd. Maar Wie anders dan God Zelf had als een Jood in Jeruzalem geleefd moeten hebben?
Maar je dient hier héél nadrukkelijk en ontzettend goed te luisteren!
De Blijde Boodschap van Johannes gaat niet langer over de Joden in de tijd van Jezus, het gaat over het conflict aan het einde van de 1e eeuw; tussen de “christenen” en de “joden“.
De oorspronkelijke saamhorige eenheid van het begin is ontbonden en uit zich in de vorm van  tegenstanders, welke grenst aan het vijandige.
Het is ontzettend belangrijk om daarin de religie-historische tegenstellingen te herkennen, die in het prille begin als uitgangspunt hebben geleid tot het theologisch en in onze tijd betreurde anti-judaïsme van het christendom.
Maar tegelijkertijd dient men eveneens oog te hebben dat er hier “kenmerkende vragen” worden behandeld ten opzichte van “de Joden”, die in elke religie dienen te worden gesteld, vooral in het christendom zelf.
Slechts aan de hand van de veronderstelling dat de twee religies afstand nemen van elkaar, hetgeen zich uit in problemen van die periode begint de weergave van Johannes ons iets waarachtig duidelijk te maken.
Indien het op de wezenlijke essentie, de kern waar het om draait, aankomt, blijkt er een wereld van verschil te bestaan. In de volgorde van een vaste cyclus van rituele, plechtige aanbidding en vreugdevol georganiseerd spel [viering] hebben een aantal factoren invloed.
De Joden bleven zich ondanks hun verwondering afvragen: “Hoe is deze [voor ons God-mens] zo beleerd zonder [theologische begeleiding van mensen] onderricht te hebben ontvangen?”.

Jezus antwoordde hun en zei:

Het Mysterie van de Drie-eenheid

Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem [de Vader], die Mij [als Zoon] gezonden heeft; indien iemand Diens Wil doen wil, zal hij [door de Heilige Geest] van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van zijn Zender [God, de Vader], Die is Waar en er is geen onrecht in Hem [de Zoon].
Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de Wet. Waartoe tracht gij Mij te doden?”.
De schare [menigte] antwoordde: “Gij zijt bezeten; wie tracht U te doden?”; dit terwijl zij donders goed wisten dat zij Hem wilden ombrengen; naar het leven stonden.
Jezus antwoordde en zei tot hen: “Een werk [genezing] heb Ik verricht en gij verwondert u allen. Daarom: Mozes heeft u de besnijdenis gegeven – niet, dat zij van Mozes komt maar van de Vaderen – en gij besnijdt een mens op de Sabbath. Als een mens op de Sabbath de besnijdenis ontvangt, opdat de Wet van Mozes niet verbroken zal worden, zijt gij dan op Mij vertoornd, omdat Ik op de Sabbath een gehele mens gezond gemaakt heb? Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel”.

En toch is het niet van toepassing als het op wezenlijke, zo belangrijk dat het onmisbaar zaken aankomt. Het is ‘niet’ mogelijk om God te vinden in de georganiseerde mensenmassa, een menigte.
Allereerst dient deze bewering duidelijk te worden aangetoond in zijn monsterlijkheid. Het Loofhuttenfeest biedt het Evangelie van Johannes het decor, de gelegenheid, de externe trigger voor een principiële discussie.
De God-mens” gaat naar Jeruzalem en ook Jezus zal dat dienen te gaan doen; maar Hij weigert dat nog, het is Zijn tijd nog niet.
De Blijde Boodschap van onze Heer en Verlosser heeft in de mensenmassa nòg geen wortel geschoten, in de georganiseerde, altijd veronderstelde gemeenschap, die Traditie nu eenmaal met zich meebrengt.

Gebed in gezin, Jan Steen – Philadelphia Museum

Onder degenen, die van oorsprong de Traditie doorgeven, dit overbrengen, wordt bijvoorbeeld het gezin genoemd; zelfs dit ontkent deze tekst in alle toonaarden.

