Vrijdag in de Grote en Heilige week, ‘Goede’ Vrijdag

Blijde Boodschap in het Arabisch

– In de ogen van de wereld
– de grootsheid van het Lijden, het sterven aan het Kruis en de begrafenis
– wij leggen het stoffelijk overschot van onze Heer in een ongeschonden graf

  • In de ogen van de wereld
    Het onmogelijke zien we voor onze ogen gebeuren – het Heilige, het Sterke, het – zo geloven wij Christenen – het Onsterflijke, gaat ten onder aan menselijk geweld.
    Goede Vrijdag toont ons het dubbele Mysterie:
    De voorafgaand Metten van gisteravond werd de nadruk gelegd op het Lijden van Christus als grootste zonde, de grootste misdaad van de mensheid.
    De 12 Evangeliën lieten ons stap voor stap, lezing na lezing het Lijden en sterven van Christus volgen – het onmogelijke is geschied – het vonnis is voltrokken, het Lichaam van Christus [de Kerk] is in de ogen van de wereld vernietigd, met de grond gelijk gemaakt; de On-sterflijke is gedood. Het kan en mag toch niet mogelijk zijn dat datgene wat zo diep in het menselijk bestaan geworteld is ten onder gaat aan globalisering. Het grote Mysterie van – Christus’ aanwezig zijn – mag dan wel door één-derde van de samenleving niet langer onderwezen worden [bijzonder Onderwijs], maar het ontkennen van de Joods-Christelijke grondslagen van onze maatschappij is in mijn ogen dondergang van onze cultuur.

    beschut de kerk !

    En toch laten we het gebeuren – wordt er rond kerkelijke aangelegenheden -, daar waar ook de Kerk ‘misstappen’ heeft begaan – grootse ophef gemaakt als zou – het ‘niet’-eveneens diep geworteld liggen – in ons eigen doen en laten, de manier waarop wij momenteel onze samenleving inrichten.
    Het Mysterie van – de Goddelijke Aanwezigheid behoort niet als een lekkend dak tot de huidige samenleving van zonde en duisternis. Ons wordt een beeld voor gehouden dat het allemaal zonnegeur en maneschijn is, maar onze zinnen worden vertroebeld door het commercieel geweld.
    Daarom gebeurt het dat in een ‘Huizen’s Christelijk ouderen-onderkomen’ geen plaats meer is voor een Liturgisch samenzijn op Witte Donderdag, het wordt te duur, te bewerkelijk, dàt kunnen wij er niet meer bij hebben.
    De diensten van deze Goede Vrijdag van de Grote en Heilige week – en tenslotte in de Vespers, de dienst van Christus begrafenis, waarin de gezangen en de lezingen doorspekt zijn met beschuldigingen tegen hen, die
    willens en wetens besloten om het ‘Lichaam van Christus’ [de Kerk en haar mogelijkheden tot heropvoeding] willens en wetens om zeep
    te willen brengen en zij trachten deze moord – deze misdaad tegen de menselijkheid – te rechtvaardigen vanuit hun humanistische belevingswereld, hun politieke loyaliteit, hun praktische overwegingen en de gehoorzaamheid die ze aan hun beroep ‘verplicht‘ schijnen te zijn. Dat zij het fundament van de menselijke saamhorigheid ondergraven nemen zij op de koop toe.

  • de Grootsheid van het Lijden
    ☦️  Op Goede Vrijdag beleven Christenen over de hele wereld het hoogtepunt van dit Goddelijk Drama. Het is dè dag van de Passie van onze Heer en Verlosser, Jezus, de Christus, de Zoon van God.
    De diensten opgedragen door onze Orthodoxe Kerk in de laatste uren vóór de kruisiging, Zijn dood en begrafenis herinnert ons aan de volgende feiten:

Blijde Boodschap [uitleg] in het Arabisch:
    En wie zal u kwaad doen, als gij u beijvert voor het goede?
Al moesten jullie lijden om de Gerechtigheid,
toch zijn jullie zalig. Doch vreest niet voor hun dreiging, en laat jullie niet verschrikken.
Maar heiligt de Christus in uw harten als Heer, altijd bereid tot verantwoording aan al wie jullie rekenschap vragen van de Hoop, Die in u is, doch met zacht-moedigheid en vrees, en met een goed geweten, opdat
bij al het kwaad, dat men van jullie spreekt, zij die uw goede wandel in 
Christus smaden, beschaamd gemaakt worden.
Want het is beter te lijden, indien de Wil van God 
dit eist, goed doende dan kwaad doende1Petr.3: 13-17.

 

Logo AOKN

Ons [Orthodox] Geloof heeft de Hoop als basis en
1.]. wij trachtten daarin vooruitgang te boeken slaan ook wel eens de plank mis, wij zijn mensen echt geen [lievertjes] goden ,
2.]. maar trachten aan God een voorbeeld te nemen en Hem in Zijn Grootsheid, Zijn Sterkte te volgen en
3.]. wij ervaren onszelf daarin in ons dagelijks leven [in de wereld] gesteund.
Deze gedrevenheid ‘met God op weg te zijn’ is niet van vandaag of gisteren, dat is een bewezen weg, die al sinds mensenheugenis in de Jood’s- Christelijke samenleving haar sporen verdiend heeft.
➥✥➥  Daarom roepen wij onze kinderen, elkaar en onze omgeving met Christus op:
    Komt tot Christus, allen, die vermoeid en belast zijt, en Hij zal u rust geven; neemt Zijn juk op u en leert van Hem, want Hij is zachtmoedig en nederig van hart, en jullie zullen allemaal, niemand uitgezonderd, rust vinden voor jullie zielen; want Zijn juk is zacht en Zijn last is licht” conf. Matth.11: 28-30.

  • het sterven aan het Kruis en de begrafenis
    Christus is na de arrestatie van de Olijfberg, berecht en veroordeeld door de Hoge Priesters.
    De rechtszaak was uiteraard maar een formaliteit, omdat het vonnis van deze Onschuldige was reeds uitgesproken voordat onze Heer zelfs ook maar was gearresteerd. De Leidinggevenden van de wereld wilden Zijn [en onze] dood.
    Maar omdat ze de wettelijke bevoegdheid niet bezaten, diende het vonnis -op hun aanwijzingen- onder druk te worden geveld door [de politiek in de hoedanigheid van] de Romeinse gouverneur.
    Die jarenlange commandant in Jeruzalem was Pilatus.
    In het heen en weer gesleept van onze Heer en de opgeruide menigte, op aandringen van [hun op de wereld gerichtte] Geloof’s-oudsten vernemen wij het geschreeuw dat onze Heer gekruisigd dient te worden.
    Er is/was een gewoonte onder hen, dat op de dag van de Joodse Pascha, de Romeinen een gevangene Jood vrij zouden laten [het voorspiegelen van voordeel en vooruitgang].
    Pilatus, die niet verantwoordelijk voor de kruisiging van Christus wenste te zijn, vroeg hij de menigte te kiezen tussen de Godmens Christus en Barabas, een rebel en een moordenaar, welke degene zou worden, die vrijgelaten werd [Wie is nog te vertrouwen].
    De menigte, door godslastering opgezweept, verkreeg als gevolg van intimidatie daarna onmiddellijk van Pilatus het mandaat Christus naar de binnenplaats, het Pretorium te leiden. Onmiddellijk daarna en het mandaat langere Pilatus Christus geleid in de binnenplaats van het Pretorium [d.w.z. de Romeinse  (Διοικητηριου administratieve plaats ) Rechtsgebouw].
    Daar omhangen de Romeinse soldaten een paarse mantel om het vrijwillig slachtoffer en geven onze Heer en doornkrans.
    Spottend noemden ze hem de “Koning der Joden“, ze sloegen hem en bespuugden Hem. De tijd van de kruisiging is nabij.
    Jezus wordt met het Kruis belast waarop Hij zal worden gekruisigd en wordt naar de Calvarieberg [de schedelplaats] buiten de stad Jeruzalem geleid.
    Onderweg kan hij het gewicht van het Kruis, gevolgd door het vallen niet weerstaan.
    De Romeinen hebben Simon, de Cyrene, op dat ogenblik opgedragen, om dat zware Kruis van de gemartelde mens over te nemen en verder te dragen.
verblijf houden aan de open zijde van Christus; abiding by the Open Side of Christ.

Na een periode aan het Kruis roept de Heer uit:
Het is volbracht” en aldus brengt onze Heer Zijn onmenselijke, maar Goddelijk gedragen taak ten einde: “het Lam Gods, Dat wegneemt de zonden van de wereld“, nadat hij degenen die verantwoordelijk zijn/waren voor Zijn dood heeft vergeven.
Bij de dood van onze Heer en Zaligmaker wordt hij door de soldaten doorstoken in Zijn zijde en loopt er bloed en water uit Zijn borst.
De natuur geeft aan dat er hier sprake is van een bovennatuurlijk gebeuren, doden in de omgeving van Jeruzalem staan op uit het graf en verschijnen aan hun familie.
Ten slotte, bij zonsondergang, is het Joseph van Arimathea en Nicodemus, twee leden van de Joods raad, die zich heimelijk bij Hem aangesloten hadden, die samen met zijn naaste leerling en de vrouwen het stoffelijk overschot, het Lichaam van Christus mogen bergen, de hoofdman heeft daar bij Pilatus van getuigd, dat Hij reeds gestorven was – er vloeide bloed en water.
Het Heilig Lichaam van onze Heer en Leraar wordt in een witte lijkwade gelegd en begraven in een nieuw grafmonument en afgesloten met een Groot rotsblok, een immens zware steen.

De ceremonie van de Opstanding vindt in de Orthodoxe Kerken plaats in de ochtend volgend op de grote [goede] Vrijdag. Terwijl de avond/nacht in deze de processie van het Epitaphion [icoon van Christus in het graf] wordt gehouden.
De klokken van al de Orthodoxe kerken geven dit de gehele dag weer door de rouwklanken te verspreiden.
Deze dag wordt een zeer streng, zware vasten aangehouden en is zelfs de olie verboden. Veel gelovigen hebben de neiging om op de Goede Vrijdag voorafgaand aan Pasen een beetje azijn [oude- en verzuurd geworden wijn] te drinken, hetgeen hen herinnert aan het ogenblik dat onze Heer water en bloed liet vloeien op de laatste momenten van Zijn aardse leven te herdenken.
– De Traditie verbiedt -om het even- welk werk ook te verrichten deze dag.

Het derde uur:
      Dit is de Dienstknecht des Heren:
De Heer der Heerscharen heeft mij als een leerling leren spreken om met het woord de moede te kunnen ondersteunen.
Hij wekt elke morgen, Hij wekt mij het oor, opdat ik hore zoals leerlingen doen. De Heer de Heerscharen heeft mij het oor geopend en ik ben [nu eens]
niet weerspannig geweest, ik ben niet terug-gedeinsd.
Mijn rug heb ik gegeven aan wie sloegen, en mijn wangen aan wie mij de baard uittrokken; mijn gelaat heb ik niet verborgen voor smadelijk speeksel.
Maar de Heer der Heerscharen helpt mij, daarom werd ik niet te schande; daarom maakte ik mijn gelaat als een keisteen, want ik wist, dat ik niet beschaamd zou worden.
Hij is nabij, die mij recht verschaft; wie wil met mij een rechtsgeding voeren?
Laten wij samen naar voren treden.
Wie zal mijn tegenpartij in het gericht zijn? Hij zal tot mij naderen.
Zie, de Heer der Heerscharen helpt mij, wie zal mij dan schuldig verklaren?
Zie, zij allen vergaan als een kleed, de mot zal ze verteren.
Wie onder u vreest de Heer, wie hoort naar de stem van zijn knecht?
Wanneer hij in diepe duisternis wandelt, van licht beroofd, zal
hij op de Naam des Heren vertrouwen en steunen op zijn God.
Zie, gij allen die vuur ontsteekt, u met brandpijlen uitrust,
gaat in de vlam van uw eigen vuur en onder de brandpijlen die gij aangestoken hebt. Van mijn hand overkomt u dit, in pijn zult gij neerliggen
“ Isaiah 50: 4-11.

“     Broeders, zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te Zijner tijd voor goddelozen is gestorven.
Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven
– maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven -.
God echter bewijst Zijn Liefde jegens ons, doordat
Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is.
Veel meer zullen wij derhalve, thans door Zijn Bloed gerechtvaardigd,
door Hem behouden worden van de toorn.
Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn
door de dood van Zijn Zoon, zullen wij veel meer,
nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft; en dat niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Heer Jezus Christus,
door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebbe
n” Rom.5: 6-11.

      En terstond, ’s-morgens vroeg, stelden de overpriesters met de oudsten en schriftgeleerden, de gehele Raad, een besluit vast, en
zij boeiden Jezus en zij leidden Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus.
En Pilatus ondervroeg Hem:
‘ Zijt Gij de Koning der Joden?’.
En Hij antwoordde hem en zei: ‘ Gij zegt het’ .
En de overpriesters brachten vele beschuldigingen tegen Hem in.
En Pilatus vroeg Hem wederom [en zei]:
Geeft Gij niets ten antwoord? Zie, hoeveel beschuldigingen zij tegen U inbrengen.
Doch Jezus gaf hem niets meer ten antwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.
En bij elk feest liet hij hun een gevangene los, voor wie zij dit vroegen.
Nu was er iemand, genaamd Barabbas, gevangengezet met de oproermakers, die in het oproer een moord begaan hadden.
En de schare kwam naar voren en begon te eisen, dat hij hun deed, zoals hij gewoon was. Pilatus antwoordde en zei tot hen:
Wilt gij, dat ik u de Koning der Joden loslaat?
Want hij bemerkte, dat de overpriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden.
Doch de overpriesters zetten de schare op, dat hij hun liever Barabbas zou loslaten.
Pilatus antwoordde en zei wederom tot hen:
Wat moet ik dan doen met Hem, die gij de Koning der Joden noemt?
En zij schreeuwden wederom: Kruisig Hem!
Pilatus zei tot hen: Wat heeft Hij dan voor kwaad gedaan? Zij schreeuwden des te meer: Kruisig Hem!
Pilatus oordeelde het geraden de schare haar zin te geven en hij liet hun daarom Barabbas los en gaf Jezus, na Hem gegeseld te hebben, over om gekruisigd te worden.
De soldaten nu leidden Hem weg tot binnen het hof, dat is het gerechtsgebouw, en riepen de gehele afdeling bijeen.
En zij trokken Hem een purperen kleed aan en zetten Hem een kroon op, die zij van doornen gevlochten hadden. En zij begonnen Hem te begroeten:
Wees gegroet, Gij Koning der Joden!
En zij sloegen Hem met een riet op het hoofd en bespuwden Hem en zij vielen op de knieën en bewezen Hem hulde. En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem het purperen kleed uit en deden Hem Zijn klederen aan. En zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen.
En zij presten een voorbijganger om Zijn Kruis te dragen, een zekere Simon van Cyrene, die van het land kwam, de vader van Alexander en Rufus.
En zij brachten Hem op de plaats Golgotha, hetgeen betekent Schedelplaats.
En zij gaven Hem wijn, met mirre gemengd, doch Hij nam die niet.
En zij kruisigden Hem en verdeelden zijn klederen door het lot te werpen, wat ieder ervan krijgen zou.
Het was het derde uur, toen zij Hem kruisigden.
En het opschrift, dat de beschuldiging tegen Hem vermeldde, luidde: De Koning der Joden.En met Hem kruisigden zij twee rovers, een aan zijn rechterzijde en een aan zijn linkerzijde.
[En het schriftwoord is vervuld geworden, dat zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.]
En de voorbijgangers spraken lastertaal tegen Hem, schudden hun hoofd en zeiden:
Ha, Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, kom af van het kruis!
Evenzo spotten de overpriesters onder elkander samen met de schriftgeleerden, en zij zeiden:
Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Laat de Christus, de Koning van Israel, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven.
Ook die met Hem gekruisigd waren beschimpten Hem.
En toen het zesde uur aangebroken was kwam er duisternis over het gehele land tot het negende uur.
En op het negende uur riep Jezus met luider stem:
Eloi, Eloi, lama sabachtani, hetgeen betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
En sommige van de omstanders, dit horende, zeiden:
Zie, Hij roept Elia.
En iemand liep toe, drenkte een spons met zure wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken, zeggende: Stil, laat ons zien, of Elia komt om Hem eraf te nemen.
En Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.
En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot beneden.
Toen de hoofdman, die tegenover Hem stond, zag, dat Hij zo de geest gegeven had, zei hij: Waarlijk, deze mens was een Zoon Gods.
Er waren ook vrouwen, die uit de verte toeschouwden, onder wie ook Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, de jongere, en van Joses, en Salome, die, toen Hij in Galilea was, Hem volgden en Hem dienden, en vele andere vrouwen, die met Hem opgegaan waren naar Jeruzalem
” Marc.15: 1-41.

Kruis, spaanse tekst Isaiah 53-4,5

Heden is opgehangen aan een boom [het Hout, het Kruis] Hij Die de aarde boven de wateren  hing.
Heden is opgehangen aan een boom [het Hout, het Kruis] Hij Die de aarde boven de wateren  hing.
Heden is opgehangen aan een boom [het Hout, het Kruis] Hij Die de aarde boven de wateren  hing.
De Koning der Engelen draagt een Kroon van doornen,
Hij, Die de Hemel met wolken bekleedt, wordt in spottend purper gehuld.
Hij, Die in de Jordaan Adam weer heeft vrijgemaakt, wordt in het gelaat geslagen.
De Bruidegom van de Kerk wordt met spijkers vastgenageld;
de Zoon van de Maagd wordt met een lans doorboord.
Wij aanbidden Uw Lijden, o Christus;
Wij aanbidden Uw Lijden, o Christus;
Wij aanbidden Uw Lijden, o Christus;
Toon ons nu ook de Heerlijkheid van Uw Verrijzenis
 ”.

negende uur:

This is a lover of men‘, Saint Jeremiah, the Prophet [Jeremy, Ιερεμίας]

      De Heer nu heeft het Mij geopenbaard [Mij doen weten] en zo bemerkte ik het: toen hebt Gij Mij hun daden laten zien!
Ik Zelf was als een argeloos Lam, dat ter slachting geleid wordt, en ik wist niet, dat zij zulke plannen tegen mij smeedden, zeggend:
Laat ons [hout, op Zijn brood leggen] de Boom [des Levens] met Zijn vrucht verderven, laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, opdat aan Zijn Naam niet meer gedacht zal worden!’.
          Maar, Heer der heerscharen, rechtvaardige Rechter, Die nieren en hart toetst,
ik zal Uw Wraak aan hen zien, want op U heb ik mijn rechtszaak gewenteld!
Daarom zegt de Heer aldus van de mannen van Anatot [Hebr.= ‘als antwoord op gebed of gebedsverhoring’] , die u naar het leven staan en zeggen:
– ‘Profeteer niet in de Naam des Heren, of gij sterft door onze hand’ -.
Daarom zegt de Heer der heerscharen aldus:
Zie, Ik zal bezoeking over hen doen; de jonge mannen zullen sterven door het zwaard,  hun zonen en dochters zullen sterven door de honger, niemand van hen zal overblijven; want Ik zal onheil brengen over de mannen van Anatot
in het jaar van hun bezoeking.
Het recht hebt Gij aan Uw zijde, Heer, als ik met U zou twisten; toch wil ik over rechtszaken met U spreken:
Waarom is de weg der goddelozen voorspoedig, en
zijn zonder zorg allen die zich trouweloos gedragen?
Gij hebt hen geplant, ook hebben zij wortel geschoten;
zij wassen, ook zetten zij vrucht.
Nabij zijt Gij in hun mond, maar ver van hun binnenste.
Gij, o Heer, kent mij toch, Gij ziet Mij en toetst Mijn gezindheid jegens U.
Ruk hen weg als slachtschapen en wijd hen voor de dag der slachting.
Hoelang moet het land kwijnen en het gewas van het gehele veld verdorren?
Om de boosheid van hen die er wonen, is
vee en gevogelte verdwenen
[ons milieu !!!], want zij zeggen:
Hij zal ons einde niet zien.
Als gij met voetgangers loopt, maken zij u moede;
hoe zult gij dan een wedloop beginnen met paarden?
In een vredig land voelt gij u niet veilig;
hoe zult gij het dan maken in de pronk van de Jordaan?
Want zelfs uw broeders en het huis van Uw Vader,
zelfs zij zijn trouweloos jegens u, zelfs zij roepen u luidkeels na;
vertrouw hen niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken.
Ik heb mijn huis verlaten, mijn erfdeel verworpen;
Ik heb mijn zielsgeliefde gegeven in de greep van haar vijanden.
Mijn erfdeel was Mij geworden als een leeuw in het woud,
het had tegen Mij gebruld; daarom ben Ik het gaan haten.
Een bont-gevederde vogel was Mij mijn erfdeel;
de roofvogels komen er van alle kanten op af.
Gaat heen, verzamelt al het gedierte van het veld,
doet het komen om te eten!
Vele herders hebben Mijn wijngaard verwoest,
Mijn akker vertrapt,
Mijn kostelijke akker gemaakt tot een woeste steppe,
Zij hebben hem tot een woestenij gemaakt;  treurig, verwoest ligt hij voor Mij,
verwoest is het gehele land;  niemand echter neemt het ter harte.
Op alle kale heuvels in de woestijn zijn verwoesters gekomen, want
het zwaard des Heren verslindt van het ene einde van het land tot het andere,
niemand heeft
[nog] Vrede.
Zij hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid,
zij hebben zich afgetobd zonder enige bate.
Ja, staat beschaamd over de opbrengst die gij hebt verkregen
ten gevolge van de brandende toorn des Heren.
Zo zegt de Heer:
Aangaande al de boze naburen, die losslaan op het erfdeel,
dat Ik aan Mijn volk,  aan Israël
[de Kerk], ten erfdeel gegeven heb:
zie, Ik ruk hen weg van hun bodem, en  het huis van Juda ruk Ik weg uit hun midden.
Maar nadat Ik hen heb weggerukt,  zal Ik Mij weer over hen erbarmen en hen terugbrengen,  een ieder naar zijn erfdeel en een ieder naar zijn land
“ Jeremia 11: 18- 12: 15.

     Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, en wij een grote priester over het huis Gods hebben, laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het Geloof, met een hart, dat door besprenkeling gezuiverd is van besef van kwaad en  met een lichaam, dat gewassen is met zuiver water.
Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankelbaar vasthouden, want
Hij, Die beloofd heeft, is getrouw.
En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Wij dienen onze eigen bijeenkomst niet te verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn,  maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen.
Want indien wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis der waarheid gekomen zijn, blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur, dat de weerspannigen zal verteren.
Indien iemand de Wet van Mozes terzijde heeft gesteld,  wordt hij zonder mededogen gedood op het getuigenis van twee of drie personen.
Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal hij verdienen, die de Zoon van God met voeten heeft getreden, het Bloed van het Verbond, waardoor hij geheiligd was,
onrein geacht en de Geest der genade gesmaad heeft?
Want wij weten, Wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden!
En wederom: De Heer zal Zijn Volk oordelen
“ Hebr.10: 19-31.

“           Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw.
En het was vroeg in de morgen; doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten.
Pilatus dan kwam tot hen naar buiten en zei: Welke aanklacht brengt gij tegen deze mens in?
Zij antwoordden en zeiden tot hem:
Indien Hij geen boosdoener was, zouden wij Hem niet aan u overleveren!
Pilatus dan zei tot hen:
Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uw wet.
De Joden dan zeiden tot hem:
Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen; opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had, aanduidende, welke dood Hij sterven zou.
Pilatus dan keerde terug in het gerechtsgebouw en riep Jezus en zei tot Hem:
Zijt Gij de Koning der Joden?
Jezus antwoordde:
Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken?
Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood?
Uw Volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?
Jezus antwoordde:

-‘niet van deze wereld’-

Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien Mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd;
nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.
Pilatus dan zei tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning?
Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar Mijn stem.
Pilatus zei tot Hem: Wat is waarheid? En na dit gezegd te hebben, kwam hij weer
naar buiten tot de Joden en zei tot hen: Ik vind geen schuld in Hem. Maar bij u bestaat het gebruik, dat ik u op Pascha iemand loslaat: wilt gij dan, dat ik u de Koning der Joden loslaat?
Zij schreeuwden dan wederom en zeiden:
Hem niet, maar Barabbas! En Barabbas was een rover.
Toen nam dan Pilatus Jezus en liet Hem geselen.
En de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen kleed om, en zij traden op Hem toe en zeiden:
Gegroet, Koning der Joden! En zij gaven Hem slagen in het gelaat.
En Pilatus kwam wederom naar buiten en zeide tot hen:
Zie, ik breng Hem voor u naar buiten, opdat gij weet, dat ik geen schuld in Hem vind. Jezus dan kwam naar buiten met de doornenkroon en het purperenkleed.

En [Pilatus] zei tot hen: ‘Zie, de mens!’.
Toen dan de overpriesters en hun dienaars Hem zagen, schreeuwden zij en zeiden:
Kruisigen, kruisigen!
Pilatus zei tot hen:
Neemt gij Hem en kruisigt Hem: want ik vind geen schuld in Hem.
De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want  Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.
Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog meer bevreesd en  hij ging weer het gerechtsgebouw binnen en zei tot Jezus:
Waar zijt Gij vandaan?
Maar Jezus gaf hem geen antwoord.
Pilatus dan zei tot Hem:
Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen?
Jezus antwoordde:
Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven zou zijn:  daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde.
Van toen af trachtte Pilatus Hem los te laten, maar de Joden schreeuwden en zeiden:
Indien gij deze loslaat, zijt gij geen vriend van de keizer; een ieder, die zich koning maakt, verzet zich tegen de keizer.
Pilatus dan hoorde deze woorden en hij liet Jezus naar buiten brengen en zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Litostrotos, in het Hebreeuws Gabbata.
En het was Voorbereiding voor het Pascha, ongeveer het zesde uur, en hij zei tot de Joden:
Zie, uw koning!
Zij dan schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!
Pilatus zei tot hen:
Moet ik uw koning kruisigen?
De overpriesters antwoordden:
Wij hebben geen koning, alleen de keizer!
Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden. Zij dan namen Jezus en
Hij, Zelf Zijn Kruis dragende, ging naar de zogenaamde Schedelplaats, in het Hebreeuws genaamd Golgota, waar zij Hem kruisigden en met Hem twee anderen, aan weerszijden een, en Jezus in het midden.

Jezus, de Nazoreeër, de koning der Joden

En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven: Jezus, de Nazoreeër, de Koning der Joden. Dit opschrift dan lazen vele der Joden, want de plaats, waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad, en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks. De overpriesters der Joden dan zeiden tot Pilatus:
Schrijf niet: De Koning der Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.
Pilatus antwoordde: ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven’.
Toen dan de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen zij Zijn klederen en maakten daarvan vier delen, voor iedere soldaat een deel, en zijn onderkleed.
Dit kleed nu was zonder naad, aan een stuk geweven.
Zij zeiden dan tot elkander:
Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten, voor wie het zijn zal;
zodat het schriftwoord vervuld werd:
Zij hebben Mijn klederen onder elkander verdeeld en over Mijn kleding
hebben zij het lot geworpen.
Dit hebben dan de soldaten gedaan.
En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Cleophas en Maria van Magdala.

‘Vrouw, zie uw zoon’ [detail, nagels vlgns Orthodoxe Traditie]

Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande,
zei Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.
Daarna zeide Hij tot de discipel:
Zie, uw moeder.
En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis.
Hierna zei Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden:
Mij dorst!
Er stond een kruik vol zure wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysop-stengel en brachten die aan zijn mond.Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zei Hij: ‘Het is Volbracht’

– ‘Het is Volbracht’ –


De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven – want de dag van die sabbat was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden.
De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was braken zij Zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in Zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit.
En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de Waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft.
Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden:
Geen been van Hem zal verbrijzeld worden.
En weer zegt een ander schriftwoord:
Zij zullen zien op Hem, die zij doorstoken hebben
“ John.18: 28- 19: 37.

De uren, die de dagelijks gebruikelijke Liturgie vervangen – het Mysterie van Christus’ Aanwezigheid behoort niet tot deze/onze huidige wereld van ‘zonde en duisternis’ en
daarom is het ook strikt verboden om op deze dag Liturgie te vieren !!!

  • Wij leggen gezamenlijk het stoffelijk overschot van onze Heer
    in een ongeschonden graf

Prokimenon
tn.6.Zij hebben mij geworpen in de diepste put, in de duisternis en de schaduw des doods“.
“Heer, God van Mijn heil, Ik roep dag en nacht voor Uw aanschijn”
herh. ” Zij hebben mij geworpen in de diepste put, in de duisternis en de schaduw des doods“.

Apostellezing:
”     Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een Kracht van God.
Want er staat geschreven: ‘  Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen’.
Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt?
Want daar de wereld in de Wijsheid van God door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het aan God behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen die geloven.
Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, [prediken wij] Christus, de Kracht van God en de Wijsheid van God.
Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen.
Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken.
Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wel iets is, zijn kracht te ontnemen, opdat geen vlees zou roemen voor God.
       Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing, opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie roemt, dient te roemen in de Heer.
Ook ben ik, toen ik tot u kwam, broeders, niet met schittering van woorden of wijsheid u het getuigenis van God komen brengen.
Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd1Cor.1: 18-2: 2.

‘de dood’, ascetische afb.

”     Red mij, God, want de wateren zijn binnen gedrongen in mijn ziel.
Ik zink weg in diep slijk, er is geen grond onder mijn voeten.
Ik ben geraakt in de diepte der zee, de stormvloed heeft mij overstroomd.
Ik ben uitgeput door het roepen, mijn keel is hees, mijn ogen begeven het, terwijl ik toch vertrouw op mijn God.
Talrijker dan de haren op mijn hoofd zijn zij die mij haten zonder reden; mijn vijanden hebben de overhand, die mij ten onrechte vervolgen.
Hoewel ik niets geroofd had, moest ik toch vergoeding geven.
God, Gij kent mijn dwaasheid; mijn overtredingen zijn voor U niet verborgen.
Heer, laat hen die U verbeiden niet over mij beschaamd staan, Heer der heerscharen.
Laat hen die U zoeken, God van Israël; niet omwille van mij te schande worden.
Want om U word ik versmaad, schaamrood overdekt mijn gezicht.
Ik ben een vreemdeling voor mijn broeders, een onbekende voor de zonen van mijn moeder.
Want de ijver voor uw Huis heeft mij verteerd; de versmading van hen die U smaden is op mij gevallen.
Toen ik mijn ziel door vasten vernederde, werd het mij tot smaad; toen ik mij hulde in een boetekleed, gebruikten zij mij als spreekwoord.
Die in de poort zitten belasteren mij; de wijndrinkers zingen een spotlied over mij.
Maar ik richt mijn gebed tot U, Heer; nu is het tijd om Genadig te zijn.
God, verhoor mij in de volheid van Uw barmhartigheid, in de Waarheid van Uw verlossing.
Red mij uit het slijk, opdat ik er niet in zal wegzinken; bevrijd mij van hen die mij haten, uit de diepte der wateren.
Laat de stormvloed mij niet overstromen. noch de afgrond mij verzwelgen; laat de kuil zich niet boven mij sluiten.
Verhoor mij Heer, want Uw Barmhartigheid is  goed; zie op mij neer volgens de menigte Uwer Ontfermingen.
Wend Uw aangezicht niet af van Uw dienaar, verhoor mij haastig wanneer ik gekweld word.
Kom tot mijn ziel om haar te verlossen, bevrijd mij van mijn vijanden.
Gij kent immers mijn smaad en mijn schande, hoe het schaamrood mij overdekt.
Voor Uw ogen zijn allen die mij kwellen: mijn ziel verwacht smaad en ellende.
Ik wacht op een medelijdende, maar er is er geen; op een trooster, maar ik heb niemand gevonden.
Voor spijs gaven zij mij gal; in mijn dorst drenkten zij mij met azijn.
Hun tafel wordt hun tot strik, tot vergelding en struikelblok.
Hun ogen worden verduisterd, zodat zij niet meer zien; hun rug is voor altijd gekromd.
Want Gij giet Uw toorn over hen uit, Uw grimmige woede zal hen grijpen.
Hun woonstee veranderd in verlatenheid, er is niemand meer om te wonen in hun tenten.
Want hen die Gij geslagen had, hebben zij vervolgd; en aan de pijn van hun wonden hebben zij nog toegevoegd.
Daarom voegt Gij zonde bij hun zonden; zij zullen niet ingaan in Uw gerechtigheid.
Zij worden gewist uit het Boek der levenden, en niet ingeschreven met de rechtvaardigen.
Ik ben ellendig en vol pijn; God, laat Uw Heil mij opnemen.
Dan zal ik de naam van God loven met een lied; ik zal Hem verheffen met lofzang.
Dat zal God meer behagen dan een jong kalf met horens en hoeven.
Mogen de armen het zien en zich verheugen: zoekt God, dan zal uw ziel gezocht worden.
Want de Heer heeft de arme verhoord; Hij heeft Zijn gevangenen niet gering geacht.
Dat hemel en aarde Hem loven, de zee en alles wat zich daarin beweegt.
Want God zal Sion verlossen, de steden van Judea zullen weer opgebouwd
worden. Men zal daar wonen en ze ontvangen als erfdeel.
Het zaad van Uw dienaren zal ze bezitten; wie Uw naam liefhebben, zullen daarin wonenPsalm 68[69] vert. ROK. ‘s-Gravenhage

Apostichen:

tn.2.  ”   Toen Josef van Arimathea [Hebr.= ‘hoogten’] U, het Leven van allen, als een dode had afgenomen van het Kruis, wikkelde hij U met Myron in lijnwaad.
Vol liefde snelde hij toe om met hart en mond Uw zuiver Lichaam te kussen.
In ontzag riep hij vol vreugde uit:
Ere zij Uw nederdaling tot ons, o Menslievende

” De Heer is Koning: met Heerlijkheid heeft Hij Zich omkleed” [uit: Ps.92[93]]

tn.4.  ”   In een nieuw graf werd U neergelegd, voor allen, Bevrijder van alles. Op dit gezicht werd de allen bespottende hades met vrees vervuld” zijn grendels werden verbroken, zijn poorten uitgerukt; de graven openden zich, de doden stonden op.
toen riep Adam in dankbare vreugde uit:
‘Ere zij Uw nederdaling tot ons, o Menslievende

Hij heeft heel de wereld gegrondvest; zij staat onwankelbaar ” [uit: Ps.92[93]]

Ingang tot de grafkamer Jeruzalem

tn.4.  ”   Als mens hebt Gij U vrijwillig laten sluiten in een graf,
Die als God niet omvat kan worden door de oneindigheid.
Toen hebt U de holen van de dood geopend, en
de heerschappij van de dood vernietigd.
Zo hebt U aan deze Sabbat-dag Uw Goddelijke Zegen en Heerlijkheid geschonken“.

” Uw Huis, Heer, past Heiliging tot in lengte van dagen” [uit: Ps.92[93]]

tn.4.  ”   Toen de Hemelse Machten aanschouwden
hoe U als een verleider werd overgeleverd aan de laster van de wettelozen,
deed Uw lankmoedigheid [toegevendheid]  hen beven van ontzag,
omdat Uw grafsteen door dezelfde handen verzegeld werd, 
die Uw al-reine Zijde met een Lans hadden doorboord.
Toch zagen zij vol vreugde hoe wij daardoor werden verlost, en zij riepen tot U:
Ere zij Uw nederdaling tot de mensen, o Menslievende“.

Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN“.

tn. (5) 8.  ”   Gij, Die U met Licht bekleed als met een gewaad,
wordt van het Kruis afgenomen door
Josef van Arimathea en Nikodemos [Hebr.= ‘overwinnaar van het volk’].
Toen deze U in deze toestand zag: dood naakt en onbegraven,
hief hij vol tederheid onder tranen een treurlied aan:
‘  Wee mij, beminde Jezus; toen de zon U zag hangen aan het Kruis,
bekleedde zij zich met duisternis; de aarde beefde van vrees;
en de voorhang van de Tempel scheurde door-midden.
Nu zie ik hoe U om mij vrijwillig in de dood zijt neergedaald.
Hoe kan i U, Die mijn God zijt, begraven?
Welk passend lied kan ik zingen bij Uw dood, Medelijdende?
Ik verhef Uw heilig Lijden; ik bezing Uw begrafenis, maar
ook Uw Opstanding uit de doden en
ik roep tot U: Heer, eer aan U’“.

Cantiek van Simeon:
”     De rechtvaardige Jozef nam Uw aller-zuiverst Lichaam van het Kruis. 
En hij wikkelde Het met Myron in een zuiver linnen doek.
Daarna legde hij het i een nieuw graf.
Toen Gij, het on-sterflijke Leven nederdaalde in het graf, 
hebt Gij de onderwereld gedood door de bliksem van de Godheid en
toen Gij de gestorvenen hebt opgewekt, riepen alle Machten der Hemelen:
Christus onze God, Schenker des Levens, Ere zij U”

”     De Engel bij het graf riep tot de Myron-draagsters:
Myron past voor de gestorvenen,
Christus echter bleef vrij van het bederf”

”     Wij groeten de gedachtenis aan Josef, die in de nacht naar Pilatus ging
om hem het Leven van alles te vragen:
Geef mij die Pelgrim, Die niets bezet om het hoofd neer te leggen.
Geef mij die Pelgrim, Die door een bedorven leerling verraden is.
Geef mij die Pelgrim, Dien Zijn Moeder heeft zien hangen aan het Kruis.
Hoe riep zij uit in grote smart:
‘ Wee mij mijn kind.
‘ Wee mij mijn Licht en Beminde uit mijn vlees.
Hoe is dit gebeurd?
Simeon’s voorspelling in de Tempel is nu vervuld:
een zwaard heeft mijn hart doorboord.
Maar maak mijn smart tot vreugde door Uw Opstanding.
Wij aanbidden Uw Lijden, O Christus.
Wij aanbidden Uw Lijden, O Christus.
Wij aanbidden Uw Lijden, O Christus; en
Uw heilige Verrijzenis“.

En wanneer wij aan het einde van de dag bij de Vespers de icoon van Christus in het graf in het midden van het kerkgebouw [welke wij als gasten ‘onverdiend’ ter beschikking hebben gekregen]
neerleggen, als deze dag ten einde loopt, weten we da het einde bereikt is van een lange Heilsgeschiedenis.
De zevende dag, de rustdag, de gezegende Sabbat-dag komt en
brengt ons de Openbaring van het Levenschenkende Graf . . . . .
Het is het begin van de ‘Grote en Heilige Sabbath’,
de dag, die de verbinding vormt tussen Goede Vrijdag, de herdenking van het Kruis en
de dag van de Opstanding.

Toen Gij, de Verlosser van alles en allen,
voor alles en allen in een nieuw Graf was gelegd,
zag Hades, die niemand respecteert, U en
kromp ineen van angst.
De tralies werden gebroken, de deuren werden verbrijzeld,
de graven werden geopend, de doden verrijzen/ staan op uit de dood.
Toen riep Adam [en wij met Hem] zich [/ons] dankbaar verheugend,
uit tot U:
Ere zij Uw vernedering, O Barmhartige Meester
”.

NB. Voor velen blijft de ware aard van de
verbinding tussen Goede Vrijdag en de gezegende Sabbat-dag,
de noodzakelijkheid van deze “middelste dag’ verborgen.
Voor het overgrote deel van de Kerkgangers zijn
de belangrijkste dagen van de Grote en Heilige Week:
Vrijdag en Zondag, het Kruis, gevolgd door de Opstanding,
wat de wereld er ook van mag vinden/denken.

Vrijdag in de Grote en Heilige week, Goede Vrijdag, beginnend in de avonddienst van Witte Donderdag – de grootsheid van het Lijden, het sterven aan het Kruis, kortom de Heilige Passie van de Godmens 

In de avond voorafgaand aan Goede Vrijdag, dus de donderdagavond
is er een Metten-dienst, met een samengesteld gedeelte uit de Blijde Boodschap;
aangezien vandaag acht wordt geslagen op diverse hoogtepunten bestaande
uit de kruisiging van de Godmens.

 

Statenbijbel uit 1729, gedrukt door Pieter & Jacob Keur, Dordrecht

De 12 Evangeliën,
Die de Heilige Passie beschrijven worden gelezen:

korte weergave:
   Jezus laatste vermaningen aan Zijn discipelen …
Houd van God en van de mensen [de naasten] als van uzelf“.
Het laatste afscheid; het Gebed van Jezus.
   Zijn verraad door Judas gevolgd door de arrestatie van de Heer.
   Overbrenging naar – Van Annas naar Kajafas- en de berechting van Jezus door de overpriesters.
   Petrus’ verloochening [“de haan zal niet kraaien, eer gij Mij driemaal verloochend hebt”].
   Voor Pilatus, in het Pretoro, zijn poging om de Heer vrij te spreken, maar
dit wordt door de vastberadenheid van de Farizeeërs onmogelijk gemaakt.
   “Veroordeling van Christus” Pilatus, vertegenwoordiger van
de toenmalige Macht van de wereld “wast zijn Handen in onschuld“.
   Judas terechtgewezen geeft de “dertig zilverlingen” aan de tempeldienaren terug, die ze in de Corvana [het Tempelfonds] hebben gestopt en er een bloedakker voor kopen.
   Door het gehele Jodendom veroordeeld. De lijdensweg naar de Calvary-berg, alwaar de Kruisiging van Jezus.
   Jezus geeft de geest aan het Kruis; de twee mede-veroordeelden aan het kruis. Verzoek van één van hen, de vraag aan Christus om hem te herinneren wanneer Hij in Zijn Koninkrijk der Hemelen komt.
   Jozef van Aramithea vraagt Pilatus Jezus’ Lichaam om het in Zijn graf te begraven.
   
Begrafenis van Jezus en de verzegeling van Zijn Graf door de hoofden van het Volk en de Farizeeën.

Griekse icoon Kruisiging van Christus

“ Vandaag hangt aan het schandhout,
de Rechter van ‘leven en dood’ laat Zich vrijwillig kruisigen.
De koning der engelen wordt gekroond met de engelenkroon.
Vaal paars is in de wolken rond de hemel waarneembaar.
Christus wordt verslagen door het helse zwaard, in het graf sluit men Hem, Die de Hades berooft en de Heer geeft hiermee Adam z’n vrijheid terug, bevrijdt hem van de vloek.
U verbindt Zich als Bruidegom aan de Kerk.
De menselijke overblijfselen worden verwelkomd, als de Zoon van de Maagd.
Wij prijzen u, Pasha, de Christus; Gij zijt m’n broeder/zuster, waarachtig Zoon van God de Vader en wij kijken uit naar Uw erfdeel
”.

Uit de Avondcanon:
Completen, 4e Irmos – Triodion van H. Andreas van Kreta
“  De Profeet hoorde van Uw Komst, dat Gij uit de Maagd geboren wilde worden,
om aan de mensen te tonen en hij sprak:
‘ik heb de tijding aangaande U vernomen en ik werd bevreesd:
Ere zij Uw Kracht o Heer
”.

“   De toebereide bovenzaal nam U op, o Schepper, tezamen met Uw Ingewijden.
Daar hebt Gij het Pascha voltrokken en de Mysteriën voltooid,
nadat door de twee leerlingen voor U het Pascha was bereid
”.

    De Alwetende had tevoren aan Zijn apostelen bevolen naar die bepaalde man te gaan.
Zalig is wie de Heer met Geloof opneemt in de toebereide bovenzaal van zijn hart, met als maaltijd de vreze God’s
”.

    Hoezeer heeft de [hoogmoedige] gierigheid u verleid en tot welk een wanhoop zijt gij daardoor geraakt, dwaze Judas! Slechts aan de buidel waart Gij gehecht en [zonder enig overleg] hebt gij u afgekeerd van elke menselijkheid. Gij hebt uw harde hart gesloten en Hem verraden, Die alleen Barmhartigheid is”.

    De wens der God’s-moordenaars vond gehoor bij de [hoogmoedige] gierigaard. Zij overlegden hoe zij Hem gevangen konden nemen, en reeds bood hij zich aan, terwille van de zilverlingen. Tenslotte koos hij de strik in plaats van het berouw, en zo verloor hij op ellendige wijze zijn leven”.

“   Hoe verraderlijk is de kus die door zijn grote het zwaard aanvoerde. De lippen spraken woorden van eenheid terwijl het hart op uiteenscheuren zon. Vol arfklist hebt ge uw Weldoener overgeleverd aan de bloeddorstigen”.

    Hij kust terwijl hij verkoopt, hij omhelst en aarzelt niet om de Omhelsde te verraden. Wie haat terwijl hij kust? Wie verkoopt voor geld wie hij omhelst? Hier is het uiterste bereikt aan verraderlijke schaamteloosheid”.

”   Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest“.

    Gij zijt ondeelbaar in Uw Wezen, onvervangbaar in de Personen: zó belijd ik U, drievoudige, éne Godheid, gelijk in macht op dezelfde troon.
Tot U zing ik de grootste zang, de drievoudige hymne uit den hoge“.

”  Nu en altijd en inde eeuwen der eeuwen. AMEN.”

“Onzegbaar is uw ontvangen, Moeder Gods, wonderbaar Uw baren. Want het is gebeurd door de Geest en niet vanuit het vlees; het was daarom onttrokken aan de wetten van de natuur en ging het wezen van elke geboorte te boven. Want het kind dat zij baarde, was de oneindige God”.

Metten grote en Heilige Vrijdag op donderdagavond:
Opening van deze lezingendienst voorafgegaan door de vredeslitanie:

P.   Alleluia, Alleluia, Alleluia.

“Uit de nacht ontwaakt mijn geest vroeg tot U, o God, want
Uw Geboden stralen als Licht over de aarde”

conform:
“ Van ganser harte verlang ik naar U in de nacht, ja, uit het diepst van mijn gemoed zoek ik U; want wanneer uw gerichten op de aarde zijn, leren de inwoners der wereld gerechtigheid.
Al wordt de goddeloze Genade bewezen, hij leert geen gerechtigheid; hij handelt slecht in een land van recht en de Majesteit des Heren ziet hij niet. Heer, uw hand is verheven, maar zij beseffen het niet; zij zullen het echter beseffen en beschaamd staan over uw ijver voor het volk. Ja, het vuur over uw tegenstanders zal hen verteren. Heer, Gij zult vrede over ons beschikken, want ook
al onze daden hebt Gij voor ons verricht. Heer, onze God, andere heren dan Gij hebben over ons geheerst; uw naam alleen huldigen wij.
Doden herleven niet, schimmen staan niet op; daarom hebt Gij hen bezocht en verdelgd en alle gedachtenis aan hen uitgeroeid. Gij hebt het volk vermeerderd, Heer, het Volk vermeerderd, U zelf verheerlijkt, alle grenzen van het land verwijd. Heer, in de nood heeft men U gezocht, een verzuchting geslaakt, toen uw tuchtiging trof. Zoals een zwangere die in barensnood raakt, ineenkrimpt en onder haar weeën schreeuwt, zo waren wij voor Uw aangezicht, Heer. Wij waren zwanger, wij krompen ineen; maar het was, als baarden wij wind; wij brachten het land geen verlossing aan en wereldbewoners werden niet geboren. Herleven zullen uw doden (ook mijn lijk), opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, gij, die woont in het stof! Want uw dauw is een dauw van Licht; en de aarde zal aan de schimmen het Leven hergeven. Kom, Mijn Volk, ga in uw binnenkamers, en sluit uw deuren achter u; verberg u een korte tijd, tot de gramschap over is.
Want zie, de Heer verlaat Zijn plaats om de ongerechtigheid van de bewoners van de aarde aan hen te bezoeken; dan zal de aarde het op haar vergoten bloed aan het licht brengen en haar verslagenen niet langer bedekken
” Isiaiah 26: 9-21.

Alleluia,Alleluia,Alleluia.

“Leert Gerechtigheid, bewoners van de aarde”.

         Alleluia,Alleluia,Alleluia.

“ Een niet onderricht Volk, wordt door naijver bevangen; reeds nu verslindt het vuur de tegenstanders”

         Alleluia,Alleluia,Alleluia.

“Breng kwaad over hen, Heer, breng kwaad over hen bijeen: over al de hoogmoedigen der aarde”.

         Alleluia,Alleluia,Alleluia.

Apolytikon.    
tn.8.
    Terwijl de roemrijke Leerlingen bij de voetwassing verlicht werden, werd Judas ziek van geest, verduisterd, en U, de rechtvaardigste Rechter, leverde hij over aan wetteloze rechters. Gij die door geldzucht zijt bevangen, zie op hem die zich daardoor de beulsdood heeft verworven. Ontvlucht de gierigheid die tot zulk een verraad aan de Leraar geraakte.
O Goede boven alles, heer, ere zij U”.       [wordt driemaal gezongen]

Kleine Litanie, waarna:

  Want aan U is de Kracht, het Koninkrijk, de Macht en de Heerlijkheid: Vader Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen; AMEN“.

P.   “En dat wij waardig mogen zijn om te luisteren naar het Heilige Evangelie, Laat ons de Heer bidden”.
Kyrië eleïson, Kyrië eleïson, Kyrië eleïson.

      “ Wijsheid. Staat op. Laat ons luisteren naar het Heilige Evangelie.
         Vrede aan allen”.    “En met uw geest”

D.   “ Lezing uit het heilige Evangelie volgens  . . . . . . . .

V.    “ Ere zij Uw lankmoedigheid [= toegevendheid], o Heer”

1e.].  Evangelië
“   Toen hij dan heengegaan was, zei Jezus:
Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt.
Als God in Hem verheerlijkt is, zal God ook Hem in Zich verheerlijken, en Hem terstond verheerlijken.
Kinderkens, nog een korte tijd ben Ik bij u; gij zult Mij zoeken en, gelijk Ik de Joden gezegd heb:
Waar Ik heenga, kunt gij niet komen, zo spreek Ik thans ook tot u.Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt.
Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander.
Simon Petrus zei tot Hem: Heer, waar gaat Gij heen? Jezus antwoordde: Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen, maar gij zult later volgen.
     Petrus zei tot Hem: Heer, waarom kan ik U thans niet volgen? Ik zal mijn leven voor U inzetten!
Jezus antwoordde: Uw leven zult gij voor Mij inzetten? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de haan zal niet kraaien, eer gij Mij driemaal verloochend hebt. Uw hart dient niet ontroerd te worden; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.
En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg.
     Thomas zei tot Hem: Heer, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg?
Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Indien gij Mij kende, zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezien.
     Philippos zei tot Hem: Heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg. Jezus zei tot hem: Ben Ik zolang bij u, Philippus en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader? Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken. Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; en wat gij ook vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden. Indien gij Mij iets vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen. Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren. En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.
Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven. Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u. Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.
     Judas, niet Iskariot, zei tot Hem: Heer, en hoe komt het, dat Gij Uzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?
Jezus antwoordde en zei tot hem: Indien iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn Woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen.
Wie Mij niet liefheeft bewaart mijn woorden niet; en het Woord, dat gij hoort, is niet van Mij, maar van de Vader, die Mij gezonden heeft. Dit heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik nog bij u verblijf; maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb. Vrede laat Ik u, Mijn Vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart dient niet ontroerd of versaagd [= de moed verliezen] te worden.
Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb; Ik ga heen en kom tot u. Indien gij Mij liefhadt, zoudt gij u verblijd hebben, omdat Ik tot de Vader ga, want de Vader is meer dan Ik.
En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschiedt, opdat gij geloven moogt, wanneer het geschiedt.
Niet veel zal Ik meer met u spreken, want de overste van de wereld komt en heeft aan Mij niets, maar de wereld moet weten, dat Ik de Vader liefheb en zo doe, als Mij de Vader geboden heeft. Staat op, laten wij vanhier gaan.
– Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen.
Gij zijt nu rein om het Woord, dat Ik tot u gesproken heb; blijft in Mij, gelijk Ik in u.
Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft.
Ik ben de Wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.
Wie in Mij niet blijft, is buiten geworpen als de rank en is verdord, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij worden verbrand.
Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden.
Hierin is Mijn Vader verHeerlijkt, dat gij veel Vrucht draagt en gij zult Mijn discipelen zijn.
Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad; blijft in Mijn Liefde.
Indien gij Mijn geboden bewaart, zult gij in Mijn liefde blijven, gelijk Ik de geboden van Mijn Vader bewaard heb en blijf in Zijn Liefde.
Dit heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn Blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld zal worden.
Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad.
Niemand heeft grotere Liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden.
Gij zijt Mijn vrienden, indien gij doet, wat Ik u gebied.
Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt.
Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aangewezen, opdat gij zoudt heengaan en vrucht dragen en uw vrucht zou blijven, opdat de Vader u alles geve, wat gij Hem bidt in Mijn Naam.
Dit gebied Ik u, dat gij elkander liefhebt.
Indien de wereld u haat, weet dan, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft.
Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld uitgekozen heb, daarom haat u de wereld.
Gedenkt het Woord, dat Ik tot u gesproken heb:
Een slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn Woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.
Maar dit alles zullen zij u aandoen om Mijn Naam, want zij kennen Hem niet, die Mij gezonden heeft.
Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij zouden geen zonde hebben, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Wie Mij haat, haat ook Mijn Vader.
Indien ik niet de werken onder hen gedaan had, die niemand anders gedaan heeft, zouden zij geen zonde hebben; maar nu hebben zij, hoewel zij ze gezien hebben, toch Mij en Mijn Vader gehaat.
Maar het Woord moet vervuld worden, dat in hun Wet geschreven is:
‘ Zij hebben Mij zonder reden gehaat’.
Wanneer de Trooster komt, die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest der Waarheid, Die van de Vader uitgaat, zal Deze van Mij getuigen; en gij moet ook getuigen, want gij zijt van het begin aan met Mij.
  Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij niet ten val komt. Men zal u uit de Synagoge bannen; ja, de ure komt, dat een ieder, die u doodt, zal menen aan God een heilige dienst te bewijzen.
En dit zullen zij doen, omdat zij noch de Vader, noch Mij kennen.
Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer hun uur komt, gij u moogt herinneren, dat Ik ze u gezegd heb.
Doch dit heb Ik u niet van het begin aan gezegd, omdat Ik bij u was.
En nu ga Ik heen tot Hem, die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat Gij heen? Maar omdat Ik dit tot u gesproken heb, heeft droefheid uw hart vervuld.
Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga.
Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden. En als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van Gerechtigheid en van Oordeel;
• van zonde, omdat zij in Mij niet geloven;
• van Gerechtigheid, omdat Ik heenga tot de Vader en gij Mij niet langer ziet;
• van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is.
Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der Waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle Waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen.
Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en Dit u verkondigen.
Al wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom zei Ik:
Hij neemt uit het Mijne en zal het u verkondigen. Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet meer, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien.
Sommige van Zijn discipelen dan zeiden tot elkander:
Wat betekent dit, dat Hij tot ons zegt: Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien? En: Ik ga heen tot de Vader?
Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Nog een korte tijd? Wij weten niet, wat Hij bedoelt.
Jezus bemerkte, dat zij Hem iets wilden vragen en zei tot hen:
Redeneert gij hierover met elkander, dat Ik zei:
Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien?
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zult schreien en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden; gij zult u bedroeven, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden.
Een vrouw, die baart, heeft droefheid, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan haar benauwdheid, uit vreugde, dat een mens ter wereld is gekomen.
Ook gij hebt dan nu wel droefheid, maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden en niemand ontneemt u uw blijdschap.
En te dien dage zult gij Mij niets vragen.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn Naam.
Tot nog toe hebt gij niet om iets gebeden in Mijn Naam;
bidt en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.
Dit heb Ik in beelden tot u gesproken; er komt een ure, dat Ik niet meer in beelden tot u zal spreken, maar u vrijuit over de Vader spreken zal.
Te dien dage zult gij in Mijn Naam bidden en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u vragen zal, want de Vader zelf heeft u lief, omdat gij Mij hebt liefgehad en geloofd hebt, dat Ik van God ben uitgegaan.
Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weder en ga tot de Vader.
Zijn discipelen zeiden: Zie, nu spreekt Gij vrijuit, zonder beeldspraak te gebruiken.
Nu weten wij, dat Gij alles weet en niet nodig hebt, dat iemand U vraagt; hierom geloven wij, dat Gij van God zijt uitgegaan.
Jezus antwoordde hun: Gelooft gij thans?
Zie, de ure komt en is gekomen, dat gij verstrooid wordt, een ieder naar het zijne en Mij alleen laat. En toch ben Ik niet alleen, want de Vader is met Mij.
Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt.
In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.
– Dit sprak Jezus en Hij hief Zijn ogen ten Hemel en zei:
Vader de ure is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat uw Zoon U verheerlijke, gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken.
Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.
Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt.
En nu, verHeerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid, Die Ik bij U had, eer de wereld was.
Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben Uw Woord bewaard.
Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in Waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.
Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U, en al het Mijne is het Uwe en het Uwe is het Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.
En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij.
Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd.
Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle Mijn Blijdschap in zichzelf mogen hebben.
Ik heb hun Uw Woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben.
Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze.
Zij zijn niet uit de wereld, gelijk Ik niet uit de wereld ben.
Heilig hen in Uw Waarheid; Uw Woord is de Waarheid.
Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld; en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in Waarheid.
En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun Woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld zal geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.
En de Heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn:
Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld zal erkennen, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.
Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om Mijn Heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad voor de grondlegging van de wereld.
Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt; en Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt en Ik zal Hem bekend maken, opdat de Liefde, Waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij in Ik in hen.
  Na dit gezegd te hebben, ging Jezus met Zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron, waar een hof was, die Hij met zijn discipelen binnenging
” John.13: 31- 18: 1.


2e.].Evangelië
      Na dit gezegd te hebben, ging Jezus met Zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron, waar een hof was, die Hij met zijn discipelen binnenging.
En ook Judas, zijn verrader, wist die plaats, omdat Jezus daar dikwijls was samengekomen met zijn discipelen.
Judas dan kwam daar, die een afdeling soldaten tot zijn beschikking had gekregen en dienaars van de overpriesters en de Farizeeën, voorzien van lantaarns, fakkels en wapenen.
Jezus dan, alles wetende, wat over Hem komen zou, kwam naar voren en zeide tot hen:  Wie zoekt gij?
Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazoreeër. Hij zei tot hen: ‘Ik ben het’.
En ook Judas, zijn verrader, stond bij hen.
Toen Hij dan tot hen zei:
Ik ben het, deinsden zij terug en vielen ter aarde.
Wederom dan stelde Hij hun de vraag:
Wie zoekt gij?
En zij zeiden: Jezus, de Nazoreeër.
Jezus antwoordde:
‘Ik zeide u, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan; opdat het Woord vervuld werd, dat Hij gesproken had:
Wie Gij Mij gegeven hebt, uit hen heb Ik niemand laten verloren gaan.
Simon Petrus dan, die een zwaard had, trok het, en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het rechteroor af; de naam van nu van de slaaf was Malchus.
Jezus dan zei tot Petrus:
‘Steek het zwaard in de schede;  de beker, die de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik die niet drinken?’.
De afdeling soldaten dan en de overste en de dienaars der Joden namen Jezus gevangen, boeiden Hem, en brachten Hem eerst voor Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was; en Kajafas was het, die de Joden de raad had gegeven:
‘Het is nuttig, dat een mens sterft ten behoeve van het Volk’.
En Simon Petrus en een andere discipel volgden Jezus. En die discipel was een bekende van de hogepriester en hij ging met Jezus het paleis van de hogepriester binnen, maar Petrus stond buiten aan de poort. De andere discipel dan, de bekende van de hogepriester, kwam naar buiten, en hij sprak met de portierster en bracht Petrus binnen.
De slavin dan, die portierster was, zei tot Petrus:
‘Gij behoort toch ook niet tot de discipelen van deze mens?’.
Hij zeide: Ik niet!
De slaven en de dienaars stonden zich te warmen bij een kolenvuur, dat zij aangelegd hadden, want het was koud, en ook Petrus stond zich bij hen te warmen.
De hogepriester dan vroeg Jezus naar zijn discipelen en naar zijn leer.
Jezus antwoordde hem:
Ik heb vrijuit tot de wereld gesproken; Ik heb voortdurend in de Synagoge geleerd en in de Tempel, waar al de Joden bijeenkomen, en in het verborgen heb Ik niets gesproken.
Waarom vraagt gij Mij? Vraag hun, die gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.
En toen Hij dit zei, gaf een van de dienaars, die erbij stond, Jezus een slag in het gelaat en zei:
‘Antwoordt Gij zo de hogepriester?’.
Jezus antwoordde hem:
‘ Indien Ik verkeerd gesproken heb, geef aan wat verkeerd was, maar indien het goed was, waarom slaat gij Mij?’.
Annas dan zond Hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.
En Simon Petrus stond zich te warmen. Zij zeiden dan tot hem:
‘Gij behoort toch ook niet tot zijn discipelen?’.
Hij ontkende het en zei: ‘Ik niet!’.
Een van de slaven van de hogepriester, een verwant van hem, wiens oor Petrus had afgeslagen, zei: ‘Zag ik u niet in de hof met Hem?’.
Petrus dan ontkende het wederom en terstond daarop kraaide een haan.
Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw.
En het was vroeg in de morgen; doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten

John.18: 1-28.


3e.]. Evangelië
  Die nu Jezus gegrepen hadden, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester bij wie de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren.
En Petrus volgde Hem van verre tot aan de hof van de hogepriester, en binnengekomen zijnde, ging hij tussen de dienaars zitten om de afloop te zien.
De overpriesters en de gehele Raad trachtten een vals getuigenis tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden er geen, hoewel er vele valse getuigen optraden.
Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen.
En de hogepriester stond op en zeide tot Hem: Geeft Gij geen antwoord; wat getuigen dezen tegen U?
Maar Jezus bleef zwijgen. En de hogepriester zeide tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God.
Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken des hemels.
Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en zeide: Hij heeft God gelasterd! Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u?
Zij antwoordden en zeiden: Hij is des dood’s schuldig.
Toen spuwden zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten; anderen sloegen Hem in het gelaat en zeiden: Profeteer ons, Christus, wie is het, die u geslagen heeft?
            Petrus zat buiten in de hof en er kwam een slavin naar hem toe, die zeide: Ook gij waart bij Jezus, de Galileeër.
Maar hij loochende het ten aanhoren van allen en zeide: Ik weet niet, wat gij zegt.
Toen hij naar het portaal ging, zag een andere hem en zij zeide tot hen, die daar waren: Die man was bij Jezus, de Nazoreeër.
En wederom loochende hij het met een eed: Ik ken de mens niet.
Even later kwamen zij, die daar stonden, naar Petrus toe en zeiden: Waarlijk, ook gij behoort tot hen, want ook uw uitspraak verraadt u.
Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de mens niet.
En terstond kraaide een haan. En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus gesproken had: Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter“
Matth.26: 57-75.

4e.]. Evangelië
    Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw. En het was vroeg in de morgen; 
doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten.
Pilatus dan kwam tot hen naar buiten en zeide: Welke aanklacht brengt gij tegen deze mens in?
Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien Hij geen boosdoener was, zouden wij Hem niet aan u overleveren!
Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen; opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had, aanduidende, welke dood Hij sterven zou.
Pilatus dan keerde terug in het gerechtsgebouw en riep Jezus en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?
Jezus antwoordde: Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken?
Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?
Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.
Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dus toch een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar Mijn stem.
Pilatus zeide tot Hem: Wat is waarheid?
En na dit gezegd te hebben, kwam hij weer naar buiten tot de Joden en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in Hem. Maar bij u bestaat het gebruik, dat ik u op Pascha iemand loslaat: wilt gij dan, dat ik u de Koning der Joden loslaat?
Zij schreeuwden dan wederom en zeiden: Hem niet, maar Barabbas! En Barabbas was een rover.
Toen nam dan Pilatus Jezus en liet Hem geselen.
En de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen kleed om, en zij traden op Hem toe en zeiden: Gegroet, Koning der Joden! En zij gaven Hem slagen in het gelaat.
En Pilatus kwam wederom naar buiten en zeide tot hen: Zie, ik breng Hem voor u naar buiten, opdat gij weet, dat ik geen schuld in Hem vind.
Jezus dan kwam naar buiten met de doornenkroon en het purperenkleed. En ( Pilatus) zeide tot hen: Zie, de mens! Toen dan de overpriesters en hun dienaars Hem zagen, schreeuwden zij en zeiden: Kruisigen, kruisigen!
Pilatus zeide tot hen: Neemt gij Hem en
kruisigt Hem: want ik vind geen schuld in Hem.
De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.
Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog meer bevreesd, en hij ging weder het gerechtsgebouw binnen en zeide tot Jezus: Waar zijt Gij vandaan?
Maar Jezus gaf hem geen antwoord. 
Pilatus dan zeide tot Hem: Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten,maar ook macht om U te kruisigen?
Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware: daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde.
Van toen af trachtte Pilatus Hem los te laten, maar de Joden schreeuwden en zeiden: Indien gij deze loslaat, zijt gij geen vriend van de keizer; een ieder, die zich koning maakt, verzet zich tegen de keizer.
Pilatus dan hoorde deze woorden en hij liet Jezus naar buiten brengen en zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Litostrotos, in het Hebreeuws Gabbata.
En het was Voorbereiding voor het Pascha, ongeveer het zesde uur, en hij zeide tot de Joden: Zie, uw koning!
Zij dan schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem! Pilatus zeide tot hen: Moet ik uw koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, alleen de keizer!
Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden“ John.18: 28-19: 16.

5e.]. Evangelië
    Toen kreeg Judas, die Hem verraden had, berouw, daar hij zag, dat Hij veroordeeld was, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug, en hij sprak: Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verraden!
Maar zij zeiden: Wat gaat ons dit aan? Gij moet zelf maar zien wat ervan komt!
En de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich; daarop ging hij heen en verhing zich. De overpriesters namen de zilverlingen en zeiden:
Wij mogen die niet in de offerkist doen, want het is bloedgeld. En zij namen het besluit daarvoor het land van de pottenbakker te kopen als begraafplaats voor de vreemdelingen. Daarom heet dat land Bloedakker, tot heden toe.
Toen werd vervuld hetgeen gesproken is door de profeet Jeremia, toen hij zeide: En zij namen de dertig zilverlingen, de geschatte waarde van de geschatte, die zij geschat hadden van de kinderen van Israël, en gaven die voor het land van de pottenbakker, gelijk de Heer mij had opgedragen.
     Jezus dan werd voor de stadhouder gesteld. En de stadhouder ondervroeg Hem en zeide: Zijt Gij de Koning der Joden? Jezus zeide: Gij zegt het.
En op de beschuldiging, die de overpriesters en oudsten tegen Hem inbrachten, antwoordde Hij niets. Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoeveel zij tegen U getuigen?
En Hij antwoordde hem op geen enkele vraag, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde.
Nu was de stadhouder bij elk feest gewoon een gevangene, ter keuze van de schare, los te laten. Zij hadden toen een berucht gevangene, genaamd Barabbas.
Daar zij nu toch bijeen waren, zeide Pilatus tot hen: Wie wilt gij, dat ik u zal loslaten, Barabbas of Jezus, die Christus genoemd wordt? Want hij wist, dat zij Hem uit nijd hadden overgeleverd.
       Terwijl hij nu op de rechterstoel zat, zond zijn vrouw hem de boodschap: Bemoei u toch niet met die rechtvaardige, want ik heb heden in een droom veel om Hem geleden.
Maar de overpriesters en de oudsten overreedden de scharen, dat zij om Barabbas zouden vragen, maar Jezus zouden laten ter dood brengen.
De stadhouder antwoordde en zeide tot hen: Wie van die twee wilt gij, dat ik u loslaat? Zij zeiden: Barabbas.
Pilatus zeide tot hen: Wat moet ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt? Zij zeiden 
allen: Hij moet gekruisigd worden!
Hij zeide: Wat heeft Hij dan toch voor kwaad gedaan?
Zij schreeuwden des te meer: Hij moet gekruisigd worden!
Toen Pilatus zag, dat niets baatte, maar dat er veeleer oproer ontstond, nam hij water, waste zich de handen ten aanschouwen van de schare en zeide:
Ik ben onschuldig aan zijn bloed; gij moet zelf maar zien, wat ervan komt.
En al het volk antwoordde en zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!
Toen liet hij hun Barabbas los, maar Jezus geselde hij en hij gaf Hem over om gekruisigd te worden.
Toen namen de soldaten van de stadhouder Jezus mee naar het gerechtsgebouw en riepen de gehele afdeling bij Hem samen. En zij trokken Hem zijn klederen uit en deden Hem een scharlaken mantel om; ook vlochten zij van doornen een kroon en zetten die op zijn hoofd en gaven Hem een riet in zijn rechterhand. Toen vielen zij voor Hem op de knieën en spotten, zeggende: Wees gegroet, gij Koning der Joden!
En zij spuwden naar Hem en namen het riet en sloegen Hem ermede op het hoofd.
En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de mantel uit en deden Hem zijn klederen aan en zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen.
     Toen zij heengingen, troffen zij iemand uit Cyrene aan, Simon genaamd; die presten zij om zijn kruis te dragen“ Matth.27: 3-32.

13e Antifoon     tn.6
” De scharen der Joden eisten van Pilatus om U te kruisigen, o Heer;
en ofschoon deze geen schuld in U gevonden had,
lieten zij de schuldige Barabas vrij,
maar u, de Rechtvaardige, veroordeelden zij ter dood, en
riepen Uw Bloed af over zichzelf en overhun kinderen.
Maar door dit Bloed hebt Gij ons allen verlost van onze ongerechtigheden,
in Uw Liefde tot de mensen
“.

6e.]. Evangelië
    De soldaten nu leidden Hem weg tot binnen het hof, dat is het gerechtsgebouw, en riepen de gehele afdeling bijeen. En zij trokken Hem een purperen kleed aan en zetten Hem een kroon op, die zij van doornen gevlochten hadden.
En zij begonnen Hem te begroeten: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!
En zij sloegen Hem met een riet op het hoofd en bespuwden Hem en zij vielen op de knieën en bewezen Hem hulde. En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem het purperen kleed uit en deden Hem zijn klederen aan. En zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen.
     En zij presten een voorbijganger om zijn kruis te dragen, een zekere Simon van Cyrene, die van het land kwam, de vader van Alexander en Rufus.
     En zij brachten Hem op de plaats Golgota, hetgeen betekent Schedelplaats.
     En zij gaven Hem wijn, met mirre gemengd, doch Hij nam die niet.
     En zij kruisigden Hem en verdeelden zijn klederen door het lot te werpen, wat ieder ervan krijgen zou.
Het was het derde uur, toen zij Hem kruisigden.
     En het opschrift, dat de beschuldiging tegen Hem vermeldde, luidde: De Koning der Joden.
     En met Hem kruisigden zij twee rovers, een aan zijn rechterzijde en een aan zijn linkerzijde.
     [En het schriftwoord is vervuld geworden, dat zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.]
     En de voorbijgangers spraken lastertaal tegen Hem, schudden hun hoofd en zeiden: Ha, Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, kom af van het kruis! Evenzo spotten de overpriesters onder elkander samen met de schriftgeleerden, en zij zeiden:
Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Laat de Christus, de Koning van Israël, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en gelovenMarc.15: 16-32c.

Zaligsprekingen:
” Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.
Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.
Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.
Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd
“.

