30e Zondag na Pinksteren – Zondag voorafgaand aan de Geboorte van Christus, waarbij wij de Rechtvaardigen gedenken, die God aangenaam zijn geweest, van Adam tot/met Joseph, de verloofde van de Theotokos; het Voorfeest van Kerst.

    Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham.
Abraham verwekte Isaäc, Isaäc verwekte Jaäcob, Jaäcob verwekte Juda en zijn broeders, Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram,
Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon,
Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isai,
Isai verwekte David, de koning. David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria,
Salomo verwekte Rechabeam, Rechabeam verwekte Abia, Abia verwekte Asa,
Asa verwekte Josafat, Josafat verwekte Joram, Joram verwekte Uzzia,
Uzzia verwekte Jotam, Jotam verwekte Achaz, Achaz verwekte Hizkia,
Hizkia verwekte Manasse, Manasse verwekte Amon, Amon verwekte Josia,
Josia verwekte Jechonja en diens broeders ten tijde van de Babylonische ballingschap.
     Na de Babylonische ballingschap verwekte Jechonja Sealtiel, Sealtiel verwekte Zerubbabel,
Zerubbabel verwekte Abihud, Abihud verwekte Eljakim, Eljakim verwekte Azor,
Azor verwekte Sadok, Sadok verwekte Achim, Achim verwekte Eliud,
Eliud verwekte Eleazar, Eleazar verwekte Mattan, Mattan verwekte Jakob,
Jaäcob verwekte Jozeph, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Christus genoemd wordt.
Al de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten en van David tot de Babylonische ballingschap veertien geslachten en van de Babylonische ballingschap tot de Christus veertien geslachten.
De geboorte van Jezus Christus geschiedde aldus.
Terwijl zijn moeder Maria ondertrouwd was met Jozeph, bleek zij, voordat zij gingen samenwonen, 
zwanger te zijn uit de heilige Geest.
Daar nu Joseph, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, was hij van zins in stilte van haar te scheiden.
     Toen die overweging bij hem opkwam, zie, een engel des Heren verscheen hem in de droom en zei:
    Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit de heilige Geest. Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het die Zijn Volk zal redden van hun zonden.
       Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen de Heer door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide:
      Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immanuel geven, hetgeen betekent: God met ons.
   Toen Jozef uit zijn slaap ontwaakt was, deed hij, zoals de engel des Heren hem bevolen had en hij nam zijn vrouw tot zich. En hij had geen gemeenschap met haar, voordat zij een zoon gebaard had. En hij gaf Hem de naam JezusMatth.1: 1-25.

    Door het Geloof heeft Hij vertoefd in het land van de Belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaäc en Jaäcob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte; want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.
En wat moet ik nog verder aanvoeren?
Immers, de tijd zou mij ontbreken, als ik ging verhalen van 
Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en Samuël en de profeten, die door het geloof koninkrijken onderworpen, gerechtigheid geoefend, de vervulling der belofte verkregen hebben, muilen van leeuwen dichtgesnoerd, de kracht van het vuur gedoofd hebben.
Zij zijn aan scherpe zwaarden ontkomen, in zwakheid hebben zij Kracht ontvangen, zij zijn in de oorlog sterk geworden en hebben vijandige legers doen afdeinzen.
Vrouwen hebben haar doden uit de opstanding terugontvangen, anderen hebben zich laten folteren en van geen bevrijding willen weten, opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben.
Anderen weder hebben hoon en geselslagen verduurd, daarenboven nog boeien en gevangenschap.
Zij zijn gestenigd, op zware proef gesteld, doormidden gezaagd, met het zwaard vermoord; zij 
hebben rondgezworven in schapevachten en geitevellen, onder ontbering, verdrukking en mishandeling – de wereld was hunner niet waardig –
zij hebben rondgedoold door woestijnen, en gebergten, in spelonken en de holen der aarde.
Ook deze allen, hoewel door het Geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komenHebr.11: 9-10, 32-40.

Met de eerste twee Griekse woorden, biblos geneseōs [lett. ‘boek van de oorsprong’] in de weergave van de Blijde Boodschap naar Mattheüs wordt het boek Genesis in herinnering geroepen en een verband gelegd met de eerste hoofdstukken van de Bijbel.
Het kan dus zijn dat Mattheüs hier spreekt over het ‘boek van de geschiedenis’ en daarmee het hele hierna volgende Evangelieboek bedoelt. Maar aangezien alle geschreven teksten ‘boeken’ werden genoemd, kan het ook ‘geslachtslijst’ betekenen en dan heeft Mattheüs hier de lijst van zijn 1e hoofdstuk vers 2-17 op het oog.
In beide gevallen wordt echter een verband gelegd met de eerste hoofdstukken van de Blijde Boodschap.
De schepping van hemel en aarde [Gen.2: 4] en de schepping van de mens [Gen.5:  1] wordt met de ‘Geschiedenis’ van Jezus Christus in verband gebracht.
Via deze Joodse man, de Zoon van David, de Zoon van Abraham, zal de oorspronkelijke bedoeling van God met de Schepping, de mensheid en geheel Israël [incl. de Kerk] hersteld worden: 
    Gaat dan heen en maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heiligen Geest en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van de wereldMatth.28: 19-20.
Deze inleiding is te vergelijken met het prachtige begin van het Evangelie naar Johannes de Theoloog.

In het leven van onze Heer Christus Jezus nemen vrouwen een bijzondere plaats in. Maar dat begint al direct in de allereerste verzen van het eerste Evangelie in het Nieuwe Testament. Daar treffen we het geslachtsregister van Jezus Christus aan. Vrouwen in het geslachtsregister van de grote Koning. Een grotere revolutie binnen de cultuur van die tijd kon vrijwel niet.
We gaan er dus naar kijken.

Er is een heel concreet onderscheid tussen het geslachtsregister in Lucas en dat in Mattheus. Veel theologen worstelen met de verschillen die ze terugvinden in deze registers.
De belangrijkste oorzaak ligt in het feit dat ze niet opmerken dat elk Evangelie zijn eigen invalshoek heeft om het leven van Christus te belichten.
Zo tekent Lucas onze Heer als de Zoon des mensen.
    Vandaar dat het geslachtsregister van Lucas begint met de aardse naam Jezus en dan terugloopt in de geschiedenis naar de eerste mens: Adam. In deze menselijke lijn wordt – geen enkele keer – een vrouw vermeld.
      Mattheüs tekent Christus als de Koning. Het geslachtsregister welke hij optekent werkt vooruit in de geschiedenis, maar begint niet bij de eerste mens, maar bij Abraham. De eerste aan wie de beloften van het komende Koninkrijk gedaan zijn. Mattheus tekent de lijn vanaf Abraham naar Joseph, maar dan staat er in tegenstelling tot het geslachtsregister van Lucas bij dat hij de man was ‘van Maria, de Moeder God’s’.
       Het is zeer opvallend dat in de menselijke lijn geen vrouw genoemd wordt, maar juist als die lijn getekend wordt die recht geeft op de troon van David er -‘vier vrouwen’- vermeld worden.
Het was zo-wie-zo al heel apart dat er vrouwen vermeld worden in een geslachtsregister; dat deed men niet. Nu juist in die hoge lijn, waar het recht op de troon uit zal blijken, worden er maar liefst -‘vier vrouwen’- vermeld.

Letterlijk vertaald, begint Mattheüs met de woorden: ‘het boek van de ‘Genesis’ van Jezus …’. Daarna volgt een lange lijst met namen. Veel mensen hebben dan de neiging om dat saaie stukje maar over te slaan. Toch hebben zelfs de stambomen ons iets te vertellen.

De Joodse schrijver Mattheüs, bouwt zijn boek op volgens het model van de Thora [de Wet], die met Genesis begint. Genesis betekent ‘oorsprong, voortbrengsel’, maar ook ‘stamboom’.
Zo heeft Mattheüs zelfs het inleidende zinnetje uit Genesis 5:1 geleend, dat begint met: ‘Dit is het boek van de Genesis van Adam’.

Zowel in Mattheüs 1 als in Genesis 5 volgt er dan een stamboom. 
Mattheüs gebruikt in zijn geslacht’s-register het getal 14. Het getal 10 drukt de verantwoordelijkheid van de mens uit tegenover God: de tien woorden van de Wet; het getal 4 duidt op de volheid in de schepping van deze wereld.
Mattheüs gebruikt 3 maal het getal 14, omdat er 3 maal 14 pleisterplaatsen waren waar Israël tijdens de uittocht verbleef [Numeri 33]. Het getal 42 [3×14] spreekt over de weg van de slavernij naar de Verlossing.
In navolging van de 42 pleisterplaatsen in Numeri 33, worden de meeste Thora-rollen zo geschreven dat er op ieder vel 42 regels onder elkaar staan, verdeeld in drie kolommen.

Iēsous is de Griekse vorm van het Hebreeuwse jēsjūa’, hetgeen ‘de Heer is redding’ betekent. Christos, (gezalfde) is Grieks voor ‘messias’, de persoon over Wie de profeten profeteerden en die Israël verwachtte. Jezus is de eigennaam en ‘Messias’ de ambtsnaam of titel.
Zoon van David’ was de meest gangbare messiaanse titel onder de Joden [vgl. Psalmen van Salomo, hfst.17]: de Messias zou voortkomen uit het geslacht van David, dat de belofte van een eeuwig koningschap had ontvangen [2Sam.7: 12-13; Isaiah.9: 6]. Deze benaming spreekt primair van Heil voor Israël [voor de Kerk].

Jezus was, evenals David, ook een nakomeling van Abraham [vs.2-16].
Abraham, zelf een heiden van geboorte, was de eerste die een messiaanse belofte ontving, die sprak over heil voor de volkeren [Gen.12: 3; 18: 18; 22: 18].
Deze belofte zal uiteindelijk in Jezus vervuld worden [vgl. Matth.8: 11-12; 28:19; Rom.4 :1-25; Gal.3: 6-29].

In de samenstelling van beide lijsten vindt men getallensymboliek.
Het duidelijkst is dit bij Mattheüs 1: 17. Hij noemt 3 x 14 generaties tussen Abraham en Jezus.
Maar ook bij Lucas komen we dit impliciet tegen. Hij plaatst Jezus in de wereld-geschiedenis die met Adam begint. ‘God’ niet meegeteld, geeft hij 77 namen, d.w.z. 11 x 7.
In de joodse literatuur komen we op verschillende plaatsen het verschijnsel tegen, dat ofwel de wereldgeschiedenis [vanaf Adam], ofwel de geschiedenis van Israël [vanaf Abraham] wordt ingedeeld in weken.
Een periode van zeven geslachten vormde in de apocalyptische tijdrekening een wereldweek. Men rekende wel met twaalf wereldweken.
Jezus staat zo gezien aan het einde van de elfde wereldweek, dat betekent dat met Hem een nieuw tijdperk begint, de twaalfde wereldweek.
De laatste wereldperiode, de tijd van het messiaanse Heil is met Hem aangebroken.
Na deze korte en krachtige typering van de persoon van Jezus volgt de geslachtslijst.
Het gaat er in de geslachtsregisters dus niet alleen om de exacte afkomst van Jezus te geven, maar veeleer om Hem te doen uitkomen als het hoogtepunt in een door God geleide historische ontwikkeling.
Het gaat er in de geslachtsregisters dus niet alleen om de exacte afkomst van Jezus te geven, maar veeleer om Hem te doen uitkomen als het hoogtepunt in een door God geleide historische ontwikkeling.

Hoe lang nog?, dat Hij wederkomt.
    Zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naar dat zijn werk isOpenb.22: 12.
Wanneer is spoedig?
Als iets met spoed verstuurd moet worden of doorgegeven moet worden, dan dient het op korte termijn, zo snèl mogelijk plaats te vinden.
Maar spoedig, dat betekent dat het op korte termijn zal gebeuren.
Er wordt niet bij verteld op welk moment precies, maar het duurt niet lang meer.

            Onze Heer en Verlosser Jezus zegt tegen ons:
zie, Ik kom spoedig!” Het duurt niet lang meer, de tijd is gekomen.
Natuurlijk heeft onze Heer dat 2000 jaar geleden aan Johannes laten weten, maar
het zal niet lang meer duren.
Hoe lang nog?
Dat weten we niet, want tegen de engel schrijft in Openbaringen [3: 1-13] aan de
Geloofsgemeenschap van Sardis [Hebr.= Sered ‘vrees’ tot God]:
”    Ik kom als een dief in de nacht, u zult niet weten welk moment dat is“.
We kunnen niet zomaar zeggen op welk moment Jezus terugkomt, dat
is niet voor ons mensen weggelegd.

Tòch zijn er bepaalde zaken die aangeven dat de tijd dichterbij komt.

giro 555

         Onze Heer en Meester geeft Zelf de tekenen aan als Hij spreekt over hongersnood en ziektes, natuurrampen en oorlogen. We zien het allemaal om ons heen gebeuren en het lijkt steeds sneller na elkaar op te volgen en aan de natuurrampen blijken we zèlfs nog mee te werken ook. Daarnaast komen we ook weer terug bij het woordje spoedig, dat kan elk moment zijn. Het zijn allemaal tekenen dat Christus terug zal komen en Hij komt zeker!

We hebben twee kerstdagen en die mogen we allebei gebruiken.
We mogen deze gebruiken voor twee zaken:
1.]. Het gedenken en vieren van de komst van onze Heer en Verlosser Jezus, de Christus in het Vlees hier op aarde. Hij is naar ons toegekomen om de dood te overwinnen.
2.]. We mogen uitzien naar Zijn wederkomst.
Het moment dat alles ten einde loopt hier op aarde, dat het gewoon afgelopen is.
Die dag nadert met rasse schreden en het duurt niet lang meer, Hij komt spoedig.

Op die dag krijgen we ons loon, we krijgen ons loon naar onze werken.
– Wat hebben we voor Christus gedaan en
– hoe hebben we onze tijd hier op aarde besteed?
De kinderen van God krijgen hun loon, dat is niet zoals wij dat kennen.
Het gaat op God’s manier en hoe dat precies zal zijn, dàt weten we niet.
Onze Drie-ene God weet het en deze oproep staat er zodat we ons gereedmaken.
We moeten niet in slaap sukkelen, maar verwachten.
We dienen er helemaal klaar voor te staan.
En als ik dan om me heen kijk, dàn zie ik de tekenen van het einde.
Maar ik zie ook veel slapende mensen, ze doen maar wat en
leven bijna zònder God.
          Begrijp me goed, ik ben niets beter dan ieder ander, sterker nog ik ben de grootste zondaar en deze oproep geldt voor ons allemaal, maar we dienen waakzaam te zijn! Laten we dat daarom samen doen, elkaar hierin bevestigen!

Wat een heerlijk moment als Hij komt.
De pijn is weg en ook het verdriet, het zal goed zijn.
Niet zo ‘goed’ zoals wij het op aarde kennen, maar ontzagwekkend ‘goed’ zoals God het kent.
Dàt kennen wij nu nog niet, maar straks zullen we leren wat goed is.
Hij komt spoedig, laten we ons klaarmaken!

Hypakoi     tn.8.
Een engel maakte voor de Jongelingen het vuur koel als dauw;
zoals deze ook tot de Myrondraagsters sprak:
Waarom brengen jullie Myron? Wie gaan jullie zoeken in het graf?
Christus is opgestaan, want Hij is
het Leven en de Verlossing van het geslacht der mensen
”.

Apolytikion     tn.4.
“ Maak u gereed, Bethlehem [Hebr.= ‘huis van brood’ (voedsel)]
want nu is Eden [Hebr.= ‘ genoegen’] voor allen geopend.
Verheug u, Efrata [Hebr.= ‘ashoop: plaats van vruchtbaarheid’],
want de Boom des Levens is in de grot opgebloeid uit de Maagd.
Haar schoot was het geestelijk Paradijs, waarin
Zich de Goddelijke Spruit bevond.
En wanneer wij daarvan eten, zullen wij leven en niet zoals Adam sterven.
Want Christus wordt vlees om de gevallen icoon weer op te richten”.

Kondakion     tn.3.
    Ziet reeds  nadert de Maagd, om
het Woord dat voor de eeuwen is op
onuitsprekelijke wijze in een grot te baren.
Jubel, o wereld, nu jullie dit hoort;
roemt met de engelen en de herders voor
Hem, Die als een Kind ons verschijnen wil:
onze God, Die is voor alle eeuwigheid
”.

Hier kan zelfs Albert Einstein met al z’n wetenschappelijk optreden niet tegen op
– een deze dagen is zijn brief met bevindingen over iedere vorm van Godsdienst, welke als ‘primitief’ wordt afgedaan voor bijna 2,9 miljoen dollar verkocht.
In plaats van een loopjongen een fooi te geven gaf hij deze arme drommel de brief, die nù geveild werd. Heb je ooit een grotere aanval van de Humanisten op het Christelijk Geloof meegemaakt???
Laten wij ‘met God‘ wijzer zijn – wijzer, dan de wijzen, met hun macht en het geld van deze wereld:
    Gedenk hoe wij mensen ‘het Leven” ontvangen hebben!
Is dàt in ons leven ook al gebeurd, in de gemeenschap van navolgers van Christus?
Hebben wij de boeteprediking ook al op die manier ontvangen, zodat we
in plaats van onszelf te verschonen, in plaats van onze zonden te bagatelliseren, te verkleinen, voor God in mochten vallen en zeggen:
Amen, het is waar. Heer, U bent rein in Uw spreken; 
‘Ik heb Uw Thora, Uw Wet geschonden. Ik heb gedaan wat kwaad was in Uw ogen’“.
    Gedenk hoe wij mensen ‘het Leven’ van oudsher ontvangen hebben!
In Sardis werd niet alleen de Wet gepredikt. Neen, ook de Blijde Boodschap van het evangelie werd daar verkondigd!
De blijde boodschap, die spreekt van ‘het Lam Gods Dat de zonden der wereld wegneemt‘, is ook daar in Sardis gebracht.
Hij is hun gepredikt, Die ons zo vriendelijk uitnodigt:
    Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;
neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen;
want Mijn juk is zacht en Mijn last is lichtMatth.11: 28-30.
De Vrucht van die prediking was dat er ook in Sardis mensen waren gekomen, die hun rein-making en zaligheid buiten zichzelf gingen zoeken.
Mensen voor wie onze Heer en Verlosser, Jezus Christus dierbaar is geworden;
die hebben leren verstaan wat de Bruid’s-Kerk van Hem getuigt in het Hooglied:
Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizendHooglied 5: 10.
Zulk een is Mijn Liefste; ja, zulk een is Mijn VriendHooglied 5: 16.
Dat hartelijk aanroepen van de Naam des Heren:
U Heer Jezus Christus, Zoon van God, heb medelijden met de mens, die U zo zeer hebt liefgehad?” {gebed van het hart].
Uw Zoon, uit het geslacht van Abraham, van Isaäc en Jaäcob en vervolgens Koning David, ontferm U toch over ons”;
“ U bent toch gegeven, o Heer, tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, ja tot een volkomen verlossing”.
    Gedenk hoe wij mensen ‘het Leven’ ontvangen hebben!
Is dat ook in ons leven àl gebeurd?
Heeft bij ons die koersverandering al plaatsgevonden, om – zij het in beginsel – alle hulp en Kracht van Hem, van die Profeet, Priester en Koning te leren verwachten?
  Gedenk hoe jij ‘het Leven in Christus‘ ontvangen hebt!

Orthodoxie – Heiligen hebben een -‘ander leven’- dan ‘het huidige’ voor ogen

Bereid jezelf voor op de reis van je leven. Het is niet onze bedoeling jouw leven zorgeloos te laten verlopen door al je problemen maar even op te lossen.
Wèl proberen we je een beetje op weg te helpen, je tot de weg ter vervolmaking te verleiden, die vrij is van smet of schuld.
Het is namelijk bekend dat je zonder smet of schuld te ervaren een hoop van je problemen van je af kunt laten glijden. In feite zul je door het nastreven van volmaakt mens zijn soms verbijsterd raken door, ook geïntrigeerd. Door opgewekte nieuwgierigheid zul je jezelf liefdevol vragen gaan stellen en dolblij worden, doordat je verleid bent uit de mist van verstandsverbijstering en de doofheid door platte afgezaagde beweringen. 

