12e Zondag na Pinksteren – De rijke jongeling en wie kan dan behouden worden?

        En zie, iemand kwam tot Hem en zei: ‘Meester, wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’.
          Hij zei tot hem: ‘Wat vraagt gij Mij naar het goede? Een is de Goede. Maar indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden’.
          Hij zei tot Hem: ‘Welke?’.
          Jezus zei: ‘Deze: Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, eer uw vader en uw moeder, en gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’.
          De jongeling zei tot Hem: ‘Dat alles heb ik in acht genomen; waarin schiet ik nog te kort?’.
         Jezus zei tot hem:

Heilige Marcos, de asceet – ‘Elke beproeving test onze wil en laat zien of tot het goede of kwaad is geneigd. Daarom wordt een onvoorziene verdrukking een test genoemd, omdat het een mens in staat stelt zijn verborgen wensen te testen‘.

‘Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben en kom hier, volg Mij’.
         Toen de jongeling [dit] woord hoorde, ging hij bedroefd heen, want hij bezat vele goederen.
Jezus zei tot zijn discipelen: ‘Voorwaar, Ik zeg u, een rijke zal moeilijk het Koninkrijk der hemelen binnengaan.  Wederom zeg Ik u, het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat’.
Toen de discipelen dit hoorden, waren zij zeer verslagen en zeiden: ‘Wie kan dan behouden worden?’.
Jezus zag hen aan en zei:
‘Bij de mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk’
Matth.19: 16-26.

Jezus Christus, Hij is gisteren en vandaag en tot in eeuwigheid DeZelfde.

      Ik maak u bekend, broeders, het evangelie, dat ik u verkondigd heb, dat gij ook ontvangen hebt, waarin gij ook staat, waardoor gij ook behouden wordt, indien gij het zo vasthoudt, als ik het u verkondigd heb, tenzij gij tevergeefs tot Geloof zoudt gekomen zijn.
Want voor alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: ‘ Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften en Hij is verschenen aan Kephas, daarna aan de twaalven. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. Vervolgens is Hij verschenen aan Jacobus, daarna aan al de apostelen; maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene.
       Want ik ben de geringste der apostelen, niet waard een apostel te heten, omdat ik de gemeente Gods vervolgd heb. Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben, en Zijn Genade aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de Genade Gods, die met mij is.  Daarom dan, ik of zij, zo prediken wij, en zo zijt gij tot het Geloof gekomen1Cor.15: 1-11.

De strekking van de leer van de Blijde Boodschap van vandaag is:
Wie kan dan behouden worden? &   Ik ben de geringste, de grootste zondaar!’ , want slechts door de Genadegaven van God zijn wij tot het Geloof in Christus gekomen”.

 Keizer Julianus de Afvallige [331 – 363 na Chr.] spreekt al eeuwenlang tot de verbeelding van menigeen. Hij was namelijk de laatste ‘heidense’ keizer van het Romeinse Rijk. Tijdens zijn korte, maar veelbewogen regeringsperiode, heeft hij actief geprobeerd de opmars van het Christendom in de kiem te smoren. Even ten noorden van Rome, bij de zogeheten Milvische Brug verdedigde Maxentius de eeuwige stad ‘Rome’ en de aanvaller en overwinnaar is de geschiedenis ingegaan als ‘Constantijn de Grote‘.
Zijn zege maakte deze Constantijn tot alleenheerser van het westelijke deel van het Romeinse Rijk, maar de legende heeft de betekenis van zijn zege nog vergroot: ‘de keizer zou vlak voor de veldslag een visioen hebben gehad die hij heeft uitgelegd als een oproep Christen te worden’. Historisch klopt daar maar weinig van, uiteindelijk zou de Kerk blij zijn geweest verlost te zijn van het Byzantijnse juk – de macht der politici heeft de Kerk immers nooit goed gedaan; ook in onze tijd niet.  Al tijdens het bewind van Julianus de afvallige bleek deze over een verblindend inzicht te beschikken en trachtte de oorspronkelijke leer naar zijn hand te zetten.

Liefdadigheid, door François Bonvin [1851]

 In het begin van de middeleeuwen ontstonden er in het westen opvanghuizen voor daklozen en passanten, welke veelal vanuit godsdienstig oogpunt door rijke lieden werden opgezet. Dit soort weldoeners waren tot het inzicht gekomen dat geld en goederen niet lonen en stelden zich een leven zonder rijkdom en luxe voor ogen. Zo heb je in Utrecht in een monumentaal pand nog steeds het het Bartholomeus Gasthuis aan de Lange Smeestraat en in Brugge het Juliaansgasthuis aan de Boeveriestraat, welke door enkele ‘geestelijke dochters‘ uit Atrecht onder de hoede van de H. Maria Aegyptiaca stonden. Vanaf 1290 kregen ze hiervoor financiële steun van de stad Brugge, maar kregen daarbij tevens twee voogden die namens de stad een oogje in het zeil hielden. In dezelfde straat bevond zich een opvanghuis voor behoeftigen, onder de patroonsnaam van Sint-Juliaan. In 1305 nam het stadsbestuur het initiatief om beide instellingen te verenigen in het huis van de ‘geestelijke dochters’ maar onder de naam ‘Sint-Juliaans‘ en onder de leiding van ‘de Meester’ van Sint Juliaans, die het bewind voerde.
 In onze tijd herkennen wij hetzelfde proces aan het begin van de 20e eeuw hadden we de armenwet, welke ontstond uit het liefdadigheidswerk van de kerken, welke na de 2e wereldoorlog overging in de Algemene Bijstandswet, een ‘vangnet’ voor alle hulpbehoevenden. Ook hier zie je de invloed van de overheid, die na de werkelijke opvang van hulpbehoevenden dusdanig op de uitgaven beknibbelt, dat Caritas [van het Lat. ‘carus‘ = duur, dierbaar], welke ten onrechte in verband wordt gebracht met het Griekse [‘charis‘ = genade] of liefdewerk [‘oud papier’] in onze tijd weer doet opkomen.
 Ik herinner me nog het blokje eikenhout, wat in de kerkbanken werd doorgegeven, na afloop van de officiële collecte met twee gaatjes erin – ‘voor kerk en armen‘; wie hier nu het meeste voordeel uit behaalde weet ik niet; wel weet ik dat de Caritas in Utrecht een zeer rijk en machtig financieel gebeuren was, welke het liefdadigheidsbewind voerde. Ook hier zaten de rijken en notabelen weer aan de stuurknuppel en besloten wie al dan niet in aanmerking kwamen.
In deze tijd van transparantie, waarbij de waarheid [en van alles] boven tafel komt, behoeft het in deze ons niet te verrassen of ons wantrouwen op te roepen – ook in onze tijd blijken de heren bestuurders er -maar al te vaak- een dusdanig leventje op na te houden dat je de rijkdom en de daarbij behorende glorie als vanzelfsprekend zou gaan verachten. Zij scoren namelijk enorm op de maatschappelijke ladder en uit Christus Woord valt op te maken dat dit soort vooraanstaande en leidinggevende mensen het maar moeilijk hebben Gods geboden te onderhouden; ze hebben ons gebed dus hard nodig.

De Goddelijke Waarheid

Maar de Goddelijke Waarheid is niet onnodig verrast, laat hierin geen gebrek aan gevoel of vertrouwen de kop op steken, want we beschikken immers over talloze heiligen als voorbeeld, die de rijkdom en glorie hebben veracht en de goddelijke perfectie wel degelijk bereikt hebben.  Tevens zijn er mensen uit hoogstaande kringen bekend, die zich onder de goddelijke leiding hebben laten meevoeren en zich wel degelijk aan Zijn geboden hebben gehouden, veelal door ‘bewust‘ afstand te doen van datgene wat hen in de schoot werd geworpen.
Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden!”. 

Zoals we vandaag zien laat dit onze Heer niet koud, want Hij ziet dat de mens het ernstig meent. Hij acht mensen in staat de grote beslissing te nemen en wil hen graag opnemen in de groep van rondtrekkende leerlingen. Hij zegt tegen ons – maar met ander woorden: ‘vraag niet naar het eeuwig leven, doe alleen díe stap die je weg een bijzondere inhoud kan geven; doe het op jouw manier, op jouw niveau’. ‘Kom en trek op die manier met Mij door je land, zet je maar op jouw manier in voor het heil en het welzijn van de mensen. Op díe bijzondere manier heb ik je nodig, wees een vrij mens, beschikbaar, flexibel en open voor de steeds wisselende situaties van de mensen, die jou steeds maar weer gaan ontmoeten.
Het is duidelijk dat de jongeman uit de Blijde Boodschap van vandaag ècht op zoek is naar de zin die z’n leven zou kunnen hebben. Hij wil niet langer genoegen nemen met datgene wat voor handen is. Hij zoekt naar iets – wat met zijn mogelijkheden – de moeite waard is, wat naar een hoger doel leidt.
Hij zoekt eigenlijk naar iets wat hij al heeft, hij is rijk, hij heeft talenten en wordt daarmee gerespecteerd; hij is immers een fatsoenlijk mens. En als aanvulling zoekt hij bovendien wat de Heer bedoelt met het Rijk Gods.
Maar Christus stelt zijn religieuze bezitsdrang niet ten voorbeeld door er nog meer bezit aan toe te voegen, maar door zijn bezit te vervangen door andere rijkdom. Hij vult datgene wat een mens heeft niet aan met hoogstaande tot aan de hemel reikende waarden, maar hij wil een nieuwe dialoog, een nieuwe gerechtigheid tussen mensen, die over vanzelfsprekende talenten beschikken en zij die wat minder bedeeld zijn.
Deze jongeman is rijk aan geld, bezittingen, macht en weet niet hoe hij dat mèt z’n naasten zou kunnen delen. Een ander mens is rijk aan andere talenten, die hij weliswaar heeft maar eveneens onbenut laat.

➥➥➥ Christus Lichaam [de Kerk] heeft behoefte aan personen, die waarachtig ‘in de apostolische opvolging‘ staan, aan ‘werkelijke‘ profeten, die durven te zeggen waar het op staat, aan ‘werkelijke‘ mensen, die in woord en de daarop volgende daad ‘het Christelijk Geloof’ verkondigen door de manier waarop ze leven; als ‘werkelijke‘ herders, die hart ‘op de juiste plaats‘ hebben voor hun schapen, en tenslotte aan ‘werkelijke‘ leraren, die door woord, geschrift of beeld [iconen] Gods Blijde Boodschap verkondigen en uitdragen.
Er is dus geen twijfel mogelijk en Christus geeft in Zijn leer van de Blijde Boodschap ook aan dat ‘volmaaktheid‘ maar moeilijk te bereiken is voor de mens, het blijkt echter mogelijk en gemakkelijk te worden gemaakt door de gratis Genadegaven, van de Heilige Geest, die ons bergen laat verzetten, zoals Christus het zelf aangeeft: “    Bij de mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk”.

Wanneer die rijke jongeling zich als gelovig beschouwt en verkondigt:
“ dat hij immers in Christus gelooft “, vraagt Hij opnieuw aan hem, maar nu op een andere wijze: “ Waarom noem je Mij goed” alsof Hij hem in andere woorden duidelijk probeert te maken: “Geloof je dan niet dat Ik [de Zoon van] God ben, Waarom noemt je Mij goed? Niemand is goed dan God alleenMarc.10: 18-19.
Christus weigerde hem dus gewoon tegemoet te komen onder de titel dat degenen die niet geloven het alleenrecht bezitten om het goede te doen.
Niet iedereen, die “Heer, Heer zegt zal het Koninkrijk der Hemelen binnengaan, maar degenen, die de werken Gods doen“. Hij zegt in feite: “Doe gewoon het werk dat ik van je verlang, het werk in de wijngaard [zie volgende week]”, want op die wijze wordt iedereen getoetst wat z’n persoonlijke oprechtheid aangaat.
Hij gebruikt de Joodse geestelijken niet alleen als aanspreektitels, maar ook de koning, de keizer en de honderdman . . . . . om hen duidelijk te maken dat dit soort lieden niet de enigen waren, die slechts door God worden uitgenodigd.
Christus geeft in de Blijde Boodschap ‘alle‘ vermoeide mensen een advies. “Komt allen tot Mij die belast en beladen zijt, Ik zal u verlichting schenken“. Maar direct daarachter zegt Hij: “Neem Mijn juk op en volg Mij!” De Heer ‘Jezus Christus Zelf‘ is Gods weg tot het Hemels Koninkrijk en de enige manier om gered te worden is om Christus in je hart en ziel persoonlijk door je Geloof te ontvangen als zijnde jouw persoonlijke Verlosser en dit in je huidige omgeving te realiseren.
”     Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.  Indien gij Mij zou kennen, zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt gij Hem gezienJohn14: 6,7.

1.].
      Wij weten allemaal dat een juk bedoeld is om zware lasten te dragen. Maar waarom zouden wij zware lasten op onze schouders nemen? De tijdgenoten van Jezus wisten wat Christus met dat juk bedoelde. Waren de geestelijke en wereldse wetten langzamerhand geen ondraagbaar juk geworden? Wetten die bedoeld waren om het leven wat overzichtelijker en lichter te maken, waren omgebogen tot ondraaglijke lasten. Velen dreigden er aan onder door te gaan.
Onze Heer zegt: “Hun lasten neem Ik over!” Maar een leven zonder juk belooft Hij ons niet. Niet de wetten maken mensen vrij, maar de onderlinge saamhorigheid, de wederzijdse Liefde, die van twee kanten dient te komen. Niet door dit te verkondigen en vervolgens je ‘oude vertrouwde‘ leventje weer voort te zetten – zonder ‘werkelijke‘ aandacht.
Neen, de Heer zegt: “ Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapenJohn.10: 11. “      “Wie van u overtuigt Mij van zonde? Als Ik de Waarheid spreek, waarom gelooft gij Mij [dan] niet?John.8: 46.
Christus was bekend met de uiterlijkheden van de rijke notabelen en hun liefdesbesef met de daarbij behorende waardigheid, die de mensen hen als hoogstaande personen dienden te betonen, alsof onze Heer en Zaligmaker door dit antwoord hen wilde overtuigen hun hart te zuiveren van de liefde voor hun rijkdom en de daaraan verbonden ijdelheid door zich op hun waardigheid en titels te beroepen.

2.]. Wat is het verschil tussen de realisatie van het eeuwige leven en het verwezenlijken van goddelijke volmaaktheid?
Het blijkt uit de woorden van de Heer, ”     Maar indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de gebodenMatth.19: 17 en van Paulus, ”     Want er is geen aanzien des persoons bij God. Want allen, die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder [liefdes-] wet verloren gaan; en allen, die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de [liefdes-] wet geoordeeld worden; want niet de hoorders der wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd wordenRom.2: 11-13.

‘Ascese’ = beoefening van een zuivere levenswandel

Het behoud als gevolg van de goddelijke geboden redt degenen die werkelijk in Christus geloven en die Hem ‘werkelijk‘ metterdaad volgen op de weg naar het  eeuwige leven.  Echter, hun zogenaamde verheven volmaaktheid, brengt hen geen stap verder op de weg naar het Hemels Koninkrijk.
      Uw hart zal niet ontroerd worden; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weerom en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben. En waar Ik heenga, daarheen weet gij de wegJohn.14: 1-4.
M.a.w jullie weten donders goed wat het grootste gebod van Mijn Vader is en wanneer je op die liefdevolle wijze door het leven gaat, zul je de beloofde schat in de Hemelen verwerven, want iedere geestelijke schat, die je op aarde in liefde verwerft, zal je in de Hemel tienvoudig, honderdvoudig terug ontvangen. Maar zoals jullie je -hier en nu- gedragen bereik je alleen je eigen genoegens en de mensen hebben dat heus wel door.
De waarachtige Blijde Boodschap houdt in dat het werk wat jij voor de andere -meestal minder bedeelde mensen- hebt gedaan jou ‘werkelijk‘ in staat zal stellen jezelf tot in de hoogste Hemelen
te verheffen. De [liefdes-]geboden hebben een geestelijke verborgen waarde behouden en wanneer ‘die‘ niet behouden wordt , maar geschonden heeft dit kommer en kwel tot gevolg, geestelijke kwelling. Hoewel de rijke jongeling een perfecte volgeling van Christus meende te zijn, kwam hij te kort wat betreft de diepgang – want de goddelijke perfectie vraagt om ascese. Ascese [Gr: ἄσκησις] is het streven naar of het beoefenen van een reine levenswandel door de eigen hartstochten en begeerten te beteugelen en zelftucht toe te passen, de onthouding van alle zingenot ten behoeve van God en de naasten.

in de greep van het geld

3.]. Waarom zal een rijke moeilijk het Koninkrijk der hemelen binnengaan?
Christus zegt, “ Uit liefde voor het geld” die zo’n beetje al de mensen, die zich in weelde verkeren, henzelf tegelijkertijd tot slaaf van hun leven maakt.
Degenen die veel hebben maken zich druk om nòg méér geld/goederen/macht te verkrijgen ten koste van de naasten; terwijl degenen, die haast niets of zeer weinig hebben niet tot slaaf verworden, maar zelfs vindingrijk zijn om hun hoofd boven water te houden en hen niet tot slaven van het beoogde maakt.
De lust voor het grotere, het geld, de goederen en de macht maakt mensen armoedig van hart. 
Hierbij maakt het voor onze Heer meer tot vreugde en wenselijk wanneer de mens in al z’n eenvoud, inzicht heeft in z’n zwakke punten – als antwoord z’n rijkdom/bezittingen en bij machte is de beslissingsbevoegdheid over te dragen aan de anderen. Aangezien de rijke jongeling hiertoe niet in staat was – hij had veel geld/goederen en macht ging hij stil en verdrietig heen en vervolgde zijn aloude weg. Hij ontkent datgene waar de Heer 
met vreugde en verlangen naar uitkijkt,
en dat is dat hij zijn talenten gebruikt ‘ten dienste‘ van anderen in plaats van aan de eigen inzichten vast te houden. Je eigen zwakheden maar gewoon te accepteren, door de zaal te verlaten en geen antwoord te geven op de vraag, die aan je gesteld wordt.  Zwijgen en weglopen is een zwaktebod en laat blijken dat je niet van plan bent ook maar iets van je plannen te wijzigen, ook maar een cent toe te geven.

Tempel en troon, verontrusting

4.]. Waarom zijn dit soort volgelingen verontrust en blijven ze arm en behoeftig?
Omdat ze het idee hebben [Machts-]schade te ondervinden ten behoeve van het Heil van anderen; ja, zij hebben zelfs het idee dat ze een lijzaam leven leiden, omdat zij een zeer groot mededogen zouden hebben jegens hun naasten en voelen zich tegelijkertijd boven hen verheven, omdat zij het ‘beter’ weten en de minderbedeelden zelfs nog wat van hen zouden kunnen leren. In feite zijn zij ontzettend bang en omringen zich met geld, goederen en macht om hun wereldje te beheersen en onder controle te houden, zij beven en vrezen voor de wereld.
De Heer der Heerscharen geeft hen echter een geheel tegenstrijdig  antwoord en verzekerd hen dat zij met onmogelijke dingen bezig zijn en dat het wanhopig handhaven van hun positie hen doet afzien als gevolg van de onmogelijke ideeën die zij hebben, maar dat het doel van het leven is: ‘God te dienen en je naasten met hart en ziel [‘werkelijk’] te beminnen als jezelf‘.
We kunnen ons natuurlijk afvragen wat dit verhaal ons nu nog -hier en nu- te zeggen heeft. Wij leven immers in een westerse geïndustrialiseerde wereld.
Het is gewoon een feit dat niemand van ons -ook al is hij/zij nog zo’n in overeenstemming met z’n principes levende christen- alles verkoopt wat hij heeft en de opbrengst aan de een of andere caritatieve organisatie schenkt, om vervolgens zonder geld, zonder bezit, zonder vooruitzichten, waaronder de  ouderdomsvoorziening, zonder ziektekostenverzekering, zonder woning en zonder beroep te gaan leven volgens de richtlijnen, die hij vandaag via onze Heer gehoord heeft.
Ik zou dat ook niet doen en zou er bovendien zelfs totaal ongeschikt voor zijn.
Ik kan me niet voorstellen dat ik het met 50 asceten zou moeten kunnen vinden in plaats van mijn éne, liefhebbende echtgenote; ik zou me niet aan een dergelijk veelomvattend regiem kunnen aanpassen. Ik ben blij dat ik het met één persoon red, laat staan met vijftig !!!
Wat hebben wij dan eigenlijk met deze confrontatie te maken?
We dienen ons -in onze tijd eens af te vragen, wat ons belet doorslaggevende beslissingen te nemen, die even fundamenteel zijn. We zouden dan misschien begrijpen waarom de vraag naar de zin van ons leven vaak onbeantwoord blijft in een rijke en onverzadigbare omgeving.
Wanneer Paulus wil bewijzen dat hij een apostel is, vertelt hij dat hij niet één stad voor Christus gewonnen heeft, maar wijd en zijd in de wereld de Blijde Boodschap, Gods evangelie verkondigd heeft. En ook dat hij niet gebouwd heeft op het fundament van iemand anders, maar dat hij kerken geplant heeft waar de Naam van de Heer nog totaal onbekend was. ”  Paulus, door de Wil van God een apostel van Christus Jezus, en Timoteus, de broeder, aan de gemeente Gods, die te Corinthe is, met al de heiligen in geheel Achaje2Cor.1: 1.
Achaje  [Gr. Αχαΐα Achaïa; Lat. Achaea] betekent ‘narigheid‘,  het was politiek georganiseerd als een verbond van vrije steden, een Grieks genootschap, bekend als Achaeïsche Bond, die de eigenmachtig de heerschappij probeerde te voeren”.    Want dit is onze roem, het getuigenis van ons geweten, dat wij in heiligheid en reinheid Gods, niet in vleselijke wijsheid, maar in de Genade van God, in de wereld verkeerd hebben, in het bijzonder ten opzichte van u2Cor.1: 12.

– Het Licht zien –

Herders en leraren hebben in de Kerk een gewone taak, het is niets om over naar huis te schrijven en prat op te gaan. Apostelen, profeten en evangelisten heeft de Heer aan het begin van Zijn Rijk laten opstaan en die laat Hij ook tegenwoordig zo nu en dan nòg steeds opstaan als de tijden dàt nodig maken.
”     Zalig de Zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven. Zalig die hongeren en dorsten naar de Gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. Zalig de Barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden. Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zienMatth.5: 5-8.

Apolytikion     tn.3.
Dat hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen
want de Heer  heeft de Kracht van Zijn arm getoond.
Door Zijn dood heeft Hij de dood vertreden
en werd Hij de Eerstgeborene uit de doden.
Hij heeft ons verlost uit de diepten der hel
en aarde wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.3.
Heden zijt Gij, Barmhartige, opgestaan uit het graf,
en hebt ons verlost uit de poorten des doods,
Heden jubelt Adam en Eva verheugt zich;
en de Profeten en Patriarchen bezingen zonder einde
de Goddelijke Macht van Uw Heerschappij
”.

Theotokion     tn3.
Gij zijt Middelaarster geweest bij de Verlossing van ons geslacht,
daarom prijzen wij U, o Moeder Gods en Maagd.
Want in het vlees dat Hij aannam uit uw schoot,
heeft uw Zoon, onze God,
het lijden van het Kruis ondergaan.
En heeft Hij ons uit het verderf verlost
als de Menslievende
”.

11e Zondag na Pinksteren – Zondag van de onbarmhartige slaaf [dienaar] – oordelen en veroordeeld worden, geven en vergeven worden.

De onbarmhartige schuldenaar

    Daarom is het Koninkrijk der Hemelen te vergelijken met een koning, die afrekening wilde houden met zijn slaven.
      Toen hij begon te rekenen, werd een voor hem geleid, die tienduizend talenten schuldig was. Omdat hij niet bij machte was te betalen, beval zijn heer hem te verkopen, met zijn vrouw en kinderen en al wat hij bezat, opdat er betaald kon worden. De slaaf wierp zich als smekeling ter aarde en zei: ‘Heb geduld met mij en ik zal u alles betalen’.
De heer van die slaaf kreeg medelijden met hem en hij liet hem vrij en schold hem de schuld kwijt.
      Toen die slaaf wegging, trof hij een zijner medeslaven aan, die hem honderd schellingen schuldig was, en hij greep hem bij de keel en zeide: Betaal wat gij schuldig zijt. De medeslaaf nu wierp zich voor hem neer en bad hem dringend, zeggend: ‘Heb geduld met mij en ik zal u betalen’. Doch hij wilde niet, maar ging heen en zette hem gevangen, totdat hij het verschuldigde zou betaald hebben.      Toen nu zijn medeslaven zagen, wat er gebeurd was, werden zij zeer verdrietig en gingen hun heer al wat er gebeurd was, mededelen.
      Toen ontbood zijn heer hem en zeide tot hem: ‘Slechte slaaf, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, daar gij het mij dringend hadt gevraagd. Hadt ook gij geen medelijden moeten hebben met uw medeslaaf, zoals ook ik medelijden had met u?’.      En zijn meester werd toornig en gaf hem in handen van de folteraars, totdat hij hem al het verschuldigde zou betaald hebben.
      Alzo zal ook mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet, een ieder zijn broeder, van harte vergeeftMatth.18: 23-35.

de Genade en Vrede van God en van onze Heer Jezus Christus

      Genade zij u en Vrede van God, onze Vader en van de Heer Jezus Christus. Ik dank God te allen tijde over u, vanwege de Genade Gods, die u in Christus Jezus geschonken is; want in elk opzicht zijt gij rijk geworden in Hem: in alle woord en alle kennis, gelijk het getuigenis aangaande Christus onder u bevestigd is, zodat gij ten aanzien van geen enkele Genadegave te kort komt, terwijl gij uitziet naar de Openbaring van onze Heer Jezus Christus.
Hij zal u ook bevestigen ten einde toe, zodat gij onberispelijk zult zijn op de dag van onze Heer Jezus Christus1Cor.1:3-9.

Uit den Hoge zijt Gij neergedaald, Barmhartige om ons van het lijden te bevrijden”.

Wanneer je de Pedagogie Christus opneemt als richtlijn voor jouw leven – worden er je dwingend diepgaande begrippen onder de aandacht gebracht.  Soms ontmoeten we vragen welke voortkomen uit de gedachten van anderen, zoals vandaag de apostel Petrus, degene die Hem heeft beleden als zijn Koning en God. Herinner je het Mysterie van de [Orthodoxe] doop, waarbij je tevens hebt verklaard dat je jezelf bij Christus hebt aangesloten.
    Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.
            Toen kwam Petrus bij Hem en zei: ‘Heer, hoeveel maal zal mijn broeder tegen mij zondigen en moet ik hem vergeven? Tot zevenmaal toe? Jezus zei tot hem: ‘Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zevenmaalMatth. 18: 22-23.

Vertrouwen op Gods Genadegaven

God vernedert Zichzelf en komt als Barmhartige tot ons om ons van ons lijden te bevrijden. God wil gewoon niet dat wij mensen, maaksel van Zijn hand, voor Hem verloren gaan en zeker niet wanneer het om onderlinge verhoudingen gaat.
God is Liefde en Hij verwacht dat Zijn kinderen op dezelfde wijze met elkaar omgaan.
      Zo bestaat bij uw Vader, die in de Hemelen is, de Wil niet, dat een van deze kleinen verloren gaat. Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen. Indien hij naar u luistert, hebt gij uw broeder gewonnen. Indien hij niet luistert, neem dan nog een of twee met u mede, opdat op de verklaring van twee getuigen of van drie elke zaak vaststa. Indien hij naar hen niet luistert, zeg het dan aan de gemeente. Indien hij naar de gemeente niet luistert, dan zij hij u als de heiden en de tollenaarMatth. 18: 14-17.

Er blijkt dus voor ons mensen, wie we ook zijn, een noodzaak te bestaan jezelf te vernederen teneinde van binnen – in ons hart – een diepgaand begrip te krijgen wat ons nu eigenlijk werkelijk beweegt:  Soms komen we wezenlijke vragen tegen die voortkomen uit onze gedachten of vragen, die anderen ons stellen, teneinde inzicht te krijgen in datgene wat ons verheft of vernedert; het kan immers zo maar het tegenovergestelde zijn dan wij voor ogen hebben en onszelf méér kwaad dan goed doen.
1.]. “Gij zult naast God uw naaste liefhebben als uzelfMatth.22: 39.
God, Die de mensen liefheeft vraagt ons eveneens liefde op te brengen voor de ander, wie dat ook mag zijn.
Christus heeft ons tevens gezegd: “Niet allen vatten dit Woord, alleen zij, aan wie het gegeven is. Er zijn immers gesnedenen, die zo uit de moederschoot geboren zijn, en er zijn gesnedenen, die door de mensen gesneden zijn, en er zijn gesnedenen, die zichzelf gesneden hebben, ter wille van het Koninkrijk der hemelen. Die het vatten kan, die vatte hetMatth.19: 11,12.