In ieder geval wordt de primaire Traditie overgebracht in de familiekring, het gezin is immers de basis van de gemeenschap, waar het voorbeeld overgedragen wordt; de Kerk legt slechts in woorden uit wat als de meest lieflijke toestand wordt ervaren. Onze Heer beschrijft temidden van Zijn Familie wie er tot Zijn familie behoort: ‘ Juist, degenen, die door de Geest de Wil doet van de Vader’, onder ‘de hoede’ van de Theotokos. Christus groeide op in een gemeenschap vanaf den beginne [van de wereld] van de altijd maar weer opkomende gelovigen; hier wordt de mogelijkheid aangeboden – een stukje historische Waarheid te zien, maar je kunt verbitterd opmerken: “ zelfs Zijn medebroeders vertrouwden Hem niet” want hier wordt eveneens gezegd: [verg. Marc.3: 21] “Hij is niet bij Zijn zinnen”.
Toch had dit ‘midden-van-het-feest’, op het Joods Loofhuttenfeest een uitstekende propaganda-stunt geweest kunnen zijn, een kans om zich door het publiek gedragen te weten. Maar wat heeft een dergelijk succesverhaal allemaal te maken, wat heeft het voor zin. ten opzichte van een waarachtige ontmoeting met God?
De cruciale tekst, de eigenlijk belangrijke tekst, is nog niet een paar regels oud òf hetgeen wat als een geldig criterium voor een juiste relatie tussen mens en God wordt beschouwd, is alles dat werkelijk openbaar had dienen te worden en de mogelijkheid tot vereniging [met God] had kunnen bevorderen, is al weer ondergesneeuwd – is compleet verdwenen; dat alles telt niet meer mee en heeft in het geheel geen enkele betekenis meer.

Christus & Z’n Volgelingen

De kern waar het om draait:
Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem [de Vader], die Mij [als Zoon] gezonden heeft; indien iemand Diens Wil doen wil, zal hij [door de Heilige Geest] van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek.
Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van zijn Zender [God, de Vader], Die is Waar en er is geen onrecht in Hem [de Zoon].
Heeft Mozes u niet de Wet gegeven? En niemand van u doet de Wet;  waartoe tracht gij Mij te doden?”.

Wat heeft een regelmatig beloning eigenlijk voor zin, zowel tussen ons mensen, voor onszelf, vanwege God òf  beter nog : ten opzichte van God?
Jezus kijkt ons, als Zijn broeders en zusters op dit punt bijna hardvochtig aan.
Zijn uur [Zijn tijd] is nog niet gekomen” zegt hij, “Die tijd is er nog niet’.
Onze tijd, die van de mensen, is altijd hier en nu, staat altijd klaar; 
daartussenin ligt een wereld van verschil met de tijd van God.
Sommige mensen brengen hun leven lang door met datgene wat wij de buitenkant noemen, hoe de mensen op elke willekeurig moment tegen ‘hèn‘ aan kijken en vinden dat goed en respectabel.
Het maakt hen helemaal niets uit, het innerlijk, zij vervormen zichzelf en doen zich uiterlijk voorkomen,  zoals het externe [werelds] systeem dit van hen verwacht. Maar er is ook een ‘àndere’ houding ten opzichte van de Waarheid, de realiteit, hoe je wèrkelijk bent, die ‘niet aan tijd verbonden’ is, waarmee je ten alle tijde ‘in je blootje’ voor God kunt verschijnen.
Heden viert de Kerk het midden van – hèt 50 dagen feest -, dat ons enerzijds verlicht door het stralend Licht van Christus, het Goddelijke Pascha en anderzijds wordt het beschenen door de luister van de Genadegaven van de Trooster, de Geest der Waarheid. Op deze wijze worden wij als verlamde mens volledig genezen en indien het Goddelijke leven in de wereld een spel is, dan wordt dìt de gulden spelregel, het vormt de Myron [de balsem] voor de ziel:

Ikos     tn.4.
          Mijn ziel is uitgedroogd door zonden en overtredingen,
besproei haar met de stroom van Uw Bloed,
om haar vruchtbaar te maken door Uw deugden.

