21e Zondag na Pinksteren – Keer terug naar uw huis en verhaal al wat God u gedaan heeft

      En zij voeren naar het land der Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt.
Toen Hij aan land gegaan was, kwam Hem een man uit de stad tegemoet, die door boze geesten bezeten was, en sinds lang had hij geen mantel meer aan en woonde niet in een huis, maar in de graven.
     Toen hij nu Jezus zag, stiet hij een kreet uit en hij viel aan zijn voeten en sprak met luider stem: Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik smeek U, dat Gij mij niet pijnigt. Want Hij gaf de onreine geest bevel van de man uit te varen. Want menigmaal had de geest hem met geweld meegesleurd, en om hem te bewaken werd hij met ketenen en voetboeien geboeid, maar hij brak de boeien stuk en werd door de geest naar eenzame streken gedreven.
     En Jezus vroeg hem: Wat is uw naam? Hij zei: Legioen; want vele geesten waren in hem gevaren. En zij smeekten Hem, dat Hij hun niet gelasten zou in de afgrond te varen.
Nu werd op de berg een talrijke kudde zwijnen gehoed; en zij smeekten Hem, dat Hij hun zou toestaan daarin te varen. En Hij stond het hun toe. En de geesten voeren uit die mens en voeren in de zwijnen en de kudde stormde langs de helling het meer in en verdronk.
     Toen de hoeders zagen wat er gebeurd was, namen zij de vlucht en berichtten het in de stad 
en op het land. En de mensen liepen uit om te zien wat gebeurd was, en zij kwamen bij Jezus en vonden de mens, van wie de boze geesten uitgevaren waren, aan de voeten van Jezus zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, en zij werden bevreesd.
     En zij, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene genezen was.
     En de gehele bevolking van de streek der Gerasenen vroeg Hem, of Hij van hen wilde weggaan, want zij waren door grote vrees bevangen.
En Hij ging in het schip en keerde terug.
En de man, van wie de boze geesten uitgevaren waren, verzocht Hem bij Hem te mogen blijven. Maar Hij liet hem heengaan en zei:
  Keer terug naar uw huis en verhaal al wat God u gedaan heeft’. En hij ging de gehele stad door verkondigen al wat Jezus hem gedaan hadLuc.8: 26-39.

      wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der Wet, maar door het Geloof in Christus Jezus, zijn ook zelf tot het Geloof in Christus Jezus gekomen, om gerechtvaardigd te worden uit het geloof in Christus en niet uit werken der wet. Want uit werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden.

Jezus Christus, de uiteindelijke Rechter, over de mens

            Maar indien wij, trachtende in Christus gerechtvaardigd te worden, ook zelf zijn gebleken zondaars te zijn, staat Christus dan in dienst der zonde? Volstrekt niet.
Immers, indien ik hetgeen ik afgebroken heb, weer opbouw, bewijs ik daardoor, dat ik zelf een overtreder ben. Want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te leven.
Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, [dat is], niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegevenGal.2: 16-20.

Verlost“, dankzij ‘Christus‘ en                           niet dankzij “de Wet“;
.

In tegenstelling tot zovele anderen aan wie Jezus het tegenovergestelde zegt, beveelt Jezus deze mens te gaan vertellen wat hem in zijn leven is overkomen.
Waarom?
Waarschijnlijk omdat deze man niet Joods was en de mensen in zijn familie geen verwachtingen van de Messias zouden hebben gehad.

Wij weten het niet zeker, maar waar we wel zeker van kunnen zijn is dat:.
Onze Heer en Verlosser ons heeft gevraagd anderen te vertellen wat Hij gedaan heeft om ons ter wille te zijn”.
Laten we deze opdracht derhalve serieus nemen.
Ga er maar eens voor zitten en schrijf alle positieve dingen, die jij in je leven ‘om niets’ hebt ontvangen om jouw leven te zegenen.
Herhaal dit vaak genoeg voor jezelf om dit met anderen te kunnen delen indien je het zo God het je geeft nodig hebt om anderen te motiveren.
Bid vervolgens dat God jouw de ogen opent voor de mensen om je heen
die wachten om dit goede nieuws via jouw mond te mogen horen!
  Daar wij nu een grote Hogepriester hebben, Die de Hemelen is doorgegaan,
Jezus Christus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden

Hebr.4: 14.
Denk bij je overweging dat Christus ons ‘ALLES’ gegeven heeft en dat wij derhalve eenieder, die ons iets vraagt tegemoet dienen te komen.

De goede & trouwe knecht

Het zou immers zo kunnen zijn dat ons verweten wordt dat wij als de mens zijn, die een torenhoge schuld dient af te lossen bij de Koning bij Wie hij/zij in dienst is, maar niets heeft om de koning terug te betalen.
Dat is immers voor ieder van ons de situatie waarin wij ons bevinden en wat gebeurt der vervolgens, wanneer je je medemens niet liefdevol terwille bent – iedere toehoorder van deze gelijkenis [Matth.8: 23-35] begint een diepe afkeer te krijgen van die dienaar, die zo ondankbaar handelt en zo onbarmhartig is tegenover de ander.
Had hij dan niets geleerd van zijn eigen situatie?
De andere man is ontdaan van de harde opstelling van zijn mede-broeder.
De basis voor redding is God’s Woord en dat dient toegepast te worden door middel van ons Geloof.
Vervolgens zijn er twee dingen die we dienen te doen – het eerste met ons hart en het tweede met onze mond of onze pen/computer.
We dienen te geloven vanuit ons hart, maar vervolgens dient dit te blijken door de wijze waarop wij het Geloof belijden, door het te doen – het dient dus met onze handen -in doen en laten- beleden te worden en wanneer het de mensen opvalt en je erop aangesproken wordt dienen wij het uit te spreken, met onze mond.
Het is goed om met je hart te geloven, maar Geloof alleen is niet voldoende, dat blijkt al in het eerste Verbond, waar dit als gebod wordt opgelegd:
      Het is voor u niet te moeilijk [het vereist weinig inspanning] en het is niet ver weg [van u verwijderd]. Het is niet [hoogdravend] in de hemel, zodat gij zoudt moeten zeggen: ‘Wie zal opstijgen ten hemel, het voor ons halen en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?’.
En het is niet aan de overkant der zee, zodat gij zoudt moeten zeggen:
’ Wie zal oversteken naar de 
overkant der zee, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?’.
       Maar dit Woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te volbrengen. Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwadeDeut. 30: 11-15.
    Wanneer dan al deze dingen over u komen, de zegen en de vloek, die ik [Mozes] u voorge-houden heb,
en gij dit ter harte neemt te midden van al de volkeren, naar wier gebied de Heer, uw God, u verdreven heeft;
en wanneer gij u dan tot de Heer, uw God, bekeert en naar zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebied, gij en uw kinderen, met geheel uw hart en met geheel uw ziel;
Dàn zal de Heer, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen; Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volkeren, naar wier gebied de Heer, uw God, u verstrooid heeftDeut.30:  1-3.
            Dàt is hetgeen ons heden ten dage duidelijk wordt gemaakt: “We dienen het niet alleen maar te geloven en het de rest van de week maar voor gezien achten”, maar wij dienen te geloven met

Geloven met hart en ziel.
Op zondag vrijmoedig belijden met onze mond, zodat onze woorden overeenstemmen met Gods Woord.
Vanaf het Mysterie van de Doop werd ons via de Geloofsbelijdenis de voorwaarden van het Verbond met Christus voorgehouden – het bracht ons in in relatie met onze Heer Jezus Christus als de hogepriester, maar Zijn voortdurende bediening voor ons als Hogepriester hangt af van onze onophoudelijke belijdenis van dit Geloof, -in doen en laten-.
Dat dit niet door iedereen zo wordt beleefd en dat er veel kaf is onder de volgelingen van Christus behoeft slechts te observeren wat er de afgelopen dagen in de orthodoxe wereld is gezegd en geschreven in verband met de controverse rond de Oekraïense crisis.
                     Jonge mensen leven tegenwoordig in een wereld vol technologie, terwijl ze geen regelmatige menselijke relaties en communicatie hebben, en dat ze zich ondanks dat vaak eenzaam voelen.
Wij kunnen in sociale netwerken contact opnemen met de gehele wereld, hebben een zee van volgers, maar voelen een verschrikkelijke dorst naar een ontmoeting met een levend Persoon”.
            Echter iedereen, die de chaos aanschouwt, welke momenteel in de Orthodoxe Kerk [ook, die hier in de Lage Landen] verneemt is geschokt over het lage theologisch niveau van onze [hoofd-]toezichthouders en degenen die als ontwikkeld, hoger geschoold dienen te worden beschouwd.
Men kan niet anders dan ach en wee klagen over het feit dat zij wegzakken in een taal van mobilisatie,  een steriel debat om de een of andere positie te rechtvaardigen en de manier waarop hun hofdichters –de toezichthouders van de gemeenschappen– dit stilzwijgend goed te keuren, ja, hetzelfde gedrag kopiëren – en een dreigende houding aannemen indien je hen van onwaarachtig gedrag beschuldigt.
De gemiddelde gelovige kan zich alleen maar afvragen waarom degenen die zich als verantwoordelijke dienen te gedragen voor het behoud van eenheid niet trachten de scheuren te repareren in plaats van hun toevlucht te nemen tot geschiedenisboeken om hun houding en het nieuwe schisma te rechtvaardigen.
                Waarom negeren ze het doel van de officiële posities en studies die hun lokale kerken hebben voorbereid over het probleem van Autocefalie [de nationale organisatie van de Kerk per land] en hoe dit dient te worden uitgeroepen?
[Het uit het Grieks afkomstige woord ‘autocefaal’ betekent letterlijk ‘met een eigen hoofd’; een autocefale kerk wordt door alle leden van de gemeenschap beschouwd als zelfstandig en is aan géén enkele andere kerk verantwoording schuldig]
               Waarom publiceren zij deze studies voor het publiek in plaats van elkaar te beconcurreren teneinde eeuwenoude documenten te publiceren en beleggen ze Pan-Orthodoxe Concilies – worden we zoet gehouden door hun onmogelijk gedrag?
               Hoe kan een Kerk iets zeggen en het tegenovergestelde ervan aan de dag leggen?
Hoe kan een Kerk haar officiële interpretatie en consistente analyse van de kwestie autocefalie ontkennen in het belang van een kortstondig project?
              Hoe kunnen spelleiders in alle lokale kerken niet de vinger op de zere plek leggen wanneer bepaalde personen de nagedachtenis afleggen van de resultaten van de inspanningen die generaties hebben geleverd om een gemeenschappelijke aanpak te vinden voor autocefalie?

In God’s Naam,
Stop met het aanwakkeren van de vlammen van onenigheid!
Stop met het wandelen op de rand van de afgrond!
Stop een struikelblok te vormen voor de gelovigen en een lachertje voor de hele wereld!
Stop met het misbruiken van de Naam van God [het vloeken in de Kerk], door Voor- en Kerkvaders aan te halen en je eigen adviesraden voor het karretje te spannen van je duivelse projecten!

de Heer arriveert in een stad in het land Gadarin en ontmoet een demonische man die geen [doop-]kleren droeg en woest door de wildernis wandelde.
                In de ogen van God en van de geschiedenis zullen degenen die op scheuring uit zijn en degenen die zich laten misleiden slechts dienstknechten van de prins van deze wereld zijn en zich van wereldse wapens bedienen; Geld, Heersen als een wereldse Macht en stiekem gedrag aan de hand van een politieke agenda.
♥︎                  O, Heer Jezus Christus, hoofd van de Gemeenschap, die naar u genoemd is, doe deze afdaling naar het hellevuur stoppen.
♥︎                 Waar zijn de volgelingen van Degene die de mond vòl hadden van Oecumene en Raad van Kerken, opdat wij Volgelingen van Christus allemaal één zouden kunnen worden?
      Wij zijn schuldenaars, maar niet van het vlees, om naar het vlees te leven.
Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zult gij leven.
Want allen, die [slechts] door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen God’s.
Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: ‘Abba, Vader’ [vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen].
Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in Zijn lijden, is dat om ook te delen in Zijn verheerlijkingRom.8: 12-17.
En ten slotte:
“       Weest allen eensgezind, medelijdend, hebt de broeders lief, weest barmhartig en ootmoedig, en vergeldt geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegent integendeel, wijl gij hiertoe geroepen zijt, dat gij zegen zoudt beërven.                                                                                                 Want: wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, dient zijn tong te weerhouden van het kwade, en zijn lippen van bedrog te spreken; hij dient af te wijken af van het kwade en het goede te doen, hij dient de Vrede te zoeken en die na te jagen, want de ogen des Heren zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun smeking, maar het aan-gezicht des Heren is tegen hen, die het kwaad doen.
En wie zal u kwaad doen, als gij u beijvert voor het goede?
Al moest gij lijden om de gerechtigheid, toch zijt gij zalig.
Doch vreest niet voor hun dreiging, en laat u niet verschrikken.
Maar heiligt de Christus in uw harten als Heer [en Meester], altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de Hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze, en met een goed geweten, opdat bij al het kwaad, dat men van u spreekt, zij die uw goede wandel in Christus smaden, beschaamd gemaakt worden.
Want het is beter te lijden, indien de wil van God dit eist, goed doende dan kwaad doende.             Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen:
Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de Geest

1Petr.3: 8-17.

 

          Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Heilige Geest,          is verschenen aan de engelen,                             is verkondigd onder de heidenen,                     geloofd in de wereld,                              opgenomen in Heerlijkheid.

God is niet op Macht belust
God is Liefde:
Dat is niet macht’s belust de scepter zwaaien ten einde invloed en algemeen beheer via juridische constructies naar je toe te trekken. Niet voor niets wordt in de Apocalyps de Ontuchtige van Babylon genoemd, die zich verlustigt aan àl wat werelds is.
God is Liefde:
Waar is de Kerk mee bezig dat zij òf bezig is met kapitaalvorming òf zich via Stichtingen tracht haar toekomst te verzekeren?
God is Liefde:
Waar is het volmaakte offer, het pad van de jeugd?
               In het afremmen van snelheid en bewuste keuze voor langzaam aan [ascese] bemerkt de mens opnieuw de dingen om zich heen en weet zijn levensdoel trefzeker [haarfijn] te duiden.
Tegelijkertijd wordt in het gebed de blik naar binnen gericht en zullen er vanzelfsprekend stiltes vallen.
Het gaat daarbij niet
– over wat hoort of wat vaststaat, maar
– over de wonderlijke wandelingen van de geest, over de slingerende wegen van het leven,
– over  wat men bedoelde maar net niet zei of net niet kon verwoorden,
– over een gebaar, een gemis, over de verdeeldheid in ieders hart en hoofd.                                   Het pad van deugd staat ‘altijd‘ in het centrum; is ‘altijd‘ in evenwicht. Je kunt eenvoudig niet naar rechts of links zwaaien, je hebt geen behoefte aan Jurisische Bijstand om jezelf te verdedigen.
De uitersten, zowel goed als slecht, komen altijd uit de boze,                                                                hoe verleidelijk ze ook mogen lijken.
Gebaseerd op Abba Dorotheos van Gaza

Keer terug naar uw Huis, het Lichaam van Christus en verhaalt allen slechts al datgene wat God u gedaan heeft.
De Kerk, de voortzetting van de Blijde Boodschap aan ‘alle‘ Volkeren werd er door de logica van het Geloof toegebracht de ogen te richten op zeer verre einden en uit te zien naar een toekomstige handeling van God, die veel meer behelsde dan alles wat de individuele vrome ooit kon hopen te verstaan.
In de eerste plaats bracht de logica van het Geloof van de Kerk God’s kunstgenoten niet tot het Geloof in de onsterfelijkheid van de ‘ziel
zij wisten immers dat zij die ‘bezaten’, in zich bij de Schepping meegekregen hadden –
maar in de wederopstanding van de gehele נפסג ‘Hebr.= Nefesj’, die zij, naar zij wisten, ’waren’.
      Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de zielLev.17: 11.
Met andere woorden wij zijn als mensen stof en zullen tot stof wederkeren. Vanuit het samengaan van God’s Geest en klei ontstond iets volkomen nieuws; verbindt u als aards stof derhalve met God’s Geest en wordt weer gelijk aan Zijn Beeld, opdat allen in éénheid zullen belijden, dat Hij spoedig wederkomt en alles zal herstellen, hetgeen de mens door de duivel verleidt [in het wereld’s bestaan en de Kerk] heeft stukgemaakt.
Toen zei de profeet: ‘Luister, dit zegt de Heer over Zerubbabel [Hebr.= geboren in Babel, d.w.z. Babylon]: Niet door eigen kracht of macht zal hij slagen – zegt de Heer der Hemelse Heerscharen – maar met de hulp van Mijn Geest’Zacharia 4: 6.

 Psalm 85[86]
      Heer, neig Uw oor en verhoor mij, want ik ben arm en behoeftig.
Behoed mijn ziel, want ik ben U gewijd; mijn God, red Uw dienaar die op U vertrouwt. Ontferm U mijner, o Heer, want heel de dag roep ik tot U.
Schenk vreugde aan de ziel van Uw dienaar, want tot U verhef ik mijn geest.
Schenk vreugde aan de ziel van Uw dienaar, want tot U verhef ik mijn geest.
Gij, Heer, zijt immers goed en zachtmoedig, en rijk aan barmhartigheid voor ieder die U aanroept.
Leen Uw oor, Heer, aan mijn gebed; geef acht op de stem van mijn smeken.
Toen ik beproefd werd heb ik tot U geroepen, omdat Gij mij altijd verhoort.
Uws gelijke is er niet onder de goden, Heer: niets evenaart Uw werken.
Alle volkeren die Gij gemaakt hebt, Heer, zullen komen en voor U neervallen; zij zullen Uw naam verheerlijken.
Want Gij zijt groot en Gij doet wonderen: Gij alleen zijt God.
Heer, leid mij op Uw weg, opdat ik voortga in Uw waarheid.
Moge mijn hart zich verheugen, door het vrezen van Uw Naam.
Ik wil U belijden, Heer mijn God, uit heel mijn hart; ik wil Uw naam verheerlijken in eeuwigheid.
Want Uw barmhartigheid is groot over mij: Gij hebt mijn ziel ontrukt aan de afgrond van de hades.
God, de overtreders zijn tegen mij opgestaan, de samenscholing der machtigen belaagt mijn ziel: want zij houden U niet voor ogen.
Maar Gij, Heer mijn God, zijt Goedertieren en Barmhartig: Grootmoedig, rijk aan Genaden, en Waarachtig.
Zie op mij neer, ontferm U over mij, geef kracht aan Uw dienaar; red de zoon van Uw dienstmaagd.
Doe aan mij een teken ten goede, opdat zij die mij haten, het zien en beschaamd staan.
Omdat Gij, Heer, mijn Helper zijt, Die mij hebt getroost”.
Psalm 85[86] vert. ROK ’s-Gravenhage

Apolytikion     tn.4.
  Nadat zij de Blijde Boodschap van de Opstanding
en van de Bevrijding van de veroordeling van de Stamhouders
uit de mond van de Engel gehoord hadden,
riepen de Myron-draagsters jubelend tot de Apostelen:
Vernietigd is de dood, Christus de Heer is opgestaan,
en heeft aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.4.
  Mijn Heiland en Verlosser
heeft als barmhartige God de aardgeborenen opgewekt,
uit de ketenen van het graf.
Hij heeft de poorten van de hel verbrijzeld
en is als Gebieder na drie dagen verrezen
”.

