12e Zondag na Pinksteren – bij God zijn alle dingen mogelijk

Jaäcob’s droomGen.28: 10-16

      En zie, iemand kwam tot Hem en zei:
    Meester, wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’.
Christus zei tot hem:
‘ Wat vraagt gij Mij naar het goede? Eén is de Goede. Maar indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden.
Hij zei tot Hem: ‘Welke?’  Jezus zei daarop:
➻ ‘ Deze: Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, eer uw vader en uw moeder, en gij zult uw naaste liefhebben als uzelf’.
De jongeling zei tot Hem:
‘Dat alles heb ik in acht genomen; waarin schiet ik nog te kort?’.
Jezus zei tot hem:
⁌  ‘ Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij’.
Toen de jongeling [dit] Woord hoorde, ging hij bedroefd heen, want hij bezat vele goederen.
Jezus zei tot Zijn discipelen:
⁌  ‘ Voorwaar, Ik zeg u, een rijke zal moeilijk het Koninkrijk der hemelen binnengaan.
⁌  
Wederom zeg Ik jullie, het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog van een naald dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat.
Toen de discipelen dit hoorden, waren zij zeer verslagen en zeiden:
➻ ‘Wie kan dan behouden worden?’.
Jezus zag hen aan en zei:
⁌  ‘Bij de mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk’“ Matth.19: 16-26.

      Ik maak jullie bekend, broeders, het Evangelie, dat ik jullie verkondigd heb, dat jullie ook ontvangen hebben, waarin jullie ook staan, waardoor jullie ook behouden worden, indien jullie het zo vasthouden, als ik het jullie verkondigd heb, tenzij jullie tevergeefs tot Geloof gekomen zijn.
Want voor alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften, en Hij is verschenen aan Cephas, daarna aan de twaalven.
Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen [aan de volheid van al degenen, die Hem zouden volgen].
Vervolgens is Hij [ook] verschenen aan Jaäcobus [Hebr. = hielenlichter, onderkruiper], daarna aan al de apostelen; maar het allerlaatst is Hij ook aan mij [Paulus,Hebr.= klein] verschenen, als aan een ontijdig geborene.
        Want ik ben de geringste der apostelen, niet waard een apostel te heten, omdat ik de gemeente van God vervolgd heb.
        Maar door de Genade van God ben ik, wat ik ben, en Zijn Genadegave aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de Genade van God, die met mij is.
Daarom dan, ik of zij, zo prediken wij, en zo zijt gij tot het Geloof gekomen1Cor.15: 1-11.

De Gemeenschap in Christus

Paulus [en de Kerk] zit in de gevangenis, waar precies weten wij niet, als mensen hebben wij geen zicht op God’s bedoelingen.
Maar hoe moet het met de voortgang van z’n verkondiging van de Blijde Boodschap nu hij/zij als een van de belangrijkste verkondigers onder de apostelen [de navolgers van Christus] langzamerhand wordt uitgeschakeld?
In de Christelijke gemeenschap van Philippi [liefhebbers van het Woord] maakt men zich daar zorgen over. En vervolgens laat Paulus [de Kerk] weten:
      Ik wil, dat gij weet, broeders, dat hetgeen mij overkomen veeleer is tot bevordering van de 
evangelieprediking heeft gestrektPhil.1: 12.
Het Woord van God is niet gebonden door tijd en omstandigheden waarin wij door de hand van God dienen te verkeren.
Als gevolg van de verkondiging van de Blijde Boodschap is de Kerk en Paulus in de gevangenis terecht gekomen, wàt zij ook in haar onnozele handelingen heeft uitgespookt. Paulus [en de Kerk] zit er niet bij als een zware misdadiger [hoewel, maar als een gezant van Christus, die ook in gevangenschap niet kan blijven zwijgen, maar voluit de Naam van Christus mag blijven verkondigen.
Zelfs zó dat zijn gekleed, verbonden zijn, met/in Christus toch openbaar geworden is aan het gehele hof en aan al de anderen. Het is/was voor allen, onze  medegevangenen en het gevangenis-personeel, duidelijk dat Paulus niet zomaar een delinquent, een boef was, maar een bijzonder mens, omdat hij een bijzondere God mocht dienen en van Wie hij [als Kerk] mag getuigen.
Zo is het ook met de huidige Kerk, waar het gonst van de beschuldigingen en aantijgingen, waar ieder weldenkend mens ‘ach en wee’ over roept.
Paulus prediking wordt onderwerp van gesprek, wij denken in dit verband aan zijn rechters en het personeel van de rechtbank en alle anderen [de totale omgeving] met wie Paulus in aanraking kwam.
Men heeft uitgerekend dat Paulus, indien hij elke dag door twee soldaten werd bewaakt en dit elke dag twee anderen waren, hij in 2 jaar tijd zo’n 1400 soldaten in zijn nabijheid heeft gehad – ga maar eens na hoe dat bij jou persoonlijk is.
En onder al die verschillende mensen waren er voor wie Paulus een middel was om te komen tot Geloof in de Naam van Christus.
Wie zijn broeders zijn is niet met zekerheid te zeggen, maar het gaat hier om het merendeel waarvoor geldt dat zij zich bekleed hebben [en nog zullen bekleden]  met Christus, door wie wij met hen geroepen zijn als gevolg van het kloppen op het hart – waaraan wij/zij vervolgens gevolg hebben gegeven.
Velen hebben door contact met Paulus [en ons] de moed opgevat om het Woord van God te verkondigen. Een minderheid is er die juist door de gevaren geen vrijmoedigheid heeft, dat is immers altijd de bedoeling van de tegenstrever, dat een mens zwijgt en niet meer spreekt in de Naam van Christus, de Zoon van God – ook in onze tijd.
Ondanks ons verdriet, mag de blijdschap toch overheersen omdat de Naam van Christus, de Zoon van God alom verkondigd ‘blijft’ worden ondanks de omstandigheden waarin wij momenteel verkeren.
En wij verkeren in een tijd dat spelleiders onomwonden verkondigen dat zij betwijfelen of Christus, de Zoon van God is – zij zich verschonen door te verkondigen, dat zij dit doen om de discussie met niet-gelovigen levend te houden. En indien ze volhardende christenen tegenkomen zeggen ze dat zij hen in een bepaald filosofisch hokje stoppen en brengen de gemeenschap daardoor in opperste verwarring. “Heer, kom ons in ons ongeloof te hulp, Heer, haast U ons te helpen?”.
        Indien wij echter hopen op hetgeen wij ‘niet’ zien, verwachten wij ‘het’ met volharding. En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met ‘onuitsprekelijke verzuchtingen’.
En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling van de Geest, dat Hij namelijk naar de Wil van God voor heiligen pleit. Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. Want, die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het Beeld van Zijn Zoon, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijktRom.8: 25-30.

 

Onze Heer en Verlosser wordt niet beperkt door plaats of tijd, Hij is daar waar wij Hem niet verwachten, wanneer wij als mens maar reikhalzend naar Hem uitkijken; ربنا ومخلّصنا لا يقتصران على المكان أو الزمان ، إنه هناك حيث لا نتوقعه ، عندما نتطلع إليه كبشر بشغف; Our Lord and Savior is not limited by place or time, He is there where we do not expect Him, when we as human beings look forward to Him eagerly. 

Onze Heer en Verlosser, de Opper-rechter van Hemel en aarde, zal het voor Zijn knechten opnemen, het recht zal uiteindelijk zegevieren, òf Paulus nu de Martelaarsdood zal sterven, òf dat hij uiteindelijk vrij gelaten zal worden.
Paulus en in zijn voetsporen wij, mogen net als Job, weten dat onze Heer en Verlosser leeft.
Wie op de Heer zijn vertrouwen stelt, zal nimmer beschaamd uitkomen en kruipt door het oog van de naald. Dit vertrouwen wordt nu omringd door het gebed niet alleen van Paulus voor de  gemeente, maar ook van de gemeente voor Paulus [hun onafscheidelijke spelleider].
➻ Op die manier wordt de gemeenschap van de Heiligen beoefend en in één adem noemt hij naast het gebed van de gemeente, de hulp van de Heilige Geest.
➻ Christus is het, Die hulp verschaft in nood – ook al laten wij mensen, ik weet niet hoeveel steken vallen.
➻ Dit is de Geest, Die Christus Jezus verworven heeft en aan Zijn Volk geeft.
➻ Dit is de Geest, Die het werk van God in leven zal houden en het zal onderhouden en ons alles geven wat nodig is; in welke omstandigheden wij ook verkeren.
“ Christus is onder ons, Hij is en zal zijn !”.

Apolytikion     tn.3.
  Dat Hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen
want de Heer  heeft de Kracht van Zijn arm getoond.
Door Zijn dood heeft Hij de dood vertreden
en werd Hij de Eerstgeborene uit de doden.
Hij heeft ons verlost uit de diepten der hel
en aarde wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.3.
  Heden zijt Gij, Barmhartige, opgestaan uit het graf,
en hebt ons verlost uit de poorten des doods,
Heden jubelt Adam en Eva verheugt zich;
en de Profeten en Patriarchen bezingen zonder einde
de Goddelijke Macht van Uw Heerschappij


Theotokion     tn3.
  Gij zijt Middelaarster geweest bij de Verlossing van ons geslacht,
daarom prijzen wij U, o Moeder Gods en Maagd.
Want in het vlees dat Hij aannam uit uw schoot,
heeft uw Zoon, onze God,
het lijden van het Kruis ondergaan.
En heeft Hij ons uit het verderf verlost
als de Menslievende
”.

Orthodoxie & Christus, de Wijsheid God’s

niet alleen de Doop, maar ook de Transformatie is noodzakelijk om Christus in Zijn Goddelijkheid te ontmoeten; not only Baptism, but also Transformation is necessary to meet Christ in His Divinity; όχι μόνο το βάπτισμα, αλλά και η Μεταμόρφωση είναι απαραίτητη για να συναντηθεί ο Χριστός στη Θεότητά Του; ليس فقط المعمودية ، ولكن أيضا التحول ضروري لمقابلة المسيح في لاهوته

In navolging van Christus een getransfigureerd leven leiden
          “Het feit dat serieus begonnen werk wordt onderbroken
teneinde vragen te stellen bij het leven dat je leidt, bewijst dit,
dat ieder mens zo idioot is dat die zwaar gestraft zou dienen te worden.
Maar Christus verschijnt ons op de berg Thabor, Hij is onder ons en zal zijn,
dus maak je geen zorgen, wat er je ook overkomt”
.
conf. Ernest Hemmingway,
The Old Man and the Sea’, winnaar Pulitzerprijs 1953

Het woord Transfiguratie in het Grieks is het woord metamorfose [meta – vorm of natuur], [morfose – volledige verandering]. Het is hetzelfde woord dat we gebruiken wanneer een rups vlinder wordt. Wij dienen daarom met de Theotokos te sterven aan de wereld, ons kruis op te nemen en slechts Christus te volgen.

De manifestatie van de Transfiguratie van onze Heer Jezus Christus is
in navolging van Christus datgene proberen te doen van al datgene wat de Zoon van God voor mij persoonlijk heeft gedaan. Onze Heer behoefde Zich niet aan Zijn volgelingen voor te stellen, zij kenden Hem door en door, het was hen ingebakken bij de Schepping.
De essentie van Zijn leven is waarop Hij leefde hetgeen in de Blijde Boodschap beschreven staat. Het verhaal van Christus’ Transfiguratie is het verhaal van mijn persoonlijke transfiguratie als Zijn Volgeling.

Er zijn drie manieren waarop we in/met Christus worden veranderd:
1.]. Een sacramenteel leven leiden:
We merken een relatie op tussen de Theophanie in de Jordaan en Zijn transfiguratie op de berg Thabor, de stem uit de hemel verklaart in beide gebeurtenissen:
“Dit is mijn geliefde zoon in Wie Ik Mijn welbehagen heb” [of naar Wie wij mensen dienen te luisteren}.
We zijn ook in de zee van de doopvont kopje onder gegaan en worden dienovereenkomstig “kinderen van God” genoemd.
We sterven allen aan onze oude mens en worden getransfigureerd tot een nieuwe schepping.

2.]. Een leven lang bidden:
In het begin van het verslag over de gebeurtenis op de berg Thabor staat
dat Christus de discipelen naar de berg bracht om te bidden.
Het was door Gebed dat onze Heer en Verlosser werd getransfigureerd en het is alleen door Gebed dat ook wij als mens getransformeerd worden.
Paulus spreekt eveneens over transfiguratie:
     Laat niemand zichzelf misleiden! Indien iemand 
onder u meent wijs te zijn in deze tijd, hij dient dwaas te  worden, om wijs te worden“.
Dit wordt aldus geformuleerd in de context van het contrast tussen de Profeet Mozes, die een sluier over zijn hoofd droeg toen hij tegen de joden sprak, terwijl
wij “in de spiegel de Glorie van de Heer met ontsluierd gezicht mogen opkijken als worden wij  getransformeerd in hetzelfde Beeld van Zijn Heerlijkheid tot Eer en Glorie aan de Vader“, hetgeen betekent dat we door onze tijd in gebed door te brengen, getransformeerd of getransfigureerd [omgevormd] worden naar het Beeld van Hem.
3.]. Een persoonlijk leven leiden in navolging van Christus:
In het nieuwe testament komen we nog een andere vermelding tegen van het woord transfiguratie, geheel los opgesteld van de drie keer dat het verhaal in de drie synoptische evangeliën wordt genoemd.
      En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de Wil van God is, het goede, het welgevallige en volkomene. Want krachtens de Genade[-gave], Die mij geschonken is, zeg ik [tot] een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het Geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeldRom.12: 2,3.
Toebedeeld betekent dus niet dat je een positie dient na te jagen.
De vernieuwing van de geest is “die rechtstreekse gebeurtenis van de Transfiguratie” die mij persoonlijk – een hergeboorte laat ondergaan en in verbinding brengt met datgene waartoe ik geroepen ben om te worden veranderd in mijn dagelijkse activiteiten.
Daarom is het absoluut niet te rijmen dat bepaalde personen in de Kerk een bepaalde vooraanstaande positie hebben geambieerd/nagejaagd, met behulp van anderen [zoals op aandringen van hun ouders, biechtvader of uit persoonlijke ambitie], wanneer de ambitie op ‘ander’ terrein niet langer haalbaar bleek te zijn] hebben nagejaagd en deze nog hebben verkregen ook. De juridische weegschaal geraakte in onmin/onbalans en de blinddoek werd omgedaan.
Dat is ook de reden dat toezichthouders op de gemeenten, onder leiding van een spelleider, gekozen dienen te worden uit de plaatselijke monnikenstand
=> eerst dàn waarborgt een in het christelijk leven beoefend en uit-gekristaliseerd  kandidaat de oorspronkelijke Apostolische voortgang van het Lichaam van Christus.

Hoog-Priesterlijk gebed:

de Hand van God met de geredde zielen – Resava [Manasija] Servië

Dit sprak Jezus en Hij hief zijn ogen ten hemel en zei:
        Vader het uur is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat Uw Zoon U zal verheerlijken, gelijk Gij Hem Macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken.
       Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de Enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt.
       Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt. En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid, Die Ik bij U had, eer de wereld was. Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben Uw Woord bewaard.
       Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.
       Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U en al het Mijne is het Uwe en het Uwe is het Mijne en Ik ben in hen verheerlijkt.
En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij.
       Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd. Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle Mijn blijdschap in zichzelf mogen hebben.
       Ik heb hun uw woord gegeven en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet uit de wereld zijn, gelijk Ik niet uit de wereld ben.
       Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze. Zij zijn niet uit de wereld, gelijk Ik niet uit de wereld ben. Heilig hen in Uw Waarheid; Uw Woord is de Waarheid.
       Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld; en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.
       En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld zal geloven, dat Gij Mij gezonden hebt. En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn:  Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot een, opdat de wereld zal erkennen, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.
       Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om Mijn Heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad voor de grondlegging der wereld.
       Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt; en Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt en Ik zal Hem bekend maken, opdat de Liefde, waarmee Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij in Ik in henJohn.17: 1-26.
      Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de Genade[gave], die ons gegeven is:
‘ Profetie, naar gelang van ons Geloof; wie dient, in het dienen; wie onderwijst, in het onderwijzen; wie vermaant, in het vermanen; wie mededeelt, in eenvoud; wie leiding geeft in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid.
De liefde zij ongeveinsd. Weest afkerig van het kwaad, gehecht aan het goede.
Weest in broederliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld,  in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Heer.
Weest blij in de Hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed, bijdragend in de noden der heiligen, legt u toe op de gastvrijheid.
Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt nietRom.12: 6-14
      Al ware het, dat ik met de tongen van de mensen en van de engelen sprak, maar had de Liefde niet, ik ware schallend koper of een rinkelende cimbaal.
       Al ware het, dat ik Profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al het Geloof had, zodat ik bergen verzette, maar ik had de Liefde niet, ik ware niets.
       Al ware het, dat ik al wat ik heb tot spijs uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam gaf om te worden verbrand, maar had de Liefde niet, het baatte mij niets.
            De Liefde is lankmoedig, de liefde is goedertieren, zij is niet afgunstig, de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwade niet toe. Zij is niet blij over ongerechtigheid, maar zij is blij met de Waarheid.
Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij.
            De Liefde vergaat nimmermeer; maar profetieën, zij zullen afgedaan hebbenCor.13, 1-8a.
      Als gevangene in de Heer, vermaan ik u dan te wandelen waardig aan de roeping, waarmee u geroepen bent, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in Liefde te verdragen, en u te beijveren de eenheid van Geest te bewaren door de band van de Vrede – een Lichaam en een Geest, gelijk u ook geroepen bent in de ene Hoop van uw roeping, één Heer, één Geloof, één Doop, één God en Vader van allen, Die is boven allen en door allen en in allenEph.4: 1-6.
      Wandelt in de Liefde, zoals  ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven . . . . .
         Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus Zijn Gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het Woord, en zo Zelf de Gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zo
dat zij heilig is en onbesmet.
       Zo zijn ook de mannen verplicht hun vrouw lief te hebben als hun eigen lichaam. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief; want niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het zoals Christus de Gemeente, omdat wij leden zijn van zijn lichaam.
       Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn.
Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de Gemeente
Eph.5: 2a,25-32.
      Doet dan aan, als door God uitverkoren Heiligen en Geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld.
       Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Heer u vergeven heeft, doet ook gij evenzo.
       En doet bij dit alles de liefde aan, als de band van de Volmaaktheid.
En de Vrede van Christus, tot welke gij immers in een lichaam geroepen zijt zal regeren in uw harten; en weest dankbaar.
Het woord van Christus dient rijkelijk in u te wonen, zodat gij in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst en met Psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, aan God dank brengt in uw harten.
En al wat u doet met woord of werk, doet het alles in de Naam van de Heer Jezus Christus, God, de Vader, dankende door Hem!
Col.3: 12-17.
      Geliefden, laten wij elkander liefhebben, want de Liefde is uit God; en een ieder, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde.
⁌  Hierin is de Liefde van God jegens ons geopenbaard, dat God Zijn Éniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem.
⁌  Hierin is de Liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden.
       Geliefden, indien God ons zo heeft liefgehad,
behoren ook wij elkander lief te hebben.
Niemand heeft ooit God aanschouwd; indien wij elkander liefhebben, blijft God in ons en Zijn  Liefde is in ons volmaakt geworden1John.4: 7-12.
Wij mensen hebben allemaal een aanstaande datum in de toekomst met de verzoening,
ongeacht de richting die we opgaan …
ongeacht de plaatsen waar we zijn geweest …
ongeacht de bewandelde paden …
en ongeacht de gemaakte keuzes, begane zonden of
het berouw, dat daarop volgde.