Heiligen denken en leven heel erg ‘Zwart-Wit’, zij zijn navolgers van onze Heer Jezus Christus, de Zoon van God.
In ons land zijn er vandaag de dag nog maar weinig mensen over, die nog enigszins op de hoogte zijn van onze Heer en Verlosser en zijn Pedagogie.
Ondanks de overvloedige Genadegaven wordt onze aandacht telkenmale afgeleid door wereldse ervaringen. 
En indien ons Heer en Meester ons met Zijn gaven niet als een goede Herder de goede kant op geleid had waren wij door de tegenstrever verslonden.
Ik vermeld hierbij de Genadegaven des Heren, en het is voor mij als een tweede natuur geworden om hierover melding te maken, omdat de menselijke ziel de Heer in de Heilige Geest herkent en op de hoogte is, hoeveel Hij wel niet van mensen houdt. De overvloed van Zijn liefde en Zijn deugd zal onze persoonlijke zonden niet in herinnering houden. Mijn geest verlangt gaandeweg nietsvermoedend of ze bidt of schrijft of praat over God, en op wereldse aangelegenheden zit mijn ziel in het geheel niet meer te wachten – vanaf den beginne [in principe] wil de mens dat helemaal niet horen of zien, in het geheel niet tegenkomen.

En het zijn er nog minder, die weten hoe betrouwbaar en relevant Zijn Woorden zijn.  Onze Heer en Verlosser heeft zo’n uniek Woord gesproken en voorzeggingen gedaan, dat Hij onherroepelijk door de mand zou vallen wanneer  ook maar een טיטל [Hebr.= tittel] niet zouden kloppen.
De tittel en de jota zijn de twee kleinste tekens uit het Hebreeuwse alfabet.
Neem alleen al Zijn uitspraak over ‘de Waarheid‘. Hij zegt niet alleen dat Hij de waarheid spreekt, maar ook dat Hij de waarheid ‘is’ !  In de weergave van Zijn Blijde Boodschap door Johannes de Theoloog staat vermeld:
    Thomas [de ongelovige, Hebr.= ‘ tweeling‘ ] zei tot Hem:
‘ Heer, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg
[die wij moeten gaan]?’.
Jezus zei [daarop] tot hem:
    Ik ben de weg en de waarheid en het leven;
niemand komt tot
[God] de Vader dan door Mij.
Indien jullie
[apostelen, navolgers] Mij kende,
zouden jullie ook Mijn Vader gekend hebben.
Vanaf nu af aan kennen jullie Hem en hebben jullie Hem gezien.
Philippus [Hebr.= ‘liefhebber’, die van ‘ik zag u onder de vijgenboom’]
zei
[daarop] tot Hem:
‘Heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg’.
Jezus zei tot hem:
Ben Ik zolang bij je, Philippus
[‘liefhebber’], en ken je Mij niet?
Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zeg je dan: ‘Toon ons de Vader?’.
Geloven jullie niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is?
De woorden, die Ik tot jullie spreek, zeg Ik uit Mijzelf niet; maar
de Vader, die in Mij blijft, doet zijn werken.
Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; en wat jullie ook vragen in Mijn naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden.
Indien jullie Mij iets vragen in Mijn naam, Ik zal het doen. Wanneer jullie Mij liefhebben, zullen jullie  Mijn Geboden bewarenJohn.14: 5-14.

Hiermee stelt onze Heer en Verlosser Zich heel kwetsbaar op.
Want indien Hij inderdaad ‘de Waarheid’ is, dan moeten al Zijn woorden,  inclusief datgene wat Hij voorzegd heeft, ook waar zijn.
Zou men Hem op ook maar één leugen of onwaarheid betrappen, dan  zouden al zijn aanspraken krachteloos worden.
Het bijzondere feit doet zich dan ook voor, dat wij onze Heer en Meester nog
nooit op een leugen of onwaarheid hebben kunnen betrappen.
Zijn uitspraken houden al zo’n tweeduizend jaar onwankelbaar stand en
Zijn voorzeggingen komen één voor één uit.
Dat Zijn Woord ook nu nog steeds van Kracht zouden zijn heeft Hij trouwens ook voorzegd:
      Zij [de uitverkorenen] zullen De Zoon des mensen zien komen op de wolken, met grote Macht en Heerlijkheid. En dan zal Hij Zijn engelen uitzenden en Zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het uiterste van de aarde tot het uiterste van de Hemelen.
Leert dan van de vijgenboom deze les: ‘Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is’.
Zo moet gij ook, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het nabij is, voor de deur. 
Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt. De Hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen niet voorbijgaanMarc.13: 26-31.

Jezus belooft Zijn volgelingen de Trooster.
Vlak voordat Hij -‘als onze Heer en Meester van ons leven’-  zou worden gedood, opgewekt en opgenomen;  deed Hij nog een andere voorzegging.
Hij beloofde Zijn Volgelingen, dat Hij een andere Trooster zal sturen.
Hij doelt daarbij op de Heilige Geest.
Deze zal de lege plaats van onze Heer en Verlosser op aarde innemen.
Het grote voordeel van de Geest is, dat Hij niet alleen ‘bij’ maar ook ‘in’ de gelovige zal zijn.
God heeft ons dit via onze Heer en Verlosser kenbaar gemaakt:
    Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zendenJohn.16: 7.
    Indien je mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden. Dan zal ik de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn: de Geest van de waarheid. De wereld kan hem niet ontvangen, want ze ziet hem niet en kent hem niet. Jullie kennen hem wel, want hij woont in jullie en zal in jullie blijvenJohn.14: 15-17.

Akathist – alles draait om de Geboorte van Christus en bekijkt alles vanuit de goddelijke menswording

Het huis van God, de tempel dat zijn wij ‘zelf’.
Indien wij ‘zelf’ het huis van God zijn, worden wij -‘hier en nu’- in deze tijd gebouwd om aan het einde der tijden te worden ingewijd.
Het gebouw, of liever het bouwen zelf betekent zware inspanning, de inwijding hiertoe, door de doop, betekent slechts het begin van één groot feest – een  wedergeboorte.
Wat hier gebeurt wanneer het gebouw van het onvoorwaardelijk Geloof verrijst, vindt ook plaats, wanneer gelovigen in gemeenschap ‘in Christus’ bij elkaar komen. Want door het Geloof van christenen, de navolgers van Christus, worden zij als bouwmateriaal, hout en stenen, uit de bossen en de bergen. En eerst dàn worden zij onderwezen in het Geloof en gedoopt en ontvangen zij de Myronzalving, worden zij door de kruinschering tussenpersoon tussen God en henzelf.
Het is alsof ze door timmerlieden en metselaars worden bewerkt en rechtgemaakt en bijgeschaafd. 
Toch kunnen ze het huis van de Heer alleen maar bouwen indien  zij het ‘in Liefde tot God en elkaar’ in elkaar zetten.
⁌  Wanneer de balken en stenen zich niet hechten op de juiste wijze en in de voorgeschreven volgorde,
⁌  Wanneer ze zich niet vreedzaam verbinden en zich niet liefdevol aan elkaar hechten, dan zou niemand daar naar binnen gaan.
Inderdaad, wanneer je ziet dat in een bouwwerk, in een gemeenschap de stenen en balken zich goed hechten, ga je met een ‘veilig‘ gevoel naar binnen en ben je niet bang dat het zal instorten of vergaan.
Omdat Christus de Heer naar binnen wilde en in ons wilde wonen,  zei Hij alsof Hij aan het bouwen was:
Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief.
Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben
John.13: 34.
Ik geef jullie een nieuw gebod…
Jazeker, jullie waren oud en vervallen,
jullie waren nog geen huis voor Mij aan het bouwen,
jullie lagen in je eigen bouwval.
Dus om bevrijd te worden uit die vervallen,
vernietigde bouw, die bouwval
dienen jullie elkaar lief te hebben, als jezelf.
    Hieraan zullen allen weten, dat jullie volgelingen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander.
Simon Petrus zei
[daarop] tot Hem:
Heer, waar gaat Gij heen?     Jezus antwoordde:
Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen, maar gij zult later volgen.
Petrus zei [daarop] tot Hem:
Heer, waarom kan ik U thans niet volgen? Ik zal mijn leven voor U inzetten!
Onze Heer en Verlosser antwoordde: ‘ Uw leven zult gij voor Mij inzetten?
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de haan zal niet kraaien, eer jij Mij driemaal verloochend hebt
John.13: 35-38.
Dit is de beweegreden waarmee onze Heer en Verlosser ons geneest, met de woorden:
“    Hou goed moed, hou ondanks je vallen en opstaan vol, want je Geloof heeft je gered”; ga dit maar na -ook bij de heiligen- wordt bij al hun genezingen gevraagd:
    Heer, Jezus Christus, Zoon van de levende God, ontferm u over mij, arme zondaar”.
God, onze Vader, in de Hemelen heeft Zijn kinderen nimmer voorgehouden dat
zij ‘niet’ zullen worden overweldigd door verdrukkingen of beproevingen, maar
Hij zegt dat Hij mèt hen zal zijn en dat ze niet in verval zullen geraken, zullen verteren of verbranden.
Als Vader belooft God niet dat Hij zijn kinderen altijd om de moeilijke omstandigheden heen leidt, maar Hij heeft wel beloofd Zijn kinderen te bewaren, te bemoedigen en te beschermen.
Als Vader bemoedigt Hij ons en zegt ons als Zijn kinderen die door beproevingen en andere hete vuren moeten gaan:
Ik heb jullie verlost, Ik heb je bij je naam geroepen, jullie zijn van Mij.
Wanneer jullie door het water trekken, ben Ik met jullie;
gaan jullie door rivieren, zij zullen je niet wegspoelen;
als jullie door het vuur gaan, zullen jullie niet verteren en
zal de vlam u niet verbranden
” Isaiah 43: 1-2.
Paulus herhaalt en bevestigt dit later door te zeggen:
Het Koninkrijk van God [der Hemelen] bestaat niet in woorden, maar in Kracht.
Wat wilt gij? Moet ik met de roede tot u komen, òf met Liefde en
in een geest van zachtmoedigheid?
1Cor.4: 20,21; en vervolgens:
God is trouw en zal niet toestaan dat u boven uw krachten wordt beproefd:
hij geeft u mét de beproeving ook de uitweg, zodat u haar kunt doorstaan

1Cor.10: 13.

Ik wens jullie veel wijsheid en sterkte in de strijd op de geestelijke weg,  waarbij je door hete vuren en diepe duisternis wordt geleid.
Met en in Christus zàl je overwinnen want “‘Hij’ is overwinnaar, de Pantocrator!”  Onthoud dat wanneer je omringt wordt door duisternis dat het nooit van God is want in Hem is geen duisternis [1John.1: 5],
jij zult persoonlijk tot de ontdekking komen, dat de Waarheid in Zijn Licht altijd overwint.
”  
Zalig de mens, die niet gaat naar de raad van goddelozen.
Die niet stil houdt op de weg van zondaars, noch plaatsneemt in de zitting van wie een ‘pest’ zijn.
Maar die vreugde vindt in de Wet des Heren: die Zijn Wet overweegt bij dag en bij nacht.
Hij/zij staat als een boom, aan stromend water geplant; die te zijner tijd vrucht draagt.
Zijn/haar loof valt niet af, en al wat hij doet zal voorspoedig gelukken
Psalm 1: 1-5, vert.ROK ‘s-Gravenhage

 

Orthodoxie en de roep des Heren

Storm op de levenszee

In deze tijd van het jaar, wanneer de winternachten het langst zijn,
is onze behoefte naar ‘het Licht’ intenser. 
Sommige mensen ervaren zelfs een bepaalde depressie veroorzaakt door een tekort aan zonlicht.
Hetzelfde overkomt ons, wanneer we door onze “lange, donkere nacht van de ziel” gaan, we snakken ook maar een kleinste sprankje van het genezende “Licht’ te mogen ervaren.
De grote profeet Isaiah schreef over een “Groot Licht” dat
op een dag zou komen om mensen uit de duistere duisternis te verheffen:  

            “Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot Licht;
over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een Licht.
Gij hebt het Volk vermenigvuldigd, Zijn Vreugde groot gemaakt;
het verheugt zich voor Uw Aangezicht als met de vreugde bij de oogst, zoals
men juicht bij het verdelen van de buit.
Want het juk dat het drukte, en de stang op zijn schouder,
de roede van zijn drijver, hebt Gij verbroken als op Midjansdag.
Want elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel,  in bloed gewenteld, zal verbrand worden, een prooi van het vuur
Isaiah 9: 1-4.

Wie/Wat is dit “Grote Licht” waarover Isaiah heeft geprofeteerd?
Het Licht zou komen in de vorm van een kind, dat uiteindelijk over de Volkeren zou regeren in Barmhartigheid en Gerechtigheid, gezeten op de troon van Zijn Voorvader, David, voor de eeuwigheid.
Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en
de Heerschappij rust op Zijn schouder en men noemt Hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.
Groot zal de Heerschappij zijn en eindeloos de Vrede op de troon van David en
over Zijn [Hemels] Koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met
Recht en Gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid.
De ijver van de Heer der heerscharen zal dit doen.
De Heer heeft een woord gezonden in Jaäcob en 
het is gevallen in Israël
Isaiah 9: 5-7.
Onze Heer roept onophoudelijk en klopt aan de deur van het hart:
Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; 
neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en
gij zult rust vinden voor uw zielen; 
want Mijn juk is zacht en
Mijn last is lichtMatth.11: 28-30.
Onze Heer en Verlosser heeft gezegd:
Ik ben het Licht van de Wereld.
Wie Mij volgt, zal nooit in duisternis wandelen,
maar zal het Licht van het leven hebben” John.8: 12.
De profeet Isaiah is een bijzonder begenadigde dienstknecht des Heren.
Door in-spraken en in-gezichten openbaart de Heer hem hetgeen geschieden zal.
Diep wordt hij ingeleid in de kennis aangaande de toekomst van het God’s Volk [de Kerk]. Het is alsof de profeet is geleid op een hoge berg, vanwaar
hij de komende tijden kan overzien tot aan de verre, verre horizon.
Met het geestes-oog ziet hij een lange weg en  op die weg de volkeren van de wereld en temidden van die menigte, die schare ontward hij het kleine volk van het Verbond.
Isaiah ziet hetgeen in de toekomst openbaar zal worden onder God’s leiding,
Die het Hemel en aarde, de kosmos en al wat zich daarin en op bevindt bestuurt.
En bij het aanschouwen van die verborgenheden beeft zijn hart. Hoe kan het ook anders !

slachtoffers van oorlog en geweld – Canadese begraafplaats in Groesbeek

Het volk Israël [de Kerk] heeft zich van de dienst des Heren afgewend.
Zij hebben het Heilig Verbond ver-broken, zij doen geen moeite meer, kunnen het gewoon niet meer opbrengen.
Zij lopen wereldse goden na en doen al datgene wat God hen verboden heeft.
Zij hebben geen lust in het volbrengen van de geboden en de inzettingen des Heren. Immers het is veel aantrekkelijker jezelf te begeven in wereldse aangelegenheden; Recht en Gerechtigheid hebben zij verre van zich vervreemd.
    En het gehele Volk zal het ervaren, Ephraïm en de inwoners van Samaria, die
in hoogmoed en grootsheid van hart zeggen:
     ‘Tichelstenen zijn gevallen, maar met gehouwen stenen herbouwen wij;
wilde vijgenbomen zijn geveld, maar  ceders zetten wij daarvoor in de plaats’.
Doch de Heer verhief Resins tegenstanders tegen hen en Hij hitste hun vijanden op:
     Aram in het oosten en de Filistijnen in het westen, zodat zij Israel gulzig verslonden.
Ondanks dit alles keert zijn toorn zich niet af en blijft zijn hand uitgestrekt.
Doch het volk heeft zich niet bekeerd tot Hem die het sloeg, en
het heeft de Here der heerscharen niet gezocht
Isaiah.9: 8-12.

Je ziet het om je heen in welke stad vind je nog geen wolkenkrabbers als de torens van Babylon; we rennen met z’n allen de Moloch [- ‘iets waaraan alles wordt opgeofferd’ -] achterna. Wij hebben massaal het hart in ons verhard, zijn gevoelloos geworden en volharden in het kwaad.
Maar de profeet ziet toch óok nog stralen van Goddelijk licht vallen over de lange weg, de hij met z”n geestesoog volgen kan tot aan de gezichtseinder.
Immers er is in Israël [in de Kerk] nog een overblijfsel, dat de knieën voor Baal ‘niet‘ gebogen heeft.
Een rest, van wie gezegd kan worden, dat zij door voorkomende Genadegaven de getuigenissen des Heren genomen hebben tot een eeuwige erfenis.
            “  Heer, hoezeer bemin ik Uw Wet: deze is heel de dag in mijn gedachten.
Boven  mijn vijanden hebt Gij mij wijs gemaakt   door Uw Gebod, dat in eeuwigheid bij mij is. Ik heb meer begrip dan allen die mij moeten onderrichten, want Uw Getuigenissen zijn mijn overweging. Ik heb meer begrip dan de oudsten, want ik zoek steeds uw Geboden.
Bij elke weg tot kwaad heb ik mijn voeten weerhouden, opdat ik Uw Woorden zou vervullen.
Ik ben niet afgeweken van Uw Oordelen, want Gij hebt mij de Wet gegeven.
Uw Uitspraken zijn zoetheid voor mijn gehemelte, zoeter dan honing voor mijn mond. Door Uw Geboden heb ik verstand gekregen; daarom heb ik een afkeer van elke wet ter  ongerechtigheid.
Uw Wet is een lamp voor mijn voeten, en een licht op mijn paden.
Ik zweer en ben vastbesloten, om de Oordelen van Uw rechtvaardigheid te onderhouden.
Ik ben ten uiterste vernederd; Heer, maak mij levend volgens Uw Woord.
Aanvaard toch, Heer, wat ik vrijwillig opdraag met mijn mond;
Leer mij Uw Oordelen.
Mijn ziel is steeds in Uw handen: Uw Wet vergeet ik nooit
uit: Psalm 118[119] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Ach, hoe weinigen zijn er die zelfs in Israël [zelfs in de Kerk] . . . . .
Doch de Heer heeft hen gegraveerd in de palmen van Zijn handen.
Dat is de Heerlijkste Getuigenis, dat van hen gegeven kan worden.
Wanneer het oordeel over Israël [de Kerk] zal komen, zal ook hun weg wel in de diepte geleid worden. Velen van hen zullen mede in ballingschap weggevoerd worden.  Harde kastijdingen zullen hen niet onthouden worden.
Maar in dit alles zal de Heer hen toch niet verlaten. Immers zij zijn voor eeuwig de Zijnen. De schapen, die Zijn hand zal weiden.
Hen wil de profeet in het bijzonder bemoedigen.
Die last legt onze Heer hem op.
Ach, hoe regelmatig komt het niet voor, dat het erfdeel des Heren moet klagen:
Uit de diepten roep ik tot U, o Heer . . . ! Heer! hoor de stem van mijn smeking ; laat Uw oren aandacht schenken aan de stem van mijn smeking” uit: Psalm 129[130].
Wat zijn er niet een noden en bekommernissen, die hen van tijd tot tijd terneer drukken.  Dan is het: “ Mijn tranen strekken mij tot brood bij dag en bij nacht . . . Als ik daaraan denk smelt mijn ziel in mij weg” uit: Psalm 41[42].
Het kan de schapen, die Zijn hand weidt – zo bang te moede worden, als zij een Kruis van ziekte of smart, ja doodsangst hebben te dragen.
Zij kunnen er zo twijfelmoedig onder worden wanneer zij zien op de welvaart en welstand van de dwazen en de vrede van de goddelozen.
Dan zeggen zij bij zichzelf:
  Er is immers geen samenzwering om hen te doden; zij vinden steun in hun kwelling. Zij delen niet in het leed der mensen, zij worden niet als andere mensen geslagen. Daarom worden zij overheerst door hoogmoed, zij zijn bekleed met hun eigen onrecht en goddeloosheid …
Zij zeggen immers: Hoe zou God het weten? Is er wel kennis bij de Allerhoogste?…
Heb ik dan vergeefs mijn hart gerechtvaardigd, en mijn handen in onschuld gewassen?”
uit: Psalm 72[73] vert. ROK ’s-Gravenhage

arrenmoede; φτώχεια; فقر; poverty.