Laat de kinderen tot Mij komen” Luc.18: 16

Vervolgens roept hij de kinderen bij zich.
Een kind is namelijk onbevooroordeeld, is onpartijdig, heeft zich voorafgaand nog geen mening gevormd; zij staan ‘open’ voor veranderingen.
2.].  Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijnLuc. 14: 26.
Is het hier eveneens God, Die ons vraagt te haten?          
Bij een oppervlakkige weergave van teksten ontdek je hoe er vanuit een bepaalde manier waarop iemand iets waarneemt een tegenspraak kan ontstaan; echter een ‘juist‘ begrip zal ons aantonen, dat deze teksten elkaar aanvullen en niet tegenstrijdig zijn. Want God is goed en Hij doet wonderen en alleen Hij heeft de redding van alle mensen en het bereiken van het Hemels Koninkrijk voor ogen. God heeft echter een inzicht op hoger niveau, Hij overziet de menselijke eenvoud en streeft naar een leeromgeving waar Zijn volgelingen uitgerust worden met vaardigheden op meerdere niveaus.
God heeft het totaal niet nodig om verwantschapsverhoudingen te sussen ten koste van de eenvoudigen, noch de relatie tussen familieleden te bevestigen ten einde het eeuwige Heil te bereiken. Hoewel Hij ogenschijnlijk onenigheid oproept, vraagt hij ons om onszelf als mens te haten en elk verlangen naar het kwaad te veroordelen, niet onze aardse gehechtheid aan te tonen, en niet langer de grillen van onze ziel te volgen, maar de positie in te nemen van een eerlijk en oprecht zelfbewustzijn, m.a.w. zelfbestuur. Hij vraagt ons om kritisch ten opzichte van onszelf te zijn en nederig van hart. In deze geven deze ogenschijnlijk tegenstrijdige verzen ons een inzicht in het zelfde, maar vanuit een verschillende windrichting, een hoogstaand geestelijke niveau.

de tegenstrever

De tegenstrever gebruikt dit soort tegenstrijdigheden eveneens als wapen om de mensheid op het verkeerde been te zetten.
Het bewijs hiervan tekent zich al af wanneer onze Heer en Meester Zich zojuist door Johannes de Doper heeft laten bevestigen, door degene met de stem, die roept in de woestijn: “  Bereidt de weg des Heren, maakt recht Zijn padenMarc.1: 3.

Verzoeking van de Heer

De satan wordt namelijk geconfronteerd met de Heer der Heerlijkheden, Die Zijn Goddelijkheid inborst in het verborgene draagt, het Mysterie van de menswording. Dit verstoort de duivel en trekt hem aan tot tegenactie.
De aan de aarde gebonden en in de war gebrachte mens probeert hij te verleiden met een heel aantrekkelijk menselijk argument:
Indien je zo verheven bent; indien je kind van God bent”.
Dit geeft de boosaardigheid van de satan weer, hij streelt de mens in z’n vermeende verheven positie, in de positie, die hij zichzelf ‘eigen’ heeft gemaakt, zich verheven te voelen boven de ander.
De duivel verstoort verlossing zoals deze tot Christus zei: “ Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelf dan naar beneden; er staat immers geschreven: Aan zijn engelen zal Hij opdracht geven aangaande u, en op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot”.
Maar Jezus zei tot hem: “Er staat ook geschreven: Gij zult de Heer, uw God, niet verzoekenMatth.4: 6,7. En Marcus zegt dan: “    Hij was bij de wilde dieren [in de woestijn] en de engelen dienden Hem.    En nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea om het Evangelie van God [de Vader] te prediken en Hij zei:  ‘De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het Evangelie’Marc.1: 13-15.
De Liefde Gods werd door de tegenstrever aangerand, de satan probeerde de Heer te misleiden, Die ons een juist begrip bijbrengt van de Blijde Boodschap.
Je kunt niet zo maar een bijbels begrip uit z’n verband rukken. Teneinde inzicht te krijgen in de Blijde Boodschap dien je deze van kaft tot kaft bestuderen. Het belangrijkste is de geest van het geheel en niet een eenzame tekst, want:
    als medewerkers [Gods] vermanen wij u ook de Genade van God niet tevergeefs te ontvangen, 
want Hij zegt: ten tijde van het welbehagen heb Ik u verhoord en ten dage van het heil ben Ik u te hulp gekomen; zie, nu is het de tijd van het welbehagen zie, nu is het de dag van het Heil.
       Wij geven in geen enkel opzicht enige aanstoot, opdat onze bediening niet gesmaad zal worden, maar wij doen onszelf in alles kennen als dienaren van God2Cor.6: 1-4a.

We bedoelen -hier- letterlijk
de Liefde tot God en tot de medemens, de naasten; het gaat om de inhoud van de Goddelijke Boodschap en niet
om het een of andere door de wereld gedefinieerde studie of de wetenschap van het menselijk lichaam.
Het voor ons geopenbaarde is niet zo eenvoudig en wordt ons niet zo maar terloops eventjes gezegd, maar het biedt ons een door God georkestreerde mogelijkheid. Ons wordt een mogelijkheid aangeboden welke ons gunstig en positief beïnvloedt – het openbaart ons de twee wijzen waarop wij grip kunnen krijgen op de door Hem bedoelde Boodschap.
1.]. Het oppervlakkig begrip: Je haalt een aantal verzen aan en probeert ze in hun samenhang te verenigen en uit te wisselen en zoekt datgene wat afwijkt van de eigenschappen die iedere mens heeft [het aan de wereld gebonden zijn].
Het totaal legt men terzijde en bouwt vervolgens op wat men wil, teneinde tot de eigen overtuiging te komen en komt als het ware tot een valse overtuiging en probeert dit met zichzelf te verzoenen. Dat is wat de tegenstrever doet: ‘hij bemiddelt in de vervalsing van het oorspronkelijk mensbeeld – hij ontkracht het geslapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis’.
2.]. Het gedegen, diepgaand en grondig begrip:  Het uitgangspunt hierbij is de oorspronkelijkheid, het bereiken van de naakte Waarheid, dat is de Geest van Christus. Het humanisme is daarentegen bereid om haar eigen grote tevredenheid te ondergaan, zelfs wanneer die in strijd is met de persoonlijke wensen [zelfbeschikking over leven en dood].
De enige manier om de oorspronkelijke weg te gaan is om alle verzen van de Blijde Boodschap in z’n geheel te bezien, als een geïntegreerd geheel, dat er geen onderdeel daarvan wordt afgescheiden. 
Dit kan alleen plaats vinden zonder toevlucht te nemen tot de eigen interpretatie van mijn persoonlijke verbeeldingskracht of door woorden te manipuleren of de betekenis ervan te verkrachten . . . . . [Dit proces is door Thomas van Aquino in gang gezet; hij wist het zelf wel, beter dan de oorsronkelijke Kerk].
Dit is allemaal noodzakelijk voor de persoonlijk christelijke inzet, toewijding en integriteit welke zijn grenzen niet kent. Dit alles met een volledig bewustzijn van de vreze Gods, welke haar dezelfde rechtvaardigheid meegeeft – met inbegrip van een permanente beoordeling van wat als overeenstemming heeft bereikt, of men bijvoorbeeld niet het een of andere aspect heeft gemist  – en bovenal – in de aardse gebondenheid over het hoofd heeft gezien en dus de bereidheid tot aanpassing van de conclusie zal kunnen leiden.

de Russisch Orthodoxe Kerk, zoals deze alleen bekend is bij ingewijden, afb. Igor Hofbauer, Le Monde.

Dit zelfinzicht, is precies de aanpak van de vroeg-christelijke [Orthodoxe] Kerk; De Griekse naam orthodox betekent letterlijk “rechtgelovig”, het ‘ware Geloof’ behoudend. De vroeg-christelijke [Orthodoxe] Kerk  is daarom in de eerste plaats een liturgische en [aan-] biddende Kerk; de doctrine en ethiek kunnen alleen binnen de context van deze Goddelijke aanbidding worden uitgelegd, of, zoals de eminente orthodoxe theoloog George Florovsky dit uitdrukte:
Het christendom is een liturgische religie’.
Het gaat daarbij om de rechte gedachte en het waarachtig Geloof in datgene wat onze Heer, verwijzend naar Zijn Vader, ons via de Heilige Geest als Blijde Boodschap heeft willen meegeven.
Hoewel we menen dat de gemeenschapszin met veel verzen tegenstrijdig zou zijn dwingt het ons om met gebruik van de totale Goddelijke Boodschap een verzoening te bewerkstelligen en bepaalde verzen van de Boodschap tot vereniging met haar doelstelling te bewerkstelligen.

farizeeën & sadduceeën
en het verborgen manna, Bol.com

Dit inzicht – het met de oorspronkelijke betekenis op de loop gaan, het ondermijnen, bewust verkeerd toepassen, aantasten en besmetten was aanwezig bij de sadduceeën en farizeeën. De sadduceeën [Hebr.: צְדוּקִים Ṣĕdûqîm, Gr. Koinè: κοινὴ, gebruiken] waren aristocraten, inclusief aristocratische priesters, die de mozaïsche wet volgden, maar niet de relatief nieuwe “tradities” van de farizeeën. De Joodse bevolking diende – aldus leerden zij, de wetten van het Oude Testament onvoorwaardelijk te bewaren en werden daarom [in hun absolute rechtlijnig wettisch denkpatroon] dom gehouden – ‘doof’ en niet ontvankelijk voor de werkelijke boodschap van Gods Liefde en waren gericht op wereldse grondbeginselen; hun meningen en denkbeelden werden bewust verkeerd toegepast. Het juiste begrip van God’s Woord werd verblind en zo bestrafte de Heer der Glorie hen, zeggend:
  Dwaalt gij niet daarom, dat gij de Schriften niet kent noch de Kracht van God?Marc.12: 24, want hun inzichten waren in het geheel niet zo goed – als gevolg van hun ‘eigen smaak‘.  Zij lieten zich niet beperken door het Woord des Heren, waren harteloos en in feite zonder enige betekenis. Christus ‘toon’ stond hen niet aan en ‘Zijn stijl en houding betreurden zij’.
Daarom is het dat het ons christenen, die de vroeg-christelijke [orthodoxe] beweegredenen volgen, die Christus volgen de Blijde Boodschap op de juiste wijze te bestuderen om te voorkomen dat de duivel ons bedriegt. Bedriegers zijn in deze wereld in staat zich zelf te ontpoppen als grootmachten van het algemeen Heil en het algemeen begrip van de Blijde Boodschap aan te tasten, die het richtsnoer vormen van de vroeg-christelijke [orthodoxe] Kerk.
Het basisbegrip vindt toepassing op talrijke gebieden, maar veelal beperken zij zich tot drie modellen: de centrale geldvoorziening, de grip op de organisatie en het vergroten van hun positie in de organisatie door de organisatie met leningen op te zadelen. Zij verwerven zich tevens van een reputatie, die hen belangrijk maakt op het gebied van vermeende noodzakelijke internationale contacten.

Wat is de betekenis van het Woord ‘redding’?
1.]. Redding is dat de mens zich ontdoet van de slechte staat waarin hij verkeerd en die hij zich laat welgevallen, dat kan z’n redding zijn:
1a.]. redding kan zowel lichamelijk, fysiek of psychisch zijn: – zoals verlossing van vijanden of van  besmettelijke- en alledaagse ziekten, hongersnood of perioden dat het economisch slecht gaat, zgn. financiële crises . . . . . . . etc. Zoals de verlossing van verdriet [kommer] en kwel vanwege het verlies van een geliefde, of omdat men blootgesteld is aan vernedering of smaad of de ontkenning van vermeende machtige posities  . . . etc.
2.]. Redding is dat de mens geestelijk verlost wordt: – zoals de redding van de macht van de satan en zonde, de hoogmoed en het zelfvoldaan zijn,  zich als mens als god beschouwt, hetgeen  verdeeld is in twee delen: – 

Ten eerste: de tijdelijke redding van mijn ziel: In de huidige wereld, de verlossing redding van verzoekingen van de duivel en de redding van de erfelijke zonden zoals die ons als mens door onze voorvaders [ingebakken] via Adam is overgedragen, beter gezegd, waar we zelf aan toegegeven hebben.
En voor het overige genieten van de Goddelijke afstamming en daarmee worden blootgesteld aan de bijbehorende tegenslagen en opnieuw in zonde vervallen, die nu eenmaal automatisch door tegenslagen worden opgevolgd en ons niet langer inspannen ook maar iets te doen aan de terugkeer naar de oorspronkelijke staat, het evenbeeld te zijn van God. De situatie waarin men verkeerd wordt als normaal beschouwd en kan worden opgevolgd door het vasthouden aan de zonde, wegzinken in deze gelukzaligheid en zich toch wel verlost achten door Christus’ bloed.
  Ten tweede: de redding van mijn ziel zonder of met weinig inhoud: de definitieve bevrijding van de aanvallen van de duivel en van alle zonden, daar naast van al de materiële, fysieke en psychologische pijn, die wij ervaren wordt slechts verdragen.
De overgang naar de situatie van permanente gelukzaligheid, met Christus, zal eerst voor eens en voor altijd plaatsvinden wanneer we naar de hemelse gewesten zijn overgegaan. We kunnen –hier en nu– in het ondermaanse toch niet tegen die verleidingen op, maar wanneer wij christenen opstijgen naar het beoogde verheerlijkte lichaam en naar lichaam en geest bekleed zullen worden met het hemelse dán zal het Mysterie z’n beslag krijgen. Met andere woorden, wij zijn gedoopt en noemen ons volgeling van Christus en hebben als zodanig tòch niets te verliezen, er bestaat geen mogelijkheid om tot verderf te vervallen, want ons is voorzeker blijvend een betere onsterfelijke gesteldheid voorzegd. 

Hoe verkrijgen we deze eeuwige redding, deze betere onsterfelijke gesteldheid?
Deze betere onsterfelijke gesteldheid, dit eeuwige Heil wordt door de vroeg-christelijke [orthodoxe [Kerk] als zeer kostbaar geacht, omdat de zonde – een eigenschap is, die we persoonlijk van onze voorouders als nalatenschap hebben meegekregen – het is zeer ongunstig en gevaarlijk en wordt uiteindelijk bestraft met de dood en veel van onze zonden, zijn derhalve ook tijdens ons leven vele malen gedoemd om tot de dood te leiden.
Deze nietsontziende gesteldheid is niet alleen de dood van het lichaam, maar het is de eeuwige kwelling van zowel lichaam als ziel in het eeuwige vuur. Dit wordt zo omschreven omdat het hier gaat vanwege het voor eeuwig ontbreken van de Goddelijke zorg.  Zowel het lichaam als de ziel behoren tot de eenheid, die God bedoeld heeft en zijn deelgenoot aan alle menselijke lichamelijke of geestelijke inspanning om haar levensopdracht te vervullen. Aldus is het voor de mens hoe dan ook onmogelijk geweest om deze zaligheid te verkrijgen.
Maar God – heeft in ‘Zijn Goddelijke Barmhartigheid‘, die zonder grenzen is – toegegeven en ons vlees aangenomen, dat tot de dood veroordeeld was en in alles is Hij door Zijn Zoon aan de mens gelijk geworden behalve in de door Hem verafschuwde zonde.

Christus, Hogepriester
+ 7 kandelaren, Trier

    Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan meevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze [als wij] verzocht is geweest, doch zonder te zondigenHebr.4: 25;
      Immers, zulk een hogepriester hadden wij ook nodig: heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren en boven de hemelen verheven; Die niet, gelijk de hogepriesters, van dag tot dag eerst offers voor zijn eigen zonden behoeft te brengen en daarna voor die van het volk, want dit laatste heeft Hij eens voor altijd gedaan, toen Hij Zichzelf ten offer brachtHebr. 7: 26;
      En van wie heeft Hij een afkeer gehad, veertig jaren lang? Was het niet van hen, die gezondigd hadden en wier lijken in de woestijn lagen? Aan wie anders zwoer Hij, dat zij tot Zijn rust niet zouden ingaan, dan aan hen, die ongehoorzaam geweest waren?Hebr.3: 17,18;
      Want elk huis wordt door iemand gebouwd, maar de Bouwmeester van alles is God. Nu was Mozes wel getrouw in geheel zijn huis als dienaar om te getuigen van hetgeen gesproken 
zou worden, maar Christus als Zoon over Zijn huis. Zijn huis zijn wij, indien wij de vrijmoedigheid en de Hoop, waarin wij roemen, tot het einde onverwrikt vasthoudenHebr.3: 4-6.
God heeft dus via de dood van Zijn eengeboren Zoon betaald voor de zonden van de mens. Hij heeft genoegdoening gegeven voor iedereen van Adam tot de gehele mensheid en tot in de eeuwigheid verduren wij met Zijn dood aan het Groot en Heilig Kruis, waardoor Zijn bloed aan het Kruis is vergoten als de boetedoening voor de zonden van de gehele wereld.
De dood van God, de Zoon onder ons mensen heeft niet tot gevolg gehad dat de Theologie eveneens teniet is gedaan. Het betekent de dood van de menselijkheid – die door de Theologie vleesgeworden is, die Hem heeft verheerlijkt en degenen die Hem wagen te beledigen en te vernederen , Die de allergrootste Waardigheid toekomt – niet alleen de dood van de mensheid teniet doet maar dit duivels werk theoretisch toegeschreven als een verzamelde Eenheid, de satan teniet doet. 

  • Het Goddelijk Heil en de Goddelijke verlossing worden dus duur betaald, nochtans kan Één door -het slechts af te kopen- alle middelen van bestaan verkrijgen om de mensheid te verlossen, dus heeft God heeft dit de volkeren gratis en voor niets ter beschikking gesteld. Net zoals God het de eerste mens Adam gratis en voor niets het overdadig weelderige Paradijs ter beschikking stelde.
    De omstandigheden verschillen in niets ondanks Zijn Achtenswaardige positie heeft God ons de zaligheid in de eeuwen der eeuwen -‘om niet’- ter beschikking gesteld, maar Hij stelde wel de voorwaarden op.
    Zijn benadering ten voorbeeld voor de mensen is dat er geen tegenstrijdigheid is tussen het onderwijs wat Hij de mens meegaf en de voorwaarden, die Hij nu als steun aan Zijn onderwijs toevoegt. Ook in onze hedendaagse periode behoeven wij geen cent te betalen voor deze Pedagogie, Die Hij ons ter beschikking stelt.
    En dat onderwijs is geen ellende die Hij achterlaat, maar een systematisch gebeuren met voorwaarden, zoals het invullen van een formulier en het vervolgens bijhouden van de lessen, die je dient te volgen – God laat je volkomen vrij.  Je mag je huiswerk doen en eventueel examen doen [beproefd worden].
    Je krijgt geen officieel diploma of certificaat – ondanks de fouten die je gemaakt mocht hebben, niet voor degenen die in Zijn gemeenschap [de Kerk] aanwezig zijn en zij die het hebben laten afweten. De uiteindelijke prijs, die je kunt ontvangen is niet afhankelijk van of je nu een persoon bent, die zich voornamelijk bezighoudt met dingen die je graag doet [behalve de negatieve werken van een bewust manipulator], Hij is voor iedereen loyaal; Hij maakt geen onderscheid tussen zondaars en tollenaars.   
  • Het door God ontworpen kunstwerk van het Heil, waarvoor Hij het systeem en de voorwaarden ook Zelf vast heeft gesteld is de Heer en de heerlijkheid Zelf:
        Eén is Heilig, éen is Heer, Jezus Christus, tot heerlijkheid van God de Vaderuit de ‘Goddelijke Liturgie van Johannes Chrysostomos’.
    Hij gaf dit aan Zijn volgelingen en de apostolische opvolging mee en voltooide dit door Zijn Heilige Geest op de mensheid te laten neerdalen om hen in regelmaat en beschikking overeenkomstig Zijn Wil te begeleiden en op te vangen.
    Dit systeem is door de Heer der heerlijkheid, door God Zelf ingesteld en wordt Zijn Lichaam ‘de Kerk’ genoemd, los van datgene wat de mensen er in de loop van de eeuwen zelf van gemaakt hebben.
  • Wat het onderwerp van het heil betreft verstrekte de Heer der Heerlijkheid Zelf en gaf Hij dit aan Zijn volgelingen mee en maakte dit door Zijn gezonden Heilige Geest af om hen te blijven volgen en de Kerk daarmee volgens een bepaald systeem op niveau te brengen.
    Dit systeem door God in Zijn Kerk, Zijn Lichaam vastgesteld en is: – de “rituele Kerk, opnieuw verwoord in een Griekse woord “Ekklesia” [Gr: εκκλησία], oorspronkelijk het concept van de vergadering, die overeenkomt met het Spartaanse “Apella” , waarbij burgers, inwoners van de stad politieke rechten hadden, zich verzamelden en de vergadering bijeengeroepen werd om beslissingen voor de gemeenschap te nemen.  De Kerk heeft deze beschrijving behouden omdat het tevens een oproep doet om haar samenstelling en beoogd resultaat daarvan te behouden. In het verloop van de geschiedenis is deze term eveneens in zwang geraakt om de ‘autocefale’ [de organisatie per land of groep landen] kerkelijke macht, die in een land kan ontstaan te benoemen.
    De Kerk wordt aldus geacht de wijze te formeren waarop Christus Zijn volgelingen, voor het eerst in Antiochië ‘Christenen’ genoemd, aan voorwaarden verbindt, waarop zij krijgen ‘de vrij gekozen redding‘ verkrijgen.
    ‘Het Ware Geloof’, ‘de Waarachtige Doop’, de Bekering, een juiste erkenning zoals het christendom in de christelijke levenshouding en het priesterschap vorm wordt gegeven. Evenals de huwelijksverbinding is ook deze Goddelijke verbintenis, zoals een mens door God bedoeld is om mens te zijn, want indien we zonder deze invulling het Heil van het Hemels Koninkrijk willen bereiken wijken we van Gods beoogde opzet af. Er dient derhalve altijd sprake te zijn van transparantie en onderlinge communicatie.
  • De Satan en Zijn trawanten trachten ons daarvan te weerhouden, omdat onze christelijke redding betekent dat wij ons trachten te ontdoen van zijn macht over ons. Hij is degene, die dan ook alles in het werk stelt het systeem dat God heeft opgezet, om onze Verlossing te bewerkstelligen, onderuit te halen.
    De duivel [‘en zijn malle moer’] is de vijand van het geheel van de bewegingen van de Kerk en daarom wordt de strijd die gevoerd wordt – een oorlog, die  meedogenloze vormen aanneemt.

    ‘Machtstrijd’ Geestelijken bijeen op Kreta

    Het is in deze dan ook niet verwonderlijk dat met name, de hiërarchie van de Kerk, van de kant van de tegenstrever, de indringendste aanvallen kan verwachten. Daarom werden in de vroeg-christelijke [Orthodoxe Kerk] bisschoppen geroepen vanuit de asceten, mensen, die hun strepen verdiend hadden in hun gevecht tegen de vijand. Asceten afgeleid van ascese [Gr.: ἄσκησις] is het streven naar of het beoefenen van een reine levenswandel door ‘de eigen hartstochten en begeerten te beteugelen‘ en ‘zelftucht toe te passen‘. Het mag duidelijk zijn dat een dergelijke staat eerst na een lange beoefening van de godsdienstige praktijk, boetedoening en een zéér sober leven wordt bereikt en niet als eretitel wordt gedragen. Veelal verzetten dit soort nederige op zichzelf levende persoonlijkheden zich tegen de aanstelling tot een bisschopsambt; in onze tijd wordt dit nogal eens over het hoofd gezien.
    Vrijheid is immers geen vrij-zijn vàn-elkaar, maar vóór-elkaar. Als het goed gaat met mij ten koste van jou, gaat het echt niet goed met mij. Op een abstract niveau kan ik me losdenken van anderen, van de gemeenschap, de structuur en de dingen waaruit, waarvan en waarin ik leef; maar dat is abstractie.
    Concreet is een mens tot in zijn vezels, tot in z’n zijn diepste gevoelens, bepaald door een ‘wij’ dat verbindt. Dit betekent enerzijds dat wij andermans vrijheid niet mogen beschadigen, en anderzijds geen ‘vrij’ spel mogen geven aan wie onze vrijheid of die van onze medeburgers/kinderen/schapen probeert te ontkennen, ja te vernietigen door een ‘open‘ gesprek onmogelijk te maken. [Ik was het wel van plan, maar ik had het twee-en-een-half jaar lang zó druk].
    Dat er een ‘goede’ koers gevaren wordt die méér is dan een aller-individueelste vrijheid om anderen en een confrontatie te ontlopen.
    Het principe is dat leefregels gemeenschappelijk bezit zijn. Als wij zo denken over onszelf en over het [kerkelijke] wereldje waar wij goedschiks en kwaadschiks bijhoren, zullen wij niet gauw last krijgen van zogenaamde gevoelens van machteloosheid die dienen als camouflagenet voor gefrustreerde machtsdromen. Dat ik verantwoordelijk ben, wil niet zeggen dat ik hèt antwoord op de situatie heb, maar míjn antwoord. Het antwoord van wie ik ‘nu‘ ben met wat ik ‘nu‘ in huis heb, inclusief al mijn handicaps.

  • Logo AOKN

    We identificeren ons met een bepaalde groep of organisatie omdat die het beste aan ons zelfbeeld beantwoordt.
    We zien onszelf op een bepaalde manier en we zien dat een bepaalde gemeenschap het beste beantwoordt aan het beeld dat we van onszelf hebben.
    We kiezen dan voor de spiritualiteit omdat we graag één van die mensen willen zijn. Wij identificeren ons met een bepaald gedrag en een bepaald waardesysteem.
    Het identificatieproces is bekend; kinderen identificeren zich met hun ouders.
    Dat betekent dat kinderen allemaal dingen gaan nadoen die hun ouders ook doen, omdat ze graag op hen willen lijken. Ze hebben een ideaalbeeld van hun vader en hun moeder. Die zien allebei dingen die ze zelf nog niet kunnen en waarvan ze het prachtig zouden vinden als ze die ook konden doen.
    Een kind dat in veel dingen op z’n vader of moeder lijkt, wordt daarom automatisch gewaardeerd.
      Zo kan het ook met spiritualiteit gaan. Ik ontdek een op God gerichte groep met een spiritualiteit waarvan ik denk dat de waarden daarvan precies bij mij passen; daarom ga ik me met die groep identificeren. Nu kan het zijn die groep die ik kies het ook leuk vindt dat ik erbij wil horen; dat die groep mij daarom gaat waarderen.
    Laten we hierbij nu eens voor ogen nemen een groep waar de gerechtigheid centraal staat. Het gevolg van mijn kiezen voor gerechtigheid is, dat ik gewaardeerd wordt omdat ik tot de groep wil gaan behoren. Nu kan het voorkomen dat die twee zaken, de inhoud van mijn spiritualiteit en wat ik onbewust als resultaat binnenhaal op gespannen voet staan.
    Een gevolg kan zijn dat mijn kiezen voor spiritualiteit van de groep voortdurend ondermijnt wordt naarmate ik minder waardering ontvang. Daardoor zal ik in die gemeenschap allerlei problemen ontmoeten. Het kan dus zijn dat een bepaalde groep via identificatie dingen in mij bevestigt die in feite op gespannen voet leven met de inhoud van de spiritualiteit.
     Er is nog een andere ontwikkeling denkbaar. Die mogelijkheid komt ook in het proces van opvoeding voor. Mensen kunnen als doel van de opvoeding kiezen het zelfstandig maken van de medeburgers/kinderen/schapen. Hierbij kunnen toch nog weer andere, zelfs tegengestelde belangen een rol meespelen. Het streelt namelijk een bepaalde behoefte van sommige ouders wanneer hun kinderen afhankelijk blijven. Zo is het zelfs mogelijk dat ouders kiezen voor een opvoeding van medeburgers/kinderen/schapen tot onafhankelijkheid willen brengen, maar dat desondanks onbewust op het afhankelijk blijven van hen wordt aangestuurd. Dat waarvoor ouders/leidinggevenden/gezagsdragers kiezen wordt dan voortdurend ongedaan gemaakt door andere onbewuste verlangens en behoeften.
    Het eerste wat opvalt is dat er bij de ‘keuzevrijheid’ algemene normen gegolden hebben. Misschien zijn die er wel, maar persoonlijke voorkeuren hebben er volgens mij toe geleid dat deze en niet heel andere vormen van spiritualiteit geopenbaard worden. Ik merk mijn eigen voorkeuren, er zijn werken van de Heilige Geest waar ik ademloos bij stil sta, waarvan ik kippenvel krijg, en er zijn andere Genadegaven waar ik achteloos of verveeld aan voorbij ga.
      Wat is spiritualiteit en wat niet? Heeft iemand daar criteria voor? Dient ieder maar voor zich te besluiten wat daaronder valt en wat niet? Is er een algemeen houvast?
    Het spijt me maar bij sommige invullingen door geestelijk opgeleide personen wordt ik een beetje cynisch. Ik zie dat het hen aan lef heeft ontbroken, maar tegelijkertijd komt er een zinnetje in mijn oor van een Braziliaans pionier een romanschrijver, dichter, dramaturg en kortverhaal schrijver, Machado de Assis. Hij wordt weliswaar beschouwd als de grootste schrijver van de Braziliaanse literatuur en daardoor blijft het volgende mij boeien: “
    ambities met grote vleugels, die wind veroorzaken, enkel om te slaan“.
    Ik weet dat niet alleen het mooie maar ook het buitensporige een plaats kàn hebben in een gemeenschap; dat niet alleen het verhevene, maar ook het gedrochtelijke en laag-bij-de-grondse mij diep kan raken in een herkenning, die bevrijdend werkt; er zijn nu eenmaal banaal lelijke dingen, die mij alleen maar afstoten.
    Een besluit neem je niet vanuit het niets, je bent daar onbewust – sinds lang naar toe gegroeid; het hing in de lucht. Keuzen zijn nooit alleen van jezelf, omdat je tevens een product bent van een [christelijke] cultuur en van het huidige tijdgewricht. Je zet lijnen voort die al uitgestippeld waren, je slaat een weg in die al bestaat vóór je hem inslaat.
    Met een besluit hak je een knoop door; na zorgvuldige overweging valt de keuze: zodra je het doet, bestaat het niet meer. Nu dient er iets te gebeuren, want door te kiezen heb je ‘jezelf‘ op het spel gezet. Vanaf nu geen gestoei en geflirt meer met mogelijkheden – hier begint het ‘metterdaad’ willen – hier gebeurt iets nieuws, een nieuwe koers: praktisch en tastbaar. Wanneer het besluit een manier is om trouw te blijven aan jezelf ontstaat innerlijke continuïteit, ‘Je ne regrette rien!’.

