11e donderdag nà Pinksteren, 29e Augustus – de onthoofding van de Heilige, glorieuze Profeet, voorloper en doper Johannes.

De rechtvaardige zal zich verblijden in de HEER, en op Hem vertrouwen‘; ‘The righteous shall rejoice in the LORD, and trust in Him.

    En koning Herodes hoorde van Hem [Christus], want Zijn Naam was bekend geworden; en men zei:
Johannes de Doper is opgewekt uit de doden en daarom werken die krachten in Hem. Anderen zeiden: Het is Elia, weer anderen: Een profeet als een van de profeten.
Toen dan Herodes van Hem hoorde, zei hij: Johannes, die ik onthoofd heb, die is opgewekt.
Want hij, Herodes, had Johannes laten grijpen en geboeid gevangen gezet, ter wille van Herodias, de vrouw van zijn broeder Filippus, omdat hij haar tot vrouw genomen had.
Want Johannes had tot Herodes gezegd: Gij moogt de vrouw van uw broeder niet hebben.
Herodias had het op hem voorzien en wilde hem doden, doch zij kon dit niet, want Herodes had ontzag voor Johannes, daar hij wist, dat hij een rechtvaardig en heilig man was; en hij beschermde hem en als hij hem gehoord had, was hij in grote verlegenheid, maar hij hoorde hem gaarne.

Paranoïde Herodes

      En toen er een gelegen dag gekomen was en Herodes op zijn geboortefeest een maaltijd aanrichtte voor zijn hoogwaardigheidsbekleders, zijn legeroversten en de voornaamsten van Galilea, en de dochter van Herodias binnenkwam en danste, behaagde zij Herodes en hun, die mede aanlagen.
En de koning zei tot het meisje: ‘ Vraag van mij, wat gij maar wilt en ik zal het u geven’. En hij zwoer haar: ‘  Wat gij mij ook maar vragen zult, zal ik u geven, tot de helft van mijn koninkrijk.
En zij ging heen en zei tot haar moeder:
‘ Wat zal ik vragen?’ En deze zei: ‘Het hoofd van Johannes de Doper’.
En terstond ging zij haastig naar binnen tot de koning en vroeg, zeggend: ‘     Ik wil, dat gij mij onmiddellijk op een schotel geeft het hoofd van Johannes de Doper’.
En ofschoon de koning zeer bedroefd werd, wilde hij het haar om zijn eden en om hen, die aanlagen, niet weigeren.
En terstond zond de koning een scherprechter met de opdracht het hoofd te brengen. En deze ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis, en hij bracht het hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje en het meisje gaf het aan haar moeder.
     En toen zijn discipelen het hoorden, kwamen zij en namen zijn lijk weg en legden het in een graf.
     En de apostelen kwamen weer samen bij Jezus en berichtten Hem al wat zij gedaan en geleerd hadden
Marc.6: 14-30.

John the Baptist

    En toen hij zijn loopbaan volbracht, zei Johannes:
Wat gij meent, dat ik ben, ben ik niet, maar zie, ná mij komt Hij, wie ik niet waardig ben het schoeisel van Zijn voeten los te maken.
Mannen broeders, zonen van het geslacht van Abraham, en vereerders van God onder u, tot ons is deze heilsboodschap gezonden.
      Want die te Jeruzalem wonen en hun oversten hebben Hem niet erkend en zij hebben de uitspraken der profeten, die elke sabbat worden voorgelezen, door hun oordeel vervuld, en hoewel zij geen grond voor doodstraf konden vinden, hebben zij Pilatus gevraagd Hem ter dood te brengen;  en toen zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven stond, namen zij Hem af van het hout en legden Hem in een graf.
Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt; en Hij is gedurende vele dagen verschenen aan hen, die met Hem van Galilea naar Jeruzalem opgegaan waren, die thans getuigen van Hem zijn bij het Volk.
     En wij verkondigen u, dat God de Belofte, die aan de vaderen geschied is, aan ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus op te wekken, gelijk in de tweede psalm geschreven staat“ Hand.13: 25-33a

Vanitasverwijzing, Gerrtit Dou

    Waarom woeden de heidenen ? Waarom zinnen de volken op ijdelheid ? In opstand zijn de koningen der aarde; de vorsten zijn samengeschoold.
Zij zijn in opstand tegen de Heer en tegen Zijn Gezalfde.
Zij zeggen: Laat ons hun boeien verbreken, laat ons hun juk van ons afwerpen. Maar die in de Hemelen woont lacht hen uit: ‘de Heer bespot hen’.
Dan spreekt Hij tot hen in Zijn toorn, in Zijn gramschap brengt Hij hen in verwarring. Doch ik ben door Hem als koning gesteld, over Sion, Zijn heilige berg.
Om de bevelen des Heren bekend te maken en te verkondigen. De Heer toch zei tot mij:
‘Gij zijt
[slechts] mijn zoon; heden heb Ik u verwekt.
Vraag Mij, dan geef Ik u volkeren tot erfdeel; de einden der aarde tot uw bezit. Gij zult hen weiden met ijzeren staf, hen stukslaan als aardewerk.
Nu dan, koningen, wees wijs: wordt onderricht, gij allen die de aarde oordeelt.
Dient de Heer in vreze, juicht Hem toe met ontzag.
Aanvaardt onderricht, opdat de Heer niet zal toornen, en gij niet verloren gaat van de gerechte weg, wanneer straks Zijn toorn ontbrandt. Gelukzalig zijn allen, die op Hem hebben vertrouwd” Psalm 2, vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Johannes de Doper [Oudgrieks: Ἰωάννης ὁ βαπτιστής,
de persoonsnaam afgeleid van het Hebreeuwse 
יוחנן, Jochanan,
de Heer heeft Genade getoond”],  is in het Christendom, maar zeker in het op de ascese gestoelde Orthodoxe Christendom, maar ook bij het Gnostisch Mandeïsme en de Islam een Profeet van de Allerhoogste.
Hij leefde zo ongeveer 7 jaar voor Christus, was Zijn neef en werd vóór onze Heer aan het Kruis stierf en ná 3 dagen opstond, dus vóór het jaar 30, onthoofd.
Johannes heeft omstreeks het jaar 30 in de provincie Judea gepredikt Luc.3: 1,2.
De oudste bronnen over zijn leven zijn de werken van Flavius Josephus en
de vier Evangeliën in het Nieuwe Testament. Ook in verschillende apocriefen van het Nieuwe Testament komt Johannes voor.
In de Koran wordt Johannes de Doper ‘Yahya’ genoemd.

Wie is deze Johannes de Doper?
    Troost, troost mijn volk, zegt uw God. 
Spreekt tot het hart van Jeruzalem, roept het toe, dat zijn lijdenstijd volbracht is, dat zijn ongerechtigheid geboet is, dat het uit de hand des Heren dubbel ontvangen heeft voor al zijn zonden.  Hoor, iemand roept:
‘ Bereidt in de woestijn de weg des Heren, effent in de wildernis een baan voor onze God.
> Klim op een hoge berg, vreugdebode Sion; verhef uw stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem; verhef ze, vrees niet; zeg tot de steden van Juda:
> De ellendigen en de armen zoeken naar water, maar het is er niet, hun tong verdroogt van dorst; 
Ik, de Heer, zal hen verhoren; Ik, de God van Israël [de Kerk], zal hen niet verlaten.
Ik zal op kale heuvels rivieren doen ontspringen en bronnen te midden der valleien; Ik zal de woestijn tot een waterplas maken en het dorre land tot waterbronnen.
> Druppelt, hemelen, van boven en laten de wolken gerechtigheid doen neerstromen; de aarde 
zich zal openen, opdat het heil zal ontluiken en zij daarbij gerechtigheid zal doen uitspruiten;
Ik, de Heer, heb dit geschapen.
> Trekt uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën.
Verkondigt het met jubel-klanken, doet dit horen, verbreidt het tot aan het einde der aarde; zegt:
‘ De Heer heeft zijn knecht Jaäcob verlost. Zij leden geen dorst, toen Hij hen door de woestijnen 
leidde; Hij deed voor hen water uit de rots stromen; Hij toch spleet de rots, zodat het water 
vloeide’.
> Jubel, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt; breek uit in gejubel en juich, gij die geen weeën gekend hebt, want de kinderen der eenzame zijn talrijker dan de kinderen der gehuwde, zegt de HeerIsaiah 40: 1-3, 9; 41: 17-18; 45: 8; 48: 20-21; 54: 1.
Wij hebben jaren voor zijn wonderlijke aankondiging via Isaiah van hem gehoord, de meesten onder ons kennen zijn oproep welke verzegd is door Isaiah:
Bereidt de weg des Heren, maakt recht uw wegen voor onze God” wij weten van zijn geboorte uit ouders, die op hoge leeftijd en daardoor onvruchtbaar waren, Zacharias, een priester, en Elizabeth, uit de dochters van Aäron, de broer van Mozes en de eerste hogepriester.
Wij navolgers van Christus hebben allen reden om
de Voorloper, bekend als groter dan de profeten, te bekronen met lofliederen en vooral zelf te worden als een de apostelen; want zijn profeten hoofd was afgesneden voor de wet des Heren
conf. exaposteilarion.
Johannes de Doper wordt een glorieuze Martelaar voor Gods Wet [de Thora],
is getuige namens de heiligheid van het Verbond’s-huwelijk en
dringt er bij iedereen op aan zich uit berouw diep voor de Heer te buigen.
Wij zijn het niet meer gewend, in de war geraakt door vernieuwende praktijken in de Kerk, maar Johannes roept op Boete te doen alvorens
een ontmoeting met onze Heer en Verlosser te hebben.
Ja, wij dienen in zak en as te zitten vanwege onze ongehoorzaamheid
ten opzicht van onze Heer en Schepper.

Wie is deze mens die we Voorloper van Christus en de doper van de Heer noemen? Christus onze Heer Zelf leert ons dat hij:
Onder degenen die uit vrouwen zijn geboren, er niemand is, die groter
geworden is dan Johannes de DoperMatth.11: 11.
Hij is net als de andere der Profeten, hij gaat de weg om uitgeworpen, miskend te worden.
De vaders van de Kerk, het Lichaam van onze Heer, Jezus Christus, voor-zien ons van een zorgvuldig geselecteerde en uitgebalanceerde reeks  van instructieve verzen van Isaiah aan  de vooravond van de herdenking van de onthoofding van Johannes.
Deze verzen leren in de eerste plaats dat Johannes als een priester optrad,
iemand die zich verbindt, zich uitslooft voor God’s Volk Isaiah 40: 2.
Hij wordt beschreven als een stem in de woestijn, in onze wereld, die
verworden is tot een wildernis, waar mensen door eigengereidheid zijn vervallen tot een wrede en zondige wereld Isaiah 40: 3.
We leren tevens dat hij een boodschapper is die
de goede tijdingen brengt voor Zion
– dat wil zeggen voor de Kerk van God – want 
bij
het zien van Christus Jezus roept hij uit: “Zie uw God!Isaiah 40: 9.
Door naar de Heer Jezus Christus te wijzen, geeft zowel de profeet als de Doper Johannes aan dat de Godmens datgene  zal doen opspringen dat “armen en behoeftigen zich buitengewoon zullen verheugen; want wanneer zij water zullen zoeken, maar er niemand is en hun tongen zijn uitgedroogd van dorst, zal Ik, de Heer uw God, hen [ver-]horen;  Ik, de Heer God van Israël [de Kerk], zal hen niet verlatenIsaiah 41: 17.
Christus bevestigt deze profetie wanneer Hij zegt: “Wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, zal nooit dorst hebbenJohn.4: 14.

De Doper bereidt dus op unieke wijze menselijke de harten voor om Christus de Heer te zien als de God die mensenlevens omvormt [transformeert] door
“  rivieren in de bergen en fonteinen midden in de vlakte te openen.
Ik zal de woestijn tot een waterplas maken en het dorre land tot waterbronnenIsaiah 41: 18.
Zonder de Heer, onze God aan je zij ben je kansloos; Hij leert ons om ons tot Christus te wenden als Degene Die waarachtig is en dorstige harten lest, indien we ons maar met Hem zouden verenigen en onze waanzinnige en zinloze arrogante inspanningen om deze wereld om ons heen onze dorst te laten lessen.
Onze wereld snakt en hunkert naar ware gerechtigheid en wordt overgoten door een uitstorting van gezegende Genadegaven.
We hebben onze buik er vol van en hebben er meer dan genoeg van dat wij door de wereld slechts bedrogen uitkomen, de wereld die ons slechts geweld en immoraliteit aanbiedt.
We komen slechts bedrogen uit wanneer wij ons op de wereld verlaten; dat blijkt niet één keer, dat komen we dagelijks op onze weg tegen.

Wat een vriendelijke dienst verricht Johannes de Doper dan voor ons ondergeschikte menselijke ras, terwijl hij ons op de Heer, Jezus Christus wijst!
De Voorloper weet dat de wolken in de hemel “Gerechtigheid kunnen neer plenzen, uitgieten”, opdat de aarde ‘bekering’ ondergaat, die “gezamenlijk gerechtigheid zal voortbrengen” 
Isaiah 45: 8
hetgeen de mensheid de Verlossing en redding zal doen toekomen.
Wij mensen blijven echter slaven in het Babylon, in de verwarring van deze wereld, zolang wij de slavernij van deze wereld als onze natuurlijke staat accepteren.
De Voorloper dringt er echter bij ons op aan “Babylon [Hebr.=’verwarring‘] te verlaten” en “van de Chaldeeërs [Hebr.=’ kluitenbrekers, zij, die ons in verwarring brengen‘] weg te vluchten“.
We dienen “een stem van blijdschap’ de laten weerklinken en het iedereen, die het maar horen wil hiervan te doordringen.
Verkondig het tot aan het einde der aarde en zeg:
    De Heer heeft Zijn dienaar verlostIsaiah 48: 20.
Laat je niet langer in met het geharrewar om je heen en kies de ascetische weg,
Johannes de Doper onthult ons dit alleen Christus ons door de woestijn van het leven kan leiden en “   water kan veroorzaken; dit [uit] de rots kan slaan en laten stromen . . . . .  Hij zal de rots splitsen [en] het water zal stromen “ Isaiah 48: 21, zodat onze onuitblusbare dorst zal worden gelest.
Dus geen vriendschappelijke bezoekjes meer, die toch alleen maar uitlopen op het aloude ‘ achterklap en kwaadspreken, zelfs met de Mitra nog op.
We hebben een Heiland om ons uit onze diepste pijn te verlossen, al is de gehele wereld inclusief de uitzinnigen in de Kerk op drift zijn van eigen dunk en hooghartig wedervaren, zo onthult ons de Heilige Johannes de Doper.

Laten we onszelf onderzoeken en vragen:
“   Waarom ben ik niet langer verheugd?
Waarom ben ik onvruchtbaar en draag ik geen vruchten
meer in het [kerkelijk] leven?”.
De Heilige Johannes de Doper schreeuwt het ons van de daken toe:
Jubel, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt;
breek uit in gejubel en juich, gij die geen weeën gekend hebt
[op uw lauweren rust], want de kinderen der eenzame
zijn talrijker dan de kinderen der gehuwde, zegt de Heer
Isaiah 54: 1.
    Omdat u een praktiserend leraar van zuiverheid bent, en
een reddende gids tot bekering, smeekt u, a.u.b, Doper en Voorloper bij
Christus, onze God om  ons te verlossen van de vernedering van onze hartstochten

Uit, verzen van de Litie voor dit feest

God en profeet:
  Zie, Ik zend Mijn bode, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; plotseling zal tot Zijn tempel [van het hart] komen de Heer, die jullie zoeken, namelijk de Engel van het Verbond, die
jullie begeren.
Zie, Hij komt, zegt de Heer der heerscharen. Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en 
wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers. Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend.
Hij zal de zonen van Levi [Hebr.=‘verbonden’, zij die zich verbonden weten’] reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Heer in gerechtigheid offer brengen.
>  Dan zal het offer van Juda en van Jeruzalem de Heer aangenaam zijn als in de dagen van ouds en als in vroegere jaren.
Ik zal tot u ‘ten gerichtenaderen; Ik zaleen snelle aanklagerzijn tegen de tovenaars, tegen de echtbrekers, tegen de meinedigen, tegen hen die het loon van de dagloner drukken, weduwe en wees verdrukken, en de vreemdeling terzijde dringen, maar Mij niet vrezen, zegt de Heer der Heerscharen.
Voorwaar, Ik, de Heer, ben niet veranderd, en gij kinderen van Jaäcob, zijt niet verteerd. Van de dagen van uw vaderen af zijt gij afgeweken van mijn inzettingen en hebt ze niet onderhouden.
Keert terug tot Mij, dan zal Ik tot u terugkeren, zegt de Heer der heerscharen.
En dan zeggen jullie: In welk opzicht dienen ‘wij’ terug te keren?
> Breng uw gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zal zijn in Mijn huis; beproeft Mij toch daarmee, zegt de Heer der heerscharen, òf Ik dàn niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten.
Dan zal Ik, u ten goede, de kaal-vreter dreigen, opdat hij de vrucht van uw land niet zal verderven en opdat de wijnstok op het veld voor u niet zonder vrucht zal zijn, zegt de Heer der heerscharen. En alle volkeren zullen u gelukkig prijzen, omdat jullie een land van welbehagen zijn, zegt de Heer der H
eerscharen.
> En nu, wij prijzen de overmoedigen gelukkig; niet alleen worden zij gebouwd, terwijl zij goddeloosheid bedrijven, maar ook verzoeken zij God, en ontkomen.

[Eerst] Dàn spreken zij die de Heer vrezen, onder elkander, ieder tot zijn naaste:
De Heer, Die bemerkte het toch en hoorde het en er werd een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, ten goede van hen die de Heer vrezen en Zijn Naam in ere
[hebben ge-]houden. Zij zullen Mij ten eigendom zijn, zegt de Heer der heerscharen, op de dag die Ik bereiden zal. En Ik zal hen sparen, zoals iemand zijn zoon spaart, die hem dient.
Dàn zullen jullie tot inkeer komen en het onderscheid zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient, en wie Hem niet dient” Maleachi 3: 1-3, 4-7, 10-12, 15-18.
Met deze tekst voor ogen kun je toch niet langer zeggen, “Oh, Das war in jener Zeit, das war damals“.
        Zie, Hij komt eraan . . . . als een identificatie van de persoon (of personen) aan naar wie Maleachi in deze verzen verwijst, dient ons toch wel enige moeilijkheden op te leveren.
De meeste angstvallige lezers zijn het erover eens dat de uitdrukking “Mijn boodschapper, zoals hierboven is geciteerd weliswaar verwijst naar Johannes de Voorloper, maar zij doen dat niet allemaal.
Het Woord van God en Zijn Pedagogie is immers ook ‘tot ons’ gericht, ook tot onze tijd.
       De meeste kerkvaders van ons lezen de derde zin van Maleachi als
een verwijzing naar Christus Wederkomst, en met name de Heilige Cyril van Jeruzalem pakt het hele bestaan, het zijn op als zorgwekkend en heeft hij het over de Heer, Die komt als zijde in Zijn twee verschijningen.
Hij zegt: “de profeet Maleachi spreekt over twee verschijningen:

En plotseling zal er naar de tempel [van het hart] komen Heer, wie U zoekt“;
dat was de eerste komst van onze Heer, maar onze heer heeft op de Olijfberg al gesproken over welke de voortekenen zullen zijn voor Zijn wederkomst:
“     Jezus antwoordde hun: ‘Pas op dat niemand jullie misleidt, want er zullen velen komen die Mijn Naam gebruiken en zeggen: ‘Ik ben de Messias’ en ze zullen veel mensen misleiden’Matth.24: 4,5.

“ Als iemand dan tegen jullie zegt: “Kijk, dit is de messias” òf: “Daar is hij” in het Oosten of het Westen, bij de een of de andere hoogwaardigheids-bekleder, geloof dat dan niet.”Matth.24: 23.

“ Jullie zullen berichten horen over oorlogen en oorlogsdreiging. Laat dàt je dàn niet verontrusten, die dingen moeten namelijk gebeuren, al is daarmee het einde nog niet gekomen” Matth.24: 6.

  Het ene volk zal tegen het andere ten strijde trekken en het ene koninkrijk tegen het andere, en overal zullen er hongersnoden uitbreken en zal de aarde beven: dat alles is het begin van de weeënMatth.24: 7-8.
Dat is dus het begin van [de ellende] het einde. Sommige christenen hebben het hier in dit verband ook over ‘de laatste generatie‘ vóór de laatste wederkomst des Heren. Ze wijzen daarbij op:

Leer van de [natuur] vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is. Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat het einde nabij isMatth.24: 32,33.
De “vijgenboom” is in de Pedagogie van de Heer een symbool voor het land Israël en in haar verlengde ‘de Kerk’:

Dan zal men jullie onderdrukken en doden, en jullie zullen door alle volken worden gehaat omwille van Mijn NaamMatth.24: 9, en tevens de grote afval van gelovigen:

Velen zullen dan ten val komen, ze zullen elkaar verraden en elkaar gaan hatenMatth.24: 10.
     Vele mensen vallen dus van hun geloof af en de wetteloosheid neemt toe, de onderlinge liefde bekoelt:

En doordat de wetteloosheid toeneemt, zal bij velen de liefde bekoelenMatth.24: 12.
Over de tweede wederkomst zegt Maleachi:
  ‘En de Boodschapper van het Verbond, naar Wie je verlangt, ja, Hij komt eraan’ zo zegt de Heer der heerscharen”.
Nu hoe duidelijke wil je het nog hebben ?, we hebben het over het hier en het nu.  conf. Catechetical Lecture 15, NPNF Second Series, vol. 12, p. 104.

We merken op dat in het oorspronkelijke Grieks het woord angelos twee keer voorkomt in Maleachi 3: 1.
Het eerste gebruik is suggestief voor Johannes de Voorloper:
Ik zend Mijn boodschapper uit” (kleine letters).
De tweede keer dat het verschijnt, staat het met een hoofdletter:
zelfs de Boodschapper van het Verbond”.
Met andere woorden, zelfs de vertalers van de Orthodoxe studiebijbel volgen
de Heilige Cyril van Jeruzalem, die de eerste angelos als de Voorloper Johannes interpreteert en de tweede Angelos als een verwijzing naar Jezus Christus, de Zoon van God en Zijn wederkomst.
Deze interpretatie wordt versterkt door de volgende verzen.
We herinneren ons misschien dat de engel Gabriel de boodschapper van God was aan de Theotokos Luc.1: 26 en aan Zacharias, de vader van Johannes Luc.1: 19.
Als een door God aangestelde boodschapper lijkt Sint Johannes de Doper veel op een engel die nauwkeurig God’s vertegenwoordiger is, wanneer hij spreekt.
In zijn zuiverheid, anders zijn dan anderen en Gerechtigheid draagt, kortom ​​Johannes de Voorloper heeft een gelijkenis met God Zelf.
Daarom dienen wij ook niet verbaasd te staan dat we meningsverschillen tegenkomen over de identiteit van de ‘Boodschappers‘ die voorkomen in de profetie van Maleachi [it’s the devil].
Zowel in woord als in actie vinden we veel overeenkomsten tussen de Godmens en Johannes, Zijn doper, profeet en voorloper.
We kunnen zowel Christus als Johannes gemakkelijk als angelos beschouwen, of boodschappers van God.

Johannes de Doper en de Heer Jezus spreken ‘in vuur en vlam’ hun woorden uit tegen “de zonen van Levi” [vers. 3 (weet u het nog, Levi ‘Hebr.=‘verbonden’, zij die zich verbonden weten’] en de Sadduceeën de elite van de Tempel [welgesteld en bekleedden machtige functies, inclusief die van de voornaamste priesters en hogepriester, zie Matth.3: 7 en Matth.21: 23].
Evenzo veroordelen zowel Johannes als Jezus hun zonde en slechtheid [zie Luc.3: 3 en Luc.13: 1-5], inclusief enkele van de specifieke kwaden genoemd in de profetie van Maleachi Mal. 3: 5.
Evenzo verkondigen zowel de Voorloper als onze Heer Jezus Christus mededogen voor de onderdrukten en de vreemdeling/ de buitenlanders, die Malachi even-eens voorspelt Mal.3: 5.
Johannes de Doper aarzelt niet om iemand te dopen die de Meester bekent in zonden en berouw Marc.1: 4.
De Heer Jezus Christus, roept als Zoon van God de zondaars tot bekering en zuivert hen ook; Hij stuurt ze vervolgens erop uit om Zijn bediening van bekering voort te zetten Marc.2: 13-17.

Mogen wij die verenigd zijn met de Heer Jezus als onze Koning en God
en deze geloofsgemeenschap in zendingsopdracht en liefde omarmen,
De bediening welke door de profeet en Doper Johannes wordt gedeeld met zijn neef,  Heer en Meester, onze Heiland, Jezus Christus.
{Eerst] Dàn zullen we als ware navolgers Christus kunnen volgen zoals Johannes de Doper aangeeft, want hij appelleert ons op het feit dat:
Het is genoeg voor de discipel te worden als Zijn Heer en Meester, en
voor de slaaf als Zijn HeerMatth.10: 24, want zoals Johannes de Doper mogen wij dàn waarachtige navolgers van Christus worden om
vervolgens vast te stellen dat:
      Indien men aan de heer des huizes de naam Beëlzebul heeft gegeven, hoeveel te meer aan zijn huisgenoten! Vreest hen dan niet, want er is niets bedekt, òf het zal geopenbaard worden en verborgen, òf het zal bekend worden.
Wat Ik u zeg in het donker, zegt het in het licht; wat gij u in het oor hoort fluisteren, predikt het van de daken. En weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de helMatth.10: 25-28.
Predikt dus ook je ongenoegen van de daken !!! en blijf niet massaal zwijgen en
gedwee meelopen.

    O Christus, onze God, gehoorzaam aan Uw bevelen,
hebben Uw Leerlingen vol Geloof al het aardse van zich afgestoten.
[op die manier] hebben de roemrijken de gehele aarde licht gemaakt,
door het Licht van Uw Genadegaven, toen zij U als de Blijde Boodschap verkondigden
”.
Canon 1e ode van alle Heiligen.

    Alsdàn zal de rechtvaardige met grote vrijmoedigheid staan tegen degenen, die hem bedroefd hebben en die zijn arbeid en inzet verworpen hebben.
Wanneer dezen dit dàn [in-]zien, zullen zij ijselijk verschrikken voor zulk een zaligheid die zij niet vermoed hadden; en zij zullen met naberouw onder elkaar spreken en van angst de geesten verzuchten: ‘Deze is het, die wij veeleer tot een spot hadden en tot een smadelijke beschimping
Wijsheid van Salomon 5. 1-3,
Vanuit de grond van ons hart bevestigen wij dat
onze Heer en Verlosser zal wederkomen in heerlijkheid om levenden en doden te oordelen en aan Wiens Rijk geen einde zal zijngeloofsbelijdenis.
> “ De rechtvaardige, al mocht hij vroegtijdig sterven, is toch in rust”;
> “ Want de gestorven rechtvaardige veroordeelt de levende goddelozen en de schielijk volkomen jeugd het lange leven van de onrechtvaardigen Zij zien wel het einde van de wijzen, maar zij merken niet want de Heer ober Hem bedenkt, en waarom hij hem bewaard heeft
> “ En Hij zal hen onvoorzien neer laten storten en zal hun uit de grond rukken, dat zij geheel ten onder gaan; en zij zullen in angst zijn en hun nagedachtenis zal verloren zijn
> “ En of zij een tijd lang aan de takken groeien, terwijl zij geheel los staan, worden zij toch van de wind bewogen en door de sterke wind uitgeroeid. En de ontijdige takken worden gebroken; en hun vrucht is niet van nut, onrijp om te eten en nergens toe deugend. Want kinderen, die uit onechte bijslaap geboren worden, dienen, wanneer men hen vraagt, te getuigen van de boosheid tegen de ouderen

Wijsheid van Salomon 5: 7; 4: 7, 16-17, 19-20; 5: 4-6.

De verklaring, zoals de hierboven wordt geciteerd uit Wijsheid van Salomon, voert ons vèr voorbij het rijk van het dagelijkse leven.
Overeenkomstig deze manier van denken neemt het ons mee naar een dimensie die niet wordt begrensd door tijd en ruimte, een dimensie die dwars door elke tijd heen loopt.  Het moment zegent op zich alle goede daden en weent over elke zonde.  Dwaas zijn zij die alleen voor het hier en nu kunnen leven en niet [in-] zien hoe hun acties zullen voort klinken en een eeuwig gevolg hebben.

Herodes Antipas, die verantwoordelijk was voor de afschuwelijke wijze waarop de Voorloper vermoord werd, vertoont deze dwaasheid.
Die mens, die Johannes onthoofde, kon het rijk van deze heilige en zijn stralende Genadegave die hem verleend was niet waarnemen, want hij werd verblind door een wolkenlaag die hem omringde van lust en trots, de sensualiteit waaraan hij zich had overgeleverd en de verheven vakkundigheid die hij in z’n hoogmoed nastreefde.
Uiteindelijk zijn deze passies voor hem tot een “onbegaanbare woestijn” geworden.
De mensen uit zijn omgeving [uit de eerste eeuw] waren bekend met de misdaden van Herodes Antipas en zijn vrouw Herodias, wiens schendingen van God’s wetten de executie van de heilige, profeet en doper Johannes tot resultaat had ; het onrecht onder de mensen blijft namelijk nimmer verborgen.
Een paar jaar later begon Herodes een rampzalige oorlog met zijn voormalige schoonvader, koning Aretas, en zijn eigen leger werd vrijwel compleet met de grond gelijk gemaakt, vernietigd.
Hij vroeg vervolgens om de titel van koning van de Romeinse keizer, die het
bevel gaf tot een grondig, keizerlijk onderzoek.
Herodes en Herodias werden kort samengevat door de rechtbank veroordeeld en
uit Palestina naar het verre binnenland van het Romeinse Gallië verbannen.
Deze twee stierven daarop in eenzame ballingschap nabij Lyon.
Misschien bracht hun deportatie naar Gallië Herodes en Herodias ertoe te erkennen dat ze zich ernstig misdragen hadden, verontreinigd als zij waren op ‘de paden van de wetteloosheid’, maar het lijkt ons onwaarschijnlijk.
Hun vrome tijdgenoten zagen de hand van God in de bittere omkering die hen overkwam.
Allen die Christus als Heer en Meester belijden en Johannes de Doper vereren
als een heilige mens en volwaardig dienaar van God begrijpt dat
in de eeuwigheid een veel ergere ballingschap Herodes en Herodias stond te  wachten. Als we ons iemand proberen voor te stellen aan wiens lippen een klaagzang over deze lezing van toepassing is, dan schiet het lot van Herodes en Herodias ons gemakkelijk te binnen.

