Paasmaandag – de Vader, Die Mij heeft gezonden, heeft Zelf aan Mij een Gebod gegeven.

Als druiven in de woestijn vond Ik Israel; als vroege vijgen, als eerste opbrengst aan de vijgenboom, zag Ik uw vaderen. Zij echter gingen naar Baäl Peor en wijdden zich aan de schandgod; daardoor werden zij even gruwelijk als het voorwerp van hun liefdeHosea 9: 10.

      ’s-Morgens vroeg, bij Zijn terugkeer naar de stad, werd Christus hongerig. En daar Hij een vijgenboom aan de weg zag staan, ging Hij erheen, doch Hij vond niets daaraan, dan alleen bladeren. En Hij zeide tot hem: Nooit zal aan u enige vrucht meer groeien, in eeuwigheid! En terstond verdorde de vijgenboom.
       En toen de discipelen dat zagen, verwonderden zij zich en zeiden: Hoe is de vijgenboom zo terstond verdord?
Maar Jezus antwoordde en zei tot hen:
♨︎ ➥ ♨︎
–  meer aandacht te besteden aan de onrijpe vijgen van de vijgenboom
Voorwaar, Ik zeg u, indien gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat met de vijgenboom is gebeurd, maar zelfs indien gij tot deze berg zegt: Hef u op en werp u in de zee, het zal geschieden. En al wat gij in het gebed gelovig vragen zult, zult gij ontvangen.
        En toen Hij de Tempel was binnengegaan, naderden de overpriesters en de oudsten van het Volk Hem, terwijl Hij leerde, en zij zeiden: ‘Krachtens welke bevoegdheid doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven?’.
        Jezus antwoordde en zei tot hen:
Ik zag je onder de vijgenboom
Ik zal u ook een vraag stellen en indien gij Mij daarop antwoord geeft, zal Ik u ook zeggen, krachtens welke bevoegdheid Ik deze dingen doe. Vanwaar was de doop van Johannes? Uit de hemel of uit de mensen?
En zij overlegden onder elkander en spraken:
‘ Indien wij zeggen: Uit de hemel, zal Hij tot ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? Doch indien wij zeggen: Uit de mensen, zijn wij bevreesd voor de schare, want zij houden allen Johannes voor een profeet. En zij antwoordden en zeiden tot Jezus: Wij weten het niet.
Hij van Zijn kant zeide tot hen:  
        Dan zeg Ik u ook niet, krachtens welke bevoegdheid Ik deze dingen doe. Wat dunkt u? Iemand had twee kinderen. Hij ging naar de eerste en zei: ‘Kind, ga en werk vandaag in de wijngaard. En hij antwoordde en zei: Ja, heer, maar hij ging niet. Hij ging naar de tweede en sprak evenzo. En deze antwoordde en zei: Ik wil niet, maar later kreeg hij berouw en ging toch.  Wie van de twee heeft de Wil van Zijn Vader gedaan?
Zij zeiden: De laatste.
        Jezus zei [daarop] tot hen:
Voorwaar, Ik zeg u, de tollenaars en de hoeren gaan u voor in het Koninkrijk Gods. Want Johannes heeft u de weg der gerechtigheid gewezen en gij hebt hem niet geloofd. De tollenaars en de hoeren echter hebben hem geloofd, doch hoewel gij dat zag, hebt gij later geen berouw gekregen en ook in hem geloofd.
        Hoort een andere gelijkenis.
Parabel tot de werkers in de Wijngaard
Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en er een heg omheen zette, en er een wijnpers in groef en een toren bouwde; en hij verhuurde die aan pachters en ging naar het buitenland.
        Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen.
        Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen de een, doodden de andere en stenigden een derde. Hij zond weer andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze.
        Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggend: ‘Mijn zoon zullen zij ontzien’.
Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander:
Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.
Wanneer nu de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen
Zij zeiden tot Hem: ‘Een kwade dood zal hij die kwaden doen sterven en de wijngaard zal hij verhuren aan andere pachters, die hem de vruchten op tijd zullen afleveren’.
        Jezus zei [daarop] tot hen:
‘ Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden; van de Heer is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?
Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt
“ Matth.21: 18-43.