De verdrukkingen kunnen hen zó aangrijpen, dat ze moedeloos worden en hun eerste liefde verlaten. De zonde kan hen zó aanklagen, dat ze vrezen moeten kinderen der duisternis te zijn en verstoken van alle Genade.
Kom, zegt de profeet Isaiah op God’s bevel tot hen:
    Sterkt de slappe handen en verstevigt de knikkende knieën. Zegt tot de versaagden van hart: Weest sterk, vreest niet; zie, uw God zal komen met wraak, met de vergelding God’s; Hij zal komen en Hij zal u verlossen.
Dàn zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden;
Dàn zal de lamme springen als een hert en de tong van de stomme zal jubelen; want in de woestijn zullen wateren ontspringen en beken in de steppe, en het gloeiende zand zal tot een plas worden en het dorstige land tot waterbronnen; waar de jakhalzen verblijven en legeren, zal gras met riet en biezen zijn.
Dáár zal een gebaande weg zijn, die ‘de Heilige Weg’ genoemd wordt; geen onreine zal die betreden; maar hij zal alleen voor hen zijn; reizigers noch dwazen zullen erop dolen
Isaiah 35: 3-8.
Na alle lichamelijke straffen en verdrukkingen ziet de profeet Isaiah ‘nieuwe tijden van gelukzaligheid aanbreken voor de schapen, die Zijn hand weidt.
In het verre verschiet ziet hij de heerlijke lichtglans van een nieuwe dag, die de Heer zal doen aanbreken voor al Zijn navolgers.
Voor Israël [de Kerk] zal de ballingschap in Babel 70 jaar duren. In die jaren van verschrikking zullen er vele zielen tot de Heer bekeerd worden.
Een deel van het volk zal nog tot inkeer komen en alle zonde en schuld voor de Heer leren belijden. Dan gaan zij nog de knieën buigen voor de Heilige van Israël om Hem te erkennen als Oppertoezichthouder.
Zó alleen kunnen zij gebracht worden tot de begeerte, dat de Heer hen zal aannemen, alle gruwelen van hen wegdoen, zover als het Oosten verwijderd is van het Westen.
Al het oude zal doen voorbijgaan en er zal een nieuwe Hemel en een nieuwe arde gevormd worden.

In de ballingschap zal de Heer Zijn kudde toch weer vergaderen en stellen onder Zijn heilige hoede: degenen, die reeds vóór de ballingschap Hem toebehoorden en degenen, die tijdens de grote verdrukking van 70 jaar Hem zijn toegebracht in de weg van vernedering en bekering.
Die allen noemt de Heer ‘Zijn Overblijfsel’.
En Jesaja aanschouwt in het gezicht, dat de Heer hen zal bestralen met Goddelijke lichtglans.  Hij zal hen voeren uit de gevangenis en doen wederkeren naar Zion.
        Daar zal geen leeuw zijn en geen verscheurend dier zal daarop komen; zij worden daar niet gevonden. Maar de verlosten wandelen daarop; De vrij-gekochten des Heren zullen weerkeren en met gejubel in Sion komen; eeuwige vreugde zal op hun hoofd zijn, blijdschap en vreugde zullen zij verkrijgen, maar kommer, kwel en zuchten zullen wegvluchten“.
Isaiah 35: 9-10.
Welke heerlijke onvoorstelbare beloften mag de profeet Isaiah ons doorgeven als het Volk van God, als de navolgers van Christus.
Als de dagen der beproevingen voorbij zijn, zal onze Heer en Verlosser Zich keren tegen Zijn vijanden en tegen de vijanden van Zijn volk.
Dit is het, waarvan gebeden, ja gejubeld wordt :
    Komt, laat ons jubelen voor de Heer, laat ons juichen voor God, onze Heiland.
Laat ons voor Zijn aanschijn treden met belijdenis en met Psalmen juichen voor Hem. Want God is een machtig Heer, een grote Koning over heel de aarde.
In Zijn hand zijn de einden der aarde, en de toppen der bergen behoren Hem toe. Van Hem is de zee, Hijzelf heeft die gemaakt, het droge land hebben Zijn handen geschapen.
Komt, laat ons aanbidden en voor Hem neervallen; laat ons schreien voor de Heer, onze Schepper.
Want Hij is onze God, en wij zijn het volk van Zijn weide, de kudde van Zijn hand. Heden, als gij Zijn stem verneemt, verhardt dan niet uw harten, zoals in de verbittering, ten dage der beproeving in de woestijn.
Daar stelden uw vaderen Mij op de proef: zij beproefden Mij en toch hadden zij Mijn werken aanschouwd. Veertig jaar heb Ik dit geslacht verzorgd, en moest zeggen:        altijd dwalen zij in hun hart, zonder Mijn wegen te kennen’.

Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: zij zullen niet ingaan in mijn rust“.
Psalm 94[95] vert. ROK ’s-Gravenhage

Met gejuich zullen De schapen, die Zijn hand zal weiden weerkeren naar Zion.
Dat is geschied aan het einde van de Babylonische ballingschap; dat gebeurt nog dagelijks, -hier  en nu- wanneer de Heer de Zijnen opneemt in Zijn Heerlijkheid.
Dat zal eenmaal geschieden in de Jongste Dag, wanneer Christus zal weerkomen op aarde om te oordelen de levenden en de doden.
Jezus Christus onze Heer en Verlosser is gekomen en heeft voor hen de losprijs betaald, die aan Gods genoegdoening eisende gerechtigheid voldeed.
Niet door goud of zilver of door Macht en aanzien  heeft de Heer hen gemaakt tot Zijn eigendom, maar door het Heilig Bloed van de Goddelijke Zaligmaker.
Eerst waren zij vleselijk, verkocht onder de zonde.
Thans : een verkregen volk, een Heilig Volk,  verlost uit de machten der duisternis.
Isaiah heeft in het visioen twee grondwaarheden aanschouwd: oordeel en verlossing.

Ladder van Armando, vrijheidsmonument Amersfoort

Wat is jouw deel ? . . . . . Onderzoek het bij je-zelf!
Vreselijk is het zonder Christus te zijn. Buiten Hem is er geen zaligheid.
Heerlijk is het als een vrijgekochte des Heren te mogen weerkeren naar Zion.
Onze Heer wil via Zijn Goddelijke Geest door de Vader deze Genadegaven
rijkelijk uitdelen aan al degenen, die Hem met een oprecht hart aanroepen.
Want Hij is nog een Beloner van degenen, die Hem zonder ophouden blijven zoeken.

Comboskini, gebedssnoer

Blijf Hem daarom persoonlijk onophoudelijk aanroepen, zeg zo vaak mogelijk het christelijke Jezusgebed”
Heer Jezus Christus, Zoon van de levende God, ontferm U over mij, arme zondaar”,
hoe vaker je dit doet hoe meer de Genade van de Heilige Geest jou toewaait,
het geeft vrede in het hart in je ziel,
het doet het vuur van de Goddelijke Geest opbloeien en
de kracht om de strijd van het leven aan te gaan.
Onze Heer blijft roepen, Hij spoed je tegemoet.

Dit gebed is onmogelijk te zeggen indien je niet
de Genadegave van de Heilige Geest bezit, omdat
dit het Woord van God verkondigt, hetgeen zegt:
Daarom maak ik u bekend, dat niemand, door de Geest Gods sprekende, zegt:
Vervloekt is Jezus; en dat niemand kan zeggen: Jezus is Heer, dan door de Heilige Geest. 
Er is verscheidenheid in Genadegaven, maar Het is dezelfde Geest; en er is verscheidenheid in bedieningen, maar het is dezelfde Heer; en er is verscheidenheid in werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt”.
1Cor.12: 3-6.
Dat wil zeggen, dat niemand het gebed van het hart kan bidden en
onze Heer Jezus Christus kan aanspreken als “Heer, Meester en God”, tenzij
hij de Genadegave van de Heilige Geest heeft ontvangen.

Orthodoxie & onderdanigheid

Wierookvat in de Kerk,
‘ . . . laat mijn gebed opstijgen . . .’.

      Tijdens het avondoffer echter stond ik op uit mijn verootmoediging en met gescheurd kleed en gescheurde mantel knielde ik, breidde mijn handen uit tot de Heer, mijn God, en zei:
      Mijn God, Ik schaam mij en durf mijn ogen niet tot U opslaan, o mijn God, want onze 
ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gestegen en onze schuld is gewassen tot de Hemelen.
     Van de dagen van onze vaderen af tot op deze dag toe zijn wij in grote schuld en om onze ongerechtigheden zijn wij overgeleverd,
wij, onze koningen, onze priesters, in de macht van de koningen van alle landen, aan het zwaard, aan gevangenschap, aan plundering, aan openlijke schande, zoals nu.
       En thans is ons sedert kort Genade bewezen van de Heer, onze God, doordat Hij ons heeft gelaten degenen die ontkomen waren, en ons een tentpin heeft gegeven in zijn heilige plaats, waardoor onze God onze ogen deed oplichten en ons een weinig verademing gaf in onze slavernij; want wij zijn wel slaven, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten; Hij heeft ons gunst doen vinden bij de koningen van Perzië, dat zij ons verademing gaven om het huis van onze God te doen herrijzen en zijn puinhopen te herstellen, en ons een omtuining gaven in Juda en in JeruzalemEzra 9: 5-9

Gedienstig driespan, by Wim Romijn

Dominantie en onderdanigheid
Er bestaan mensen, die zich hun hele leven gedienstig [onderdanig] voordoen en er behagen in scheppen anderen te plezieren.
Dit kan variëren van een schone omgeving [huis, werk, kerk] en een heerlijke maaltijd voor ‘manlief’/‘vrouwlief‘, maar ook werkzaamheden verrichten voor iemand, die zich een hogere positie heeft toebedacht, als gevolg van dat hij/zij degene is, die beslist en al die anderen maar dienen te gehoorzamen, waarbij de ondergeschikte zich allerlei commando’s zal dienen te laten welgevallen.
Wees je er bewust van dat dit ouderwets overkomt, maar autoriteit afdwingen komt nog steeds in grote getale in onze samenleving voor, er is dus geen enkele reden om dit uit te sluiten.
Om te beginnen dien je jezelf af te vragen in hoeverre dit sexueel van aard is.  
Zijn deze gevoelens van oorsprong sexueel of komen ze ergens anders vandaan en vinden ze slechts hun beslag in de sexualiteit, en hoe valt dat te rijmen met de zeer vroege leeftijd waarop mensen met deze geaardheid hun gevoelens vaak al onderkennen, zich hiertoe ‘geroepen’ voelen.

Geaardheid
Als er één subcultuur is die onderdanigheid en dominantie tot het uiterste doortrekken is het wel die van de ‘total control spelletjes’ [een milde vorm van bdsm]. Het blijkt een voorkeur en een vorm van expressie, die met wederzijdse toestemming gebruikmaakt van opgelegde beperkingen, intense zenuwprikkels en het fantaseren over machtsverhoudingen en het spelen van een machtsrollenspel.
Het lijkt mij echter dat ‘net die’ mensen lak hebben aan maatschappelijke conventies en autoriteiten; ze zijn overgevoelig voor macht en daardoor autoritair. Misschien is de mate van ‘zelfbewustzijn’ er verantwoordelijk voor dat de mens in dit soort relaties die hij/zij aangaat een geconcentreerd macht’s-spelletje speelt en daarbuiten net zo wars zijn van macht en het misbruik daarvan. Indien het ‘zelfbewustzijn’ verantwoord is opgebouwd zal dat dit innerlijk afgewogen zijn en als goed ervaren worden; dat je goed bent voor jezelf, en goed voor je naaste vreemden dient te zijn; geen kwade bedoelingen, gewetensvol en zelfacceptatie; eerlijkheid en oprechtheid voorop.
Ik geloof dat, God zoals Hij is en zal zijn, Hij ons daarop zou beoordelen en daar Zijn “mening” op zou baseren. Indien jij of ik jezelf liefdevol onderwerpt of wanneer je God uit Liefde voor de mens accepteert als een Dominant Wezen, Die Zijn kind op basis van wederzijds vertrouwen en respect met up’s en down’s door het leven leidt,

Navolger van Christus
Als Christen wordt geloofd dat God diep in je zit, jij bent de Tempel van God, dat God je eigen geluk voor ogen staat, respect voor jezelf, je medemens en de natuur om ons heen.
En indien je dàt voor elkaar krijgt bereik je verlichting, zie je het ‘Licht’ – noem het de Hemel indien je wilt.
Is dat in dìt leven of een vòlgend? Een leven ná dit leven, het Hemels Koninkrijk?
Ik weet het niet, maar hoop wel dat God een goed en liefdevol mens respecteert; zonder te oordelen over het pad dat die persoon heeft gekozen.
En indien God dat niet zou doen…dan wordt het eigenlijk helemaal niet zo belangrijk gevonden wat God vindt…dan zou Hij namelijk niet als een liefhebbende Vader bij mij en mijn waarden en normen passen en zou Zijn aanwezigheid liever gemeden worden.
Echter de barmhartigheid van God ontstaat niet door het zien van de nameloze ellende van de gevallen mens, maar het komt voort uit God’s eeuwig welbehagen:
Toen de Profeet Mozes, nadat hij de Thora, de wet had ontvangen en
voor de tweede keer, gelijk de eerste, de twee stenen tafelen uit-beitelde,
het Verbond met het Volk door zijn daad bevestigde;  
beklom hij vroeg in de morgen de berg Sinaï, zoals de Heer hem geboden had en nam de twee stenen tafelen in zijn hand.
En de Heer daalde neer in een wolk, stelde Zich daar bij hem en riep de Naam des Heren uit. De Heer ging aan hem voorbij en riep: ‘ Heer der Heerscharen, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, Die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar [de] [schuldige] houdt Hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid der vaderen bezoekende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht.
Mozes knielde haastig ter aarde, boog zich neer en zei:
‘ Indien ik Genade in uw ogen gevonden heb, Heer, dan ga toch de Heer in ons midden, 
want het is een hardnekkig volk, maar vergeef onze ongerechtigheden en onze zonden; neem ons als erfdeel in bezitEx.34: 5-9.

Ooey Gooey was a Worm

Waarachtige vernedering is om jezelf meer zondig te beschouwen dan alle andere mensen en jezelf slechts druk te maken, te vermoeien, dat ‘niets’ goed is dat je niet voor God, met God voor ogen zouden doen.
Het werk van vernedering is:
de stilte te bewaren, jezelf in geen enkel opzicht op de eerste plaats te stellen, elke vorm van zelfverzekerde dapperheid uit de weg te gaan,
je staat ten alle tijde klaar dienstbaar te zijn, ons aan God over te geven,
bij het depressieve af – met de dood voor ogen, niet om een leugenachtig bestaan op te bouwen en daarmee een mogelijke confrontatie uit de weg te gaan, te vermijden.
God toont ons immers – tot ontsteltenis toe – Zijn Barmhartigheid.
Degene, die zich in dit soort omstandigheden dominant blijft opstellen en
door z’n manier van doen onderdanigheid blijft afdwingen zal gemeden worden.
De discussie heeft geen zin meer en valt stil – je reageert gewoon niet meer.
Maar ten opzichte van het allerhoogste, de niet-aflatende roep van God,
accepteren we de minachting van de ander en bidden slechts voor zo’n wereldse autoriteit. 
Ten opzicht van God, vestig je, draag je je Kruis en haast je je je persoonlijke wil te beteugelen, teneinde niemand te provoceren en niemand te behoeven te benijden. Je tong spreekt niet meer, je zwijgt en blijft daarin – hoe moeilijk het ook is – standvastig.
Ten opzichte van God heb je reden temeer nederig te zijn in je doen en laten.
In het bijzin van mensen spreek je niet meer van uw besef van goed en kwaad en
onderricht niet langer zonder jezelf als eerste te vernederen, opdat het menselijk nageslacht niet in verzoeking wordt gebracht.
Het is die van God komende goedheid omtrent de ellendige uitverkoren zondaar, waardoor Deze de mens dagelijks opnieuw door onze Heer en Verlosser in staat stelt Genade te ontvangen.
Het al-oude Goddelijk Woord ‘Barmhartigheid’ geeft het eigenlijk al aan:
brandend (barmen = branden) hart hebben voor een arme en ellendige!
Het zal nooit te begrijpen zijn, maar zo brandt Gods hart om de staat van de gevallen zondaar en toont daarmee vanaf den beginne Zijn Goedheid.

Christus, kijkt toe

Het navolgen van Christus stelt ons in staat, geeft ons de mogelijkheid bepaalde machtsverhoudingen tegen het licht te houden.  Het gaat er niet alleen om hoeveel we van onze naasten menen te houden.
Het heeft er vooral mee te maken of wij er persoonlijk rekening mee houden, hoe wij 
onze liefde voor de medemens aanwenden zodat ‘zíj‘ aan hun trekken komen.
 Deze door God aangeboden mogelijkheid geeft de gelegenheid onze eigen karaktertrekken bloot te leggen – onze naaste wèrkelijk te ontmoeten en in te zien wat deze wel niet voor ons betekenen kan.
Het is vrij gemakkelijk jezelf op een niveau te begeven waarbij je niets dan lof wordt toegezwaaid – moeilijker is je te verdiepen in degenen die -‘a priori’- tot je ondergeschikten/ tegenpartij toebehoren.
Eerst dàn leggen we ons eigen karakter bloot en krijgen we inzicht met wat voor wereldbeeld wij in het [christelijk] leven staan. Er komt bij een dergelijk onderzoek naar voren of wij onszelf kunnen beperken in plaats van een oordeel over anderen uit te spreken. Waarom distantieert een ander zich ten opzichte van ons doen en laten – waarom keert deze òns de rug toe.
Ja dàn blijkt de farizeeër ‘in ons‘ groter te zijn dan wij ooit hebben kunnen beseffen en storen wij ons niet langer aan het feit dat de ander zich niet volledig overgeeft aan het wonderlijke christelijk leven welke wij in onze denkbeelden voor ogen hebben gesteld.
Dàn stellen wij ons de vraag waarom de bewuste persoon zich niet op door de weekse dagen ter genezing aan ons aanbiedt; dat deze zijn heil op zondag elders gaat zoeken laten we gemakshalve maar even buiten beschouwing.
Christus heeft ons onze eigen hypocriete houding beschreven
– hoe wij omgaan met mensen die belast en beladen zijn, wij laten hen gewoon in de kou staan.
Heeft onze Heer en Verlosser ons niet overtuigd dat ook zij nazaten van Abraham zijn – ook al hebben zij zich buiten de gebaande wegen begeven; zijn ‘zij‘ het niet, die een groot deel van hun leven gebukt gaan onder de zorgen, die de toezichthouders hen opleggen?
Gedurende zoveel jaren in de kerkgemeenschap, heeft deze naaste de ‘chief executive’ misschien het gevoel gegeven dat zijn eigen gang van kerkzaken slechts door de Hemelen ‘begenadigd’ was omdat hij/zij geen ziekte had maar de eminente positie had, namelijk het Axios en de zegen van God, zoals deze zichzelf misschien had ingebeeld.
Meedogenloze dominante persoonlijkheden plegen zich te omringen door stem- of klap-vee waardoor hun eigen onvolkomenheden door de glans van hun uitstraling niet langer aan het daglicht wordt blootgesteld.
Dat is de reden waarom, wanneer Christus de slachtoffers aan boord geneest en de ‘chief executive’ ongenadig geïrriteerd is. 
Waarmee zal ik mijzelf voortaan vergelijken? Welk rechtscriterium zal in deze door de Schepper van Hemel en aarde gehanteerd worden?
Christus laat echter geen ruimte om Zijn beslissing af te wachten, om Zijn  genezen in twijfel te trekken; de Wil van God is gestoeld op een heel ander relatie dan welke wij in onze eigen zelfzuchtige gedachten hebben gevormd.
Het ideaalbeeld in deze samenleving is dat ons liefdesleven altijd maar ‘leuk en fijn’, himmeljauchend’ dient te zijn; 
onze Heer en Verlosser weet wel beter.
Mensen ‘gebruiken‘ anderen vaak als hun dienaren.
Ze vragen hen te doen wat ‘zij‘ voor ogen hebben en geven de ander daarbij het gevoel dat zij en de gemeenschap met hen, hierdoor van hen houden.
Gevangen in wat ze zelf zijn of denken wordt dan als liefde beschouwd, ze vinden dat de anderen maar dienen te doen wat ze zeggen en vragen, omdat zij er ‘recht’ op hebben, alleen omdat ze ‘eerst dàn’ van ze houden.
De liefde blijkt in werkelijkheid maar van één kant te komen, van de kant van de ondergeschikte.
En indien wij van deze situatie profiteren, hebben zij dan de plicht om dat te doen?  
Nogmaals, mensen gebruiken anderen als een zelfverdedigings-maatregel; het blijkt ‘dè oplossing‘ voor ons eigen zelfrespect.
Voor het gevoel dat wij verdienen, dat God ‘slechts ons’ heeft gezegend.
Wij vergeten dan dat we door God geroepen zijn om nederigheid op te brengen als maatstaf voor onze relaties met anderen. Dat wil zeggen, dusdanig te gaan geloven dat wij ‘in alles en overal’ via elkaar van elkaar kunnen profiteren.
Van hun gaven. Van hun deugden. 
Zelfs van hun negatieve uitstraling kunnen we leren; geduld en berouw, nèt als de benodigde houding van de strijder, de kruis-vaarder aan boord van het kerkelijk schip.
Ten slotte blijft er na evenwichtige overweging slechts de weg van de onderlinge liefde. Indien we tot dit inzicht komen en daadwerkelijk een vechthouding aan nemen op het pad van de nederigheid, eerst dàn wordt de ander als vanzelf sprekend een zegen voor ons en wij voor hen. 
Onze gemeenschappelijke relatie met de ander is de relatie die ons leidt tot Christus.
De Goddelijke Liefde zal uiteindelijk de hypocrisie genezen om elkaar te zien in termen van respect en eigenbelang, òf het nu financieel, materieel of in sociale verhoudingen betreft.
”     Breng de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zal zijn in Mijn huis; beproeft Mij toch daarmede, zegt de Heer der heerscharen, of Ik dàn niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten.
Dàn zal Ik, u ten goede, de afvreter dreigen, opdat hij de vrucht van uw land niet zal verderven en opdat de wijnstok op het veld voor u niet zonder vrucht zal zijn, zegt de Heer der heerscharen.
En alle volkeren [de gehele wereld] zullen u gelukkig prijzen, omdat gij een land van welbehagen zijt, zegt de Heer der heerscharenMaleachi 3: 10-12.
Het leven met Christus in de Kerk geeft ons de gelegenheid om onszelf te beproeven, 
hoe wij doormiddel van de navolging van Christus – ànderen in nederigheid onder Zijn leiding te stellen – tot verandering kunnen zien komen.
Slechts door nederigheid wordt de Liefde tot God onder de mensen zichtbaar.