7e.]. Evangelië
    En zij kwamen aan een plaats, genaamd Golgota, dat is de zogenaamde Schedelplaats, en zij gaven Hem wijn, vermengd met gal, te drinken.
En toen Hij die proefde, wilde Hij niet drinken.
Nadat zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijn klederen door het lot te werpen, en daar neergezeten bewaakten zij Hem.
     En boven zijn hoofd brachten zij op schrift de beschuldiging tegen Hem aan: Dit is Jezus, de Koning der Joden.
Toen werden met Hem twee rovers gekruisigd, een aan zijn rechterzijde en een aan zijn linkerzijde.
En de voorbijgangers spraken lastertaal tegen Hem, schudden hun hoofd en zeiden: Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, indien Gij Gods Zoon zijt, en kom af van het kruis!
Evenzo spotten de overpriesters samen met de schriftgeleerden en oudsten en zij zeiden:
Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Hij is Israëls Koning; laat Hij nu van het kruis afkomen en wij zullen aan Hem geloven. Hij heeft zijn vertrouwen op God gesteld; laat die Hem nu verlossen, indien Hij een welgevallen in Hem heeft; want Hij heeft gezegd: Ik ben God’s Zoon.
Op dezelfde wijze beschimpten Hem ook de rovers, die met Hem gekruisigd waren.
     En van het zesde uur af kwam er duisternis over het gehele land tot het negende uur.
Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem, zeggende: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat is: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
En sommige van de omstanders, dit horende, zeiden:
Hij roept Elia.
     En terstond liep een van hen toe en nam een spons, drenkte die met zure wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken.
Maar de anderen zeiden: Stil, laat ons zien, of Elia komt om Hem te redden.
Jezus riep wederom met luider stem en gaf de geest“.

†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥†✥

”            En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden, en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt.
            En zij gingen uit de graven na zijn opstanding en kwamen in de heilige stad waar zij aan velen verschenen.
De hoofdman en zij, die met hem Jezus bewaakten, zagen de aardbeving en wat er plaats had en zij werden zeer bevreesd en zeiden: Waarlijk dit was een Zoon van GodMatth.27: 33-54.

Psalm 50[51]
”  Ontferm U mijner, O God, volgens Uw grote Barmhartigheid.
En volgens de overvloed van Uw ontferming, delg mijn ongerechtigheid uit.
Was mij schoon van mijn onrecht; reinig mij van mijn zonde.
Want ik erken dat ik onrecht gedaan heb: mijn zonde is steeds voor mijn ogen.
Tegen U alleen heb ik gezondigd; ik heb kwaad gedaan voor Uw aanschijn.
Zodat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw uitspraak en zult winnen in Uw oordeel.
Want zie, in ongerechtigheid ben ik geboren; mijn moeder ontving mij in zonde.
Want zie, Gij bemint de Waarheid; Uw onzichtbare en verborgen wijsheid hebt Gij mij geopenbaard.
Besprenkel mij met hyssop, dan word ik rein; was mij, dan word ik witter dan sneeuw.
Doe mij vreugde en blijdschap horen, opdat mijn vernederd gebeente kan juichen.
Keer Uw aangezicht af van mijn zonden; delg al mijn ongerechtigheid uit.
God schep in mij een zuiver hart; vernieuw in mijn binnenste de rechte geest.
Verwerp mij niet van voor Uw aangezicht; neem Uw Heilige Geest niet van mij weg.
Geef mij de vreugde terug van Uw heil, sterk mij met Uw besturende Geest.
Dan zal ik de ongerechten Uw wegen leren; de goddelozen zullen zich tot U bekeren.
God, bevrijd mij van bloedschuld: Gij zijt de God van mijn heil; mijn tong zal over uw gerechtigheid juichen.
Heer, open mijn lippen, opdat mijn mond Uw lof verkondige.
Wilt Gij een offer, dan zou ik het brengen, maar in brandoffers schept Gij geen behagen.
Een offer voor God is een berouwvolle geest: God, Gij versmaadt geen vermorzeld en nederig hart.
Doe goed, Heer, in Uw welwillendheid aan Sion; laat de muren van Jeruzalem weer opgebouwd worden.
Dan hebt Gij behagen in offers van gerechtigheid, gaven en brandoffers, dan zal men kalveren op Uw altaar leggen
“.

Synaxarion:
“ Op deze Grote en Heilige Vrijdag vieren wij het Heilig, Verlossend en ontzagwekkend Lijden dat onze Heer, God en Verlosser Jezus Christus voor ons heeft ondergaan:
      het bespuwen, de slagen, de geseling, de beledigingen, de bespottingen, de purperen mantel, de rietstok, de spons met azijn, de nagels, de lans; en Bovenal het Kruis en de dood.
      Dit alles is op deze Vrijdag gebeurd. Maar ook de verlossende belijdenis op het Kruis van de goede Rover, die met Hem gekruisigd was.
      Door dit medelijden, dat de krachten der natuur te boven gaat, en dat niemand anders voor ons had kunnen hebben be halve Gij, Christus onze God, ontferm U over ons.       Amen ”.


8e.]. Evangelië
      Er werden ook nog twee misdadigers weggeleid, om met Hem te worden terechtgesteld.
     En toen zij aan de plaats gekomen waren, die Schedel genoemd wordt, kruisigden zij Hem daar en ook de misdadigers, de ene aan zijn rechterzijde en de andere aan zijn linkerzijde.
     En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
En zij wierpen het lot om 
zijn klederen te verdelen.
     En het volk stond erbij en zag toe. Ook de oversten hoonden en zeiden: Anderen heeft Hij gered, laat Hij nu Zichzelf redden, indien Hij de Christus Gods is, de uitverkorene!
Ook de soldaten kwamen naderbij om Hem te bespotten en brachten Hem zure wijn, en zeiden: Indien Gij de Koning der Joden zijt, red dan Uzelf!
     Er was ook een opschrift boven Hem: Dit is de Koning der Joden.
Een der gehangen misdadigers lasterde Hem: Zijt Gij niet de Christus? Red Uzelf en ons! Maar de andere antwoordde en zeide, hem bestraffende: Vreest zelfs gij God niet, nu gij hetzelfde vonnis ontvangen hebt? En wij terecht, want wij ontvangen vergelding, naar wat wij gedaan hebben, maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.
          En hij zei: Jezus, gedenk mijner, wanneer Gij in uw Koninkrijk komt.
          En Christus Hij zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.
     En het was reeds ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over het gehele land tot het negende uur, want de zon werd verduisterd. En het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor.
            En Jezus riep met luider stem: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.
            En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.
Toen de hoofdman zag, wat er geschiedde, verheerlijkte hij God, zeggende: Inderdaad, deze mens was rechtvaardig!
            En al de scharen, die voor dit schouwspel samengekomen waren, keerden terug toen zij aanschouwd hadden, wat er geschied was, en sloegen zich op de borst.
           Al zijn bekenden nu stonden van verre, ook vrouwen, die Hem van Galilea gevolgd waren en dit aanzagenLuc.23: 32-49.

9e.]. Evangelië
    En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Cleophas en Maria van Magdala.
      Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande, zeide Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.
     Daarna zeide Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis.
     Hierna zeide Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden: Mij dorst!
     Er stond een kruik vol zure wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysop-stengel en brachten die aan zijn mond.
     Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zeide Hij:
Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf de geest.
     De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven – want de dag van die sabbat was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden.
De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was braken zij zijn benen niet,  maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit.
     En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft.
     Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden: Geen been van Hem zal verbrijzeld worden.
En weer zegt een ander schriftwoord: Zij zullen zien op Hem, die zij doorstoken hebbenJohn.19: 25-37.

10e.]. Evangelië
    Jozef van Arimatea, een aanzienlijk lid van de Raad, die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte; en hij waagde het naar Pilatus te gaan en het lichaam van Jezus te vragen.
      En het bevreemdde Pilatus, dat Hij reeds gestorven zou zijn, en hij ontbood de hoofdman en vroeg hem, of Hij reeds lang gestorven was.
     En toen hij het van de hoofdman vernomen had, schonk hij het lichaam aan Jozef.
      En deze kocht linnen en legde Hem in een graf, dat in een rots uitgehouwen was, en hij wentelde een steen voor de ingang van het graf. Maria van Magdala en Maria, de moeder van Joses, zagen, waar Hij was neergelegdMarc.15: 43-47.

11e.]. Evangelië
    En daarna vroeg Jozef van Arimatea, een discipel van Jezus, maar in het verborgen uit vrees voor de Joden, aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij kwam dan en nam zijn lichaam weg.
      En ook kwam Nikodemus, die de eerste maal des nachts tot Hem gekomen was, en hij bracht een mengsel mede van Myron en Aloë, ongeveer honderd pond.
      Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen windsels met de specerijen, zoals het bij de Joden gebruikelijk is te begraven.
      En er was ter plaatse, waar Hij gekruisigd was, een hof en in die hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet; daar dan legden zij Jezus neer wegens de Voorbereiding der Joden, omdat het graf dichtbij wasJohn.19: 38-42.

12e]. Evangelië
    De volgende dag, dat is na de Voorbereiding, kwamen de overpriesters en de Farizeeën gezamenlijk tot Pilatus, en zij zeiden: Heer, wij hebben ons herinnerd, dat die verleider bij zijn leven gezegd heeft: Na drie dagen word Ik opgewekt.
Geef daarom bevel het graf te verzekeren tot de derde dag; anders konden zijn discipelen Hem komen stelen, en tot het volk zeggen: Hij is opgewekt uit de doden, en de laatste dwaling zou erger zijn dan de eerste.
Pilatus zei tot hen: Hier hebt gij een wacht, gaat heen en verzekert het naar uw beste weten.
Zij gingen heen en verzekerden het graf met de wacht, na de steen verzegeld te hebbenMatth.27: 62-66.

Deze dag van het kwaad echter, des dag waarop het kwaad zich ten volle en als overwinnaar manifesteert, is voor ons navolgers van Christus de dag van VERLOSSING.
Christus’ dood wordt ons geopenbaard als
de reddende dood VOOR ONS en ONZE VERLOSSING.

     Het is een REDDENDE DOOD, omdat het het volledige, volmaakte en hoogste offer is.
Christus Geeft Zijn dood aan Zijn Vader, omdat er, zoals wij zullen zien, geen andere manier is om de Dood te vernietigen en de mens van de dood te redden en het is de Wil van de Vader, dat de mens van de dood gered wordt.
Aan ons, omdat Christus waarlijk IN PLAATS VAN ons sterft. De dood is de vrucht van de zonde, een dreigende straf.
de mens verkoos zich van God te vervreemden en omdat hij geen leven heeft in zichzelf, sterft de mens dus.
Christus echter kent geen zonde en dus ook geen dood.
Alleen uit Liefde tot ons aanvaardt Hij de dood.
Hij wil ons menselijk bestaan aannemen en delen tot het einde.
Hij aanvaardt de straf voor onze natuur, als Hij de gehele last van onze menselijke positie op Zich neemt.
Hij sterft, omdat Hij Zich werkelijk met ons geïdentificeerd heeft, inderdaad de tragedie van het menselijk leven OP ZICH HEEFT GENOMEN.
Zijn dood is de laatste openbaring van Zijn Medelijden en Liefde.
En omdat Zijn dood Liefde, Medelijden, ja mede-lijden, is, verandert Zijn dood de aard zelf van de dood. Van straf verandert de dood in de stralende daad van Liefde en Vergeving, het einde van vervreemding en eenzaamheid.

Veroordeling wordt omgezet in Vergeving . . . . .
      Tenslotte is Zijn dood een reddende dood, omdat de bron van de dood, het kwaad, vernietigd wordt.
Door de dood in Liefde te aanvaarden, door Zich aan Zijn moordenaars over te geven en hun ogenschijnlijke overwinning toe te staan, toot Christus dat deze overwinning in werkelijkheid de volledige en beslissende nederlaag van het Kwaad is.
Om als overwinnaar tevoorschijn te komen, moet het Kwaad het Goede vernietigen, moet het bewijzen dat het uiteindelijk waarheid in het leven is, het goede in diskrediet brengen, in één woord samengevat: Zijn superioriteit bewijzen.
Gedurende Zijn gehele Lijden echter is Christus, en Hij alleen, de overwinnaar.
Het Kwaad vermag niets tegen Hem, want het kan Christus er niet toe brengen het Kwaad als Waarheid aan te nemen.
Schijnheiligheid wordt onthuld als schijn heiligheid, moord als moord, vrees als vrees en als Christus Zich zwijgend naar het kruis en het Einde begeeft, als de menselijke tragedie haar hoogtepunt bereikt, wordt Zijn overwinning, Zijn triomf over het Kwaad, Zijn verheerlijking steeds duidelijker.
In elke fase wordt deze overwinning dan ook erkend en bevestigd, beleden en verkondigt:

. . . . . . . . . . . . door de vrouw van Pilatus, oor Jozef, door de gekruisigde moordenaar, door de honderdman.
En als Hij aan het Kruis sterft, nadat Hij de uiterste, afschuwelijke angst die de dood met zich meebrengt:
de absolute eenzaamheid, heeft aanvaard [ ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?], is het enige wat men doen kan, belijden:
“Waarlijk dit was de Zoon van God”
En zo is het dat deze Dood, deze Liefde, deze Gehoorzaamheid, Deze Volheid van Leven,
     dat wat de Dood tot het universele lot maakte, vernietigt.
“ . . . . . En de graven gingen open . . . . . “ Matth.27: 52.
Stralen van Opstanding verschijnen reeds.
Dit is het dubbele Mysterie van de Goede Vrijdag en de diensten laten het zien en laten ons eraan deelnemen.

Wij sluiten nu deze Mettendienst met de 12 Evangeliën van witte Donderdag af, welke ons het Lijden van Christus  doen volgen in de uren van Goede Vrijdag.

Donderdag in de Grote en Heilige week – de grootsheid van het Goddelijke Mysterie

Statenbijbel uit 1729, gedrukt door Pieter & Jacob Keur, Dordrecht, Nederland.

Het Goddelijke Mysterie van vandaag is een samengesteld gedeelte uit de Blijde Boodschap; aangezien vandaag acht wordt geslagen op
diverse hoogtepunten bestaande uit:
1.]. het wassen van de voeten van de volgelingen door Christus,
2.]. het Laatste Avondmaal,
3.]. het gebed in de hof van Olijven [Gethsemane] en het verraad van Judas:

Het Laatste Avondmaal van onze Heer Jezus Christus met Zijn volgelingen
valt samen met de dienstbaarheid in het wassen van de voeten en het verraad van Judas. De diepere betekenis van beide gebeurtenissen is “Liefde”.
Het laatste Avondmaal is de eschatologische openbaring van de verlossende Liefde van God voor de mens, Liefde, Die vanuit het hart tot het Heil van de mensheid, uit God voortkomt.
Het verraad van Judas onthult dat zonde, dood en zelfvernietiging eveneens te wijten zijn aan de liefde, maar nu in een destructieve zin, een liefde die verdeelt, tot niets leidt en de mens tot waanzin drijft, waarbij alles behalve de liefde heerst.
Hier wordt het Mysterie van deze unieke dag, de Grote Donderdag in een paar woorden samengevat.
De liturgische vieringen, waar het licht en duisternis, vreugde en verdriet
vreemd genoeg in elkaar overgaan en ons met een gemengde gevoel achterlaat.   
         Jullie weten allemaal maar al te goed, dat het over twee dagen Paasfeest is, en daartoe wordt  de Zoon des mensen in het -hier en nu- overgeleverd om gekruisigd te worden. Daartoe komen de overpriesters en de oudsten van het Volk bijeen in het paleis van de hogepriester, genaamd Kajafas en zij beramen ‘ongestoord’ een plan om onze Heer en Verlosser door list in handen te krijgen en te doden.
Maar zij zeiden:
‘Niet op het feest, opdat er geen opschudding onder het Volk zal ontstaan, stel je toch eens voor, zeg?’.

Verslag van ooggetuigen; Report of eyewitnesses; Αναφορά των αυτόματων μαρτύρων; تقرير شهود العيان.

”     Toen Jezus te Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse, kwam er
een vrouw tot Hem met een albasten kruik vol kostbare Myron en
goot die uit over Zijn hoofd, terwijl Hij daar aanlag.
Toen de discipelen dit zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: ‘Waartoe die verkwisting?. Want deze
[Myron] had duur verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden‘.
Maar Jezus merkte het op en zei tot hen: “ Waarom valt gij deze vrouw lastig? Want zij heeft een goede daad aan Mij verricht. De armen hebt gij immers altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd.
Want toen zij deze Myron over Mijn lichaam uitgoot, heeft zij dat gedaan om Mijn begrafenis voor te bereiden.
Voorwaar, Ik zeg u, overal waar deze Blijde Boodschap verkondigd zal worden in de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft”.
Vervolgens gaat een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, naar de overpriesters en hij zegt: “Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren”
En zij stellen hem dertig zilverlingen ter hand. En van toen af zocht hij een goede gelegenheid om Hem over te leveren.
Op de eerste dag van het feest der ongezuurde broden, kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: ‘Waar wilt Gij, dat wij toebereidselen maken voor U om het Pascha te eten?
Hij zei: Gaat naar de stad
tot die-en-die en zegt tot hem: ‘De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; bij u houd Ik met mijn discipelen het Pascha’.
En de discipelen deden, zoals Jezus hun had opgedragen, en zij maakten het Pascha gereed. Toen het avond geworden was, lag Hij aan met de twaalf discipelen
“ Matth.26: 2-20;

➻             Christus stond, wetende, dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heenging, van de maaltijd op en Hij legde Zijn klederen af en nam een linnen doek en omgordde Zich daarmee. Daarna deed Hij water in het bekken en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met de doek, waarmede Hij omgord was.
Hij kwam dan bij Simon Petrus. Deze zei tot Hem: ‘Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?’. Jezus antwoordde en zei tot hem: ‘Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het later verstaan’. Petrus zei tot Hem: ‘Gij zult mijn voeten niet wassen in eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: ‘Indien Ik u niet was, hebt gij geen deel aan Mij’.
Simon Petrus zei tot Hem: ‘Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd!’. Jezus zei tot hem: ‘Wie gebaad heeft, behoeft zich alleen de voeten te laten wassen, want hij is geheel rein; en gijlieden zijt rein, doch niet allen’. Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zei Hij: ‘Gij zijt niet allen rein’.
Toen Hij dan hun voeten gewassen had en zijn klederen aangedaan en weer plaats genomen had, zei Hij tot hen: ‘Begrijpt gij wat Ik u gedaan heb?. Gij noemt Mij Meester en Heer, en gij zegt dat terecht, want Ik ben het. Indien nu Ik, uw Heer en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb.
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. Indien gij dit weet, zalig zijt gij, als gij het doet. Ik spreek niet van u allen; Ik weet, wie Ik heb uitgekozen; maar het schriftwoord moet vervuld worden: Hij, die mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven
“ John.13: 3-17;
➻             En terwijl zij aten, zei Hij: ‘Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij verraden zal. En zeer bedroefd, begonnen zij, een voor een, tot Hem te zeggen: ‘Ik ben het toch niet, Heer? Hij antwoordde hun en zei: Die zijn hand met Mij in de schotel heeft gedoopt, die zal Mij verraden.
De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed geweest, als hij niet geboren was.
Judas, zijn verrader, antwoordde en zei: ‘Ik ben het toch niet, Rabbi?’.  Hij zei tot hem: ‘Gij hebt het gezegd’.
       En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zei: ‘Neemt, eet, dit is Mijn Lichaam’. En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zei: ‘Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van Mijn Verbond, Dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader’.
       En na de lofzang gezongen te hebben vertrokken zij naar de Olijfberg.
Toen zei Jezus tot hen:
‘Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. Doch nadat Ik zal zijn opgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
Petrus antwoordde en zei tot Hem: ‘Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit!’. Jezus zei  tot hem: ‘Voorwaar, Ik zeg u, in deze nacht, eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen’.
Petrus zei tot Hem: ‘Zelfs al moest ik met U sterven, ik zal U voorzeker niet verloochenen’. Zo spraken ook al de discipelen.
       Toen ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij zeide tot de discipelen: ‘Zet u hier neder, terwijl Ik heenga om daar te bidden’.
En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeus mee en Hij begon bedroefd en beangst te worden.
       Toen zei Hij tot hen: ‘Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij’.
En Hij ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad, zeggend:
‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt
“ Matth.26: 21-39;
 “        En Hem verscheen een engel uit de hemel om Hem kracht te geven. En Hij werd dodelijk beangst en bad des te vuriger. En zijn zweet werd als bloeddruppels, die op de aarde vielen.
En Hij stond op van het gebed
“ Luc.22: 43-45a;
➻             En Hij kwam bij zijn discipelen en vond hen slapende, en Hij zei tot Petrus: ‘
Waren jullie mensen zo weinig bij machte een uur met Mij te waken?  Waakt en bidt, dat jullie niet in verzoeking komen; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’.
       Wederom, ten tweeden male, ging Hij heen en bad, zeggende: ‘Mijn Vader, indien deze beker niet kan voorbijgaan, tenzij dan dat Ik die zal drinken, uw wil geschiede!’.
En toen Hij terugkwam, vond Hij hen slapende, want hun ogen waren bezwaard.

eenzaam en alleen

       En Hij liet hen daar en ging wederom heen en bad ten derden male, opnieuw dezelfde woorden sprekende.
Toen kwam Hij bij de discipelen en zei tot hen:
‘ Slaapt nu maar en rust. Zie, de ure is nabijgekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren. Staat op, laten wij gaan. Zie, die Mij overlevert, is nabij.
       En terwijl Hij nog sprak, zie, daar was Judas, een van de twaalven, en met hem een grote schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en oudsten van het Volk. En die Hem overleverde had hun een teken gegeven, zeggend: ‘Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem’. En terstond trad hij op Jezus toe en zei: ‘Wees gegroet, Rabbi, en hij kuste Hem . . . . . Maar Jezus zeide tot hem: ‘Vriend, waartoe zijt gij hier?’.
Toen traden zij toe, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. En zie, een van die bij Jezus waren, strekte zijn hand uit, trok zijn zwaard en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het oor af. Toen zei Jezus tot hem:
‘Breng uw zwaard weer op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen? Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden?’.
       Op dat ogenblik sprak Jezus tot de scharen:
‘Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken om Mij gevangen te nemen? Dagelijks zat Ik in de tempel te leren, maar gij hebt Mij niet gegrepen. Doch dit alles is geschied, opdat de schriften van de Profeten in vervulling zouden gaan’. Toen lieten al de discipelen Hem alleen en vluchtten.
Die nu Jezus gegrepen hadden, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester bij wie de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren.
       En Petrus volgde Hem van verre tot aan de hof van de hogepriester, en binnengekomen zijnde, ging hij tussen de dienaars zitten om de afloop te zien.
De overpriesters en de gehele Raad trachtten een vals getuigenis tegen Jezus te vinden om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden er geen, hoewel er vele valse getuigen optraden.
Maar ten laatste traden er twee op, die verklaarden: ‘Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel Gods afbreken en binnen drie dagen opbouwen’.
En de hogepriester stond op en zei tot Hem: ‘Geeft Gij geen antwoord; wat getuigen dezen tegen U?’.
Maar Jezus bleef zwijgen. En de hogepriester zei tot Hem:
‘ Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God’.
       Jezus zei tot hem:
‘ Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken van de hemel.
Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en zei:
‘Hij heeft God gelasterd! Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u?’.
Zij antwoordden en zeiden: ‘Hij is des doods schuldig’.
Toen spuwden zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten; anderen sloegen Hem in het gelaat en zeiden:
‘ Profeteer ons, Christus, wie is het, die u geslagen heeft?’.

Petrus:’k ken die mens niet’  Rembrandt, Dordrecht museum

Petrus zat buiten in de hof en er kwam een slavin naar hem toe, die zei:
‘Ook gij waart bij Jezus, de Galileeër’.
Maar hij loochende het ten aanhoren van allen en zei: ‘Ik weet niet, wat gij zegt’.
Toen hij naar het portaal ging, zag een andere hem en zij zei tot hen, die daar waren:
‘ Die man was bij Jezus, de Nazoreeër.
En wederom loochende hij het met een eed: ‘Ik ken die mens niet’.
Even later kwamen zij, die daar stonden, naar Petrus toe en zeiden:
‘ Waarlijk, ook gij behoort tot hen, want ook uw uitspraak verraadt u’.
Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: ‘Ik ken de mens niet’.
En terstond kraaide een haan.
En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus gesproken had:
‘Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen’. En hij ging naar buiten en weende bitter.
      Toen het nu morgen geworden was, namen al de overpriesters en de oudsten van het Volk het besluit tegen Jezus om Hem te doden. En zij boeiden Hem, leidden Hem weg en zij leverden Hem over aan Pilatus, de stadhouder
“ Matth.26: 40-27: 2.

NB.: is er sprake van een voetwassing dan wordt John.13: 3-11 tijdens de voetwassing gelezen en John.13: 12-17 erna.

Apostellezing:
        Want zelf heb ik bij overlevering van de Heer ontvangen, wat ik u weer overgegeven heb, dat de Heer Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een brood nam, de dankzegging uitsprak, het brak en zei: ‘Dit is Mijn Lichaam voor u, doet dit tot Mijn Gedachtenis.
Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zei:
‘ Deze beker is het Nieuwe Verbond in Mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot Mijn Gedachtenis. Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.
Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren.
Maar ieder dient zichzelf te beproeven en dient te eten dan van het brood en te drinken uit de beker. Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt. Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen.
Indien wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet onder het oordeel komen. Maar onder het oordeel des Heren worden wij getuchtigd, opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden
1Cor.11: 23-32.


Schrijf dit op voor het volgend geslacht:
Ook het Volk dat nog niet geboren is, zal de Heer loven.
Want onze Heer en Meester ziet neer uit Zijn verheven Heiligdom,
onze God ziet uit de Hemel neer op de aarde
” Psalm 101[102]: 19-21.

 

‘lijdende melaatse mens’, ca.1510  door Matthias Grunewald [1480-1528 Germany]

uit: het gebed van iemand die bijna sterft van ellende;
      de mens vertelt hier aan de Heer hoe ongelukkig deze is:
‘Heer, verhoor ons gebed, laat ons roepen tot U komen; 
wend Uw aangezicht niet van ons af, vanwege
het zuchten en steunen van uw dienaren, die
gevangen zijn te horen, om hen vrij te laten, die de dood nabij zijn‘.

                       Dàt het Lichaam van Christus het medicijn is tegen de zonde en
                      Zijn Bloed de enige manier is waarop een mens van zijn onoplosbare,
                      – ‘niet te genezen’ – pijn afkomt en van zijn zondelast verlost wordt.
Het Lichaam van Christus is uitgegroeid tot een schat van Goddelijke perfectie en
wast altijd rein van alle zonde en rechtvaardigheid.
Met uitzondering van iedere hooghartige verkondiger, die predikt dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest onder de mensen onbekend zal blijven tot het moment dat zij zich eerst met Hem kunnen verenigen.
Hij predikte Christus weliswaar in woord en de daad maar vergeet;
⁌     dat het nuttigen van het Lichaam en Bloed méér is,
  dan het wegslikken van materie.
⁌     dat het lijden en sterven aan het Groot en Heilig Kruis méér is,
dan een rituele slachting, die wij herdenken.
  Wij offeren met dit onbloedig offer van Brood en Wijn onszelf
    temidden van het vlees en het bloed, waaruit wij zelf bestaan
⁌     wij bevelen aan Christus God onszelf, elkaar en geheel ons leven aan”,
in de Heilige Geest bieden wij de moeder God’s en alle heiligen gedenkend aan
    God ons gehele leven aan. “Aan U, o Heer!” wordt in de vragende Litanie gebeden.
  Wij bieden als Christenen ons leven aan ter slachting aan het Groot en Heilig Kruis, dat
wij mèt Christus dragen, mèt het bijbehorend verdriet en het leed en mèt de kwelling toen
Hij het tijdstip naderde om ná gebed en vasten temidden van zweet van bloed geofferd te worden.
     Judas verraadde Hem en liet Hem door de tegenstander grijpen en
     deze mens was door zijn doen en laten
     met handen en voeten gebonden aan zijn boosdoeners [de wereld] en
     hij getuigde daarmee eveneens voor Pilatus, zoals de apostel Paulus zegt.
Vanwege zijn grote getuigenis draagt hij
eveneens bij aan de dood, de dood aan het Groot en Heilig Kruis.
      Jezus dan, alles wetende, wat over Hem komen zou, kwam naar voren en zeide tot hen: ‘Wie zoekt gij?’
Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazireeër. Hij zeide tot hen: Ik ben het.
En ook Judas, zijn verrader, stond bij hen.
Toen Hij dan tot hen zeide: ‘Ik ben het, deinsden zij terug en vielen ter aarde’.
Wederom dan stelde Hij hun de vraag:
Wie zoekt gij? En zij zeiden: Jezus, de Nazireeër.
Jezus antwoordde: Ik zeide u, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan; opdat het Woord vervuld werd, dat Hij gesproken had: ‘Wie Gij Mij gegeven hebt, uit hen heb Ik niemand laten verloren gaan’
“ John.18: 4-9

Draag als Christen, als navolger van Christus dit Lichaam dat gegeten wordt de huid, de door nagels doorboorde handen en aanvaard het doorboord worden door de speer, het gestoken worden met een bajonet in de zijde en aanvaard de lijfelijke pijn als Zijn grote pijn en lijden dat Hij gedragen heeft – en bovenal de pijn toen hij genageld aan het kruis hing en uitriep “ God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten”.
Dit is het Heilig Lichaam en het Heilig Bloed, het Bloed van Christus dat vergoten is, tot vergeving van de zonden der mensen, welke wij mede-ervaren in ons christelijk leven in deze wereld.
Daarop verduisterde God, de Schepper van Hemel en aarde, de zon en beefde de aarde en wordt de gehele wereld en de kosmos gezuiverd uit de gruwel van de zonde.
De letterlijke Wet – de Wet van het Oude Testament – bezat geen macht om degenen te dusdanig te vormen dat zij tot volmaaktheid konden komen, want
het is een onvolmaakte wet, een menselijke wet.
Het was nodig om de wet van de Heilige Geest, de Liefde tot de mensen tot het uiterste te openbaren, de volledige en bekwame nieuwtestamentische wet van de Goddelijke Liefde tot de mensen en de onderlinge liefde van de mens, die de mens tot volmaaktheid brengt.
De pijn en het leed, de kwellingen, die door christenen wordt gedragen en het bloed, zweet en tranen, die als offer aan God daaruit voorkomen verdienen het om opnieuw gezegend te worden.
Hetgeen de mens door zijn hoogmoed veroorzaakt heeft, de verwijdering van God, heeft zij verloren als gevolg van de zonden, die hen ook na de doop niet ten goede komt als iets wat mensen teniet gedaan hebben en
dit wordt als gevolg van het bloed van het Nieuwe Testament en het lichaam van Christus, die aan het kruis geofferd is opgeheven.
 Dit is het geheim van dankzegging – het grote Mysterie dat wacht op de gerechtigheid van God, degenen die hebben erkend dat Isaäc zich tot God heeft gewend met hun zonden. God heeft ons volgelingen van Christus onze zonden vergeven; deze vorm van vergeving noemen wij indirecte vergeving.

 

Hij toonde Zijn Hart voor de mensen

      En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Heer [na Zin Opstanding] zagen. Jezus dan zei nogmaals tot hen: “Vrede zij u!’ ‘Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u’.
En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zei tot hen: ‘Ontvangt de Heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend’
“ John. 20:20-23.

Indien je ooit iemand barmhartigheid betoont, zal jou eveneens Genade betoond worden.
Indien je mededogen toont aan iemand die lijdt (en dit is natuurlijk geen grote daad), word je tot de martelaren gerekend.
Indien u iemand vergeeft die jou heeft beledigd, dan zullen niet alleen al jouw zonden worden vergeven, maar je zult een kind van de Hemelse Vader worden.
Indien je bidt vanuit je hele hart voor redding – zelfs al is het een beetje – zul je gered worden.
Indien je jezelf bestraft, jezelf beschuldigt en jezelf voor God veroordeelt vanwege je zonden, met een gevoelig geweten, zelfs voor deze zul je gerechtvaardigd zijn.
H. Moses van Optina 

Na de ontmoeting, ‘het ontvangen van Zijn Lichaam en Zijn Bloed’; After the meeting, ‘receiving His Body and His Blood.

Wij blijken keer op keer God’s Vertrouwen te verkrijgen, maar toch vervallen wij in onze ongerechtigheden, omdat wij als mensen fouten maken en om ons te ontdoen van onze herhaalde zondeval en vergeving te verkrijgen is het essentieel, dat we haast om onszelf te bekeren en de strijd tegen de zonde aan te gaan.
Door regelmatig het Lichaam en Bloed van Christus te ontvangen, worden wij genezen hetgeen het medicijn is voor de genezing van het menselijk kwaad blijkt te zijn.
conf. Heilige Nicholas Cabasilas

”     Een rechtvaardig mens, verstoten van wijsheid, die is als een lamp in volle zon.
Het gebed van degene, zich beledigingen herinnerend, die is als een zaad dat op de rots is geworpen.
Een asceet, zonder barmhartigheid, die is als een onvruchtbare boom.
Een verwijt dat voortkomt uit het begeren, dat is als een vergiftigde pijl.
Een lofbetuiging voortkomend uit dubbelhartigheid , dat is een verborgen valkuil.
Een onredelijke raadgever blijkt een blinde leider te zijn.
De kring van de spotters breekt het hart.
Geregeld een wijs mens bezoeken is als een verfrissende bron.
Een wijze raadgever is een veilige schutsmuur.
Een onredelijke vriend, verstoten van wijsheid, is een vat vol onheil.
Het is beter een huis in rouw te zien dan een wijze die een dwaas volgt.
Het is beter bij wilde dieren te verblijven dan met begerige lieden rond te dolen.
Het is beter in een graf te verblijven dan met verdorven mensen op te trekken.
Verkies eerder te leven met gieren dan met hebzuchtige en onverzadigbare mensen.
Verkies liever een moordenaar als gezel dan een ruziemaker.
Verkies het gezelschap van een zwijn boven dat van een gulzigaard, want
de pens van een zwijn past beter in de mond van een gulzigaard.
Verkies het gezelschap van melaatsen boven dat van trotsen

H. Isaäc de Syriër [van Ninivé] .

Er waren joodse christenen onder de bekeerlingen, christenen, die gebonden bleven, gebonden aan de Wet en de joodse waarnemingen van de Wet, de perceptie.
Zij onderwezen de christenen in Galatië om de Wet te houden, inclusief de besnijdenis en  ze betekenden de ceremoniële Wet, die vervuld was in Christus, en die vervangen was door de vrijheid van de Genadegaven van de Heilige Geest en  hierin onderwezen zij een heel ander Evangelie, zoals de Apostel Paulus elders zegt:
“       Och, verdroegt gij een weinig onverstand van mij! Maar dat doet gij ook. Want met een ijver Gods waak ik over u, want ik heb u verbonden aan een man om u als een reine maagd voor Christus te stellen. Maar ik vrees, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, uw gedachten van de eenvoudige en loutere toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden. Want indien de eerste de beste een andere Jezus predikt, die wij niet hebben gepredikt, of gij een andere geest ontvangt, die gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel“ 2Cor. 11: 1-4.
Deze joodse Christenen bleven in hun joodse traditie hangen, in de schaduw van het christendom en het menselijke, dat ‘niet verlost’, wat mensen als creaties in Christus – naar het evenbeeld van de Schepper niet- ‘nieuw maakt’.
Dit zijn degenen, die Paulus aanspreekt in de brief die we via de overlevering vernemen, laten we dit fragment nog maar een keertje horen waar hij zegt:
          Allen, die zich uiterlijk goed willen voordoen, trachten u te dwingen tot de besnijdenis, alleen om niet vervolgd te worden ter wille van het kruis van Christus Jezus. Want zij, die zich laten besnijden, houden zelf niet eens de wet, doch zij willen, dat gij u laat besnijden, opdat zij op uw vlees roem kunnen dragen. Maar ik zal ervoor bewaard mogen blijven te roemen anders dan in het Kruis van onze Heer Jezus Christus, door wie de wereld mij gekruisigd is en ik van de wereld
Gal.6: 12-14.
Daarop wordt gewezen wanneer wij in de Goddelijke Liturgie voorafgaand aan de Epiclese [aanroeping] horen – wanneer wij de Heilige Geest aanroepen:
Neemt en eet” en ‘drinkt uit deze Beker’.
Dàt dient onze dagelijkse spirituele maaltijd te zijn – als volgelingen van Christus volgen wij Hem geïnspireerd door de Heilige Geest dàgelijks door ons Kruis op te nemen.
Zovelen om ons heen verlangen om hier een goede vertoning in het vlees van te maken, uiterlijke schijn, deze zouden je dwingen weliswaar aangesneden te worden, maar niet genuttigd te worden; alleen opdat ze niet aan  het [mede-] lijden deelachtig zullen worden; de vervolging vanwege het kruis van Christus.
Want zelfs niet degenen die aangesneden zijn bewaren de onvoorwaardelijke Goddelijke Liefdeswet, maar zij verlangen om u te laten besnijden, opdat zij mogen roemen in uw vlees.
  En luister hiernaar, dit is de sleutel tot het Heil, tot de Hemelpoort:
”       Maar God verhoede dat ik zou moeten opscheppen, behalve in het Kruis van onze Heer Jezus Christus, door wie de wereld heeft gekruisigd voor mij en ik voor de wereld”.
Wat de ontrouw bewijst is datgene wat Paulus aldus beschrijft:
“         Maar het dient zo te blijven; God is waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden [in Zijn Woord] en overwint in uw rechtsgedingen [Zijn Rechtsgeding].
Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen? Is God, Die zijn toorn doet voelen – ik spreek op menselijke wijze – soms onrechtvaardig?
Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen?
” Rom.3: 4-6.