Want Gij, Woord van God hebt tot allen gezegd,
te komen tot U, Al-Heilige,
om te putten van het Water der Onsterfelijkheid,
dat ons weer levend maakt en van zonden reinigt,
die Uw roemrijke, Goddelijke Opstanding bezingen,
en die door Uw Goedheid vervuld worden
met de Kracht van de Geest, die in Waarheid
vanuit de hoge over Uw Leerlingen gekomen is,
omdat zij U als God erkennen;
want U bent de Bron van ons leven
”.

 

  Groot is de Heer en groot is Zijn Kracht,
oneindig is Zijn begrip

Apolytikion     tn.8.
    Geef op het Midden van het Feest
aan mijn dorstige ziel het water der vroomheid te drinken, o Redder,
zoals Gij tot allen hebt geroepen:
‘Wie dorst heeft, komt tot Mij en drinken.
Bron des Levens, Christus God, ere zij U
”.

Kondakion     tn.4.
      Op de helft van het Vijftig-dagen-feest,
o Schepper en Meester van het heelal,
Hebt Gij tot hen, die bij U waren gezegd, Christus God:
‘Komt en put het water der onsterfelijkheid.
Daarom vallen wij voor U neer en roepen in Geloof:
Schenk ons Uw Erbarmen,
want Gij zijt de Bron van ons Leven
”.

Vrijdag in de Grote en Heilige week, Goede Vrijdag – de grootsheid van het Lijden, het sterven aan het Kruis en de begrafenis – wij leggen het stoffelijk overschot van onze Heer in een ongeschonden graf

Op Goede Vrijdag beleven Christenen over de hele wereld
het hoogtepunt van dit Goddelijk Drama.
Het is dè dag van de Passie van Jezus.
De dienst opgedragen door onze Orthodoxe Kerk
in de laatste uren vóór de kruisiging, Zijn dood en begrafenis
herinnert ons aan de volgende feiten:

Blijde Boodschap in het Arabisch

Christus na de arrestatie van de Olijfberg, is berecht en veroordeeld door de Hoge Priesters.
De rechtszaak was uiteraard maar een formaliteit, omdat het vonnis van deze Onschuldige was reeds uitgesproken voordat onze Heer zelfs ook maar was gearresteerd.
De Leidinggevenden wilden Zijn dood.
Maar omdat ze de wettelijke bevoegdheid niet bezaten,
diende het vonnis -op hun aanwijzingen- onder druk
te worden geveld door de Romeinse gouverneur.
Die jarenlange commandant in Jeruzalem was Pilatus.
In het heen en weer gesleept van onze Heer en de opgeruide menigte,
op aandringen van Geloof’s-oudsten vernemen wij het geschreeuw
dat onze Heer gekruisigd dient te worden.
Er was een gewoonte onder hen, dat op de dag van de Joodse Pascha,
de Romeinen een gevangene Jood vrij zouden laten.
Pilatus, die niet verantwoordelijk voor de kruisiging van Christus wenste te zijn,
vroeg hij de menigte te kiezen tussen de Godmens Christus en Barabas,
een rebel en een moordenaar, welke degene zou worden, die vrijgelaten werd.
De menigte, door godslastering opgezweept, verkreeg als gevolg van intimidatie
daarna onmiddellijk van Pilatus het mandaat Christus naar de binnenplaats,
het Pretorium te leiden 
Onmiddellijk daarna en het mandaat langere Pilatus Christus geleid in de binnenplaats van het Pretorium [d.w.z. de Romeinse  (Διοικητηριου administratieve plaats ) Rechtsgebouw].
Daar omhangen de Romeinse soldaten een paarse mantel om
het vrijwillig slachtoffer en geven onze Heer en doornkrans.
Spottend noemden ze hem de “Koning der Joden“, ze sloegen hem en bespuugden Hem. De tijd van de kruisiging is nabij.
Jezus wordt met het Kruis belast waarop Hij zal worden gekruisigd en
wordt naar de Calvarieberg [de schedelplaats] buiten de stad Jeruzalem geleid.
Onderweg kan hij het gewicht van het Kruis, gevolgd door het vallen niet weerstaan. De Romeinen hebben Simon, de Cyrene, op dat ogenblik opgedragen,
om dat zware Kruis van de gemartelde mens over te nemen en verder te dragen.
Na een periode aan het Kruis roept de Heer uit:
Het is volbracht” en aldus brengt onze Heer
Zijn onmenselijke, maar Goddelijk gedragen taak ten einde:
het Lam Gods, dat wegneemt de zonden van de wereld“,
nadat hij degenen die verantwoordelijk zijn/waren voor Zijn dood heeft vergeven.
Bij de dood van onze Heer en Zaligmaker wordt hij door de soldaten doorstoken
in Zijn zijde en loopt er bloed en water uit Zijn borst.