    Elke dag opnieuw wil ik U zegenen; en Uw Naam loven voor eeuwig, en in de   eeuwen der eeuwen. Groot is de Heer, en de hoogste lof waardig; aan Zijn grootheid zijn geen grenzen.
Geslacht op geslacht zal Uw werken loven, en Uw macht verkondigen.
Zij roemen de grootse Heerlijkheid van Uw Heiligheid; zij verhalen Uw wonderbare werken.
Zij zullen de kracht van Uw vreeswekkende daden vermelden, en Uw Grootheid doen horen.
Zij zullen de herinnering aan Uw overvloedige Goedheid uitjubelen, en juichen over Uw Gerechtigheid.
Genadig en Barmhartig is de Heer; Grootmoedig en eindeloos Barmhartig.
Goed is de Heer voor al wat bestaat; Zijn erbarmen gaat over al Zijn werken.
Al Uw werken, Heer, belijden U; al Uw gewijden zegenen U.
Zij zullen de heerlijkheid van Uw Rijk doen horen en spreken over Uw Macht.
Om de mensenkinderen Uw macht te doen kennen en
de Heerlijkheid van de pracht van Uw Rijk

Psalm 144[145]: 2-12 vert. ROK ’s-Gravenhage.
  Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken?
Zal het geboetseerde soms tot Zijn boetseerder zeggen:
  Waarom hebt gij mij zo gemaakt?’.
Of heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem om
uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol,
het andere tot alledaags gebruik?
En als God nu, Zijn toorn willende tonen en Zijn Kracht bekend maken,
de voorwerpen van de toorn, die ten verderve toebereid waren,
met veel lankmoedigheid verdragen heeft –
Juist om de Rijkdom van Zijn Heerlijkheid bekend te maken over
de voorwerpen van ontferming, die Hij tot Heerlijkheid heeft voorbereid?

Rom.9: 20-23.

Nu dan zal eenieder duidelijk zijn dat er mensen bestaan,  die zich hun hele leven gedienstig [onderdanig] voordoen en er behagen in scheppen anderen te plezieren.
    God echter, die rijk is aan Erbarmen, heeft, om Zijn grote Liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door Genade zijt gij behouden -, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende Rijkdom van Zijn Genade te tonen naar [Zijn] Goedertierenheid over ons in Christus Jezus.
Want door Genade zijt gij behouden, door het Geloof en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand zal roemen. Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus“  Eph.2: 4-8.

    En er was een zeker discipel te Damascus [Hebr.= ‘de zakkenwever zwijgt’], met name Ananias [Hebr.=‘ de Heer heeft genadig gegeven‘]; en de Heer zeide tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zeide: Zie, hier ben ik, Heer!                               En de Heer zei tot hem:
‘ Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte
[Hebr.= ‘oordeel’], en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus [Hebr.= ‘verlangd’], van Tarsen [Hebr.= שׁוֹרֶשׁ הָרֶגֶל, ‘De voet van de voet’]; want zie, hij bidt’.
En hij heeft in een gezicht gezien, dat een man, met name Ananias, inkwam, en hem de hand oplegde, opdat hij wederom ziende werd. En Ananias antwoordde:
‘ Heer! ik heb uit velen gehoord van dezen man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; en heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen’.
Maar de Heer zei tot hem:
‘ Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen van Israël [de Kerk]. Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam.
En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zei hij:
‘ Saul
[Hebr.= ‘verlangd’], broeder! de Heer heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op den weg, dien gij kwaamt, opdat gij weer ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden’.
En terstond vielen af van zijn ogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende; en stond op, en werd gedoopt.
En als hij spijze genomen had, werd hij versterkt.
En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die te Damascus waren.
En hij predikte terstond ‘Christus’ in de synagogen, dat ‘Hij de Zoon van God is
Hand.9: 10-20.

28e Zondag na Pinksteren – ga je gebukt onder zorgen; wil je gered worden, dan kan slechts God je rust geven

genezing van de gebochelde vrouw

    Onze Heer en Verlosser was bezig te leren in een van de synagogen op een sabbat. En zie, er was een vrouw, die reeds achttien jaren een geest van zwakheid had en verkromd was en zich in het geheel niet kon oprichten.
Toen Jezus haar zag, sprak Hij haar toe en zei tot haar:
Vrouw, gij zijt verlost van uw zwakheid; en Hij legde haar de handen op, en terstond richtte zij zich op en zij verheerlijkte God.
       Maar de overste der synagoge, het kwalijk nemende, dat Jezus op de sabbat genas, antwoordde en zei tot de schare: ‘ Zes dagen zijn er, waarop gewerkt moet worden, komt dan om u te laten genezen en niet op de sabbatdag’.
       Maar de Heer antwoordde hem en zei: ‘Huichelaars, maakt ieder van u niet op de sabbat zijn os of zijn ezel van de kribbe los en leidt hem weg om hem te laten drinken? Moest deze vrouw, die een dochter van Abraham is, welke de satan, zie, achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de sabbatdag?
En toen Hij dit zei, schaamden zich al zijn tegenstanders, en de gehele schare verheugde zich over al de heerlijke dingen, die door Hem geschieddenLuc.13: 10-17.

Heelwording van een gebroken mens‘, by Margaretha Coornstra; ‘Incarnation of a broken man‘, by Margaretha Coornstra; ‘Ενσάρκωση ενός σπασμένου άνδρααπό τη Μαργαρέτα Κοορνστά; تجسد رجل مكسور ، من قبل مارغريتا Coornstra.

    Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de Macht van Zijn Heerlijkheid tot alle volharding en geduld, en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het Licht.
       Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn Liefde, in wie wij de verlossing hebben, de vergeving van de zonden.
       Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van de ganse schepping, want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de on-zichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is voor alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem; en Hij is het hoofd van het Lichaam, de gemeente.
Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is“. Col.1: 11-18.


Het zal je maar gebeuren, achttien jaar lang gebukt gaan onder de druk van een zwaar leven. Een getal, welke in de Blijde Boodschap wordt aangehaald heeft echter op de een of andere manier een geestelijke betekenis en wint daardoor voor ons aan schoonheid en aantrekking’s-kracht. Het getal 10 drukt de verantwoordelijkheid van de mens uit tegenover God, terwijl het getal 8 het begin van een nieuw tijdperk aanduidt.
Over de Sabbath heb ik het onlangs al met u gehad, waarbij ik m’n verbazing heb uitgesproken dat niet méér navolgers van Christus in de wekelijkse ontmoeting met hun Heer en Meester van het leven, daadwerkelijk deelnemen aan die ontmoeting. Het wezenlijk contact met God is immers een levensvoorwaarde in deze van God [‘en gebod’] vervreemde samenleving.
Liturgie is geen Hemelse droom, maar een reëele daad op aarde ten opzicht van onze Heer en Verlosser, Die onze geest van zwakheid, die gekromd is toch maar -keer op keer – geheel weer opricht.
In het beeld van de onzichtbare God worden wij verlost uit de macht van de duisternis en in Liefde overgebracht in het Koninkrijk van God’s Zoon.

Na afloop van de dienst van het Woord, vervolgen wij dan ook de Goddelijke Liturgie met de Cherubijnen-hymne.

Cherub Charitas, communiebank 1650, museum Catharijne-convent Utrecht

        Tien tegen één dat bij het woord ‘cherubijn’ in onze samenleving gedacht wordt aan een kogelrond peutertje met vleugels. De meesten van onze omstanders weten niet beter; zo heeft ‘de Verlichting’ het ons immers voor-gehouden. Het zoet-sappige wezentje wordt al vanaf de Renaissance afgebeeld in talloze schilderijen en religieuze prentenboeken.
Theologen schudden echter het hoofd en wijzen erop dat dit vrolijke engeltje het product is van de aanhoudende pogingen van humanistisch getinte afvalligen om het christendom met heidense symboliek en mythologie te verzoenen. Zo heeft ‘kerstmis‘ volgens hen niet zozeer te maken met de werkelijke geboortedatum van onze Heer en Verlosser, maar veeleer met het vóór-christelijke midwinterfeest. Er wordt heden-ten-dage geen gelegenheid geschuwd om heiligen-feesten met niets-zeggende discussies van hun oorspronkelijke betekenis te beroven en het oorspronkelijk Christelijk Geloof onderuit te halen.
Kerst is waarachtig geen gezelligheidsfeest, waarbij supermarkten de meest uitgelezen producten trachten te slijten – het is en blijft de Geboorte in het Vlees van onze Heer en Verlosser, Diegene Wiens Blijde Boodschap, Zijn Pedagogie, de mens doet herleven – en nog steeds een mogelijkheid aanbiedt om te overleven.

     Daarom is het beslissende ogenblik in de Goddelijke Liturgie de ‘Grote Intocht‘, de processie waarin de voorganger, spelleider [priester] brood en wijn vanuit de proscomedie- [voorbereiding’s-] tafel naar het altaar wordt gebracht; het moment dat wij onze aardse zorgen terzijde stellen om de Koning van het heelal te ontvangen, onzichtbaar begeleid door engelenscharen, hetgeen wij kortweg de cherubijn-hymne noemen:

Vervolgens wordt de eucharistische Canon ingeleid en zingen wij samen met de engelen en aartsengelen, machten en krachten de lofzang tot God’s Heerlijkheid: “Heilig, heilig, heilig is de Heer Sabaoth” [Hebr. = ‘Heer der heerscharen’, benaming van God als hoogste bestrijder van het kwaad]. “Hemel en aarde zijn vol van Uw Heerlijkheid; Hosanna in den hoge.
Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heren, Hosanna in den Hoge“.
Dit is de engelenzang, het grote Gloria, dat uit de hemelse eredienst [in de Kerstnacht] op aarde is gebracht. Eigenlijk doen we niets anders dan dat wij als engel-gelijkend met de  engelen meezingen:
Vervolgens volgt de Epiclese en ervaren wij dat: “God onder ons is – Hij is en zal zijn”, en dit betekent dat de tijd, de tijd waarin wij leven, door de indeling van het eeuwige Woord is geheiligd. De tijd, onze tijd, is niet een onverschillig tijdstip, niet een noodlottige gebondenheid, maar de wel-aangename tijd, de tijd, die heden in onze oren, ogen en hart vervuld is.

<<– Gebed des Heren

Wij bidden heel persoonlijk tot de Vader:
Allen :     Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede, zoals in de hemel, zo ook op aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaren vergeven,

‘maar verlos ons van de Boze’

en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze“.
Voorganger:  Want van U is het Koninkrijk, en de Kracht en de  Heerlijkheid; Vader, Zoon en Heilige Geest; nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.
Allen:   “Amen”.
God’s verkeren met de mens gaat niet buiten de tijd om, niet in een mystieke verrukking, waarin tijd is als eeuwigheid en eeuwigheid als tijd, maar het geschiedt hier en nu, midden in de tijd, die door God’s scheppende en herscheppende daad is geworden tot God’s tijd, tot de Tegenwoordigheid van Jezus Christus, de Zoon van God, in ons midden.
De eredienst, ons gezamenlijk samenzijn als gemeenschappelijke navolgers van Christus geschiedt dus niet onafhankelijk van de tijd, maar in een vast verloop, wiens grond, basis-plan het verloop van de Heil’s-geschiedenis eerbiedig volgt. We treffen deze liturgische tijd aan in de dag-, week- en jaarcyclus van de Kerk, met andere woorden in het kerkelijk jaar. Wij mogen als navolgers van Christus, voorgegaan door de door Hem gezegende voorganger, spelleider [priester] de eredienst houden in het Jaar des Heren.
Het kerkelijk jaar is een menselijke poging, om de gang van de Heilsweg in de regelmatige eredienst van dag tot dag te volgen. In de Kerk, volgt de navolger van Christus, een door de kerkvaders ingericht, kerkelijk jaar, welke een waardevol tegenwicht biedt tegen de subjectiviteit van de hedendaagse prediking, men volgt bij de prediking niet z’n inval of de tijdsomstandigheden – met al z’n invloeden, maar de gang, die God Zelf met Zijn Kerk ging.

Antiocheens Orthodox in Amersfoort

Op die wijze blijft de gemeenschap voor eenzijdige prediking bewaard en komt in de orde van het perikopen-systeem de gehele inhoudt van de Blijde Boodschap achtereenvolgens ter sprake. Hetzelfde geldt in het gebed, de hymnen, de teksten van de vaders bij de verschillende handelingen.
Een eredienst kan en dient te alle tijde gehouden kunnen worden, – en daar dien  je misschien vandaag de dag niet mee aan te komen – , maar de kerk dient tevens onafgebroken ‘open’ te zijn, opdat de vele geroepenen aan de oproep van Christus gevolg kunnen geven.
Een treffend kenmerk van het tegenwoordige leven is zijn ingewikkeldheid en het onvermogen van de enkeling om het geheel te overzien;
want hoe we het wenden of keren -‘ook’- en met name in onze tijd richt onze Heer en Verlosser Zich onvermoeibaar tot de mensen, die moe zijn van het leven onder het juk van hun eigen zonden. Die verdriet hebben, niet in de eerste plaats over de zonden van anderen, maar over zichzelf – zij horen God’s roep:
Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal je rust geven;
neemt Mijn juk op je en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart en jij zult rust vinden voor je ziel; want Mijn juk is zacht en Mijn last is lichtMatth.11: 28-30.

”      Nog vier [het getal 4 kan duiden op de vier windstreken, de vier evangelisten in de schepping van
deze wereld] maanden, dan komt de oogst?
Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zullen zijn om te oogsten.
Reeds ontvangt de maaier z’n loon en verzamelt hij vrucht ten eeuwigen leven, opdat de zaaier zich tegelijk met de maaier zal verblijden
John.4: 35,36.
In de Goddelijke Liturgie ontmoeten wij elkaar om God te danken, Hem te loven en Hem te verheerlijken vanwege de overvloedige Genadegaven en de rijke talenten, die Hij ons en onze gemeenschap in overvloed heeft doen toekomen.

Apolytikion     tn.3.
Dat hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen
want de Heer  heeft de Kracht van Zijn arm getoond.
Door Zijn dood heeft Hij de dood vertreden
en werd Hij de Eerstgeborene uit de doden.
Hij heeft ons verlost uit de diepten der hel
en aarde wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.3.
Heden zijt Gij, Barmhartige, opgestaan uit het graf,
en hebt ons verlost uit de poorten des doods,
Heden jubelt Adam en Eva verheugt zich;
en de Profeten en Patriarchen bezingen zonder einde
de Goddelijke Macht van Uw Heerschappij


Theotokion     tn3.
Gij zijt Middelaar
ster geweest bij de Verlossing van ons geslacht,
daarom prijzen wij U, o Moeder Gods en Maagd.
Want in het vlees dat Hij aannam uit uw schoot,
heeft uw Zoon, onze God,
het lijden van het Kruis ondergaan.
En heeft Hij ons uit het verderf verlost
als de Menslievende
”.

27e Zondag na Pinksteren – wij zijn allen blindgeboren en de Heer vraagt: ‘ Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?’.

    Het geschiedde nu, toen onze Heer en Verlosser in de nabijheid van Jericho kwam, dat een blinde aan de weg zat te bedelen.
Toen deze hoorde, dat er een schare voorbijging, vroeg hij, wat dit was. En zij vertelden hem, dat Jezus de Nazireeër voorbijkwam.
En hij riep en zei:
     ‘ Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’.
En die vooraan liepen, bestraften hem, dat hij zwijgen zou. Maar hij schreeuwde des te meer:
     ‘ Zoon van David, heb medelijden met mij!’.
Jezus nu stond stil en liet hem bij Zich brengen.
Toen hij naderbij gekomen was, vroeg Hij hem:
     ‘ Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?
Hij zei:
     Heer, dat ik ziende zal worden!’.
En Jezus zei tot hem:
     ‘ Word ziende; uw Geloof heeft u behouden’.
En terstond werd hij ziende en hij volgde Hem, God lovende.
En geheel het volk zag het en bracht lof aan God
Luc.18: 35-43.

hetzelfde staat in de weergave van Johannes de Theoloog:
En voorbijgaande zag Hij een man, die sedert zijn geboorte blind was.
En zijn discipelen vroegen Hem en zeiden: ‘Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is?’
Jezus antwoordde: 
 ‘Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders, maar de werken van God moesten in hem openbaar worden. Wij moeten werken de werken doen van Degenen [de drieëenheid’s vorm], Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht, waarin niemand werken kan.
Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld’John.9: 1-5.

  Voorts, weest krachtig in de Heer en in de sterkte van Zijn Macht. Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen van de duivel; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.
Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden.
Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid, de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het Evangelie van de Vrede;
neemt bij dit alles het schild van het Geloof ter hand, waarmee gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven;
en neemt de helm van het Heil aan en het zwaard van de H. Geest, dat is het Woord van God.
      En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligenEph.6: 10-18.

Ouderling [staretz] Païsios [1924-1994] [een wijze oudere, die door veel monniken en leken op de berg Athos (Gr.) werd benaderd, die om raad waren verlegen], leerde dat we als bijen dienen te zijn.
Een bij zal de éne bloem vinden op een mestvaalt, zo zei deze grote 20ste eeuwse leraar van de Heilige berg Athos.
Het probleem is dat het merendeel van ons zich voordoen als vliegen, die de enige stapel mest in een veld vol bloemen vinden.
Gods Wil‘ is onze bloem, we dienen ‘Hem‘ te ontdekken, te benaderen en in onszelf te zoeken en daar ‘bij Hem‘ te rade te gaan en ‘Hem‘ te vinden.

