Zondag van de Verloren Zoon & de les van het genoeg

Blijdschap in het Hemels Koninkrijk over een zondaar, die zich bekeert; Joy in the Kingdom of Heaven about a sinner who repents; Χαρά στη Βασιλεία των Ουρανών για έναν αμαρτωλό που μετανοεί; فرحة في مملكة السّماء عن الخاطئ الذي يتوب.

    Alzo is er, zeg Ik u, blijdschap bij de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert.
En de Heer zei vervolgens:
Iemand had twee zonen.
De jongste van hen zei tot zijn vader:
        ‘ Vader, geef mij het deel van ons vermogen, dat mij toekomt’.
En hij [de vader] verdeelde het bezit onder hen.
En weinige dagen later maakte de jongste zoon alles te gelde en ging op reis naar een ver land, waar hij zijn vermogen verkwistte in een leven van overdaad.
Toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden.
En hij trok er op uit en drong zich op aan een van de burgers van dat land en die zond hem naar het veld om zijn varkens te hoeden.
En hij begeerde zijn buik te vullen met de schillen, die de varkens aten, doch niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot zichzelf en zei:
        ‘Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen:
        Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners’.
En hij stond op en keerde naar zijn vader terug.
En toen hij nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen.
En hij liep hem tegemoet viel hem om de hals en kuste hem.
En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten.
        Maar de vader zeide tot zijn slaven:
Brengt vlug het beste kleed hier en trekt het hem aan en doet hem een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten.
En haalt het gemeste kalf en slacht het, en laten wij een feestmaal hebben, want mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden.
En zij begonnen feest te vieren.
– Zijn oudste zoon was op het land, en toen hij dicht bij huis kwam, hoorde hij muziek en dans.
En hij riep een van de knechten tot zich en vroeg, wat er te doen was.
Deze zei tot hem:
Uw broeder is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel terug heeft.
Maar hij werd boos en wilde niet naar binnen gaan.
Toen kwam zijn vader naar buiten en drong bij hem aan.
Maar hij antwoordde en zeide tot zijn vader:
Zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst en nooit heb ik uw gebod overtreden, maar mij hebt gij nooit een bokje van een geit gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Doch nu die zoon van u gekomen is, die uw bezit heeft opgemaakt met slechte vrouwen, hebt gij voor hem het gemeste kalf laten slachten.
Doch hij [de vader] zei tot hem:
Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is het uwe. Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn, want uw broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden.
Luc.15: 10, 11-32.

    Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is nuttig.
       Alles is mij geoorloofd maar ik zal mij door niets laten knechten.
Het voedsel is voor de maag en de maag voor het voedsel, en God zal zowel het een als het ander teniet doen.
Maar het lichaam is niet voor de ontucht, doch voor de Heer, en de Heer voor het lichaam.
God heeft niet alleen de Heer opgewekt, maar zal ook ons opwekken door Zijn Kracht.
Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn?
Zal ik dan leden van Christus wegnemen om er leden van een ontuchtige van te maken? Volstrekt niet!
Of weet gij niet, dat wie zich aan een ontucht hecht, een lichaam (met haar) is? Want, zegt Hij, die twee zullen tot een vlees zijn.
Maar die zich aan de Here hecht, is een geest (met Hem).
Ontvlucht de ontucht. Elke andere zonde, die een mens doet, gaat buiten zijn eigen lichaam om.
Maar door de ontucht bezondigt men zich aan zijn eigen lichaam.
Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God ontvangen hebt, en dat gij niet van uzelf zijt?
Want gij zijt gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam
1Cor.6: 12-20.

    De heiligen, ons voorgegaan, hebben hier niets verworven, maar
zijn aan ’t einde van hun baan als vreemdeling gestorven.
Maar zij geloofden dat God’s hand die hen tot daar geleid had
in ’t beter, hemels vaderland een stad voor hen bereid had.
Geprezen zij Zijn Naam! Hij deed hen veilig gaan!
Komt, zingen wij tezamen met alle heiligen

Uit: Gezang 103, Liedboek voor de kerken 1973

De Heer maakte me blij door
mij te laten drinken van de beker van het lijden

Hieromartyr Onuphrius (Gagalyuk), † 1938.

De stilte van God vormt gefluister in onze ziel; The silence of God makes whispering in our soul; Η σιωπή του Θεού ψιθυρίζει στην ψυχή μας; صمت الله يهمس في روحنا.

Wij zijn gekocht en betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam.
Wij leven in een chaotische tijd, in een chaotische wereld.
We hebben waarschijnlijk allemaal wel momenten in ons leven gehad waarin
we het allemaal niet meer zo goed konden onderscheiden.
Misschien viel de stroom ‘s nachts thuis uit en onze ogen hadden een tijdje nodig om zich aan te passen na het verlaten van de voorstelling, we waren onze bril kwijt, of
we waren net onderweg van oost naar west, van links of naar rechts, 
hadden geen zicht meer op onze belemmeringen en tekortkomingen en
werden verblind door alles wat de wereld ons wel niet aanbiedt.
Helaas dienen wij te bekennen dat er ook momenten in ons leven zijn geweest waarop we op andere manieren blind waren toen onze acties, woorden en gedachten tegen God’s bedoelingen voor ons leven ingingen.
In feite is het een voortdurende strijd om een duidelijke kijk te krijgen op
hoe onze dagelijkse inspanningen onze ziel beïnvloeden, evenals die van
onze naasten in wie we de Heer ontmoeten.
Afscheid nemen’, dingen achter je laten roept geen gunstig beeld op.
Een verlaten landschap, een verlaten huis, een leeg hoofd, allemaal beelden die iets negatiefs zeggen; ze spreken over een plaats, die verlaten is, slechts een herinnering, waar eenzaamheid ervaren wordt, want alleen jijzelf mist iets, de wereld zal het een zorg zijn.
Verlaten’ betekent ‘zonder inhoud’ of ‘niets bevattend’, met andere woorden er is iets ‘niet’ wat er ‘wèl’ kon zijn. Meestal gaat het om de afwezigheid van iets goeds. Maar soms krijgt de leegte juist een positieve kwalificatie.
Pas als het hoofd tè vol geweest is, kan het een opluchting zijn
wanneer je het eens – met een uitstapje- helemaal leeg kunt maken,
zoals het uitwaaien aan het strand,
dankzij een periode van afwezigheid van externe prikkels.
Leegte kan ook de betekenis van ‘vrijheid’ betekenen,
indien het bijvoorbeeld om een lege agenda gaat,
een periode zònder zwaarwegende verplichtingen.
Maar ook dàn hopen de meeste mensen dat
die leegte, die eenzaamheid ‘niet’ leeg blijft, maar
zich weer vult met aangename, ontspannende zaken.

Alles is mij geoorloofd, maar niet alles is nuttig.
       Alles is mij geoorloofd maar ‘
ik’ zal mij ‘door niets’ laten knechten”.
De grote apostel Paulus herinnert ons er vandaag aan dat wij uit
de duisternis van heidendom en immoraliteit zijn gekomen door
Christus aan te nemen in de doop en het leven van Zijn Lichaam, de Kerk.
In plaats van terug te keren naar de schimmige wegen van de wereld,
roept hij ons op om het Licht [de paas-verlichting] aan te doen,
ons [weer] te bekleden met Christus,
[nadat Christus met het Kruis op de kerkdeur slaat]
de waarheid over jezelf te gaan zien en dienovereenkomstig te leven.
Ontwaakt uit de slaap, sta op uit de dood en Christus zal je Licht geven“.
Het is geen tijd om in een dronken bui te zijn of
op een andere manier in de zelfgenoegzaamheid van de wereld
slechts gesust te worden, maar
in plaats daarvan om alert en gefocust te zijn zodat
we niet terug in de duisternis worden ondergedompeld.

Alle leden van het Lichaam van Christus ontvangen dezelfde Genade,
hetgeen zij nodig hebben om te overleven.
Voor veel mensen heeft deze bekende tekst veel betekenis, zoals
Een offer voor God is een berouwvolle geest; God, Gij versmaadt geen vermorzeld en nederig hartPsalm 50[51]: 19.
En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn Genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid.
Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden ’
nòg méér’ roemen, opdat
de Kracht van Christus over mij zal komen.
Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in schandelijke beledigingen,
noden, vervolgingen, benauwenissen ter wille van Christus, want
als ik zwak ben, dan ben ik machtig
2Cor.12: 9,10.
Christus doet ons toekomen wat wij nodig hebben en dat
is de conclusie van de parabel die Hij ons vandaag voorschotelt.
Laat je niet knechten door de wereld, laat je niet bij de neus nemen door
pracht en praal, door grillige populisten, die met hun strijd om het leiderschap, welke het houvast van het Lichaam van Christus op het spel zetten.
Mits er eensgezind wordt opgetreden bestaat er in de Kerk nog een mogelijkheid om de tegenstrever, die als een briesende leeuw rondgaat, te elimineren.
Daar hebben wij geen mannetjesputters voor nodig, die goed van de tongriem zijn gesneden,
maar de bescheidenheid en eenvoud van een monastiek leven.
Alleen vasten en gebed kan de ontucht, de tegenstrever weerstaan.
Zoals er staat geschreven: “Aan elke mens werd gegeven, wat hij nodig had”.
Hierin zeggen we niet dat er respect dient te worden opgebracht voor individuele personen – God verhoede het – maar onze zwakheden in overweging te nemen.
Laat degene daarom, die er minder behoefte aan heeft God te danken,
niet bedroefd zijn; en hij die steeds maar meer verlangt, zal vernederd worden vanwege zijn zwakheid, en niet trots gemaakt worden door de goedheid die hem getoond is: en zó zullen ‘alle‘ leden van het Lichaam ‘in Vrede’ voortleven.

In oorspronkelijke vorm
Laat vooral het kwaad van de tweedracht zich niet bij het
geringste woord of aanwijzing om welke reden dan ook voordoen.
Indien iemand zich hieraan schuldig maakt, dient dit bekend te worden en
zal er een passende straf op volgen.
Net als in een gezin zijn in een christelijke gemeenschap
geen twee gelovigen hetzelfde en derhalve dient eenieder
gelijkwaardig met het volste respect behandeld te worden.
Hierin dient in navolging van Christus bovenal nederigheid beoefend te worden;
geen mens mag zichzelf immers verheffen boven de ander.

Zwakke eigenschappen
En daarin onderkennen we de zwakheid van het kerkelijk systeem
– de Kerk is immers uit op de verheffing van de individuele mens;
– het enige hoofd van de Kerk is Christus [‘Één is Heilig, Één is Heer’] en
alleen daarom al kan en mag niemand zich [‘tot Heerlijkheid van God de Vader’]
verheffen boven wie dan ook.
Paulus spreekt van: “Er werd mij een steek van mijn vlees gegeven,
een engel van Satan, om me te betasten
”; en hierop volgt:
“Mijn Genade is u genoeg”.

Minder behoeften creëren
Een waarachtig navolger van Christus zal zich tot het uiterste beperken in z’n behoeften,
doet meer met minder – is niet zelfvoorzienend en opgeblazen van trots.
– Trots geeft anderen de schuld; veroorzaakt hardheid, een laatdunkende houding, een onafhankelijke opstelling waarbij men niet open staat voor de hulp die anderen te bieden hebben.
– Trots geeft een eigen fout niet toe en erkent geen persoonlijke verantwoording.
En áls ze dit al doet, praat ze de fout goed en zoekt er nèt zolang een verklaring voor, totdat er geen verdriet of berouw meer over bestaat.
– Trots geeft ons het gevoel dat we ‘geestelijker’ zijn of dichter bij de Heer staan dan anderen.
– Trots brengt een gebiedende, veeleisende geest voort. Dit heeft tot gevolg dat we ons concentreren op hetgeen ‘niet’ voor ons is gedaan, in plaats van op wat ‘wèl’ voor ons is gedaan.
– Trots verlangt naar het verleden of naar de toekomst, maar is nooit tevreden met het heden.
– Trots opent de deur voor een geest die zich niet laat corrigeren of onderwijzen.
– Trots heeft tot gevolg dat ik situaties beoordeel naar wat ze voor mij persoonlijk betekenen in plaats van wat ze betekenen voor God.
– Trots is de wortel van een negatieve houding, veroordeling, kritiek, laster en kwaadsprekerij.
– Trots roddelt, breekt af, brengt schade toe aan iemands reputatie en geniet van berichten over mislukking en zonde.
En dit is allemaal heel confronterend, ten opzichte van mijzelf, maar ook
in de mij omringende Kerk.
Want ik zie het allemaal gebeuren in mijn leven en
dat neem niet weg dat ‘ook ik’ nog steeds veel trots in mijzelf onderken.
De Profeet David zingt immers in een Psalm:
  Heer, mijn hart is niet hoogmoedig; ik heb mijn ogen niet trots opwaarts geslagen.
Ik houd mij niet op met grootse dingen, noch met hetgeen te wonderbaar voor mij is.
Als ik niet nederig gezind was, of zó ik mijn ziel had verheven.
Als een gespeend kind op de schoot van zijn moeder, zó had Gij mijn ziel vergolden.
Doch Israël [de Kerk] dient te vertrouwen op de Heer, van nu af tot in eeuwigheid
”.
Psalm 130[131] vert. ROK ’s-Gravenhage.
Als toezichthouder en spelleider dient ook de Kerk nederig dank te zeggen aan
de God en Vader van onze Heer Jezus Christus Die voorzag in gezondheid, òf energie, òf fysieke kracht, òf intellectueel inzicht, of enig ander geschenk.
De sterksten dienen derhalve alleen al als voorbeeld nederig te zijn.
Wij hebben niet méér van ‘alles’ nodig, meer eten, meer drinken, meer en mooiere onderkomens, rusten, genegenheid, stilte, gesprek, zelfbevestiging, werk of tijd.
Wij dienen daarom alleen om deze reden al zeer nederig te zijn, en gewoon te erkennen dat wijzelf het verloren kind zijn met behoefte aan speciale bekommernis.
Op die wijze zullen wij, altijd en overal, dankbaar zijn, juist de zwakken dienen dankbaar te zijn.
En wie de zwakken zijn dat weten wij maar al te goed.

Nederigheid en dankbaarheid
Eerst nederigheid vervolgens dankbaarheid en op die wijze zullen alle leden
van de christelijke gemeenschap, de Kerk, Vrede met elkaar ondervinden.
Een gemeenschap waar de sterken nederig zijn en de zwakke dankbaar zal als
een Godshuis worden waar onderlinge [naasten-]liefde zal overheersen.
Eenheid en gelijkheid onder broeders en zusters, eerbied voor elkaar en
een grote innerlijke vrijheid van geest.
    Jaagt de Liefde na en streeft naar de Genadegaven van de Heilige Geest,
doch vooral naar het profeteren. Want wie in een tong spreekt, spreekt niet
tot mensen, maar tot God, want niemand verstaat het;
door de Geest spreekt hij/zij geheimenissen.
Maar wie profeteert, spreekt voor de mensen
stichtend, vermanend en bemoedigend
1Cor.14: 1-3.

Genadegaven
Genadegaven zijn namelijk zo groot, zo diep, zo wijds, zo wonderlijk,
zo verrassend, zo tegendraads, zo krachtig, zo veelomvattend!
En dàn gaat het niet eens allereerst om wat Genade nu precies is.
Want het gaat niet zozeer om definities en omschrijvingen,
hoe belangrijk die ook zijn.
Misschien hebt u in uw gedachten ook wel een omschrijving van Genade.
Zoiets als:
– Genade is dat ik niet zelf iets voor mijn zonden behoef op te brengen,
dat heeft onze Heer en Verlosser immers reeds gedaan. Òf:
– Genade is dat onze God en Vader zo eindeloos goed voor ons is. Òf:
– Genade is de onverdiende gunst. Òf:
– Genade is een onvoldoende verdienen en toch nog een beloning krijgen.
En dat is allemaal ook wel waar en goed gezegd, maar nogmaals:
het gaat er niet om wat we in onze gedachten allemaal niet weten over Genade,
het gaat erom of we de Genade van God in ‘hart en ziel’ ervaren.

Meer geld maakt mensen niet gelukkiger
Maakt geld, een weelderig bestaan door macht en invloed gelukkig?
Over deze vraag wordt al gepraat zolang mensen bestaan.
Sommige mensen, vooral rijken, zeggen dat geld niet gelukkig maakt.
Geluk zit in andere dingen, zoals liefde en vriendschap.
Andere mensen beweren dat geld een beetje bijdraagt aan geluk, maar
dat het boven een bepaalde mate van welvaart niets meer toevoegt.
Ook denken de meesten dat het winnen van een loterij niet gelukkig maakt;
nou ja, hoogstens voor heel even.
Maar kloppen al die ideeën wel? Is de rol van macht geld ècht zó onbeduidend?
Of is het vooral heel geruststellend om te denken dat geld een bescheiden rol speelt,
terwijl het eigenlijk wel degelijk belangrijk is voor geluk?
Zijn rijke landen gelukkiger dan arme landen?

Waarom worden we aangetrokken door geld?
Maakt materialisme ongelukkig?
Is de hoogte van je salaris belangrijk?
Waaraan moet je je geld uitgeven om [‘nòg’] gelukkiger te worden?
Dat geld gelukkig kan maken, is een gedachte die steeds meer geaccepteerd wordt.
De grote vraag is alleen: hoeveel inkomen heb je daarvoor nodig?
Wie maandelijks netto 2500 euro te besteden heeft,
is nèt iets gelukkiger dan iemand met een inkomen van 2000 euro.
1000 euro erbij maakt nòg gelukkiger. Maar aan deze groei zit een plafond.
Het ideale maandinkomen blijkt namelijk 4000-4500 euro netto te zijn: Boven dat bedrag word je niet gelukkiger van het geld.
Sterker nog: iemand die 6000 euro te besteden heeft, voelt zich ongeveer nèt zo gelukkig als iemand die maandelijks 2500 euro binnenkrijgt.
Rijke mensen zijn vooral ‘minder’ tevreden over hun vriendschappen, hun werk en hun inkomen.

De vroeg-christelijke Kerk werd door het afwijzen van/aan
‘het steeds méér’ door een heilige ijver naar God geroerd;
de navolgers van Christus verlieten de wereld en lieten bijna al
hun bezittingen over aan de armen of aan een gemeenschappelijke schatkist en
daarna gingen ze vervolgens een ‘seculier’ leven leiden,
door te bidden en de Blijde Boodschap na te vorsen.
Ze woonden meestal niet vèr van hun eigen familie.
Door handwerk te doen, verdienden ze wat ze nodig hadden voor hun basisbehoeften.
Ze verdeelden het kleine geld dat overbleef aan de armen.
Deze mensen werden in navolging van Christus, de apostelen en profeten ”asceten” genoemd. Deze manier van leven ontwikkelde zich zelfs nog meer gedurende de volgende jaren en
vanuit deze manier van leven werd het monastieke leven geboren.
Vrouwen die uit zichzelf wilden en zich volledig aan God wensten te wijden,
beleden eerder, getuigen dat ze een leven van maagdelijkheid verlangden en
daarna leefden zij – in het begin – nog met hun ouders, die
zorgden voor hun levensonderhoud.
Later werd het gebruikelijk dat ook zij als maagden gingen samenwonen.

De vroeg-christelijke opvolgers van de Apostelen droegen geen dure kleding.
Uit de geschriften van de Heilige Basilios de Grote blijkt dat het nut van kleding slechts is
om ons lichaam te beschermen tegen de kou in de winter en tegen de hitte in de zomer.
     Wat is het verschil voor iemand die verstandig is in
     het hebben van lange gewaden met een vloeiende sleep of
     om dwaze en onnodige kleding te dragen die
     niets doen om je warm te houden in de winter en
     om je te beschermen tegen de hitte in de zomer?

Want kleding die van fijne zijde is en uit andere dure materialen gemaakt worden, is een ijdelheid die voortkomt uit onwerkelijke fantasieën en
misleidende verlangens van het hart.

erosie en vergankelijkheid van het menselijk bestaan; erosion and impermanence of human existence; τη διάβρωση και την εξώθηση της ανθρώπινης ύπαρξης; تآكل وعدم ثبات الوجود البشري.

Met andere woorden, zo’n ijdelheid is een schaduw, rook,
stof dat in de lucht wordt gegooid en verwaaid, die
rond dwarrelt en tenslotte door de mot afgebroken wordt.
De Profeet Solomon ervoer aanvankelijk het gebruik van
dure kleding maar veroordeelde dit later.
Wij zijn het allemaal met hem eens toen hij schreef over
dat ze een ‘ijdelheid zijn van ijdelheden’ zijn en een opzettelijke keuze van iemands geest.          Maar wat is deze keuze tot zo’n geest?
De Heilige Gregorios de Theoloog beschouwde het als
      een verlangen van een simpele ziel die irrationeel is en
      een verleiding van de mens, misschien afgeleid
      vanwege een oude
[heidense] gewoonte”.
Is het kenmerkend voor een verstandig persoon om zo’n ijdelheid te volgen?
Dient deze zichzelf ooit toe te staan om de schaduwzijde van z’n dromen te zoeken?
Nee, alsjeblieft accepteer dit niet te doen.
Misschien zul je betogen dat de druk van je jeugd je dwingt om dit te doen.
Maar wat is de jeugd?
Salomo wijst ons opnieuw op het gegeven dat:
      Al wat komt is ijdelheid.
      Verheug u, o jongeling, in uw [pubertijd] jeugd, en
      uw hart zij vrolijk in uw jongelingsjaren;
      ja, volg de lust van uw hart en wat uw ogen aanschouwen, maar
      weet, dat God u om al deze dingen in het gericht zal doen komen.
      Weer dus het verdriet uit uw hart en houd de kwalen weg van uw lichaam,
      want jeugd en jonkheid zijn ijdelheid
Prediker 11: 9,10.
Daarom houdt de éne ijdelheid van de àndere ijdelheid, maar
nooit vanwege voorzichtigheid en om de juiste reden.
Misschien zult u zeggen dat het de taak van een bisschop is
om u dure kleren te laten dragen.
Welnu!  Kijk eens naar die bisschoppen uit vroeger tijden.
Bekijk de eenvoudige gewaden van Basilios en Gregorios de Grote.
Bovendien reisden deze gezegende mannetjesputters ‘te voet en alleen’ over grote afstanden.
Ze maakten geen gebruik van voertuigen voortbewogen met mercedes-paardenkracht van grote waarde, die rijkelijk opgetuigd waren.
Zij konden zònder enige begeleiding van [dienaren, ja-zeggers] vele personen die
een processie aanvoerden en hen [slechts] in hun gedrag nastreefden.
Men kan aan deze ijdele fantasie zien dat het hebben van dure kleding
geen substantieel element is, maar eerder
een destructief gevolg voor het ambt van toezichthouder.
Tot dit soort navolgers van Christus zegt de vader in de parabel:
       Kind, wordt niet boos en boos blijf bij ons,
     wees blij en verheugt over de zondaar, die zich bekeert want
     jij bent onafgebroken bij mij gebleven en al ‘Mijn Genadegaven’
     heb ik je doen toekomen.
     Wij dienen daarom feest te vieren en vrolijk te zijn, want
     jouw naaste hier was dood en is weer levend geworden,
     hij/zij was verloren en is gevonden
”.