De vergelijking/ het voorhouden van de vijgenboom, is het symbool van de wereld, die geschapen is om geestelijke vruchten te dragen en tekort schiet in haar antwoord aan God. Het is tevens een veroordeling van de Farizeeërs, d.w.z. de blinde vlek, het kortzichtige van de huichelachtige godsdienstigheid van hen die denken dat zij leiders zijn i.p.v. toezichthouders van degenen waarover zij zijn aangesteld. Zij nemen zich de wijsheid in pacht als het licht van de wereld, maar van wie in feite wordt gezegd:
Jullie sluiten het Koninkrijk der Hemelen toe voor de mensen. Immers, jullie gaan er zelf niet binnen en die trachten binnen te gaan, laten jullie niet toe daarin te komenMatth.23: 13, om over het vervolg nog maar niet te spreken.
De hoofdrol van een spelleider is aansluitend de opdracht om een goed verteller te zijn, teneinde de identiteit van de Geschiedenis, de Identiteit, de Waarden, Normen en de Betrokkenheid van de mensen [door alle tijden] te benadrukken.
Christus, onze Heer en Verlosser echter ging nog een stap verder door niet alleen het verhaal van de mensen te vertellen, maar tevens door hen dit aan hen vóór te leven:
    Er waren onder hen enige Grieken [en anderstalige Joden] onder hen, die
opgingen om op het feest 
[Pascha] te aanbidden dezen dan
gingen tot Philippos, die van Bethsaida
[“Huis der Barmhartigheid”, ontzorgen] in Galilea was, en vroegen hem en zeiden:
        ‘Heer, wij zouden Jezus wel willen zien’.
Philippos ging en zei het aan Andreas; Andreas en Philippos gingen en zeiden het aan Jezus.
        Maar Jezus antwoordde hun en zei:
‘ De [Het] uur is gekomen, dat de Zoon des mensen verheerlijkt moet [dient te] worden.

”     Zaaien, indien de Graankorrel sterft, brengt zij veel Vrucht voort”; “Σπορά, εάν ο σπόρος του σιταριού πεθαίνει, παράγει πολλά φρούτα”;
” البذر ، إذا ماتت حبة القمح ، فإنها تنتج الكثير من الفاكهة’”;
“Sowing, if the grain of wheat dies, it produces much fruit”.

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.
Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwigen leven. Indien iemand Mij wil dienen, hij volge Mij, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Indien iemand Mij dienen wil, de Vader zal hem eren. Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen?
Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hiertoe ben Ik in deze ure[n] gekomen. Vader, verheerlijk Uw naam! Toen kwam een stem uit de hemel[en]: ‘Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem nogmaals verheerlijken!’.
De schare dan, die daar stond en toehoorde, zei, dat er een donderslag geweest was; anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.
        Jezus antwoordde en zei:
‘ Niet om Mij is die stem er geweest, maar om u. Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden; en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken.
        En dit zei Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou.
De schare dan antwoordde Hem:
Wij hebben uit de Wet gehoord, dat de Christus tot in eeuwigheid blijft; hoe kunt Gij dan zeggen, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen?
        Jezus dan zei tot hen:
‘Nog een korte tijd is het licht onder u. Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet zal overvallen; en wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. Gelooft in het licht zolang gij het licht hebt, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn.
        Dit sprak Jezus en Hij ging heen en verborg Zich voor hen.
En hoewel Hij zovele tekenen voor hun ogen gedaan had, geloofden zij niet in Hem, opdat het woord van de profeet Isaiah vervuld werd, dat hij sprak:
        Heer, wie heeft geloofd, wat hij van ons hoorde? En aan wie is de arm des Heren geopenbaard?
Hierom konden zij niet geloven, omdat Isaiah elders gezegd heeft:
        Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, dat zij niet met hun ogen zien, met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen zal genezen.
Dit zei Isaiah, omdat hij Zijn Heerlijkheid zag en van Hem sprak.
En toch geloofden zelfs uit de oversten velen in Hem, maar ter wille van de Farizeeën kwamen zij er niet voor uit, om niet uit de Synagoge te worden gebannen; want zij waren gesteld op de eer der mensen, meer dan op de eer van God.
        Jezus riep en zei:
Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem, Die Mij gezonden heeft; en wie Mij aanschouwt, aanschouwt Hem, die Mij gezonden heeft. Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis zal blijven. En indien iemand naar mijn woorden hoort, maar ze niet bewaart, Ik oordeel hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, doch om de wereld te behouden. Wie Mij verwerpt en Mijn Woorden niet aanneemt, heeft een, die hem oordeelt het Woord, Dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen ten jongsten dage. Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij heeft gezonden, heeft zelf Mij een Gebod gegeven, wat Ik zeggen en spreken moet. En Ik weet, dat Zijn Gebod eeuwig Leven is. Wat Ik dan spreek, spreek Ik zo als de Vader Mij gezegd heeft

John.12: 20-50.