    Ik zou liever m’n leven voor Christus opofferen,
dan dat ik over de gehele aarde
[incl. de kerk] zou heersen”.
H. Ignatius van Antiochië

Laat niemand de eerste plaats innemen, of enige waardigheid naar zich toetrekken, of rijkdom, of zichzelf belangrijker voor te doen, dan die werkelijk is;
en laat niemand hem vervolgens de lage positie of de armoe ontnemen.
Want de belangrijkste punten zijn:
Het behoud van het Geloof in God, de Hoop op Christus,
het genot van die goede dingen, die we om ons heen zien
vanuit de Liefde tot God en onze naaste
”.
H. Ignatius van Antiochië

De deugden worden slechts gevormd door het gebed
dat het gematigd zijn bewaard mag worden,
dat de woede onderdrukt mag worden en
de aandoening van hoogmoed en afgunst voorkomen wordt.
In gebed wordt de ziel naar de Heilige Geest geleid en
verheft de mens zich naar het koninkrijk der Hemelen
”.
H. Ephrem de Syriër

Neem daarom als gewoonte aan tijdens de maaltijd heilige boeken [voor] te lezen, en je zult niets dan verrukkingen ervaren.
Laat deze de loopbaan van je leven zijn en
je zult een goede nachtrust vinden
”.
H Ephrem de Syriër

Het is beter om een ​​lovenswaardige strijd te verkiezen
dan een zogenaamde Vrede, die ons van God scheidt.
Het Geloof dat mij geleerd werd door de Heilige Vaders,
dat ik te allen tijde voor ogen heb gehad zonder dit aan te passen aan de tijdgeest,
dit Geloof zal ik nooit ophouden te verkondigen;
Ik ben er mee geboren en ik leef ermee tot in eeuwigheid
”.
H. Gregorius de theoloog.

” Ik wil U belijden, Heer, uit heel mijn hart. Voor het aanschijn der Engelen zing ik een Psalm voor U, want Gij hebt alle woorden van mijn mond gehoord.
Ik wil neervallen voor Uw heilige Tempel, en Uw naam belijden, om Uw Barmhartigheid en Uw Waarheid.
Want boven alles hebt Gij Uw naam verheerlijkt.
Op welke dag ik U aanriep, hebt Gij onmiddellijk naar mij gehoord. Gij hebt mij hooggeschat om mijn ziel in Uw kracht.
Dat alle koningen op aarde U belijden, Heer, want zij hebben alle woorden van uw mond gehoord. Dat zij zingen op de wegen des Heren, want groot is de Heerlijkheid van de Heer.
Hoogverheven is de Heer: toch ziet Hij neer op het geringe. Maar wat zich hoog dunkt, dat kent Hij slechts van verre.
Al moet ik wandelen temidden van  verdrukking: Gij zult mijn leven behouden.
Tegen de toorn van mijn vijanden hebt Gij Uw hand uitgestrekt: Uw rechterhand heeft mij gered.
De Heer zal vergelden; Heer, Uw Barmhartigheid is eeuwig; versmaad niet het werk van Uw handen
Psalm 137[138] vert. ROK ‘s-Gravenhage.

Wij zitten momenteel in de periode – een geweldige tijd waarbij wij ons door vasten en gebed voorbereiden op de Geboorte in het vlees van onze Heer en Verlosser; het zingen van hymnen heeft de eeuwen door met hymnen de menselijke ziel gevoed en de gedachten van de gelovigen daarbij gericht op het feest van Kerst. Daarom bijgaand een gezongen Hymne ter verheerlijking van Christus’ komst in het vlees, door monnik Maximos van het I.M. Vatopaidi, Athos [Gr.]:
MP3:

Apolytikion     tn.2 van de 27e Zondag na Pinksteren
Toen Gij, het onster’flijke Leven nederdaalde tot de dood,
hebt Gij de kracht der onderwereld gedood door de bliksem der Godheid.
En toen Gij de gestorvenen uit de onderwereld opwekte,
riepen alle Machten der Hemelen:
O Christus onze God, Schenker des Levens, ere zij U“.

Kondakion     tn.2
Gij zijt opgestaan uit het graf, Almachtige Verlosser,
en bij het aanschouwen van dit wonder stond de onderwereld verslagen.
De doden verrezen en heel Uw Schepping verheugt zich samen met U.
Ook Adan jubelt en het Heelal mijn Verlosser,
zingt U de lofzang zonder einde“.

Theotokion     tn.2
Onbegrijpelijk en hoogHeerlik zijn alle Mysteriën
Die aan u voltrokken zijn, o Moeder Gods.
Verzegeld in reinheid en vast in maagdelijkheid,
zijt gij waarlijk Moeder geworden
en hebt gij de Ware God gebaard.
Smeek tot Hem dat onze zielen worden verlost
”.

 

26e Zondag na Pinksteren – de rijke hooggeplaatste en het oog van de naald

      En een hooggeplaatst man vroeg Hem en zei:
       ‘Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?
Jezus zei tot hem:
    Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.
Gij kent de geboden: Gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, eer uw vader en moeder.
Hij zei:
        Dat alles heb ik van jongs af in acht genomen.
Toen Jezus dat hoorde, zeide Hij tot hem:
        Nog een ding komt gij te kort: verkoop alles wat gij bezit, en verdeel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in de hemelen, en kom hier, volg Mij.
        Toen hij dat hoorde, werd hij diep bedroefd, want hij was zeer rijk.
En Jezus zag hem aan en zei:
        Hoe moeilijk kunnen zij, die geld hebben, in het Koninkrijk Gods ingaan. Want het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog ener naald, dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat.
En die dit hoorden, zeiden tot Hem:
Maar wie kan dan behouden worden?
Hij zeide tot hen:
        Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God’

Luc.18: 18-27.

Thans zijt gij licht in de Heer; wandelt als kinderen van het licht,
⁌  want de vrucht des lichts bestaat in louter goedheid en gerechtigheid en waarheid en
⁌  toetst wat de Heer welbehaaglijk is.
En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmaskert ze veeleer, want het is zelfs schandelijk om te noemen, wat heimelijk door hen wordt verricht; maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is licht.
Daarom heet het:

‘Heer en Meester, heb medelijden met mij’.

Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.
Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen, u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad.
Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de wil des Heren is.
En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is, maar wordt vervuld met de Geest, en spreekt onder elkander in Psalmen, Lofzangen en geestelijke Liederen, en
zingt en jubelt de Heer van harte

Eph.5: 8b-19

Heilig leven,
☛ van Genade op Genade
☛ met beide benen op de grond,
☛ mag je elke dag examen doen en
☛ vervuld worden met de Heilige Geest.
      En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is, maar
wordt vervuld met de Geest en spreekt onder elkaar in Psalmen,
Lofzangen en geestelijke liederen en zingt en jubelt de Heer
van harte“,
dankt te allen tijde‘ in de Naam van onze Heer Jezus Christus God, de Vader, voor alles, 
en weest ‘onderdanig onder elkaar‘ in de vreze van ChristusEph.5: 18-21.

               Wanneer je goed kijkt bemerk je dat het de Heilige Geest is, Die ervoor zorgt dat mensen de roep van Christus beantwoorden en tòt Hem komen.
Tòt Christus, in Wie verlossing van de schuld en de aloude vloek is en
in Wie vernieuwing van het leven is.
Het is Heilige Geest zorgt ervoor dat ik mijn eigen ellende
– dusdanig onder ogen krijg – dat ik tot Christus leer vluchten.
En dat ik ‘in’ Christus zodanig inzicht krijg dat ik ‘tot’ Christus, als
de Zoon van God durf te vluchten.
En zodra iemand dàn tot Christus komt:
dàn  wordt de Heilige Geest in zijn hart geopenbaard.
dàn woont Hij in in de mens.
Alleen, eerst dàn kunnen er nog veel verzoekingen opdagen,
veel twijfel, maar ook veel lauwheid, want
de tegenstrever krijgt er lucht van, die is daarop getraind.
Maar ‘vervuld worden met de Heilige Geest’ wil zeggen:
dàn vult de Geest geheel en al mijn hart.
Niet als een bodempje water in het glas, maar Hij vult geheel het glas, van onder tot boven, ja tot . over de randen toe.
Zodat het hart van de mens volstroomt vanuit de Hemelen, want de Heilige Geest is de eersteling van de Hemelse Zaligheid.
De Heilige Geest is de eersteling van de volle oogst der Heerlijkheid van God.
De Heilige Geest brengt dus iets teweeg van de Hemel in het menselijk hart:
Zoals een van onze geestelijk voorgangers het mij duidde:
De Hemel was al in het menselijk hart neergedaald voordat het menselijk hart de Hemelen ontwaarde”, het was bij de schepping [in de genen] mee ingebakken
En we hoorden al eens eerder wàt er vervolgens in je hart opborrelt, vanuit de geestelijke Bron:
  Hemelse vreugde; Vreugde in de God van het heil; Verwondering over de Vader, Die de mens Lief heeft en heeft uitverkoren”.

Uit zo’n grote duizelingwekkende diepte heeft God de mens verheven, opgenomen en verkozen. Waarom mij persoonlijk, waarom ben ik, tot Uw kind geworden, als een rechtgeaarde Vader, Die Zich verwondert over de  komst van de eengeboren Zoon, Die ons mensen tot zo’n dure prijs heeft gekocht.
De Zoon van God, Die heeft liefgehad tot in de dood, de God-verlatenheid, het Groot en Heilig Kruis. Hoeveel heeft U, als God over de goden niet voor mij, als mens onder de mensen overgehad?
Verwondering over de Heilige Geest, Die zó vol Kracht en Geduld mij heeft getrokken en niet opgaf en er niet de brui aan gaf toen ik zo hardnekkig tegenwerkte en Hem weg wilde hebben, maar doorzette en inwon.
Hoeveel verzet heeft God niet willen doorbreken en verdragen, waardoor er in de Hemelse Gewesten Vreugde kwam over de zondaar, die zich bekeert, in het vooruitzicht op een eeuwigdurend heil.
En behalve Hemelse Vreugde geeft de vervulling met de Heilige Geest ook hemelse Liefde.

De Hemel is de Liefde van God tot de mens en Jezus Christus tot de degenen, die de eeuwige zaligheid genieten;
Liefde van welbehagen tot in eeuwigheid.
Liefde van het ‘Ik voor u’ van de Zoon;
Liefde uit de oorsprong van de eeuwigheid,
Liefde tot elke prijs en
Liefde tot in de dood.
En de liefde van de mens tot God, het intense verlangen bij Hem te zijn.
Liefde spontaan en diepgeworteld, Die Zich richt op het Lam, de Vader en de Geest.
Verlangen naar Hem; Verlangen naar de wederkomst:
de Geest en de bruid zeggen: “Kom, Heer Jezus, kom en haast U”.
Behalve Vreugde en Liefde is de Hemel Heiligheid; waarachtige dienst aan God, volkomen en in ruime mate.
Geen smet van leven zonder God/zonde, nog meer, geen zweem van eigen eer, eerzucht, zondige begeerte en lauwheid, Heiligheid wordt een menselijk verlangen.
Hoe heiliger hoe liever. hoe méér tijd en hoe dìchter bij de Heer hoe liever.
Zonder te vragen: hoe vèr kan ik hierbij gaan, maar hoe dicht kan ik bij God blijven.
Ook bij het zien en luisteren naar zonde gruwt ons hart hiervan:
Heer, er is geen heilige meer, de Waarheid wordt zeldzaam onder de volkeren!”.
Uw Liefdedienst heeft mij nog nooit pijn gedaan, mij verdrietig gemaakt.
En we haten het doen van de schenders van God’s Thora, God’s Wet en verafschuwen die smet, te beginnen met mijzelf.
Ontzettend gevoelig voor God’s eer; de Vervulling met de Heilige Geest.
Dàt heeft dus te maken met de beleving van de staat van geluk, de zaligheid, het Heil. Met een kwetsbare, tere omgang met de Heer, ‘Die Heilig is, Die Sterk is en On-Sterfelijk”, intens, innig en vol verlangen uitroepend: “Heer, ontferm U!”.
Vervulling met de Heilige Geest dat straalt ervan af; dat straalt wat uit.
En dat kan ook verzet oproepen en weerstand, want dàn moet ook ikzelf aan het werk, maar in elk geval: dàt glanst en schittert.
Zou dàt niet rijk zijn, naar je kinderen of kleinkinderen toe, wanneer je hen als vader, en moeder, als opa of oma binnenleidt en zij zich vergapen aan de Schoonheid van de Kerk, tijdens een Goddelijke Liturgie?, als leidinggevende of catecheet, naar kinderen en jongeren toe?
Wanneer je, als lid van een Christelijke Gemeenschap, naar je collega’s toe, je omgeving, je familie toe hen rondleidt in jouw Gemeenschap?, waar je trots op kunt zijn en waar je jezelf gedragen weet?
En voor jezelf, om van twijfel, lauwheid in al je benepenheid verlost te zijn en bóven de wereld verheven te zijn?
Is dat het niet waard om te horen naar die roep:
  Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen;
want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth. 11: 28-30.

Dàt is vervuld worden met de Heilige Geest, het levend geloof bouwt op het Woord, maar verlangt naar ervaring en vervulling – allebei en in deze volgorde; dàt is heel wezenlijk.
Dood Geloof meent te geloven en gered te zijn, Vrede met God te hebben en zegt:
wat wil ik nog meer?; “God’s Genade is mij immers genoeg”
Laat het dàt zijn en niet dat andere: ‘dronken van de wijn‘.
Dat noemt Paulus juist in deze brief wel juist omdat dàt in Ephese [Hebr.= “toegestaan”] algemeen gebruik was. In Ephese werd de God van de wijn vereerd: ‘Bacchus’; en vier keer per jaar waren er de Bacchusfeesten, waar overvloedig het product van Bacchus werd gebruikt: de wijn.
Dàn krijg je ook een bepaalde beleving, een goed gevoel, maar wèl van heel andere orde, want dronken van wijn daarin is overdaad.
En “overdaad schaadt”, letterlijk leidt het tot Heil-loos-heid,
Niet‘ tot volkomenheid de staat van geluk, de zaligheid, van het heil, maar zònder heil.
Dáár wáár de Heilige Geest vol van maakt, dàt verstikt de wijn.
Omgang met God, Vreugde, Liefde, Heiligheid, wie dronken is van de wijn, die
is dáár totaal onbekwaam en onverschillig voor [geworden].
Trouwens, dat kan ook door andere dingen gebeuren: als je in wat voor muziek dan ook òpgaat, als je helemaal blind staart naar een voetbalwedstrijd: ‘overdaad schaadt’, is heilloos. De omgang met God wordt erdoor verstikt en verstrooid.
Je kunt het ook merken: want je praat alleen nog maar daarover. Je wordt nogal loslippig, maar niet over de dingen van onze Heer en Zaligmaker.
Wat kunnen dat voor dingen zijn die heilloos voor je zijn: die je verlangen naar God uitdoven, je vreugde in God wegnemen, je open doen staan voor de wereld, je afsluiten voor de eeuwige dingen.
Doe dat niet!
Want wat slecht is voor de omgang met God: probeer het uit je leven te bannen; ik weet het je komt er haast niet om heen in dit tranendal, deze wereld.
Ten diepste is het óf – óf: een christenleven dat niet vervuld is met de Heilige Geest wordt hoe langer hoe meer ingenomen door dingen die heilloos zijn.
Voor de één is dat wijn [of sterker spul en andere stimulerende, geest verruimende middelen], bij een ander sport, een derde werk, een vierde z’n [m’n] computergebruik òf weer wat anders;
de tegenstrever is wat dàt aangaat zeer vindingrijk, maar je leven wordt hoe dan ook èrgens mee vervuld. Is het niet met de Geest dan door aardse dingen, steeds meer en meer.
En steeds lauwer, steeds gezapiger, steeds onverschilliger, steeds geruster ook al heb je geen zekerheid, geen vastheid, geen uitzicht, toch wel kalm en gerust.

De gaven van de Heilige Geest, mosaïc by Arie van de Meer

Wat niet tot goed kan leiden, het levert alleen maar slechte resultaten op,
het is slecht, verderfelijk, kortom heilloos-heid.
Daarom nog een keer:
Wordt vervuld met de Heilige Geest!”.
Daarom begint iedere Orthodoxe dienst aan God, van morgengebed tot avondgebed met de aanroep:
Hemelse Koning, Trooster Geest der Waarheid,
Gij Die overal tegenwoordig zijt en alles vervult,
Schatkamer van het goede, en Schenker van het Leven,
kom en verblijf in ons, reinig ons van alle smet,
en red onze zielen, o Algoede
”.
Wordt aldus vervuld met de Heilige Geest.
Laten we daar eens goed naar kijken, want dat is een merkwaardige uitdrukking.
Indien je deze uitdrukking taalkundig ontleed is het een wonderlijke combinatie.
Het is een imperatief, een gebiedende wijs, een bevel met andere woorden.
Maar dan zou het logisch zijn als er stond: vult uzelf met de Heilige Geest.
En dàt staat er niet, het is een passieve vorm, een lijdende vorm.
Wordt vervuld, dat betekent: een ànder moet dat doen.
Het woordje worden geeft aan: iemand anders doet het.
Ik word vastgehouden door iemand anders, ik word gedragen door iemand anders. Ik word gefeliciteerd door iemand anders.
Dus het is een bevel aan mij gericht wat een ander doen moet!
Mij wordt iets bevolen wat een ander voor mij doen moet. Vreemd!
Dat betekent dus allereerst: ik vul mezelf niet met God’s Geest.
Vul jezelf met God’s Geest is onmogelijk.
Een mens beschikt niet over de Heilige Geest en kan de Geest niet naar zich toehalen. Een mens kan zichzelf niet vullen met de Geest van God.
Het kan zijn dat een mens veel denkt te weten van de Heilige Geest en van al wat Hij doet, daar met Pinksteren over gehoord heeft en dat goed opgenomen heeft.
Het kan zijn dat een mens daardoor vurig is gaan verlangen naar de vervulling met de Heilige Geest. Vurig verlangen, en dàn nòg of juist dàn merkt de mens:
Ik kan het mezelf dit niet geven. Ik ben machteloos. Ik sta verlamd en hulpeloos.
Hoe graag ik ook zou verlangen, ik maak mezelf niet vervuld‘.

Dat is die wonderlijke spanning in het Genadeleven, Die God soms
zo die laat’ voelen opdat . . . . . ja opdat . . . En toch staat er een bevel; “Hèt wordt vervuld”.
Dat wil me klem zetten, uiteindelijk, vroeg of laat kùn je niet anders en
zal je als mens [uiteindelijk] dienen toe te geven.
Dat je er als mens niet gelaten onder bent en je erin zult schikken,
nu, ja, je kunt dàt als mens niet uit jezelf, dat is nou eenmaal zo.
Nee, het wil me met sterke nadruk zovèr brengen,
vooruit voeren, drijven naar Wie het wel kan.
Het brengt mij als mens door de Heilige Geest, vroeg of laat
in positie ten opzichte onze Heer Jezus Christus, de Énige God-mens:
Ik dien als mens vervuld te worden met de Goddelijke Geest, maar ik kan me niet vullen, Heer en Verlosser, Jezus Christus vult U mij dan!
Want het is de Geest van Christus, de Zoon van God, onze Verlosser, Die de  Heilige Geest voor ons heeft verworven.
Hij heeft de wet vervuld, de gehoorzaamheid volbracht, de vloek gedragen.
Hij heeft de Geest verworven; Hij mag Hem uitdelen van de Vader.
Daarom kan Hij uitgedeeld worden!
Daarom kan Hij geschonken worden.
Wordt vervuld, Dàt is Wat hier wordt geopenbaard,
ten opzicht van de inwoners van Ephese [‘toegestaan’],
Die Zich aan mensen, die zich vergrijpen aan alles wat God verboden heeft, heeft geopenbaard, Die alles overstijgt.
Tot mensen de Heilige Geest àl hadden, met de Geest gedoopt, verzegeld waren.
Maar die vervulling is telkens opnieuw nodig, dat geeft de werkwoordsvorm ook aan. Wordt telkens weer vervuld, want dat hart van ons, is als een glas, neen een vergiet. Vandaag volgegoten en morgen weer leeg en dient steeds weer vervuld worden.
Vervuld met de Heilige Geest is geen aparte klasse christenen.
Zo van : dàt was ik eerst niet, nú wel, en och ja, mijn man, die moeder van mij, die is toch maar iemand, die zich voortdurend zorgen maakt over zijn/haar zielenheil, een tobber.
Vandaag vervuld, ben ik morgen ook weer leeg.
Dàn geldt opnieuw, steeds maar weer: word vervuld.
De meest vervulde christen is degene die het meest voor  Christus op de knieën ligt en smeekt:
“Heer, Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U, over mij arme, zondaar”,
teneinde toch maar weer vervuld te worden met Zijn Heilige Geest.
En eens, ja, ééns behoeft dat voor ons mensen niet meer: dàn is het eeuwig vol, vervuld, voor eens en voor altijd.