Maar, met name de flagrante zonden van Herodes dienen ons tot berouw op te roepen. Door God’s Genade verrijkt weten wij dat ieder mens, die door het leven wandelt, zonden begaat. Wat we ons niet realiseren is dat onze zonde zich niet beperkt tot onze menselijke periode , waarin de tijd heerst, maar het speelt zich ook af in de dimensie van de eeuwigheid !!!
Johannes de Doper en Voorloper mag dan misschien vèr vóór zijn tijd gestorven zijn,  hij leeft en zal voor eeuwig bij de Heer leven.
Zoals de Heilige Johannes Chrysostomos opmerkt:
‘   In onze eigen dagen en door alle toekomstige tijden heen,
blijft Johannes Herodes over de hele wereld weerstaan,
beiden zowel voor zichzelf als voor anderen
conf. voorzienigheid van God, ACCS New Testament 2, pg. 87).
Ja, zonde heeft consequenties die door de geschiedenis weerklinken, nagalmen, maar  nog ontnuchterend is het feit dat zonde de eeuwigheid vervuilt.
De eeuwige dimensie geeft immers een dringende noodzakelijkheid aan het menselijk leven, met name voor wat betreft de zonde.
God zal de goddelozen in verdeeldheid brengen en
hen hardnekkig verpletteren en sprakeloos te gronde richten en
hen op hun grondvesten laten schudden.
Zij  zullen tot het einde toe droog en onvruchtbaar blijven;
zij zullen pijn lijden en hun herinnering zal vergaan” zie vers 4: 19.
Doch daarentegen zal de rechtvaardige, die
de Heer heeft bekend, tot de zonen van God worden gerekend . . .
en . . . deel uitmaken van Zijn trouwe dienaren onder de heiligen ” zie vers 5: 5.
Moge God ons genadig zijn om voor altijd
in angst en beven de keuze van berouw en ommekeer te mogen maken!

Kondakion
tn.8.
  Gij zijt in waarheid de grootste onder de Martelaren,
teerijl ik méér gezondigd heb dan zelfs de wettelozen,
maar ik mag de hymne voor u zingen, Johannes.
U hebt de vrijmoedigheid bij de Heer,
bevrijd mij van alle onheid, opdat
ik tot u zal mogen roepen:
  Verheug u, aankondiger van de Genade
’”

    Johannes, prediker van berouw en bekering,
u heiligde de aarde toen uw hoofd werd afgehakt.
En daar u in de gunst valt bij de Heer,
smeek a.u.b. onophoudelijk tot Hem
om de redding van onze zielen
”.
Hymne van het feest,
de Onthoofding van Johannes de Voorloper.

10e Zondag ná Pinksteren – in Christus Jezus verwekt door de Blijde Boodschap.

Het Mysterie van de herinnering aan de Liefde van God voor de mensen; The Mystery of the memory of the Love of God for the people

    Er kwam iemand tot Hem, knielde voor Hem neer, en zei:
‘Heer, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en hij is er slecht aan toe; want dikwijls valt hij in het vuur en dikwijls in het water.
En ik heb hem naar uw discipelen gebracht en zij hebben hem niet kunnen genezen’.
Jezus antwoordde en zei:
Breng hem Mij hier’.
En Jezus bestrafte hem en de boze geest ging van hem uit, en de knaap was genezen van dat ogenblik af.
Toen kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden, toen zij met Hem alleen waren:
‘Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?’
Hij zei tot hen: ‘Vanwege uw kleingeloof.
Want voorwaar, Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad,
zult gij tot deze berg zeggen:
Verplaats u vanhier daarheen en hij zal zich verplaatsen
en niets zal u onmogelijk zijn.
Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten’.
Terwijl zij samen in Galilea verkeerden, zei Jezus tot hen:
‘De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen,
en zij zullen Hem ter dood brengen en ten derden dage zal Hij opgewekt worden’.
En zij werden zeer bedroefd”
Matth.17: 14b-23b.

 

de apostelen konden niet genezen; the apostles could not heal.

    Want het schijnt mij toe, dat God ons, apostelen, de laatste plaats heeft aangewezen als ten dode gedoemden, want wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, voor engelen en mensen.
Wij zijn dwaas om Christus’ wil, maar gij zijt verstandig in Christus; wij zijn zwak, maar gij zijt sterk; gij zijt in aanzien, maar wij zijn niet in ere.
Tot op dit ogenblik verduren wij honger, dorst, naaktheid, vuistslagen en een zwervend leven;
wij verrichten zware handenarbeid;
worden wij gescholden, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij verdragen; worden wij gelasterd, wij blijven vriendelijk; wij zijn als het uitvaagsel der wereld geworden, als aller voetveeg, tot op dit ogenblik toe.
Dit schrijf ik niet om u beschaamd te maken, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen. Want al hadden jullie duizenden opvoeders in Christus, jullie hebben niet vele vaders. Immers, ik heb u in Christus Jezus door het Evangelie verwekt.
Ik vermaan u dus: volgt mijn voorbeeld
1Cor 4: 9-16.

Blijf bij mij Heer, want d’ avond is nabij; ‘Stay with me, Lord, for the evening is near‘; ‘Μείνετε μαζί μου, Κύριε, γιατί το βράδυ είναι κοντά‘;’ ابق معي يا رب لأن المساء قريب‘.

    Bewaar mij Heer, want ik vertrouw op U en zeg: Gij zijt mijn God, mijn goederen hebt Gij niet nodig.
Voor de heiligen in Zijn land heeft de Heer al Zijn wonderen gedaan.
Zij waren van zwakheid vervuld, maar met Zijn hulp werden zij snel.
Ik wil niet deelnemen aan hun bloed-bijeenkomsten, noch hun naam met mijn lippen gedenken.
De Heer is mijn erfdeel, mijn deel aan de kelk: Gij toch hebt mij hersteld in mijn erfdeel.
Het meetsnoer viel voor mij in het vruchtbaarste land; als erfdeel kreeg ik het beste.
Ik wil de Heer zegenen die mij tot inzicht heeft gebracht: zelfs in de nacht onderricht Hij mijn hart.
ik heb de Heer gedurig voor ogen: Hij staat naast mij, opdat ik niet wankel.
Daarover verheugt zich mijn hart en juicht mijn tong; zelfs mijn vlees zal wonen in vertrouwen.
Want Gij geeft mijn ziel niet prijs aan de hades; Gij zult Uw gewijde het bederf niet doen zien. 
Gij hebt mij de wegen des levens doen kennen, door Uw Aanschijn hebt Gij mij met vreugde  vervuld. De genietingen aan Uw rechterhand duren tot in eeuwigheid”. Psalm 15[16] vert. ROK. ’s-Gravenhage.
” Abide with me” [Hymn]:
https://www.youtube.com/watch?v=EfwaS05wg5Q

Streven naar het allerhoogste

-‘blijven vissen’-, in een wereld, die onstuimig is

Onze Almachtige Heer en Verlosser is de enige Die in ons leven de Kracht, de Macht en het Recht toekomt Zich het vermogen toe te eigenen Zich als een alleen-Heerser [Pantocrator] te gedragen. Hij heeft er echter nimmer voor gekozen Zich als zodanig te gedragen, omdat het Zijn doel niet was ons ook maar iets op te leggen, ons ergens toe te dwingen. Christus wilde ons veeleer tot voorbeeld zijn en Zijn Al-Machtig-heid dusdanig in te zetten om ons uit de dood, de afgrond van onze wanhoop, te doen verheffen.
We dienen ervan doordrongen te zijn dat God geen absolute Macht inzet, omdat
macht slechts wordt gedefinieerd als eenheid van een geestelijke of lichamelijke
activiteit in de eenheid van tijd.
Omdat God boven de tijd staat en kan doen wat Hij wil, is de Almacht van onze Heer en Verlosser niet juist in de zin van het woord.
Zijn absolute kracht is slechts Zijn uitdrukking tegenover ons in het dagelijks leven en deze absolute kracht wordt tegenover ons uitgedrukt als iets wat absoluut als –‘zalig’ – wordt beschouwd.
God, onze Heer en Meester, gebruikt Zijn almachtige natuur immers om ons te helpen naar Hem toe te komen, dat wil zeggen om persoonlijk te trachten een eeuwige perfectie te bereiken, maar dan zonder onze vrijheid te ondermijnen.
Hij behandelt ons met de grootst mogelijke voorzichtigheid, zoals een gigantische hijskraan die een kleine baby in de lucht probeert op te tillen zonder
hem/haar enige schade te berokkenen.
Indien onze Heer en Verlosser dus geen alleen-Heerser [Pantocrator] is, maar zegt:  “Geef Mij de gelegenheid jou te onderwijzen,
neem Mijn juk op je en leert van Mij, want
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart en
al doende zul je rust vinden voor je ziel
conf. Matth.11: 29.
Waarom proberen we dan voortdurend méér dan onze Heer te bereiken en
onszelf meer Macht en vermogens toe te eigenen om anderen en daarmee onze ziel te onderdrukken, hetgeen zich nu eenmaal vèr boven ons niveau bevindt en
ons onvermogen alleen maar bevestigt? Het is immers een weg zonder einde.
Onze Almachtige Heer bewees dat Hij helemaal geen despoot was, al
was dat alleen al door Zijn Opstanding!
Leven in navolging van Christus is een hoog ideaal, maar weinigen onder ons brengen dàt tot een goed einde.
Daarom zijn er regels nodig vanwege de tegenstrijdige praktische uitvoering.
Christus zegt wanneer Hij zieken geneest en wij niet in staat zijn ons wereldse Hoogmoedig gedrag te veranderen:
    Oh, ‘ongelovig en verkeerd geslacht’, hoelang zal Ik nog bij u zijn?
Hoelang zal Ik u nog verdragen? Breng de patiënt bij Mij’.
En Jezus, onze geneesheer, bestraft de mens en de boze geest
ging van de mens uit, doch de mens was genezen van dat ogenblik af
”.
      Ben je ìn Christus, dan ben je met Hem bekleed, dan ga je in dat proces volledig op, dan doe je geen zonden meer.
     De situatie blijkt echter anders te zijn, de geest is gewillig, het vlees is zwak.
Wanneer je zondigt als je in Christus bent is dat aanstootgevend.
Je zielenheil hangt niet af van verkeerde besluiten; je wilt het wèl zo goed mogelijk doen, maar slechts door onafgebroken gebed en vasten [ascese], zijn wij enigszins in staat onszelf van het kwaad te bedwingen.
Paulus noemt dàt het fundament, en dàt is leven in Christus.
Wie daarop bouwt met hout of steen wordt bewaard, als door vuur heen.
Er is dus wel enig verschil, echter iedereen wordt ge-vrij-waard.
Wie in Christus is doet wel zonde, maar wil het niet meer.

reverse side if an icon. Ι(ησοῦ)C Χ(ριστὸ)C Ν(ι)(Κ(ᾷ) — Jesus Christ Conquers                      Φ(ῶς) Χ(ριστοῦ) Φ(αίνει) Π(ᾶσιν) — The light of Christ shines for all CT(αυρῷ) CT(αυρωθεὶς) Δ(όξα) Π(ατρός) — Crucified on the Cross You are the Glory of the Father              (Χ)ριστὸς (Χ)ριστιανοῖς (Χ)αρίζει (Χ)άριν — Christ Grants Grace to Christians

 

Waarom dan tòch:
Heer, bewaar en behoed ons tegen dit zondig geslacht?
Vermaningen zijn tijdelijk geldig, maar op de lange duur werkt het niet.
Wanneer je echter onafgebroken [door gebed en vasten, ascese] in Christus bent,  je daadwerkelijk mèt Christus hebt bekleed, heb je de wet en de regels als het ware niet meer nodig – je leidt dàn als vanzelf een ‘Geestelijk’ Leven.
Maar je mag dàn geen andere dingen meer meedelen of doen dan in de ‘Blijde Boodschap‘ worden aangegeven, anders ga je alsnog ten onder en dan blijken ook monastiek levenden slechts mensen te zijn.
Paulus zegt nergens dat zijn vermaningen tijdelijk zijn.
De regels in het Nieuwe Verbond [NT] zijn in feite herhalingen van wat al in het Eerste Verbond [OT] als bekend wordt verondersteld.
De mens dient het echter steeds maar weer herhaald op z’n bordje te krijgen, ook als je het al lang wist, opdat het Verbond met God niet verslapt, achteruitgaat en verkommert.
Voor een navolger van Christus dient groei nooit los gezien te worden van de ‘Blijde Boodschap‘.
Het is verstandig en wijs je geestelijke ervaringen hieraan te toetsen, òf iets in de Geest van God is of de geest van het verderf is.

Christus drijft de duivel uit in aanwezigheid van Joden en Apostelen.

Voorstellingen en onthullingen
Wat men in gedachten voor zich ziet en het bekend worden van de feiten gaan nooit tegen God in, groei brengt je altijd dichter bij God.
Herhalen, herhalen en nog eens herhalen hebben lichaams- en geestelijke kracht tot gevolg en geen sleur. De aparte vermeldingen zijn niet alleen bedoeld voor die tijd en die omstandigheden.                    Hoe ga je zelf om met nogal gevoelige teksten?
Bijvoorbeeld overmatig eten en drinken? Intermenselijke relaties?
Is er een standaardregel voor welke teksten nu opgevolgd dienen te worden en welke niet? Belangrijk is de relatie met de scheppingsorde.
Zo is de mens en zijn omgeving geschapen en bedoeld, alles dient in evenwicht te zijn – door zowel het individu als z’n omgeving gedragen te worden.
De schepping dient uitgangspunt te zijn [schepping’s-orde], niet de werkelijkheid alle dag van de dag, van het hier en het nu, van boven- en ondergeschikt.
Vanaf de schepping is het de verkeerde kant op gegaan, de mens besliste hooghartig ‘zelf‘, ging aan God en de medemens voorbij.
Dàn komt Christus, de tweede Adam.
Ook kun je duidelijkheid krijgen door de bestudering van de geschiedenis en
hoe andere mensen in andere werelddelen bij voorbeeld met  deze vraagstukken omgaan, lees maar:

Statenbijbel uit 1729, gedrukt door Pieter & Jacob Keur, Dordrecht

      Het woord des Heren, dat kwam tot Joël [Hebr.=‘voor wie de Heer God is’], de zoon van Petuel [Hebr.=‘verschijning van God’].
         Hoort dit, gij oudsten, en neemt ter ore, alle inwoners van het land.
Is zo iets geschied in uw dagen of in de dagen van uw vaderen?
Vertelt daarvan aan uw kinderen; laten uw kinderen het aan hun kinderen vertellen en hun kinderen weer aan het volgende geslacht.
Wat het knaagdier had overgelaten, heeft de sprinkhaan afgevreten; wat de sprinkhaan had overgelaten, heeft het beest dat verslindt afgevreten; en wat het beest dat verslindt had overgelaten, heeft de het beest dat kaalvreet afgevreten.
Wordt wakker, jullie dronkaards en huilt, en jammert allen, jullie wijndrinkers, om de jonge wijn, want deze is van uw mond weggerukt [jullie uit de hand geslagen].
Want een volk is tegen Mijn land opgetrokken, machtig en ontelbaar; zijn tanden zijn leeuwen-tanden en het heeft hoektanden van een leeuwin.
Het heeft Mijn wijnstok tot een voorwerp van ontzetting en Mijn vijgenboom tot een geknakte stam gemaakt; het heeft de schors geheel en al afgeschild en weggeworpen; zijn ranken zijn wit geworden.
Weeklaag als een maagd, met een rouwgewaad omgord, wegens de verloofde van haar jeugd.
Spijsoffer en plengoffer zijn ontrukt aan het huis des Heren; de priesters, de dienaren des Heren, treuren.
Verwoest is het veld; de aardbodem treurt, want het koren is verwoest, de most verdroogd,
de olie weggeslonken.
De landbouwers zijn verslagen, de wijngaardeniers jammeren, over de tarwe en over de gerst, want de oogst van het veld is verloren gegaan.
De wijnstok is verdord en de vijgenboom is verwelkt; granaatappelboom, ook palm en appel-boom, alle bomen van het veld zijn verdord.
Voorwaar, de blijdschap is beschaamd van de mensenkinderen weggevlucht.
Omgordt u en weeklaagt, gij priesters; jammert, gij dienaren van het altaar; komt, overnacht in rouwgewaden, gij dienaren van mijn God, want aan het huis van uw God zijn spijsoffer en plengoffer onthouden.
Heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst bijeen; vergadert, gij oudsten, alle inwoners des lands, tot het huis van de Here, uw God, en roept luid tot de Heer
Joël 1: 1-14.

Ultieme fileer-klem, welke je vis zeker en vast, veilig vasthoudt.

Wanneer je een milieu-freek/klimaat-fanaat bent en let op de ons omringende levenssfeer zul je ‘zeker en vast’ [Ndlnd’s, vast en zeker] door bovenstaande tekst worden aangesproken.
Maar wanneer je hoort dat de ‘wijnstok’ verschrompelt en de ‘vijgenbomen’ schaars in aantal zijn dan dient er een licht bij je op te gaan, want dàt is een belangrijk signaal.
☦️   Dàn gaat het om de ‘Kerk’ en het Israël [Hebr.=‘ God heeft de overhand, God zegeviert’] en dat gaat wèl een niveau dieper dan het materiële voortbestaan van de wereld.
☦️   Dàn dient de Profeet van stal gehaald te worden zoals Jonah, die naar Nineveh [Hebr.= ‘het nageslacht is blijvend’] en die zei: “Ik wil niet”.
Inderdaad onze profeten, de meeste van onze huidige toezichthouders willen niet, die zijn te druk met onderlinge conflicten en vechten elkaar de tent uit [Je wilt niet weten, wat de strijdende partijen elkaar rond het conflict ‘Rue-da-Rue’ allemaal naar het hoofd slingeren en welke zgn. vriendschap’s bezoekjes er worden afgelegd].
Zij hebben hiermee de vreugde van de mensenkinderen beschaamd gemaakt en deze haken massaal af, je ziet het om je heen.
Omgord daarom uzelf daarom met een zak, as en jammer, [“  Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder –‘niet zonder’– onze Heer”] u die gewijd zijt voor God’s aangezicht. Doe alom uw rouwkleed aan, u die op het altaar dient.
Ga in tot een ascetisch bestaan, u die God zegt te dienen . . . . .
Laat af uzelf te verlagen tot wereldse manier van doen en
onttrek u aan de slachtpartijen
” – achtervolg uw omgeving, – met uw Blijde Boodschap -, die immers van Christus afkomstig dient te zijn.
Brutale hooggeplaatsten ontketenen wrede oorlogen, terreur en bloedige revoluties, ja, ook in de Kerk worden in de ‘naam van religie’ grote tweestrijd ontketend.
Tegelijkertijd gaat de wereld ten onder aan door de mens veroorzaakte gewelddadige  omwentelingen van de natuur, welke hun eigen rampspoed veroorzaakt.
Dergelijke plagen kunnen het hart doen wankelen, immers alles lijkt ‘van God los’.  Hoe kunnen we dan nog enig begrip opbrengen bij dergelijke hoogmoedige kwaden die plaatsvinden in de schepping van de God, Die liefheeft en Wiens voorzienigheid vele zegeningen schenkt en zegeningen die nog mogen voort-komen uit de natuur, uit de kunst van mensen en vrouwen en van de bevindingen van de hedendaagse wetenschap?
Profeten leren ons ‘om acht te slaan op God’s oordeel‘ in onze tijden van ramp-spoed en tegelijkertijd: ‘blij te blijven zijn en ons te verheugen in de Heer, onze GodJoël 2: 23.
Joel richt zich in het bijzonder op de activiteit van de Heer in het weefsel van de geschiedenis, van “het bloed en vuur en damp van rook” Joël 3: 3 tot “ de zoetheid en melk . . . van de heuvelsJoël 3: 18.
In de opening, beschrijft Joël een natuurramp – zwermende sprinkhanen – die door het land Juda raast, het leven verwoest en alles ervoor consumeren Joël 3: 1. Hordes insecten verslinden het graan in de velden en strippen de wijngaarden en fruitbomen kaal. De indringers zijn woest in hun vernietigende uitwerking.
Joël spoort zijn luisteraars aan om ‘al uw kinderenhierover te vertellen, en uw kinderen aan hun kinderen naar de volgende generatieJoël 3: 3, want hij kan zich zoiets niet herinneren dat tijdens of vóór zijn leven plaatsvond Joël 3: 2.
Wij leren onze menselijke, natuurlijk ingebakken destructiviteit alleen maar te begrijpen door te leven in, door en nabij de rampen in deze wereld,
pas – ‘dàn’ – gaat de mens een ‘licht’ op, dat het anders kàn.
De profeet instrueert elke mens ‘om wakker te worden’,  door ‘het Woord van de Heer‘ te ontvangen Joël 3: 1 en gezegend te worden.
Wij zouden catastrofes moeten veroorzaken om ons te wekken, net zoals de sprinkhanenplaag Joël wakker maakt.
Leer vanuit de authentieke geschiedenis van hem en verminder tragische gebeurtenissen niet tot een louter dagelijks ‘nieuwsbericht’.
Immers een nieuwbulletin trekt voor één momentje je aandacht en vervolgens  zet je je lieve leventje weer voort alsof het allemaal een ’ver-van-m’n-bed-show’ betreft.
Zie en neem waar wat er allemaal om je heen gebeurt met méér dan vleselijke ogen
➥   laat ons daarom horen wat de Geest des Heren zegt Openbaring 2: 7 !
Hoor dit, u oudsten, [toezichthouders en spelleiders] en luister, gij allen die het land bewoontJoël 1: 2.
Laten we vanuit het hart aandacht schenken aan wat de Heer zegt en ons innerlijke oog openen voor de diepere spirituele niveaus van het bestaan, tot een visie op geschiedenis, naties en volkeren zoals deze gezien wordt door God’s ogen.
Als we [als de dood zijn] dood worden door routine en door het constante genot van de goede dingen van het leven, kunnen we merken dat we ‘alle‘ innerlijke zegen missen.
Wij worden virtuele dode zielen die rondlopen in stervende lichamen.
Zo ja, luister dan naar de woorden van Joel:
Word nuchter, jij die dronken bentJoël 1: 5 !!!.
De levensomstandigheden veranderen vaak van de ene dag op de andere en raken ons onbewust.
Sprinkhanen verwoesten een hele regio; de kerken verdwijnen en er is algemene afval; HIV, Ebola en vreselijke ziekten infecteren de helft of meer van de bevolking van een natie. Een jaarlijkse fysieke routine, die woedende kanker in het lichaam vaststelt; op een vrijdag namiddag brengt een roze slip met onze laatste salaris. Een briefje op de keukentafel vermeldt doodleuk: ‘Ik heb je verlaten en ben weggegaan. Ik zal niet terugkomen. Knuffel de kinderen voor mij’.
Oh, ja, hoe gemakkelijk kan vreugde en blijdschap [worden] en
zich verwijderen uit je mondJoël 1: 5, wanneer we dit
het minst verwachten wordt elk Verbond met de voeten getreden !!!
We zijn misschien niet klaar om vreselijke dingen te accepteren na het wonen in tijdelijke genoegens. Het is goed dan het boek Joël eens aandachtig te lezen en  acht te slaan op zijn waarschuwing.
De waarschuwingen komen niet uit de lucht vallen, maar komen als Genadegaven van God, die de profeet duidelijk maakt
opent het verstand dat dit voortkomt uit ervaring;
profeten zijn ervaringsdeskundigen, die hebben daar ècht niet voor gestudeerd.
Hij biedt een wake-up call zodat we niet zullen wanhopen over neergangen en calamiteiten.
We doen er goed aan om te rouwen Joël 1: 8, “omgord [onszelf] met een zak en een gejammerJoël 1: 13 terwijl we
de vastenperioden van de Kerk en
de [maandag-] woensdag en vrijdag  en de zaterdag voorafgaand aan de ontmoeting met de Heer door onthouding heiligen. Een gebalanceerd spiritueel dieet en het neerzinken op onze blote knieën dient van nu af vooraf te gaan aan genezende tijden van zelfonderzoek, berouw en bekentenis als onderdeel van onze disciplines omvatten teneinde spirituele groei een kans te geven.
Kom uit je comfort-zone allemaal, toezichthouders, spelleiders en de gehele christelijke gemeenschap, want de tijd is nabij !!!
”     Sta ons allen toe, o Heer Jezus Christus,
    dat wij de tijd van het leven, die ons nog overblijft, in vrede  en boetvaardigheid mogen voleindigen;
    dat het einde van ons leven christelijk, smarteloos, zonder reden tot schaamte en vredig zal mogen zijn;
    en om een goede verdediging voor de ontzagwekkende rechterstoel van Christus;
    om éénheid van Geloof en gemeenschap met de Heilige Geest smeken,
    bevelen wij onszelf, elkaar, en geheel ons leven aan.
Want Meester, alleen aan U vertrouwen wij heel ons leven toe en onze Hoop.
Wij roepen U aan , wij bidden en smeken U:
maak ons waardig om met een zuiver geweten deel te hebben aan Uw Hemelse, ontzagwekkende Mysteriën van het gewijd en geestelijk Altaar; tot vergeving van onze ongerechtigheden, en kwijtschelding van onze fouten;
tot gemeenschap met de Heilige Geest;
tot erfdeel van het Koninkrijk der Hemelen;
tot vrijmoedigheid tegenover U; Maar niet tot vonnis of veroordeling“.
”     En maak ons waardig, Meester, dat wij vrijmoedig, zonder vrees voor een oordeel, het wagen U, Hemelse God en Vader aan te roepen en te zeggen”:
    Onze Vader, Die in de Hemelen zijt,
Uw Naam wordt geheiligd
Uw Koninkrijk komt
Uw Wil geschiede zoals in de Hemel, zo ook op aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij onze schuldenaren vergeven en leid ons niet in verzoeking,
maar verlos ons van de boze
”.
En àls horen wij het de Heer Jezus Christus Zelf als opwekking zeggen:
    Want van U is het Koninkrijk,
       de Kracht en de Heerlijkheid:
       van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest,
      nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen
“.
waarop wij dan volmondig kunnen antwoorden: “AMEN”.
uit: liturgie van de H. Johannes Chrysostomos.

Apolytikion 
tn.1  “  

Engel aan het graf, atelier John Damascene

Terwijl de steen door de Joden verzegeld was en de soldaten Uw alleruiterst Lichaam bewaakten,
zijt Gij na drie dagen opgestaan, o Verlosser,
om aan de wereld Leven te schenken.
Daarom riepen de Hemelse Machten U Toe, o Levenschenker:
Ere zij Uw Opstanding, o Christus.
Ere zij Uw Koninkrijk:
Ere zij Uw Voorzienigheid o enige Menslievende
”.

Kondakion    
tn.1
  “  Als God zijt Gij opgestaan uit het graf in Heerlijkheid
en de wereld hebt Gij mede opgewekt.
De mensennatuur bezingt U als God
en de dood is teniet gedaan.
adam jubelt o Meester
en Eva, uit haar noemen bevrijd, verheugt  zich en roept uit:
Gij zijt het, o Christus,
Die aan allen de Opstanding schenkt
”.

Theotokion    
tn.1
  “   Toen Gabriël tot U o Maagd het ‘verheug u’ sprak, nam de Schepper van het heelal in U het vlees aan.
Toen werd gij ‘de Heilige Ark’, waarover David sprak, meer omvattend dan de Hemelen.
Eer zij Hem, Die in U woning nam,
Eer aan Hem, die uit u tevoorschijn trad.
Eer aan Hem, Die ons door uw baren heeft bevrijd
”.

Augustus, de 20e Heilige profeet Samuel bleef ondanks alle tegenslagen met de Heer tot op z’n laatste levensjaren de Heer trouw.

Aan de doden wordt een Mysterie [een wonder] toegedaan, krachtens welke bevoegdheid doet Gij deze dingen?To the dead a Mystery [a miracle] is added, under what authority do You do these things?

      En toen onze Heer en Verlosser de tempel was binnengegaan, naderden de overpriesters en de oudsten van het Volk Hem, terwijl Hij leerde, en zij zeiden:
       Krachtens welke bevoegdheid doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven?
Jezus antwoordde en zei tot hen:
    Ik zal u ook een vraag stellen en indien gij Mij daarop antwoord geeft, zal Ik u ook zeggen, krachtens welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.
      Vanwaar was de doop van Johannes? Uit de hemel of uit de mensen?’
En zij overlegden onder elkander en spraken: Indien wij zeggen:
      ‘ Uit de hemel, zal Hij tot ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?
      Doch indien wij zeggen: Uit de mensen, zijn wij bevreesd voor de schare, want
      zij houden allen Johannes voor een profeet.
En zij antwoordden en zeiden tot Jezus:
    Wij weten het niet.
Hij van zijn kant zei tot hen:
    Dàn zeg Ik u ook niet, krachtens welke bevoegdheid Ik deze dingen doe’

Matth. 21: 23-27.

 

Gelooft, het ware Evangelie; Believe, the true Gospel.

    Wat zullen anders zij doen, die zich voor de doden laten dopen? Indien er in het geheel geen doden opgewekt worden, waarom laten zij zich nog voor hen dopen?
Waarom zijn ook wijzelf van uur tot uur in gevaar?
Zowaar als ik, broeders, op u roem draag in Christus Jezus, onze Heer, ik sterf elke dag.
Indien ik te Epheze, naar de mens, met wilde dieren gevochten heb, wat baat het mij? Indien er geen doden worden opgewekt, laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij. Misleidt uzelf niet; slechte omgang bederft goede zeden.
Komt tot de rechte nuchterheid en zondigt niet langer, want sommigen hebben geen besef van God. Tot uw beschaming moet ik dit zeggen.
Maar, zal iemand zeggen, hoe worden de doden opgewekt? En met wat voor lichaam komen zij?
Dwaas! Wat gij zelf zaait, wordt niet levend, of het moet gestorven zijn, en als gij zaait, zaait gij niet het toekomstige lichaam, maar slechts een korrel, bijvoorbeeld van koren, of van iets anders.
       Maar God geeft er een lichaam aan, gelijk Hij dat gewild heeft, en wel aan elk zaad Zijn eigen 
lichaam1Cor.15: 29-38.

Samuel [ Hebr: ‘Shamu’el’; Arab.: صاموئيل ‘Ṣamuʾil’] is de naam van de Profeet, wiens naam in het Hebreeuws שם האלוהים Shem HaElohim = “naam van God” of שמע אלוהים Sh’ma Elohim = “God hoorde” betekent.
Samuel was de laatste van de gezaghebbende rechters in het oude Testament; hij zegende Saul met olie tot eerste koning van Israël and later tevens koning David. Bij de hang naar de menselijk superieure houding ging ook het oude Israël ten gronde; de geschiedenis zal zich in het nieuwe met keizer Constantijn herhalen.

De Profeet van Israël
De profeet Samuel had kijk op [en inzicht in] mensen en sprak het Israëlische Volk erop aan dat het spijt diende te betuigen voor haar gedrag.
Het Volk werd hiertoe in de stad Gilgal [Hebr.=‘wiel of rollend’] opgeroepen door deze trouwe man die hen decennia lang als profeet en rechter had gediend.
Het zal overeenkomstig de moderne seizoenen mei of juni geweest zijn; het droge seizoen was zo goed als voorbij. De velden in de regio waren goudgeel met volle tarwe-aren welke klaar waren om geoogst te worden. Er viel een stilte over de mensenmassa. Hoe kon Samuël hun harten bereiken?

In het Koninkrijk der Hemelen zullen de blinden zien, de kreupelen lopen en de melaatsen rein worden; In the Kingdom of Heaven the blind will see, the lame walk, and the lepers will become clean.

De mensen begrepen totaal niet hoe ernstig hun situatie was.
Ze hadden er met kracht op aangedrongen dat een ‘menselijke koning’ over hen zou regeren, dat deze hen wel redding zou brengen in hun onmacht nog ‘iets’ te veranderen.
Zij begrepen niet dat zij hiermee een grove minachting jegens hun Heer hadden getoond, God was immers hun heil en toe-verlaat, hun God, Heer en Meester en
Samuel was slechts zijn woordvoerder, Zijn Profeet.
Hoe kan een menselijk systeem dan nog steeds het idee hebben ‘zelf’ iets aan de toestand in de wereld te veranderen?
Ze wezen hun Heer en God, met wie zij een Verbond hadden afgesloten eigenlijk af als hun Koning! Hoe kon Samuël hen tot inkeer, tot berouw brengen?