De vraag is nu waarom de Joodse christenen dit leerden?
Waarom hebben ze zich gezocht [zich zo thuis gevoeld] om bij ‘de oude Wet’ van Mozes te blijven hangen . . . . . om gevangen te blijven zitten in de mentaliteit, waar we nog altijd in verblijven – in het type, wachtend in de schaduw [d.w.z. ‘niet in het Licht van Christus] op de vervulling.
Ze proberen er in op te vallen en uit te blinken de ogen van die onbekeerde Joden,
• die beweerden dat ook de joden bekeerlingen hadden,
• die de Tradities van hun voorvaderen hadden verlaten.
Dat wil zeggen, ze zochten het compromis met de geest van de wereld en
het ongeloof van de Joden, met de vijanden van het Kruis!
• Ten einde een compromis te sluiten, om
te voorkomen een uitdrukking van schuld of afkeuring op te lopen;
verwelkomden zij Christus met het milde verwijt Hem vervolgens
met het opnemen van het Kruis ‘alleen’ te laten, omdat ze ‘niet’ werkelijk geloofden.
• Onder al deze wereldsheid was deze weerstand uiteindelijk
een gebrek aan vertrouwen in het offer van onze Heer.
Blijkbaar hadden geen vertrouwen, maar het had een zweem van
spirituele,  geestelijke vernieuwing – wedergeboren worden was er niet bij.

   Uit al hun doen en laten blijkt dat zij vervolging wilden vermijden, zij wilden het Kruis ontlopen, vermijden!
Zij misten het charisma, de ‘Genadegaven‘ van de Heilige Geest.
Je kent misschien wel het woord ‘charisma’, uitstraling:
      Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest; aan de een Geloof door dezelfde Geest en aan de ander Gaven van genezingen door die ene Geest; aan de een werking van Krachten, aan de ander Profetie; aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen. Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij [God het] wil“ 1Cor.12: 8-11.
•  De geschiedenis van de Kerk zit vol van zulke mensen, tot
op de dag van vandaag en in onze tijd hebben we
misschien veel te veel van zulke valse, verraderlijke christenen.
                                De Heilige Johannes Chrysostomos zegt dat we Christus liever beledigen en
zelfs verwerpen we aangenaam te zijn voor de mensen;
liever beledigen we God om de mensen te behagen!
We zijn mensen, die mensen behagen, medewerkers, die
samenwerken met de vijanden [de satan en z’n trawanten] van het Kruis.
Het leven van de Kruis vereist opoffering.
Christus ‘eist’ offers van ons, omdat opoffering liefde tot God en
medemenselijkheid en liefde tot de mens [onze naaste] inhoudt.
• Indien we ons niet opofferen, houden we hier allemaal niet van.
•  Indien we niet van onze naasten houden – kunnen we onmogelijk
verenigd worden met de God, Die slecht Liefde is.

Kruis op weg naar de Opstanding

  Het Kruis opnemen en Christus volgen is onze levensweg,
ons pelgrimspad, onze opening naar het leven in liefde tot/met de Meester,
het Eeuwige leven dat we allemaal nastreven en zoeken.
  Indien we het Kruis opzij zetten, het omzeilen, gaan we de verkeerde kant op,
zijn we niet op weg naar het Hemels Koninkrijk,
de weg naar God, want we zetten de Liefde van God op een zijpad.
  Alleen degenen die het Kruis van Christus verheffen worden in de vrijheid van God’s Genadegaven binnengeleid.
  Christus volgen is de kunst van -‘buit te maken’- door je Kruis op te nemen en
uit Liefde tot God en de naaste Christus op Zijn weg hier op aarde te volgen.
Indien we het Kruis verloochenen, ontkennen we het offer,
dan ontkennen wij de kruisiging van ons intellect.
  Dàn blijven we de slaven van de wereld, zoals
we door de verlokkingen van de wereld verworden zijn,
we blijven zoals we -‘voor onze Doop en Myronzalving’ waren en
nemen niet deel aan de versmelting met onze Heer Jezus Christus.
  Wij nuttigen het Lichaam en Bloed niet, wij doen maar wat en blijven in de schaduw van de dood, terwijl er vanuit de schaduw – de grootsheid van de Blijde Boodschap, aan ons bestaan een Heilig en Groots doel in ons bestaan wordt aangeboden; waarmee we kunnen overleven.

Is dat niet geweldig !!!
  Dit is het grote Geheim dat in ons christelijk leven dient ten worden waargemaakt, gerealiseerd:
  Het is de Genadegave van de Heilige Geest en de Kracht van redding, Die overwinning biedt.
  Het inzicht en de beheersing van het Christelijk Geloof, is Christus,
God, Die ons door alles heen draagt in de Heilige Geest tot in de Tempel van het hart.
      Wij weten, dat wij uit God zijn en de gehele wereld in het boze ligt.
Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus.
Dit is de waarachtige God en het eeuwige leven”.
Daarom zegt Johannes de Theoloog:
Kinderkens, wacht u voor de afgoden“ 1John.5: 19-21.
Waar God, via de mens in Christus aanwezig is, ontstaat er “Leven”.
Het leven is je overgeven aan de dood, omdat de mens die de dood proeft
en ik spreek over zijn smaak van de dood, niet alleen op het niveau van het lichamelijke,  maar op geestelijk niveau van de Goddelijke Waarheid, Die door God gecreëerd is, Die Hij schiep – in feite volledig vervreemd is van de liefde van God.
  Het kan alleen maar zijn dat de vervreemding van God compleet is.
Daarom is het Woord van on ze Heer en Meester:
“ Ik ben de Opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet stervenJohn.11: 25,26.
•  Hier spreekt Christus met Maria, de zuster van Lazaros over de dood van het lichaam, dat bij de tweede komst tot heerlijkheid zal worden hersteld.
“       Draag mij als een zegel op je hart, als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde, beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur, een laaiende vlam“ Hooglied 6: 8.

•  Hier wordt gesproken over de mens die vol liefdevol leven is, omdat hij vol is van liefde tot God. Een mens die van God houdt, is een mens die de dood ‘uit’-drukt als of er een slaper voorbij komt. Dit is waar de dood ‘overwonnen’ wordt genoemd. Hier spreekt hij over de dood van het lichaam, dat bij de tweede komst tot heerlijkheid zal worden hersteld.
“Wie in Mij gelooft, als hij sterft, zal hij leven.
Hij die levend is en veilig in Mij, zal de dood voor eeuwig niet zien”.

•  ”Hier spreekt Christus over de mens die vòl liefdevol leven is, omdat
deze mens vòl is van liefde voor God!
Een mens die van God houdt, is een mens die de dood ‘uit’-bant, ‘uit’-drukt, die
slechts als een slaper voorbijtrekt.

Dit is hèt Mysterie van deze unieke dag en de Goddelijke Liturgie, waar licht en duisternis, vreugde en verdriet op zo’n vreemdsoortige wijze verstrengeld zijn, roept ons òp tot de keus waar onze gehele lotsbestemming vanaf afhankelijk is.
     En voor het Paasfeest, toen Jezus wist, dat Zijn uur genomen was . . . . . heeft Hij de Zijnen, die Hij in de wereld liefhad, liefgehad tot het einde . . . . .” John.13: 1.
om de betekenis van het Laatste Avondmaal te begrijpen, dienen we het te gaan zien als het einde van de grote beweging van Goddelijke Liefde, Die begon toen de wereld werd geformeerd, geschapen en die nu voltooid gaat worden in de dood en Opstanding van Christus Jezus, onze Verlosser.
Deze dag, dit bijwonen van dit Mysterie van de Eucharistie gaat ontzettend veel langer mee, dan al de verdere dagen van ons leven.
“God is Liefde” [1John13: 1] en het eerste geschenk van deze Liefde was Leven.
De betekenis, de inhoud van het leven was samensmelting, éénwording, gemeenschap, communio, verbond, huwelijk.

Een levend mens zijn betekent eten en drinken, deelhebben aan de wereld en die wereld is in God’s bedeling een “Goddelijke” wereld, overeenkomstig Zijn Wil, die dient te geschieden.
De wereld zoals God het zag en was dus Goddelijke Liefde veranderd in voedsel, in Lichaam voor de mens. En om levend te zijn, d.w.z. deel te hebben aan die wereld, moeste mens in communie leven met God, god als de betekenis, de inhoud en het doel van zijn leven opgenomen hebben.
Door het menselijk leven te laten opgaan in het Licht van de Liefde van God, zowel ontvangend [consumerend] als praktiserend [offerend], verandert de mens zijn leven ‘in Hem en door Hem’.
De Liefde van God geeft ‘Leven’ aan de mens, die Liefde van de mens voor God verandert dit leven – ‘door de Genadegaven van de Heilige Geest’ – in samenwerking, in communie met God.
was het in het Paradijs,
was het streven van de Voorvaderen,
werd het door de Heilige Geest aan de Profeten geopenbaard aan het Oude Volk en
werd het omdat de mens het nog steeds niet begreep, door Christus verkondigd en voorgeleefd
       opdat wij in Hem eeuwig Leven zouden verwerven.
Door de mens en zijn Liefde tot God dient de gehele schepping veranderd te worden in een alomvattend Mysterie van Goddelijke aanwezigheid en de mens zelf is de priester van dit Mysterie.
Die voorganger, de spelleider, de [door ‘mensen in aanroeping van de Heilige Geest‘ gewijd] priester is de spelleider om ons te begeleiden en
de toezichthouder, die een [door mensen gewijd] bisschop is probeert hier wanneer het uit de hand dreigt te lopen aanwijzingen te geven.
Dáárom wordt telkenmale in de Goddelijke Liturgie
zonder protest van wie dan ook uitgeroepen:
Één is Heilig, één is Heer, Jezus Christus, tot Heerlijkheid van God de Vader, AMEN ”.

Paasdinsdag in de Grote en Heilige Week – houdt uw lampen brandend

Koninkrijk der Hemelen [Russisch, 19e eeuw]

”     Doch van die dag en van dat uur weet niemand, ook de engelen in de hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen.
Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn.
Want zoals zij in die dagen voor de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop
Noach in de ark ging en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.
Dan zullen er twee in het veld zijn, een zal aangenomen worden en een achtergelaten worden;
twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen, een zal aangenomen worden, en een achtergelaten worden.
Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Heer komt
” Matth.24: 36-42.

 

De 5 wijze en de 5 dwaze maagden

”      Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden, die haar lampen namen en uittrokken, de bruidegom tegemoet.
En vijf van haar waren dwaas en vijf waren wijs.
Want de dwaze namen haar lampen mede, maar geen olie;
doch de wijze namen olie in haar kruiken, met haar lampen.
Terwijl de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in.
En midden in de nacht klonk een geroep:
De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!
Toen stonden al die maagden op en brachten haar lampen in orde. En de dwaze zeiden tot de wijze: Geeft ons van uw olie, want onze lampen gaan uit. Maar de wijze antwoordden en zeiden: Neen, er mocht niet genoeg zijn voor ons en voor u; gaat liever naar de verkopers en koopt voor uzelf.
Doch terwijl ze heengingen om te kopen, kwam de bruidegom, en die gereed waren, gingen met hem de bruiloftszaal binnen, en de deur werd gesloten.
Later kwamen ook de andere maagden en zeiden:
” Heer, heer, doe ons open!”.
Maar hij antwoordde en zei:
“Voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet’.
Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur
”. Matth.25: 1-13

 

Profeet Job en zijn vrienden

Gedurende de vastentijd werden de Oudtestamentische lezingen in de Vespers genomen uit Genesis en Spreuken. Bij het begin van de Grote en Heilige week, de stille week verandert dit in Exodus en het boek Job. Exodus verhaalt ons het gebeuren van Israëls [de  Kerk] bevrijding uit de slavernij uit Egypte, de doortocht [door de woestijn van het leven] Het bereid ons voor op het juiste begrip van Christus’ [dus onze] uittocht naar Zijn Vader, Van Zijn vervullen van de gehele Heilsgeschiedenis.
Job, de lijdende is immers de Oud-Testamentische icoon van Christus. De lezing van het gehele boek Job is een aankondiging van het Mysterie rond het lijden van Christus, van Zijn Gehoorzaamheid aan de Vaderen het Offer wat Hij omwille van ons gaat voltrekken. Lees het boek Job, want je zult je gezegend weten en je hart zal  opgeheven worden wanneer je God’s stem mag horen:
    Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde van uw HeerMatth.25: 21.

De Maagd, die God heeft gebaard . . .

Lees en herlees de voorafschaduwing van de Grote Blijde Boodschap, opdat je getroffen mag worden en blij mag zijn door hetgeen je deze week te wachten staat.
Mocht je in de gelegenheid probeer dan een Orthodoxe Kerk te vinden waar nog diensten gehouden worden, ma t/m wo ‘de Liturgie van de voorafgewijde gaven‘ –
op welke dagen ook het gebed van Ephraïm de Syriër nog voort-klinkt.

Wanneer we de gelijkenis van de tien maagden goed bekijken, dienen we voor we verder gaan van tevoren vast te stellen dat er veel discussie is geweest over de betekenis van deze woorden van onze Heiland. Ten minste één aspect van deze gelijkenis kan met absolute zekerheid bekend zijn.
De bruidegom is Jezus Christus en deze gelijkenis beschrijft Zijn wederkomst.
In het eerste Verbond met Israël beeldt God Zichzelf uit als dè “echtgenoot
♨︎➥♨︎ Hij, Die is en altijd zal zijn” van Israël [de Kerk]:
>> ”     Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet meer denken.
Want uw man is uw Maker, Heer der Heerscharen is zijn naam; en uw losser is de Heilige van Israël, God van de ganse aarde zal Hij genoemd worden. Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de Heer geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd, zegt uw God 
” Isaiah 54: 4-6; en
>> ”     Men zal u niet meer noemen:
Iemand, die Verlaten is en men zal uw land niet meer noemen:
Woestenij; maar gij zult genoemd worden:
Mijn Welgevallen, en uw land: Gehuwde.
Want de Heer heeft een welgevallen aan u, en
uw land wordt ten huwelijk genomen.
Want zoals een jongeling een maagd huwt, zullen
uw zonen u huwen, en zoals de bruidegom zich over
de bruid verblijdt, zal uw God Zich over u verblijden
Isaiah 62: 4-5 ; alsmede bij:
>> ”     Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig:
Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht,
door goedertierenheid en ontferming;
Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en
gij zult de Heer kennen
” Hosea 2: 19,20.

 

Christus, bruidegom van de Kerk

            In de nieuwe verbintenis van de Blijde Boodschap van onze Heer en Verlosser wordt Christus afgebeeld als de bruidegom van de Kerk:
>> ”     Johannes antwoordde en zei: ‘Geen mens kan iets aannemen, of het moet hem uit de Hemel[en] gegeven zijn. Gij kunt zelf van mij getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar ik ben voor Hem uit gezonden.  Die de bruid heeft, is de bruidegom; maar de vriend van de bruidegom, die erbij staat en naar hem luistert, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld” John. 3: 27-30;
>> ”     Jezus zei tot hen: Kunnen soms bruiloftsgasten treuren, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is, en dan zullen zij vasten ” Matth.9 : 15 en op dezelfde wijze
>> ”     En Jezus zei tot hen: Kunnen bruiloftsgasten dan vasten, terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang zij de bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten. Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is en dan zullen zij vasten, te dien dage Marc 2: 19-20;
            terwijl Paulus de Kerk beschrijft en
op gelijk niveau stelt als een Verbonds-huwelijk dat
wordt afgesloten als de bruid van Christus:
>> ”      Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zo dat zij heilig is en onbesmet. Zo zijn ook de mannen verplicht hun vrouw lief te hebben als hun eigen lichaam. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief;  want niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het zoals Christus de gemeente, omdat wij leden zijn van zijn lichaam. Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn. Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente” Eph.5: 25-32.

Wat gebeurt er als alles wat Geloof aangaat om je heen verandert?
            Wanneer we deze vraag ernstig nemen begrijpen we plotseling dat deze ogenschijnlijk zo ver afgelegen tekst heel actueel wordt, omdat dat precies inhoudt waar we vandaag de dag op een dramatische manier mee geconfronteerd worden:
– de transformatie van al datgene wat met religie van doen heeft – ;
  de scheiding tussen kerk en staat,
  het ontbinden van aloude waarden als het huwelijk 
  het zelfbeslissing’s-recht over leven/dood
            is een veelomvattend kenmerk van de westerse samenleving geworden.
Nationalisme en het daaruit voortvloeien zelfbeschikkingsrecht
blijkt in de moderne tijd de religie te hebben vervangen voor het sacrale, datgene
wat onmisbaar is en waarvoor we zelfs zouden willen sterven
– niets lijkt meer te zijn van wat het voorheen was.
                                          Ouders ervaren hoe zij hun kinderen de taal van de Blijde Boodschap, de taal van de Kerk, niet meer over kunnen brengen – het lijkt wel of of je tegen een muur oploopt.
Dat kan ook niet anders wanneer ouders de grip op de opvoeding van hun kinderen verliezen, vanwege het feit dat zij beiden compleet in beslag worden genomen door inkomstenverwerving.
                                         Er zijn nog lichtpunten onder sommige jongeren, maar hoewel er steeds meer mensen zich totaal in de wereld verliezen, lijken
de verschillende bloedgroepen van de Kerk zich zelfs
totaal niet af te vragen wat er van deze mensen zal worden.
                                        Wel worden ze herhaald opgetrommeld wanneer het ergens uit de hand lijkt te lopen – bij echtscheiding, ongeluk en verslavingen aan de meest vreemde producten van de wereld.
De voorheen grote gemeenschappen zien het aantal teruglopen en
worden gedwongen hun onroerend goed van de hand te doen
  het is niet meer op te brengen en de Geloofsgemeenschappen
zelf worden achtervolgt door steeds hogere schulden.
Waar ga je heen met je problemen
  de verzorgingsstaat loopt vast en
blijkt ontoereikend te zijn
de maatschappelijke problemen op te lossen.
                                          Het enige wat je ziet is dat rijken nog rijker worden en een kleine groep top-figuren het totale vermogen van de samenleving in handen hebben.
Wat kan de generatie die opgroeit nog doen – loonslaven, de massa van de samenleving worden armlastig en vallen ‘en-masse’ terug op het minimum – 40% reeds, leuk vooruitzicht toch?

Waar gaan we met z’n allen heen?
Wat is het alom heersend bezwaar tegen de ontoereikendheid waarmee
het gewone volk niet meer in overeenstemming kan komen met
aloude begrippen, welke in de Blijde Boodschap wordt onderwezen.
            Het zijn niet slechts vijf maagden,
die hun lamp niet brandend hebben weten te houden
  de mensen zijn totaal niet ontvlamd en we keren terug naar de tijd van de Apostelen waarbij slechts een kleine groep Volgelingen van Christus de werkelijke Boodschap heeft ervaren.
                                                  Ogenschijnlijk beschrijft Johannes  de Theoloog in historisch opzicht wat hij heeft beleefd, toen Hij door de Heer geroepen werd als een god die God in het achterhoofd achterliet.
                                                  Dan komt Jezus met Zijn discipelen naar het land van Judea en het is alsof Johannes zich nog een laatste keer wil binden aan de religie waarin hij zelf is opgegroeid.
                                                 In een terugkeer zou het vertrek van het volkomen nieuwe zich opnieuw in het verleden moeten wortelen.
Christus doopte naar mijn verwachting ook, evenals Zijn voorloper Johannes de Doper in tegenstelling tot de opmerking:
”     – ofschoon Jezus niet zelf doopte, maar zijn discipelen -” John.4: 2.
                          Alleen al omdat de toekomst opnieuw is versmolten met het verleden.
                          Om zeker te zijn, lijken Johannes historische uitspraken een aanfluiting.

Religie, dat betekent opnieuw zoals in het vroege christendom – in je gewone kloffie – de straat op en mensen opnieuw motiveren door aan te geven waarom zij in de wereld vastlopen en moeilijkheden ondervinden op allerlei vlakken.
De toekomst van het Christendom blijkt zich opnieuw dienen te versmelten met het verleden.
Religie, dat betekent gewoon najagen mensen te bekeren met jouw gedrag mensen te verbazen en door het voorbeeld tot de Kerk te brengen en hen te laten dopen zoals Johannes de doper deed; hoewel Christus Zelf niet doopte;
Onze Heer klopte slechts aan bij de mensen en maakte op die wijze volgelingen:

De Samaritaanse vrouw aan de bron
”     Toen nu de Heer vernam, dat de Farizeeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes, – ofschoon Jezus niet zelf doopte, maar zijn discipelen –
verliet Hij Judea en vertrok weer naar Galilea.
En Hij moest door Samaria gaan. Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, dicht bij het veld, dat Jaäcob aan zijn zoon Jozeph gegeven had; daar was de bron van Jaäcob. Jezus nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur. Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zei tot haar: ‘Geef Mij te drinken’
” John.4: 1-7.
                Onze Heer en Verlosser klopt dus heel subtiel bij de mensen aan en vindt aldus Zijn volgelingen.
                Dit betekent dat de Kerk Zich eveneens in de puur uiterlijke dingen – heel subtiel – dient te manifesteren en pas in de tweede plaats [na grondige katechese] met het doopwater op de proppen dient te komen.
               Om de uiterlijke vertoning van de geïnstitutionaliseerde religie op een dusdanige manier terug te brengen dat je met overeenkomstige middelen je eigen identiteit waarmaakt
  waarmee je jezelf als Kerk karakteriseert en markeert en daarmee ‘getuigt’ dat ‘de Kerk’, het Lichaam van Christus, onlosmakelijk met het leven verbonden is
  dat houdt in dat we terug naar de bron zullen dienen te gaan!

                 De bron van Abraham, Isaäc en Jaäcob, dus trek uit je voorland, je toekomstig lot.  Wanneer onze jongeren opnieuw gemotiveerd willen worden – hun leven in te zetten voor verandering van het bestaan en zich daarbij gesteund weten dat zij dat doen in de Naam van God, met Christus als voorbeeld, dan zou dat tot gevolg hebben dat zij een middenvinger leren op te steken tegen de minachting waarmee onze religie in de wereld behandeld wordt.
                Een waarachtige innerlijke ervaring komt voort uit het tot op het bot geroerd geraken en hoe kan dit anders dan het opheffen van geïsoleerde ivoren torens en je richten op de primaire behoeften van de mens.

Primaire behoeften
Veel lichamelijke basisbehoeften zijn er vooral om in leven te blijven en de soort te laten voortbestaan. Eten, drinken, seks en de behoefte aan veiligheid, zijn onze grootste verlangens en zijn daarom door Maslow terecht als basis van zijn piramide opgenomen.
Erkenning en waardering ontvangen is ook een belangrijke basisbehoefte, maar daaraan denken we niet zolang we honger hebben of voor ons leven vrezen.
Behoeftes kennen nu eenmaal een prioriteit.
Indien we honger hebben denken we niet langer aan onze veiligheid, en
nemen we risico’s om aan eten te komen voor ons en onze kinderen.
Maar met volle maag willen we vervolgens eerst een veilig gevoel
voordat we zin in seks hebben.
Ieder mens wil van jongs af aan waardering
voor geleverde prestaties, hard werken, studie,
ontwikkeling inzicht, aanleg, en allerlei andere goede eigenschappen.

                Maar we willen ook erkenning voor onze tekortkomingen, bij
de pech die we hadden, het leed dat ons is overkomen.
Indien dergelijke complimenten, respectievelijk armen over de schouders uitblijven, tast dat onze gezondheid aan zowel in geestelijk als in lichamelijk opzicht. We breken dan misschien de banden met bekenden, raken gefrustreerd, zijn in onze broosheid boos.
We rusten niet totdat we schadevergoeding, of op z’n minst excuses hebben gekregen etc.
Maslow spreekt niet over onze allergrootste behoefte, namelijk het constant inademen van zuurstofrijke lucht en schoon water, terwijl het tevens ook een bewezen feit is dat de behoefte aan jezelf kunnen uiten in kunst, muziek en humor, bij de mens eveneens bijzonder sterk is, ook al is het geen essentiële basisbehoefte.
                 Zonder vloed geen eb, zonder ziekte geen gezondheid en zonder ongeluk geen geluk. Het is triest dat ellende en verdriet (van anderen) nodig zijn om ons prettig en dankbaar te voelen op de momenten dat we zelf geen hinder van dergelijk onheil ondervinden.
De term basisbehoeften heeft in de economie een nauwe relatie met de begrippen als schaarste en het ‘alternatief‘ aanwenden van middelen.

                Alternatief betekent -‘niet gebaande wegen‘ volgen;
vanuit je Geloof in de medemens [de naasten] door je voorbeeld en adviezen oplossingen bieden, waardoor zij weer lucht krijgen.
                                Hoe kun je de mensen op een andere manier weer een gevoel van  onschuld terug geven, weer in harmonie e komen met zichzelf, zich weer in z’n leven in Christus onaantastbaar te kunnen voelen?
Een mens, die ziek is, het leven weer mogelijkheden te bieden dit te [ver-]dragen;
armoede en verslavingen overwinnen, opdat het zelfrespect weer een bloei kan doormaken; gevangenen en oorlogsslachtoffers bevrijden en opnieuw mogelijk-heden aan te bieden teneinde van hun weg richting de ondergang te geraken; kort samengevat de slachtoffers van de menselijke samenleving [de wereld] weer opvangen.

gelijkenis van de Maagden
De maagden, die vol verwachting de komst van de Heer afwachten [competitie]
En natuurlijk breekt er vervolgens een onmiddellijk strijd uit onder degenen, die  bepalen welke kant de gemeenschap opgaat en er ontstaat onrust.
                      Er ontstaat onmiddellijk een puur kwalitatieve en kwantitatieve rivaliteit welke oud-gedienden nog wel “succesvol” blijken te zijn.
Maar de onenigheid, die nu ontstaat het geschil heeft een algemeen dogmatisch thema: het mindere maakt plaats voor het meerdere, dat wil zeggen het kan niet anders of er vindt een schoonmaak plaats.
                      Dit is helemaal niet erg – het werkt vernieuwend – en zal eerst na enige decennia z’n nut bewijzen – zo niet, dan zal een hele generatie verloren gaan.
                      Uitgangspunt zal echter wèl dienen te zijn dat er onderling gecommuniceerd wordt – zònder communicatie absoluut geen gemeenschap; en de hiërarchische structuur zal behoorlijk dienen in te binden en zich zoals in de vroeg-christelijke Kerk alleen met het toezicht dienen te bemoeien.
                      Israël /de Kerk, Die Het Verbond met God aangaat wordt niet voor niets al vanaf z’n prille beging in de voorvaderlijke oudheid vergeleken met een huwelijk, een huwelijk is alleen mogelijk op basis van wederzijds respect.
                           Het haast vervallen menselijk Lichaam van Christus duidt op een stervensproces en de Kruisdood zal allereerst dienen te worden ondergaan voordat er sprake kan zijn van leven; van een opstanding – van een herleven – dit proces heeft zich in de kerkelijke geschiedenis al meermalen bewezen.
                          Hetgeen betekent reiniging van de mensen, van het Lichaam van Christus – het gaat erom de mens van deze tijd weer te beroeren – het overbrengen van de oorspronkelijke ontroering, iedere oorspronkelijke betekenis van
het navolgen van Christus dient weer zin te krijgen – iets van ons eigen leven te weerspiegelen.
                       De breuk tussen de vroeg christelijke Kerk en het jodendom is onderbouwd met bewijzen, terwijl in de formuleringen van het getuigenis van Johannes parallellen worden getrokken.
                      Vertrek van het principe dat alle mensen gelijk geschapen zijn- en pas dat toe.
En doe een beroep op de gulden regel, zoals Confucius het formuleerde: “leg anderen niet op wat je zelf niet verlangt, maar overleg en kom tot overeenstemming met vernieuwende initiatieven”.
– De wereld doet dit voortdurend: met financiële en militaire macht zaken opleggen aan anderen die we zelf echt niet zouden verlangen.
– De wereld blijft geen bewoonbare plek, tenzij we alle mensen, of we hen nu graag hebben of niet, of ze onze belangen dienen of niet, echt gelijk gaan behandelen en daar dient de Kerk het voortouw in te nemen.
De Kerk – dat is een historische ontmoetingsplek – al van het begin van de schepping af waar we nog steeds toegang toe hebben.
Er worden verschillende ontwikkelingsassen gevormd en slechts één moet door God worden gecertificeerd; iedereen wordt opzij geschoven.
                   Dit is momenteel het historische thema:
‘vormen van religie in competitie met elkaar‘.
Maar wat ècht op het spel staat, is iets heel anders met dit onderwerp;
  Wàt er op het spel staat, is de knagende vraag wat religie kan en zou dienen te  zijn. Het verandert, zoveel is neem ik aan nu wel duidelijk, maar waarom?
Vanuit welke krachten dient ze te veranderen? Wat gebeurt er als het verandert?
Als het goed is heb – ontzettend veel water uit de geestelijke Bron – beschikbaar en dat trekt grote menigten te blijven?
Om het verhaal compleet te maken:
Religie,  op een zodanige wijze is identiek aan de overeenkomstige binnenkomende middelen, ze “getuigt” door hun gemarkeerd interesse in massabewegingen!”.
                  In één zin zodanig kan het verlies worden beschreven geen echte innerlijke ervaring nauwelijks duidelijker dan hier gebeurt.
En natuurlijk breekt er onmiddellijk strijd uit in de nabijheid van zo’n religie.
Onmiddellijk gaat het niet over een puur kwantitatieve rivaliteit, maar over
welke groepen mensen “succesvol” zullen zijn is relatieve competentie.
Kwaliteit is een dogmatisch thema, hetgeen inhoudt
  een grote totale aanpak en schoonmaak van het christendom’.
Hoe kun je anders  aan de mensen ‘in navolging van Christus‘ een gevoel van hun onschuld teruggeven, want de harmonie met zichzelf, omvat de integriteit van hun leven.

Mozes en de brandende braambos

Completen 8e ode
tn.2.
Hem, Die in de braambos op de berg Sinaï,
aan Mozes het wonder van de Maagd heeft vóóraf gebeeld, prijst en verheft Hem in alle eeuwigheid“.

“Hoewel voor Hem, Die de tijden beheerst,
het einde van de tijd niet onbekend kan zijn,
heeft Hij toch voorzegd dat Hij als mens die dag niet wist, om te doen zien binnen welke grenzen wij in deemoed gebonden zijn
“.

    Wanneer Gij als Rechter zult zetelen om, zoals U voorzegd hebt, als een Herder de bokken af te scheiden van de schapen, ontzeg ons dan niet, Verlosser, het staan aan Uw Goddelijke rechterzijde“.

    Gij zijt ons Pascha Dat, als Lam en offer en Verzoening
voor de zonden voor allen geslacht wordt.
Daarom verheffen wij in alle eeuwen Uw goddelijk Lijden, o Christus
“.

Heel ons aardse leven heeft Christus samengevat in die woorden over de molen, de akker en het huis. Verwerf u daarom een hart dat gereed is voor God, zodat het niet met het vlees in verderf opgaat“.

Niet alleen godsdienstigen, zoals Simon de Farizeeër, hebt Gij voor Uw maaltijd waardig geacht, Verlosser, maar ook tollenaars en zondaressen mogen deelnemen aan Uw Barmhartigheid“.

Maria van Magdala 1260 Florence

Bij het uitgieten van de Myron werd Judas, de door geldzucht bevangen verrader, op de gedachte gebracht de Meester te verkopen. Hij ging naar de wettelozen en kwam de prijs overeen“.

Zalig zijn de handen en de haren en de lippen van de zo wijze zondares! Want daarmee heeft zij de Myron over Uw voeten uitgegoten, Verlosser, en die afgedroogd en steeds weer gekust“.

Christus sprak: ” Laat haar begaan . . .

Toen U bij de maaltijd aanlag, o Woord, kwam een vrouw bij Uw voeten staan.
Wenend goot zij een kruik met Myron  uit over Uw hoofd, Verlosser, Die Zelf de onsterfelijke Myron zijt
“.

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN

Zegenen wij de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, de Heer.
Met de Vader verheerlijken wij de Zoon en de Heilige Geest:
de Heilige Drieëenheid in één Godheid.
en wij roepen: Heilig, Heilig, Heilig, zijt Gij in alle eeuwigheid“.

Zingen, zegenen en aanbidden wij de Heer,
Hem lovend en prijzend in alle eeuwigheid

Hem, Die in de braambos op de berg Sinaï,
aan Mozes het wonder van de Maagd heeft vóóraf gebeeld,
prijst en verheft Hem in alle eeuwigheid
“.

Paasmaandag – de Vader, Die Mij heeft gezonden, heeft Zelf aan Mij een Gebod gegeven.

Als druiven in de woestijn vond Ik Israel; als vroege vijgen, als eerste opbrengst aan de vijgenboom, zag Ik uw vaderen. Zij echter gingen naar Baäl Peor en wijdden zich aan de schandgod; daardoor werden zij even gruwelijk als het voorwerp van hun liefdeHosea 9: 10.