Vervuld met de Heilige Geest.
Dat is de bron zou je kunnen zeggen.
En uit die bron ontspringen 3 rivieren.
Zoals min of meer uit één bron of brongebied drie rivieren voorkomen: zoals de Waal, de Rijn en de IJssel:
  en spreekt onder elkaar in
Psalmen, Lofzangen en geestelijke liederen en
zingt en jubelt de Heer
van harte,
dankt te allen tijde in de Naam van onze Heer Jezus Christus God, de Vader,
voor alles en weest onderdanig onder elkaar in de vreze van Christus”
Eph.5: 19-21.
Het is
– De niet aflatende rivier/Bron van het spreken, zingen en psalmen;
– De niet aflatende rivier/Bron van het dankende.
– De niet aflatende rivier/Bron van het nederige, het onderdanig zijn.

1.]. het spreken, zingen en psalmen
Allereerst sprekende, hetgeen betekent dat je je mond open doet,
dat je vervuld met de Heilige Geest onder elkaar gaat spreken met
Psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.
Die drie soorten tref je ook in het Psalmboek aan.
Boven sommige Psalmen staat: een Psalm zoals 3, 6, 8, 15, 73.
Boven andere staat: een lofzang, zoals 111, 112, 117,118.
Boven andere: een lied, zoals 92, 98, 108.
En in het Psalmboek vind je die Vreugde, die Liefde, die Heiligheid terug.

Het vloeit voort, welt op uit de vervulling met de Heilige Geest.
Dat kan ook niet anders: dat je na de tijd van de kerkdienst, op een gemeenschap’s-avond, een [Hoog-]feestdag het hebt over:
– ‘Ik vond dat dit wat te schèrp was, ik vond dat dàt wat méér gezegd had moeten worden’-.
Of dat je het hebt over:
– ‘het duurde niet zo lang vanmorgen en het was wel wat warm eigenlijk in de kerk, en die had zeker een nieuw kostuum aan’.
En op een verjaardag gaat het al helemaal nooit over onze Heer en Verlosser en
na het drinken van een ‘versnapering in de vorm van wijn’ kom je niet aan zingen toe, maar dien je wel degelijk op je woorden te passen; en zingen onder elkaar, daar kom je ook niet toe.
Hoe is waterstand in de rivier in uw leven?
Laag misschien? Bijna drooggevallen?
Wat een indruk moeten je kinderen wel niet krijgen of je ouders, wat een indruk krijgen niet- en ongelovigen, heidenen hiervan. Als die naar een voetbalwedstrijd gaan hebben ze het soms over hoe geweldig het was. Maar dàt hoor je die plichtgetrouwe kerkgangers nooit zeggen, net of het alleen maar hun ‘plicht‘ is en meer niet. De rivier, de Bron in uw leven staat bijna droog en wordt vervuld met de Heilige Geest!
Kijk, je kan een paar emmertjes erin gooien, maar dat haalt niet veel uit.
Echt anders wordt het als de bron gaat stromen en overlopen.
Je kan jezelf wat voornemen en nou ga ik, en nou zal ik; dat haalt niet veel uit en het is nog vervuild water ook.
Werkelijk anders wordt als Christus Zijn Geest laat stromen.
Dan stroomt het spreken en zingen;
Eén ding staat er echter nog bij:
psalmen zingend tot de Heer in uw hart.
Dat betekent niet: met gevoel, want gevoel zit in de nieren van de Blijde Boodschap. Je hart is je denkvermogen, het in jezelf overwegen – klopt het wat ik verkondig, òf ben ik vanuit m’n eigen stokpaardje aan het verkondigen.
Dus: dat je wéét wat je zingt, je doordenkt wat je verkondigt; elk woord wordt gewogen, beproeft en mag ervaren worden.
Wat zing ik? Dus niet zomaar mijn gevoel en of het goed in het gehoor ligt.
Zingen vanuit het hart van de mens is doordrongen zijn van wat je zegt, onder elkaar bespreekt en afgewogen verkondigt wordt.
Niemand zoekt als David van nature naar vergeving, maar vecht ertegen, dat is de hoogmoed, die is ingebakken.

2.]. De Bron van het dankende.

bron-des-levens

      dankt te allen tijde in de Naam van onze Heer Jezus Christus God, de Vader, voor alles“ Eph.5: 20.
Uit de bron van vervulling met de Geest vloeit voort, welt op: dankende te allen tijd over alle dingen God en de Vader.
Dàt is nogal niet wat: danken te allen tijd – altijd: wàt er ook gebeurt.
Noem het allemaal maar op: gezonde dagen, zieke dagen,
in dagen van trouw en van rouw,
in dagen van succes en van zakken en ontslag.
Te allen tijde, danken, dáár zit zelfs het woord voor ‘vreugde’ in.
  Verblijdt u in de Heer te allen tijde!
Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u!
Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Heer is nabij.
Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen
door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God.
En de Vrede van God, Die alle verstand te boven gaat,
zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus
Phil.4: 4-7 en
    Ik wil de Heer zegenen ten allen tijde, altijd moge Zijn lof in mijn mond verblijven. 
In de Heer verheft zich mijn ziel, dat de zachtmoedigen het horen en zich verheugen.
Verheerlijkt de Heer met mij, laat ons tezamen Zijn naam verheffen.
Ik zocht de Heer en Hij heeft mij verhoord, Hij heeft mij bevrijd uit al mijn beproevingen.
Nadert tot Hem en wordt verlicht: uw gezicht zal niet beschaamd worden.
Deze arme heeft geroepen en de Heer heeft hem verhoord; Hij heeft hem verlost uit al zijn kwellingen.
De Engel des Heren legert zich rond die Hem vrezen, om hen te bevrijden“.
Psalm 33[34]: 1-7.
Met ‘vallen en opstaan’ is het de grondhouding van het christenleven en dat over alle dingen, in alle omstandigheden, dus met het oog op alles wat er gebeurt.
Want, want God namelijk de liefdevolle Vader:
Hij heeft mij verkoren uit zovelen in Zijn Verbond, Zijn Overeenstemming.
Hij heeft als Liefdevolle Vader uit nameloze diepten mij verkoren van eeuwigheid.
Hij heeft Zijn Zoon gezonden en voor mij laten sterven.
Hij zal daarom alle dingen doen medewerken ten goede.
Hij betoont in alle dingen Zijn vaderlijke zorg aan mij en
Hij leidt mij in Zijn voorzienigheid van uitkomst tot uitkomst.
➻ ✥ ➻ Is te allen tijd Toevlucht en Schuilplaats voor Zijn bange, zwakke kind.
Daarom: “ Hem dankende te allen tijde”, de grondhouding van het menselijk leven. Dat is de goudende diskos [RK = de pateen] die onder alles ligt.

Indien iemand mij van nu af nog iets ‘uit Liefde’ voor mijn verjaardag geeft, hetgeen me niet zo aanstaat, maar het ligt op een gouden diskos, wat zal ik dan nog mopperen?
Wat zal ik klagen dat wat erop ligt niet zo veel waarde lijkt te hebben?
            Alles ligt op die gouden diskos [met de stukjes brood van de proforen] van Zijn Vaderlijke verkiezing, aanneming, verzorging.
Als je dàt niet ziet, ja dàn krijg je het Volk Israël [de Kerk] in de woestijn.
Indien ze niet meer zagen waar ze wel niet van verlost waren en waar ze heengingen, dàn gingen ze mopperen, murmureren, klagen, werden ze jaloers, opstandig, verbitterd.
Dankende te allen tijd God van de Vader in de Naam van onze Heer Jezus Christus en Zijn Heilige Geest, eer aan de Heilige Drieëenheid.
In God’s Naam. In God’s opdracht, in God’s  Heiligheid, in God’s Kracht:
Hij hing aan het kruis: ontkleed, gepijnigd zonder pijnstillers, verlaten van mensen en God, onder de vloek.
Zou ik in Zijn Naam niet danken? Danken dat ‘ik‘ daar niet hang, dat ik het zoveel beter heb, dat ik toegang tot de Vader heb?
Hoe is waterstand in de Bron van dankbaarheid in ons leven? Laag misschien? Bijna drooggevallen? Wat een indruk moeten je kinderen wel niet krijgen of je ouders, wat een indruk krijgen onkerkelijken ervan.
Zo weinig dankbaar, zo vaak morren en klagen, opstandig verbitterd.
Die Bron staat bijna droog. Wordt vervuld met de Heilige Geest!
Kijk, je kunt er een paar emmertjes erin gooien, maar dat haalt niet veel uit.
Echt anders wordt het als de Bron gaat stromen en overlopen.
Je kunt jezelf nogal wat voornemen en nou ga ik, en nu zal ik; dàt haalt niet veel uit en het is nog vervuild water ook.
Echt anders wordt als Christus Zijn Geest laat stromen, onze harten vervuld.
– uit bij ‘Heer, ik roep:’ Hoogfeest van Pinksteren:
    Komt, volkeren, om de Drie-persoonlijke Godheid te aanbidden:
De Vader en de zoon en de Heilige Geest.
Want buiten alle tijd brengt de Vader voort de mede-eeuwige en meetronende Zoon, en de Heilige Geest is in de Vader en wordt verheerlijkt met de Zoon.
Één Macht, één Wezen, één Godheid: wij allen aanbidden en zeggen:
Heilig zijt Gij, God Die door de Zoon alles geschapen hebt, tezamen met de energie van de Heilige Geest.
Heilig is de Sterke, door Wie wij de Vader mogen kennen en door Wie de Heilige Geest in de wereld gekomen is.
Heilige is de Onsterfelijke, de Geest, de Trooster, Die uitgaat van de Vader en Die rust in de Zoon.
Heilige Drieëenheid, eer aan U
”.

geketend

3.]. Bron van het nederige, het onderdanig zijn.
Elkaar onderdanig zijnde in de vreze God’s.
en weest onderdanig onder elkaar in de vreze van ChristusEph.5: 21.
Dit vers is de kapstok voor het gedeelte tot en met 6: 9 van  de brief van Paulus aan de inwoners van Ephese [Hebr.= “toegestaan”].
Want dat wordt op hierna uitgewerkt:
⁌  in vrouwen weest aan uw eigen mannen onderdanig, Eph. 5: 22.
⁌  in kinderen zijt uw ouders gehoorzaam, Eph.6: 1.
⁌  in dienstknechten [Gr.= δοῦλος, slaaf] weest uw heren gehoorzaam, Eph.6: 5.
Dàt heeft te maken met een woord, nederigheid, onderdanigheid,
dat betekent: dat ieder zijn toegewezen plaats inneemt en zich aan de regels van het spel houdt. Denk aan een orkest met verschillende instrumenten; dàn heeft elk instrument zijn eigen partij en dàn klinkt het mooi.
Maar als alle instrumenten of de dirigent, de dwarsfluit partij gaan spelen en ieder er eigen regels op nahoudt dàn is het geen gehoor. Maar als ieder zich houdt aan zijn eigen rol, eerst dan wordt het een mooie Symphonie.
Zó heeft God mensen een plaats beschikt, ingedeeld in het leven.
Je bent man, je bent vrouw; je bent vader of moeder, je bent kind van deze vader en moeder; dáár kies je niet zelf voor, dàt is voor je beschikt door de Heer.
En de Heilige Geest leert je juist om je in-te-voegen en te houden aan de plaats en de regels waartoe je aangesteld bent.
De Heilige Geest leert je juist om je in die structuur in te voegen.
In datgene wat de Vader heeft beschikt.
En dan geldt bij de vrouw: weest uw man onderdanig [hoe vervelend dat in onze tijdgeest ook klinkt]; dan geldt heel ouderwets voor kinderen: wees je ouders gehoorzaam.
Dat betekent dus: man, wees dusdanig man dat je vrouw dàt doen kan.
Wees als man echt hoofd van je vrouw, ‘Wijs, liefdevol, gericht op haar welzijn‘,
dat uw vrouw Christus in u ziet en opmerkt. Zodat het heerlijk en goed voor haar is om te volgen. Ouders, wees als ouders zó ouders dat het goed voor je kind als het je gehoorzaamt.
Wees vader naar Gods beeld. Troost als moeder zoals God troosten kan.
Vervul de taak die bij je positie hoort, dat uw kind of uw omgeving de hemelse Vader in u opmerkt en proeft.
En dàn óók: vrouwen, weest onderdanig. Gericht op Gods eer, zolang het kan.
     Zolang het niet tegen God ingaat en je welzijn verwoest, wees onderdanig.
     Zolang het mogelijk is. Kinderen, wees gehoorzaam, zolang het kan.
     Zolang het niet tegen God ingaat en je welzijn verwoest, wees gehoorzaam.
Ook als je man zo makkelijk niet is of doet, ook als je ouders niet zo makkelijk zijn of doen.
Zoek naar de uiterste grenzen, in gerichtheid op God, van onderdanigheid en gehoorzaamheid zó lang als mogelijk is.
Hoe is waterstand in de Bron van onderdanigheid in uw leven?
Laag misschien? Bijna drooggevallen?
Wat een indruk moeten je kinderen wel niet krijgen of je ouders, wat een indruk krijgen onkerkelijken ervan; zo weinig als Christus, als God de Vader,
zo weinig zoekend naar onderdanigheid en gehoorzaamheid.
De Bron staat bijna droog; wordt vervuld met de Heilige Geest!
Kijk, je kan een paar emmertjes erin gooien, maar dat haalt niet veel uit.
Echt anders wordt het als de bron gaat stromen en overlopen.
Je kunt jezelf wat voornemen en nou ga ik, en nou zal ik.
Dat haalt niet veel uit en is nog vervuild water ook.
Pas ècht anders wordt als Christus Zijn Geest laat stromen, de harten van mensen vervuld.

Heer Jezus Christus, onze Verlosser, vervul de mensheid toch met Uw Geest.
Mijn hart, gezin, mijn gemeenschap, die zo dacht ik het meest bij mij past, die kerkgemeenschap. Dan stroomt de nederigheid, de onderdanigheid.
Heer Jezus, geef ons uw Geest, opdat Uw Lichaam van de Heilige Kerk leven zal!
En die rivieren, die uit die Bron voortkomen, zullen stromen naar de zee.
De zee van het Hemels Koninkrijk, van de eeuwige Heerlijkheid.
Daar is het eeuwig zingen, eeuwig danken en eeuwig op mijn plaats zijn, zoals
de Heer en Verlosser het heeft bedoeld.
En het leven door en met de Heer, onze Verlosser,
kent iets van die voortstuwing van het bloed in het Lichaam van Christus,
naar het eeuwig Hemels Koninkrijk, daarheen, voor eeuwig.
Amen.

    En een aanzienlijk, hooggeplaatst man vroeg Hem en zei:
       ‘Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?’.
Jezus zei tot hem:
    Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.
Gij kent de geboden: Gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, eer uw vader en moeder’.
aanzienlijk, hooggeplaatst man zei:
        ‘Dat alles heb ik van jongs af in acht genomen’.
Toen Jezus dat hoorde, zeide Hij tot hem:
        ‘Nog een ding komt gij te kort: verkoop alles wat gij bezit, en verdeel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in de hemelen, en kom hier, volg Mij’

Luc. 18: 18-22.

Apolytikion     tn.1
“   Terwijl de steen door de Joden verzegeld was
en de soldaten Uw alleruiterst Lichaam bewaakten,
zijt Gij na drie dagen opgestaan, o Verlosser,
om aan de wereld Leven te schenken.
Daarom riepen de Hemelse Machten U Toe, o Levenschenker:
Ere zij Uw Opstanding, o Christus.
Ere zij Uw Koninkrijk:
Ere zij Uw Voorzienigheid o enige Menslievende
”.

Kondakion     tn.1
“   Als God zijt Gij opgestaan uit het graf in Heerlijkheid
en de wereld hebt Gij mede opgewekt.
De mensennatuur bezingt U als God
en de dood is teniet gedaan.
adam jubelt o Meester
en Eva, uit haar noemen bevrijd, verheugt  zich en roept uit:
Gij zijt het, o Christus,
Die aan allen de Opstanding schenkt
”.

Theotokion     tn.1
“   Toen Gabriël tot U o Maagd het ‘verheug u’ sprak,
nam de Schepper van het heelal ‘in U‘ het vlees aan.
Toen werd gij ‘de Heilige Ark’, waarover David sprak,
meer omvattend dan de Hemelen.
Eer zij Hem, Die in U woning nam,
Eer aan Hem, die uit u tevoorschijn trad.
Eer aan Hem, Die ons ‘door uw baren‘ heeft bevrijd
”.

November 21e – Tempelgang van de Alheilige Moeder Gods

      Terwijl zij op reis waren, kwam Hij in een zeker dorp. En een vrouw, Martha [Hebr.= ‘zij was opstandig’] geheten, ontving de Heer in haar huis. En deze vrouw had een zuster, genaamd Maria [Hebr.= ‘hun opstand’], die, aan de voeten des Heren gezeten naar Zijn Woord luisterde.
Martha echter werd in beslag genomen door het vele bedienen.
En zij ging bij Hem staan en zei:
Heer, trekt Gij het U niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg haar dan, dat zij mij komt helpen.
        Maar de Heer antwoordde en zei tot haar:
Martha, Martha, gij maakt u bezorgd en druk over vele dingen, maar weinige zijn nodig of slechts een; want Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen.
        En het geschiedde, toen Hij deze dingen sprak, dat een vrouw uit de schare haar stem verhief en tot Hem zei: ‘Zalig de schoot, die U heeft gedragen, en de borsten, die Gij hebt gezogen.
        Maar Hij zei:
Zeker, zalig, die het woord Gods horen en het bewaren
Luc.10:38-42; 11: 27,28.

      Nu had ook wel het eerste [Verbond] bepalingen voor de eredienst en een heiligdom voor deze wereld. Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kandelaar en de tafel met de toonbroden stonden; deze werd het heilige genoemd; en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het Heilige der Heiligen, met een gouden reukoffer-altaar en de ark van het Verbond, rondom met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden kruik met het manna, de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen van het Verbond [met de Thora]; daarboven waren de cherubijnen der Heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwen; hierover kunnen wij nu niet in bijzonderheden treden.
Dit was dan aldus ingericht, en de priesters kwamen bij het vervullen van hun diensten voortdurend in de voorste tent, maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het volk in onwetendheid bedrevenHebr.9: 1-7.

Mozes en de brandende braambos

Het begin van alle kennis is ontzag voor de Heer.
Immers:
    Hoor, mijn kind, de tucht van uw vader en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet; want zij zijn een lieflijke krans voor uw hoofd, een keten voor uw halsSpr.1: 8,9.