Theotokion     tn.4.
  Het van eeuwigheid verborgen en aan de Engelen onbekende Mysterie,
is door U aan de aardbewoners openbaar geworden, Moeder Gods:
in onvermengde eenheid is God vlees geworden
en heeft Hij om ons het Kruis op Zich genomen.
Daardoor heeft Hij de Eerst-geschapene weer opgewekt
en onze zielen uit de dood verlost
”.

Orthodoxie & wij zijn ‘allen’ slechts navolgers van Christus

… wij Christenen zijn slechts navolgers van Christus en derhalve ondergeschikt aan elkaar …
… wij Christenen zijn leden van het Lichaam van Christus en derhalve onafscheidelijk van elkaar …
… wij Christenen hebben ons bekleed met Christus en zijn derhalve nooit verwijderd van de door God gegeven historische werkelijkheid …
… wij Christenen spiegelen ons aan Christus en gaan derhalve uit van
de enige heilige regel, de liefdevolle nederigheid als leidraad …

De Christelijke Gemeenschap is de moeder, die de veiligheid en geborgenheid van haar leden waarborgt …..
In de Christelijke Gemeenschap heeft God de een aangesteld om als schaap in de kudde te worden opgenomen en anderen om hen als hoeders, om tot herder [‘behoeder‘] te zijn.
Weer anderen om toezicht te houden, om het overzicht te bewaren en anderen die als nieuwkomers/beginnelingen tot de toehoorders behoren.

• De een is op de een of andere dienstbare, ondergeschikte, liefdevolle manier het hoofd,
• sommigen vormen de voeten om de basis te verstevigen, anderen de armen om het noodzakelijk werk te doen,
• weer anderen, die het oog vormen om elke verandering van het [Thabor-]Licht waar te nemen en
• weer anderen vormen de rest van het lichaam, die, voor de eenheid en de belangen van het geheel zorgen of ze nu inferieur [minder in rang] dan wel in geestelijk of moreel opzicht hoger in rang zijn aan de anderen.

En net zoals in de lichamen de leden niet van elkaar gescheiden kunnen leven, doch alles één Lichaam vormt dat uit verschillende delen bestaat doen we echt niet allemaal hetzelfde werk.

Dat wil zeggen,
⁌ het oog gaat niet aan de wandel, maar geeft richting aan naar het ‘Licht’,
⁌ is de voet niet in staat om vooruit te kijken, maar beweegt zich van de ene plaats naar de andere voort en verschuift daarmee dan [zonder haast te maken] het lichaam naar een andere locatie,
⁌ de taal wordt tijdens een preek door de menselijke stem gehoord,
➻ met de stem plegen we overleg, alvorens onze handen iets ondernemen,
➻ wordt er gesproken dan komt men niet tussen beide, zodat men tijdens een hoorzitting niet onderbreekt/spreekt, want men heeft
➻ de tong om die in het gareel te houden en
➻ een neus, die de geur als een gevoelsorgaan waarneemt en
➻ het strottenhoofd welk het eten doorslikt, die tevens de stemband draagt en
➻ zo geeft aartsvader Job ons aan: ”de goddelijke hand is het instrument om te geven en te nemen”,
➻ de geest domineert alles, en daaruit komt het vermogen van “ervaren, voelen” voort en daartoe wordt de informatie doorgegeven aan al de sensorische organen, die gevoelig zijn om zintuigelijk waar te nemen en  terwijl dit alles gebeurt, komen wij tot één lichaam “in Christus” en
– zijn we allemaal ‘in Christus’ leden en daardoor  leden van elkaar.

Eén lid is in staat rekening houdend met allen te domineren en er wordt verwacht dat deze het voortouw neemt en de ander wijselijk [door de H. Geest geleid] bestuurd en richting aan geeft, want
niet iedereen doet hetzelfde werk.
En dàt komt omdat het niet uitmaakt of je nu heer of meester dan wel een beginneling bent, heeft de een het moeilijk [zoals dezer dagen], dan lijdt de ander. Al de leden, zowel de geestelijkheid als de leken, vormen gezamenlijk één Lichaam ‘in Christus’, omdat zij samenkomen en zich ondergeschikt opstellen
aan de Vader, door de Zoon en geïnspireerd door de Heilige Geest.
conf. H. Gregorius de theoloog.

De soevereiniteit van Christus …

Christus Pantocrator icon,
I.M. Chilandar. berg Athos [Gr.]

Ons lichaam van Christus, leert door de Heilige Geest in Christus, dat God, voor het creëren van de materiële wereld, de geestelijke wereld schiep/creëerde, dat wil zeggen de engelen die redelijke, immateriële en vrije wezens zijn.
Sommige engelen zijn echter anti-goddelijk geworden in het aangezicht van God.
Zoals de engelen van het Licht, zijn zij gevallen en werden engelen van duisternis.
Demonen zijn absoluut tegen God’s Wil, verspreiden laster, haat en ontkennen/rebelleren tegen God; hun doel is om de mens van God te verwijderen, ‘onenigheid en chaos‘ te laten overheersen. Onze ervaring bevestigt ons dat de duivel altijd onrust/tweedracht veroorzaakt en ‘dàt’ terwijl hij nog steeds doet voorkomen alsof ‘hij/zij‘ een engel van het licht is. Het aanzien van de tegenstrever is dat de duivel een obstakel vormt voor de redding van de mens.
Ja, de duivel is dezelfde, die Christus heeft proberen te verleiden en te mishandelen.
Maar hij is slechts een grote vijand, bezit totaal geen overheersende macht.
De Almacht van hierboven wordt vanuit de Hemelen gevormd door de regerende Vader, door onze Heer en Verlosser Jezus Christus en Zijn Heilige Geest, kortom de in liefde verbonden Heilige Drie-eenheid. Daarom dient iedere toezichthouder zich in de Kerk te distantiëren van al wat ook maar de indruk wekt te maken te hebben met Macht en Heerschappij.
D
e mammon is immers een personificatie van een Aramees woord voor geldzucht en winstbejag. We kunnen dan denken aan de macht van hebzucht, aangewakkerd door de satan en zijn demonen. Hebzucht is een vorm van afgoderij: “Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij,  om welke dingen de toorn Gods komtCol.3: 5.

Over: – ‘bezeten zwijnen’ – Σχετικά με: – «κατοχή των χοίρων” –
معلومات: – “يمتلك الخنازير”

De soevereiniteit van Christus wordt openbaar wanneer in de eucharistische Evangelielezing gesproken wordt over de bevrijding van de demonen.
De Heer komt tot ons vanuit de Kafarnaüm [Hebr:
כפר נחום – Kefar Nachum, “dorp van Nahum”, Hebr. Nahum= נַחוּם, “Trooster”]  in de tegenovergestelde richting van het meer van Gennesareth [aan de groten handelsweg van Damascus naar de Middellandse Zee], in de stad Gergeses, waar twee demonen leven. Ze worden als “haram” [Arabisch: حَرَامْ: onrein, verboden beschouwd – het gaat hierbij zowel om handelingen als datgene wat men schept/veroorzaakt en dit is zó gevaarlijk dat niemand op straat daar aan voorbij durft gaan, men gaat ze uit de weg – alcohol, drugs, xtc, die kolder in het hoofd veroorzaakt, verwarring en wat al niet meer in deze wereld [en kerk] tot onheil leidt. Ze leven als geestelijk gestoorden en ze trekken geïsoleerd op ‘naast’ de samenleving – niet alleen in de wereld, maar ook in de Kerk.

De andere evangelisten merken op dat het om persoonlijkheidsproblemen draait. Op de vraag wie uw naam is, zeggen zij: “Legioenen, dat zijn èr héél veel“.  Inderdaad, de demonische machten verspreiden en drijven de mens uiteen.
De gedemoniseerde, kent niet alleen zijn naam niet, maar hij heeft tevens de neiging om z’n eigen naam, zijn eigen bestaan te vernietigen. Jammergenoeg is dit nu juist het kenmerk van de modernste mens, die ontzettend vèr van de God verwijderd is geraakt.
Het is overduidelijk dat Christus op aarde is nedergedaald om het werk en de autoriteit van de duivel de kop in te drukken. De Heerschappij van Christus en Zijn overwinning blijkt het Evangelie te volgen.
Het gevoel van de demon in de dialoog met Christus onthult het immense verschil:
Wie?‘ dient er hier aanbeden te worden en ‘Wie is God?, Wie heeft het hier voor het zeggen’.
Waarop Christus antwoordt:
De Heer, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen!”.

Faith = Hope, Grace, but in the first place Christian ‘Love’ !!!

Inderdaad, Christus is Liefde, het Leven en de Waarheid, Die tot Verlossing van de demonen leiden, die zich identificeren met het kwaad, achterbakse trucjes, valsheid, haat, misleiding, vernietiging, welke leidt tot eeuwige verdoemenis.
De demonen erkennen Zijn Goddelijkheid en vragen hem gemarteld te worden; ze vragen Hem om het verdriet van de zwijnen te ondergaan. De Heer staat tenslotte toe dat de zwijnen worden vernietigd en zullen in het meer verdrinken.
Uiteindelijk worden de demonische krachten vernietigd tot Heil en zegen van de mens op aarde. Maar het menselijk gedrag is datgene waar Zijn Schepsel diep spijt van heeft.
Daarom kwam Christus naar de overkant in het land der Gadarenen om deze twee 
bezetenen uit de grafsteden te ontmoeten en deze mannen zijn zeer gevaarlijk, zodat niemand langs die weg kon voorbijgaan”.

Jezus Christus laat blijken dat men eerbied en bewondering voor Hem dient op te brengen, Hij doet hier van Zich spreken, Hij onderwijst hen, Hij bevrijdt hen van demonen en deze worden door Hem afgewezen. Ze vragen Hem hun land te verlaten om uit hun leven te verdwijnen.
Christus houdt niet van hun aanwezigheid.

Met deze situatie worden wij mensen dagelijks in ons leven hier op aarde geconfronteerd.  Zelf hoogstaande Christenen vergeten dat
wij Christenen op onze Heer, Jezus Christus en
 ‘Zijn’ Kerk dienen te vertrouwen.
Dat ‘Zijn’ Genadegaven en
➥ ‘Zijn’ Liefde voor de mensen ons zal beschermen tegen alle demonische onvolkomenheid en zwakheden.
Dat de Mysteriën [RK. Sacramenten] onze spirituele oeroude voorstellingen [Archetypen] zijn en dat Christus de Bron is van ons leven en onze onsterfelijkheid.

Alleen in Christus Liefde kunnen wij overwinnen

              Gedemoniseerd in deze onverschillige maatschappij, beveelt de apostel Paulus ons:  ” De wapenrusting van God aan te doen, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen van de duivel, want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewestenEph.6: 11,12.
Omdat alleen maar op deze manier kunnen we voorkomen dat moorddadige pijlen van de boze  ons bewustzijn tot chaos en duisternis verleiden.
               We bidden daarom om de Genadegave van het persoonlijk gebed, zoals we van Christus hebben geleerd: “Vader, Gij leidt ons niet in verzoeking, maar verlost ons van de boze”.

Oktober de 15e – Heilige Lucian van Antiochië

H. Lucian, gedragen door de Heilige Geest, is hij ons tot voorbeeld geworden; لقد أصبح القديس لوسيان ، الذي يحمله الروح القدس ، مثالاً لنا;  Ο Άγιος Λουκιανός, που μεταφέρεται από το Άγιο Πνεύμα, μας έχει γίνει παρά-δειγμα; Saint Lucian, carried by the Holy Spirit, he has become an example to us.

De Heilige Lucian van Antiochië, die leefde van ca. 240 tot 312) is ook wel bekend als Lucianos de Martelaar en was naast spelleider/priester voor de hem toegewezen gemeenschap, theoloog  en  martelaar. Hij is alom in de Kerkelijke wereld bekend geworden vanwege zij studiezin en gedreven ascetische vroomheid.

Afgaand op de uit de oude 10e eeuwse mediterrane wereld bekende encyclopedie Soudas  [Σούδας]  of Souidas [Σουίδας vernoemd naar haar auteur, werd Lucian geboren in Samosata, Kommagene gelegen in Syrië , uit een gezin van christelijke ouders en werd hij opgeleid in de naburige stad Edessa aan de opleiding van Macarios van Mesopotamië.
De grootste en laatste Romeinse vervolging van christenen begon in het jaar 303 onder de keizer Diocletianus. Lucian werd gearresteerd in Antiochië en afgevoerd naar de keizerlijke stad Nicomedia, waar de keizers vaak met hun hofhouding verblijf hielden.

• Eusebius schreef dat: “… in de aanwezigheid van de keizer, verkondigde hij het Hemelse Koninkrijk van Christus, eerst in een mondelinge verdediging, en daarna ook door daden” [Ecclesiastical History, 13, 2].
Lucian zat negen jaar gevangen, waarbij hij de andere christenen met hem aanmoedigde standvastig te blijven in hun belijdenis van Christus. Hij leed zowel de marteling als de honger, omdat hij het enige voedsel weigerde dat hem werd gegeven, vlees dat was aangeboden was aan Romeinse afgoden toegewijd.
• De vierde-eeuwse geschiedenis van Philostorgios van Cappadocië vertelt dat Lucianus, toen hij op zijn rug in de gevangenis werd gebonden en vastgeketend, de Goddelijke Mysteriën [H. Communie] op zijn eigen borst wijdde en de gelovigen die aanwezig waren liet meedelen in de ontmoeting met de Heer.

H. Lucian de Martelaar van Antiochië

Lucian stierf op 7 januari 312, tegen het einde van de laatste grote vervolging van christenen door de Romeinse autoriteiten. Zijn lichaam werd meegenomen naar Drepanum (later omgedoopt tot Helenopolis door Constantine ter nagedachtenis aan zijn moeder) en werd onmiddellijk vereerd door de kerk van Antiochië en elders. In een preek op zijn feestdag in 387 spoorde H. Johannes Chrysostomos de christenen aan zijn voorbeeld te volgen:
Hij minachtte de honger. Laten we ook luxe bespotten en de heerschappij van de maag vernietigen; dat we, wanneer de tijd rijp is om ons aan zulke martelingen te ontmoeten, van tevoren voorbereid zijn, met de hulp van een mindere ascee, om ons waardig te zijn van glorie in het uur van de strijd”.

De H. Lucian van Antiochië wordt op 7 januari in het Westen gevierd. Toen het feest van de Theophanie in de oosterse kerken werd uitgebreid door de herdenking van Johannes de Doper op die dag, werd zijn feest verplaatst naar 15 oktober.

Lofzang uit de Vespers voor deze heilige martelaar
    U hebt de gelovigen standvastig gemaakt en
hen verrijkt door uw geloof en het betoog van de kennis van God, zodat
zij moedig de woede van de tiran zouden kunnen verduren,
terwille van het onvergankelijke leven dat zal komen.
Daarom noemen wij u gezegend, o rechtvaardige glorieuze Lucian
en vieren we vandaag uw goddelijke stemmigheid
”.

H. Lucianos, hieromartelaar; Αγίου Λουκιανού του ιερομάρτυρα.

De theologische positie van Lucian is een onderwerp waar nogal wat onenigheid over is. Pogingen om zijn theologie uit de bestaande bronnen te reconstrueren hebben tot tegenstrijdige resultaten geleid.
Omdat Arius in een brief aan Eusebius van Nicomedia schreef als “συλλουκιανιστές” [d.w.z. navolgers van de theologie van Lucian] wordt zijn theologie geassocieerd met de Ariaanse controverse.
Toch wordt de H. Lucian beschouwd als een belangrijke voorstander van de bijbelse interpretatie in de Traditie die bekend staat als de “School van Antiochië”.  Terwijl in het belangrijkste centrum van de bijbelstudie, Alexandrië, de allegorische interpretatie van de Schrift werd bevorderd, benadrukten Antiochiaanse schrijvers een méér letterlijke interpretatie van heilige teksten.
Ze gebruikten ook typologie om latere teksten een basis te geven [te bewortelen]  in samenhang met eerdere onthullingen. Deze stijl zou in de bijbelstudie domineren tot in onze moderne tijd.
Vierde-eeuwse voorstanders van deze school waren Diodoros van Tarsus, Johannes Chrysostomos en Theodore van Mopsuestia.

De Antiochiërs benadrukten ook het onderscheid tussen het menselijke en het goddelijke in de persoon van Christus, terwijl de Alexandrijnen de eenheid van het menselijke en het goddelijke in Hem benadrukten.
In de volgende eeuw zouden uitersten van deze opvattingen worden beschreven als het Nestoriaans ordeningsprincipe [Antiochië]: je begint met een sterk argument, geeft dan enkele zwakke argumenten en eindigt weer met een sterk argument. Dit was 
in tegenstelling tot het Monofysitisch principe [Alexandrië] en het beslissende uitgangspunt worden in respectievelijk de Kerk van het Oosten en de Oosters-orthodoxe kerken.

Zowel de oudtestamentische als de nieuwtestamentische studies vinden voor het grootste deel een basis op grond van de werkzaamheden van Lucian van Antiochië. Hij was bekwaam in zowel het Hebreeuws als de Griekse taal en op die wijze produceerde Lucian een editie van de Septuagint waarin hij de Hebreeuwse tekst gebruikte om de fouten van kopiisten en andere verschrijvingen/interpretaties die in de loop der eeuwen waren binnengeslopen, te corrigeren. Zijn versie werd zéér gewaardeerd door de heilige Hiëronymus, de grootste Latijnse bijbelse autoriteit van die tijd.
Het werd uiteindelijk de voorkeurstekst die werd gebruikt in de Antiochische en Byzantijnse kerken. 
Lucian produceerde ook een editie van het [Griekse] Nieuwe Testament die bekend werd als de “Byzantijnse tekst” die op liturgische wijze in de Grieks-sprekende kerken van het Oosten werd gebruikt.
Eeuwen later zou het de basis zijn van de uitgave van de zestiende-eeuwse Nederlandse geleerde Desiderius Erasmus. Deze versie werd in het Westen algemeen aanvaard als de “door Goddelijke ingreep ontvangen tekst” en werd gebruikt als basis voor vele moderne vertalingen.
Door
 gebrek aan definitief onderbouwde informatie is het onmogelijk om de verdiensten van zijn kritische werkzaamheden nauwkeurig vast te stellen.
De Heilige Lucian van Antiochië geloofde echter in de letterlijke betekenis van de bijbelse tekst en legde aldus de nadruk op de noodzaak van tekstuele nauwkeurigheid. Hij vereenzelvigde zich met zijn roeping om de Septuagint te herzien op basis van het originele Hebreeuws en het resulterende manuscript werd zeer populair in Syrië en Klein-Azië.