Samuels jeugd kan ons veel leren over het opbouwen van Geloof in God, aks Heer en Meester van je leven, ondanks slechte invloeden van buitenaf, van de wereld om je heen.

Waarom sprak Samuël dan nu over zijn jeugd?
Waarom is het gelovige voorbeeld van Samuël’s leven heden ten dage nog steeds een voorbeeld voor ons?
De Profeet Samuël sprak: “Ik ben oud en grijs geworden” zo hield hij z’n toehoorders voor. Zijn wit geworden haar voegde het benodigde gewicht toe aan zijn woorden. Vervolgens zei hij:
„Ik heb van mijn jeugd af aan tot op deze dag het vuur voor jullie uit mijn sloffen gelopen” 1Sam.11: 14,15; 12: 2.
Hoewel Samuel oud was, was hij heel helder, hij was zijn jeugd niet vergeten.
Zijn herinneringen aan die vroege dagen waren nog steeds levendig.
De beslissingen die hij toen als een opgroeiende jongen had genomen, hadden hem geleid tot een leven van geloof en toewijding aan God, zijn Heer.

Samuël heeft z’n Geloof in God dienen op te bouwen en te handhaven, hoewel hij keer op keer omringd werd door mensen die trouw en ontrouw waren.
In onze tijd is het nèt zo uitdagend om Geloof op te bouwen, want we leven in een trouweloze en omkoopbare wereld:
    de Heer zei: ‘Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt.
Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen wachten? Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen.
Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het Geloof vinden op aarde?
Hij sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen verachtten, de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaarLuc.18: 6-9.
Laten we eens in ogenschouw nemen wat we kunnen leren van bijvoorbeeld Samuel’s leven, te beginnen in zijn vroege jeugd.

In z’n jonge jaren ‘open staan voor de dienst des Heren’, als dienstknechtSam. 5,6.
    Een gezonde opvoeding is met name in onze tijd een voorwaarde voor een gezonde levenshouding op latere leeftijd.
Waren de kinderjaren van Samuel dan zo ongewoon, hoe wisten zijn ouders hier zo zeker dat hij beschut werd door de Allerhoogste?
Samuël had een ongewone jeugd, in ieder geval afwijkend van wat wij momenteel kennen.
Kort nadat hij was opgegroeid tot kleuter, en op driejarige leeftijd of iets meer,
begon hij al een leven van dienst in het heilige tabernakel van de Heer in
Silo [Hebr.=‘plaats van rust’] meer dan 20 mijl van zijn huis in Ramah [Hebr.=‘heuvel’]; de heen weg het dal in was voor hem eenvoudig, de terugweg naar de wereld moeilijk.
Zijn ouders, Elkanah [Hebr.=‘God heeft bezeten, van hetgeen God heeft geschapen’] en
Hannah [Hebr.=‘Genadegave’], droegen hun jonge kind op aan de Heer op een speciale manier in een gebedsdienst, waardoor Samuel voor het leven ‘een nazireeër* werd.
* Een Nazireeër betekent dat hij vanaf zijn geboorte aan God werd toegewijd,
ongesnoeid als een wijnstok in de wijngaard opgroeide – zo werd zijn haar niet ‘gesneden’/geknipt en onthield hij zich van alle genotsmiddelen.
Dit hield niet in dat Samuel werd afgewezen, onbemind werd door zijn ouders, maar dat zij God hiermee dankbaarheid toonden voor het geschenk dat zij van Hem een kind hadden gekregen.
Hij werd daarom opgedragen in de Tempel, en zij wisten dat hun zoon in Silo,
de plaats van rust’ zou worden verzorgd.
De hogepriester Eli hield ongetwijfeld toezicht op de zaken, want Samuel werkte nauw met hem samen. Er waren ook een aantal vrouwen die in enig verband rond de tabernakel dienden, kennelijk op een georganiseerde manier Sam.38: 8; Richt.11: 34-40.

Je kunt je hierbij nu de volgende vragen stellen:
     1.]. Hoe hebben Samuëls ouders hem jaar na jaar liefdevol aangemoedigd?
     2.]. Wat kunnen ouders tegenwoordig leren van de ouders van Samuel?
Bovendien vergaten Hannah en Elkana nooit hun geliefde eerstgeborene, zij waren dag-en nacht bij hem betrokken wiens geboorte een antwoord was op hun gebed. Hannah had God om een zoon gevraagd, en had beloofd de jongen aan God op te dragen in een leven van heilige dienstbaarheid.
Bij elk bezoek bracht Hannah Samuel een nieuwe mouwloze jas die ze had gemaakt voor zijn dienst in het tabernakel.
De kleine jongen heeft die bezoeken zeker gekoesterd, hield ontzttend veel van zijn ouders. Hij bloeide ongetwijfeld op vanwege de liefdevolle aanmoediging en
begeleiding van zijn ouders toen ze hem leerden wat een voorrecht het is om onze Heer de Schepper van Hemel en aarde op die unieke plek te dienen.
     Ouders zouden heden ten dage ondanks alle drukte van de wereld
veel kunnen leren van de wijze waarop Hannah en Elkanah met hun kind omgingen.  Het is in onze tijd gebruikelijk dat ouders al hun inspanningen op
het gebied van opvoeding concentreren op materiële zorgen, terwijl ze de  geestelijke behoeften veelal negeren.
     Maar Samuël’s ouders stelden geestelijke zaken voorop, en dàt had grote invloed op de vorming tot volwassene, zoals hun zoon opgroeide.
    Oefen de knaap volgens de eis van zijn weg,
ook wanneer hij oud geworden is,
zal hij daarvan niet afwijken
Spreuken 22: 6.
Zonder twijfel zal de jonge Samuel beïnvloed zijn geweest door zijn dagelijks verblijf op die heilige plaats – hij leerde aldaar verantwoordelijkheden op zich te nemen als spelleider en voorbeeld voor zijn geestelijk nageslacht;
ook vandaag nog kunnen wij ons de jonge man voorstellen die niet alleen in lichaamslengte toenam en zijn omgeving in de heuvels rond Silo, de ‘plaats van rust’ verkent. Rust; orde, netheid en regelmaat werd hem als het ware met de paplepel ingegeven terwijl hij naar stad en vallei keek die zich aan zijn zijde uitstrekten, zijn hart sprong op van vreugde rond het tabernakel, de door de Heer der heerscharen geschonken vreugde op die heilige plaats.
De tabernakel werd immers 400 jaar eerder opgebouwd als draagbaar heiligdom voor het Volk op hun tocht door de woestijn van het leven.

Ook nú nòg ervaren wij deze vreugde wanneer wij herhaald opgaan naar het huis des Heren; in de woorden die hij ons later deed toekomen omschrijft hij dit als: “Dat hij diende voor het aangezicht des Heren, als een jongen met een linnen lijfrok omgord1Sam.2: 18.
    Dat eenvoudige mouwloze kledingstuk gaf duidelijk aan dat Samuel de priesters hielp bij hun dienst in het heiligdom.
Hoewel hij niet van de priesterlijke klasse was, had Samuel plichten, zoals
het ‘s morgens openen van de deuren naar de binnenplaats van plaats van ontmoeting en het verzorgen van de oudere Eli.
Hoezeer hij de privileges ook genoot, na verloop van tijd werd zijn onschuldige hart onrustig. Er was iets vreselijk mis in het huis van God.

Zuiver blijven ook àl wordt je omgeven door een verraderlijke wereld.
Op jonge leeftijd was Samuel getuige van echte goddeloosheid en bederf,
dit is hetgeen in oude tijden reeds – ‘de wereld’ – werd genoemd.
Eli had namelijk twee zonen, genaamd Hophni [Hebr.=‘vuistvechter’] en Phinehas [Hebr.= ‘de bronskleurige’], “zij waren nietswaardige lieden; zij erkenden de Heer niet1Sam.2: 12.
De twee gedachten in dit vers gaan hand in hand, letterlijk “zonen van waardeloosheid”; zij hadden geen waarden en normen, hetgeen hun andere ongerechtigheden deed ontstaan, het een kwam voort uit het andere.
        Hophni en Phinehas laten ons de gevolgen zien welke een principiële tekortkoming kan veroorzaken.
De geboden van God geven specifiek de plichten van de priesters aan en de wijze waarop zij hun  offers dienden op te dragen in Zijn huis, Zijn heilige Tempel [het hart].
En deze geboden hebben een goed doel, zijn met een goede reden omkleed!
Die offers vertegenwoordigden de door God gegeven voorzieningen om onge-rechtigheden te voorkomen en te vergeven zodat mensen voor het aangezicht des Heren schoon en rein konden voortbestaan, en Hem in waardigheid tegemoet konden treden.
Maar het onrecht van Hophni en Phinehas brachten hun mede-priesters er ten langen leste, na een heel lange tijd, toe inzicht te verkrijgen de offergaven met groot respect te behandelen.
Wanneer wij gerechtigheid willen bewerkstelligen, indien dat zo is, doen wij er goed aan lessen te trekken uit het geduld de nederige en waarderende geest van de profeet Samuel:
      Evenzo gij, jongeren, onderwerpt u aan de oudsten.
Omgordt u allen jegens elkander met nederigheid, want God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij Genade. Vernedert u dan onder de machtige hand van God, opdat Hij u te zijner tijd zal  verhogen. Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u. Wordt nuchter en waakzaam1Petr.5: 5-8a.

Het zout der aarde = vechten tegen een onzichtbare vijand; The salt of the earth = fighting an invisible enemy

Ons wordt op het hart gedrukt: “   Uw tegenpartij, de duivel, gaat [in onze wereld] rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Weerstaat hem, vast in het Geloof, wetende, dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten1Petr.5: 8b,9

     Hoe worden ongetwijfeld ook in onze tijd voor de omgeving bekend staande
oprechte mensen getroffen door de goddeloosheid in het huis van God?
Hoe faalde Eli [Hebr.= ‘opgang tot de Heer’], immers in zijn tijd zowel als vader als als hogepriester?, we blijven immers maar mensen.
          Stel je daarom voor ogen, dat de jonge Samuel met grote ogen toekijkt, terwijl  grove mistoestanden ongecorrigeerd maar hun beslag kregen.
Hoeveel mensen ziet hij niet aan zich voorbij trekken – inclusief arme, nederige, onderdrukte mensen – die het heilige tabernakel naderden in de hoop wat spirituele troost en kracht te vinden, alleen om teleurgesteld, gekwetst of vernederd weer te vertrekken?
En hoe voelde hij zich toen hij hoorde dat Hophni en Phinehas ook nog God’s geboden inzake de seksuele moraal negeerden, omdat zij relaties hadden met enkele van de vrouwen die daar in het tabernakel dienden?:
      Eli nu was zeer oud. Wanneer hij hoorde, wat zijn zonen geheel Israël al niet aandeden en dat zij sliepen bij de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent der samenkomst, z
ei hij tot hen: ‘Waarom doen jullie dergelijke dingen, dat ik het gehele volk over die wandaden van jullie hoor spreken? Dat gaat niet, mijn zonen. Het is geen goed gerucht, dat ik hoor: ‘zij brengen het volk des Heren tot overtreding. Indien de ene mens tegen de andere mens zondigt, dan zal God hem richten; maar indien een mens tegen de Here zondigt, wie zal dan voor hem tussenbeide treden?’.
Maar zij luisterden niet naar hun vader, want de Heer wilde hen doden
“ 1Sam.2: 22-25.
Vergis je niet, het is in onze tijd niet anders, zelfs bisschoppen [asketen?] kunnen hun handen niet thuishouden. Misschien kijk je net als Samuel hoopvol op naar Eli om er iets aan te doen.
Samuël dient net als vele oprechte navolgers van Christus diep verontrust te zijn geweest om de slechtheid van Eli’s zonen te zien. De toezichthouder Eli was in de beste positie om de groeiende ramp aan te pakken.
Als hogepriester was ‘hij’ immers verantwoordelijk voor wat er in de tabernakel het hart van de mensen plaatsvond.
Als vader had hij de plicht zijn zonen te corrigeren.
Tenslotte deden ze zichzelf en talloze anderen in het land van de wereld pijn.
De menselijke Eli faalt echter in beide opzichten, als vader en als hogepriester.
Hij bood zijn zonen slechts een flauw, zwak uitbrandertje aan, je ziet het heden ten dage toch om je heen.
Maar zijn zonen hebben ook in onze tijd een veel sterkere discipline nodig. Ze begingen zonden die de dood meer dan waard waren!
Onze Heer en Verlosser zendt ook in onze tijd een krachtige boodschap aan Eli, en hoe reageert Eli’s familie, de bloedverwanten van Christus op de waarschuwing?

De zaken in de wereld bereiken een dusdanig punt dat de Heer „een man van God”, een naamloze profeet, naar Eli zond met een krachtige oordeel’s-boodschap.
De Heer onze Verlosser zegt tegen de toezichthouder Eli:
„Je blijft je zonen meer eren dan ik [geboden heb]”.
God voorspelt dus dat de slechte zonen van Eli op dezelfde dag zouden sterven en dat het gezin van Eli zwaar zou lijden en zelfs zijn bevoorrechte positie in de priesterklasse [dynastie] zal verliezen – ‘je ziet het toch de kerken lopen leeg’.
Heeft deze krachtige waarschuwing een verandering in dat gezin teweeg gebracht? Het verslag onthult niet zo’n verandering van hart:

Ze zagen waar de Heer en Verlosser verblijf hield‘; ‘They saw where the Lord and Savior stayed‘ John.1: 35-42.

      Er kwam een man Gods tot Eli en zei tot hem:   Zo zegt de Heer: heb Ik Mij niet duidelijk aan het huis van uw vaders geopenbaard, toen dit in Egypte aan het huis van Farao onderworpen was?
En Ik heb hem uit alle stammen van Israël [de Kerk] Mij tot priester verkoren om mijn altaar te beklimmen, reukwerk te ontsteken en de efod te dragen voor Mijn aangezicht; aan het huis van uw vaders heb Ik alle vuuroffers van de Israeliëten [de Kerk] gegeven. Waarom verachten jullie Mijn slachtoffer en Mijn spijsoffer, die Ik in [Mijn] woning voorgeschreven heb, eren jullie je zonen boven Mij, en doet jullie je te goed aan het beste deel van elk spijsoffer van mijn volk Israël [de kerk]?
        Daarom, luidt het woord van de Heer, de God van Israël, Ik heb duidelijk gezegd: uw huis en het huis van uw vaders huis zullen voor altijd voor Mijn aangezicht wandelen, maar nu luidt het Woord des Heren:
       ‘ dit zij verre van Mij! Want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij versmaden, zullen gering geacht worden.
Zie, de dagen komen, dat Ik uw kracht en die van het huis van uw vaders verbreken zal, zodat er geen oud man in uw huis zal zijn.
Jullie zullen de nood van [Mijn] woning moeten aanzien niettegenstaande alle weldaden, die Hij aan Israël [de Kerk] bewijst, en in uw huis zal er nooit een oud man zijn.
       Maar de enkeling, die Ik niet zal verdelgen van bij Mijn altaar, zal uw ogen verteren en uw leven doen verkwijnen; al wat uit uw familie stamt, zal op mannelijke leeftijd sterven.
       En wat uw beide zonen Hophni en Phinehas zal overkomen, zal u tot teken zijn: op een dag zullen zij beiden sterven.
       En Ik zal Mij een betrouwbaar priester aanstellen, die naar Mijn hart en in Mijn Geest handelt en Ik zal voor hem een duurzaam huis bouwen, zodat hij te allen tijde voor het aangezicht van Mijn gezalfde [Christus] wandelen zal.
       Wie dan nog in uw huis mocht overgebleven zijn, zal komen om zich voor Hem neer te buigen voor een zilverstukje of een brood, en zal zeggen: stel mij toch aan bij een van de priester- diensten, opdat ik een stuk brood te eten heb.
       De jonge Samuel was in de dienst des Heren onder toezicht van Eli. Nu was in die dagen het Woord des Heren schaars; gezichten waren niet talrijk1Sam.2: 27– 3: 1.

Hoe duidelijker dienen we het nog te krijgen mensen van deze tijd?
Wat lezen wij niet aan Nieuws over de voortgang van de jonge ascetisch levende Samuël, die ondanks al datgene wat er om hem plaatsvindt gewoon stand houdt,
misschien tegen beter weten in?  Vindt je deze vrije nieuwsgaring niet hartverwarmend?
Welke invloed heeft al de corruptie van de wereld op de jonge Samuël?
Van tijd tot tijd vinden we in dit donkere verslag heldere lichtstralen, de Blijde Boodschap verhaalt over de groei en vooruitgang van Samuel.
Bedenk dit we wanneer we lezen over Samuël, die getrouw ‘als dienaar des Heren voorde Heer diende‘. Zelfs op jonge leeftijd concentreerde Samuël z’n leven slechts in dienst ten opzichte van zijn enige Heer, onze God.
In vers 21 van hetzelfde hoofdstuk lezen we iets dat nog hartverscheurender is:
De jongen Samuël bleef de Heer nabij en groeide in wijsheid tot Hem op”.
Naarmate hij lichamelijk opgroeide, werd de band met zijn Hemelse Vader steeds maar sterker. Zo’n hechte persoonlijke relatie met de Heer, onze God is de zekerste beschutting onder Zijn vleugelen als bescherming tegen elke vorm van verval, corruptie. 
1Sam.2: 17,18.

    Uit de diepte, Heer, heb ik tot U geroepen: Heer, geef gehoor aan mijn stem.
Laat Uw oren aandacht schenken aan de stem van mijn smeking. Zo Gij op ongerechtigheden zoudt acht slaan, Heer; Heer, wie kan dat doorstaan ?
Maar bij U is vergeving; omwille van Uw Naam, Heer, heb ik U verbeid.
Mijn ziel verwacht Uw Woord; mijn ziel vertrouwt op de Heer.
Van de ochtendwake tot de nacht dient Israël te vertrouwen op de Heer.
Want bij de Heer is barmhartigheid; bij Hem is overvloedige Verlossing.
Ja, Hijzelf zal Israël verlossen, uit al zijn ongerechtigheden.
Heer, mijn hart is niet hoogmoedig; ik heb mijn ogen niet trots opwaarts geslagen.
Ik houd mij niet op met grote dingen, noch met wat te wonderbaar voor mij is.
Als ik niet nederig gezind was, òf zo ik mijn ziel had verheven.
Als een gespeend kind op de schoot van zijn moeder, zo had Gij mijn ziel vergolden.
Doch Israël [de Kerk] dient op de Heer te vertrouwen, van nu af tot in eeuwigheid
Psalm 129,130[130,131] vert. ROK ’s-Gravenhage:
lees tevens Psalm 118[119] in pdf, welke tot het nachtgebed behoort:
10e – Psalm 118[119] vert. ROK ’s-Gravenhage

Spreek Heer, Uw Woord volgt ons van nabij

Eli & Samuel

Hoe kunnen onze jeugdige navolgers van Christus Samuël’s voorbeeld navolgen?
Wanneer zij worden geconfronteerd met bederf van hun omgeving, waaruit blijkt dan dat Samuël de juiste koers heeft gekozen?
Het zou voor Samuël oh zo gemakkelijk zijn geweest om te redeneren dat indien de toezichthouder, de spelleider, de hogepriester en zijn zonen kunnen toegeven aan de zonde, hij dat net zo goed had kunnen doen en had kunen doen wat hij maar wilde.
Maar de bedorvenheid van anderen, inclusief degenen, die een gezag’s-posities bekleden, is nooit en te nimmer een excuus om te zondigen.
Tegenwoordig volgen veel christelijke jongeren het voorbeeld van Samuël en
blijven ‘in de Heer opgroeien‘ – zelfs als sommigen in hun omgeving geen goed voorbeeld geven.

Hoe kun je in deze tijd standvastig blijven in het Geloof; de enige mogelijkheid tot het bereiken van de Zaligheid?
We hebben het vandaag kunnen lezen:
Al die tijd werd de jongen Samuël groter en sympathieker, zowel
vanuit het standpunt van de Heer als vanuit dat van de mensen1Sam.2: 26.
Samuël was dus zéér geliefd, tenminste door degenen wier mening ertoe deed.
‘De Heer Zelf’ koesterde deze jongen als Zijn Vader vanuit de Hoge om zijn trouwe koers te behouden.
En Samuel wist zeker dat Zijn God en Vader zou handelen tegen alle slechtheid die in Silo [‘de plaats van rust’] aan het daglicht werd blootgesteld, maar misschien vroeg hij zich af ‘wanneer dàt zou plaatsvinden‘, zoals in onze tijd.
Op zekere nacht volgt op dergelijke vragen een antwoord:
Spreek, want uw dienaar luistert1Sam.3: 10.

In de avond en de nacht is Uw Woord mij nabij
Het was bijna ochtend maar nog steeds donker; het flikkerende licht van de grote lamp van de tent brandde nog. In de stilte hoorde Samuel een stem die zijn naam riep.
Hij dacht dat het Eli was, die nu heel oud en bijna blind was.
Samuel stond op en “rende” naar de oude man.  Kun je deze jongeman in gedachten zien, op blote voeten haasten om te zien wat Eli nodig had?
Het is ontroerend om op te merken dat Samuel Eli met respect en vriendelijkheid behandelde. Ondanks al zijn zonden was Eli nog steeds toezichthouder, spelleider, hogepriester des Heren.
Samuël maakte Eli wakker en zei:
Hier ben ik, want u riep mij”.
Welnu, hetzelfde gebeurde opnieuw en opnieuw!
Uiteindelijk besefte Eli wat er aan de hand was.
Het was zeldzaam geworden voor de Heer der Heerscharen om
een visioen of een profetische boodschap naar zijn volk te sturen, en
het is niet moeilijk te begrijpen waarom.
Maar Eli wist dat onze Heer weer sprak – nu tot deze jongen!
Eli zei tegen Samuel dat hij terug naar bed moest gaan en
vertelde hem hoe hij een goed antwoord diende te geven;
Samuel gehoorzaamde.
Al snel hoorde hij de stem roepen: “Samuel, Samuel !”.
De jongen antwoordde: “Spreek, want uw dienaar luistert1Sam.3: 1, 5-10.
Hoe kunnen wij vandaag de dag nog naar onze Heer en God luisteren en waarom
is het beslist de moeite waard om dat te doen?
Het gebod “Er is maar één God en buiten Hem kennen wij geen ander”
verbiedt de mens om ook maar “iets anders” belangrijker te vinden dan God.
Indien je eigen familie, je huis, je geld, je kleren, je speelgoed, vakanties, computers of mobiele telefoons òf wat dan ook het beste van je tijd, geld of energie kosten, dan zijn ze voor jou belangrijker dan God.
Dàn wijst het vingertje van je hart niet meer naar onze Heer en Zaligmaker, onze God, maar naar iets of iemand anders.
Dàn heb je bij wijze van spreken ‘Het eerste gebod‘ overtreden.
Natuurlijk is het noodzakelijk of om op vakantie te gaan, maar soms kan je zo druk zijn met alles, dat je vergeet om zelf je tijd te nemen voor het lezen van God’s Woord, om aandachtig tijd te nemen voor gebed…. dan doe je het misschien nog eventje vlug . . . . . er tussen door.
”   Maak haast, maak haast, maak haast, wij hebben ongelofelijke haast . . .” is onze voornaamste [Liturgische] Hymne geworden; de Goddelijke Liturgie kan gemakkelijk in 20 minuten, that’s it . . .
Onze Heer en Verlosser had uit eindelijk een knecht in Silo [‘de plaats van rust’] die luisterde.
Dàt werd het levenspatroon van Samuel en dàt kan ook jou overkomen;
het is namelijk in jou, in de tempel van het hart, je ‘stille, moment van rust’ en
dàn speelt tijd geen rol.
We behoeven echt niet in de nacht te gaan liggen wachten op een boven-natuurlijke stem om met ons te praten.  Tegenwoordig is God’s stem er in zekere zin altijd wanneer je je eigen pet er maar naar zet.
Het is daar in Zijn voltooide Woord en in het gebed, daarom dringen de kerkvaders, de oude asketen er op aan dat je bidt tijdens ‘het werk van je handen’ en dat je dagelijks Zijn Woord [aan de hand van de door hen opgestelde kerkelijke kalender] bestudeert.
Hoe meer wij de gelegenheid nemen naar God te luisteren en op Zijn Woord te reageren, hoe meer ons geloof zal groeien.
Zo was het ook met Samuël.

Ondanks zijn angst bracht Samuel de oordeel’s-boodschap des Heren etrouw door aan de toezichthouder, de spelleider, de priester Eli.
Ondanks het feit dat er in de tuin van God absoluut geen plaats is voor een koning, keizer of wat voor mens ook die macht en gezag naar zich toetrekt [teneinde politiek te bedrijven]; heeft God toegegeven aan hetgeen ten diepste zou leiden tot de scheiding tussen Kerk en staat hetgeen de mens in de wereld ongelukkig en eenzaam heeft gemaakt:
Verheffing en de ongenade
Samuël kreeg op aanwijzing van God de indruk om het goede in een koning, keizer of wat voor mens dan ook in dit geval koning Saul te zien; deze was toen nog een opmerkelijke mens: God gaf Saul namelijk iets mee waaraan hij uiteindelijk verantwoording kan, mag, ja móest afleggen ten opzichte van God.
. . . . . Dat was ‘toen nog’ voor koning Saul de manier om zelfrespect en eigen-waarde hoog te houden en soms ook tegen de stroom in te blijven gaan, omdat hij daarmee zeker wist dat hij op het juiste spoor zat:
’Hij was deemoedig, indrukwekkend en vindingrijk, aanvankelijk tevens eenvoudig en zeer bescheiden’ 1Sam.10: 22,23, 27.
Naast dergelijke gaven bezat koning Saul een kostbare eigenschap:
de vrije wil, het vermogen om zijn levensloop te kiezen en op basis van afwegingen zijn beslissingen te nemen:
      Ik neem heden de Hemel en de aarde tegen u tot getuigen; het leven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek; kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw nageslachtDeut.30: 19.
Uiteindelijk heeft Saul dàt kostbare geschenk, die Genadegave ‘niet goed gebruikt’ en toonde hij steeds verder groeiende, zijn gedrag waarbij hij zich steeds verder verheven voelde boven de andere mensen.
Wanneer een mens de warme gloed van nieuw verworven macht in zichzelf koestert, is bescheidenheid [deemoed] vaak de eerste kwaliteit die wegsmelt.
Het duurde dan ook niet lang òf Saul begon arrogant te worden; ‘hij’ koos, als BOBO []Bourgeois-bohème] er voor de bevelen van God te negeren die Samuël hem had doorgegeven; hij begon zich dusdanig te verheffen dat hij zich boven de anderen van het Volk stelde.
Eens werd Saul ongeduldig en offerde een offer dat Samuël van plan was te offeren; Samuël kon daarop niet anders of moest hem wel een sterke correctie toepassen en voorzegde Saul dat het koningschap niet in zijn dynastie, zijn familie zou blijven.
In plaats van te worden gekastijd door de discipline, beging Saul vervolgens nog ergere ongehoorzaamheid ten opzichte van God:
    Hij wachtte zeven dagen, tot de tijd die Samuel had bepaald. Maar toen Samuel niet naar Gilgal kwam, begon het volk van hem weg te lopen; Daarom zei Saul: Brengt mij het brandoffer en 
de vredeoffers. En hij offerde het brandoffer [zelf].
>     Samuel zei tot Saul: ‘ Gij hebt dwaas gehandeld; gij hebt niet in acht genomen het gebod van de Heer, uw God, dat Hij u geboden heeft, anders zou de Heer uw koningschap over Israël voor altijd bevestigd hebben. Maar nu zal uw koningschap niet bestendig zijn. De Here heeft Zich een mens uitgezocht naar Zijn hart [de koning en profeet David] en de Heer heeft hem tot een vorst over zijn volk aangesteld, omdat gij niet in acht genomen hebt wat de Heer u geboden had1Sam.13: 8,9,13,14.
Onze Heer riep de mensen vervolgens naar Gilgal, die al verscheidene malen eerder als verzamelplaats [en boodschap aan] voor het Volk heeft gediend, de plaats waar het Volk ná het verblijf in de woestijn de Jordaan zijn overgestoken, toen de ark van het Verbond aldaar het water beroerde.
Op die historisch belangrijke plaats bad Samuel in Geloof en de Heer en Verlosser antwoordde met een onweersbui [doopwater wordt wèl gezegd] en God de Vader stond Samuel daarmee bij Zijn Volk, dáár in Gilgal eindelijk de ernst van hun weerstand tegen God in te zien.
Laten we ons daarom weer bij de bestemming van het God’s-volk [de Kerk] voegen opdat wij net als zij ons aangesproken voelen tot het Woord van God [zoals bij onze doop].
Op dat moment herinnerde de oudere Samuël zich weer aan zijn integriteit en
vroeg voor zijn Volk [de Kerk] een onweer [een plens water] om hen te herinneren aan hun oorspronkelijke doelstelling:
Ik ben de Heer uw God en buiten Hem kennen wij niemand anders
Niet Samuël, maar zijn ‘Heer en God, van zijn leven’, onze Heer en Zaligmaker, had hun opstandige harten bereikt.
Van zijn jeugd af aan tot aan zijn oude dag vertrouwde Samuel op zijn God;
en de Heer beloonde hem.
Tot op de dag van vandaag is Onze God en Vader niet veranderd.
Hij ondersteunt nog steeds degenen die via Christus
het oorspronkelijk Geloof van Samuël navolgen.
De Israëlieten waren geboren zondaars, net zoals jij en ik.
Maar: hoe zondig we ook zijn, we denken nog altijd dat we God kunnen gehoorzamen.
Wij Christenen denken dat er op z’n minst nog wel ìets goeds in ons zit en
dat God daar wel tevreden mee zal zijn. Israël [de Kerk] is ervan overtuigd dat het Volk God kan gehoorzamen.
Ze roepen uit:
Alles wat de Heer gesproken heeft, zullen wij doen.
En onze spelleider, profeet, priester brengt  tijdens de Goddelijke Liturgie
deze woorden van het volk  weer aan de Heer over
conf. Ex.19: 8.

Kondakion
tn.8 
  Reeds voor uw ontvangenis was u als
een kostbare gave aan God toegewijd en
vanaf uw jeugd hebt U Hem als een engel gediend, Al-zalige.
U was geroepen om de toekomst te verkondigen;
daarom roepen wij u toe:
  Verheug u, Profeet van God,
grote Hogepriester Samuel !’
”.

9e Zondag ná Pinksteren – Onze Heer en Verlosser ‘dwingt’ z’n leerlingen Hem mèt het schip [de Kerk] vooruit te gaan

bestevaer

    En terstond dwong Hij de discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, totdat
Hij de scharen zou hebben weggezonden.
       En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij de berg op om in de eenzaamheid te bidden.
Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen.
       Doch het schip was reeds vele stadiën van het land verwijderd, geteisterd door de golven, want de wind was tegen.
In de vierde nachtwake kwam Hij tot hen, gaande over de zee.
       Toen de discipelen Hem over de zee zagen gaan,
werden zij verbijsterd en zeiden: ‘Het is een spook!’.
En zij schreeuwden van vrees.
       Terstond sprak Jezus hen aan en zei:
Houdt moed, Ik ben het, weest niet bevreesd!‘.
Petrus antwoordde Hem en zei:
‘Heer, als Gij het zijt, beveel mij dan
tot U te komen over het water’.
En Hij zei:
‘Kom!’.
En Petrus ging uit het schip en liep over het water en ging naar Jezus.
Maar toen hij zag op de wind, werd hij bevreesd en
begon te zinken en hij schreeuwde:
Heer, red mij [ons]!
Terstond stak Jezus hem de hand toe en greep hem en zei tot hem:
Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?
En toen zij in het schip geklommen waren, ging de wind liggen.
Die in het schip waren, vielen voor hem neer en zeiden:
Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!
En toen zij overgestoken waren, kwamen zij in Gennesareth
[Hebr.=‘harp’] aan land” Mattheüs 14: 22-34.