– Vrij zijn is het uitoefenen van eigen autonomie, maar ‘naar boven toe’, door het goddelijke ben je zelf slechts in dienst en onderworpen aan het geheel waar je persoonlijk dienst van uitmaakt.
Het individu-op-zich, de medeburger/het kind/ het schaap, is los van de grote samenhang een abstractie. Individuele vrijheid op zich is dus even abstract, hoewel vrij kiezen [met de kreet: ‘Daar kies ik voor!’] soms ten onrechte gesteld wordt als iets wat je in je eentje doet, hopende dat de anderen en de jouw omringende gemeenschap niet te veel stokken in de wielen steken.
            Hieruit volgt niet dat medeburgers/kinderen/schapen alleen maar onvrij zijn, maar dat hun vrijheid bestaat in een grotere samenhang. Er zijn zelfs dingen die, boven alle kleinere gehelen en machtsblokken uit, àlle mensen met elkaar verbinden. Dat een mens vrij en uniek is, kan hij niet tegen de structuren en klippen op bevechten en bevestigen. Om vrij te zijn dien je je [bescheiden] plaats te kennen en die ‘ìn‘ te nemen. Door een betrouwbare partner, vader of collega te zijn, door je verantwoordelijk/aansprakelijk te voelen voor het geheel,  saamhorigheid, het steunen van anderen, het gevoel van verbondenheid, door vertrouwen te geven. Door ‘eigen‘ levenservaringen te delen met de komende generaties, zonder hen te willen beleren of te bekeren.
Nog ruimer gedacht ben ik een vrij iemand wanneer ik besef dat ik een plaats inneem in de verborgen samenhang van àl het bestaande; dat de solidariteit die mij oneindig overstijgt tegelijk in mijn binnenste aanwezig is. Deze visie helpt mij verder te kijken dan het kringetje van mijn gevoelens, mijn religieuze afkomst, financiële belangen en [kerk-]politieke belangen.
           Daarentegen is -‘het ontbreken van vrijheid‘- een onoprechtheid, een drijfveer die een mens een toonbeeld kan maken van een beheerder die het idee heeft geen fouten te maken, veelal kent deze zichzelf grote verdiensten [en inkomen] toe en leidt een alles behalve heldhaftig en ascetisch leven. Dit soort beheerders-attituden is in de westerse kerkelijke cultuur vanaf de middeleeuwen in zwang geraakt en heeft de waarachtige christelijke verlichting van medeburgers/kinderen en schapen onderuit gehaald. Bisschoppen werden wereldse heersers, noemden zichzelf ‘prinsen van de kerk’ en er zijn er nog maar weinigen, die dáár inzicht in hebben. Misschien is het daarom wel dat er zich zoveel vluchtelingen uit het midden-oosten door onze Heer naar de Lage Landen worden gebracht, teneinde de westerse gevallen staat tot origineel voorbeeld te zijn. Aardige bijkomstigheid is dat zij in het midden-oosten van rechts naar links schrijven/lezen, terwijl wij hier in het westen precies de andere kant op als culturele schrijf-, leeswijze hebben meegekregen. Misschien komt de inhoud van de tekst dan wel veel beter over, nog los van het feit dat het aan het Aramees is verwant.
            De grootste fout die de vorige eeuw in de Kerk gemaakt is/was die van het Vaticaans Concilie, er werd hierbij naar een grotere vrijheid van de medeburgers/ de kinderen, schapen gestreefd. Verandering, zoals die veelal van bovenaf wordt georkestreerd, creëert de eerste stap, die uiteindelijk uitloopt op overbelasting en organisatorische chaos, deze hebben zoals is gebleken een sterke weerstand ontlokt bij de gelovigen, die het meest getroffen werden – zij lieten zich uiteindelijk massaal uitschrijven. Grote en kleine wijzigingen dienen beetje bij beetje te worden doorgevoerd op de juiste tijdstippen. Grote en kleine wijzigingen dienen geleidelijk en op het juiste tijdstip te worden ingevoerd, de gevolgen van de ‘massale snelle‘ invoer zijn immers niet meer terug te draaien.
    Zal God dan zijn rechtvaardigen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en 
laat Hij hen wachten? Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het Geloof [nog] vinden op aarde?Luc.18: 7,8.

Teneinde de medeburgers/ de kinderen, schapen niet in chaos te laten belanden, hen nog enig spiritueel comfort te bieden is geen beheerder/toezichthouder/bisschop in staat hen te besturen, het enige wat nu nog helpt is een beleid dat geleidelijke “verandering zonder ophef/ eigendunk” tot stand brengt, dit houdt veelal in dat we teruggrijpen op bestaande vroeg-christelijke structuren. In deze periode na de geboorte van de Kerk was er geen sprake van ‘eersten zonder gelijken’ [Πρώτα χωρίς ίση, أولا دون المساواة], die op zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen maar ondergeschikt en minderwaardig vonden. De Kerk, in het westen, welke nominatie je ook noemt, heeft al snel met het veranderingsproces dienen te leren omgaan om terug te schakelen en terug te grijpen naar oorspronkelijke begrippen.

  • De indeling van het door de kerkvaders aangegeven, getijden-gebed, is door de westerse kerk verworpen en deze vooruitgang is vals, omdat de manier waarop er heden-ten-dage geïmproviseerd wordt – niet de reden onderschrijft, voor de aanvaarding van het gebed, omdat “de mens in tegenstelling tot de vroeg-christelijke mens gerechtvaardigd naar huis terugkeert. Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert, zal verhoogd wordenLuc.18: 14.
  • Het oorspronkelijke gebed wordt niet verworpen, zoals blijkt uit het ‘Onze Vader’, hetgeen ons door de Heer Zelf is voorgehouden:
      Bidt gij dan aldus: ‘Onze Vader die in de Hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd; Uw Koninkrijk kome; Uw Wil geschiede, gelijk in de Hemel alzo ook op de aardeMatth.6: 9.
    De acceptatie of afkeuring om aldus te bidden – is wat de improvisatie betreft ten opzichte van het terzijde schuiven – te wijten aan de mate waarin het hart een rol speelt, teruggrijpend op Isaiah:  Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij, omdat
    zij leringen leren, die geboden van mensen zijn
    Matth.15: 8.
      Het offer der goddelozen is een gruwel, hoeveel te meer, als hij het met boze bedoeling brengt. Een leugenachtig getuige zal omkomen, maar een mens die luistert, zal zegevierend sprekenSpr. 21: 27,28.

    Henoch wordt door God opgenomen uit de volkeren naar Gods eeuwig Licht.

    ”      Door het Geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen. Want voordat hij werd weggenomen, is van hem getuigd, dat hij aan God welgevallig was geweest; maar zonder Geloof is het onmogelijk [God] welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken. Door het Geloof heeft Noach, nadat hij een godsspraak ontvangen had over iets, dat nog niet gezien werd, eerbiedig de ark toebereid tot redding van zijn huisgezin; en door dat [Geloof] heeft hij de wereld veroordeeld en is hij een erfgenaam geworden van de  Gerechtigheid, Die aan het Geloof beantwoordtHebr.11: 5-7.
    De opbouw en samenhang van de Kerk is niet onderworpen aan de weersomstandigheden, er geen sprake van een door God [de Heilige Geest] gegeven Mysterie van de Doop wanneer deze niet wordt opgevolgd door de deelname, de ontmoeting in Het Mysterie van de Eucharistie [het van jongs-af-aan ontvangen van de bijbehorende communie] en de erkenning van Het Heilige. Dit is – volgens de ritus van de vroeg-christelijke Kerk onlosmakelijk met elkaar verbonden.  Wie niet naar de oorspronkelijke vroeg-christelijke catechese wil luisteren, luistert niet alleen niet naar Christus Lichaam [de Kerk], maar geeft ruimte aan de tegenstrever om ons te laten vallen en is de vernietiging nabij, dat is onvermijdelijk. 

Onze Heer sprak:  Ziet toe en wacht u voor de zuurdesem der Farizeeën en SadduceeënMatth.16: 6. Wij zijn een erfgenaam geworden van de Gerechtigheid, wij, die aan het Geloof beantwoorden en het is een solide boetedoening voor ons dat Jezus Christus, de vleesgeworden God, uit de doden is opgestaan en opgevaren is naar de Hemel en dat Hij weer zal komen om levenden en doden te beoordelen en dat Hij ieder individueel mens persoonlijk de beloofde beloning of eeuwige straf zal schenken. dat is reden genoeg om waakzaam te blijven voor al datgene wat nodig is om tot het Hemels Koninkrijk toegang te krijgen. De oproep van het goddelijke voor ieder mens, geen nominatie of culturele achtergrond uitgezonderd. “     Bekeert u en een ieder van u dient zich te laten dopen op de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave van de Heiligen Geest ontvangen. Want voor u is de Belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn zovelen als de Heer, onze God, ertoe roepen zalHand.2: 38,39.
      En Crispus, de overste der synagoge, kwam tot Geloof in de Heer met zijn gehele huis en vele van de inwoners van Corinthe, die hem hoorden, geloofden en lieten zich dopen. En de Heer zei in de nacht door een gezicht tot Paulus: ‘Wees niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet; want Ik ben met u en niemand zal het op u toeleggen om u kwaad te doen, want Ik heb veel volk 
in deze stadHand. 18: 8-10. En de Paulus en Silas zeiden tot de gevangenbewaarder:”  Stel uw vertrouwen op de Heer Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis. En zij spraken het Woord van God tot hem in tegenwoordigheid van allen, die in zijn huis waren. En in datzelfde uur van de nacht nam hij hen mee om hun striemen af te wassen, en hij liet zichzelf en al de zijnen terstond dopen; en hij bracht hen naar boven in zijn huis en richtte een tafel aan, en hij verheugde zich, dat hij met zijn gehele huis tot het Geloof in God gekomen was”. Hand.16: 31-34.
    Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden” Matth. 16: 6.
De werking van de Heilige Geest dient voor de gehele geloofsgemeenschap ervaarbaar te zijn; ook is spiritualiteit niet bij voorkeur weggelegd voor gevoelsmensen, zij lopen juist het gevaar oppervlakkig te blijven zolang zij iets ervaren; spiritualiteit ligt namelijk iets dieper dan het gevoelsleven.
De definitieve uitstorting van de Heilige Geest is gegeven voor de gehele Kerk en voor alle tijden. De Kerk heeft hele periodes van geestvervaging gekend, maar toch is er altijd voor ieder een mogelijkheid aangeboden geweest om te delen in de volheid van de Heilige Geest.
Deze realiseert zich via onderricht en bewuste bezinning op de pneumatologie van de Blijde Boodschap [= de leer van de Heilige Geest]. 

Het spreken vanuit de Heilige Geest en de manier van leven, die gericht is op het Geloof, dat daarmee samenhangt komt nog maar sporadisch in voor het christelijk leven of wordt in het kerkelijk leven ervaren. We dienen ons derhalve af te vragen hoe we de toegang daartoe weer een betekenis kunnen laten krijgen tot ons dagelijks bestaan. Christus leert door de ‘Geest der Wijsheid’ in het hart en opent het verstand tot de ‘Geest der Openbaring’ in het Woord.

De verkondiging bij Lucas spreekt de waarschuwing van het zuurdesem uit in het bijzijn van duizenden mensen, die bijeengekomen waren, zodat zij elkander verdrongen, tot de apostelen; dit heeft een reden iedereen  het mag horen.
Ook in de apostolische opvolging bestaat huichelarij, en zo zegt onze Heer:
    Er is niets bedekt, of het zal geopenbaard worden, en verborgen, of het zal bekend worden. Daarom, al wat gij in het donker gesproken hebt, zal in het licht gehoord worden en wat gij aan het oor gezegd hebt, in de binnenkamer, zal van de daken gepredikt wordenLuc.12: 1-3.
Farizeeën en Sadduceeërs staan in de Blijde Boodschap bekend vanwege de slechte invloed die zij uitgeoefend hebben op het christelijke Geloof en zij hadden een grote invloed en zijn diep doordrongen naar alle gelederen en klassen; ook in onze tijd. Hun invloed, welke vanwege hun gezag geen tegen-kracht/woord dulden – de ‘vrije stijl en houding‘ werd door hen de kop in gedrukt –  gaf ruimte aan de onzin, waarmee zij een dermate invloed op het systeem uitoefenen dat dit hen tot onvervalste gevaarlijke leraren heeft gemaakt.
Het is/was dezelfde perverse blindheid die hen ertoe leidde om Jezus als Messias af te wijzen, ondanks alle bewijzen die ten behoeve van hun ommekeer waren aangedragen. Paulus zegt daarom tot de Galaten:
    Gij liept goed. Wie is u in de weg gekomen, dat gij aan de Waarheid niet meer gehoorzaamt? Die overreding kwam niet van Christus, Die u roept. Een weinig zuurdeeg maakt het gehele deeg zuur. Ik voor mij ben van u overtuigd in de Heer, dat gij geen andere mening zult hebben. Maar wie u in verwarring brengt, zal zijn straf hebben te dragen, wie hij ook zijGal.5: 7-10. en tot de inwoners van Corinthe: “    Uw roem deugt niet. Weet gij niet, dat een weinig zuurdeeg het gehele deeg zuur maakt? Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons paaslam is geslacht: ‘Christus’1Cor.5: 6,7.
Elders maakt Christus een onderscheid tussen wat deze leerkrachten hebben geleerd en wat zij in deze op hun eigen gezag of door de praktijken waar zij zich zoal mee bezig hielden:
            De schriftgeleerden en de Farizeeën hebben zich gezet op de stoel van Mozes. Alles dan, wat zij u ook zeggen, doet dat en onderhoudt dat, maar doet niet naar hun werken, want zij zeggen het wel, maar doen het niet. Zij binden zware lasten bijeen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren. Al hun werken doen zij om in het oog te lopen bij de mensen, want zij maken hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot, zij houden van de eerste plaats bij de maaltijden en van de erezetels in de synagogen en van de begroetingen op de markten en om door de mensen rabbi genoemd te worden. Gij zult u niet rabbi laten noemen; want één is uw Meester en gij zijt allen broeders. En gij zult op aarde niemand uw vader[tje] noemen, want één is uw Vader, Hij, die in de Hemelen is. Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, ‘de Christus’. Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar 
zijnMatth.23: 1-11.
Indien u geeft en uw mening over iets geeft, doe het dan ‘in liefde voor Christus’ en indien u vergeeft, doe dat dan ‘in Christus’ en laat ten slotte een eventuele be- of ver-oordeling ook aan ‘Hem’ over.
Christus zal over ons oordelen naar de mate waarin wij zelf vergevingsgezind zijn en dat is wanneer wij Hem onze eigen ongerechtigheden bekennen en wij onze houding tegenover onze eigen zonden veranderen.

Apolytikion     tn.2

“     Toen Gij, het onster’flijke Leven nederdaalde tot de dood,
hebt Gij de kracht der onderwereld gedood door de bliksem der Godheid.

En toen Gij de gestorvenen uit de onderwereld opwekte,

riepen alle Machten der Hemelen:
‘Christus onze God, Schenker des Levens, ere zij U’“.

Kondakion     tn.2
“     Gij zijt opgestaan uit het graf, Almachtige Verlosser

en bij het aanschouwen van dit wonder stond de onderwereld verslagen.

De doden verrezen en heel Uw Schepping
verheugt zich samen met U.

Ook Adam jubelt en het Heelal mijn Verlosser,

zingt U de lofzang zonder einde“.

Theotokion      tn.2
“    Onbegrijpelijk en hoog-Heerlijk zijn alle Mysteriën

Die aan u voltrokken zijn, o Moeder Gods.

Verzegeld in reinheid en vast in maagdelijkheid,

zijt gij waarlijk Moeder geworden
 
en hebt gij de Ware God gebaard.

Smeek tot Hem dat onze zielen worden verlost”.

 

28e Juli , Heilige Irene afkomstig uit Chrysovalantou 9e eeuw

Heilige Irene, Hegoumena van het convent van Chrysovalantou

De Heilige Irene Chrysovalantou [Αγία Ιρένε Χρυσοβαλάντου] groeide op in de periode na de dood van de hebzuchtige keizer Theophilos I.
Na zijn overlijden betrad z’n echtgenote, de eerbiedwaardige en Godelievende Theodora de troon.
Keizerin Theodora steunde het Orthodoxe Geloof en herstelde de verering van de heilige iconen, evenals de Traditie binnen de Orthodoxe kerk van Byzantium.
Keizerin Theodora regeerde als voogd van haar zoon Michael, die nog niet de leeftijd had om de regering over het rijk te aanvaarden.
Toen Michael twaalf jaar oud was, probeerde Theodora voor hem een geschikte vrouw te vinden. Ze stuurde haar verkenners op een pad om een zowel schoon als nobel en deugdzaam meisje te vinden dat tevens waardig zou zijn om keizerin te worden.
In de binnenlanden van Cappadocië leefde zo’n mooie deugdzame deerne, die de dochter was van adellijke ouders en haar naam was Irene.
De verkenners onderkenden de deugdzaamheid en schoonheid van Irene en brachten haar snel onder de aandacht van de keizerin in de hoop dat ze ooit een keizerin zou worden. Irene had een zus die door de broer, ‘Vardis’ van de keizerin tot vrouw werd genomen.

H. Ioannikios, de Grote

Toen de scouts de eerlijke Irene naar Byzantium begeleidden, kwamen ze langs Olympus. Irene had gehoord van een man die op de berg Olympus een extreem ascetisch leven leidde, ene ‘Ioannikios de Grote’ en wist dat hij een heilig leven leidde die ze heel graag zou willen ontmoeten. Ze smeekte de verkenners om haar naar de heilige te begeleiden, zodat ze zijn zegen zou kunnen ontvangen. Ze kwam met haar begeleiders tot overeenstemming, maar de H. Ioannikios bleek slechts de waardigheid van het hart te bezitten.
Toen het gezelschap naderbij kwam herkende de H. Ioannikios de spirituele vooruitgang van het jonge meisje en riep uit: “Welkom Goddelijke dienares, Irene. begeef je naar de hoofdstad en verheug je voorafgaand bij het daar gelegen klooster, waar men jou te Chrysovalantou als maagd zal  opnemen”.
Irene was verbaasd te horen, dat deze heilige niet alleen haar naam, maar zelfs haar lot kende. Zij viel daarop voor hem neer en geraakte vervolgens in een diepgaand gesprek. Voordat ze op weg ging, gaf de H. Ioannikios haar geestelijk advies teneinde haar in haar voornemens te versterken.

Toen Irene uiteindelijk bij het hoofdstad aankwam, wachtte familieleden, die in de stad woonde, haar op om haar begroeten. Ze hadden allemaal hun eigen politieke achtergrond onder andere aan het hof. Zij kwamen met een aantal van hun notabele vrienden naar voren en begroetten haar met veel eer, zoals haar toekwam. De Koning der koningen echter, die alle dingen uit het niets heeft gemaakt, had bepaald dat de aardse huwelijkskandidaat een paar dagen daarvoor, reeds een ànder meisje had uitverkoren, voordat Irene zich zelfs maar had voorgesteld/vertoond. Irene was hier niet van op de hoogte, maar zij dankte God dat Deze de huwelijkskandidaat aangezet had een andere vrouw te kiezen.
Vele andere edelen en leiders, de rijkste mannen van Constantinopel, probeerden Irene, vanwege haar vanwege haar schoonheid en edelmoedigheid tot hun vrouw te krijgen. Zij wenste echter geen andere bruidegom dan de Hemelse Bruidegom. Ze verwierp -in haar door God verkregen wijsheid- alle tijdelijke en aardse zaken en zocht een rustige plaats om haar leven in alle rust, vreedzaam en aangenaam voor God door te brengen.
De woorden van de H. Ioannikios de Grote herinnerend, stuurde zij mensen naar het klooster van Chrysovalantou, zodat ze te weten kwam hoe het daar aan toe ging. Deze berichtten haar dat het klooster Chrysovalantou, een vrij mooie en rustige plek was met een verrassend goede gemeenschap monialen [nonnen].
Bij de hoorzitting waarbij de kloosterlingen de goede bekendheid opviel, was de H. Irene zo blij dat ze niet alleen al de dure kleding die haar ouders haar hadden gegeven aan de armen overdroeg, maar tevens alle kostbaarheden die de keizerin haar had toegeschreven. Ze gaf al haar bedienden en slaven de vrijheid, knipte de lange gouden lokken van haar haar af  en trad met alle jeugdige gretigheid toe in het klooster van Chrysovalantou.
Irene heeft iedere wereldse ijdelheid en elke wereldse manier van denken daadwerkelijk achter zich gelaten. Zij, de tedere, edele en mooiste, beklede zich -ondanks haar hoge afkomst- en verheugde zich bovenmatig toen ze het lichte juk van Christus, de Gezalfde en Meest Zoete Meester op zich nam. Ze heeft zich met een overweldigende nederigheid onderworpen aan alle mede-monialen en heeft zonder ooit tegen te spreken alle zorgvuldige en onvermoeibare behoeften van het klooster gediend.
Ze heeft zich nooit beroepen dat ze van een adellijke familie afkomstig was en toonde zich nimmer te goed voor zulk zwaar werk en bracht de meest vernederende diensten zonder klachten tot een einde. Haar uitstraling was helder en in haar ziel betrachtte ze boetvaardigheid naast gelukzaligheid. Ze beschouwde nooit dat ze van adellijke afkomst was en veel te goed voor zulk werk en de meest vernederende diensten voerde  zij zonder klachten uit. Haar voorkomen was stralend als licht in de morgenstond en in haar ziel bezat zij  boetvaardigheid naast gelukzaligheid. 

De Hegoumena – abdis van het klooster- was een deugdzame vrouw, stond bekend als een strijder bij de geestelijke beproevingen en zij zette haar medezusters aan tot goede werken. Irene had van God de genade ontvangen, die Zijn Mystiek geheel op haar deed afstralen. Deze zelfde genade leerde haar wat voor haar ziel zonder twijfel voordeel bracht, zoals de Heer Zelf zegt:
Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de landman. Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht drage. Gij zijt nu rein om het Woord, dat Ik tot u gesproken heb; blijft in Mij, gelijk Ik in u. Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij niet, indien gij in Mij niet blijft.
Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doenJohn.15: 1-5.
Zo heeft deze onvergetelijke, als goede en vruchtbare aarde, vrucht voor Christus voortgebracht in de ogen van God en heeft zij ten opzichte van de gehele zustergemeenschap van het klooster bevredigend geleefd en waren al haar medezusters onverwacht verwonderd door haar optreden.
Zo had daar zo het vertrouwen gekregen dat Irene van hen kreeg opgedragen  dat zij als penning-meesteres èn verantwoordelijk werd voor de inkopen van het klooster werd aangesteld èn de verzorging van de zilveren stukken van het klooster te verzorgen kreeg.
Ze deed ten opzichte van iedereen, die zij ontmoette, wat van haar verlangd werd, vertoonde grote nederigheid, en maakt nooit op pijnlijke wijze haar medezusters te schande. Ze was geliefd en werd door alle nonnen gerespecteerd. Irene was niet alleen in staat om al haar lichamelijke plichten te voldoen, maar deed dit nog meer op geestelijk vlak.

H. Arsenius de Grote [ca. 354-449], de Romein of diaken, woestijnvader

Ze ontbrak nooit in de kerkdiensten en ze las in haar cel de levensverhalen van eerbiedwaardige kloosterlingen en woestijnvaders, teneinde hun leven na te bootsen en haar mede-zusters te onderwijzen en hen te stimuleren tot soortgelijke inspanningen. Op zekere dag toen ze het leven van de H. Arsenios de Grote had gelezen en leerde dat hij tot de ochtenduren wakker bleef om te bidden, wilde ze deze manier van leven ook op zich nemen  en vroeg daarom toestemming van haar supervisor om deze geestelijke strijd te kunnen uitoefenen. De hegoumena aarzelde aanvankelijk om Irene haar zegen te geven om deze ascetische daad uit te voeren, omdat ze bang was dat zij ziek zou worden door overmatige uitputting, maar daar zij haar inzet, haar nederigheid en haar stabiliteit kende, koos zij de zijde van Irene en gaf haar de zegen om deze ascetische praktijk uit te voeren. Irene begon deze bovenmenselijke strijd, hoewel ze nog slechts een jaar in het klooster verbleef. De Goddelijke Genadegaven gaven haar de kracht en zij zou van ’s-avonds tot vroeg in de morgen als Mozes met haar handen opgeheven tot God staan te bidden. Vele andere keren zou ze hetzelfde doen van de vroege ochtend tot de volgende dag bij zonsopgang en andere keren zou ze de hele dag en nacht in gebed staan. De hegoumena kwam steeds meer onder de indruk van Irene’s vooruitgang.
Inmiddels waren er drie jaar versteken, en de H. Irene doorliep in deze tegen een grote ascetische strijd aan, tegen de aartsrivaal van al het goede, de duivel zelf, deze zag haar grote strijd en probeerde haar te overreden in overtreding te gaan;  het gelukte hem echter niet. De H. Irene ging niet op de beproevingen in en had zoveel veel zorg voor haar vlees ter wille van haar ziel dat ze alle fysieke dingen [eten, glorie, geld, kleding, macht en al dit soort aangelegenheden] heeft afgewezen en volledig verachtte. Ze had slechts één gewoonte aangenomen, het was haar gewoonte geworden haar kleding voor het eerst op Pascha te dragen en er één jaar lang in te blijven rondlopen, zonder het af te nemen of ooit te wassen. Eerst wanneer het Pascha naderde zou ze de nieuwe habijt aantrekken en haar oude aan de armen geven. Haar dieet bestond uit brood en water, eens per dag, misschien wel eens wat kruiden erbij. Ze was niet geneigd om als mens te leven en had haar notabele opvoeding totaal vergeten.
De demon, die er niet in slaagde om de H. Irene aan te zetten om zonde te bedrijven, riep in Irene’s gedachten op -door haar te herinneren aan het plezier van haar vroegere leven- en haar te te beroeren met vleeslijke verlangens. Hij, die de mens van God probeert af te houden, haatte haar tevergeefs, want ze herkende zijn aanval maar al te goed en ze weerstond zijn pogingen tegen haar, zodat ze aan de verleiding van deze demon zou ontkomen, en zij vervolgde haar strijd als voorheen. Op een avond, zoals zij normaal was, haar gebeden te doen, nam een duivel de vorm van een erg lelijke zwarte man aan die haar van verre stond te beledigen, uit zwakte wilde hij zo ver te gaan de dienaar van God de schrik aan te jagen. De duivel zei tegen haar: ‘Jij hoogmoedige en kwaad-aardige vrouw, jij vecht tegen mij zonder jezelf te realiseren wat ik wel niet ben en hoe groot mijn kracht wel niet is?’ Deze en andere beledigingen heeft deze meest achterbakse verleider haar voor de voeten geworpen, maar onze heilige heeft uit ontzag voor God het kruisteken gemaakt en de demon verdween onmiddellijk. Enige dagen later werd de H. Irene geteisterd met zware en donkere inbeeldingen. Hoewel deze haar gemoedsrust diep gestoord hadden, kwam ze moedig op tegen de passies van het vlees en gaf duidelijk blijk van de overwinning. Zij zou vaak op de grond vallen en met tranen bidden tot de Heer.
Zij riep regelmatig de alHeilige Moeder Gods, de Theotokos aan om hulp en tot de aartsengelen Michaël en Gabriël aan wie de kerk van het klooster was toegewijd.

Heilige Drieëenheid, toonbeeld van Goddelijke Liefde

Zij riep ook de hulp in van alle hemelse heiligen, om haar uit de strikken en onreine suggesties van de demonen te komen redden.
De H. Irene bad met behulp van deze woorden, “Al-heilige. Almachtige Drie-eenheid, door de gebeden van de Al-heilige Moeder Gods en de smekingen van de aartsengelen Michaël en Gabriël, en alle hemelse krachten en alle heiligen, kom mij te hulp in mijn beproevingen?”.
Wie deze heilige van God, deze Irene, aanschouwde, zag in haar het grote en heilige verlangen en haar vele van God-verkregen Genadegaven. Ze was het uitverkoren schip geworden, zoals de grote Apostel Paulus zegt en een hoeder van de Heilige Geest, welke in haar ziel, haar hart, de levende Christus, aanschouwt. Ze leefde niet meer in het vlees, maar in haar geest voor Christus, terwijl Christus in haar woonde, zoals de Heilige Apostel het beschrijft. Op deze manier werd de H. Irene totaal verlicht en leidde veel zielen naar het Licht der Waarheid. Het geschiedde dat mensen van alle klassen in rijen naar haar zouden toestromen. Zij heeft ze met plezier leren kennen en geleerd en met voorzichtigheid en zachtmoedigheid te benaderen en te adviseren.

Plotseling werd echter de hegoumena van het klooster erg ziek. Alle nonnen rouwden in hun cellen, omdat ze wisten dat ze het einde van haar aardse leven had bereikt. Aangezien de hegoumena zo deugdzaam was, waren zij bedroefd door haar dreigende vertrek. De nonnen rouwden, maar de nederige Irene treurde nog meer. De stervende zei tegen haar mede-zusters in de abdij met alle zachtmoedigheid: “Wees niet verdrietig over mij, want je hebt een goede opvolger, die bekwamer en veel wijzer is dan ik en blijf haar en jezelf allemaal gehoorzaam met hart en ziel”.
Deze woorden sprak zij over Irene, de dochter van het Licht, het lammetje van God, het schip van de Al-heilige Geest en kies voor jezelf daarom geen andere voorbeeld dan Irene. De gezegende kloosterling, die haar laatste uur bereikt had, zei tot slot tegen haar Heer en Meester: “Dankzij Uw Genade, o Heer, de eer komt U toe!”  Op deze manier gaf ze haar ziel over aan de engelachtige handen die op haar wachten en haar hemelwaarts voerden. 
De eerbiedwaardige Irene was niet aanwezig toen de hegoumena de aardse wereld verliet en ging hemelen. Evenzo vertelde geen van de nonnen Irene wat de hegoumena had gezegd, omdat zij Irene’s grote nederigheid kenden en hoe zij zich afwend van trots en ijdelheid, ze waren bang dat ze het klooster zou verlaten wanneer ze dergelijke woorden zou vernemen. Daarom begroeven zij de overledene hegoumena, omdat het passend was en zij gingen vervolgens naar de kerk om God te smeken, dat Hij hen zou komen verlichten.