De natuur geeft aan dat er hier sprake is van een bovennatuurlijk gebeuren,
doden in de omgeving van Jeruzalem staan op uit het graf en verschijnen aan hun familie. Ten slotte, bij zonsondergang, is het Joseph van Arimathea en Nicodemus, twee leden van de Joods raad, die zich heimelijk bij Hem aangesloten hadden, die samen met zijn naaste leerling en de vrouwen het stoffelijk overschot, het Lichaam van Christus mogen bergen, de hoofdman heeft daar bij Pilatus van getuigd, dat Hij reeds gestorven was – er vloeide bloed en water.
Het Heilig Lichaam van onze Heer en Leraar wordt in een witte lijkwade gelegd en begraven in een nieuw grafmonument en afgesloten met een Groot rotsblok, een immens zware steen.

De ceremonie van de Opstanding vindt in de Orthodoxe Kerken plaats
in de ochtend volgend op de grote [goede] Vrijdag.
Terwijl de nacht in deze de processie van het Epitaphion wordt gehouden.
De klokken van al de Orthodoxe kerken geven dit
de gehele dag weer door de rouwklanken te verspreiden.

Deze dag wordt een zeer streng, zware vasten aangehouden en is zelfs de olie verboden. Veel gelovigen hebben de neiging om op de Goede Vrijdag voorafgaand aan Pasen een beetje azijn [oud- en verzuurd geworden wijn] te drinken, hetgeen hen herinnert aan het ogenblik dat onze Heer water en bloed liet vloeien op de laatste momenten van Zijn aardse leven te herdenken.

De Traditie verbiedt -om het even- welk werk ook te verrichten deze dag.

derde uur:
      Dit zit de Dienstknecht des Heren: De Heer der Heerscharen heeft mij als
een leerling leren spreken om met het woord de moede te kunnen ondersteunen.
Hij wekt elke morgen, Hij wekt mij het oor, opdat ik hore zoals leerlingen doen.
De Heer de Heerscharen heeft mij het oor geopend en ik ben [nu eens]
niet weerspannig geweest, ik ben niet teruggedeinsd.
Mijn rug heb ik gegeven aan wie sloegen, en mijn wangen aan
wie mij de baard uittrokken; mijn gelaat heb ik niet verborgen voor smadelijk speeksel.
Maar de Heer der Heerscharen helpt mij,
daarom werd ik niet te schande; daarom maakte ik mijn gelaat als een keisteen,
want ik wist, dat ik niet beschaamd zou worden.
Hij is nabij, die mij recht verschaft; wie wil met mij een rechtsgeding voeren?
Laten wij samen naar voren treden. Wie zal mijn tegenpartij in het gericht zijn?
Hij zal tot mij naderen.
Zie, de Heer der Heerscharen helpt mij, wie zal mij dan schuldig verklaren?
Zie, zij allen vergaan als een kleed, de mot zal ze verteren.
Wie onder u vreest de Heer, wie hoort naar de stem van zijn knecht?
Wanneer hij in diepe duisternis wandelt, van licht beroofd, zal
hij op de Naam des Heren vertrouwen en steunen op zijn God.
Zie, gij allen die vuur ontsteekt, u met brandpijlen uitrust,
gaat in de vlam van uw eigen vuur en onder de brandpijlen die gij aangestoken hebt.
Van mijn hand overkomt u dit, in pijn zult gij neerliggenIsaiah 50: 4-11.