    Want Gods mede-arbeiders zijn wij;
      Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij.
Naar de Genade van God, die mij gegeven is, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop
een ander voortbouwt.
Maar ieder zie wel toe,
hoe hij daarop bouwt.
      Want een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen.
      Is er iemand, die op dit fundament bouwt met goud, zilver,
kostbaar gesteente, hout, hooi, of stro, 
ieders werk zal aan het licht komen.
Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt, en
hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken.
Indien het werk, dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch
hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen.
Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest van God in u woont?
Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden.
Want de tempel Gods, en dat zijt gij, is heilig!
”.
1Cor.3: 9-17.

Wanneer je om je heen kijkt krijg je sterk de indruk dat God de goddelozen slechts beloont en vraag je jezelf af:
Waarom zijn de tijden aan de aandacht van
onze Heer en Verlosser ontsnapt?
Waarom zijn de goddelozen ver over God’s grenzen heengegaan en hebben ze met het waswater het kind weg gegooid, de kudde met de herder weggenomen?
”.

In vorige afleveringen hebben we via de studie van
de profeet Job al een skala aan kwade handelingen of ontbreken van
handelingen van de goddelozen aangehaald en aangetoond
hoe het soort personen worden geïdentificeerd welke
daarmee worden bedoeld:
degenen die geen respect hebben voor door God ingestelde grenzen en
proberen de mensen van God te manipuleren, door
over hen te heersen en te trachten de plaats in

heilige boontjes

te nemen van hun waarachtige Herder.
Daarbij hebben wij niet aflatend aangehaald dat de basis daartoe gelegd is door de [heilige?] keizer Constantijn, die immers de hiërarchie, waaronder die van de heiligen in de Kerk heeft aangebracht.
Neem van mij aan – voor God – zijn wij allen gelijkwaardige heiligen en
is een bevordering tot heilige, hoewel voor velen een voorbeeld, echt
geen hiërarchieke aanduiding.
Als eenvoudig navolger van Christus, Die immers Al-Barmhartig is
zou je moedeloos worden van je eigen valkuilen en
keren dat je plank eens flink misslaat.
Ieder mens is een zondaar, al heeft hij zich zondag’s op
z’n best gekleed en heeft hij toestemming een keizerlijke hoed te dragen.

Onze Heer en Verlosser vormt de mensen op een dusdanige  manier dat
ze in staat zijn slechte manieren kunnen herkennen.
Tijdens m’n sociaal-juridische opleiding werd mij geleerd dat
er mens-beïnvloedende patronen bestaan van veronachtzaming en
schending van de rechten van anderen die zich openbaren vanaf de pubertijd.
Nu lopen er mensen rond, die in geneeskundig opzicht een
persoonlijkheid hebben ontwikkeld, die moreel dusdanig
gevormd zijn dat zij hun geweten herhaaldelijk negeren.
Daar kunnen ze niets aan doen – je zou kunnen zeggen, dat
de mensheid God’s schepping tijdens de opvoeding in
hun jeugd heeft misvormd, het een en ander heeft
laten aanbranden – misbaksels noemen we dat in de keuken.
Job heeft het goede leven van de ‘aardige‘ mensen die
goddeloos zijn in hoofdstuk 21 heel duidelijk omschreven
[interessant boek, hè, die Blijde Boodschap?].

menselijke ongerechtigheden
Vandaag laten wij ons onderzoekende licht vallen op hoofdstukken 24,25, waarbij Job de menselijke zonden belicht en de menselijke voorkeur voor duisternis [de schaduwzijde van het leven] uit angst voor blootstelling.
Tegen zulke zondaars roept Job op tot het oordeel van God, zowel
in dit huidige leven als in het leven hierna.

vissen in een wereld, die onstuimig is

Slechte mensen nemen de goederen van anderen:
de ezel van de wezen en. . . de os van de weduweJob 24: 3.
Of het nu een misdadiger, een crimineel of een doortrapte manipulator is,
de goddelozen hebben geen respect voor het fatsoenlijke.
Ze zijn bereid om door dik en dun, met welke middelen dan ook, datgene
te grijpen wat zij wensen.
De roofzuchtige daden van de goddelozen richten zich meestal op de kwetsbaren,
zoals de vaderloze en de weduwen, m.a.w. degenen, die vanuit hun sociale positie toch hun mond niet open doen, al worden zij beroofd en is hun mond in de kiem gesmoord. Dergelijke daden onthullen een diepe lafhartigheid en een pervers gevoel van goed en kwaad.

    Waarom zijn vanwege de Almachtige geen oordeel’s-tijden voorbehouden en
zien zij die Hem kennen, Zijn dagen van Recht en Gerechtigheid niet?
Er zijn er, die de stenen aan de grens verzetten, die kudden roven en ze weiden.
De ezel van de wezen voeren zij weg, de koe van de weduwe nemen zij te pand;
De armen dringen zij van de weg,
de ellendigen van het land verbergen zich allen tezamen“.
>           Uit de stad stijgt het gekerm van stervenden op en
roept de ziel van gewonden om hulp, doch God slaat geen acht op het gebed.
Anderen behoren tot de vijanden van het licht, zij kennen zijn wegen niet en
blijven niet op zijn paden.
Tegen het daglicht maakt de moordenaar zich op en
doodt de ellendige en de arme, en
’s-nachts is hij een dief gelijk.
Het oog van de overspeler wacht op de schemering, denkende:
Geen oog mag mij zien; en hij legt een bedekking op zijn gezicht.
In het duister dringt men de huizen binnen; overdag sluiten zij zich op,
zij willen niets weten van het daglicht; want voor hen tezamen is diepe duisternis als 
morgenstond, daar zij met de verschrikkingen van de diepe duisternis vertrouwd zijn.
Snel drijven zij voort op de zee van het leven, het watervlak, vervloekt wordt hun erfdeel in het land, zij slaan de weg naar de wijnbergen niet in.
Droogte en hitte roven het sneeuwwater weg, zo het dodenrijk hen die zondigen.
De moederschoot vergeet hem, de wormen vergasten zich aan hem, aan
hem wordt niet meer gedacht, de ongerechtigheid wordt gebroken als een boom.
> Toen nam de Suchiet [Hebr.=‘hutbewoner’ (kluizenaar) Bildad [Hebr.=‘door vermenging in de war gebrachte liefde’] het woord en zei:
Heerschappij en verschrikking zijn bij Hem, die Vrede gebiedt in Zijn hoge Hemel.
Zijn zijn legerscharen te tellen? En over wie gaat Zijn Licht niet op?
Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, òf
hoe zou hij rein zijn, die  uit een vrouw geboren is?
Zie, zelfs de maan; zij schijnt niet helder, en de sterren zijn niet rein in zijn ogen;
hoeveel te minder de sterveling, een made, het mensenkind, een worm?”.
Job 24: 1-4, 12-20; 25: 1-6

    En terstond dwong onze Heer en Verlosser Zijn volgelingen in het schip [van de Kerk] te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, totdat Hij de scharen zou hebben weggezonden.
       En toen Hij de scharen weggezonden had,
ging Hij de berg op om in de eenzaamheid te bidden.
Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen
Matth.14: 22,23.

Christus Verlosser

Maar De Heer kent hun werken en bracht ze in de duisternis . . .
Want te zijner tijd zal de schaduw van de dood voor hen dezelfde zijn . . .
Zij zullen de problemen van de schaduw van de dood kennen

Job.24: 14,17.

De Profeet Job geeft hier een profetische verklaring af, die z’n weerga niet kent:
God ziet en overgiet alles en de goddelozen zullen hun goddelijke beloning ontvangen.
Wat slechts over blijft is:
1.]. het schip van de Kerk ‘niet’ te verlaten, wàt er ook [ja, ook dáár] gebeuren mag.
2.]. van de menigte afstand te nemen.
3.]. de berg te blijven beklimmen en
4.]. te bidden tot de avond [van het leven] valt.

Maar blijf waakzaam, want deze goddelozen lokken de zwakken, terwijl
ze zich “van de juiste weg afkerenJob 24: 4.
In de handel van soft- en harddrug’s verbouwen de armen
immers de illegale gewassen alleen om te worden uitgebuit door
de drug’s-baronnen.
Op het verkooppunt wordt de verslaafde [als ‘kat’-vanger],
verlamd door afhankelijkheid, gedwongen tot prostitutie,
kleine diefstal of dusdanig misvormd teneinde
nieuwe slachtoffers te maken, allemaal ten voordele van
de primaire mensenhandelaren.

Athos, de Berg van het zwijgen, overwegen is wat resteert.

Degenen die God minachten, zijn geneigd de zachtmoedigen in de wereld te terroriseren, zodat
de zachtaardige mensen zich hebben verborgenJob 24: 4.
Inderdaad, de oude, de broze, de arme en de nietsvermoedende zijn slechts doelen voor de goddelozen, terwijl de rijken en machtigen zichzelf [zelfs door bevriende rechters] kunnen verdedigen.

Deze wrede gebruikers profiteren van mensen zonder middelen wanneer ze met eelt op de handen “de zwakken uitwerpenJob 24: 12.
De verzen 5 tot en met 11 herinneren ons eraan hoe kwaaddoeners achteloos blijven voor de pijn die ze toebrengen:
de ziel van de kinderen zuchtte enormJob 24: 12.
Vergeet niet te bidden voor de goede inspanningen van
slachtofferhulp en zij die voor hen opkomen in
de opvang met vrijwilliger’s hulp- en zij, die als klokkenluiders
getuigenis afleggen, die gewonden en verdriet trachten te kalmeren.

de berg op, naar de grot

De profeet Job identificeert ook de dodelijke gezwellen die woekeren in de harten van de goddelozen, die uiteindelijk deze slechte en zielige zielen consumeren.
Ze vermijden de algehele controle, willen niets weten van overleg en samenwerking;
zij hanteren perfect verborgen manieren en houden hun politieke schema’s geheim
Job 24: 16.
Hun verterende angst dient als een gevangenis te worden ervaren Job 24: 15,
toch doemt de dood op als
hun onontkoombare en laatste terreur Job 24: 17.
Hun tragische leven getuigt van de godvrezende mensen die
naar Gerechtigheid verlangen en wel proberen ‘het Licht te kennenJob 24: 16.

Gebedsnoer van de ‘‘tranen van de moeder Gods”, [Δάκρυ της Παναγίας] wordt eveneens voor het Jezusgebed gebruikt

Job besluit met een gebed, op een wijze zoals een navolger van Christus
zich niet behoort te gedragen en vraagt ​​dat het deel van de goddelozen
op aarde wordt vervloektJob 24: 18.
Hij bidt dat God hun vooruitzichten en succes verwelken moge worden Job 24: 19.
Hij hoopt dat de ervaring van een nederlaag het mogelijk zal maken dat
hun zonden worden “herinnerd aan de herinneringJob 24: 20, zodat zij zich kunnen keren van de duisternis, wenen voor God en Zijn vergeving zoeken.
Laten wij eveneens bidden dat de goddelozen
de resterende tijd van dit leven in vrede en berouw mogen voleindigen en
dat zij een goede verdediging voor de rechterstoel van Christus bereiken zoals
de ‘goede moordenaar’ aan Zijn Kruis.
En laten we voor onszelf dezelfde Genadegaven vragen:
    O Heer, die elke kwaal en elke zwakheid geneest,
laat Uw oog vallen op ons Uw kinderen in
alle wegen die wij afdwalen;
geef ons de overwinning over de vijand en
maak ons ​​deelgenoot aan Uw Heilige Mysteriën
”.
conf. het gebed bij het Mysterie van de Doop

Ontbrekende grondbeginselen:

Bij het vallen van de avond verbonden in verdriet; At nightfall connected in sorrow

Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen.
       Doch het schip [de Kerk op onze levensweg] was reeds vele stadiën van het land verwijderd, geteisterd door de golven, want de wind was tegen.
In de vierde nachtwake kwam Hij tot hen, gaande over de zee.
       Toen de discipelen Hem over de zee zagen gaan, werden zij verbijsterd en zeiden: ‘Het is een angstaanjagend luchtverschijnsel] een spook!’.
Job geeft ons daarom nog een toetje, een toegift, een notabene:

Al het nieuws in beeld; All the news on screen

           Hoe zal een sterveling zich rechtvaardigen voor de Heer?
Of hoe kan hij die uit een vrouw is geboren zichzelf zuiveren?
Job 25: 4.
       De kerkvaders vinden weinig fout in de reactie van een van hun vrienden ‘Bildad’. Bildad [Hebr.=‘door vermenging in de war brengende liefde’], de letterlijke betekenis van de naam is onzeker, het bestaat uit twee elementen [BL DB] maar welke dat zijn is niet bekend. Sommigen zien het eerste deel van de naam als een afleiding van Bel, de Babylonische Baal].
Zoals de Heilige Johannes Chrysostomos opmerkt is Bildad botweg in
tegenspraak met wat God’s profeet al heeft verklaard:
dat in dit leven de goddelozen blijkbaar vaak aan het oordeel ontsnappen.
Maar door te beweren dat geen sterveling ‘rechtvaardig is voor de HeerJob 25: 4,
herhaalt hij feitelijk een waarheid die eerder door Job is verklaard Job 9: 2.

Bildad de Shuhite [de kluizenaar] overdrijft voornamelijk, en zijn denken mist belangrijke elementen, z’n theologie is onevenwichtig;
hij klampt zich vast aan een simplistisch Geloof in een goddelijke oorzaak en gevolg als reactie op de moraliteit of immoraliteit van mensen.
Hij begrijpt Job’s onderscheid tussen de goddelozen en de rechtvaardigen niet.
Ten slotte is Bildad zo geobsedeerd door de corruptie van alle mensen dat
hij, in een poging waagt Job te dwingen zijn ‘geheime‘ zonden te belijden,
een fout maakt door te zeggen dat God een universum heeft geschapen dat onzuiver is.

Laten we de bewering van Bildad onderzoeken dat ‘de mens bedorven isJob 25: 6.
Hij blijft hard op Job inhakken om te erkennen dat God in dit leven
geen rust zal geven aan iemand die anderen misbruikt Job 25: 3.
De Heilige Johannes Chrysostomos beweert dat Bildad
dit verkeerde geloof benadrukt als
een manier om “ruimte te scheppen voor Job
– om de profeet uit te nodigen om zijn verborgen zonde te belijden die
hem grote ellende heeft gebracht.
Johannes Guldenmond merkt op dat Bildad eigenlijk vraagt:
Zal het mogelijk zijn dat een enkele rechtvaardige ooit zal bestaan?
conf. Manley, Wisdom, pg. 407.
Bildad wil tevergeefs dat Job wordt beoordeeld en onderzocht, want
volgens hem is ‘de mensenzoon een wormJob 25: 6.
Zijn argument ontrafelt echter in het licht van het feit dat
‘God succes in dit leven toestaat’ voor velen van de goddelozen.
De rechtvaardigen ondergaan, net als Job, onterecht leed en ellende, maar
worden gezegend voor God.

Karoúlia [Grieks, Τα Καρούλια] is een gebied in het zuidwesten van de berg Athos, waar diverse kluizenaars wonen

Vervolgens komen we bij een ander misverstand van de ‘hutbewoner’:
hij kan niet begrijpen dat Job’s herhaalde verklaringen van
zijn rechtvaardigheid tegenover God mogelijk waar zijn.
De Heilige Gregorius de Grote verduidelijkt op eenvoudige wijze
het verschil tussen het concept van gerechtigheid van Job en Bildad.
Zijn antwoord op de vraag van Bildad
– “Hoe zal een sterveling rechtvaardig zijn voor de Heer?Job 25: 4 – is eenvoudig:
Elk rechtvaardige mens is gewoon door verlichting [door Genadegaven] van God, niet door vergelijking met God”.
Er zijn mensen die, wanneer ze door de gave van de Geest
worden geholpen tegen de broosheid van hun vlees,
worden gemaakt om zich op te heffen [zich tot heilig te verklaren],
ja te glanzen in hun deugden, ja, en zichzelf ook openbaren ‘oplichten’ in de wonderen ‘met behulp van wonderbaarlijke tekenen‘.
conf. Manley, Wisdom, pg. 409.
Maar verwijt hen niets, want er bestaan waarachtig heiligen die rechtvaardig zijn door God’s Genadegaven.

Ten slotte beweert Bildad, in zijn intense verlangen Job van zonde te overtuigen en hem in zijn simplistische theologie in te passen, dat
de sterren niet zuiver in Zijn ogen zijnJob 25: 5.
Zonder twijfel wordt de gehele schepping bestuurd door de Heer van alles en allen; natuurlijk, “als Hij de maan bestelt, dan schijnt deze nietJob 25: 5.
Maar de sterren onzuiver noemen, verstoort de goedheid van Gods schepping
– het is absurd om zonde toe te kennen aan levenloze wezens!

De Apostel Paulus  neemt waar
dat de hele schepping gezamenlijk kreunt en werkt met geboorte tot nu toeRom.8: 22, want de zonde van de mens verstoorde de relatie tussen de geschapen orde en de mensheid.
Maar zoals we weten uit het scheppingsverslag, “zag God alles wat Hij had gemaakt, en inderdaad, het was zeer goedGen.1: 31.
De zonde van de mens heeft de inherente goedheid van de schepping niet vernietigd, hoewel zelfs de grond omwille van ons werd vervloekt:
Daar houden de goddelozen op met woelen,
daar rusten zij wier kracht is uitgeput
Job 3: 17.
Waarom?
Zodat we kunnen beginnen aan de lange reis terug naar
onze oorspronkelijke ongerepte schoonheid,
geholpen door de Genade en Liefde, kortom de Barmhartigheid van God.
Help ons Al-Barmhartige,
Gij die de zonde van de wereld wegneemt, en
reinig U van elke vlek van vlees en geest en
leer mij heiligheid te vervullen uit vrees voor U
”.
gebed voorafgaand aan de communie
van Sint Basilius de Grote.

Goddelijke Liturgie

De tegenstrever van de mensheid gebruikt bij voortduring een soortgelijke techniek bij alle mensen wanneer wij het op iemand gemunt hebben.
Wij dienen derhalve doordrongen te zijn hoe we ons zouden kunnen verdedigen. 
Het hangt namelijk van onszelf af om toch ‘nog iets’ te ondernemen.
Door gebed en het bestuderen van de geïnspireerde Blijde Boodschap, het onderzoeken van de pedagogie van de Heer, zullen we merken dat bovenstaande aanvallen, bij wijze van spreken, een gebruikelijke gewoonte is van de boze.
In het begin opent hij zijn aanval door de harten van degenen die 
God aanbidden te beproeven, allereerst met behulp van het zaad van het stellen van kwaadaardige vragen te zaaien, en ons aan te zetten in het aas van schamele genoegens te happen om vervolgens verschillende verfijnde methoden als stap op zijn weg in te zetten.
Bovenal valt hij ons gewelddadig aan op 
elk punt waarvan hij weet dat we al eerder zijn gevallen en hij succes heeft behaald.
Hij is uiterst gewiekst en gebruikt telkenmale onze eigen zwakheid als bondgenoot van 
zijn slechte bedoelingen en gebruikt telkens opnieuw de passie die onze ziel eerder verwondde.
Zo valt hij bijvoorbeeld een mens met gewelddadige aanvallen lastig door onze zintuigen 
met de meest verdorven prikkels voor vleselijke genoegens aan te spreken en deze in te zetten; terwijl in een andere situatie een basiswinst wordt voorgehouden teneinde een grote winst binnen te halen en op de een of andere manier onheilige rijkdom wordt voorgehouden ten einde je op de best mogelijke manier de genadeslag te geven.
Als een bekwaam generaal, die een stad belegert, haast hij zich met alle voortvarendheid bij elke gelegenheid en mogelijkheden om de verzwakte delen van de muur aan te vallen en 
beveelt hij zijn stormrammen daar actie te ondernemen, 
heel goed wetende dat in die contreien de eenvoudigste verovering valt te behalen.
  De satan slaat zijn slag, wanneer hij van plan is een menselijke ziel te belegeren, op het zwakste moment van de dag, wanneer je vermoeid bent, en hij vindt op deze manier heel eenvoudig de weg dat je jezelf aan hem onderwerpt – vooral wanneer hij ziet dat je geen hulp krijgt van die hulpmiddelen [zoals het gebed] waardoor het waarschijnlijk zou zijn dat de passie zou worden verslagen,
zo zet hij nobele emoties in, provocaties tot mannelijke moed, suggesties voor toewijding en zelfs de mystieke eucharistie.
Want juist deze aangelegenheid is vooral effectief als een tegengif voor 
het moorddadige gif van de tegenstrever, hij leidt je af door je af te leiden met vriendelijke ontmoetingen of door kinderen, die nu eenmaal kinderen blijven – ook tijdens de Liturgie. 
Niet voor niets wijst Paulus ons op het voortdurend gebed en
 is het raadzaam zo veel als mogelijk is aandachtig aan de goddelijke liturgie deel te nemen.
 Maak je geen zorgen wanneer dat nu eens niet je eigen parochiegemeenschap is,
 òf in je eigen taal, Christus is immers overal aanwezig en mocht je spelleider bezwaar maken,
 dank de Heer dan, dat Hij je de mogelijkheden aanbiedt Hem aldaar te ontmoeten.
De Goddelijke Liturgie is immers het gebed van de gehele mensheid opdat de Heer Zich over ons zal ontfermen en ook jou zal redden.

Apolytikion    
tn.8.
  Uit den Hoge zijt Gij neergedaald, o Barmhartige,
en zijt drie dagen in het graf gebleven,
om ons van het lijden te bevrijden.
Gij zijt ons Leven en onze Verrijzenis;
Heer, eer aan U
”.

Kondakion    
tn.8.
    Nadat Gij zijt opgestaan uit het graf,
hebt Gij de doden opgewekt,
en Adam weer doen opstaan.
De einden der wereld jubelen
over Uw ontwaken uit de doden,
O Albarmhartige

Theotokion    
tn.8.
    Om ons zijt Gij uit de Maagd geboren,
en hebt Gij het Kruis ondergaan, o Goede.
Door Uw dood hebt Gij de dood overwonnen
en ons als God de Opstanding getoond.
Veracht het werk van Uw handen niet;
toon ons Uw mensenliefde, o Barmhartige.
Verhoor haar die U gebaard heeft:
de Moeder Gods, die voor ons bidt
en verlos Verlosser het wanhopige Volk
”.

8e zondag ná Pinksteren – naviering van Transfiguratie – Metamorfose een totale omwenteling in ons gedrag

Het gehele innerlijk leven door de maaltijd-‘lens’ zien, afb. van een ‘migrantenkerk‘; See the entire inner life through the meal ‘lens’, image of a ‘migrant church‘; Δείτε ολόκληρη την εσωτερική ζωή μέσω του φακού γεύματος, της εικόνας μιας «μεταναστευτικής εκκλησίας»; شاهد الحياة الداخلية بأكملها من خلال عدسة الوجبة ، صورة “كنيسة مهاجرة”.

    En toen Hij uit het schip [van de Kerk, de wereld in] ging, zag  Hij een grote menigte, en Hij werd met ontferming over hen bewogen en  genas onder hen de zieken.
Bij het vallen van de avond kwamen de discipelen tot Hem en zeiden:
‘   De plaats
[hier] is [ontzettend] eenzaam en de tijd is [haast] reeds verstreken; zend dan de scharen weg, dan kunnen zij naar de dorpen gaan om
spijzen voor zich te kopen
[economie te bedrijven]’.
Maar Jezus zei tot hen:
‘     Zij behoeven niet
[van Mij] weg te gaan, geeft gij hun te eten’.
Zij zeiden tot Hem:
‘     Wij hebben hier niets dan vijf broden en twee vissen
[wij zijn blut, platzak]’.
Hij zei:
‘     Brengt Mij die hier
[Zijn opdracht = breng de mensen bij Mij]‘.
En Hij beval de scharen, dat zij in het gras zouden gaan zitten, nam de vijf broden en de twee vissen, en Hij zag op naar de hemel, sprak de zegen uit, brak de broden en gaf ze aan zijn Leerlingen en de Leerlingen gaven ze aan de menigte.
En zij aten allen en werden verzadigd en zij raapten het overschot der brokken op, twaalf manden vol. Zij, die gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend.
En terstond dwong Hij de discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, totdat Hij de menigte zou hebben weggezondenMatth.14: 14-22.

een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid“; “a crucified Christ, a jolt for the Jews, a foolishness for the Gentiles“.

    Doch ik vermaan u, broeders, bij de Naam van onze Heer Jezus Christus:
‘ weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn;
weest vast aaneengesloten, een van zin en een van gevoelen.

Mij is namelijk omtrent u, mijn broeders, medegedeeld door de ( huisgenoten) van Chloe, dat
er twisten onder u zijn.

Ik bedoel dit, dat ieder uwer zijn leus heeft:
Ik ben van Paulus! En ik van Apollos! En ik van Kefas! En ik van Christus! 
Is Christus gedeeld? Is Paulus dan voor u gekruisigd, of zijt gij in de naam van Paulus gedoopt?

Ik ben dankbaar, dat ik niemand van u gedoopt heb dan Crispus en Gajus; zodat
niemand kan zeggen, dat gij in mijn naam gedoopt zijt. 
Ook heb ik nog het gezin van Stefanas gedoopt; verder weet ik niet, dat ik nog iemand gedoopt heb.
Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen, en dat niet met wijsheid van woorden, om niet het kruis van Christus tot een holle klank te maken1Cor.1:10-17.

Job en zijn echtgenote, I.M.Sinaï, 11e eeuw

    Maar Job antwoordde: Waarlijk, jullie zijn nog eens mensen: met u zal de wijsheid uitsterven.

  • Ook ik heb verstand, zo goed als gij, ik doe voor u niet onder; aan wie zijn zulke dingen niet bekend?
  • Tot een spot ben ik mijn naaste, ik, die God verhoorde, als ik tot Hem riep; tot een spot is de rechtvaardige, de vrome.
    • Voor de ongelukkige, smaad, is de mening van de voorspoedige; dat is het deel van degenen wier voet wankelt. ✥ 
    Vredig staan de tenten der geweldenaars en veilig zijn zij die God tot toorn prikkelen, ieder die God naar zijn hand wil zetten.
    ➥ Maar vraag toch het gedierte, en het zal u onderrichten; het gevogelte des hemels, en het zal u inlichten.
    ➥ Of spreek tot de aarde, en zij zal u onderrichten, en laat de vissen der zee het u vertellen.
     🌈           Wie onder deze alle weet niet, dat de hand des Heren dit doet,
    in Wiens hand de ziel is van al wat leeft en de Geest van ieder sterveling?
    Toetst het oor de woorden niet, en proeft het gehemelte niet de spijze?
    Bij grijsaards zou wijsheid zijn, en lengte van dagen zou doorzicht betekenen? Bij Hem is wijsheid en sterkte, Hij heeft raad en doorzicht.
    Breekt Hij af, er wordt niet opgebouwd; sluit Hij iemand op, er wordt niet ontsloten;
    Houdt Hij de wateren terug, zij verdrogen; laat Hij ze gaan, zij woelen de aarde om.
    Bij Hem is kracht en beleid, Zijn’s is de misleide en de misleider.
    Raadsheren zendt Hij barrevoets heen, en rechters maakt Hij tot dwazen. Boeien, door koningen aangelegd, slaakt Hij en Hij bindt een band om hun lendenen.
    Priesters zendt Hij barrevoets heen en wie vast staan, stort Hij neer.
    Hij beneemt de spraak aan hen op wie men vertrouwen stelt, en neemt het onderscheidingsvermogen van de ouderen weg.
    Hij giet smaad uit over edelen en maakt de gordel van machtigen los. Hij legt de diepten uit de donkerheid bloot en brengt de diepe duisternis aan het lichtJob 12: 1-22.

Niemand houdt van pijn, zoekt de pijn op en wil alleen maar pijn ervaren alleen om de pijn zelf;
de belangrijkste pijn wordt veroorzaakt door een niet volledig ontwikkelde elite.

Alles wat we vandaag doen heeft betekenis voor de toekomst, want tot nog toe verkeren de kinderen van God slechts in rouw.

Onze wereld in beweging naar de afgrond
Christus wil heus wel, Die ziet de menigte mensen om Zich heen, is ontroert en met ontferming bewogen, waarop Hij nog steeds de zieken onder een menigte van mensen geneest.
Vervolgens gaat Hij nog een stap verder en voedt op Mystieke wijze de menigte met 5 broden en 2 vissen, waarna van de overschotten 12 grote korven gevuld worden, hetgeen op een overvloed duidt.
Vervolgens roept Paulus op tot eenstemmingheid om scheuringen te vermijden; dat de Kerk aan-één-gesloten dient op te treden en één van zin dient te zijn in gevoelen. En wanneer je om je heen kijkt is de elite daar echt niet naar uit.

      Waar hebben wij dat nog meer gehoord, het lijkt wel òf wij het kerkelijk laatste nieuws hebben aangezet, waarin het ach en wee weerklinkt en de chaos alom is, zijn we daarom op weg naar de ontslaping van de Theotokos?
      De wereld speelt ook een rol, want je hoort in de lezing van Job verwijzen naar het feit dat wijsheid vèr te zoeken is, terwijl de geweldenaars zich vredig in hun tenten [paleizen] terugtrekken en zij zich veilig achten ten opzichte van de toon van God – terwijl zij iedereen naar hun hand zetten.

Neen, ik ben niet van Constantinopel, ik ben niet van Moskou, ik heb mij laten voorlichten door de ascetische vogelen in de Hemelen en de vissen in de zee.
    Die weten nog wàt de hand des Heren doet.
    Die weten nog in Wiens hand de ziel zich bevindt van al wat leeft en
      tevens de geest bezit van iedere sterveling, zij zingen slechts de lof tot God.
  Zij zijn nog op de hoogte dat het oor de woorden, die door mensen geuit worden, dient te toetsen en dat het gehemelte de spijzen dient te proeven, alvorens het door te slikken.
  Die weten nog dat grijsaards ‘wijsheid en ervaring’ in hun leven’s-jaren hebben opgebouwd en daardoor inzicht hebben, je met raad en daad kunnen bijstaan.
  Deze zien dat geleidelijk aan alles tot op de grond wordt afgebroken, dat er niet meer wordt opgebouwd.
  Dat God door toezichthouders, die telkenmale van richting veranderen, zich verder opsplitsen – de wateren terugdringen zodat het Geloof opdroogt en de mensen niet meer weten waar de Waarheid Zich bevindt.
  Zowel de de misleide als de misleider bevinden zich in God’s hand.
  Koningen, raadsheren, priesters bindt Hij een band om de lendenen, stuurt Hij bloot’s-voet’s  weg en die nog overeind kunnen blijven laat hij [-‘door overbelasting, opgebrand’-] instorten.
  God brengt de diepe duisternis waar wij ons in bevinden aan het licht en legt de diepste diepten van het menselijk onvermogen bloot.
  Alles wat vandaag gedaan wordt heeft betekenis voor de toekomst, want
tot nog toe verkeren de kinderen van God slechts in rouw.