Apolytikion     tn.1.
Door het lijden van de Heilige Lucian,
dat hij heeft verdragen om U,
Laat ons verbidden, o Heer,
en genees ons van onze ongerechtigheden,
zo smeken wij U, die alle mensen liefhebt”.

Kondakion     tn.8.
Als fel-schijnende fakkel bent u verschenen,
o goddelijke martelaar Lucian,
en door de stralen van uw wonderen verlicht u heel de schepping.
U hebt ziekten genezen en het die duister voor immer verjaagd.
Bid zonder ophouden voor ons allen tot Christus God”.

 

Oktober 13e – feest van de Heilige Jacob van Hamatoura, Libanon.

       H. Jacob van Hamatoura

In het Midden Oostelijk Libanon, aan de noord-kant van het dorp Kousba, bevindt zich het klooster van Onze-Lieve-Vrouw van Hamatoura, welke gebouwd is in de rotsachtige holte van een hoge klif, die uitkijkt over de heilige vallei van Kadisha.   Hamatoura ligt op 84 km van Beiroet.
Dichtbij het klooster is een rotsachtige grot waar men bij de voet van een stalagmiet kan waarnemen, daar waar onvruchtbare vrouwen kwamen bidden in de hoop een kind te krijgen, want deze grot werd in zeer oude tijden opgedragen aan de heidense godin van de vruchtbaarheid, het is toepasselijk dat op basis van een heidens gebruik in het verleden en thans opnieuw dit klooster gevestigd is.  Aan het einde van de 13e eeuw begon de heilige Jacob van het Hamatoura-klooster, toegewijd aan de Ontslaping van de Alheilige Moeder God’s, hier zijn ascetische leven.

Hamatouraklooster, Kousba, Libanon

Het klooster werd voorafgaand aan zijn komst verwoest door de Mamlukes ; hetgeen ‘aanvankelijk’ voornamelijk  Turkse krijgsgevangenen waren van de Genghis Khan, een Mongools heerser en veroveraar, die hen als slaven verkocht aan de Ayyubid Sultan van Egypte.
De sultan trainde hen als soldaten en uiteindelijk werden ze zijn paleiswachten. In 1250 namen de Mamlukes de controle over Egypte over en tien jaar later brachten ze de eerste grote nederlaag toe aan de Mongoolse legers die Palestina probeerden te veroveren. De Mamlukes overstroomden Klein-Azië en regeerden meer dan 250 jaar over Egypte. Selim I van Turkije versloeg ze uiteindelijk in 1517 en veroverde Egypte.
Onder het bewind van het Ottomaanse Rijk raakte het Arabische rijk in verval. In de 16e eeuw begonnen de Turken onder de dynastie der Ottomanen hun rijk uit te breiden. In 1517 namen ze Libanon in en tot het eind van de Eerste Wereldoorlog zou het land onder Turkse overheersing blijven. Onder Turkse heerschappij werden de Mamlukes als soldaten aangehouden. Ze vielen Napoleon aan toen hij Egypte binnenviel in 1798. In 1811 gaf de onderkoning Mehemt Ali van Egypte opdracht tot het bloedbad onder alle mammelukken en verdwenen zij uit de geschiedenis.

De heilige Jacob van het Hamatoura-klooster herstelde het verwoeste klooster, deed het weer opleven en gaf daarmee een hernieuwde kracht aan het monastieke leven in de Levant [het morgenland].  Zijn spirituele korte en directe manier van reageren, bracht weer levendigheid en populariteit onder de gelovigen – daarentegen werd de aandacht van de Mamelukken op hem gevestigd, die hun zinnen zetten om zijn snelheid en vastberadenheid te stoppen en hem te dwingen zich tot de Islam te bekeren. Hij weigerde halsstarrig onder  hun meedogenloze druk. De Mamlukes hebben hem daarop om het leven gebracht en de kerk waar dit plaats vond in brand gestoken.
Tot op de dag van vandaag geven gelovigen en pelgrims echter voortdurend te kennen door zijn verschijnen, wonderbaarlijke genezingen en andere Genade-volle daden te ervaren.
Maar het inspirerende levensverhaal van deze wonderlijke priester-[hiero-]martelaar van het Patriarchaat van Antiochië was al zo lang door de  mens vergeten, dat God, Die immers een ‘eeuwige gedachtenis‘ bezit en het geheugen van de mens heeft opgefrist en zijn gedachtenis heeft vernieuwd en dat blijkt door de Mysteriën, die rond zijn verering plaats vinden; God wordt immers dag en nacht door de eeuwen heen vereerd door Zijn Heiligen.
Niet lang na zijn dood, verleende onze Heer en Verlosser hem al, na het zien van zijn lijden en standvastig Geloof, eeuwige bekroning en Genadegaven, zodat hij  vandaag de dag nog steeds straalt als een lichtbaken op de leven’s-zee.
In de loop van de tijd kondigde het Antiocheens Patriarchaat de heiligheid van H. Jacob [Hebr.= hij die de hiel vastgrijpt] af en voegde hem toe aan haar lijst van geëerde martelaar’s-heiligen en werd er vanaf dat moment via hem weer om zijn voorspraak bij de Heer gebeden. Het had maar weinig gescheeld of deze heilige was in de loop van de geschiedenis totaal vergeten.
Dit was te wijten aan het ernstige lijden van de kerk onder verschillende moslimsultanaten die zowel het christelijke spirituele leven verzwakten als een merkbare daling van de christelijke geletterdheid tot gevolg had. Bovendien waren alle manuscripten en gegevens die in het buitenland konden worden gevonden en vertaald, ofwel vergeten, ofwel verloren of vernietigd. Echter de bezoeken van vele pelgrims aan het klooster, maakten melding van het zien van visioenen rond deze H. Jacob; toen daarop ook vele anderen zijn aanwezigheid voelden, vond zijn heiligheid tevens bevestiging en werd zijn heiligheid door de autoriteiten van de Kerk bevestigd. De heilige Jacob verheerlijkt de Naam van onze Heer en op zijn voorspraak zijn door de Heer, onze Verlosser velen genezen. 

Onlangs is er een duidelijke vermelding in een oud manuscript van de H. Jacob ontdekt welke bewaard wordt in het Gerontikon. Dit Gerontikon, een hagiografie of een compilatie van biografische korte verhalen over het leven van heilige heiligen bevindt zich in het Balamand-klooster, welke zich eveneens in de Levant te vinden is [Levant = Arabisch: بلاد الشام, Belad Al-Shaam, of het Morgenland – de historisch-geografische naam voor dit deel van Zuidwest-Azië] – het beslaat het gedeelte direct ten oosten van de Middellandse Zee.
Het archivistisch manuscript van Balamand, genummerd 149, geeft het duidelijk aan dat de Kerk op 13 oktober de herinnering van de H. Jacob van Hamatoura hoog houdt.
Het Klooster van de ontslaping van de Theotokos – Kousba, Hamatoura, in Libanon, herdacht op 13 oktober 2002, voor het eerst weer, zijn gedachtenis  in een nachtelijke gebedswake [Agrypnia]. Een aantal priesters, diakenen en gelovigen namen deel aan die gedenkwaardige dag, toen de aanwezigen het Apolytikion van de H. Jacob en de aan deze heilige  toegewijde Akolouthia [dienst] zongen, welke werd voorbereid en uitgegeven door de monniken van het klooster.
Ook nu nog geven gelovigen en pelgrims voortdurend getuigenissen af over zijn verschijningen, zijn wonderbaarlijke genezingen en andere genade-volle daden. Dit alles doet bij velen een spirituele vurigheid opkomen om de herinnering aan deze heilige te vieren en uiteindelijk Lof aan onze Heer en Verlosser te brengen.
Terwijl de heilige Jacob van Hamatoura de eer gebracht wordt, die hem toekomt, leeft hij nog steeds onder ons vanuit zijn klooster en verricht wonderdaden, die op hun beurt weer andere gelovigen oproepen zijn gedachtenis te vieren en hem met een bezoek te vereren.

Logo AOKN

NB. De Antiocheens Orthodoxe Kerk in Nederland heeft vandaag na afloop van de Grote Doxologie onder luid klokgelui van de RK Ansfriduskerk in Amersfoort plechtig een reliek van deze Heilige in ontvangst mogen nemen en na afloop werd er een kind gedoopt, die de naam van deze Heilige Jacob van het Hamatoura-klooster gaat dragen.
”   Door de gebeden van onze Alheilige Moeder God’s en al Uw Heiligen, Heer, Jezus Christus heb medelijden met ons en redt ons!“;  
Het is heel moeilijk om alles in deze wereld achter je te laten. Maar indien je alles opgeeft, ook je persoonlijke eigendommen, dan ga je beseffen dat de gehele wereld aan jou gegeven is. Want God geeft het ons allemaal, Hij is een mensenvriend”.

20e Zondag na Pinksteren – Zondag van de Vaders van het zevende [7e] Oecumenisch Concilie [787 na. Chr.]

”     Dit sprak Jezus en Hij hief zijn ogen ten hemel en zei: ‘Vader het uur is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat uw Zoon U zal verheerlijken,  gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken.
Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.
Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt. En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid, Die Ik bij U had, eer de wereld was.
Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben Uw Woord bewaard. Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in Waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.
Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U en al het Mijne is het Uwe en het Uwe is het Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.
En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, Welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij een zijn zoals Wij.  Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, Welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd.
Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle Mijn Blijdschap in zichzelf mogen hebben’” John.17: 1-13.

”     Want ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens. Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus.
Want gij hebt gehoord van mijn vroegere wandel in het Jodendom: ik heb de gemeente Gods bovenmate vervolgd en getracht haar uit te roeien en in het Jodendom heb ik het verder gebracht dan vele van (mijn) tijdgenoten onder mijn volk, als hartstochtelijk ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen.
Maar toen het Hem, die mij van de schoot van mijn moeder aan afgezonderd en door Zijn Genade geroepen heeft, behaagd had, Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen verkondigen zou, ben ik geen ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed; ook ben ik niet naar Jeruzalem gereisd tot hen, die reeds voor mij apostelen waren, maar ik ben naar Arabië vertrokken en vandaar naar Damascus teruggekeerd. Daarop ging ik drie jaar later naar Jeruzalem, om Kephas te bezoeken, en ik bleef vijftien dagen bij hem; en ik zag geen ander van de apostelen dan Jacobus, de broeder des Heren” Gal.1: 11-19.

    In die dagen en te dien tijde, luidt het woord des Heren, zullen de Gelovigen komen, de navolgers en de Judeeërs tezamen; al wenend zullen zij voortgaan en de Heer, hun God, zoeken; naar Sion zullen zij vragen, op de weg hierheen zal hun aangezicht [gericht] zijn; zij komen en zoeken Gemeenschap met de Heer in een eeuwig Verbond, dat niet zal vergeten worden. Een kudde verloren schapen was Mijn Volk, hun herders misleidden hen, naar de bergen voerden zij hen; van berg tot heuvel gingen zij, zij vergaten hun legerJeremia 50: 4-6.

We vinden hier drie afscheidsredes, die van de Profeet Jeremia, die van Christus en die van de apostel Paulus – allen na een vruchtbaar leven hier op aarde.
Elk van deze redes heeft op de een of ander manier voor ogen dat er een Hoop bestaat, als een gebed wordt dat God de nakomelingen zal mogen bewaren:
”  Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, Welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij een zijn zoals Wij. Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, Welke Gij Mij gegeven hebt en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd”.

Het Mysterie van de Drie-eenheid

De vroeg Christelijke Kerk gebruikte voor het oeroude Goddelijke begrip Drieëenheid van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest het woord περί χωρίς ρε σεις [peri-cho-re-sis [= geen beloning, over geen tijd], min of meer een ‘op en neer’, ‘heen en weer’ [in kruisvorm] bewegen van het menselijk onvermogen.
Maar God is echter nauwelijks door middel van menselijk begrippen te bevatten, te omschrijven. De wil van de mens en van een afgescheiden engelenmacht heeft weerstand geboden aan God’s reddingsplan na haar schepping.
Daarom werd er tijdens de 7 Oecumenische concilies ter voorkoming van ketterijen getracht bepaalde zaken vast te leggen, zodat de navolgers van Christus in ieder geval over enig houvast konden beschikken ten tijde van hevige aanvallen om het Christelijk erfgoed onder uit te halen.
      Aan de hand van Bijbelteksten, Theologie en inzichten van grote Kerkvaders, doorleefde asceten – zowel filosofen als mystici – heeft de Kerk haar best gedaan te laten zien wat er zoal met het goddelijke samenhangt, op die manier ontstond de dogmatische theologie.
Dogmatisch betekent dat men zich door een bepaalde manier van denken een voorstelling van zaken tracht te bereiken – niet van de oorspronkelijke leer af te wijken.
Veelal resulteerde dit in een denkwijze waarbij voornamelijk vastgelegd werd wat God ‘niet’ is, de zogenaamde negatieve [αποφατισχ θεολογία] theologie.
Om rond het God’s-besef een voorbeeld te geven, want ook hier vindt datgene plaats wat de H.Gregorius de Grote zegt over het lezen van de H. Schrift:
“De tekst dient te groeien met degene die hem leest”. Wij mensen beseffen dat God een ‘oneindig’ Mysterie’ [wonder, geheim] is hetgeen al onze begrippen en beelden te boven gaat.  De H. Dionysius de Areopagiet [ca. 500 n. Chr. uit Syrië] stelde dat men elke positieve uitspraak over God [‘God is goed’] diende te ontkennen [ontkennende theologie (Gr.theología apophatikḗ)]: [‘God is niet op gewone wijze goed’], om haar vervolgens in een overtreffende trap weer te bevestigen [‘God is supergoed’].
Alle grote theologen kennen dit negatie-moment in hun spreken over God. Binnen wijsbegeerte en religies kan negatieve theologie betekenen dat goden als steeds transcendenter worden gezien en als minder relevant naar de Hemel verdwijnen.
Wanneer een dergelijke houding van “niet op gewone wijze goed” gehanteerd zou zijn bij het afgelopen ‘Pan-Orthodoxe Concilie’, wanneer dit gehanteerd zou zijn in de onderlinge verhoudingen tussen de super-toezichthouders zou er een basis van wederzijds begrip zijn geweest – een wijze, die vrijheid creëert in de onderlinge verhoudingen.
God is niet alleen Almachtig, Patriarchen zijn niet super Almachtig – zij gunnen elkaar ‘het [Thabor-]Licht’ in de ogen; daar is onderlinge onvoorwaardelijke liefde voor nodig; daar is vrijheid en respect voor nodig.
God is onder ons, Hij is en zal zijn‘, hetgeen betekent dat het niet uitmaakt tot welke door mensen gecreëerde ‘supernova’ [=de is eindfase van een ster] je behoort. ICXC NIKA betekent ‘Jezus Christus overwint’ en dat zal waarschijnlijk inhouden dat er over de wereld verspreid ‘allerlei‘ christelijke groeperingen in de verschillende landen zullen neerstrijken, die ieder vanuit hun eigen basis-gemeenschappen, geleid door hun eigen spelleiders en gezamenlijke toezichthouders hun eigen ding t.o.v. ‘God’ zullen doen.
‘Jezus Christus overwint’, Hij is en zal zijn tot aan het einde der tijden.
Bij God bestaat geen ‘super’, dus “doe gewoon, dan doe je al gek genoeg“.

‘ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bid tot uw Vader, Die in het verborgene is; en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u vergelden’;
‘πηγαίνετε στο εσωτερικό σας δωμάτιο, κλείστε την πόρτα πίσω από σας και προσευχηθείτε στον Πατέρα σας που είναι μυστικός. και ο πατέρας σου, που βλέπει κρυφά, θα σε ανταμείψει’;                                  ‘ go into your inner room, shut the door behind you, and pray to your Father Who is in secret; and your Father, Who sees in secret, will reward you’.

Waarschijnlijk zal ook dit een ‘langdurige‘ strijd worden [ik hoop van harte van niet, want het is de tegenstrever, die zij in de kaart spelen] alvorens de ‘supernova’s’ hun plaats in het Lichaam van Christus zullen weten en zich als volwassen volgers van Christus kunnen gaan gedragen: ” Heer, ontferm U, over uw Gemeenschap, Die Gij vanaf den beginne hebt gegrondvest” oftewel: ” Heer, red Uw Gemeenschap uit de mùil van de léeuw, bescherm ons tegen de horens van de wilde stier“.
Want Christus Zelf geeft ons vandaag het antwoord op deze dringende oproep:
➥➥➥Hij heeft de Almacht van de Vader gekregen om eeuwig leven te schenken. Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt” [red. 😍]. 

In dit streven ‘ter voorkoming van ketterijen‘ gedenken wij vandaag de Kerkvaders van het Zevende Oecumenische Concilie, welke in het jaar 787 in Nicea bijeen werd geroepen.
Tijdens dit Zevende Oecumenische Concilie werd bepaald dat heilige iconen in onze kerken onontbeerlijk zouden zijn. Er volgde een lange strijd in Byzantium, die van de 8e tot de 9e eeuw duurde, tussen diegenen die de iconen vereerden en diegenen die ze wilden vernietigen, de zogeheten iconoclasten. Zij wilden de iconen uit de kerken verbannen.

” Daarna wees de Here nog tweeënzeventig aan en Hij zond hen twee aan twee voor Zich uit naar alle steden en plaatsen, waar Hij Zelf komen zou” Luc.10: 1.

Wij Orthodoxen mogen dankbaar zijn dat de iconen in de Kerk behouden zijn gebleven.
Bedenk maar eens hoe anders het zou zijn als er helemaal geen afbeeldingen in ons kerkgebouw zouden hangen, en ook geen iconen in onze huizen. Wat een verlies zou dat zijn, wat een gemis aan Vreugde, Licht en Hoop.     
God heeft ons immers naar Zijn Beeld en gelijkenis geschapen uit het stof van de aarde, zodat wij een samenwerking met Hem kunnen aangaan om Zijn wereld te voltooien.
Om temidden van het Kerkelijk leven, het Lichaam van Christus staande te blijven, om datgene te laten functioneren wat op kritieke momenten in de kerkgeschiedenis door  de Verlichting door de Heilige Geest gezamenlijk uit de Schrift geleerd is en wat vastgelegd is in de belijdenissen van de Vroeg-Christelijke Kerk.     
            In die Belijdenis hebben onze voorvaderen, die God in een andere tijd gediend hebben, verwoord ‘Wie’ God is, ‘Hoe God in de Blijde Boodschap spreekt.
               Maar bedenk wel dat het een zware strijd is geweest om de iconen-verering in de Kerk te behouden. Velen die de iconen verdedigden hebben daarvoor een hoge prijs betaald, zij werden gevangen genomen, gemarteld en sommigen stierven zelfs de martelaarsdood.