    Broeders, zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te Zijner tijd voor goddelozen is gestorven.
Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven
– maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven -.
God echter bewijst Zijn Liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is.
Veel meer zullen wij derhalve, thans door Zijn Bloed gerechtvaardigd,
door Hem behouden worden van de toorn.
Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn
door de dood van Zijn Zoon, zullen wij veel meer,
nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft; 
en dat niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Heer Jezus Christus,
door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebben
Rom.5: 6-11.

      En terstond, ’s-morgens vroeg, stelden de overpriesters met de oudsten en schriftgeleerden, de gehele Raad, een besluit vast, en zij boeiden Jezus en zij leidden Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus.
En Pilatus ondervroeg Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?
En Hij antwoordde hem en zei: Gij zegt het.
En de overpriesters brachten vele beschuldigingen tegen Hem in.
En Pilatus vroeg Hem wederom [en zei]:
Geeft Gij niets ten antwoord? Zie, hoeveel beschuldigingen zij tegen U inbrengen.
Doch Jezus gaf hem niets meer ten antwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.
En bij elk feest liet hij hun een gevangene los, voor wie zij dit vroegen.
Nu was er iemand, genaamd Barabbas, gevangengezet met de oproermakers, die in het oproer een moord begaan hadden.
En de schare kwam naar voren en begon te eisen, dat hij hun deed, zoals hij gewoon was.
Pilatus antwoordde en zei tot hen:
Wilt gij, dat ik u de Koning der Joden loslaat?
Want hij bemerkte, dat de overpriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden.
Doch de overpriesters zetten de schare op, dat hij hun liever Barabbas zou loslaten.
Pilatus antwoordde en zei wederom tot hen:
Wat moet ik dan doen met Hem, die gij de Koning der Joden noemt?
En zij schreeuwden wederom: Kruisig Hem!
Pilatus zei tot hen: Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan? Zij schreeuwden des te meer: Kruisig Hem!
Pilatus oordeelde het geraden de schare haar zin te geven en hij liet hun daarom Barabbas los en gaf Jezus, na Hem gegeseld te hebben, over om gekruisigd te worden.
De soldaten nu leidden Hem weg tot binnen het hof, dat is het gerechtsgebouw, en riepen de gehele afdeling bijeen.
En zij trokken Hem een purperen kleed aan en zetten Hem een kroon op, die zij van doornen gevlochten hadden. En zij begonnen Hem te begroeten:
Wees gegroet, Gij Koning der Joden!
En zij sloegen Hem met een riet op het hoofd en bespuwden Hem en zij vielen op de knieën en bewezen Hem hulde. En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem het purperen kleed uit en deden Hem Zijn klederen aan. En zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen.
En zij presten een voorbijganger om Zijn Kruis te dragen, een zekere Simon van Cyrene, die van het land kwam, de vader van Alexander en Rufus.
En zij brachten Hem op de plaats Golgota, hetgeen betekent Schedelplaats.
En zij gaven Hem wijn, met mirre gemengd, doch Hij nam die niet.
En zij kruisigden Hem en verdeelden zijn klederen door het lot te werpen, wat ieder ervan krijgen zou.
Het was het derde uur, toen zij Hem kruisigden.
En het opschrift, dat de beschuldiging tegen Hem vermeldde, luidde: De Koning der Joden.En met Hem kruisigden zij twee rovers, een aan zijn rechterzijde en een aan zijn linkerzijde.
[En het schriftwoord is vervuld geworden, dat zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.]
En de voorbijgangers spraken lastertaal tegen Hem, schudden hun hoofd en zeiden:
Ha, Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, kom af van het kruis!
Evenzo spotten de overpriesters onder elkander samen met de schriftgeleerden, en zij zeiden:
Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Laat de Christus, de Koning van Israel, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven.
Ook die met Hem gekruisigd waren beschimpten Hem.
En toen het zesde uur aangebroken was kwam er duisternis over het gehele land tot het negende uur.
En op het negende uur riep Jezus met luider stem:
Eloi, Eloi, lama sabachtani, hetgeen betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
En sommige van de omstanders, dit horende, zeiden:
Zie, Hij roept Elia.
En iemand liep toe, drenkte een spons met zure wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken, zeggende: Stil, laat ons zien, of Elia komt om Hem eraf te nemen.
En Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.
En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot beneden.
Toen de hoofdman, die tegenover Hem stond, zag, dat Hij zo de geest gegeven had, zei hij: Waarlijk, deze mens was een Zoon Gods.
Er waren ook vrouwen, die uit de verte toeschouwden, onder wie ook Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, de jongere, en van Joses, en Salome, die, toen Hij in Galilea was, Hem volgden en Hem dienden, en vele andere vrouwen, die met Hem opgegaan waren naar JeruzalemMarc.15: 1-41.