Leven is zelfopenbaring
Christus neemt Zijn Vader tot getuige wanneer Hij zegt:
” indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft,
blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.
Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar
wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwigen leven.
Indien iemand Mij wil dienen, hij volge Mij, en
waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn”
[zie lezing van Johannes de Theoloog].
Paulus gaat daarop voort:
‘Wanneer Christus, Die [door het Doopsel] Uw Leven is aan het einde van uw loopbaan zal verschijnen, dan zult ook u met Hem verschijnen is Heerlijkheid’ 2Col.3:4.
Uit de Woorden van Christus komen niet één, maar twee punten van radicale kritiek naar voren.
Aan de ene kant betekent de zelfopenbaring van het leven dat
ons leven als persoon niet pas tot stand komt door sociale, economische en politieke structuren waarin we nu eenmaal geworpen zijn.
Leven onttrekt zich ‘door de Heilige Geest’ radicaal aan de macht van dit of dat systeem, oftewel, ‘ik is niet gelijk aan een ander’.
Maar als anderen mijn leven nooit gemaakt hebben – en dat geldt zelfs voor mijn biologische ouders –, ben ik er aan de andere kant zelf net zo min ‘de bron’ van.                              Het leven is mij, net als aan iedereen, door de Goddelijke voorzienigheid doorgegeven.
Hoezeer we ook kinderen van onze ouders, de geschiedenis en de maatschappij zijn, zijn we eerst en vooral kinderen van het Goddelijk bedoelde Leven.
Deze scherp geformuleerde zin van leven, die we ‘naar het beeld van God geschapen’ kunnen noemen, zijn wij ‘kinderen van God’.
Natuurlijk openbaart het leven, dat wil zeggen deze aldus geformuleerde God, Zich op een bepaalde historische locatie en wordt verwoord door de ‘taal van de wereld’.
Toch valt de zelfopenbaring van leven onmogelijk tot die feitelijke plaats en tijd te herleiden.
Om het korter te formuleren:
Hier lijkt de waarheid van openbaring als wezenskenmerk van de christelijke God intact te worden gehouden.
Met Openbaring als trauma gaat ‘als de graankorrel niet sterft‘ verder dan de woorden van Christus.
Om dit thema te doordenken, speelt het ‘gelaat van de Ander’ een cruciale rol.
Het namelijk niet zó dàt er in den beginne een kant-en-klaar autonoom subject bestaat dat vervolgens door Goddelijke inmenging op rationele wijze ethiek en moraal in elkaar wordt gezet.
Neen, ‘het gelaat van de Ander, mijn naaste’ doet op mij een appèl om verantwoordelijkheid te aanvaarden.
Eerst dàn wordt een mens als moreel subject in het leven geroepen.

“ Indien iemand Mij dienen wil, de Vader zal hem eren”.
Paulus volgt Christus zijn grote voorbeeld op de voet en zegt:
      Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat
Hij en over doden en over levenden Heerschappij zou voeren
Rom.14: 9 en
      Dwaas! Wat gij zelf zaait,
wordt niet levend, of het moet gestorven zijn, en
als gij zaait, zaait gij niet het toekomstige lichaam, maar
slechts een korrel, bijvoorbeeld van koren, of van iets anders.
Maar God geeft er een lichaam aan, gelijk Hij dat gewild heeft, en
wel aan elk zaad zijn eigen lichaam
“ 1Cor.15: 36-38.
En de tollenaar, die Hem volgde verkondigt:
      Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar
wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden“ Matth.10: 39 en
      Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die
zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft
om Mijnentwil, die zal het vinden.
Want wat zou het een mens baten, als
hij de gehele wereld won, maar schade leed aan zijn ziel?
Of wat zal een mens geven in ruil voor zijn leven?
Want de Zoon des mensen zal komen in
de Heerlijkheid van Zijn Vader, met zijn engelen, en
dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn daden“ Matth.16: 25-27.