De eniggeboren Zoon, de Wijsheid van God, schiep het gehele universum.
De Blijde Boodschap zegt:
Hoe groot zijn Uw werken, o Heer;
Gij hebt alles met wijsheid gemaakt,
Uw scheppingskracht vervult de aarde

avondpsalm, Psalm 103[104]: 24 vert. ROK ’s-Gravenhage
De Wijsheid van God heeft alle dingen gemaakt en de aarde is overvòl van Zijn schepselen.
Maar gewoon ‘zijn’ en alles maar ‘op z’n beloop laten’, was en ‘is’ niet genoeg:
God wil tevens dat Zijn schepselen goed en volkomen zijn.
Daarom was/is Hij verheugd dat Zijn eigen Wijsheid naar Zijn niveau zou afdalen, dat deze de eigenwijsheid [hoogmoed] van de mens zou overwinnen en op elk van hen afzonderlijk en op ieder van hen een bepaalde gelijkenis naar het oorspronkelijk bedoelde Model zou drukken.
Eerst dàn zal vooreerst duidelijk worden dat God’s schepselen Zijn Wijsheid delen en dat al in Hem al Zijn werken Hem waardig zijn.

Zoals de vroeg-Christelijke Kerk, het Lichaam van Christus Zich openbaarde

Want zoals het Woord dat we spreken een Beeld is van het Woord dat Gods Zoon is, zo is ook de Wijsheid, Die in ons is geïmplanteerd en wordt uitgewerkt een Beeld van de Wijsheid die God’s Zoon is.
Het geeft ons het vermogen om te weten, te begrijpen en het stelt ons aldus in staat om Hem te ontvangen Die, ‘de alom-creatieve Wijsheid’, is, door Wie we de Vader kunnen leren kennen.
Degene die de Zoon heeft, heeft ook de Vader, zegt de Blijde Boodschap en
Degene die Mij ontvangt, ontvangt Degene die Mij heeft gezonden.
En omdat dit Beeld van het Woord van God in ons en in alle schepselen is voortgebracht, neemt de waarachtige en creatieve Wijsheid terecht aan wat van toepassing is op Zijn Beeld en Gelijkenis en zegt Hij: ‘De Heer schiep mij in Zijn werken’.
  Maar omdat de Wereld niet wijs genoeg was/is om God in Zijn Wijsheid te herkennen, zoals we het hebben uitgelegd, heeft God besloten om degenen die geloven te redden door middel van de “dwaasheid” van de Boodschap die we prediken. Omdat God niet langer bekend wilde blijven, zoals in vroegere tijden, door het beeld en de schaduw van Zijn Wijsheid, die is vastgelegd [bestaat] in schepselen, heeft Hij ervoor gezorgd dat de Ware Wijsheid Zelf vlees werd, mens werd en de dood aan het Groot en Heilig Kruis leed, zodat alle wie in Hem geloofde, door Geloof zou vertrouwen en gered zou kunnen worden.
Tòch was dit dezelfde Wijsheid van God, Die in het begin Zichzelf en Zijn Vader in Zichzelf had geopenbaard door middel van Zijn Beeld in schepselen [vandaar dat wijsheid ook in de mens wordt meegegeven, geschapen].
Later, zoals Johannes de Theoloog verklaart, werd die Wijsheid, Die ook het Woord is, vlees, en na het vernietigen van de kracht van de dood en het redden van ons ras, openbaarde Hij Zichzelf en Zijn Vader door Hemzelf met grotere helderheid te openbaren. Vader, zo bad hij, opdat zij U mogen kennen, de Énige Ware God en Jezus Christus, Uw Zoon, Die U hebt gezonden en door de Genadige Wijsheid van de Heilige Geest bekend hebt gemaakt.
Derhalve is de hele aarde nu vervuld van de ‘Kennis van God’, omdat het Één en Hetzelfde is om de Vader door de Zoon te kennen en de Zoon te kennen, Die van de Vader komt. De Vader verheugt Zich in zijn Zoon, en met dezelfde vreugde verheugt de Zoon Zich in de Vader en zegt: “Ik was Zijn Vreugde; elke dag vermaakte Ik Mij in Zijn alom Heersende aanwezigheid”.
conf. H. Athanasius de Grote

Meester timmerman, Πλοίαρχος, نجار رئيسي ،

Vol Vuur en Geestdriftig, zonder over diepgaande kennis te bezitten zeiden we bij onze doop zonder aarzelen, gretig tot Hem: “Ja !”.
We wisten dat gevaren maar moeilijk te vermijden zouden zijn, de vijand, die wij verzaakt hebben ligt immers op de loer.
We begrepen dat er falen en pijn, opoffering en verdriet zouden kunnen opdoemen;  en toch zeiden we nog steeds: “Ja!, ik wil”
Er werd ons verteld over teleurstelling, over onrechtvaardigheid, kwaadaardigheid en oneerlijkheid – niettemin, we konden de vooruitzichten weliswaar vermoeden, doch niet onderscheiden en zeiden desalniettemin: “Ja!”
Het duurde wel enige tijd voordat de Heer ons Zijn vooruitzicht op onze levensweg heeft geopenbaard, een deel van Zijn plan met ons biedt ons een sterfelijk leven.
Een leven van Mysterie naast ellende; een leven van eenzaamheid naast avontuur; een leven met een rode draad van verschillende opvallende tegenstellingen. Maar méér dan dàt, bood Hij ons een onbeperkte kans – de “kans van je leven” zo zou je het kunnen omschrijven – of, misschien beter gezegd, het vooruitzicht van de eeuwigheid!
Het is de gelegenheid om een reeds betaalde reis naar een bovenmenselijk Hemels Koninkrijk te maken. Een plaats waar we nieuwe ervaringen kunnen opdoen om te leren en te groeien, te ontwikkelen en vooruitgang te boeken in/op een oneindige variëteit aan manieren die we voorheen vanuit wereldse gebondenheid niet hebben kunnen ervaren. De mogelijkheden zijn onmetelijk en het potentieel is onbeperkt.
      Wie, oh Wie, heeft over de wereld het meetsnoer gespannen? Waarop zijn haar pijlers neergelaten, of wie heeft haar hoeksteen gelegd, terwijl de morgensterren tezamen juichen en al 
de kinderen God’s jubelen?conf. Job.38: 5-7
Na Zijn oproep Hem te volgen leerde Hij ons over keuzevrijheid en hoe Krachtig een Genadige Zegening is/was en indien we deze verstandig gebruikten, zouden we een grotere, nòg verrijkende ervaring kunnen hebben tijdens onze pelgrimsreis. En dat we deze op haar meest Hemelse wijze zouden dienen te gebruiken om elkaar bij te staan op de gezamenlijke route, elkaar zouden  kunnen dienen, dienen te verheffen en elkaar te troosten en daarmee op Zijn wijze Lief te hebben.
      Wij zingen op de wegen des Heren, want groot is Zijn Heerlijkheid.
Hoogverheven is de Heer: toch ziet Hij neer op het geringe.
Maar wat zich hoog dunkt, dat kent Hij slechts van verre.
Al moet ik wandelen temidden van verdrukking:
De Heer zal mijn leven behouden
conf. Psalm137[138]: 5-8 vert. ROK ’s-Gravenhage

Ik heb je nooit een rozentuin beloofd; I never promised you a rose-garden; Δεν σου υποσχέθηκα ποτέ ένα τριαντάφυλλο; أنا لم أعدك أبداً بحديقة ورود

Natuurlijk zeiden we: “Ja !”.
Hij liet ons weten dat het niet allemaal ‘pais en vré’, leuk en aardig zou zijn,
maar wèl dat er onderweg hulp zou zijn.
En dat wàt er ook zou gebeuren, hoe erg het ook maar zou kùnnen zijn, Hij het zou allemaal in ons voordeel uitwerken.
En na verloop van tijd zou alles ,‘ ja, Alles ‘, wat wij als mens maar kunnen bedenken voor ons eigen bestwil uitgewerkt worden.
We zouden ons vertrouwen op Hem dienen te stellen, geduld dienen op te brengen, op zoek dienen te gaan naar de gouden en zilveren binnenste lagen van ons bewustzijn en in alle omstandigheden dienen te proberen er het beste van te maken. Door dit alles zouden de dingen, die we zouden leren en de relaties die we zouden tegenkomen en aangaan –  een onbetaalbaar doel dienen.
Iets wat in onze ogen ongunstige vooruitzichten biedt wordt door Zijn Woord in alle rust niet alleen aanvaardbaar, maar gewoon ‘te gek voor woorden, dat weten we onbewust maar al te goed!’.
    Heer, Gij hebt mij onderzocht , en Gij kent mij: Gij kent mijn zitten en mijn opstaan. 
Gij weet mijn gedachten van verre, Gij doorgrond mijn weg en mijn meetsnoer. Al mijn wegen ziet Gij voorruit; en dat er geen ongerechtigheid is op mijn tong. Zie, Heer, Gij weet alles: de eerste en de laatste dingen.
U te kennen is voor mij te wonderbaar; het is te sterk, en buiten mijn macht.
     Want voor U is het duister niet donker; de nacht straalt van licht, als de dag.
Het duister van de een is gelijk aan het licht van de ander.
Zo Gij ook mijn nieren in Uw bezit: Gij hebt mij opgenomen, vanaf de schoot van mijn moeder.
Ik wil U belijden, om Uw ontzagwekkende wonderen. Wonderbaar zijn Uw werken, mijn ziel erkent het ten volle. Voor U was mijn gebeente niet onzichtbaar, toen Gij mij geformeerd hebt in het verborgenePsalm 138[139[: 1-6,13-17 vert. ROK ’s-Gravenhage.

De Verloren Zoon, ets van Jan Luyken [1649-1712]

    Dàt is de stem van mijn Liefste, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen! 
Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp der herten; ziet, Hij staat achter onzen muur, kijkende uit de vensters, blinkende uit de traliën. 
Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: ‘Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom!’. Mijn duifje, zijnde in de kloven van de steenrotsen, in het verborgene van een steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk.
Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn. Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de Liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des Heren. 
Vele wateren zouden deze Liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinkenHooglied 2, 8-10.14.16a; 8,6-7a.
      Alles heeft zijn uur en ieder ding onder de hemel zijn tijd; er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven, een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te rukken, een tijd om te doden en een tijd om te helen, een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen, een tijd om te wenen en een tijd om te lachen, een tijd om te rouwklagen en een tijd om te dansen, een tijd om stenen weg te werpen en een tijd om stenen bijeen te zamelen, een tijd om te omhelzen en een tijd om zich van omhelzen te onthouden, een tijd om te zoeken en een tijd om te laten verloren gaan, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen, een tijd om te scheuren en een tijd om dicht te naaien, een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken.
Een tijd om te beminnen en een tijd om te haten, een tijd van oorlog en een tijd van vrede.
Welk voordeel heeft de werker van datgene waarvoor hij zich aftobt?
Ik heb in ogenschouw genomen de bezigheid, die God aan de mensenkinderen gegeven heeft om zich daarmee te kwellen.
Alles heeft Hij voortreffelijk gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder 
dat de mens van het werk dat God doet, van het begin tot het einde, iets kan ontdekken.
Ik heb ingezien, dat het niet in hun eigen macht staat, maar als men zich verheugt en zich te goed 
doet in zijn leven, kortom als iemand eet en drinkt en het goede geniet bij al zijn zwoegen, dan is dat een [Genade-]gave van GodPrediker 3: 1-13.
God heeft ons via Zijn Zoon met Zijn Pedagogie duidelijk gemaakt dat deze reis in het ondermaanse, in tegenstelling tot de eeuwigheid slechts een klein moment zou blijken te zijn; bij Hem bestaat immers geen tijd.
Maar zonder twijfel zal/zou de waarde van dit verblijf op aarde een eeuwig welzijn opbouwen.
En dus vertrouwden we op Hem, op Zijn Liefde voor ons, welke de Tempel van ons hart vervult en met Johannes de Theoloog zeggen we ondubbelzinnig tot Hem: Ja ! ik kom welhaast.
kom Heer Jezus, kom! Openb. 22: 21,22 [vert. 1948 Prof. Dr. Obbink]
en de Genade van onze Heer Jezus Christus, de Zoon van God komt over ons allen.

11e Zondag na Pinksteren – Christus is de Koning van het Koninkrijk der Hemelen, Wiens brood men eet, Diens Woord men spreekt

De onbarmhartige schuldenaar

      Daarom is het Koninkrijk der Hemelen te vergelijken met een Koning, Die afrekening wilde houden met Zijn dienaren.
Toen Hij begon te rekenen, werd een voor Hem geleid, die tienduizend talenten schuldig was. Omdat hij niet bij machte was te betalen, beval Zijn Heer hem te verkopen, met zijn vrouw en kinderen en al wat hij bezat, opdat er betaald kon worden.
De dienaar wierp zich neer als smekeling en zei: ‘Heb geduld met mij en ik zal U alles betalen’.
De Heer van die dienaar kreeg medelijden met hem en Hij liet hem vrij en schold hem de schuld kwijt. Toen die dienaar wegging, trof hij een van zijn mede- dienaren aan, die hem honderd schellingen schuldig was, en hij greep hem bij de keel en zei: ‘Betaal wat gij schuldig zijt’.
De mededienaar nu wierp zich voor hem neer en bad hem dringend, zeggend:
‘ Heb geduld met mij en ik zal u betalen’. Doch hij wilde niet, maar ging heen en zette hem gevangen, totdat hij het verschuldigde zou betaald hebben.
     Toen nu zijn mededienaren zagen, wat er gebeurd was, werden zij zeer verdrietig en gingen hun Heer al wat er gebeurd was, mededelen.
     Toen ontbood zijn Heer hem en zei tot hem:
‘Slechte dienaar, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, daar je het mij dringend had gevraagd. Had jij ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ook Ik medelijden had met u?
En Zijn Meester werd toornig en gaf hem in handen van de folteraars, totdat hij hem al het verschuldigde zou betaald hebben.
                                         Zo zal ook Mijn hemelse Vader hetzelfde met u doen, indien je niet, een ieder je broeder, van harte vergeeftMatth.18: 23-35.

Abraham ziet Sodom en Gomorra in vlammen opgaan – gebrandschilderd kerkraam, anoniem 16e eeuw

      ‘Het zegel op mijn apostelschap’ zijn ‘jullie’ [navolgers] in de Heer.
Dit is mijn verdediging tegen hen, die zich een oordeel over mij aanmatigen.
Hebben wij geen bevoegdheid om te eten en te drinken?
Hebben wij geen bevoegdheid om een zuster als vrouw mee te nemen gelijk ook de andere apostelen en de broeders des Heren en Cephas?
Of hebben alleen ik en Barnabas geen bevoegdheid om vrij te blijven van handenarbeid?
Wie doet ooit dienst in het leger en betaalt zijn eigen soldij?
Wie plant een wijngaard zonder van de vrucht daarvan te eten?
Of wie weidt een kudde en geniet niet van de melk der kudde?
Spreek ik hier soms van menselijk standpunt, of spreekt ook de wet niet van deze dingen?
Want in de wet van Mozes staat geschreven:
Gij zult een dorsende os niet muilbanden. Bemoeit God Zich soms met de ossen?
Of zegt Hij dit in elk geval om onzentwil?
Ja, om onzentwil werd het geschreven, omdat de ploeger moet ploegen in Hoop, en wie dorst [dient te dorsen] in de Hoop zijn deel te ontvangen.
Indien wij het zijn, die voor u het geestelijke gezaaid hebben, is het dan te veel, dat wij van u het stoffelijke zouden oogsten?
Indien anderen deel hebben aan de bevoegdheid over u, wij niet veel meer? Doch wij hebben van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt, maar wij verdragen alles om geen hindernis voor het Evangelie van Christus op te werpen1Cor.9:2b-12.

    Geliefde, gij handelt trouw in alles wat gij aan de broeders doet en dat nog wel aan vreemdelingen, die in tegenwoordigheid van de Gemeente getuigd hebben van uw liefde; indien gij hen voorthelpt, gelijk het aan God waardig is, zult gij wèl doen; want zij zijn uitgegaan ter wille van de Naam [van God], zonder iets van de heidenen aan te nemen3John. 5-7.