Apolytikion
tn.4.
  Spoed U tot mij en open Uw Vaderlijke armen; mijn leven heb ik verprutst.
Doch zie slechts op de onuitputtelijke rijkdom van Uw barmhartigheid, o Verlosser, veracht niet mijn hongerend hart.
want vol berouw roep ik tot U:
ik heb gezondigd, Vader, tegen de Hemel en tegen U
”.

Kondakion
tn.3.
  Vol onbezonnenheid heb ik Uw Vaderlijke heerlijkheid weggeworpen,
en met zondaars heb ik de mij door U geschonken rijkdommen verkwist.
Daarom roep ik tot U het woord van de Verloren Zoon:
tegen U heb ik gezondigd, barmhartige Vader,
neem mij aan nu ik boete doe en
maak mij tot een van Uw loondienaren
”.

Orthodoxie & de Wereldwijd opkomende chaos

    Doch jullie, ziet [toch] toe op uzelf.
Zij zullen u overleveren aan gerechtshoven, en in synagogen zult jullie gegeseld worden en voor stadhouders en koningen zullen jullie gesteld worden om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen.
       En aan alle volkeren dient eerst het Evangelie gepredikt te worden.
       En wanneer zij jullie wegvoeren om jullie over te leveren, weest dan niet van tevoren bezorgd wat je zeggen moet, maar zegt wat je in die ure gegeven wordt; want jullie zijn het niet, die spreken, maar de Heilige Geest.
       En een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen.
       En gij zult door allen gehaat worden omwille van Mijn Naam.
Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden
Marc.13: 9-13.

    Dit dienen jullie vooral te weten, dat geen Profetie van de Heilige Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is Profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van God’s-wege gesproken.
Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen, zelfs de Heerser, die hen gekocht 
heeft, verloochenende en een schielijk verderf over zichzelf brengend.
       En velen zullen hun losbandigheden navolgen, zodat door hun schuld de weg der waarheid gelasterd zal worden; en zij zullen uit hebzucht met verzonnen redeneringen u als koopwaar behandelen; maar het oordeel houdt zich reeds lang met hen bezig en hun verderf sluimert niet.
       Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren; en de wereld van de voortijd niet gespaard heeft, maar Noach, de prediker der gerechtigheid, met zeven anderen bewaard heeft, toen Hij de zondvloed over de wereld der goddelozen bracht; en de steden Sodom en Gomorra tot as verbrand, tot omkering gedoemd en ten voorbeeld gesteld heeft voor hen, die goddeloos zouden leven, maar de rechtvaardige Lot, die zwaar te lijden had onder de losbandige wandel dier zedelozen, heeft behouden
➻ want deze rechtvaardige heeft, onder hen wonende, dag aan dag zijn rechtvaardige ziel 
gekweld door het zien en horen van hun tegen alle wet ingaande werken
➻ dan weet de Heer de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen en de onrechtvaardigen te bewaren om hen op de dag van het oordeel te straffen
2Petr.1: 20,21; 2: 1-9, lezingen maandag 18 febr. 2019.

De schijnwereld, die wij om ons heen opgebouwd hebben en waar wij allen deel van uitmaken, hoe hier van los te komen?
      Hoor dan, Israël [Kerk] en onderhoud naarstig al God’s inzettingen en geboden, opdat het u wèl zal gaan, en opdat jullie zeer talrijk zal worden, zoals de Heer, de God van uw vaderen, u heeft toegezegd, in een land, vloeiende van melk en honig.
       Hoor, Israël [Kerk]: ‘de Heer is onze God; de Heer is een!’.
Gij zult de Heer, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij neerligt en wanneer gij opstaatDeut.6: 3-7.

Zo innig heeft onze Heer, Jezus Christus gebeden met de woorden van de Psalmen:

Christus, slechts in Hem behoud je de rust en de vrede

    De Heer is mijn Licht en mijn Heiland, wie zou ik vrezen?; de Heer beschermt mijn Leven, voor wie zou ik nog angst hebben? Al komen boosdoeners op mij af om mijn vlees te verslinden, mijn vijanden, die mij verdrukken worden zwak en komen ten valPsalm 26[27]: 1,2 en
Red mij, Heer, er is geen heilige meer: de Waarheid wordt zeldzaam onder de kinderen der mensen.
Ieder spreekt leugen tegen zijn naaste, hun lippen zijn vals; zij spreken kwaad in hun hart.
Laat de Heer alle bedrieglijke lippen verdelgen en de groot sprekende tong.
Die zeggen. Wij zullen onze tong verheffen, onze lippen behoren ons toe,
wie is Heer over ons ?
Maar nu sta Ik op, zegt de Heer; om de nood van de armen, om
het zuchten van de lijdenden.
Ik zal hen in veiligheid brengen, Ik zal vrijmoedig met hen spreken.
De woorden des Heren zijn vlekkeloos:
zilver, in vuur gegloeid, in aarde beproefd, zevenvoudig gelouterd.
Gij, o Heer, bewaar en behoed ons tegen dit geslacht, tot in alle eeuwigheid.
De goddelozen omringen ons, maar in Uw verhevenheid
slaat Gij acht op de kinderen der mensen

Psalm 11[12] vert. ROK ’s-Gravenhage

De Blijde Boodschap verhaalt ons van een klein Volk, dat bedreigd werd door vreemde legioenen.
En de verleider/tegenstrever zei:
• – Jullie zijn ‘een braaf en vreedzaam Volk‘, dat God’s gunst geniet, dat zelfs de stenen broden worden, geef maar toe, geef maar toe en jullie zullen zien, dat de stenen broden worden -.
  En dat kleine Volk luisterde naar die verleidelijke stem — – — en kreeg het goed, het kwam tot welstand, de stenen werden werkelijk brood.
Maar onze Heer en Verlosser, Zoon van de levende God zei: “ Er staat geschreven:
Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle Woord, dat God’s mond uitgaatMatth.4: 4.
  En dat kleine Volk leefde — – — en toch leefde het eigenlijk niet. Er was genoeg, ja, overvloedig brood en ook God’s Woord was er in ruime mate aanwezig; en men at zich oververzadigd dik aan het brood, maar liet God’s Woord onaangeroerd staan. Daarom ging en gaat de ziel dood, je zou er ont-moedigd van worden.
  Want juist dáár ligt het grote verschil: tussen hen die aan het brood alleen geloven en hen, die tegelijkertijd aan het Woord van God geloven. De Zoon van de levende God weet de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen.
• We leven echter in een wereld, die tegen zichzelf verdeeld is. Daar ontmoeten wij de overheersing door boze geesten, zodat de kreten van de lijdenden en verminkten en het zwijgen van de doden jaren lang naar de Hemel opstijgen. Telkenmale wordt daarop gepropageerd: ‘nooit meer oorlog!’ – ‘nooit meer onenigheid‘ – ‘nooit meer onrecht‘.
En toen de onreine geest/ de verleider, de tegenstrever naar zijn huis terugkeerde, vond hij het geveegd en op orde. Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, nog bozer dan hijzelf, en zij komen binnen en wonen daar en het wordt in die wereld tenslotte nog erger dan aan het begin.
  En vervolgens zeggen de afvalligen: daar zie je dus het faillissement van het Christendom. En het enige wat je dan kunt zeggen: “Wàt heb je er zelf aan gedaan om dat faillissement te voorkomen?”.
  Het Christendom is ‘niet‘ failliet gegaan, omdat het immers nog helemaal ‘niet‘ tot stand is gebracht. De God van de Christenen is immers geen heerser met onbeperkte macht, geen dictator. Hij voert het Christendom niet met geweld in, legt Zijn Volk geen voldongen feiten op.

Geduld – uithoudingsvermogen; Patience – endurance; υπομονή – αντοχή.

We merken maar al te vaak dat we dienen te wachten. We wachten op mensen, vliegtuigen, eten en antwoorden op onze gebeden. We wachten op bijna alles. Maar we wachten niet altijd geduldig.
Wachten is overal in de Blijde Boodschap een gewoon woord, maar ‘geduld‘, dat kom je minder vaak tegen.
Dàt is nu juist het Mysterie van ons Geloof;
Dàt is nu juist het ongerijmde en essentiële van het Christelijk Geloof,
Dàt het Woord vlees werd, zoals
Johannes de Theoloog het uitdrukt:
    Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen.
Doch allen, die Hem [werkelijk] hebben aangenomen, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen van God te worden, hun, die in Zijn Naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van een mens, doch uit God zijn geborenJohn.1: 10-13.
En de grote Apostel zegt daarover:
    Laat die gezindheid [ook] bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, Die, in de Gestalte van God zijnde, het aan God gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is.
En in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood van het KruisPhil.2: 5-8.

Christus staat aan de deur en klopt

                                      Christendom, dat is de Almachtige God, Die tot de zwakke mens komt, Die aan de deur van ons hart klopt en hem vraagt: ‘Wilt jij Mij ontvangen?
En wanneer de mens zich afwendt, kan de Almachtige daar niets tegen doen. Dat is de ergerlijke immorele dwaasheid, die het Christendom de diepte-levenswijsheid noemt.
En juist daarom zijn wij Christenen de Joden een ergernis en voor de Grieken een dwaasheid.

En ondanks alle ellende hebben we nog steeds niets geleerd; God is telkenmale tegemoet gekomen om de westerse mens Zijn diensten aan te bieden.
Hebben wij daarop God in dienst genomen en Hem tot het hoogst nastrevenswaardig verheven?
Ja, wij hebben kerken gebouwd en hebben de spelleiders een salaris gegeven, bepaalde Christelijke nominatie’s in sommige landen werden zelfs van staatssubsidie voorzien. Maar dat alles is allemaal wèl beschouwd zo onbelangrijk als het maar zijn kan.
Het is alsof je een knechtje in dienst neemt, maar hem niet op jouw boerderij toelaat. Wat voor zin heeft het om hem in ‘Zijn Dienst’ te negenen Hem z’n loon te betalen, indien Hij rustig thuis mag blijven bij Zijn Vader [en Moeder], en niet bij je op de binnenplaats mag komen om dáár nog wat uit te richten? Neen, eigenwijs als wij mensen zij – willen wij het allemaal ‘zelf’ en alleen doen.
Dáár hebben we de gevolgen van de zonden van de toezichthouders:
⁌  Zij mengen zich onder de groten der aarde, wensen gevleid te worden en bemind door het rond omstaande volk.
⁌  Zij bevestigen hiermee het bestaan van de wereld, geven zich over aan de geest van de leugen en het bedrog.
➻  Indien zij hun leer der waarschijnlijkheid niet vaarwel zeggen, zijn hun goede stelregels evenmin heilig als hun slechte, want zij zijn ‘gegrond‘ op het menselijk gezag; en als zij dus rechtvaardiger zijn, zullen zij ‘redelijker‘ wezen, maar niet ‘heiliger‘, niet ‘spiritueler‘.
Wanneer hetgeen u verkondigd wordt, niet dient om u voor te lichten, zal het dienstig zijn voor het steeds kleiner wordend Volk. En als deze zwijgen zullen de stenen spreken. Het zwijgen is de grote vervolging: ‘nimmer hebben Profeten, Martelaren en Heiligen gezwegen‘.
Het is waar dat er een roeping nodig is, dàt wordt echt niet ontkend, maar van de besluiten van de hogere niveaus behoeft men niet te vernemen òf men geroepen is, maar alleen van de noodzakelijkheid om ‘te spreken‘, ‘de Waarheid te verkondigen‘.
En alleen omdat de hogere heren gesproken hebben en men denkt, dat het de waarheid veroordeeld heeft nadat ‘zij’ het geschreven hebben; en dat de heilige boeken die het tegenovergestelde gezegd hebben, in de ban zijn gedaan, dient men des te luider te roepen, naar de mate men des te onrechtvaardiger is veroordeeld, en naarmate men des te geweldiger het Woord wil onderdrukken, totdat er een ‘waarachtige‘ Oppertoezichthouder [‘onze Heer en Verlosser’] komt, Die de beide partijen hoort en Die de oudheid raadpleegt om Goddelijke Recht te doen. De goede oppertoezichthouders zullen de Kerk dan vervolgens in grote chaos vinden.

Maar we blijven allemaal zo graag in onze veilige ‘comfort zone‘ zitten; het zijn onze vastgeroeste patronen, te grote of te kleine ego’s, schaamte en/of de angst voor verwijten en afkeuring, die deze faal-paradox in stand houden.

Ik vreesde dat ik slecht had geschreven, daar ik mij veroordeeld zag, ja zelfs bedreigd, doch het voorbeeld van vrome geschriften en de Oecumenische Pan-Orthodoxe congressen doen mij het tegendeel geloven.
God heeft geen behoefte aan religieuze woorden, Hij verlangt in nederigheid aangeboden liefdevolle daden.
Het is niet meer geoorloofd te schrijven als iemand, die oprecht z’n weg zoekt, zo bedorven of onwetend zijn zij, bereid door ‘indringende aanwezigheid’ het ‘eigen’ standpunt dóór te drukken, te verkondigen en de Waarheid te vertroebelen.
Weet wèl dat dit soort toezichthouders door de hogere leiding zijn gerekruteerd, om slechts, de éénzijdige waarheid te verkondigen; het éne standpunt wordt gefinancierd door een westerse mogendheid de ander door de opponent. Doch het Volk zal het een zorg zijn òf het autofecaal door een oppertoezichthouder of toezichthouder bestuurd wordt of niet, Christus is immers “Één en Heilig tot Heerlijkheid van God de Vader” – Hij is het hoofd van de Kerk.
       Ik vrees daarom ‘niets meer‘, want Geloof is de enige vaste grond van de dingen die men hoopt en ik geloof in Christus.
  Laten de nederigen die de Heer gehoorzamen, Hem daarom om redding smeken. Wees nederig en rechtvaardig. Misschien zal de Heer jullie dàn op die dag sparenSefanja 2: 3.
Het is immers beter aan God dan aan de mensen te gehoorzamen;
  Wie zal u kwaad doen, als jij jezelf beijvert voor het goede?1Petr.3: 13;
  Indien de rechtvaardige ternauwernood behouden wordt, waar zal dan de goddeloze en zondaar verschijnen? Laten derhalve ook zij, die naar de Wil van God lijden, hun zielen aan de getrouwe Schepper overgeven, steeds het goede doende1Petr.4: 18,19.
        Ergens oprecht in geloven gebeurt niet zomaar; daar dient iemand op gewezen te worden, mee opgevoed te worden òf iemand dient zelf – in alle vrijheid – op zoek te gaan naar  de troost die het Geloof een mens kan bieden.
Wat iemand wèl of niet gelooft, daar is hij nog altijd vrij in en
==>> – ‘God’ zal een oprecht zoeker altijd op de goede weg leiden.

Geloof heeft dus te maken met twee eeuwige, onzichtbare realiteiten: ‘God Zelf en Zijn Woord’. De Blijde Boodschap is dan ook altijd uitsluitend gericht op deze twee werkelijkheden: “God en Zijn Woord”.
In gewone spreek­taal gebruiken we het woord geloof natuurlijk ook in ander verband. We hebben het bijvoorbeeld over ‘geloven wat er in de krant staat’ òf ‘geloof hebben in een medicijn’, of het geloof in de een of andere politieke leider.
Maar op die manier wordt het woord ‘Geloof’ in de Jood’s, Christelijke religie niet gebruikt.
In de Blijde Boodschap heeft Geloof uitsluitend en alleen betrekking op twee realiteiten die we niet met onze natuurlijke ogen kunnen zien: ‘allereerst op God, en ten tweede op Gods Woord’.
Laat je derhalve je Geloof -‘voortleven’- vanuit die Waarheid en laat je door niemand beperken tot de zichtbare dingen, de buitenkant. 

Wanneer je iemand in vertrouwen nadert, ontdooit deze, ontplooit hij/zij zich. Hoop en vertrouwen liggen immers dicht bij elkaar. Veel mensen hebben het vertrouwen en de hoop verloren en zijn daarom depressief, ze voelen zich compleet ontmoedigd. Dat is de ziekte van onze tijd en dat los je niet op door congressen en ingewikkelde Cypriotische bijeenkomsten te organiseren.
Het blijkt dat er tòch geen overeenstemming is te verkrijgen, de neuzen staan niet meer dezelfde kant op, de Waarheid wordt vertroebeld.
De enige, die daar toe in staat is is onze Heer en Verlosser en dat zal waarschijnlijk tot het einde der tijden duren.
Wat wèl gebeurt wanneer je in deze chaos zit en dat ervaren de gewone mensen; dat is dat God je hoe dan ook een knipoog geeft, als een glimlach vanuit Zijn Koninkrijk. Maar daarvoor is er veel vertrouwen nodig, vertrouwen in jezelf, in de ander en in Die geheel Andere!
In deze tijd van een ‘over’-aanbod aan keuze is Trouw aan Zijn Koninkrijk een moedige daad teneinde te overleven.
–    “     God laat Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft. Hij heeft uit een enkele het gehele menselijke 
geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van onsHand.17: 25-27.
–    “     Wij dienen te roemen in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt, en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop; en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de Liefde van Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons gegeven is, zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen is gestorvenRom.5: 3-6.

Begin van het Triodion – Zondag van de Tollenaar & Farizeeër – waarom onszelf zuiveren wanneer alleen God kan vergeven?

    Onze Heer en Verlosser sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen verachtten, deze gelijkenis:
       Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de een was een Farizeeër de ander een tollenaar.
       De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf:
‘   O God, ik dank U, dat ik niet zo ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al 
mijn inkomsten’.
       De tollenaar stond van verre en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst en zeide:
‘  O God, wees mij, zondaar, genadig! ‘
Ik [de Zoon van de levende God] zeg u:
Deze keerde, in tegenstelling met de ander, gerechtvaardigd naar huis terug.
Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden
Luc.18: 9-14.

    Jullie [navolgers van Christus] daarentegen hebt volle aandacht geschonken aan mijn onderricht, wijze van doen, bedoeling, Geloof, Lankmoedigheid,[toegevendheid, zonder boos te worden] Liefde, Volharding, Vervolgingen en Lijden, zoals mij getroffen hebben te Antiochië [= ‘tegenstrever, niet van de wereld’] , te Iconium [Hebr.= ‘verkleind beeld’] en te Lystra [Hebr.= ‘vrijkopen’].
       Al die vervolgingen heb ik doorstaan en de Heer heeft mij uit alle gered. Trouwens, allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden. Maar [echt] slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger komen; zij verleiden en worden verleid.
       Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wel bewust van wie gij het hebt geleerd, en dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het Geloof in Christus Jezus2Tim.3: 10-15.

Byzantijnse kelk, een instrument van Liefde. Echter wat wij zaaien oogsten wij het liefst ook-zèlf nietwaar?

Al in een eerder stadium hebben we moeten onderkennen dat onze Heer en Verlosser ons niet zal reinigen met Zijn bloed; maar dat de nadruk van Zijn Pedagogie ligt in het onderkennen dat wij , Zijn navolgers, het zijn die gereinigd dienen te worden met Zijn bloed door Zijn geboden te gehoorzamen.
Hoe kunnen we gereinigd worden door het bloed van onze Heer en Verlosser door slechts Hem te gehoorzamen wanneer alleen God kan vergeven?
Om op dit begrip vat te krijgen, dienen wij inzicht te krijgen hoe ‘God, als mens‘ deze termen heeft verwoord.

In de gelijkenis van vandaag wordt gesproken over twee mannen die naar de tempel kwamen om vergeving van misstappen te vragen.
               Sla acht op hoe de dikdoener, degene, die het zo goed met zichzelf getroffen heeft, de Farizeeër zijn gebed formuleert:
Ook al doet hij voorkomen dat ‘hij’ niet is als de afpersers, de onrechtvaardigen, de echtbrekers, of als die tollenaar, zijn hart is onrein, want die stroomt over van trots. Hij heeft het helemaal gemaakt, hij voldoet – in de ogen van de mensen – aan alle voorwaarden en juist daarom wordt  geen van zijn zonden vergeven omdat zijn hart op religieuze gronden ‘onrein’ is.
               Wanneer u vervolgens naar de belastinginner kijkt, erkent deze niet alleen zijn zonden, maar schaamt hij zich ook voor zichzelf over zijn zonden – wat betekent dat het een beslissing is van oprecht berouw teneinde het niet nog een keer te doen. Zijn hart was niet vervuld van trots of begeerte naar hebzucht of iets anders dan eerder nederigheid om zichzelf van binnen schoon te maken. Vandaar dat àl zijn zonden hem zijn vergeven.

               Daarom, zèlfs indien we ons bekeren, kunnen we niet worden vergeven tenzij wij ons innerlijk ‘vanuit het hart’ hebben gereinigd.
We zijn deze nuance, dit kleine verschil, al eerder tegengekomen bij de andere schrijvers van de Blijde Boodschap, Christus houdt immers niet òp ons -elk moment van de dag- te onderwijzen.
Reiniging van het hart: “     Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, jullie huichelaars, want gij reinigt de buitenzijde van de beker en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid. Jij blinde Farizeeër, reinig eerst de inhoud van de beker; dan zal hij ook van buiten rein wordenMatth. 23: 25-26.

  • Openbaring van het Geloof:    Geliefden, nu zijn wij [door de doop] kinderen van God en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; [maar] wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een ieder, die deze Hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is1John.3: 2-3.
    Het verschil zit hem dus in de wijze waarop je naar het Koninkrijk van God kijkt; God zoekt mensen, die naar zijn hart zijn, die verlangen en bereid zijn ‘Zijn weg’ te gaan.  Reiniging is niet als het komen voor God met een nederig hart voor berouw en dan alle ongerechtigheid heimelijk toch doen, wanneer niemand er weet van of zicht op heeft.
    Gehoorzaamheid aan God’s Geboden is onvoorwaardelijk, ook als niemand het ziet:
        Doch gij hebt enkele personen te Sardes [Hebr.= sardis (Robijnkleur) de door ijzeroxyde ontstane  bruin-achtige rode (Christus)kleur, zie icoon], die hun klederen niet hebben bezoedeld, en zij zullen met Mij in witte klederen wandelen, omdat zij het waardig zijn. Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek van het Leven, maar Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelenOpenb.3: 4-5.
  • Bekleed zijn met Christus: In de Paasweek en bij doopfeesten zingen wij:
        Gij allen die in Christus zijn gedoopt, gij hebt u bekleed met Christus”.
    Dat wil zeggen dat wij in woord en daad nastreven ‘als Christus’ [‘Christusdragend’] te willen zijn.
    Dat is geen schijngestalte, maar dat is het gevolg van het luisteren naar het Woord:
        Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is lichtMatth.11: 28-29.