Christus onder de Heiligen, de mensheid wordt slechts vervuld in Hem; Christ among the Saints, humanity is only filled in Him

Nu wordt ons Christelijk gevoel, het Christelijk ego, totaal overhoop gehaald. 
Christus zei tot hen:
Mijn ziel is zeer bedroefd, tot sterven aan toe; blijft hier en waakt met Mij. 
En Hij ging een weinig verder en
Hij wierp Zich met het aangezicht ter aarde en bad” Matth.26: 38, 39a en
“     Mijn ziel is uiterst beangst; Hoe lang wacht Gij, o Heer?
Wend U tot mij, Heer; bevrijd mijn ziel; red mij, omwille van Uw erbarmen.
Want in de dood is er niemand die U gedenkt: wie kan U belijden in de hades?
Ik ben afgetobd door zuchten, elke nacht schrei ik mijn bed nat:
ik besproei mijn rustplaats met tranen.
Mijn oog is dof van verdriet; ik ben oud geworden onder al mijn vijanden” Psalm 6: 4-8.
            En moet ik dan nu zeggen [bidden]:
Vader, verlos mij van dit uur?”. 
Neen, daarom ben ik [zover gekomen] naar dit uur gegaan!
Vader, verheerlijk Uw Naam” John.12: 27,28 en
      Als Ik Mijzelf eer, betekent mijn eer niets;
mijn Vader is het, die Mij eert, van wie gij zegt:
Hij is onze God, en gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem.
En indien Ik zei: Ik ken Hem niet, dan zou Ik u gelijk zijn,
een leugenaar; doch Ik ken Hem en Zijn Woord bewaar ik“ John.8: 54,55 en
      Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het [Uw] Werk te voleindigen, dat
Gij Mij te doen gegeven hebt.
En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid,
Die Ik bij U had, eer de wereld was.
Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen, die
Gij Mij uit de wereld gegeven hebt.
Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en
zij hebben uw Woord bewaard“ John.17: 4-6 !!!
En “     Toen kwam een stem uit de hemel[en]:
‘Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal 
hem nogmaals verheerlijken!’”
conf. “     Toen Judas dan heengegaan was, zei Jezus:
‘Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt
“ John.13: 31 en
bij de doop in de Jordaan:
      En zie, de Hemelen openden zich, en Hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen.
En zie, een stem uit de hemelen zei:
‘Deze is mijn Zoon, de geliefde, in Wie Ik mijn welbehagen heb’
“ Matth. 3: 16,17 en
op de berg Thabor terwijl Petrus nog sprak:
“ zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zei:
‘Deze is mijn Zoon, de Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!
” Matth.17: 5

transfiguratie, verheerlijking op de berg Thabor

          “ De schare dan, die daar stond en toehoorde, zei, dat er een donderslag geweest was; anderen zeiden:
Een engel heeft tot Hem gesproken.
        Jezus antwoordde en zei:
‘ Niet om Mij is die stem er geweest, maar om u. Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden; en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken’.
        En dit zei Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou
 “
John.12: 29-33.

En daarop antwoord[t]de de schare [de wereld]:
Wij hebben van de Wet gehoord dat de Christus [de Messias] voor eeuwig blijft.
      de slaaf blijft niet eeuwig in het huis,
de Zoon
[Zonen] blijft [blijven] er eeuwig.
Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft,
zult gij werkelijk vrij zijn
John.5: 35,36 en
“     Mijn Waarheid en Mijn Barmhartigheid zullen met hem zijn;
in Mijn Naam verheft Hij zijn hoorn
“ Psalm 88[89]: 37 en
“     Bij U is heerschappij op de dag van Uw Kracht,
in de stralende luister van Uw heiligen
“ Psalm 109[110]: 4 en
      En Mijn knecht [uit het huis van] David zal Koning over hen wezen;
een Herder zal er voor hen allen zijn.
Zij zullen naar Mijn verordeningen wandelen en
naarstig Mijn inzettingen onderhouden
“ Ezechiël 37: 24 en
      En Hem werd Heerschappij gegeven en eer en
Koninklijke macht, en alle volkeren, natiën en talen dienden Hem.
Zijn Heerschappij is een eeuwige Heerschappij, Die niet zal vergaan, en
Zijn Koningschap is een, dat onbederfelijk is
“ Daniël 7: 14 
En Johannes de Theoloog gaat verder en verkondigt
aan de hand van Zijn Blijde Boodschap:
“ Hoe kunnen jullie dan zeggen, dat
de Zoon des mensen moet verhoogd worden?
Wie is deze Zoon des mensen?
”, want
hij neemt de woorden van de Heer ter hand:
“  Nog een korte tijd is het Licht onder u.
Wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat
de duisternis u niet zal overvallen; en
wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.
Gelooft in het Licht zolang gij het Licht hebt, opdat
jullie kinderen van het Licht mogen zijn
” John.12: 35,36.

Bij de doop wordt ons het Levende Water
-hetgeen de Heilige Geest symboliseert -,
Welke ons na Christus’ dood aan het kruis en Zijn Opstanding is beloofd,
ter ver-Heerlijking aangeboden/gegeven.