Paulus verdedigt zich tegen degenen, die zich een oordeel over hem aanmatigen ten aanzien van het feit dat hij – ‘vrijgesteld’ – was – met andere woorden om vrij te blijven van arbeid om in z’n levensonderhoud te voorzien.
De woorden ‘zonder iets te ontvangen‘ uit de Johannesbrief zijn de vertaling van de Griekse woorden ‘ουδεν λαμβάνοντες‘.
Het gebruik van deze woorden drukt meer uit dan het feit dat zij niets aannamen. Het drukte volgens haar een traditie uit die bij de apostel Paulus begon, namelijk om geen voedsel, geld en onderdak te vragen van de mensen onder wie zij de Blijde Boodschap verkondigden:
      Zie, het is nu de derde maal, dat ik gereed sta tot u te komen en ik zal u niet lastig vallen; want het is mij niet om [van] het uwe, maar om uzelf te doen. Immers, kinderen behoren niet voor hun ouders te sparen, maar ouders voor hun kinderen. Ik voor mij zal zeer gaarne offers brengen, ja, mijzelf opofferen voor uw zielen. Ontvang ik soms minder liefde, naarmate ik u meer liefheb?
       Het zij zo; tot overlast ben ik u niet geweest, ik ben nu eenmaal sluw, met list heb ik u gevangen.
Heb ik mij dan ten koste van u bevoordeeld door iemand van hen, die ik tot u zond?2Cor.12: 14-17 en
      Ook zochten wij geen eer bij mensen, noch van u, noch van anderen, hoewel wij als apostelen van Christus ons hadden kunnen laten gelden; maar wij gedroegen ons in uw midden vriendelijk, zoals een moeder haar eigen kinderen koestert. Zo waren wij, in onze grote genegenheid voor u, bereid u niet alleen het evangelie Gods, maar ook ons eigen leven mede te delen, daarom, dat gij ons lief geworden waart. Want gij herinnert u, broeders, onze moeite en inspanning. Terwijl wij nacht en dag werkten, om niemand van u lastig te vallen, hebben wij u het Evangelie van God gepredikt1Thess.2: 6-9.

God en de ‘geld’-duivel; Ο Θεός και ο διάβολος του “χρήματος”; God and the “money” devil

Met ‘niets aannemen’ werd dus hoogst-klaarblijkelijk voedsel, geld, onderdak en eventuele andere middelen bedoeld.
Uiteraard zijn er diverse redenen aan te geven waarom de spelleiders en toezichthouders van onze Christelijke Geloof’s-Gemeenschappen geen geld van de overheid – van de heidenen –  aannemen.
De Kerk is vanaf den beginne [principieel] van mening dat zij onafhankelijk van de wereld dient te opereren – maar al te vaak is in de geschiedenis gebleken en blijkt nog steeds, dat gezaghebbers in de wereld de Kerk voor haar karretje trachten te spannen: “ God bless, etc . . . . .”.
En met de hand op het hart worden de meest onmenselijke ongerechtigheden bedreven.
De Kerk dient ten alle tijde gevrijwaard te zijn van politieke en maatschappelijke binding. Uiteraard kan er een overeenkomst bestaan met maatschappelijke doelen – de Kerk dient er echter op geen enkele wijze mee ‘geassocieerd’ te worden – men dient zich in de Kerk zeker te stellen, dat men ten alle tijde de handen vrij houdt van wat voor binding dan ook.
De Kerk dient zich niet door de Moloch [de banken en geldschieters] te laten muilkorven. Men dient in de Kerk ten alle tijde de schijn te vermijden dat men van geld afhankelijk is – men zou hierdoor kunnen gaan twijfelen aan de meest oprechte intenties.
In zijn tweede brief aan de Corinthiërs toont Paulus vandaag aan dat hij werkte voor mensen en  niet om hun bezittingen, inkomen of eer te bemachtigen. Hiertoe wijst hij erop dat hij de Corinthiërs nooit tot overlast is geweest [nooit om geld of onderdak heeft gevraagd] en dat hij zich nooit ten koste van hen heeft bevoordeeld. Ook heeft Titus en een medebroeder, die door Paulus naar Corinthe waren gezonden, zich niet bevoordeeld ten koste van de Corinthiërs.
Paulus heeft door zijn manier van handelen ervoor gezorgd dat hij de schijn – dat hij het om het geld deed – gemakkelijk kon weerleggen.
Hij was waarachtig en had ècht het beste met de mensen voor, ook door de wijze waarop Christus, de Volgelingen op weg heeft gezonden wordt dit nog eens benadrukt:
      Toen riep Hij de twaalven [= meer dan de 12 Apostelen] samen en gaf hun macht en gezag over alle boze geesten en om ziekten te genezen. En Hij zond hen uit om het Koninkrijk van God te verkondigen en genezingen te doen en Hij zei tot hen:
‘Neemt niets mee voor onderweg, geen staf of reiszak, geen brood of zilvergeld en hebt ook niet twee hemden bij u. En komt gij ergens in een huis, blijft daar en reist vandaar verder.
En zijn er, die u niet willen ontvangen, gaat dan weg uit die stad en schudt het stof af van uw voeten tot een getuigenis tegen hen.
Zij gingen heen en trokken de dorpen langs, overal het Evangelie predikende en genezingen doendeLuc.9: 1-6.

Koning David, bij de stromen van Babylon; Ο βασιλιάς Δαβίδ στα ρέματα της Βαβυλώνας;
الملك داود في تيارات بابل

Om niet met praktijken van rijke predikers – van heidense goden – geassocieerd te worden konden de uitgezondenen het best proberen om zichzelf niet afhankelijk op te stellen van ongelovigen; daarom is vanaf het begin van de Kerk gesteund op ‘vrijwillige’  Kerk-bijdragen van medechristenen indien dat nodig was.

De oudste stelt dat spelleiders/verkondigers ondersteuning van de Gemeenschap dienen te ontvangen om te voorkomen dat zij dit van ongelovigen zouden gaan vragen, waardoor zij kunnen worden geassocieerd met ‘heidense’ predikers en beïnvloed werden:
      Wij behoren dus zulke mannen te ontvangen, opdat wij mogen samenwerken voor de Waarheid. Ik heb aan de Gemeente een en ander geschreven; maar Diotrefes [Hebr. gevoed door Jupiter], die onder hen de eerste tracht te zijn, ontvangt ons niet.
Daarom zal ik, als ik kom, herinneren aan zijn werken, die hij doet, daar hij met boze woorden tegen ons zwetst; en hiermede nog niet voldaan, ontvangt hij zelf de broeders niet en weerhoudt ook hen, die het wel willen doen, en hij werpt hen uit de Gemeente
3John.1: 8-10.

Voorzien in het onderhoud van degene, die dag en nacht actief is voor de Geloofsgemeenschap, wordt als een christelijke plicht en een uiting van christelijke naastenliefde beschouwd; de spelleiders mogen t.o.v. hun diensten op de hulp van gelovigen rekenen, alsof onze Heer en Verlosser ‘Zelf’ die rol van de Kerk op Zich nam en Zelf alles voor hen zou regelen.
Van overdaad en een luxe leventje is hierbij nimmer sprake geweest zo blijkt uit het volgende.
De apostel Paulus geeft persoonlijk aan hoe een spelleider en toezichthouder zich dient op te stellen.
Indien hij in een stad kwam bleef hij daar vaak een lange tijd en hij bouwde in die periode een handel op [als tentenmaker] om zichzelf van zijn levensonderhoud te voorzien:
      Want gij herinnert u, broeders, onze moeite en inspanning. Terwijl wij nacht en dag werkten, om niemand van u lastig te vallen, hebben wij u het Evangelie van God gepredikt1Thess.2: 9.
Wèl stelde Paulus dat een evangelist van het brengen van de Blijde Boodschap  diende te kunnen leven:
      Weet gij niet, dat zij, die in het Heiligdom de dienst verrichten, van het Heiligdom eten, en zij, 
die het Altaar bedienen, hun deel ontvangen van het Altaar? Zo heeft de Heer ook voor de verkondigers van het Evangelie de regel gesteld, dat zij van het Evangelie leven1Cor.9: 13,14.
            Redelijkerwijs dienen de gelovigen hem dus in het levensonderhoud te voorzien als dat nodig is,  wat Paulus op zich nam was derhalve een uitzondering; hetgeen ook in onze tijd nog regelmatig voorkomt.
Men zegt wel eens dat “geld regeert” òf “wiens brood men eet, diens woord men spreekt”. Dat kan een heel andere reden zijn om niets aan te nemen van de buitenwereld aan te nemen.
Wanneer buitenstaanders geld doneren, òf onderdak bieden, is het mogelijk dat zij daarmee ook invloed op een spelleider of zelfs een gehele christelijke gemeenschap, waaronder de toezichthouder kunnen uitoefenen.
Deze invloed is ‘absoluut’ ongewenst en dit dienen wij ook in onze kringen te realiseren – hoe er in andere landen ook over wordt gedacht.
We zien maar al te vaak dat ook Kerkleiders, de hoofden van toezichthouders zich hieraan bezondigen. In hun kielzog meten de overige toezichthouders eveneens zo’n stijl van leven aan.
➥➥➥  Vergeet niet dat om die reden, de toezichthouder gekozen werd uit de ‘plaatselijke’ monnikenstand, hetgeen veelal betekende dat een volgroeid en wijs en afgewogen levend [doorspekt monastiek levend] iemand gekozen werd.
In de middeleeuwen werd de gewoonte opgebouwd – graven, wereldse heersers en afgestudeerden als vazal van de wereldse overheid als toezichthouder aan te stellen, hetgeen de oorzaak is geweest van de heidense westerse scheefgroei.
Diotrefes [Hebr. gevoed door Jupiter, een heidense God] was volgens de overlevering een welvarend man, die zijn huis beschikbaar stelde aan de gemeenschap voor samenkomsten. Hierdoor kon ‘hij’ bepalen wie er wèl en níet bij de samenkomsten mochten zijn en de agenda bepalen.
Degenen, die waarachtig, de Heer navolgden, wilde hij absoluut ‘niet binnen’ hebben, dus maakte hij hen het leven aldaar onmogelijk, sloot hen buiten en weerhield anderen ervan hen binnen te laten; tevens weerhield hij z’n medestanders ‘elders’ de Waarheid te achterhalen.
Hij kon hierdoor als gevolg van zijn positie als zogenaamde beheerder/eigenaar van de samenkomst-locatie al het mogelijke doen om de macht binnen de van Christus vervreemde Gemeenschap te behouden, ten koste van de daadwerkelijke leiders [het bestuur], waaronder de oudste.

De ‘Karolingische renaissance’ afbeelding uit de 16e eeuw; The ‘Carolingian Renaissance’ image from the 16th century

Bovengenoemde redenen om ‘niets, maar dan ook niets’ aan te nemen van ‘heidenen en machthebbers’, zijn waar ook ter wereld allemaal heel goed te onderbouwen. Het is daarom vrij zeker dat al deze zaken [en misschien dat er nog veel meer meespelen, zoals vrij-metselarij] in een beslissing van spelleiders om absoluut geen geld en onderdak van buitenlandse mogendheden aan te nemen – met name niet in de Orthodoxe Kerk.
Na dit fenomeen indringend bestudeerd te hebben en tot je door te laten dringen wat de mogelijke gevolgen van je handelswijze zou kunnen zijn;  dienen wij ons te realiseren
wàt ‘de Kerk van Christus’ zijn inhoudt,
wàt de staat en de wereld inhoudt en
wàt daarmee wordt bedoeld,
wàt het daadwerkelijk betekent een Joods-Christelijke georiënteerde samenleving te zijn?
Bovendien dienen wij te benadrukken dat er geen relatie is met de kwestie van de scheiding van de kerk en de staat in onze deelname aan de Europese Unie, aangezien er de gezamenlijke verklaring [nr. 11 van het Verdrag van Amsterdam – 1999] is vastgelegd, waarin duidelijk wordt gegeven: “De Europese Unie eerbiedigt en doet geen afbreuk aan in overeenstemming met de status van nationaal recht van kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen in de lidstaten. Ἡ Ε.Ε. respecteert dit op dezelfde wijze  als waarop zij met  filosofische en oecumenische associaties omgaat“.
Dit is echter van kracht of het Europees Parlement, hetzij de Raad van Europa, hetzij de Europese Commissie nu door middel van de “gewone wetgevingsprocedure“, een reglement van richtlijnen aanneemt betreffende de wetgeving betreffende de wijze waarop betrekkingen tussen de Kerk en de staat in een lidstaat binnen de EU tot stand zouden kunnen worden gebracht.
Het nationale recht, de staat, die dit zelf in overleg met de Kerk definieert respecteert deze relaties èn die welke de staat voor de EU heeft aanvaard.
Dit houdt in dat de vrijheid en de eer om de specificiteit van elke lidstaat te waarborgen – dit verheft weliswaar de Europese Unie en het ondersteunt het natuurlijk proces van de uitwisseling van en het doen en laten van de onderlinge relaties.
Heel wat anders wordt het wanneer en òf dit in elk Europeesch land wordt gerealiseerd is maar de vraag.  België o.a. subsidieert de Orthodoxe Kerk en het Patriarchaat Constantinopel vaart daar financieel wèl bij, voert derhalve een met de R.K. een overheersend bestuur binnen haar gelederen.
Het blijkt een feit te zijn dat men door de tijden heen net als in de Gemeenten te Corinthe en Ephese ‘al het mogelijke’ behoort te doen om ‘valse apostelen’  en – de kliek daar om heen – [lees Brussel] van de ware Kerk te onderscheiden:

Verzoeking van Christus, door Chrispijn de Passe;
Temptation of Christ, by Chrispijn the Passe

      Maar wat ik doe, zal ik blijven doen, om hun de gelegenheid af te snijden, die er een zoeken, zodat zij in hetgeen, waarin zij roemen, blijken te zijn zoals ook wij. Want zulke lieden zijn schijn-apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus. Geen wonder ook! Immers, de satan zelf doet zich voor als een engel van het Licht. Het is dus niets bijzonders, indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren van de Gerechtigheid; maar hun einde zal zijn naar hun werken2Cor.11: 12-15 en
      Ik weet uw werken en inspanning en uw volharding en dat gij de kwaden niet kunt verdragen en hen op de proef gesteld hebt, die zeggen, dat zij [als de] apostelen zijn, maar het niet zijn, en dat gij hen leugenaars hebt bevonden en gij hebt volharding en hebt verdragen omwille van Mijn Naam  en gij zijt niet moede geworden. Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste Liefde verzaakt hebt. Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe [weer] uw eerste werken. Maar 
zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van z’n plaats wegnemen, indien gij u niet bekeertOpenb. 2: 2-5.

Heilige Amandus en de heidenen, de (herhalende) Geschiedenis van Gent [Be]; Holy Amandus and the Gentiles, the (repeating) History of Ghent [Be]; Ο Άγιος Αμάνδος και οι Εθνικοί, η επαναλαμβανόμενη Ιστορία της Γάνδης (Be)

Onze Apostolische Orthodoxe Kerk leert dat God, voorafgaand aan het creëren van de materiële wereld, de geestelijke wereld schiep, dat wil zeggen de engelen die redelijke, immateriële en onafhankelijke en vrije wezens zijn. Maar een aantal van deze engelen maakten in hun ‘hoogmoed’, in hun ‘narcistische verwaandheid’ rebellie tegen God. Vanaf dat ogenblik vervielen die engelen van het Licht in de chaos en verwerden tot engelen van de duisternis.
Demonen werken tegen God’s Wil in, verspreiden slechte gewoonten en onderlinge naijver en verbloemen hun rebellie ten opzichte van de ware God; hun werkzaamheid en doel is de mens van God te verwijderen.
De ervaring bevestigt dat tegenstrevers [de duivel] altijd opgewonden raken en opwinding veroorzaken, zelfs wanneer deze zich presenteert als een prins van de Kerk, een engel van het Licht.
Hierdoor verwordt de duivel dus tot een opper-vijand van de mens, anders gezegd een belemmering voor de redding van de mens en dit dienen wij alleen om die reden zo snel mogelijk uit de weg te gaan.

Verzoeking van Christus [San Marco, Venetië (It.)]

De duivel heeft ‘zelfs’ Christus trachten te misleiden, doch heeft zich nadat hij Hem als Heer en Meester van het heelal herkende gemeden. Hij is slechts een grote vijand en heeft absoluut geen Al-Macht. Hij dient zich de mindere te achten ten opzichte van de alom Heersende Vader, onze Verlosser en Heer, Jezus Christus en de heilige Geest.
Uiteindelijk zal de Koning van het Koninkrijk der Hemelen afrekening houden met zijn dienaren, het goed en het kwaad wat ons omringt. Houden wij daarom onze belangstelling onafgebroken gericht op Christus, Die ons uiteindelijk dan ook zal verlossen.

Apolytikion     tn.2
Toen Gij, het onster’flijke Leven nederdaalde tot de dood,
hebt Gij de kracht der onderwereld gedood door de bliksem der Godheid.
En toen Gij de gestorvenen uit de onderwereld opwekte,
riepen alle Machten der Hemelen:
O Christus onze God, Schenker des Levens, ere zij U
“.

Kondakion     tn.2.
Gij zijt opgestaan uit het graf, Almachtige Verlosser,
en bij het aanschouwen van dit wonder stond de onderwereld verslagen.
De doden verrezen en heel Uw Schepping verheugt zich samen met U.
Ook Adan jubelt en het Heelal mijn Verlosser,
zingt U de lofzang zonder einde
“.

Theotokion     tn.2.
Onbegrijpelijk en hoog-Heerlijk zijn alle Mysteriën
Die aan u voltrokken zijn, o Moeder Gods.
Verzegeld in reinheid en vast in maagdelijkheid,
zijt gij waarlijk Moeder geworden
en hebt gij de Ware God gebaard.
Smeek tot Hem dat onze zielen worden verlost
”.