Voor veel Navolgers van Christus, die zijn gedoopt, maar slecht zijn onderwezen, verwijst het Bloed van het Lam / het bloed van onze Heer en Zaligmaker naar een ‘magische bloedbank’ die uit het Lichaam van Christus [de Kerk] in Het Koninkrijk der Hemelen wordt afgetapt en op commando regelmatig wordt geledigd om hen te reinigen.

verblijf houden aan de Open Zijde van Christus; abiding by the Open Side of Christ.

              Zij negeren hierbij de waarachtige Goddelijke betekenis hiervan volledig,
hetgeen volledig onze ‘eigen’ kleinmenselijke ‘verantwoordelijkheid’ is.
              Christus noemt mensen blind, die blinden leiden en wanneer een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een diepe put vallen, met andere woorden er zijn vele Theologen, die niet vatten waar het hier wèrkelijk om gaat:
    dingen/zaken, die uit de mond komen, komen uit het hart en verontreinigen een mens . Want uit het hart komen voort boze gedachten, moord en overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenis, lastering”            In een gereinigde of onbesmette ‘staat’ zijn is zó belangrijk dat het falen om onze zuiverheid te behouden ons zèlfs ‘het eeuwige léven‘ kan kosten.
Wie niet met hart en ziel God bemint, dat wil zeggen niet doordrongen is van het begrip, dat je navolger van Christus bent of je ‘Leven’ ervan af hangt, zàl niet gereinigd worden.
Dit wil niet zeggen dat wij Christenen allemaal ‘heilige boontjes’ zijn.
Neen, wij steven naar het voldoen aan het beeld wat God ons heeft voorgehouden en wij vallen net als anderen, de niet gelovigen – net als die Tollenaar – keer op keer – en onderkennen dat wij in dit streven slechts mensen zijn, want niemand is goed genoeg: “ Niemand is goed dan God alleenLuc.18: 19, Marc.10: 18. En Onze Heer en Verlosser zegt dit wanneer Hij ons eraan herinnert dat wij en de dag nog het uur van ons einde kennen. In Zijn compassie met de mens blijft Christus zondaars aandacht geven zonder enige vooringenomenheid; Hij blijkt als Verlosser een onverbeterlijke middelaar te zijn tussen God en de mensen in geval van menselijk onvermogen. 

Het Koninkrijk der Hemelen is een fijn land, maar we dienen wèl te beseffen wàt we er eigenlijk doen. Menselijk gezien blijkt het een land dat in allerlei clubjes verdeeld is, waarbij iedereen zowel letterlijk als figuurlijk voor eigen parochie lijkt te prediken. Binnen die clubjes is iedereen verenigt, waant iedereen zich veilig en tegelijkertijd worden anderen -‘nèt zó’- gemakkelijk buiten gesloten.
We mogen echter van onze Heer ‘houden’ van ons -‘niet perfect zijn’ – als we maar blijven streven naar het allerhoogste. En wanneer je dàt stelt – dat je dìt alles hebt onderhouden – kijkt Hij je liefdevol aan en zegt:
Eén ding ontbreekt je: ga verkopen wat je bezit en geef het aan de armen, daarmee zult je een schat bezitten in de Hemelen en kom dan terug en volg Mij”.
Wij Orthodoxen herkennen maar al te goed wie voor deze ascetische manier van leven hebben gekozen – die niet ontsteld geraken en ontdaan heengaan omdat zij vele goederen bezitten.  Maar al zijn wij ook ondergedompeld in de tijd van nu
als vissen in het water, toch kunnen we met God’s hulp worden als forellen
die tegen de stroming in op zoek blijven gaan naar de Bron des Levens.              

‘Open voor mij de deur van bekering, o Leven-Schenker’; ‘Open the door of repentance for me, o Life-Giver’

                       Onze Heer en Verlosser verkondigt een omkering van normen en waarden: God’s Koninkrijk wordt niet opgebouwd op de voorwaarde van menselijke bekering en gehoorzaamheid, maar omgekeerd: God’s Hemels Koninkrijk ‘begint’ met de handreiking van Zijn onvoorwaardelijke Liefde en Ontferming, ‘en op grond daarvan’ mogen mensen de vrijheid en de kracht vinden zich te bekeren en een nieuw leven te beginnen.
                       Ook in dàt leven zul je telkens weer fouten maken en tekort schieten in het Licht van God’s geboden. Maar je kunt altijd weer terugvallen op het fundament van Zijn eerste onvoorwaardelijke ja-woord, dat Hij niet pas geeft wanneer jij een volmaakt en een volledig aan God toegewijd mens bent geworden. Deze logischerwijze in overeenstemming met dit principe volgende benadering vanuit God’s Liefde en Genadegaven brengt de Pedagogie van onze ‘Heer en Meester’ tot  grote vrijheid tegenover de Wet èn tot een radicale vereenvoudiging daarvan.
                       Alles begint bij God’s Liefde, hetgeen betekent dat heel de Oud-Testamentische Wet en alles wat daar láter nog van is afgeleid, dient te worden terugvertaald naar de Liefde.
Daarom noemt onze Heer en Zaligmaker het dubbelgebod van Liefde tot God en de naaste als het enige waar ‘alles‘ om draait. conf. Matth.22: 34-40.
Je kunt niet zeggen dat Christus zich principieel opstelt tègen het Oude Testament, maar Hij trekt de uitleg wèl naar één vanaf den beginne bepaalde kant.
Voor Hem kàn volledige vervulling van de Thora niet de voorwaarde zijn voor de komst van God’s Koninkrijk.
Wij mensen kunnen aan die voorwaarde niet voldoen en zullen er alleen maar op stuklopen.
Hetzelfde is het geval met de Oecumenische eenheid, welke nagestreefd wordt, deze is eerst bereikbaar en zal net als het Koninkrijk God’s pas komen als
God eerst Zèlf [weder-]komt met Zijn onvoorwaardelijke Liefde, als eerst Zijn ja-woord ons hart raakt, zodat wij bevrijd van angst en onmacht durven beginnen aan een nieuwe levensweg.
In alle oprechtheid zie ik de diversiteit van allerlei divers verdeelde clubjes, waarbij iedereen zowel letterlijk als figuurlijk voor eigen parochie blijkt te prediken, niet tot een eenheid komen. Denk alleen maar aan al die toezichthouders, die -‘voor elkaar’- niet durven en onder willen doen.
Wanneer onze Heer en Verlosser zegt dat het Koninkrijk van God ‘nabij’ is gekomen, betekent dit aan de ene kant, dat het er nog niet is in Zijn volle Gestalte.
God’s volledige Heerschappij over ons leven wordt op korte termijn verwacht, maar iedereen kan zien, dat de zonde en onrecht nu nog de boventoon voeren.
Aan de ander kant betekent het nabij zijn van het Koninkrijk ook, dat
het nu al – in ons bewustzijn – doorbreekt.
Onze Heer en Verlosser is daarvan, de voorloper, het eerste en grote teken.
Alles wat Hij zegt en doet, Zijn parabels, de verhalen, die Hij ons voorhoudt,
de veranderingen die Hij daarmee veroorzaakt in de levens van mensen,
ze zijn allemaal voortekenen van het Koninkrijk der Hemelen dat doorbreekt bij Zijn Volk.
In de verkondiging van de Blijde Boodschap blijkt duidelijk, dat onze Heer – “ de enige is, die Heilig is, de enige, die Heer is tot Heerlijkheid van God de Vader ” – en dat Hij met Zijn oprechte ná-volgelingen ‘leeft’ in de verachting dat
de definitieve doorbraak van God’s Koninkrijk op korte termijn zal plaatsvinden. conf. Marc.9: 1.

Na het ‘Grote en Heilige Pascha’ is vanaf de eerste Christenen tot – hier en nu – aan toe de Verwachting levend gebleven dat wij mensen de volledige doorbraak van God’s Koninkrijk nog zullen meemaken.
Of dit in de Geest of in het vlees zal zijn, dat maakt God wel uit, en daarom blijven wij iedere zondag opnieuw de Opstanding’s Apolytikion/Troparion zingen.
Het tijd’s-stip van Zijn Wederkomst, is zelfs niet bekend aan de Engelen of aan de Zoon, dat kent alleen de Vader. conf. Marc.13: 32 en Hand.1: 7.
Het Hemels Koninkrijk breekt echter al dóór met Kracht [dynamis], Het is al onder ons en in ons, zo houdt Christus ons voor, Die Zelf het eerste grote teken is van dàt Koninkrijk.
Gaandeweg dienen wij tot het besef te komen dat wij met onze Heer zullen ervaren, dat in dit tranendal onder de mensen, de eerste de beste tekenen van God’s Koninkrijk veel argwaan en verzet oproepen. Vijandigheid die zich steeds meer gaat richten tegen de persoon en ons tenslotte aan het Kruis zullen brengen.
Onze Heer en Verlosser bleef tot de laatste snik toe in alle nederigheid het volle Koninkrijk verwachten. Hierdoor kwam en komt nog meer nadruk te liggen op Zijn inzicht, dat God’s Koninkrijk niet zal komen langs de weg van geweld of uiterlijke verandering.
Van meet af aan heeft onze Heer geweigerd om te fungeren als een belangrijk persoon, die opvalt door puur ‘matsjo’-gedrag en goudhaantjes-gedoe, die leiding zou geven aan een totale omslag van de mensheid. Telkenmale heeft Hij Zich onttrokken aan pogingen van het enthousiaste Volk om Hem tot Koning uit te roepen.
Onze Heer en Verlosser trad op vanuit het diepe besef, dat het Hemels Koninkrijk alleen van binnenuit kan worden opgebouwd, vanuit een innerlijke relatie, vanuit het hart met God, de Vader.
Indien God de Vader het Koninkrijk met een gewelddadig optreden/oordeel zou dienen op te zetten, dan bleven er niet veel burgers over voor dàt Koninkrijk, want  wie overleeft dàn het Laatste Oordeel?
God vestigt eerst àl Zijn Hoop en Verwachting op Zijn Zoon; Hij kiest in alle Liefde voor een persoonlijke en kwetsbare relatie, zodat
mensen de best mogelijke kans krijgen tot inzicht te komen en in alle vrijheid te kiezen voor Zijn Koninkrijk.
Anders gezegd: Christus is als Zoon van God mens geworden opdat wij persoonlijker, menselijker – goddelijker zouden worden.
Het laatste Oordeel en geweld kunnen nodig zijn als laatste [red-]middel, maar
of ze nu van God komen of van mensen, ze brengen absoluut geen Verzoening teweeg. Ze kunnen nodig zijn om mensen en hun onderlinge relaties te beschermen tegen ander geweld, maar ze brengen zelf absoluut geen relaties tot stand.
Laat derhalve varen de hoogmoedige grootspraak van de Farizeeër, maar
volg de grootheid van de deemoed na van de Tollenaar.
Het zijn de kleine dingen die het doen, het is de eenvoud van het leven, die overwint.

Apolytikion
tn.5.
    Komt laat ons bezingen en aanbidden
het met de Vader en de Geest mede-eeuwige Woord,
dat om ons te verlossen uit de Mand geboren is.
Want Hij heeft het op Zich genomen
Zijn Lichaam aan het Kruis te laten slaan en de dood te verduren,
om door Zijn Opstanding de doden op te wekken
”.

Kondakion
tn.4.
  “  Laat ons vluchten de hoogmoedige grootspraak van de Farizeeër,
maar navolgen de grootheid van de deemoed van de Tollenaar.
En laat ons rouwmoedig roepen tot de Verlosser:
Wees Gij ons genadig, Die alleen de Verzoening wilt
”.

Kondakion2
tn.3.
    Laat os zondaars, de Heer opdragen
het zuchten van de Tollenaar en
voor Christus neervallen,
want Hij is onze Meester.
Hij wil de Verlossing van alle mensen, en
schenkt vergiffenis aan allen die boete doen.
Want terwille van ons is Hij vlees geworden, terwijl Hij God is:
zonder begin, evenals de Vader
”.

Orthodoxie & Gerechtvaardigde verdeling van beschikbare middelen

Belasting betalen aan de Keizer; Paying tax to Ceasar;

    En zij zonden tot Hem enige van de Farizeeën en van de Herodianen om Hem in een strikvraag te vangen. En zij kwamen en zeiden tot Hem:
Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt en dat Gij U aan niemand stoort; want Gij ziet de mensen niet naar de ogen, maar Gij leert de weg Gods in Waarheid. Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Zullen wij betalen of niet betalen?
     Maar Hij, wetende, dat zij huichelden, zei tot hen:
Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een schelling, en laat Ik die zien.
En zij brachten er een. En Hij zei tot hen:
Wiens beeldenaar en opschrift is dit? Zij zeiden tot Hem: Van de keizer.
     Jezus zei tot hen:
Geeft dan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.
En zij verwonderden 
zich zeer over HemMarc.12: 13-17.

  Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat jullie in Zijn voetstappen zouden treden;
– Die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden;
– Die, als Hij gescholden werd, niet heeft terug gescholden en
– Die als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt;
– Die Zelf onze zonden in Zijn Lichaam op het hout gebracht heeft,
opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de Gerechtigheid zouden leven; en door Zijn striemen zijn jullie genezen.
Want jullie waren dwalende als schapen, maar thans hebben jullie je bekeerd tot de herder en hoeder van uw zielen.
Evenzo gij, vrouwen, weest uw mannen onderdanig, opdat, ook indien sommigen aan het woord niet gehoorzaam zijn, zij door de wandel van hun vrouwen zonder woorden gewonnen worden, doordat zij uw reine en godvrezende wandel opmerken.
Uw sieraad zij niet uitwendig: het vlechten van haar, het omhangen van goud of het dragen van gewaden, maar de verborgen mens uws harten, met de onvergankelijke [tooi] van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is in het oog van God. Want aldus tooiden zich ook weleer de heilige vrouwen, die hoopten op God, onderdanig aan haar mannen, zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem heer noemde; en haar dochters zijt gij, als gij goed doet en u geen schrik laat aanjagen.
Desgelijks gij, mannen, leeft verstandig met uw vrouwen, als met brozer vaatwerk, en bewijst haar eer, daar zij ook mede-erfgenamen zijn van de Genade[gaven] van het leven, opdat uw gebeden niet belemmerd worden.
            Ten slotte, weest allen eensgezind, medelijdend, hebt de broeders lief, weest barmhartig en ootmoedig, en vergeldt geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegent integendeel, wijl gij hiertoe geroepen zijt, dat gij zegen zoudt beërven”. 1Petr.2: 21b-25,3:1-9.

Ik weet niet hoe het met jullie, medechristenen gesteld is, maar
ik heb er nog al moeite mee:
– ” Hoe onrechtvaardig is het niet in de wereld verdeeld ” -.
Met mate genieten is een van de waarden, die bij onze Heer hoog in het vaandel staat; je zult Hem nergens in de blijde Boodschap van kunnen betichten dat
Hij Zich op de een of ander manier vergaloppeert, Z’n boekje te buiten gaat.
Het lijden wat hiermee gepaard gaat kwam ook gisteren al aan de orde, bij ‘het brood voor de honden en de Canaänitische Vrouw’.  Zij leed in de beslotenheid van haar bestaan en dat levert haar de buitengewone schoonheid van haar Geloof op.
Zelfs bij Zijn tegenstanders is het van onze Heer en Verlosser bekend dat
Hij Zich aan niemand stoort; want Hij ziet de mensen niet naar de ogen, maar
Hij leert de weg tot God in Waarheid.

Hij laat ons als het Ware weten, dat het geld, de middelen en de overmaat toekomt aan de wereldse machthebbers en onder ons gezegd zou je kunnen redeneren dat Hij zegt: “ Laat ze er maar in verzwelgen, ze komen zichzelf wel tegen” – Hij zegt dat uiteraard niet, want dat zou de Zoon van God onwaardig zijn. Temidden van alle verschillen tracht God met Zijn Blijde Boodschap hier een weg in te vinden, houdt Zich op de vlakte.
Christus heeft voor ons geleden en heeft ons een voorbeeld achtergelaten.
⁌ Die geen zonde gedaan heeft en in Wiens mond geen bedrog is gevonden;
⁌ Die, als Hij gescholden werd, niet heeft terug gescholden en
⁌ Die als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt;
⁌ Die Zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft,
opdat – ‘wij’-, aan de zonden afgestorven, slechts voor Gerechtigheid zouden leven; en door Zijn striemen zijn genezen.
Wij waren als dwalende als schapen, maar nu wordt verwacht dat wij nu wij ons tot Hem als herder en hoeder hebben gekeerd acht slaan op de redding van onze zielen.

De weg tot God is zo blijkt dat wij God’s Wil volbrengen en ons daarbij onthouden van al wat Hem zou verontrusten.
Het gaat daarbij om dat:
⁌ men met openheid en eerlijkheid het verste komt.
⁌ men indien men ergens van beticht wordt niet meteen van zich begint af te slaan.
⁌ men in stilte verder lijdt en zich overgeeft aan degenen die ons rechtvaardig behandelen.
M.a.w. de deugd staat centraal en dat klinkt wat ‘Orthodox’ in de zin van ouderwets, maar het is heel uitdagend om ná te gaan denken over de vraag hoe je als christen leeft.
Vier klassieke deugden komen aan de orde:
‘Wijsheid’, ‘Matigheid’, ‘Moed’ en ‘Rechtvaardigheid’.
Opvallend is dat dit vier deugden zijn waarvan iedereen [ook niet christenen]
meent dat ze de moeite waard zijn ná te streven en ook zó te handelen.
Ware Liefde tot de medemens kent immers geen eigenbelang.  

Bij voortduring maken wij in ons concrete leven hierin uitstapjes,
we wijken àf van de Christelijke norm, zijn de godganselijke dag mateloos.
Waarin ben jij mateloos?
De een noemde het kopen van kleding, de ander lekker eten en weer een ander is mateloos in het verkeer [te hard rijden dus].

Genieten – hoe doe je dat dan?

  • Men is al eeuwen bezig om ‘goed’ en waarachtig te leven.
    Hoe kun je nu genieten van het leven?  Is daar een formule voor?
    De eerste gedachte is altijd om er maar – zo veel mogelijk – van te genieten.
    Je past de wereld aan jouw wensen aan, maar God heeft kennelijk gewild dat alle mensen verschillende zijn en in dàt geval loop je tegen elkaar op.
    Het vraagt van ons als gelovigen dat wij naar elkaar luisteren en elkaar niet confronteren, já, – zelfs – manipuleren met enkel onze eigen wensen.
    Genieten en je eigen zin doordrukken houdt een keer op.
    Zelfs meerdere malen met vakantie gaan; alleen maar genieten – zo veel mogelijk genieten breekt je op een gegeven moment op – ‘op een gegeven moment ga je maar naar huis, want dàn begint het je te vervelen’.
  • De tweede gedachte is om àf te zien van alles wat je maar aangeboden wordt.
    Dat kan op verschillende manieren, de grondgedachte daarbij is dat je je wensen omlaag schroeft. De wereld is nu eenmaal gebroken.Het is een kunst om het juiste midden te vinden.
  • Ook voor een Christen. Christenen zijn ook beïnvloed door de cultuur waar zij deel van uitmaken. Hoe vaak willen we in ons christelijke wereldje imiteren wat seculiere activiteiten bieden: de kick, de lol.

    Brood voor de Honden” –  Jeremia 33: 3

    Christelijk leven is leren genieten van het goede dat God geeft te midden van het rauwe bestaan. Dat lijkt een moeilijk te bereiken evenwicht, maar het is steeds maar weer op twee benen lopen.

    Wijsheid
    ;
    Kracht en wijsheid, jong en oud, het lijken elkaars tegenstellingen.
    Maar je kunt het ook zien als aanvulling op elkaar.
    Ouderen hebben de kracht van jonge mensen nodig, jongeren de levenswijsheid van ouderen, Wat jong en oud van elkaar kunnen leren is een steeds terugkeren thema in het boek Spreuken.

Matigheid;
Velen hebben zich dood gegeten, maar wie matig is, leeft des te langer” aldus een bekend gegeven uit het boek ‘Jezus Sirach’.

Moed;
    Zelfs al ga ik midden in de schaduw van de dood, dan vrees ik geen kwaad, want Gij, Heer, zijt met mij”, want Eer komt de God en Vader van onze Heer Jezus Christus toe, de Vader van alle Barmhartigheid en de God van vertroosting van eenieder, Die ons troost in al onze druk, zodat wij hen, die in allerlei druk zijn, kunnen troosten met de troost, waarmee wijzelf door God vertroost worden.

Rechtvaardigheid
:
Van God’s kant is Verzoening tot stand gebracht in die zin, Dat Hij het fundament van Zijn Genade gelegd heeft, waarop wij ons leven kunnen beginnen.
Om met de Apostel Paulus te spreken: Voor God zijn wij Gerechtvaardigd, een rechtvaardiging van Godswege op grond waarvan wij onbetwistbaar recht van bestaan hebben, hoe erg we ook gezondigd hebben. Kruis en Opstanding van onze Heer en Verlosser betekenen niet dat de verzoening al zo tot stand is gekomen, dat er van onze kant niets meer behoeft te gebeuren.
Onze Heer heeft de eerste en beslissende stap gezet, daar valt niets van af te dingen en Hij zal ons die onvoorwaardelijke handreiking telkens weer doen.

Maar vervolgens komt het er op aan of wij mensen – hoog en laag, oud en jong, rijk of arm – afscheid durven te nemen van datgene wat ons afhoudt Zijn Evenbeeld te vormen, zodat de relatie met God – ‘en andere mensen’ – hersteld kan worden.
Gods Liefde en Genade gaan voorop en scheppen slechts de ruimte en veiligheid voor bekering.
Wanneer bekering/ ommekeer tot stand komt heeft ‘God’s Verzoening’ haar doel bereikt.

Neem dus afscheid van de wereld,
d.w.z neemt afscheid van de hoogmoed, van
de aan jezelf persoonlijk toegemeten privileges.
Sta je in aanzien van het gehele volk
– laat je dàn de minste wezen en
buig voor datgene
wat God wèrkelijk van je vraagt.
Daarom Heer, zal ons gebed een loflied zijn
dat met een eindeloos refrein
in ons zingt:
Heer, Jezus Christus, Zoon van de levende God, heb medelijden met mij, zondaar.