H. Methodius, patriarch van Constantinopel [843 tot 847]

Op dat moment was Methodios, de patriarch van Constantinopel, geestelijk vader van het klooster. Tijdens de iconoclastische periode had deze heilige patriarch veel martelingen ondergaan en droeg op zijn lichaam de kenmerken van de prijs die hij voor de Orthodoxie betaald had. Hij  bezat de Genadegave van de Heilige Geest en kon in de toekomst schouwen. Toen de andere mede-zusters zich gereed hadden gemaakt voor een bezoek aan het patriarchaat, wilde Irene niet met hen mee gaan en had een groot skala aan redenen en obstakels om hen niet te volgen. De nonnen slaagde er echter  gezamenlijk in om Irene te dwingen.
Toen ze in de nederige stulp van de patriarch waren aangekomen en de zegen van hem hadden ontvangen, vroeg hij hen welke van alle nonnen zij zelf hadden overwogen als de nieuwe hegoumena, het is namelijk de gewoonte dat een Metropoliet of Patriarch de kloosterlingen ‘bijstaat‘ in deze benoeming.
Zij antwoordden dat zij voor ‘niemand’ de voorkeur hadden, maar eerder hun vertrouwen hadden ‘in God en in zijne heiligheid de patriarch’, daar hij in de Heilige Geest zijn leven leidde.
Daarom werd Hem gevraagd de beslissing te nemen, dat de Heilige Geest hem in deze beslissing zou zou leiden. De Goddragende antwoordde toen dat hij wist dat alle nonnen de eerbiedwaardige en zuivere Irene wilden en dat ook hun mening goed en aangenaam was voor onze Heer en God. De patriarch dankte daarop God en bedankte Hem dat Deze hem de deugdzame daden van zijn dienstmaagd Irene had geopenbaard.
De zusters waren verbaasd en eerden hem door te zeggen: “Waarlijk, God woont in uw rechtvaardige ziel en Hij heeft u geopenbaard en maakt dat verborgen dingen aan u bekend zijn”. Onmiddellijk stond het heilige patriarch van zijn ereplaats in hun midden op en zong de vereiste hymnen, zegende hen namens de Heer, en stelde Irene voor als geestelijk leider van de Grote Kerk, omdat zij door de Heilige Geest met schoonheid bekleed/begenadigd was. Hij las even later ‘de gebeden van de installatie van een hegoumena’, over haar uit. Hij gaf haar vervolgens nog instructies over hoe ze de begeleiding van haar mede-zusters zou dienen voort te zetten op de weg van hun redding en vrede. Hij dankte Irene evenals haar mede-zusters voor hun komst en stuurde ze terug naar hun klooster.
Irene huilde lang en vanuit het diepst van haar wezen; ze voelde zich onwaardig om zo’n positie te bekleden. De mede-zusters probeerden haar te troosten door te zeggen tegen haar: ‘Het geschiedde naar Gods Woord’. 
Toen ze bij het klooster aankwamen, droegen zij haar in haar functie aan God op en begeleidden Irene naar haar cel in het klooster.
Irene liet hen begaan en zij sloot de deur van haar nieuwe cel en viel op languit op de grond:
Meester, Heer Jezus Christus, Goede Herder, onze Gids en leraar, help Uw dienstmaagd en deze u toebehorende kleine schaapsstal en bevrijd ons uit de greep van de zielenwolf, want U kent onze zwakte en dat we niets goed kunnen doen zonder Uw hulp en Genade’.

Ze heeft heel lang op deze manier tot de Heer gebeden en zichzelf aangespoord door te zeggen: ‘En jij, armzalige Irene, weet je misschien wat een last die Christus op je schouders heeft gelegd voorstelt? Je neemt de verantwoordelijkheid voor zielen op je waarvoor God ons menselijk vlees heeft aangenomen, toen God mens werd en Zijn al-heilige en allerhoogste bloed heeft vergoten. Als jij ook maar één ziel verloren laat gaan, dan zal jij op de Goddelijke oordeelsdag je hierop dienen te verantwoorden. Jij ontvangt slechts de hel als beloning omdat je zelf de zorg op je hebt genomen zoveel zielen te begeleiden, wanneer jij je onverschillig gedraagt en één van deze zielen zal worden veroordeeld. De Heer Zelf zegt dat elke ziel méér waard is dan de gehele wereld. Wees daarom waakzaam, vast, bid en let op een dusdanig manier op en wees oplettend wat je doet opdat wanneer vanaf vandaag door jouw toedoen een van je mede-zusters iets overkomt waardoor deze haar ziel verloren zal gaan. Want zoals Christus Zelf gezegd heeft, een blinde begeleidt een blinde mens en veroorzaakt dat de twee in één kuil vallen. Laat dit niet in u verwezenlijkt worden’.

H. Irene Chrysovalantou

Irene worstelde harder dan ooit en bracht vele dagen in gebed en vasten.
Ze zou ook ’s-nachts neervallen en vele buigingen maken. Ze gaf haar lichaam nooit rust, opdat de Heer haar diepe strijd zou zien, zou Hij haar genadig kunnen zijn en haar wijsheid geven om haar kudde Gods op een aangename wijze leiding te geven.
Overeenkomstig haar verlangen gaf de Heer haar veel wijsheid en zij werd zij waardig bevonden om haar mede-zusters te begeleiden. Zij leerde in nederige wijsheid de grote leraren en retorici te  overtreffen.
Hierna treft u een kleine selectie aan van enkele van haar voorschriften en vermaningen:

 ‘We verlieten de charme van deze wereld en lieten ‘al het onjuiste‘ aan ons voorbij gaan, teneinde die ware en eeuwige zaken te kunnen beërven. Wanneer  wij ons derhalve in onze ellende niet aan Gods geboden houden, ellendig als wij zijn, dan zullen we deze voorbijgaande dingen verliezen, samen met de eeuwige dingen evenals de onverstandige maagden, zullen wij echt als onwaardig en dwaas beschouwd worden. Aangezien de ziel niet in twee delen kan worden verdeeld, is iemand die op zoek is naar genotzucht èn een temperament bezit van een hoogmoedig mens èn die zogenaamd nederig is en al onze werken totaal zal verafschuwen, moeite hebben om zulke wereldse verlangens uit onze ziel te verwijderen. Onze innerlijke gemoedstoestand dient gelijk te zijn aan onze uiterlijke staat en wij zijn in staat gesteld onszelf te richten op het bereiken van alle andere deugden. We houden ons aan de geboden van de Heer, ellendig als wij zijn en eerst dan zullen we deze voorbijgaande dingen achter ons laten en wanneer wij ons samen slechts met de eeuwige zaken verbinden zoals de onverstandige maagden, zullen wij pas echt onwaardig en dwaas zijn’.
⁌ ‘Onthoud dat de deugden van de ziel de voorkeur hebben aan de deugden van het lichaam. Vasten en waakzaamheid en de andere benauwenissen van het lichaam leveren ons bar weinig op wanneer de deugden van de H. Geest blijken te ontbreken. De deugden van de H.Geest zijn nederigheid, liefde, begrip, aalmoezen geven aan de armen en alle andere goede werken en God welbehagen schenkende daden. Na al deze dingen laten we ook werken aan de deugden van het vlees en laten we zo veel mogelijk aantrekkelijkheden van de wereld achter ons laten’.
Deze en anderen adviezen waren het, die de H. Irene haar kudde met moederlijke genegenheid voorhield. Haar spirituele kinderen zouden er alles aan doen om ze rond te vertellen en ze brachten veel geestelijk vruchten voort. Onze eerbiedwaardige Moeder Irene heeft, gezien het feit dat haar raad veel beloning voor de zielen van de mede-zusters opgebracht, zich hierover verheugt en trok op met de Heer van Wie zij naar lichaam en ziel heeft gehouden.
Met een onwrikbaar vertrouwen op God en een onmetelijke liefde voor haar mede-zusters durfde de H. Irene van God van een grote en bovennatuurlijke Gave te aanvaarden, het geschenk van geestelijke voorzienigheid. Zij wilde de geheime overtredingen van al haar mede-zusters weten, niet uit de menselijke nieuwsgierigheid, maar om ze te corrigeren, zodat ze uiteindelijk niet tot de hel veroordeeld zouden worden.

De Heer hoorde, gezien het feit dat haar doel goed was, onmiddellijk haar verzoek in en stuurde van haar vanuit de hemel een licht-dragende engel die haar bekleed heeft met een prachtig wit kledingstuk. Irene werd niet bang en geraakte niet gestoord bij de blik van de engel, maar was eerder verheugd. De engel begroette haar door te zeggen: “Aller trouwste en productieve dienstmaagd van God! De Heer heeft mij gestuurd om u te dienen volgens uw verzoek voor degenen die zijn bestemd om door u te worden gered. De Heer heeft mij bevolen om u altijd bij te staan en om de geheimen van ieder dagelijks  gebeuren verstandig te onthullen”. Dit gezegd hebbend, verdween de engel vooralsnog. Onze eerbiedwaardige moeder viel in vreugde op de grond, dankte de Heer en vanaf die tijd was deze engel haar altijd nabij. Deze engel leek haar aan te spreken, met haar als een vriend te spreken, elke keer wanneer het nodig was om een geheim te ontwaren. Dit geschenk werd haar niet alleen gegeven ten behoeve van al de nonnen, die aan haar geestelijke zorg waren toevertrouwd, maar ook voor de vele die tot haar kwamen om haar gouden woorden te vernemen. Wanneer Irene iemand zou zien die een verkeerde handeling had begaan, zou ze hem leren over de eeuwige verschrikking, waar alle diegenen die zich bewust distantieren van Gods Woord sterven, veroordeeld worden. De H. Irene zou op deze manier spreken of ze nu een geestelijk, gewijd iemand, een non of een leek haar niet aanstond. Ze heeft zich nooit voor wie dan ook behoeven te verontschuldigen, die zij voor eigen bestwil heeft gecorrigeerd. Zij heeft hen niet onrechtmatig vernederend, maar ze heeft de juiste manier gevonden om elke persoon tot inkeer, berouw te brengen.
De H. Irene zou van de vroege avond tot de tijd van de dienst van Orthros voor allen bidden, na de dienst zou even rusten/slapen totdat de zon opkwam. Zij zou dan naar de kerk gaan en de zusters een voor een tot bekentenis en ommekeer oproepen en wanneer een van hen niet alle ongerechtigheden openbaarde die zoal gepleegd werden, zou de H.Irene hen adviseren zoals de engel haar zou aangeven. Alle mede-zusters kwamen iedere morgen opnieuw om haar als een groot voorbeeld na te volgen en  te respecteren. De heiligheid van het klooster van Chrysovalantou werd al snel wijd en zijd bekend. Bij honderden kwamen de inwoners van de stad om deze eervolle en eerbiedwaardige persoonlijkheid te aanschouwen.
De mensen van adel, de politieke leiders, vrouwen, maagden, jong en oud, H. Irene leerde met zo’n wijsheid en innige vermurwing van het hart dat de naam van de heilige hegoumena van Chrysovalantou tot in onze tijd zo populair maakte. 
En in haar eenvoud bleef de H. Irene hardop en lang bidden. ’s-Nachts terwijl ze met haar handen, naar de hemel opgeheven, aan het bidden was kwamen de demonen in haar cel en begonnen met afschuwelijke stemmen te keer te gaan; zij spraken woorden, die niet voor mensenoren geschikt worden geacht en probeerden onze heilige moedertje van het gebed af te houden. Zij waren echter niet in staat deze heilige te overheersen. Desalniettemin bleven de demonen de H. Irene aanvallen en riepen door bewegingen van het gelaat en gebaren en door haar toe te roepen toe:
Onhandige Irene, uw verstijfde voeten houden u vast. Hoe lang zal u ons ras martelen, hoe lang brengt u ons met uw gebeden in verlegenheid en hoe lang zal u ons nog pijn doen en ons  verdrietig maken? “.

Onze eerbiedwaardige moeder bleef hier echter geen aandacht aan hen schenken. Deze duistere demon stootte vervolgens een vlam uit de ikonenlamp en deze zette de mantel en sluier van de heilige zelf in vuur en vlam. De vlammen kwamen tot op de grond en brandden niet alleen de kleding van de heilige, maar drong diep door  in de huid op haar schouders, borst en rug. Haar hele lichaam zou zeker verbrand  zijn wanneer dit niet door een van de mede-zusters werd opgemerkt en die haastte zich om het vuur uit te doven nadat ze het vanuit haar eigen cel in de gang was opgevallen. Het is niet te geloven dat de heilige door de hele gebeurtenis onaangedaan was blijven staan. Irene stond rechtop, de handen nog steeds in de lucht en bleef tot onze Heer in de hemelen bidden. ‘Mijn kind’, zo zei Irene tot haar mede-zuster om haar tegen de angst te wapenen, ‘waarom heb je zulke slechte dingen laten gebeuren en het goede terzijde geschoven? We dienen ons niet over de menselijke dingen druk te maken, maar liever bij de goddelijke dingen stil te staan. Er stond een engel voor mij, die een krans samenstelde van verschillende prachtige en geurige bloemen en toen hij zijn hand uitstrekte om deze krans op mijn hoofd te plaatsen, kwam jij, m’n mede-zuster binnen. Je dacht dat je een lofwaardige handeling pleegde, maar in plaats daarvan verrichtte je de meeste onbetamelijke  daad. De engel zag je en verliet mij. Je hebt me verdriet gebracht en er ging een geweldige mogelijkheid verloren
De mede-zuster begon te huilen toen ze de kledingrestanten van dit gebeuren van onze eerbiedwaardige moeder begon te verwijderen. Aldus werden de verwondingen en haar gedeeltelijk verbrand vlees aan de wereld openbaar en vastgelegd. Er kwam een glorieuze geur van haar af, deze geur was als goddelijke Myron, zoeter ruikend en krachtiger dan alle kostbare parfums die kunnen worden gekocht. De aroma van de Myron heeft het klooster vele dagen gevuld en de monialen verheerlijkten God omdat dit als een waarachtig Mysterie [wonder] werd beschouwd. De H. Irene had geen tweede kledingstuk en dus bracht haar celbediende haar een nieuwe. Binnen enkele dagen werden de wonden die de meeste mensen gedood zouden hebben, op wonderbaarlijk genezen door de Geneesheer van onze zielen en lichamen en deze heilige werd op deze wijze profetische Genadegaven toegekend.

Op zeker moment kwam een zekere eunuch van haar zus [de vrouw van Caesar Vardis] om de heilige te bezoeken. Irene stelde hem op de hoogte van een diep geheim en zei tegen hem: ‘Kyrillos, [dit was de naam van de eunuch], vertel mijn zus om haar hierop voor te bereiden, want binnen enkele dagen zal haar man sterven als gevolg van een samenzwering van koning Michaël. Na een tijdje zal deze koning ook zijn koninkrijk en zijn leven verliezen door een ander komplot tegen hem wegens zijn dwaze misdaden. Wees voorzichtig om tegen iemand maar iets hierover te zeggen. Niemand van onze familie zou durven opstaan tegen de nieuwe koning die hierna de troon zal bemachtigen. Ze zouden hem ook niet moeten afschrikken, zelfs niet wanneer deze de troon na een moord zal bemachtigen, want God heeft hem liefgehad omdat hij Hem vreest en God is hem nog genadig geweest’.
Nadat zij hier toch van op de hoogte werd gesteld, vertelde de zus van Irene haar man van de profetieën, die door haar liefde voor hem overwonnen werd. Haar man reageerde echter daarop in trots en dwaasheid, in plaats van met tranen naar de Heer te rennen en barmhartig af te smeken en bleef onverschillig. Hij was alleen geïnteresseerd te weten te komen wie de volgende koning zou worden en vele malen bood hij dienstbewijzen aan onze heilige moeder Irene aan om de naam van de toekomstige koning te weten te komen. Een paar dagen later werd hij in het militaire kamp vermoord. Koning Michael werd op dezelfde manier gedood en Basilios van Macedonië werd koning.

Een notabele, mooie vrouw uit Cappadocia, de geboortestad van de H.Irene, was verloofd met een bepaalde man. Later echter, bedacht zij zich en besloot daarentegen van een huwelijk af te zien. In plaats daarvan werd zij moniale in het beroemde klooster van Chrysovalantou. De demon bleef echter jaloers en vulde haar ex-verloofde met enorme seksuele passie. De man wist echter wel dat hij niet in het klooster kon komen. In plaats daarvan hield hij een machtige goochelaar aan, een van de bekwaamste dienaren van de duivel aan wie de ex-verloofde veel geld gaf voor de bevrijding van de vrouw die hij als zijn echtgenote wilde. De tovenaar heeft zijn slechte kunst in Cappadocia dusdanig ten uitvoer gebracht dat de vrouw in het klooster helemaal uit haar bol ging. Ze begon rond het klooster te rennen en ze schreeuwde de naam van haar ex-verloofde en vloekte en tierde dat wanneer haar mede bewoners de deuren van het klooster niet zouden openen, zij zichzelf zou verstikken. Onze eerbiedwaardige moeder hoorde de opkomst en schreeuwde: “Wee mij ellendige, wanneer ik door onverschilligheid als herder de wolven het schaap laat weghalen. Maar jouw inzet is tevergeefs, o duivelse tegenstander, omdat Christus dit niet zal toestaan, jij bent slechts gekomen om mijn lammetje te verslinden”. Zij riep de mede-zusters gezamenlijk op en gaf hen de opdracht om zich tegen de strikken van de demonen te verweren en ze beval hun allen om de hele week te vasten en elk van hen onder tranen per dag duizend grote metanieën [buigingen] te maken voor deze mede-zuster en ondertussen tot God te bidden hen van deze beproeving, die zij als klooster ondergingen, te verlossen. “Wee mij ellendige, wanneer deze wolven door onverschilligheid van haar herder de schapen laat weghalen. Maar tevergeefs werk jij, slim heerschap van een duivel, omdat Christus jou echt niet zal toelaten om mijn lammetje te verslinden”.

Basilius de Grote, genezing van de melaatsen

✥ Onze eerbiedwaardige moeder heeft daarop dagelijks in haar cel voor deze medezuster gebeden en op de derde dag zag zij de Heilige Basilios de Grote voor zich en deze zei tot haar:
Waarom toch, kom laat u ons, Irene, wanneer de zon opkomt, deze zieke volgeling van je meenemen en haar naar Vlachernae brengen en daar zal de moeder van onze Heer en Meester Jezus Christus, Die krachtig genoeg is, haar beter maken”. Dat gezegd hebbend, verdween de Heilige Basilios en de H. Irene nam de zieke mede-zuster samen met twee andere nonnen mee en kwam in de Kerk van Vlachernae aan, daar hebben ze de hele dag met tranen in hun ogen voor de icoon van de Theotokos [Pokrov] Haar Wonderlijke Bescherming voor het komend onheil afgesmeekt.
Omstreeks middernacht viel de H. Irene in slaap en zag ze in haar slaap een massa mensen in briljante gouden kleren gekleed en deze verzorgden de weg met de meest geurige bloemen en wierook. Onze eerbiedwaardige hegoumena vroeg daarop waarom er zoveel voorbereiding plaatsvond. Zij antwoordden dat de Moeder van Gods langs zou komen en hen gewaarschuwd had zichzelf op haar komst voor te bereiden opdat zij waardig zouden worden bevonden om de Moeder Gods, de Theotokos te vereren. Daarop kwam de Moeder van het Leven daar langs,  gevolgd door een enorme menigte. Het aangezicht van de Maagd straalde zo enorm, dat het niet mogelijk was om haar met ook maar een sterfelijke blik aan te kijken.  Onze-Lieve-Vrouwe heeft aan alle zieken die in de kerk waren verzameld aandacht besteed, zij keek eveneens naar de volgeling van de H. Irene. Onze eerbiedwaardige moeder Irene viel vol angst en beven voor de voeten van de vlekkeloze Moeder Gods.

H Anastasia, steun van de martelaren en genezeres van hen, die vergiftigd worden.

De Theotokos vroeg daaraan de H. Basilios de Grote wat deze eerbiedwaardige Hegoumena van haar verlangde en deze stelde haar precies wat de H. Irene nodig had. Hiervan horende antwoordde de Theotokos: “Roep hiertoe hier, de H. Anastasia aan!”
De God-barende was vertederd en zowel de H. Anastasia als de H. Basilios haasten zich vanuit de hemelse gewesten om deze opgedragen taak ten uitvoer te brengen. Onze eerbiedwaardige moeder Irene hoorde een stem en zei: “Ga naar je klooster terug en het zal allemaal goed komen”. Toen zij ontwaakte vertelde Irene aan haar medezusters wat zij in haar dromen meegemaakt had en vol vreugde keerden zij gezamenlijk huiswaarts. Toen ze bij het klooster aankwamen was het vrijdag tegen de tijd van Vespers en werden alle monialen in de kerk verzameld.
H. Irene zette allen uiteen wat haar was voorgespiegeld en verzocht hen allen de handen en ogen naar de hemel op te heffen en vanuit hart en ziel en brandend verlangen uit te roepen:
Heer, door de gebeden van de al-Heilige Moeder en de door haar aanbevolen heiligen, wees ons genadig!” Na lange tijd, toen de gehele in verdieping hiervan vervuld was en doordrongen was de tranen van de mede-zusters, verscheen de H. Basilius de Grote en de Grootmartelaar Anastasia onder hen en hoorden de zusters zeggen: “Wanneer zij de Goddelijke Liturgie hebben bijgewoond, dient de dienstdoende priester olie uit de ikonenlamp van de Heer en Verlosser te nemen en Gods menslievendheid zal als levend-schenkende kolen neerdalen”.
Na de Goddelijke Liturgie heeft de priester de zieke moniale met olie uit de betreffende ikonenlamp  op al haar zintuigen gezalfd. Daarop daalde Gods menslievendheid en levend-schenkende Kracht op haar neer. en werden haar zintuigen hersteld. En terwijl dit plaatsvond klonk er een dierlijk geluid hetgeen op varkens leek, die geslacht werden. De monialen keerden daarop naar het klooster terug en verheerlijkten God Die hen met zulke vreemde en prachtige dingen tegemoet was gekomen en bij het klooster aangekomen vertelden ze iedereen, die het maar horen wilde, wat hen overkomen was.
De eenvoudige Irene, veroordeelde zichzelf des te meer, daar zij gezien het feit dat zij voor haar heilige daden werd vereerd en er bleven onafgebroken tranen in haar ogen. Zij zou vooral tijdens de Heilige Liturgie tranen de vrije loop geven wanneer de priester God op het heilige altaar zou Zijn offer laten opofferen. Zij overwoog daarbij hoe de onzichtbare en onsterfelijke God door de mensen aanvaard diende te worden en omwille van de Liefde tot ons gekruisigd wordt en voor ons die Goddelijke Mysteriën heeft voorbereid, opdat wij ze zouden ontvangen wanneer wij ons via Zijn heilig Lichaam en Bloed met Hem verenigd weten. Overmand door wroeging, was zij niet in staat om haar verdriet nog langer in te houden haar verdriet en ze zou haar hoofd daarop diep buigen, opdat niemand haar huilen ook maar zou kunnen waarnemen, het gevoel dat ook zij slechts een dief en boosdoener kon worden beschouwd en grote wandaden had begaan.

De H. Irene stond er op dat het feest van de H. Basilios de Grote met grote toewijding gevierd werd omdat deze ook van Capadocië afkomstig was. Een zeker jaar hoorde ze na afloop van dit feest gedurende een nacht een stem, die haar liet weten dat zij de volgende dag een zeeman diende te verwelkomen.Haar werd duidelijk gemaakt dat deze ruwe bolster haar zou verrassen met wat fruit.
De volgende dag kwam er een zeeman en die bleef in de kerk tot na de Goddelijke Liturgie. Hij sprak de H. Irene aan en vertelde haar dat hij onlangs van Patmos was gekomen. Toen hij daar wilde afvaren wilde afvaren werd hij onderweg ondanks de goede wind opgehouden en een oude man kwam hem over het water lopend tegemoet. Deze oude man gaf de zeeman drie appels, die zo zei hij door God, de Vader, namens Zijn discipel Johannes “aan Zijn geliefde kind” deed toekomen.
De H. Irene heeft daarop met dank aan God voor dit prachtige cadeau een hele week een zware vasten ingelast. Vervolgens heeft zij veertig dagen elke dag kleine stukjes van de eerste appel gegeten, zonder iets anders te eten of te drinken. Op Grote en Heilige Donderdag in de Goede Week nadat de mede-zusters de Heilige Geheimen [de Communie] hadden ontvangen gaf ze hen ieder een stukje van de tweede appel. De monialen bemerkten een buitengewone zoetheid op en voelden zich alsof hun zielen met zaligheid werd gevoed.
Een engel liet daarop aan de Heilige Irene weten dat zij op de dag volgend op het feest van Panteleimon door de Heer zou worden opgeroepen om zich bij Hem te vervoegen en aangezien de feestdag van het klooster op 26 juli viel werd de H. Irene voorbereid door een gehele week vast feest te vieren. Ze nam daarop slechts een beetje water en kleine stukjes van de derde appel die haar door de H. Johannes de Theoloog namens God was toegestuurd. Gedurende deze hele periode was het klooster doordrongen van een hemelse geur.
Op 28 juli riep de H. Irene de nonnen samen om afscheid van hen te nemen. Ze liet daarbij ook weten dat zij haar mede-zuster Maria als haar opvolgster had uitverkoren, want deze zou hen op de smalle weg houden die tot het Leven leidt. Nadat ze God had gevraagd om haar kudde te beschermen tegen de kracht van de duivel, glimlachte ze toen zij de engelen zag die waren uitgezonden om haar te ontvangen. Toen sloot ze haar ogen en gaf haar ziel over aan God.
De Heilige Irene was meer dan 101 jaar oud toen ze stierf, maar haar gezicht had nog steeds een jonge en mooie uitstraling. Een grote menigte kwam op haar begrafenis en vele wonderen vonden plaats bij haar graf.
Door de gebeden van de H. Irene van het klooster te Chrysovalantou, Heer Jezus Christus, Zoon van God, heb medelijden met ons en red ons“.
Er zijn vrouwen, die op haar feestdag appels mee naar de kerk nemen om deze te laten zegenen in de hoop dat ze zwanger worden. Met name de kerkgemeenschappen, die aan de H. Irene zijn toegewijd houden deze traditie vanuit Griekenland in ere en geven ze aan al de mensen, vooral aan vrouwen die hulp nodig hebben. De appel is echter niet alleen voor vrouwen die zwanger willen worden, maar voor iedereen die tot de H. Irene Chrysovalantou bidt en daardoor Gods zegen voor goede werken wil verkrijgen.

MP3 [Gr.]:  Apolytikion van de H. Irene van het klooster te Chrysovalantou: 

vert. Apolytikion     tn.4
Onbewust heeft u het Hemels Koninkrijk op aarde gebracht,
maar Christus, uw mooiste Bruidegom,
heeft u daarop de hemelse kroon verleend 
en nu regeert u eeuwig als koningin bij hem.
Want u hebt zich met geheel uw ziel aan Hem toegewijd,
o Heilige Irene, ons rechtvaardig moedertje,
u prachtig geschenk uit Chrysovolantou
u machtige hulp van alle orthodoxe gelovigen“.

6e – Orthodoxie & eenzaamheid

Christus spreekt in gelijkenissen;                     Ο Χριστός μιλά με παραβολές;                     المسيح يتكلم بأمثال

      Nog een gelijkenis sprak Hij tot hen:
Het Koninkrijk der Hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welke een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het geheel en al gezuurd was.
Dit alles zei Jezus in Gelijkenissen tot het Volk en zonder gelijkenis zei Hij niets tot hen, opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet, toen deze zei:
‘Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is.
Op dat moment liet Hij het Volk gaan en ging naar huis
Matth.13: 31-36a.

      Maar, gelijk geschreven staat: ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoorden wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben’. Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods.
Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods.
Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is.
Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken.
Doch een niet geestelijk ingesteld mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is.
Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld. Want wie kent de zin des Heren, dat hij Hem zou voorlichten? Maar wij hebben de zin van Christus.
En ik [Paulus], broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in Christus. Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat konden jullie nog niet verdragen. Ja, dat kunt gij ook nu nog niet, want gij zijt nog vleselijk. Want als er onder u nijd en twist is, zijt gij dan niet vleselijk, en leeft gij niet als [onveranderde] mensen?Want wanneer de een zegt: Ik ben van Paulus; en de ander: Ik van Apollos; zijt gij dan niet [onveranderde] mensen?
Wat is dan Apollos? Of wat is Paulus? Dienaren, door wie gij tot Geloof gekomen zijt, en wel zoals de Heer dit aan een ieder geschonken heeft.
Ik [Paulus[ heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de wasdom.
Daarom, noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God, die de wasdom geeft.
Wie plant en wie begiet, staan gelijk; alleen zal elk zijn eigen loon krijgen naar zijn eigen werk
1Cor.2: 9-3: 8.