      ’s-Morgens vroeg, bij Zijn terugkeer naar de stad, werd Christus hongerig. En daar Hij een vijgenboom aan de weg zag staan, ging Hij erheen, doch Hij vond niets daaraan, dan alleen bladeren. En Hij zeide tot hem: Nooit zal aan u enige vrucht meer groeien, in eeuwigheid! En terstond verdorde de vijgenboom.
       En toen de discipelen dat zagen, verwonderden zij zich en zeiden: Hoe is de vijgenboom zo terstond verdord?
Maar Jezus antwoordde en zei tot hen:
♨︎ ➥ ♨︎
–  meer aandacht te besteden aan de onrijpe vijgen van de vijgenboom
Voorwaar, Ik zeg u, indien gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat met de vijgenboom is gebeurd, maar zelfs indien gij tot deze berg zegt: Hef u op en werp u in de zee, het zal geschieden. En al wat gij in het gebed gelovig vragen zult, zult gij ontvangen.
        En toen Hij de Tempel was binnengegaan, naderden de overpriesters en de oudsten van het Volk Hem, terwijl Hij leerde, en zij zeiden: ‘Krachtens welke bevoegdheid doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven?’.
        Jezus antwoordde en zei tot hen:
Ik zag je onder de vijgenboom
Ik zal u ook een vraag stellen en indien gij Mij daarop antwoord geeft, zal Ik u ook zeggen, krachtens welke bevoegdheid Ik deze dingen doe. Vanwaar was de doop van Johannes? Uit de hemel of uit de mensen?
En zij overlegden onder elkander en spraken:
‘ Indien wij zeggen: Uit de hemel, zal Hij tot ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? Doch indien wij zeggen: Uit de mensen, zijn wij bevreesd voor de schare, want zij houden allen Johannes voor een profeet. En zij antwoordden en zeiden tot Jezus: Wij weten het niet.
Hij van Zijn kant zeide tot hen:  
        Dan zeg Ik u ook niet, krachtens welke bevoegdheid Ik deze dingen doe. Wat dunkt u? Iemand had twee kinderen. Hij ging naar de eerste en zei: ‘Kind, ga en werk vandaag in de wijngaard. En hij antwoordde en zei: Ja, heer, maar hij ging niet. Hij ging naar de tweede en sprak evenzo. En deze antwoordde en zei: Ik wil niet, maar later kreeg hij berouw en ging toch.  Wie van de twee heeft de Wil van Zijn Vader gedaan?
Zij zeiden: De laatste.
        Jezus zei [daarop] tot hen:
Voorwaar, Ik zeg u, de tollenaars en de hoeren gaan u voor in het Koninkrijk Gods. Want Johannes heeft u de weg der gerechtigheid gewezen en gij hebt hem niet geloofd. De tollenaars en de hoeren echter hebben hem geloofd, doch hoewel gij dat zag, hebt gij later geen berouw gekregen en ook in hem geloofd.
        Hoort een andere gelijkenis.
Parabel tot de werkers in de Wijngaard
Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en er een heg omheen zette, en er een wijnpers in groef en een toren bouwde; en hij verhuurde die aan pachters en ging naar het buitenland.
        Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen.
        Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen de een, doodden de andere en stenigden een derde. Hij zond weer andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze.
        Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggend: ‘Mijn zoon zullen zij ontzien’.
Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander:
Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.
Wanneer nu de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen
Zij zeiden tot Hem: ‘Een kwade dood zal hij die kwaden doen sterven en de wijngaard zal hij verhuren aan andere pachters, die hem de vruchten op tijd zullen afleveren’.
        Jezus zei [daarop] tot hen:
‘ Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden; van de Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?
Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt
“ Matth.21: 18-43.

De vergelijking/ het voorhouden van de vijgenboom, is het symbool van de wereld, die geschapen is om geestelijke vruchten te dragen en tekort schiet in haar antwoord aan God. Het is tevens een veroordeling van de Farizeeërs, d.w.z. de blinde vlek, het kortzichtige van de huichelachtige godsdienstigheid van hen die denken dat zij leiders zijn i.p.v. toezichthouders van degenen waarover zij zijn aangesteld. Zij nemen zich de wijsheid in pacht als het licht van de wereld, maar van wie in feite wordt gezegd:
Jullie sluiten het Koninkrijk der Hemelen toe voor de mensen. Immers, jullie gaan er zelf niet binnen en die trachten binnen te gaan, laten jullie niet toe daarin te komenMatth.23: 13, om over het vervolg nog maar niet te spreken.
De hoofdrol van een spelleider is aansluitend de opdracht om een goed verteller te zijn, teneinde de identiteit van de Geschiedenis, de Identiteit, de Waarden, Normen en de Betrokkenheid van de mensen [door alle tijden] te benadrukken.
Christus, onze Heer en Verlosser echter ging nog een stap verder door niet alleen het verhaal van de mensen te vertellen, maar tevens door hen dit aan hen vóór te leven:
    Er waren onder hen enige Grieken [en anderstalige Joden] onder hen, die
opgingen om op het feest 
[Pascha] te aanbidden dezen dan
gingen tot Philippos, die van Bethsaida
[“Huis der Barmhartigheid”, ontzorgen] in Galilea was, en vroegen hem en zeiden:
        ‘Heer, wij zouden Jezus wel willen zien’.
Philippos ging en zei het aan Andreas; Andreas en Philippos gingen en zeiden het aan Jezus.
        Maar Jezus antwoordde hun en zei:
‘ De [Het] uur is gekomen, dat de Zoon des mensen verheerlijkt moet [dient te] worden.

”     Zaaien, indien de Graankorrel sterft, brengt zij veel Vrucht voort”; “Σπορά, εάν ο σπόρος του σιταριού πεθαίνει, παράγει πολλά φρούτα”;
” البذر ، إذا ماتت حبة القمح ، فإنها تنتج الكثير من الفاكهة’”;
“Sowing, if the grain of wheat dies, it produces much fruit”.

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.
Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwigen leven. Indien iemand Mij wil dienen, hij volge Mij, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Indien iemand Mij dienen wil, de Vader zal hem eren. Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen?
Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hiertoe ben Ik in deze ure[n] gekomen. Vader, verheerlijk Uw naam! Toen kwam een stem uit de hemel[en]: ‘Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem nogmaals verheerlijken!’.
De schare dan, die daar stond en toehoorde, zei, dat er een donderslag geweest was; anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.
        Jezus antwoordde en zei:
‘ Niet om Mij is die stem er geweest, maar om u. Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden; en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken.
        En dit zei Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou.
De schare dan antwoordde Hem:
Wij hebben uit de Wet gehoord, dat de Christus tot in eeuwigheid blijft; hoe kunt Gij dan zeggen, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen?
        Jezus dan zei tot hen:
‘Nog een korte tijd is het licht onder u. Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet zal overvallen; en wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. Gelooft in het licht zolang gij het licht hebt, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn.
        Dit sprak Jezus en Hij ging heen en verborg Zich voor hen.
En hoewel Hij zovele tekenen voor hun ogen gedaan had, geloofden zij niet in Hem, opdat het woord van de profeet Isaiah vervuld werd, dat hij sprak:
        Heer, wie heeft geloofd, wat hij van ons hoorde? En aan wie is de arm des Heren geopenbaard?
Hierom konden zij niet geloven, omdat Isaiah elders gezegd heeft:
        Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, dat zij niet met hun ogen zien, met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen zal genezen.
Dit zei Isaiah, omdat hij Zijn Heerlijkheid zag en van Hem sprak.
En toch geloofden zelfs uit de oversten velen in Hem, maar ter wille van de Farizeeën kwamen zij er niet voor uit, om niet uit de Synagoge te worden gebannen; want zij waren gesteld op de eer der mensen, meer dan op de eer van God.
        Jezus riep en zei:
Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem, Die Mij gezonden heeft; en wie Mij aanschouwt, aanschouwt Hem, die Mij gezonden heeft. Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis zal blijven. En indien iemand naar mijn woorden hoort, maar ze niet bewaart, Ik oordeel hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, doch om de wereld te behouden. Wie Mij verwerpt en Mijn Woorden niet aanneemt, heeft een, die hem oordeelt het Woord, Dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen ten jongsten dage. Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij heeft gezonden, heeft zelf Mij een Gebod gegeven, wat Ik zeggen en spreken moet. En Ik weet, dat Zijn Gebod eeuwig Leven is. Wat Ik dan spreek, spreek Ik zo als de Vader Mij gezegd heeft

John.12: 20-50.

Leven is zelfopenbaring
Christus neemt Zijn Vader tot getuige wanneer Hij zegt:
” indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft,
blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.
Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar
wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwigen leven.
Indien iemand Mij wil dienen, hij volge Mij, en
waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn”
[zie lezing van Johannes de Theoloog].
Paulus gaat daarop voort:
‘Wanneer Christus, Die [door het Doopsel] Uw Leven is aan het einde van uw loopbaan zal verschijnen, dan zult ook u met Hem verschijnen is Heerlijkheid’ 2Col.3:4.
Uit de Woorden van Christus komen niet één, maar twee punten van radicale kritiek naar voren.
Aan de ene kant betekent de zelfopenbaring van het leven dat
ons leven als persoon niet pas tot stand komt door sociale, economische en politieke structuren waarin we nu eenmaal geworpen zijn.
Leven onttrekt zich ‘door de Heilige Geest’ radicaal aan de macht van dit of dat systeem, oftewel, ‘ik is niet gelijk aan een ander’.
Maar als anderen mijn leven nooit gemaakt hebben – en dat geldt zelfs voor mijn biologische ouders –, ben ik er aan de andere kant zelf net zo min ‘de bron’ van.                              Het leven is mij, net als aan iedereen, door de Goddelijke voorzienigheid doorgegeven.
Hoezeer we ook kinderen van onze ouders, de geschiedenis en de maatschappij zijn, zijn we eerst en vooral kinderen van het Goddelijk bedoelde Leven.
Deze scherp geformuleerde zin van leven, die we ‘naar het beeld van God geschapen’ kunnen noemen, zijn wij ‘kinderen van God’.
Natuurlijk openbaart het leven, dat wil zeggen deze aldus geformuleerde God, Zich op een bepaalde historische locatie en wordt verwoord door de ‘taal van de wereld’.
Toch valt de zelfopenbaring van leven onmogelijk tot die feitelijke plaats en tijd te herleiden.
Om het korter te formuleren:
Hier lijkt de waarheid van openbaring als wezenskenmerk van de christelijke God intact te worden gehouden.
Met Openbaring als trauma gaat ‘als de graankorrel niet sterft‘ verder dan de woorden van Christus.
Om dit thema te doordenken, speelt het ‘gelaat van de Ander’ een cruciale rol.
Het namelijk niet zó dàt er in den beginne een kant-en-klaar autonoom subject bestaat dat vervolgens door Goddelijke inmenging op rationele wijze ethiek en moraal in elkaar wordt gezet.
Neen, ‘het gelaat van de Ander, mijn naaste’ doet op mij een appèl om verantwoordelijkheid te aanvaarden.
Eerst dàn wordt een mens als moreel subject in het leven geroepen.

“ Indien iemand Mij dienen wil, de Vader zal hem eren”.
Paulus volgt Christus zijn grote voorbeeld op de voet en zegt:
      Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat
Hij en over doden en over levenden Heerschappij zou voeren
Rom.14: 9 en
      Dwaas! Wat gij zelf zaait,
wordt niet levend, of het moet gestorven zijn, en
als gij zaait, zaait gij niet het toekomstige lichaam, maar
slechts een korrel, bijvoorbeeld van koren, of van iets anders.
Maar God geeft er een lichaam aan, gelijk Hij dat gewild heeft, en
wel aan elk zaad zijn eigen lichaam
“ 1Cor.15: 36-38.
En de tollenaar, die Hem volgde verkondigt:
      Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar
wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden“ Matth.10: 39 en
      Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die
zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft
om Mijnentwil, die zal het vinden.
Want wat zou het een mens baten, als
hij de gehele wereld won, maar schade leed aan zijn ziel?
Of wat zal een mens geven in ruil voor zijn leven?
Want de Zoon des mensen zal komen in
de Heerlijkheid van Zijn Vader, met zijn engelen, en
dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn daden“ Matth.16: 25-27.

Christus onder de Heiligen, de mensheid wordt slechts vervuld in Hem; Christ among the Saints, humanity is only filled in Him

Nu wordt ons Christelijk gevoel, het Christelijk ego, totaal overhoop gehaald. 
Christus zei tot hen:
Mijn ziel is zeer bedroefd, tot sterven aan toe; blijft hier en waakt met Mij. 
En Hij ging een weinig verder en
Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad” Matth.26: 38, 39a en
“     Mijn ziel is uiterst beangst; Hoe lang wacht Gij, o Heer?
Wend U tot mij, Heer; bevrijd mijn ziel; red mij, omwille van Uw erbarmen.
Want in de dood is er niemand die U gedenkt: wie kan U belijden in de hades?
Ik ben afgetobd door zuchten, elke nacht schrei ik mijn bed nat:
ik besproei mijn rustplaats met tranen.
Mijn oog is dof van verdriet; ik ben oud geworden onder al mijn vijanden” Psalm 6: 4-8.
            En moet ik dan nu zeggen [bidden]:
Vader, verlos mij van dit uur?”. 
Neen, daarom ben ik [zover gekomen] naar dit uur gegaan!
Vader, verheerlijk Uw Naam” John.12: 27,28 en
      Als Ik Mijzelf eer, betekent mijn eer niets;
mijn Vader is het, die Mij eert, van wie gij zegt:
Hij is onze God, en gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem.
En indien Ik zei: Ik ken Hem niet, dan zou Ik u gelijk zijn,
een leugenaar; doch Ik ken Hem en Zijn Woord bewaar ik“ John.8: 54,55 en
      Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het [Uw] Werk te voleindigen, dat
Gij Mij te doen gegeven hebt.
En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid,
Die Ik bij U had, eer de wereld was.
Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen, die
Gij Mij uit de wereld gegeven hebt.
Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en
zij hebben uw Woord bewaard“ John.17: 4-6 !!!
En “     Toen kwam een stem uit de hemel[en]:
‘Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal 
hem nogmaals verheerlijken!’”
conf. “     Toen Judas dan heengegaan was, zei Jezus:
‘Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt
“ John.13: 31 en
bij de doop in de Jordaan:
      En zie, de Hemelen openden zich, en Hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen.
En zie, een stem uit de hemelen zei:
‘Deze is mijn Zoon, de geliefde, in Wie Ik mijn welbehagen heb’
“ Matth. 3: 16,17 en
op de berg Thabor terwijl Petrus nog sprak:
“ zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zei:
‘Deze is mijn Zoon, de Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!
” Matth.17: 5

transfiguratie, verheerlijking op de berg Thabor

          “ De schare dan, die daar stond en toehoorde, zei, dat er een donderslag geweest was; anderen zeiden:
Een engel heeft tot Hem gesproken.
        Jezus antwoordde en zei:
‘ Niet om Mij is die stem er geweest, maar om u. Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden; en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken’.
        En dit zei Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou
 “
John.12: 29-33.

En daarop antwoord[t]de de schare [de wereld]:
Wij hebben van de Wet gehoord dat de Christus [de Messias] voor eeuwig blijft.
      de slaaf blijft niet eeuwig in het huis,
de Zoon
[Zonen] blijft [blijven] er eeuwig.
Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft,
zult gij werkelijk vrij zijn
John.5: 35,36 en
“     Mijn Waarheid en Mijn Barmhartigheid zullen met hem zijn;
in Mijn Naam verheft Hij zijn hoorn
“ Psalm 88[89]: 37 en
“     Bij U is heerschappij op de dag van Uw Kracht,
in de stralende luister van Uw heiligen
“ Psalm 109[110]: 4 en
      En Mijn knecht [uit het huis van] David zal Koning over hen wezen;
een Herder zal er voor hen allen zijn.
Zij zullen naar Mijn verordeningen wandelen en
naarstig Mijn inzettingen onderhouden
“ Ezechiël 37: 24 en
      En Hem werd Heerschappij gegeven en eer en
Koninklijke macht, en alle volkeren, natiën en talen dienden Hem.
Zijn Heerschappij is een eeuwige Heerschappij, Die niet zal vergaan, en
Zijn Koningschap is een, dat onbederfelijk is
“ Daniël 7: 14 
En Johannes de Theoloog gaat verder en verkondigt
aan de hand van Zijn Blijde Boodschap:
“ Hoe kunnen jullie dan zeggen, dat
de Zoon des mensen moet verhoogd worden?
Wie is deze Zoon des mensen?
”, want
hij neemt de woorden van de Heer ter hand:
“  Nog een korte tijd is het Licht onder u.
Wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat
de duisternis u niet zal overvallen; en
wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.
Gelooft in het Licht zolang gij het Licht hebt, opdat
jullie kinderen van het Licht mogen zijn
” John.12: 35,36.

Bij de doop wordt ons het Levende Water
-hetgeen de Heilige Geest symboliseert -,
Welke ons na Christus’ dood aan het kruis en Zijn Opstanding is beloofd,
ter ver-Heerlijking aangeboden/gegeven.

Het Licht is slechts een korte tijd onder ons mensen. Mensen, ga toch op je pelgrimstocht door het leven, wanneer je het Licht [uiteindelijk] te pakken hebt, zorg dan dat de duisternis je absoluut niet inhaalt.
Zoals Christus bij de opwekking van Lazaros zei:
      Gaan er geen twaalf uren in een dag?
Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat
hij het licht van deze wereld kan zien; maar
wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat
het Licht niet in hem is
“ John.11: 9,10.
Dus wanneer je het Licht hebt bemachtigd, geloof dan in het Licht, opdat
jullie zonen van het Licht moogt zijn:
“     Want jullie waren vroeger duisternis, maar
thans zijn jullie Licht in de Heer; wandelt als kinderen van het Licht,
– want de vrucht van het Licht bestaat in louter Goedheid en Gerechtigheid en Waarheid
– en toetst wat de Heer welbehaaglijk is
  Eph.5: 8-10 en
      Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou kunnen overvallen: ‘want jullie  zijn allen kinderen van het Licht en kinderen van de dag. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn. Want die slapen, slapen ’s-nachts en die zich bedrinken, zijn ’s-nachts dronken, maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van Geloof en Liefde en met de helm van de Hoop op de zaligheid; want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Heer Jezus Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven“ 1Thess.5: 4-10.
Dat is wat Jezus zei; toen ging hij weg en verborg zich voor hen
– net zoals toen zij Hem bedreigden:
      Zij namen dan stenen op om naar Hem te werpen; maar
Jezus verborg Zich en verliet de Tempel
“ John.8: 59.

Het diepste wat we kunnen doen in iemands leven en het laatste wat we aan het einde van een leven voor elkaar kunnen doen, is bidden.
Elke sterke liefde zal de limiet bereiken van wat we kunnen krijgen, maken en voor elkaar kunnen doen.
Voor een eindig en beperkt wezen, zoals we zijn, is het enige wat overblijft dan om de ander waarvan je houdt,
vrij te laten in het rijk van het oneindige en voor hem/haar te bidden vanuit het hart.
Dus daarom kijken we uiteindelijk naar de afscheidsrede van Jezus in het Evangelie van Johannes met een gebed:
”     Thans ga Ik naar Hem die Mij gezonden heeft, en toch vraagt niemand van u Mij: ‘Waar gaat Gij heen?’.
Omdat Ik u dit gezegd hebt, is uw hart vol droefheid. Toch zeg Ik u de Waarheid: ‘het is goed voor jullie dat Ik heenga; want als Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen. Nu Ik wel ga, zal Ik Hem tot jullie zenden'” John. 16: 5-7.

Op het kruispunt van ons leven, aan het einde van alle menselijke mogelijkheden, hebben we geen andere keuze dan dicht bij elkaar ‘voor God’ te verzamelen en om voor elkaar te pleiten, net zoals Johannes de Theoloog dit in
zijn weergave van de Blijde Boodschap weergeeft.
Op dit ogenblik van ons laatste ‘niet-langer-weten-vermogen’ blijft ons niets anders over dan ons tot het oneindige, tot God te wenden – althans blijft ons niets anders over dan de oneindig troostende gelegenheid tot een diep gebed voor de ander teneinde voor hem/haar het eeuwig leven binnen te stappen en rust te vinden bij de Schepper.
      Alles wat we in onze liefde diep verlangen is precies dit: dat de ander eeuwig kan zijn in heel zijn/haar bestaan, dat is van God, en in God kan hij/zij voor altijd gelukkig zijn; deze gebeden komen voort uit liefde tot de naaste.
Indien je van iemand houdt, kun je hem/haar dit alleen maar voor altijd toewensen.
Je vraagt in feite om zoveel mogelijk, oneindig goddelijk geluk; dat wil zeggen, men hoopt voor hem/haar dat hij/zij God in zijn/haar eigen hart mag ervaren op zo’n manier dat God zijn/haar hele leven innerlijk kan vervullen en de eeuwigheid in zal leiden.
Het leven is immers voltooid, wanneer God de regie over het leven volledig overneemt.
Het is niet voor niets dat dit gebed aan het einde van de afscheidsrede van onze Heer en Verlosser Jezus Christus het Hoog Priesterlijk gebed wordt genoemd
– in de allerhoogste mate terecht, want iets anders verdient het niet “priesterlijk”, maar slechts spelleider genoemd te worden en bij de doop hebben we  ‘allemaal’ de priesterlijke kruinschering ontvangen, opdat ook wijzelf het voortouw mogen nemen !!! als evenbeeld aan God zijn geschapen.
Christus gaat ons eveneens als eenvoudig ‘spelleider’ vóór op de pelgrimstocht van het leven, zoals het gebed tot heil en zegen voor de naasten [de anderen] tot God teneinde tot goddelijke zuiverheid, bescherming en waarheid te komen.   
De woorden en de vragen, die onze Heer en Verlosser stelt aan Zijn Vader voor ieder van ons, tonen hoe uniek Zijn Blijde Boodschap is en hoe Christus God’s volledig Beeld en gelijkenis aan ons voorhoudt.
Dit is precies wat Jezus ons in alles wat hij deed wilde laten zien;
met betrekking tot Zijn volgelingen is Zijn gebed daarom een dankgebed.
Maar omdat we nog steeds in de wereld leven lopen wij [door de tegenstrever] gevaar en met het oog op onze pelgrimstocht betreft het ook een voorbede, dat
God ons zal beschermen zoals onze weg een aanvang nam door ons antwoord op de roep van de persoon van Jezus van Nazareth.

Dit gebed is derhalve  een gebed van onze Heer en Meester van ons leven uit dankbaarheid en vertrouwen, en in elk woord is het een gebed van vertrouwen.
Vader” – zo begint het gebed – alles wat Jezus aan ons heeft toevertrouwd en als erfenis heeft overgedragen wordt in dit gebed tot de Vader ten behoeve van Zijn kinderen uitgedrukt.
Temidden van deze wereld – die als een woestenij wordt ervaren – willen we ons veilig en zeker voelen onder de vaderlijke [moederlijke] vleugels van de Allerhoogste, onszelf in ons kleine bestaan verenigd weten als deelnemer aan God’s Heerlijkheid;
we willen onszelf ontdekken als iets dat bijdraagt aan de grootsheid van God.
Daarom wanneer wij in de ons omgevende vertrouwelijke ruimte bidden,
kunnen we alleen maar met geheel ons hart verlangen dat we deelgenoot mogen zijn in dit eeuwige gebed met de Heer, de Troon in de Hemelse gewesten en dat onze Vader ons net als de verloren zoon ons tegemoet komt en innig omarmt.
Laten wij dan bidden, dat ieder van degenen om ons heen – in onze wereld – mag de roep mag erkennen en absolute kennis mag verkrijgen:
Wie de man van Nazareth is – uit de stad waar niets goeds uit voort kon komen
– en wat Hij wel niet allemaal voor ons mensen betekent.
Het omvat een erkenning dat ons leven voor God iets is wat waarachtig is en dat welbewust in ons bestaan:
‘het plan van God wordt verenigd’.
Voor ieder van ons is Christus’ Woord gericht – hetgeen verkondigd wordt in de Blijde Boodschap tot de verlamde mens, die totaal hulpeloos en eenzaam bij het bad van Bethsaida [“Huis der Barmhartigheid”, ontzorgen]  doorbracht: na tientallen jaren van verlatenheid werd hij/zij zich bewust van de ogen van Christus, die op hem/haar gericht waren en de hartelijke begroeting, dat
hij/zij zelf een neem eigen krachtig standpunt diende in te nemen en zelf eigen stappen in het leven diende te maken, zodat hij/zij zijn/haar brancard op de sabbath naar zijn/haar huis kon dragen conf. John.5: 1-18.
Mogen we bidden dat de genezende handen van onze Heer ook onze ogen mogen aanraken en open zullen gaan staan voor het Licht:
      De mens, die Jezus genoemd wordt, maakte slijk, streek het op mijn ogen en zei tot mij: Ga heen naar Siloam en was u. Ik ging dan heen en toen ik mij gewassen had, werd ik ziende. En zij zeiden tot hem/haar: Waar is Hij? Hij zei: Ik weet het niet.
Zij brachten hem/haar, die vroeger blind geweest was, naar de Farizeeën.
Nu was het sabbat op de dag, dat Jezus het slijk maakte en zijn/haar de ogen opende.
Opnieuw vroegen hem/haar ook de Farizeeën, hoe hij/zij ziende was geworden. En hij/zij  zei tot hen: ‘Hij legde slijk op mijn ogen, ik waste mij en nu kan ik zien’
Sommige dan van de Farizeeën zeiden: ‘Deze mens komt niet van God, want Hij houdt de sabbath niet’. Anderen zeiden: ‘Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen? En er was verdeeldheid onder hen’. Zij dan zeiden nog eens tot de blinde. Wat zegt gij van Hem, daar Hij uw ogen geopend heeft? En hij/zij zei: ‘Hij is een Profeet’
“ John.9: 11-17.

Inderdaad, ons gehele leven kan uit de duisternis van de dood te voorschijn komen in de eeuwige glorie van de dag – zoals bij de opwekking van Lazaros [John.11: 28-54].
Hierbij zullen wij onszelf en onze naasten als zonnetjes ervaren en kan gelden wat onze Heer en Verlosser ons heeft vóór geleefd als Zijn levensopdracht en Zijn werk: dat HijZelf ons voedsel, ons brood is:
      Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren
en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten
“ John.6: 35.
Maar ons hele leven zal nèt zoals onze Meester gericht dienen te zijn op God, Die wij als realiteit èn -het uiteindelijk weten- èn -als enige herkennen-, waar
wij als kinderen van God ècht uit bestaan.

Synaxarion Grote en Heilige Maandag

Jozef [Hebr.= “Hij zal mogen  toevoegen“, maar ook “God heeft me van mijn schande verlost” en dat allemaal in de woestijn van Egypte; Joseph [Hebr. = “He may add“, but also “God has redeemed me from my shame” and all of that in the desert of Egypt.

Op de Heilige en grote Maandag gedenken wij de zalige, schone Jozef, en de door de Heer vervloekte, verdorde vijgenboom.
Christus heeft de Synagoge doen zien als de vijgenboom, die
geen geestelijke vruchten draagt en daardoor aan dorheid wordt prijsgegeven.
Laat ons daarom die [op de wereld gerichte] hartstochten ontvluchten.
Door de gebeden van de schone Jozef,
Christus onze God, ontferm U over ons.

8e Irmos Metten van deze maandag
tn. 7.   Het onvermoeibaar vlammende vuur,
dat zo rijkelijk van brandstof werd voorzien,
week verschrokken terug voor het lichaam der reine jongelingen, dat even onbevlekt was als hun ziel.
De allesverterende vlammen werden krachteloos.
Maar des te luider klonk de eeuwig durende Hymne:
Al Zijn Werken, zegent de Heer, en verheft Hem in alle eeuwigheid
”.

  Eer aan U, onze God, eer aan U

Toen de Verlosser opging naar Zijn Lijden, zei Hij tot Zijn vrienden:
     ‘Allen zullen u als Mijn vrienden erkennen, indien u Mijn Geboden onderhoudt.
Hebt Vrede met elkander en met allen; weest nederig gezind, en u zult verheven worden.
Erkent Mij als Heer en bezingt Mij in alle eeuwen’.

  Eer aan U, onze God, eer aan U’

  Laat bij u de macht over uw medemensen van tegengestelde aard zijn als gewoon is in de wereld.
Want een eigenmachtige gezindheid past niet bij de Mijnen, doch is eigen aan tyrannen.
Wie dus onder u de eerste [onder gelijken] wil zijn, dient de laatste te zijn van al de anderen.
Maar erkent Mij als Heer en verheft Mij in alle eeuwen.

Zingen, zegenen en aanbidden wij onze Heer en Meester, Hem lovend en verheffend in alle eeuwen.

tn. 7.    Het onvermoeibaar vlammende vuur,
dat zo rijkelijk van brandstof werd voorzien,
week verschrokken terug voor het lichaam der reine jongelingen, dat
even onbevlekt was als hun ziel.
De allesverterende vlammen werden krachteloos.
Maar des te luider klonk de eeuwig durende Hymne:
‘Al Zijn Werken, zegent de Heer, en verheft Hem in alle eeuwigheid’
”.

Palmzondag – Zondag van de intocht van onze Heer en Verlosser in Jeruzalem

Intocht in Jerusalem

    Jezus dan kwam zes dagen voor het Pascha te Bethanië, waar Lazarus was, die Jezus uit de doden had opgewekt.
Zij richtten daar dan een maaltijd voor Hem aan en Martha bediende, en Lazarus was een van hen, die met Hem aan tafel waren.

De vrouw giet Myron olie over de voeten van Christus; The woman pours Myron oil over the feet of Christ.

Maria dan nam een pond echte, kostbare nardus-Myron en zij zalfde de voeten van Jezus en droogde zijn voeten af met haar haren; en de geur van de Myron verspreidde zich door het gehele huis.
Maar Judas Iskariot, een van zijn discipelen, die Hem verraden zou, zei: ‘ Waarom is deze Myron niet voor driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven?’. Maar dit zei hij niet, omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als beheerder [en toezichthouder] van de kas de inkomsten wegnam.
Jezus dan zei:
‘ Laat haar begaan en het bewaren voor de dag mijner begrafenis; want de armen hebt gij altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd.
            De grote menigte uit de Joden dan kwam te weten, dat Hij daar was, en zij kwamen niet alleen om Jezus, maar ook opdat zij Lazarus zouden zien, die Hij uit de doden had opgewekt.
            En de overpriesters beraadslaagden om ook Lazarus te doden, daar vele van de Joden ter wille van hem kwamen en in Jezus geloofden.
            De volgende dag, toen de grote menigte, die voor het feest gekomen was, hoorde, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, namen zij palmtakken, gingen uit Hem tegemoet, en riepen:
            ‘ Hosanna, gezegend Hij, die komt in de Naam des Heren!’ en:
            ‘ De koning van Israël [de Kerk]!
En Jezus vond een jonge ezel en Hij ging erop zitten, gelijk geschreven is:
            ‘ Wees niet bevreesd, dochter van Sion, zie, uw Koning komt, gezeten op het veulen van een ezel’.
Dit begrepen zijn discipelen aanvankelijk niet, maar toen Jezus verheerlijkt was, toen herinnerden zij zich, dat dit met het oog op Hem geschreven was en dat zij dit met Hem gedaan hadden.
            De schare dan, die bij Hem was geweest, toen Hij Lazarus uit het graf geroepen en hem uit de doden opgewekt had, getuigde daarvan.
Daarom ging de schare Hem ook tegemoet, omdat zij gehoord hadden, dat Hij dit teken gedaan hadJohn.12: 1-18.

“Verblijdt u in de Heer te allen tijde!” – “Rejoice in the Lord at all times!”

    ‘Verblijdt u in de Heer te allen tijde!’ Wederom zal ik zeggen: ‘Verblijdt u!’.
Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Heer is nabij.
Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking
met dankzegging bekend worden bij God.
       En de ‘Vrede van God’, Die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus.
Voorts, broeders,
       ‘ al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein,
         al wat beminnelijk, al wat welluidend is,
         al wat deugd heet en lof verdient,
bedenkt dat;
wat u geleerd en overgeleverd is,
wat gij van mij gehoord en gezien hebt,
breng dàt in toepassing en
de ‘
God van de Vrede’ zal [altijd] met u zijnPhil.4: 4-9.

Afgelopen donderdag hebben we in het 6e uur de lezing van Isaiah gelezen waarin ons aangegeven is dat : “  God’s uitverkorenen . . . .
die Hem dienen zal Hij met
een andere naam [‘Christenen’, voor het eerst in Antiochië] noemen,
zodat wie zich in den lande zegent, zich zal zegenen in de God der Waarheid en
wie in den lande zweert zal zweren bij de God der Waarheid; want
de vroegere benauwdheden zijn vergeten, ja, zijn verborgen voor God’s ogenIsaiah 65: 15-16.
             Door alles in praktijk te brengen van hetgeen in de Pedagogie van de Heer [en die door Paulus is verwoord] geleerd is zal de ‘God van Vrede’ altijd met ons/jou zijn.

Een groot hedendaagse Heilige Nicolai van Zicha,

Николай Велимирович

– de Servische toezichthouder Nicolai Velimirovic – beschrijft een liturgie van het groot en Heilig Pascha, welke hij de stad Jerusalem bijwoonde:
Toen de Patriarch van Jerusalem het: “Christus is ‘opgestaan’ [in België, ‘verrezen’]” zong, viel er een zware last van mijn schouders, welke tot in mijn ziel werd waargenomen.
Wij waren allen verheugd en blij als kinderen, want wij voelden ons ook alsof wij met Christus uit de dood waren opgestaan.
En na de nachtelijke Liturgie, toen de ‘nieuwe’ dag aanbrak begonnen we
⁌  alles te beschouwen – in het ‘Licht’ van Christus’ Opstanding
⁌  alles leek anders van wat het de dag daarvoor geweest was.
⁌  Alles om ons heen leek beter, had een betere uitdrukking,
⁌  werd verheerlijkt door de glorieuze dag des Heren.
♨︎♨︎♨︎                Door de Kracht van onze Heilige God, de sterke, de onsterfelijke,
bleek in het vuur van de Heilige Geest alle gelovigen  te zijn gezegend in dezelfde realiteit van de Goddelijke Liturgie.
                De Goddelijke Liturgie, die wij eigenlijk iedere zondag [de dag des Heren] opnieuw beleven had op die dag een werkelijke herschepping van de mens tot gevolg
⁌  iedereen was in z’n ‘hum’, in de zevende hemel.

Ons welzijn en welbevinden wordt door onze Heer en Zaligmaker en op de mond van de brief van Paulus voorzegt en ook de oude Profeet Isaiah was hierdoor geraakt.
                               Want zie, Ik schep ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’; aan wat vroeger was, zal niet gedacht worden, het zal niemand in de zin komen.
Maar jullie zullen je verblijden en juichen voor eeuwig over hetgeen Ik [God] schep, want zie, Ik [de Boetseerder] schep Jeruzalem tot jubel en Zijn Volk tot blijdschap.
En Ik zal juichen over Jeruzalem en Mij verblijden over Mijn Volk
[de Kerk].
En daarin zal niet meer gehoord worden het geluid van geween of van geschreeuw.
Daar zal niet langer een zuigeling zijn, die slechts weinige dagen leeft, noch een grijsaard, die zijn dagen niet voleindigt, want de jongeling zal als honderdjarige sterven, zelfs de zondaar zal eerst als honderdjarige door de vloek getroffen worden.
Zij zullen huizen bouwen en die bewonen, wijngaarden planten en de vrucht daarvan eten;
Zij zullen niet bouwen, opdat een ander er zal wonen; zij zullen niet planten, opdat een ander het zal eten, want als de levensduur der bomen zal de leeftijd van Mijn Volk zijn en van het werk van hun handen zullen Mijn uitverkorenen genieten
Isaiah 65: 17-22.