37e zondag na Pinksteren – het brood voor de honden en de Canaänitische Vrouw

    En Jezus ging vandaar en trok Zich terug naar de omgeving van Tyrus en Sidon.

de Canaänitische, de Syro-Fenicische Vrouw, by Lentz

En zie, een Canaänitische vrouw uit dat gebied kwam en riep:
‘ Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David, mijn
[kind] dochter is deerlijk bezeten.
Hij echter antwoordde haar met geen woord, en Zijn discipelen kwamen bij Hem en vroegen Hem, zeggend:     Zend haar weg, want zij roept ons na’.
Hij [,onze Heer en Verlosser] echter antwoordde en zei: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël [de Kerk].
Maar zij kwam en viel voor Hem neer en zei:
    Heer, help mij!’
Hij echter antwoordde en zei:
    Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen’.  
Maar zij zei [daarop]:
‘ Zeker, Heer ook de honden eten immers van de kruimels, die van de tafel van hun 
meesters vallen’.
Toen antwoordde Jezus en zei tot haar:
O, vrouw, groot is uw Geloof, u geschiede gelijk gij wenst!
En haar dochter was genezen van dat ogenblik af” 
Matth.15: 21-28.

 

Het hart is verhard, waar het had moeten kloppen voor de Heer, levenloos en koud; The heart is hardened, where it should have knocked for the Lord, lifeless and cold; Η καρδιά είναι σκληρή, όπου θα έπρεπε να χτυπήσει για τον Κύριο, άψυχο και κρύο; القلب صلب ، حيث كان يجب أن يطرق للرب ، بلا حياة وبارد.

    Wij toch zijn de Tempel van de levende God, gelijk God gesproken heeft:
    Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn Volk zijn. Daarom gaat weg uit hun midden, en scheidt u af, [zo] spreekt de Heer, en houdt niet vast aan het onreine.
En Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, [zo] zegt de Heer, de Almachtige.
Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling van het vlees en van de geest en zo onze heiligheid volmaken in de vreze tot God’

2Cor.6: 16b-18, 7: 1

Komt volkeren van alle tijden
Deze zondag is een bijzondere zondag, want deze sluit een periode af en
wanneer dat zo is dan worden de puntjes nog eens op de ‘i‘ gezet;
de essentie komt aan de orde, want wij gaan aanstaande zondag
een periode van bezinning in, de periode van de vóór-vasten.

Onze Heer en Verlosser trekt zich terug naar de omgeving van Tyros en Sidon:
Tyros [Hebr.= ‘benauwen’] en Sidon [Hebr.= ‘jacht, gejaagd’]; wanneer Christus zich terugtrekt betekent dat dat hij de stilte opzoekt om er te bidden, Zich te bezinnen, te spreken met God, de Vader.

Masterplan ROK Saint Nicholas, Amsterdam by Hadrian Hart

Onlangs was er een [PKN-] catechesegroep, welke een orthodoxe gemeenschap bezocht en de vraag werd gesteld, ‘hoe ‘zien’ jullie God, wat voor voorstelling hebben jullie daarbij‘.
Een dag later liep ik aan het strand in Zandvoort aan zee en zag daar de horizon – en werd overvallen door een gevoel van nietigheid ten opzichte van al de schoonheid, die ons omringt.
Wij nietige mensen kunnen ons geen voorstelling maken van ‘God’, kunnen Hem niet bevatten, niet omschrijven.
Wat we wel weten is dat God immens ‘Groot’ is, onnoemlijk ‘Groot; en ‘Sterk’; en ‘On-sterf-lijk’. Ook de profeet Mozes was zich hiervan bewust en trachtte Hem te ‘vatten’, doch mocht Hem slechts ervaren als een windvlaag, die voorbij kwam.

Christus, onze Heer en God.

Meer is ons bekend geworden doordat God Zijn Zoon zond, Die Hem openbaarde, een tipje van het ‘Mysterie’ oplichtte.
Daardoor weten wij dat dat wij ‘God’ als een ‘Vader’ mogen ervaren en als zodanig met Hem in gesprek mogen gaan; Christus heeft ons dat geleerd in het gebed: ‘Het Onze Vader’.
Via Christus weten wij dat wij een toekomstig ‘Hemels Koninkrijk’ mogen verwachten,
dat wij in godsnaam ‘God’s Naam dienen te heiligen, door datgene te doen wat Hij van ons, Zijn kinderen verwacht.
Dit betekent dat wij ‘Zijn Wil’ vervullen, zoals dat ook in Zijn Koninkrijk in de Hemelen plaats vindt. Als een ‘Barmhartige’ Vader zorgt Hij voor ons en vergeeft onze kinderlijke ongerechtigheden.
Hij is geen God, Die onrecht wil, maar dat wij onze misstappen onder ogen zien en proberen te voorkomen.

Wat ons vandaag wordt voorgehouden is dat Christus bewust is van het feit dat
⁌  ook Hij Zich bevindt in een wereld, welke de mens benauwt,
⁌  doordat de mens opgejaagd wordt door alles wat er om hem heen plaatsvindt,
⁌  zich uiteindelijk in de stilte van het hart, In de Tempel van de Levende God terugtrekt en met God, de Vader in gesprek gaat, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.
Christus leert ons bidden – tot het immens ‘Grote’, tot Hetgeen wij onmogelijk kunnen bevatten, tot ‘God’, als tot een Vader, Die Zich in de Hemelen bevindt, het immens goddelijke, goede en  schone.

De periode van de zondagen ná Pinksteren wordt vandaag afgesloten en
wij mensen mogen met Christus onder de mensen wonen en met Hem, als goddelijke zoon wandelen en Hij zal ons als Zoon van God tot God zijn, want
met de Heilige Geest vormt Hij een Drie-eenheid; Vader, Zoon en Heilige Geest.
Zij zijn gedrieë-lijk onlos-makelijk [in een liefdesband] met elkaar verbonden. Wandelen wij met de Zoon, dan wandelen wij met de Vader en de Heilige Geest; wonen/verblijven wij in God, dan wonen/verblijven wij zowel in de Zoon als de Heilige Geest. 

U weet Pinksteren is de nederdaling van de Heilige Geest, dankzij en door
de Heilige Geest ervaren wij ná de Hemelvaart de ons toegezegde Heiligheid van God, Die al vanaf den beginne over de wateren zweefde.
Vandaag worden de puntjes op de ‘i‘ gezet, wordt er antwoord gegeven op de kardinale vraag, de schijnbare onoplosbare moeilijkheid, de essentie komt aan de orde.

De criteria die de mens gewoonlijk gebruikt om zich van hun medemensen te onderscheiden is in goed en kwaad, in vrome mensen en zondaars; wij zijn van nature naar buiten gericht, hetgeen betrekking heeft op datgene wat zich om ons heen wordt voorgehouden, door mensen wordt gemanifesteerd en die zich in handelingen aan ons voor-doen.
Maar in het diepste van ons hart, onze innerlijke Tempel komen we een goddelijke kern tegen, die ons in de schepping is meegegeven.
       Wij mensen kunnen iemand bij het minste of geringste als zondig veroordelen
bij God werkt dat zó niet, God heeft de tijd , Die wacht en is ontzettend geduldig.
       God wacht op de reactie van de ziel, die onophoudelijk een onmerkbare strijd voert tot
  de super-overwinning van het zelf op zichzelf en
daarmee het kwaad een plaats geeft als ongehoord, als niet acceptabel.
Het is verwonderlijk dat de mens zichzelf in onze tijd stelt als het middelpunt van het bestaan;  sterker nog het is een dwaasheid naar God’s Wil,
de grenzen van het onbetamelijke via wereldse grootsheid ná te streven en God tèrzijde te schuiven.
Wie de ijdelheid van de wereld niet ziet is op zichzelf al heel ijdel.
Wie ziet haar dan ook niet, behalve de jong volwassenen, die in de drukte van het uitgaan, in het vermaken en in hun gedachten over de toekomst leven?
Maar wanneer de nood aan de man komt gaan zij massaal de straat op voor een betere toekomst, voor ‘hun‘ klimaat.
Ontneem hen de door de wereld aangeboden versrooiing en je zult zien hoe zij van verveling zullen wegkwijnen; zij zullen zonder meer op het punt komen dat zij hun nietigheid ervaren [hun betekenis] zonder die te kennen; want men is wel héél ongelukkig als men zich dadelijk onverdraaglijk droefgeestig voelt, zodra men gedwongen wordt aan zichzelf te denken, zonder dat ook maar iets je daar van àf leidt.
In àlles dient rust en bezinning gezocht te worden.
Het beheersen van eigen ‘tijd en stilte‘ zijn de grootste luxe van vandaag.
De zelfreflectie levert in onze toestand het werkelijk ‘gelukkig’ worden,
dan zouden wij geen afleiding behoeven te zoeken voor onze gedachten,
om dat ‘geluk’ te ervaren.
De werkelijkheid van het leven is dat wij -‘up’s’ en down’s- ervaren en
dat ná regen zonneschijn komt, dat dàt normaal is in de menselijke natuur.
De wereld houdt de mens echter een schijnwereld voor en wanneer daaraan niet voldaan wordt roepen we allerlei specialisten in teneinde dàt te bewerkstelligen
– maar ‘specialisten’ zijn ‘God’ niet.

Het blijkt dat wanneer de wereld van ‘God’ lòs is,
dat mensen en met name kinderen verloren raken, het spoor bijster zijn.
De ‘specialisten’ hakken de mens is stukjes, de mens raakt zijn identiteit kwijt
– we worden aangesproken als ‘beste reizigers’ etc, want dames en heren kan in deze tijd niet meer.
Persoonlijk onderscheid is uit den boze, algehele globalisering, alle neuzen dezelfde kant op – produceren, teneinde te consumeren.
Het gevolg is de vraag, die alom gesteld wordt: . . . . . . . . . . . is iedereen blij? 
Soms zorgt de Heilige Geest ervoor dat wij het waarachtige Geloof tegenkomen,
daar waar we het het minst zouden verwachten.
Het is vandaag een Canaänistisch [Hebr.= ‘ijveraar’] vrouw, de Syro-Fenicische [in Marcus] die de Heer aanriep om Genade.
Uit zo’n iemand, die zich inspant dat iets tot stand komt volgt een smeekbede waar een ‘groot’ Geloof geopenbaard wordt alsof deze vrouw in Bethanië [Hebr.= ‘huis van ellende’] of Jeruzalem [Hebr.= ‘maak dubbele vrede’] had gewoond.
Tyrus en Sidon waren kuststeden, niet alleen vèr buiten de Palestijns-Joodse gemeenschap, maar ook historische centra van het Fenicische maritiem-imperium, een legendarische tegenstander van Israël [zie bijvoorbeeld Ezechiël 26-28], hoewel nu onderdeel van het door oorlog getroffen Syrië.
Deze genezingen van een vrouw en haar kind zijn dus ontzettend verrassend.
Maar wanneer we lezen dat zij in het landsdeel van Tyrus en Sidon woonde, mag haar bede ons terecht verbazen. 
Want wij zouden hiervan dienen te leren dat de mens door Genadegaven tot het Geloof wordt gebracht en niet door de plaats waar – ‘deze of gene’ – z’n woonplaats heeft gezocht.

Beproevingen
Beproevingen kunnen soms een zegen blijken te zijn voor de ziel.
De Caänanitische/ Syro-Fenicische vrouw werd ongetwijfeld zwaar beproefd.
Zij had moeten aanzien hoe haar geliefd kind ‘van de duivel bezeten‘ was,
zonder haar te kunnen helpen.
Hoe vaak komt dit in onze tijd niet voor dat ouders niet weten waar zij het moeten zoeken, wanneer een kind verslaafd is geraakt aan ik weet niet wat.
Maar toch bracht dìt verdriet haar tot onze Heer en Verlosser en leerde dit haar te bidden.
Zonder deze moeilijkheden zou ze misschien geleefd hebben en gestorven zijn
in zorgeloze onwetendheid en onze Heer en Verlosser nooit hebben gezien.

    Het is goed voor mij dat Gij mij hebt vernederd,
opdat ik Uw Gerechtigheden zou leren
Psalm. 118[119]: 71, vert. ROK ’s-Gravenhage.
     Onze onwetendheid komt nergens zó duidelijk tot uiting als in ons ongeduld wanneer wij in hoge nood verkeren. Wij vergeten dat ieder kruis een boodschap van God is en bedoeld is om ons uiteindelijk te helpen.
Beproevingen zijn bedoeld om ons aan het denken te zetten, om ons van de wereld weg te lokken,
tot de Pedagogie van de Heer te brengen en
ons te doen buigen in gebed.
Gezondheid is heel goed, maar ziekte kan beter voor ons zijn, wanneer dit ons tot God drijft.
Alles, maar dan ook alles is beter dan -‘in zorgeloosheid’- te leven en
daardoor -‘in zonde’- te sterven.
De discipelen hadden niet zoveel medelijden en barmhartigheid als
Christus in vers 23.
Deze geest heerst veel teveel onder gelovigen.
Ook wij staan veel te snel klaar om aan de echtheid van iemands beginnende Genade te twijfelen, geraken geprikkeld, omdat de ander nog zwak is:
    En te Jeruzalem aangekomen, trachtte Saulus/Paulus zich bij de discipelen te voegen, maar allen schuwden hem, daar zij niet konden geloven, dat [ook]‘hij’ een discipel wasHand.9: 26.
Laten wij net als Christus zijn:
zachtmoedig’, ‘vriendelijk’ en ‘bemoedigend in de omgang met mensen’ die
immers eveneens het Hemels Koninkrijk willen bereiken.
Christus laat de mensen soms wachten, zoals Hij deed met deze vrouw, maar
Hij stuurt ze nooit met lege handen weg.

Een bijzonder verhaal
Er gebeurt veel met deze vrouw, bij de ontmoeting met onze Heer en
er gebeurt daarop veel met de dochter.
1.]. de moeder van het kind
Het kind is betreurenswaardig ‘bezeten‘ of, zoals er
in het parallele verhaal in Marcus 7 staat: ‘ze had een onreine, boze geest‘.
Haar dochter is onder invloed van iets kwaads, wat haar leven vergalt.
Wanneer je het boek ‘In de ban van de Ring‘ leest of als je de film ziet, dan
geraak je ook makkelijk in de ban. Dan overvalt je een gevoel van angst als de zwarte ruiters opdoemen. Je voelt en je ziet het kwaad.
De dochter is in de ban van het Kwaad.
Wàt precies wordt niet gezegd. Dat doet er ook niet toe.
Ze is in ieder geval zichzelf niet, niet wie ze zijn kan: een ‘heel’ mens, in de bloei van het leven.
Nu, juist omdat dit die vrouw aan haar hart gaat dat haar dochter zó lijdt, gaat ze op zoek.
Liefde drijft haar. Ze gaat op zoek naar genezing en heling voor haar dochter.
Wie weet bij hoeveel dokters, maatschappelijk werk[st]ers en andere hulpverleners ze al langs is geweest.
Ook wij maken soms hele zoektochten door het doolhof van de hulpverlening op zoek naar heling en genezing voor een ander die ons lief is of voor onszelf.
En dàn hoort die vrouw een verhaal.
Het verhaal gaat over een groots mens die is staat is te helpen,
een genezer met wonderlijke macht en kracht,
een Zoon van God, Die kan genezen en helen.
Ze hoort zelfs in het buitenland [want daar woont ze] het verhaal over onze Heer van Nazareth,
Nazareth [Hebr.= ‘bewaakte, afgezonderde’], met de Nazireeër [Hebr.= ‘een toegewijde, ongesnoeid (wijngaard, wijnstok)].
Het  gaat in dit soort situaties natuurlijk als een lopend vuurtje. En haar hart gaat kloppen van verwachting, haar hoop vlamt op.
Zie je dit onoplosbare probleem voor je:
een vrouw met pijn en verdriet, maar tevens met hoop en verwachting op Verlossing?
Jij zou het misschien zèlf wel kunnen zijn . . . . .

1b.]. de geschiedenis, wis en waarachtig
Rond 60 na Christus geeft een arts en wetenschapper [Lucas] een betrouwbaar en uitgebreide verslag van het leven van Christus en laat Hem zien als volmaakt mens en Heiland.
Deze arts draagt zijn getuigenis op aan Theophilius wat ‘vriend van God’ betekent een Romeinse gelovige.
De verborgen schone daden, de getuigenis van de eenvoud van het Geloof zijn het meest bewonderend’s-waardige.
Lucas beschrijft het leven van onze Heer en Verlosser, geboren als hulpeloos kind tot een volwassen man; Deze maakte alle levensfasen door die wij ook doormaken, juist daarom kan Hij ons te hulp komen; Hij werd verzocht maar zondigde niet.
Het wordt ‘het getuigenis voor de natiën’ genoemd, vol van Genade en Hoop, de wereld en verzekering gevend van de Liefde van een ‘lijdende Heiland’.
Uiteindelijk is het niet de grootsheid van de buitenkant, die getuigt van het Heil dat de mensheid te wachten staat, maar de haarvaten van het Lichaam van Christus spelen de grootste rol.
Het zijn de kleine dingen, die groots worden uitgevoerd in gezinnen, die lijden, de verworpenen aan de rand van de samenleving, vrouwen leggen de basis van God’s Pedagogie van de ‘tolerantie’.
Hoevelen – ook in onze tijd – getuigen niet:
Ik ben gered door ‘de Genade en het Geloof in Christus’”
  getuigenissen na een voltooid lijden, wanneer ouderen op hun leven terugkijken naar hun oogappels, maar ook naar
  de zorgen, die een heel gezin tot voorbeeld waren, waarmee zij gehandicapte kinderen zagen opbloeien als getuigenis van God’s Barmhartigheid.
Wanneer je er enige geschiedenis in ontdekken zou,
zullen zij je bijzonder aantrekken.
Doch geheel verborgen waren zij toch niet, anders zouden wij ze niet herkennen;
en wat men ook gedaan heeft om ze te verbergende is slechts een kleinigheid,
waardoor ze aan het licht zijn gebracht
➙  het bederft eigenlijk alles, want dàt was juist het aller-schoonste,
dat zij verborgen wilden zijn.
•    Het is niet schandelijk voor de mens om onder de smart te bezwijken, maar
wel onder het genot. De reden hiervan is niet dat de smart ons van elders overkomt en dat wij het genot zoeken; want men kan ook de smart zoeken en er met opzet onder bezwijken, zònder zich te verlagen.
Hoe komt het dan, dat het voor het verstand roemvol is onder de inspanning van de smart, en schandelijk om onder de inspanning van genot te bezwijken?
•     Het is omdat de smart ons niet verleidt en aantrekt;
wij zijn het ‘zelf’ die haar vrijwillig kiezen en willen dat zij ons beheerst;
zodat wij hierin ‘Heer en Meester’ blijven; en aldus ‘bezwijkt’ de mens voor zichzelf;
⤽ doch in het genot bezwijkt de mens voor het genot.
En alleen het beheersen en bedwingen brengt hem roem;
slavernij brengt slechts schande voort.
Het blijkt een dwaasheid wereldse grootsheid na te streven”.
Voor ons, christenen, wordt alles verlicht in Christus, heeft alles in deze wereld zin en waarde, omdat het een middel tot het pad naar de eeuwigheid is.

‘ صمت الله يهمس في روحنا’, ‘  De stilte van God vormt gefluister in onze ziel’; ‘  The silence of God is whispering in our soul’; ‘  Η σιωπή του Θεού ψιθυρίζει στην ψυχή μας’; ‘ Молчание Бога шепчет в нашей душе’.

Dàt ontstaat doordat we zien wàt we niet zien en naar het onzichtbare kijken,
we laten ons leven in de tijd orderlijk verlopen op basis van het eeuwige,
het menselijke is gebaseerd op God, de Vader, die in de Hemelen is,
Wiens Naam dient te worden geheiligd.
De wereld staat nog steeds verwonderd:
En onze Heer gaat [nog steeds] alle steden en dorpen langs en leert in onze gebedshuizen en verkondigt de Blijde Boodschap van het Koninkrijk en
geneest
[nog steeds in alle stilte] alle ziekte en alle kwalenconf. Matth.9: 35.

2.]. onze Heer en Verlosser
In de Evangelielezing verblijft onze Heer en Verlosser in het buitenland, maar
niet om daar vakantie te vieren, veel meer omdat Hij is het, Die door de farizeeërs en schriftgeleerden zó onder druk wordt gezet dat het maar beter is – even uit de vuurlinie te verdwijnen.

‘ الانعكاس ، من خط النار’; ‘ reflexie, uit de vuurlinie’; ‘ reflexion, from the line of fire’; ‘ αντανακλάσεις, από τη γραμμή φωτιάς’; ‘ отражение от линии огня’

Even op adem komen, even je bezinnen hoe het verder moet gaan.
En daarbij verschijnt deze  Canaänitische vrouw, die
zich inspant om iets tot stand te brengen – een bijzondere rol te spelen.
In dit gedeelte van het getuigenis van Mattheüs gaat het om nieuwe inspiratie vanuit een onverwachte hoek.
In management-termen zou je zeggen, het gaat om out-of-the-box-denken, dat je de geijkte paden verlaat en dat je de dingen vanuit een heel andere hoek bekijkt.
Maar het gaat er ook om dat je voor ‘het Nieuwe’, ‘het Leven’ eveneens openstaat.
–   Hoe vaak gebeurt het niet dat je opeens hulp krijgt vanuit onverwachte hoek, dat mensen van wie je het nooit had verwacht je opeens ‘een zetje geven in de goede richting’,
–   òf soms lopen de dingen heel anders dan jij wilt en achteraf blijkt het juist zo goed uit te werken.
Tegen wil en dank is onze Heer en Verlosser in het buitenland en tussen de verzameling gelijkenissen en de verzameling genezingsverhalen is
ook onze lezing een soort ‘buitenland’.
Het zou wel heel raar moeten lopen als hier niet ‘iets nieuws’ stond te gebeuren:
nieuwe inspiratie vanuit onverwachte hoek’.

De Evangelist Mattheüs was een vrome jood.
En deze vrome Hebreeër wil zijn geloofsgenoten ervan overtuigen dat
met onze Heer en Verlosser ‘ècht’ een nieuw hoofdstuk begint voor het Jodendom.
Daarom haalt Mattheüs ook heel vaak de oude profeten aan om te
laten zien dat wat de profeten zagen nú bij onze Heer en Verlosser’ in vervulling gaat. Dus denkt geen haar op het hoofd van Mattheüs eraan om de boodschap van onze Heer en Verlosser buiten het Jodendom een plek te geven.
Daarom reageert Jezus ook eerst niet op de Canaänitische vrouw, de leerlingen zeggen zelfs: “stuur haar toch weg” en uiteindelijk zegt Jezus:
Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk Israël”.
En vervolgens wordt het nog scherper:
Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren”.
➙➙➙ De kinderen, dat zijn de kinderen van Israël, en de honden, dat zijn de ongelovigen, de niet-Joden, de buitenlanders, de mensen van de interculturele samenleving, die zich ergens ‘een thuis‘ zoeken.