Άγιος Θεοφάνης, ‘Γραπτός‘ [778-845].

Een voorbeeld is de heilige wiens gedachtenis wij vandaag vieren: onze heilige vader bisschop Theophanes, die bekend is als “Γραπτώς”. Dit Griekse woord “Graptos” betekent “Schrift”, maar ook “gebrandmerkt”. Deze heilige toezichthouder werd tijdens zijn verdediging van de heilige iconen in zijn gezicht gebrandmerkt met een stuk gloeiend heet ijzer.
Hoewel wij dus blij mogen zijn bij het vereren van de heilige iconen, dienen we tegelijkertijd ook diegenen gedenken die geleden hebben en gestreden hebben voor het behoud van de iconen.

Wat is een icoon? We noemen het ook wel een heilig schilderij. Dat is zo, maar dat is maar een deel van de waarheid. Een icoon is veel méér dan een gewoon schilderij.
In het leven van de H. Stephanos, de Jongere, die zijn leven gaf als martelaar voor de heilige iconen, vinden wij een treffende beschrijving van wat een icoon werkelijk is.
Een icoon wordt daar vergeleken met een deur, een poort, een toegang.
Maar wat betekent dit?
Het heeft als inhoud, achtergrond, dat een icoon een plaats van ontmoeting is.
Een icoon maakt dat de persoon die erop is afgebeeld tegenwoordig is, aanwezig is. Dat wil zeggen dat wanneer wij voor de Christus-icoon bidden, wij in wezen een ontmoeting hebben met Christus, dankzij de Genadegave van de Heilige Geest.
Hetzelfde geldt wanneer wij bidden voor een icoon van een van de grootste gebeurtenissen in de geschiedenis van onze Kerk, bijvoorbeeld wanneer wij bidden voor de icoon van de Geboorte van Christus, of van de Transfiguratie.
– Wanneer wij bidden voor de icoon van Christus’ Geboorte dan treden wij binnen in het Mysterie dat daarop staat afgebeeld. Wij staan voor onze Heiland, het pasgeboren Christuskind, en zijn samen met de herders aanwezig in de stal.
– òf, als wij voor de icoon van de Transfiguratie van onze Heer bidden, dan nemen wij deel aan dat Mysterie. Het Goddelijke Licht, dat zichtbaar scheen voor de drie discipelen, schijnt weliswaar onzichtbaar, maar desalniettemin als een realiteit over ons, als we met een levend geloof voor de icoon van Transfiguratie staan te bidden.

Om deze redenen is een icoon méér dan alleen maar een plaatje, een herinnering. Integendeel, de icoon maakt dat de persoon die erop staat afgebeeld, of het Mysterie dat we erop zien, hier en nu samen met ons aanwezig is. Daardoor kan de icoon ook een middel van God’s Genadegave zijn, een bron van heiliging.
In het decreet van het Zevende Oecumenische Concilie wordt een zeer interessante vergelijking getrokken tussen de iconen en het Evangelie.
Er wordt gezegd dat de iconen op dezelfde manier vereerd moeten worden als het Evangelieboek. Zoals het Evangelie ons de Blijde Boodschap, het Goede Nieuws van de Verlossing verkondigt, zo zijn ook de iconen getuigen van diezelfde boodschap van onze persoonlijke verlossing.
Indien je het zo wilt zou je de icoon een Evangelie in lijnen en kleuren kunnen noemen. En op dezelfde manier is het Evangelie een icoon in woorden.
De H. Leontius van Napels heeft gezegd dat een icoon is als een open boek dat ons herinnert aan God. De H. Johannes van Damascus zegt: “Wat het Woord van de Schrift is voor het gehoor, dat is de icoon voor het oog”.
Aldus zijn de iconen deel van de Heilige Traditie van de Kerk.
Op het Zevende Oecumenische Concilie werd vastgelegd dat diegene die een icoon schildert, niet vrij is om te schilderen waar hij zelf zin in heeft.
Een icoon is absoluut géén kwestie van persoonlijke verbeelding.
De ‘iconen-schrijver’ dient zich te houden aan de wijze van schilderen die is vastgelegd in de Traditie van de Kerk.
Volgens het Concilie is de enige persoonlijke bijdrage van de schilder gelegen in zijn of haar artistieke talent. Maar de inhoud is afkomstig uit de Schriften en van de Heilige Vaders. Het is bij een icoon-schilder dan ook gebruikelijk dat tijdens ‘het schrijven’ van de Icoon onophoudelijk gebeden wordt, zowel tot Christus, onze God, als tot de Heilige wiens afbeelding men weergeeft.

Laten wij dan, indachtig dat de icoon nauw verbonden is met het H. Evangelie, dat zij deel is van de levende Traditie van de Kerk, opnieuw God dankbaar zijn voor de aanwezigheid van iconen in ons  kerkgebouw.
Ik weet dat u allen vol verlangen uitkijkt naar het moment dat er nieuwe iconen in zo’n volgend kerkgebouw zullen worden geplaatst, dat wij behorend tot de ‘Antiocheens Orthodoxe Kerk in Nederland’ over een ‘eigen’ onderkomen mogen beschikken. Ik bid en hoop dat dit het komende jaar ‘opnieuw’ voor langere tijd gerealiseerd kan worden door als gasten ontvangen te worden in een bestaande Christelijke Kerk. Als interculturele kerk in Utrecht, voornamelijk bestaande uit vluchtelingen met een minimum bestaan’s inkomen kunnen we ook niet anders.
Wij hopen daarmee op een centrale plaats in het land een plaats van ontmoeting met onze Heer en Verlosser te vinden, waar vandaan onze priester ‘Abuna Basilios Khamis’ ons zowel kan ontvangen en van waaruit hij ons door het gehele land kan bedienen.
Wij hebben behoefte aan slechts ‘één’ centraal gelegen onderkomen, voor het overige zoeken wij elkaar in de verschillende provincies op, hebben daarbij uitwisseling van gedachten aan de hand van het Woord, de Blijde Boodschap en maken het vanuit onze huiskamers aantrekkelijk voor elkaar, vieren we ons Geloof, als navolgers van Christus. 
En daarna, zal ik nog vaak terugkomen, in de hoop de zegenende Christus in het zoeken naar Gemeenschap met de Heer in een eeuwig Verbond tijdens de dienst en de ontmoeting met mijn Christengemeenschap te kunnen zien. Ieder gelovige navolger van Christus, ja ieder schepsel is immers een icoon van God.

Χριστόφορος Παπουλάκος, ‘o μοναχός που τροφή τα πλήθη’;      Christopher Papoulakos, ‘the monk feeding the crowds’;              Christopher Papoulakos, ‘de monnik die de menigte voedt’.

En misschien, als ik straks een heel, stokoude man geworden ben en me slechts met Zijn staf, stok staande kan houden en ik dan nog eens naar dit kerkgebouw kom, dat ik dan ook de heilige afbeeldingen langs de wanden van de kerk zal kunnen zien.
Op deze manier is de kerk niet alleen een gebouw waarin zich iconen bevinden. Wanneer de kerk volgens de traditionele Orthodoxe stijl helemaal versierd is, dan wordt de Kerk als geheel – ‘één geheel met de gewone mensen‘ – tot één grote icoon. Wanneer wij vandaag dus op deze manier denken aan de heilige iconen, dan zeggen wij tegen God: “Ere zij U, o God, ere aan U!”.

Apolytikion tn.3.
Dat hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen

want de Heer heeft de Kracht van Zijn arm getoond.

Door Zijn dood heeft Hij de dood vertreden

en werd Hij de Eerstgeborene uit de doden.

Hij heeft ons verlost uit de diepten der hel

en aan de wereld grote Genade geschonken”.

Kondakion tn.3.
Heden zijt Gij, Barmhartige, opgestaan uit het graf,

en hebt ons verlost uit de poorten des doods.

Heden jubelt Adam en Eva verheugt zich;

en de Profeten en Patriarchen bezingen zonder einde

de Goddelijke Macht van Uw Heerschappij

Theotokion tn3.

Gij zijt Middelaarster geweest bij de Verlossing van ons geslacht,

daarom prijzen wij U, o Moeder Gods en Maagd.

Want in het vlees dat Hij aannam uit uw schoot,

heeft uw Zoon, onze God,
het lijden van het Kruis ondergaan.

En heeft Hij ons uit het verderf verlost
als de Menslievende”.

 

Orthodoxie & haar uiterlijke bevestiging van het Geloof in Jezus Christus.

      Hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de Hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt bevonden zullen worden.
Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven verslonden zal worden.

1e dag van de Schepping, kapel Palatina te Palermo

       God is het, Die ons juist daartoe bereid heeft en Die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft.
   Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Heer in den vreemde zijn
– want wij wandelen in Geloof, niet in aanschouwen
– maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Heer onze intrek te nemen.
Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn”  2Cor.5: 2-9.

Een Christen is geen navolger van Christus omdat hij/zij over God kan praten.
Hij, zij is een Christen omdat hij/zij de ervaring van ‘God is onder ons’ kan bemachtigen.
En zoals wanneer je ècht van iemand houdt en nadrukkelijk mèt hem praat,
ervaar je dàt, je geniet er van, en dàtgene vindt ook plaats wanneer je
in Gemeenschap leeft [bent] met God.
Er is geen énige relatie, die van buitenaf plaatsvindt, maar
een eenheid van God vindt in de Heilige Geest
in de mens en de mensen onderling plaats
”.
Arch. Georgios abt van I.M. Gregoriou, Athos.

God’s Geest Gods zweefde niet voor niets over de wateren, Hij doet dat nòg stééds bij al diegenen, die door het Mysterie van de doop bekleed zijn met Christus. Wanneer je in aansluiting op deze gebeurtenis stelselmatig -in je binnenkamer-, jouw persoonlijke Tempel, in gesprek gaat met God, zul je ervaren dat Hij je begeleidt op al de paden van je leven.
De ontmoeting van de mens met de Kerk van Christus en het begin van zijn/haar  persoonlijke deelname aan vergoddelijking en regeneratie in Christus zijn vruchten van het Mysterie [RK, Sacrament] van het Doopsel.
Door dit Mysterie wordt de mens gereinigd van zonde en bevrijd van de banden met/van de dood. Tussen zonde en dood bestaat een oorzakelijk verband: de dood kwam in de wereld door de zonde en vanaf dàt moment vormde de zonde het speerpunt/de angel van de dood. Het is onmogelijk om zuivering van de menselijke zonde te herkennen zonder dat hij wordt bevrijd van datgene wat hem blijkt te provoceren.
Zolang de mens zich overgeeft aan de heerschappij van de zonde, is hij/zij aansprakelijk voor zijn of haar dood; wordt zij/hij bedreigd met de dood en gaat hij/zij verder met zondigen.
Dus hoe wordt het haar/hem mogelijk gemaakt om zonder zonde te leven, wanneer haar/zijn aardse gesteldheid hier de oorzaak ervan is?
Welke mogelijkheid van leven blijft de mens over als hij/zij mens in persoon is geworden, betrokken is bij de zonde en er verantwoordelijk voor is, blijft?
Er bestaat geen andere fysieke of morele uitweg uit deze vicieuze cirkel; dan dat het overstegen wordt door het Mysterie van de Doop.
     Door de doop sterft de mens met Christus en is hij/zij met Hem verrezen en is hij/zij met Hem opgestaan in het leven van een nieuwe Hemel en een nieuwe aarde.

Het Mysterie van de doop verenigt  de dood met het leven, je zult eerst sterven, opdat je zult leven, vanuit het graf en door de Opstanding.
Door de dood van de zonde [het sterven] te ondergaan komt de mens binnen in de Goddelijke invloedssfeer van de Genadegaven van de Heilige Geest, welke hem/haar wordt aangeboden door het zegel [de Myronzalving] van de Genade- gaven van de Heilige Geest en de communio, het binnentreden in de Gemeenschap met het Lichaam en Bloed van Christus.
De tegenstrever, de duivel, ‘vindt’ niets in/aan/bij de gedoopte mens.
      Desondanks is zelfs de gedoopte mens van buitenaf onderworpen aan aanvallen van de kant van de duivel, en het juk van de corruptie blijft hem lastig vallen, zeg maar treiteren.
Dit is niet te wijten aan enige onvolkomenheid in de regeneratie van de mens door de Genadegaven van God, maar wordt door God deze mens bij uitstek in de gelegenheid gesteld om zich te gedragen in de opdracht van de zaligheid, om zichzelf voor te bereiden de onsterfelijkheid op zich te nemen en neemt hij/zij daarmee de zegeningen van het toekomstige leven aan.
De doop herinnert de mens niet aan welke erfelijke schuld dan ook, zoals de Heilige Augustinus van Hippo verkondigde en met hem, de gehele Traditie van het Westen,  maar herinnert de mens aan de kracht van de dood, die in de wereld kwam door de zonde en hier de oorzaak van is.
Door het Mysterie van de Doop – zo wordt het door de heilige Cyrillus van Jeruzalem waargenomen, wordt het speerpunt, de angel van de dood vernietigd;
en Gregorius van Nyssa definieert de Doop als de oorzaak van wedergeboorte en regeneratie. Volgens de Heilige Gregorios Palamas hernieuwt de doop de geschapen mens, geeft hem/haar over aan het leven van de nieuwe tijd, die boven de zinnen en de geest uitgaat, en maakt hem/haar deelgeno[te]ot aan het incorrupt handelen en de zondeloosheid.
Door de bij de doop ontvangen Genadegaven, verkrijgt de mens, Datgene wat ‘het Beeld en de Gelijkenis aan God‘ vormt, wordt de mens gezuiverd en verlicht en verwerft hij/zij de Kracht om die Gelijkenis aan God of de vergoddelijking te verwerven, te bereiken, die de val onmogelijk had gemaakt.
Genadegaven [Gr.= X
αρισματα, Charismata] zijn geschenken [om niet] Welke door God via de Heilige Geest worden overgeleverd:

Zowel Man als Vrouw houden de fakkel van Geloof brandende, dankzij de H. Geest

            Maar aan een ieder wordt
de Openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen.
•  
Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken,
• en 
aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest;
• aan de een geloof door dezelfde Geest en
• aan de 
ander gaven van genezingen door die ene Geest;
• aan de een werking van krachten,
• aan de ander 
profetie;
• aan de een het onderscheiden van geesten,
• en aan de ander allerlei tongen,
• en aan weer een ander vertolking van tongen.
Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil“ 1Cor.12: 7-11.

Onze Heer en Verlosser gebruikt het Woord om het Geloof -‘in ons‘- te laten werken, te laten opgroeien, volwassen te laten worden. Daarom dien wij als Gemeenschap mensen zijn van het Woord en van niets en niets anders.
Al biddend lezen en bestuderen van het Woord en daarbij om het Getuigenis van de Heilige Geest te vragen, Die ons het Goddelijk inzicht geeft [het ‘Thabor’- Licht onthult], Die ons het een en het ander openbaart en die ons allen onderwijst.
Het gaat daarbij niet om jezelf blind te staren op je eigen vermeende vermogen om te geloven, of je onvermogen om tot geloof te komen.
Het gaat daarbij niet om wat je bezit, aan wat je in het verleden gekregen hebt, of wat je allemaal nog wel niet zou kunnen doen om het Hemels Koninkrijk te verwerven.
Bidt daarom slechts om de Genade van het Geloof, Jezus Christus, te mogen ontmoeten, te zien. Om te mogen zien en te mogen geloven wat Hij heeft gedaan en wat Hij met je kan en wil doen, dat je er ook gevolg aan mag geven.
De beste daad van het Geloof is: jezelf volkomen te verliezen en verslonden te worden in de volheid van Christus.
En daarom, is ‘God in ons midden, Hij is [er] en zal [er altijd aanwezig] zijn’ en ligt hier een sterke aanbeveling voor het onophoudelijk gebed in stilte [het Jezusgebed]:
Heer, Jezus Christus, Zoon van de levende God, ontferm U over mij, arme zondaar”.
Neem van mij aan dat hetgeen je vraagt je reeds hebt ontvangen – bidt dan ook als zodanig, want Christus heeft Zelf gezegd:
      Men zal u uit uw gebedshuis bannen; ja, het uur komt, dat een ieder, die u doodt, zal menen aan God een heilige dienst te bewijzen. En dit zullen zij doen, omdat zij noch de Vader, noch Mij [als Zijn Zoon her-]kennen. Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer hun uur komt, gij u moogt herinneren, dat Ik ze [tot] u gezegd heb
John.16: 2-4.
En:
      Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der Waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen.
Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen.
Al wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom zei Ik: ‘Hij neemt uit het mijne en zal het u verkondigen’John.16: 12-15.
Op deze manier richt de Heilige Geest Zich niet alleen op ons Geloof als volgeling van onze Heer, Jezus Christus, maar door Christus op de Heerlijkheid van de Heilige Drieëenheid.

Apolytikion doopdienst:
Gij allen, die in Christus zijt gedoopt,
gij hebt u met Christus bekleed, Alleluia“. [3x],
zie bijgaand Pdf:
De Dienst van De Doop en De Myronzalving
uitgave orthodox Klooster in De Peel ❖ geboorte van De Moeder God’s ❖ Asten – Nederland 

20e – Orthodoxie & Liefde is goddelijk, superieur aan cognitieve ontwikkeling

De ontwikkelingsfase van de mens heeft een tijdbestek van meer dan 40 jaar, dat is de reden waarom er over drie deelfasen van een leven wordt gesproken.
– De jongvolwassene 22 tot 40 jaar
– De midden volwassene 40 tot 55 jaar
– De oudere volwassene 55 tot 65 jaar
De jong volwassene verschilt ten opzichte de oudere volwassene. De jong volwassene is vooral gericht op de toekomst en zoekt daarbij  grenzen van zijn mogelijkheden en kansen.

In de ontwikkelingspsychologie worden de ouderen ook in deelfasen verdeeld.
– Jongere ouderen ook wel jong-bejaarden of
actieve ouderen genoemd 65 tot 80 à 85 jaar
– Oudere ouderen ook wel hoogbejaarden of
afhankelijke ouderdom genoemd 80/85 jaar en ouder.
Alle oudere mensen hebben een eigen levensgeschiedenis.
Ontwikkelen is een duurzame en langzame verandering en
er zijn drie manieren van ontwikkelen:
– Door te lichamelijk te groeien
– Door het leren bezitten van theoretische, praktische en sociale kennis en vaardigheden.
– Door rijping ‘ergens aan toe zijn’.

De ontwikkelingspsychologie
Psychologie houdt zich bezig met, de wetenschap die met mensen gedrag bestudeerd. Ontwikkelingspsychologie houdt zich bezig met de ontwikkeling van de mens. Geronto-psychologie is het gedrag- en belevingsverandering bij de ouder wordende mens.
Ontwikkelingsfactoren Ieder mens is uniek en ontwikkelt zich ook uniek.
Niemand is hetzelfde. 
Zo zijn er drie factoren:
– Interne factoren, ieder mens heeft zo zijn eigen mogelijkheden en beperkingen, dat is vanaf de geboorte al bepaald.
– Externe factoren, factoren van buitenaf die de ontwikkeling bepalen.
Bepaalde omstandigheden of een bepaalde omgeving.
– Zelfbepaling de mogelijkheid om een richting te geven aan je eigen ontwikkeling.