                     Het glorieuze en stralende leven waarover deze Profeet, Paulus en de Kerk spreekt, daagt ons uit om [als – in de laatste der -] dagen, die ons te wachten staan, te omhelzen.
De ‘heldere droefheid’ van de grote en heilige vasten ligt achter ons.
We zijn geïnspireerd om de Grote en Heilige Week binnen te gaan, zodat we ons aanstaande zondag kunnen aansluiten bij al die gelovigen, die uitroepen: “Christus is ‘opgestaan’ [in België, ‘verrezen’]”
                   Deze bijzondere Profetie van Isaiah beschrijft de onverdiende erfenis die God daarop heeft voorbereid van het Nieuwe Verbond – “Mijn mensen die Mij zochtenIsaiah 65: 10. Het weerklinkt in de woorden van vandaag:    de ‘Vrede van God’, Die alle verstand te boven gaat,
zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus”.
                   Het verkent tegelijkertijd de bitterzoete maar gemiste kansen van het oude Volk van God en de huidige niet-gelovige wereld  en
– herinnert ons navolgers van Christus aan de erfenis die we hebben ontvangen.
                  We zijn gezegend om “buitengewoon verheugd te zijn” als dienstknechten van de Heer en Zijn “uitverkorenen“.
De profeet Isaiah begon de jubelzang met een door de Heilige Geest geïnspireerd Woord: “Zoals men, wanneer er nog sap in een druiventros gevonden wordt, zegt: ‘Vernietig hem niet’, want er ligt een zegen in; zó zal God doen ter wille van Zijn knechten, dat Hij niet alles ten onder zal laten gaanIsaiah 65: 8.
                  Dat geeft de kerkelijke burger moed in een periode dat – het ene na het andere – kerkgebouw onder de slopershamer verdwijnt om de investeerders te dienen.
                  En vervolgens komt Isaiah met een voorspelling van de komst van onze Heer en Verlosser:
En Ik zal uit Jaäcob nakomelingschap doen voortkomen en uit Juda een erfgenaam voor Mijn bergen; Mijn uitverkorenen zullen ze bezitten en Mijn knechten zullen daar wonenIsaiah 65: 9.

De Voorvaderen van het 1e Verbond;
τους προπάτορες του 1ου Συμφώνου;
أجداد العهد الأول

                 De Heilige voor-Vaderen begrijpen dat Christus ‘het zaad van de druif’ is Welke uit de Nieuwe Wijnstok is ontsproten, want Hij werd geboren uit het oude Volk van God, dat wil zeggen, van de oude wijnstok.
                Deze oude Profetie is juist en waarachtig, hoe kan dit in de huidige omstandigheden nog ontkend worden:
                God heeft inderdaad “het zaad van Jaäcob en het zaad van Juda” voortgebracht Isaiah 65: 9, want onze Heer en Verlosser was een fysieke afstammeling van Jaäcob en Juda.

De ongeschonden Lage Landen

                Ondanks alle tegenslagen, die wij in onze tijd ontmoeten, de complete kaalslag onder de gelovigen in de Lage Landen, beschrijft de aloude Profeet met levendige metaforen de bloei van de Kerk en degenen die God ‘Mijn‘ noemt als ‘Zijn dienaren, Zijn navolgers in Christus’.
Deze Profeet verweeft deze beelden met voorspellingen van verslechterende omstandigheden voor allen die God afwijzen – het aloude profetisch beeld dat de huidige geschiedenis bevestigt.
                Laten we alles wat rond ons gebeurt gewoon laten begaan. 
De Heer heeft de tijden en de jaren onder Zijn Macht geplaatst en Hij beschikt hierover.
Alleen God Zelf is het Die weet of de dag van vandaag ons zal toekomt onder de levenden of onder de doden.
☛   

Sommigen zijn gestorven aan de vooravond van hun huwelijk; en op hun beurt zijn anderen afgedaald in het graf aan de vooravond van hun kroning met een koninklijke diadeem.
⁌  Ofwel, ik wordt morgen gekroond met een koninklijke diadeem!
⁌  Ofwel, ik ga morgen naar een geweldig feest!
⁌  Ofwel, morgen komt er een grote winst naar me toe!
Laat niemand derhalve spreken over het geluk dat hem/haar morgen zal toevallen.
Zie, deze nacht zou uw ziel uw lichaam kunnen achterlaten en zul je jezelf mogen door zwarte demonen omgeven weten.
En zelfs vannacht, kan een mens afgescheiden worden van zijn familie en vrienden, van rijkdom en eer, van zon, maan en de sterren en zich bevinden in een volledig onbekende  omgeving, op een ongeziene plaats met een onverwacht oordeel.
        In plaats van op te scheppen over de dag van morgen, zou het beter zijn om tot God te bidden: – “ Geef ons vandaag ons dagelijks brood” -.
Misschien is de dag van vandaag onze laatste dag hier op aarde.
Daarom is het beter om deze dag in berouw te betonen voor al de dagen die wij hier op aarde verkwanseld hebben, dan vroom te fantaseren over over de dag die misschien niet voor ons zal opdagen.
Tevergeefs fantaseren over de dag van morgen kan ons geen goed doen, maar onder gebed en vasten berouw tonen en tranen met tuiten huilen over datgene wat wij misdaan hebben, zou ons voor het eeuwige vuur kunnen behoeden.
“ O rechtvaardige Heer,
verbrand die krankzinnige ijdelheid,
die ons belaagt, want aan
U komt toe de Glorie en de dank toe in eeuwigheid” AMEN.
              uit: ‘de proloog van Ochrid’

De Heiliging van de tijd

tijd tot een besluit

Het gehele jaar rond, viert en gedenkt de Christelijke Kerk Gods heilsdaden in Jezus Christus, door middel van een aantal feesten, periodes en gedenkdagen.
Zoals we in de natuur een onderscheid zien in de tijd van het jaar, in de wisseling van de seizoenen, in de maanstanden en in dag en nacht, zo wil de mens ook onderscheid maken en betekenis geven aan verschillende dagen en perioden.
In ons persoonlijk leven kennen we gedenkdagen van geboorte, huwelijk, wijding, overlijden en andere mijlpalen. Ook een burgerlijke staat kent haar nationale gedenkdagen.
Zo hebben alle religieuze gemeenschappen hun eigen jaarkalenders; cycli van speciale periodes en religieuze feestdagen komen en kwamen in alle oude culturen voor.
Op deze manier wordt de tijd gemarkeerd en geheiligd.
Het zijn kosmische wetmatigheden die het ritme van de tijd bepalen.
Het jaar en zijn vier seizoenen worden veroorzaakt door de elliptische baan die de aarde om de zon gaat, waardoor elk half jaar een ander deel van de aarde dichter bij de zon staat.
De seizoenen van het jaar wisselen met de twee zonnewendes in december en juni en de twee ‘overgangen‘ [wanneer de dag en nacht even lang zijn], in maart en september.
De maand is gebaseerd op het tijdsbestek waarbinnen de maan haar baan om de aarde beschrijft. Dag en nacht zorgen voor de afwisseling van licht en donker met hun eigen symboliek. Maar ook oude culturele gebruiken hebben een grote invloed.
De week en de zevende dag als rustdag hebben mogelijk hun wortels in het zeer oude Mesopotamische gebruik van de ‘boze dagen’, dagen die deelbaar zijn door zeven, waarop men niet werkte en offers bracht.

Tijd is geen neutraal gegeven.
Voor de gelovige is de tijd een geschenk en tegelijk een opdracht:
afkomstig van God en gericht op zijn/haar toekomst.
Een uitdrukking daarvan is de mondiaal gebruikte jaartelling
waarbij de eeuwen geteld worden tot of vanaf de geboorte van Christus. 

De christelijke liturgie kent, in navolging van het Jodendom, de heiliging van de tijd. Door gebeden, diensten, vastendagen en feesten wordt de tijd met God verbonden. Door de gedachtenis van de ‘grote daden van God’, zoals de bevrijding uit Egypte en het sterven en de opstanding/het verrijzen van onze Heer en Verlosser, krijgen bepaalde dagen een eigen betekenis.
Het kerkelijk jaar is niet puur een cirkel, zodat je elk jaar in eenzelfde kring zou rondgaan.
Het christendom, in navolging van het Jodendom, gelooft in de geschiedenis van God met de mensen, die een begin heeft en op weg is naar de voleinding.
De menselijke gemeenschap gaat een weg door de geschiedenis die men kan vergelijken met een spiraal, steeds hoger op weg naar het Rijk Gods.
Geen enkel jaar van de Heer is gelijk aan het vorige of aan een ander: de tijd kleurt elk liturgisch jaar weer anders in.
De [Goddelijke] liturgie helpt om die weg van de geschiedenis en die weg die Gods volk gaat zin en kleur te geven door die te verbinden met het verhaal van de Blijde Boodschap.

Het Paas-Mysterie

Mysterie van Pascha betekent dat er altijd hoop is

Het kerkelijk jaar bestaat niet uit een aantal ‘losse’ gedenkdagen, maar is een organisch gegroeid geheel dat ‘zijn hart’ heeft in ‘het lijden en de Verrijzenis van Christus’.
De zelf-over-gave van onze Heer en Verlosser in Zijn kruisdood en Zijn Opstanding en Verheerlijking door de Vader worden sinds mensenheugenis  aangeduid met het begrip ‘Paas-Mysterie’.
Door Zijn lijden en sterven heeft onze Heer en Verlosser – ‘het Volk van God’ – binnengevoerd in de Genade-gemeenschap met God de Vader:
door Hem en in [Hem] Zijn Heilige Geest zijn de gelovigen ‘God’s kinderen’ en ‘leden van het Lichaam van Christus’ [de Kerk] geworden.
Dit Paasmysterie van Christus is een gebeurtenis uit het verleden die in de liturgische feesten en Mysteriën [RK, Sacramenten] steeds opnieuw aanwezig en werkzaam is.
In de ‘Goddelijke Liturgie’, in ‘het Hemels Koninkrijk’ wordt
het werk van onze verlossing voltrokken,
zo wordt het ver-Woord in een liturgisch gebed.
Christus’ lijden, zijn sterven en verrijzen zijn ‘voor ons, Christenen, ‘na’-volgers van Christus’,
zijn blijvend aanwezig in de liturgische vieringen, de cyclus van de feesten.
In de hoogtepunten van de Eucharistische vieringen en de Goede Week-vieringen,
– Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Pascha
– herkennen we de thematiek van de doorgang:
  van ‘- eenzaamheid -’ naar ‘saamhorigheid’,
  van ‘- egoïsme -’ naar ‘dienstbare liefde’,
  van ‘- angst -’ naar ‘vertrouwen’,
  van ‘- sterven -’ naar ‘Leven’.

Het liturgisch jaar is niet alleen opgezet als een chronologisch volgen van
het leven van onze Heer en Verlosser.
Het is ontstaan en gegroeid uit het Paas-Mysterie, uit
de ontmoeting met “dè Levende Christus”, welke onze lippen heeft aangeraakt en ons bevrijd heeft van onze ongerechtigheden.

De Liturgie van Palmzondag verkondigt de betekenis van God’s overwinning  als zege van Zijn Koninkrijk. Onze Heer en Verlosser aanvaardt de plechtige intocht in de Heilige stad als enig zichtbaar overwinningsteken in Zijn leven op aarde. Tot op die dag heeft Hij stelselmatig alle pogingen om Hem te verheerlijken afgewezen.
Maar zes dagen voor het Pascha aanvaardt Hij niet alleen deze verheerlijking, Hij provoceert en arrangeert het Hoogst Persoonlijk.
Hij maakte hiermee aan het gewone volk duidelijk, dat Christus als ‘de Messias’ , waar zo lang op is gewacht, wordt erkend en dat Hij al is het voor een enkele keer toegewuifd wilde worden, als de Koning en de Verlosser van Israël [de Kerk].
De Evangelies onderstrepen alle messiaanse trekken: de Psalmen, het Hosanna, het toejuichen als Heer, als mens, de Zoon van David en de Koning van Israël [de Kerk]. De geschiedenis van Israël nadert zijn einde; dat is de betekenis van dit schouwspel. Het doel van de gehele Historische opbouw was immers om het Koninkrijk van God, de komst van de Messias, aan te kondigen en voor te bereiden.
En is het vervuld, want de Koning rijdt Zijn Heilige Stad binnen en
in Hem zijn nu alle Profetieën, alle verwachtingen in vervulling gegaan.

Alle feesten geven ook na het Pascha een aspect van
die ontmoeting weer; de verschijningsverhalen uit de Evangeliën,
⁌  bijvoorbeeld het verhaal van de Emmaüsgangers, Maria van Magdala met de tuinman, Thomas, met zijn hand in de zijde van de Heer, de Myrondraagsters, de Zondag van de Verlamde, Mid-Pinksteren, de Samaritaanse, de Blindgeborene, Hemelvaart en Pinksteren – zijn een weerspiegeling van onze Liturgische ervaring:
⁌  in de Hymnen, de gebeden [veelal gecomponeerd door Kerkvaders] en
⁌  in het luisteren naar het Woord, de Blijde Boodschap,
⁌  in het breken en delen van het Brood, in de ontmoeting met en
⁌  de aanraking van ‘het Vlees en Bloed’ van onze Heer
➥✥➥ is Christus aanwezig.
Elk liturgisch moment van het jaar is een God’s- ontmoeting in het heden,
gebaseerd op de gedachtenis van het verleden en
gericht op het komende Heil:
God’ Hemelse Koninkrijk, de voltooiing van het Heil.
Al de Christelijke gelovigen staan stil bij een aspect van het Mysterie van Christus, met het oog op verdere vervulling van Zijn Beloften.
                     Wij wensen iedereen een heilzame en
gezegende komende Grote en Heilige Week toe en
een Zalig Pasen met onze aloude uitroep:
Christus is ‘opgestaan’ [in België, ‘verrezen’]”.
waarop geantwoord wordt:
Hij is waarlijk ‘opgestaan’ [in België, ‘verrezen’]”.

Troparion
tn.4. 
  Met U mede-begraven in de Doop
hebt Gij ons door Uw Opstanding
het eeuwige Leven geschonken,
en wij zingen U toe, Christus, onze God,
en wij roepen:
‘Hosanna in den Hoge.
Gezegend Hij, Die komt in de Naam des Heren
”.

Het Orthodoxe Paasfeest – het Liturgisch gebeuren en uitleg van de diensten vormen tezamen een geheel.

God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou wordenJohn.3: 17.
Zijn Zoon, onze Heer en Zaligmaker heeft ons immers gezegd: 
Je hebt niets -‘meer òf minder’- nodig dan Mijn Genadegaven, want
jouw kracht wordt eerst zichtbaar in jouw zwakheid
2Cor.12: 9.

        De volgorde van het Christelijk Paasfeest is voor ons Orthodoxen vastgelegd in het Pascha-boek, de weergave van de liturgische diensten welke van de ochtend van Witte donderdag tot en met de diensten van de Paasnacht, welke vaak tot in de kleine uurtjes kunnen voortduren.
        Pascha is het allerhoogste Feest dat naast het Hoogfeest van
Kerst, de geboorte in het vlees van onze Heer en Verlosser en
Pinksteren de geboorte van de Kerk, het Lichaam van de Heer, welke in die op
Christus berichtte [Christo-centrische] Orthodoxe Kerk groots worden gevierd.
        Wij belijden vanaf onze doop/aanname in de Orthodoxe Broeder- zusterschap dat wij Christus belijden als onze Koning en God. We vergeten maar al te vaak dat God’s Koninkrijk reeds gekomen is en dat wij dóór de doop mede-burgers geworden zijn en dat wij beloofd hebben onze trouw aan ‘dìt Koninkrijk‘ bóven àlles te stellen.
        Wij dienen ons derhalve ten alle tijde te herinneren dat Christus Zich [op Palmzondag] maar voor een paar uur werkelijk als Koning in onze belevingswereld op aarde heeft kunnen manifesteren – de mens verschilt ‘tè veel‘ van het Goddelijke en staat God naar ‘hèt Leven‘ . . . . .

doodsengel by Nicolas Aselt

        Pascha is de voortzetting van het in Oude Testament bekende Pesach feest, hetgeen letterlijk [over-] springen betekent, denk daarbij aan een jong lammetje dat langs trekt, daarbij wordt gedacht aan ‘de engel van de dood’ die voorbij ging zie: Ex.12: 13.
        Wij bouwen hier op aarde aan het Hemels Koninkrijk van Vrede en Gerechtigheid en als zodanig heeft onze Heer en Verlosser de zondelast van deze wereld weggenomen en leidt Hij ons – zowel hier op aarde als in het ‘hier-na-maals’ naar de Hemelse Vrede.

        De vier Evangelisten hebben elk op hun eigen bijzondere wijze, met hart, ziel,  vanuit verstandelijke menselijke vermogens de geschiedenis verhaald van het leven van Christus.
Het leven van onze Heer en Zaligmaker is , in zinnen, woorden en leestekens verweven met het Oude Testament, met de Thora van Mozes, de boeken van de Profeten en de Psalmen.
Dit geldt eveneens voor de Orthodoxe hymnen, die in de verschillende [land’s-]talen worden gezongen, in alle talen op dezelfde dag, dezelfde teksten, die helaas niet door iedereen worden begrepen.

Litie Palmzondag:
tn.1    De Al-Heilige Geest ,
Die ook de navolgers
[vanuit het hart] leerde in vreemde talen te spreken,
heeft de onschuldige kinderen der Hebreeën aangedreven te roepen:
Hosanna in den hoge, gezegend Hij Die komt, de Koning van Israël
[de Kerk]”.

        De teksten van het Evangelie hebben dezelfde achtergrond als die van de Joodse Leer en zijn soms letterlijk, via rechtstreekse citaten, nog vaker door subtiele verwijzingen,  die in eerste instantie alleen bestemd lijken voor oren die zeer vertrouwd zijn met de Joods- Christelijke Literatuur.
        Op een enkeling in sommige van de Christus-belijdende Joodse gemeenschappen na,  beschouwt iedere Jood ‘Christus’ slechts als een Profeet, terwijl de Christelijk Leer vasthoudt aan hetgeen Christus Zelf verkondigd heeft, namelijk dat
        Hij “de Zoon van God” is en als ‘geheel God’ en ‘geheel mens’ voor
ons is nedergedaald uit de maagd Maria, de Theotokos en onder ons heeft gewoond.
        Dit is heel lang door maar al te veel Christelijke Bijbeluitleggers niet begrepen, maar een goed luisteraar heeft maar een half woord nodig, want
Christus, Zelf was  afkomstig uit de boom van Jesse en
legt o.a. aan de Emmaüsgangers uit dat,
        Zijn Missie voortkomt uit/aan de hand van de Psalmen en de Profeten.
Het is nog maar sinds enkele decennia dat – her en der in leerhuizen – en
op enkele theologische leerstoelen vanuit dit inzicht opnieuw naar al die merkwaardige en unieke teksten wordt gekeken.

Het Mysterie van de Drie-eenheid

        Voor ons Christenen is God – ‘in de hoedanigheid van de Heilige Drieëenheid’ –
onafgebroken ‘scheppend’ aanwezig in de wereld en vormt Hij nog steeds
– via de Heilige Geest – de leidraad van het evoluerend proces van het Geloof.

Litie Palmzondag:
tn.2.    Ere zij U, o Christus, Die in den hoge op God’s troon gezeteld zijt, en nu opgewacht wordt door Uw kostbaar Kruis.
Daarom verheugt zich de dochter Sion en juichen de volkeren der aarde; de kinderen dragen twijgen; de Leerlingen spreiden hun kleding uit.
Heel de wereld heeft geleerd tot U te roepen:
Gezegend zijt Gij, Verlosser, ontferm U over ons“.

Het Joodse volk is in haar oude verwachting blijven hangen en wacht nog steeds op de ‘Messias’ en verwachten dus dat Hij nog steeds moet komen aan het einde der tijden, terwijl de navolgers van Christus spreken over hetzelfde moment als
de wederkomst van de “Zoon van God”.
In Christus blijft immers niets hetzelfde, want alles is vervuld,
getranscendeerd, en heeft een nieuwe betekenis gekregen.
          Alles wat onze Heer en Verlosser, Jezus Christus doet en zegt,
zegt en doet hij al het ware reeds vanuit de plek waar Hij thuis hoort:
in de schoot van de Vader’; Zijn en onze vader.
Het lijkt wel of de harde werkelijkheid: de ‘honger’-lijders,
zij die wenen en zij die dorsten naar gerechtigheid al overwonnen is;
alsof het nog slechts een korte tijd zal duren tot
het Koninkrijk van God definitief zal aanbreken.

        De Kerkvaders hebben de Vasten dikwijls vergeleken met de tocht door de woestijn van het uitverkoren Volk, veertig jaar/dagen lang.
Uit de Blijde Boodschap weten we, dat God, om Zijn Volk voor wanhoop te bewaren, alsmede om Zijn uiteindelijke doel kenbaar te maken, vele Mysteriën/Wonderen heeft verricht zolang de tocht duurde;
. . . . . overeenkomstig daarmee spreken de Kerkvaders op soortgelijke wijze over de veertig dagen van de Vasten.
        Algemeen wordt aangenomen dat in de tweede eeuw de Kerk slechts een hele korte vastentijd kende voor de jaarlijkse viering van Pascha en deze werd tevens niet op alle plaatsen op dezelfde manier gehouden.
Zoals we deze nu kennen is de Grote en Heilige Vasten de vrucht van een lange en uitermate complexe historische ontwikkeling, waarvan nog niet alle aspecten zijn bestudeerd.
        Wel is duidelijk dat de Vasten voor de mens het terugvinden is van zijn – ‘bij de doop’ – ingezegende Geloof, het is tevens het terugvinden van het Leven, van
de Goddelijke bedoeling ervan, van de sacrale diepte van het Geloof.

       Hoewel het uiteindelijk doel van de Vasten het Pascha is, het beloofde land van het Hemels Koninkrijk, is er aan het einde van elke week van de Vasten een bepaalde ‘onderbreking’ – een vooruitlopen op die bestemming.
        Het zijn twee “Eucharistische” dagen – zaterdag en zondag – die voor de geestelijke tocht die de Vasten is, een bijzonder betekenis hebben.
Als de Sabbat in z’n diepste geestelijke realiteit de aanwezigheid is van het  Goddelijke ‘Zéér Goede’ in de structuur van deze wereld, dan is het ook ‘deze wereld’ die in Christus in een ‘nieuw Licht’ is gezet en door Hem tot iets ‘nieuws’ is gemaakt.
        Christus schenkt de mens het Koninkrijk van God dat “niet van deze wereld is”.
En hierin wordt het essentiële “breekpunt” bereikt, dat voor de navolger van Christus alle dingen nieuw maakt;
        het ‘goed-zijn‘ van de wereld en van alles wat de wereld bevat, verwijst nu naar hun laatste vervulling in God, naar het Koninkrijk dat gaat komen en dat Zich in al haar Heerlijkheid eerst ten volle zal manifesteren nádàt ‘deze wereld’ door Hem beeindigd is.
Bovendien heeft deze wereld door het verwerpen van Christus, als de “Zoon van God” zichzelf bekend tot de macht van de “Prins van deze wereld” en is:
        Wij weten, dat wij uit God zijn en de gehele wereld in het boze ligt. Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Dit is de waarachtige God en het eeuwige leven1John.5: 19.20.

        De Sabbath, de 7e dag van de voltooing van de Schepping, de dag van “deze wereld” werd -‘in Christus’- de dag van de verwachting, de dag vóór de dag des Heren.

‘open’ baring; ‘open’ birth

        De transformatie van de Sabbath vond plaats op de Grote en Heilige Sabbath, toen Christus, nadat ‘al Zijn Werken vervuld waren‘ in het graf rustte.
        De dag daarna, “ de eerste dag ná de Sabbath” de 8e dag, straalde
het Leven op uit het levenschenkende graf en tot de Myron-dragende vrouwen werd gezegd: “Verheugt U !!!”.
De leerlingen “ konden het van blijdschap niet geloven en verwonderden zich”.
De twee, die onderweg waren en Christus ontmoetten in Emmaüs -‘Lucas en Cleophas’- kregen persoonlijk van de verrezen Heer, die zij vanwege zijn verrezen staat [hun ogen waren bevangen], zodat zij Hem niet herkenden, hetgeen eerst aan hen duidelijk werd bij het breken van het Brood.
Zij haastten zich vervolgens om deze ontmoeting aan de Apostelen te melden en zeiden tegen elkaar: “     Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?“.
         Met de Opstanding/Verrijzenis nam de eerste dag van de nieuwe schepping een aanvang.
Aan de nieuwe dag neemt de Kerk, [het Lichaam van Christus] deel op zondag en ze begint een nieuw leven op zondag. Toch leeft ze en beweegt ze zich in de tijd van “deze wereld”, die in haar Mystieke/Wonderbare diepte Sabbath is geworden, want volgens Paulus:
“  Indien u dàn met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand van God. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
Want u bent allen gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God.
Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in Heerlijkheid
Col. 1-4.

We hebben de voorbereidingsperiode achter ons gelaten en komen nu tot het moment dat we het punt bereiken waarop we ons hebben voorbereid en doen wat we doen.
Het Evangelie van Johannes neemt ten opzichte van de andere drie, die
meer op elkaar lijken, een bijzondere positie in.
Het is later geschreven, vanuit een ‘grotere afstand tot het leven’ [= ‘helicoptervieuw’] welke de Evangeliën immers beschrijven; de gehele Blijde Boodschap is een afspiegeling van ‘ons eigen leven‘.
Het lijkt alsof Johannes heel dat gebeuren vanuit de hoogte, van bovenaf aanschouwt.
Niet voor niets wordt hij in de Kerkelijke Traditie vereenzelvigd met de adelaar en zijn hoge vlucht. Alles wat onze Heer en Verlosser doet en zegt, zegt en doet Hij al het ware reeds vanuit de plek waar  Hij – ‘als geheel God en toch geheel mens‘ – thuis hoort:
in de schoot van de Vader’;
Zijn’ en ‘onze Vader, Die in de Hemelen zijt . . .

Nôtre Dame

Het lijkt wel of de harde werkelijkheid hier wordt geopenbaard, nèt zoals juist – dit jaar – in deze heilige periode – nota bene -:
het boegbeeld van de Theotokos, de ‘Nôtre Dame’ in het hart van Europa in brand staat.
                Zij die hongeren en dorstten naar Gerechtigheid, worden in de weergave van Johannes aangeduid alsof alles al overwonnen is; alsof het nog slechts een korte tijd zal duren tot het Hemels Koninkrijk, de Heerschappij van God definitief zal aanbreken.
               Wij Orthodoxen zijn op de hoogte van een Moeder God’s Icoon, die wanneer deze van de Heilige berg verdwijnt, de asceten in hun achterhoofd de mededeling meegeeft dat ook zij daar dienen te verdwijnen, het einde der tijden is dan op handen.
               Ook onze Heer en Zaligmaker wordt bij Johannes niet getoond met  ‘bloed, zweet en tranen’ en zondet het ‘God, mijn God, waarom mij verlaten’.
Het drama, zoals dit verwoord is bij de andere drie Evangelisten is gericht op ons zwaarmoedige gedragen lijden in plaats van het Hemel-juichend ‘Alleluja’, de overwinning op de zonde.
Daar behoef je je rijkelui’s portemonnee niet voor te trekken, dat beleven wij in de stilte van ons hart, onze tempel. 

Bij Johannes wordt heel bedeesd aangegeven:
Zie het Lam van God, Dat de zondelast de wereld uit-d[r]aagt” om aan te geven “  Heer ik ben niet waardig, dat U komt onder mijn dak, maar spreek slechts één enkel Woord en ik zal gezond worden”.
       Daarmee belijden wij dat wij wanneer wij God naderen ons bewust zijn van:
    Heer, ik Geloof en belijd dat Gij de Christus zijt, de Zoon van de Levende God; in de wereld gekomen om zondaar, onder wie ik de eerste ben, te verlossen . . . . .”.
            Net als veel schrijvers is Johannes zich er diep van bewust dat het niet alleen om het schrijven van een drama gaat, maar om het bespelen van de menselijke ego als instrument van de Goddelijke Voorzienigheid;
– in werkelijkheid onderkent de mens dat er een groot verschil bestaat tussen
lezen en beleven van de Blijde Boodschap en het werkelijk in de praktijk toepassen:
            Het is onmogelijk te realiseren zonder de Goddelijke Genadegaven vanuit den Hoge”.
Zij beseffen maar al te goed dat het als navolger van Christus gaat om hetgeen Paulus stelt:
    Indien ik hetgeen ik afgebroken heb, weer opbouw,
bewijs ik daardoor, dat ik zelf een
overtreder ben.
Want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te leven.
Mèt Christus ben ik gekruisigd, en tòch leef ik,
[dat is] niet meer ‘mijn’ ik [ego], maar Christus leeft in mij.
En voor zover ik nu
[nog] in het vlees leef
leef ik door het Geloof in ‘ de Zoon van God’,
Die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.
Ik ontneem aan de Genade God’s haar kracht niet; want
indien er gerechtigheid door de wet is,
dan is Christus tevergeefs gestorven
Gal.2: 18-21.
            Maar weet wel om met de H. Augustinus te spreken
De spijs wordt ons gegeven voor de geest, teneinde
het beest in ons tot andere daden aan te zetten
”.
            Veel artiesten zouden geweldig zijn in het schrijven van hymnes, maar
ze kunnen in het geheel niet zingen of instrumenten bespelen en
indien ze dat al doen valt de betekenis weg omdat
ze minder bekwaam zijn dan anderen, die andere talenten bezitten.
            Zo bezitten wij gezamenlijk als en in ‘het Lichaam van Christus
de volheid, waarnaar wij zó hevig naar verlangen.
            Liturgisch gezien zoals voor-af-gaand is beschreven
is Lazarus-zaterdag het voorfeest van Palmzondag;
beide feesten hebben immers een gemeenschappelijk thema:
Triomf en Overwinning.
De zaterdag toont ons de Vijand, dat is de dood;
            Palm-zondag verkondigt de betekenis van de Overwinning als
de zege van het Hemels Koninkrijk.
            Het is als het aanvaarden door de wereld van haar ‘énige Koning‘,
Jezus Christus, dè ‘énige Heer’, tot “Heerlijkheid van God, de Vader“.
“     Het uur is gekomen, [en het is – ‘ hier en nu’ – dat de Zoon des mensen verheerlijkt moet worden.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft,
blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.
       Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar
wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwigen leven.
       Indien iemand Mij wil dienen, dient hij Mij na te volgen Mij, en waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn. Indien iemand Mij dienen wil, de Vader zal hem erenJohn.12: 23-28.
“     Je Leven liefhebben heeft tot gevolg dat je verloren gaat, maar
wie zijn leven haat in deze wereld, zal  het bewaren ten eeuwigen leven” John.12: 25.

➥✥➥ In de logica van de wereld is dit onaanvaardbaar:
Sommige naasten, die zich hier te lande vermaken aan de wereldse geneugten, lopen rond met het idee dat naarmate het aantal Christenen door vergrijzing en
vertrek uit dit leven afneemt ook de Kerk zal verdwijnen.
            Niets is minder waar de Kerk gelooft dat doordat deze martelaren, die om Christus wil hun leven hebben voltooid, de Kerk, ‘het Lichaam van Christus’, juist doen opbloeien.
Diegenen, die stierven in de getuigenis aan de Levende God, werden juist aan de Kerk en haar getuigenis in de wereld toegevoegd, omdat zij door hun bloed van de Vader, Die in de Hemelen verblijft getuigen.

Jan Hus, spiezer chronik 1485

            Zó heerst ook onder sommige toezichthouders het idee dat zij wanneer zij individuen of groepen van individuen letterlijk of figuurlijk – ‘ in de kerkelijke ban doen ‘ – ; zij de Kerk behoeden voor afglijden.
Niets is minder waar, degenen, die in de getuigenis aan de Éne, de Heilige en ondeelbare Drieëenheid het leven achter zich lieten, zijn allen een getuigenis voor hun nazaten.
Het enige wat een magistraat in dit soort situaties tot taak heeft is dat hij die functie slechts op zich heeft genomen om het Geloof in ‘Christus als zoon van God, de Vader, in de Heilige Geest’ te versterken in geval van zwakte of twijfel.
Het lijkt normaal te zijn geworden dat een bisschop en z’n spelleider in de eerste plaats de opponent – ‘verwijdert/opzij schuift/dood’ – om God’s kuddeke te beschermen – een gemeenschap gedijt èchter alleen door het lijden en sterven van de toezichthouder/de spelleider, want God leidt Zijn Kerk slechts op ‘Zijn’ manier, met behulp van Martelaren.

De “wolk van getuigen” zoals een schrijver dit omschrijft, is het fundament van het Koninkrijk der Hemelen; slechts ‘zij’ moedigen ons uit den hoge aan om hen te blijven volgen.
Dat is de reden waarom de Orthodoxe Kerk het gelovige Volk voorhoudt naast de Blijde Boodschap, de levens van de Heiligen te bestuderen.
Zij zijn ‘de Groten’ onder ons en ons het meest nabij, die ons “de Grote Liefde van Christus”, onze Heer tot bewijs voorhouden.
Het uiteindelijke doel is inzicht te verkrijgen in wat de mens zelf zou kunnen doen om het eeuwig Leven te bereiken; dit blijft ten alle tijde een inzicht in een streven naar; aangezien een mens slechts door Genadegaven in staat wordt gesteld daarin een bepaalde positie te bereiken.
            Ieder mens krijgt evenveel Genadegaven en mogelijkheden aangeboden,
ieder mens is voor God gelijk en zal door praktische beoefening van de door gebed en vasten [ascese] verkregen inzichten een bepaald niveau bereiken.
            Eenmaal zo’n bepaald niveau bereikt heeft dit de volgende strijd tot gevolg en dat is de dientengevolge toegenomen aanvallen van de tegenstrever blijven te weerstaan.
            Ook hierin geldt het gezegde in de Taal der Lage Landen, welke mij door een cenobiet levend asceet bevestigd werd: “ Hoe groter de geest, hoe groter het beest”, duidend op het feit dat er met zo’n persoon maar moeilijk ‘samen’ te leven is. Het christelijk koningschap ontleent z’n grandeur niet aan bij voortduring een grotere kroon opzetten, dan goed voor je is, of een vergulde metershoge staf en een een troon, die boven alles uitstijgt. Daarom wordt ons ook door de Blijde Boodschap voorgehouden, dat het voldoende is zijn/haar persoonlijk leven in deze wereld te haten en alleen al dit gegeven zal diegene bewaren ten eeuwigen leven.
            Het streven daar-naar-toe is reeds een martelaarschap en in alle eenvoud voor ons gelovigen weggelegd en daarbij dienen we ons voor te  houden dat slechts God ons hart kent en uiteindelijk zal oordelen.

De Liturgie van de Palmzondag vangt aan met de Grote Vespers, waarin uit de lezingen van het boek der Schepping [Gen.49:1,2- 8-12], het boek Zefanja oproept ons te verheugen en dit luidkeels te verkondigen, terwijl de Profetie van Zacharia overduidelijke is:
    Jubel luid, u dochter van Sion; juich, u dochter van Jeruzalem!
Zie, uw koning komt tot u,
Hij is Rechtvaardig en als Verlosser zegevierend,
Hij is nederig en rijdt op een ezelshengst,
een jong van een ezelin [= een lastdier]
”.
Uit de mond van kinderen en zuigelingen
         hebt Gij U lof bereid.
        Heer, onze Heer en Verlosser,
        hoe wonderbaar is Uw Naam
        over heel de aarde

”   De Verlosser komt heden bij de stad Jerusalem,
zo vervult Hij de Blijde Boodschap. want
allen nemen Palmtakken in hun handen en
breidden hun klederen uit onder Zijn voeten, 
daar zij weten dat Hij in Waarheid onze God is,
tot Wie de Cherubijnen onophoudelijk roepen:
gezegend bent U Zie zo rijk aan Barmhartigheid bent;
ontferm U over ons“.