— Maar de vrouw laat zich niet uit het veld slaan: “Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen

3.]. De genezing van het kind
Onze Heer en Verlosser is uitgeweken voor de Farizeeërs en Schriftgeleerden [de afgestudeerden], dus de ‘eigen kinderen’ lijken niet bepaald zo gretig te zijn naar het brood.
En trouwens wie heeft er zo weinig brood dat er niet wat kruimels overblijven voor de honden. Dus, hoe ‘éénkènnig’ wil je zijn?

Dit is een cruciaal moment in het denken van Mattheüs en ook in het denken van onze Heer: “Houd je het heil voor jezelf? Heeft God dan niet genoeg Genade voor iedereen? Dient de Blijde Boodschap van God een exclusieve aangelegenheid te  blijven voor de besloten Joodse gemeenschap?
Òf is het niet tijd dat het Joodse Geloof Zich ook openstelt voor niet-Joden?

Wat dat laatste betreft, jodendom en christendom zijn uiteindelijk gescheiden wegen gegaan. Maar onze Heer is in het buitenland, Hij heeft een stapje opzij gedaan om zich te bezinnen, hoe moet het nu verder en
Hij bidt tot de Vader, om Zijn Wil te kennen.
Hij ontmoet die buitenlandse vrouw, een ongelovige, waar Hij op Zich niets goeds van verwacht, maar de schellen vallen Hem van de ogen.
Deze vrouw blijkt namelijk ‘grootser’ over God te denken dan onze Heer, op menselijke wijze gesproken, Zelf.
Van de Genadegaven van de Barmhartige God zullen toch heus wel wat kruimels overblijven. Dat Koninkrijk der Hemelen waarover onze Heer -al die tijd- over spreekt zal toch heus wel groot genoeg zijn ‘voor álle mensen’.

De vrouw opent Hem -op menselijke wijze gesproken- de ogen voor nieuwe inspiratie uit onverwachte hoek.
En gelukkig staat Christus als Zoon van God er onmiddellijk voor open:
U hebt een groot Geloof.
Het wordt Hem -opnieuw menselijk gesproken- duidelijk, er is ook Geloof buiten Zijn eigen Geloofsgemeenschap.
Er is ook Geloof buiten het eigen land, er is óók Geloof buiten de Kerk, [kijk maar naar al die bijbels namen, die wij onze kinderen geven, of we nu gelovig zijn of niet] en soms komt het uit wel onverwachte hoek en
misschien ook in onverwachte gedaante, ook bij een vermeende vijand.
Die nieuwe inspiratie uit onverwachte hoek wordt hier met beide handen aangepakt, geopenbaard en zo opent Christus de weg dat Zijn Blijde Boodschap
niet een binnen-Joodse aangelegenheid blijft maar uit kan waaieren over de hele wereld.
Een cruciaal moment in de geschiedenis van de dienst aan God is dat wij hier als Christenen bij elkaar komen en wij hebben dit te danken aan een – niet uit onze kringen voortkomende – Canaänitische vrouw, die zich inspant om iets tot stand te brengen.
Het Koninkrijk der Hemelen is ‘vele malen groter’ dan wij als mensen beseffen,
Het heeft vele onderkomens en verschijnt ook in onze tijd
uit geheel onverwachte hoek. Aldus worden onze dochters en zonen genezen.

Laten we hiervoor ópen staan en wanneer wij onze kinderen leren
zó de wereld in te kijken.
Wanneer wij hen leren met respect voor ieder mens, ongeacht aard, geslacht of culturele achtergrond, met elkaar om te gaan,
ja, dàn verbeteren wij de wereld en beginnen bij onszelf.
Christus roept ons en adviseert ons, het is voor Hem onmogelijk ons iets op te leggen.
Het komen tot de overtuiging van de bekering is van onszelf afhankelijk.
Als een rechtgeaard familielid zal Hij ons niet overbluffen en Hij verwacht dat wij dat anderen ook niet aandoen.
Het motto is:
Respect, samenwerken met Passie, vernieuwend,
samenkomen uit dankbaarheid voor het Succes,
Transparant en ‘open’, kortom ‘Integriteit
”.

Eucharistie
God, Die rijk is aan erbarmen, heeft om Zijn grote Liefde, waarmee
Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen
mede levend gemaakt met Christus
[….] en
heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven
in de hemelse gewesten, in Jezus Christus
Eph.2: 4-6.
De priester roept ons op:  “Laat ons de Heer de Eucharistie opdragen”.
En het koor zingt namens het gelovige Volk:
Het is waardig en recht U te zegenen, U te loven,
U de Eucharistie op te dragen, U te aanbidden op elke plaats van Uw Heerschappij”.

In het Eucharistisch gebed, het gebed van dankzegging, drukken wij onze erkentelijkheid uit tegenover God  ‘voor alles’:
Wij gedenken alles wat ‘Hij’ – voor ons gedaan heeft;
Gij hebt ons uit het niets tot het zijn gebracht”. Hij heeft de mensheid verlost na de val. Hij houdt niet op om ons te helpen het komende Rijk te bereiken…..  “Voor dit alles danken wij U en Uw eengeboren Zoon en Uw Heilige Geest, voor alle aan ons bewezen weldaden, die wij kennen en die wij niet kennen, de zichtbare en de onzichtbare”.
Voor al deze aan ons bewezen weldaden, elke dag opnieuw en in een oneindigheid van vormen.
Maar onze dankzegging wordt duidelijker, wordt directer en concreter : “Wij danken U ook voor deze Eucharistie, Die Gij uit onze handen wilt aanvaarden, terwijl Gij toch beschikt over duizenden Aartsengelen en tienduizenden engelen…..”. Een waardevoller aanbidding zou geofferd kunnen worden aan God door de Hemelse Krachten, maar God aanvaardt wat – ‘wij, mensen‘ – Hem in alle eenvoud met onze zondige handen aanbieden.

Door deze woorden van dankzegging, erkennen wij ook het Werk van de Schepper, wij drukken Hem onze erkentelijkheid uit.
        Wij zijn schepselen die, dankzij het Offer van Christus, geroepen en in staat zullen worden gesteld om de wereld te transfigureren en zelf gedeï-fieerd en “deelgenoten van de goddelijke natuur” te worden’, aldus de  H. Gregorius Palamas.
Wanneer deze roeping van de mens eenmaal tot uiting is gebracht, zullen wij ons ook bewuster worden van onze zondige natuur.
Nochtans zijn wij in staat om het te erkennen, wij hebben toegang tot de Vader en zijn deelgenoten van het komende Koninkrijk :
Gij hebt onophoudelijk alles gedaan om ons tot in de Hemelen te leiden en ons Uw komend Koninkrijk te schenken”.
De priester beëindigt dit gebed tijdens de Goddelijke Liturgie van Johannes Chrysostomos met vier woorden: ”   Zingend, roepend, luid jubelend en zeggend”.

Christus & 4 Evangelisten, fresco Nubia Museum, Aswan Egypte

Door deze vier termen heen heeft de Christelijke Traditie een zinspeling gezien
op de roep van de vier “levenden” in het visioen van Ezechiël 1: 6 vv en de Apocalyps 4: 67, die tegelijk de Machten der engelen symboliseren die de schittering van God’s Glorie uitdragen naar de vier windstreken, dit wil zeggen, over de gehele kosmos, en de vier Evangelisten, Die de Blijde Boodschap van het Woord uitdragen
tot de uiteinden der aarde.
Het is daarom, dat de diaken, terwijl de priester deze formule uitspreekt,
een kruisteken maakt door met de asterix, die de heilige gaven bedekt,
de boord van de disk op vier plaatsen als een cimbaal gaat aanraken.
En vervolgens zingt het koor de Cherubijnenzang :
Heilig, Heilig, Heilig is de Heer Sabaoth.
Vol zijn hemel en aarde van Uw Heerlijkheid,
Hosanna in de hoge.
Gezegend Hij die komt in de Naam des Heren :
Hosanna in den hoge
Op het hoogte punt van het gebed, tijdens de Goddelijke Liturgie overwinnen
de gelovigen van de Kerk hun ongerechtigheden,
[teksten: zie http://www.orthodoxasten.nl/liturgie.htm ]
zij herinneren zich de bewuste en onbewuste schadelijke passies,
de lichamelijke geestelijke en andere verslavingen, die zij in de buitenwereld ondervinden.
Zij zijn zich bewust van de aanwezigheid van ‘de Aanwezige God’, Die zij als iets heel kostbaars gaan ontmoeten, een ‘Mysterie’ waarover zij niet met vijanden zullen spreken.
Diep in z’n binnenste ervaart de mens een tekort, hij voelt dat hij iets fundamenteels mist, maar het dramatische is, hij/zij kan het niet definiëren.
De mens zoekt zijn honger te stillen met alles wat hij rondom zich ziet en kent, maar na een poosje komt hij/zij tot de vaststelling dat het gevoel van onvoldaanheid weer terugkeert en
een andere gedaante heeft aangenomen en dus niet definitief verdwenen is.
Slechts de ontmoeting met de aanwezigheid van ‘de Aanwezige God’ kan de mens verheffen tot datgene wat voor de mens onbereikbaar is.
Sommigen mensen zoeken de oplossing heel ver weg, o.a. bijv. in oosterse religies en moderne spirituele bewegingen, terwijl de waarachtige oplossing
– hier en nu – beschikbaar is en op een verrassend dichtbije plek,
hier in onze eigen Christelijke cultuur.
          Een cruciaal moment in de geschiedenis van de dagelijkse dienst aan God
is dat wij in de Christelijke Gemeenschap als Christenen bij elkaar komen en
wij hebben dit te danken aan een – niet uit onze kringen voortkomende –
Canaänitische vrouw, die zich inspant om ‘iets van dit Mysterie’,
de relatie met de ‘de onder ons Aanwezige God’ tot stand te brengen.
         Het Koninkrijk der Hemelen is ‘vele malen groter’ dan wij als mensen beseffen, Het heeft vele onderkomens en verschijnt ook in onze tijd uit geheel onverwachte hoek.
Aldus worden onze dochters en zonen genezen.
De Orthodoxie onderkent niet zoals sommige andere Christelijke gemeenschappen een praktijk van “Eucharistische gastvrijheid”. Zij verlangt tussen allen die ter communie gaan, die in de Orthodoxe kerken dit ‘Mysterie’ beleven, eenheid van Geloof.
De heilige communie kan niet het middel zijn tot eenheid, zegt zij, maar alleen de vrucht ervan.
          Dit betekent dat alleen degenen, die gedoopt en gezalfd zijn, en tevens praktiserend lid zijn van de Orthodoxe Kerk aan de communie deel kunnen nemen. Wij biden echter vurig dat ooit alle Christenen in Geloof en Liefde rond het mystiek Bruiloftsmaal verenigd zullen zijn.
Dit zal plaats vinden wanneer de Heer dit Wil, waarschijnlijk pas op het einde der tijden. Het Geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en
het bewijs van de dingen, die men niet ziet.

Apolytikion     tn.4.
  Nadat zij de Blijde Boodschap van de Opstanding en van de Bevrijding van de veroordeling van de Stamhouders uit de mond van de Engel gehoord hadden, riepen de Myrondraagsters jubelend tot de Apostelen:
Vernietigd is de dood, Christus de Heer is opgestaan, en heeft aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.4.
  Mijn Heiland en Verlosser heeft als barmhartige God de aardgeborenen opgewekt,
uit de ketenen van het graf.
Hij heeft de poorten van de hel verbrijzeld
en is als Gebieder na drie dagen verrezen
”.

Theotokion     tn.4.
  Het van eeuwigheid verborgen en aan de Engelen onbekende Mysterie,
is door U aan de aardbewoners openbaar geworden, Moeder Gods:
in onvermengde eenheid is God vlees geworden
en heeft Hij om ons het Kruis op Zich genomen.
Daardoor heeft Hij de Eerst-geschapene weer opgewekt
en onze zielen uit de dood verlost
”.

Melchisedek, priester van God, de Allerhoogste

Melchizedek, koning & priester van de allerhoogste God

  Nu is het onweersprekelijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend.
En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch dáár Iemand, van Wie wordt getuigd, dat Hij leeft.
Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Abraham aan het tiendrecht [van een ander] onderworpen, want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Melchisedek deze tegemoet kwam.
   Indien nu het Levitische priesterschap ‘het volmaakte’ gebracht had, immers, daaronder heeft het Volk de Wet ontvangen – waarom was het dàn nog nodig, dat een àndere Priester naar de ordening van Melchisedek opstond, van Wie niet gezegd werd, dat Hij naar de ordening van Aäron is?
   Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van Wet.
Want Hij, van Wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar te doen had:
   het is immers duidelijk, dat onze Heer uit Juda is gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft. En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Melchisedek een andere Priester opstaat, Die dit niet geworden is krachtens een Wet met een voorschrift betreffende vleselijke [afkomst], maar krachtens een onvernietigbaar Leven.
   Want van Hem wordt getuigd:
Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek
Hebr.7: 1-17.

God staat niet zo maar buiten de tijd, afwezig ergens aan de overkant. Maak voor jezelf alsjeblieft geen beeld van God, want dan schiet je altijd schromelijk tekort, God is een Mysterie en gaat ons verstand vèr te bóven.
Wordt Hij juist niet de Eeuwige genoemd om Hem van al het menselijke te onderscheiden?
Tegelijkertijd tasten we niet dankzij Christus niet volstrekt in het duister over de onderlinge relatie tussen tijd en eeuwigheid, God’s samenwerken met de mens.
    De Heer zegt tot mijn Heer: zit neer aan Zijn rechterhand.
Opdat Ik uw vijanden zal maken tot een steun onder uw voeten.
Een scepter van Kracht zal de Heer u zenden vanuit Sion:
Heer, temidden van uw vijanden.
Bij U is heerschappij op de dag van uw kracht, in de stralende luister van uw heiligen.
Uit de schoot heb ik U voortgebracht vóór de morgenster.
De Heer heeft gezworen, onveranderlijk:  Gij zijt de priester in eeuwigheid, volgens de orde van Melchisedek.
De Heer is aan uw rechterhand; Hij verbrijzelt koningen op de dag van Zijn toorn.
Hij oordeelt de volkeren, maakt talrijk de gevallenen; de hoofden van velen verplettert Hij op de grond.
Uit een beek onderweg zal Hij drinken, en dan het hoofd verheffenPsalm 109[110], vert. ROK ’s-Gravenhage.

 

Christus Pantokrator

Toen onze Heer en Verlosser, vanwege het onvermogen van de mens om de kloof tussen God en mens te overbruggen, als mens tijdelijk op aarde kwam, liet Hij ons zien Wie de Eeuwige is. En ook over een tijdje in onze begrippen, want bij God bestaat geen tijd.
Ook dàn zal er steeds de herinnering, ‘de eeuwige gedachtenis‘, aan onze tijd zijn.
Het Lam – ‘de Koning van Rechtvaardigheid’ – zal eerst dàn het centrum zijn van de nieuwe wereld en de nieuwe aarde.
Eerst dàn zal de historische noodzaak van Christus’ Offer ons tot God’s Glorie eeuwig voor ogen staan.
Hij is Almachtig en sluit alles aaneen.


Melchisedek [Hebr.:
מַלְכִּי־צֶדֶק, “koning van rechtvaardigheid” of “mijn koning is rechtvaardig”] was volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel ten tijde van aartsvader Abraham de “koning van Salem” en “priester van God, de Allerhoogste”.
In Genesis ontmoet Abraham na een succesvolle slag Melchisedek, die
als koning van Salem en priester van de Allerhoogste God (El-Eljon) wordt geïntroduceerd. Hij brengt Abraham brood en wijn en spreekt daarna een zegenspreuk over Abram uit en daarna over de Allerhoogste God:
Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste,
Schepper van hemel en aarde.
Gezegend zij God, de Allerhoogste:
uw vijanden leverde Hij aan u uit
Daarna gaf Abram Melchisedek een tiende van alles wat hij tijdens succesvolle slag buit had gemaakt.
De succesvolle slag van Abram gaat over de slag met de koning van Sodom, waarbij Melchisedek niet optreedt Gen.14:17,21.
En in de verzen 18-20 is van de koning van Sodom geheel geen sprake. Deze verzen 18-20 dienen dan ook moeten dan ook specifiek in de betekenis van de oorzaak te worden geïnterpreteerd. De plicht om tienden af te dragen aan de Tempel in Jeruzalem af te dragen, werd gelegitimeerd door het verhaal over Abraham.
De aanduiding “Salem” wordt verder alleen parallel gebruikt met Zion:
Daar heeft God de kracht gebroken van boog, schild en zwaard: Hij maakt een eind aan de oorlogPsalm 75 [76]:3

Hierdoor wordt Salem al sinds de antieke en vroegmiddeleeuwse exegese geïdentificeerd als Jeruzalem. Dit werd versterkt door de verwantschap van “Salem” met “Sjalom” [= Vrede].

Buiten Genesis wordt Melchisedek in de Joodse vertaling van de 1e Verbondstekst alleen nog genoemd in bovenstaande zogenoemde “koningspsalm”, Psalm 109[110]:
  De Heer heeft gezworen, onveranderlijk: 
Gij zijt de priester in eeuwigheid, volgens de orde van Melchisedek“.
Hier grijpt de auteur van de Psalm terug op een figuur uit de voorgeschiedenis van Israël,  om deze de koning, naar wie hier wordt verwezen, als een goed, navolgen’s- waardig voorbeeld voor te houden. Het gebruik van een dergelijk legendarisch figuur is – niet gebruikelijk- in de Hebreeuwse Bijbel, maar niet in de poëzie van het begin van de hellenistische periode.
Om de toegezongen koning een groot aanzien te geven, waarin het “prototype van het priesterschap” als streven wordt voorgesteld, waar deze zich naar dient toe te ijveren.
De  exegese van de Orthodoxe Kerkvaders ziet Melchisedek hierin vooral in het licht van bovenstaande tekst Hebr.7:  3:
Hij heeft geen vader of moeder,
geen stamboom, geen oorsprong of levenseinde en
lijkt op de Zoon van God — hij is priester voor altijd
”.
Verder zijn geen van Hebreeën onafhankelijke tradities of interpretaties bewaard gebleven.
Alleen het gebruik van brood en wijn bij het Laatste Avondmaal en de doorwerking in de Eucharistie kunnen eventueel worden herleid tot Melchisedek, aangezien in het verhaal over de uittocht uit Egypte en het hiernaar verwijzende Pesach alleen van ongezuurde broden sprake is, niet van wijn.
  In de latere literatuur Melchisedek [NHC IX.I] is een gnostisch geschrift, dat in een Coptische vertaling onderdeel was van de vondst van de Nag Hammadi geschriften in 1945. De oorspronkelijk Griekse tekst dateert van omstreeks 200.
Hierin ontvangt Melchisedek twee openbaringen.
In de eerste wordt een rol voor Melchisedek geprofeteerd in een strijd “aan het eind van de tijden“. Hij wordt daarbij aangesproken als degene van wie alle stammen en volkeren van U, de Heilige Hogepriester de Hoop en de gaven van het leven hebben ontvangen.
In de tweede openbaring is net als in de eerste de Kruisiging en Opstanding van onze Heer en Verlosser het centrale thema. Door de vele lacunes in de tekst is het niet duidelijk of Christus en Melchisedek in dit deel van de tekst wèl of niet met elkaar geïdentificeerd worden.
Op het theologisch vakgebied verschillen de opvattingen ook hierover.
Wel wordt gezegd, dat de overwinning van Jezus Christus de overwinning van Melchisedek is.

de Allerhoogste God
Melchisedek wordt priester van de Allerhoogste God genoemd.
Bijbelwetenschappers zijn het er niet over eens of dit refereert aan de God van Abraham, namelijk deHeer [JHWH], òf dat dit een referentie is naar een Canaänitische god.
Voor de interpretatie van het verhaal maakt dit veel verschil.
– Vanuit de (Joodse) Bijbel geredeneerd zou de Allerhoogste JHWH, de God van Mozes, moeten zijn [de God van Abraham was El/Elyon/El-Sjaddai, aan Wie JHWH later gelijk is gesteld].  Melchisedek was echter priester van Salem.
Daarom is het waarschijnlijk, dat Melchisedek de opperpriester was van Salem, de Kanaänitische god.  Melchisedek als Hogepriester van Elyon/JHWH?
Als Elyon/JHWH de God is die het Verbond met Abram sluit, ligt het niet voor de hand dat Abram ondergeschikt is aan Melchisedek.
Het zou eerder andersom zijn geweest. Van welk volk Melchisedek de priester-koning is, wordt niet vermeld. Hij is koning van Salem.
Kennelijk geen Hebreeër. Zo wordt Abram benoemd, niet Melchisedek. (Israëlieten of Judeërs waren er toen uiteraard nog niet).
Naar de tekst van het O.T. waren de Jebusieten ten tijde van David de bewoners van Jeruzalem. Gezien het grote tijdsverschil dat ligt tussen Abraham en David is het echter niet zeker dat Melchisedek een Jebusiet was.

N.B. de Kerkvaders roepen op tot bewustzijn, de tijd is aan jou.
Streef de deugd na, besteedt daar al je tijd aan
– in plaats van al het andere            : “ Zie erop toe dat je eerbied leert opbrengen voor de schoonheid om je heen, leer de werkelijk te bevatten door deze te onderscheiden van de misleidingen” Ephraïm de Syriër
            Zo wordt in een hedendaagse levensfilosofie [Urantia] geprobeerd een opvatting te construeren op basis van de uitgebreide, geïntegreerde opvattingen van kosmische waarheid, de universum-schoonheid en de goddelijke Goedheid.
Hierin wordt de persoon van Melchisedek gezien als een godsverschijning.
Het Urantia Boek stelt dat Melchisedek deel uitmaakt van een bepaalde geestelijke orde, halverwege de ladder tussen mens en God, de Melchisedeks, en
dat de missie van Melchisedek destijds was om het proces van vergeestelijking op aarde, ingezet met de komst van de ouders van het violette ras, ook wel Adam en Eva genoemd [34.000 jaar voor Melchisedek], weer nieuw leven in te blazen.