”    Heer, ik roep tot U; verhoor mij; verhoor mij, o Heer. Heer, ik roep tot U: verhoor mij; verhoor de stem van mijn smeking. Wanneer ik tot U roep, verhoor mij, o Heer.
Laat mijn gebed opstijgen, evenals wierook voor Uw Aangezicht. De opheffing van mijn handen zij een avondoffer; verhoor mij, o Heer.
Stel, Heer, een wacht aan mijn mond:
maak een gesloten deur van mijn lippen.
Neig mijn hart niet tot slechte woorden, om met uitvluchten mijn zonden te  verontschuldigen. Tezamen met mensen die goddeloosheid bedrijven;  ik wil geen deel hebben aan hun lusten.
Laat de rechtvaardige mij tuchtigen met erbarmen, dan zal hij mij van schuld overtuigen.
Maar sta niet toe, dat mijn hoofd gezalfd wordt door olie van zondaars; mijn gebed verzet zich tegen hun lusten.
Wanneer hun rechters vanaf de rots geworpen worden, zullen zij weten dat mijn woorden God aangenaam zijn.
Want als aardkluiten over het land, zo zijn hun beenderen verstrooid bij het graf.
Heer, op U zijn mijn ogen gericht; Heer, op U vertrouw ik: ontneem mij het leven niet. Bewaar mij voor de strik die zij tegen mij spannen, voor de struikelblokken der boosdoeners.
Laat de zondaars in hun eigen net vallen; 
al ben ik alleen, toch ga ik Uw weg
Psalm 140 vert. ROK ‘s-Gravenhage

Waar Paulus in en met het citaat ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoorden wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben’ op doelt is de Goddelijke Heerlijkheid zoals deze door de Heilige Drieëenheid van vóór de grondlegging van de wereld bedoeld is voor de mens in de Zoon Gods, Jezus Christus.
Een Heerlijkheid, Vreugde en Blijdschap – die de lijdende Christus, als leidsman en voleinder van het Geloof heeft aangespoord Zijn Kruisweg te gaan, dat wil zeggen tot het einde toe heeft volbracht [Hebr.12: 2]. Een Heerlijkheid, die in en door ‘de Opstanding uit de doden‘ een waarachtige Bron van Hoop is gebleken. Een Heerlijkheid als resultaat van ‘het alomvattende werk van God‘, samen te vatten in de Heilsbegrippen: ‘Bevrijding‘, ‘Verwezenlijkt worden‘ en de ‘Ver-Heerlijking‘.

Weest [daarom] onderling eensgezind, niet zinnende op ‘hoge‘ dingen, maar voegt u in het ‘eenvoudige‘. Weest niet ‘eigenwijs’Rom.12: 16.

Kluizenaarshut

Eenzaamheid verschilt van mens tot mens en dat geldt ook voor de oplossingen;
dat maakt eenzaamheid tegengaan echt maatwerk,
een dienst ten behoeve van degenen,
die daar ontvankelijk voor is,
die aanvoelt waar het om draait.
De oplossing begint bij degene die zich eenzaam voelt ‘zelf’.
Je dient ‘zelf‘ te besluiten dat je ‘iets’ tegen je eenzaamheidsgevoelens wilt doen.
Eerst ‘dan’ kun je kijken of je zelf actie dient te ondernemen of je daar ondersteuning bij wilt.
Belangrijk is te kijken naar de [mogelijke] oorzaken en je persoonlijke situatie. Wat is hèt probleem en wáár komt het vandaan?
Heb je last van emotionele eenzaamheid of sociale òf misschien van beiden wel.
Eenzaamheid kan een duidelijk aanwijsbare oorzaak hebben of
een combinatie van meerdere oorzaken. Dan dien je te bekijken wat voor activiteit mogelijk kan helpen eenzaamheid te doorbreken of te verminderen.
Welzijns- en maatschappelijke organisaties ontplooien een verscheidenheid aan activiteiten tégen eenzaamheid. Deze zijn zowel gericht op ontmoeting als netwerkversterking via het beoefenen van hobby’s en ‘persoonlijke‘ hulp.

Eenzaamheidsgevoelens zijn helaas ‘niet altijd‘ op te lossen; soms is het slechts enigszins te verminderen. Ook kan het voor jou een doel zijn om te leren ‘beter‘ met eenzaamheidsgevoelens om te gaan. Belangrijk is om eenzaamheid zoveel mogelijk te voorkomen en  ervoor te zorgen dat je sociale netwerk tegen een stootje kan, door diversiteit in je netwerk en in je activiteiten aan te brengen  
niet alles van hetzelfde en slechts in hetzelfde netwerk .
Maar ook met een ‘goed‘ sociaal netwerk kun je je eenzaam voelen.
Door het gemis of verlies van een klankbord, supervisie, belangeloze kritiek, een dierbare, hetgeen je ‘sociale netwerk’- wat als ‘klapvee‘ functioneert kan vervangen. 
Het thema eenzaamheid op allerlei niveaus krijgt steeds meer aandacht; van gehandicapten tot managers worden  -‘buiten de dagelijkse kring’- contactprocessen opgezet. Managers gaan incognito de werkvloer op, teneinde feeling met de werkelijkheid te krijgen; er blijkt dat zij totaal geen notie hebben hoe het dáár toegaat. Er wordt steeds meer ‘wetenschappelijk onderzoek‘ gedaan, waardoor we meer weten over oorzaken en gevolgen. En over wat wel en wat niet werkt. In meer en meer gemeenten neemt de overheid eenzaamheid op in het gezondheidsbeleid en werken organisaties samen aan een lokale aanpak om eenzaamheid te voorkomen en verminderen.

Eenzaamheid is je niet volledig verbonden ervaren met ‘de volheid van het leven.  Je ervaart een gemis aan een hechte, emotionele band met anderen; òf je hebt minder contact met andere mensen dan je wenst. Eenzaamheid gaat gepaard met kenmerken als negatieve gevoelens van leegte, verdriet, angst en zinloosheid en met lichamelijke of psychische klachten.
Eenzaamheid is een persoonlijke ervaring. De een heeft meer betekenisvolle relaties of een gewijzigd, groter sociaal netwerk nodig dan de ander.
Anderen kunnen moeilijk van buitenaf zien of je je eenzaam voelt; zij zien lang niet altijd dat je ontevreden bent over je contact met vrienden, familie of andere mensen; zelfs als kluizenaar levende personen vinden het moeilijk, zo niet onmogelijk om relaties te verbeteren.
Na langdurige omgang met de Heer, wordt een ‘verlatenheid‘ ervaren en wordt
zelfs de moed opgegeven [zie bijlage pdf zondag van de bezetene]; d
it maakt eenzaamheid zo moeilijk in te schatten.
Het is iets wat je alleen bij jezelf kunt ervaren; i
edereen voelt zich immers wel eens eenzaam, doch in veel gevallen  verdwijnt dat eenzame gevoel pas vanzelf als je weer ‘beter‘ in je vel zit.

gebruik van een gespecialiseerde keuken

Eenzaamheid is vooral een probleem voor mensen die het sterk of langdurig ervaren. Dan kan een er een negatieve spiraal -tot aan ‘een diepe depressie’ [burn-out] toe- ontstaan.
Eenzaamheid is het subjectief ervaren van een onplezierig of ontoelaatbaar gemis aan [de ‘kwaliteit’ van] bepaalde sociale relaties. Het kan zijn dat het aantal contacten dat men heeft met andere mensen geringer is dan men wenst. Het kan ook zijn dat de kwaliteit van de gerealiseerde relaties achterblijft bij de wensenProf. De Jong Gierveld.

Eenzaamheid is niet hetzelfde als alleen zijn – het kan wel samenvallen.
Wanneer iemand geen of nauwelijks sociale contacten heeft, spreken we van sociaal isolement. 
Sociale relaties met andere mensen zoals familieleden, vrienden en kennissen zijn belangrijke ‘hulpbronnen’ in het dagelijks leven.
Ze vormen het ‘sociale fundament’ van elk mens en dragen bij aan het gevoel van een zinvol leven.
Er rust nog steeds een taboe op eenzaamheid, alsof  het een schande is dat het jou overkomt.  Dit ondanks het feit dat het ‘iedereen‘ kan overkomen, daar hoef je je niet voor te schamen. Maar eenzaamheid kan ontzettend problematisch worden, zeker wanneer je in slechts -een en hetzelfde- kringetje ronddraait, dan
is het belangrijk er iets aan te doen.
Miljoenen mensen voelen zich overtuigd eenzaam.
Eenzaamheid is van alle leeftijden en komt voor onder alle lagen van de bevolking. Al loopt de één meer risico op eenzaamheid dan de ander, iedereen
kan op enig moment in zijn leven met eenzaamheid geconfronteerd worden.

in z’n diepste nood riep Jonah tot de Heer en hij werd gered

Lichamelijke geborgenheid en knuffelen wordt veelal aangegeven als zijnde ‘nooit ‘ècht‘ meegemaakt’, of inhoudelijke gesprekken voeren, met een ‘ècht‘ lieve man/vrouw, die nu eens geen behoefte heeft aan jouw lichaam. Ja, wel eens een knuffel en met iemand 1x platonisch [met iemand die ik ken eens een keertje geslapen], maar ‘ècht‘ een relatieve klik heb je achteraf toch nooit gehad. Voor de rest van het leven wordt dit als een groot gemis aan warmte en geborgenheid ervaren; ondanks het gezin waaruit je voortkomt.
Vader en moeder knuffelden niet, waren te druk met ‘eigen‘ activiteiten [etc.].
Eenzaamheid is vooral een probleem voor mensen die dit sterk of langdurig ervaren.  Kort gezegd, wanneer eenzaamheid je ongelukkig maakt òf het je belemmert in je functioneren.
Eenzaamheid is geen schande. Iedereen kan zich in zijn leven in sterke of lichte mate voor een periode eenzaam voelen. Dit kan bijvoorbeeld komen door veranderingen in je leven zoals een veel te snelle carrière, nadat iemand met pensioen is gegaan, een niet-aangeboren-fysieke beperking, het ontbreken/verliezen van een vaderfiguur. Eenzaamheid komt veel voor: in de BeNeLux is dit ongeveer 8 procent van de volwassen bevolking.

Eenzaamheid is iets dat je ervaart; dit houdt in dat je pas eenzaam bent
wanneer je jezelf  ‘bewust‘ wordt van je eenzaamheid; jij bent namelijk je eigen graadmeter.
Maar hoe ga je om met die eenzaamheid en hoe hoog liggen je verwachtingen?
Je kunt je eenzaam voelen omdat je met weinig mensen contact hebt: sociale eenzaamheid. Maar ook omdat je met niemand je ‘diepste‘ gevoelens kan delen: emotionele eenzaamheid. Het zegt dus iets over ‘de kwaliteit van de relaties’ die je hebt. 
Mensen, ook mensen op niveau, die zich langdurig en sterk eenzaam voelen, ervaren vaak een gevoel van ongeluk. Ze voelen zich in het geheel niet verbonden met anderen en  kampen met een negatief wereld- en zelfbeeld. Ze bewegen minder [auto], eten minder gezond [overvolle agenda] en
lopen een grotere kans op verslaving en blijven maar in hetzelfde kringetje ronddraaien.
Eenzaamheid kan mensen belemmeren in hun optimaal functioneren;
zij gaan sociaal contact uit de weg, trekken zich op een eilandje terug.
Daardoor kunnen ze vriendschappen kwijtraken, werk verliezen,
zorg gaan mijden uit beeld raken bij mensen, die juist hulp kunnen verlenen en daardoor steeds verder in een isolement terechtkomen.
Eenzaamheid zet zo mogelijk een zichzelf versterkende negatieve spiraal in werking. Onderzoek wijst uit dat eenzaamheid leidt tot verminderd welbevinden en een gevoel van algemene ontevredenheid over het leven. Gevolg kan zijn dat mensen de neiging hebben nog ongezonder te gaan leven; dan bestaat het gevaar dat problemen zich opstapelen.
Denk aan kokervisie, zelfverwaarlozing, de complete aandacht nog sterker op het werk richten, slaapproblemen, gezondheidsklachten, verslaving en het roekeloos nemen van beslissingen, waaronder het aangaan van schulden. Dat heeft weer een negatieve uitwerking op de zelfwaardering en tevredenheid met het leven in het algemeen. Vroegtijdig signaleren is hier een vereiste.

Natuurlijk geldt dit niet voor iedereen die eenzaamheid ervaart. Bovendien kan eenzaamheid zich in lichte of sterke mate voordoen. Maar ook als eenzaamheid niet zo sterk gevoeld wordt, is het belangrijk preventief stappen te ondernemen.  Zie het als ‘trek’, een licht signaal dat er iets niet in orde is.
Het is dan goed iets te eten voor je echt honger hebt.
Het is -‘o zo‘ -belangrijk om ‘zelf’ met het thema eenzaamheid aan de slag te gaan; veelal wordt je hier door je omgeving op geattendeerd – slechts ‘echte vrienden’ valt een emotionele verandering in je gemoedstoestand op.
Het kan al helpen meer te weten over eenzaamheid om dit voor jezelf een plek te kunnen geven; wanneer je behoefte hebt aan iemand met wie je kunt praten, dan dient dat iemand te zijn, die vanuit een christelijke visie daar beroepsmatig in gespecialiseerd zijn; er zijn maar ‘heel weinig‘ priesters [ik ken er slechts enkele] die hier hulp bij kunnen aanbieden.

Dit is beslist geen terrein waar je jezelf ‘onbevoegd’ – ‘na het lezen van een boekje‘- als ‘geestelijk vader‘ op kunt begeven. Ik heb op dit terrein diverse slachtoffers binnen de Orthodoxie ontmoet !!! ; als priester dien je mensen in deze situaties door te verwijzen en ‘beslist niet’ zelf maar te gaan experimenteren.

Wat is de mens, dat Gij hem gedenkt‘, detail Rembrandt Harmenszn van Rijn

Laten wij daarom met eerbied, dankbaarheid en ontzag het onwankelbare Hemelse Koninkrijk aanvaarden, om God en Zijn Lichaam [de Kerk] dusdanig te dienen, dat Hij er behagen in schept. Neen, wij hebben niet als Mozes voor een brandende braambos gestaan, zijn niet vernederd door het zand gekropen uit pure angst. Wij staan voor een prachtige Stad Gods, vol leven en vreugde, waar God gewoon midden tussen Zijn mensen woont.
God is nog steeds een verterend vuur – Hij wordt nooit een lieve oude man of een gezellige vriend; in Zijn Liefde blijft Hij altijd groots en huiveringwekkend – maar daarom ook zo diep te vertrouwen.
Want wanneer onze Heilige, Sterke en onsterfelijke God zegt dat Hij de mens wil liefhebben, dan dient dat ‘als bijzonder, Mystiek Waar‘ te worden beschouwd.

2e Zondag ná Pinksteren – Synaxis van alle Athonitische Heiligen

Athonitische monniken, vissend

      Toen Hij nu langs de zee van Galilea ging, zag Hij twee broeders, Simon, die Petrus genoemd wordt, en Andreas, diens broeder, een net in zee werpen; want zij waren vissers.
        En Hij zei tot hen: ‘Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken’.
Zij nu lieten terstond hun netten liggen en volgden Hem. En vandaar verder gegaan zijnde, zag Hij nog twee broeders, Jakobus, de zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedeus, terwijl ze bezig waren hun netten in orde te brengen, en Hij riep hen.
       Zij lieten dan terstond het schip en hun vader achter en volgden Hem.
En Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun synagogen en verkondigde het Evangelie van het Koninkrijk [der Hemelen] en genas alle ziekte en alle kwaal onder het Volk [de Kerk]” Matth.4: 18-23.

Athosmonnik, ‘n ‘andere kant’ van de wereld

        Heerlijkheid, Eer en Vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek. Want er is geen aanzien des persoons bij God.
Want allen, die zonder Wet gezondigd hebben, zullen ook zonder Wet verloren gaan; en allen, die onder de Wet gezondigd hebben, zullen door de Wet geoordeeld worden; want niet de [toe-]hoorders van de Wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders [uitvoerders] van de Wet zullen gerechtvaardigd worden.
       Wanneer toch heidenen, die de Wet niet hebben, van nature doen wat de Wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder Wet, zichzelf tot Wet; immers, zij tonen, dat het werk van de Wet in hun harten geschreven is, terwijl hun geweten mede getuigt en hun gedachten elkander onderling aanklagen of ook verontschuldigen, ten dage, dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn evangelie, door Christus Jezus
Rom.2: 10-16.

Athos, Agion Oros, oostelijk schiereiland Chalkidiki [Gr.]

Op de 2e Zondag ná Pinksteren vieren wij in de Orthodoxe kerken samen met de heiligen van andere landen dan hun eigen land de Synaxis van Alle Heiligen op de Berg Athos, hetgeen werd ingesteld door de Heilige Nicodemos de Haghiorite.

Beginnend met de voorafgaande avond van dit feest wordt er door iedere monnik en asceet een nachtwake gehouden. Geen klooster, skete, kellia of cel zal deze nachtvigilie overslaan, welke gehouden wordt ter ere van de Heilige Vaders, die meer dan duizend jaar al door hun aanwezigheid het Licht van Christus door middel van hun leven hebben doorgegeven. Ieder nacht is er in de kloosters ook ten minste één van de monniken, die de nacht biddend doorbrengt en bidt voor degenen, die niet waken, want het verblijf op de Athos is een ‘intensief‘ bestaan en ook monniken zijn gewone mensen en hebben hun slaap hard nodig.
De Heilige berg is de enige plaats op de wereld waar iedere 24 uur minstens 100 keer de Goddelijke Liturgie gevierd wordt tot heil van de wereld.

Alheilige Moeder Gods, abdes van de berg Athos

De Heilige berg Athos wordt niet voor niets de ‘tuin van de Panaghia  genoemd en is een ‘onafgebroken brandend Licht’ van voortdurend gebed tot de Heer.
Monastiek leven is een niet aflatend gebed tot God, waarbij Onze Heer, Jezus Christus, door het gebed van het hart wordt aangeroepen: “Heer, Jezus Christus, Zoon van de levende God, ontferm U over ons arme zondaars”; zelfs in hun slaap zijn er hoogstaande beoefenaars, die dit gebed ‘als behorende tot het Leven’ voortzetten.
Met dit gebed vragen zij de Almachtige God, ons mensen te doen herleven, te verzorgen, te versterken, te verlichten en Zijn dienaren in nood bij te staan, hen barmhartigheid te verlenen.
Deze heilige plaats, waar de monniken zich uit de wereld hebben teruggetrokken, is toegewijd aan “de Al-heilige Moeder Gods”, de Theotokos, de Godbarende, die alle mensen in nood ter harte neemt en hen tot redding aanbeveelt bij haar Zoon.
De monniken vragen zowel Christus als Zijn moeder aandacht voor de zieken in de ziekenhuizen, in het bijzonder zij, die op een afdeling ‘intensive care’ zijn beland, voor de eenzamen en ontheemden, ontvoerden en gevangen mensen, de dak- en werklozen, de weduwen en wezen en allen, die hen bijstaan in hun ellende. 
Het is goed dat wij, in de wereld, ons met deze Vaders op de Heilige berg, die ‘in God’ Wijsheid hebben ontvangen, verbonden weten.
In de Orthodoxie zijn het de monniken en Monialen, die ons orthodox christenvolk door hoogte en dieptepunten hebben voort geholpen; zij stonden ons met raad en daad bij.
Monniken van de Athos hebben assistentie verleend bij de eerste vertalingen van de statenvertaling, waartoe de staten Generaal der Nederlanden hen indertijd uitnodigde. Dit gemeenschappelijke feest, waarbij alles wat dit oord aan heiligen heeft voortgebracht, zowel degenen waarvan de namen bekend zijn als degenen die -in alle stilte en eenvoud- niet gekend zijn; zij zijn echter bekend bij de Éne, heilige Drie-eenheid, als broeders in de geest en zijn heengegaan naar de eeuwige rust. “Zij zijn als de [gewijde] olie [Myron], Die uitgestort is over het hoofd van Aäron en naar beneden druipt in z’n baard en als de dauw van de berg Hermoncf. Psalm 132[133].
Voor zover dit niet eerder nodig werd geacht, vond de Heilige Nicodemos de Haghiorite het noodzakelijk, dat degenen die voor ons welzijn ‘welbehaaglijk’ waren aan de Heer, gezamenlijk dienden te  worden onthaald op een feestelijke gedenkdag. Daarom nemen we vandaag in onze gedachten ook de anachoreten [kluizenaars] en die van de cenobieten [gemeenschapsmonniken] in de wereld; wij komen samen om ons – gelijk het betaamt – gelukkig te prijzen; onze kinderen, de jongeren, de ouderen, de vaders en moeders; de zondaars met de ons verblijvende heiligen en zingen hardop eendrachtig:
    Heer behoud deze plaats, die u heeft als uw woning hebt uitverkoren
en bescherm haar tegen elke vorm van het kwaad.
O veelheid van Heiligen, die op Athos hebben geleefd,
die rond de troon van God staan, door uw heilige gebeden,
bidt God voor ons, onze zielen te redden! “
 

Panagia Portaitissa, de Glykophilousa

Net als de Panagia Portaitissa, de Glykophilousa een icoon is van degenen die in de iconoclastische periode werden gered en wonder boven wonder over gebracht werd naar de berg Athos.
Deze icoon was oorspronkelijk in het bezit van Victoria, de vrome vrouw van de senator Simeon.
Victoria was degene die de heilige iconen vereerde en in het bijzonder de icoon van de Allerheiligste Moeder Gods, bij wie ze elke dag haar gebeden deed. Haar echtgenoot daarentegen was een beeldenstormer, die haar vroomheid maar aanstootgevend vond, want hij verkondigde net als Keizer Theophilos [rond 829-842], dat de verering van iconen verwerpelijk was. Simeon vertelde zijn vrouw hem haar lievelings-icoon te geven, zodat hij deze zou kunnen verbranden. Met het oog deze icoon van de ondergang te redden, gooide Victoria haar heimelijk in de zee en deze dreef recht op de golven van haar heen.
Na een paar jaar verscheen deze icoon door aan te spoelen op de oevers van de berg Athos, waar hij met grote eer en vreugde door de vadertjes [liefdelijke uitdrukking van de gelovigen voor de monniken] werd ontvangen nadat zij – door een openbaring van de Theotokos [de God-barende] op de hoogte waren

Bright Tuesday, the arrival of the Holy Icon of Panagia Portaitissa, to the Holy Monastery of Iviron

gesteld. Een stroompje water ontstond daarop op de plek waar ze het icoon aan wal kwam [bij het klooster Iviron]. Elk jaar wordt er op de dinsdag van de ‘Lichte week’ [ de week na Pasen] een processie gehouden, waarbij de monniken van de Athos massaal met ‘de icoon van de Moeder Gods’ uit wandelen gaan en er een zegening van de wateren plaats vindt. Talrijke zijn de wonderen, die bij deze icoon hebben plaatsgehad.
▪︎ Hoewel er vele wonderen van de Glykophilousa Icoon bekend zijn, zullen we er maar een paar op noemen. In 1713, beantwoordt de Moeder van Gods de gebeden van de vrome Ecclesiarch Ioannikios, die klaagden over de armoede van het klooster. Zij verzekerde hem dat ze in de materiële behoeften van het klooster zou voorzien. ▪︎ Nog een wonder vond plaats in 1801. Een pelgrim, nam zich, na het zien van de kostbare offers die via de icoon werden geschonken, vóór deze te stelen. Hij bleef in de kapel achter nadat de Ecclesiarch deze had gesloten. Vervolgens stal hij datgene wat was aangeboden- en naaste zich  naar de haven van Iviron, hetgeen een 500 meter vanaf de kapel is. Daar vond hij een boot die zou afvaren naar Ierissos [een plaats op het vaste land].
Na een tijdje wilde het schip vertrekken, maar ondanks het uitstekende weer, bleef het stil in de zee liggen. Toen de Ecclesiarch ontdekte wat er gebeurd was, zond de abt monniken in verschillende richtingen uit, op zoek naar de dader. Twee gingen naar de haven van Iveron en toen zij het schip onbeweeglijk in de haven zagen liggen, beseften zij wat er gebeurd was.
De schuldige man die deze vreselijke heiligschennis gedaan had – heeft hen om vergeving gevraagd. De monniken waren grootmoedig en wilden niet dat de dief zou worden gestraft en lieten hem heimelijk ontsnappen. ▪︎ 
Een pelgrim uit Adrianopolis bezocht een van de Athos kloosters in 1830. Hij had aandachtig geluisterd naar de geschiedenis van de heilige icoon, die een monnik verhaalde en tevens van de wonderen die ermee verbonden zijn, maar hij beschouwde het als een fictief verhaal dat slechts een kind zou kunnen geloven. De monnik was bedroefd over het ongeloof van de man en probeerde hem ervan te overtuigen dat alles wat hij had gezegd was absoluut waar. De onfortuinlijke pelgrim liet zich niet overtuigen. Diezelfde dag liep deze pelgrim op een van de hooggelegen balkons, gleed hij en begon te vallen. Hij riep uit: “AlHeilige Moeder Gods, help me!” De moeder Gods hoorde hem en kwam hem te hulp. De pelgrim landde volledig ongedeerd op de grond.
De Glykophilousa Icoon behoort tot de Eleousa iconen [de Maagd van Tederheid] een categorie van de iconen, waar de moeder de genegenheid laat blijken, hetgeen door het Christus.kind wordt aanvaard. Deze icoon krijgt in het bijzonder op 27 maart en op de dinsdag na Pascha speciale aandacht.
De icoon toont de Moeder Gods, die een buiging naar Christus maakt, Die haar op zijn beurt omhelst. De Moeder Gods lijkt Christus strakker dan in andere iconen te omhelzen, en haar expressie is meer aanhankelijk; deze icoon is op een pilaar geplaatst aan de linkerkant van de katholikon [hoofdkerk]

De 12 Apostelen, icoon I.M.Karakallou, Athos

        Het gebroeder- zuster-lijk  samenleven ziet het samenleven allereerst als geprivilegieerde weg om beter en sneller te groeien tot een biddend leven. Als weg om elkaar te helpen trouw te blijven aan het gebed en het zoeken van God.
Als weg tot zelfkennis en nederigheid, want niets maakt méér ontvangst-bekwaam voor het bidden van Christus’ Heilige Geest in ons, dan juist zelfkennis en nederigheid. Dit samenleven heeft daarom een eigen positieve gevoeligheid voor de ongemakkelijke kanten van het samenleven: juist die vormen een indringende leerschool om jezelf te verliezen, zodat Christus alles ‘in je’ kan worden – en het gemeenschappelijke [liturgisch] gebed God des te meer zal verheerlijken.
        Twaalf mensen werden uitverkoren en discuteerden onderling wie er nu elke plaats zou verkrijgen in het Koninkrijk der Hemelen. Zij waren de eerste menselijke stenen van de Tempel Gods, waarvan Christus de poort is. Met de huidige stand van zaken en de verdeeldheid in de kerken, is het geen wonder dat mensen openlijk sceptisch worden over Waarheid en Gerechtigheid. Inderdaad, het probleem met rechtvaardigheid is dat onze praktijk van rechtzinnigheid [ons gevoel met wat rechtzinnig is] niet langer meer ontvankelijk is voor een menselijk oordeel. Er komt echter een dag, wanneer de dingen anders -radicaal anders- zullen zijn en daar wijst Paulus vandaag op in bovenstaande Apostellezing, de dag dat God de mensen zal oordelen.
Er is geen noodzaak tot een dispuut [discussie]; God behoeft niet recht te praten wat krom is en behoeft niet te luisteren naar kerkrechtelijke strategieën. Geen Christelijke bloedgroep behoeft zich ‘boven‘ de andere verheven te voelen – wij zijn allen dienaren, die als vreemdelingen [vluchtelingen] zijn aangesteld in een vreemd land, want onze Stad-staat bevindt zich vèrre van hier.
In de wetenschap wáár onze Stad-staat Zich bevindt, waarom verwerven jullie je hier in het ondermaanse dan, landerijen, kostbare meubels, gebouwen en zwakke woningen? Iedereen die deze dingen voor zichzelf in dit ondermaanse zal verwerven, kan niet verwachten dat hij dé weg naar z’n eigen [innerlijke] stad [tempel] vindt. Dwaze, dubbelzinnige, miserabele mens: “Weet je niet dat al deze dingen hier niet van jou zijn, dat ze slechts door eigen machtsuitoefening in handen zijn gekomen? De heerser van de [Hemelse] Stadstaat zal hierbij zeggen: Ik laat niet toe dat je in Mijn Stad woont! Nee, je hebt je van deze Stad afgewend, want je houdt je niet aan Mijn Wetten! “. Nu hebt u eigen landerijen en velden, gebouwen en vele andere bezittingen en je wordt door de Heer der Heerscharen verdreven! Wat ga je nu doen met je landerijen, je velden, je huizen [kerken?] en alle andere dingen die je hebt verzameld? Heel terecht zal de Heerser u zeggen: “Let op Mijn wetten of verlaat Mijn land!cf. de profetieën van de Herder van Hermas [140-150 na Chr.]

Er zal geen behoefte zijn herinnerd te worden aan wat er in werkelijkheid zoal gebeurd; God is alwetend en alomtegenwoordig. Hij weet -beter dan de mens- wat er zoal plaatsvindt en hoe een heeft plaats gevonden; inderdaad Hij [God] was erbij toen de daden werden verricht en of dit onder Zijn toezicht en verantwoording heeft plaatsgevonden. Er zal geen behoefte noodzakelijk zijn om onderscheid te maken of iemand daadwerkelijk de waarheid spreekt of niet; nogmaals, God ‘weet’ alle dingen al, Hij kent ons door en door.
Kort geformuleerd er zal uiteindelijk slechts één perfecte situatie doorslag geven: één heilige Opperrechter, Die ‘niet‘ kàn liegen òf zondigen, Die ‘niet‘ kan worden omgekocht of door degenen, die -ons kent ons- te bevoordelen of door wat voor manier dan ook ‘beschadigd‘ is.
Deze Almachtige Opperrechter zal beschikken over de volledige kennis van alle verzachtende factoren en omstandigheden en Zijn laatste Oordeel zal rechtvaardig zijn en er zal geen gelegenheid zijn tot Hoger beroep.
Inderdaad het zal een radicaal andere dag inhouden, voor een Almachtige, Alwetende en Heilige Rechter, Die een definitief [finaal] standpunt zal innemen en ieder menselijke kwestie voor eens en voor altijd zal oplossen.
Op welke basis zal  God de mensen dan beoordelen?
Paulus geeft hier vandaag een antwoord op:
    ten dage, dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn Evangelie, door Christus Jezus“.