Lazarus zaterdag, feestdag voorafgaand aan Palmzondag, welke als een belofte van de gemeenschappelijke Opstanding wordt beschouwd

    Er was iemand ziek, Lazarus [Hebr.= ‘ God helpt hem’] van Bethanië [Hebr.= ‘huis van dadels of huis van ellende’], het dorp van Maria [Hebr.= ‘ hun opstand’, inspiratiebron van de Blijde Boodschap] en haar zuster Martha [Hebr.= ‘ zij was opstandig’].
Maria was het, die de Heer gezalfd had met Myron en Zijn voeten met haar haren had afgedroogd. En haar broeder Lazarus was ziek.
De zusters dan zonden Hem [de Heer en Meester van hun Leven] bericht:
  Heer, zie, die Gij liefhebt, is ziek’.
Toen Jezus het hoorde, zei Hij: ‘ Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt zal worden.
Jezus nu had Martha en haar zuster [Maria] en [Zijn vriend en volgeling] Lazarus lief. Toen Hij dan hoorde, dat hij ziek was, bleef Hij daarop nog twee dagen ter plaatse, waar Hij was;
daarna echter zei Hij tot zijn discipelen:
Laten wij weer naar Judea
[Hebr.= ‘ jehoed (Aramees) het gebied van de 
stam van Juda (Hebr.=‘ het gebied waar de Heer geprezen zal worden’)] gaan.
De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi [Hebr.=‘ eerwaarde, titel voor een leraar], onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat U weer daarheen? [oftewel, hoe haalt U het in Uw hoofd].
Jezus antwoordde: ‘ Gaan er geen twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het Licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het Licht niet in hem is’.
Zo sprak Hij [tot hen en ons] en daarna zei Hij tot hen:
‘ Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar
Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken’.
De discipelen zeiden dan tot Hem: Heer, als hij slaapt, zal hij herstellen.
Doch Jezus had het bedoeld van zijn dood; zij echter meenden, dat
Hij het van de rust van de slaap bedoelde.
Toen zeide Jezus ronduit tot hen:
Lazarus is gestorven, en het verblijdt Mij om u, dat Ik daar niet geweest ben,  opdat gij tot Geloof komt; maar laten wij tot hem gaan’.
            Thomas [Hebr.= ‘tweeling’] dan, genaamd Didymus [Gr.= Δίδυμος, d.i. ‘Tweeling(broer’)], zei tot zijn medediscipelen: ‘ Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’.
Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag.
Bethanië [Hebr.= ‘huis van dadels of huis van ellende’] nu was dichtbij Jeruzalem [Hebr.= ‘maak dubbel vrede’, vrede lerend’] gelegen, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën [lett. 2,8 km.;  3×5= 15, heeft in zich 5, het getal van de Genade en 3 het getal van Goddelijke volmaaktheid].
Vele uit de Joden waren tot Martha en Maria gekomen om haar te troosten over haar broeder.
Toen nu Martha hoorde, dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, doch Maria bleef in huis zitten.
Martha dan zei tot Jezus: ‘Heer, indien gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn. Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert’.
Jezus zeide tot haar: ‘Uw broeder zal Opstaan’.
Martha zei tot Hem: ‘Ik weet, dat hij zal Opstaan/Verrijzen bij de Opstanding ten jongsten dage.
Jezus zeide tot haar:
Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, 
en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven’; gelooft gij dat?
Zij zei tot Hem:
  Ja, Heer, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de 
wereld komen zou’. [deze formulering wordt ook in de Orthodoxe doop gebruikt]
En na deze woorden ging zij heen en riep haar zuster Maria in stilte en zei:
‘ Daar is de Meester en Hij roept u’.
En toen zij dat hoorde, stond zij ijlings op en ging tot Hem;
Jezus echter was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats, waar Martha Hem ontmoet had.
            De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende, dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
        Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zeide tot Hem: Heer, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn.
Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar meegekomen waren, zag wenen, werd Hij verbolgen in de geest en diep ontroerd, en Hij zei:
Waar hebt gij hem gelegd?
Zij zeiden tot Hem:
‘Heer, kom en zie’.
Jezus weende.
De Joden dan zeiden: ‘Zie, hoe lief Hij hem had!’.
Maar sommigen van hen zeiden:
‘ Had Hij, die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf?’.
Jezus dan, wederom bij Zichzelf verbolgen, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan.
Jezus zei: ‘  Neemt de steen weg!
Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem:
  Heer, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag.
Jezus zei tot haar:
‘ Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?’.
Zij namen dan de steen weg. En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zei:
   
Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de menigte, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt’.
En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luide stem:
‘ Lazarus, kom naar buiten!’.
De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden.
Jezus zeide tot hen: 
Maakt hem los en laat hem heengaan’.
Vele der Joden dan, die tot Maria gekomen waren en aanschouwd hadden wat Hij gedaan had, geloofden in HemJohn.11: 1-45.

Garisson Church by Kevin Connor

    Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen,
dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehaaglijke wijze met
eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur [zie uitleg bij Zondag Maria van Egypte].
Laat de broederlijke liefde blijven.
Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen,
zonder het te weten, engelen geherbergd.
Denkt aan de gevangenen, alsof gij met hen gevangen waart;
aan hen, die mishandeld worden, als
[mensen], die ook zelf een lichaam hebt.
Het huwelijk [sex] zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld, want
hoereerders en echtbrekers zal God oordelen.
Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn,
weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd:
Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten.
Dááròm kunnen wij met vertrouwen zeggen:
De Heer is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?
Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord God’s tot u hebben gesproken;
let op het einde van hun wandel en volgt hun [aan de dag gelegd,
waarachtig in Christus gepraktiseerd] Geloof na. 
Jezus Christus is [immers] gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheidHebr.12: 28 – 13: 8.

  Op U, Heer, vertrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.
Red mij en bevrijd mij in Uw rechtvaardigheid; neig Uw oor tot mij, haast U mij te bevrijden.
Wees voor mij een beschermende God, een toevluchtsoord om mij te redden.
Want Gij zijt mijn sterkte en mijn toevlucht; om Uw naam zult Gij mij leiden en voeden.
Gij bevrijdt mij uit de strik, die zij heimelijk hadden gespannen.
Heer, Gij zijt mijn Beschermer: in Uw handen beveel ik mijn geest.
Gij hebt mij verlost, Heer God der waarheid; Gij haat allen die aan ijdelheid hechten.
Op de Heer stel ik mijn vertrouwen; ik juich en verheug mij over Uw barmhartigheid.
Want Gij ziet neer op mijn vernedering, Gij verlost mijn ziel uit de verdrukking.
Gij hebt mij niet opgesloten in de hand van de vijand, mijn voeten hebt Gij in de vrije ruimte gesteld.
Heer, wees mij genadig, want ik word gekweld; mijn oog is ontsteld door verdriet, mijn ziel en mijn hart zwak en ziek.
Want in smart gaat mijn leven voorbij, mijn jaren vergaan in zuchten.
Mijn kracht is door ellende in zwakheid veranderd, mijn beenderen zijn ontsteld.
Niet slechts al mijn vijanden versmaden mij, maar mijn buren [naasten] nog meer:
ik ben een schrik voor mijn bekenden.
Die mij zien vluchten van mij weg, als een dode ben ik weggewist uit hun hart.
Ik ben als een gebroken vat, ik hoor hoe velen kwaad tegen mij beramen.
Toen zij tegen mij bijeenkwamen, besloten zij om mij het leven te ontnemen.
Maar ik vertrouw op U, o Heer, en zeg: Gij zijt mijn God, in Uw handen ligt mijn lot.
Bevrijd mij uit de hand van de vijand, van hen die mij achtervolgen.
Doe Uw aanschijn lichten over Uw dienaar, red mij in Uw barmhartigheid.
Heer, laat mij niet beschaamd staan omdat ik U heb aangeroepen,
maar laat de goddeloze te schande worden en afdalen in de hades.
Doe bedrieglijke lippen verstommen, die kwaad spreken tegen de gerechte met trots en hoon.
Heer, hoe groot is de overvloed van Uw Goedheid, die Gij verborgen hebt voor wie U vrezen.
Die Gij bewijst aan hen die op U vertrouwen, voor het oog van de zonen der mensen.
Gij verbergt hen in het verborgene van Uw aangezicht voor het oproer der mensen.
Gij beschut hen in een tent voor de tegenspraak van hun tong.
Gezegend zij de Heer, want wonderbaar was Zijn barmhartigheid in de versterkte stad.
In mijn verbijstering had ik gezegd: ik ben verworpen uit Uw ogen.
Maar daarom hebt Gij de stem van mijn smeking verhoord, toen ik tot U had geroepen.
Bemint de Heer, al Zijn ingewijden, want de Heer zoekt de waarheid.
Hij zal allen die hoogmoedig handelen overvloedig vergelden.
Wees een mens [man en vrouw], sterk uw hart, gij allen die vertrouwt op de Heer“.
Psalm 30[31] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

    De mensen nu namen dan de steen van het graf van Lazarus weg.
En onze Heer en Verlosser, de Zoon van God, sloeg de ogen opwaarts en zei
[in gebed]:
Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt.
Zelf wist Ik,
[was ik ervan overtuigd] dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de menigte mensen, die rondom Mij staat [Mijn Vrienden en Volgelingen], heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebtJohn.11: 41,42.

Wij zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.
De ziel van de mens betekent daarbij
het geestelijk beginsel in de mens,
welke bij het heengaan naar het hogere, het buitenaardse,
afscheid neemt van het lichaam.
De ziel wordt beschouwd als het diepste wezen van
de mens en het meest waardevolle in hem/haar.

Geen mens keerde ooit terug uit de dood en slechts in de grote en heilige week, welke dit weekend een aanvang neemt worden we geconfronteerd met de Opstanding uit de doden.
Onze Heer en Verlosser is voor ons het Lichtend voorbeeld en vandaag wordt ons voorgehouden dat Zijn beste vriend Lazarus [Hebr.= ‘God helpt hem’] eveneens uit de doden wordt opgewekt.
Toch lieten beiden niet veel los over ‘de overzijde’.
En wie er het Oude of Nieuwe Testament op naslaat, treft
allesbehalve een uitgewerkt of eenduidig beeld aan van het hiernamaals.
We treffen wel een groot aantal beeldspraken, metaforen en parabels aan.
Denk aan de ‘Profetische visioenen’ van Daniël en Ezechiël, opgetekend
in de gelijknamige boeken, of herkenbaar
aan de hartenkreten van de psalmist om
zijn lichaam en ziel niet aan de dood prijs te geven [o.a Psalm 31].
Onze Heer en Verlosser spreekt over het naderend Hemels Koninkrijk van
Zijn Hemelse Vader eveneens in beelden en gelijkenissen:
  een naderende oogsttijdMarc.4: 29;
  de dood die komt als een dief in de nachtMatth.24: 43;
  het omhakken van onvruchtbare bomenLuc.13: 9;
  een plaats van geween en tandengeknarsMatth.8: 12 en
  het scheiden van schapen en bokkenMatth.25: 31-46.
            Wat in de geschiedenis van vandaag duidelijk wordt is
dat onze Heer en Verlosser Zijn beste vrienden
  en wie anders zijn dat die ‘Zijn navolgelingen zijn
door God worden geholpen’ tot in de dood aan toe!
Dit is een van de essentiële hoogtepunten van ons Christelijk Geloof :

Wij geloven in één God de Vader,
de Al-Machtige Vader [‘de Albeheerser’],
Schepper van Hemel en aarde,
van al het zichtbare en onzichtbare, En in één Heer, Jezus Christus,
geboren uit de Vader vóór alle eeuwen.
Licht uit Licht, ware God uit de ware God,
geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader en door Wie alles geworden is . . . . .
Die om ons, mensen, en om onze Verlossing,
uit de hemel is neergedaald; en vlees heeft aangenomen door de Heilige Geest en de Maagd Maria, en mens geworden is.
Die voor ons onder Pontius Pilatus gekruisigd is, geleden heeft en begraven is,
Die opgestaan is op de derde dag, volgens de Schriften [de Blijde Boodschap];
Die opgevaren is naar de hemelen en zetelt aan de rechterhand van de Vader.
Die zal wederkomen in Heerlijkheid, 
om levenden en doden te oordelen, en
aan Wiens Rijk geen einde zal zijn.
En in de Heilige Geest, Heer en Levend-maker, Die uitgaat van de Vader, en
aanbeden en verheerlijkt wordt tezamen met de Vader en de Zoon;
Die door de Profeten gesproken heeft.
En in één Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk.
Wij belijden één doop tot vergeving van zonden.
Wij verwachten de Opstanding van de doden en
het leven van de toekomstige Eeuwigheid. AMEN

Onze Heer en Verlosser zal ieder van Zijn Volgelingen,
Zijn vrienden, die bij Hem horen, ‘nèt zoals Lazarus  opwekken.
Terwijl de dood ons niet zal scheiden van God,
zal Hij op een voor de Vader zekere dag
terugkomen en ieder van ons uit onze graven roepen.
Zijn overwinning op de dood bij het lege graf en
Zijn overwinning op de dood voor Lazarus,
herinnert ons eraan dat de dood op zijn ergst
niet meer is dan een rustgevende slaap.
Hij zal ons uit die slaap roepen en
ons in Heerlijkheid en Triomf bij Zich brengen.
Wij zullen Zijn “wekroep”:
– ‘ Lazarus [Hebr.= ‘ God helpt hem‘], kom naar buiten!’ –
horen en Opstaan/Verrijzen,
want de dood kan ons niet opeisen.
Wij zijn in de doop met Christus gestorven, zodat
de zonde en de dood
ons niet langer zal kunnen claimen.
Wij wachten nog op de
volledige verwerkelijking van Zijn Opstanding
in onze levens, maar
wij zijn er van overtuigd dat
Die gaat komen.

Theophany, Transfiguration & Opstanding van Lazaros, Sinaï-icon

  Allen verwachten van u, dat Gij hun voedsel geeft te rechter tijd.
Gij geeft het hun, en zij zamelen in; Gij opent Uw hand, en
allen worden met het goede verzadigd.
Maar als Gij Uw aangezicht afwendt, dan worden zij verbijsterd,
Gij neemt hun adem weg, en zij bezwijken: zij keren terug tot hun stof.
Gij zendt Uw Geest uit, en zij worden herschapen:
  Gij maakt nieuw het aanschijn der aarde’.
‘ Hoe groot zijn Uw werken o Heer’:
‘ Gij hebt alles moet wijsheid gemaakt’

uit Psalm 103 [104]: vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Apolytikion metten
tn1.
    Als een belofte van de gemeenschappelijke Opstanding
hebt Gij voor Uw Lijden Lazaros uit de doden opgewekt, Christus God.
Laat ons daarom, evenals de kinderen, de symbolen dragen van de zegepraal,
en tot u roepen, Overwinnaar van de dood:
Hasanna in den hoge;
gezegend Hij, Die komt in de Naam des Heren
’.  [herh.]

Kathismazang metten
tn.1.
    Gij had medelijden met de tranen van Martha en Maria
en Gij liet de steen van het graf afwentelen, Christus God;
Gij hebt de dode geroepen en doen Opstaan/Verrijzen,
opdat wij zouden geloven aan de Opstanding der wereld.
Ere zij Uw Heerschappij, Verlosser,
ere zij de Volheid van Uw Macht, Leven-schenker;
ere zij U, Die door Uw Woord alles tot het Zijn heft gebracht
”.

Kathismazang metten
tn.8.    Gij, Die als Schepper, alles tevoren weet,
hebt aan Uw Leerlingen [en ons] voorzegd:
Onze vriend Lazarus is heden ontslapen.
Gij hebt geweend en tot de Vader gebeden, en
hebt hem die gij liefhad geroepen.
Toen werd Lazarus uit de hades opgewekt; en daarom roepen wij tot U:
Aanvaard Christus God, de lof die wij wagen U aan te bieden en
verleen ons allen Uw Heerlijkheid
”.

Kondakion metten
tn.2.    Christus, de Waarheid, de Vreugde van allen en
het Licht en de Opstanding van de wereld,
is in Zijn Godheid verschenen op aarde.
Hij is het Voorbeeld van onze Opstanding/Verrijzenis en
schenkt aan allen God’s vergiffenis”.

Ikos metten
tn.2.    De Schepper van alles heeft tevoren Zijn Leerlingen gezegd:
Broeders en bekenden [navolgers], onze vriend is ontslapen.
Daaruit zien wij dat Gij alles weet, Gij Die immers alles geschapen heeft;
laat ons dan op weg gaan om
deze bijzondere begrafenis te zien, en het treuren van Maria.
En bij het graf van Lazarus zal Ik [Christus] een wonder verrichten als
voorspel van de Kruisiging, Die aan allen God’s Vergiffenis schenkt”.

God wist onze zonde – met wortel en al – God is niet zoals de mens bij wie de herinnering [onder invloed van de tegenstrever] maar blijft steken.
Daarom wordt de boeteling geheel opnieuw – als bij de doop – gezuiverd,
elke smet is uitgeroeid en is de herboren dopeling witter dan de meest smetteloze sneeuw.
We zijn allen zondaars, niemand uitgezonderd, we zijn het allemaal. 

Door de vergiffenis worden wij zondaars nieuwe schepselen, vervuld van de Geest en vol vreugde.
Een nieuw begin vangt voor ons aan: een nieuw hart, een nieuwe geest, een nieuw leven.
Wij, vergeven zondaars, die deze van God verkregen Genadegave hebben aanvaard, kunnen zelfs aan anderen leren niet meer te zondigen.
Maar zult u daarop zeggen, ‘ik ben zwak, ik val, sta op en val opnieuw’.
Ook al val je opnieuw, ‘ sta dan opnieuw op en zet je ‘in’ enige volgende val te voorkomen. Wanneer een peuter valt, wat doe jij dan als ouder?
Steekt hem/haar de hand toe en help hem/haar overeind.
Zo doet onze Vader, Die in de Hemelen zijt eveneens.

Als je uit zwakheid in zonde valt, steek je hand uit:
jouw Heer en Verlosser zal ze grijpen en je helpen opstaan.
Dat is de waardigheid van Gods vergiffenis!
De waardigheid die de vergeving door God ons schenkt, bestaat hierin
ons waarachtig te helpen, ons op de been te brengen, want
Hij heeft man en vrouw geschapen om rechtop te staan.
De vergiffenis van God is wat wij allen nodig hebben en
dit is nu de Groot’s-heid van Zijn Barmhartigheid.
Een Genadegave die elke vergeven zondaar geroepen is te
delen met iedere broeder en zuster die wij ontmoeten,
we zitten immers allen in hetzelfde schuitje.
Allen die de Heer aan onze zijde heeft geplaatst,
gezinsleden, vrienden, collega’s, parochianen…
allen hebben zoals wij, grote behoefte in de nood aan
God’s Barmhartigheid.
Vergiffenis krijgen is mooi, maar indien je keer op keer vergiffenis
wilt verkrijgen – schenk dan op jouw beurt vergeving en
dat toon je door voor elkaar te bidden
– het gebed stapelt immers ‘brandende kolen‘.
Want veelal zal het door verschillende oorzaken niet mogelijk zijn
tot een onderling ‘gedegen en grondig‘ gesprek te komen;
ego’s kunnen veelal nogal verschillen.

 

Woensdag na de Zondag van Maria van Egypte, voorafgaand aan Lazaros Zaterdag/Palmzondag

de thuisreis, de terugreis naar het Vaderland; the journey home, the return journey to the Fatherland; το ταξίδι στο σπίτι, το ταξίδι επιστροφής στην Πατρίδα; رحلة المنزل ، رحلة العودة إلى الوطن.

    Roep luidkeels, houd [u] niet in, verhef uw stem als een bazuin en maak Mijn volk zijn overtreding bekend en het huis van Jaäcob zijn zonden.
Wel zoeken zij Mij dag aan dag en hebben zij een welgevallen aan de kennis van Mijn wegen, als een Volk dat Gerechtigheid doet en het recht van Zijn God niet veronachtzaamt.
Zij vragen Mij rechtvaardige verordeningen, zij hebben er een welgevallen aan tot God te naderen.
– Waarom vasten wij, als Gij er toch niet op let:
⁌   Waarom verootmoedigen wij ons, als Gij er toch geen acht op slaat?
Zie, op uw vastendag doet gij zaken en drijft gij al uw arbeiders aan.
Zie, tot twist en tot strijd vast gij en om te slaan met snode vuist; gij vast heden niet om uw stem in den hoge te doen horen.
Zou dit het vasten zijn, dat Ik verkies, een dag, waarop de mens zichzelf verootmoedigt: dat hij 
zijn hoofd laat hangen als een bies [oeverplant] en zich rouwgewaad en as tot een leger [bed] spreidt?
            Noemen jullie dat een vasten, dat een dag die de Heer welgevallig is?
Is dit niet het vasten dat Ik verkies:
⁌   de boeien der goddeloosheid los te maken,
⁌   de banden van het juk te ontbinden,
⁌   verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken?
Is het niet:
⁌   dat gij voor de hongerige uw brood breekt en
⁌   arme zwervelingen in uw huis brengt,
⁌   ja, als gij een naakte ziet, dat gij hem bekleedt en
⁌   u niet onttrekt aan uw eigen vlees en bloed?
              Dan zal uw licht doorbreken als de dageraad en uw wond zich spoedig sluiten uw heil zal voor u uit gaan, de Heerlijkheid des Heren zal uw achterhoede zijn.
             Als jullie dàn roepen, zal de Heer antwoorden;
            als jullie om hulp roepen, zal Hij zeggen: Hier ben Ik.
⁌   Wanneer gij uit uw midden het juk wegdoet, het wijzen met de vinger en het spreken van boosheid nalaat,
⁌   Wanneer gij de hongerige schenkt wat gij zelf begeert en de verdrukten verzadigt, dan zal in de duisternis uw licht opgaan en uw donkerheid zal zijn als de middag.
            En de Heer zal u voortdurend leiden, u in dorre streken verzadigen en uw gebeente krachtig maken; dan zult gij zijn als een besproeide hof en als een bron, waarvan het water niet teleursteltIsaiah 58: 1-11.

bij ‘Heer ik roep [Vespers van 6e woensdag]:
tn.5.    Rijk ben ik aan hartstochten, ik draag het bedrieglijk gewaad der huichelarij; ik verheug mij in de slechtheid der onmatigheid en toon onmetelijke harteloosheid:
want ik veracht mijn ziel die neergeworpen ligt voor de poort der boete, die hongert naar het goede en lijdt door mijn onachtzaamheid.
Maar Gij Heer, maak mij tot een Lazarus, door arm te zijn aan zonden,
opdat mij niet, wanneer ik daarom bid, de druppel aan de vinger geweigerd moet worden, om mijn tong te verkwikken in het onuitblusbare vuur.
Doch laat mij wonen in de schoot van Vader Abraham,
want Gij zit de menslievende
”.    [herh.]

tn.5   Met niet te breken liefde hebt gij Christus nooit verloochend, heilige Martelaren: door zoveel mishandelingen en noteringen te ondergaan
hebt gij de hoogmoed der tirannen ter aarde geworpen.
Gij hebt het Geloof onwrikbaar en ongeschonden bewaard,
en zijt daarom overgegaan naar het Koninkrijk der Hemelen.
Gij hebt vrijmoedigheid verworven bij God,
smeek tot Hem om Vrede voor de wereld en
voor onze zielen om de grote Genade
”.

Van Jozef
tn.5.   Lichamelijk was U nog over de Jordaan, maar U riep tot Uw metgezellen:
Reeds is Mijn vriend Lazaros gestorven en hij wordt nu in het graf gelegd.
Ik verheug Mij, Mijn vrienden omwille van u, opdat jullie mogen weten dat Ik alles weet, daar Ik als God overal tegenwoordig ben, zonder begrenzing in ruimte of tijd,
ook al ben Ik een zichtbare Mens.
Komt, laat ons tot hem gaan, om hem weer tot leven te brengen, 
opdat de Dood bemerkt dat hij verslagen is, in het vooruitzicht van zijn totale vernietiging die Ik zeker tot stand zal brengen:
want Ik ben gekomen om aan de wereld grote Genade te schenken
“.

tn.5.   Gelovigen, volgen wij Martha en Maria na en zenden wij voorsprekers tot de Heer: door God ingegeven heilige werken, opdat Hij onze ziel komt opwekken,
die als een dode ellendig neerligt in het graf der zorgeloosheid,
gevoelloos, zonder vreze God’s, en beroofd van alle levenskracht.
Laat ons daarom tot Hem roepen:
Heer, Die Uw vriend Lazaros uit de dood hebt opgewekt,
door de Kracht van Uw hulp, breng ook ons allen tot leven, Medelijdende,
Die ons de grote Genade schenkt
“.

tn.5.   Twee dagen is Lazaros nu in het graf, hij ziet hen die
in alle tijden gestorven zijn en aanschouwt schrikwekkende beelden:
een ontelbare menigte, gevangen in de boeien van de Hades;
daarom wenen zijn zusters bittere tranen, wanneer zij het graf aanschouwen.
Doch daar komt Gij Christus om Zijn eigen vriend tot Leven te brengen,
zodat allen eenstemmig uitroepen:
Gezegend zijt Gij, Verlosser, ontferm U over ons
“.

  Ik heb Hem lief, want de Heer verhoort de stem van mijn smeking.
Hij heeft Zijn oor naar mij geneigd: in al mijn dagen wil ik Hem aanroepen.
Stervensweeën omringen mij, aan helse gevaren was ik ten prooi; ik vond kwelling en smart.
Maar ik heb de naam des Heren aangeroepen: o Heer, bevrijd mijn ziel.
Barmhartig en rechtvaardig is de Heer; onze God is genadig.
De Heer behoedt wat zwak is; ik was vernederd, maar Hij heeft mij gered.
Keer terug, mijn ziel, tot Uw rust, want de heer heeft u welgedaan.
Hij heeft mijn ziel ontrukt aan de dood; mijn ogen van tranen, mijn voeten van struikelen.
Ik wil de Heer welgevallig zijn, in het land der levenden
Psalm 114[115] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Prokimen
tn.4. Ik wil de Heer welgevallig zijn in het licht der levenden”.

  Ik heb Hem lief, want de Heer verhoort de stem van mijn smeking;
Hij heeft Zijn door naar mij geneigd, in al mijn dagen wil ik Hem aanroepen
”.

  Ik heb de Naam des Heren aangeroepen: o Heer, bevrijd mijn ziel.
Barmhartig en Rechtvaardig is de Heer, onze God is Genadig
”.

  De Heer behoudt wat zwak is, ik was vernederd maar Hij heeft mij gered;
keer terug mijn ziel, tot uw rust, want de Heer heeft u welgedaan
”.

    Ik Geloof, ook al heb ik gesproken, toen ik ten uiterste was vernederd.
In mijn verbijstering had ik gezegd: elke mens is een leugenaar.

Strekdam, die de sterkte versterkt; Stretchdam, which strengthens the strength

    Toen Jozef het huis binnengekomen was, brachten zij het geschenk dat zij bij zich hadden, bij hem binnen en zij bogen zich voor hem ter aarde. Daarop vroeg hij hen naar hun welstand en zei:   Is het wèl met uw oude vader, over wie gij gesproken hebt? Leeft hij nog?’.
En zij zeiden: Het is wel met uw knecht, onze vader; hij leeft nog.
Daarop knielden zij en bogen zich neer.
       Toen hij zijn ogen opsloeg, zag hij zijn broeder Benjamin, de zoon van zijn moeder, en zei: ‘ Is dit uw jongste broeder, over wie gij tot mij gesproken hebt?’.
En hij zei: ‘     God zij u genadig, mijn zoon’.
       Toen haastte Jozef zich weg, want zijn hart ging in ontroering uit naar zijn broeder, en hij zocht gelegenheid om te wenen; hij trad een kamer binnen en weende daar.
       Daarna wies hij zijn gelaat en trad naar buiten, bedwong zichzelf en zei: ‘Dient het maal op’.
>>   Toen kon Jozef zich niet langer bedwingen voor allen die bij hem stonden, en hij riep:  ‘     Laat allen van mij weggaan’. En daar stond niemand bij hem, toen Jozef zich aan zijn broeders bekend maakte.
Daarop brak hij uit in luid geween, zodat de Egyptenaren en Farao’s huis het hoorden.
      En Jozef zei tot zijn broeders:
‘ Ik ben Jozef; leeft mijn vader nog?’.
Doch zijn broeders konden hem niet antwoorden, want zij deinsden van schrik voor hem terug.

Josef [Hebr. = ‘de Heer heeft toegevoegd’]
         Toen zeide Jozef tot zijn broeders:
‘ Komt toch naderbij’. Daarop naderden zij.
En hij zei: ‘ Ik ben uw broeder Jozef, die gij naar Egypte verkocht hebt. Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden.
         Want reeds twee jaren is er hongersnood geweest in dit land en er komen nog vijf jaren, waarin niet geploegd of geoogst zal worden.
Daarom heeft God mij voor u uit gezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden.
Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden hebt, maar God; Hij heeft mij gesteld tot Farao’s vader en tot heer over geheel zijn huis en tot heerser in het gehele land Egypte.
Trekt haastig naar mijn vader en zegt tot hem: Zo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij gesteld tot heer over geheel Egypte, komt tot mij, draal niet.
Gij zult in het land Gosen wonen en gij zult dicht bij mij zijn, gij en uw kinderen en uw kindskinderen, uw kleinvee en uw runderen en al wat gij hebt.
En ik zal daar voor u zorgen, want er zal nog vijf jaar hongersnood zijn, opdat gij niet verarmt, gij, noch uw huis, noch iemand van de uwen.
En zie, uw eigen ogen en die van mijn broeder Benjamin zien, dat het mijn mond is, die tot u spreekt.
Vertelt dan aan mijn vader al de heerlijkheid die ik in Egypte bezit, en alles wat gij gezien hebt, en brengt mijn vader haastig hierheen’.
        Toen viel hij zijn broeder Benjamin om de hals en weende, en Benjamin weende aan zijn hals.
En hij kuste al zijn broeders hartelijk en weende, hen omhelzende. Daarna eerst spraken zijn broeders met hem.
Toen het gerucht in Farao’s huis vernomen werd, dat Jozefs broeders waren gekomen, was dit Farao en zijn dienaren aangenaamGen.43: 26-31;45: 1-16.

 

Profeet David, zoon van Jesse, bidt . . . . .

  Wat kan ik de heer teruggeven, voor alles wat Hij mij geschonken heeft /
Ik zal de Kelk des Heils nemen, en de Naam des heren aanroepen.
ik zal de Heer mijn geloften inlossen, ten aanschouwen van heel Zijn volk.
Kostbaar voor het aanschijn des heren is het sterven van Zijn gewijden.
O Heer, ik ben immers Uw dienstknecht, de zoon van uw dienstmaagd:
Gij hebt mijn boeien verbroken.
U wil ik een lofoffer opdragen; ik wil de naam des Heren aanroepen.
Ik zal de Heer mijn geloften inlossen, ten aanschouwen van Zijn volk.
In de voorhoven van het Huis des Heren; in Uw midden, Jeruzalem
Psalm 115 [116] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Prokimen
tn.4.   Ik zal de Heer mijn geloften inlossen ten aanschouwen van heel Zijn Volk”

“Ik Geloof, ook al heb ik gesproken torn ik ten uiterste was vernederd:
in mijn verbijstering had ik gezegd: elke mens is een leugenaar”

“Wat kan ik de Heer teruggeven voor alles wat Hij mij geschonken heeft?
Ik zal de Kerk des Heils nemen en de Naam des Heren aanroepen”.

“Kostbaar voor het aanschijn des Heren is het sterven van Zijn Gewijden.
O Heer, ik ben immers Uw dienst-knecht[-maagd];
Gij hebt mij de boeien verbroken”.

De Heer verhoort de stem van de aanhoudende nederige verzoeken van iedere mens, daarom kunnen wij Orthodoxe gelovigen niet ophouden te roepen:
    Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm u over ons zondaars” [ = het Jezusgebed].
Wij beseffen maar al te goed dat wij onze knopen niet behoeven te tellen of zoals dat bij geliefden gebruikelijk is, de bloemblaadjes van het madeliefje te verwijderen en te zeggen: “ Hij houdt wèl van mij; Hij houdt niet van mij”.
Onze Heer heeft immers gezegd dat “Hij Zich met de engelen verheugt over elke zondaar, die zich bekeert”.
Je kunt echter soms nog zulke mooie plannen hebben, maar als de tegenstrever een spaak in jouw wiel probeert te steken, dien je jouw strategie aan te passen en dat is hetgeen wij de afgelopen periode getracht hebben te doen.
Isaiah houdt ons vandaag het volgende voor:
  Indien je God lief hebt . . . . . zoek je Hem elke dag en probeer je Zijn wegen na te volgen. Want wanneer een God’s-Volk gerechtigheid heeft gedaan en het oordeel van hun God niet terzijde hebben gesteld, vragen zij Hem vervolgens om een rechtvaardig oordeel en verlangen zij er naar God zoveel mogelijk nabij te komen”.
Nu ons vasten, welke haar einde nadert, is een belangrijke vorm van vroomheid, toewijding en spirituele groei.
Toen onze Heer en Verlosser Zich onder ons mensen begon te manifesteren was de praktijk van vasten reeds alom bekend.
Bovenstaande lezing van Isaiah laat ons weten dat de Pedagogie, die onze Heer ons hieromtrent oplegt; al eeuwenlang door de Profeten aan het Volk van het Eerste Verbond werd voorgehouden.
Onze Heer en Verlosser benadrukt dit fenomeen eveneens:
⁌        En wanneer gij vast, toont dan niet, zoals de huichelaars, een somber gelaat; want zij maken hun aangezicht ontoonbaar, om zich aan de mensen te vertonen, wanneer zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. Maar gij, zalf uw hoofd, als gij vast, en was uw 
gelaat, om u niet bij uw vasten aan de mensen te vertonen, maar aan uw Vader, die in het verborgene is; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergeldenMatth.6: 16-18;
⁌        Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem en vroegen: Waarom vasten wij en de Farizeeën wel, maar uw discipelen niet?
Jezus zei tot hen: ‘ Kunnen soms bruiloftsgasten treuren, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is, en dan zullen zij vasten.
En niemand zet een niet-gekrompen lap op een oud kledingstuk; want de ingezette lap scheurt iets af van het kledingstuk en de scheur wordt erger. Ook doet men jonge wijn niet in oude zakken; anders barsten de zakken en de wijn loopt weg en de zakken gaan verloren; maar men doet jonge wijn in nieuwe zakken en beide blijven samen behoudenMatth.9: 14-17;
⁌        Zijn discipelen vroegen Hem, wat de bedoeling van deze gelijkenis [ van het zaad in de aarde] was. En Hij zei:
  Aan u allen is het gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk Gods te kennen, maar aan de anderen [worden zij gepredikt] in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien en horende niet begrijpen.
Dit is de gelijkenis: Het zaad is het woord Gods.
Die langs de weg, zijn zij, die het gehoord hebben; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven en behouden worden.
Die op de rotsbodem, zijn zij, die het woord, zodra zij het horen, met blijdschap ontvangen; en dezen hebben geen wortel, zij geloven voor een tijd en in een tijd van beproeving worden zij afvalligLuc.18: 9-14.
Wij verkondigen niet voor niets in onze Geloofsbelijdenis over “ de Heilige Geest, Die door de Profeten gesproken heeft !!!”.
God heeft in de persoon van de Heilige Geest, Die uitgaat van de Vader dit essentiële reeds lang van tevoren gedefinieerd.
Deze profetieën vertegenwoordigen zowel de Heilige Traditie als de geschiedenis.
Wanneer we het harmonieus samengaan van het Woord des Heren in de leringen van Isaiah en Christus volgen, mogen we dat doen.
Gebruik daarom deze passage als een door God gegeven meetlat om ons vasten te evalueren.