De Genadegave
Het belangrijkste Woord in de Blijde Boodschap draait om de relatie tussen God en Zijn Volk, ook wel het Verbond genoemd, het ‘Oude’ [Israël] en het ‘Nieuwe’ [de Kerk].
Dàt kernwoord onderstreept dat God gezien wordt als een persoon, die een relatie kan aangaan met anderen.
Een Verbond wordt gesloten tussen twee personen of partijen, met rechten en plichten aan beide kanten. Het Hebreeuwse woord voor ‘verbond’ heeft meestal betrekking op een verbond dat een machtig persoon, bijvoorbeeld een koning, als een priester in eeuwigheid, aanbiedt of oplegt aan een zwakker persoon of partij. Bij het verbond met Israël [O.T.] en de Kerk [N.T] neemt God, als Machtige, hogere en ‘Sterkere’, als ‘Onsterflijke’ het initiatief. Hij biedt Zijn Bescherming aan en bepaalt Zelf de plichten van het Verbond.
Maar God heeft respect voor de ‘vrijheid’ van de mens en daarom wordt het Verbond door God niet dwingend aan de mens opgelegd, de mens heeft de vrijheid zelf een keuze te maken op Zijn aandringen, Zijn roep:
Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;
neemt mijn juk op u [in Passie samenwerken] en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk [in Passie samenwerken] is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 28-30 en
  Begrijpt gij niet, dat àl wàt de mond binnengaat, in de buik komt en te zijner plaatse verdwijnt? 
Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dàt maakt de mens onrein.
Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige 
getuigenissen, godslasteringen. Dàt zijn de dingen, die een mens onrein maken, maar het eten met ongewassen handen maakt een mens niet onreinMatth.15: 17-20.
En Petrus zei: verklaar U nader?
En onze Heer antwoordde: “ Zijn ook jullie [Mijn directe volgelingen] nog steeds onwetend?; Zijn jullie dan ook nog onverstandig?conf. Matth.15: 16.
En vervolgens volgt het Evangelie wat wij op de 37e Zondag gaan lezen:
➽➽➽ – “
Het brood voor de honden en de Canaänitische Vrouw” –
Wij krijgen als een Genadegave het Verbond aangeboden, een unieke kans waarvoor je in alle Vrijheid mag kiezen.
Afwijzing van het Verbond betekent wèl afwijzing van ‘hèt Mysterie van het Leven’, God’s Zegen, en dàn kies je gewoonweg in feite voor de vloek.
Op God’s weg worden wij niet gedwongen, maar onze keuzes zijn er nooit neutraal of vrijblijvend.
Op de berg Sinaï belooft onze Heer en Verlosser eeuwige trouw aan Israël, wat er ook gebeuren mag – trouw wordt vaak beproefd, maar nooit opgezegd.
En vele scharen kwamen tot Hem en onder hen kreupelen, blindgeborenen en doofstommen en Hij genas hen allen. Die Belofte van trouw gaat samen met de opdracht voor Israël/de Kerk om te leven volgens God’s Geboden, met name die op de tafelen welke diep in ons hart zijn gegrift.
God belooft Zijn Trouw en van ons wordt die trouw eveneens verwacht, zodat het Verbond een tweezijdig karakter van vriendschap en wederzijds vertrouwen krijgt.
Daarmee is het Verbond niet alleen een Goddelijke Genadegave, maar ook een opgave, vaak een zware verplichting, die de mens lang niet altijd kan waarmaken en waaronder hij/zij soms bezwijkt.

Heer, Jezus Christus,
Zoon van de levende God,
heb medelijden met ons,
arme zondaars
”.

Februari 8e – de Profeet Zacharias [ca 500 voor Chr.]

Zacharias, profeet

  In die dagen, toen er weer een grote mensen-menigte bijeen was en zij [opnieuw] niets te eten hadden,
riep Hij Zijn discipelen tot Zich en zei tot hen:
  Ik heb medelijden met de mensen, want zij zijn nu reeds drie dagen bij Mij gebleven en hebben niets te eten; en indien Ik hen zonder voedsel naar huis laat gaan, zullen zij onderweg bezwijken, en sommigen van hen zijn van ver weg.
En Zijn discipelen antwoordden Hem: Vanwaar zal iemand dezen hier in een eenzame streek met broden kunnen verzadigen?
En Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven.
En Hij gaf aan de mensenmenigte bevel op de grond te gaan zitten. En Hij nam de zeven broden, dankte, brak ze en gaf ze aan zijn discipelen om ze hun voor te zetten, en zij zetten ze voor aan de mensen. En zij hadden enkele visjes; en nadat Hij daarbij de zegen had uitgesproken zei Hij, dat zij ook die moesten voorzetten.
En zij aten en werden verzadigd en zij raapten het overschot der brokken op – zeven korven. En het waren er ongeveer vierduizend en Hij zond hen weg. En terstond ging Hij met zijn discipelen in het schip en kwam in het gebied van Dalmanuta [Hebr.= ‘langzaam brandend stuk (Kruis-)hout]” Marc.8: 1-10.

    Wetende, dat gij niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, zijt vrijgekocht van uw ijdele wandel, die [u] van de vaderen overgeleverd is,
maar met het kostbare bloed van Christus, als van 
een onberispelijk en vlekkeloos Lam.
     Hij was van tevoren gekend, voor de grondlegging van de wereld, doch is bij het einde der tijden geopenbaard ter wille van u, die door Hem gelooft in God, die Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft, zodat uw geloof tevens hoop is op God.
        Nu gij uw zielen door gehoorzaamheid aan de Waarheid gereinigd hebt tot ongeveinsde broeder-liefde, hebt dan elkander van harte en bestendig lief, als wedergeboren, en niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende Woord van God.
     Want: Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem in het gras; het gras verdort en de bloem valt af, maar het Woord des Heren blijft in der eeuwigheid.
     Dit nu is het Woord, dat u als Evangelie verkondigd is:
Legt dan af alle kwaadwilligheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij,  en verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij daardoor moogt 
opwassen tot zaligheid, indien gij geproefd hebt, dat de Heer goedertieren is.
En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig 
priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die aan God welgevallig zijn door Jezus Christus.
➥➥➥  Daarom staat er in een schriftwoord:
        Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren en kostbare hoeksteen, en wie op Hem zijn Geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.
U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots der ergernis, voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het Woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn.
          Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk [ aan God] ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar Licht: u, eens niet Zijn volk, nu echter God’s volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen1Petr.1: 18-2: 10.

De vandaag geëerde profeet Zacharias was, de elfde van de twaalf minder belangrijke profeten en de auteur van het Boek van Zacharia uit het eerste Verbond .
Hij was net als de profeet Ezechiël voortgekomen uit de priesterlijke traditie.
Hoewel Berechiah [Hebr.=‘de Heer zegent’] de vader van Zacharias was noemt het boek Ezra hem de zoon van zijn grootvader Iddo [Hebr.= ‘Zijn getuige’], misschien omdat deze de grootste invloed op hem heeft gehad in z’n verdere leven.

Niettemin begon Zacharias [זְכַרְיָה] volgens de overlevering zijn profetische loopbaan in het tweede jaar van Darius , de koning van Perzië [d.i. 520 jaar vóór Christus].
Hij profeteerde in de dagen van Haggaï – zijn aandacht ging het meest uit naar de bouw van de 2e Tempel. Deze profeet wordt door onze Heer en Verlosser genoemd als zijnde vermoord [in de kiem gesmoord] door opstandige en ongehoorzame Joden van zijn tijd, zie Matth.23: 35.
Z’n naam is afgeleid van het Hebreeuwse woord Zakhar, hetgeen betekent: de ‘Heer herinnert Zich’, d.w.z ‘om te onthouden’ en aandacht aan te besteden. Z’n graf zou zich net als die van de profeten Haggai en Maleachi bevinden op de bovenste helling van de olijfberg te Jeruzalem.

De aandacht van deze profeet Zacharias ging voornamelijk uit naar de bouw van de Tempel. De Apostel Paulus leert ons dat de Tempel ons binnenste binnen is, het hart.

Daar waar de inwoning van de Heilige Geest gerealiseerd is, daar beleven gelovigen de invloed, de werking, de Heerschappij van de Heilige Geest. De gelovige in wiens hart de Geest woont, is in de Geest en dat betekent verblijven onder de Genadige Heerschappij van de Heer, van Zijn Heilige Geest.
Deze profeet is om die reden door opstandige en ongehoorzame Joden van zijn tijd vermoord [in de kiem gesmoord].

Reeds vijf eeuwen voordat het in de tijd plaats vond, heeft deze profeet Zacharias allerlei tekenen uit het Lijden van onze Heer en Verlosser voorspeldt.
  Hij beschrijft de intocht in Jerusalem, het verraad van Judas voor dertig zilverlingen, het vluchten van de Apostelen en Hoe Hij doorboord werd aan het Kruis.
  Jubel luid, gij dochter Sion, juich dochter Jerusalem! Zie, uw Koning komt tot u, rechtvaardig en zegevierend; Hij is deemoedig, Hij is gezeten op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdierZach.9: 9; John.20: 15.
  En zij telden Mijn loon uit, dertig zilverstukken . . . de prijs waarop Ik door hen geschat ben. En Ik nam de dertig zilverstukken en wierp ze in het huis van God, voor de pottenbakkerZach.11: 12,13; Matth.26: 15.
  Zo luidt de godsspraak van God, de Heer der Heerscharen: Sla de herder, dan zullen de schapen verstrooid worden” Zach. 13: 7; Marc.14: 27.
  Over het huis van David en de bevolking van Jerusalem zal Ik een Geest van mededogen uitstorten. Die hen tot bidden aanzet. Dan zullen ook zij opzien naar Hem, Die zij doorstoken   hebben “ Zach.12: 10; John.19: 37; Hand.1: 7.

Een profeet spreekt met het oog op zijn eigen tijd, ook als hij uitspraken doet over de toekomst. Bepaalde profetische thema’s kunnen als het ware, in een nieuwe context, wel weer actueel worden. `

Soms kun je dan spreken van ‘vervulling’, als profetische verwachtingen door bepaalde gebeurtenissen of personen alsnog werkelijkheid worden.
Op die manier hebben christenen in onze Heer en Verlosser de vervulling gezien van alle profetische uitspraken over de Messias.
‘   Onze Heer en Verlosser Die komen zou’ . . . . . en dit werd door onze Heer Zelf nog eens bevestigd in het gesprek na Zijn Opstanding met de twee volgelingen onderweg naar Emmaus.
        Het is kenmerkend voor de profeet uit de Blijde Boodschap, dat hij op het openbare toneel verschijnt in een tijd dat godsdienst èn politiek steeds weer bepaald worden door instituten en toezichthouders met macht en invloed.
Een overvloed aan macht leidt namelijk gemakkelijk tot misbruik en corruptie en dááròm stuurt God profeten als een kritisch geluid tegenover van koningen en priesters.
Een kenmerk van de ware profeet is immers zijn vrijheid en onafhankelijkheid;
hij is een dissident die alleen durft te staan en laat zich door niets en niemand  gebruiken, zelfs niet door de gevestigde macht.
Profeten die optreden in dienst van het hof zijn er ook, maar dat zijn meestal meelopers, die op profijt uit zijn en derhalve valse profeten die hun koning naar de mond praten. De echte profeet is een onafhankelijk verkondiger van het vrije Woord en nemen alles wat daarop volgt voor lief.
Profeten roepen weerstand op, getergde reacties van leiders, toezichthouders of groepen mensen, die niet zittende wachten op iemand die de mensen laten nadenken over datgene ‘wat wèrkelijk plaats vindt‘, m.a.w. ‘ hen onrustig’ maakt.
Meestal worden ze eerst genegeerd, vervolgens tegengesproken, bedreigd met maatregelen en als dat niet meer lukt wordt hen soms hardhandig het zwijgen opgelegd.
Elia moest daarom vluchten voor zijn doodvonnis, Jeremia wordt gewoonweg in een put gegooid en onze Heer en Verlosser wordt gekruisigd.

Het is soms wel begrijpelijk, dat mensen zich ergeren, geïrriteerd raken door profeten met hun scherpe pen/computer/tong, die op een vervelende manier blijven aandringen omdat zij ‘verandering’ verlangen, de wereld gaat anders ten onder en schreeuwt immers om ‘ander‘ voedsel. 
Je zult maar koning, oppertoezichthouder of handlanger van de toezichthouders zijn, waarvan verwacht wordt dat zij leiding geven in moeilijke tijden van crisis.
Tòch zijn het de profeten, die de ‘Blijde Boodschap‘ verkondigen, zij zin geen kritische buitenstaanders met goedkope praatjes en schone handen.
Profeten treden op tégen bestaande constituties, tégen het eigen volk, waarmee zij zich met hart en ziel verbonden voelen; zij lijden ook zèlf aan het onrecht en de nood die zij aanwijzen. Bovendien beroepen de profeten zich op het Verbond als gevolg de Doop en het daaropvolgende ontvlammen door de Goddelijke Geest, waarop koningen, priesters en geheel het Volk aanspreekbaar zou dienen te zijn.
Juist òmdát de profeet zich zo sterk verbonden voelt met zijn eigen volk als -‘het Volk van het Verbond’-, is hij zo kritisch en gedreven.
Ook in de hedendaagse tijd blijft er een taak weggelegd voor de profeten.
Die taak begint in de  eigen kring van de Kerk, waar principieel ruimte dient te zijn voor kritische tegenspraak. Kerken dienen op hun beurt in het debat de democratische rechten en spelregels altijd nadrukkelijk te respecteren – gebeurt dit niet dan verliest en de koning, de oppertoezichthouder of handlanger van de toezichthouders ‘steeds méér‘ aan gezag.
Daarbij zal blijken dat het in het geheel geen bezwaar behoeft te zijn, dat kerkgemeenschappen [en anderen] laten zien vanuit welke levensbeschouwing zij de democratische grondbeginselen met volle overtuiging steunen. Christenen [of andere gelovigen] mogen absoluut niet met een profetisch beroep op God de boventoon gaan voeren, het alleenrecht opeisen en op die wijze de democratie uithollen. Wèl kunnen ze vanuit eigen inspiratie en overtuiging de democratie volgen en versterken. Dat is niet alleen goed voor de samenleving, maar ook voor de vitaliteit van de Kerk Zelf. Met je Geloof publiekelijk en soms kritisch voor de dag komen behoeft de democratie niet te bedreigen, maar kan die juist versterken. Die overtuiging vindt steun in het feit, dat we de normen en waarden van de democratie en mensenrechten voor het merendeel te danken hebben aan de Joods-Christelijke Traditie. De profetische rijkdom van die Traditie lijkt mij eerder ‘een levensvoorwaarde’ dan een bedreiging van de democratie.

De wijze koning Salomo zei: “ Op Zijn tijd heeft God alles  voortreffelijk gemaakt; Hij heeft de eeuwigheid in ons hart geplant Prediker 3:11a.

In ons hart weten we dat ‘het heden’ – ‘niet alles is wat er is en daardoor kunnen wij als christenen ons ‘vrij’ vechten en toch onderling ‘in liefde’ verbonden blijven.
Dat is herkenbaar. . . Is ons Geloof houdbaar?
Het is een uitdaging om niet bitter te worden, niet cynisch, om te blijven leven vanuit God’s Liefde, Zijn Barmhartigheid. Altijd kom je dan weer uit bij wat je overeind houdt en regelmatig gaat dan het zinnetje van Paulus door je heen:
Ik leef, beweeg en ben in U”.
Wie is nu tevreden met de gedachte dat ons vluchtig bestaan  het een en het al zou zijn?
Wie kent niet de heimwee naar een verloren Paradijs dat eeuwig is?
Met de Liefde staat God namelijk niet zomaar buiten de tijd, ‘afwezig’ ergens aan de overkant.
Neen, hoe méér wij zijn ondergedompeld in de Liefde, hoe meer God voor ons ‘realiteit is’ en we ‘nu reeds’ in de eeuwigheid leven.

erosie en vergankelijkheid van het menselijk bestaan; erosion and impermanence of human existence; τη διάβρωση και την εξώθηση της ανθρώπινης ύπαρξης; تآكل وعدم ثبات الوجود البشري.

Ik heb vertrouwen en Geloof in God’s hand in de geschiedenis
• durf ook als Kerk inzicht te krijgen in wat God’s bedoeling is.
Mij is altijd voorgehouden dat samen Kerk zijn geen democratisch gebeuren is, de realiteit van alle dag is anders. God gaat ons verstand immers vèr te boven
• ook die van kerkleiders, toezicht-houders en hun handlangers.
Wat kunnen wij zeggen over de steeds opnieuw voorkomende massale uitroeiing van mensen, wat beoogde God met de val van de Berlijnse muur, met het aan de macht komen van diverse despoten als wereldleider.
Is het niet zo dat de Liefde voor het Lichaam van Christus algehele verontwaardiging doet opkomen bij de scheiding binnen sommige bloed-groepen, bij het misbruik van jonge kinderen. Dankzij Christus en Zijn Liefdegebod tasten we ‘totaal niet’ in het duister over de relatie tussen tijd en eeuwigheid.
Toen onze Heer en Verlosser als mens tijdelijk Zijn plaats op aarde innam,
heeft Hij ons laten zien ‘Wie’ de Eeuwige is.
Ook voor onze kinderen zal Dit altijd blijven gelden en zal Hij als Lam het centrum van een nieuwe wereld en een nieuwe aarde zijn.
De historische noodzaak van het offer van God’s Zoon zal ons tot God’s Glorie eeuwig voor ogen staan.

Daarom begint iedere Orthodoxe Liturgische Samenkomst met de openingsgebeden:
⁌ “Gezegend is het Koninkrijk van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest;
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.  Amen”
⁌ “ Laat ons daarom de Heer in vrede bidden” – “Heer, ontferm U”.
⁌ “ Om de Hemelse Vrede [Orde] en de redding van onze zielen” – – “Heer, ontferm U”.
⁌ “ Om Vrede voor de gehele wereld, het welzijn van de heilige Kerken God’s en
om de Eenheid van allen ” – – “Heer, ontferm U”.
⁌ “ Voor dit heilige Godshuis, en voor hen die er met Geloof, eerbied en vreze Gods binnentreden” – – “Heer, ontferm U”.
⁌ Voor onze Patriarchen, voor Metropolieten, voor onze [Aarts-]bisschop, voor de eerbiedwaardige priesters, het diaconaat  in Christus, voor geheel de geestelijkheid, en voor geheel het rondom staande Volk” – – “Heer, ontferm U”.
⁌ “ Voor onze Koning, voor onze Koningin, en voor de Regering van ons land” – – “Heer, ontferm U”.
⁌ “ Voor deze stad, en voor alle steden en dorpen, en voor alle gelovigen die er wonen” – – “Heer, ontferm U”.
⁌ “ Voor goed weer en overvloed van de vruchten der aarde, en om vredige tijden” – – “Heer, ontferm U”.
⁌ “ Voor de reizigers op zee, te land en in de lucht; voor de zieken en lijdenden; voor de gevangenen en hun redding” – – “Heer, ontferm U”.
⁌ “ Om bevrijding uit alle verdrukking, toorn, gevaar en nood” – – “Heer, ontferm U”.
“ Help en red ons, wees barmhartig en bescherm ons,
o God, door Uw Genade” – – “Heer, ontferm U”.
⁌ “ Onze al-heilige, ongeschonden, hoog-gezegende, roem-rijke Koningin, God’s Moeder en altijd Maagd Maria, met alle Heiligen gedenkend, bevelen wij aan Christus God onszelf, elkaar en geheel ons leven aan“ – – “Aan U o Heer”
.
➻➻➻ Maak alsjeblieft geen beeld van God, maar herken Hem in de onderlinge Liefde en saamhorigheid van het Volk dat tot Hem bidt;
doe je anders dan schiet je in je hoogmoed schromelijk tekort.
God gaat ons verstand immers mijlen-vèr te boven;
wordt Hij niet juist de Eeuwige genoemd om
Hem van al het menselijk geneuzel te onderscheiden?

Een profeet verhaalt – na een ascetisch leven – zijn eigen geschiedenis met God;
en door zich te uiten brengt hij dank en lof aan God voor al Zijn Genadegaven en daarmee schudt hij de wereld wakker, want de wereld heeft opnieuw niets te eten!
Hij roept opnieuw Zijn navolgers tot Zich en zegt tot hen:
  Ik heb medelijden met de mensen, want zij zijn nu
al die dagen bij Mij gebleven en hebben niets te eten;
en indien Ik hen zonder voedsel naar huis laat gaan,
zullen zij onderweg bezwijken en
sommigen van hen zijn van ver weg’”.

Kondakion
tn.4.   ” Verlicht door de Heilige Geest,
is uw zuiver hart een woonplaats geworden van de profetie;
want nog verre gebeurtenissen hebt gij als tegenwoordig geschouwd,
daarom vereren wij u,
roemrijk Profeet, gezegende Zacharias“.

”    Gelukkig is de mens die de Heer vreest, die Zijn geboden vurig liefheeft.
Zijn zaad zal machtig zijn op aarde, het geslacht der gerechten zal gezegend zijn.
Heerlijkheid en rijkdom zijn in zijn huis; zijn gerechtigheid blijft in de eeuwen der eeuwen.
In de duisternis is het licht opgegaan voor de oprechten; de liefderijke Barmhartige en Rechtvaardige.
Goed is de mens, die zich ontfermt en te leen geeft.
Hij overweegt zijn woorden met oordeel, zodat hij niet wankelt in eeuwigheid.
In eeuwige gedachtenis staat de rechtvaardige; hij vreest niet als hij slechte tijding hoort.
Want zijn hart is bereid, en hij vertrouwt op de heer.
Zijn hart is standvastig en zonder vrees, zelfs wanneer hij zijn vijanden aanschouwt.
Hij deelt uit en geeft aan de armen; zijn gerechtigheid blijft in de eeuwen der
eeuwen.
Zijn hoorn wordt verheven in heerlijkheid; de zondaar ziet het tot zijn woede.
Hij knarst met de tanden, maar verdwijnt, want elk zondig verlangen vergaat”.
Psalm 11[112] vert. ROK ‘s-Gravenhage.

Februari 2e – Ontmoeting in de Tempel van onze Heer en Verlosser Jezus Christus

    En toen de dagen van hun reiniging naar de Wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem aan de Heer voor te stellen, gelijk geschreven staat in de Wet des Heren: ‘     Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Heer, en om een offer te brengen overeenkomstig hetgeen in de Wet des Heren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven.       En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van Israël, en de Heilige Geest was op hem. En hem was door de Heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had.
     En hij kwam door de Geest in de tempel.
     En toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen overeenkomstig de gewoonte van de Wet, nam ook hij het in zijn armen en hij loofde God en zei:
            Nu laat Gij, Heer, Uw dienstknecht gaan in Vrede, naar uw Woord, want mijn ogen hebben Uw Heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volkeren: Licht tot Openbaring voor de heidenen en Heerlijkheid voor Uw Volk Israël’Luc.2: 25-32.

    Nu is het onweersprekelijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend.
En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch daar iemand, van wie wordt getuigd, dat hij  leeft.
Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Abraham aan het tiendrecht [van een ander] onderworpen, want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Melchizedek deze tegemoet kwam.
Indien nu het Levitische priesterschap het volmaakte gebracht had, immers, daaronder heeft het Volk de Wet ontvangen – waarom was het dan nog nodig, dat een andere priester naar de ordening van Melchizedek opstond, van wie niet gezegd werd, dat hij naar de ordening van Aaron is?
Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van Wet.
Want Hij, van wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar te doen had: ‘ het is immers duidelijk, dat onze Heer uit Juda is gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft.
En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Melchizedek een andere priester opstaat, die dit niet geworden is krachtens een Wet met een voorschrift betreffende vleselijke [afkomst], maar krachtens een onvernietigbaar leven.
Want van Hem wordt getuigd:
‘ Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek’
Hebr.7: 7-17.