Heden is opgehangen aan een boom [het Hout, het Kruis] Hij Die de aarde boven de wateren  hing.
Heden is opgehangen aan een boom
[het Hout, het Kruis] Hij Die de aarde boven de wateren  hing.
Heden is opgehangen aan een boom
[het Hout, het Kruis] Hij Die de aarde boven de wateren  hing.
De Koning der Engelen draagt een Kroon van doornen,
Hij, Die de Hemel met wolken bekleedt, wordt in spottend purper gehuld.
Hij, Die in de Jordaan Adam weer heeft vrijgemaakt, wordt in het gelaat geslagen.
De Bruidegom van de Kerk wordt met spijkers vastgenageld;
de Zoon van de Maagd wordt met een lans doorboord.
Wij aanbidden Uw Lijden, o Christus;
Wij aanbidden Uw Lijden, o Christus;
Wij aanbidden Uw Lijden, o Christus;
Toon ons nu ook de Heerlijkheid van Uw Verrijzenis
”.

negende uur:
      De Heer nu heeft het Mij geopenbaard [Mij doen weten] en zo
bemerkte ik het: toen hebt Gij Mij hun daden laten zien!
Ik Zelf was als een argeloos Lam, dat ter slachting geleid wordt, en ik wist niet, dat
zij zulke plannen tegen mij smeedden, zeggend:
“Laat ons
[hout, op Zijn brood leggen] de Boom [des Levens] met Zijn vrucht verderven, laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, opdat
aan Zijn Naam niet meer gedacht zal worden!
Maar, Heer der heerscharen, rechtvaardige Rechter, Die nieren en hart toetst,
ik zal Uw Wraak aan hen zien, want op U heb ik mijn rechtszaak gewenteld!
Daarom zegt de Heer aldus van de mannen van Anatot, die
u naar het leven staan en zeggen:
Profeteer niet in de Naam des Heren, of gij sterft door onze hand.
Daarom zegt de Heer der heerscharen aldus:
Zie, Ik zal bezoeking over hen doen; de jonge mannen zullen sterven door het zwaard,  hun zonen en dochters zullen sterven door de honger, 
niemand van hen zal overblijven; want Ik zal onheil brengen over de mannen van Anatot in het jaar van hun bezoeking.
Het recht hebt Gij aan Uw zijde, Heer, als ik met U zou twisten;
toch wil ik over rechtszaken met U spreken:
Waarom is de weg der goddelozen voorspoedig, 
en zijn zonder zorg allen die zich trouweloos gedragen?
Gij hebt hen geplant, ook hebben zij wortel geschoten;  zij wassen, ook zetten zij vrucht. Nabij zijt Gij in hun mond, maar ver van hun binnenste.
Gij, o Heer, kent mij toch, Gij ziet Mij en toetst Mijn gezindheid jegens U.
Ruk hen weg als slachtschapen en wijd hen voor de dag der slachting.
Hoelang moet het land kwijnen en het gewas van het gehele veld verdorren?
Om de boosheid van hen die er wonen, is vee en gevogelte verdwenen, 
want zij zeggen:
Hij zal ons einde niet zien.
Als gij met voetgangers loopt, maken zij u moede; hoe zult gij dan een wedloop beginnen met paarden?
In een vredig land voelt gij u niet veilig;  hoe zult gij het dan maken in de pronk van de Jordaan?
Want zelfs uw broeders en het huis van Uw Vader, zelfs zij zijn trouweloos jegens u,