De ontwikkelingsfasen van de mens van baby tot oudere:
Ongeboren kind     = 40 weken
Baby / zuigeling     = 0-18 maanden
Peuter                   = 18 maanden- 4 jaar
Kleuter                   = 4-6 jaar
Schoolkind             = 6- 12 jaar
Puber                     = 12-17 jaar
Adolescent             = 17-22 jaar
Volwassenen         = 22-65 jaar
Oudere mens         = 65+ jaar

Voor God is iedere mens Zijn kind

De meesten van ons zijn bekend met het schepping verhaal, hetgeen een door ‘משה’, Mozes [Hebr.= uit het water gehaald] gegeven beschrijving is van hoe God Heel een aarde heeft geschapen [Genesis 1: 1 – 2: 4], vervolgens rustte God ná 6 tijdseenheden scheppen op de 7e dag. Hierbij werd de mens mannelijk en vrouwelijk geschapen en zowel man als vrouw mochten God’s Beeld en Gelijkenis vorm geven en kregen een opdracht waartoe ze volmaakt werden toegerust. Man en vrouw waren dus volkomen gelijkwaardig! Zij kregen samen de opdracht om de aarde te bevolken. Vervolgens komen we in de tuin van Eden, een paradijstuin [Genesis 2: 5-25] een prachtige maar afgeschermde plek waar alles uitbundig groeit en bloeit, waar dieren in alle soorten en maten leven. Misschien was er nog niet een volmaakte orde, maar het is duidelijk dat er in de tuin geen chaos was zoals buiten de tuin nog wel het geval was. Gods bedoeling was dat de tuin zich zou uitbreiden over heel de aarde. En omdat dieren nu eenmaal dieren zijn die een weinig ruime horizon hebben omdat ze niet denken kunnen, schiep God de mens. En die mens kreeg de opdracht om alles zo te regelen en te beheren dat op termijn de hele aarde een tuin van Eden geworden zou zijn. Tussen de schepping van Adam en Eva zit een bepaalde tijd.

Schepping van de mens, Adam & Eva, vanuit het stof

In Z’n onnoemlijke Wijsheid schept God eerst de man Adam. Deze krijgt de opdracht om alle dieren een naam te geven [te classificeren om ze een geschikte plek te kunnen toewijzen].
Hij, Adam, krijgt ook het verbod te horen dat hij niet mag eten van de boom ‘van kennis van goed en kwaad’ en dat hij bij overtreding van dit gebod onherroepelijk zal sterven.

Adam gaat vervolgens aan het werk. Zoals we later lezen kwam God gewoonlijk aan het einde van de middag naar de aarde. Tijd voor overleg, het begin van sociaal overleg.
Adam doet verslag en stelt z’n vragen en doet voorstellen. God en Adam wandelen samen. Ze hebben de tijd voor elkaar en genieten van de Schepping. 
Adam ontdekt dan dat hij niet zoals de dieren een ‘soortgenoot’ heeft met wie hij kan optrekken. Hoe lang Adam alleen geweest is, weten wij niet. Maar het is duidelijk dat Adam al een stuk levensgeschiedenis achter de rug had toen God besloot om aan hem een helper te geven.
God schiep een vrouw en bracht haar naar Adam.  Adam was dolgelukkig en noemde haar Mannin [vrouw, virago, heldin, pas na de zondeval zal ze Eva (Hebr.=
חוה, Chavah), levengevende genoemd worden] vanwege het feit dat dit prachtige schepsel gebouwd was uit een rib van de man en zo vlees van zijn vlees en been van zijn been vormde.
Het was volop genieten voor hen beiden, en dus ook voor God.
Hier zijn twee mensen die niet zonder elkaar ‘kunnen’ en ook niet ‘willen’ en die leven en werken mogen ‘delen’ als vertegenwoordigers van de Schepper op aarde.
Adam en Eva vormen als God’s kinderen beiden het beeld van God en zijn volkomen gelijkwaardig – ook in de keuzes, die ze maken en als zodanig zijn zij vrij om te doen en laten wat zij willen, naast de ‘levensboom’ was er echter een beperking van hun vrijheid via de boom ‘van kennis van goede en kwaad’.
De tweede boom eist onze aandacht op en doet ook allerlei vragen in ons opkomen. Wat doet hij daar in het paradijs, een plaats ongestoord door de zonde?  Er dient in de volkomenheid van de schepping een boom te zijn die werkelijk het kwaad [zij het tezamen met het “goede”] vertegenwoordigt?
En is de plaatsing van zo’n boom zuiver om die eerste mensen op de proef te stellen? Had deze boom slechts zo’n negatieve functie?

Dit zijn vooralsnog “gedachten”, dat wil zeggen, geen afgerond wetenschappelijk onderzoek, maar een poging om een en ander, zij het deels wat speculatief, een mogelijke verklaring te geven. Wanneer de boom “van de kennis van goed en kwaad” zuiver als een beproeving van Adam en Eva beschouwd wordt, ligt het voor de hand om de naam te doen slaan op deze beproeving. De uitslag ervan zal de “kennis” leveren over de vraag of Adam en Eva “goed” dan wel “kwaad” handelen. En toch biedt het Hebreeuws een andere mogelijkheid.
Sowieso mag duidelijk zijn dat deze “kennis” geen intellectuele kennis is.
Door van de vrucht te eten zouden Adam en Eva niet ineens gaan begrijpen hoe een offeraltaar te bouwen (“goed”), of hoe een ingewikkelde misdaad te plannen en uit te voeren (“kwaad”) zou zijn.

De uitdrukking “kennis van goed en kwaad” wordt óók in “de boeken van Mozes” op een andere manier gebruikt, namelijk, om volwassenheid tegenover kinderlijkheid als begrip te stellen.
      En uw kleine kinderen, waarvan gij gezegd hebt: ‘ten roof zullen zij zijn, en uw zonen, die op dit ogenblik nog geen kennis hebben van goed en kwaad, die zullen dáár komen, ja, aan hen zal Ik het [Beloofde Land] geven en zij zullen het in bezit nemenDeut.1: 39.
Het draait om het sociale, de emotionele en persoonlijke omgang met God en de mens, een specifiek soort ‘volwassen’- geworden kennis.
In de persoonlijkheidsontwikkeling, de levensloop-psychologie van de mens
draait het voor wat z’n medemensen om:
1.]. In het leven van een volwassene:
– Kinderen krijgen en opvoeden, het werken,
waardoor inkomen wordt vergaard en hoe dit te besteden.
– De relatie met de partner en met de eigen ouders.
2.]. In het leven van de ouderen:
– De relatie met de partner, met anderen, waaronder vrijwilligerswerk
– De relatie met volwassen kinderen en kleinkinderen en het verlies van naasten.
Om goed te begrijpen wat deze boom met omgang’s bewustzijn te maken heeft
dienen we er bij stil te staan dat Adam, en vervolgens ook Eva, uit het stof der aarde geschapen werden met ‘volwassen’ lichamen. Desondanks hadden zij geen enkele levenservaring direct na hun schepping. Zij maakten het proces van het opgroeien van baby tot volwassene zelf niet mee. Indien je hun leeftijd op dag twee van de schepping hebben kunnen schatten, zeg maar pakweg minimaal 22 jaar, waren zij in hun beleving geen volwassenen.

Maar Adam en Eva waren niet in alle aspecten kinderen, zij kregen naast hun volwassen lichamen ook denkvermogens. Vanaf het begin lijkt het erop dat zij op een volwassen manier konden communiceren, zij spraken immers met God.
Indien wij hiermee rekening houden, kan de kennis van goed en kwaad van de bijzondere boom niet bedoeld worden om Adam en Eva onderscheidingsvermogen te geven. Het mag duidelijk zijn dat zij dát vermogen al hadden! Zij kregen een verbod om van die boom te eten. Daaruit wordt verondersteld dat ze ‘het besef hebben’ dat God-ongehoorzaam-zijn “kwaad” is, en dat God-gehoorzaam-zijn “goed” is. Ze hoefden van de boom niet te eten om dat te leren! God-ongehoorzaam-zijn is het jezelf verheffen, alsof je God helemaal niet nodig hebt, dat je zelf wel man’s [mens] genoeg bent om je leven te leiden, zoals jij dat wilt.

Schepping van de mens, Adam, vanuit het stof – Mosaïc. Sicilië Italië 12e eeuw]

En toch vond de Heer het kennelijk nodig om in het begin heel voorzichtig met de mens en zijn partner om te gaan. Ondanks het bevel om de aarde in te gaan [Gen.1: 28] en deze te vervullen, plaatst de Heer Adam en Eva eerst in de bescherming van een gecultiveerde tuin, de plaats die wij kennen als het paradijs.
Het Hebreeuws woord
 גן [hebr.=gan, tuin] suggereert een afgebakende park, bijvoorbeeld door middel van een grote hek, of heg.
Hier dienden Adam en Eva eerst dat nieuwe fenomeen van het leven te ontdekken. Hier moesten zij ook leren hoe zij het land konden cultiveren en zo gedomesticeerde planten doen groeien door middel van irrigatie.
      Er was nog geen enkel veldgewas op de aarde, en er was nog geen enkel kruid van het veld uitgesproten, want de Heer, onze God had het niet op de aarde doen regenen, en er was geen mens om de aardbodem te bewerken“ Gen.2: 5 en er was op dat moment ook geen mens die vanuit de rivieren irrigatiesystemen kon bouwen om het land te bewerken.

Hierdoor komen wij iets meer te weten van wat de mensen in de hof moesten aanleren. Zo ook laat God Adam de dieren verkennen. De Heer brengt ze tot Adam en Adam geeft de verschillende dieren aparte namen.
Hij merkt eerst dàn pas dat hij geen gepaste partner heeft en voelt zich eenzaam.
De Heer wilde Adam dat gevoel leren ervaren vóórdat Hij Eva voor hem schept.
Zo leert ons de Blijde Boodschap het paradijs te beschouwen als een opvoedingscentrum voor de eerste twee mensen. En gebonden met deze gefaseerde opvoeding van Adam en Eva is ook de merkwaardige constatering dat zij nog geen volwassen seksuele bewustzijn gegeven waren. Wij komen dit voor het eerst tegen na de schepping van Eva.
En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar
zij schaamden zich voor elkander niet
Gen.2: 25.

Mensen van allerlei geloofsrichtingen hebben hun spelleider, toezichthouder de vraag gesteld waarom? Waarom sta ik vroeg of laat naakt in de wereld en zie ik om mij heen het verderf?

Joseph [Hebr. = de Heer heeft toegevoegd]

Ik sta dan als Joseph, die in een droom bedenkt: “Ik ben ver van hier, hetgeen ik niet bemerkte, ik ben afgedwaald met alle mensen in het veld en ontdek bij het binden van het koren, wanneer mijn schoof zich van de aarde hief, bleef staan en staan bleef voor mijn ogen, terwijl de andere schoven al te faam zich voor mijn ogen bogenGen.37.
De dromen kwamen van onze Heer en zaligmaker, zij waren profetisch en God wilde dat Joseph de boodschap ervan aan anderen doorgaf. In een bepaald opzicht moest Joseph hetzelfde doen als alle Profeten na hem, die Gods boodschappen en oordelen aan Zijn Opstandige Volk bekendmaakten. Joseph was niet de eerste en ook niet de laatste aanbidder van onze Heer en God, die gevraagd werd een profetische boodschap door te geven, die niet populair bleek en zelfs tot vervolging leidde.
Van al die boodschappers was onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus, als Zoon van God de belangrijkste en Hij zei tegen zijn volgelingen: „ Gedenkt het Woord, dat Ik tot u gesproken heb:
Een dienaar, een slaaf staat niet boven zijn Heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn Woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. Maar dit alles zullen zij u aandoen om Mijn Naam, want zij kennen Hem niet, die Mij gezonden heeftJohn.15: 20,21.
      En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouderen zullen dromen dromen: ja, zelfs op Mijn dienstknechten en Mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van Mijn {Heilige] Geest uitstorten en zij zullen profeterenHand.2: 17,18.
Christenen van alle leeftijden en van alle volkeren kunnen dan ook ontzettend véél leren van het Geloof en de moed van de jonge Joseph. De wereld is in het dol-huis ‘naakt’ en heeft in de lof der zotheid de zorgen van haar toehoorders verjaagd.

Maar wanneer je goed om je heen kijkt zie je op elke hoek van de straat wel iemand met een gezicht als een vaatdoek, ogen, die pijn, verdriet en bitterheid uitstralen. En deze zullen op hun beurt in hun omgeving eveneens wreedheid, depressie en pessimisme teweeg brengen.
De mens is vergeten wat het vreugde betekent, of andersgezind heeft zijn leven niet weten af te bakenen [
גן (hebr.=gan, tuin) het afgebakende park] , door te zeggen tot hier en niet verder.
Het is de mensheid, zoals bij zoveel andere dingen, totaal niet bijgebracht te gaan leven door zichzelf en z’n doen en laten – ook wat het bovenaardse aangaat te bestuderen, het in ieder geval te proberen te begrijpen.
De filantroop, Onze Heer Jezus Christus, onze Verlosser, onze God, is uiteindelijk alleen maar op aarde gekomen, waar Hij de pijn van Zijn schepsel kon meevoelen, teneinde de pijn, de dood en alles wat daarmee samenhangt af te schaffen.

Jezus Christus, Verlosser van pijn en dood

Daar roept Hij onophoudelijk:
      Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; 
want Mijn juk is zacht en Mijn last is lichtMatth.11: 28-30.
De alomvattende weldoener, de mensenvriend, onze Heer Jezus Christus is gekomen als de overwinnaar op de dood:
1.]. bij de opwekking van Lazaros [Hebr.= ‘God helpt hem’] was Hij aanwezig teneinde ons duidelijk te maken dat Hij de overwinnaar is van onze slijtageslag.
2.]. de Opstanding van de eniggeboren zoon van de weduwe van Naïn [Hebr.= schoonheid], doet op ons een beroep ‘open’ te gaan staan, dat Hij de grondslag is van alle redding, een halt toeroept aan alle pijn, het  verlossend antwoord, de remedie is op onze persoonlijk verlies tegen de aanvallen van de tegenstrever. Onze Christus komt in Naïn en doet een Mysterie, een wonder plaatsvinden, alleen maar om een boodschap af te geven aan de wereld, aan ieder mens, dat die pijn een omkeerbaar conditie is. De tegenstrever lijkt misschien als een beest klaar om een ieder te verslinden, maar in feite is de mens al betaald en de duivel verslagen door de Verlosser van de mensheid.
De steeds maar doorgaande, niet aflatende dwaling van de mensheid is dat het weigert z’n toevlucht te nemen tot Christus als de tegenstander van de pijn en de blijdschap van de vreugde.
En tot op de dag van vandaag blijft Christus Zelf Zijn volgelingen toespreken op de meest geloofwaardige manier over de vreugde die de mens zichzelf kan gunnen en die niemand van hen zonder Zijn bemiddeling kan verkrijgen.

MP4: de grote Doxologie [arab]

Orthodoxie & de theologie van de feministen

    En het geschiedde kort daarna, dat Christus van stad tot stad en van dorp tot dorp trok, verkondigende het Evangelie van het Koninkrijk van God en de twaalven met Hem en enige vrouwen, die genezen waren van boze geesten en van ziekten: Maria, met de bijnaam: van Magdala [Hebr.= een toren], van wie zeven boze geesten uitgegaan waren, en Johanna [Hebr.= de Heer is een genadig gever], de vrouw van Chusas [Hebr.= zich haastend], de rentmeester van Herodes, en Susanna [Hebr.= lelie] en vele andere, die hen dienden met hetgeen zij bezatenLuc.8: 1-3.

De slagzin ‘het persoonlijke is politiek‘ betekende voor feministen op het westerlijk halfrond vanaf de jaren zeventig een vastberaden zoektocht naar een nieuwe levensstijl en identiteit, die niet zelden uitmondde in een moralistische levenshouding met totalitaire trekjes.
Vanuit gelovig perspectief zou je kunnen zeggen dat God in onze Heer Jezus Christus is geïncarneerd, in het vlees is gekomen; derhalve als een mannelijke mens.
Op zich heeft de mens één doel in het leven na te streven en dat is God te begrijpen voor zover het hem/haar gegeven is. Al de menselijke handelingen, het doen en laten en al de uitingen dienen dusdanig te zijn, dat ze de mens op dit doel richten, zodat er onder alles wat de mens doet niets is, wat daar niet op gericht is.
Nu had in theorie God ook een vrouw kunnen zijn, maar voor een christen is de menswording van Christus, die tegelijk God is, de Immanuël, God-met-ons nu eenmaal een man en dat is absoluut niet los te koppelen.
Theologisch gezien kun je geen argument aan voeren dat dit niet mogelijk zou kunnen zijn. Maar vanuit de historische werkelijkheid zou je het onwaar en onbetrouwbaar vinden, wanneer onze Heer Jezus Christus als vrouw werd voorgesteld.

Met name de katholieke zuil heeft op het westerlijk halfrond haar politieke systeem en het functioneren van katholieke vrouwen daarbinnen decennia lang beïnvloed. De bevoogdende houding van politici en clerus liet weinig ruimte voor de politieke en maatschappelijke ontplooiing van ‘het zwakke [?] geslacht‘.
Na het 2e [Rooms-Katholieke] Vaticaans concilie werden nogal wat oude waarheden onderuit gehaald en daardoor ontstonden onder katholieke vrouwen in navolging van de politieke stromingen vrouwenorganisaties, die vindingrijk konden zijn in het creëren van netwerken en het ontduiken van allerlei regels, zoals de toestemming van het episcopaat bij de oprichting van welke katholieke  organisatie dan ook. Het is om die reden iets minder verwonderlijk dat juist zij die doelstellingen van de feministische kiesrecht-beweging maximaal manifesteerden. Wij kunnen als theologen [man en vrouw] ook niet ontkennen dat de Blijde Boodschap vrouwelijke beelden kent. Onze Heer en Verlosser spreekt over Zichzelf als de hen, het vrouwtje van de hoender-achtigen, die de kuikens onder haar vleugels bij elkaar houdt. In de beschrijving van Mattheus 23 en in Jesaja lezen we over God in vrouwelijke beelden; de Heilige Geest wordt wel als vrouwelijk voorgesteld.
Maar historisch gezien klopt het niet om Jezus als vrouw voor te stellen, het zou dan ook tot ongeloofwaardigheid leiden. Als theoloog is het mogelijk dit gedachten-experiment te ondersteunen, als spelleider of toezichthouder laat je dat zeker wel uit je hoofd. In die situatie bekleed je vooral een beschermende taak, je beschermt de leer van de wereldomvattende Kerk van Christus en haar gelovigen. Een toezichthouder en een priester bekleden daarin per definitie een conserverende rol, al is het wel een levende traditie die zij dienen te bewaren.