Christ Pantocrator enthroned with four Evangelists

God oordeelt de mensen overeenkomstig de Blijde Boodschap – onpartijdig, naar hun werken en in Waarheid en om hier inzicht in te krijgen dienen we vanaf het begin van deze perikoop te lezen:
      Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt. Want 
waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen.
        Wij weten echter, dat het oordeel Gods onpartijdig gaat over hen, die zulke dingen bedrijven.
Rekent gij wellicht hierop, o mens, die oordeelt over hen, die zulke dingen bedrijven, en ze zelf doet, dat gij het oordeel Gods ontgaan zult? Of veracht gij de rijkdom van Zijn Goedertierenheid, Verdraagzaamheid en Lankmoedigheid en beseft gij niet, dat de Goedertierenheid Gods u tot 
boetvaardigheid leidt? Maar in uw weerbarstigheid en on-boetvaardigheid van hart hoopt gij u toorn op tegen de ‘Dag van Gods Toorn’ en van de Openbaring van het Rechtvaardig Oordeel van God, Die een ieder vergelden zal naar zijn werken: hun, die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; maar hun, die zichzelf zoeken, ongehoorzaam aan de waarheid en gehoorzaam aan de ongerechtigheid zijn, wacht toorn en gramschap. Verdrukking en benauwdheid [zal komen] over ieder levend mens, die het kwade bewerktRom. 1: 1-9. 
Gelovigen [ja, óók christenen] die heidenen of ‘anders niet-gelovigen’ hypocriet beoordelen en daarmee dus de Genadegaven van God verachten, zullen ‘zelf’ -onpartijdig en overeenkomstig de waarheid en hun werken door [‘hun’] God worden beoordeeld. Eenieder wordt dus op dezelfde wijze beoordeeld. God zal eeuwig leven voor hen, die door volharding in goede werken ‘Goddelijke Glorie en Eer zoeken’ en daarmee onsterfelijkheid verkrijgen. Daartegenover staat wraak en woede voor degenen die in geldingsdrang [hoogmoed] zwelgen en de Waarheid [van Christus] niet gehoorzamen, maar ongerechtigheid bedrijven. God is onpartijdig; er zullen verdrukking en nood komen voor degenen die kwaad doen en Heerlijkheid, Eer, Vrede, voor iedereen die het goede doet.

de weg van Christus

De weg van Christus loopt dus verder dan ’s-mensen neus lang is – Gelovigen die heidenen hypocriet beoordelen en daarmee Gods Genadegaven verachten, zullen ‘zelf’ door God onpartijdig
worden beoordeeld. Sommige gelovigen tonen minachting voor Gods Zachtmoedigheid, etc. zich niet realiserend dat Zijn Geleidelijkheid leidt hen tot bekering; God beschikt over de tijd, Hij wacht op ieder mensenkind dat zich bekeert.
Niet-gelovigen bezitten kennis van God en zij zullen de werken Gods in gelovigen herkennen, je behoeft hen nog niet eens te spreken over de werken Gods, want dit staat in hun harten geschreven en zij zullen het herkennen. hierom en het feit dat hen “van nature” kan verwezen naar de innerlijke realiteit, lijkt mij de meest geëigende methode om hen mee te nemen in het “doe de dingen die nodig zijn overeenkomstig de Goddelijke Wet”.
Liefde overwint alles, laten wij ons eveneens overgevenconf. Vergilius, Eclogae 10.69

Orthodoxie & de navolging van het monastiek leven

verschoppeling

Ik ben ergens een geschiedenis tegengekomen over twee zwervers, twee verschoppelingen, die de nacht wilden gaan door brengen op twee bankjes langs een rivier. Op een gegeven ogenblik kijkt een van de zwervers de ander recht in het gezicht aan, staart hem even aan, schud z’n hoofd en zegt: “Jij bent helemaal geen echte zwerver! Je bent van betere komaf”.
En inderdaad de andere man was ooit ‘een hoge pief ’ [van hoge komaf] ! Zowel z’n voorname afkomst als z’n vreselijke decadentie waren van zijn gezicht af te lezen.
Inderdaad wanneer je de lijdende moderne mens nader beschouwt en zijn geschiedenis kent, wordt zowel de adel van zijn oorsprong als zijn decadentie opgemerkt en vallen je de schellen van de ogen. Het toont immers aan dat het menselijk ras voor -‘iets beters’- uit de aarde gevormd werd.
Het lijdt geen twijfel dat de mens voor een hogere bestemming en een edeler leven werd geformeerd; dat er ‘iets’ in z’n historie heeft plaatsgevonden  waardoor hij ‘zo’ omlaag is gevallen dat hij zelfs met afgunst naar de dieren kijkt als zou hij zo onbekommerd als hen z’n leven willen doorbrengen.

‘Wat is de mens, dat Gij hem gedenkt’, detail Rembrandt Harmenszn van Rijn

Wat is de mens, dat Gij hem gedenkt?
Wat is een mensenkind, dat Gij acht op hem slaat?
Toch hebt Gij hem slechts weinig beneden  de Engelen plaatst: Gij heb hem gekroond met glorie en eer. Gij hebt hem over de werken van Uw handen gesteld: alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd. Schapen en kudden van allerlei dieren; zelfs de dieren van het veld. De vogels in de lucht en de vissen in de zee, die gaan langs de paden der zee
”.
Psalm 8: 6-10, ver. ROK ’s-Gravenhage

En niet alleen schapen, runderen, vogels en vissen, maar ook het zonlicht, welke door zonnecollectoren/ wind en windmolens elektriciteit opwekken, inzicht in een gezond klimaat en zelfs de kosmos staat ​​al ter beschikking van de koning van de natuur. En tòch kan de mens z’n eten niet net zo tot zich nemen als het paard dit ‘onbekommerd’ doet. In de mens zien we de kracht van de natuur aan de ene kant en van de andere kant de decadentie van een gedegenereerd wezen, de enige gedegenereerde levensvorm binnen de natuur – òf de veroorzaker ervan!

       Als er één ding is dat het raadsel van de geschiedenis van de mens verklaart, is het de leer van het ontstaan van de zonde, het contrast tussen de hoogste macht en de tegenovergestelde degeneratie wordt in de mens aangetroffen.
Maar de verschrikkelijke en tragische toestand van de mens die zijn weg totaal kwijt is, is niet de enige realiteit. De terugkeer naar God, de tendens tot herstel, die God voor de mens heeft bereid. De ‘Verlossing door wedergeboorte’, zoals de Heilige Basilius de Grote dit zijn Heilige Liturgie formuleert, is ook een realiteit, Die zowel door Geloof als door ervaring innerlijke ervaring wordt aangetoond.

‘The Gifted Pan’ – for Prosphora [Holy Bread]

       Want de christelijke leer is niet alleen een leer van schuld, boete en afkeuring van het individu. Het is een leer van Genadegaven, van Verlossing, van dé Verlossing, Die de mens naar zijn vroegere positie terugleidt, hem herstelt.
En deze Verlossing herstelt de mens niet alleen maar biedt hem/haar tevens de mogelijkheid het vermogen om de vreugde, het welbevinden dusdanig te vermeerderen dat dit het verleden vèr te boven gaat.
       En hier vindt plaats wat de mens gewoonlijk overkomt, wanneer menselijke waarnemingen aan Goddelijke [heilige] Sterkte en Kracht worden overgelaten.
De almachtige Wijsheid maakt in Zijn Liefde voor de mensen het kwaad tot een instrument, die hem slechts ten goede komt.
       Dus de val van de mens als gevolg van de oorspronkelijke zonde is een realiteit, maar daarop volgt de verlossing en overstijgt dit z’n vroegere positie.
Deze opgang, deze beklimming wordt gerealiseerd door het contact van de menselijke ziel met Christus, Hij Die de weg ‘naar God‘ terug aanduidt. Elk moment van de dag mèt Hem vormt een ​​moment van opwaartse beweging naar de hemel. En iedere keer dat de menselijke ziel met Christus verbonden is, ervaart zij de duizelingwekkende hoogten waarmee Hij haar omhoog voert…… Via Christus wordt de ziel niet alleen opgenomen tot het niveau waar Adam voorafgaand aan de val was; ze stijgt tot de Troon van God, het Koninkrijk der Hemelen.
Het is zoals een hymne van de Orthodoxe Kerk zegt:
De oude Adam hield zichzelf voor de gek en verlangde God te zijn, maar hij is daar niet in geslaagd. Maar God werd Mens, zodat Hij Adam tot goddelijke hoogten zou trekken“.

De alheilige wereldomvattende Kerk,           ‘een Mysterie‘ – icoon

Voor de navigatie van een schip kiest men van de passagiers niet degene die ‘van een van de belangrijkste families afkomstig is’, schreef de Franse wiskundige en filosoof Blaise Pascal drie eeuwen geleden; het betreft een voor de hand liggende gedachte. Het besturen van een schip vergt een ‘speciale’ vaardigheid – van een stuurman of kapitein, geen enkel mens heeft daarvoor de vereiste kwaliteiten. Doordat God ‘Zichzelf‘ heeft vernederd en mens werd heeft Hij de mensheid Zijn Lichaam [de Kerk] gegeven en het is Christus, die de mens op de weg naar het Hemels Koninkrijk voorgaat. Ieder leidinggevende binnen dit Lichaam [de Kerk] bestuurt slechts ‘bij de gratie Gods’.
Het christendom heeft zich eeuwenlang verspreid over de wereld zonder – in zuivere zin – haar eigen identiteit kwijt te raken. Die identiteit zit niet in het feit dat de verschillende bloedgroepen ‘trots’ mogen zijn op hun eigenheid; hun trots is alleen te uiten via hun Heer en Meester, Die deze eenheid heeft gegarandeerd.
Voor zover wij ‘zelfs maar‘ in staat zijn door oprechte heelheid Zijn Hemels Koninkrijk te waarborgen kunnen wij niet anders dan slechts onze dankbaarheid uitspreken; van trots [uiting van arrogante hoogmoed] behoren wij ons als zondige wezens te distantiëren.

Zielenroerselen ‘je krijgt er geen grip op’

In de bezielde duisternis van God in onze ziel komen soms sterke bewegingen van liefde tot stand, die ons, slechts voor een ogenblik, volkomen bevrijden van onze aloude last van zelfzucht en ons maken tot kinderen voor wie het Koninkrijk der Hemelen is.
Het leven van de daarin gestorte beschouwing, de diepzinnige/godsdienstige manier van nadenken, contemplatie begint niet altijd met een beslissende Godservaring van een sterk binnenstromend Licht of het geluid van een gierende stormwind.
De ogenblikken waarin de ziel werkelijk ‘vrij‘ is en ontkomt aan de blindheid en machteloosheid van de gewone, inspannende wegen van de geest, zullen dan ook betrekkelijk zeldzaam voorkomen. En het is beslist niet moeilijk die plotseling, sterke schichten van de Genadegaven te herkennen en te laten binnendringen; deze stralen in de duisternis, die ons diep in de ziel treffen, veranderen de loop van ons leven, het Licht als die ‘bliksemstraal‘ overtuigt ons als vanzelfsprekend – zij slaan de schellen van de blindheid van onze ogen.
Zij planten zulk een diepe, nieuwe en rustige zekerheid in ons dat wij het onmogelijk kunnen misverstaan en niet meer zullen vergeten; ja het raakt ons zo diep dat niets ons meer kan tegenhouden – we het uit kunnen schreeuwen.
Maar wanneer iemand op een dergelijk fenomeen zit te wachten, zal hij/zij wellicht lang dienen te wachten, misschien wel z’n/haar hele leven lang.
De gewone weg voor de menselijke geest is jezelf oprecht ‘open’ te stellen: de diepzinnige manier van God aanschouwen [contemplatie].
Heel ongemerkt, langs zeer geleidelijke treden zal God ons nabij komen – het voorbereidend werk van lange, geduldige gedragen beproeving en een langzaam vorderen op de geestelijke weg is voor de meesten van ons de enige mogelijkheid. Met vallen en weer opstaan zal de Vader Zijn kinderen dáár heen geleiden waarheen Hij wil.

Heiligen van de Lage Landen, icoon ROK, Amsterdam

Wat missen wij dan in de Lage Landen, dat slechts een handjevol, op zichzelf staande, uitzonderlijke vaderlandse Heiligen dit hoogst haalbare bereiken?
Vergeet niet dat wij allen dezelfde personen zijn, wij ontvangen allen dezelfde Genadegaven, de ene mens ontvangt niet méér dan de andere. Het enige verschil is de mate waarop het individu op de Goddelijke roep reageert; de mate waarin men reageert maakt dat je ‘méér’ tot je oorspronkelijke zelf komt dan ooit tevoren. Het is niet nodig om u te vertellen dat grote Heiligen door hun omgeving  gehaat en gevreesd werden; zelfs werden sommigen van hen beschouwd als tegenstanders van het christendom, voormalige dieven en moordenaars, zij werden vanwege dit verleden -door hun tijdgenoten- afgewezen en veracht; maar God kijkt anders en ziet de ziel van het kind dat zich tot Hem wendt.

Degene, die op God’s oproep reageert heeft net als de ander de ervaring opnieuw geboren te zijn. Alles wat vroeger gold was een vergissing, een tastende voorbereiding op dàt ‘opnieuw geboren worden’. Vanaf dàt moment ben je in je ‘waarachtige element’ gekomen – je voldoet in hogere mate aan het feit dat je geschapen bent naar God’s beeltenis en gelijkenis – je voldoet aan het kind zijn van God – en tòch heb je het nog niet bereikt. Je bent alleen ‘vrij’ geworden om   onbegrensd de ruimte te betreden of deze weer te verlaten; hoe je dat doet is voor ieder mens verschillend en God laat je daar ook ‘vrij’ in.
Die onbegrensde ruimte, die diepte van het Leven is geen plaats, geen uitgestrektheid, maar een geweldige zacht voortkabbelende innerlijke bedrijvigheid, wij mensen zijn er bezig met ontzettend veel overwegingen en beslissingen. Die diepte van het Leven komt voort uit Goddelijke Liefde, dat overkomt je – dat is niet iets om ‘trots’ op te zijn, dat wordt je ‘om niet’ geschonken. Waar het om draait is wat je met datgene wat jij op je bordje krijgt, misschien zelfs hebt nagestreefd, gaat doen.

Heiligen zijn diegenen, die geheel òpgaan in dit streven, zij zetten àlles aan de kant, laten zich van àlles welgevallen, om datgene te bereiken wat God hen voorhoudt; stilzwijgend gaan zij hun innerlijke weg en temidden daarvan vormen zij zich een vesting, om hun aanvechtingen te beheersen. Sommigen gaan zó ver in dit streven dat zij huis en land verlaten, teneinde zich in de woestijn, op een schiereiland met een berg of een klooster te huisvesten – in de zekerheid dat zij de wereld vèr àchter zich gelaten hebben. Het vertrek uit de wereld biedt geen garantie tot succes – misschien is het op die plaatsen wel moeilijker dan in de wereld. Het afscheid nemen van huis en haard om je te vestigen in de meest geëigende plaats voor het Goddelijk perspectief is het jezelf ‘dood’ verklaren aan de wereld, je dag en nacht over te geven aan de Goddelijke Traditie. Het is een uiterste beslissing niet langer te leven ìn de wereld, je door wereldse beslommeringen te laten opslokken [christenen zijn ‘ìn’ de wereld, maar niet ‘vàn’ de wereld, hun vaderland bevindt zich elders].

icoonlampje

Ook in kloosters zijn parallelle werkelijkheden als in de wereld – het merendeel van de kloosterlingen leeft met elkaar. Ik geef je hierbij als voorbeeld, hoe moeilijk het soms niet is te leven met nog maar één levensgezel[lin] – hoe moeilijk zal het dan wel niet zijn wanneer je je leven deelt met meerdere gezellen/gezelinnen. Net als in de wereld zijn er ook dáár mensen, die zich niet uit durven te spreken over heikele thema’s, het is daar beslist niet het paradijs op aarde, ook dáár sneuvelen krijgers om Christus’ wil.
Het mag misschien een schok zijn, na al die verhalen, die u van pelgrimerende christenen hoort, die dit soort plaatsen bezoeken. Opgegroeid in de wereld nemen monniken en monialen zichzelf mee, het enige wat hen bindt is dat zij hetzelfde nastreven, ook zij zoeken hun weg naar het Hemels Koninkrijk en zij doen dit veelal in saamhorigheid.
Ook zij doen de afwas en maken bedden op; ook zij zijn doende om door arbeid op het land in hun onderhoud te voorzien; het verschil is echter dat zij zich door een tijdsregime toeleggen op gebed – niet alleen voor zichzelf, maar voor de wereld [dáár buiten de kloosters]. Zij zijn op de hoogte van datgene wat in de wereld plaats vindt en zijn meer dan wijzelf in staat distantie te nemen en zich te richten op ‘heel’kunde. Zij zijn, wanneer het goed is, méér dan ons in staat zich te beperken tot datgene waartoe de mens geschapen is: “Hier èn in het hiernamaals gelukkig te worden”.

De wereld om hen heen verandert de laatste jaren zo snel ‘de westerse samenlevingen zijn ontredderd’ – zij zijn van het Goede [van God] los, er is geen respect meer voor de minderbedeelden; ieder is uit op eigenbelang.
De politieke leiders hebben geen antwoord meer op de uitwassen, de negatieve ontwikkelingen zijn niet meer te stoppen; het is een langzaam stervensproces van de eigen beschaving. De mens keert zich af van datgene wat God de mens heeft geboden en haalt zich het ongeluk op de hals.
De ontroostbare mens vervalt tot dusdanige genotsmiddelen dat zij er niet meer los van komen en zoeken hulp door ‘de wijzen onder hen’ [-in het land der blinden is één-oog koning-] om advies te vragen; dit soort specialisten functioneren als bemiddelaar tussen God en de mensen. En in deze wijzen zij op de Blijde Boodschap waarin vermeld staat:  Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig maar zij, die ziek zijn. Gaat heen en leert, wat het betekent: Barmhartigheid wil Ik en geen offerande; want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaarsMatth.9: 12,13.
En als gevolg van die christelijke naastenliefde zullen we God ‘terwille’ dienen te zijn, Hem te dienen, slechts op die simpele manier is Gods aanwezigheid waar te nemen. Monniken en monialen geven hiertoe ook zelf het voorbeeld, leven met beperkte mogelijkheden en ontvangen hun gasten alsof ze ‘Christus Zelf’ ontvangen. Het staat ook ons vrij het goede te kiezen en in zoverre wij het kwade kiezen -zijn wij niet vrij-, want de keuze tot het kwaad doet de vrijheid weg schrompelen.

begijnhof, Amsterdam

Je behoeft het voorbeeld van de kloosters niet volgen maar wij leven tegenwoordig in een tijd dat men alleen nog maar oog heeft voor het aardse bestaan. Voor sommigen betekent dit: proeven van alles wat God verboden heeft, voor anderen betekent dit ‘goed mens zijn‘. Over datgene wat ná dit leven komt wordt in het geheel niet meer gepraat en het leven ná de dood wordt al helemaal verzwegen/ontkend. Daardoor ontstaat er een tendens waar dat mensen bij de vraag ‘naar de zin van het leven’ zònder religieuze duiding een grote leegte ervaren. Schijnbaar laat God Zich niet zo maar verdringen en laat Hij aan de mens merken dat Hij er nog steeds voor hen is. God zegt immers: “Ik ben, Die ben, Die is”, – ‘verborgen Aanwezig’- deelt Hij Zijn Vaderlijk bestaan.
Waar God is, zijn wij en is Hij altijd -‘beschikbaar’-.
Dit is het waarachtig Vaderland en al het andere in de wereld is een onrechtmatige toe-eigening van het Hemelse. Alles wat wij op onszelf zònder God doen, is als gevolg van een erfelijke aandoening -de mens is op zich goed-, maar geneigd tot het kwaad – welke de mens door op God néér te kijken [arrogante hoogmoed] zichzelf naar beneden haalt, doet vallen.
Christus, Gods zoon, heeft ons bekend gemaakt dat wij door ons kruis op te nemen, dwz. jezelf te  verloochenen, gered kunnen worden; “      Indien iemand achter Mij wil komen, die dient zichzelf te verloochenen en dient zijn kruis op te nemen en Mij te volgen. Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die 
zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden. Want wat zou het een mens baten, als hij de gehele wereld won, maar schade leed aan zijn ziel? Of wat zal een mens geven in ruil voor zijn leven? Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn engelen en dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn dadenMatth.16: 24-27.
Als Christen ga je een levenslange verbintenis aan en je kunt alleen maar hopen dat God je Z’n  Kracht meegeeft [je mag daar ook om vragen, zelfs onder druk], je Geloof trouw te blijven.
De buiten-wereldse bedoeling van het monastieke leven houdt in, voor de armen te zorgen, gastvrijheid te bieden en door handenarbeid te verrichten in het levensonderhoud te voorzien – naast dit werk wordt een leven van gebed [‘het Jezusgebed’] geleid.
Monniken worden nooit als de énige wáre gelovigen beschouwd, hun levensstijl geldt als een relativering maar ook als een ondersteuning van de ‘actieve’ levensstijl van de andere leden van de Christelijke Gemeenschap.
Weinig [of geen] religies durven God als ‘Abba’, ‘Vader’ aan te spreken, zoals het Christendom dit doet – deze Gods-Naam nodigt uit tot een zéér persoonlijke relatie tot God, die Zijn kinderen rechtvaardig beoordeelt. Hij heeft met de gelovige christen, Zijn kind, een overeenkomst [een verbond] gesloten, waarin is vastgelegd wat van het kind verwacht wordt.
Dit Godsbeeld wordt ons door Christus voorgehouden ten opzichte van de geleerde gesprekspartners, de Farizeeën Marc.12.

Christus, de Goede Herder, detail mozaïek in San Lorenzo fuori le mura, Rome

Bij de Zoon van God komt heel sterk naar voren dat Hij ‘de zin van het bestaan’ zoekt in het bestaan vanuit God. Hij spreekt ook uit dat Hij zònder God niet kan bestaan. Dóór de Vader is Hij geworden wàt Hij was. De Vader heeft Hem niet alleen een opdracht gegeven voor de mensen, Hij heeft Zijn leven gedragen en zelfs toen Zijn levenseinde zinloos leek heeft God er betekenis aan gegeven: een daad van Liefde tot het uiterste toe.
De Zoon van God is Zich er – als geheel God en geheel mens zijnde – van bewust dat Zijn leven op aarde eindig is. Hij aanvaardt de dood omdat Hij met voldoening terug kijkt op Zijn leven. Alles wat Hij voor de mensen kon doen heeft Hij gedaan. Door Zijn optreden heeft Hij aan de mensen het Aangezicht van God laten zien.
Sterker nog: Hij heeft ook hún de mogelijkheid gegeven om te delen in het Leven voor altijd. Het los laten van mensen die Hem dierbaar kost óók Hem, al is Hij God, moeite. Maar tevens weet Hij als God-mens dat de mensen ‘niet’ verstoken blijven van de Goddelijke Vaderlijke zorg. Ook ná de dood van de mens blijft God hen bescherming bieden en leiden.
Doordat Christus Zich heeft terug getrokken uit de wereld en terug is gegaan naar de Vader, is aan de leerlingen de zorg voor de wereld en alles wat daarop leeft toevertrouwd.
Dit vinden wij heel nadrukkelijk terug in de opdracht om Gods schepping goed te beheren; in onze tijd betreft het andere zaken dan honderd jaar geleden. Door de vooruitgang van de techniek en de wetenschap komt de mens voor een nieuwe verleiding te staan. Beschouwt de mens zich als autonoom òf nog steeds als iemand die verantwoording dient af te leggen aan de Schepper.
Veel mensen die alleen zichzelf maar voor ogen hebben, lopen ook op zichzelf stuk. Zij hebben niemand anders die zin geeft aan hun bestaan. De enige zin van hun bestaan is het bestaan in zichzelf.
Voor de gelovige mensen betekent het leven voor God nog steeds en steeds weer opnieuw ‘de zingeving van hun bestaan‘. Daarin volgen zij als christen -‘de weg van Christus‘- Die Zijn leven beschouwde als een opgang naar het huis van de Vader. Zeker bij en na het hoogfeest van Pinksteren mogen wij ons hiervan bewust zijn.
De Heilige Geest is het geschenk van God waardoor wij de brandstof aangeleverd krijgen om als werktuig van God onze arbeid te kunnen verrichten en daarin ook levensvreugde te vinden.

Orthodoxie & de christenen [heiligen] in het bijzonder

icoon, “Hemelvaart des Heren”

Nadat onze Heer en Zaligmaker werd gedood, verkondigde de kleine groep van Zijn volgelingen te Jeruzalem dat hoewel hun Inspirator alle schaamte had afgelegd, Deze inderdaad nog steeds leefde en hun Hoop en Geloof als de brenger van het Hemels Koninkrijk nog steeds op Hem gevestigd bleef.
De tegenwoordige tijd, zo verkondigden zij was aan z’n einde gekomen; aangezien de mensheid vanaf dat moment geconfronteerd werd met het grootste keerpunt wat ooit in haar geschiedenis had plaats gevonden en dat hun Heer en Meester een tweede keer in volle Glorie en met Autoriteit zou terugkeren. Gods heerschappij zou daarmee over de hele aarde worden gewaarborgd.

Hemelvaart, de Belofte van de H. Geest, SimeonArtschischez, miniatuur [1305]

De realiteit van dit bericht zou in de primitieve kerk door de werking van de hen toekomende Genadegaven van de Heilige Geest kunnen worden herkend. Mensen werden getransformeerd. De kracht om weldra de dood te ondergaan, welke inherent verbonden is aan het offer van de Heer Jezus Christus, leidde ertoe dat Zijn volgelingen de uitnodiging van het martelaarschap heldhaftig aanvaarden en dit gaf hen de overtuiging dat zij de demonische krachten van boosheid en ziekte zouden kunnen overwinnen.

Degene Die hen door de doop in de de Heilige Geest tot leven had gewekt,  bezorgde een levenskracht die een geheel nieuwe houding in het leven deed ontstaan:
Liefde voor broeders en zusters, alsmede Liefde voor je vijand, de Goddelijk verkregen Rechtvaardigheid van het komende koninkrijk Gods.
Door deze vernieuwende geest werd het persoonlijk eigendom in de vroege kerk niet langer in stand gehouden. Materiële bezittingen werden aan de kerkelijk vertegenwoordiger overhandigd ten behoeve van de onder hen aanwezige armen. Door de aanwezigheid en Kracht van de Heilige Geest en door het Geloof in de Heer en Zaligmaker werd deze band van de volgelingen een broederschap.

Tympaan, Gevelsteen vroeg-christelijke kerk Klein-Azië

Onder ons vindt u niet-wetenschappelijk opgeleide mensen, ambachtslieden en lieve oude moedertjes die het algemeen belang van hun verheven Leer niet onder woorden zouden kunnen brengen, maar slechts ‘door hun daden‘ de waarde van hun principes aantonen. Ze herhalen niet de woorden die ze uit het hoofd hebben geleerd, maar ze tonen hen door hun goede daden: wanneer ze geslagen worden slaan ze niet terug, wanneer ze beroofd worden, gaan ze niet naar de rechtbank,   ze geven antwoord op vragen, die hen gesteld worden en zij houden van hun medemensen als van zichzelf”.
cf. Athenagoras, kerkvader [ws. Athene,133-190 na Chr. ], uit: pleidooi voor christenen

vrij van hartstochten

“We zijn zo ver verwijderd van het beoefenen van de seksuele omgang met anderen, dat we zelfs niet de ambitie tot lust hebben, ook niet door te kijken. Wat zou ons meer doen twijfelen over de zuiverheid van het leven, welke aangevoerd wordt door degenen die hun ogen niet voor enig ander doel mogen gebruiken dan daartoe waarvoor God deze geschapen heeft, namelijk om alles in het Goddelijk Licht te bezien, voor degenen voor wie zelfs een sensuele blik als overspel wordt beschouwd! Voor hen geldt het komende oordeel zelfs voor gedachten!
      Wij zijn niet degenen, die erop worden aangesproken zich te houden aan de wereldse wetten, die een goddeloos persoon met gemak kan ontwijken. Van het begin af aan heb ik mij ingezet u te overtuigen van de goddelijke oorsprong van onze leer, ons onderwijs; wij beschikken over geheel andere wetten.
We hebben ons als opdracht gesteld, wij hebben een taak op ons genomen, die ons heeft geleid te bewerkstelligen dat de  algemene strekking tot volledige uitvoering van Gerechtigheid wordt gevonden teneinde onszelf en onze naasten op het rechte pad te houden.
     Met dit in het achterhoofd kijken we naar een aantal mensen, naargelang hun leeftijd, als zonen en als dochters; sommigen behandelen we als broeders en zusters; en degenen die ouder zijn, brengen wij de eer als vaders en moeders.
Het is voor ons christenen van het allergrootste belang dat hun lichaam niet misbruikt en onbeschaamd blijft: zij behoren immers tot degenen die wij als onze broeders en zusters of een ander soortig relatie beschouwen! Het Woord Gods spreekt ons hier nogmaals op aan: “ Wanneer een relatie gevorderd is wordt er gekust, omdat men elkaar vertrouwt. Echter wanneer dit jou een tweede keer overkomt, dient men de kus en daarmee de begroeting met zorg uit te wisselen, want waneer dit door een verkeerde gedachte zou worden verontreinigd, zou dit ons van het eeuwige leven kunnen beroven”.