  • – In de wereld is het niet anders,
    opwarming van de aarde droogte in de wereld

    de natuur lijdt onder de overbelasting, welke de mens veroorzaakt.
    – Ontbossing, uitsterven van hele dierenrassen, vissen, die worden overbevist en in plastic afval sterven;
    – De lucht welke een levensvoorwaarde voor de mens is wordt steeds verder vervuild, door technische snufjes wordt de mens een robot – weet niet meer hoe te communiceren, zit de gehele dag aan de elektronische tap [telefoon, televisie] en nu wordt ook nog G5 ingevoerd, waarmee ook verdere inbreng van de mens lamgelegd wordt.
    – Dat de mens ziek wordt van al deze ontwikkelingen wordt terzijde geschoven, als de economie maar draait en anderen daarmee naar de hand worden gezet.

    Verneder jezelf, kom tot inzicht
    Wanneer worden we wakker, wanneer zal het tij gekeerd worden
    – God laat weten dat het hoog tijd wordt, Hij geeft enkel het teken van Jonah.
    Indien wij echter onszelf beoordelen, zullen wij niet onder het oordeel komen.                               Maar onder het oordeel van de Heer worden wij getuchtigd, opdat                                       zij niet met de wereld veroordeeld zullen worden 1Cor 11: 31,32.

  • Gaan we zo ver dat onze ledematen smelten, zoals het lood reeds smeltende is, weet u dat de orgelpijpen in de kerken al door de hitte ontstemd zijn geraakt;
    het water stijgt ons straks in de Lage Landen aan de lippen.

    Keer om nu het nog niet te laat is, de temperatuur loopt stapsgewijs op
    – straks is er zelfs zonder machinale opwekking geen normaal leven meer mogelijk.
    – Kinderen verliezen hun spraakvermogen, weten niet meer of er liefde of een kwaad woord wordt geuit. Zij kijken slechts naar hun mobiele communicatie-middelen en herkennen de gelaat’s-uit-drukkingen van de steeds wisselende opvoeders niet meer, die verschillen van aard.
    – de verontreiniging wordt opgevoerd.
    – Jullie weten toch nog, dat jullie, toen jullie nog onder invloed van de wereld heidenen waren, u
     blindelings naar de stomme afgoden heen liet drijven? 1Cor.11: 2.
        Ook ik heb verstand, net zo goed als jullie, ik doe voor jullie echt niet onder; aan wie zijn zulke dingen niet bekend? Tot een spot ben ik mijn naaste, ik, die God verhoorde, als ik tot Hem riep; tot een spot is de rechtvaardige, de vromeJob 12: 3,4.
    De hoofdstukken aan het begin van het boek Job benadrukken de spirituele kloof tussen Job en zijn omgeving.
    Vanaf voorgaande zin geeft de lijdende Profeet zijn [bloed-]broeders en vrienden advies over hun fouten en benadrukt het belang van zichzelf te vernederen voor
    de Heer en de grenzeloze soevereiniteit van God te aanvaarden.
    Vervolgens zal Job een pleidooi doen om de Genade van God voor zichzelf te verkrijgen, een dusdanig geformuleerd gebed dat dit iedereen zal zegenen die zijn voorbeeld volgt.
                De ascetisch gevormde H. Hesychius van Jeruzalem ontwaart, ziet de trots en de arrogantie van Job’s omgeving, waaronder zijn medebroeders en vrienden:
    Terwijl Job op een mesthoop zit, zit jij op je door jezelf tot koninklijk verheven troon.
    Hij is bedekt met ziekte en jullie zijn in goede gezondheid.
    Hij is een voorwerp van minachting en jullie strijken voor de wereld de eer op. Zijn omgeving, medebroeders en vrienden hebben Job verlaten;
    zijn dienaren zijn vertrokken; zijn bloedverwant hebben hem verstoten.
    Maar jij . . . geniet ervan te genieten van wat niets anders is dan werelds gras, “wind waait erover en het is er niet meer”.
    Waarom ben je dan nog bij Job betrokken? Is het misschien dat jullie, door je van hem te onttrekken, op de vlucht bent voor gerechtigheid?conf. Manley, Wisdom, pg. 216.

Maar zie, Job is -zelf beter wetend- nog best aardig voor degenen, die hij adviseert. Hij biedt leven’s-gevende raad en roept hen – en ons – op tot
de verhoging die in ware nederigheid ligt.

Profeet job

Job doorzoekt eerst de harten van zijn vrienden:
Bovendien zijn jullie mannenbroeders. Zal de wijsheid voor zeker met jullie  afsterven?‘.
Vervolgens leidt hij hen naar nederigheid.
Maar ik heb ook een hart in mijn binnenste, net zo goed als jij. Een rechtvaardig en onberispelijk man is een voorwerp van spot geworden’.
En hij deelt dit inzicht met betrekking tot nederigheid:
Want het was verordend dat hij op de afgesproken tijd onder de macht van anderen zou vallen en zijn huizen door de wettelozen zouden worden geplunderdJob 12: 5.

Het punt welke hij aanstipt is kinderlijk eenvoudig
      vernederende gebeurtenissen en kwellende omstandigheden
geven niet noodzakelijkerwijs aan dat een mens slecht of zondig is.
In de door God als goed-maar-gevallen wereld kan onze huidige toestand
      òf we nu genieten van de goede dingen in het leven,
      òf dat we worden getroffen en beroofd van wereldse genoegens
      absoluut ‘niet’ direct worden toegeschreven aan zonde of onberispelijk leven.

De profeet blijft over nederigheid spreken om in deze een plechtige waarschuwing af te geven: “Laat echter niemand worden overtuigd dat hij, als hij slecht is, onschuldig zal worden gehoudenJob 12: 5.

We dienen -‘óh zó’- voorzichtig te zijn en God nooit lichtzinnig uit te proberen, te testen, want “laat degenen die de Heer uitdagen niet worden overtuigd dat er geen beoordeling’s-proces voor hen zal volgenJob 12: 6.
Zelfvertrouwen voor God op basis van iemands opgeblazen blazoen, z’n materiële status is rampzalig en misleidend.
We dienen niet voorbij te gaan aan het feit dat “de rijkdommen van [God’s] goedheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid” bedoeld zijn om iedereen tot bekering te leiden, “     beseft gij niet, dat de goedertierenheid God’s u tot boetvaardigheid leidt?Rom.2: 4.
God heeft Christus Jezus, als Vader over de mensheid voorgesteld als zoenmiddel door het Geloof, in Zijn bloed, om Zijn Rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraag-zaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden Rom. 3: 25.
    Want allen hebben gezondigd en schieten tekort in de Heerlijkheid van GodRom.3: 23. Inderdaad, we dienen in dit leven zeer bedachtzaam en met de grootste zorg onze pelgrimstocht naar  God voort te zetten!

De profeet Job herinnert ons eraan wat de geschapen wereld > als vanzelf-sprekend als normaal gedrag ontwijkt:
dat ‘het leven van elk levend wezen is in God’s hand‘,
inclusief ‘de adem van elke mensJob 12: 10.
Met prachtige beelden, waaraan menig filmregisseur niet kan tippen spoort Job ons aan nederige gehoorzaamheid te leren van de dieren, de vogels, “de vissen van de zeeJob. 12: 8 en
zelfs de stomme aarde die we elke dag moedig vertrappen, door de grond van al haar krachten te ontdoen en haar natuurlijk herstel geen tijd gunnen.

eikenprocessierups, rupsje nooit genoeg

Zo ontstaan de ons overweldigende mistoestanden in de natuur, zoals de afgelopen tijd de eikenprocessierups [als gevolg van ons gedrag als ‘rupsje-nooit-genoeg’].
Zoals de heilige Tikhon van Zadonsk ons voorhoudt:
Laten we. . . op onderzoek uitgaan en ons eigen gedrag bezien, hoe we leven, hoe we ons gedragen, hoe we denken,
hoe we spreken, hoe we handelen, met
welk hart we anderen aanspreken voor God Die
alle dingen aanschouwt, ziet en hoe we elkaar behandelen.
En. . . laten we onszelf . . . in waarheid [met open vizier] benaderen . . .
en corrigeren

conf. Journey to Heaven, pg. 57.

Wie zal de vlammen van vuur voor mij doven?
Wie zal mijn duisternis verlichten indien U
geen Genade meer voor mij kunt opbrengen,
o Heer, omdat U de Minnaar van de mensen bent?

conf. de tekst uit de Grote completen

De soevereiniteit van God
Het boek Job gaat nog verder, “ . . . bij grijsaards zou wijsheid zijn, en lengte van dagen zou doorzicht betekenen? Bij God is Wijsheid en Sterkte, Hij heeft raad en doorzichtJob 12: 12,13.
In de goddelijke leer van de eeuwig lijdende profeet Job wordt ieder menselijk schepsel aangespoord om de onvoorwaardelijke soevereiniteit van de Heer te overwegen.
Na de nederigheid als de juiste deugd voor God te hebben aanbevolen Job 12: 7-9,
gaat de profeet op natuurlijke wijze voort op weg naar de ongekwalificeerde Heerschappij van God.
    De Heer is Koning, met luister getooid:
de Heer heeft Zich bekleed met Macht en Zich omgord.
Want Hij heeft heel de wereld gegrondvest: zij staat onwankelbaar.
Vanaf het begin staat Uw troon gevestigd: Gij zijt van alle eeuwigheid.
Stromen verhieven, Heer, stromen verhieven hun stem;
stromen zweepten hun golven op met geweldig gedonder van water.
Wonderbaar zijn de hoge golven der zee; wonderbaar is de Heer in de hoge.
Uw getuigenissen zijn uiterst geloofwaardig: Uw huis, Heer, past heiliging tot in lengte van dagen” Psalm 92[93] vert. ROK ’s-Gravenhage.

       De Heerschappij van de Heer regeert alle dingen
naar Zijn Wijsheid, Macht, raad en begrip Job 12: 13.

de berg op, naar de grot

Onze Heer en Verlosser, Jezus Christus, onze God verheft ook nederigheid/ascese als een noodzakelijke voorwaarde om
de Soevereiniteit van God te aanschouwen:
      Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen . . .
>      Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven
Matth.5: 3,5;
zij die het ‘horen’ zullen zich verheugen.
       Basilius de Grote drukt hetzelfde gevoel uit in dit liturgisch gebed:
      Het is waarlijk waardig, recht en overeenkomstig de luister van Uw Heerlijkheid,
U te loven, U te bezingen, U te aanbidden, U te danken, en
U te verHeerlijken als de alleen werkelijk zijnde God” Eucharistische Canon

        Job behandelt Job de drie aspecten van Gods aard:
1.]. Soevereiniteit over de schepping Job 12: 13-15;
2.]. Het enig waarachtige bestuur van de menselijke aangelegenheden Job 12: 16-21; en
3.]. De Openbaring van waarheden die doordringen in de donkerste schaduw van de dood Job 12: 22.   

       Zoals we telkens wanneer wij de Goddelijke Liturgie van de Guldenmond bijwonen kunnen horen,  heeft God ons “uit niet-bestaan ​​tot bestaan ​​[uit het niets tot het zijn] gebracht en toen we wegvielen heeft Hij ons weer opgericht en Hij is niet opgehouden alle dingen te doen totdat Hij ons terug heeft gevoerd naar de hemel”.
Job neemt een algemeen aanvaarde waarheid in acht:
“In de tijd is wijsheid en in een lang leven kennis” Job 12: 12.
Hij voegt echter een belangrijke waarschuwing toe:
slechts aan God behoort de bron van de ziel van alle Wijsheid en Kracht, Die
inherent is aan menselijke kennis, want Hij is wijsheid en kennis.
Begin daarom met Hem om “raad en begrip” te vragen Job 12: 13.
Laat je niet in met menselijke tekortkomingen – ‘bidt, huil, vecht en bewonder, niet zonder de Kerk, het Lichaam van Christus’.
Met deze opmerkingen ondergraaft Job elke poging om een eerdere advies over nederigheid te ontwijken.
De soevereiniteit van God over alles wat bestaat kan omver blazen, achter houden of vernietigen zoals Hij dit verkiest Job 12: 14,15.

Laat derhalve heel de mensheid beven van ontzag.
Denk aan Gods snelle reactie tegen de arrogantie van de koning van Babylon toen deze in grote waan en arrogantie verklaarde:
Is dit niet het grote Babel, dat ‘ik’ gebouwd heb tot een koninklijke woonstede door
de sterkte van mijn macht en tot eer van mijn majesteit? Nog was dat woord over de lippen van
de koning gekomen, toen er een stem uit de hemel klonk
[neerdaalde]:
‘ U wordt aangezegd, o koning Nebukadnessar
[Hebr.= ‘ moge de Profeet de kroon beschermen’]
: het koningschap is van u geweken, men verstoot u uit de gemeenschap der mensen en uw verblijf is bij het gedierte van het veld; gras zal men u te eten geven als aan de runderen; en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij erkent, dat de Allerhoogste macht heeft over het 
koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wilDan 4: 30-32.

Job openbaart onomwonden dat God de raadgevers wegleidt, Hij beneemt de spraak aan hen op wie men vertrouwen stelt, neemt het onderscheiding’s-vermogen weg “de lippen van de gelovigen worden andersJob 12: 20; zij ontvangen het goddelijk vuur niet meer op de lippen.
De Heilige Gregorius de Grote merkt hierbij op dat Job hier aantoont dat God “het woord van waarheid geeft aan degenen die het doen en het ontneemt aan degenen die het niet doen” Manley, Wisdom, pg. 245.
We dienen  toch al onze gewoonten opzij zetten, die
onszelf slechts eer doen toekomen voor persoonlijke prestaties en lof op te strijken voor het werk van onze handen.
Ten slotte herinnert Job ons eraan dat de Heer vanuit de ondoorgrondelijkheid en duisternis van Zijn wezen ontzettend veel van de ‘diepe dingen’ van zijn raad aan ons openbaart ten einde ons her-op-te-voeden. De belangrijkste aanwijzing is God’s verlichting van “de schaduw van de doodJob 12: 22.
Hij legt zonde bloot en staat niet toe dat – de dood – als gevolg daarvan wordt verzwegen; wordt weggestopt, om er maar niet bij stil te hoeven staan.
Zoals Sint Hesychius van Jeruzalem opmerkt, zijn
vanaf de Pedagogie van onze Verlosser de verschrikkelijke nadelen en
schadelijkheid van zonde algemeen bekend geworden
” Manley, Wisdom, pg. 246.
tot onze Bruidegom:
    Onzichtbare Rechter, hoe hebt U aanvaard in het vlees te worden gezien?
Hoe is het mogelijk, dat U komt om door wet’s-overtreders gedood te worden en door Uw Lijden onze veroordeling teniet te doen?
Daarom brengen wij, o Woord, eenstemmig lof, grootheid en roem aan Uw Macht

– Kathismazang Orthros, Palmzondagavond.

Een pleidooi voor God’s Genadegaven
    Zo legt een mens zich neer en staat niet weer op; totdat de hemelen niet meer zijn, ontwaken zij niet en worden niet wakker uit hun slaap.
Och, of Gij mij daarentegen in het dodenrijk zou willen vasthouden,
mij uit Uw Aanschijn verborgen hield, totdat uw toorn geweken was;
dat Gij mij een tijd zou stellen en pas dan weer aan mij zou denken
Job 14: 12,13.
In voorgaand hoofdstuk 12 hield de Profeet Job ons de nederigheid voor
als bevestiging van de soevereiniteit van God, een waarheid die hij uit langdurige ervaring van pijn en diep, alomvattend lijden heeft leren kennen.
Toch pleit hij in zijn nederigheid om de Genadegaven van God, niet alleen voor zichzelf en voor alle mensen,  maar tevens dat Hij in staat mag blijken zijn hoop en vertrouwen in de Heer te handhaven.

Saint John of Damacus, Syrië

Het pleidooi van de profeet is zoals dat van de Heilige Johannes Damascinos, die schrijft:
  Al ons sterfelijk streven, tot zelfs in de kleinste de dingen, die wij nastreven zijn ijdelheid en
verdwijnen met de dood als sneeuw voor de zon.
Rijkdom wordt niet langer meegenomen, noch zal er enige glorie jouw voortgang na de dood vergezellen: want wanneer de dood komt, verdwijnen al deze dingen abrupt en volkomen.
Laten we daarom de onsterfelijke koning tot Christus aanroepen, Hij Die rust geeft in de woonplaats van allen die zich op Hem verheugen, aan hen die ons reeds zijn voorgegaan’
conf.: Orthodoxe begrafenisdienst.
Inderdaad, moge ieder van ons z’n ijdelheid onderkennen
gedurende de paar dagen die ons nog in dit leven resten en
pleiten dat de Onsterfelijke Koning ons de Goddelijke rust schenkt:
1.]. We dienen het met Job eens zijn dat iedereen
die geboren is uit een vrouw maar een kortstondige levensloop heeft en bovendien met woede en toorn is omgevenJob 14: 1.
De lijdende Profeet vermijdt de moderne neiging om dode lichamen
mooier te maken dan zij zijn, en de lelijkheid en de kou van de dood te verdoezelen. Hij verbergt zich niet voor de duistere macht die over ons en over onze beschaving zweeft.
En indien wij dan geen acht slaan op de stem van Job, laten dan in ieder geval de stalinistische goelag, de nazi-vernietigingskampen, die nog steeds in andere vorm voort blijven bestaan. evenals de terroristische aanslagen, de genocide en de etnische zuivering een goddelijke nederigheid in ons dienen op te wekken met
betrekking tot dit korte, onzekere leven.
2.]. Job deelt de conclusie van de Apostel Paulus dat:
Immers allen hebben gezondigd en daardoor beroofd zin van God”s HeerlijkheidRom.3: 23.
De Profeet zegt: “Zelfs als. . . het leven is maar één dag op aarde zou zijn” Job 14: 5, de waarheid [rein òf onrein] komt altijd boven water [aan het Licht] Job 14: 4.
David herinnert ons eraan:
Want zie, in ongerechtigheid ben ik geboren;
in zonde heeft mijn moeder mij ontvangenPsalm 50[51]: 5.
Iedereen zal voor de gevreesde rechterstoel van Christus staan.
3.]. Job merkt op dat de Waarheid van God
“Indien de dagen van de mens zijn vastgesteld, het getal van zijn maanden door God bepaald zijn, Hij als God Zijn grenzen heeft gesteld, die Hij voor nog geen seconde zal overschrijden” Job 14: 5.

Saint Methodius de belijder – Apostel gelijk

De Heilige Methodios verheugt zich juist over dit feit, omdat
de mens misschien geen . . . eeuwig levend kwaad zou kunnen laten voortduren, zoals het geval zou zijn geweest indien de zonde in hem dominant zou zijn geweest, wanneer de mens zich een onsterfelijk lichaam zou hebben aangemeten . . .
[de fysieke en psychische medische vooruitgang is op zich niet slecht, maar zou zich hiervan toch wel meer bewust dienen te zijn] 
God heeft hem om deze reden sterfelijk verklaard
conf. Discours on the Resurrection 1.4, ANF vol. 6, pg. 364.
Er is immers een zegen te vinden in de dood.

De Profeet eindigt met een intens pleidooi tot God,
zeer wel passend bij ons omringende tijdperk, ons huidig bestaan
​​- laat de Heer ieder mens de rust [van bestaan] gunnen/schenken en
opdat deze tevreden zou kunnen zijn met zijn leven van een aangenomen loon-dienaar Job 14: 6.
Hoewel hij de onverbiddelijkheid en zekerheid van de dood niet uit de weg gaat, biedt Job een verzoekschrift aan voor een heilige rust Job 14: 7-14.
Job spreekt over de dood als gericht zijnd op een doel, waarbij de rust van de mens wordt vergeleken met het verwelken van hardnekkige bomen.
    Wanneer zijn wortel in de aarde veroudert en zijn tronk in de grond afsterft, dan bot hij weer uit, zodra hij water ruikt, en schiet twijgen als een jonge plant.
Maar wanneer een mens sterft, dan ligt hij/zij krachteloos neer;
geeft een mens de geest, waar is hij/zij gebleven?Job 14: 8-10.
De Heilige Hesychius van Jeruzalem merkt op dat Job door
de dood – “slaap” – te noemen Job 14: 2 Job zijn vaste Hoop op de Opstanding bevestigt conf. Manley, Wisdom, pg. 276.
De dood blijft alleen ‘rusten’ totdat ‘de hemel is opgelost‘ en eerst dàn zullen de doden ‘ontwakenJob 14: 12.
4.]. Uiteindelijk vraagt ​​Job dat zijn rust in God’s handen bewaard mogen worden, waarbij de Heer hem [onder Zijn Vleugelen] beschermt tegen de ultieme toorn.
Daarom pleit hij dat “U mij een vaste tijd zou toewijzen waarin U mij zou gedenkenJob 14: 13.
Overeenkomstig de Heilige Hesychius weegt Job “ de Glorie van de toekomende tijd en het Eeuwige Leven, evenals de grote demotie/degradatie die dit huidige, vluchtige leven stil sluipend nadert”.

    O Heer, U hebt ons allen veroordeeld om
terug te keren naar de aarde vanwaar  we zijn weggenomen en
om U een ​​goddelijke rust af te smeken:
mogen we met Uw dienaren rusten in
de woning van de rechtvaardigen.
Orthodoxe begrafenisdienst.

Jesus Christ, ‘Just Judge‘, by Marchela Dimitrova

Op deze Zondag na Transfiguratie, die voorafgaat aan het feest van de Ontslaping van de Theotokos heeft de Kerk de Waarheid van het leven met je gedeeld.
Dit is de Waarheid van de Hogepriester, van onze Heer en Verlosser, Die alle losse eindjes aan elkaar heeft geknoopt.
Hij werd met ontferming over de mensheid bewogen en genas de zieken, slechts begeleid is door Zijn Liefde en Zorg voor eenieder van ons.
Aldus heeft Hij ontelbaar veel [een menigte van] mensen gevoed met Zijn Leven-schenkend Woord.

Let derhalve alleen op jou woord:
“Heer Jezus Christus, Zoon van de levende God, wees mij, zondaar, genadig”.
Deze manier door in stilte on-op-houdelijk de handeling van
het gebed voor te zetten doet op zichzelf geen afbreuk aan je bestaan. Je toont je daarbij als vanzelfsprekend een volwaardige loon-dienaar van Christus.
Het houdt je scherp en het smaakt als maar zoeter, alsof je honing in de mond hebt. Het gebed wordt op den duur zó vanzelfsprekend, dat je jezelf er niet langer toe behoeft te dwingen om onophoudelijk voortdurend deze smeekbede met je hart te beleven. Zowel kwa plaats en tijd in de eeuwigheid zal dit altijd en overal een bron van inspiratie in je leven zijn en blijven.

8e dinsdag na Pinksteren – 6e Augustus, De Heilige Transfiguratie van onze Heer en Verlosser Jezus Christus

Studie van de Blijde Boodschap

    En zes dagen later nam Jezus Petrus en Jakobus en zijn broeder Johannes mee en Hij leidde hen een hoge berg op, in de eenzaamheid.
En Zijn gedaante veranderde voor hun ogen en Zijn gelaat straalde gelijk de zon en Zijn klederen werden wit als het licht.
       En zie, hun verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken.
Petrus antwoordde en zei tot Jezus:

‘Heer, het is goed dat we hier zijn’

‘ Heer, het is goed, dat wij hier zijn; indien Gij het wilt, zal ik hier drie tenten opslaan, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een.
       Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zei:
‘ Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!
       Toen de discipelen dit hoorden, wierpen zij zich op hun aangezicht ter aarde en werden zeer bevreesd.
En Jezus kwam bij hen, raakte hen aan en zei: ‘Staat op en weest niet bevreesd’.
Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij niemand dan Jezus alleen.
En terwijl zij van de berg afdaalden, gebood Jezus hun, zeggende: Vertelt niemand dit gezicht, voordat de Zoon des mensen uit de doden is opgewekt“ Matth.17: 1-9.

    Beijvert u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen; want als gij dit doet, zult gij nimmer struikelen.
Want zo zal u rijkelijk worden verleend de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van onze Heer en Heiland, Jezus Christus.
Daarom zal het steeds mijn voornemen zijn u hieraan te herinneren, hoewel gij het weet en in de waarheid, die bij u is, versterkt zijt.
Ik acht het mijn plicht, zolang ik in deze tent ben, u door herinnering wakker te houden, want ik weet, dat het afleggen van mijn tent spoedig komt, zoals ook onze Here Jezus Christus mij heeft doen weten.
       Maar ik zal mij beijveren, dat gij ook na mijn heengaan telkens weer aan deze dingen kunt denken.
       Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Heer Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn Majesteit.
       Want Hij heeft van God, de Vader, eer en Heerlijkheid ontvangen, toen zulk een stem van de hoogwaardige Heerlijkheid tot Hem kwam:
            ‘ Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb’.
En deze stem hebben ook wij uit de hemel horen komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren.
En wij achten het profetische woord [daarom] des te vaster, en gij doet wel er acht op te geven als 
op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten2Petr.1: 10-19.

Op de onvermijdelijke weg naar de dood en de daarop volgende verwachtte periode probeer je als mens orde te scheppen over die naderende sterfelijkheid.
Je weet wat je te wachten staat, waarop je door de verkondigde Waarheid probeert deze te doorgronden, maar dit beheersen en uiteindelijk volledig bevatten, is voor een mens een onmogelijkheid. God laat Zich immers niet inpakken. Tijd bestaat uit niets, het is een abstractie, want bij God bestaat geen tijd. De afstand van God en mens is ook niet te overbruggen en het enige wat overblijft is dat we enige betekenis trachten te verkrijgen aan de wijze waarop wij ons in de tijd voortbewegen.
Het einde is een kwestie van tijd, die naderbij komt en hoe dichter je nadert hoe meer de relatie me de tijd ons verontrust.
Doch onze Heer zegt: ‘Staat op en weest niet bevreesd’.
Je probeert als mens orde te scheppen over die sterfelijkheid en tracht vanuit eigen joods-christelijke cultuur de ‘overwinning‘ te behalen op het naderend wangedrocht.
Zo zongen we de afgelopen zondag:
       “   De scharen der Engelen stonden aan Christus’ graf
        en de wachters lagen als dood.
        Bij het graf stond Maria Magdalena zoekend het alleruiterst Lichaam van haar Heer.
        Hij heeft de hel overwonnen, zonder erdoor te worden aangetast. Hij heeft de Maagd ontmoet, Levenschenkende,
Die uit de dood zijt opgestaan. Heer, ere aan UApolytikion tn.6.

       Na het antwoord op de roep van onze Heer en de god-mens-ontmoeting begint de mens als adolescent aan een tumultueuze romantische relatie.
Naast bevrijding worden we onderworpen aan genoemde sterflijkheid en vormt onze weg een zielige en onontkoombare onderneming van het lineaire en onveranderlijke pad van geboorte tot de dood in de wereld.
Het lezen van de Blijde Boodschap, het navolgen van de Pedagogie van de Heer en het vervolgens beschrijven van hetgeen je tegenkomt kan als pijnlijk worden ervaren
– het is immers een scheiding van de wereld, een jezelf afsluiten van de wereld,
door Christus’ Pedagogie in je leven te realiseren.
       De geïncarneerde God, welke van God in de wereld komt is gekomen om de schade te herstellen die wordt veroorzaakt door de vernietiging en de zonde van de schepping. Net zoals het oorspronkelijke gesproken Woord van God zowel de wereld als de mens schiep, met andere woorden met dezelfde authenticiteit,
⁌   wordt de mens als een nieuw schepsel door de Zoon van God herschapen;
⁌   wordt de mens ledemaat van Zijn Lichaam, de Kerk en daarmee erfgenaam van de Goddelijke Genadegave;
⁌   wordt de mens vrij van blindheid, van demonische soevereiniteit verlosst,
⁌   wordt hij verlost van de zonde welke de dood veroorzaakt.
       Een persoon die daarop Zijn Pedagogie, Zijn Blijde Boodschap volgt, gaat lezen, memoreren en schrijft, leert zichzelf van  de input van zijn op de wereld gerichte zintuigen’ af te sluiten of op z’n minst af te remmen, teneinde
de reacties van zijn lichamelijke neigingen af te remmen of totaal te beheersen.
Aldus wordt energie gestoken om -‘tot oefening welke kunst baart’- te komen,
te trainen en al doende na te blijven denken over de vastgelegde woorden.
Je verzet je als vanzelfsprekend tegen je omgeving, het milieu welke zich ‘buiten’  bevindt – om tot onderscheidingsvermogen te komen.
       Gesteund door de zekerheid die de Genadegave als ondersteuning biedt
•   vormt dit in eerste instantie een moeizame en pijnlijke inspanning voor het individu, zo laten psychologen en sociologen weten.
       Door de persoonlijke inzet en de moeite te nemen wordt men zich uiteindelijk bewust van het innerlijke zelf als een entiteit die kan worden gescheiden van het omgeving en zijn input wordt
van boven gestuurd, hetgeen leidt tot mentale actie.

Apostles with Christ

Veel mensen geloven dat slechts God ‘alleen’ onze toekomst in hemel of hel bepaalt, maar ze vergeten dat we als medewerkers van en aan God onderhorig zijn; God heeft de mens na de val laten voortbestaan om het goede, het volmaakte na te streven.
        Hoe we uiteindelijk de Hemel, de aanwezigheid van God, zullen ervaren,
wordt bepaald door hoe ons hart bereid is om Zijn Liefde te ervaren.
Met andere woorden, hoewel we ons allemaal in de hemel zullen bevinden,
als onze harten zich niet op de juiste plaats bevindt, zullen we onze eigen hel creëren.
       Maar al te vaak horen we onder wereld de uitdrukking “naam maken voor jezelf” of een variatie daarop, zoals het ‘je eigen carrière najagen’ – ik doe wel deze of gene studie en ‘ik’ ben ‘boven Jan‘.
– wanneer we spreken over hoe we omgaan met de samenleving, ook met de Kerk. We zijn omringd door mensen, die ‘naam [?]’ gemaakt hebben, en
zich als zodanig gedragen.
       Maar we zijn allen ‘dienaren van Christus’ en hebben allen dezelfde opdracht;
deze opdracht is slechts in nederigheid te aanvaarden en punctueel te volbrengen, hetgeen ons wordt opgedragen. Zodra er sprake is van Macht en onderscheid ten opzichte van de ander, klopt het hele levensverhaal van die persoon, die gemeenschap niet meer.
       Wij zijn immers op weg naar het Licht en zoals onze Heer ons heeft geleerd
is dat alleen te bereiken door ‘af-te-zien’- door ascese.

Het is reeds lange tijd -‘ook in de Kerk’-, een traditie geworden om een ​​soort erfenis achter te laten voor toekomstige generaties om ons als persoon aan de wereld [als heilig] op te werpen, te laten kennen.
Sommigen onder ons suggereren zelfs dat deze trend verband houdt met onze genetische afkomst, dat onze familiaire afkomst bepaalt dat we ons gedwongen voelen onze egoïstische bekendheid trachten te verspreiden.
        Stel je toch eens voor dat je als persoon of familie voor de wereld in de vergetelheid zou geraken? Maar wie of wat is de wereld, die is toch alleen met ‘zichzelf‘ bezig.
        Daartegenover staat dat wij ‘de Eer en Glorie van onze Heer en Zaligmaker’ nastreven; ‘het Koninkrijk van God’ is belangrijker dan welke familieband dan ook.
        Zelfs in de relatie van onze Heer en Zijn familie trad een verandering op.
Aanvankelijk reisden de Moeder God’s en Zijn broers met Hem mee John.2: 12;
maar later overheerst het ongeloof John.7: 3-5.
Onze Heer neemt afstand van hen Marc.3: 35.
Er dient onder de volgelingen in die drie jaar ‘openbaar leven‘ van de Heer een omslag in hun houding te hebben plaatsgevonden. In Handelingen 1 worden Zijn Moeder en Zijn broeders immers tot de kern van de Christelijke Gemeenschap gerekend. 
Onder de Christenen in Palestina gaf het enige ‘status’ wanneer je familie was van de Heer, maar heel belangrijk is dit zoals blijkt echter nooit geweest.en geworden en als ‘status’ een rol is gaan spelen is dat een menselijke luchtspiegeling.