God is Degene, Die uit respect voor de door Hem geschapen mens niets anders doet, dan Zijn Liefde aan ons laat toekomen

Wie en wat is een mens?
Een mens is degene, die z’n schatten weet te bewaren.
”  Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijnMatth.6: 21.
Maar wat omvat de werkelijke schat van de mens? Wat vindt hij leuk?
Natuurlijk houdt hij van het lichaam, datgene wat hem vanaf z’n geboorte is toevertrouwd – hetgeen onlosmakelijk met hem is verbonden en aan hem/haar  gebonden zal blijven totdat hij in het graf wordt begraven.
Het is door hem dat hij ziet, hoort, waarneemt en reproduceert.
Een verschrikkelijke, stormachtige oerkracht beweegt het universum, daarom is het lichaam iets waaraan we ontzettend gehecht zijn.
Op de een of andere manier is ieder van ons gehecht aan zijn lichaam.
Wanneer wij zoals nu in afwachting van de ontslaping van de Theotokos, de Moeder Gods [1-15 Augustus] vasten, dan wordt ons voorgehouden om al datgene wat ons met de wereld/aarde verbindt te elimineren. De mens is aan zijn lichaam gehecht geraakt omdat hij niet graag doodgaat.
De gelovige houdt ervan om aan de wereld te sterven om rede dat hij/zij Christus, Zijn Geliefde probeert te ontmoeten.
Daarom hongeren we onszelf [in stilte!, niet opvallend – opdat we ons er niet op kunnen beroepen] van voedsel totdat we de autoriteit over het lichaam van ons kunnen afleggen, teneinde onszelf te leren beheersen.
Daarmee wordt een begin gemaakt de Heerschappij van het leven te beheersen en wordt eveneens begonnen, de tirannie van de dood te vernietigen.
Daarmee vindt telkenmale – in Christus- een nieuwe geboorte plaats, door Zijn toedoen is door Hem een nieuw leven geworden, wordt een nieuwe orde van bestaan geopenbaard, wordt onze aard getransformeerd – vindt er een Transfiguratie plaats! Deze geboorte wordt niet tot stand gebracht door menselijke generatie, door de wil van een mens, of door de wens van het vlees, maar door God.

Indien je jezelf nu [met de hogepriester Nicodemus] blijft afvragen hoe dit kan geschieden, zal ik proberen het je in duidelijke taal uit te leggen.
Geloof is de baarmoeder, die dit nieuwe leven omvat, de doop is de weder-geboorte waarmee dit aan het Licht wordt gebracht.
De Kerk, het Lichaam van Christus, is haar verpleegster; haar leringen zijn haar melk, het brood uit de hemel is haar voedsel.
Het wordt tot volwassenheid gebracht door de beoefening van deugd; het wordt bevochtigd aan de Wijsheid [God’s Heilige Geest]; het wekt Hoop op en doet het Geloof uitgroeien/opbloeien.
Haar thuis is het Koninkrijk der Hemelen; het omvat de rijke erfenis van de vreugden van het paradijs; het einde is niet de menselijke dood, maar het gezegende en eeuwige leven wordt bereid voor degenen die het Goddelijke waard zijn.

Heilig de dag des Heren

Dìt is de dag die de Heer heeft gemaakt – een dag die heel anders is dan die welke plaatsvond toen de wereld voor het eerst werd geschapen en die in de loop van de tijd wordt uitgemeten.
Dìt is het begin van een nieuwe creatie.
Op deze dag, zoals de profeet zegt, maakt God een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Wat is deze nieuwe hemel dan wel niet? mag je jezelf afvragen.
Het is het Mysterie, het uitspansel van ons persoonlijk Geloof in Christus.
En wat is de nieuwe aarde?
Het is het hart van een vervuld mens, een hart dat als de aarde werkt, dat het [doop-]water, de regen opslaat die erop valt en een rijke oogst in het vooruitzicht stelt. 
In deze nieuwe schepping is ‘zuiverheid van leven’ de zon, ‘de deugden’ zijn de sterren, ‘de transparante goedheid’ is de lucht, en ‘de diepten van de rijkdom aan wijsheid en kennis’, de zee.
De Blijde Boodschap, ‘de waarachtige Pedagogie van de Heer’, de Goddelijke leringen zijn het gras en de planten die Gods kudde voeden, de mensen die hij als Herder hoedt; houdt Hij ‘de Geboden’ voor, welke de vruchten vormen, die door de bomen worden gedragen.
Op deze dag, die de Heer heeft gemaakt, wordt de waarachtige mensn geschapen, de mens die geschapen wordt naar het Beeld en de Gelijkenis van God. 
Op deze dag, die de Heer heeft gemaakt, heeft God het begin van deze nieuwe wereld gemaakt. 
Op deze dag, die de Heer heeft gemaakt, zegt de Profeet dat het niet is zoals andere dagen, noch is deze nacht zoals andere nachten. 
Maar toch hebben we niet gesproken over de grootste Genadegave, het grootste geschenk dat het ons heeft gebracht. 
Op deze dag, die de Heer heeft gemaakt, heeft God de pijn van de dood vernietigd en bracht Hij, Zijn Zoon, de Eerstgeborene van de doden ter wereld.
En vervolgens constateert de Zoon van God, dat Hij opstijgt naar Zijn Vader en naar jouw Vader, naar Mijn God en naar jouw God en wij hebben de Genadegave ontvangen Hem daarin te volgen. 
Is dat geen Blijde Boodschap, is dat geen goed nieuws? 
Hij die voor ons mensen werd zoals wij zijn, vlees en bloed teneinde ons zijn broers/zusters te maken, stelt zijn waarachtige Almachtige Vader nu z’n eigen menselijkheid voor om al zijn verwanten naar zich toe te trekken“.
conf. Heilige Gregory of Nyssa

Metropoliet George Khodr van het Aartsbisdom van Byblos en Batroun

God’s Liefde overstijgt de liefde van de mens – een mens kan die Liefde onmogelijk evenaren, want zij is alles-omvattend.
Wat wij het Oude Verbond noemen – tussen God en de mens – heeft ‘niets’ te maken met datgene wat de mens ooit heeft nagestreefd, heeft gezocht.
Voordat Christus op aarde neerdaalde heeft het Verbond tussen God en de mens niets met de menselijke wil te maken; het omvat de vrije manifestatie van de Schepper om niet alleen van de mens te houden, maar ondanks het gedrag van de mens deze liefde vast te houden en daarin tot het uiterste mee door te gaan. God is uiterst liefdevol in Zijn Genadegaven; Hij heeft de mens ontzettend lief. Zijn erbarmen, Zijn ontferming, Zijn inlevingsvermogen met de zondaar omvat het onbeschrijflijke; dit is zo zichtbaar dat je het kunt omschrijven dat God alle grenzen van de menselijke mogelijkheden overstijgt en is derhalve niet met de onderlinge liefde van een echtpaar te vergelijken.

God is niet verplicht van de mens te houden – een mens kan zich ten opzichte van God uiten door Hem te lasteren, te haten en zich anderszins ten opzichte van Hem te uiten, maar de mens zal zich nimmer ten opzichte van Zijn liefdevolle Genadegaven kunnen verzetten.
Indien je het aangenaam vindt –  aanvaard je Zijn Genadegaven; je neemt het aan en ‘ook al‘ wijs je Hem af – ‘Hij’ – zal er niet negatief op reageren. God verwacht in Zijn onmetelijke Goedheid ook absoluut niets terug.
God geeft Zichzelf en gunt jou de voldoening, welk Hij je ‘om niet’ [gratis] doet toekomen en al reageer je er niet op – Hij geeft Zich geheel en al.
Al datgene wat wij in het leven tentoon spreiden is ijdelheid – “Hij is de Enige bestaansbron“, “Hij is God”, de Heer en Meester van ons Leven.

Het leven in ons is een geschenk van God.
Alleen God geeft leven en alleen God neemt het terug.
Wij mensen dienen derhalve geen zelfmoord te plegen of onszelf schade toe te brengen en iemand heeft zeker niet het recht om iemand’s leven te nemen, zelfs niet van een ontsponnen vrucht.
Iedere mens ontvangt zowel zijn/haar persoonlijk leven als het leven van z’n naaste van God.
Ieder ander heeft de vrijheid om te leven zoals hij wil, maakt de keuzes, die hij/zij wil. Zo deze ervoor open staat is het ‘onze plicht’ hem/haar te adviseren, hem gezelschap te houden, hem te dienen en hem te helpen zijn situatie te verbeteren om een beter leven te gaan leiden.
Door dit te doen, wordt onze eigen geest beter.
Maar je hebt absoluut niet het recht om iemand anders te doden, zelfs als deze persoon je daarom vraagt – het op papier vastlegt, omdat hij geen recht heeft om een einde te maken aan zijn leven dat door God aan hem/haar is toevertrouwd.
Daarom kàn abortus niet worden toegestaan omdat de moeder niet haar foetus bezit. Evenzo heeft een arts niet het recht om zijn patiënt te doden [euthanasie te plegen], ongeacht hoe slecht zijn/haar toestand ook is.
De arts, de hulpverlener of wie dan ook bezit het lichaam van zijn patiënt/ hulpbehoevende niet. Hij kan niet de beslissing nemen om een patiënt te doden, zelfs niet in geval van alzheimer/ dementie of een langdurige coma.
Je lichaam is geen object om er maar mee te doen en te laten, wat je maar wilt.
Je lichaam is een deel van jou als persoon; het is een [‘door God gegeven’] autoriteit niet toegestaan om te slaan of om zich als  rechter uit te spreken een doodstraf uit te voeren.

denk erom, ik ben de baas

In onze hoogmoed en onder invloed van humanistisch [VVD, D66] gedachtengoed trekt de mens het beschikkingsrecht over de ander tot zich – maar dit is ‘God’s-lastering, de mens verheft zich hiermee boven God. Door de ander te vernietigen vernietig je jezelf en ontken je – keer je je af van de Heerschappij van God over jullie beiden.
Iedere zonde is vervreemding, een ontkenning van een van God’s eigenschappen: een ontkenning van Gods geduld, Genade en Liefde.
Doden is een ‘absolute‘ ontkenning van God omdat het een ontkenning van Hem is als Heer en Gever van Leven.
Een mens is in staat z’n tegenstander te vernietigen, omdat hij beslist dat de ander zijn plan, zijn zaken, passies of vrijheid belemmert. De mens heeft zich daarmee ingebeeld dat hij alleen op deze manier veilig kan zijn en de garantie tot Heerschappij [Zelfbeschikkingsrecht] heeft.
Dit omvat zowel de isolatie van die mens in zijn/haar verbeelding – als de vergoddelijking van het zelf. In zijn geest en diepste gedachten vervangt de mens hiermee de overheersende God, de Pamtocrator.
Daarom bidden wij aan de hand van Psalm 50[51]:
Ik zal de overtreders Uw wegen leren en de goddelozen zullen zich tot U bekeren.
Red mij van bloedschuld, o God, God van mijn heil; laat mijn tong over Uw Gerechtigheid jubelen
”.

godsspraak van de mens over Damascus

Elke vechtpartij, die eindigt in een genadeslag – hoe klein dan ook is een aanval op God’s Naam. Elk bloedbad is ‘religieus‘, in die zin dat etniciteit of politieke ideologie een pseudo-religie kan worden.
Ja, het uur nadert, dat een ieder, die u doodt, zal menen aan God een heilige dienst te bewijzen. En dit zullen zij doen, omdat zij noch de Vader, noch Mij kennenJohn.16: 2,3.
We kunnen spreken van een “liturgie” van de complete vernietigen van iets.
Dit soort machthebbers  beschouwen massamoord als een door ~ ‘God’ ~ aangewezen, gegeven taak!
Hoe kijken wij mensen met gelovige ogen?
Er hangt immers zó véél af van wié er kijkt, wanneer en waar – de beschaving van de één is de barbarij van de ander. Totdat je beseft dat je hetzelfde al eens in het Grote Boek der Waarheid hebt gelezen – er zijn immers mensen, die de Waarheid briljant kunnen verkondigen, maar geen waarachtige toegewijde aan God zijn.
God laat ons door Zijn Barmhartigheid weten dat Hij van de mens houdt; wij zijn echt ‘niet’ Zijn oogappel, op wie Hij het meest gesteld is, wij zijn pas echt Zijn lieveling omdat wij goed doen in Zijn ogen.
Wie zijn wij, als mens? Wat hebben wij als mens te bieden, niets toch?
Om Hem tevreden te stellen, zit God in alle vrijheid ‘niet’ op ons te wachten en wanneer Hij toestaat dat jij Hem verkettert neemt Hij de vrijheid je te laten voortmodderen – totdat jij het besef krijgt hoe het ‘wèl’ overeenkomstig Zijn Wil dient te geschieden – daarom wordt Hij vergeleken met een vader, onze Vader.
Een vader geeft het beste van zichzelf en laat z’n kind na zijn aanwijzingen begaan tot het leert van z’n fouten. Het aanbod van Zijn Liefde blijft ongewijzigd dezelfde, wàt er ook gebeuren zal.
Jij bent de armzalige; Hij heeft je echt niet nodig.
Hij maakt Zichzelf klein, arm en nietig voor jou om je maar een ‘ietsje pietsje’ te laten aanvoelen; tot je erdoor ‘vertederd’ raakt.
Door je van de andere kant – van je goede kant – te laten zien wordt Hij geraakt.
Je bent Hem ter wille [Hem aan het verleiden] en Hij wordt er geen cent beter van.  Hij mag dit toch van jou verlangen – dit komt Hem toch toe?
Je bezit niet ‘echt’ – ‘wat’ je geeft, datgene wat je Hem geeft komt Hem toe;
alles wat je Hem doet toekomen, is immers van Hem.
Zowel het Oude als het Nieuwe Verbond is geen verbintenis, die van twee kanten komt. De Tijd komt God toe – iedere periode in de geschiedenis is alleen maar een tijdperk van God – bij God bestaat geen tijd, nu is gisteren en tegelijk altijd en voor eeuwig. Hij geeft altijd en eeuwig en indien jij in alle gemoedsrust aanvaardt wat je ontmoet – je ondergeschikt opstelt – zal Hij wanneer jij datgene afwijst wat Hij je doet toekomen niet beantwoorden – Hij doet niets en laat je begaan – nèt zo lang tot je jouw fouten zelf inziet.
Dàt geeft je uiteindelijk gezondheid.
Het is niet alles, maar het is de basis van zowel het natuurlijk [fysiek] bestaan als het  geestelijk [mentaal] bestaan.
En het belangrijkste wat jouw gezondheid goed doet [heiligt] geeft je een spiritueel leven,  elk leven in/met God geeft Heiligheid en dat behoeft geen plaatsbekleder [toezichthouder] ten opzichte van het volk te bevestigen.
Het is daarom een grote Genadegave [zegen in het leven] om te geloven dat jullie ‘allemaal’ door God gegeven zijn en dat jullie dit persoonlijk in alle vrijheid dienen te handhaven.
Verspil dit daarom niet met datgene wat je gezondheid tekort [pijn] doet of wat je geest tekort [pijn] doet òf datgene wat jouw spirituele leven in je verzwakt.
Bescherm en beveilig allereerst datgene, wat jullie allemaal goed doet en van boven gegeven is; hetgeen tot uiting komt wanneer jullie God gehoorzamen.

conf. George [Khodr],
metropoliet [aartsbisschop] van Byblos en Batroun en Libanon,
Patriarchaat van Antiochië en het gehele Oosten *.

* Geschiedkundige basis:

Logo Patriarchaat Antiochië

⁌  De stichting van dit Patriarchaat gaat met de vroeg-christelijke, oorspronkelijke Kerk terug tot de 1e eeuw.
⁌ is een van de vijf oorspronkelijk christelijke zetels welke “apostolisch”; bovendien werd ” in Antiochië voor het eerst de naam ‘Christenen’ gegeven aan haar volgelingen” Hand.11: 25-26.
⁌ De stad Antiochië is de historische zetel van het Patriarchaat, terwijl Damascus  [Syrië] de huidige zetel is. De zetel werd overgebracht naar Damascus onder pontificaat van de Patriarch van Antioch Pachomius [1378-1386] onder druk van de verwoesting van het Antiochië ten tijde van de Mamlukken [Ottomanen], welke in de middeleeuwse islamitische wereld dienaren waren, die voornamelijk van Turkse origine, opgeleid werden tot militair of bestuurder.
⁌ Ondanks de overdracht van de zetel naar Damascus is de historische en kerkelijke verwijzing naar Antiochië gebleven. De Patriarchen van Antiochië dragen altijd de titel van “Patriarch van Antiochië en heel het Oosten”.
⁌ De bevoegdheid van het Patriarchaat dekt Libanon, Syrië, Irak, Iran, het Arabisch schiereiland en in het Oosten en de zuidelijke regio’s van Turkije.
⁌ Vanwege migratiestromen zijn er nieuwe bisdommen gecreëerd in Europa [waaronder Midden-Europa, waar ‘vanaf 2015’ onze parochie toegewijd aan de ‘Moeder God’s’ in Nederland onder valt], Noord- en Zuid-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland.
⁌ De geestelijke toevlucht van Antiochië wordt beschouwd te zijn toegewezen  aan de bescherming door de twee vooraanstaande onder de Apostelen, Petrus en Paulus.

Balamand‘ klooster – foto van Camille Enlart (1921)

⁌ NB. In 1833 werd het eerste catechetische onderwijs in het voormalige Cisterciënzer klooster geopend, welke het startsein gaf aan de huidige grote onderwijsinstellingen ‘Balamand’.  Momenteel is rond dit klooster, het theologische instituut, de middelbare school en de universiteit gehuisvest.

Orthodoxie & vertrouwen, een appeltje voor de dorst in warme dagen

En op de derde dag was er een bruiloft te Cana in Galilea en de moeder van de Heer was daar; en ook Jezus en Zijn Volgelingen waren op die bruiloft uitgenodigd.
En toen er gebrek aan wijn kwam, zei de Theotokos, [de Moeder God’s] tot Hem:
‘Zij hebben geen wijn’.
En Jezus zei tot haar:
Vrouw, wat heb Ik met u van node?
Mijn uur is nog niet gekomen.
Zijn moeder zei echter tot hen, die bedienden: ‘Wat Hij u ook zegt, doet dat!’

Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet volgens het reinigingsgebruik der Joden, elk met een inhoud van twee of drie metreten.
Jezus zeide tot hen:
‘Vult de vaten met water. En zij vulden ze tot de rand’.
En Hij zei tot hen:
‘Schept nu en brengt het aan de leider van het feest”.
En zij brachten het.Toen nu de leider van het feest het water proefde, dat wijn geworden was – en hij wist niet, waar deze vandaan kwam, maar de bedienden, die het water geschept hadden, wisten het – riep de [spel-]leider 
van het feest de bruidegom, en hij zei tot hem:
‘Iedereen zet eerst de goede wijn op en als er goed gedronken is, de mindere gij echter hebt de goede wijn tot dit ogenblik bewaard’.
Dit heeft Jezus gedaan als begin van zijn tekenen te Cana in Galilea en Hij heeft zijn Heerlijkheid 
geopenbaard en Zijn discipelen geloofden in HemJohn 2: 1-11.