De wereld bereidt zich voor op de Komst des Heren en terwijl zij te hoop liepen maakten zij  zich opstandig druk over de knecht van de Heilige, is die zwart of wit. “Maar dit geslacht is een boos geslacht. Het begeert een teken, maar het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona” [Hebr.= ‘duif’] Luc.11: 29.
Uit lijfsbehoud volgt een mensenkind blindelings de aanwijzingen van de Vader.
De aanleiding voor het feest van vandaag is het kleine meisje Mirjam [Hebr.= ‘hun opstand’], dat als gevolg van de Gelofte tot de Heer van haar ouders naar de Tempel werd gebracht om daar dienstbaar te zijn.
Het is een apocrief verhaal en vermeld staat dat zij als 3-jarig meisje zelfstandig de 15 treden opliep, die haar naar het Heiligdom leidde.
Dit kind volgde in gehoorzaamheid aan de aloude Traditie de aanwijzingen van haar ouders en besteeg de 15 treden naar het Heiligdom.
Om dit te begrijpen dien je kennis te hebben van hetgeen de Profeten hebben voorzegd;
Profeten hebben in die toekomst gezien en wonderlijke dingen voorzegd.
In onze huidige vertalingen wordt nogal wat weg-vertaald en slechts de Statenvertaling bevat nog in het opschrift van de Psalmen 119[120] t/m 133 [134] de Hebreeuwse titel laten staan:
שיר הממלוטח [Shir Hammaaloth, Hebr.= ‘Lied van deugden’],
de Orthodox Study Bible ‘An ode of ascents’ [‘een ode van opstijgingen’].
Dit betekent zo iets als: ‘het lied van de treden’ – het zijn pelgrim’s liederen, gradualen, welke op hoogfeesten voorafgaand aan ‘het Woord’, de lezing van de Blijde Boodschap werden gezongen.
Zo wordt Psalm 131[132] als Messiaanse Psalm, voorafgaand aan  de Geboorte van onze Heer gebruikt, want vers 11 van deze Psalm laat zien dat “God, de Zoon, mens werd in haar schoot”: “ Vrucht van uw [David’s] lichaam zal ik plaatsen op uw troon, als uw zonen Mijn Verbond onderhouden” vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Het liturgisch samenkomen

Antiocheens Orthodoxe samenkomst  in Amersfoort

De oudtestamentische aspecten van de eredienst blijven gelden in het Nieuwe Verbond, zeker zolang de tempel nog staat [tot de verwoesting in het jaar 70], maar er komen steeds meer nieuwe accenten.
De nadruk op de Éne God wordt gehandhaafd, waarbij ook blijkt dat deze God Zich geopenbaard heeft in Jezus Christus. “God’s Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoondJohn.1: 14. Jeruzalem blijft het centrum van de dienst aan de ene God, ook als mensen uit andere volkeren tot Geloof in Onze Heer en Verlosser, Jezus Christus kom [Rom.15: 27; 2Cor.8: 4].

Geloof draagt je door het leven; الإيمان يحمل لك الحياة; Faith carries you through life.

Toch kan God op ‘alle’ plaatsen gediend worden, omdat Hij daar woont [1Cor.3: 16; 2Cor.6: 16; Eph.2:21; 1Cor.3: 16,17; 6: 19].
Het betekent dat de navolgers van Christus hun lichamen behoren over te geven als een offer, dienstbaar behoren te zijn aan God en de naasten, omdat dit God welgevallig is:
  ”      Jij zult nauwgezet de geboden van de Heer, jouw God, onderhouden en de getuigenissen en de inzettingen, die Hij jou opgelegd heeft; Jij zult doen wat recht en goed is in de ogen des Heren, opdat het jou wel ga en jij het goede land, dat de Here aan jouw vaderen onder ede beloofd heeft, binnengaat en in bezit neemt, door al jouw vijanden voor u uit te jagen, zoals de Heer heeft gesprokenDeut.6: 17-19.
  “      Laat je niet overwinnen door het kwaad, maar overwin het kwaad door het goedeRom.12: 21.
De gelovigen vormen het Lichaam van Christus, een Koninkrijk van priesters:
      Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk [aan God] ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar Licht: u, eens niet Zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen1Petr.2: 9,10.
De gemeenschap van navolgers van Christus op aarde en de gelovigen afzonderlijk worden een Tempel van de Heilige Geest genoemd omdat God daar woont.
In de gemeenschap zijn toezichthouders, spelleiders – apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het Lichaam van Christusconf. Eph.4: 11-12.
De Christelijke Gemeenschap viert in het Mysterie van de Doop en de deelname aan de Goddelijke Liturgie/ het avondmaal, de verbondenheid met Christus, als Zoon van de levende God. Met oude en nieuwe liederen, waartoe ook de Psalmen behoren, zingt men de lof aan God:
– “  En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zei: ‘Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden’. Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader. En na de lofzang gezongen te hebben vertrokken zij naar de Olijfberg.
Toen zei
[onze Heer en Verlosser] Jezus tot hen:
  Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden. Doch nadat Ik zal zijn opgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galilea
[Hebr.= ‘kring’]“ Math.26: 27-32.
– “  en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt de Heer van harte,  dankt te allen tijde in de Naam van onze Heer Jezus Christus God, de Vader, voor alles, en weest elkander onderdanig in de vreze van ChristusEph.5: 19-21.
Het gaat hier met name om de tijd van de wederkomst van Christus, waarin ‘alle’ profetieën vervuld zullen worden. Over die tijd heeft onze Heer en Verlosser Jezus Christus Zelf eveneens herhaaldelijk gesproken toen Hij nog op aarde was.

Opgang naar de Geboorte des Heren

Christus, Geboorte in het vlees

In een tijdperk waarin zoveel mensen van goede wil, met edelmoedigheid, toewijding en ijver de Vrede zoeken waar de mensheid levensbehoefte aan heeft, is het onontbeerlijk dat de Christelijke Gemeenschap terugkeert naar het Woord van God, naar de Bron van het leven en naar de Traditie, Die dat Woord verklaart en actualiseert, teneinde in deze oude en nieuwe schatten, Die God ons heeft toevertrouwd, woorden van onderricht en aansporing te putten, aangepast aan de actuele omstandigheden.
De Vaders van de Kerk, van Oost en West, of ze nu in het Grieks, Latijn, Russisch Syrisch of Coptisch schrijven, zijn voor ons op de eerste plaats getuigen van het Geloof, dat in Jezus Christus telkenmale wordt vernieuwd door de Heilige Geest, Zij getuigen van de Kerk, het Lichaam van Christus in haar verrezen Heer, uitdeler van God voor het Heil van de mensen:
      Toen het dan avond was op die eerste dag van de week en ter plaatse, waar de discipelen [volgelingen] zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zei tot hen:
  Vrede zij u!’ En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Heer zagen.
Jezus dan zei nogmaals tot hen: ‘Vrede zij u!’ Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u
John.20: 19-23.
Het Mysterie van het Heil, sinds alle eeuwigheid door de welwillendheid van de Vader besloten, door de Zoon in de Kracht van de Heilige Geest verwezenlijkt, is geheimenisvol aan het werk in de menselijke geschiedenis en zichtbaar aan het werk in de Kerk. Onvermoeibaar en dienstbaar herinneren de Vaders er aan, in het spoor van de heilige Johannes en Paulus,
dat de Vrede op aarde de vrucht is van Vrede tussen God en de mensen, die door de gekruisigde Christus werd hersteld;
dat deze Vrede een aspect is van Liefde en eenheid die in de Kerk moeten heersen, opdat de wereld zal geloven, dat deze Vrede de gehele schepping [Engelen en mensen, de mensen onderling, de mens in zichzelf, de mens en de natuur, bezield en niet bezield] tot verzoening brengt:
      Gij zult een kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe.
En plotseling was er bij de engel een grote Hemelse legermacht, die God loofde, zeggend: ’ Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen van het welbehagen
Luc.2: 12-14.

Het begin van alle kennis is ontzag voor de Heer.

De alheilige wereldomvattende Kerk, ‘een Mysterie’ – icoon

    De gemeenschap in Christus dan door geheel Judea
[Hebr.= ‘het gebied van de stam van Degene, Die geprezen zal worden’], Galilea [Hebr.= ‘kring’] en Samaria [Hebr.= ‘ wachtberg, voogdijschap’]
had Vrede; zij werd opgebouwd en wandelde in de vreze des Heren, en
zij nam in aantal toe door de bijstand van de Heilige Geest
Hand.9: 31.
      Dient de Heer in vreze, juicht Hem toe met ontzagPsalm 2: 11.
God voegt in Zijn Wijsheid via de profeet David de twee elementen vreze en ontzag samen die onverenigbaar lijken en vraagt ons vervolgens te vertrouwen op Zijn Wijsheid.
Voor ons werelds, vleselijke denken slaat dàt nergens op en dat blijkt wel wanneer beide elementen in de Kerk gaan ontbreken, de gevolgen van de massale uittocht zie je – als gevolg van de onderlinge ‘broederstrijd’ – voor ogen.
Maar de ‘vreze des Heren’ èn ‘de troost van de Heilige Geest’ ná het toejuichen uit ontzag kunnen samengaan – indien je maar wilt !!!
      Mijn kinderen, indien jullie Mijn woorden aannemen en mijn geboden bij u bewaren, Zodat uw oor de Wijsheid opmerkt en gij uw hart neigt tot de Verstandigheid,
Ja, indien gij tot het inzicht roept en tot de Verstandigheid uw stem verheft; indien gij haar zoekt als zilver en naar haar speurt als naar verborgen schatten.
Dan zult gij de Vreze des Heren verstaan en de kennis van God vinden
Spr.2: 1-5.
      Weest [dàn] heilig, want Ik ben heilig. En indien gij Hem als Vader aanroept, Die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze de tijd van uw vreemdelingschap, wetende, dat gij niet met vergankelijke dingen, zilver of goud [winstbejag en macht’s uitoefening] zijt vrijgekocht van uw ijdele wandel, die [u] van de vaderen overgeleverd is, maar met het kostbare bloed van Christus, als van een on-berispelijk en vlekkeloos lam1Petr.1: 15-19.
De bron van de vijandschap is de zonde [gebaseerd op de hoogmoed] welke de vijandschap tussen de mensen onder elkaar en God en de mensen deed ontstaan.
De Liefde van de prins van de Vrede om te spreken met de Profeet volgt op:
      Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn Schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, VredevorstIsaiah 9: 5.
De Liefde van de prins van de onderlinge Vrede heeft de vijandschap omgebouwd tot Vrede. In de mate waarin de navolger van Christus, door het Doopsel als Mysterie zich bekleed heeft met Christus, een verandering tet heiliging heeft ondergaan, is hij óók geroepen ‘zelf’ als mens vrede te worden [zie tevens H. Gregorius van Nyssa in zijn “over de Volmaaktheid”].
Laten wij dan deze ‘in de hitte van de strijd opgelopen’ vijandschap niet in leven houden, maar door onze nederigheid te beoefenen laten zien, dat ze dood is; uit angst dat we ze, nu ze gelukkig en tot ons heil door God gedood werd, niet zelf en tot onze schade weer tot leven zouden wekken en onze ziel te gronde richten door onderlinge toorn en wrok.
Het is hard werken voor Martha, maar Maria heeft aan de voeten van haar Heer het goede deel uitgekozen en dat zal van haar voorzeker niet worden weggenomen!

Apolytikion     tn.4.
  Heden is het begin van ons welbehagen: de voorbereidende Verkondiging van de Verlossing van de mensen.
De Maagd komt in de Tempel van God
en verkondigt reeds aan allen de Christus.
Tot haar willen ook wij met de Engel roepen:
verheug U, Vervulling van het Heilsplan van de Schepper
”.

Kondakion      tn.4.
De alreine Tempel van de Verlosser,
   het kostelijke Bruidsvertrek,
   de geheiligde Schatkamer van God’s Heerlijkheid,
wordt binnengeleid in het Huis des Heren.
Zij brengt daar de Genade van God’s Heilige Geest,
terwijl de engelen zingen:
‘ Zie dáár is de Hemelse woontent’
”.

25e Zondag na Pinksteren – de rijke dwaas

          En Hij sprak tot hen een gelijkenis en zei:
Het land van een rijk man had veel opgebracht.
             En hij overlegde bij zichzelf en zei:
    Wat moet ik doen, want ik heb geen ruimte om mijn vruchten te bergen.
             En hij zei [bij zichzelf]:
‘Dit zal ik doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen en ik zal daarin al het 
koren en al mijn goederen bergen.
             En ik zal tot mijn ziel zeggen:
‘ Ziel, gij hebt vele goederen liggen, opgetast voor vele jaren, houd rust, eet, drink en wees vrolijk.
Maar God zei tot hem:
‘ Jij dwaas, in deze eigen nacht wordt uw ziel van u afgeëist en wat gij gereedgemaakt hebt, voor wie zal het zijn? Zo vergaat het hem, die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God
“.
Luc.12: 16-21.

      Als gevangene in de Heer, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmee jullie geroepen zijn, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in liefde te verdragen, en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band van de Vrede één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene Hoop van uw roeping,
één Heer, één Geloof, één Doop, één God en Vader van allen, Die is boven allen en door allen en in allen. Maar aan een ieder onzer afzonderlijk is de Genade[gave] gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt
Eph.4: 1-7.

Iemand uit de menigte zei tot Hem:

tijd tot een besluit

Meester, zeg tot mijn broeder, dat hij de erfenis met mij dient te delen’.
     Christus zei tot deze mens, die Hem als Rechter benaderde:
Mens, wie heeft Mij tot Rechter of Scheidsman over u aangesteld?
Hij zeide tot de menigte: ‘Ziet toe, dat gij u wacht voor alle hebzucht, want
ook als iemand overvloed heeft, behoort zijn leven niet tot zijn bezit
’.
Onze Heer en Verlosser vermaant ons dat wij dienen toe te zien,
te wachten voor de hebzucht.
  Zij, die rijk zijn in de tegenwoordige wereld, moet gij bevelen niet hooghartig te zijn, en hun Hoop gevestigd te houden niet op onzekere rijkdom, doch op God, Die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft,  om wel te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig en mededeelzaam,  waardoor zij zich een vaste grondslag voor de toekomst verzekeren om het ware leven te grijpen“ 1Tim.6: 17-19.

God stelt dat degene, die geroepen is om
financiële onafhankelijkheid te kunnen opbouwen, hetgeen inhoudt dat je minder uitgeeft dan je verdient;
– dat je oog voor de minderbedeelden dient te hebben,
– dat je daarmee je Hoop gevestigd blijft houden op God.
Nu kan juist dàt nogal genuanceerd worden;
– je kunt namelijk 500 duizend dollar verdienen en tegelijkertijd, 500 duizend dollar uitgeven, waarop je geen cent meer te makken hebben en
– en je kunt rijk zijn door [slechts] 100 duizend dollar te verdienen en 40 duizend dollar uit te geven en zo’n 1 miljoen dollar op de bank achter de hand hebben.
Betrokkenheid bij het Geloof in Christus, als Heer en Meester van ons allen, maakt in zo’n geval de  problemen eerder groter dan kleiner, want is rechtschapen en hoe communiceer je je activiteiten naar de buitenwereld.
Zeer regelmatig kun je oprechte navolgers van Christus ontmoetten, die een graad van bewusteloosheid aan de dag leggen waar je stil van wordt, en
dàn hebben we het over die kleine groep rijken, die
85 % van het kapitaal van de wereld in handen hebben.

Wanneer je de Hoop op God gericht houdt zul je rijk zijn in goede werken, vrijgevig en wat veelal ontbreekt is mededeelzaam zijn.
Natuurlijk zijn er verschillende maatstaven aan de hand waarvan je bepaalt wie ‘rijk’ is, maar in de meeste situaties komt het er op neer dat er sprake is van een specifiek inkomen, of een sociale klasse.
Financiële onafhankelijkheid draait niet om hoeveel geld je hebt, maar waar je het aan uitgeeft. Reining zelf is het vleesgeworden verschil tussen ‘rijk zijn’ en ‘rijk doen’. Veelal gaat het om mensen, die een half miljoen verdienen,
waarvan de kinderen op privéscholen zitten, 
die tweede huizen bezitten en er een dure levensstijl op nahouden.
Je hoort maar al te vaak zeggen:
Het gekke met geld is dat je altijd maar denkt meer nodig te hebben
– zelfs wanneer je genoeg hebt, lijkt het nog onvoldoende
“.
De kloof tussen rijk en arm wordt groter dan gedacht en vervolgens worden we met duizelingwekkende cijfers om de oren geslagen.
Vorige maand nog kwam Oxfam Novib met een onderzoek naar buiten
waaruit blijkt dat de wereldwijde rijkdom met
10 biljoen dollar is toegenomen tot 281 biljoen dollar.
Slechts 1 procent van de wereldbevolking is
verantwoordelijk voor maar liefst 82 procent van die groei.
Met andere woorden: ‘de rijken worden alsmaar rijker’.
Veel mensen denken dat het om een hoog inkomen gaat, maar
dat is slechts een tijdelijke stroom die je niet kunt doorgeven
aan een volgende generatie.

Bij rijk en arm gaat het om bezit, om dingen die wèl doorgegeven kunnen worden. Ons leven in het rijke westen gelijkt op een diepe greppel, die met de regen wordt gevuld om onbegaanbaar te worden, terwijl het op andere plaatsen bij andere weer dusdanig wordt uit-gedroogd dat er totaal geen water meer door stroomt. Door onze manier van leven is het hele klimaat van slag, is er sprake van teveel regen en teveel droge en hete periodes.
          De wijze kerkvaders prijzen een leven dat
eruit ziet als een klein voortkabbelend stroompje, dat
altijd maar door stroomt en nooit opdroogt.
De stroom van het leven wordt door haar roep [van haar Heer en Meester] eerst benaderd, ten tweede, is het aangenaam en nuttig voor alle voorbijgangers, want
het levende water is altijd te drinken en kabbelt stil en het rolt voort, zodat de mens nooit zal vervagen.
        Wie de neiging heeft om het geestelijk leven serieus te nemen, dient er niet in de eerste plaats voor te zorgen dat alles en iedereen zich voortbeweegt  overeenkomstig de wil en het oordeel van God, maar dient zich vooral te beschermen tegen dubbelhartigheid.
        Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van de Heer zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen.
Laat de geringe broeder roemen in zijn hoogheid, maar de rijke in zijn geringheid, want als een bloem in het gras zal hij vergaan.
           Want de zon komt op met haar hitte en doet het gras verdorren, en zijn bloem valt af en de schoonheid van haar uiterlijk verdwijnt; zo zal ook de rijke met zijn ondernemingen verwelkenJac.1: 7-11.

          Iedereen huivert bij het aanschouwen van de beelden, die ons in het nieuws voorbijtrekken, niet alleen oorlogen geven ons een afkeer van angst, de omvang van de verwoesting, aan droogte, aan overstromingen, aardver-schuivingen, aardbevingen zet zich op ons netvlies vast en daalt neer in ons hart; het lijkt of de rijken zich slechts veilig willen stellen voor wat komen gaat.
Maar David liet ons al weten dat:
      De mens z’n dagen als gras zijn; als een veldbloem is zijn bloei. Want wind waait erover en hij/zij is er niet meer; zelf s zijn plaats is niet meer te vinden”.
Maar de Barmhartigheid des Heren is van eeuwigheid, en duurt tot in eeuwigheid over wie Hem vrezen. God’s Gerechtigheid blijft over het geslacht van hun kinderen, die Zijn Geboren onderhouden, Die het Verbond met hem indachtig zijn om dàt ten uitvoer te brengen, Conf. Psalm 102[103] uit Metten van elke dag.
En “ Zalig de mens,
– die niet gaat naar de raad van goddelozen.
– die niet stil houdt op de weg van zondaars,  noch plaatsneemt in de zitting van wie een ‘pest’ zijn.
Maar die vreugde vindt in de Wet des Heren:
– die Zijn Wet overweegt bij dag en bij nacht.
Hij/zij staat als een boom, aan stromend water geplant; die te zijner tijd vrucht draagt. Zijn/haar loof valt niet af en al wat hij/zij doet zal voorspoedig gelukkenPsalm1: 1-5.