Saint Athenagoras, the Athenian and Apologist

”     De wereld jaagt slechts ‘genot’ na, die alleen ‘-in de wereld van de verbeelding’- wordt ervaren.
Zo heeft ieder van ons slechts één vrouw, die hij gehuwd heeft volgens onze eigen wetten, min of  meer met de bedoeling, kinderen te verwekken. De boer verwacht na het zaad in de moedergrond op de oogst zonder nog meer zaad te gaan zaaien. Op dezelfde manier bereikt onze wens haar doel in de voortplanting van kinderen. Niettemin zullen jullie veel mede-gelovigen tegenkomen, zowel mannen als vrouwen, die oud worden zonder ooit te trouwen, in de hoop op een innerlijke   gemeenschap/samensmelting met God. Wanneer dan in de staat van maagdelijkheid wordt volhard, brengt dit beide geslachten dichter bij God en als één enkele gedachte of seksuele begeerte ons van God wegneemt, hoeveel te meer zouden wij wel niet de daden verachten, die de gedachte ons zou
verbieden?
     Ons leven bestaat niet uit het uitspreken van mooie volzinnen maar uit het verrichten van daden en werken, die ‘eenieder’ [ons allemaal] ten goede komen. Iedere mens dient dusdanig te volgroeien zoals hij geboren is of slechts één keer te trouwen, want een tweede huwelijk omvat slechts een gecamoufleerde overspel . . . . Degene die zich van zijn eerste vrouw ontdoet, zelfs al is zij vroegtijdig gestorven, is iemand, die op versluierde wijze zijn Genadegaven verspilt. Hij verheft zichzelf boven het goddelijk gebod, die in den beginne slechts één man en één vrouw heeft geschapen.
     Maar waarom zou ik zaken aanhalen, die slechts een Mysterie zijn?
Ondanks zulk een hoogste graad van schone  grondbeginselen worden er ernstigste beschuldigingen tegen ons geuit, die het gezegde inhouden dat: “De hoer de kuisheid verwerpt”. Mensen die regelmatig een vrij slaven-verkeer bewerkstelligen; die er op uit zijn de Wet slechts te ontlopen, biedt jongeren elk vorm van datgene wat zij dienen te verafschuwen; die zich zelfs niet eens van mannen kunnen onthouden, maar aangrijpende daden ten uitvoer brengen, zoals mannen met mannen doen; die in alle opzichten alleen de meest sierlijke en mooie lichamen verontreinigen; die het glorieuze handwerk van Gods schepping tot op het stof vernederen – want schoonheid bestaat niet slechts uit stof, maar doordat het vanuit Gods hand tot mens en als Genadegave is geschonken. Dit soort lieden bedrijven -zichzelf volkomen bewust- slecht bekend staande zaken voor onze ogen en schrijven ze zelfs toe aan de door henzelf ontworpen “als ideaal” [en goddelijk], zij beschouwen hun daden als zijnde in moreel opzicht “edel”, welke hun persoonlijke voorkeuren [afgoden] met respect tegemoet treden!
       Zij, die overspel plegen met schandknapen willen ons beschuldigen, die in een staat van maagdelijkheid of een strikt monogaam huwelijk leven leiden!  Zij die hun leven als vissen praktiseren, die als prooi dienen en het bed delen met eenieder die zij maar op hun weg tegenkomen, je ziet hoe de sterkere de zwakkeren opjaagt.
O, wat een teniet doen van de waarde van het menselijk vlees, wanneer de wetten, die door u en uw voorouders in rechtvaardigheid ter overweging werden aangenomen, worden geschonden, wanneer mensen onder zulk een kracht onderdrukt worden ​​dat de door u aangewezen vertegenwoordigers de rechtszaken zelfs niet kunnen opleggen, wanneer mensen als gevolg van dit gedrag veel leed wordt berokkend, wanneer ze zó vernederd worden wanneer zij er zelfs maar op zouden terugkomen.
       Om dit slechts te verdragen, is ons niet genoeg, omdat dit zou inhouden dat wij u met gelijke munt terugbetalen, maar wij ‘christenen’ hebben ons de opdracht eigen gemaakt om nog veel vèrder te gaan, door vriendelijk en geduldig te blijven.
       Hoe kan iemand met een goede inborst ons beschuldigen van moord wanneer we ons aan zulke principes optrekken, want je dient iemand eerst [geestelijk] te vermoorden wil je het menselijk vlees tot je nemen!  Net zoals ze in de eerste opmerking een bedoeling hebben, doen ze ook met de tweede. Wanneer iemand hen zou vragen of ze eigenlijk hebben ingezien wat ze beweren, zou er niet één van hen het lef hebben om “ja” te zeggen. En toch dragen wij een last met ons mee, de een wat meer, de ander wat minder. Niets kan voor hen verborgen blijven, maar niet één van hen heeft ooit dergelijke onzin of verzinsels over ons als iets nieuw bedacht of bekend gemaakt.

Vrouw wordt bekleed met Christus, ‘Priscilla-catacomben’, te Rome

Hoe het ook te rechtvaardigen zou zijn wij kunnen het niet verdragen om onszelf te recht- vaardigen een ​​man of vrouw nakend te zien !
Hoe kunnen we ons dan van moord en kannibalisme laten beschuldigen?
Hoe kunnen we eventueel iemand vermoorden als we dit niet eens kunnen aanzien, als we niet met de schuld van moord en heiligdom vervuild zijn!
Hoe zouden we in het voorkomende geval eventueel iemand kunnen doden, wij die degenen vrouwenmoordenaars noemen die medicijnen gebruiken om een ​​abortus tot stand te brengen, wij die verklaren dat zij ooit ten opzichte van God verantwoording zullen dienen af te leggen!
Wij zijn ervan overtuigd dat er bij God niets wordt onderzocht, dan na de beredeneerbare drang en de begeerten van de ziel, en dat het lichaam het aandeel in de straf zal ondervinden.
Dat is de reden om zelfs maar de geringste zonde te verwerpen“.
cf. Athenagoras, kerkvader [ws. Athene,133-190 na Chr. ], uit: pleidooi voor christenen

        Toen ik dit zo las, nam ik het ter harte, toen ik het zag,
diende ik daar eveneens een les uit te trekken en dan spreek ik nog niet eens over vroegtijdige levensbeëindiging, hetgeen momenteel ‘hot’ item is in de kabinetsformatie van Nederland.

Gregory, the wonderworker, bishop nea-ceasarea

        Maar aan een ieder wordt de Openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen. Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens diezelfde Geest; aan de een Geloof door dezelfde Geest en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest; aan de een werking van Krachten, aan de ander Profetie; aan de een het onderscheiden van geesten en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen. Doch dit alles wordt bewerkt door één en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij [God] het wil1Cor.12: 7-11 lezing feest H. Gregorios, de Wonderdoener [17 Nov.]

Pala d’Oro, Christus & Evangelisten, Venetië, San Marco

       Reeds in het begin van het ontstaan van de Kerk ontstond er binnen haar geledingen een onderscheid door rangen. Er waren apostelen, bisschoppen, presbyters en diakens.
Er waren ook andere onderscheidingen, die niet meer in gebruik zijn. Sinds die tijd worden de leden van de kerk in twee groepen ingedeeld, de geestelijkheid, de clerus en de leken, de eerstgenoemde in de hogere echelons [bisschoppen, presbyters en diakens] en de lagere geestelijken [subdeacons, psaltisten, enz.]

        We gaan het hier nu niet hebben over het werk wat iemand in deze ambten doet, hoewel het verleidelijk is de functie van de toezichthouder eens onder de loep te nemen. Wel willen we  erop wijzen dat het absurd zou zijn om de Kerk van discriminatie te beschuldigen vanwege  het verschil tussen twee klassen christenen, van preventief, tot de cultivator van het spirituele leven en de beoordeling van van de kleine groep, die over de benoeming in dit soort weinige ambten gaat, want in religieuze zaken maakt juist ‘dìt‘ het onderscheid.
      We dienen altijd in gedachten te houden dat canonieke autoriteit één ding is en geestelijke vitaliteit iets anders; dat ze zouden samenvallen is uiteraard de meest gewenste situatie. Het zou uitmuntend zijn als degenen die aan de leiding van de gemeenschap zijn toevertrouwd, ook geestelijke vitaliteit ten toon zouden spreiden, als Christus via hen een lichtend voorbeeld zou zijn. Want dat is onmogelijk, zelfs in theorie blijken degenen die geestelijke vitaliteit aan de dag leggen niet altijd toegewijd zijn aan de kerkelijke autoriteit.

Niet alle christenen die vol ijver zijn en hun christendom in toewijding en deugd beoefenen, kunnen  de kerk als behoeder dienen en voor toekomst ongeschonden bewaren. Neem alleen al het feit dat vrouwen het priesterschap niet mogen betreden, zij zijn in de dienstverlening aan de kerk namelijk van oudsher beperkt, terwijl het genieten van de goddelijke Genadegaven en de invulling van het geestelijk leven onbeperkt is.  Anderzijds is het spirituele leven binnen de Kerk, het Lichaam van Christus, nimmer afhankelijk gesteld van de spiritualiteit van de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder en zou laatstgenoemde niet de administratie en de boekhouding dienen te beheren maar zouden de gelovigen deze laatste taken dienen te beheren. Het behoud van de plaatselijke gemeenschap is van de bezoekende beminde gelovigen afhankelijk; zij beheren en dragen zorg voor het onderhoud van de gebouwen en de inboedel.

Daar tegenover staat dat de eeuwenoude praktijk van onze Heilige Katholieke [-over de wereld verspreide-] Kerk die van de gelovige is, maar dat de clerus zorg draagt voor de uitvoering van de canonieke jurisdicties, zodat toch alle gelovigen christenen actieve leden van de kerk zijn. En, om een ​​fijne illustratie van Paulus te noemen [1Cor.12: 12-30], als één lid niet het oog is, maar het oor, òf de hand òf de voet, betekent dit nog niet dat hij/zij geen deel uitmaakt van de Lichaam [van Christus]. Wij bevelen u, lezer dit in het bijzonder aan, deze illustratie van Paulus eens grondig te bestuderen vanwege de uitstekende waarde aan onderwijs dat hier gegeven wordt, evenals het belang welke deze schriftinhoud ten opzichte van dit onderwerp aan de orde stelt.
       Deugd, ijver en overdracht van geestelijk leven, onderhouden binnen een ‘onbeschadigd‘ vertrouwenskader; teneinde daar Geloof aan te kunnen ontlenen en, indien nodig erdoor te worden geheiligd, want – ‘dit’ – zijn allemaal onherstelbare consequenties van een christelijk leven dat door de gelovige [incl. de clerus] dient te worden beoefend. Nog meer onaanvaardbaar en absurd is het verwijt ten opzichte van de Orthodoxe Kerk als dat zij het directe contact van de mens met God zou vermijden en dit door de interventie van de geestelijkheid zou worden belemmerd. We denken niet dat dit argument met eerbied zal worden gelezen door lezers die afkomstig zijn uit landen rond de middellandse zee die dit in deze uit eigen ondervinding hebben ervaren. Door de eeuwen heen hebben ‘nationalisten‘ daar gehoor gevonden in die landen, die aan allerlei gevaar en vervolging werden blootgesteld en een  heldenstrijd hebben moeten voeren.
En de meesten onder ons hebben tevens geen weet van de miljoenen die in deze tijdperken leefden waarin preventief contact met God diende te worden gemeden, alleen vanwege de ‘onzorgvuldige‘ begeleiding van de geestelijkheid! Daarentegen zijn er momenteel nog steeds duizenden gelovigen, die vervolgd worden en in angst leven en in kritieke ogenblikken op momenten, die daar debet aan zijn, wanneer alles verloren lijkt te zijn, hun hart tot God wenden terwijl zij stiekem ze naar de priester [op de radio] luisterden: “verhef uw harten” [σηκώστε τις καρδιές –
رفع قلوب].

Vanuit de diepte van mijn hart             roep ik tot U!

Niet alleen in die gegeven omstandigheden, maar ook in persoonlijke moeilijkheden hebben duizenden, nee miljoenen mannen en vrouwen hun vergeten contact met God weer op weten te nemen, enkel en alleen omdat er een inspirerende priester aanwezig was, die hen ertoe leidde. Het  Mysterie van de ontmoeting, de communie met God omvat echter geen enkel obstakel, maar omvat het kernpunt, het centrale punt als basis en waarborg van aanbidding.
        Nooit en te nimmer is er in onze Kerk onderwezen, zoals sommige van de vijanden verkondigen, dat de gelovigen alleen maar zouden bidden vanwege de priester. ‘Bid zonder ophouden‘ is niet alleen een fundamentele Leer van de Blijde Boodschap, maar een voortdurende praktijk binnen de Orthodoxe Kerk.
Dit onophoudelijke gebed is echter als gevolg een voortdurende hang naar ontkenning door de clerus -als mogelijkheid tot openbare aanbidding- genegeerd, de laatste jaren komt hier in Nederland een kentering in. En daar waar het aan deze drang ontbrak had dit tot gevolg dat het onderling contact van God met de gelovigen eerder vermeerderd werd dan afnam. Want de verbinding als gevolg van de Genadegaven heeft de persoonlijke voorkeuren van de clerus uiteindelijk teniet gedaan.

Orthodoxie & voortgaande Traditie

icoon van Pinksteren

Zonder Traditie zal structurele verandering, die het resultaat is van op elkaar inwerkende en elkaar versterkende ontwikkelingen verloren gaan. God en de dienst aan God is per definitie beweging.
Onze Heer Jezus Christus heeft immers tegen Nicodemus gezegd dat de Heilige Geest is te vergelijken met de wind: je kunt Hem niet zien, maar op den duur is -over een heel leven- wel het effect van Zijn aanwezigheid waar te nemen.
De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn
geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren is” John. 3: 8. En Nicodemus antwoordt hierop: ” Hoe kan dit geschieden?”.
In de bovenzaal manifesteerde de Heilige Geest Zich als was het geluid van een gierende stormwind, die niet alleen in het huis, maar in de hele omtrek te horen was. 
De kracht van de windvlaag duidt op de immense kracht van Gods Geest, geen vernietigende kracht, maar een verfrissende en vernieuwende kracht, die mensen in beweging zet.
De vroeg-christelijke Kerk kàn derhalve niet rechtlijnig hetzelfde zijn gebleven, de gelovige mens wordt in beweging gehouden, opdat zijn Hoop op het eind der tijden bij de ontmoeting met de Heer werkelijkheid wordt.

Hemelvaart, de Belofte van de H. Geest, SimeonArtschischez, miniatuur [1305]
Ons Joods-christelijk Geloof is -ook na Christus geboorte, Zijn sterven, Opstanding, Verrijzenis en Hemelvaart – van generatie op generatie voor alle tijden en alomvattend gebleven, maar weet niet waar de Heilige Geest haar voert.
Generaties en tijden wisselen, zij verschillen ook van elkaar. Ik denk aan het volk Israël [de Kerk], waarvan de ene generatie in de woestijn heeft geleefd, en de andere in Kanaän.
De woestijn- generatie kende de beproeving van gevaar, armoede en schaarste – de beloofde-land-generatie kende beproeving van rijkdom en overvloed. Je belijdt het Geloof in God altijd weer in een andere tijd dan de generaties voor je – en ook na je.
Elke generatie wordt geroepen in de concrete situatie van -hier en nu- de levende God te belijden en te dienen. Het is dan ook de vraag of de jongeren altijd kunnen piepen ‘wat’ en ‘zoals’ de ouden zongen. Daar zit op z’n minst een proces van toe-eigening tussen, en toe-eigening is ‘veel méér‘ dan een klakkeloos nazeggen en herhalen van je is voorgezegd; de Heilige Geest zet ieder geslacht op eigen wijze -‘in vuur en vlam’-.
Voortgaand onderzoek naar het probleem van de ultieme oorzaak van het universum heeft veel tekenen geopenbaard die het bestaan van de Schepper aantonen. 
Hoewel ikzelf in de loop der tijd veel woorden nodig heb gehad om mijzelf uit te drukken; ben ik uiteraard, -zoals velen-, niet in staat in een korte studie als deze -dit allemaal- te onderzoeken. Maar we kunnen de bewijswaarde die de mens altijd heeft toegeschreven aan het feit dat het hele menselijk ras hun veroordeling in het bestaansvermogen van God uiten, niet overzien.
Grieken en Romeinen, Chinezen, Amerikanen en Australiërs voelden zich afhankelijk van een opperwezen. Door de eeuwen heen van de menselijke geschiedenis zijn de beeldende kunsten nooit opgehouden hun bijdrage te leveren aan deze universele uitdrukking van de menselijke ziel.
De getuigenis van Plutarch, de oude schrijver, die geen theoloog of zelfs nog maar Christen was, is zeer belangrijk: “ Je mag, in je reizen over de wereld, steden tegen komen zonder muren, zonder letters, zonder koningen, zonder huizen, zonder alles wat je maar kunt bedenken of vinden -steden die geen geld nodig hebben, die ook geen theaters of gymnasiums hebben, maar een stad zonder heiligdommen of zonder goden, een stad waarvan de mensen geen geloften of eden afleggen of offers aan goden brengen, heb je nog nooit of ooit gezien. Ik zou dienen te zeggen dat het makkelijker is om een stad zonder grond/aarde te definiëren dan een gemeenschap te bouwen en te behouden waar de goden zijn afgeschaft”. En dat is wat wij -mensen van deze tijd- als gevolg van de verlichting, het humanisme, de geestelijke richting, zònder god, maar die de mens tot het hoogste wezen verheft, hebben zien ontstaan. De mens heeft zichzelf bóven god gesteld en weet in geval van nood niet meer waar zij het zoeken moet; ontreddering alom.

Griekse filosoof Zeno van Elea, achilles en de schildpad

De grootste paradox van de Kerk is dat zij tegelijk in wezen traditioneel is en in wezen revolutionair. Maar dat is niet zo paradoxaal als het wel lijkt, want de christelijke traditie is, in tegenstelling tot alle andere, een levende en onophoudelijke revolutie. Alle menselijke traditie heeft in zich de neiging tot stilstand, levenloosheid en verval.
De tradities trachten dingen te vereeuwigen, die niet vereeuwigd kunnen worden. Ze klampen zich vast aan objecten en waarden die de tijd zonder Genadegaven vernietigt. Zij zijn gebonden aan tijdelijke, stoffelijke orde van dingen – zoals volksgebruiken, klederdrachten, bouwwerken, verzen, landschappen en levensvormen – die onvermijdelijk veranderen om plaats te maken voor iets anders -.
De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn
geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij
heengaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren is” John. 3: 8.
De levende traditie van het katholicisme [Gr. in de letterlijke betekenis ‘wereldomvattend’] is als de adem van een fysiek lichaam.
Zij vernieuwt het leven door alle stilstand te verhinderen.
Zij is een voortdurende, rustige, vreedzame revolutie tegen de dood!.
Zoals de lichamelijke ademhaling de geestelijke ziel verenigd houdt men het stoffelijk lichaam, waarvan de stof juist de neiging heeft om te vervallen en te vergaan, zo houdt de katholieke overlevering de Kerk in het leven onder materiële, sociale en menselijke elementen, die haar zullen aankleven zolang zij in de wereld is.
Er is geen sprake van een leiband, geen angst, alleen het autonome stelsel, de Heilige drie-eenheid ziet toe op haar ontwikkeling.
De reden waarom de wereldomvattende traditie echte overlevering is, ligt in het feit dat er slechts één levende Leer in het Christendom bestaat: er valt niets nieuws te ontdekken.
Het Leven van het Lichaam van Christus, de Kerk is de Waarheid van God Zelf, in de Kerk uitgestort door Zijn Heilige Geest en er kan géén enkele andere waarheid zijn, die deze Waarheid kan verdringen of vervangen. Het enige dat zulk een intens ‘Leven’ kan vervangen, is een minder leven, een soort dood.
De voortdurende neiging van de mensen om God en die levende traditie de rug toe te keren, kan slechts worden tegengegaan door een terugkeer en een vernieuwing van het éne onveranderlijk ‘Leven’, dat God bij het begin van de Kerk, Zijn Lichaam, heeft uitgestort. 
Maar toch dient de Traditie altijd een revolutie in te houden, want van nature ontkent zij de waarden en normen waaraan de menselijke hartstocht zo krachtig vasthoudt.
Tot al degenen die geld, genot, roem en macht liefhebben, zegt de Traditie:
Weest arm, gaat naar de verste einden van de samenleving, neemt de laatste plaats in onder de mensen, gaat wonen bij hen, die veracht zijn, hebt de andere mensen lief en dient hen, in plaats van uzelf door hen te laten [be-]dienen. Weerstaat hen niet als zij u vernederen, maar bidt voor hen die u kwaad doen. Zoekt niet naar genot, maar wendt u af van de dingen die uw zinnen bevredigen en zoekt God in honger, dorst en duisternis, door woestijnen van de geest, waarin het reizen dwaasheid lijkt. Neemt de last van het Kruis van Christus op u, dat is: de nederigheid, de armoede en de gehoorzaamheid van Christus en gij zult Vrede vinden voor uw ziel”.
➻ Dat is de volledigste revolutie, die ooit door Christus is gepredikt; het is ook de enige echte omwenteling, want alle andere eisen de dood van iemand anders, maar deze betekent de dood van de mens, voor wie gij uzelf, om allerlei praktische redenen zijt gaan houden.
Een omwenteling, bekering, een grote verandering, een wedergeboorte wordt beschouwd als een verandering die ‘alles‘ volkomen omkeert. 
Maar de ideologie van de politieke [wereldse] revolutie zal ‘nooit‘ iets anders veranderen dan de uiterlijke schijn. Er zal geweld zijn en de macht zal van de ene partij overgaan op de andere, maar als de rook optrekt en de lichamen van alle doden onder de grond liggen, dan zal de toestand in wezen dezelfde zijn als tevoren.
Er zal een minderheid van ‘zgn. sterke [?]’ persoonlijkheden aan de macht zijn, die de anderen voor hun ‘eigen‘ macht exploiteren. De hebzucht, de begeerte, de eerzucht, de gierigheid en de schijnheiligheid zullen even groot zijn als tevoren.
De Enige, Die werkelijk de onrechtvaardigheid en de boosheid van mensen omver kan werpen, is de Heilige Sterke en onsterfelijke Kracht, Die in de Christelijke Traditie ademt en Die ons met nieuwe kracht doet deelnemen aan het Leven, dat het Licht der mensen is.

De Kerkelijke betrokkenheid van onze gelovigen is er nog, maar kerkelijke regels of christelijke dogma’s worden door hen steeds gemakkelijker terzijde geschoven; de kerk als relevante gesprekspartner verliest in de wereldse samenleving rap aan betekenis.
De schandalen binnen de diverse geledingen van Kerk zijn bij het publiek, daar zorgt het journaille wel voor. Dit is volgens diverse onderzoeken voor velen een argument waarom de kerk haar geloofwaardigheid grotendeels heeft verloren. 
Ook de kerkelijke schaalvergroting, waarbij gemeenschappen ‘gedwongen’ worden samen te gaan en een tekort aan ervaren voorgangers niet wordt opgevuld, geven betrokken gelovigen een frustrerend gevoel, maar:
 ” De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn
geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij
heengaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren isJohn. 3: 8.
Wij dienen ons derhalve af te vragen hoe:
“Er zijn van de Goddelijke Troon bliksemstralen, stemmen en donderslagen uitgaan; en zeven vurige fakkels brandden voor die Troon; dit zijn de zeven Geesten GodsOpenb.4: 5.
De Heilige Geest is als een vuur en zet mensen in vuur en vlam om met grote toewijding hun Heer te volgen. Zoals een vuur zich kan verspreiden, zo verspreidt de Blijde Boodschap Zich als een lopend vuurtje over de gehele wereld. De zichtbare vlammen verspreidden zich van de ene persoon naar de andere. De Heilige Geest verbindt mensen met elkaar en de mensen met God.
De komst van de Heilige Geest is en was een duidelijk waarneembaar verschijnsel: waarneembaar voor de personen die de Belofte hebben ontvangen en voor hun omgeving.

Zie, Ik maak alle dingen nieuw . . .

De aartsvader David, die een profeet was, heeft in de toekomst gezien en gesproken van de Opstanding van de Christus, dat Hij niet aan het dodenrijk is overgelaten, noch zijn vlees ontbinding heeft gezien. Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des Heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gij en ziet en hoortHand.2: 31-33.
En dat is nog steeds zo. Ook vandaag zijn geest-vervulde christenen het beste bewijs voor de wereld dat onze Heer Jezus Christus, de zoon van God leeft.

De ongeschonden                       Lage Landen

We kunnen daarbij teruggaan in de geschiedenis van de Lage Landen; hoe reageerden de oorspronkelijke bewoners op de enorme christelijke gebeurtenis? 
Zij zeiden ‘niet’ tegen elkaar: “Wat heerlijk om zo’n fijne geestelijke ervaring mee te maken, laat ons vrolijk en blijde zijnde van het leven een groot feest maken”. 
Ze waren niet vol van hun ervaring, maar vol van de Blijde Boodschap, de Goddelijke pedagogie van onze Heer. Vol zijn van de Heilige Geest en vol zijn van Christus hoort bij elkaar. 
Daarom konden de heiligen en geleerden van de geëmigreerde monniken uit de Britse contreien in navolging van de apostelen ook niet anders dan vertellen over wat God allemaal had gedaan. 
Zij werden -min of meer- verdreven door de invallen van de Noormannen, dat 
was de achtergrond van de reizen van degenen, die ons het christendom brachten.
Willibrord [658-739] bekeerde iedereen tot het christendom en Bonifatius [672-754] verdiepte hun Geloof door zijn prediking. Alleen de Friezen hielden vast aan hun eigen religie, en dat leidde tot de beroemde moord op Bonifatius bij Dokkum. 
Dat hun komst door de bestaande Kerk niet zo goed begrepen werd blijkt wel uit het feit dat op de synode van Soissons [744] besloten werd dat ‘zwervende’ bisschoppen en priesters voor hun ambtelijk werk de goedkeuring dienden te verkrijgen van de bisschop in wiens gebied zij hun ambt wilden uitoefenen. Op zichzelf misschien een goede regel, maar vervolgens bleek dit ‘herhaaldelijk‘ te worden toegepast op de Ierse zending met de ‘ontkenning’ van welbeschouwd het wezenlijk karakter hiervan; dat dit tegenwoordig ook nog in de orthodoxe kerk plaatsvindt zal menigeen ontgaan.
In de tiende eeuw werd ook de bestuurlijke organisatie van de kerk op lokaal niveau ter hand genomen. Daarvóór bestonden hier waarschijnlijk alleen zogenoemde ‘eigen’ kerken, die eigendom waren van de stichters, hun erfgenamen, of de kloosters waaraan ze ooit gegeven waren. Ze waren in de eerste plaats bedoeld voor het zielenheil van de stichter, diens verwanten en zij, die daaraan gelijkgesteld werden -iedereen die van hen afhankelijk was- die de priester onderhielden. Pas in tweede instantie dienden de ‘eigen’-kerken ook het heil van eventuele andere omwonenden. Aldus werd de Kerk aan de leiband gelegd en was er van ‘vrije’ geloofsbeleving geen sprake. In de elfde eeuw vormden zich nieuwe nederzettingen – steden; de bewoners hadden behoefte aan een eigen kerk of kapel voor ‘iedereen‘. Uit die tijd stammen de eerste ‘echte’ parochies, en in deze periode werd geregeld kerkbezoek belangrijk voor de gehele bevolking. De bisschop was, -zoals het hoort-, slechts toezichthouder op -‘de ware leer’- en had niet langer bevoegdheden een besluit te nemen over andermans ontwikkelingsmogelijkheden. De kerkelijke gemeenschap had het beheer over goederen, catechese en priesterbenoeming in eigen hand.

Heilige Frederik van Utrecht.  In dit borstbeeld zat ooit een deel van de schedel van de Utrechtse bisschop Frederik. Nadat Frederik in 838 was vermoord, werd hij heilig verklaard. Zijn schedel zou als een belangrijk reliek vereerd worden [Rijksmuseum].
Het zal geen toeval zijn dat in de elfde-eeuwse Vita [levensbeschrijving] van de heilige Frederik, bisschop van Utrecht [tussen 815/816 en 834/838, 18 juli, beschermheilige tegen doofheid], de trouwe kerkgang van de heilige voor het eerst nadrukkelijk aan de gelovigen ten voorbeeld wordt gesteld.
Door de waarheid te verkondigen haalde deze man Gods zich de woede en de haat van mensen op de hals; waarop men hem de marteldood liet ondergaan.
Uit de tijd van Frederik stamt ook de wèrkelijke kerstening: die van het ‘inwendige’ gedrag, het denken en voelen, het geweten en de criteria voor wat ‘goed’ en wat ‘kwaad’ was. De christelijke boodschap drong door tot het hart en de ziel van de gelovigen. De persoon van Jezus van Nazareth werd voor hen definitief van ultiem belang.
Ook in onze tijd trachten machthebbers zich in hun hang naar macht, het eigendom van de kerken, de gebedshuizen toe te eigenen, ten einde -niet aflatend- druk te kunnen uitoefenen op de vrijheid van geloofsbeleving, blijvend hun stempel te kunnen drukken op de voortgang in de verschillende gemeenschappen. Aldus optreden geeft blijk van het ‘afwijken van de rechtzinnige [orthodoxe] leer’: ‘de twijfel aan de werking van de Goddelijke Geest’ -de officiële geloofsleer- welke namelijk pas ontstaat wanneer de mens geloofswaarheden werkelijk vrij serieus kan nemen. Dit soort lieden ontlenen aan macht en heersen hun identiteit, terwijl de beminde gelovigen dit gedrag letterlijk afwijzen. Dat kan immers ‘niet‘ goed gaan, geestelijk geweld wordt verafschuwd en het resultaat is geestelijke moord [‘atheïsme‘].
Onderzoekers wijzen erop dat het voor veel westerlingen geen verlies zou zijn als de kerk niet meer zou bestaan; de kerk heeft voor hen niet langer nog enige betekenis. 
Daar is de Kerk zelf debet aan; veel respondenten ervaren een toenemende kloof tussen geestelijken en leken. Dit wordt bevestigd wanneer geestelijken het nogal goed met zichzelf hebben getroffen en hun trots uiten door aan te geven dat zij nogal trots zijn op hun positie binnen een bepaald Patriarchaat; volgens hen kijken dit soort kerkleiders te veel naar het verleden en is hun optreden nogal wereldvreemd. Men denkt dan aan hun -‘geen tegenspraak duldend’- hooghartig optreden, de ervaren discriminatie, uitsluiting van personen, het celibaat in samenhang met de seksuele moraal van de Kerk. Veel gelovigen willen zich daarop uitschrijven, maar blijven alleen nog aan de Kerk verbonden om verzekerd te zijn van kerkelijke rituelen zoals een kerkelijke bruiloft of begrafenis.