Er is nooit en te nimmer sprake geweest van zoiets als een ‘Jezus’-dynastie en zowel Jaäcobus als Justus [Judas] beginnen hun brieven niet met een opmerking dat ‘zij’ een ‘broeder des heren‘ zijn, maar zij noemen zich ‘als kind van God‘ en navolger van Christus simpelweg ‘dienaar van Jezus, de Christus’ en worden uiteindelijk
helden van Christus’ [= hoofd-item van het jeugd- en kinderkamp 2019 van de AOiN].
De steeds weer terugkerende als een soort yel –  melodie, die tijdens het kamp gezongen werd: https://youtu.be/QfCdprwMQ1o ;
vert:Ik heb de hemel lief, hoe kan ik de Vader van God bereiken en mij vrij maken en gelijk Zijn zoon leven, de geboden onderhouden om zonden in alle bedoelingen te vermijden‘ [het Patriarchale koor H. Ephraïm de Syriër, Damascus].
Het afsluitend kamplied gezongen bij het slot-kampvuur:
https://www.youtube.com/watch?v=0HlHQVZbyxs&feature=youtu.be;
vert: Goede Herder, wij bevelen dit klooster aan, vanwege het feit dat in Syrië de kinderkampen altijd in de nabijheid van hun kloosters werd gehouden en in dank aan de asceten werd afgesloten.

Als dienaren zijn wij allen op weg naar God, we gaan de berg op, evenals Mozes de berg besteeg en de wolk z’n weg bedekte:
    de Heerlijkheid des Heren rustte op de berg Sinaï en de wolk bedekte hem zes dagen lang; op de zevende dag riep Hij tot Mozes midden uit de wolkEx. 24: 16.
Johannes de Theoloog verklaart: “Niemand heeft ooit God gezien
1John.4: 12
.
Maar op een andere plaats geeft deze Evangelist de woorden van Christus aan Philippus weer: “Hij die Mij [door de Genade van Genezing] heeft gezien, heeft de Vader gezienJohn.14: 9.
Op de een of andere manier zijn beide uitspraken waarachtig, ondanks het feit dat ze tegenstrijdig lijken. De twee uitdrukkingen bij elkaar brengen de Waarheid in evenwicht betreffende onze ‘kijk op’ God.
Enerzijds dient het visioen [het aanschouwen] van God in Heerlijkheid
angstaanjagend te zijn voor de gevallen, zondige mensheid – een ondraaglijke zicht.
     Zoals we bij Vespers voor de Transfiguratie formuleren, het is ‘een zien van een vriendelijk Licht’ . . . dat misschien niet wordt gezien.
Aan de ander kant dienen we de bewering van Johannes de Theoloog over Christus niet over het hoofd zien, die bestond vóór de tijd en toch werd hij geïncarneerd als een mens die ‘wij met onze eigen ogen hebben mogen aanschouwen . . . we hebben gekeken en onze handen hebben hem aangeraakt, betreffende het Woord des levens [dat] aldus werd gemanifesteerd, en wij zijn daar . . . . . getuigen van1John.1: 1-2.

Christus, onze God, werd mens om ons een volledig zicht op God te openbaren
op een manier die begrijpelijk is voor het menselijk [in-]zicht. De Heer waarnemen als de God-Mens opent voor ons de weg om Hem echt te aanschouwen.
De drie discipelen waren samen met Christus naar/op de berg Thabor,
waar Hij ‘Zich in volledig waarneembare Heerlijkheid openbaarde als stralend Licht‘,
Zijn Goddelijkheid werd daardoor eveneens waarneembaar door de apostelen, die Hem op deze tocht vergezelden.
Dientengevolge vielen zij voor Zijn overweldigende uitstraling neer.
De aanblik van de getransfigureerde God-Mens was zo overweldigend dat ze
ter aarde op hun gezicht neervielen’ . . . . . door verbazing overmand werden.

Mozes, by Rembrandt Harmenszn. van Rijn; De Thora [Wet] is door Mozes overgedragen, maar de goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomenJohn.1: 17

Vandaar dat vandaag eveneens de passage uit Exodus wordt gelezen, hetgeen aangeeft dat dit een waarachtige icoon, een venster op de eeuwigheid is, hetgeen zonder dat het direct gezegd wordt inhoudt dat we door deze icoon
de Glorie van God voor ogen kunnen stellen;
de icoon stelt ons – ‘als een doorkijkje’ in staat aan dit Mysterie deel te nemen.
Petrus, Jaäcobus en Johannes de Theoloog gingen op aandringen van de Heer “een hoge berg”, de berg Thabor  op [Thab, Hebr.=‘heuvel of terp’; Thab-era= ‘brandend’] Matth.17: 1.

Mozes overkomt hetzelfde: “Mozes stond op met zijn assistent Joshua en zij gingen op naar de berg van God” Ex.24: 13.
Mozes en Joshua gaan op weg wanneer hun wordt geboden:
– “Kom naar Mij” – Ex.24: 12, net als:
– “Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt”- Matth.11: 28.
Ons is niet verhaald hoe Mozes de stem van God hoort, hoewel
de Heer niet aanwezig is in het vlees John.1: 14, maar we begrijpen wèl dat de Profeet Mozes luistert met het oor van zijn hart – ‘zijn geestelijk oor’ 1Kon.9: 15.
De discipelen van Jezus hoorden de Heer met hun fysieke oren en tòch, in hun hart hebben zij méér gehoord – want anders dan Zijn andere volgelingen
wilden zij Hem niet verlaten John.6: 66-68, toen het navolger-schap van Christus penibel, [gevaarlijk-pijnlijk-moeilijk-hachelijk] werd. Degenen die het hoorden volgden Hem trouw.

Toen Mozes “naar de berg” van God ging Ex.24: 13, liet hij de gemeenschap van Israël beneden achter. Aldus is hij gescheiden van het gezelschap van zijn mede-Israëlieten, behalve Joshua.
Evenzo, wanneer de drie discipelen op gaan met de Heer, is het ‘op zichzelf’, een afgezonderde eenheid Matth.17: 1.
De aanblik van God is niet geopenbaard aan de gewone massa, de menigte.
God beschermt Zijn ontmoeting met Mozes, want Hij “bedekte de berg met een wolkEx.24: 15, zoals:
“wie onder de schutse der Allerhoogste verblijft en onder de bescherming woont van de God des Hemels” Psalm 90[91].
Voorts gaat de profeet Mozes niet de berg op naar God, maar wacht hij zes dagen [tot de zondag?] op de helling tot de Heer hem [in de communie ontmoet] in de wolk aanspreekt die de top bedekt Ex.24: 16.

Let hier op de parallel.
Wanneer Mozes God in de wolk ontmoet;
was de aanblik van de Glorie des Heren als
een brandend vuur waarneembaar op de top van de berg
voor de kinderen van Israël
Ex 24: 17.
Evenzo, terwijl de drie discipelen zich bovenop de berg Thabor
met de Heer bevinden, “overschaduwde een heldere wolk henMatth.17: 5.
De aanblik van de getransfigureerde Heer
heeft grote invloed op de discipelen van Jezus gemaakt, want
– zij worden “zwaar van slaap” bij
het zien van de Meester in HeerlijkheidLuc.9: 32
voor zover zij het konden dragen.
– zij zijn gewoon overweldigd.

Transfiguration, door Theophan de Griek 15e eeuw

       Laten we -gesteund door de Geest- ons allen naar de berg van de Heer begeven en naar het huis van onze God gaan, om met de Zijnen te aanschouwen, de Glorie als van een enige Zoon van de Vader, ter ere van de Leven-schenkende Drie-eenheid.

In al wat je leest kun je nog dieper gaan en vergelijkingen trekken tussen het boek Exodus en de weg van de Christen als pelgrim beschreven in Matth.11:
        Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet:
blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het Evangelie. 
En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt.
Terwijl dezen heengingen, begon Jezus tot de scharen te zeggen van Johannes:
  Wat zijt gij in de woestijn gaan aanschouwen? Een riet, door de wind bewogen?
Maar wat zijt gij gaan zien? Een mens in [opgedoft in] weelderige kleding?
Zie, die weelderige kleding dragen, zijn aan de hoven der koningen
[Brussel en andere hoofdsteden].
Maar waarom zijt gij dan gegaan? Om een profeet te zien?
Ja, Ik zeg u, zelfs meer dan een profeet. Deze is het, van wie geschreven staat:
    Zie, Ik zend Mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen bereiden zal. 
Voorwaar, Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan Johannes de Doper, maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan hijMatth.11: 4-11.
        Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der Hemelen zich baan met geweld en  geweldenaars grijpen ernaar.
Want al de Profeten en de Wet [de Thora]  hebben geprofeteerd tot Johannes toe; en
indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou. Wie oren heeft, die hore!
Doch waarmee zal Ik dit [wereld’s] geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen, die op de [financiële en economische] markten zitten en de anderen toeroepen:
Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen en gij hebt geen misbaar gemaakt.
Want Johannes is gekomen, niet etende en niet drinkende, en zij [de farizeeën] zeggen: Hij heeft een boze geest’. De Zoon des mensen is gekomen, wel etende en drinkende, en zij zeggen: ‘   Zie, een vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars. En de wijsheid is gerechtvaardigd op grond van haar werkenMatth.11: 12-19.
        Toen begon onze Heer en Verlosser de steden [van onze wereld], waarin de meeste krachten door Hem verricht waren te verwijten, dat zij zich niet bekeerd hadden: Wee u, Chorazin [Hebr.= ‘rokende oven’], wee u, Betsaïda [Hebr.=‘huis van vis’]! Want indien in Tyrus
[‘Tyrisch’, Hebr.=‘purper’, kleur gewonnen uit de purperslak, kleur die gereserveerd werd voor de in de wereld ‘zichzelf’ verhevenen, de koningen en keizers’] en Sidon [Hebr.=‘havenstad aan de Syrisch-Libanese kust, welke van oudsher onder heidense invloed is gebleven, zoals ook Egypte’] die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as [teken van boete] bekeerd hebben.
Doch Ik zeg u, het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in de dag van het oordeel dan voor u. En gij, Kafarnaüm
[Hebr.=‘dorp van rust’], zult gij tot de Hemel verheven worden? Tot het dodenrijk zult gij nederdalen; want indien in Sodom [afgeleid van Hebr. ‘Anash’= ‘ziek zijn‘]
de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, het zou gebleven zijn tot de dag van heden.
Maar Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom [‘het ‘ziek’, verworden land’] draaglijker zijn in de dag van het [laatste] oordeel dan voor uMatth.11: 20-24.
        Te dien tijde hief Jezus aan en zei: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kleine kinderen geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U. Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren.
Komt [dan] tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;  neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 25-30.

En dáár – door de Genade van God – inzicht in verkregen te hebben, mogen wij vervolgens [in de Vesper] zingen:
Wij hebben het ware Licht aanschouwd,
het ware Geloof gevonden,
wij aanbidden de Heilige Drieëenheid,
Deze heeft ons gered
”.

1e Antifoon [Goddelijke Liturgie]:
1. – Groot is de heer en alle lof waardig,
inde stad van onze God, op Zijn heilige berg
”.  [refr.]
     Door de gebeden van de Moeder God’s, o Heiland, red ons’ [=refr.]
2. – “Gij grondvest de bergen in Uw Kracht; Gij hebt U omgoot met Macht”.  [refr.]
3. – “Gij bekleedt U met luister en pracht, Gij omhult U met ‘Licht’ als een mantel”.  [refr.]
4. – “Laat de bergen juichen voor het aangezicht van de Heer, want Hij komt om de aarde te oordelen”.  [refr.]
     ‘Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN”.

2e Antifoon [Goddelijke Liturgie]:
1. – “Haar grondvesten zijn op de heilige bergen, de Heer bemint Sion’s poorten”.  [refr.]
     Verlos o Zoon van God, Die op de Thabor verheerlijkt zijt, ons die tot u zingen: Alleluja’ [=refr.]
2. – “Over U zijn roemrijke dingen gezegd; gij zijt de stad van God”.  [refr.]
3. – “Elke mens zal zeggen: Moeder Sion, want de mensheid is in haar geboren”.  [refr.]
4. – “De allerhoogste heeft haar gegrondvest”.  [refr.]
     Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN”.
3e Antifoon [Goddelijke Liturgie]:
1. – “Uw Barmhartigheden Heer, wil ik zingen in eeuwigheid”.
Apolytikion [vervolgens als refr.]
tn.7.    Gij werd verheerlijkt op de berg, o Christus God, en
aan Uw Leerlingen toonde Gij Uw Heerlijkheid.
Doe ook ons, zondaars Uw eeuwig Licht stralen:
Gij, Die ons het Licht schenkt, eer aan U
”.
2. – “De Hemelen blijde Uw wonderen, o Heer, en Uw Waarachtigheid in de Kerk der Heiligen”.  [refr.]
3. – “Zalig is het Volk dat weet te juichen; Heer, zij zullen wandelen in het Licht van Uw aanschijn”.  [refr.]
     Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN”.
Kondakion
tn.7.
    Op de berg werd Gij verheerlijkt, en
vol verbazing mochten Uw Leerlingen Uw Heerlijkheid aanschouwen.
Opdat zij, wanneer zij U gekruisigd zouden zien,
Uw Lijden als vrijwillig zouden erkennen, en
aan de wereld zouden verkondigen, dat
Gij in Waarheid zijt de Af-glans van de Vader
”.

7e donderdag ná Pinksteren – verering van het Eerbiedwaardige Hout van het leven-schenkende Kruis van onze Heer en Verlosser.

Koor & Heilig Kruis, iconostase dienst AOKiN, in de Ansfriduskerk, Amersfoort

    Toen dan de overpriesters en hun dienaars Hem zagen, schreeuwden zij en zeiden: Kruisig Hem, kruisigen!
Pilatus zeide tot hen: Neemt gij Hem en kruisigt Hem: want ik vind geen schuld in Hem.
De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.
Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog meer bevreesd, en hij ging weer het gerecht’s-gebouw binnen en zei tot Jezus:
‘Waar zijt Gij vandaan?’.
Maar Jezus gaf hem geen antwoord.
Pilatus dan zeide tot Hem:
‘ Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen?
Jezus antwoordde:
‘ Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven zou zijn: daarom 
heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde’.
>    Pilatus dan hoorde deze woorden en hij liet Jezus naar buiten brengen en zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Litostrotos, in het Hebreeuws Gabbata. En het was Voorbereiding voor het Pascha, ongeveer het zesde uur, en hij zeide tot de Joden:
  Zie, uw koning!’.
Zij dan schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!
Pilatus zei tot hen:
    Moet ik uw koning kruisigen?
De overpriesters antwoordden:
    Wij hebben geen koning, alleen de keizer!
Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden.
Zij dan namen Jezus, en Hij, zelf zijn kruis dragende, ging naar de zogenaamde 
Schedel-plaats, in het Hebreeuws genaamd Golgotha, waar zij Hem kruisigden en met Hem twee anderen, aan weerszijden een, en Jezus in het midden.
En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven:
Jezus, de Nazireeër, de Koning der Joden.
Dit opschrift dan lazen vele der Joden, want de plaats, waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad, en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks.
En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Cleophas en Maria van Magdala.
Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande, zeide Hij tot zijn moeder: ‘ Vrouw, zie, uw zoon’. Daarna zeide Hij tot de discipel: ‘Zie, uw moeder’.
En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis.
Hierna wist Jezus, dat alles reeds volbracht was.
>     Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zei Hij:
Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf de geest.
De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op Sabbath aan het kruis mochten blijven – want de dag van die Sabbath was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden.
De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was braken zij zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit.
En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de Waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft”.
John.19:6-11,13-20,25-28a,30-35

” Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Heilige Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in Heerlijkheid”.

    Want het Woord van het Kruis is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht van God.
Want er staat geschreven:
‘ Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen’. 
Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd?
Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot dwaasheid gemaakt?
Want daar de wereld in de Wijsheid God’s door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het 
aan God behaagd door de dwaasheid van de prediking te redden hen die geloven.
Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, [prediken wij] Christus, de Kracht van God en de Wijsheid van God1Cor.1:18-24.

Het groot en Heilig Kruis van Christus, onze Verlosser

‘Vanwege de ziekten die in augustus voorkomen, was het in vroegere tijden gebruikelijk om het Eerbiedwaardige Hout van het Kruis in processie [optocht] door de straten en pleinen van Constantinopel te voeren.
Dit werd zo gedaan ter bescherming en heiliging van de stad, als ook
ter verlichting van de gevolgen van de ziekte, het afwenden van de dood.
Aan de vooravond van 1 Augustus werd op 31 juli het kostbaar hout [een reliekschrijn] uit de keizerlijke schatkamer gehaald en op het altaar van
de Grote Kerk van de Hagia Sophia [de Wijsheid van God] gelegd.
Vanaf dit ogenblik tot aan het feest van de Ontslaping van de Moeder God’s werd:
✥   een periode van vasten afgeroepen en
✥   werd het kruis ter verering door de stad gedragen, opdat het volk dit kon vereren.
Dit fenomeen is uitgegroeid tot de jaarlijkse vasten van 1-15 augustus voor de Moeder God’s en is ook de basis van het feest van vandaag op 1 Augustus’.
          Maar waarom werden en worden de mensen rond 1 Augustus zo ziek, Juli is wat ons aangaat toch het vooruitzicht op ontspanning en vakantie
✥   Ziek zijn en ziek worden is een aloude uiting van rupsje nooit genoeg.
Je wordt ziek van de welvaart, raakt de weg kwijt en dat was in oude tijden, de periode dat de oogst werd binnen gehaald, dat zelfs de armen het goed hadden, want er was overvloed.
Wanneer je met overvloed niet kunt omgaan, ga je jezelf te buiten en dat heeft onheil, met ziekte, onheil en verderf tot gevolg.
Kijk maar om je heen: ‘ alles is mogelijk, iedereen doet waar hij zin in heeft, de ‘hel’ is los’; iedereen is van God los, Wie kent ons en wie ziet ons?.

Daarom, zie, Ik ga voort wonderlijk met dit Volk te handelen, wonderlijk en wonderbaar: de wijsheid van zijn wijzen zal teniet gaan en het verstand van zijn verstandigen zal schuilgaan.
Wee hun die een plan diep voor de Heer verbergen, wier werk in de duisternis geschiedt en die zeggen: ‘   Wie ziet ons en wie kent ons?
O, deze verkeerdheid van u! Of moet de boetseerder op een lijn gesteld worden met het leem, zodat het maaksel van zijn maker zou kunnen zeggen:
    Hij heeft mij niet gemaakt? en het boetseersel van zijn boetseerder: Hij heeft geen verstand?
Is het niet nog een korte tijd, totdat de Libanon in een gaarde verandert en de gaarde een woud gelijkt?
      Te dien dage zullen de doven Schriftwoorden horen, en van donkerheid en duisternis verlost, zullen de ogen der blinden zien. En ootmoedigen zullen steeds meer vreugde hebben in de Heer, en de armsten onder de mensen zullen juichen in de Heilige van Israël.
      Want het zal gedaan zijn met de geweldenaar, en de spotter zal vergaan en allen die op boosheid zinnen, zullen uitgeroeid worden, zij die een mens om een woord schuldig verklaren en valstrikken leggen in de poort voor wie opkomt voor het recht, en die met ijdele beweringen terzijde dringen wie het recht aan zijn zijde heeft.
Daarom, zo zegt de Heer, die Abraham verloste, tot het huis van Jaäcob: Jaäcob zal nu niet meer 
beschaamd staan en zijn aangezicht zal niet meer verbleken.
Want wanneer hij en zijn kinderen het werk van Mijn handen in hun midden zien, dan zullen zij Mijn Naam heiligen en zij zullen de Heilige van Jaäcob heiligen en voor de God van Israël [de Kerk] ontzag hebben. Ook de dwalenden van geest zullen inzicht kennen en zij die morren zullen lering aannemenIsaiah 29: 14-24.

Wij Christenen van het Westen, die zwelgen in de luxe van de dag, blijken onmachtig te zijn geworden om in creatieve trouw de Blijde Boodschap van het Evangelie over te dragen en maar nauwelijks te onderkennen, ondanks en samen met zijn mens- en kerk-kritische aspecten; het lijkt wel de grondreden te zijn waarom onze kerken leeglopen.
Wij vergeten en masse wàt de historische boodschap van onze Heer en Zalig-maker is geweest, een gebeuren dat uitliep op Zijn arrestatie en terechtstelling, om  ons vervolgens af te vragen hoe het totaal gebeuren van oud en Nieuwe Testament als heil voor onze tijd zal kunnen worden ervaren.
Hoe lang duurt het nog dat in het westen de vraag op komt, hoe wij, ook in onze tijd, heil kunnen ervaren uit de Pedagogie, die ons door onze Heer en Verlosser is voorgehouden.

Want niet alleen Isaiah maar ook andere profeten als Zacharia maken gewag van
een komende eindtijd, welke in het boek Openbaringen wordt aangekondigd:
    Luister, hogepriester Jozua, jij en je priesters die voor je zitten en die in staat zijn om tekenen, die zich voordoen uit te leggen.
Ik zal mijn dienaar sturen, de telg aan de stam van David.
Ik leg een steen voor je neer, Jozua, één enkele steen, waarop zeven ogen rusten.
Ikzelf zal daarin een inscriptie graveren
✥   spreekt de HEER van de hemelse machten
✥   en in één enkele dag zal ik dit land reinigen van alle schuld
Zacharia 3: 8-9.
        En de stem, die ik gehoord had uit de hemel, [hoorde ik] opnieuw  met mij spreken en zij zei: ‘   Ga heen, neem het boek, dat geopend ligt in de hand van de engel, die op de zee en op de aarde staat.
      En ik ging heen tot de engel en zei tot hem, dat hij mij het boekje zou geven. En hij zei tot mij:
      ‘ Neem het en eet het op, en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.
      En ik nam het boekje uit de hand van de engel en at het op, en het was in mijn mond zoet als honing, maar toen ik het gegeten had, werd mijn buik bitterOpenb.10: 8-10.

De éne enkel steen staat symbool voor onze Heer en Verlosser.
    “ Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen” Matth.5: 7.
    Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de gehele wet vervuld. Pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet,  zet uw zinnen niet op wat van een ander is’
deze en alle andere geboden worden samengevat in deze ene uitspraak:
‘Heb uw naaste lief als uzelf’.
De liefde berokkent uw naaste geen kwaad, dus
de wet vindt zijn vervulling in de Liefde
Rom.13: 8-10.

Onze Heer en Verlosser kwam niet om de Wet van Mozes af te schaffen, te schrappen, maar om er vervulling aan te geven, oftewel ons allen de Wet van de Goddelijke Liefde bij te brengen.
De steen welke de profeten aanhalen symboliseert dus
✥   enerzijds  die Liefde en Genade van God en
✥   anderzijds de harde en rechtvaardige kant van de Wet,
de Thora aanduidt.
God geeft “de mens” een keuze:
✥   Òf je kiest voor Zijn liefdevolle, genadige kant,
✥   Òf voor Zijn harde, rechtvaardige kant, maar die steen gaat komen!
Het beeld van de mens die wordt gestenigd, symboliseert dus drie zaken:
1.]. De zondeval van de mens, welke perfect is geschapen maar het plegen van zonden ter dood wordt veroordeeld en “tot stof weerkeert”;
2.]. De profetie van de huidige en komende wereldrijken tot aan de voltooiing van het Koninkrijk van God, vanaf het moment van de droom van Nebukadnezzar [606 vóór Chr.];
3.]. De keuze die God geeft aan de mens: Je kiest voor God met Zijn liefde en Zijn genade, of  je kiest voor jezelf en ontvangt daarmee geen genade maar de kei-harde Wet die eenieder veroordeeld.

Oog hebben voor kwaliteit, verborgen mogelijkheden
In onze westerse wereld knutselen mensen nogal wat af, vooral wanneer het gaat bij de inrichting van ons menselijk samenleven. Je ziet het aan de manier waarop zij omgaan met de natuur om zich heen, alles wordt achteloos òf de lucht in geblazen òf zo maar terzijde geworpen – wie dan leeft, dan zorgt. Eigen keuze vinden we in deze samenleving, je kunt ook zeggen: ‘eigen onmacht’.
De samenleving is weliswaar geen bouwpakket, maar er wordt gewoon verwacht dat anderen, waaronder de overheid, het wel zullen overnemen en die laat het uit winstbejag of uit stembejag ten dele ook steeds weer opnieuw afweten.
Het wordt nog erger wanneer de leidinggevenden, de toezichthouders zich gedragen in de droom van de machthebbers – òf zich voor eigen gewin voor hun karretje laten spannen.
De stem van de roepende in de woestijn wordt niet meer gehoord, òf men zet het geluid gewoon wat zachter.
Waar de stem wèl wordt gehoord, is het feit dat je wilt overleven een natuurlijk proces geworden.
Maar natuurlijke processen zijn niet altijd heilig [dat is alleen God]; en bovendien is ze op menselijke wijze doortrokken geraakt van het kwaad.
Wanneer het de mens goed gaat, zoals in het westen, strijdt zij tegen natuurlijk kwaad door dijken langs rivieren te bouwen, en tegen moreel kwaad door misdadigers op te sluiten.
Wanneer wij als christenen nadenken over ‘natuurlijk’ is, dienen wij dus altijd met twee woorden te spreken – ‘goed’ èn ‘kwaad’/schepping èn zondeval – daar ontkomt geen mens aan.
Wanneer is menselijk ingrijpen in het algemeen de bestrijding van het kwaad èn wanneer doet dat ingrijpen God’s goede schepping, zijn schepselen, zijn navolgers geweld aan?
Overstromingen voorkomen met dijken vindt eigenlijk iedereen een voorbeeld van het eerste, ziekten en het tegengaan van afwijkend gedrag van gezagsdragers vinden sommige christenen een voorbeeld van het tweede, dat dient God maar te doen.
Moraal in dit verhaal is:  Westerse Christenen nemen de natuurlijke gang van zaken heel serieus en dat is nogal gemakkelijk vanuit je luie stoel.
Je dient goede redenen te hebben om ervan af te wijken [en hoe dichter je bij het menselijk leven komt, hoe betere die redenen dienen te zijn]. Maar de menselijke natuur is niet heilig; er zit ook een heleboel kwaad in, dat naar vermogen aangepakt dient te worden.
Maar ja, daar hebben wij onze overheden voor – daar hebben wij diverse instanties voor in het leven geroepen; neem de NaVo, de Verenigde Naties, het Internationaal Hof van Justitie.
Hele mooie uitgangspunten, welke door menigeen op het schild werd verheven;
maar ze werken voor geen meter – oorlog en mens-onterend gedrag zijn orde van de dag – en niemand, die er iets aan doet, het blijft bij een beetje stoom afblazen.

Het regiem van Syrië kan gewoon z’n gang gaan, terwijl iedereen zich in deze oorlog zich geheel of gedeeltelijk beroept op de ‘Sophia’ van God; men claimt een monopolie op Zijn Wijsheid òf verdedigt Hem. Iedereen is hier Zijn woord-voerder of vertegenwoordigt Hem. Maar dat heeft veelal te maken met de vraagstelling naar de effectiviteit van God, naar zijn aanwezigheid bij de mensen in de donkere, kwade kant van de oorlog.
God Zelf kan immers niet worden beschuldigd van sluwheid en het bezit van paleizen. De aard van deze vragen en hun beperkte antwoorden en overtuiging’s-kracht leiden ons naar de aard van het Geloof in het politieke krachtenveld, zoals gelovigen dat zien en beleven.
✥   Werkt dat in de Levant, het Midden-Oosten hetzelfde als in het in overvloed verkerende westen?

  • Werkt dat?  is de dictatuur aldaar op dezelfde manier als in een open en vrije samenleving als in Nederland?
    Zeker niet! Onder het gezag van onderdrukkende regimes wordt God altijd afgeschilderd als een ànder gezicht van de dictator zelf, dat is al vanaf Nebukadnezzar [606 vóór Chr.] zo.
    En de mensen, die onder dictator’s juk leven hebben niet het vermogen tegen zo’n totaliserend regime in te gaan zonder op z’n minst minimale schade opte lopen. De gewone mensen kunnen zich lange tijd stil houden over de misdaden van dit regiem en over de dagelijkse belemmeringen die het regime hen heeft

    ‘Daarom wil Hij van Zijn Geest ook in ons leven getuigen van dat Hij de Heer is van hemel en aarde, die ons leven in Zijn hand heeft’

    opgelegd om hen te straffen. Op het moment dat zij opstaan tegen deze onrechtvaardigheden, is hun lot het platbranden van de oogst en het lot de dood [dood gas uit de hemel] en ontheemding – zoals met de God uit het Oude Testament die boos werd op het volk dat Hij verloren waant, bedreigt.
    Het Geloof wordt dàn een vloek in plaats van een zegen.
    In een goedwerkende democratie manifesteert God’s Wil Zich in de wensen van individuen zelf en in hun vermogen het juiste‘, het goede te doen voor hen en voor de hen omgevende samenleving als geheel. De vraag naar de plaats en het vermogen van God wordt een kwestie van hoeveel elk individu God kan vertegenwoordigen in z’n dagelijkse zoektocht naar Waarheid, Gerechtigheid en schoonheid.
    God, de beschuldigde in het eerste geval, wordt een onschuldige in het tweede geval. De mens blijft immers zelf verantwoordelijk.
    De vraag gaat niet zozeer over de aard van het Geloof en de aard van het systeem waarin de mens leeft. Hoe groter de mogelijkheid in een systeem of samenleving om naar elkaar om te zien, er voor elkaar te zijn en voor elkaar iets te betekenen, te werken naar algehele participatie en gelijkheid van iedere deelnemer, hoe meer de kwestie van goddelijke verantwoordelijkheid vervangen dient te worden door de kwestie van individuele verantwoordelijkheid, die de duidelijke manifestatie is van het Geloof en wat geloof voor de mens betekent.