    Zo zegt de Heer:
‘ De Hemel is Mijn troon en de aarde de voetbank voor Mijn voeten, waar zou dan 
het huis zijn, dat gij Mij zoudt bouwen en waar de plaats van Mijn rust?
Dit alles heeft immers Mijn hand gemaakt en zo is dit alles ontstaan’, luidt het Woord des Heren; ‘op zulk soort mensen sla Ik acht: op de ellendige, de verslagene van geest en wie voor mijn woord beeft. Wie een stier slacht, verslaat een mens; wie een schaap offert, breekt een hond de nek; wie spijsoffer brengt, [offert] zwijnenbloed; wie wierook tot gedenkoffer ontsteekt, prijst een afgod. Zoals zij hun eigen wegen verkozen hebben en hun ziel in hun gruwelen behagen schept,
Zo zal Ik hun ongeluk verkiezen en dat wat zij vrezen, over hen brengen, omdat niemand geantwoord heeft, toen Ik riep, en zij niet gehoord hebben, toen Ik sprak, ‘maar gedaan hebben wat kwaad is in Mijn ogen en verkozen wat Mij mishaagt.
‘Hoort het Woord des Heren, gij die voor Zijn Woord beeft:  Uw broeders die u haten, die u verstoten omwille van Mijn Naam, zeggen:  Dat de Heer Zijn Heerlijkheid zal tonen, opdat wij uw vreugde aanschouwen. Maar zij zelf zullen beschaamd staan.
Er klinkt gedruis uit de stad!  Het klinkt uit de tempel!
De stem van de Heer, Die vergelding brengt over Zijn Vijanden’Isaiah 66: 1-6.

Theotokos“, de Moeder God’s, de vreugde van alle bedroefden.

Doe wat Hij je gebiedt om te doen” John. 2:  5 en “ Er klinkt gedruis uit de stad! Het klinkt uit de Tempel [van je hart]! De stem van de Heer, Die vergelding brengt over Zijn Vijanden

De Moeder des Heren was duidelijk en beslissend in haar woorden voor de discipelen: “Doe wat hij je zegt te doen”.
Indien we zorgvuldig naar de volgorde van de gebeurtenissen kijken, zullen we zien dat de God’s Moeder slechts geïnteresseerd was in de mensen van de bruiloft die bij een probleem als eerste haar Zoon benaderden: ”   toen er gebrek aan wijn kwam, zei zij als zijn moeder tot Hem: Zij hebben geen wijnJohn.2: 3.
Het heeft gewoon zo moeten zijn, dat zowel onze Heer als Zijn Moeder en Zijn volgelingen op de bruiloft uitgenodigd werden en het verzoek van de Vrouwe vormt alleen al het bewijs dat zij Christus, als God kende, zoals Christus de mens kent. 

Wij zien hier dat zij als Moeder God’s de belichaamde Liefde is, die weigert ànders om te gaan met de haar toegewezen mensheid dan uit liefde en tederheid.
De reactie van onze Heer en Verlosser suggereert een afwijzing, zo iets als van ‘bemoei je er niet mee’, maar de werkelijkheid laat ons wat anders zien – het uur van Christus als Verlosser van de mensheid is nog niet gekomen en wat vervolgens plaats vindt benadrukt dit alleen maar.
Het is geen hoky-poky, het is een Mysterie van God, Die te Zijner tijd uitkomst zal bieden. Dit door zaken vinden niet op oproep plaats – generaties nadien, tot in onze tijd zal de mensen de ogen geopend worden, wanneer we zullen doen wat Christus ons in Zijn Pedagogie voorhoudt.
Hoe vaak zegt Christus niet na afloop de genezingen, die plaatsvinden: Uw Geloof heeft u gered.
Christus’ Boodschap is: “   Kom tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven; neem mijn juk op je en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en je zult rust vinden voor je ziel; want mijn juk is zacht en mijn last is licht” Matth.11: 28-30.
De Theotokos gelooft in Christus en vertrouwt volkomen op de goede afloop – zij vertrouwt Hem volkomen en weet dat Hij zachtmoedig en nederig van hart is.
Zij weet dat Hij de eenvoud ‘Zelf’ is, Die Zich niet boven de ander verheft en zelfs in het eerstvolgende hoofdstuk van Johannes de Theoloog aan Nicodemus uit de Farizeeën, een overste van de Joden, die heimelijk [’s-nachts] bij Hem komt zegt:
“ Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien”. En de nuchtere lettervreter [geschoolde] zegt: “ Hoe kan een mens 
geboren worden, als hij al oud is? Kan hij dan voor de tweede maal in de moederschoot ingaan en geboren worden?”.
En onze Heer geeft hem en ons ten antwoord: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan. Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest. Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet opnieuw geboren worden. De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren isJohn.3: 3-8.

Geloof en vertrouwen is het enige wat Christus van ons verlangt en daarop volgt dan een bewustzijn dat wij als mens zwaar te kort schieten ten opzichte van de oneindige Grootheid van God.
Het enige wat Christus doet is dat Hij ons ook hier van harte uitnodigt aan het Hemels koninkrijk deel te nemen.
Hij richt zich tot mensen die moe zijn van het leven onder het juk van hun eigen zonde.
De mens, die verdriet heeft, niet in de eerste plaats over de zonden van anderen, maar over zichzelf.
Tot die mensen, die het meer dan zat zijn om – steeds weer te vallen voor dezelfde tekortkomingen/ongerechtigheden, al zijn die nog zo verborgen.
Jezus wist: er zijn mensen die heel goed weten dat het héél anders dient te gaan in hun leven. Misschien onderken jij dàt ook, een aanhoudende onrust, een leegte die door niks in deze wereld gevuld kan worden, een verlangen naar God misschien zelfs zonder dat je dat onder woorden kunt brengen. Je hebt spijt van je hardheid, en je ziet je eigen arrogantie en egoïsme.
Je ervaart dat je onrein bent vanwege je eigen gedachten en fantasieën, die maar komen en gaan zonder dat je er grip op krijgt.
Daardoor voel je je schuldig. 
Hoe andere mensen jou beoordelen, òf ze jouw strijd zien – zal je een worst wezen. Wanneer het gaat over vechten en strijd in een christenleven, dan verwijst dit bijna altijd naar een innerlijke strijd die ontstaat wanneer zondige gedachten je verzoeken tot het kwade.
God’s Geest en het vleselijk bestaan in deze wereld staan tegenover elkaar.
Indien je hebt besloten om ‘alleen maar’ God’s Wil te doen, Hem stelt boven al het andere, omdat Hij nu eenmaal de Schepper van alle dingen is en je te laten leiden door Zijn Geest, dan ontstaat een conflict tussen…
– het van God gegeven inzicht of niet, en
– of je christen bent of niet, dat verandert niets aan het feit dat je zelf heel goed beseft dat het toch regelmatig nog niet goed met je gaat.
Je beseft dat er krachten in je leven zijn die sterker zijn dan jezelf en die jou in je gedachten bij God vandaan trekken naar dingen die niet goed voor je zijn en waardoor je in een spiraal van ellende terecht kunt komen.
Zou je dat negeren dan zou je niet meer eerlijk zijn; maar je wilt eerlijk zijn  en gaat tot het uiterste!
  Ik ben de alfa en de omega, zegt de Heer, onze God, Die is en Die was en Die komt de AlmachtigeOpenb. 1: 8.

1-jarig parochiefeest [2016], Antiochees Orthodoxe Parochie ‘Geboorte van de Moeder Gods‘ te Amersfoort; in de Ansfriduskerk.

Indien de Moeder God’s ons nooit duidelijk had gemaakt
– dat Christus ons mensen datgene vraagt te doen, wat Hij van ons verlangt
– dat wij durven op te kijken en Hem in geloof en vertrouwen te volgen,
dàn hadden wij slechts uit onwetendheid en zelfmedelijden gehandeld in plaats van uit innige Liefde tot God en onze naasten.
Door Zijn Leven te geven voor ons mensen heeft Christus ons verlost en uit Liefde tot Hem dienen wij een levensvervulling na te streven als Zijn Moeder, die van het begin af aan heeft ervaren wat het hart van de Liefde, onze Tempel, is.
Leef derhalve in navolging van Christus door net als Hij zachtmoedig en nederig van hart te zijn en je zult rust vinden voor je ziel tòt het ogenblik dat je Hem tegemoet mag treden.

Theotokos Θεραπεία; Moeder Gods van de toevlucht; 

”   Onder Uw hoede vluchten wij,
Maagd en Moeder van onze God.
Hoor onze smeking in alle noden en
verlos ons uit elk gevaar.
Gij, die alleen ongeschonden en gezegend zijt,
Alheilige Moeder Gods, bescherm ons“.

”   Ὑπὸ τὴν σὴν εὐσπλαγχνίαν,
καταφεύγομεν, Θεοτόκε.
Τὰς ἡμῶν ἱκεσίας,
μὴ παρίδῃς ἐν περιστάσει,
ἀλλ᾽ ἐκ κινδύνων λύτρωσαι ἡμᾶς,
μόνη Ἁγνή, μόνη εὐλογημένη”.
Mp3: 

“Подъ твою милость,
прибѣгаемъ богородице дѣво,
молитвъ нашихъ не презри в скорбѣхъ.
но ѿ бѣдъ избави насъ,
едина чистаѧ и благословеннаѧ”.

Christus Pantocrator; ‘de alleen Heerser’

”     En toen ik Hem zag,
viel ik als dood voor Zijn voeten;

de Heer legde [daarop]
Zijn rechterhand op mij en zei:

‘Wees niet bevreesd, Ik ben de Eerste en de Laatste,
en de Levende, en Ik ben dood geweest,
en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden,
en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk.
Schrijf dan hetgeen gij gezien hebt en hetgeen is
en hetgeen na dezen geschieden zal’Openb.1: 17-19.

10e Zondag na Pinksteren – breng de maanzieke jongeling hier

      Er kwam iemand tot Hem, knielde voor Hem neer en deze zei:

‘Healing of the epileptic’ – Evangelarium Iviron 13 cnt

        ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en hij is er slecht aan toe; want dikwijls valt hij in het vuur en dikwijls in het water. En ik heb hem naar uw discipelen gebracht en zij hebben hem niet kunnen genezen.
       Jezus antwoordde en zeide:
‘ O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Breng hem Mij hier”.
       En Jezus bestrafte hem en de boze geest ging van hem uit, en de knaap was genezen van dat ogenblik af.
       Toen kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden, toen zij met Hem alleen waren: ‘Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?
Hij zei tot hen:
       ‘Vanwege uw kleingeloof. Want voorwaar, Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterd-zaad, zult gij tot deze berg zeggen: Verplaats u vanhier daarheen en hij zal zich verplaatsen en niets zal u onmogelijk zijn. Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten.
Terwijl zij samen in Galilea verkeerden, zei Jezus tot hen:
        ‘De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen en zij zullen Hem ter dood brengen en ten derden dage zal Hij opgewekt worden
Matth.17: 14b-23b.

      Want het schijnt mij toe, dat God ons, Apostelen, de laatste plaats heeft aangewezen als ten dode gedoemden, want wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, voor engelen en de mensen. Wij zijn dwaas om Christus’ wil, maar gij zijt verstandig in Christus; wij zijn zwak, maar gij zijt sterk; gij zijt in aanzien, maar wij zijn niet in ere.
Tot op dit ogenblik verduren wij honger, dorst, naaktheid, vuistslagen en een zwervend leven; wij verrichten zware handenarbeid; worden wij gescholden, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij verdragen; worden wij gelasterd, wij blijven vriendelijk; wij zijn als het uitvaagsel der wereld geworden, als aller voetveeg, tot op dit ogenblik toe.
        Dit schrijf ik niet om u beschaamd te maken, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen. Want al hadt gij duizenden opvoeders in Christus, gij hebt niet vele vaders Immers, ik heb u in Christus Jezus door het Evangelie verwekt. Ik vermaan u dus: volgt mijn voorbeeld1Cor.4: 9-16.

Paulus maakt ons duidelijk dat wanneer je Christus hebt leren kennen en je jezelf bekleed hebt met Christus – er met andere woorden voor hebt gekozen om je oude leven los te laten.
Als christen heb je ervoor gekozen ‘ànders’ te zijn dan ‘niet’-christenen.
Je wilt Christus’ voorbeeld volgen en Zijn Liefde uitstralen naar iedereen om je heen. Op deze wijze geef je het voorbeeld aan de wereld, dat het ànders kan.

Paulus gaf de mogelijkheid van gezinsleven en stabiliteit ‘òp’ om als reizende
apostel door de gehele mediterrane wereld te reizen en bracht de Blijde Boodschap naar wie er dan ook voor open zou staan.
Paulus’ manier van leven was anders dan die van de andere apostelen, zelfs Petrus [Cefas] en de leden van de eigen familie van de Heer, zoals de H. Jaäcobus.
Hij deed wat ‘niet’ vereist was of zelfs maar verwacht werd teneinde de mensen voor Christus te winnen.
Hij beschreef zijn levensstijl op een wijze, die tot in onze tijd zal weerklinken:
Wij zijn dwaas om Christus’ wil”, God’s Wil.

Door de eeuwen heen heeft de Kerk deze term – dwaasheid om Christus wil – gebruikt teneinde een ​​beperkt aantal mensen te beschrijven wiens christelijke leven de ‘dwaasheid’ van de Bergrede hebben omarmd.
In de Orthodoxe Kerk noemen wij dit soort Heiligen – ‘Dwazen om Christus wil’ -.
Paulus haalt het begrip vaker aan:
➻  “      Gij hebt immers gaarne geduld met onverstandigen, omdat gij zo verstandig zijt: gij verdraagt het immers, als iemand u als slaven gebruikt, als iemand u opeet, als iemand beslag op u legt, als iemand groot doet, als iemand u in het aangezicht slaat2Cor.11: 19,20;
➻  “     niemand dient mij voor onverstandig te houden; of anders: aanvaardt mij als een onverstandige; dan kan ik ook een weinig roemen. Wat ik zeg, zeg ik niet naar de Heer, maar als in onverstand, aangenomen, dat wij mogen roemen2Cor.11: 16,17.
Zelfs predikt Paulus ook openlijk:
➻  “       Laat niemand zichzelf misleiden! Indien iemand onder u meent wijs te zijn in deze tijd, hij dient dwaas te worden, om wijs te worden. Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor 
God. Want er staat geschreven: Die de wijzen vangt in hun sluwheid; en elders: De Heer weet, dat de overleggingen van de wijzen vruchteloos zijn” 1Cor.3: 18-20.
Op ons westelijk halfrond -bekend om haar Joods-christelijke cultuur wordt het vaak gebruikt om mensen te beschrijven die leven, zoals weinigen van ons zouden doen om de behoeftigen en de uitgestotenen te dienen: “ ja, die zijn gek!” en worden ze regelmatig als malloten gemeden.

Franciscus, kruisdrager

Ze worden vergeleken met de Heilige Franciscus van Assisi, die zich in jute zakken hulde – bij het verkondigen van z’n overtuigingen, niet alleen door woorden, maar tevens door de wijze van leven die hij omarmde.
Franciscanen-monniken, zijn volgelingen, staan bekend vanwege de eenvoud overeenkomstig de Blijde Boodschap in plaats van het ophemelen van de waarden van ons tijdperk. Ook andere waaronder diverse missionarissen kenmerken zich door deze leefstijl.

In de Orthodoxe Kerk is de term “Fool for Christ’s Sake” aan een ander type getuige van Christus gegeven.
Als Orthodoxe ‘dwazen‘ worden zij beschouwd, die aan de rand van, of zelfs buiten, de gemeenschap van respectabele christenen zijn gaan leven.
Zij imiteerden de dwaasheid als onnozele kinderen van God en deden zelfs alsof ze in sommige gevallen gestoord waren om het de Blijde Boodschap te verkondigen aan degenen, die het niet langer konden bevatten.

H. Basilios van Moscow

⁌ Misschien was de beroemdste wel de H. Basilios, de wonderdoener van Moskou, die Ivan de Verschrikkelijke kon berispen en ermee wegkwam omdat hij, levend op straat, niets te verliezen had. Het is ironisch dat de meest weelderige – en excentrieke – kathedraal in het Kremlin in Moskou naar hem is vernoemd.
⁌ Een bijna-hedendaagse ‘Fool for Christ’ was een bakker in een buitenwijk van Athene, die in de volksmond bekend stond als ‘Crazy John’.

‘Crazy John’ by Dionysios A. Makris [uitg. Amazon]

Hij kocht regelmatig twee grote zakken brood van zijn  zijn loon en deelde ze uit aan de ouderen en armen in zijn buurt. Hij ging de eer van zijn daden uit de weg en zei altijd dat het brood
een geschenk was van de heer Apostoly de bakker, zodat je deze zult gedenken in je gebeden”.
Dwazen voor Christus vertonen vaak een soort van spirituele aanblik, een bijzondere gave van de Heilige Geest.
Op een dag kwam John niet opdagen voor werk, men trof hem aan bij het schoonmaken van de waterafvoeren [de afvoerputten] in zijn buurt, bewerend dat hij op zoek was naar twee munten, die hij verloren had. Later op de dag overspoelde een grote overstroming het gebied – behalve de omgeving van ‘Crazy John’, die geen schade opliep,
omdat de rioolputten waren schoongemaakt!
Door de jaren heen werd Crazy John vereerd in zijn buurt voor de zorg die hij zowel geestelijk als materieel aan behoeftigen toonde.
Op zijn eigen manier evenaarde hij de verhalen, die wij kennen over de H. Nicolaas van Myra, tot genoegen van de handelaren, kocht hij regelmatig grote hoeveelheden kinder- en vrouwenbenodigdheden op de markt. Op een dag volgde iemand hem en kwam er op die manier achter dat hij deze spullen achterliet bij de armen, die zich de aanschaf niet konden veroorloven. Toen hij stierf, hield zijn achtergebleven spelleider deze buitengewone lofrede:
God heeft hem misschien geen spelleider [priester] gemaakt, maar hij heeft hem zeker tot toezichthouder [bisschop] gezalfd voor onze omgeving” en degenen, die hem mee begraven hebben riepen uit: “Axios, Axios, Axios”.