Melchizedek zou indien hij niet in de brief van Paulus
was aangehaald niet veel meer zijn  dan een interessante voetnoot in commentaren op het boek Genesis, een verbijsterend moment in het leven van Abraham wanneer deze schimmige figuur heel even in het leven verschijnt om Abraham te zegenen, slechts om vervolgens terug te keren naar het Rijk waar nog geen mens weet van heeft.
Paulus hemelt deze flagrante persoonlijkheid van het boek Genesis op door hem het evenbeeld te verlenen naast de komst van Christus, onze Heer en Verlosser.
     Onze Heer uit Juda gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters is gesproken brengt een verandering teweeg.
Want Hij, van Wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar van doen had; en daarom wordt er hier een omslag gemaakt in het Verbond met de Vader.
Onze Heer en Verlosser is in staat om ‘onszelf als offer’ aan te bieden als bemiddelaar van een ‘nieuw Verbond‘, omdat Hij al priester is.
Christus is een Hogepriester, omdat Hij tot de orde van Melchizedek behoort.
Als christenen delen we door de doop en de zalving van God’s Heilige Geest als navolgers in Christus en zijn door ons met Hem te bekleden ook gezalfd als profeten, priesters en koninklijken.
De identiteit en status van Melchizedek is niet relevant, behalve dat hij weet dat hij groter is dan Abraham: ‘hij ontvangt tienden‘.
Als de hogepriester in de orde van Melchizedek biedt onze Heer en Verlosser Zichzelf voor eens en voor altijd aan als een offer:
Hij is in staat om hen, die God naderen, geheel en al te verlossen, omdat Hij altijd leeft om voor ons te pleitenHebr.7: 25;
Zo’n Hogepriester mogen wij hebben, Die Heilig is, zonder schuld, en verheven boven de HemelenHebr.7: 26
en Die
geen offers hoeft te brengen, dag in dag uit … Hij offerde zich voor eens en altijd op voor hun zonden toen Hij Zichzelf aanboodHebr.7: 27.

Paulus herkent in dit kind het Goddelijke, zoals  dit eveneens aan de grijsaard Simeon is voorzegd.

Het punt waarnaar in dit gehele hoofdstuk naar wordt verwezen, is de priesterlijke rol van onze Heer en Verlosser en de rol die Hij speelt als de Hogepriester, Die offers kan brengen, maar om dáár te komen, van òns vereist dat we dóór de Opstanding heengaan. Het is zoals Christus na diverse Genezingen te berde brengt: “ Uw Geloof heeft u gered!”
Hiertoe is dit kind, dat in de Joodse Tempel aan God voorgehouden wordt, toe in staat en vormt als zodanig de Blijde Boodschap van de gehele 40-daagse Kerst-periode.

  In de Orthodoxe Traditie wordt voorafgaand aan
de ‘persoonlijke ontmoeting’ met de Heer gebeden:
    Heer, ik geloof en belijd dat Gij de Christus zijt; de Zoon van de levende God; in de wereld gekomen om zondaars, onder wie ik de eerste ben te verlossen. Ook geloof ik dat dit Uw vlekkeloos Lichaam is en dàt Uw kostbaar Bloed. Daarom bid ik U: ontferm U over mij, en vergeef mij mijn zonden, die vrijwillig en onvrijwillig, in woord en daad, bewust en onbewust heb begaan. En maak mij waardig om aan Uw vlekkeloze Mysterie2n deel te hebben, niet ten bederve, maar ter vergeving van mijn zonden en ten eeuwige leven.
Zoon van God, neem mij heden op als deelgenoot van uw Mystiek Avondmaal. Want Uw vijanden zal ik voorzeker niet over dit Mysterie spreken, Ik zal U geen kus geven zoals Judas; maar evenals de rover belijd ik mijn Geloof in U:
Gedenk mij o Heer in Uw Koninkrijk.
Heer moge het deelnemen aan Uw Heilige Mysteriën mij niet worden tot een oordeel of tot bederf, maar tot genezing van mijn ziel en van mijn lichaam
”.
– In de Roomse Tradtie :
    Heer, doe geen moeite, want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt;  daarom heb ik ook mijzelf niet waardig geacht tot U te komen, maar spreek [slechts] een Woord en Uw dienaar zal herstellenLuc.7: 6b,7.
De ontmoeting met de Heer, het smaken en zien dat de Heer goed is, maakt de mens zalig, die bij Hem schuilt – daarop zegt de spelleider, de priester:
”      Het kostbaar en Heilig Lichaam en Bloed van onze Heer en God en Verlosser Jezus Christus wordt gegeven aan de dienaar/dienares . . . . . tot vergeving van zonden en tot het eeuwig leven“.
En vervolgens mogen wij mèt Simeon, de oude grijsaard van de ontmoeting in de Tempel zeggen:
  Nu laat Gij, Heer, Uw dienstknecht gaan in Vrede, naar uw Woord, want mijn ogen hebben Uw Heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volkeren: Licht tot Openbaring voor de heidenen en Heerlijkheid voor Uw Volk Israël”.
Allen die God zoeken buiten onze Heer Jezus Christus en zich houden bij de natuur, zullen:   òf geen Licht zien/ datgene vinden dat hen werkelijk kan bevredigen,

  • òf zij zullen er toe komen een middel te vinden om God te kennen en Hem te dienen zonder Verlosser, en daardoor  zullen zij vervallen in het atheïsme of het deïsme, beiden evenzeer door de Christelijke Godsdienst verafschuwd.
  • Zonder Jezus Christus als één met de Heilige Drieëenheid zou de wereld niet bestaan; want dan zou zij òf verwoest moeten worden, òf zij zou ons tot een hel zijn.
  • Indien de wereld zou bestaan om de mens over God te onderrichten, zou Zijn Goddelijkheid stralen op een onmiskenbare wijze; doch daar de wereld alleen bestaat door Christus als God ,
    èn voor Jezus Christus als onze Hogepriester
    èn om de mensen te leren hoe verdorven zij zijn
    èn hoe zij verlost worden, straalt alles van de bewijzen voor die twee waarheden.
  • Wat er te zien is, is geen algehele uitsluiting, nòch een klaarblijkelijke aanwezigheid van Zijn goddelijkheid, maar de aanwezigheid van een God, Die Zich verbergt. Als wat bestaat draagt dit karakter.
  • Het is dus waar, dat alles wat de mens over zijn toestand onderricht,
    doch men dient het wèl goed te verstaan: want het is niet waar dat God alles aantoont, en het is niet waar dat alles God verbergt.
    Doch het is tegelijk waar, dat Hij Zich verbergt voor hen die Hem verzoeken, en dat Hij Zich laat ontdekken aan hen die Hem zoeken, omdat de mensen tegelijkertijd onwaardig en geschikt zijn om God te ontvangen; onwaardig door hun bederf, en geschikt door hun oorspronkelijke natuur.

Feest-Apolytikion Vespers:
tn.1.
Verheug u, Hoogbegenadigde, Moeder God’s en Maagd,
want uit u is opgegaan de Zon der Gerechtigheid, Christus onze God,
om hen te verlichten, die in duisternis gezeten zijn.
Verheug u ook, rechtvaardige Grijsaard,
want in uw armen hebt gij gedragen
de Bevrijder van onze zielen,
Die ons ook de Opstanding schenkt
”.

Lied na Psalm 50[51] in de Metten:
tn.6.
  Heden wordt de Poort van de Hemelen geopend, want het Woord van de Vader, is Zijn bestaan begonnen in de tijd, zonder gescheiden te worden van Zij Godheid.
Uit vrije Wil doet Hij Zich dragen naar de Tempel van de Wet, als een kind van 40 dagen uit Zijn Moeder. De oude Simeon neemt Hem in zijn armen.
‘Laat mij in vrede heengaan’, zo roept de dienaar tot Zijn Meester,
‘want mijn ogen hebben Uw Heil aanschouwd’
Gij, Die in de wereld gekomen zijt om het menselijk geslacht te verlossen,
Heer, eer aan U
”. 


troparia van Canon – de megalynaria 9e ode:
Trop.
tn.3.
    De Ouden hadden een paar tortels of jonge duiven,
maar in plaats daarvan dienden
de goddelijke Grijsaard en de wijze Profetes Anna.
Zij bezongen Hem, Die uit de Maagd geboren was,
als de Zoon, de Gelijke van de Vader,
Die kwam in de Tempel
van Zijn Heerlijkheid”.

Trop.
tn.3.
  Gij hebt mij de vreugde van Uw Heil weer gegeven, o Christus,
zo riep Simeon uit:
‘ik ben vermoeid van de voorafschaduwing,
maak mij tot een heraut van Uw Genade,
om U in hymnen te verheerlijken’
”.


Trop.
tn.3.
  Tolk van goddelijke Wil was Anna,
de wijze en vererenswaardige Heilige.
Met luide stem beleed zij de Heer in de Tempel,
terwijl zij alle aanwezigen opripe,
om de Moeder God’s te verheffen”.

Exapostilarion
tn.3a.
  Door de Geest naar de Tempel geleid
mocht de grijsaard de Meester der Wet in zijn armen ontvangen,
terwijl hij uitriep:
‘Bevrijd mij nu in vrede van de boei van mijn vlees,
zoals Gij gezegd hebt,
want met mijn eigen ogen heb ik mogen aanschouwen
de Openbaring van de Volkeren
en de verlossing van Israël
” [de Kerk].

36e zondag na Pinksteren – zondag van de Talenten – hebben wij met de van God ontvangen talenten Zijn heilsplan uitgevoerd?

    Want het is als bij een mens, die bij zijn vertrek naar het buitenland zijn slaven [dienaren] riep en hun zijn bezit toevertrouwde.
✥✥✥   En de een gaf hij vijf talenten, een ander twee, een derde een, een ieder naar zijn bekwaamheid, en hij reisde buitenslands.
Terstond ging hij, die de vijf talenten ontvangen had, op weg, en hij deed er zaken mede en verdiende er vijf bij.
Evenzo verdiende hij, die de twee talenten had, er twee bij.
Maar hij, die het ene talent ontvangen had, ging heen en groef een gat in de grond en verborg het geld van zijn heer.
            En na lange tijd kwam de heer van die slaven en hield afrekening met hen.
En die de vijf talenten ontvangen had, trad toe en bracht nog vijf talenten bovendien, zeggende: ‘ Heer, vijf talenten hebt gij mij toevertrouwd: zie, ik heb er vijf talenten bij verdiend’. Zijn heer zei  tot hem. ‘Wel gedaan, gij goede en getrouwe slaaf, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer.
Die met de twee talenten trad ook toe en zei:
‘ Heer, twee talenten hebt gij mij toevertrouwd; zie, ik heb er twee talenten bij verdiend. Zijn heer zeide tot hem: ‘Wel gedaan, gij goede en getrouwe slaaf, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer.
Nu kwam ook hij, die het ene talent ontvangen had, en zei:
‘ Heer, ik wist van u, dat gij een hard mens zijt, die maait, waar gij niet gezaaid hebt, en die bijeenbrengt van plaatsen, waar gij niet hebt uitgestrooid. En ik was bevreesd en ben heengegaan en heb uw talent in de grond verborgen hier hebt gij het uwe. En zijn heer antwoordde en zei tot hem: ‘ Gij slechte en luie slaaf, wist gij, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb en bijeenbreng van plaatsen, waar ik niet heb uitgestrooid? Dan hadt gij mijn geld aan de bankiers moeten geven en ik zou bij mijn komst mijn eigendom met rente opgevraagd hebben. Neemt hem dan het talent af en geeft het aan hem, die de tien talenten heeft. Want aan een ieder, die heeft, zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben. Maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. En werpt de onnutte slaaf uit in de buitenste duisternis. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars
Matth.25: 14-30.

    Maar als medewerkers [van God] vermanen wij u ook de Genade van God niet tevergeefs te ontvangen,  want Hij zegt: ‘ ten tijde van het welbehagen heb Ik u verhoord en ten dage van het Heil ben Ik u te hulp gekomen; zie, nu is het de tijd van het welbehagen. Zie, nu is het de dag van het Heil’.
Wij geven in geen enkel opzicht enige aanstoot, opdat onze bediening niet gesmaad zal worden, maar wij doen onszelf in alles kennen als dienaren van God:
‘ in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten, in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de Heilige Geest, in ongeveinsde liefde, in de prediking van de waarheid, in de Kracht van God; met de wapenen van de Gerechtigheid in de rechterhand en in de linkerhand; onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en toch betrouwbaar; als niet bekend en toch wel bekend; als stervend en zie, wij leven; als getuchtigd, maar niet ten dode; als bedroefd, maar altijd blijde; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en toch alles bezittend2Cor.6: 1-10.

Wat is de mens, dat Gij hem hebt grootgemaakt?
Of dat Gij Uw aandacht op hem vestigt?
Dat Gij hem bezoekt tot aan de vroege morgen en
hem oordeelt tot aan zijn rust?
LXX Job 7: 17-18.

God is Degene,
Die de harten van de mensen schept, elk op zich;
Hij begrijpt al hun werken”

Psalm 32[33]: 15.

Is het Woord van God van u afkomstig, is het bij u begonnen? Of heeft het u alleen maar bereikt?
            Indien iemand meent een Profeet of een geestelijk [geïnspireerd] mens te zijn, laat hij dan wel weten, dat hetgeen ik [Paulus] u schrijf, ‘een gebod des Heren’ is.
Maar indien iemand hier geen rekening mee houdt, dan wordt er ook met hem/haar geen rekening gehouden. Zo dan, mijn broeders, streeft ernaar te profeteren en belemmert [elkaar] het spreken [op basis van de Heilige Geest] in tongen niet. Laat alles netjes, zoals het hoort en in goede orde [verlopen] geschieden” conf. 1Cor.14: 36b-40.
In simpele bewoording weergegeven verkondigt Paulus, dat
alles binnen de Kerk fatsoenlijk [volgens de regels van het spel] gedaan zou moeten worden” en juist dit geeft exact en onomwonden aan ‘wàt‘ de limieten van de werking van de kerkelijke gemeenschap inhouden.
Daarom is iedere activiteit, operatie of actie binnen en buiten de grenzen van de kerkelijke orde, niet alleen een probleem voor het Leven van het ‘Lichaam van Christus de Kerk, maar ook een navolging of een overtreding van de Blijde Boodschap van Christus en het Apostolisch Gebod, kortom het Evangelie.
Elke afwijkende activiteit welke wij als Christen aan de dag leggen beïnvloedt het gehele leven van de kerkelijke gemeenschap voor zover het zijn historische continuïteit aangaat en vormt op deze manier, de evolutie van het verloop van de kerkelijke voortgang, de uiteindelijke uitwerking tot behoud van God’s Heilsplan.

Hoeveel mensen hebben hun talenten niet ingezet en zich verzet tegen pauselijke/patriarchale innovaties binnen de Kerk en hebben in plaats daarvan de weg van de ballingschap gekozen.
Hoeveel pauselijke/patriarchale ingrepen hebben niet een onrust teweeg gebracht en problemen opgeworpen voor de voortgang van het Leven van het ‘Lichaam van Christus de Kerk.
Gevolgd door hun vijand, de inquisitie vonden ze momenten van respijt in het onderwijzen van de mensen om vol te houden in vroomheid door de leringen van de Heilige Vaders te handhaven. Zij volgenden het Woord en de daden van de vroeg-Christelijke Kerk, waarbij geen sprake was van ‘aanzien des persoons’ [= zonder iemand voor te trekken; zonder er rekening mee te houden om wie het gaat]. In alle oprechtheid verdedigden zij het waarachtige Geloof en ondervonden zij bij voortduring de uitwerking van hun krachtige religieuze geweten en de kracht tot aanvaarding van het martelaarschap als gevolg van hun overtuigingen.
In alle orthodoxe diensten en bijeenkomsten wordt begonnen met het aanroepen van de Heilige Geest – òf er vervolgens ook aandacht aan besteed wordt valt te betwijfelen. Òf het moet zó zijn dat de Heilige Geest bewust chaotische winden doet waaien teneinde ons waarachtig Geloof te beproeven. In de strijd om de ware orthodoxie te verdedigen, wekt zowel Christus, als Paulus in ons een het besef dat er gevochten dient te worden voor de integriteit van de ‘Orthodoxie in het algemeen, en het behoud van het Leven van het ‘Lichaam van Christus de Kerk in het bijzonder.

Hoe kan het morele tekort in organisaties worden verminderd en
het morele handelen van toezichthouders en spelleiders worden bevorderd?

Er is sprake van een mogelijk gebrek aan morele leerprocessen,  gebrek aan integriteit en daarbij dient onderscheid te worden gemaakt tussen persoonlijke en professionele integriteit. Centraal bij persoonlijke integriteit staat de vraag:
Wat is voor de persoon in kwestie ‘het goede’ in het leven?
Bij professionele integriteit gaat het om de vraag: ‘hoe goed’ doet de persoon in kwestie z’n werk?

Door de scheiding van deze begrippen en het loskoppelen van de centrale vragen: ‘wat is voor mij het goede leven?’ en ‘wat is bij goed [samen-]werken?’ onhoudbaar?
Het uitoefenen van een beroep is deel van een groter geheel, van een persoonlijk en maatschappelijk leven waarin een persoon niet alleen ‘zijn opgeblazen-ik-gevoel‘ volop de ruimte geeft, òf, in het andere uiterste, zich slaafs conformeert aan de waarden van zijn beroep of functie.
Professionele integriteit houdt voor navolgers van Christus ‘niet op’ bij het goed uitoefenen van een beroep, maar impliceert het inbrengen van persoonlijke idealen, waarden en commitments. Dat vergt de kunst om te balanceren op het koord dat gespannen is tussen persoonlijke integriteit en beroepsmatige integriteit en de daaraan verbonden idealen, worden deze verminderd of wordt het morele handelen van toezichthouders en spelleiders bevorderd?

Toezichthouders en spelleiders en in hun kielzog binnen de verschillende gemeenschappen de navolgers van Christus dienen zich –‘in alles’– te doen kennen als: “     ‘dienaren van God’:
in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten, in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de Heilige Geest, in ongeveinsde liefde, in de prediking van de waarheid, in de Kracht van God; met de wapenen van de Gerechtigheid in de rechterhand en in de linkerhand; onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en toch betrouwbaar; als niet bekend en toch wel bekend; als stervend en zie, wij leven; als getuchtigd, maar niet ten dode; als bedroefd, maar altijd blijde; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en toch alles bezittend’“.

Waarden drukken een beoordeling uit en verwijzen meestal op een meer algemene wijze naar aspecten van het leven die we belangrijk vinden en waardoor we ons in ons handelen laten leiden. ’Waarden geven richting aan het denken, doen en laten’.
Het zijn middelen om te waarderen:
Zonder waarden zouden mensen niet in staat zijn tot
een persoonlijk oordeel of iets goed of kwaad is,
gewenst of ongewenst, mooi of lelijk”.

Christus kijkt toe

De voornaamste persoon is “Christus, maar daarnaast ook onze medemensen. De omstandigheden waarover de Apostel Paulus spreekt gaan alle navolgers van Christus aan en dezen dienen zich -‘in alles’- te doen kennen als: “     ‘dienaren van God’”.

Hoe kunnen wij dienaren van God zijn indien wij de door ons verkregen Genadegaven slechts gebruiken voor eigen paradepaardjes, ondergeschikten zonder overleg confronteren met vaststaande, niet meer te veranderen feiten en totaal geen overleg plegen over hoe de plaatselijke  gemeenschap haar weg gaat?
Wij worden een persoon zoals Christus wanneer wij de twee geboden der Liefde tot de enige Wet van ons bestaan maken. Dit kan alleen plaats vinden in gemeenschap met Christus en met respect en liefde tot gewone beminde gelovigen van de plaatselijke gemeenschap. Wij dienen God lief te hebben met geheel ons hart en door onze daden te bewijzen dat wij God met geheel ons hart liefhebben door onze broeders en zusters méér lief te hebben als onszelf. Eerst dan wordt ‘onze broeder ons leven’, zoals de Heilige Silouan van de berg Athos het formuleerde.
In de Kerk van Christus gaan wij om met het “overgankelijk zaad  het Woord van God in ons te ontvangen. Wij hebben dit zaad ontvangen als ‘het Mysterie van de Heilige Geest’ bij onze doop.
Bij het aangaan van het Verbond met God onze Schepper werden wij met Christus bekleed – ons hart werd ‘de akker, de aarde‘, die zich opent tot groei, tot leven‘ zoals oudvader Sophrony [Sakharov], geestelijk kind van de Heilige Silouan het noemde.

Door de jaren heen kan dit zaad, deze verkregen talenten, onvruchtbaar in de aarde liggen. En zoals we bovenstaand horen zal onze meester reageren met:
    Gij slechte en luie slaaf, wist gij, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb en bijeenbreng van plaatsen, waar ik niet heb uitgestrooid?” Hij zal dan het talent afnemen en geven aan degenen, die er wel iets meer doen.
  Want aan een ieder, die heeft, zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben. Maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden“.
Door de jaren heen kan tijdens ons [werkbare] leven het zaad onvruchtbaar in de aarde liggen, totdat onze Heer iemand vindt, die als navolger mee wil lijden en werken, zodat het zaad ontspruit en werkelijk vrucht draagt.
Daarop zegt Paulus wanneer hij zich over de voorgang van de Kerkopbouw zorgen maakt:
Mijn kinderen, ter wille van wie ik opnieuw weeën doorsta, totdat
Christus in u Gestalte verkregen heeft
Gal.4:  19.
Waarden behoren tot de meest fundamentele drijfveren van mensen. Ze motiveren tot handelen en geven richting aan het handelen. We kunnen waarden omschrijven als duurzame overtuigingen over ‘wat’ in ons handelen nastrevenswaardig is, ‘wat’ een bepaalde levenswijze waardevol maakt [het tot een goed leven maakt] en ‘welke‘ ideale eigenschappen van mensen waardevol en nastrevenswaardig zijn.
Dit is het algemeen priesterschap van de navolgers van Christus.
De Blijde Boodschap zegt hierover:
  Het Koninkrijk der Hemelen is gelijk aan een koopman, die schone parelen zocht.
Toen hij een kostbare parel gevonden had, ging hij heen en verkocht al wat hij had, en kocht dieMatth.13: 45,46.
Daarbij gaat het beslist niet om een schatrijke [Oost- en West] kerkgemeenschap, die politiek macht gebruikt om z’n eigen zin door te drijven. Dit betekent om de menselijke hartstochten te beheersen en het hart te reinigen.
Eerst dàn zullen wij gezamenlijk als Kerk, als navolgers van Christus, worden overstelpt door Genadegaven, zodat de Parel, Die ons bij het Mysterie van de Doop geschonken is, weer volop onder ons mogen stralen. Dit is het werk van de Kerk, van alle navolgers van het Lichaam van Christus en dat kan alleen door het afschrikwekkende Kruis op te nemen en de weg naar het hemels Koninkrijk te vervolgen.