    • De wereld van de Syrische bevolking wordt getekend door  mensen die niet leven voor Gerechtigheid, Gelijkheid en mensenrechten, zij hebben steeds te maken met bloed, puinhopen en angst voor wat er hen ‘nú wel weer niet’ boven het hoofd hangt. En de wereld rond dit bloedbad, die zich in dit land en alle landen die zich afzijdig houden, raken zichzelf , hun belangen en ‘de belangen van de rest van het daar nog verblijvende volk’.
      Want het daar nog verblijvende volk, je zou er toch ‘alles’ voor over hebben om daaraan te ontsnappen. In deze omstandigheden blijkt het gesprek over God’s Wil en verantwoordelijkheid in relatie tot de politieke acties van het westen vooral een manier om je als Pilatus – omtrent de ander, jouw ‘naaste’ in onschuld te handen schoon te wassen.
      Dit Volk, de mensheid op deze aarde draagt een kruis een onmenselijk kruis en ook wij blijken in onze omgeving een onmenselijk kruis te dragen door ondanks eigen onvermogen iets aan onze eigen gezondheid te doen.
      De afgelopen weken is de wereld veranderd in een vuurbal. Het normale bestaan wordt de adem ontnomen – de samenleving functioneert niet meer;
      zelfs sportwedstrijden worden ingekort omdat de voortgang wordt geblokkerd door de klimaatveranderende omstandigheden.
      En wij als mensen – verwend zoals we zijn gaan maar door met spuiten, spuiten en nog eens spuiten. We vervuilen onze eigen omgeving, benemen ons de eigen adem door fabriekspijpen, uitlaatgassen van allerlei aard; we weten het maar doen niets – we voeren de quota van het vliegverkeer nog verder op, want onze economie dient draaiende te blijven.
      Hetzelfde item van ‘rupsje nooit genoeg’ is hier aan de orde, wanneer komt de mens terug op z’n besluit van ‘over’-consumptie, van het voortjagen naar meer, hetgeen niet te stuiten valt in onze samenleving – we worden er met z’n allen ziek van.
      Ook daarom roept de Kerk, het Lichaam van Christus ons op
      -‘hier en nu’- . . . . . – ‘een pàs op de plaats’– te gaan maken;
      te gaan ‘consum-minderen’;
      een ascetische houding aan te gaan nemen;
      kortom ‘te gaan vasten‘.
      Wij worden met z’n allen door onze Heer en Zaligmaker opgeroepen:
      Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; 29 neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; 30 want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 28-30.
      Probeer het maar, ”t is even wennen, maar het valt best mee.Kruis dragen is moeilijk, dat weten we allemaal.
      En het valt ook niet gemakkelijk daarover te spreken.
      Toch is het goed, wanneer je het wel doet, want je merkt dan dat je niet de enige bent die een kruis te dragen heeft.
      Als we eens achter al die mooie voordeuren konden kijken . . . . .
      Zegt het spreekwoord niet: elk huisje heeft zijn kruisje? Het is denk ik vooral goed om dat vanuit de Blijde Boodschap te doen, praten en nadenken over het kruis. Omdat er dan Licht schijnt vanaf het Groot en Heilig Kruis, dat Christus voor ons gedragen heeft.  Troostrijk Licht op al die kleine kruisjes van ons, hoe groot ze ons ook toeschijnen!
      Wat verstaan we eigenlijk onder “kruis”? Allerlei zaken, die we liever niet hebben.
      ✥   We denken net zoals de inwoners van het vroegere Constantinopel aan ziekte en dood, aan teleurstelling, pijn in het hart.
      ✥   We denken daarbij ook aan verlatenheid, eenzaamheid, je bedrogen voelen, ongelukkig zijn. Soms komt het door je zelf, eigen schuld.
      ✥   Soms komt het heel langzaam aansluipen, maar het kan er ook direct zijn, van het ene op het andere moment, verbijsterend als een vloedgolf. Je verliest je man of vrouw, een kind, je krijgt een hersenbloeding, je raakt gehandicapt, je verliest je baan.
      ✥   Het leed komt overal, in duizend vormen. We zijn er niet blij mee, integendeel. We vluchten er voor weg en moeten er maar liever niet aan denken. Maar er is geen ontkomen aan. En nu draag ik het met me mee, een groot kruis. “Hoe lang nog?” denk ik dan. En ik ben niet de enige, gelukkig maar. Ik zie het aan alle kanten om me heen.
      ✥   “‘Want wij weten dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in
      barensnood is tot nu toe’. ‘En ook wijzelf zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam’. ‘En evenzo komt ook de Geest onze zwakheid te hulp; want de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen’.” zegt Paulus al in de achtste Romeinenbrief.
      Nood leert bidden. Hebben we dat niet vaak gehoord?
      Van mensen moet je ’t toch niet hebben, dat is allemaal stukwerk. Van de dieren dan, van de bomen en de vogels? Die kunnen niet spreken. Niemand antwoordt op mijn klagen.
      Maar God dan? Overal klinkt de roep omhoog: God, waarom toch? Eerst zuchtend, dan roepend, tenslotte schreeuwend en vloekend.
      “          Zoals een hert naar waterbronnen smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar de sterke God, de  Levende; wanneer mag ik verschijnen voor Gods aanschijn?
      Mijn tranen strekken mij tot brood bij dag en bij nacht, omdat men mij elke dag opnieuw zegt: waar is uw God? Als ik daaraan denk, dan smelt mijn ziel in mij weg. Hoe ik opging naar de plaats van de wonderbare tent, naar het Huis van God. Met juichende stem en belijdenis, met het geluid der feestvierenden.
      Waarom zijt gij zo treurig, mijn ziel ? 
      Hij is het heil van mijn aangezicht, Hij is mijn  God.
      Vertrouw op God, want ik zal Hem belijden; *
      Hij is het heil van mijn aangezicht, Hij is mijn God.
      Mijn ziel is ontsteld in mijzelf, daarom wil ik  denken aan U; vanuit het land der Jordaan en van Hermon, het lage gebergte.
      Afgrond roept tot afgrond, met het geluid van Uw watervallen; al Uw hoog opgezweepte stortvloeden komen over mij heen.
      Maar overdag gebiedt de Heer Zijn barmhartigheid; in de nacht is mijn lofzang een gebed tot de God van mijn leven.
      Ik mag tot God zeggen: Gij zijt mijn Helper. Waarom hebt Gij mij dan vergeten?
      Waarom ga ik treurig voort onder de slagen van mijn vijand, terwijl mijn beenderen worden verbrijzeld? Wie mij slaan bespotten mij en zeggen mij elke dag opnieuw: Waar is toch uw God?
      Waarom zijt gij zo treurig, mijn ziel? Waarom verontrust ge mij?
      Vertrouw op God, want ik zal Hem belijden: Hij is het heil van mijn aangezicht; Hij is mijn God” Psalm 41[42], vert ROK. ‘s-Gravenhage
      “       Heer, Gij zijt ons een toevlucht van geslacht tot geslacht. Eer de bergen ontstonden, of aarde en wereld werden gevormd, bestaat Gij, God, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
      Keer de mens niet af in vernedering, Gij hebt immers gezegd: “Bekeer u kinderen der mensen”.
      Want duizend jaar, Heer, zijn in Uw ogen gelijk aan de dag van gisteren, die voorbij is.
      Als een nachtwake, zo gering worden die jaren geschat.
      ‘s Morgens verwelkt hij als gras, hij bloeit
      ‘s morgens en verwelkt; ‘s avonds valt hij af, verdort.
      Want wij bezwijken onder Uw toorn, wij zijn geheel ontsteld door Uw gramschap. Gij hebt U onze boosheid voor ogen gesteld; onze levenswijze staat in het licht van Uw aanschijn.
      Daarom gaan al onze dagen tegronde; wij bezwijken onder Uw toorn.
      Onze jaren zijn vluchtig als spinrag: de dagen van ons leven zijn zeventig jaren. Bij de sterken duren zij tachtig jaar, maar het meeste ervan is moeite en leed. Want dan komt de zwakheid over ons; dan worden wij gekweld.
      Wie kent de macht van Uw toorn?  Wie weet in vreze voor U, Uw gramschap te
      meten?
      Maak mij Uw rechterhand bekend; onderricht onze harten in wijsheid.
      Keer U om, Heer. Hoe lang nog? Wees een Trooster voor Uw dienaren.
      Heer, vervul ons s’morgens met Uw barmhartigheid; dan zullen wij juichen en ons verheugen. Geef dat wij ons mogen verheugen over al onze dagen.
      Ook over de dagen dat Gij ons vernederd hebt: over de jaren, waarin wij rampen zagen. Zie toch neer op Uw dienaren, op Uw werk, en leid Uw kinderen. Moge de luister van de Heer onze God over ons stralen.  
      Maak voor ons recht het werk van onze handen; ja, maak recht het werk van onze handenPsalm 89[90] vert. ROK. ‘s-Gravenhage.
      Ja, nood leert bidden. Maar zou het wel helpen? Soms merk je daar zo weinig of niets van, van die hulp van God.
      Zou God me wel horen? God is vaak zo verborgen, zo onzichtbaar.
      En toch zegt de Blijde Boodschap, dat Hij de God van mensen is, dat Hij de mensheid lief heeft,
      van het volk Israël van het Lichaam van Christus, de Kerk houdt ,
      door Zijn Zoon, onze Verlosser houdt Hij van al die mensen die op Zijn Zoon vertrouwen.
      We dienenn Hem maar vast te houden en niet opte houden met bidden. Vroeger konden we met zo veel overtuiging zingen:
      “       Uit de diepte, Heer, heb ik tot U geroepen: Heer, geef gehoor aan mijn stem. Laat Uw oren aandacht schenken aan de stem van mijn smeking.
      Zo Gij op ongerechtigheden zoudt achtslaan, Heer; Heer, wie kan dat doorstaan ?
      Maar bij U is vergeving; omwille van Uw Naam, Heer, heb ik U verbeid.
      Mijn ziel verwacht Uw Woord; mijn ziel vertrouwt op de Heer.
      Van de ochtendwake tot de nacht vertrouwe Israël op de Heer.
      Want bij de Heer is barmhartigheid; bij Hem is overvloedige Verlossing.
      Ja, Hijzelf zal Israël verlossen,
      uit al zijn ongerechtighedenPsalm 129[130] vert. ROK. ‘s-Gravenhage.

      Apolytikion
      tn.1.  ”   Heer, red Uw Volk en zegen Uw erfdeel, en
      bescherm Uw Gemeenste door Uw Kruis”.

      Kathisma
      tn.6.   ”   Toen het hout van Uw Krruis in de aarde werd geplant, o Heer Christus, werden de fundamenten van het dodenrijk geschokt.
      Hem Die de hades zo gretig verzwolgen had, gaf het vol vreze terug.
      Gij hebt ons Uw Heil getoond, o Heilige, en wij vereren U.
      Zoon van God, heb medelijden met ons”     [herhalen]

      ”   Eer aan de vader en aan de Zoon en aande Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN“.

      tn.6.  ”   Heden is het profetenwoord in vervulling gegaan, want zie,
      wij aanbidden op de plaats waar UW voeten stilhielden, o Heer.
      Wij hebben geproefd de Vrucht van de Boom van het Heil en
      zijn daardoor bevrijd van de hartstocht van de zonde, door de gebeden van de Moeder Gods, alleen Menslievende”.

      Prijslied:
      ”     Wij prijzen, wij prijzen U, levenschenekr Christus, en vereren Uw heilig Kruis, waardoor Gij ons uit de slavernij van de vijand hebt gered“.

      ”     Houdt gericht, Heer, over wie mij onrecht doen;
      bestrijdt hen die mij bestrijden’.

      ”     Omgord U met wapeen en schild, sta op om mij te helpen.
      Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Redding’.

      ”     Al mijn beeenderen roepen uit:
      Heer, o Heer, wie is gelijk aan U?’.

      ”   Mijn tong zal over Uw Gerechtigheid spreken en
      heel de dag Uw lof bezingen’.

      ”   Hij beschermt allen die op Hem vetrouwen;
      want wie is God buiten de Heer, wie is God buiten onze God?“.

7e dinsdag ná Pinksteren – De ultieme Bron van het Heil & de bron van het menselijk karakter

    In die tijd hoorde koning Herodes [Hebr.= voor de wereld ‘heldhaftig‘, een BoBo, Ndlnd = negatieve benaming voor een bestuurder; Fr.= BOurgeois BOhème], de viervorst, wat van onze Heer en Verlosser Jezus Christus verteld werd, en hij zei tot zijn dienaren:
‘Dat is Johannes de Doper; hij is opgewekt uit de doden en daarom werken die krachten in hem’. Want Herodes had Johannes laten grijpen, geboeid en gevangengezet, ter wille van Herodias, de vrouw van zijn broeder Filippus; want Johannes zei tot hem: ‘ Gij moogt haar niet 
hebben’. En hoewel hij hem wilde ter dood brengen, vreesde hij de schare, omdat zij hem voor een Profeet hielden. Maar op het geboortefeest van Herodes danste de dochter van Herodias in hun midden en zij behaagde Herodes, waarom hij haar onder ede toezegde haar te geven, wat zij maar vragen zou. En zij, opgestookt door haar moeder, zei: ‘Geef mij hier op een schotel het hoofd van Johannes de Doper’. En de koning werd bedroefd, maar om zijn eden, en om hen die mee aanlagen, beval hij het haar te geven, en hij liet Johannes in de gevangenis onthoofden.
En zijn hoofd werd op een schotel gebracht en aan het meisje gegeven en zij bracht het aan haar moeder. En zijn discipelen kwamen en namen zijn lijk weg en begroeven hem; en zij gingen heen en berichtten het aan Jezus.
            Toen Jezus dit hoorde, trok Hij Zich vandaar in een schip terug naar een eenzame plaats, alleen. En toen de scharen dit hoorden, volgden zij Hem te voet uit de steden.

in verwarring geraken

>          En zodra de mannen van die plaats Hem herkend hadden, zonden zij bericht in die gehele omgeving, en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, en zij smeekten Hem, dat zij alleen maar de kwast van zijn kleed mochten aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden behouden.
            Toen kwamen uit Jeruzalem Farizeeën en schriftgeleerden tot Jezus en vroegen:
                               Waarom overtreden uw discipelen de overlevering van de ouden? Immers, zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood eten.
Onze Heer en Verlosser antwoordde hun en zei:
            “ Waarom overtreedt ook gij ter wille van uw overlevering
[zelfs] het gebod van God?
Want God heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven.
Maar gij zegt: Wie tot zijn vader of zijn moeder zegt:
            ‘Het is offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, behoeft zijn vader of zijn moeder niet te eren’.
Zó hebt gij het woord Gods van kracht beroofd ter wille van uw overlevering, huichelaars, terecht heeft Isaiah over u geprofeteerd, zeggende:
            ‘ Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij.
            Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn’.
En toen Hij de schare tot Zich geroepen had, zei Hij tot hen:
‘ Hoort en verstaat! Niet wat de mond binnengaat, maakt de mens onrein, maar wat de mond uitkomt dat maakt de mens onrein
”.  
Matth.14: 1-13; 14: 35 – 15: 11.

Hildegard van Bingen was van 8-88 jarige leeftijd actief om God verheerlijken

Verheerlijkt dan God met uw lichaam.
Wat nu de punten betreft, waarover gij mij geschreven hebt,
– het is goed voor een mens niet aan een vrouw verbonden te zijn, maar met het oog op de gevallen van hoererij moet ieder zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man.
– De man dient jegens de vrouw zijn (echtelijke) verplichtingen na te komen en evenzo de vrouw jegens haar man.
– De vrouw heeft niet zelf over haar lichaam te beschikken, doch haar man; en eveneens heeft de man niet zelf over zijn lichaam te beschikken, doch zijn vrouw.
– Onthoudt dat elkander niet, tenzij met onderling goedvinden (en) voor een bepaalde tijd, om u te 
wijden aan het gebed, maar om daarna weer samen te komen, opdat niet de satan u zal verzoeken wegens uw gemis aan zelfbeheersing.
⁌       Dit zeg ik om u tegemoet te komen, niet om u te bevelen.
⁌       Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf.
⁌      Doch iedereen heeft van God zijn bijzondere gave, de een deze, de ander die.
⁌       Maar tot de ongehuwden en de weduwen zeg ik:
Het is goed voor hen, indien zij blijven, zoals ik.
Indien zij zich echter niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen. Want het is beter te trouwen dan van begeerte te branden. Doch hun, die getrouwd zijn, beveel ik niet, maar de Heer, dat een vrouw haar man niet mag verlaten – is dit toch gebeurd, dan dient zij ongehuwd blijven of zich met haar man verzoenen – en een man dient zijn vrouw niet te verstoten.
Maar tot de overigen zeg ik, niet de Heer:
heeft een broeder een ongelovige vrouw, die erin bewilligt met hem samen te wonen, dan moet hij haar niet verstoten.
En een vrouw moet, als zij een ongelovige man heeft, en deze erin bewilligt met haar samen te wonen, die man niet verstoten. Want de ongelovige man is geheiligd in zijn vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd in de broeder. Anders zouden immers uw kinderen onrein zijn, doch nu zijn zij heilig.
Maar indien de ongelovige haar verlaat, laat hij haar verlaten.
De broeder of zuster is in dit geval niet gebonden; tot vrede heeft God u geroepen. Want hoe kunt gij weten, vrouw, dat gij uw man zult redden? Of hoe kunt gij weten, man, dat gij uw vrouw zult redden?
Alleen, laat ieder zo leven, als de Here hem toebedeeld heeft, zo, als God hem geroepen heeft. Zo schrijf ik het in alle gemeenten voor.
Is iemand als besnedene geroepen, hij late het niet verhelpen; is iemand als onbesnedene geroepen, hij late zich niet besnijden.
[Want] besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wel het houden aan 
God’s geboden.
Ieder dient bij die roeping te blijven, waarin
hij was, toen hij
[door de doop] geroepen werd.
Zijt gij als slaaf geroepen, bekommer u daarover niet, maar als gij ook vrij kunt worden, maak er dan te meer gebruik van. Want de slaaf, die in de Here geroepen werd, is een vrijgelatene des Heren; evenzo is hij, die als vrije geroepen werd, een slaaf van Christus. Gij zijt gekocht en betaald. Weest geen slaven van mensen.
Broeders, iedereen dient voor God in die toestand te blijven, waarin hij werd geroepen“ 1Cor.6: 20b – 7: 24.

    Er was in het land Us [Hebr.=’ bebost‘] een man, wiens naam was Job [Hebr.= ‘gehaat‘, ‘vervolgde‘, – van het ‘wee’ roepen -], en die man was vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad.
Hem werden zeven zonen en drie dochters geboren.
Zijn bezit bestond uit zevenduizend stuks kleinvee, drieduizend kamelen, vijfhonderd span runderen, vijfhonderd ezelinnen en een zeer grote slavenstoet, zodat deze man de rijkste was van alle bewoners van het Oosten.
Zijn zonen nu plachten een feestmaal aan te richten, ieder op zijn beurt in eigen huis, en nodigden dan hun drie zusters uit met hen te eten en te drinken.
Telkens wanneer de dagen van het feestmaal om waren, ontbood Job hen en heiligde hen; hij stond dan des morgens vroeg op en bracht voor ieder van hen een brandoffer, want Job dacht:
‘ Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en in hun hart God vaarwel gezegd’.
Zó deed Job altoos weer.
Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de Heer te stellen, en onder hen kwam ook de satan.
En de Heer zei tot de satan: Vanwaar komt gij?
En de satan antwoordde de Here: Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb.
Toen zei de Heer tot de satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad.
En de satan antwoordde de Heer:
            Is het om niet, dat Job God vreest?
            Hebt Gij zelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut?
            Het werk van zijn handen hebt Gij gezegend, en zijn bezit is zeer toegenomen in het land.
            Strek daarentegen uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit; of hij U dan niet openlijk zal
            vaarwel zeggen!
En de Heer zei tot de satan:
            Zie, al wat hij bezit, zij in uw macht; alleen tegen hemzelf zult gij uw hand niet uitstrekken. Toen ging de satan van het aangezicht van de Heer heen.
           Op zekere dag, toen zijn zonen en zijn dochters aten en wijn dronken in het huis van hun broeder, de eerstgeborene, kwam een bode tot Job en zeide: De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen dicht erbij aan het grazen, toen de Sabeeërs [Hebr.= ‘dronkaards’] een inval deden en ze roofden; en de knechten sloegen zij met de scherpte van het zwaard; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.
           Terwijl deze nog sprak, kwam een ander en zei: Het vuur Gods viel van de hemel en verbrandde de schapen en de knechten en verteerde ze; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.
           Terwijl deze nog sprak, kwam een ander en zei: ‘de Chaldeeën [Hebr.= ‘kluitenbrekers’, ‘verwarring zaaiers’] hadden drie benden gevormd, overvielen de kamelen en roofden ze; en de knechten sloegen zij met de scherpte van het zwaard; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.
           Terwijl deze nog sprak, kwam een ander en zei: Uw zonen en uw dochters waren aan het eten en wijn drinken in het huis van hun broeder, de eerstgeborene, en zie, daar stak een zware storm op van over de woestijn, greep het huis bij de vier hoeken aan, en het viel op de jonge mensen, zodat zij stierven; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.
           Toen stond Job op, scheurde zijn mantel en schoor zijn hoofd; daarop wierp hij zich ter aarde, boog zich neer en zei: ‘ Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen, naakt zal ik daarheen weerkeren. De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd’ .
           In dit alles zondigde Job niet en schreef aan God niets toe wat ongerijmd wasJob 1: 1-22.

De Heilige Païsios van de berg Athos zei ooit:
                      Vanaf mijn elfde heb ik de levens van de heiligen bestudeerd, ik heb gevast en ik ben zo ver in mijn vermogen lag waakzaam geweest. Mijn oudere broer ontnam mij echter m’n boeken en verstopte ze, maar dat weerhield me niet ik ging gewoon naar het bos om daar te kunnen lezen
Toen Arsenios, zoals deze heilige van de berg in de wereld genoemd werd – vijftien werd,  zei een vriend van zijn broer ‘Costas’ tegen zijn broer: “Ik zal ervoor zorgen dat hij al dat spul [die onzin] geheel vrijwillig opgeeft”.
                      Deze heilige vader laat ons vervolgens weten dat deze Costas bij hem kwam en hem de evolutietheorie van Darwin voorschotelde.
Ik werd hierdoor geraakt en ontsteld zei ik:
Ik zal gaan bidden en wanneer Christus werkelijk God is, zal
Hij aan mij verschijnen zodat ik zal geloven.
Een beeld wat mij voorgehouden wordt of iets wat mij ingefluisterd wordt – Christus zal me in ieder geval iets laten zien, meer kan ik niet bedenken
”.
                    Dus ging ik heen en begon te bidden en buigingen te maken, hetgeen
ik urenlang deed, maar er gebeurde niets.
Uiteindelijk stopte ik daarmee puur van uitputting.
                    Toen kwam er iets bij mij op hetgeen Costas gezegd had:
Ik aanvaard dat Christus een belangrijk mens was”, had hij me verteld,
“Hij was rechtvaardig en deugdzaam, Die uit afgunst werd gehaat vanwege
Zijn deugdzaam leven en werd veroordeeld door Zijn landgenoten
”.
Ik zei daarop tegen mezelf:
    Vanaf het ogenblik dat Christus aangaf, dat
Hij zelf ook maar een mens was, is Hij al mijn liefde,
gehoorzaamheid en zelfopoffering waard.
Ik wil hier op aarde geen paradijs – ik wil niets.
Het is de moeite waard om elk offer te brengen omwille
van Zijn Heiligheid en Zijn liefde tot de mensen
”.
    God heeft gewoon afgewacht om te zien hoe ik met deze verleiding zou omgaan.  En daarna verscheen Christus Zelf als in een groot licht aan mij. Hij was vanaf in volle omvang zichtbaar. Hij keek me aan met enorme liefde en zei tegen mij, net als tot Martha, de zuster van Lazaros:
Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?’John.11: 25,26.
Hij hield het Evangelie in Zijn linkerhand open, waar dezelfde woorden werden geschreven”.
                    Met deze gebeurtenis werden de onzekerheden die de jonge ziel van Arsenios in verwarring hadden gebracht, overwonnen en werd hem in Genade van God’s-wege gegeven om Christus te kennen als de ware God en Verlosser van de wereld. Hij was overtuigd van de waarheid van de Godmens, niet van mensen of boeken, maar van de Heer Zelf, Die Zich op zijn jonge leeftijd openbaarde.
Arsenios werd daarop stevig bevestigd in het Geloof en dacht bij zichzelf:
Costas, kom nu maar terug als je wilt, en we zullen eens een hartig woordje uitwisselen”.
Ook Arsenios schreef aan God niets toe wat ongerijmd was, hetgeen blijkt uit
datgene wat de Heilige Païsios van de berg Athos ons zelf verteld heeft.

Misschien is het u in het geheel niet opgevallen, maar nadat onze Heer en Verlosser vernam wat er met Zijn achterneef Johannes de Doper gebeurd was trok hij zich vandaar naar een eenzame plaats terug en het volk volgde Hem te voet uit de steden.
Hij trok Zich terug en bad tot de Vader en bleef met ontferming over het volk bewogen en genas hun zieken en gaf hun vervolgens op wonderbaarlijke wijze te eten van de vijf broden en de twee vissen.
Nadat het volk verzadigd was dwong Hij Zijn Leerlingen in een boot en liet Zich vooruit varen naar de overkant, totdat Hij de menigte zou hebben weggezonden. En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij opnieuw de berg op om in de eenzaamheid te bidden. Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen.

Vervolgens waren de apostelen op het meer en kwam de Heer hen over het water tegemoet. Op uitnodiging van Christus loopt Petrus over het water, tot hij zich bewust wordt van z’n situatie als mens en wordt hij door Christus gered.
Ook hier zien we dat de Heer ons overlaat aan de elementen, maar voorkomt dat wij ten ondergaan, zoals bij Job: “Toen zei de Heer tegen de duivel:
‘Zie, wat hij ook heeft, geef Ik in uw hand; maar raak hem niet aan’” Job.1: 12.
De heilige Augustinus van Hippo merkt op dat:
      een mens wordt geobserveerd en de dingen die hem toebehoren.
Niemand weet wat voor soort hij is. God ziet wat voor soort hij is.
Soms ontsnapt hij zelfs de duivel zelf . . . [Job] ontsnapte aan zijn ogen
omdat Satan in duisternis verkeerde “. Deze waarheid wordt voor ons geïllustreerd in het boek Job, want dit door God gegeven werk verlicht ons moderne debat over cultuur versus persoonlijkheid en welke daarvan uiteindelijk dominant is in iemands leven.

Het eerste vers van de tekst gaat over Job:

Job was rechtvaardig

“Die man was oprecht, onberispelijk, rechtvaardig en godvrezend, en
hij onthield zich van alle kwaad” en deze samenvatting van Job’s karakter
wordt grotendeels nog eens herhaald Job.1: 8.
De Heilige Hesychius van Jeruzalem herinnert ons eraan dat
      velen zichzelf mens noemen, maar niet waarachtig zijn: want sommigen leven met een mens-onwaardig gedrag, terwijl anderen zich bij wijze van spreken gedragen als sluwe reptielen“.
Job lijkt, naar alle schijn, als vegetariër welig te groeien in een op landbouw gebaseerde economie welke hem in staat stelt een welgesteld leventje te leiden,
het ontbrak hem aan niets Job.1: 2-5.
Maar spoedig zal al wat hij materieel bezit voor zijn welzijn en financieel succes abrupt verliezen Job.1: 13-22.
In vers 5 van dit vroege tafereel met betrekking tot het materiële rijk waarin Job leefde, wordt ons verteld waarom hij een rechtvaardige en godvrezende man wordt genoemd, die zich heel bewust “onthield van alle kwaad”Job.1: 1.
Ondanks zijn materiële succes, omdat hij God georiënteerd is, voert hij spirituele oefeningen uit, zoals het brengen van offers voor zijn zonen en dochters, volgens hun aantal, evenals een kalf voor de zonden van hun zielen. Want Job zei: “Opdat mijn zonen de kwade dingen niet bedenken tegen GodJob.1: 5.
Het verhaal verandert echter al snel onze aandacht van het materiële gericht zijn en opent voor ons het ascetisch spirituele rijk van engelen, gericht op onze  Almachtige Vader, “Schepper van hemel en aarde, en van alle zichtbare en onzichtbare dingenGeloofsbelijdenis.
Hoewel de duivel een gevallen engel is, komt deze op die specifieke dag voor God’s aangezicht in het bijzijn van de gelovige en heilige engelenwezens.
De Heer, die alles in elk rijk ziet, confronteert hem met:
“Waar kom je vandaan?”
Waarop de duivel antwoordt: “Ik kwam hier nadat ik over de aarde ging en rondliep onder de hemelen” Job.1: 7.

als een brullende leeuw

Hier is een herinnering aan ons om “waakzaam te zijn; want [onze tegenstrever]  de duivel waart [loopt overal en nergens rond, je weet niet waar] rond als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij kan verslinden1Petr.5: 8.
Ooit de uitdager van deugd en de doodsvijand van vrede van hart,
beledigt de duivel God Zelf en vraagt:
Biedt Job zonder reden de Here aanbidden?Job.1: 9.
Hij probeert immers God’s verrukking over Job te verstoren door te insinueren dat God de weg baant voor Job’s morele en fysieke prestaties door hem materieel succes te bieden. Hij beschimpt:
Maar stak uw hand uit en raak alles wat hij heeft aan, en
kijk of hij U in Uw gezicht zal zegenenJob.1: 11.
Zoals de Heilige Johannes Chrysostomos in zijn commentaar opmerkt:
‘   Wat een onbeschaamdheid!
Hij had de brutaliteit om een ​​geschil met God aan te gaan;
toch is/was deze houding niet alleen die van de demon, maar
ook die van kwaadwillende mensen . . .
De duivel raakt de kudde zelfs niet aan indien
hij geen toestemming gekregen heeft . . .
Want hij is ver van God verwijderd, als [diegene] die
de rechtvaardigen wil laten struikelen‘.
Inderdaad, onze vijand streeft ernaar de vrede van de ziel te verstoren en is op vernietiging uit. Dus laten we ons wapenen tegen Satan’s pogingen om onze overtuiging te verminderen dat “al het goede van God komt” en dat we “in niets kunnen slagen zonder de hulp van God’s Genadegave“.
  Mogen wij niet rondrennen op zoek naar menselijke wijsheid en vermogen, maar handelen met de nederige kracht die we dankzij God verkrijgen en datgene wat dient te gebeuren geheel aan God over te laten
Heilige Dorotheos van Gaza.
De Bron van het menselijke karakter is zelf alles in de hand te houden en als het enigszins kan dusdanig te manipuleren dat het onze kant oprolt.
In al deze gebeurtenissen die hem overkwamen, heeft Job [echter] helemaal niet gezondigd voor de Heer en heeft hij geen dwaasheid aan God toegeschrevenJob. 1: 22.

Aan het begin wordt de Profeet Job als gevolg van de gaven van de Heilige Geest reeds beschreven als: “waarachtig, onberispelijk, rechtvaardig en godvrezend,
zich onthoudend van alles wat kwaad is” Job.1: 1.
Indien we nauwkeurig lezen, kunnen we de bron van Job’s karakter, van zijn rechtvaardige ziel waarnemen: naast het natuurlijk gegeven van het menselijk verdriet
– door zijn kleren te scheuren en “de haren van zijn hoofd” te scheren
– viel Job ook “ter aarde en aanbadJob.1: 20.
Het gebed van de profeet onthult een niet-aflatende afhankelijkheid van God:
Gezegend zij de Naam des HerenJob.1: 21.
De onderliggende veronderstelling van Job’s leven is dat:
➥  alle dingen van God zijn,- de Heer die geeft en
➥  de Heer, Die Zich terugtrekt zoals Hij verkiest
en alle dingen [ook in de Kerk] zich slechts via onze God ontwikkelen tot  de zegening van de mens Job.1: 21.

De heilige Johannes Chrysostomus verheft Job’s reactie en beschouwt dit als een spiegel voor ons zelfonderzoek wanneer hij spreekt over:
de dingen die je veel mensen ziet doen. . . denk daarbij aan:
✥     ‘wanneer ze anderen zien genieten van gelukkige dagen, terwijl ze als vanzelf sprekend in de ergste beproevingen worden ondergedompeld.
Hij merkt daarbij op dat Job niets gezegd heeft, noch iets gemeens heeft toebedacht aan andere mensen.
Integendeel“, zoals Johannes Guldenmond aangeeft,
weerhield de Profeet Job zichzelf”:
hij heeft de gebeurtenissen van onrechtvaardigheid niet nog eens overtroffen.
– Hij heeft niet gezegd dat de gebeurtenissen hem zonder motief of bij toeval werden aangedaan;
✥     ‘Hij heeft niet gezegd: ik ben rechtvaardig en ik ben me niet bewust van enige zonde; die mensen zijn allemaal in de bloei van hun leven terwijl ik in ontelbare kwaden doorsta, waarom? – Wat voor onrecht, welke zonde heb ik persoonlijk begaan? Daaruit blijkt dat God nog wel om geeft en mijn zaken behartigt
”.