Geloof heeft de hoop als basis
We denken na over deze zinnebeelden van wijsheid om ons bij te staan het vasten maar snel achter ons te laten – voordat wij er überhaupt aan zijn begonnen.
Het is nog niet te laat om de bakens te verzetten en de goede richting aan te gaan houden.
De goede moordenaar vond immers het Hemels Koninkrijk op het laatste ogenblik terwijl hij naast de Heer aan een aangrenzend kruis werd gekruisigd.
Laat God je hart raken! Lees bovenstaande verzen van Salomon en Isaiah – overweeg ze en stel jezelf vragen teneinde jouw ommekeer te bewerkstelligen, teneinde je op die weg te ondersteunen en je naar het Groot en Heilg Pascha te begeleiden.
Zijn het mijn eigen normen, die ik voorop stel of die van God?
– Neem hierbij de zaligsprekingen van de bergrede [Matth.5: 3-12] tot leidraad. Wat is de wezenlijke bedoeling en wat is niet zo belangrijk.

  • God’s geboden [Ex.20: 1-17] zijn het er slechts 10 of onnoemlijk meer zoals uit de Thora [Hebr.= ‘God’s onderwijs, pedagogie’] blijkt.
    – De leringen van de Apostelen [Rom.12, Eph. 4-6; 1Petr. 2-4 en de Jaäcobus-brief].
  • Onze Heer en Verlosser is, net als Zijn Vader, een rechtvaardige God, die er van uit gaat dat leven, werkelijk Geloof inhoudt, welke uitgaat van het gebod van de Liefde tot God en de naaste.
    Beperk ik m’n dagelijks voedsel en vermeerder ik m’n gebeden als uitdaging of als middel om werkelijk te bouwen aan mijn relatie en gehoorzaamheid aan God? Dient mijn vasten slechts mijn ego, m’n eigen doelen en behoefte tot afvallen? Verlang ik nog wel naar God’s Genade-gaven, wanneer ik als mens onnoemlijk tekort schiet.

Kom ik dichter bij God en vind ik vrede in m’n hart [mijn tempel/mijn kerkje]?Ben ik in staat volgende week woensdag het Mysterie van de Ziekenzalving te ontvangen
⁌   de olie der Vreugde en de Liefde” – alvorens met de Heer op te gaan in lijden, sterven en Opstanding/Verrijzenis?
Kan ik de heilige discipline opbrengen deze laatste week nog waakzaam te blijven, met Hem onder ogen te zien van datgene wat ons met Hem te wachten staat – of zijn we dermate vermoeid dat óók òns net als zijn Apostelen de slaap overvalt?
Al knopen tellend zal het bij – ‘het ene gewaad, met de keppel [plaats van de erehoed] op’ – niet meevallen ten opzichte van de priester onder de arbeiders in de wijngaard. Zij, die een zwarte – ‘overall’ [=‘werkkleding] – dragen, waarvan slechts de banden over de schouder [die de broek ophouden] aangeven dat er een juk wordt gedragen. Heb je werkelijk de handen wel eens uit de mouwen gestoken of een schort omgedaan om in de keuken bij de afwas òf bij het bereiden van de maaltijd te assisteren? Heb je een voedsel- of kledingbank wel eens van binnen bekeken? Het liefdesleven bij God bestaat immers niet alleen door de ogen op te slaan aan de vier zijden van het offeraltaar?
De zalvingen op het hoofd en al de zintuigen zijn een uiting van hetgeen zich ‘innerlijk‘ afspeelt en is te vergelijken met de H. Geest, Die neerdaalt bij de geesteszalving van Christus na Diens doop in de Jordaan [Theophanie]. Het is vervolgens de stem van de Vader, Die weerklinkt met de woorden: “ Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, in Wie Ik Mijn wel-behagen heb”.
Dezelfde woorden klonken bij de ontmoeting van onze Heer en Verlosser op de berg Thabor, toen Deze Zich met Mozes en Elia onderhieldt. Zeggen wij met de Apostel tot Christus: “Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia”.

wolk en een Mysterie zo mooi; cloud and a Mystery so beautiful

De Apostel, de ‘ná’-volger was nog niet uitgesproken of een lichtende wolk overschaduwde hen en uit de wolk klonk een stem: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn welbehagen heb gesteld; luistert naar Hem”.
En op het horen van deze woorden, werpen wij ons eveneens ter aarde neer en worden aangegrepen door een grote vrees voor het Mysterie van het Leven.
Maar onze Heer en Verlosser is ons nabij en laat ons weten: “Staat allen op en weest niet bang”.
        Ook bij het Mysterie van de ziekenzalving bevinden wij ons in de tijd van God, Die geen tijd kent en in de eeuwen der eeuwen verblijft; ook bij het ontvangen van dit Mysterie geldt dat de Orthodoxie geen praktijk van ‘Eucharistische gastvrijheid’ kent – ook hier wordt voor de naderen tot dit Mysterie verlangt dat er eenheid is van Geloof – en dat ook dit Mysterie niet het middel tot eenheid is.
De manier waarop wij met onszelf communiceren, is bepalend voor de kwaliteit van het contact met onze Heer en Verlosser; het vraagt om nauwkeurigheid, specifiek positief bekrachtigende invloed – dit legt de grondslag voor onze relatie met onze omgeving. Op die wijze wordt van dag tot dag, van moment tot moment, onze droom tot beeld van God te zijn, bewaarheid en zullen op die manier Zijn Pedagogie in de wereld verkondigen. Het Christelijk leven is namelijk een aaneen-schakeling van momenten, die staan te wachten tot we ze gaan onderzoeken en de juiste afweging maken.

    Wie zijn mond en zijn tong [z’n pen] bewaakt, bewaart zichzelf voor benauwdheden. Een overmoedige en vermetele heet spotter, hij, die handelt in mateloze overmoed.
De begeerte van de luiaard brengt hem ten dode, want zijn handen weigeren te werken.
De begerigheid begeert de ganse dag, maar de rechtvaardige geeft en houdt niet terug.
Het offer der goddelozen is een gruwel, hoeveel te meer, als hij het met boze bedoeling brengt.
Een leugenachtig getuige zal omkomen, maar een mens die luistert, zal zegevierend spreken.
De goddeloze zet een onbeschaamd gezicht, maar de oprechte, hij geeft vastheid aan zijn wandel.
Er is geen wijsheid en geen verstand, geen raad is er tegenover de Heer.
Het paard wordt opgetuigd tegen de dag van de strijd, maar de zege is van de Heer.
Een goede naam is verkieslijker dan veel rijkdom, gunst is beter dan zilver en goud.
Rijken en armen ontmoeten elkander; hun aller Maker is de Heer.
De schrandere ziet het onheil en bergt zich, maar de onverstandigen gaan hun gang en moeten boeten.
Het loon van onderworpenheid [vreze des Heren] is rijkdom, eer en leven“ Spreuken 21: 23-22: 4.

  Barmhartig en Rechtvaardig is de Heer.
Ik heb Hem
[en mijn naasten] lief, daarop verhoort de Heer
de stem van mijn smeking
”.

Dinsdag na de Zondag van Maria van Egypte, voorafgaand aan Lazaros Zaterdag/Palmzondag

    Belijdt de Heer, want Hij is goed, want eeuwig duurt Zijn Barmhartigheid.

Christus op het meer van Galilea, by Eugène Delacroix

Getuigt dit, gij die bevrijd zijt door de Heer; die Hij bevrijd heeft uit de hand van uw vijand.
Want Hij heeft hen bijeengebracht uit alle streken: vanuit het oosten, het zuiden, het noorden en de zee.
Sommigen verdwaalden in de woestijn, in waterloos land, en vonden geen weg naar een bewoonde plaats. 
Zij leden honger en dorst: hun ziel bezweek in hun binnenste.
Zij riepen tot de heer in hun beproeving, en Hij verloste hen uit de nood.
Hij leidde hen naar een goede weg, zodat zij aankwamen in een bewoonde streek.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen. Want Hij heeft de smachtende ziel verzadigd, en de hongerige met goederen vervuld.
Anderen waren gezeten in het duister, in de schaduw des doods, ellendig, in de boeien geslagen. Want zij hadden Gods woorden bitter gemaakt, de raad van de Allerhoogste geminacht. Toen werd hun hart door kwelling vernederd; zij werden zwak, en er was niemand die hielp.
Maar zij riepen tot de Heer in hun beproeving, en Hij verloste hen uit hun nood.
Hij voerde hen weg uit het duister van de schaduw des doods; Hij verbrak hun boeien. Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid, om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen.
Hij heeft immers de bronzen poorten verbrijzeld de ijzeren grendels verbroken.
Hij heeft hen opgeheven van de weg hunner boosheid, want om hun ongerechtigheden waren zij vernederd.
Hun ziel walgde van elke spijs, zij stonden reeds voor de poorten des doods.
Maar zij riepen tot de Heer in hun beproeving, en Hij verloste hen uit hun nood.
Hij zond Zijn woord uit om hen te genezen; Hij ontrukte hen aan hun ondergang.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen. Dat zij Hem opdragen een offer van lof; dat zij met blijdschap Zijn werken bejubelen.
In schepen kozen weer anderen zee, zij deden hun werk op de grote wateren.
Zij zagen de werken des Heren: Zijn wonderdaden in de geweldige diepte.
Hij sprak, en een stormwind stak op: de golven werden opgezweept.
Zij vlogen omhoog naar de hemel, en vielen omlaag in de diepte: hun ziel kromp ineen van ellende. Zij schudden en slingerden als waren zij dronken al hun bedrevenheid schoot tekort.
Toen riepen zij tot de Heer in hun beproeving, en hij ontrukte hen aan hun nood.
Want Hij gaf bevel aan de storm, en die werd tot kalmte; Hij deed de golven bedaren. Hoe verheugden zij zich over die rust, terwijl Hij hen voerde naar de verlangde haven.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen. Dat zij hem verheffen in de bijeenkomst van het Volk, hem loven in de zitting der oudsten.
Ook maakte Hij stromen tot een woestijn, waterlopen tot dorstig land. Vruchtbare grond tot een zoutmoeras, om de slechtheid van die daar woonden. Maar ook heeft Hij woestijn in plassen veranderd in de dorre grond stroomt nu water.
Daar deed Hij de hongerigen wonen; zij bouwden daar steden tot hun verblijf.
Zij zaaiden akkers en plantten wijngaarden; deze droegen rijkelijk vrucht.
Hij zegende hen, en zij vermenigvuldigden zich uitermate; ook hun vee maakte Hij talrijk.
Dan weer werd hun aantal gering, zij werden gekweld door verdrukking, ellende en smart. Verachting kwam neer op hun vorsten: Hij deed hen verdwalen in ongebaande streken.
Maar de arme hielp Hij uit zijn gebrek: Hij maakte zijn gezin tot een kudde.
Mogen de oprechten dit zien en zich verheugen; moge alle ongerechtigheid de mond worden gestopt.
Wie is wijs om dit alles te houden ? Wie wil de barmhartigheden van de Heer verstaan ?” Psalm 106[107] vert. ROK. ’s-Gravenhage

Prokimen [Vespers]
tn.7.    Wees verheven boven de Hemelen, o God;
overheen de aarde zij Uw Heerlijkheid”

Heiligt het menselijk doel de middelen, die hij/zij inzet?
    Gerechtigheid en recht doen, is de Heer welgevalliger dan offers. Trotsheid van ogen en opgeblazenheid van hart; de glans der goddelozen is zonde.
De plannen van de vlijtige strekken tot louter overvloed, maar al wie overijlt, komt slechts tot gebrek.
Schatten verwerven met bedrieglijke tong is een verwaaiende nevel, dodelijke valstrikken. De gewelddaad der goddelozen sleurt hen mee, want zij weigeren recht te doen. Kronkelend is de weg van de bedrieger, maar een eerlijk man is recht in zijn doen. Beter te wonen op een hoek van het dak dan met een twistzieke vrouw in een gemeenschappelijke woning. De begeerte van de goddeloze gaat uit naar het kwaad; zijn naaste draagt hij geen genegenheid toe.
Straft men de spotter, dan wordt de onverstandige wijs; onderricht men de wijze, hij zal kennis verwerven. De Rechtvaardige let op het huis van de goddeloze en stort de goddelozen in het verderf.
Wie zijn oor gesloten houdt voor het hulpgeroep van de geringe, zal, als hij zelf roept, geen antwoord ontvangen. Een heimelijke gave doet de toorn bedaren, een geschenk in de buidel hevige gramschap.
Recht doen is een vreugde voor de rechtvaardige, maar een verschrikking voor de bedrijvers van ongerechtigheid. Een mens die afdwaalt van de weg van het verstand, zal tot rust komen in de vergadering der schimmen.
Wie van vermaak houdt, zal gebrek lijden; wie olie en wijn liefheeft, wordt niet rijk.
De goddeloze is een losprijs voor de rechtvaardige, en de trouweloze komt in de plaats van de oprechten.
Het is beter te wonen in een woestijn dan met een twistzieke en gramstorige vrouw.
In de woning van de wijze is kostelijke voorraad en olie, maar een dwaas van een mens brengt het door.
Wie gerechtigheid en liefde najaagt, vindt Leven, Gerechtigheid en Eer
Spreuken 21: 3-21.

Kathisma [metten]
tn.6.    Weggeteerd door de ziekte der zonde
lig ik op het leger [bed] der wanhoop,
Geneesheer van zieken bezoek mij daarom in Uw Menslievendheid,
sta niet toe dat ik inslaap in de verschrikkelijke dood, opdat
ik U vurig mag toeroepen Menslievende”

U, Die alle Genade schenkt, ‘Heer ere zij U’”.     [herh.]

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen
”.

tn.6.    De Engelengroet van Gabriël aan de Maagd is het begin van onze Verlossing,
want bij het horen van het ‘Verheug u’ ontweek zij de begroeting niet,
zij twijfelde niet zoals Sara in de tent van Abraham,
maar antwoordde uit geheel haar hart:
Zie de Dienstmaagd des Heren, mij geschiedde naar uw woord
”.

tn.5.    Sinds gisteren is Lazaros ziek, zo meldden zijn zusters aan Christus;
Bethanië, bereid u met vreugde voor om
Uw Meester en Koning als Gast te ontvangen;
en roep met ons: ‘Heer ere zij U’
    [herh.]

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen
”.

tn.5.    Alheilige Moeder Gods, schutsmuur der Christenen,
bevrijd uw volk dat dringend tot U roepen:
  Sta ons bij in onze strijd tegen onze slechte en hoogmoedige gedachten,
opdat wij mogen roepen tot u:
Verheug u, die altijd Maagd zijt gebleven
”.

Het lied van Mozes bij de Rietzee

Lied van Mozes

2e Irmos
tn.6.    Ziet, ziet, Ik ben Uw God, Die in de woestijn manna deed regenen voor Mijn Volk, en water deed opwellen uit de rots, door de kracht van Mijn rechterhand

Christus, Die van nature boven alles rijk zijt, Gij zijt vrijwillig arme geworden, Gij, Die aan al wat leeft hun voedsel schenkt, hebt uit vrije wil honger geleden.
Verzadig mij, die honger naar Uw Genade, O Woord, en
maak mij deelgenoot van Uw Hemelse Dis”.

Maak mij Christus, zoals Lazarus tot iemand, die arm aan zonden is en
verstrooi de rijkdommen die ik ten onrechte heb vergaard
[geld en daaruit voortvloeiende macht vrijwillige heb aanvaard].
Doch maak mij rijk aan volmaakte liefde tot U, Medelijdende en
bevrijd mij van de angstwekkende straf der hel.

Het vasten heeft de Jongelingen van Babylon zo gehard
[door het vuur van de Heilige Geest]

Wordt niet moe hen na te volgen, mijn ziel,
dan zult ge het vuur der begeerten blussen
door de verkwikkende dauw van de Heiige Geest.

Theotokos of ‘The Akathist’ – Icon

Theotokion – Tot u, die onze Vreugde in uw schoot gedragen hebt, roepen wij, verheug u, Hoog-Begenadigde, Moeder God’s en Maagd.
Smeek tot God, Die u geboren hebt doen worden, dat wij die u steeds weer bezingen, verlost worden van gevaar en bederf.

2e Irmos
tn.5.    Ziet, ziet, dat Ik God ben, Die Mij met vlees heb bekleed in Mijn vrijwillig raadsbesluit,
om Adam, die door de slang in overtreding gevallen was uit de dwaling te redden
”.

Ziet, ziet, dat Ik God ben: Ik ben gebleven aan de overzijde van de Jordaan,
hoewel Ik gehoord had dat Lazarus zwaar ziek was;
Ik heb gezegd dat hij niet zou sterven, maar dat dit geschiedde tot Mijn Heerlijkheid.

De zusters van Lazarus zonden onder tranen bericht over Lazaros’ ziekte aan U, Die alles [al] weet.
Maar U blijft nog enige tijd daar, om het wonder groter te doen zijn, en
aan Uw Leerlingen [en ons] ontzagwekkende gebeurtenissen te doen zien.

Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,

Eenheid in Drie Personen, Die dezelfde Macht bezit;
Éen-wezenlijke Koninklijke Heerlijkheid,
Die Uw Heerschappij uitstrekt over heel de tijd [en ruimte]:
heel de menigte der Engelen verheerlijkt U, tezamen met het menselijk geslacht,
als de Vader en de Zoon en de Heilige Geest”.

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen”.

Wie zou niet vol bewondering zien hoe de Schepper in u, Maagd,
de gevallen Adam herschept en in onzegbare eenwording uit u in het vlees geboren wordt omwille van onze Verlossing, zonder daarbij verandering te ondergaan?

Ere aan U, onze God, eer aan U”.

Maak u nu gereed, Bethanië, om vol vreugde de Koning van het Heelal te ontvangen.
Want Hij komt tot u om te laten zien hoe Lazaros terugkomt vanuit het bederf naar het Leven.

Hymne van de Drie Jongelingen

8e Irmos
tn.6.
    Temidden van de vlammengloed deed U dauw [de doop] neerdalen voor de Gerechten.
En Nehemia’s offer
hebt U door water ontstoken;
want Gij, o Christus
hebt alles alleen door Uw Wil geschapen:
U verheffen wij in alle eeuwigheid
”.

Wanneer ik denk aan de talloze overtredingen, dan word ik gewond in het diepst van mijn geweten: ik, ellendige. lijd pijn als door een schroeiende vlam.
Woord van God, ontferm U over mij in Uw Genade.

Zonder acht te slaan op de edele leven’s-wijze van Lazaros, heb ik die van de harteloze Rijke nagevolgd.
Barmhartige God, bekeer mij, opdat ik U mag ver-Heerlijken in alle eeuwen.

Zwaar benig aangetast door de ziekten van mijn ziel;
mij wacht de dood van de wanhoop.
Hoezeer heb ik Uw zorg nodig, Die hen weer Levend maakt, die roepen tot U.

theotokion Alheilige Maagd, behoud mij en kom mij te hulp in mijn ziekte;
want u hebt Hem Die de Barmhartigheid liefheeft gebaard.
Hem verheffen wij in alle eeuwen.

9e Irmos
tn.5. 
  Verheug u, Isaiah, want de Maagd heeft ontvangen in haar schoot en
Emmanuël de God-mens gebaard. Zijn Naam is: Opgang van het Licht,
Hem ver-Heerlijken wij en u o Maagd, bezingen wij”.

Bereid uw doodsgewaden voor, wijze Lazaros, want
u zult het leven verlaten en morgen sterven;
en zie naar het graf dat u zult bewonen.
Maar Christus zal u weer tot Leven brengen, wanneer
Hij u zal opwekken op de vierde dag.

Reidans van Vreugde, Bethanië, want Christus komt tot u om
aan u een groot en ontzagwekkend Mysterie [RK. Wonder] te verrichten:
Hij zal de dood  in boeien slaan en als God van het heelal
zal Hij Lazaros opwekken die gestorven is en zijn Schepper verheft.

“Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest”,

U bezing ik, in Wezen Éne, beginloze Drieheid,
Heilige en ongedeelde Eenheid, ‘Oorsprong van alle Leven’
U, de door niemand voorgebrachte Vader;
U, Woord en Zoon uit de Vader;
en U, Heilige Geest.
red ons, die u in hymnen bezingen.

“ Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen”.

Uw moederschap gaat het begrip taboven, Moeder God’s, want
zonder man hebt u ontvangen, maagdelijk hebt u gebaard, en
het Kind is God.
Hem verheffend, prijzen wij u zalig.

     Eer aan U, onze God, eer aan U.
Komt, laten wij ons voorbereiden om de Heer
tegemoet te gaan met de palmtakken van onze deugden.
Dan ontvangen wij Hem in onze ziel
als in de stad Jerusalem, terwijl
wij Hem aanbidden en bezingen.

Apolytikion van de Profetie
tn.5 “ De Maagd, die U gebaard heeft, hebt U ons geschonken als onoverwinnelijke muur:
ontruk door haar onze zielen aan de aanvallen die ons rondom bedreigen.

Prokimen uit Psalm 108
tn.8.    Help mij, Heer mijn God, en
red mij volgens Uw Barmhartigheid
”.

God blijf niet zwijgen bij mijn lofzang, want de mond van zondaar en bedrieger is wijd tegen mij geopend:
zij strijden tegen mij zonder reden.

Hij vervolgde armen en bedroefden en
[degenen] van wie het hart gebroken was bracht hij ter dood;
hij hield van vervloeking: deze zal over hemzelf komen;
hij wilde geen zegen: deze zal ver van hem blijven.

U Heer, doe met mij volgens Uw Naam, want
goedertieren is Uw Barmhartigheid; bevrijd mij, want
wat ik ben bedroefd en arm,
mijn hart is beangst in mijn binnenste.

Profeet Isaiah & de cherubijn – Προφήτης Ησαΐας & Χερουβείμ – إشعياء النبي والملاك

    Hij zegt dan: Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om
de stammen van Jaäcob weer op te richten en de bewaarden van Israël [de Kerk] terug te brengen;
Ik stel u tot een licht der volkeren, opdat Mijn Heil zal reiken tot het einde der aarde. 
Zo zegt de Heer, Verlosser van Israël [de kerk], zijn Heilige,
tot de diep verachte, de bij het volk verafschuwde, de knecht van heersers:
Koningen zullen dit zien en opstaan; vorsten, en zich neerbuigen,
ter wille van de Heer, Die getrouw is, de Heilige van Israël  [de Kerk], Die u [uit-]verkoren heeft.
Zo zegt de Heer:
    Ten tijde van het welbehagen heb Ik u verhoord, en
ten dage van het Heil heb Ik u geholpen;
Ik zal u behoeden en u stellen tot een verbond voor het volk om het land weer te herstellen, om verwoeste eigendommen weer tot een erfdeel te maken,
Om tot de gevangenen te zeggen: Gaat uit!
tot hen die in de duisternis zijn: Komt te voorschijn!
Aan de wegen zullen zij weiden, op alle kale heuvels zal hun weide zijn;
Zij zullen hongeren noch dorsten, woestijngloed noch zonnesteek zal hen treffen,
want hun Hij, Die Zich over hen Ontfermt,
zal hen leiden en hen voeren aan waterbronnen

Isaiah 49: 6-10.

Harp van David

    De Heer zegt tot mijn Heer: zit neer aan mijn rechterhand.
Opdat Ik uw vijanden make tot een steun onder uw voeten.
Een scepter van Kracht zal de Heer u zenden vanuit Sion: heer, temidden van uw vijanden.
Bij U is heerschappij op de dag van uw kracht, in de stralende luister van uw heiligen.
Uit de schoot heb ik U voortgebracht vóór de morgenster.
De Heer heeft gezworen, onveranderlijk: Gij zijt de priester in eeuwigheid, volgens de orde van Melchisedek.
De Heer is aan uw rechterhand; Hij verbrijzelt koningen op de dag van Zijn toorn.
Hij oordeelt de volkeren, maakt talrijk de gevallenen; de hoofden van velen verplettert Hij op de grond.
Uit een beek onderweg zal Hij drinken, en dan het hoofd verheffen
Psalm 109[110] vert. ROK. ’s-Gravenhage

    Ik wil U belijden, Heer, uit heel mijn hart; in de raad der gerechten, op hun bijeenkomst. Groot zijn de werken des Heren, uitgelezen naar al Zijn welbehagen.
Belijdenis en luister is Zijn werk, Zijn Gerechtigheid blijft in de eeuwen der eeuwen;
Hij houdt ze in gedachtenis door Zijn  wonderen [Genadige Mysteriën].
Barmhartig en medelijdend is de Heer, Hij schenkt voedsel aan wie Hem vrezen; Zijn Verbond zal hij eeuwig gedenken.
De kracht van zijn werken verkondigt Hij aan Zijn volk, door hun het erfdeel der heidenen te schenken.
De werken van Zijn handen zijn Waarheid en Recht; getrouw zijn al Zijn geboden.
Zij zijn opgericht tot in de eeuwen der eeuwen, om te doen naar waarheid en recht.
Hij heeft bevrijding gezonden aan Zijn volk, voor eeuwig Zijn Verbond gehouden:
Heilig en ontzagwekkend [Groot] is Zijn naam.
Het begin van de Wijsheid is de vreze des Heren: goed begrip hebben allen die er naar handelen.
Zijn lof moge blijven tot in de eeuwen der eeuwen
Psalm 110[111] vert. ROK. ’s-Gravenhage


Rechtvaardigheid bij God,
de bedrieger onderkent dat ook hijzelf bedrogen is
.

Jaäcob met de dochters van Laban – by Louis Gauffier

    Toen zeide de Heer tot Jaäcob:
    Keer terug naar het land uwer vaderen en naar uw maagschap, en Ik zal met u zijn’. 
Daarop liet Jaäcob Rachel en Lea roepen naar het veld, bij zijn kleinvee, en zei tot haar:
    Ik bemerk, dat het gezicht van uw vader jegens mij niet is als gisteren en eergisteren, maar de God van mijn vaderen is met mij geweest.
Ook weet u zelf, dat ik met al mijn kracht uw vader gediend heb.
Maar uw vader heeft mij bedrogen en mijn loon tienmaal veranderd, doch God heeft hem niet toegelaten mij te benadelen.
Wanneer hij zei:
de gespikkelde zullen uw loon zijn, dan wierp al het kleinvee gespikkelde jongen; en
wanneer hij zei:
de gestreepte zullen uw loon zijn, dan wierp al het kleinvee gestreepte jongen.
          Zó heeft God de kudde van uw vader weggenomen en mij gegeven.
Het gebeurde eens in de tijd, toen het kleinvee bronstig was, dat ik mijn ogen opsloeg en ik zag in de droom, en zie,
         de bokken die het kleinvee besprongen, waren gestreept, gespikkeld en gevlekt.
En de Engel Gods zei tot mij in de droom: ‘Jaäcob’. En ik zei: ‘Hier ben ik’.
En Hij zei:
Sla toch uw ogen op en zie toe: al de bokken die het kleinvee bespringen, zijn gestreept, gespikkeld en gevlekt, want Ik heb gezien alles wat Laban u aandoet.
Ik ben de God van Betel, waar gij een opgerichte steen gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte gedaan hebt; welnu, maak u reisvaardig,  ga uit dit land weg en keer naar het land uwer maagschap terug.
Toen antwoordden Rachel en Lea en zeiden tot hem:
          Hebben wij nog deel of erfenis in het huis van onze vader?
Zijn wij door hem niet als vreemden geacht, omdat hij ons verkocht heeft? Ook heeft hij ons geld geheel en al opgemaakt.
Doch al de rijkdom, die God van onze vader weggenomen heeft, die behoort ons en onze kinderen; nu dan, doe al wat God u gezegd heeftGen.31: 3-16.

terugkeer uit de tempel en hereniging met zijn ouders, ets Rembrandt

Indien wij doen wat ons gevraagd wordt – terug te keren naar onze oorspronkelijke schoonheid, het evenbeeld van God, terugkeren naar het land van onze voor-Vaderen, onze verwantschap aan het Rechtschapene, het Goddelijke weer oppakken, dan zal God, de Boetseerder/de Schepper met ons zijn. De ascetische Genadegave omvat alle genadegaven en is de basis van het Christendom.
De navolging van Christus blijkt onlogisch – het is ons door onze Heer en Verlosser, Jezus Christus overgeleverd, als Pedagogie/levenswijze meegegeven. Het is de meest on-logische weg, die je voor jezelf maar in het leven kunt bedenken en daarom is het het meest waarachtige Geloof. Alle andere religies zijn logisch, terwijl het onze boven de logica uitstijgt. Wij zijn het niet die dit feit beoordelen, maar wanneer wij het aanvaarden, dàn schenkt het ons de innerlijke zekerheid van hèt Leven. Daarom is het Christendom in alle tijden en in alle omstandigheden een dwaasheid gebleken in de ogen van de wijsheid van deze wereld. De ascetische gehoorzaamheid aan het Geloof, het vuur waarmee wij gedoopt zijn en de wijze waarop wij aan dit Geloof vast blijven houden, bepaalt ons toekomstige Leven.
Naarmate we het einde van de Grote en Heilige vastenperiode naderen – bepalen wij zelf of wij de koers, die Christus heeft voorgehouden, die Hij heeft uitgezet, vast blijven houden.
Christus is onder ons, Hij is en zal zijn”, al de dagen van ons leven: “   Zijn Heil zal reiken tot het einde der aarde“.
Hij reist Zelf met ons mee op de pelgrimstocht van het leven en
zal ons ook daarna niet ‘los’ laten, maar zal ons begeleiden naar/in
het eeuwige Leven – hoe dat blijft een Mysterie en het is aan God, hoe dat zal worden ingericht.
Gods plan omarmt de hele geschiedenis en biedt redding voor iedereen.
De verlossing zal niet beperkt blijven tot de oude stammen van Jaäcob,
zelfs niet tot het overblijfsel van het oude Israël [de Kerk]:
En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo
dient ook de Zoon des mensen verhoogd te worden, opdat
een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven zal hebben.
Want alzo Lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon
gegeven heeft, opdat eenieder, die in Hem gelooft,  niet verloren zal gaan, maar eeuwig Leven zal hebben
John 3: 14-16.
God wil dat alle mensen gered worden, redding is niet beperkt tot een uitgelezen publiek
    Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen[, niet voor de hotemetoten en degenen, die het zo goed met zichzelf getroffen hebben], opdat alle mensen [, de gehele mensheid] een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid.
Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, Die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis van de Waarheid komen. Want er is een God en ook een Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, Die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen; en daarvan wordt getuigd te juister tijd1Tim.1-6.
Om dieper inzicht te krijgen in de pelgrimstocht op aarde, ‘die we tenslotte met Hem maken’, dienen we de Blijde Boodschap ieder dag, die God ons geeft, aandachtig te bestuderen.
Het leven van Onze Heer en Verlosser Zelf,
Isaiah, de Profeten en de levens van Heiligen en Martelaren
onthullen ons een middel of een manier waarop
wij genezing kunnen verkrijgen en als
waarachtig mens vrucht kunnen dragen
tot lof en eer aan God.
Door de geschiedenis heen hebben vele heilige asceten zich
op een vroegtijdig tijd-stip vernederd.

Christus maakte hen koning in hun rijk/
het leven zonder de wereld, waar zij zelf voor gekozen hadden.
De minderwaardige, de verschoppeling is inderdaad
de Koning der koningen, die boven alle koningen is.

Toen Christus van de Vader kwam, kwam Hij voor iedereen.
De Evangeliën leggen Zijn afwijzing van de wereld nauwkeurig vast,
Zijn Lijden, sterven en Opstanding/ Verrijzenis, maar we treffen tevens het objectief bewijs aan in de tweeduizend jaar daaropvolgende geschiedenis van Zijn Lichaam [de Kerk].
    Wij Christenen zijn als navolgers van Christus het zout der wereld;
indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmee zal de wereld dan gezouten worden? 
Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden.
Wij Christenen, zijn in Christus,  het licht der wereld.
Een stad God’s, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven.
Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar
op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn.
Laat daarom Christenen uw licht zo schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de Hemelen is, verheerlijken” conf. Matth.5: 13-16.
God’s Kracht is meer dan voldoende om  een ​​ieder van ons in staat te stellen
deze vastenperiode goed af te sluiten.

Zelfverloochening:
    ‘Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet Mijn wegen’ [zo] luidt het Woord des Heren.
‘ Want zoals de Hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en Mijn gedachten dan uw gedachten’Isaiah 55: 8,9.
                Hetgeen het meeste schokt is het afleggen van elk logisch begrip van
omwille van het Geloof in het gebod en dat wij onszelf daaraan overleveren.
We zien dat de strijd erin bestaat het goddelijk leven en de goddelijke Wil te ontdekken en wij ontdekken telkenmale dat wij daartoe niet toereikend zijn in de gevallen staat waarin wij ons bevinden.
wordt in wezen datgene wat van buitenaf dwaasheid lijkt, door het Geloof voor ons tot Wijsheid en  de reden dat wij de Kracht van God ontvangen.
Wanneer wij onze eigen wilsverlangens achterlaten, onze eigen gedachten en verlangens, dan leggen wij kleine en onbruikbare zaken af, doch wat ons in ruil daarvoor geschonken wordt is oneindig groot.
             De moed van de [opper-]toezichthouders en hun aanhangers zou hen in deze dienen te verheffen. De moeilijkheden in het ascetisch leven zouden – ‘hier en nu’ – vooral vermeld en gedragen dienen te worden door de [opper-]toezichthouder en zijn trawanten daar waar zij door zalving het Mysterie van de monniks- en hegoumen’s-wijding voltrekken.
Ons gehele aardse leven hebben wij de afgelopen decennia niet anders mee-gemaakt dan regelmatig overvallen te worden door de nacht der zonde, duisternis en dichte mist.
Maar omdat Onze Heer en Verlosser, de redder der mensheid is, heeft Hij ons als een kind – de dageraad Zijn Blijde Boodschap – openbaar gemaakt.
conf. 5e Ode, Grote Canon van Andreas van Kreta.

              De Kerk is Het Lichaam van Christus en daarin is: slechts “ Één Heilig, één Heer, tot Heerlijkheid van God, de Vader” en
daar kan geen mens iets aan veranderen.
Bidt daarom onophoudelijk voor de toekomst van het instituut van de Kerk, opdat zij in alle nederigheid in overleg met de navolgers van Christus voor altijd vrucht mag dragen.
♨︎ ➥ ♨︎           “ De ladder” van de heilige Johannes Climacos bevat het volgende verhaal:
Over Isidore [Gr. Ισόδωρος =Geschenk van God]
Een zekere heerser uit Alexandrië ging naar dat ideale coenobium dat Johannes in zijn boek voorstelt, om daar het monastieke leven te gaan leiden.
Nadat hij een week lang in het Klooster had doorgebracht en de enkelgelijke leefwijze van de vaders had gezien, vroeg de hegoumen hem of hij monnik wilde worden.
Verwaand en hard, zoals rijken gewoonlijk zijn, antwoordde hij hem dat hij zich aan hem overleverde, zoals ijzer is overgeleverd aan het aanbeeld van de smid. De herder van het coenobium was tevreden met dit voorbeeld en gaf hem een ascese.
Hij maakte hem poortwachter van het klooster en vroeg hem om een diepe buiging te maken voor ieder die daar inging en uitging, en hem om hun gebeden te vragen en te zeggen dat hij epileptisch was. Deze mens was niet epileptisch.
Logisch gezien lijkt dit een monsterlijk gebod, maar hij aanvaardde dit.
Hij deed zijn hart geweld aan en in het begin was het alsof hij bloed vergoot.
Doch na het verstrijken van één of twee jaar geloofde hij niet alleen wat hij zei, maar verwierf een nog nederiger gedachte. Hij boeg zijn lichaam naar omlaag en zijn gedachte nog lager, en beschouwde zichzelf geheel onwaardig voor de omgang met de heilige vaders van het klooster.
uit: Arch. Zacharias [Zacharou],
het zegelbeeld van Christus in het hart van de mens
uitg. Orthodox Logos, Tilburg [NL] 
.