Apolytikion    
tn.3.
  Dat hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen
want de Heer  heeft de Kracht van Zijn arm getoond.
Door Zijn dood heeft Hij de dood vertreden
en werd Hij de Eerstgeborene uit de doden.
Hij heeft ons verlost uit de diepten der hel
en aarde wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion    
tn.3. 
Heden zijt Gij, Barmhartige, opgestaan uit het graf,
en hebt ons verlost uit de poorten des doods,
Heden jubelt Adam en Eva verheugt zich;
en de Profeten en Patriarchen bezingen zonder einde
de Goddelijke Macht van Uw Heerschappij

Theotokion    
tn3.
  Gij zijt Middelaarster geweest bij de Verlossing van ons geslacht,
daarom prijzen wij U, o Moeder Gods en Maagd.
Want in het vlees dat Hij aannam uit uw schoot,
heeft uw Zoon, onze God,
het lijden van het Kruis ondergaan.
En heeft Hij ons uit het verderf verlost
als de Menslievende
”.

Januari de 28e – Orthodoxie – tijd en stilte – H. Ephraïm de Syriër.

      En de Heer, onze Verlosser daalde met hen af en bleef staan op een vlakke plaats en [daar] was een grote menigte van Zijn Volgelingen en een grote menigte van Volk uit het gehele Joodse land en Jeruzalem en van Tyrus en Sidon aan de zee, die gekomen waren om Hem te horen en genezen te worden van hun ziekten; en die gekweld werden door onreine geesten werden genezen.        En de gehele schare trachtte Hem aan te raken, omdat
er Kracht van Hem uitging en Hij allen genas.
       En Hij hief zijn ogen op naar Zijn aanhangers en zei:
– Zalig, gij armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.
– Zalig, gij, die nu hongert, want gij zult verzadigd worden.
– Zalig, gij, die nu weent, want gij zult lachen.
– Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten en wanneer zij u uitstoten, en smaden en uw naam als slecht verwerpen ter wille van de Zoon des mensen.
Verblijdt u te dien dage en springt op van vreugde, want, zie, uw loon is groot in de Hemelen
Luc. 6: 17-23a lezing 28 januari [gedenkdag van H. Ephraïm de Syriër

God is niet dood, Hij heeft wèl de Heilige Geest gegeven!

Maar de Vrucht van de Geest is Liefde, Blijdschap, Vrede, Toegevendheid, Vriendelijkheid, Goedheid, Trouw, Zachtmoedigheid, Zelfbeheersing.
     Tegen zodanige mensen is de Wet [en haar rechtvaardigheid’s-besef] niet.
Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd. Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het spoor houden. Wij moeten niet praalziek zijn, elkander tartend, elkander benijdend.
     Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen. Verdraagt elkanders moeilijkheden; zo zult gij de Wet van Christus vervullen”. Gal.5: 22-6: 2

Kunnen wij door ‘inzet in Christus’, onszelf in deze tijd nog verwonderen?
Er gaat een Kracht uit van de Heer, onze Verlosser en
Hij geneest ‘allen, die in Hem geloven‘.

Geloven doe je niet alleen, daar heb je elkaar voor nodig.

 

Welke Psalmen lees je in de ochtend?

    Belijdt [daarom] de Heer, want Hij is goed, want eeuwig duurt Zijn Barmhartigheid.
Getuigt dit, jullie die bevrijd zijn door de Heer; die Hij bevrijd heeft uit de hand van uw vijanden.
Want Hij heeft jullie bijeengebracht uit alle streken: vanuit het oosten, het zuiden, het noorden en de zee. Sommigen verdwaalden in de woestijn [de wereld], in een waterloos land en vonden geen weg naar een bewoonde plaats. Zij leden honger en dorst; hun ziel bezweek in hun binnenste.
Zij riepen tot de Heer in hun beproeving, en Hij verloste hen uit hun nood.
Hij leidde hen naar een goede weg, zodat zij aankwamen in een bewoonde streek.
Dat zij de Heer beiden om Zijn Barmhartigheid
om Zijn Mysteriën
[wonderen] voor de kinderen der mensen.
Want Hij heeft de smachtende ziel verzadigd en de hongerige met goederen vervuld
”.
Psalm 106[107]: 1-9 vert. ROK ’s-Gravenhage.

Daarom nemen leden van de Kerk standaard deel aan gezamenlijke bijeenkomsten in het land.
Daarom nemen leden van de Kerk standaard deel aan bijeenkomsten in hun directe omgeving, aan zogenaamde huiskringen, die verspreid plaatsvinden over het geheel land.
✥ ✥ ✥ Dit vormt als vanouds de ruggengraat van de christelijke gemeenschap, teneinde de zorgen van alledag te kunnen dragen. Geloven dat doe je niet alleen, daar heb je elkaar voor nodig.
Geloven dat doe je ‘niet’ via jouw 
WhatsApp, Linkedin of Facebook;
Geloven doe je door elkaar in elkaars huis te ontmoeten, eerst dàn
voorkom je dat je onderweg in de beproeving van eenzaamheid geraakt.
Neem daarom in ‘jouw eigen‘ omgeving het initiatief en nodig anderen, die in jouw omgeving wonen bij je thuis uit. Er is genoeg om over te praten en ga je daarbij verdiepen hoe je de christelijke weg gaat en dit weet vol te houden.
Een huiskring bestaat uit een groep van zes tot tien mensen, die eens in de twee weken bij elkaar komt. Daar leer je nieuwe mensen kennen, duik je samen de Blijde Boodschap van de Heer in en is er ruimte om door te vragen, om je kwetsbaar op te stellen en om zo samen de diepte in te gaan.
   Daar beleef je dat ‘God Goed is’ en dat je er niet alleen voor staat.
Alleen reizen op een door lotgenoten verlaten weg leidt tot eenzame beproeving, gezamenlijk optrekken is het enige dat je werkelijk rijkdom doet ervaren.
Huiskringen zijn de ruggengraat van de christelijke gemeenschap; dáár leer je reisgenoten kennen op weg naar het Hemel’s Koninkrijk.
   Daar ontstaat een groep van gemeenschapsleden, die voor elkaar zorgt en op elkaar betrokken is. Het accent ligt daar niet alleen op het onderwijs en de bijbelstudie, maar ook op de onderlinge zorg.
Lief en leed wordt daar gedeeld, er is geestelijke toerusting en gebed, kortom iedereen draagt zorg voor elkaar.  Het doel van de huiskring is onderlinge gemeenschap, geestelijke intimiteit en geloofsgroei.

Je kunt pas krachtige onderlinge gemeenschap beleven, wanneer deze in de kleine groep wordt uitgewerkt.
De zondagse samenkomst is bij uitstek een plaats voor gelovigen om samen God te aanbidden en je in de Kerk, ‘het Lichaam van Christus’ ontvangen te weten. Dáár vinden de Goddelijke Mysteriën plaats, Die je geestelijk ondersteunende  Kracht vertrekken om ondanks tegenslagen toch dóór te gaan.
Maar de onderlinge relatie komt daar minder tot zijn recht.
In een kleine groep kun je veel beter elkaar bemoedigen, troosten en versterken.
Door de deelname ontstaat er vriendschap en is er zorg voor elkaar.

In de vroeg-Christelijke Kerk speelde het leven van de gemeente zich voor een groot deel af in de huizen van de gemeenteleden:
      Zij dan, die Zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. En zij bleven volharden bij het onderwijs van de Apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebedenHand.2: 41-46;
      En Paulus vertrok vandaar en kwam in het huis van iemand, genaamd Titius Justus, die God vereerde, wiens huis naast de synagoge stond”;
      En toen wij op de eerste dag van de week samengekomen waren om brood te breken hield Paulus een toespraak tot hen en, daar hij van plan was de volgende dag te vertrekken, zette hij zijn rede voort tot middernacht. En er waren verscheidene lampen in de bovenzaal, waar wij vergaderd waren“;
    Hoe Paulus al die tijd onder u verkeerd heeft, dienende de Heer met alle besef van nederigheid, onder tranen en beproevingen, die hem overkwamen door de aanslagen van de Joden; hoe hij niets nagelaten heeft van hetgeen nuttig was om u te verkondigen en te leren in het openbaar en binnenshuisHand.18: 7, 20: 8 en 20: 18b-20;
      Ik beveel Phoebe, onze zuster, tevens dienares van de gemeenschap te Kenchreeen, bij u aan, dat jullie haar ontvangen in de Heer op een wijze, de heiligen waardig, en haar bijstaat, indien zij u in het een of ander mocht nodig hebben. Want zij zelf heeft velen, ook mij persoonlijk, bijstand verleend.
Groet Prisca en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus, mensen, die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben. Niet ik alleen ben hun dankbaar, maar ook al de gemeenschappen der heidenen. Groet insgelijks de gemeenschap bij hen aan huis. Groet mijn geliefde Epenetus de eersteling voor Christus uit Asia [en nog vele anderen
Rom.16: 1-5;
      Stelt u dan ook onder zulke mensen en onder ieder, die meewerkt en arbeidt. Ik verblijd mij over de komst van Stephanas, Fortunatus en Achaicus, want hetgeen van uw kant nog ontbrak, hebben dezen aangevuld; want zij hebben mijn geest en de uwe verkwikt. Erkent dan zulke mensen. U groeten de gemeenten van Asia. Vele groeten in de Heer van Aquila en Prisca en van de gemeenschap bij hen aan huis. U groeten al de broeders. Groet elkander met de heilige kus1Cor.16: 16-20;
      Jezus genaamd Justus, de enigen uit de besnedenen, die een van mijn medewerkers is voor het Koninkrijk Gods, en die mij dan ook tot troost is geweest. Epafras laat u groeten, die een van de uwen is, een dienstknecht van Christus Jezus, altijd in zijn gebeden voor u worstelende, dat gij moogt staan, volmaakt en verzekerd bij alles wat God wil. Want ik [Paulus] kan van hem getuigen, dat hij zich vele moeite heeft gegeven voor u en voor hen, die te Laodicea en te Hierapolis zijn. De geliefde geneesheer Lucas en ook Demas laten u groeten. Groet de broeders te Laodicea; ook Nymfa met de gemeenschap bij haar aan huis. En wanneer deze brief bij u is voorgelezen, zorgt dan, dat hij ook in de gemeenschap te Laodicea voorgelezen wordt en dat ook gij die van Laodicea u laat voorlezen“ Col.4: 11-16.

Mocht je aanvullende en/of andere vragen willen behandelen in je huiskring, dan kan de volgende indeling in soorten vragen je wellicht helpen:
1.]. Verwerkings- of begripsvragen [het lezen van de lezingen van de dag, de zondag en deze  bespreken]: wat staat er?
2.]. Belevingsvragen [of motivatie-vragen}: wat ervaar ik hierbij?
3.]. Toepassingsvragen: wat wil/kan ik ermee doen [een beslissing nemen]?

Bovenstaande driedeling kun je ook zien als: ‘hoofd – hart – handen’ of:
snappen – wil/kan ik? – wat ga ik doen?
Denk vooraf biddend na welke vragen je in ieder geval op de avond/middag van de huiskring wilt bespreken.
Neem de tijd voorafgaand om – in stilte – naar boven te halen wat jou in de dienst heeft geraakt en hoe God daarin tot je heeft gesproken.
Mocht je tijdens de dienst aantekeningen hebben gemaakt, neem ze erbij.
             NB. Indien je de dienst hebt gemist of je geheugen wilt opfrissen: op deze blog/website vind je de lezingen van de zondag behandeld.

Wissel uit wat jou in de het geheel met name aansprak.
Indien je daarin hebt ervaren dat de Heer tot je sprak, hoe
zou je dan Zijn woord aan jou in eigen bewoordingen kunnen samenvatten?
Wat betekent deze periode van het Kerkelijk jaar voor jou persoonlijk?
Deel dit in de kring en zie hoe ieders antwoord elkaar tot hulp en inspiratie kan zijn.

De gezindheid van Christus… Betrap je jezelf wel eens op een gezindheid die niet de gezindheid van Christus is? Zo ja, wat doe je dan? Hoe kan dit gedeelte je helpen? 
In Phil.2: 1-11 ligt de nadruk op de gezindheid van Christus; toch betrekt Paulus juist ook de Vader en de Geest in zijn oproep. Het gedeelte is dus Trinitarisch.
Dat wil zeggen Paulus spreekt vanuit de Drie-eenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest. Dit zie je ook terugkomen in Rom.8: 5,6 waar Paulus spreekt over de gezindheid van de Geest.
De Geest wil in ons een werk doen waardoor we steeds meer op Jezus lijken en Zijn gezindheid ontvangen. Paulus zet de gezindheid van de Geest tegenover de gezindheid van het vlees.
Kun je aangeven waar dat in je eigen leven kan ‘botsen’? Hoe ga je daarmee om?
. . . . . [Neem tijd om samen te bidden dat Gods Geest ons het verlangen geeft Zijn gezindheid steeds meer te krijgen].

Welke zinnen uit de gelezen teksten die nog niet zijn besproken, vielen jou extra op/spraken jou extra aan? Kun je onderling delen waarom?
Leren die zinnen jou persoonlijk iets over God, de Vader, over Jezus, als Zijn Zoon en de Heilige Geest? Zo ja, wat met name? [Hoe] kan dat je helpen in je eigen leven?

  In Phil.2: 8 worden de vernedering van onze Heer en Verlosser en Zijn gehoorzaamheid in één adem genoemd. In hoeverre horen ze bij elkaar; kunnen ze ook los van elkaar staan?
Kun je iets delen van wat hierover in je eigen leven [in de Kerk] speelt of speelde?

De bereidheid van onze Heer en Verlosser om de hemel te verlaten mag ons ook inspireren en motiveren om het tijdseigene van deze periode te delen met hen die Jezus nog niet kennen.
Deel met elkaar hoe je deze periode benut om over je Geloof te spreken.
Deel je ervaringen en bid samen voor hen die uit nieuwsgierigheid zijn gekomen en als deelnemers aan de huiskring uitgenodigd zijn.

Onze Heer en Verlosser, onze God in Drieëenheid, mogen we net als de vroeg – Christelijke Gemeenschap dankbaar zijn voor het Mysterie dat de Hemel onder ons bewerkt.
Mag de Genade van onze Heer Jezus Christus,
de Zoon van God, Die Zich over ons zondaars ontfermen zal
ons de Liefde  toekomen van onze Vader, in de gemeenschap met Zijn Heilige Geest,
met ons zijn en blijven, tot in eeuwigheid.

Troparion van de H. Ephraïm de Syriër
tn.8. 
De stroom van uw tranen heeft de onvruchtbare woestijn doen bloeien,
en door uw zuchten uit de diepte heeft uw arbeid honderdvoudig vrucht gedragen.
Zo zijt Gij, onze heilige Vader Ephaïm, tot een ster geworden,
die heel de aarde verlicht door uw wonderen.
Bid tot Christus onze God, om onze zielen te redden
.

Kondakion van de H. Ephraïm de Syriër
tn.2. 
Gij hebt voortdurend het uur van het Oordeel voor ogen gehad
en uzelf in diepe droefheid beweend.
Gij hebt de stilte liefgehad, heilige Ephraïm,
en door uw ascese zijt gij onze leraar geweest.
Zie in uw goedheid op ons neer
en wek onze onverschillige harten tot rouw-moedig-heid
.

– abuna Ephraïm de Syriër –

De heilige vader Ephraïm de Syriër, [arabisch: الاب المقدسة افرايم السوري, alab almuqadasat afraym alsuwriu] werd geboren in 306 in de stad Nisibis [nu Nusaybin in Turkije], in het betwiste grensgebied tussen Sassanid Assyrië en Romeins Mesopotamië , toen recentelijk door Rome verworven.
Hij wordt als een groot tekstdichter beschouwd in de Kerk van de hedendaagse multi-culturele en multi-religieuze samenleving, welke een ongekende historische rijkdom en een buitengewoon mooie natuur kent.

Pas sinds 1920 wordt deze heilige door de westerse [lees RK] Kerk vereerd als kerkleraar; dat kwam met name via Frankrijk en Engeland, welke een grote invloed hadden in deze streken van het Midden-Oosten.
Eén van de opvallendste aspecten van ‘de Levant’ is de ongeëvenaarde culturele en archeologische rijkdom. Opgravingen hebben aangetoond dat dit gebied al duizenden jaren constant bewoond is !!!   De oudste sporen van menselijke aanwezigheid dateren uit 80.000 voor Christus. De oudste belangrijke beschaving van deze streek, de Phoeniciërs, ontstond in het derde millennium voor Christus, hun opvallendste kenmerk was hun handelsgeest.
Bij de splitsing van het Romeinse Rijk kwam het gebied in 395 onder Constantinopel te staan welke Syrië tot in de 7e eeuw bestuurde. Vervolgens is er een niet aflatende ‘vreemde’ overheersing gevolgd door Omajjaden, Abbasiden, Seltsjoeken, de kruistochten, de mongolen en de opkomst van het Ottomaanse Rijk. De volkerenbond [Fransen en Engelsen] heeft geleid tot een kortstondige overheersende zekerheid tot rust, maar vanaf de onafhankelijkheidsstrijd [1916-1920, het Sykes-Picotverdrag] is het in ‘de Levant’ tot de dag van vandaag onrustig  gebleven.
Het gevaar van de multi-religieuze samenleving was voor Rome en Constantinopel [ook toen konden ze het al erg goed met elkaar vinden] aanleiding de Antiocheens Orthodoxe Kerk van de 18e tot het einde van de 19e eeuw ‘onder curatele‘ te stellen van de autofecale kerk van Athene. In de officiële tenaamstelling is dit nog af te lezen: ‘Grieks-orthodox Patriarchaat van Antiochië’.

In de dagen van Ephraïm de Syriër werden er in de stad Nisibis talloze talen gesproken, afgeleide  dialecten van het Aramees, de christelijke gemeenschap gebruikte een Syrisch dialect. Ephraïm werd reeds op jeugdige leeftijd en was binnen een vroeg-Christelijk wijze van monastiek leven vrijwel zeker een ‘zoon van het Verbond met God‘.  Jacob, de tweede bisschop van Nisibis stelde Ephraïm aan als leraar [Syrisch malp̄ānâ, Arabisch muealam], een titel die nog steeds veel respect oproept onder Syrisch Orthodoxe Christenen. Hij werd tot lezer, subdiaken en vervolgens tot diaken gewijd en begon kerkelijke Hymnes te componeren en bijbelse commentaren te schrijven als onderdeel van zijn in Christus gegeven stijl gegeven pedagogisch onderwijs.
In zijn Hymnes verwijst hij soms naar zichzelf als een ‘herder‘, naar zijn toezichthouder als ‘de herder‘ en naar zijn gemeenschap als een ‘kudde’.
De heilige Ephraïm wordt algemeen beschouwd als de stichter van de Theologische School van Nisibis, die in latere eeuwen uitgroeide tot het centrum van het onderwijs van de Antiocheens Orthodoxe Kerk.
  Ik werd weliswaar op de weg naar de Waarheid geboren: hoewel ik in mijn puberjaren de grootsheid van deze Genade niet onderkende, werd ik hierin eerst onderwezen toen de beproevingen kwamenconf. Adversos Haereses, XXVI.
Hij leefde eenzaam in afzondering en werd nimmer tot priester gewijd.
Na de verovering van Nisibis door Perzië in 363, vestigde Ephraïm zich in het Romeinse Edessa waar hij de hymnen componeerde, die tot op de dag van vandaag in de Antiocheens Orthodoxe Kerk  worden gebruikt.
Zijn composities werden vertaald in het Armeens en het Grieks, en via de laatstgenoemde taal overgezet in het Latijn en Slavisch. Vele werken in deze westerse vertalingen, die aan hem worden toegeschreven, zijn, nochtans, niet werkelijk van zijn hand.
Veel van Ephraïm’s exegetische, dogmatische en ascetische werken zijn in versvorm.
Hij schreef verscheidene polemische werken om de ketterijen van Marcion,  Bardaisan, Mani, het Arianisme, de gnostische Borboriten en de Anomeanen te weerleggen. Hij schreef brede beschouwende commentaren op de Blijde Boodschap, waaronder over Genesis en een samengestelde chronologische weergave van de vier Evangeliën [Diatessaron].
Zijn geschriften bevatten omvangrijke typologieën en symboliek.
Meer dan 500 hymnen zijn bewaard gebleven.
Zijn poëzie bevat twee genres: als ‘Hymnen‘ en als ‘Preken‘ in versvorm.
Na zijn dood werden de hymnen in hymnen-cycli geplaatst, hiervan zijn de bekendste het Geloof [incl. die van de ‘vijf over de Parel van het Geloof‘),
het Paradijs en Nisibis [vooral de 2e helft:
de Afdaling van Christus in Hades/ de Sheol.
Zijn liturgische poëzie had een geweldige invloed liedkunst zowel voor ‘de Levant’ als die van Griekenland. In de christelijke Geloof’s-gemeenschappen van de Levant wordt hij in navolging van de Psalmdichter David geëerd als ‘de harp van  de Heilige Geest‘.
Met name één hymne, welke als niet identiek wordt beschouwd, is:
    Ik, Efraïm ben stervende en schrijf mijn nalatenschap.
Moge het een getuigschrift zijn voor hen, die na mij komen;
Bidt dag en nacht, uw gehele leven lang.
Zoals een ploeger, dag in dag uit, zijn grond omploegt.
Een ploeger, is de trouw aan zijn dagelijkse bezigheden;
hij is bewonderenswaardig en doet geen slechte dingen;
wees niet zoals luiaards van wie de velden
met doornen overwoekerd zijn.
Bidt zonder ophouden, want hij die het gebed liefheeft, zal
zowel hier op aarde als in de Hemelen God’s hulp en bijstand genieten”.”

Uiteraard kan dit resumé van zijn leven niet afgesloten worden zonder
het onder Orthodoxen bekende gebed van Ephraïm de Syriër, welke
in de grote en heilige vastenperiode gebeden wordt en
voor de lenigen onder ons begeleid wordt door lichamelijke oefeningen:
Heer en Meester van mijn leven,
Bewaar mij voor een geest van luiheid, moedeloosheid, heerszucht en ijdel gepraat.  *
Maar schenk mij, uw dienaar, een geest van ingetogenheid, nederigheid, geduld en liefde. *
Ja mijn Heer en mijn Schepper, doe mij mijn eigen fouten zien en niet mijn broeder veroordelen;
want gij zijt gezegend in de eeuwen der eeuwen. 
Amen“. *
* [
Grote buiging]
Heer reinig mij van mij zonden“. [afsluitend, + Kleine buiging, 10 x].