De vraag, die nu gesteld kan worden is, wie van ons kan een dergelijke tegenstrijdigheid met onze menselijke natuur overwinnen; het antwoord is al heel oud:
    Wie zal oversteken naar de overkant der zee, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat [ook] wij het volbrengen? Maar dit Woord is heel dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te volbrengenDeut.30: 13b-14.
Toen Paulus over de navolging van Christus, het christelijke leven schreef, drong hij erop aan dat dwaasheid deel zou uitmaken van de levenswijze van elke gelovige:
➥        “Laat niemand zichzelf misleiden! Indien iemand onder u meent wijs te zijn in deze tijd, hij dient dwaas te worden, om wijs te worden1Cor.3: 18.

Maanziekte werd in verband gebracht met slaapwandelen en duidt op de grilligheid en wispelturigheid van het menselijk handelen.
Een [werk-]paard is maanziek, als het een op bepaalde tijden terugkomende zinking op de ogen heeft, die zich vervolgens ‘dof en tranend’ voordoen. Meestal zijn de ogen afwisselend ontstoken en de ziekte eindigt gewoonlijk met volslagen ‘blindheid’.
Paulus stelde de wijze waarop de Leer van Christus, de weg van Christus, wordt nagevolgd  tegenover de gewoonten van degenen die ‘wijs zijn in deze tijd‘, die het allemaal -‘zó goed’- weten en bestudeerd hebben hoe het systeem van onze wereldse samenleving in elkaar zit, teneinde daar optimaal gebruik van te kunnen maken. Zíj kennen de juiste mensen, de juiste bewegingen, de manier waarop dingen in een bepaalde cultuur worden gedaan – niet om anderen te helpen, maar om met behulp van hun persoonlijke vriendenkring [netwerk] ‘eigen troost‘ te vergaren òf  om ‘zichzelf‘ op te hemelen en niet te vergeten van een bovenmatig heerlijk leventje te genieten.
Zij personifiëren zich in tegenstelling tot de overleden Patriarch Pavle van Servië, als – “de wijsheid van dit tijdperk” – tot bewondering van velen.
Elke tijdsperiode en elke sociale gemeenschap heeft zijn eìgen-‘wijsheid’. In een tijd van hoog-conjunctuur verlangen politieke leiders méé te regeren en wanen zich ‘heer en meester’ onder de paraplu van het groot-kapitaal.
In een tijd van laag-conjunctuur wordt de onderlaag van de bevolking, de werk- en daklozen, de gehandicapten en de mensen, die de boot op een of andere manier gemist hebben, uitgeknepen – teneinde het groot-kapitaal ter wille te zijn.
En ten alle tijden dienen dit soort spel- en toezichthouders op handen gedragen te worden en zwelgen in hun persoonlijke inkomensvoorziening[en] ten koste van de minderbedeelden.

      Voor degenen die Christus en de Apostel Paulus voor ogen houden, overwint de dwaasheid van de manier van leven van de Blijde Boodschap echter de wijsheid van ‘elke’ tijdsperiode.
In navolging van Christus leven overeenkomstig de Joods-Christelijke cultuur is het verkiezen bóven de mensen van aanzien te staan en zich ten opzichte van de wereld te distantiëren.
Een wereld – om ons heen – welke zich sociaal, zakelijk of religieus afkeren van deze ‘tijdsperiode’, die er slechts naar streeft ‘erbij’ te willen horen en daarmee flink uit de ruif mee-te-eten.

➥ ➥ ➥    Maar ik vermaan u, broeders, dat gij hen in het oog houdt, die, in afwijking van het onderwijs, dat gij hebt ontvangen, de onenigheden en de verleidingen veroorzaken, en mijdt hen. Want zulke lieden dienen niet onze Heer Jezus Christus, maar hun eigen buik, en misleiden door hun schoon klinkende en vrome taal de harten der argelozenRom.16: 17,18.    
☛ Heer, heb medelijden met onze behoeftigen, want zij zijn ziek op de golven van de economie en zijn er veelal slecht aan toe; want dikwijls vallen zij buiten de boot in het water. En ik heb hen naar uw volgelingen gebracht en zij hebben hen niet kunnen genezen.

Het blijkt dat ook in Christus tijd de oproep tot saamhorigheid en
gezamenlijke actie reeds werd gehoord . . . . .
Er bestaat helaas bij veel mensen die de Blijde Boodschap als richtsnoer voor hun denken en doen belijden dat dit een misverstand betreft en dat solidariteit á-religieus en een typisch politiek-socialistisch begrip is.
Het woord solidariteit komt inderdaad niet letterlijk in de H. Schrift voor, maar de zaak en de bedoeling zijn daarin ‘oprecht‘ en ‘volop‘ aanwezig.

Solidariteit, overleg en polderen als woord zijn het eerst in de economie gebruikt, om de samenwerking tussen werkgevers en werknemers aan te duiden. Daarna kwamen deze woorden en begrippen ook in zwang in de sociologie, de politiek, de psychologie en ook in de theologie.
Het woord solidariteit is afgeleid van het Latijnse ‘solidus’ met de dubbele betekenis van sterk, solide en gezamenlijk, met andere woorden overleg teneinde tot overeenstemming te komen.  Tegenwoordig duidt men ermee aan dat men samen voor een zaak of ideaal staat en daarvoor actie voert. We kunnen daarbij drie doelstellingen onderscheiden:
1.]. een positieve, wanneer een bepaald goed doel wordt nagestreefd of wanneer men een ongunstige situatie wil verbeteren of herstellen;
2.]. een negatieve, wanneer men zich gezamenlijk keert tegen verkeerd geachte overheden, wetten, partijen, werkgevers of zelfs individuele personen;
3.]. meestal is het een combinatie van positieve en negatieve actie.

Het Mysterie van de Drie-eenheid

We kunnen stellen dat –‘de meest absolute vorm van solidariteit’– in de Leer en Pedagogie van Christus is te vinden. Dogmatisch gezien is de Drieëenheid de hoogst Goddelijke vorm van samenleven in Liefde. Bij en in God is de volmaakte eenheid in zijn, denken en handelen.
De Vader en de Zoon en de Heilige Geest werken -‘in alles’- gezamenlijk; dat straalt ook uit in de schepping van de kosmos en de mens. Evenzeer is God’s Gerechtigheid en Zijn Liefde tot in alle consequenties een bewijs van Zijn ondeelbare bedoeling.
Een afschaduwing daarvan behoort in de christelijke Gemeenschap, als het Lichaam van Christus, en in het huwelijk gevonden te worden.
Door de zonde heeft dat laatste helaas niet op die manier de tand des tijds overwonnen! Het gevolg is dat in de Bijbel een dubbele solidariteit is aan te wijzen:

De mensheid heeft één Vader: God de Schepper. God heeft alle mensen geschapen en Zijn geboden gelden voor alle mensen.
Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, opdat jullie kinderen mogen zijn van de  Vader, Die in de Hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigenMatth.5: 44,45.

Er is solidariteit in de zonde. Alle mensen hebben de wet overtreden en wantrouwen God en Zijn goede bedoelingen. Daarin spannen mensen samen tegen hun Vader en Zijn Koningschap.
Na de zondeval wordt zichtbaar dat er één beweging is, in haat gericht tegen God, en een andere, door Zijn Genadegaven om Hem lief te hebben en te gehoorzamen.

Steeds opnieuw wordt ieder mens opgeroepen te onderscheiden  in welke richting de oproep tot solidariteit leidt.
Hoe te onderscheiden wat een goede oproep tot solidariteit is?
Daarvoor dienen we het antwoord te onderscheiden op verschillende criteria:
1.]. Wat is de bedoeling van de gepropageerde solidariteit?
Gaat het erom vrij en los te komen van de Wet van God of gaat het om Hem en om het onderhouden van Zijn geboden?
        Moge, Heer, Uw barmhartigheid over ons komen, zoals wij op U gehoopt hebben. Gezegend zijt Gij, Heer, leer mij Uw voorschriften.
Gezegend zijt Gij, Meester, geef mij inzicht in Uw voorschriften.
Gezegend zijt Gij, Heilige, verlicht mij door Uw voorschriftenuit de Doxologie
2.]. Wie zijn de spelleiders? Willen ze werkelijk dienaren zijn van elkaar en van het goede, of willen ze, heimelijk of openlijk, heersers en ‘δεσποτα’ te zijn?
3.]. Welke middelen worden in de solidariteitsactie gebruikt? Zijn de betoging en het protest vreedzaam en wil men slechts zonder dwang overtuigen, òf worden beschuldigingen, laster, stakingen, geweldsdaden en zelfs terrorisme gebruikt?
4.]. Tegen of voor wie worden we opgeroepen tot solidariteit? Helaas overheerst in veel oproepen tot solidariteit het negatieve. Dan gaat het tegen de eigen regering, bepaalde politieke leiders, overheersende regimes of bezettende machten, de bureaucratie in allerlei vormen, de bezittende, rijke klasse, tegenstanders in het algemeen, etnische minderheden, mensen van een ander ras of uit een ander land, etc. Ieder van ons kent hiervan voorbeelden te over.
5.]. Wat gebeurt er met mensen die, mogelijk wegens gewetensbezwaren, weigeren mee te doen aan de opgeroepen solidariteit? Worden ze geboycot, bedreigd, lastiggevallen of vervolgd?
6.]. Zijn we er zeker van dat er achter de oproep tot solidariteit geen verborgen agenda steekt?
7.]. Zijn mensen vrij om af te haken wanneer blijkt dat de gevraagde solidariteit toch een verkeerde richting inslaat of dreigt in te slaan?

Wie enigszins op de hoogte is van wat er plaatsvindt in de samenleving, merkt dat al deze zeven criteria vanuit de recente geschiedenis te illustreren zijn.
Maar aan de hand van het hierboven gegeven overzicht zijn er ook verschillende gebeurtenissen te onderscheiden uit de Bijbelse Historie. Deze voorbeelden zijn een lering voor ons. Dat is nodig, want we laten ons gemakkelijk misleiden.
Bij elk van de volgende voorbeelden dienen we te proberen ons te verplaatsen in de situatie van die tijd, achteraf oordelen is wel gemakkelijk, maar helpt in de actuele keuze niet.
• De torenbouw van Babel, uit Gen. 11. Tegen de intentie en opdracht van God wilden mensen hun eigen ideaal van eenheid en zekerheid handhaven.
• De uittocht van het nog niet gestabiliseerde volk Israël uit Egypte, Ex.13 en volgend. Telkens strijdt de begeerte om ‘vrij’ te zijn en Mozes te volgen met de angst voor de onzekere reis door woeste streken en het gemis van bepaalde zaken in Egypte. Het verzoek aan Aäron om ‘een gouden beeld te maken’ was een solidariteitsactie:
  Toen rukte het gehele volk zich de gouden ringen die in hun oren waren, af en zij brachten ze aan Aäron. Hij nam ze van hen aan, gaf er vorm aan met een stift en maakte er een gegoten kalf van. En zij zeiden:’ Dit is uw god, Israël, die u uit het land Egypte heeft gevoerdEx.32, 3,4.
• De opstand van de groep rond Korach en de zijnen tegen het leiderschap van Mozes uit Numeri 16.
• Het massale en gewelddadige verzet van het Israëlische Volk na de dood van koning Salomo tegen de regeringsverklaring van Rehabeam uit 1Kon.12.
• De vele voorbeelden van gezamenlijke afdwalingen in de tijd van de Profeten.
• Joodse leiders en veel inwoners van Jeruzalem waren één in de veroordeling van Jezus en verwezen Hem naar het kruis op Goede Vrijdag. Ze meenden daarin gezamenlijk goed te doen.
• Daartegenover staat de solidariteit in de eerste christelijke Gemeenschap:
    En zij bleven volharden bij het onderwijs van de Apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebedenHand.2: 42. Maar er was daar tevens het misbruik van Ananias en zijn vrouw.
• Paulus prijst in zijn brieven de jonge gemeentes om hun steun aan de behoeftigen, niet alleen in eigen kring maar ook voor de verre anderen. Vanuit Antiochië hielp men Jeruzalem.
• Bij de opstand tegen de Romeinse bezettende macht weigerden de christenen in Jeruzalem in het jaar 70 na Christus solidair te zijn in die strijd en weken uit naar het buitenland.

De oproep tot solidariteit vindt veelal daar plaats in de samenleving waar aandacht ontstaat voor wat men sociaal en maatschappelijk onrecht noemt. En hoewel wij in West-Europa tot de meest rijke en bevoorrechte bevolkingsgroepen van de wereld behoren, is er ook bij ons nog veel wat verre van ideaal is. Veel meer geldt dat van mensen in andere delen van de wereld.
Er is onvoorstelbare armoede, er zijn allerlei soorten ziektes, er is onderdrukking tot slavernij toe, corruptie lijkt onuitroeibaar, bureaucratie kan wanhopig maken, discriminatie is aan de orde van de dag. Allemaal redenen om mensen tot solidaire actie op te roepen. Ook christenen horen die oproep. Dikwijls wordt gesteld dat juist christenen vooraan op de barricades behoren te staan.
Is dat overeenkomstig onze werkelijkheid?

Als christenen, die rekening met de Blijde boodschap begeren te behouden, dienen we meer en meer onze mond open te doen en daarnaast persoonlijk onze handen uit de mouwen te steken. Vanwaar komen al de hierboven genoemde ellendige zaken? Het is toch geen noodlot?
Het is een tijd lang mode geweest om de oorzaak van alle ellende in de wereld te zoeken bij verkeerde systemen en omstandigheden. Verander de omstandigheden en het komt weer goed.
Zelfs de meest rigoureuze pogingen daartoe hebben echter geen wezenlijke verandering ten goede gebracht. De Apostolische oproep tot onderlinge samenwerking en verantwoordelijkheid [= vroeg-Christelijke solidariteit] mogen dan voor een groot deel hebben afgedaan, de idee dat het kwade overwonnen kan worden door allerlei maatregelen overheerst nog sterk.

Christenen hebben geleerd dat het kwade en verkeerde niet in de eerste plaats in onjuiste stelsels en regels zit, maar zijn oorzaak vindt in de zonde van het egoïsme en de rebellie tegen God. Wanneer wij dàn op die manier blijven geloven dat onze houding en ons leven niet radicaal veranderd kan worden,
blijft ieder mens tevens zijn eigen belang ten koste van anderen zoeken.
Ondanks alle mooie woorden, solidariteitsacties en zelfrechtvaardiging.
Die zelfhandhaving en dat eigenbelang vinden we zowel bij slachtoffers als bij de spelleiders en toezichthouders, die zich als hulpverleners opwerpen.

Voor christenen geldt primair dat mensen veranderd dienen te willen worden, zich tot het Goddelijke, het goede dienen te keren. God zoeken en nastreven, dàt is de Blijde boodschap en zending van de Kerk, heb God lief door je naasten ten dienste te zijn. In deze zijn wij onderwezen door onze Heer en Zaligmaker, Jezus Christus, Die wij  zeggen te volgen.
Dat betekent niet dat we de andere kant op kijken, niets behoeven te doen om de materiële nood in de wereld aan te pakken en om de omstandigheden te verbeteren. Het dient wèl gelijk op te gaan met de oproep om zich tot God te bekeren. Wanneer voor díe boodschap geen plaats en ruimte is bij een bepaalde solidariteitsactie, worden we gedwongen af te haken. Dat verklaart en rechtvaardigt ook dat naast diverse seculiere acties tot leniging van noodsituaties kerken en christenen een eigen aanpak kiezen.

Apolytikion     tn.1
“   Terwijl de steen door de Joden verzegeld was
en de soldaten Uw alleruiterst Lichaam bewaakten,
zijt Gij na drie dagen opgestaan, o Verlosser,
om aan de wereld Leven te schenken.
Daarom riepen de Hemelse Machten U Toe, o Levenschenker:
Ere zij Uw Opstanding, o Christus.
Ere zij Uw Koninkrijk:
Ere zij Uw Voorzienigheid o enige Menslievende
”.

Kondakion     tn.1
“   Als God zijt Gij opgestaan uit het graf in Heerlijkheid
en de wereld hebt Gij mede opgewekt.
De mensennatuur bezingt U als God
en de dood is teniet gedaan.
adam jubelt o Meester
en Eva, uit haar noemen bevrijd, verheugt  zich en roept uit:
Gij zijt het, o Christus,
Die aan allen de Opstanding schenkt
”.

Theotokion     tn.1
“   Toen Gabriël tot U o Maagd het ‘verheug u’ sprak,
nam de Schepper van het heelal in U het vlees aan.
Toen werd gij ‘de Heilige Ark’, waarover David sprak,
meer omvattend dan de Hemelen.
Eer zij Hem, Die in U woning nam,
Eer aan Hem, die uit u tevoorschijn trad.
Eer aan Hem, Die ons door uw baren heeft bevrijd
”.

Orthodoxie & wanneer je standvastig bidt . . . . .

H. Neilos, bisschop van Tamasou

  Een groot aantal keren dat iemand verzocht wordt,
komt dit voort uit de zuiging en verlokking van z’n eigen begeerte
Jac.1: 14.

Indien je standvastig bidt, dan zul je dusdanige dingen tegenkomen dat
je het idee krijgt dat je je over allerlei wetmatigheden
verontwaardigd dient te zijn.
Echter ten opzichte van onze naasten is een gerechtvaardigde woede gans onmogelijk.
Immers wanneer inzicht in jezelf verkrijgt zul je de mogelijkheid vinden het probleem dusdanig te gaan bezien dat het probleem wordt afgezwakt.
Leg derhalve de kwestie opzij en laat je boosheid niet tot je doordringen.
Misschien heb je het idee dat iemand ander je hiervan verlost.
Het is echter bewezen dat je in het nastreven van hetzelfde heilige
een berg aan obstakels opbouwt in jouw gebedsleven.
Probeer halsstarrig elke vorm van boosheid/woede te vermijden en als gevolg daarvan zal de Heilige Geest je genadig zijn en je inzicht geven, zodat je jezelf opnieuw kunt aansluiten bij de degenen, die oprecht bidden.