Job beschuldigt het leven of de mogelijkheid om oneerlijk, manipulerend òf onrechtvaardig te zijn niet.
In tegenstelling tot velen in de westerse wereld, roept de profeet, zijn verdediger niet op  juridische actie tegen ‘de rovers’ te ondernemen Job.1: 15 òf tegen de verwarringzaaiers, de ruiters Job.1: 17.
Hij aanbidt God, en hij “beveelt God niet met dwaasheidJob.1: 22.
Bekijk zorgvuldig zijn veronderstelling:
Job ziet het leven in de handen van God, zodat alles wat er maar gebeurt van God afkomstig is en eerst dàn kan de mens alles accepteren zoals het plaats vindt.
Dus, Job zegent God in de geest dat “Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neer, van de Vader der lichten, bij  Wie geen verandering is of zweem van ommekeer” Jac.1: 17.

☦️      Er is geen spoor van een berusting in het lot of het toeval met Job.
“Aan de Heer behoort de aarde en haar volheid, 
de gehele wereld,
met allen die erop wonen” Psalm 23: 1.
Inderdaad, de woorden van de Profeet David zijn de woorden:
Alle dingen hebt Gij onderworpen onder Uw voetenPsalm 8: 6.
Job’s goddelijke kijk op het leven en de wereld is tegen elke theorie die willekeur als de alleenheerser van het leven beschouwt;
➽     Dáár wordt niet gesproken over de eerst onder gelijken, daar is geen sprake van manipuleren en onderdrukken van de mens, daar heerst geen hiërarchie in wereldse begrippen.
➥     Dáár is slechts één Heilig, één Heer en dat is God Zelf,  tot Heerlijkheid van God, de Pantocrator Zelf.
Alles wat de mens doet, behoort hij slechts te doen tot meerdere eer en glorie van God.

☦️     Verder, blijkt dat Job in alles de Blijde Boodschap volgt, probeert de Profeet niet elke negatieve gebeurtenis te associëren met een specifieke zonde van zijn eigen persoonlijke leven.
Hij accepteert dat dingen slechte ten kwade gebeuren met goede mensen, omdat
hij impliciet in zichzelf de overtuiging heeft hetgeen de Apostel Paulus expliciet zegt:
de gehele schepping zucht en beeft van pijnRom.8: 22.
We leven na de val, niet in het Paradijs, we leven in het Koninkrijk onder de Hemelen.
Dus Job plaagt zichzelf niet door eindeloos naar anderen te wijzen en zich voor in eigen kring heimelijk af te vragen: “Wat voor onrecht, welke zonde heb ik persoonlijk begaan?” Job.1: 22.
De schoonheid van het hart van Job manifesteert zich als ‘van nature’ wanneer
hij uit deemoed ter aarde neervalt Job.1: 20.
Zoals de heilige Metropoliet van Philadelphia zei over uitputting:
het toont ons een beeld van de val van de mens in zonde en
drukt de belijdenis van onze zondigheid uit
Philokalie.

Slapende apostelen, by michel Ciry

Er ligt ongetwijfeld een grote eenzaamheid in pijn en kwelling opgesloten.
Een muur wordt opgetrokken rond degenen die worden vastgehouden in de klauwen van dit lijden. De Heer heeft dit isolement Zelf in de hof van olijven ervaren, toen hij aan Petrus, die Hij lief had vroeg:
Simon, slaapt gij?
Was het jou niet een uurtje mogelijk
met mij te waken?
Marc.14: 37.
En Job wist, net als de Heer, dat wat hem ook zou overkomen, de hand van God op de gebeurtenissen was.
Hij wist dat God om zijn zaken gaf en hem niet terzijde had geschoven.
De Heer heeft gegeven, de Heer heeft weggenomenJob.1: 21.
Er is geen lijden dat iemand van ons doorstaat van waaruit God een straatje om gaat, want onze God en Verlosser, Jezus Christus Zelf,  heeft als mens van vlees en bloed in Zijn Passie grote pijn en smart ervaren voor onze Redding.

    Ik ben het werk van Uw handen.
Schenk mij Uw Genade volle helpende hand en
geef mij geduld en kracht om alle verdrukkingen
te verduren met onderwerping aan Uw Wil
”.

Dit gebed zuivert ons en de lezing van deze tekst geeft ons onderricht.
Beiden zijn waardevol; wanneer een van beide niet mogelijk is, is bidden te verkiezen boven lezen.
Wie altijd bij God wil zijn, dient veel te bidden en te lezen. Want wanneer wij bidden spreken wij met Go; maar als wij lezen spreekt God tot ons.
De grondslag voor elke vooruitgang is lezen en jezelf overgeven aan de stilte opdat het gesprek met God tot stand kan komen.
Wat wij niet weten, leren wij door te lezen; wat wij geleerd hebben, houden wij vast door het te overwegen.
De lezing van de Heilige Schrift brengt ons dubbel voordeel: want zij vormt het inzicht van ons verstand en haalt de mens weg [onttrekt de mens] aan zijn ijdelheden van de wereld om hem naar de liefde van God te brengen.
Lezing heeft een tweevoudig doel:
1.]. het door bestudering begrijpen van hetgeen er gezegd wordt.
2.]. het nut van hetgeen er verkondigd wordt en de manier waarop dit plaats vindt.
Ieder mens wil immers eerst begrijpen wat hij leest; pas daarna is hij in staat uit te dragen wat hij geleerd heeft.
Een toegewijd lezer en zo ascetisch bent u ‘zeker en vast’, wanneer u deze site regelmatig doorvorst, wil dit vooral door domweg te doen in praktijk te brengen door wàt hij leest en niet alleen om kennis na te streven. Daar heb je dan weer langdurige ascetische oefening voor nodig en dààr hebben de meeste geestelijken geen tijd meer voor.
Want het is minder erg te weten wat je dient te doen, dan het niet te doen als je het weet. Wij lezen immers omdat wij iets willen weten, maar als wij dan het goede dat wij geleerd hebben, kennen, dienen wij dit ook nog in de wreld om ons heen in praktijk te brengen.
Om de zin van de Heilige Schrift te begrijpen dienen wij ons er door veelvuldige lezing mee vertrouwd te geraken. Daarom staat er geschreven:
    Verwijder de goddeloze uit het bijzijn van de Koning, de Heer der Heerscharen, dan zal Zijn Troon steunen op Gerechtigheid . . . . .  Goede en toepasselijke woorden zijn als gouden appelen op zilveren schalen . . . . .  een gezagsdrager laat zich door vriendelijk geduld overtuigen, een vriendelijk woord weet zelfs het hardste hart te vermurwenSpr. 25: 5,11 en 15.
    anders gezegd:
‘  De berispingen van iemand die van u houdt, worden ingegeven door vriendschap; vriendelijkheid van iemand die u haat, komt slechts voort uit bedrog’.

20 juli – de Profeet Elia [-Elias-] en zijn Hemelvaart

De Profeet Elia is een van de grote Profeten van de Christelijke Kerk, vanwege
de diepte van zijn Geloof, hem God’s-wege geschonken en de uitbundigheid waarmee hij dit onder zijn Volk uitgedragen heeft.
In de verkondiging van de Blijde Boodschap wordt hij dan ook dikwijls aangehaald en de kracht, die hij van de Heilige Geest heeft uitgestraald geeft ook in onze tijd nog het gewenste resultaat.
Van de mensen van het Oude Testament is hij misschien de meest geliefde en zijn gedachtenis wordt meer dan welke andere dan ook door de orthodoxe christenen geëerd. Voor alle christenen, in welke staat we ook zijn is de Profeet Elia een voorbeeld.

Hoewel hij geen teksten heeft geschreven, wordt hij altijd geciteerd met woorden van overgave, hij wordt gepresenteerd als een voorbeeld om na te volgen en hij neemt deel aan een van de belangrijkste gebeurtenissen van het Nieuwe Testamen, de Transfiguratie van onze Heer en Verlosser.

Vanaf het eerste boek van het Oude Testament wordt vermeld dat Henoch [Hebr.= ‘toegewijd’] met God wandelde, nadat hij Metuselach [Hebr.=‘man van de pijl’] verwekt had, dat hij niet meer was, want God had hem opgenomen Gen.5: 24.
Elia wist dat wie met de Heer twisten, worden gebroken; over hen dondert Hij in de hemelen. De Heer richt immers de einden der aarde; de Heer geeft sterkte aan die Hem vrezen en verhoogt de hoorn van zijn gezalfde 1Sam.2: 10.

Henoch en Elia zijn de twee gezichten van het Oude Testament, die de fysieke dood niet hebben ervaren, die levend werden opgenomen in de Hemelen, hetgeen impliceert wat de psalmist David aangeeft: “ . . . God zal mijn ziel verlossen uit de macht van de onderwereld, wanneer Hij mij opneemtPsalm 48: 16, God zal ons immers opnemen in Zijn hand.
Elia was een mens, die God aanschouwde, een wonderdoener en een aanhanger van de éne God.

De heilige Elias was afkomstig uit de stam Aäron, uit de stad Tishba, vandoor hij bekend is als ‘de Tishbiet’.
Toen Elias werd geboren, zag zijn vader Sabah [Hebr.=’zeven of een eed’] engelen van God rondom het kind, derhalve wikkelde het [voedde hij het kind op] in met vuur [van de Heilige Geest] en voedde het kind met al wat z’n God-minnende ziel nodig had [met vuur]. Deze beschrijving is een voorafschaduwing van Elias ‘vurige karakter en zijn door God gegeven vurige krachten‘.
Hij bracht zijn hele jeugd door in gebed en God’s aanschouwing, trok zich regelmatig terug in de woestijn om in alle stilte en vrede na te denken en te bidden.
Op één meest kritieke periode in de geschiedenis van het Israëlische volk stuurde  en stuurt God nog steeds ‘werkelijk geïnspireerde‘ leiders om
Zijn volk terug te roepen tot de aanbidding van de Ene Ware God. Wanneer je goed zoekt zul je ze vinden, wanneer je ze ontmoet – weet je het – , voor dàt ogenblik, zet ze dus niet op een voetstuk, anders vallen zij er ‘uit menselijke hoogmoed‘ van af.
Een van de eerste en belangrijkste onder deze Profeten was zoals reeds werd vermeld Elias de Tishbiet [ook wel Elia genoemd] die de Israëlische geschiedenis met dramatische onverwachte omstandigheden heeft overweldigd lees: 1Kon.17.
Hij waardeerde het Geloof in de Éne waarachtige God en voor hem was er geen afwijking van een totale toewijding mogelijk. De naam, die hij bij z’n geboorte meekreeg ‘Elia’ betekent dan ook: ”de Heer is mijn God“.
Een van de iconen van de profeet toont Elias die gevoed wordt gevoed door de raven,  hetgeen aantoont dat zelfs de natuur door de wil van God wordt bestuurd.
De raaf, een roofvogel, wordt door God gekozen om Zijn instrument te zijn.
Gods’ Woord tot Elia luidt: “Je zult van de beek [de Bron van het leven] drinken, en ik heb de raven geboden om je aldaar te voeden
1Kon.17: 4.

Profeten zijn, net als de kerkvaders, in essentie het geschenk van God aan de mensheid omdat zij ons tot het ware Geloof brengen ons, door hun doen en laten, tot voorbeeld zijn in hetgeen wij zelf doen. 
Door hun doen en laten en met name hun wonderbaarlijke daden tonen zij als bevestiging empirisch de aanwezigheid van God onder ons.
Hij heeft geleefd in de regering periode van koning Achab [Hebr.=‘broeder van vader’] en koningin Izebel [Hebr.= ‘prijst Baäl, heult met deze afgod, anders gezegd is onkuis].
Deze vrouw Izebel verafgoodde haar man, maar was tegelijkertijd degene, die de touwtjes in handen had. Zij regeerde in wezen het Israëlische volk in naam van haar echtgenoot die een zwak karakter had; dit heeft geresulteerd in de heidense opvattingen in geheel het koninkrijk van Israël.
Later lezen we bij de profeet Elisa: “   Gij zult het huis van uw heer Achab slaan, opdat Ik het bloed van mijn knechten, de profeten, ja, het bloed van alle knechten des Heren aan Izebel zal wreken. En het gehele huis van Achab zal omkomen; Ik zal van Achab al wat mannelijk is uitroeien, allen in Israël van hoog tot laag; dan zal Ik met het huis van Achab evenzo handelen als met dat van Jerobeam, de zoon van Nebat, en dat van Basa, de zoon van Achia; en Izebel zullen de honden verslinden op de akker te Jizreel, en niemand zal haar begraven 2Kon.9: 7-10.
Het is de aanbidding van de valse god Baäl, terwijl er op hetzelfde moment een [pornografisch] beeld wordt opgebouwd van de valse ‘Astartis’ [moedergodin] in een heilig heidens woud. Overal is immoraliteit en wordt de mens door wereldse aantrekkelijkheden afgeleid; het is zoiets als in onze tijdsperiode.
Men zou kunnen zeggen dat in dit geval de locatie waar je jezelf bevindt overeenkomstig de Heilige Simeon de Nieuwe Theoloog die zegt dat:
“als gevolg van de onwetendheid van God en het daarbij behorende goddelijke opdracht door menselijk optreden de Blijde Boodschap wordt ontkent, zodat
de eer, die slechts aan God toekomt niet aan God wordt geschonken wanneer
de mens door menselijke inbeeldingen met deze intimiderende passie wordt overspeld en deze als alleen zaligmakend gaat vereren”.
Het gevolg is een algeheel spirituele duisternis, welke het Verbond [als een huwelijks verbond] met God verkracht.
In deze situatie verschijnt de profeet Elias, die met een ijverig hard en aandachtige inzet een volledige droogstelling [droogte] beveelt die heeft geleid tot hongersnood in het hele land.
Concreet staat er: “Want de Heer, de Heilige en Sterke, de God van Israël [de Kerk], Die vóór hem aanwezig is, deze jaren zijn losbandigheid en verfoeilijk, dat ik niet spreek voor mijn mond“.
Wie het nieuws volgt en de Bijbel kent, is niet verbaasd over de huidige ontwikkelingen, de wereld speelt op alle fronten met vuur. Een vreeswekkend iets [om met de iets’-sisten te spreken] beveelt niet alleen dat er geen druppel regen meer zal vallen, maar stelt dat het alleen op zijn eigen commando zal regenen. In dit geval geeft de profeet Elias ons de dimensie aan van de ontologische en niet alleen morele dimensie van het Heilige.
‘Dè Heilige’ is een god en is alomvattend een levende en actieve God, ook in onze tijd. Het is door deze bril, deze dimensie dat de profeet Elia handelt om de mensen van zijn tijd te verbinden, helaas werden ze in de overgrote meerderheid geleid tot afgoderij en immoraliteit.

De Heilige Chrysostomus benadrukt eveneens dat de goddelijke voorzienigheid duidelijk aanwezig is gedurende Elia’s leven.
In het begin wordt hij gevoed door raven, na een ontmoeting met een weduwe in de strijdwagen van Sidon geplaatst. Op deze manier zegt de heilige Vader: ‘God toont Zijn Goddelijke Liefde voor het aangezicht van de profeet’.
    Allereerst dient het de aard van het paard en eerst dan de rationele natuur.
Hij herhaald:
Om deze reden gaf God hem [en ons] door de kraaien
de aanzet tot deelname aan het ascetisch leven van monniken;
indien je een huwelijksreis aangaat waar je je op voorbereidt,
is het waarschijnlijker dat de rede overtuigd wordt
”.
    Bovendien stelde de aanwezigheid bij de gratie van Sidon, aldus
Chrysostomos het heiligdom, de eer voor die Christus zou ontvangen
van de wereld en zijn verwerping door de Joden.
Hij zegt: ‘Wanneer de wereld onze Heer en Verlosser gezien zou hebben als een gedeporteerde in plaats van zichzelf, en Hem grote der naties van de wereld zou verwelkomen,  in plaats van overspel te plegen uit bewondering over de Waarheid’.
                Wee u, Chorazin, wee u, Betsaida! Want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as bekeerd hebbenMatth.11: 21.
Dus, in veelvoudige dank aan Sidon, trouwt een weduwe op wonderbaarlijke wijze met haar wezen en trouwt zij zelfs met de doden en een van haar kinderen die zijn gestorven.
    Bovendien wanneer Elia tenslotte op een wonderbaarlijke manier wenst dat het offerhout zal verbranden ter ere van de ware God, drukt hij het trieste besef uit:
Ik ben een profeet van de Allerhoogste”.
Slechts door de tegenstelling aan te geven tot de vierhonderdvijftig profeten van Baäl en de vierhonderd profeten van Astartis, maar uiteindelijk zal de aanwezigheid van de ware God over het kwaad triomferen en spreekt het Mysterie onder de mensen als een objectief gegeven over de aanwezigheid van de ware God.
    Het einde van het aardse leven van Elia is overweldigend.
Zoals bekend is, stierf profeet Elia niet, maar werd hij naar de Hemelen gevoerd.
Immers alle koninkrijken der aarde heeft de Heer, onze God der hemelen, ons gegeven en Hij heeft ons opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda. Wie nu onder u tot enig deel van Zijn Volk behoort, de Heer, uw God, zal met u zijn en Hij zal met u optrekken.

Volgens de kerkvaders is de profeet Elia een voorafbeelding [type] van
Christus, als profeet/rechter is hij hetzelfde als Christus.
Heeft Christus ons misleid? Elia nam op zich.
Aan de wereld werd Christus gezonden, veertig dagen lang werd hij op de troon gezet? Dat deed de profeet Elias ook.
Bovendien was Elia volgens de Heilige Gregorius Palamas een model van verdriet en oefening. In een toespraak over het ‘vasten’ zal hij zeggen:
‘Elia heeft het vasten van het vasten lief gehad’.
Tot slot zegt deze vader van onze orthodoxe kerk, in een toespraak bij het feest van  ‘Transfiguratie’ van onze Heer en Verlosser’:
Mozes en Elia verschijnen als de Heer onder alle mensen die
naast ander zaken het vasten en het gebed, niet
uit plichtsbesef hebben uitgeoefend, maar uit onzelfzuchtigheid
”.

We weten niet wanneer en in welke mate onze Heer ons in dit leven de Genade van rust en stilte zal doen toekomen. We dienen hierom te smeken, Hem te vragen in liefde te mogen leven, zowel tot God als tot onze naasten en dat we wanneer wij omkomen, dat wij omkomen uit Liefde tot Hem, want eerst dan kun je er zeker van zijn dat het God, de Vader goed zal doen.
“ Want niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf; want als wij leven, is het voor de Heer, en als wij sterven, is het voor de Heer. Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn des HerenRom.14: 7,8.
Daarom zijn wij immers verenigd/samengekomen met Christus en is ons leven gezegend, is de dood een Opstanding geworden en zijn alle problemen opgelost. Zijn Genadegaven zijn ons genoeg, het is ons een genoegen met Christus te zijn, in de liefde van Christus, levend en stervend.
Onze hulp kan de Profeet Elia hierbij zijn, een goede beschermheilige in onze geestelijke strijd.

Troparion
tn.4. 
“  Gij dwaalde als een engel in het vlees, als
de grondslag der profeten en de tweede Voorloper van Christus’ komst,
roemrijke Elia.
Gij hebt uit de hoge uw geest gezonden op Eliseos,
gij verjaagt ziekte en melaatsen; en
doet zo genezing opwellen voor allen die u vereren
”.

Kondakion
tn.2.
    Profeet en schouwer van God’s Machtige daden,
vermaarde Elia, die
door uw woord regenwolken gevangen hield,
bid voor ons tot de enig Menslievende
”.

5e Maandag ná Pinksteren – een onhandig mens wordt toch genezen al wordt de dag ontheiligd

Zeer grote uitslaande brand in Hengelose kerk [vorige week maandag, 1 juli 2019]

    En Hij vertrok van die plaats en ging in hun synagoge.
En zie, daar was een mens met een verschrompelde hand.
En zij legden Hem de vraag voor, of het geoorloofd is op de Sabbath te genezen,
teneinde Hem te kunnen aanklagen.
      Maar Hij zei tot hen: ‘ Wie zou er onder u zijn, die een schaap heeft en die, als dit op een Sabbath in een put valt, het niet grijpen zal en eruit trekken?
      Hoeveel gaat niet een mens een schaap te boven?
Derhalve is het geoorloofd op de Sabbath wèl [goed] te doen’.
Toen zei Hij tot die mens:  ‘Strek uw hand uit‘.
En hij strekte haar uit en zij werd weer gezond gelijk de andere
Matth.12: 9-13.

    Want, gelijk wij in een lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, zó zijn wij,  hoewel velen, een lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander.
> Weest blij met degenen, die blij zijn, weent met de wenenden.
Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige. Weest niet eigenwijs. Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen.
Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, ‘Vrede met alle mensen’.
Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want
er staat geschreven: Mij komt de wraak toe,
Ik zal het vergelden, spreekt de Heer.
Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten;
indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want
zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen.
Laat u niet overwinnen door het kwade, maar
overwin het kwade door het goedeRom.12: 4-5,15-21.

    Wanneer gij komt in het land, dat de Heer, uw God, u ten erfdeel
geven zal en gij het in bezit neemt en daarin woont, dàn zult gij van
de eerstelingen van alle vruchten van de bodem, die gij zult inzamelen van het land, dàt
de Heer, uw God, u geven zal, nemen, en in een mand doen en naar de plaats gaan, die
de Heer, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen.
En gekomen bij de priester, die er dan wezen zal, zult gij tot hem zeggen:
       ‘ Ik verklaar heden voor de Heer, uw God, dat ik gekomen ben in het land, waarvan de Heer aan onze vaderen gezworen heeft, dat Hij het ons zou geven.
       Dàn zal de priester de mand van u aannemen en die voor het altaar van de Heer, uw God, zetten.
Daarna zult gij voor het aangezicht van de Heer, uw God, betuigen:
Een zwervende Arameeër
[Hebr.= ‘verhevene’was mijn vader; hij trok met weinige mannen naar 
Egypte en verbleef daar als vreemdeling, maar werd er tot een groot, machtig en talrijk volk.
Toen de Egyptenaren ons mishandelden en verdrukten en ons harde slavenarbeid oplegden, riepen wij tot de Heer, de God van onze vaderen, en  de Heer hoorde onze stem en zag onze ellende, moeite en verdrukking.
Toen leidde ons de Here uit Egypte met een sterke hand, een uitgestrekte arm en grote verschrikking, door tekenen en wonderen; Hij bracht ons naar deze plaats en gaf ons dit land, een land, vloeiende van melk en honing.
En nu, zie, ik breng de eerstelingen van de vrucht van het land, dat
Gij, Heer mij gegeven hebt.
Gij zult ze neerzetten voor het aangezicht van de Heer, uw God;
gij zult u voor het aangezicht van de Heer, uw God, neerbuigen, en
gij zult u verheugen over al het goede dat
de Heer, uw God,  u en uw huis gegeven heeft:
gij, de Leviet
[Hebr.= ‘met wie je je verbonden hebt’] en
de vreemdeling, die in uw midden is
Deut.26: 1-11.

Wat wordt er dus gezegd:
Je mag jouw spelleider, priester en gemeenste ‘zelf’ uitkiezen,
je geeft hem de eerstelingen van de vruchten, die je plukt in het land waar
God je leidt en je zult je verheugen in al datgene wat God jou en je huis schenkt,
jij en je Leviet [met wie je je verbonden hebt] en de inwonende vreemdeling onder jullie.
De geboden welke de profeet Mozes aan het oude God’s-volk meegaf
kunnen ons alleen maar verrijken.
Wij kennen Israël [de Kerk] daarom als een God’s-volk dat
– wàt er ook gebeuren mag – altijd bleef streven naar
de overwinning van het kwaad.
En in dat geval zul je dus elke verzoeking accepteren;
al brandt de gehele kerk waar je gehuisvest bent tot de grond toe af.
Je haalt diep adem, zegt: ‘Heer, ontferm U’ en je begint weer van voor-af-aan met het pionierswerk dat God je opgedragen heeft in dat vreemde Nederland.
Dat is de letterlijke opdracht, want Christus blijkt als Verlosser
een onverbeterlijke middelaar in geval van menselijk onvermogen:
    Jij parochiaan van de AOiN zult de eerstelingen neerzetten
voor het aangezicht van de Heer, jouw God;
jij zult je voor het aangezicht van de Heer, uw God, neerbuigen, en
jij zult je verheugen over al het goede dat  de Heer, uw God, 
jou en jouw huis gegeven heeft: jij, de Leviet en
de vreemdeling, die in uw midden is”.
Het is zoals de heilige Athanasios de Grote aandringt:
de schaduwzijde van het leven heeft zijn vervulling ontvangen
[het is, zoals het is, ga niet bij de pakken neerzitten] een kwestie kan namelijk
in de ogen van God als een voorbeeld zijn gegeven en
hetgeen je van God in je schoot geworpen krijgt dien
je met vreugde te ontvangen, en gaat dus voort en zing een nieuw loflied
conf. de feestelijke oproep in zijn brief [NPNF Second Series, deel 4, blz. 516].
               De Blijde Boodschap spreekt er inderdaad meer dan eens over, dat
God Zijn kinderen kastijdt door hen te beproeven.
We vinden dat bijvoorbeeld in:
⁌  “  Erken dan van harte, dat de Heer, uw God, u vermaant, zoals een man zijn zoon vermaant, en onderhoud de geboden van de Heer, uw God, door in zijn wegen te wandelen en Hem te vrezen. Deut.8: 5,6.
⁌  “ Veracht, mijn zoon, de tuchtiging des Heren niet en keer u niet met weerzin af van zijn bestraffing. Want de Heer bestraft Wie Hij liefheeft, ja, gelijk een vader een zoon, aan wie hij welgevallen heeft” Spr. 3:11,12.
⁌  “ Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Heer, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt. Als tuchtiging hebt gij dit te dragen: God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet getuchtigd wordt? Blijft gij echter vrij van de tuchtiging, welke allen ondergaan hebben, dan zijt gij bastaards, en geen zonen.
> Want zij hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten getuchtigd, maar
de Heer en Verlosser doet het tot ons nut, opdat
wij deel verkrijgen aan Zijn Heiligheid“ Hebr. 12: 6-8, 10 en
⁌  “ Allen, die Ik liefheb, bestraf Ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u. Zie, Ik sta aan uw  deur en Ik klop. Indien iemand naar Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met MijOp. 3:19,20.

Het kastijden heeft ‘opvoedkundige’ waarde; het is positief en corrigerend gericht. Een vader die zijn kind niet corrigeert is immers geen goede vader!
En vervolgens zegt Hij, Die ons lief heeft:
Wanneer we dan naar de Goddelijke Liturgie komen om Christus onze God te vieren,  volgen we de richtlijnen van Mozes in zekere zin, want  wij:
⁌  “ nemen een deel van de eerste van alle producten . . . die
de Heer uw God ons heeft gegevenDeut.26: 2.
⁌  “ De priester [de leviet, ‘met wie wij ons verbonden hebben’]
plaatst het neer voor het altaar van de Heer, onze GodDeut.26: 4 en
“roept de Heer aan’ Deut.26: 2 en
verklaart dat “alles wat de Heer heeft gedaan” Deut.26: 3
goed is en wie weet wat er nog op zal volgen.

⁌  “ Wij verheugen ons in al het goede wat de Heer, onze God, ons doet toekomen
aan ons en aan onze huisgezinnen Deut.26: 11.
⁌  “ 
We verheugen ons om deel uit te maken van  “de Kerk van de ‘levende’ God” 1Tim.3: 5, Die
⁌  Zich aanbiedt, hymnes zingt, zegent en God looft, Die
‘onuitsprekelijk, ondenkbaar, onzichtbaar, onbegrijpelijk, altijd  blijft bestaan en voor eeuwig ‘De en Hetzelfde‘ is.
⁌  
Wij danken voor “de datgene wat Hij voor ons deelt” dat Christus
het waarachtige Licht, de Hemelse Geest, vervulde en dat
wij ons verheugen in het ware Geloof dat we hebben gevonden
door “de onverdeelde Drie-eenheid te aanbidden: want Hij heeft ons gered
uit: Goddelijke Liturgie van de Heilige Johannes Chrysostomos.

Mozes gaf instructies om “de eerste van alle producten” van onze arbeid
te nemen en “het in een mandje stoppen“, en “naar de plaats te gaan”, welke
door God is gezegend voor aanbiddingDeut.26: 2.
Ga naar iemand die priester is” die “die de mand uit je handen zal aannemen en
deze zal plaatsen vóór het altaar van de Heer, uw GodDeut.26: 3-4).
Deze daden zijn een duidelijke voorbode van het offertorium van de goddelijke liturgie. We brengen broden die onszelf en onze arbeid vertegenwoordigen.
Van een van de broden het neemt de priester een deel dat het Lam genoemd wordt en plaatst het op de diskos “ter nagedachtenis aan onze Heer en God en Verlosser, Jezus Christus
Bij de grote intocht wordt deze offerande naar het altaar gedragen en aan God geofferd.
De liturgie dient als het voornaamste middel waarmee de Kerk op aarde Zich met de hemelse gastheren verbindt en een beroep doen op de naam van de Heer Deut.26: 2.

MP3 : “Hemelse Koning trooster Geest der Waarheid [Arab] – ايها الملك السماوي”.
Ja, de Heer heeft dit kinderlijk eeenvoudige voorrecht zelfs tot ons uitgebreid, zodat we het kunnen wagen om Hem aan te roepen, als “de Hemelse Koning”,
in woorden die het gebed van Mozes te boven gaan, het:
Onze Vader, Die in de hemelen zijt, heilig is Uw Naam . . .”.
De gebeden en hymnes van de liturgie spreken van dat wat
‘de Heer onze vaderen heeft gezworen ons te zullen geven’ Deut.26: 3, hetgeen
het aardse vèr te boven gaat.
God de Vader geeft Zijn eniggeboren Zoon aan alle volkeren,
opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar
eeuwig leven heeftJohn.3: 16.
Door het Kruis, de Wederopstanding, de Hemelvaart, en de tweede en glorieuze wederkomst van Christus: de Levengevende Drie-eenheid tilt ons weer op,
brengt ons terug naar de Hemelen;
begiftigd ons . . . met het [Zijn] Koninkrijk, Wat zal komen”.

Logo AOKiN

In onze aanbidding zijn we gezegend met tal van gelegenheden om
ons als OKiN en met al de navolgers van Christus te verheugen
in alles wat goed is, de Heer, onze God ‘ons’ gaf” Deut.26: 11.
Dus, met goede reden zingen we in vervoering:
⁌  “ Wij prijzen U, wij prijzen U, wij aanbidden U, wij verheerlijken U, wij danken U voor Uw grote eer.
O Heer, hemelse Koning, God de Vader Almachtig;
O Heer, de eniggeboren Zoon, Jezus Christus; en de Heilige Geest
Doxology.

⁌  “ Zoon van God, neem mij heden op aan Uw Mystiek Avondmaal;
want Uw vijanden zal ik voorzeker niet over dit Mysterie spreken.
Ik zal U geen kus geven zoals Judas;
maar evenals de Rover belijd ik mijn Geloof in U:
Gedenk mij o Heer, in Uw Koninkrijk.
Moge het deelnemen aan Uw heilige Mysteriën,
mij niet worden tot een oordeel of verderf,
maar tot genezing van mijn ziel en van mijn lichaam
”.
Gebed voorafgaand aan de communie