Een vrouwelijke Christus, een ‘Christa’, is een breuk met de Orthodoxe visie, die gedeeld wordt door bijna alle andere Tradities binnen het wereld-Christendom.
Het vraagt te veel intellectuele nuance om die stap te maken en als gevolg daarvan dan niet tot een breuk te komen. Het gaat wèl over het hart van het Geloof. God is geen man en geen vrouw, Hij ‘overstijgt’ het geslachtelijke denken.
Als theoloog zou je wel als denkoefening een vrouwelijke Jezus Christus kunnen voorstellen, God wordt immers in de Bijbel soms met moederlijke beelden beschreven. De persoon van onze Heer, Jezus Christus is in de Blijde Boodschap een kwetsbare man, geweldloos ook, bij hem zien we geen stoere mannelijkheid.
Ook in het klassieke christendom zijn man en vrouw voor God volstrekt gelijkwaardig. Onze Heer en Verlosser is gekruisigd en opgestaan voor zowel mannen als vrouwen.

Christus als vrouw? Waarom zou je daarvoor kunnen vallen, dat zo kunenn kiezen? Feministische theologie wordt daarom wel beschouwd als een theologisch speculeren en niet als een provoceren, eerder als ongeloofwaardig.
Je komt daarbij op het gebied van het theologisch speculeren.
Stel dat Jezus een vrouw was geweest, waren Zijn discipelen dan ook vrouwen geweest? De consequenties daarvan zijn voor sommigen groter dan voor anderen. Je zou daarentegen wel mogen zeggen dat man en vrouw in Christus ‘gelijkwaardig’ zijn.
Je kunt niet weten of God wel redenen heeft gehad om onze Heer en Verlosser als man te laten incarneren, dàt gaat voorbij aan de Openbaring.
Wèl is het zo dat we ons in het westen Christus als westerling voorstellen, hetgeen eveneens nergens op stoelt.
Maar wij dienen het als goed te beschouwen om ons in alle openheid Christus voor te stellen in een andere cultuur; als Chinees, als Jood, als Afrikaan.
William Burns was de eerste zendeling die zich in China als Chinees heeft gekleed, met lange mantel en zijn haar in een paardenstaart. Eerst toen hij dat aan de chinezen duidelijk maakte bereikte hij aldaar de mensen met het de Blijde Boodschap. Zelf kun je in het huidige China ook afbeeldingen tegenkomen van onze Heer en Verlosser als Chinees. Dat is misschien vreemd voor ons, maar wij dienen wel te erkennen dat er recht en reden voor is. Het is arrogant om Jezus uitsluitend als westerse man voor te stellen. Historisch gezien dient Hij als Jood te worden afgebeeld.

Wat win je er eigenlijk mee om bestaande cultureel bepaalde voorstellingen van Christus los te laten teneinde het Geloof te verspreiden, òf om tevens bestaande cultureel bepaalde voorstellingen van Christus los te laten?
Het zou immers averechts kunnen werken, volgelingen van het ware Geloof [de vroeg-Christelijke vorm] zullen het als blasfemisch [godslasterlijk] opvatten, je ontmoet dan al gauw nieuwe polarisatie, verharding.
Daarom is het beslist geen goed idee, het is te ingewikkeld, gezocht, misschien wel aantrekkelijk in de stroom van de hang naar vernieuwing, maar zó zit de orthodoxe leer, de leer van de oude stempel – de vroeg-christelijke leer niet in elkaar. Het zal bovendien blokkerend werken, gelovigen in de ziel aantasten en alleen daarom al dienen wij als gelovigen, die Christus navolgen hier grote afstand van te nemen, wanneer we ermee geconfronteerd worden.

Indien de menselijke geest dan toch voortgang zoekt in de diepgang is het verstandiger jezelf te richten op de wijze waarop de heilige vrouwen zich in de Kerk hebben gemanifesteerd, zoals in bovenstaande perikoop door de Kerk op 9 October wordt voorgeschreven.
De Apostellezing geeft tevens aan:
      Doet alles zonder morren of bedenkingen, opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld, het Woord van het Leven vast-houdend, mij [Paulus] ten roem tegen de dag van Christus, dat ik niet vruchteloos [mijn wedloop gelopen, noch vruchteloos mij ingespannen heb.
       Maar ook indien ik geplengd word bij de offerande en de eredienst van uw Geloof, verblijd ik mij, en ik verblijd mij met u allen. Verblijdt gij u evenzo en verblijdt u met mij. 
Ik hoop in de Heer Jezus Christus Timotheüs [Hebr.= God vererend] spoedig tot u te zenden, opdat ook ik welgemoed moge zijn, wanneer ik vernomen heb, hoe het u gaat.
Want ik heb niemand die zo een van geest [met u] is, om uw belangen getrouw te behartigen; want allen zoeken zij hun eigen belang, niet de zaak van Christus Jezus.
Zijn beproefde trouw kent gij echter, dat hij, gelijk een kind zijn vader, mij in de dienst van het Evangelie heeft geholpen. Hem hoop ik terstond te zenden, zodra ik zie, hoe het met mijn zaak looptPhil.2: 14-23.

  De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken.
– Hij wijst mij te liggen in grazige weiden,
– Hij voert mij naar wateren der rust.
– Hij behoedt mijn ziel voor verdwalen.
– Hij leidt mij in sporen van Waarheid getrouw aan Zijn Naam.
Moest ik gaan door het dal van de schaduw des doods, kwaad zou ik niet vrezen.
Want naast mij staat Gij, uw stok en uw staf, zij doen mij getroost zijn.
Een tafel richt Gij mij aan in het aangezicht van mijn belagers en zalft met olie mijn hoofd. Mijn beker vloeit over.
Zo zijn dan geluk en genade om mijn schreden al de dagen van mijn leven.
Verblijven mag ik in het huis van de Heer tot in lengte van dagenPsalm 22[23], vert. Ida Gerhardt [1905-1997]

Apostel-lezing van de 4e October:
      Wat doet het ertoe? In elk geval, hetzij met een bijoogmerk, hetzij in oprechtheid, wordt Christus verkondigd; en daarin verblijd ik mij, en zal ik mij ook verblijden.
Want ik weet, dat dit mij tot behoud zal strekken door uw gebed en de bijstand van de  Geest van Jezus Christus, naar mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nu Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. Want het leven is mij Christus en het sterven gewin.
       Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht en wat ik moet kiezen, weet ik niet. Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil.
       En in deze overtuiging weet ik, dat ik zal blijven en voortdurend bij u allen zijn, opdat gij verder moogt komen en u in het Geloof verblijden. Dan zult gij ruimschoots reden hebben om over mij te roemen in Christus Jezus, wanneer ik weer bij u kom.
       Alleen, gedraagt u waardig het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig blijf, ik van u moge horen, dat gij vaststaat in een geest, een van ziel medestrijdende voor het Geloof aan het EvangeliePhil.1: 18-27.

Evangelielezing van de 5e October
    Waarmede zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken en waaraan zijn zij gelijk? Zij zijn gelijk aan kinderen, die op de markt zitten en elkander toeroepen het bekende: ‘Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst wij hebben klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend’.
       Want Johannes de Doper is gekomen, geen brood etende of wijn drinkende, en gij zegt: Hij heeft een boze geest!
       De Zoon des mensen is gekomen, wel etende en drinkende, en gij zegt: Zie, een vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars!
En de wijsheid is gerechtvaardigd door al haar kinderenLuc.7: 31-35.

Op de 5e October vieren we het feest van de Heilige Charitini, een navolgster van Christus, die tijdens het bewind van Diocletianus [284-305 na Chr.] de marteldood stierf . Zij was een slaaf van een rijk man genaamd Claudius, die haar waardeerde en haar respecteerde vanwege haar karakter en Genadegaven.
Haar manier van leven maakte haar inderdaad aantrekkelijk omdat ze ijverig was, zich goed gedroeg en zich met respect en liefde gedroeg tegenover haar heer en haar mede-slaven. Het duurde niet lang of het werd openbaar dat ze een Christen was, want dat bleek immers tevens uit haar gedrag.
Haar gehele manier van leven en gedrag verschilde van de afgod- aanbiddende slaven, die meestal antipathie en haat hadden voor hun meesters en voortdurend onderling met elkaar botsten.
Toen Claudia Charitini werd gearresteerd, kleedde Claudius zichzelf om zijn treurnis aan te tonen en terwijl hij haar een bruidsmeisjes-jurk aandeed huilde Charitini ondraaglijk.
Procureur Dometius, gaf omdat hij er niet in slaagde haar te overtuigen ‘Christus‘  te verloochenen en te offeren aan afgoden, het bevel haar het hoofdhaar af te scheren. Haar haar groeide echter terstond weer aan en de procureur gaf toen in zijn negatieve gevoelen de opdracht om haar hoofd met houtskool te bekleden en zuur over haar heen te gieten.
De heilige bad vurig tot de Heer door te smeken om deze onrechtmatigheid niet te laten plaatsvinden, waarop Christus onmiddellijk haar zuivere en zuivere ziel overnam.

Het leven en de staat van de Heilige Charitini geven ons de gelegenheid om het volgende te benadrukken:
1.]. De wijze waarop zij haar leven inrichtte en het gedrag van de heilige beïnvloedde haar meester Claudius zo goed dat het pijn en verdriet zou veroorzaken om zijn slavin [dienaar] te onderdrukken. En laten we niet vergeten dat dit gebeurde in een tijd dat de slavernij volop bloeide en slaven als waardeloos werden beschouwd die door hun meester op elk moment gebruikt konden worden zoals hem dat goed dunkte. Hij zou zelfs zijn slaven kunnen doden zonder iemand hem ook maar iets in de weg legde.
Maar ook voor haar mede slavenen degenen met wie zij samenwerkte was zij  een voorbeeld geworden dat diende te worden na gevolgd, en het is heel natuurlijk dat de mensen, die het goed bedoelen positief worden beïnvloed en ten goede verandering ondergaan.

H. Anthonius, De verzoeking van de heilige Antonius, Jheronimus Bosch

De Heilige Antonius de Grote noemt mensen menslievend wanneer zij diegenen, hoewel ze ongeschoold zijn, positief kunnen beïnvloeden, zodat zij hun zelf-gekozen, opbouwende doeleinden leren lief te hebben, maar ook degenen die in staat zijn om hun omgeving te genezen van hun ontuchtige handelingen en deze dusdanig om te buigen dat ook zij op humane wijze aan menselijke deugden gevolg kunnen geven.
    Iemand dient menslievend te worden genoemd, wanneer deze ten opzichte van de behoeftige, krachtig en verhelderend een voorbeeld blijkt te zijn en door zijn/haar gedrag een opvoedende werking op anderen uitoefent.
Op dezelfde manier heeft onze Heer en Verlosser  zijn Volgelingen tijdens Zijn aards bestaan, Zijn omgeving een rechtvaardige en hervormde staat bij gebracht, die wij als van God gegeven noemen. Het voorbeeld geven van een hervormde staat, wordt ook in de huidige tijd als humanistisch betiteld voor mensen, die verlossing bewerkstelligen. Lof, geduld, gelukzaligheid en hoop zijn bemoedigend in de geest van de mensen om ons heen “ conf. Philokalia.
2.]. God staat beproevingen en verleidingen toe voor de training en redding van mensen, maar laat niemand meer ervaren dan hij kan verdragen. Hij stond ook niet toe dat de duivel de mens ongecontroleerd plaagde, maar stelde hem voorwaarden, voorwaarden en beperkingen.
Toen de duivel om toestemming vroeg om Job pijn te doen, stond God toe dat Job het  diepe geloof van de oud-vaders onthulde en -hoewel voorwaardelijk- tot een voorbeeld van geduld en geduld werd. Hij benadrukte expliciet en ondubbelzinnig dat “zijn ziel bewaard bleef“. En in het geval van de heilige martelares Charitini zou God mogen worden verleid en gemarteld om te schitteren “zoals goud in een smeltkroes” en tot op zekere hoogte plaats maakt voor Geloof als standaard voor  geduld en voorzichtigheid.
Toen de duivel haar ziel wilde kwetsen en er op uit trok om dit te bewerkstelligen, openden zich onmiddellijk de hemelse woningen, opdat corruptie de kop in werd gedrukt en de  zuiverheid en de maagdelijkheid bewaard werd.
Zeker in deze tijd, die vol is van “me-too”-bewegingen wordt tevens het feit onthult dat God Degene is Die het persoonlijke leven van elke persoon leidt en Zich bekommert om de redding van de mens, zonder de natuurlijk gegeven vrijheid te schenden.
Maar er blijven nu eenmaal -ook in onze tijd en geledingen- enkele personen, die zich arrogant als goden en gehumaniseerd voordoen, maar zonder de Genade en de Kracht van God in de Openbaring en de Kerk hun dingen doen, die tot verschillende problemen in menselijke relaties en veel sociale afwijkingen geleid hebben.
Vergoddelijking is het natuurlijk doel van het menselijk leven, vanaf de opname in de Kerk, vanaf de Christelijke doop behoort dit als de enige ervaring en levensstijl te zijn, als gevolg van de werking van de Heilige Drie-enige God, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Dit is zo omdat God degene is die de Theosis en de zaligheid van de mens aan iedereen bij de schepping voor ogen heeft gehad.
Door de heilige levens, zoals die van de Heilige Martelares Charitini en al haar mede martelaressen te volgen, zullen wij het oorspronkelijk leven bereiken zoals Christus bedoeld heeft.

    Zalig allen, die de Heer vrezen; die wandelen op Zijn wegen.
De vrucht van uw moeiten zult gij eten; gij zijt gelukkig, en het zal u welgaan.
Uw vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok, die groeit langs de muur van uw huis. Uw kinderen als scheuten van een olijfboom, rondom uw tafel.
Zie, zo wordt een mens gezegend, die de Heer vreest.
Moge de Heer u zegenen uit Sion; moogt gij het welzijn van Jeruzalem zien, al uw levensdagen. Ja, moogt gij de kinderen van uw kinderen zien, dat er Vrede mag heersen over Israël [en Zijn Kerk]” Psalm 127[128], vert. ROK ‘s-Gravenhage.

19e Zondag na Pinksteren – ‘Ween niet’ en hoor God’s Stem: “ Jongeling, Ik zeg je, sta op!”

      En het geschiedde kort daarna, dat Hij reisde naar een stad, genaamd Naïn. En zijn discipelen reisden met Hem, en een grote schare.
       Toen Hij dicht bij de stadspoort gekomen was, zie, een dode werd uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, die weduwe was, en veel volk uit de stad was bij haar.
       En toen de Heer haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogen en Hij heeft tot haar gezegd: ‘Ween niet’.
       En naderbij gekomen raakte Hij de baar aan – de dragers stonden stil – en Hij zei:  ‘Jongeling, Ik zeg je, sta op!’.
       En de dode ging overeind zitten en begon te spreken, en Hij gaf hem aan zijn moeder.
En vrees beving hen allen en zij verheerlijkten God, zeggend:
      Een groot profeet is onder ons opgestaan’, en:
      God heeft naar Zijn Volk omgezien’
“.
Luc.7:11-16

      De God en Vader van onze Heer Jezus, geprezen zij Hij in eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. Te Damascus liet de stadhouder van koning Aretas de stad van de Damasceners bewaken, om mij te grijpen,
       en door een venster in de muur werd ik in een mand neergelaten en ik ontkwam aan zijn handen.
       Er moet geroemd worden; het dient wel tot niets, maar ik zal komen op gezichten en openbaringen des Heren.
       Ik weet van een mens in Christus, veertien jaar is het geleden – of het in het lichaam was, weet ik niet, of dat het buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het – dat die persoon weggevoerd werd tot in de derde hemel.
       En ik weet van die persoon – of het in het lichaam of buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het – dat hij weggevoerd werd naar het paradijs en onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken.
       Over die persoon zal ik roemen, maar over mijzelf zal ik niet roemen, of het moest zijn in mijn zwakheden. Want als ik wil roemen, zal ik niet onverstandig zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik onthoud mij ervan, opdat men mij niet meer zal toekennen dan wat men van mij ziet en hoort, en ook om het buitengewone van de openbaringen.
       Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen.
       Driemaal heb ik de Here hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten.
En Hij heeft tot mij gezegd:
‘ Mijn Genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij zal komen
“ 
2Cor.11: 31-12: 9.

Het Evangelie:
Wie is die Jesus, die Zoon van God?
Dit is vanaf het eerste begin tot op de dag van vandaag een vraag geweest, die op de lippen van mensen is geweest. Elk van de evangeliën biedt een enigszins ander antwoord op de vraag; een passend antwoord voor de specifieke Gemeenschap, weergegeven door een van de Evangelieschrijvers.
Terwijl de Evangeliën verslag doen van de leringen van onze Heer en Verlosser, geven ze tevens een verslag van daden van Macht en Superioriteit, waarin Christus, als Zoon van God, mensen geneest en in sommige gevallen hen uit de dood opheft. De woorden van Jezus zijn in onze moderne tijd veel méér dan zijn helende inspanningen.
In het voorspel van datgene wat wij overeenkomstig onze kalender op deze zondag lezen geneest Christus de dienstknecht van [‘Cornelius?, naam afgeleid van ‘Corn’= hoorn, ‘een ‘harde‘ huid’] de Honderdman, die op sterven ligt.
In de perikoop, die we vandaag lezen komt Christus nèt iets te laat.
Vandaag wordt vermeldt: “Toen Hij dicht bij de stadspoort gekomen was, zie, een dode werd uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, die weduwe was”.
        Is dat even een misrekening, het lijkt de huidige wereld wel, de zorgkosten stijgen elk jaar. De oorzaak is dat steeds meer mensen een beroep doen op de hulp van fondsen. Er dient bezuinigd te gaan worden, maar hóe, dat weet nog niemand, paniek in de tent bij een oriënterende ronde, er zijn zoveel vaagheden. Er worden vermoedens uitgesproken over de enorme toeloop van aanvragen – de mensen worden dankzij al die Genadegaven ook veel ouder. De Mens weet de grote Zorgverlener sneller te vinden en worden sneller geholpen en ouders willen tenslotte de ‘beste’ zorg voor hun kinderen.
            Maar terugkomend op het Evangelie, wat een verdriet schuilt er in deze  omschrijving van Lucas, Christus is nèt te laat. De jongeling is gestorven en hij is de enige zoon van zijn moeder die bovendien ook nog eens weduwe is.
Lucas laat de aandacht vallen op het wegdragen van deze jongeling.
Hij gebruikt het woordje ‘zie‘ en beschrijft de handeling in de onvoltooid verleden tijd, waardoor de nadruk valt op deze handeling.
Men mag dit stukje daarom ook als volgt vertalen: “zie daar was men bezig een gestorvene uit te dragen…”. De nadruk valt hier in eerste instantie niet op onze Heer en Verlosser, maar op de jongeling van Naïn, die gestorven is.
De suggestie wordt gewekt dat onze Heer ‘nèt’ te laat komt, Hij heeft het nakijken, is dat eventjes een teleurstelling over de Gerechte afloop, de dood is Hem dit keer te vlug af, wat hier op aarde een ambtelijke pennenstreek is, blijkt in de Hemel een gezicht, een icoon te hebben.
In bovenstaande verhandeling aan de stadspoort over de jongeling van Naïn tekenen zich twee scharen af, die elkaar in tegenovergestelde richting naderen.
Er is een schare die Jezus volgt en die op weg is naar Naïn. zij volgen de Vorst van het leven; en er is een schare die net de stad uit komt en achter de baar loopt waar de gestorvene op ligt. Het is de schare die achter de vorst van de dood aangaat. Lucas stelt dat beide scharen groot waren.
Het woord οχλος [lett: gepeupel, te hoop gelopen menigte] betekent in de Blijde Boodschap doorgaans een niet gering getal mensen maar nu is ook het woordje ‘groot’ erbij gevoegd [Gr.= πολύς χίκανός – ‘veel kuikentjes’].
            Kortom hier treffen beide  grote scharen elkaar en het was in die tijd [en ook bij ons] de gewoonte dat een rouwstoet ‘voorrang’ kreeg. Men diende eerbiedig aan de kant te gaan staan.
Men had toen eerbied voor de tegenstrever, de vorst van de dood. Geen mens, die ooit geboren is, kan de wereldse vorst van het leven ontlopen. Vroeg of laat zal ieder mensenkind voor de dood, deze ‘ grillige vorst’ dienen te buigen, daar wil je wel eventjes voor aan de kant gaan en als het enigszins kan maak je ook nog een kruisteken!