zelfs zij roepen u luidkeels na;  vertrouw hen niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken.
Ik heb mijn huis verlaten, mijn erfdeel verworpen; Ik heb mijn zielsgeliefde gegeven in de greep van haar vijanden.
Mijn erfdeel was Mij geworden als een leeuw in het woud,  het had tegen Mij gebruld; daarom ben Ik het gaan haten.
Een bont-gevederde vogel was Mij mijn erfdeel;  de roofvogels komen er van alle kanten op af.
Gaat heen, verzamelt al het gedierte van het veld,  doet het komen om te eten!
Vele herders hebben Mijn wijngaard verwoest, Mijn akker vertrapt,
Mijn kostelijke akker gemaakt tot een woeste steppe,
Zij hebben hem tot een woestenij gemaakt;  treurig, verwoest ligt hij voor Mij,
verwoest is het gehele land;  niemand echter neemt het ter harte.
Op alle kale heuvels in de woestijn zijn verwoesters gekomen, want
het zwaard des Heren verslindt van het ene einde van het land tot het andere,
niemand heeft vrede.
Zij hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid, zij hebben zich afgetobd zonder enige bate.
Ja, staat beschaamd over de opbrengst die gij hebt verkregen  ten gevolge van de brandende toorn des Heren.
Zo zegt de Heer:
Aangaande al de boze naburen, die losslaan op het erfdeel,
dat Ik aan Mijn volk,  aan Israël [de Kerk], ten erfdeel gegeven heb:
zie, Ik ruk hen weg van hun bodem, en  het huis van Juda ruk Ik weg uit hun midden.
Maar nadat Ik hen heb weggerukt,  zal Ik Mij weer over hen erbarmen en hen terugbrengen,  een ieder naar zijn erfdeel en een ieder naar zijn landJeremia 11: 18- 12: 15.

      Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, en wij een grote priester over het huis Gods hebben, laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het Geloof, met een hart, dat door besprenkeling gezuiverd is van besef van kwaad en  met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water.
Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want
Hij, Die beloofd heeft, is getrouw.
En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken.
Wij dienen onze eigen bijeenkomst niet te verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn,  maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen.
Want indien wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis der waarheid gekomen zijn, blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur, dat de weerspannigen zal verteren.
Indien iemand de Wet van Mozes terzijde heeft gesteld,  wordt hij zonder mededogen gedood op het getuigenis van twee of drie personen.
Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal hij verdienen, die de Zoon van God met voeten heeft getreden, het Bloed van het Verbond, waardoor hij geheiligd was,
onrein geacht en de Geest der genade gesmaad heeft?
Want wij weten, Wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden!
En wederom: De Heer zal Zijn Volk oordelen
Hebr.10: 19-31.

          Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw. En het was vroeg in de morgen; doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten.
Pilatus dan kwam tot hen naar buiten en zei: Welke aanklacht brengt gij tegen deze mens in?
Zij antwoordden en zeiden tot hem:
Indien Hij geen boosdoener was, zouden wij Hem niet aan u overleveren!
Pilatus dan zei tot hen:
Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uw wet.
De Joden dan zeiden tot hem:
Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen; 
opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had, aanduidende, welke dood Hij sterven zou.
Pilatus dan keerde terug in het gerechtsgebouw en riep Jezus en zei tot Hem:
Zijt Gij de Koning der Joden?
Jezus antwoordde:
Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken?
Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood?
Uw Volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?
Jezus antwoordde:
Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien Mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd;
nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.
Pilatus dan zei tot Hem:
Zijt Gij dus toch een koning?
Jezus antwoordde:
Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar Mijn stem.
Pilatus zei tot Hem:
Wat is waarheid? En na dit gezegd te hebben, kwam hij weer
naar buiten tot de Joden en zei tot hen:
Ik vind geen schuld in Hem. Maar bij u bestaat het gebruik, dat ik u op Pascha iemand loslaat: wilt gij dan, dat ik u de Koning der Joden loslaat?
Zij schreeuwden dan wederom en zeiden:
Hem niet, maar Barabbas! En Barabbas was een rover.
Toen nam dan Pilatus Jezus en liet Hem geselen.
En de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen kleed om, en zij traden op Hem toe en zeiden:
Gegroet, Koning der Joden! En zij gaven Hem slagen in het gelaat.
En Pilatus kwam wederom naar buiten en zeide tot hen:
Zie, ik breng Hem voor u naar buiten, opdat gij weet, dat ik geen schuld in Hem vind.
Jezus dan kwam naar buiten met de doornenkroon en het purperenkleed.
En [Pilatus] zei tot hen:
Zie, de mens!
Toen dan de overpriesters en hun dienaars Hem zagen, schreeuwden zij en zeiden:
Kruisigen, kruisigen!
Pilatus zei tot hen:
Neemt gij Hem en kruisigt Hem: want ik vind geen schuld in Hem.
De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want  Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.
Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog meer bevreesd en  hij ging weer het gerechtsgebouw binnen en zei tot Jezus:
Waar zijt Gij vandaan?
Maar Jezus gaf hem geen antwoord.
Pilatus dan zei tot Hem:
Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen?
Jezus antwoordde:
Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven zou zijn:  daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde.
Van toen af trachtte Pilatus Hem los te laten, maar de Joden schreeuwden en zeiden:
Indien gij deze loslaat, zijt gij geen vriend van de keizer; een ieder, die zich koning maakt, verzet zich tegen de keizer.
Pilatus dan hoorde deze woorden en hij liet Jezus naar buiten brengen en zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Litostrotos, in het Hebreeuws Gabbata.
En het was Voorbereiding voor het Pascha, ongeveer het zesde uur, en hij zei tot de Joden:
Zie, uw koning!
Zij dan schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!
Pilatus zei tot hen:
Moet ik uw koning kruisigen?
De overpriesters antwoordden:
Wij hebben geen koning, alleen de keizer!
Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden. Zij dan namen Jezus en
Hij, Zelf Zijn Kruis dragende, ging naar de zogenaamde Schedelplaats, in het Hebreeuws genaamd Golgota, waar zij Hem kruisigden en met Hem twee anderen, aan weerszijden een, en Jezus in het midden.
En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven: Jezus, de Nazoreeër, de Koning der Joden. Dit opschrift dan lazen vele der Joden, want de plaats, waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad, en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks. De overpriesters der Joden dan zeiden tot Pilatus:
Schrijf niet: De Koning der Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.
Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.
Toen dan de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen zij Zijn klederen en maakten daarvan vier delen, voor iedere soldaat een deel, en zijn onderkleed.
Dit kleed nu was zonder naad, aan een stuk geweven.
Zij zeiden dan tot elkander:
Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten, voor wie het zijn zal;
zodat het schriftwoord vervuld werd:
Zij hebben Mijn klederen onder elkander verdeeld en over Mijn kleding
hebben zij het lot geworpen.
Dit hebben dan de soldaten gedaan.
En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Klopas en Maria van Magdala.
Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande,
zei Hij tot zijn moeder:
Vrouw, zie, uw zoon.
Daarna zeide Hij tot de discipel:
Zie, uw moeder.
En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis.
Hierna zei Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden:
Mij dorst!
Er stond een kruik vol zure wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysop-stengel en brachten die aan zijn mond.
Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zei Hij:
Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf de geest.
De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven – want de dag van die sabbat was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden.
De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was braken zij Zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in Zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit.
En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de Waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft.
Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden:
Geen been van Hem zal verbrijzeld worden.
En weer zegt een ander schriftwoord:
Zij zullen zien op Hem, die zij doorstoken hebben
John.18: 28- 19: 37.

Wake Up – Opstanding