Boosheid laait immers het vuurtje in je op en doordat het gebeurde telkenmale in je gedachten terugkeert wordt je geestelijke staat dusdanig beschadigd dat dit het gebed onmogelijk maakt; afstand veroorzaakt van de met God verbonden intentie.
Bid daarom niet alleen met een uiterlijke houding, maar laat je gedachten met grote vrees tot God tot geestelijk gebed komen.
Op bepaalde momenten -en dat is beslist niet altijd- helpt het wanneer je God vraagt om hulp bij je gebed. Ik zeg het nog maar een keer, wanneer je nog steeds moe bent van het gebeuren, zul je deze staat nimmer bereiken.
Daarom blijf standvastig in het gebed, vraag om hulp bij je gebed en wees niet bang wanneer je het idee krijgt dat je iets ‘ergs’ zal overkomen bij het verkrijgen van inzicht in de situatie. 
Wanneer we ongestoord volharden zal een engel ons begeleiden en je zonder meer een grote mate van troost aanbieden.

Op bepaalde momenten worden wij geconfronteerd door een strijd binnen de gemeenschap van heiligen en is het op zo’n moment niet toegestaan jezelf te verheffen, want allerlei hartstochten steken bij dat soort gelegenheden de kop op.
Eerst dàn blijkt de kwaliteit van je gebed wanneer je vraagt om inzicht terwijl je vraagt om jouw voorstellingen in de geest niet de overhand te laten nemen; indien je op die manier om inzicht vraagt zul je het ook verkrijgen.

gebed

Misschien herinner je het gebed des Heren waar gevraagd wordt: “ Uw Wil geschiede, op aarde zoals in de Hemel”.
Lucas, de geneesheer laat onmiddellijk na dit gebed de geschiedenis van de lastig vriend volgen, die ‘s-nachts om brood vraagt [Luc.11: 2-7].
Mattheüs, keert zich voorafgaand aan het gebed des Heren tegen het schijnheilig bidden en tegen de verscheidenheid aan woorden en schijnt meer bekommerd om het juiste bidden.
Hij schrijft immers voor onze Joods-Christelijke cultuur, van degenen, die wèl van kindsbeen af hebben leren bidden, maar wier gebedsleven bedreigd werd door formalisme en schijnheiligheid. Het Onze Vader is -‘hèt’- voorbeeld van een kort en goed gebed, waarin alles wat gebeden dient te worden in de juiste volgorde staat [Matth.6: 6-13].

En waarom wij allen op dezelfde manier vragen om God’s Wil te mogen doen,
is omdat God ‘de Algoede’ is en het goede wil, hetgeen zich in onze ziel dient te openbaren.

Vele malen vroeg ik in mijn gebed om dit te bewerkstelligen, waarvan ‘ik’ dacht dat het goed was.
Het drong echter tot mij door dat dit hoogmoedige roekeloosheid betreft:
➻ Hem als het ware voor mijn karretje te spannen;
➻ Hem als het ware de moeite -van wat Hij weet over mijn interesses- te besparen.
Maar toen ik ontving wat ik vroeg, geraakte ik ontzettend overstuur, omdat
ik niet vroeg om ‘de Wil van God’ te verwezenlijken.
Datgene, wat ik Hem vroeg, beantwoordde namelijk totaal niet aan mijn verwachtingen.

conf. Heilige Neilos, de Asceet

uit: Canon Voorfeest van de Verheerlijking
1e Irmos     tn.4.
”     Laten wij ons inspannen om de berg te bestijgen
door ons hart te reinigen van alle driften;
dan zullen wij de Verheerlijkte Christus zien,
Die ook onze geest verlicht“.  

Augustus 1e – het plechtig uitdragen van het eerbiedwaardig hout van het levenschenkende Kruis van onze Heer en Verlosser

      Wat dunkt u? Iemand had twee kinderen. Hij ging naar de eerste en zei: Kind, ga en werk vandaag in de wijngaard.
En hij/zij antwoordde en zei: Ja, Heer, maar hij ging niet.
Hij ging naar de tweede en sprak evenzo.
En deze antwoordde en zei: Ik wil niet, maar later kreeg hij/zij berouw en ging toch. Wie van de twee heeft de Wil van zijn Vader gedaan?
Zij zeiden: De laatste.
Jezus zei tot hen:
‘   Voorwaar, Ik zeg u, de tollenaars en de hoeren gaan u voor in het Koninkrijk Gods. Want Johannes heeft u de weg van de Gerechtigheid gewezen en gij hebt hem niet geloofd. De tollenaars en de hoeren echter hebben hem geloofd, doch hoewel gij dat gezien hebt, hebt gij later geen berouw gekregen en ook in hem geloofd’“ Matth.21: 28-32.

      Mocht het echter van belang zijn, dat ik ook de reis maak, dan zullen zij met mij reizen. En ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonië doorgereisd ben, want ik zal de reis door Macedonië doen, maar dan zal ik mij mogelijk bij u langer ophouden, misschien wel de winter doorbrengen, zodat gij mij kunt voorthelpen, wanneer ik verder reis.
Want ik wil u thans niet in het voorbijgaan bezoeken, want ik hoop enige tijd bij u te blijven, als de Here het toestaat.
Maar ik zal nog tot Pinksteren te Ephese blijven; want mij is een grote en machtige deur geopend en er zijn vele tegenstanders.
Wanneer Timotheüs komt, zorgt er dan voor, dat hij bij u niet afgeschrikt wordt, want hij doet het werk des Heren evenals ik; laat niemand hem dan geringschatten. Maar helpt hem voort in vrede, opdat hij tot mij komen kan, want ik wacht op hem met de broeders
1Cor.16: 4-12.

Paulus reist van -hot naar her- om de Blije Boodschap te verkondigen, net zoals onze pionier, de jonge priester Basilios dat hier in Nederland doet.
Wat een contrast!  Na de roep door Christus Zelf en zijn bekering is Pailus nèt als ons z’n pelgrimstocht door het leven begonnen – hij richt zich op het fundament van het Geloof, het voorbeeld geven en daarmee de verkondiging aan anderen – eerst deed hij dat tot z’n eigen volk, maar nadat hij met Pinksteren het feest van de Heilige Geest heeft gevierd, laat hij zich door de Heilige Geest leiden en trekt zich het lot aan van de heidenen, de niet-Joden.
      Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen. Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijnMatth.6:19-21.
Een mens is geen ding wat afgedankt wordt en aan de kant wordt geschoven; overeen-komstig onze christelijke roeping dienen wij ons in te zetten om mensen vooruit te helpen en te redden op de wijze welke Christus ons heeft voorgedaan. Onszelf daaraan over-geven zal ons hart in het werk van God plaatsen.
Op deze wijze blijven wij verbonden met de omstandigheden waarin de Blijde Boodschap van onze Heer en Verlosser gerealiseerd wordt. De gelovigen in Corinthe waren kennelijk al enige tijd bekend met dit speciale aanbod om elkaar en hun naasten te ondersteunen en Paulus wilde dat dit offer er een was, waaruit onderlinge liefde en eenheid sprak – zelfs tot de jonge apostel Timotheüs, die hem achterna reisde en die zij waarschijnlijk zouden ontmoeten. De van oorsprong Joodse christenen zouden een offer ontvangen van een heidense [niet-Joodse] gemeente, dit zou eenheid en onderlinge bezorgdheid benadrukken.
De gemeente ontmoette elkaar op zondag opa de eerste dag van de week, de dag des Heren en de gaven, die zij meebrachten waren een onderdeel van hun eredienst.
In navolging van Christus dienen wij gevers te zijn -ieder van ons- en we kunnen allemaal wel iets geven en dienen het ook te ervaren als een offergave – het dient je te beroeren. De weduwe gaf immers twee kleine muntstukken en Jezus stemde ermee in omdat ze uit haar armoede gaf [zie Marc.12: 41-44].
Wij geven derhalve onze offergave overeenkomstig ons inkomen en onze mogelijkheden. Dit was evenredig geven overeenkomstig de verhoudingen van dié tijd in dié oude cultuur, waarbij nog geen sociale voorzieningen bestonden – derhalve werd er het principe van de tiende gevoerd.
Paulus maakt zich zorgen over ‘onze verantwoordingsplicht’ en schrijft:
    Wat nu de inzameling voor de heiligen betreft, doet ook gij, evenals ik het in de gemeenten van Galatië geregeld heb:
‘ elke eerste dag van de week dient ieder van u naar vermogen thuis iets weg te leggen en hij dient dit op te sparen, opdat er niet eerst ná mijn komst inzamelingen dienen te worden gehouden. Wanneer ik dan [later] aangekomen ben, zal ik hen, die gij daarvoor geschikt acht, met brieven zenden om uw liefdegave te Jeruzalem af te dragen.
Mocht het echter van belang [noodzakelijk] zijn, dat ik ook de reis maak, dan zullen zij met mij reizen’
1Cor.1-4.
Daarmee begint de Apostel-lezing van vandaag.
Het gaat dus om de verhouding waarop offers gebracht worden –  het geschenk diende te  worden gepresenteerd door mannen die ze hebben goedgekeurd, de schatbewaarder [peningmeester] met z’n controleurs, Paulus zou de inwijding’s hun aanstellingsbrief schrijven.

Een nauwkeurige bestudering van de Blijde Boodschap en met name de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan zou ons moeten overtuigen van de verwachtingen van Jezus met betrekking tot ons rum-hartig geven [Luc.10: 25-37].

God is de grote gever van alle dingen:
  Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven zal hebben. Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld zal veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zal wordenJohn.3: 16,17.

Onze Heer zegt tot Nicodemus:
  Indien iemand niet geboren wordt uit water èn Geest, is hij niet bij machte binnen te komen in het Koninkrijk der Hemelen; want wat uit vlees geboren wordt, is-en-blijft vlees en wat uit Geest geboren wordt is-en-blijft vlees; verwonder je er dus niet over van Ik je gezegd heb: Jij dient vanuit een Hemels Geest geboren wordenJohn.3: 5-7.
Wanneer we het dus over aardse zaken [geld en vermogen] hebben, dienen we dat ten opzichte van de gemeenschap als een hemels zaak te beschouwen.
Zo dient de mensenzoon, -‘wij dus’-, onszelf te verhogen door ons Kruis met ere te verheffen en de gemeenschap in staat te stellen aan haar verplichtingen te  voldoen.
Zozeer heeft het Goddelijke de wereld lief gehad, dat de gelovige mens geeft, opdat eenieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven zal verkrijgen.
Wanneer ons derhalve gevraagd wordt een formulier in te vullen, teneinde een kerkbijdrage te leveren – voor het voortbestaan van de gemeenschap – kunnen we het overeenkomstig bovenstaand Evangelie zeggen, ja, ik zal het invullen en het niet doen.
òf we kunnen het na het ontvangen verzoek invullen en de gaven verder op hun beloop laten. Later kun je berouw krijgen en je bijdrage alsnog leveren, waarop
dit Evangelie ons leert ‘wie van de twee de Wil van z’n Vader gedaan heeft.

bij Heer, ik roep . . . tn.4. voorfeest verheerlijking
Komt laat os voortgaan en onszelf reinigen en door Geloof onszelf bereiden voor de Goddelijke gang omhoog tot die meest verheven staat, waar wij Zijn Majesteit mogen aanschouwen en geraken tot de heerlijkheid die Zijn meest geliefde Apostelen waardig waren bevonden te schouwen op de berg Thabor”.

Nb. wilt u uw bijdrage leveren en
weet u niet hoe info.aokn@gmail.com òf

06- 522 465 61

9e Zondag na Pinksteren – wij kleingelovigen zinken, net zoals Petrus

      En terstond dwong Hij de discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, totdat Hij de scharen zou hebben weggezonden.
        En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij de berg op om in de eenzaamheid te bidden. Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen.
        Doch het schip was reeds vele stadiën van het land verwijderd, geteisterd door de golven, want de wind was tegen.
        In de vierde nachtwake kwam Hij tot hen, gaande over de zee.
Toen de discipelen Hem over de zee zagen gaan, werden zij verbijsterd en zeiden: Het is een spook! En zij schreeuwden van vrees.
        Terstond sprak Jezus hen aan en zeide: ‘Houdt moed, Ik ben het, weest niet bevreesd !’.
Petrus antwoordde Hem en zei:
‘ Heer, als Gij het zijt, beveel mij dan tot U te komen over het water’.
        En Hij zei: ‘Kom !’. En Petrus ging uit het schip en liep over het water en ging naar Jezus.

‘Help, ik verdrink’ ; ‘Help, I drown’;          ‘مساعدة ، أنا غرق’; ‘Βοήθεια, πνίγω’

Maar toen hij zag op de wind, werd hij bevreesd en begon te zinken en hij schreeuwde:  ‘Heer, red mij!’.
        Terstond stak Jezus hem de hand toe en greep hem en zei tot hem:
        Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?
En toen zij in het schip geklommen waren, ging de wind liggen. Die in het schip waren, vielen voor hem neer en zeiden: ‘Waarlijk, Gij zijt God’s Zoon!’Matth. 14: 22-34.

Door het Geloof blijf je drijven op de levenszee; Μέσω της Πίστης συνεχίζετε να επιπλέετε στη θάλασσα της ζωής; من خلال الإيمان تبقي عائمة على بحر الحياة; Through the Faith you keep floating on the sea of life.

      Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij.
Naar de Genade van God, Die mij gegeven is, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop een ander voortbouwt.
Maar ieder zie wel toe, hoe hij daarop bouwt.
       Want een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen.
Is er iemand, die op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi, of stro,  ieders werk zal aan het licht komen.
Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt, en hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken.
        Indien het werk, dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen.
        Weten jullie niet, dat jullie God’s Tempel zijt en dat de Geest van God in jullie woont? Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden.
Want de Tempel Gods’, en dat zijn jullie, is heilig!
1Cor.3: 9-17.

De Blijde Boodschap gaat over God, èn over mensen, die in hun leven ervaren wat God voor mensen betekent. Ze vertellen over onze Heer Jezus Christus, Die met Zijn leven liet zien hoe het mensenleven naast God, onze Vader kan zijn.
Daarom is de Blijde Boodschap ook waardevol, omdat het richting geeft aan je leven.
Het roept vragen op en het wijst je de weg, om mee verder te leven.
Petrus ging uit het schip en liep over het water en ging naar Jezus.
Maar toen hij opzag in de waan van z’n denken, het houvast, waaraan hij gewend was, werd hij bevreesd en zonk weg in de golven. Geloven, dat is de stormen van het leven niet uit de weg gaan, maar blijven vertrouwen.
Het is het ‘blijven’ vasthouden aan het verlangen naar het Enige, het Eeuwige, de oase in de  woestijn kunnen we dáár vinden wáár we ons temidden van desillusies bevinden.
Wij blijven ons laten leiden door het verlangen -een zodanig leven met een open horizon, dat het besef van dat -‘er méér is’- een kans krijgt in ons bestaan en ook dat wij die Hoop levend houden.
En tegelijk durven wij zonder reserve te roepen:
“Red mij, Heer”, omdat we op zijn tijd allemaal ook ‘kleingelovigen’ zijn, ieder op z’n eigen wijze zijn getekend, gevormd.
Onze Heer heeft Zijn Volgelingen in het schip [de Kerk] in een storm terecht laten komen. Hij, Die hen [en ons] op weg heeft gestuurd, zat Zèlf niet in de boot, maar kwam Zijn Volgelingen “op het einde van de nacht” in hun moeilijkheden tegemoet.
De Volgelingen zien Hem echter temidden van de chaos van wind en water [de chaotische wereld]  aan voor een Mysterie en schreeuwen het uit van angst.
Blijkbaar, zo concludeerde ik, is het lang niet altijd duidelijk te onderscheiden – wat nu de redding is èn – wat de bedreiging, waarvan God ons redt.
De Heer drukt ons op het hart rustig te blijven: “Ik ben het, wees niet bang”.
Waar God of Zijn Gezalfde verschijnt, wordt in de Blijde Boodschap de angst verdreven.
Het is Petrus die opmerkelijk op het Mysterie reageert, ergens onderkent hij de Hand van God. Hij zegt: “Heer, als Jij het bent, zeg mij dan over het water naar jou toe te komen”.
Wanneer hij inziet dat onze Heer en Verlosser in de chaotische wereld en de bedreiging alom overeind blijft, concludeert Petrus dat niet in het schip [de Kerk], maar in de nabijheid van onze Heer de waarachtige veiligheid te vinden valt. Hij vraagt daarom geroepen te worden door het Mysterie van Degene, Die hij ziet doen wat hij tot dan toe onmogelijk heeft geacht:
overeind blijven in de golven van het leven en de tegenwind van de wereldgeschiedenis’.
Onze Heer zegt immers namelijk maar één Woord: “Komt allen en volgt Mij”.
En deze grote Apostel, met z’n grote mond en een ontzettend klein hartje stapt uit de relatieve veiligheid van de boot [de Kerk], loopt over het water alsof het de gewoonste zaak van de wereld is en komt naar de Heer toe.

De boot [de Kerk], die wordt gebeukt door de schijnbaar onoverwinnelijke oerkrachten van wind en water, het is wat mij betreft een beeld van ‘wáár’ we ons bevinden als cultuur, als gezamenlijke christenen, als christelijke gemeenschap in een tumultueuze tijd.
Onze tijd heeft slechts aandacht voor sensatie, prikkeling van de zintuigen en het behouden van het aloude Geloof is maar niks, dat is illusie – zinsbegoocheling, dàt geloof je toch niet.
In zo’n situatie dien je niet veilig te ‘willen’ zijn, maar dien je dáár te gaan waar redding zich aandient, ook al roept dat je verder de onveiligheid in.

‘Petrus verdrinkt’, byzantine mosaïc.