Lucas verhaalt hoe Jezus deze droevige stoet ziet, opnieuw gebruikt Lucas het woord ‘zien’, maar nu gebruikt hij een tegenwoordig deelwoord wat de nadruk op deze handeling aangeeft:
“ . . . . toen de Heer haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogenLuc.7: 13.  Over het feit dat de Heer haar zag, letterlijk “Hij zag naar haar om’” zou je boekdelen kunnen schrijven. Over dat woordje ‘[om]zien’ van Onze Heer en Verlosser naar ellendige schepselen zou je hele verhandelingen kunnen houden . . . . .
Ik noem slechts Exodus 6 : 1-7, sla het maar open, waar vermeld staat dat God de kinderen van Israël [de Kerk] ziet en dat God hen kent. Het gaat hier om de verdrukking door de Egyptenaren van het Volk, dat met Hem een Verbond is aangegaan. Israël, zowel als de Kerk, God ziet naar Zijn Volk in ellende om, daar hebben we het vorige week ook al over gehad. Wanneer je in zak en as zit kijkt God naar je om en is de Verlossing nabij. God ziet vanuit de hemelen neer op Zijn Volk. Met droefheid moest Hij de vele tekortkomingen en overtredingen vaststellen.

Telkens weer zond Hij Zijn Profeten om hen te waarschuwen en op te roepen tot bekering. En, de Barmhartigheid van God is, dat Hij in plaats van dit onboetvaardige volk voor eeuwig te verstoten [iets, wat het zeker had verdiend], belooft Hij in de toekomst een nieuw Verbond met hen te zullen oprichten [lees maar bij Jer.31: 31-34].
Opeens wordt het doodse zwijgen doorbroken en klinkt de levendige stem van onze Heer en Verlosser: “ween niet”.
Ween niet? Is dit niet een opmerkelijk bevel?
Deze vrouw moet toch haar verdriet kwijt zien te geraken, dat weet ieder spelleider, zo u wilt de pastor, de dominee en Zeker onze Heer Jezus Christus, de goede Herder.
Bovendien heeft deze weduwe een grote schare bij zich die haar bijstaat in haar verdriet. ‘Ween niet‘ dat is toch te dol voor woorden, is dit op zo’n moment geen ‘misplaatst’ bevel?
Deze woorden komen echter uit de mond van onze Heer en Verlosser, de Schenker van het Leven en dan liggen de zaken toch wel een beetje anders.
Het boek Openbaringen geeft ons nòg méér inzage in het werk van de Schenker des Leven’s. Je hoort dáár de stem van de Troon vanuit de Hemelen zeggen:
  Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen Zijn Volkeren zijn en God Zelf zal bij hen zijn en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.
En Hij, die op de Troon gezeten is, zei:
    Zie, Ik maak alle dingen nieuw’. En Hij zei: ‘Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. En Hij sprak tot mij [Johannes de Theoloog]: ‘ Zij zijn geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water van het leven om niet. Wie overwint, zal deze dingen beërven en Ik zal hem/haar een God zijn en hij.zij zal Mij een zoon/dochter zijn” Openb.21: 3- 7.
Dit ‘Weent niet’ biedt zo’n Machtig perspectief, een verrassend doorkijkje. Voor men het weet is men als mens aangekomen in Openb.21: 4; aldaar worden zelfs alle tranen gedroogd omdat God de oorzaak weg neemt namelijk de dood.

De Schenker van het Leven maakt het verschil tussen nèt te laat en ‘niet‘ te laat.
Lucas houdt ons voor dat onze Heer de baar aanraakt; voor een Jood is dat zéér onverstandig want dan werd men onrein en kon men voor even niet deelnemen aan de dienst in de Tempel. God dienend was men dàn uitgerekend en voor even uitgeteld. Christus, onze Heer, Die echter volkomen rein is, neemt dus plaatsvervangend de onreinheid van de dood op Zich. Toen Jezus echter de baar had aangeraakt, stonden de dragers stil.
Hier houdt de dood eerbiedig stil voor de Schenker des Levens en dàn klinkt Zijn machtwoord: ‘Jongeling, Ik zeg tegen jou: sta op‘.
Het is het machtswoord van de Schenker des Levens, hetgeen ontzettend veel meer uithaalt dan een geneesheer, een dokter, die in dit geval net te laat zou komen. Dit Machtswoord van onze Heer klinkt overigens ook door in Zijn Pedagogie van de Blijde Boodschap, waardoor doden de stem van de levende God gaan horen en gaan leven en
dàt . . . . . voor eeuwig . . . . . ja, eeuwige gedachtenis!

Apolytikion     tn.2.
Toen Gij, het onster’flijke Leven nederdaalde tot de dood,
hebt Gij de kracht der onderwereld gedood door de bliksem der Godheid.
En toen Gij de gestorvenen uit de onderwereld opwekte,
riepen alle Machten der Hemelen:
O Christus onze God, Schenker des Levens, ere zij U
“.

Kondakion     tn.2.
Gij zijt opgestaan uit het graf, Almachtige Verlosser,
en bij het aanschouwen van dit wonder stond de onderwereld verslagen.
De doden verrezen en heel Uw Schepping verheugt zich samen met U.
Ook Adan jubelt en het Heelal mijn Verlosser,
zingt U de lofzang zonder einde
“.

Theotokion     tn.2.
Onbegrijpelijk en hoog-Heerlik zijn alle Mysteriën
Die aan u voltrokken zijn, o Moeder Gods.
Verzegeld in reinheid en vast in maagdelijkheid,
zijt gij waarlijk Moeder geworden
en hebt gij de Ware God gebaard.
Smeek tot Hem dat onze zielen worden verlost
”.

De Apostel-lezing van vandaag:

Petrus & PaulusApostelen, icon I.M. Karakallou, Athos

Paulus [Hebr.= ‘klein’] was een man die zeer geliefd was door God.
Hij werd als nakomeling onder de Apostelen gerekend, hij had immers de opgestane Heer in het verblindende Licht [als op de berg Thabor] gezien op de weg naar Damascus [Hebr.= de zakkenwever zwijgt].
Hij kreeg, zoals hij vanmorgen vermeldt, vele Goddelijke bezoeken en toch kreeg hij een doorn in het vlees vanwege zijn nederigheid. De Vader begrijpt deze doorn als een bepaalde verleiding of beproeving of moeilijkheid, een kruis dat door God aan Paulus werd gegeven.
We weten niet zeker wat de doorn was, maar we kennen zijn reactie – hij smeekte om opluchting, ontving een woord van de Heer [“Mijn kracht is volmaakt geworden in zwakheid” en hij aanvaardde vanaf dat moment maar al te graag zijn doorn in het vlees.
En we weten waarom de H. Paulus dit specifieke kruis heeft gekregen om te dragen, hij vertelt ons de reden – om de hoogmoed te bestrijden die zou kunnen komen van de vele Genadegaven, Die God hem had gegeven.
Wetende dat onze strijd van God komt, is een beetje opluchting, maar vragen waarom we deze worstelingen moeten doorstaan is een vraag die velen van ons hebben.
We zullen het onderwerp benaderen met de woorden van H. Isaäc de Syriër, wiens geschriften, over het geestelijk leven tot de meest gerespecteerde kerkvaders behoren.
En we zullen daarbij zijn homilie gebruiken, toepasselijk getiteld:
Over de redenen waarom God toestaat dat verleidingen komen over degenen die Hem liefhebben”, het gaat hierbij over de Kracht uit den Hoge, die ons volmaakt maakt in onze zwakheid en dat we trots mogen zijn op onze zwakheden vanwege Christus.
We horen om ons heen voortdurend de vragen;
Waarom ik – waarom lijd ik, waarom worstel ik, waarom zijn dingen zo slecht” dat zijn vragen, die wij onszelf voortdurend voor ogen houden.

Maar waarom is het zo?
Wetende dat onze strijd van God komt, geeft een beetje Geestelijke ondersteuning, een beetje lucht/wind van de Heilige Geest, maar vragen waarom we deze worstelingen moeten doorstaan is een vraag die velen van ons hebben.

H. Isaäc de Syriër

De Heilige Isaäc de Syriër geeft ons 3 basisredenen
waarom God ons een doorn in het vlees heeft meegegeven:
1.]. Want [de verwerving van vrijmoedigheid voor Hem] God staat toe dat Zijn heiligen worden berecht door elk verdriet, dan om opnieuw te ervaren en om Zijn hulp te bewijzen, en om te begrijpen hoe groot een voorzienigheid Hij voor hen heeft, want in hun gevaren is Hij hun tot Verlosser bevonden“.
God staat ons toe om berecht te worden zodat we Zijn zorg, Zijn verlossing, Zijn redding kunnen ervaren. Zoals de Apostel Paulus het formuleert: “zodat we Zijn Kracht in onze zwakheid kunnen ervaren”.
Ons Geloof, in de navolging van Christus, onze Verlosser, neemt toe wanneer Hij ons helpt onze doorn in onze belevingswereld te verdragen, en met meer Geloof groeien we ook in vrijmoedigheid voor God.
We kunnen met Geloof en Vrijmoedigheid voor onze Heiland staan, met de grootste Hoop op onze persoonlijke redding.
Verdere uitleg op dit punt door de H, Isaäc maakt ons tevens duidelijk:
We leren de zwakte van onze aard en de hulp van Goddelijke kracht wanneer God eerst Zijn kracht van ons weghoudt terwijl we in verleiding zijn. Op die manier maakt Hij ons bewust van de impotentie van onze natuur, de moeizame verleidingen en de sluwheid van de vijand. Aldus geeft Hij ons te verstaan tegen wie we dienen te strijden en waar wij het moeilijk mee hebben . . . hoe machteloos we wel niet zijn voor het aangezicht van elke hartstocht … “.
We verkrijgen hiermee inzicht in de diepte van onze zwakheid en de noodzaak van God’s redding, wanneer we gezonken zijn temidden van verleidingen. En ons Geloof wordt versterkt waneer we onszelf aanleren om alleen nog redding bij onze Heer en Verlosser te zoeken en we onderkennen daarop Zijn snelle reageren op onze verzoeken.
2.].En nogmaals, [zo schrijft de H. Isaäc, laat God verleidingen toe] dat we wijsheid kunnen verkrijgen uit verzoekingen … zodat we de kennis van alle dingen kunnen verwerven, opdat misschien we niet worden bespot door de demonen. Want indien Hij [God] ons alleen in het goede zou laten oefenen, dan zouden we geen training op andere onderdelen verkrijgen en slechts blind ten strijde trekken . . . indien de mens niet eerst door de ervaring van het kwaad wordt beproefd, heeft hij geen smaak voor het goede … hoe zoet is kennis die is opgedaan door feitelijke ervaring en door ijverige training”.
Onze verleidingen, onze doornen, onze kruisen, in onze strijd in Christus verheffen de deugd van de Genadegave van Wijsheid. We leren uit de eerste hand de keuze tussen goed en kwaad, tussen God en onze vijand. Adam en Eva werd, in de hof van Eden, gezegd niet te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. In het begin waren ze niet klaar voor die verantwoordelijkheid. Maar de Vaders zijn het er allemaal over eens dat ze uiteindelijk klaar zouden zijn en dat ze dat ooit verboden fruit met Gods zegen hadden kunnen opeten.
God leert ons zodat we er helder inzicht door verkrijgen en klaar zijn voor de strijd – zoals de Schriften zeggen, Hij legt nooit een last op ons die te zwaar voor ons is om te dragen.
We worden op Zijn Woord getraind in de druppelsgewijze aangedragen wijsheid en verkrijgen daarop overeenkomstig datgene wat wij aankunnen naar vermogen kennis en de ervaring van God. En onze kracht komt voort uit God en niet uit onszelf, zoals de H. Isaäc dit in het eerste punt al heeft aangegeven en wordt in tijden van verleiding steeds verder opgebouwd.
3.]. Het derde en laatste punt dat Isaäc maakt, is dat God ons verleidingen toestaat, zodat als we groeien in wijsheid, indien we nimmer afhaken, maar volharden, waarmee ons Geloof wordt versterkt en we de vrijmoedigheid verkrijgen voor de Heiland.
Wanneer Hij als God Zijn genadige Genadegaven over ons kan blijven uitstorten wanneer onze training heeft ons klaargestoomd om Hem te ontvangen, in ‘communio’ met Hem te leven.
God laat ons die doornen in het vlees tot bloedens toe ervaren, zodat we kunnen worden getooid met de Genade van nederigheid, door in het gebed te volharden komen we God steeds verder nabij, ervaren we het Geloof in de Verwachting, verkrijgen wij dapperheid in het aangezicht van de  verzoekingen en vrijmoedigheid voor het aangezicht de Wijsheid van God.
De H. Isaäc schrijft: “
– De ascetische worstelaars [de doodgewone volgelingen van Christus] worden berecht, dat kunnen we toevoegen aan onze rijkdommen;
– de luiaards worden beproefd, opdat zij daardoor kunnen waken voor wat schadelijk voor hen is;
– de slaperigen worden beproefd, opdat zij gewapend zijn met waakzaamheid;
⁌ zij die ver weg zijn, worden berecht, opdat zij nader tot God komen;
⁌ zij die God’s eigendom zijn, worden beproefd,
opdat zij met vrijmoedigheid zijn huis mogen binnengaan.
Daarom probeert God ons eerst uit en treft ons tot in het diepst van ons hart en
vervolgens onthult Hij daarop Zijn Genadegaven.
Eer komt toe aan onze Heer en Meester Jezus Christus,
Die ons de zoetheid van gezondheid brengt met krachtige, maar zware medicijnen!”
God test onze zwakheden om ons sterker te maken, zoals een bodybuilder,
die zijn zwakkere gebieden uitwerkt om ze aan te scherpen en perfect te maken.
God geeft ons onophoudelijk de mogelijkheid om Zijn Genadegaven te verkrijgen,
ons als een voortdurende Schepper aan Zijn Beeld de Gelijkenis gevormd te krijgen en dat vindt slechts plaats in de ons gegeven tijden van beproevingen en verleidingen.
Zoals de H. Isaäc het formuleert:
Eer komt toe aan onze Heer en Meester Jezus Christus,
Die ons de zoetheid van gezondheid brengt
door ons zware medicijnen toe te dienen!

Eer aan God, door onze Heer, Jezus Christus!
Eer aan Hem, voor nu en alle eeuwigheid!

H. Ephraïm de Syriër

Zijn evenknie voegt hier nog aan toe:
Ik, Ephraïm ben stervende en
schrijf mijn testament.

Moge het een getuigschrift zijn voor
hen die na mij komen;

Bidt dag en nacht, uw hele leven door.
Zoals een ploeger ploegt, dag in dag uit.
Een ploeger, zijn werk is eerzaam en bewonderenswaardig;
Wees niet zoals luie mensen in wier velden doornen groeien.
Bidt constant, want hij die het Gebed liefheeft,
Zal hulp vinden in beide werelden“.

            Gaandeweg zullen we hoe langer hoe meer gaan beseffen dat
we onze spelleiders en toezichthouders in de oorlog tegen de vijand eigenlijk helemaal niet nodig hebben om inzicht in die oorlogen te krijgen.
            Zij gaan veelal uit van ‘andere’ belangen, die zij zichzelf hebben toegemeten, hun grootste zorg [en angst!] gaat in het westen vaak uit naar de indruk, die zij in de geschiedenis zullen achterlaten en zij zijn daarop geneigd tot de meest intense leugen-achtigheid. Helden blazen zich immers op, schurken belazeren zelfs de geschiedschrijvers.
De meest betrouwbare kroniekschrijvers, zijn degenen:
  die zich in hun binnenkamer terugtrekken,  de gewone navolgers van Christus,
– die zich als een kluizenaar schuilhouden, zij die zich ‘werkelijk’ onder behandeling blijven stellen van de Enige Geneesheer van het Leven.
– die stilzwijgend de wereld in kijken en zich verwonderen over zoveel onnodig leed;
•  De gewone mensen die zonder ambitie maar met een veel groter historisch besef, zonder eigenbelang, die  oorlog tussen de mens en zijn vijand vastleggen. Temidden van alle chaos, smeerlapperij, onoverzichtelijkheid, slechtheid en gevaar, ook voor eigen leven, vervullen zij hun zelfopgelegde taak.
•  En wanneer het stof van de bommen, het vergiftigende gas, kortom de kruitdamp is opgetrokken zijn hun tijdgenoten hen dankbaar, het nageslacht zal vaak zelfs opgetogen zijn.
In de Lage Landen hebben we over de kwaliteit en de kwantiteit van kroniekschrijvers de afgelopen kerkhistorische jaren van ‘kommer en kwel’ niet te klagen gehad. Behalve de bekendste van allen, de Apostelen Petrus en Paulus, zijn er honderden verdienstelijke burgers van het Hemelrijk, die in soms moeilijke omstandigheden hun deel van de werkelijkheid nauwkeurig en consciëntieus hebben bijgehouden; voor later, want dat er voorzeker een làter zal zijn, dat staat voor iedereen vast.
•  Toch blijven wij ons maar voortbewegen op de weg naar het einde der tijden, hetgeen voor velen – òf we hun gedachten nu kennen of niet – een bewegen zal zijn op een moeilijk begaanbaar grensgebied tussen Waarheid en bezegeling, waarin iemand’s leven beschreven wordt en reflecteert vanaf zijn kindertijd tot zijn ‘over’-lijden.
•  Voor de Troon van God wordt eerst dàn verantwoording afgelegd van het simpele begrip van religie en natuur met de luttele levensplanning en zelfbeeld.
➥ Vanwege de bloedband met Christus en de erfenis, die daaruit voorkomt weten wij ons in ieder geval gered en zullen tot in de eeuwigheid leven in het Hemels Koninkrijk.   