Αγία Φωτεινή η Μεγαλομάρτυς η Σαμαρείτιδα – أجيا فوتيني السامري الشهيد العظيم

Jezus sprak tot de Samaritaanse vrouw: ‘Indien gij wist van de gave Gods en Wie het is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven’John.4: 10.
De voorwaarden voor het ontvangen van de belofte van de Heilige Geest zijn in principe niet anders dan de voorwaarden om ‘uit de Geest geboren te worden’ – het tot wedergeboorte te komen. De levende traditie van de ‘wereldomvattend’ Kerk is als de adem van een fysiek lichaam; zij vernieuwt het leven door alle stilstand van de Kerk te verhinderen; zij is een voortdurende, rustige, vreedzame revolutie tegen de dood!.
“ Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden . . . . . in Mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken,
slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen
genezen wordenMarc.16: 16-18. 
De eerste voorwaarde bekering is duidelijk – het gaat immers vooral om de innerlijke verandering, omwenteling, bekering, een grote verandering, een wedergeboorte. Niettemin is de opdracht om je te laten dopen ‘niet’ zonder betekenis; het vormt een belangrijke stap, die persoonlijke uiting geeft aan de innerlijke geloofsovergave en die daardoor een versterking is van de geestelijke overgave Christus, de zoon van God.
Je bent niet meer van de wereld en haar uitwassen, stoort je hieraan niet langer – wàt er ook gebeurt, je bent geen wereldburger meer maar medeburger van het Hemels Koninkrijk, wáár je jezelf ook op de wereld bevindt.
 Alle waarachtige gelovigen hebben ooit de eerste geloofsstap tot bekering genomen. Veel minder gelovigen hebben een soortgelijke geloofsstap genomen om vervulling met de Heilige Geest te ontvangen. Velen van hen hebben nooit gehoord dat er zoiets bestaat. Zij menen dat ze bij de doop en Myronzalving ‘alles‘ hebben ontvangen wat God hen wilde geven. Velen van ons hebben verzuimd om deel twee van Gods belofte bij Hem ‘op‘ te halen; in dat geval ligt het nog klaar om het alsnog in ontvangst te nemen . . . . .

Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn zovelen als de Heer, onze God, ertoe roepen zalHand.2: 39.
De belofte van de Heilige Geest is dus in de eerste plaats gegeven aan de Joden en hun nageslacht. Het woord in de Griekse grondtekst dat hier met ‘kinderen’ is vertaald, heeft de betekenis van ‘nakomelingen’, dus niet van ‘kleine kinderen’. Ook is de belofte voor ‘allen die verre zijn’ [heidenen], die zich bekeren in reactie op de roepstem van God.
Als je op grond van de Bijbel hebt geconstateerd dat het Gods Wil is dat je vol [of voller] wordt met de Goddelijke Geest, mag je Hem daar eenvoudigweg om vragen.
Als u die slecht bent, uw kinderen dus goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan hen die tot Hem bidden?Lucas 11: 13.
 Bidt daarom allen voor uw kerkleiders.

Orthodoxie & het zich -ondanks tegenslagen- betrokken blijven voelen bij de vroeg-christelijke Kerk

Na een periode van de grote jaarfeesten keren we weer terug naar het alledaagse godsdienstonderwijs, hoewel we na deze zonnige periode deze 2e Pinksterdag zien dat de mens er eigenlijk geen genoeg van kan krijgen.

religieuze ambtenaren

De zogenaamd beschaafde wereld heeft door de jaren heen kans gezien een wonderlijke definitie van het begrip eerlijkheid te ontwikkelen. Waarom ik dit nu schrijf heeft te maken met het waarschijnlijk achterhaald inzicht in mijn hoofd dat eerlijkheid en eervolheid op de een of andere wijze met elkaar van doen hebben. Dat blijkt in de dagelijkse werkelijkheid echter heel anders te zijn.
Eerlijk lijkt in onze samenleving ongeveer alles te zijn wat niet op enigerlei wijze verboden is. Zo is het natuurlijk niet verboden om winst te maken. Ook is het niet verboden om exorbitant hoge winsten te maken, dat is niet verboden, dus is het eerlijk. Het begrip eerlijkheid, oprechtheid  is al vele jaren losgekoppeld van morele wenselijkheid.


Clemens van Alexandrië, ‘zendeling van de elite’              Κλήμης Ἀλεξανδρεύς                    
كليمنس فان الإسكندرية

Clemens van Alexandrië [Titus Flavius Clemens] Κλήμης Ἀλεξανδρεύς] werd in het midden van de 2e eeuw in Athene geboren als Titus Flavius Clemens in een ongelovige Grieks gezin. Na zijn bekering tot het christendom maakte hij vele reizen en ging op zoek naar christelijke leraren.
Een van zijn favoriete leermeesters was Pantaenus, de leider van een christelijk filosofische catechetische opleiding in Alexandrië. Clemens bleef daar bij hem en werd uiteindelijk ongeveer in het jaar 190 zijn opvolger. Toen er te Alexandrië in 202/203 zware vervolgingen uitbraken, verliet hij Alexandrië en kwam er nooit meer terug. Kort voor het jaar 216 stierf hij in Klein Azië.
Tegen het einde van de 2e eeuw ontstond er in Egypte een plaats waar verschillende nationaliteiten en culturen zich vermengden – een smeltkroes voor het Gnosticisme. Vele gnostieke leiders brachten aldaar hun theorieën aan de man.
In tegenstelling daartoe was Pantaenus één van de belangrijkste vertegenwoordigers  van het orthodoxe Christendom, welke wij in die tijd uit Egypte leren kennen. Tegenover de overweldigende invloed van de gnosis, gaven hij met zijn gezellen het eenvoudige geloof door, zonder zich met allerlei verwarrende vraagstellingen bezig te houden. De docent Pantaenus en na hem Clemens legden zich toe op een Orthodoxie die levenskrachtig en intellectueel was. Zij toonden aan, dat het mogelijk was filosofisch intellectueel onderzoek te doen, zonder in ketterijen te belanden. De werken van Clemens werden gevolgd door die van Origines, die nog veel meer succes had.

Er zorg voor dragen, dat een ploegknecht [de gewone kerkganger] meer van de Schriften komt te weten dan menig gewijd geestelijke“.

De bijnaam van Clemens van Alexandrië werd: ”de zendeling van de intellectuele elite”; hij schreef drie hoofdwerken: Protreptikos, de Paidagogos en de Stromateis.
Ook al lijkt het niet de bedoeling van de schrijver geweest te zijn, toch is het een feit dat deze geschriften een echte Trilogie vormen, bedoeld om daadwerkelijk de geestelijke rijping van de christen te begeleiden.
1.]. De Protreptikos [Προτρεπτικός] is, zoals het woord zelf zegt, een “
aansporing“, gericht aan degene die aan het begin van de geestelijke weg staat en z’n weg van het geloof nog aftast. Anders gezegd, de Protreptikos valt samen met de éne God in drie personen en met name de Zoon van God, Jezus Christus. Christus wordt voor de mensen als ‘geheel God en geheel mens’ geboren en spoort de mensheid aan vastbesloten de weg naar de Waarheid in te slaan.
2.]. Dezelfde Jezus Christus maakt zich vervolgens tot Paidagogos [Παιδαγωγός], dat wil zeggen “opvoeder” van degenen die krachtens het Doopsel inmiddels kinderen van God zijn geworden.
3.]. Tenslotte is diezelfde Jezus Christus ook Didaskolos [Διδασκόλως], dat wil zeggen de “
Leraar” Die de diepere onderrichtingen geeft.
Deze zijn verzameld in het derde werk van deze zendeling Clemens, ‘de Stromateis’ [Στρωματεις], een Grieks woord dat letterlijk “tapisserie“, [een geweven tapijt] betekent: het gaat inderdaad om een niet systematische compositie van verschillende onderwerpen, als rechtstreekse vrucht van het gewone onderricht van Clemens.

De droogte van de woestijn

In haar geheel begeleidt de catechese van Clemens van Alexandrië -stap voor stap- de weg van de catechumeen en van de gedoopte, opdat zij met de twee “vleugels“, die van ‘het Geloof’ èn ‘de rede’ tot een innerlijke kennis geraken van de Waarheid, Die Jezus Christus Zelf is, het Woord van God.
Alleen deze kennis van de Persoon, Die de Waarheid is, is de ware “gnosis“, de Griekse uitdrukking die staat voor “kennis“, voor “inzicht“.
Het is Gods woning [Tempel], die door de rede onder de invloed van een bovennatuurlijk beginsel wordt opgebouwd. Het Geloof in Christus Zelf bouwt de ware filosofie, dat is: -de ware bekering met betrekking tot de weg die men in het leven dient te nemen-.
De authentieke “gnosis” is dus een ontwikkeling van het Geloof, door Jezus Christus ‘in de ziel’ opgewekt zodat de “kennis en het inzicht” met Hem verenigd wordt.

Vervolgens onderscheidt Clemens twee trappen van christelijk leven:
1.]. De gelovige christenen die het Geloof beleven op een algemene wijze, maar toch open staan naar de horizon van de heiligheid.
2.]. Vervolgens de “gnostici“, dat wil zeggen degenen die al een leven van geestelijke volmaaktheid leiden; in ieder geval dient de christen uit te gaan van de gemeenschappelijke basis van het Geloof; hij dient zich door Christus te laten leiden langs een weg van zoeken en zo tot de kennis geraken van de Waarheid en van de waarheden, Die de inhoud vormen van het Geloof.
Dergelijke kennis, leert ons Clemens, wordt in de ziel een levende werkelijkheid: zij is niet alleen theorie, zij is een levenskracht, een vereniging van Liefde, Die de persoon transformeert.
De kennis van Christus is niet enkel een gedachtegang, maar is Liefde, Die de ogen opent, Die de de mens omvormt en gemeenschap schept met de Logos, met het Goddelijk Woord hetgeen de  Waarheid en het Leven is.
In deze gemeenschap, die de volmaakte kennis is en die Liefde is, bereikt de volmaakte christen de contemplatie, de éénwording met God.

God, de Schepper van onze wereld

Tenslotte neemt Clemens van Alexandrië -de leer- weer op, volgens welke het uiteindelijke doel van de mens bestaat in het gelijk worden aan God.
Wij zijn geschapen naar het ‘beeld en de gelijkenis van God‘, maar dit vormt ook een uitdaging, een weg; het doel van het leven, de uiteindelijke bestemming is immers daadwerkelijk aan God gelijk worden. Dat is mogelijk dankzij de Verwantschap met Hem, die de mens heeft ontvangen op het moment van zijn schepping, waardoor hij al uit zichzelf -al uit zichzelf- beeld van God is.
Die Verwantschap met de Goddelijke oorsprong maakt het mogelijk de Goddelijke Werkelijkheden te kennen – die de mens bovenal door het Geloof aanhangt evenals door de beoefening van de deugden door middel van het beleefde Geloof – en alzo kan zij uitgroeien tot de beschouwing van God.
Wat de weg van de Volmaaktheid aangaat, kent Clemens van Alexandrië dus evenveel belang toe aan wat er in moreel opzicht voor is vereist, als aan wat er intellectueel voor vereist is.
Deze twee gaan samen want men kan niet kennen zonder te beleven en niet beleven zonder te kennen.
De gelijkwording aan God en de beschouwing van Hem kunnen niet alleen door de rationele kennis worden bereikt: tot dit doel is het noodzakelijk te leven volgens de Logos, te leven volgens de Waarheid.
Bijgevolg dienen de goede werken de ‘intellectuele kennis’ als vanzelf sprekend te vergezellen, zoals de schaduw het lichaam volgt.

vrij van hartstochten

Vooral twee deugden sieren de ziel van de “ware gnosticus“.
1.]. Het vrij zijn van de hartstochten [apátheia];
2.]. De Liefde, de ware hartstocht, Die de intieme vereniging met God zeker stelt. De Goddelijke Liefde geeft de volmaakte vrede en stelt de “ware gnosticus” in staat de grootste offers te brengen, ook het uiterste offer in de navolging van Christus en doet hem treetje voor treetje de trap beklimmen tot aan de top van de deugden. Zó wordt het ethisch ideaal van de antieke filosofie, de bevrijding namelijk van de hartstochten, door Clemens van Alexandrië opnieuw gedefinieerd en met de Liefde verbonden in het onophoudelijke proces van gelijk worden [assimilatie] aan God.

Op deze wijze vormt deze Alexandrijn de tweede grote gelegenheid tot dialoog tussen de christelijke verkondiging en de Griekse filosofie. Wij weten immers dat de heilige Paulus in Athene, waar Clemens geboren is, op de Areopaag de eerste poging heeft gedaan tot een dialoog met de Griekse filosofie -en daarin grotendeels is mislukt- ; maar dat zij hem gezegd hadden: “Daarover zullen wij u bij gelegenheid nog wel eens horen“.
Nu heeft Clemens deze dialoog in zijn tijd hernomen en deze in de hoogste mate veredelt in de Griekse filosofische traditie.
Zo blijft Clemens van Alexandrië weloverwogen de weg wijzen aan wie “rekenschap wil afleggen” van het eigen Geloof in Jezus Christus.
Hij zal dan ook als voorbeeld kunnen dienen voor al de christenen, zowel voor catecheten, beminde gelovigen, theologen, diakens, priesters en metropolieten van onze tijd.

Heer, wees Uw kinderen genadig en verleen ons in Uw Vrede te mogen blijven voortleven, opdat wij overgebracht mogen worden naar Uw [Koninkrijk der Hemelen] stad, door de golven van de zonde mogen worden geleid zonder erdoor te worden overspoeld, in rust door de Heilige Geest in Uw onuitsprekelijke Wijsheid van de ene plaats naar de ander mogen worden overgebracht:
aan ons, die dag en nacht, tot aan de laatste dag toe, een danklied zingen tot de enige Almachtige Vader, tot Zijn Zoon, de Pedagoog en Leraar, samen met de heilige Geest. Amen
”. 
uit: Paidagogos van Clemens van Alexandrië 3,12,101

Het klopt gewoon niet een luxe leventje te leiden, terwijl anderen in armoede leven. Hoe glorierijker is het om anderen ter wille te zijn, dan je aan een overdaad, die schaadt in weelde door-te-brengen!
Het is veel wijzer om datgene wat God je ter beschikking stelt ten dienste te stellen aan de minder bedeelden dan je te vergapen aan macht, mooie dingen en kostbaarheden!
“. uit: Stromateis van Clemens of Alexandria II, XIII, 20.3 en 6

De hemelen verhalen de heerlijkheid Gods, het uitspansel verkondigt het werk Zijner handen. Elke dag openbaart een woord aan de volgende dag; van nacht tot nacht wordt kennis verkondigd. Niet met gesproken woorden, er wordt geen klank vernomen. Toch klinkt over heel de aarde hun boodschap, tot aan de grenzen der wereld hun woorden.
Hij heeft een tent gemaakt voor de zon, die als een bruidegom uit zijn bruidsvertrek treedt. Hij juicht als een reus om zijn baan te doorlopen; 
hij gaat op aan het einde des hemels. Zijn loop gaat op tot het einde; 
niemand kan zich verbergen voor zijn gloed.
De Wet des Heren is onbevlekt en bekeert de zielen. Het getuigenis des Heren is waar en geeft Wijsheid aan de kleinen.
De oordelen des Heren zijn recht, zij verblijden het hart. Het gebod des Heren is stralend, het verlicht de ogen. De vreze des Heren is rein, en blijft in de eeuwen der eeuwen.
De gerechtigheden des Heren zijn waar, gerechtvaardigd in zichzelf. Begerenswaard boven goud en edelgesteente; zoeter dan honing en raat. Uw dienaar onderhoudt dan ook Uw geboden, want dat schenkt grote vergelding.
Wie kent al zijn overtredingen ? Reinig mij van
mijn verborgen kwaad en behoed Uw dienaar voor vreemde zonde. Als die mij niet overheersen, dan ben ik onbevlekt; en word ik gereinigd van grote zonde.
Dan hebt Gij behagen in het woord van mijn
mond: de gedachten van mijn hart liggen open voor Uw ogen.
Heer, Gij zijt mijn Helper en mijn Verlosser“.
Psalm 18[19] vert. ROK ‘sGravenhage.

Orthodoxe betrokkenheid & een antwoord op onaangepast gedrag

Utrecht, -‘stad van mijn hart’-

De Metropoliet van het Patriarchaat Constantinopel deed te Utrecht een omstandige [‘uitgebreide’] oproep aangaande ‘de nood aan reorganisatie van de pastorale zorg’ in Nederland. Hij liet blijken persoonlijk trots te zijn om tot het Oecumenisch Patriarchaat te behoren, onze Moeder, de Grote Kerk van Christus, met de verantwoordelijkheid om haar oecumenische en bovennationale eigenheid te bewaren”.
Goddelijke Liturgie – 28 mei 2017, kerk van de Parochie “Boodschap a/d Moeder Gods” Utrecht

Profeet Isaiah, gedenkdag 9 Mei

Isaiah was ongetwijfeld een van de voornaamste profeten van het oude testament, doch van zijn persoonlijke levenswandel weten wij maar heel weinig. Wat ons wèl -vanuit zijn geschriften- bekend is , dat hij een vlijmscherpe kritiek uitoefende op de sociale problemen onder zijn Volk.

Betreffende zijn benoeming tot de profeet weten we echter veel meer, want dit wordt nauwkeurig aangeduid: het valt samen met de dood van de joodse koning Usija, waarschijnlijk in het jaar 739 voor Chr. In een periode van vier decennia, werkte Isaiah in Jeruzalem, als geen van de andere profeten en had aldaar toegang tot het koninklijk hof.
In Isaiah 6 wordt zijn aanstelling als profeet beschreven, de Heer, onze God toonde hem in Zijn Genadegaven, Zijn Hemelse Troon en liet hem Zijn Heerlijkheid en Glorie zien. Het lijkt erop dat God hem duidelijk wil maken dat Macht en Majesteit niet dient af te hangen van de aardse grootheid [dimensie]. Isaiah’s reactie drukt een diepe angst uit, want in het aangezicht van God is hij zich van zijn eigen onwaardigheid en zonde bewust. Het is een reactie, die wij ook bij andere bijbelse figuren tegenkomen, de traditionele weergave van roepingen van de profeet Mozes tot aan Petrus toe.
Zodra God een mens op een directe wijze benadert, wordt deze mens zich bewust van zijn nietigheid en maakt hem bewust en bang voor de eigen zondigheid; dat komt omdat goddelijkheid en zondigheid onmogelijk kunnen samengaan.

Daarom vindt er een reinigingsrite door Serafijnen plaats, door aan Engelen gelijke wezens. Met een brandende kool wordt aan Isaiah, de profeet voor altijd vergeving op de lippen gegeven en gaat hij de strijd aan.
Daarop hoorde ik de stem des Heren, die zei: ‘Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons [de Heilige Drieëenheid] gaan?’. En ik zei: ‘Hier ben ik, zend mij’Isaiah 6: 8.
De opdracht, die aan Isaiah vervolgens wordt gegeven, toont de ernst en de toch ‘benarde’ situatie van de profeet. Isaiah wordt uitgezonden om de mensen aan te spreken wier harten ‘koud’ zijn en die ‘niet’ bereid zijn, enig begrip voor hun misstappen te tonen, zodat zij ‘berouw’ tonen. Een Kerk is een natie voor één Volk en dat is het Volk van God, en wanneer De Kerk Zich niet meer op de juiste wijze aan het Verbond houdt, wordt er iemand gezonden, die daar een opening toe kan bieden, een sleutel kan aanreiken.
Isaiah is [ten behoeve van het Israëlische Volk, de Kerk] politiek actief geweest; hij kwam regelmatig in conflicten de machtigen, de koningen van Juda, omdat deze het bestaan van God en met name de Goddelijke interventie niet accepteerden. Een van zijn meest bekende uitspraken was: “  Indien gij niet [werkelijk] gelooft, voorwaar, gij wordt [eveneens] niet bevestigdIsaiah 7: 9.
Jeremia eveneens een profeet zal net als Isaiah zijn leven door deze Blijde Boodschap van God in barre tijden hebben laten leiden.

de Opstanding

Op de vraag hoe lang het de mens aan boetvaardigheid zal ontbreken, krijgt Isaiah een indrukwekkend antwoord: “Tot het rechtvaardig oordeel van God aan Israël [de Kerk] is voltooid”. Slechts aan het einde daarvan zal dit de voormalig priester van Utrecht een sprankje hoop geven: – ‘Via de Goddelijke Rechtbank wordt ons blijvend de heilige rust geschonken en geeft God een opening via een nieuwe start‘.

    Daarom heet het: ‘Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten’. Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen, u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad. Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de Wil des Heren isEph.5: 14-17.

De heilige Georgios, Aarts- en Groot- martelaar, tijdens het begin van de vervolging onder despoot Dioktetiaan [284-305]

De Heilige George was een Aarts- en Grootmartelaar, aan het begin van de vervolging van christenen onder despoot Diocletianus  [284-305]; hij werd de meest populaire heiligen van het christendom. In de Orthodoxe Kerk wordt hij beschouwd als een groot martelaar. In 1969 werd de H. George in een waan van veranderingszucht door de [H.] paus Paulus, de VIe van de lijst van alle Heiligen van de Roomse Kerk geschrapt, zijn naam wordt niet langer vermeld op de algemene romeinse kalender, officieel van de katholieke kalender. Maar dit raakte zijn populariteit allerminst en deze grote heilige doet evenals de H. Nicolaas van Myra niet anders dan gróte bewondering opbloeien. Deze namen zijn zowel geestelijk als taalkundig de méést populaire namen van het Europese halfrond.
Zijn symbool is het zogenoemde “george kruis”, het rode kruis op een witte achtergrond wordt in veel wapenafbeeldingen en de vlaggen gebruikt – ook in de Utrechtse provincie en Amersfoort draagt deze afbeelding. Meer heilige attributen zijn de draak, de lans en zijn icoon als ridder en ruiter. Een deel van de martelaren zal worden gepresenteerd met een palmtak.

Saint George van Cappadocië 3e eeuw

Terwijl de Heilige George -in de oudere legende- de dood van een martelaar ondergaat, is hij in de moderne ‘draken legende’ een toonbeeld van de macht, die de held en de actieve belegeraars van het kwaad weergeeft. En dit in zowel in de verzen van de muzelman als de christelijke legende. De oudste verwijzing naar de Heilige George is die van de geschiedschrijver Eusebius en weet de Kerk zeer weinig over zijn dood als martelaar. Deze verwijzing zal worden gebruikt met name wat betreft de datum van zijn overlijden, het vormt de basis voor de feestdag van deze heilige op 23e April.
De kleine Aziatisch-Syrische compositie ontwikkelde legenden en deze brengen verslag uit van verschillende gebeurtenissen, welke ‘de wreedheid van de marteling‘ centraal stellen en de pijn, die deze George met behulp van zijn Geloof in Christus, onze God en Zaligmaker weet te weerstaan/ te overwinnen.
De H. George verzet zich met name tegen die christenvervolgingen, die in het nadeel van christenen belemmeringen opwerpen tegen het -‘open en vrij‘- beleven van het Geloof en al degenen, die vanuit hun overtuiging de waarden van het Christendom ondergraven. Men heeft in z’n leven misschien veel kennis opgedaan. Maar hoeveel heb je ‘niet’ geleerd? Denk bijvoorbeeld eens aan algemeen gebruikelijke overlegprocedures; dan komt naar buiten wat er eigenlijk wáár is van datgene wàt je geleerd hebt. Immers Socrates zegt hierover:” Ware kennis bestaat erin te weten dat men niets weet“. Het Orakel van Delphi zegt dat er niemand wijzer is dan Socrates, maar Socrates zegt over zichzelf: “over mezelf weet ik dat ik ‘niets’ weet”.  Persoonlijke trots en invloed uitoefenen – voor wat betreft een ‘multicultureel’ samengestelde organisatie – vraagt om bescheidenheid en al zeker geen besluitvorming aan de hand van vermeende bevoegdheden waarmee de ontwikkelingsmogelijkheden van anderen worden getorpedeerd. 

Wapen Provincie Utrecht

Ten tijde van de kruistochten, had de aartsengel Michaël, aan waarde als beschermheilige ingeboet, die van oorsprong bekend stond als drakendoder en werd de legende van de draak door ‘een ridder te paard‘ te bestrijden op de voorgrond geschoven. Het wezenlijk doel betreft het feit dat de tegenstrever [de duivel en zijn trawanten] uitgebeeld in een vuurspuwende draak de heilzame werking van de Heilige Geest, welke door de Doop en Myronzalving door de christen werd verkregen, teniet trachtte te doen.
De Heilige aartsengel Michaël, alsmede de aartsmartelaar George doodde de draak [de duivel]. Dit is in grote lijnen het wezenlijke doel waarom de draak [de duivel] vernietigd dient te worden en toon de Heilige George ons de voorspraak tegen de moedige strijd van alle kwaad.  In de christelijke context kan de draak -‘de duivel’- blijken te zijn.

“george kruis”

“           Houd gericht, Heer, over hen die mij onrecht doen; bestrijd hen die mij bestrijden. Omgord u met wapen en schild, sta op om mij te helpen. Trek het zwaard, sluit mijn vervolgers in; zeg tot mijn ziel:
‘Ik ben uw Redding’.

Dat beschaamd en ontsteld worden die mijn ziel zoeken te doden; dat terugdeinzen en beschaamd staan die kwaad tegen mij beramen. Laat hen worden als stof voor de wind, als de Engel des Heren hen voortjaagt. Hun weg zij duister en glibberig, als de Engel des Heren hen achtervolgt. Want zonder reden hebben zij hun moordende strik tegen mij verborgen; zij hebben mijn ziel arglistig belaagd.
            Doe hem zelf in een strik vallen waarvan hij niets weet; het net dat hij verborgen heeft moge hem vangen, zodat hij valt in zijn eigen strik. Maar mijn ziel moge juichen over de Heer en zich verheugen in Zijn verlossing. Al mijn beenderen roepen uit: Heer o Heer, wie is gelijk aan U? Die de ellendigen verlost uit de hand van zijn overweldigers, de arme en behoeftige van hen die hem plunderen.
Valse getuigen staan tegen mij op; waar ik niets van weet, daarover ondervragen zij mij. Zij vergelden mij kwaad voor goed, zij beroven mijn ziel. 
Maar toen zij mij kwelden, trok ik een boetekleed aan. Door vasten onderwierp ik mijn ziel; mijn gebed was naar mijn schoot gekeerd. Als gold het een vriend, een eigen broeder, zo was het mij; als iemand die rouwt en treurt, zo was ik neergebogen.
Zij verheugden zich over mij en schoolden samen; zij geselden mij, al wist ik van niets. Zij werden uiteen gedreven, maar zij bekeerden zich niet.
Zij kwelden mij; spottend hoonden zij mij, zij knarsten tegen mij met hun tanden.
Heer, hoelang zult Gij dit aanzien? bevrijd mijn ziel van hun kwaadaardigheid, mijn eengeboren van de leeuwen. Dan zal ik U belijden in de grote bijeenkomst; Uw lof zingen onder een machtig volk. Laat zich niet over mij verheugen wie mij ten onrechte vijandig zijn, die mij zonder reden haten, en tekens geven met hun oog.
Want zij spraken wel vredelievend tegen mij, maar in toorn smeedden zij bedrieglijke plannen. Zij sperden hun mond tegen mij open, zeggend: Aha, nu zien wij het met eigen ogen. Zie toch toe, Heer, zwijg niet langer; Heer, wend U niet van mij af.
Sta op, Heer, zie toe op mijn geding;  mijn God en mijn Heer, geef acht op mijn recht. Oordeel mij, Heer, volgens Uw gerechtigheid; Heer mijn God, laat hen zich niet over mij verheugen.
Laat hen niet zeggen in hun hart: ha, wat een vreugde voor onze ziel; laat hen niet zeggen: wij hebben hem verslonden.
Doe beschaamd en ten schande worden wie zich verheugen over mijn ongeluk;
bekleed hen met schande en schaamte die vol hoogmoed over mij spreken.
Laat hen juichen en zich verblijden die mijn rechtvaardiging wensen; mogen zij de Heer verheffen die vrede wensen voor Zijn dienaar.
Dan zal mijn tong over Uw gerechtigheid spreken en heel de dag Uw lof bezingen”.
Psalm 34[35] vert. ROK. ’s-Gravenhage