Temidden van de golven ziet de grote Volgeling met het kleine hartje ineens in, dat hij zich in een gans onmogelijke situatie hij verkeert.
Hij merkt de Kracht van de Wind [van de Heilige Geest] op, staat er, waarvan hij eerder gezegd bemerkt dat dit “tegen hem in werkt” [de beproevingen] en hij wordt bang.
En terwijl hij begint te zinken, roept hij en wij met hem: “ ‘Heer, red me!’ – ‘Heer, Jezus Christus, ontferm U over mij, zondaar’ ”.
Blijkbaar zijn de angst en het zinken twee kanten van dezelfde realiteit, een realiteit die tegenover het Geloof staat dat het eerste opkwam en hem deed vragen – geroepen te worden en zonder aarzelen naar Christus toe doen gaan. Maar dáár wáár wij, kleingelovigen in twijfel wegzinken, blijft onze Heer ons echter trouw: “Hij steekt Zijn hand uit en grijpt ons vast”. 
Hij stapt met onze kleingelovigheid de boot [de Kerk] weer in en de chaotische wind [beproeving] gaat liggen.
Jezus noemt ons terecht “kleingelovig”, maar dat lijkt Hij haast liefkozend te zeggen, zoals ouders een kind “stom” kunnen noemen wanneer zij het overeind helpen nadat het is gevallen, of z’n vingers ergens aan brandt.
Onze Heer herinnert Petrus en ons eraan dat hij/wij toch kònden weten dat onze angst onnodig is. Maar als wij in onze ellende dreigen weg te zinken, trekt Hij ons eruit en leert ons zo waarachtig te vertrouwen, te geloven.

Op deze wijze leren wij nog altijd wàt waarachtig geloven is:
niet voorkomen dat je “Heer, ontferm U” dient te roepen,
maar het werkelijk zonder enige reserve durven en het wagen te roepen.

Als samenvatting wordt dit tevens een leidraad.
Een aansporing om niet te proberen – altijd tevergeefs! – mij in welke boot [kerkgemeenschap] dan ook  te verschansen, maar in plaats daarvan te zeggen:
Heer, als U het bent, zeg mij dan over het water naar U toe te komen”.
Met de Hoop dat de roep dóórklinkt en het voornemen dàn óók wèrkelijk tot werkelijkheid zal komen. Ook als ik het eigenlijk niet durf en daardoor dreig weg te zinken.

De Heer is verheven, want Hij woont in den hoge. Hij heeft Sion met Recht en gerechtigheid vervuld. En Zijn tijden zullen bestendig zijn, een rijkdom van Heil, Wijsheid en Kennis; de vreze des Heren is Zijn schatIsaiah 33: 5,6.

  God’s mede-arbeiders zijn wij; God’s akker, God’s bouwwerk zijt gij”.
Wanneer je deze tekst zo onsamenhangend zou lezen, dan zou je de indruk kunnen krijgen dat wij vooral moeten ‘werken’. Dat wij met z’n allen in God’s tuin, in Zijn schepping aan het werk -aan de slag dienen te gaan.
Maar op de een of andere manier – is dit voor iedereen verschillend en zijn wij allemaal anders dan anderen tot het Geloof gekomen, nadat onze Heer ons geroepen heeft. Wij zijn geplant en door de een of de ander begoten, veelal iemand vanuit de Kerk, maar God gaf de groeikracht [wasdom].

    Daarom, noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God, die de wasdom geeft. Wie plant en wie begiet, staan gelijk; alleen zal elk zijn eigen loon krijgen naar zijn eigen werk1Cor.3: 7,8.

Paulus maakt ons in de lezing van de Apostel iets heel belangrijks duidelijk.
Hij zegt vrij vertaald dit: ‘het doet er niet toe wie de blijde boodschap verteld en wie de ‘katechese geeft’.  Je zou nu kunnen opmerken, waaròm doet dat er niet toe?
Omdat God Degene is Die groei [wasdom] geeft, zowel binnen als buiten Zijn Kerk.  En zo gaat Paulus verder, Hij, Die de Blijde Boodschap ‘openbaart’ en Hij, Die ‘katechese’ geeft zijn daarin Één.
De ene mens is niet ‘méér’ dan de ànder, want God geeft ons de woorden.
Niet wij zijn het, die spreken maar op de een of andere Mysterieuze wijze spreekt God tot en door ons.

Nu denkt u misschien, ja maar… wij zullen loon naar werken ontvangen, dat staat er. Maar dat is geen loon of beloning, in de zin van, wat heb ‘JIJ’ dàt even effectief en goed gedaan, nu krijg jij, persoonlijk ‘extra plusjes’ achter je naam in het grote boek des levens.
Neen, de beloning is dat jij ‘het planten en begieten’ [in Genadegave] ‘om niet’
mag doen en dat je ‘dàt’ mag beseffen.
Dáárin ben je dus gezegend en ‘dàt’ is je loon,
niet dat ‘JIJ’ zo bijzonder bent als spelleider of toezichthouder!
Je dient je nadrukkelijk te beseffen, dat GOD degene is Die ALLES een plaats geeft. Dàt is de grote zegen tot de mensen! Besef dàt! Dàt is ons loon.
Dat is trouwens ook heel simpel aan te tonen.
Enige hoofdstukken verder lezen we dat Paulus zegt:
Wat is dan mijn loon? Dit: door mijn evangelieprediking het evangelie om niet te mogen brengen, en zo van mijn bevoegdheid als evangelieprediker geen gebruik te maken. Want hoewel ik vrij sta tegenover allen, heb ik mij allen dienstbaar gemaakt, om er zoveel mogelijk te winnen; en ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; hun, die onder de Wet staan, als onder de Wet – hoewel persoonlijk niet onder de Wet – om hen, die onder de Wet staan, te winnen; hun, die zonder Wet zijn, ben ik geworden als zonder Wet – hoewel niet zonder de Wet van God, want ik sta onder de wet van Christus – om hen, die zonder wet zijn, te winnen. Ik ben voor de zwakken zwak geworden, om de zwakken te winnen; voor allen ben ik alles geweest, om in elk geval enigen te redden1Cor.9: 18-22.

In die wetenschap lezen we verder, er staat: want Gods medearbeider zijn wij. Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij.
Je zou nu de volgende gedachte kunnen hebben, hier staat toch echt dat ‘ik’, persoonlijk voor God dien te gaan arbeiden, dat ‘IK’ God wel eventjes dien te gaan helpen, want Zijn medearbeider ben ik.
Maar deze gedachte zou de voorgaande verzen ‘en dat wij Gods akker zijn!’ tegenspreken, we lazen immers dat God, de groeikracht, de wasdom geeft.
Neen, we zijn medearbeiders ten opzichte van elkaar!;  en God werkt dóór ons als mede-arbeiders heen.  Hij is de Bron, de initiator, de formeerder, de schepper, Hij maakt ons tot ‘getekenden’.
Je ziet dus nadrukkelijk dat God centraal staat en niet de mensen en
wat de mensen er ook allemaal van gemaakt hebben.
Gelukkig maar, want de mens [en z’n instituties] falen en zijn niet altijd zo trouw, dat je ze op hun ogen kunt geloven en blindelings kunt navolgen,
maar God overziet het einde vanaf het begin en is Barmhartig, Trouw en onveranderlijk en Christus is ‘Waarlijk, de Zoon van God!’.

Apolytikion     tn.8.
  Uit den Hoge zijt Gij neergedaald, o Barmhartige,
en zijt drie dagen in het graf gebleven,
om ons van het lijden te bevrijden.
Gij zijt ons Leven en onze Verrijzenis;
Heer, eer aan U
”.

Kondakion     tn.8.
  Nadat Gij zijt opgestaan uit het graf,
hebt Gij de doden opgewekt,
en Adam weer doen opstaan.
De einden der wereld jubelen
over Uw ontwaken uit de doden,
O Al-Barmhartige

Theotokion     tn.8.
  Om ons zijt Gij uit de Maagd geboren,
en hebt Gij het Kruis ondergaan, o Goede.
Door Uw dood hebt Gij de dood overwonnen
en ons als God de Opstanding getoond.
Veracht het werk van Uw handen niet;
toon ons Uw mensenliefde, o Barmhartige.
Verhoor haar die U gebaard heeft:
de Moeder Gods, die voor ons bidt
en verlos Verlosser het wanhopige Volk
”.

Juli, de 22e – Heilige Maria Magdalena, Myrondraagster en de Apostel-gelijke

      En Maria stond buiten dicht bij het graf, wenende. Terwijl zij dan weende, boog zij zich voorover naar het graf en
zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had.
En zij zeiden tot haar: ‘Vrouw, waarom weent gij?’.
Zij zei tot hen: ‘Om dat zij mijn Here weggenomen hebben en ik weet niet, waar zij Hem neergelegd hebben’.
Na deze woorden keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zij wist niet, dat het Jezus was.
Jezus zei tot haar: ‘Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt gij?’.
Zij meende, dat het de hovenier was, en zei tot Hem:
‘Heer, als gij Hem weggedragen hebt, zeg mij dan, waar gij Hem Hebt neergelegd en ik zal Hem wegnemen’.
Jezus zei tot haar: ‘Maria !’.
Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws: ‘Rabboeni’, dat wil zeggen: ‘Meester!’.
Jezus zei tot haar:
‘Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader; maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader, naar Mijn God en uw God’.
Maria van Magdala ging heen en boodschapte de discipelen, dat zij de Heer had gezien en dat Hij haar dit gezegd hadJohn.20: 11-18.


Heilige Maria Magdalena was afkomstig uit Baghdala, een stad ten westen van het meer van  Galilea.
Toen Christus kennis met haar maakte, benaderde Hij haar en bevrijdde haar van zeven demonen, die haar onophoudelijk lastig vielen, waarop zij een van zijn volgelingen werd.
Na Zijn Kruisdood en Opstanding kwam zij als een van de Myron-draagsters naar het graf en trof daar met haar zusters twee engelen aan, die in het wit gekleed waren en deze kondigden haar aan, dat de Heer niet meer dáár was, maar dat Hij was verrezen, was opgestaan.
Na de neerdaling van de Heilige Geest met Pinksteren bleef zij de vroeg-Christelijke Kerk in Jeruzalem dienen.
Vervolgens trok zij naar Ephese en woonde vlakbij Johannes de Theoloog, waar zij uiteindelijk stierf. Zij werd begraven bij de ingang van de grot, waar later de zeven maagden van Ephese sliepen.

Apolytikion     tn.1.
Christus, Die voor ons uit de Maagd geboren is,
hebt gij nagevolgd, eerbiedwaardige Maria Magdalena,
door Zijn Geboden te onderhouden.
Daarom vieren wij heden uw heilige gedachtenis;
wij roemen u in geloof en eren u met liefde.

Kondakion     tn.5.
Toen de bovenwezenlijke God Zich in het vlees in de wereld bevond
heeft Hij u tot een ware Leerlinge gemaakt, heilige Myrondraagster,
omdat gij heel uw streven op Hem had gericht.
Daardoor hebt gij veel zieken genezen
en nu bidt gij zonder ophouden voor de wereld.

Het rode ei van Maria Magdalena, ….. dè oplossing …..
Het gaat niet om ‘wie’ je wel niet bent, maar om ‘wat’ je doet!
Dit is waar het werkelijk om draait.
Dit is het verschil tussen succes en falen.
Tussen leven vanuit de dingen die komen gaan of ploeteren.
Tussen leven zoals je wilt of leven zoals je denkt dat je dient te leven.

Het gaat niet om ‘wie’ je wel niet bent, maar om ‘wat’ je doet! Wie je bent òf je van goede komaf bent of niet, dat maakt niets uit; je wordt beoordeeld op je daden.
En dat is een lastige keuze, vooral als je jong bent, dat was het ook voor mij en is het soms nog steeds wel.
Want het zit zó in je genen; het zit zó in ons westers systeem verweven.
Dat je wat moet doen. Iets. Wat dan ook.
Om iets te krijgen. Iets te ontvangen.
Je doelen te halen. Verlangens te realiseren. Je dromen waar te maken.
Om te komen waar je wilt komen!
En dat hoe méér je doet; hoe groter je resultaten zullen zijn.
Maar zo werkt het niet! Zo is het niet!

Hoe kan het anders dat er mensen zijn die zich een slag in de rondte werken en toch niet komen waar ze willen? En er ook mensen zijn waar alles bij wijze van spreken als vanzelfsprekend op rolletjes lijkt te gaan? Maar één vinger behoeven te bewegen en alles op zijn plek valt? Omdat het niet gaat om het doen; het gaat niet om actie.
Ook al denk je van wel; ook al ben je overtuigd van wel.
En ik zie het om me heen.
Al die mensen zijn op zoek, naar wat dan ook.
De ‘droom’-baan. De ‘droom’-partner. Het ‘droom’-bedrijf. Dè ‘droom’-carrière.
Op zoek naar ‘weten’ wat je wilt. ‘Weten’ wàt jouw nu eigenlijk gelukkig maakt!
En wat doe je? Veel. Van alles! Je werkt je een slag in de rondte.
Hier heen. Daar heen.
Die cursus volgen, daar een opleiding doen.
Met die praten. Weet ik het. Je doet van alles!
Ze kunnen jouw niet beschuldigen van niets te doen .
En ik zie het bij ondernemers; om me heen.
Die zo graag succesvol willen zijn; mensen willen iets presteren.
En zich een slag in de rondte werken om hun programma’s bij te schaven.
Te perfectioneren. Hun web-site op te pimpen.
Prachtige afbeeldingen te maken voor hun social media, opvallen via Facebook.

Maar leidt het ergens naar toe? Heeft het resultaat?
Ik denk het niet. Ik denk dat ik weet van niet!
Maar ja, het gaat hier niet om mij, het gaat om jou.
Heeft het voor jou resultaat? Werkt het voor jou? Neen?!
Wil je weten waarom? Waarom niet?
Het gaat niet om het doen!
Het gaat niet om wat je doet!; dat jij met je persoonlijkheid opvalt!
Herinner je je nog? Het gaat niet om ‘wie’ je wel niet bent, maar om ‘wat’ je doet! Wáár ben je voor in de wieg gelegd; waar ben je wèrkelijk goed in, wat staat op je lijf geschreven – past bij je. En dat is veelal niet datgene waar je Vader goed in was, jij hebt je eigen kwaliteiten meegekregen en die dien je uit te bouwen.
Niet dat je niets behoeft te ondernemen!
Dat je de hele dag op je meditatie kussentje uit het raam kan gaan staren, tot er je iets invalt. Zo werkt het ook weer niet, maar natuurlijk dien je iets te doen.
Maar het gaat erom van welke plek dàt doen komt!
òf de Heilige Geest het vuurtje aanwakkert, je van binnenuit wordt bevuurd.
Als het doen niet vanuit de juiste plek komt; kun je ik weet ik niet wat ondernemen. Maar zal het je niet brengen wat je er van verwacht! Wat je hoopt! Waar je van droomt!
Het gaat om je innerlijke drijfveren die maken tot wat je bent!
Wie ben jij?
Wie wil je zijn?  
En ben je dat? Of heb je je dat door je omgeving laten wijsmaken? Kun jij dàt leven beleven?
Je creëert je leven namelijk vanuit wat je in je mars hebt!
Je bent een creator vanuit wie en wat je bent!
Vanuit tekort kun je absoluut géén overvloed creëren!
En vanuit angst [òf vanuit ik doe maar wat, want die studie wordt veel gevraagd òf levert het meest inkomen op] kun je geen durven creëren!
Vanuit een gevoel van gebrek aan liefde kun je niet méér liefde creëren!
Het gaat om wat er in je vermogens tot werkelijke hoogten ontplooid kan worden! Wat van jou uit-straalt!
Je dient hèt te in zekere zin te zijn vóórdat je hèt kunt worden!
Wees het! Leef het! En dan? Wat dan?
Eerst dàn onderneem je actie!
En alleen op die manier, verkrijg je de resultaten die je verwacht.
Hetgeen je verwacht, waar je op hoopt. Hetgeen je verlangt, waar je in kunt opbloeien. 
En aldus ben je de ‘bewuste’ grondlegger van je eigen leven!
Het gaat niet om wat je doet, maar om wat je in je mars hebt!
En wàt is hierbij super belangrijk?
Wat is de basis voor dit alles?
Dat je weet -‘wat het is’- dat je wilt!
En weet wie je dient te zijn om datgene te verkrijgen -‘wat het is’- dat je wilt!
En die persoon ben je! . . . . . Nu!
Die persoon leeft! . . . . . Nu!
Het gaat om wat je hebt en niet uit welk nest je komt, weet je nog?!
En dan, alleen dàn, kan het leven je terug geven waar je om vraagt.
Dus begin niet als een kip zonder kop iets te ondernemen, te doen.
Wat je maar denkt dat je dient te moeten doen; o
mdat je bang bent,
z
onder dat je het fundament op orde hebt! betekent gewoon tijdverspilling!
En dàn hebben we het niet eens over wat het doet voor je zelfvertrouwen en al dat soort dingen! Het gaat niet om wat je doet, maar hoe jij je toekomst tegemoet treedt. Wie je uiteindelijk zult kunne zijn!
Wie ben jij?
En wil je deze persoon zijn?
Wat wil je? Waar wil je naar toe? Wat wil je bereiken in je leven?
Wie dien je daarvoor te zijn? en zie dat je die persoon wordt!
En wees vervolgens die persoon!
Leef als deze persoon!
En onderneem eerst dàn pas actie! En blijf doen zoals deze persoon zich dient te gedragen!
Want! Vergeet nooit: Het gaat niet om wat je besluit, maar om wie je uiteindelijk zult zijn! Maria Magdalena onderkende dit pas ná haar ontmoeting met de Heer,
wie en wàt zij diende te zijn; zij gooide het roer totaal om en volgde Zijn Pedagogie; zij werd Zijn volgeling tot de dood aan toe en daarom heeft zij haar Kroon verdiend in het Hemels Koninkrijk.

kort geformuleerd, het ei van . . . . . :
1.]. Met welke verwachting ga ik de wereld in – uiteindelijk mijn graf tegemoet?
2.]. Wat ontmoet ik in de wereld, zijn mijn eieren door Gods hand gegaan zijn en rood van kleur.
3.]. Waarmee kan ik daarmee mijzelf van dienst zijn, als ik weer op mijzelf ben, kan ik dit langdurig vol houden? Acht ik mijzelf gepokt en gemazzeld voor zo’n uitdaging.
4.]. Wat kan ik daarmee aan bieden en ten nutte zijn voor de mensen om mij heen en aan de wereld?