October de 1e – Orthodoxie & de bescherming van onze al-heilige Moeder God’s, de Theotokos.

Mozes bouwt de Ark van het Verbond, kopergravure by Jan Goeree, Amsterdam 1730

      Nu had ook wel het eerste [Verbond] bepalingen voor de eredienst en een heiligdom voor deze wereld. Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kandelaar en de tafel met de toonbroden stonden; deze werd het heilige genoemd; en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het Heilige der Heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark van het Verbond, rondom met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden kruik met het manna, de staf van Aäron, die gebloeid had, en de [-2-] tafelen van het Verbond [met de 10 Geboden]; daar-boven waren de Cherubijnen der Heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwen; hierover kunnen wij nu niet in bijzonderheden treden.
     Dit was dan aldus ingericht, en de priesters kwamen bij het vervullen van hun diensten voortdurend in de voorste tent, maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het Volk in onwetendheid bedrevenHebr. 9: 1-7.

 

icon ‘Protection of the Theotokos’

Vandaag staat de Maagd midden in de Kerk en met de koren van alle Heiligen bidt ze  onzichtbaar voor God voor ons. Engelen voorouders, waaronder overleden toezichthouder’s van het Geloof vereren haar, Apostelen, Martelaren en Profeten juichen samen, omdat zij voor ons bidt tot de eeuwige God!”.
Deze wonderbaarlijke verschijning van de Moeder Gods vond plaats in het midden van de tiende eeuw in de hoofdstad Constantinopel, in de Blachernae-kerk, waar haar gewaad, sluier en deel van haar riem werden bewaard nadat ze in de vijfde eeuw uit Palestina waren overgebracht.
Wat moeten wij heden ten dage eigenlijk met haar gewaad, sluier en deel van haar riem?

‘Heavenly Jerusalem’, see: ‘all feasts’ of the church-calendar together

                 Welnu, God heeft ons naar Zijn Beeld en gelijkenis geschapen uit het stof van de aarde, zodat wij een samenwerking met Hem kunnen aangaan om Zijn wereld te voltooien. Onze oprechte bezorgdheid voor het leven dat we op aarde leven, mag ons bewustzijn van het ‘leven van de komende wereld‘ niet uitsluiten, waaronder hemel en aarde [een Nieuwe Hemel en aarde] gesymboliseerd in het Nieuwe en Hemelse Jeruzalem. Om temidden van het Kerkelijk leven, het Lichaam van Christus staande te blijven, om datgene te laten functioneren wat op ‘kritieke momenten in de kerkgeschiedenis‘ door de Verlichting door de Heilige Geest gezamenlijk uit de Schrift geleerd is en wàt allemaal vastgelegd is in de belijdenissen van de Vroeg-Christelijke Kerk.

            
In díe belijdenis hebben onze voorvaderen, die God in een andere tijd gediend hebben, verwoord Wie’ God is, hoe’ God in de Blijde Boodschap spreekt. 
Onlosmakelijk daaraan gekoppeld zien we wie ‘wijzelf’ als mensen zijn. Onze verlorenheid maakt ons totaal aangewezen op ‘God’s Genadegaven’.
     Het Godsbeeld en het bijbehorende beeld van de mens behoren bijeen en om die beide gaat het in ons Christelijk Geloof. Het geloof leeft niet bij beelden maar door het spreken over God, Hij leeft als gevolg van Zijn Liefdesgebod en de daarop volgende Belofte van het Heil.

Het Hemels Koninkrijk is ‘vrij’ en zij is onze moeder, los van welk Patriarchaat òf welk door mensenhanden geconstrueerd instituut dan ook.
Het Hemels Koninkrijk is ‘het Huis’ van één God, hoofdstad van twee volkeren,
heiligdom van drie religies en gesymboliseerd in de enige stad Jeruzalem,
die twee keer bestaat: in de Hemelen zówèl als op de aarde.
Als Christelijke Gemeenschap van het Nieuwe Verbond, de nieuwe verbintenis tussen God en de Volkeren mogen we denken aan het Hemelse Jeruzalem, het Jeruzalem dat hier Boven is en ook van Boven is gekomen op aarde.
Met het Jeruzalem van hierboven – verwijst de Apostel Paulus naar de vervolmaakte Kerk, het Koninkrijk der Hemelen, dat is vermengd met de kerken hier op aarde.

      Eens was de gedachte dat er ook in Jerusalem Vrede tussen de Palestijnen en het oude Volk mogelijk zou zijn. Strategisch is het zo dat Jeruzalem werd afgesneden van het natuurlijke achterland, de Westoever. Ook tussen Bethlehem en Jeruzalem, altijd met elkaar verbonden geweest, is een nederzetting geplaatst. Vervolgens de muur, de checkpoints, en ook de verwoestingen van huizen, langzaam maar zeker worden de plaatselijke bevolking Jeruzalem uitgewerkt;  een sluipende etnische zuivering.

      We kennen ‘allemaal‘ [?] te duidelijk de tekortkomingen van de Kerk en afgescheiden kerken hier op aarde – ze worden zeer snel opgemerkt door de wereld om ons heen. Maar ook, op de een of andere manier, ondanks zijn fouten en onvolkomenheden in de uitoefening van z’n bediening, iets van het Jeruzalem dat boven is, blijft iets van die volmaakte Kerk in de hemelen schijnen – het is één door God geïnspireerd oecumenisch lichaam, het ‘Lichaam van Christus‘.
Het Lichaam van Christus vormt de onderlinge liefde’s-basis van de wereldraad van kerken.

De Kerk brengt kinderen het Koninkrijk binnen door de doop en voedt hen op hun reis door hen door God geschreven Woord en het beheer van de andere Mysteriën [ Sacramenten] te onderwijzen.
Hoe een goede moeder te zijn vereist veel Genadegaven en veel Gebeden, welke door ascese inzicht en fundamentele door de door de H. Geest gegeven Wijsheid, kennis van het Koninkrijk oplevert. Geen Patriarchaat, instituur, stad of land kan zich eenzijdig -in de ogen van de éne God-  de aarde toe eigenen; als God is Hij immers ‘De Éne’, Die de voortgang bepaalt en ‘op Wie’ men aanspraak kan maken wanneer men ondersteuning behoeft.

In de blijde Boodschap zie je dat God aangeeft, dat ‘Hij -als God, Hij, Die is en zal zijn’, herinnerd wil worden. Het Volk is nauwelijks uit Egypte bevrijd, de tranen van de Rode Zee heeft zij ondergaan en zij bevindt zich nog in de woestijn, òf God geeft instructies voor de bouw van een draagbaar heiligdom, waar offergaven gebracht dienen te worden. voor het brengen van offers èn voorschriften voor de kleding van de hogepriester.
⁌ Er dient een borsttas gemaakt te worden:
      Gij zult een borsttas, -schild der beslissing maken, kunstig werk.
• Op dezelfde wijze als de efod [een (speciale) gordel] zult gij het maken: van goud, blauwpurper, roodpurper, scharlaken en getweernd fijn linnen zult gij het maken.
– Vierkant zal het zijn, dubbel, een span lang en een span breed. Gij zult het vullen met een steenvulling, vier rijen stenen: een rij rode jaspis, chrysoliet en malachiet, de eerste rij;
– de tweede rij: hematiet, lazuursteen en prasem;
– de derde rij: barnsteen, agaat en amethist;
– de vierde rij: turkoois, chrysopraas en nefriet. {Elk der edelstenen heeft een eigen betekenis]
Met goud omgeven zullen zij in hun zettingen gevat zijn. En de stenen zullen overeenkomstig de namen van de zonen van Israël twaalf in getal zijn, overeenkomstig hun namen; als zegel-graveerwerk zullen zij, elk met zijn naam, zijn voor de twaalf stammen.
• Ook zult gij op het borstschild gedraaide kettinkjes maken, vlechtwerk, van louter goud.
• Gij zult op het borstschild twee gouden ringen maken en de beide ringen aan de beide einden van het borstschild zetten.
• Gij zult de beide gevlochten kettinkjes van goud in de beide ringen aan de einden van het borstschild doen. De beide andere einden der beide gevlochten kettinkjes zult gij aan de beide kassen vastmaken en op de schouderstukken van de efod zetten, aan de voorkant.
• Gij zult twee gouden ringen maken en ze aan de beide einden van het borstschild zetten, op de binnenrand, die naar de efod toegekeerd is. Ook zult gij twee gouden ringen maken en ze op de beide schouderstukken van de efod zetten, onderaan, aan de voorkant, dicht bij de plaats waar hij verbonden is, boven de gordel van de efod.
• Dan zal men het borstschild met zijn ringen aan de ringen van de efod vastbinden met een blauwpurperen snoer, zodat het op de gordel van de efod vastzit, en het borstschild niet van de efod kan afschuivenEx.28: 15-28.
⁌ “Neem twee onyxstenen [‘Hurva’ tempelstenen] en graveer daarin de namen van Israëls zonen …. en zet ze op de schouderstukken van het schort van de priester [de spelleider]: 
wanneer Aäron dan voor de Heer verschijnt en de namen van de Israëlieten op zijn schouders draagt, zal de Heer aan de Israëlieten herinnerd wordenEx.28: 9-12.

Voor sommigen is dit toch een heel vreemd concept. 

  Het draait hierbij om het feit dat wij God herinneren aan Zijn Woord. Je mag toch zeker aannemen dat als God iets laat opschrijven, Hij dit natuurlijk niet vergeet. Hoezo herinneren? Menen we dat wij als mensen Hem een handje dienen te helpen?
Een mens, die beweert dat God aan Zijn Woord herinnerd dient te worden wordt door velen als arrogant, zelfingenomen, ja hoogmoedig beschouwd.
En toch doen we dit iedere dag en als het mogelijk is blijven we dit doen tot de Christus weer terug zal komen; wij dragen ons doopkruisje op ons hart. Het wijkt niet van ons, net als een trouwring, waaraan de mensen kunnen zien dat je een huwelijksverbond met iemand hebt afgesloten.

  Waarom toch iedere keer dit gedrag?
Op uw muren, o Jeruzalem, heb Ik wachters [aan het hart] aangesteld, die de ganse dag en de ganse nacht nimmer zullen zwijgen. Gij, die de Here indachtig maakt, gunt u geen rust. En laat Hem geen rust, totdat Hij Jeruzalem grondvest en het stelt tot een lof op aarde. gezet die nooit zullen zwijgen, dag noch nachtIsaiah 62: 6-7.

God zet wachters op de muren van Jeruzalem. God wil dat deze wachters, die een beroep doen op de Heer, of beter vertaald, die God herinneren [!], niet zullen rusten en dus ook God niet met rust laten totdat…, inderdaad, totdat Hijzelf Jeruzalem’s roem op aarde heeft bevestigd.
En dat zou wel eens kunnen zijn wanneer Christus op aarde terugkomt.

Dus het is helemaal niet arrogant God [en jezelf] te herinneren omdat Hij [en jij] iets zouden vergeten, maar vanuit een diep besef dat Hij [en jij] herinnerd wil worden aan Zijn stad Jeruzalem, Zijn volk Israël en Zijn land [de Kerk].
In dezelfde lijn als de kleding van de spelleider [de priester].
Het is God, Die herinnerd wil worden [niet de spelleider of toezichthouder, die zich hooghartig opstelt] en dááròm worden er wachters in de vorm van een kruisje gedragen, een geknoopt gebedssnoer om je pols of een herinnering’s steentje.
Met alles, alles wat je op je weg onder ogen krijgt, òf datgene wat je ter ore komt dien je iets te doen, dus ook hier mee.
Ik hoor je al denken: als Christen ben ik toch ‘vrij’ in m’n keuzes, ik moet toch helemaal niets.
En tòch, zit het leven is vol met keuzes, bewust en onbewust, met name nadat je een Verbond met Christus bent aangegaan, in het dienen van God.
En als dan het Godsvolk Israël [de Kerk] onder je aandacht wordt gebracht, wanneer je geconfronteerd wordt met Gods verlangen om herinnerd te worden aan Jeruzalem, de nieuwe Hemel en de nieuwe aarde.
Wuif je dàn nog dat Verbond terzijde, wat je via de doop met Hem bent aangegaan,
òf leidt dàt dà tot een sprong van je stoel:
Wat?  Wil God dàt van ons? 

Hemeltje lief, Vadertje lief:
Vader, hier ben ik! Ik herinner me U!”.
Dàn herinner je dat je:
op Hem mag vertrouwen, je hebt de Allerhoogste als je toevlucht.
Geen kwaad kan tot je doordringen; geen plaag kan je woonplaats naderen”
Psalm90[91]: 8,9 en;
“      Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord?
Een eeuwig God is de Heer, Schepper van de einden van de aarde.
Hij wordt noch moe noch mat, zijn verstand [Wijsheid] is niet te doorgronden.
Hij geeft de vermoeide Kracht en de machteloze vermeerdert Hij Sterkte.
Jongelingen worden vermoeid en mat, zelfs jonge mannen struikelen,
Maar wie de Heer verwachten, putten nieuwe Kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet vermoeid; zij wandelen, maar worden niet matIsaiah 40: 28-31.

Kun je je voorstellen dat je “zwevend op de wind, gedragen door de Heilige Geest” of “hopend op de Heer, je vleugels uitslaat” opeens boven het Hemels Jeruzalem komt en beneden je de Hurva-, de Tempel-stenen ziet, met de namen van Israël’s zonen erop?
        Niet alleen zichtbaar en leesbaar voor God, maar ook voor jou?
Weet je, God herinneren aan Zijn beloften voor Zijn Volk, Israël [de Kerk] kan heel klein beginnen. Ook als je “eventjes” niet naar Jeruzalem kunt komen, dan komt het Hemels toch naar jou toe, doordat je iedere dag aan de hand van de kalender Zijn woord kunt pakken en met Hem aan al die prachtige Beloften van het Hemels Verbond wordt herinnerd.

              werkt God bij jou aan huis, in je binnenkamer, op je eigen manier, het wordt helemaal jouw eigen tempel zoals het bij jou past, dan zal je tempel van je hart opbloeien.
Wie zegt dat geschriften van de vaders van de Kerk gedateerd zijn, ‘niet meer van deze tijd’? Wàt is de ascetische visie van de kerkvaders, die dit na een lang leven aan ons doorgegeven hebben, geheel doorleefd en uitgemolken?
          ‘Het mooie is dat God op verschillende manieren aanwezig kan zijn: boven, naast en in ons.
God gaat ons te boven als de Goddelijke Kracht van de Hemelen en de aarde, Die openstaat voor ‘ontmoeting, verbinding’ met òns nietszeggende mensen, als een zandkorrel, een waterdruppel zijn wij ten opzicht van Zijn Aanwezigheid.
Naast ons kan God zichtbaar worden in een mens, zoals in onze Heer en Verlosser Jezus Christus òf in ieder mens, die Hem als Zoon van God volgt en waarin we iets van God mogen ontdekken, als een engel op ons pad.
En God kàn ‘ìn’ ons werken als inspirerende Geestkracht, als de goddelijke vonk, die in ieder mens als innerlijke kracht kan werken’

Ter ere van God laat de Kerk zien hoe nodig het is het gesprek te voeren over ons denken over God èn de wacht te betrekken bij de inhoud van onze Geloofsbelijdenis. Omdat het gaat om de eer van God en om het behoud van mensen.

war of a real believer

Ook binnen onze Orthodox-Christelijke instituties mogen we elkaar aanscherpen ten aanzien van de gedachten over God waarmee wij ons trachten in het Liefdesgebod te verbinden, te communiceren.
Immers, we leven in een tijd waarin mensen zelf snel gepikeerd lijken, terwijl er over God zomaar wat gezegd kan worden, tot het opheffen van het verbod op godslastering toe. De Theotokos, de Moeder van onze God heeft het verstaan en hiervan gezongen:
      Mijn ziel maakt groot de Heer, en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland, omdat Hij heeft omgezien naar de lage staat van Zijn dienstmaagd. Want zie, van nu aan zullen mij zalig

prijzen alle geslachten, omdat grote dingen aan mij gedaan heeft de Machtige. En Heilig is Zijn Naam en Zijn Barmhartigheid van geslacht tot geslacht voor wie Hem vrezenLuc.1: 46-50.

Bij de Blachernae-kerk werd de herinnering aan de wonderbaarlijke verschijning van de Moeder God’s herinnerd. In de veertiende eeuw zag de Russische pelgrim en griffier Alexander in de kerk een icoon van de Allerheilige Theotokos die voor de wereld aan het bidden was en de Heilige  Andrei Rublev schreef [‘niet’ schilderde] in contemplatie niet alleen de icoon van de Heilige Drieëenheid, maar tevens van de Moeder God’s.
De primaire Kronieken van de Heilige Nestor geven aan dat de beschermende bemiddeling van de Moeder God’s nodig was omdat er een aanval dreigde van een grote heidense Russische vloot onder leiding van Askole en Dir.
Het feest viert de goddelijke vernietiging van de vloot die Constantinopel zèlf bedreigde, ergens in de jaren 864-867 of volgens de Russische historicus Vasiliev, op 18 juni 860. Echter ironisch genoeg wordt dit feest door de Slavische kerken als belangrijk beschouwd, maar niet door de Grieken.
Dat is de uiteenlopende steeds terugkerende tegenstrijdigheid [discrepantie] tussen de menselijke instituten, die tot op de dag van vandaag voortduurt vanuit een steeds opkomend machtsdenken, en daardoor beseffen wij als gelovigen daarbij steeds weer opnieuw hoe vreselijk onwetend zowel de mensen als een deel van de geestelijkheid blijkt te zijn van de basisprincipes van het Christelijk Geloof. Wij ascetisch ingestelde  gelovigen betreuren dit gebrek aan Wijsheid en zijn vastbesloten om een middel te bieden waardoor mensen kunnen worden opgeleid in het Geloof en in het christelijk samenleven.
Op dit feest van de bescherming van de allerheiligste Moeder God’s, de Theotokos  smeken wij derhalve op de 1e October de verdediging en hulp in van
de Koningin van het Hemels Koninkrijk af:
Gedenk ons in uw gebeden, o maagd en moeder van onze God,
dat wij niet verloren gaan door de stelselmatige toename van onze zonden. 
Bescherm ons tegen elk kwaad en tegen zware smarten,
want wij hopen in u, en vereren het feest van uw bescherming,
wij verheffen u”.