Wie zijn wij om grenzen aan God te stellen?‘.
Iedereen heeft weleens te maken met tegenslag.
Wanneer wij mensen dit aan onze oerdriften overlaten, is
de standaard reactie ‘vluchten, vechten of bevriezen‘.
Dat lijkt logisch, maar het is een primaire reactie en
uiteindelijk een harde rem op onze ontwikkeling.
Terwijl tegenslag juist een ultieme mogelijkheid is om héél ‘veel‘ te leren!
Een teleurstelling bij tegenslag heeft altijd een oorzaak.
Soms is dat een denkstijl of geesteshouding die bepaalt hoe je naar jezelf en je kwaliteiten en vaardigheden kijkt, soms is het gedrag.
Wanneer jij jouw tegenslag leert begrijpen, kun je iets veranderen; je kunt bijvoorbeeld iets anders doen of iets anders verwachten.
Tegenslag kan een belangrijke les voor ons mensen zijn, probeer er daarom uit te halen wat erin zit!
Wanneer een mens òf de mensheid niet adequaat omgaat met onze tegenslagen,
zal de uitdaging op je pad blijven komen. Je stoot je dan regelmatig aan dezelfde steen, totdat wij iets zijn gaan leren.
Christus is de belichaming van God’s Barmhartigheid. Barmhartigheid behelst, evenals deernis, mededogen, medelijden, medelijden en ontferming, een gevoel voor het lijden van iemand anders, voor ons mensen dus, want God heeft de mensen lief.
Die ervaring kennen we allen, vanuit het feit dat het ons ingebakken is bij de schepping. Maar er is ook verschil. Deernis, medelijden en mededogen zijn meer passief, lijdend; barmhartigheid, ontferming en medelijden zijn meer actief, bedrijvend.
Barmhartigheid is meer dan een gevoel voor het lijden van iemand anders, is meer dan medelijden en dit is wat wij vorige week in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan, in Christus Zelf tegenkomen.
Wij hebben geen zeggenschap over ons leven, laat staan over dat van anderen,
het enige wat ons vanuit het mede lijden tot anderen overblijft is dat wij mede delen in de nood van anderen.
Alleen ‘daarom‘ al heeft het geen pas onze overmaat aan goederen te laten liggen,
het voor vele jaren, via weet ik wat voor mogelijkheden voor jezelf en je nageslacht veilig te stellen opgetast voor vele jaren en te berusten in al datgene wat om je heen plaats vindt,  rust te houden, overmatig te eten, te drinken en vrolijk te zijn. 
De mens ontvangt geen onsterfelijkheid, de eeuwigheid is alleen aan god voorbehouden:
          Maar ik weet: mijn Losser leeft en ten laatste zal Hij op het stof optreden.
Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, Die ik zelf mij ten goede aanschouwen zal, Die mijn eigen ogen zullen zien en niet een vreemde; mijn nieren in mijn binnenste versmachten van verlangenJob.19: 25-27.

Apolytikion     tn.8.
  Uit den Hoge zijt Gij neergedaald, o Barmhartige,
en zijt drie dagen in het graf gebleven,
om ons van het lijden te bevrijden.
Gij zijt ons Leven en onze Verrijzenis;
Heer, eer aan U
”.

Kondakion     tn.8.
  Nadat Gij zijt opgestaan uit het graf,
hebt Gij de doden opgewekt,
en Adam weer doen opstaan.
De einden der wereld jubelen
over Uw ontwaken uit de doden,
O Albarmhartige

Theotokion     tn.8.
  Om ons zijt Gij uit de Maagd geboren,
en hebt Gij het Kruis ondergaan, o Goede.
Door Uw dood hebt Gij de dood overwonnen
en ons als God de Opstanding getoond.
Veracht het werk van Uw handen niet;
toon ons Uw mensenliefde, o Barmhartige.
Verhoor haar die U gebaard heeft:
de Moeder Gods, die voor ons bidt
en verlos Verlosser het wanhopige Volk
”.

November 11e, De Heilige Martinus, de Barmhartige, bisschop van Tours, beschermheilige van Utrecht.

Heilige Martinius van Tours, bisschop & Belijder.

      Zalig zijn jullie, wanneer men jullie smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van jullie spreekt om Mijnentwil.
Verblijdt jullie en verheugt jullie, want je loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten voor jou vervolgd.
        Jullie [geroepen mensen] zijn het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden.
         Jullie [geroepen mensen] zijn het licht van de wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn.
Laat [dan] zó jullie licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de Hemelen is, verheerlijkenMatth.5: 11-16.

      Aan eenieder wordt de Openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen. Want:
– aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest;
– aan de een Geloof door dezelfde Geest en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest;
– aan de een werking van krachten, aan de ander profetie;
– aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer 
een ander vertolking van tongen.
Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil” 1Cor.12: 7-11.

    Wanneer de Gerechte geprezen wordt, verheugt zich het volk; want
onsterfelijk is zijn gedachtenis, daar hij erkend wordt door God en de mensen en
zijn ziel behaagd heeft aan de Heer.
Bemint daarom de Wijsheid, jullie [‘geroepen’] mensen, verlangt naar haar en jullie zullen onderricht worden.
Want het begin van de Wijsheid is de Liefde en het onderhouden van de Wet [de Thora].
Eert de Wijsheid, opdat jullie jezelf mogen beheersen in eeuwigheid

uit: Wijsheid van Salomon.

In de winter van het jaar 354 gaat een Romeins soldaat, Martinus, als officier de versterkte poort van de stad Amiens [Frankrijk] binnen.
In de poort van de stad ontmoet hij daar een bedelaar, die zit te rillen van de kou.
Martinus, goed en warm gekleed in zijn soldaten-uniform, is hevig ontroerd door de aanblik van deze ellende.
Hij was een door de Heilige Geest begenadigde catechumeen, die niet kon wachten tot hij voldoende te weten zou komen over de nieuwe religie, die uit het oosten afkomstig was en zich onder de welwillende bescherming van keizer Constantijn [272-337] over Europa begon te verspreiden.
Martinus had regelmatig wat geld van zijn loon onder z’n personeel verdeeld, aangezien hij zijn dienaren als gelijkwaardig beschouwde.
Die dag scheurde hij, als reactie op de ontmoeting met de kou-lijdende bedelaar, zijn mantel met z’n zwaard in twee stukken en gaf de helft van zijn mantel aan de bedelaar opdat deze zich kon warmen.
Dit gebaar zal velen tot vèr ná hem aanzetten zich het lot van de armen aan te trekken.
Dit was geheel tegen de heidense gewoonten in, de armen hadden gewoon pech, die
dienden zelf maar door veelal zwaar en dodelijk werk aan hun trekken zien te komen.
               Je kunt het vergelijken met datgene wat er momenteel plaatsvindt:
– duizenden door de crisis in Venezuela wonende mensen – trekken door Mexico, om van aldaar mee te delen met de Rijkdom van het noord-Amerikaans continent.
De rijken zouden zich dienen te schamen, dat ze zulke grote bevolkingsgroepen
geen helpende hand hebben toegestoken.
         De Heilige Martinus overkomt na z’n barmhartige actie daarop volgende nacht het volgende:
Hij ontmoet in een droom Christus Zelf, die bekleed is met de helft van zijn mantel, die hij de dag daarvoor aan de bedelaar had geschonken.
Dit visioen heeft er toe bijgedragen dat hij die dag onmiddellijk een geestelijk leidsman, een spelleider, heeft aangeschoten met het verzoek hem te dopen.

‘Heilige Martinus’, patroonheilige van de stad Utrecht – gevelsteen in Utrecht

“ –Het delen van zijn mantel– ”, een eenvoudiger gebaar kun je toch niet bedenken onder de minder buitengewone dingen, die Martinus van die dag af aan in zijn leven als volgeling van Christus heeft ondervonden. We zullen daarom trachten als een rode draad zijn leven in Christus te gaan volgen.

Het Romeinse keizerrijk                                      [27 v. Chr. t/m 284 na Chr.]
Als toekomstig ruiter en vechter in de keizerlijke garde werd Martinus in de Hongaarse provincie Pannonia {nu: Szombathely] geboren uit een heidense familie, naar men aanneemt in het jaar 316, maar anderen spreken van 336. Sulpicius Severus is hierover niet duidelijk, waarschijnlijk omdat hij zich schaamt  dat zijn beschrijving van deze held, Christen zoals hij was, al meer dan twintig jaar onder de wapenen was, merkt Bruno Judic hierover op.

Romeins legioen onderweg

Dus reduceert deze als hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Tours en de voorzitter van de Europese cultureel Centrum de Heilige Martinus van Tours, in deze z’n leven als de Heilige Martinus de lengte van z’n leven met twintig jaar . . . De groten der aarde van alle tijden zullen echter in zijn visie aan onze ogen voorbij trekken, maar het staat vast dat Martinus, in tegenstelling tot veel heiligen uit het begin van het Christendom, een historisch figuur van vlees en bloed is geweest.
Door de fijngevoelige geschriften van Heilige Sulpice Sévère afkomstig uit Bordeaux, werd deze volgeling van Christus in de late 4e eeuw een beroemdheid en kunnen we kennis nemen en begrip krijgen over datgene wat Martinus zoal in z’n leven heeft gedaan.
Toezichthouder en opvolger als bisschop van de Heilige Martinus Gregorius van Tours [538-594] bevestigt echter zijn geboortejaar als 316 AD, zodat ook dat verschil van inzicht wordt opgelost.
Zoals het in die tijd gebruikelijk was volgde Martinus in de voetsporen van zijn vader en werd hij net als hem router in de keizerlijke garde, die hem naar Gallië deed komen.
Enige tijd na het wonderbaarlijke voorval in Amiens, geeft Martinus er in Worms, aan de linkeroever van de Rijn, de voorkeur aan het leger, die de barbaren bestreed, de rug toe te keren.
Hij begeeft zich op weg naar Poitiers en bezoekt daar de beroemde bisschop Hilary, die hem met vreugde in de armen sluit.

Zoals al eerder vermeld – kunnen de christenen zich vanaf het bewind van keizer Constantijn de Grote vrij in de wereld bewegen, echter in Gallië ontstaan er slechts 30 bisdommen en blijven de heidense traditionele geloofsovertuigingen de boventoon voeren. Daarnaast speelt ook de invloed van een zekere Arius, als geestelijk leider uit de derde eeuw en door de Kerk veroordeeld als ketter, een grote rol. Arius trachtte in tegenstelling tot de leer van de Apostolische Kerk z’n volgelingen duidelijk te maken dat zij Christus als Zoon van God niet dienden te erkennen en dat Christus slechts mens was en beslist niet de goddelijke natuur van Zijn Vader in de Hemelen bezat.
Al spoedig daarop doorkruis Martinus als prediker door Europa en probeert tevens zijn ouders, die nu in IIIyria [Croatië] verblijf hielden en botst overal om zich heen op tegen de aanhangers van Arius. Na een verblijf in Italië, waar hij het leven van een asceet ervaart, zoals de woestijnvaders van Egypte dit beoefenden, keert hij terug naar Poitiers.
        Met toestemming van toezichthouder Hilary, die tevens zijn mentor werd, laat hij in de omgeving van Ligugé, in jaar 360 AD, het eerste klooster van Gallië het levenslicht zien. Dit klooster heeft hij naar alle waarschijnlijkheid gebouwd  op de ruïnes van een Gallo-Romeins heiligdom, gewijd aan de de Keltische zonnegod ‘Lugh’. Deze heidense god is jong, sterk en meester in tal van kunsten; hij wordt tevens vereerd als de vader van de ambachten en de handel.
Je dient je hierbij een voorstelling te maken van het feit dat Martinus hier met een aantal metgezellen zich 10 jaar lang gedragen heeft als een woestijnvader en zelf een kluis bewoonde, aldus broeder Anthony Frederik, historicus en monnik te Ligugé [een gemeente in de regio Vienne in de regio Nouvelle-Aquitaine in het westen van Frankrijk]. Het ligt aan het riviertje  de Clain, op 8 kilometer van ten zuiden van Poitiers. Ieder van de monniken woonde in een aparte cel, die alleen verlaten werd voor de maaltijd en het gezamenlijk gebed.
Martinus bouwt zich als gevolg van een genezing van een van zijn volgelingen en en bediende en reputatie op. Dit is ongetwijfeld de reden waarom de inwoners van Tours hem in 371 – ondanks zijn ruige en niet al te frisse uiterlijk, als hun bisschop aanwijzen. In die tijd werd, mede onder invloed van keizerlijke allures, reeds de voorkeur gegeven aan kandidaten uit aristocratische families. Door de invloed en draagkracht meende men in tegenstelling tot datgene wat Christus Zelf verkondigd heeft, daarmee zekerheid voor de Kerk te bewerkstelligen. Het was dus min of meer een schandaal om een figuur als die vagebond Martinus als toezichthouder/bisschop aan te stellen. Broeder Antoine-Frédéric laat ons weten dat Martinus de aanstelling weliswaar accepteerde, maar zoals zo vaak tijdens zijn lange leven, werd hij verscheurd tussen zijn dorst naar ascese en de noodzaak het volk te evangeliseren.
Zo vluchtte Martinus naar de woning en verblijfplaats van zijn bisschop om zich vervolgens opnieuw te vestigen in een door hem gevestigde hermitage aan de andere kant van de Loire, te Marmoutier.

Heilige Martinus van Tours,  ‘wonderdoener‘.

“ . . . . . Martin bezette aldaar een houten cel”, zo zegt Sulpice Sévèrus, “en een groot aantal van zijn medebroeders werd in de omgeving op dezelfde manier ondergebracht. Maar de meesten van hen zochten een schuilplaats in een door hen zelf uitgehakte/ uitgegraven holte in de bergen, die hen tot schuilplaats diende“. Onophoudelijk trekt de toezichthouder/bisschop Martinus door geheel Gallië rond en wordt door de Heer begenadigd, wonderen te laten plaatsvinden.
Hij geneest een lepralijder in Parijs, een verlamde jongeling in het huidige Duitse Trier, zijn Spaanse leerling de Heilige Paulinus van Nola [22 Juni], in de stad Wenen [Oostenrijk] drijft hij demonen uit, verlost hen uit de macht van de tegenstrever [de duivel] en haalt heilige eikenbomen omver of weerstaat het weer door een hagelstorm te beteugelen . . . .

Zijn groeiende uitstraling en energieke voorkomen zijn een bewijs dat hij zowel religieus als in de politieke omgang z’n mannetje stond, als bisschop van Tours bezocht hij diverse malen het keizerlijk hof, dat zich in Trier bevond en had daar een onderhoud met Valentinianus I [364-375] en vervolgens met keizer Maxime [383-388].

Verlies van vermogen om iets tot stand te brengen
Met verve en met grote inzet bestreedt hij de Ariaanse ideeën, verdedigde hij tevergeefs de Spaanse bisschop Priscillian en z’n volgelingen, die ter dood waren veroordeeld vanwege vermeende ketterij. Martinis was daarbij naar alle waarschijnlijkheid gevoelig voor het feit dat Priscillian een vorm van ascese predikte, die de zijn nabij kwam, zo concludeert broeder Antoine-Frédéric. Toch keurde Martinus de gnostische ideeën van bisschop Priscillian en z’n volgelingen niet goed. Het is eerder door een gevoel van Genade dat hij om de Spaanse rechter om clementie  heeft gevraagd.
Na deze mislukking blijft Martinus weg van de bisschop’s synodes [vergaderingen van plaatselijke bisschoppen].
Aan de hand van datgene wat historicus ‘Sulpice Severus’ ons laat weten bemerk je dat Martinus het niet langer met anderen eens is. Hij heeft metgezellen/discipelen om hem heen, die door de Heilige Geest in vuur en vlam staan, maar hij heeft daarnaast veel vijanden [niet-vrienden, zoals men dat in dàt soort kringen uitdrukt].
Het beste bewijs daarvoor is dat zijn opvolger op de toezichthouder’s-zetel, een zekere Brice, welke door de historicus Sulpicius Severus verguisd wordt, weigerde op het graf van Martinus een ‘Martyrium’ te laten bouwen, een soort gedachtenis kapel, waarbij zowel martelaren als heiligen – ‘een eeuwige gedachtenis’ werd toebedacht. Het volk verwacht immers ook na de dood van een heilige, steun, toeverlaat en genezing als gevolg van zijn/haar gebeden tot onze Heer en Verlosser.
En toch, zou zowel in Candes, waar Martinus tijdens een pastoraal bezoek stierf, als te Poitevins en Tourangeaux, zijn stoffelijk overschot worden betwist, want zo’n bekende heilige in je midden betekent niet anders dan ‘geld’ in het laatje en dat schijnt nog steeds bij Moeder de Heilige Roomse Kerk de boventoon te voeren. Kijk maar wat het stoffelijk overschot van de grote toestroom van vroegere gelovigen ook nu de Kerk niet oplevert aan de verkoop van onroerend goed. Niemand, die inzicht heeft waar dit grote geld, aan besteed wordt.
           Maar het gevecht om het verkrijgen van het stoffelijk overschot, geeft ieder geval weer dat voor ten minste een deel van de beminde gelovigen van de streek ‘Martinus’ als Heilige beschouwd werd.

            Tot die periode waren voorbeeldige christenen in de ogen van het volk ‘de martelaren van het Geloof, zo laat Bruno Judic ons weten. Het enige verschil met voorheen is dat ze niet langer door de mens worden vervolgt, echter wel staande zijn gebleven voor de aanvallen van de duivel.
Sulpice Severus blijft ervan overtuigd dat de Heilige Martinus een richtsnoer is van Geloof, voorbeeld van zachtmoedigheid en leraar der onthouding, want zo heeft onze Heer in Waarheid hem aan Zijn kudde getoond. Hij willen ons overtuigen dat Martinus een leven geleid heeft dat nèt zo heilig is als het leven van de martelaren – ook al stierf onze heilige Martinus – op vredige wijze in Candes, na een vruchtbaar en voorbeeldig leven.
Dit is de reden waarom hij in z’n geschriften zo veelvuldig aandringt op de ascetische nauwgezetheid en de mirakelen van de heilige Martinus.
Dankzij zijn geschriften zal de nagedachtenis aan onze toezichthouder/bisschop van Tours voor altijd behouden blijven.
Ondanks de tegenwerking van de opvolger op de toezichthouder’s troon, de bruut Brice – die de postume populariteit in toom wenste te houden, bouwde een van z’n latere opvolgers, Perpetuus in 460 een grote basiliek op het graf van de Heilige Martinus.

Het Frankische Rijk, beginnend bij Clovis I

Daarop volgend maakte de Frankische koning Clovis [466-511] in het jaar 507, de grote vertegenwoordiger van de strijd tegen het Arianisme, onze Heilige Martinus tot de beschermer van zijn dynastie.
De Frankische koning Clovis (ca. 466-511), ook wel bekend als Clovis I, was de eerste Frankische vorst die zich tot het christendom bekeerde.
Clovis werd geboren omstreeks het jaar 466 als zoon van Childerik I en Basina.
Toen hij vijftien jaar was, in 481, volgde Clovis zijn vader op als koning.
Kort tevoren, in 476, was de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus afgezet, waarmee een einde kwam aan het West-Romeinse Rijk.
De weg naar machtsuitbreiding lag hierdoor open voor de Franken.
            In 486 behaalde Clovis een belangrijke overwinning op Syagrius [ca.430-486], de laatste Romeinse generaal, die zich nog in Gallië bevond en die
– aldus geschiedschrijver Gregorius van Tours [ca.534-594] in diens werk Historia Francorum – in opdracht van Clovis met een messteek de dood vond.
            Hij staat vaak in de schaduw van de latere vorst Karel de Grote, maar het is de vraag of dat terecht is.
In 507 verplaatste Clovis het machtscentrum van Doornik naar Parijs, nadat hij de Visigoten verslagen had. Op 27 november 511 overleed hij in Parijs.
Bij zijn overlijden hadden de Franken zeggenschap over bijna de volledige provincie Gallië, dat voortaan Frankrijk heette: ‘het rijk van de Franken‘.
              Tot zover deze geschiedkundige samenvatting van het leven van de grote Europeesche Heilige Martinus van Tours, welke gememoreerd wordt, om duidelijk te maken, hoe deze Heilige ook in de Lage Landen ondanks zijn nederigheid het verhevene dusdanig heeft gewonnen, dat hij hier alom geëerd wordt.

Apolytikion     tn.4.
Als richtsnoer van het Geloof en voorbeeld van zachtmoedigheid,
leraarden onthouding, zo heeft de waarheid uwer daden u aan uw kudde getoond.
Door nederigheid hebt gij het verhevene gewonnen, door armoede de rijkdom.
Vader en aartsbisschop Martinus, bidt tot Christus god, onze zielen te redden
”.

Kondakion     tn.3.
In Tours zijt gij verschenen als bedienaar van de Mysterie2n God’s, o Heilige,
want het de Blijde Boodschap van Christus vervullend,
hebt ge uw leven voor de kudde gegeven en onschuldigen van de dood gered;
daarom zijt ge geheiligd als een groot leraar in de Genade van God
”.