Het Licht is slechts een korte tijd onder ons mensen. Mensen, ga toch op je pelgrimstocht door het leven, wanneer je het Licht [uiteindelijk] te pakken hebt, zorg dan dat de duisternis je absoluut niet inhaalt.
Zoals Christus bij de opwekking van Lazaros zei:
      Gaan er geen twaalf uren in een dag?
Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat
hij het licht van deze wereld kan zien; maar
wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat
het Licht niet in hem is
“ John.11: 9,10.
Dus wanneer je het Licht hebt bemachtigd, geloof dan in het Licht, opdat
jullie zonen van het Licht moogt zijn:
“     Want jullie waren vroeger duisternis, maar
thans zijn jullie Licht in de Heer; wandelt als kinderen van het Licht,
– want de vrucht van het Licht bestaat in louter Goedheid en Gerechtigheid en Waarheid
– en toetst wat de Heer welbehaaglijk is
  Eph.5: 8-10 en
      Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou kunnen overvallen: ‘want jullie  zijn allen kinderen van het Licht en kinderen van de dag. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn. Want die slapen, slapen ’s-nachts en die zich bedrinken, zijn ’s-nachts dronken, maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van Geloof en Liefde en met de helm van de Hoop op de zaligheid; want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Heer Jezus Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven“ 1Thess.5: 4-10.
Dat is wat Jezus zei; toen ging hij weg en verborg zich voor hen
– net zoals toen zij Hem bedreigden:
      Zij namen dan stenen op om naar Hem te werpen; maar
Jezus verborg Zich en verliet de Tempel
“ John.8: 59.

Het diepste wat we kunnen doen in iemands leven en het laatste wat we aan het einde van een leven voor elkaar kunnen doen, is bidden.
Elke sterke liefde zal de limiet bereiken van wat we kunnen krijgen, maken en voor elkaar kunnen doen.
Voor een eindig en beperkt wezen, zoals we zijn, is het enige wat overblijft dan om de ander waarvan je houdt,
vrij te laten in het rijk van het oneindige en voor hem/haar te bidden vanuit het hart.
Dus daarom kijken we uiteindelijk naar de afscheidsrede van Jezus in het Evangelie van Johannes met een gebed:
”     Thans ga Ik naar Hem die Mij gezonden heeft, en toch vraagt niemand van u Mij: ‘Waar gaat Gij heen?’.
Omdat Ik u dit gezegd hebt, is uw hart vol droefheid. Toch zeg Ik u de Waarheid: ‘het is goed voor jullie dat Ik heenga; want als Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen. Nu Ik wel ga, zal Ik Hem tot jullie zenden'” John. 16: 5-7.

Op het kruispunt van ons leven, aan het einde van alle menselijke mogelijkheden, hebben we geen andere keuze dan dicht bij elkaar ‘voor God’ te verzamelen en om voor elkaar te pleiten, net zoals Johannes de Theoloog dit in
zijn weergave van de Blijde Boodschap weergeeft.
Op dit ogenblik van ons laatste ‘niet-langer-weten-vermogen’ blijft ons niets anders over dan ons tot het oneindige, tot God te wenden – althans blijft ons niets anders over dan de oneindig troostende gelegenheid tot een diep gebed voor de ander teneinde voor hem/haar het eeuwig leven binnen te stappen en rust te vinden bij de Schepper.
      Alles wat we in onze liefde diep verlangen is precies dit: dat de ander eeuwig kan zijn in heel zijn/haar bestaan, dat is van God, en in God kan hij/zij voor altijd gelukkig zijn; deze gebeden komen voort uit liefde tot de naaste.
Indien je van iemand houdt, kun je hem/haar dit alleen maar voor altijd toewensen.
Je vraagt in feite om zoveel mogelijk, oneindig goddelijk geluk; dat wil zeggen, men hoopt voor hem/haar dat hij/zij God in zijn/haar eigen hart mag ervaren op zo’n manier dat God zijn/haar hele leven innerlijk kan vervullen en de eeuwigheid in zal leiden.
Het leven is immers voltooid, wanneer God de regie over het leven volledig overneemt.
Het is niet voor niets dat dit gebed aan het einde van de afscheidsrede van onze Heer en Verlosser Jezus Christus het Hoog Priesterlijk gebed wordt genoemd
– in de allerhoogste mate terecht, want iets anders verdient het niet “priesterlijk”, maar slechts spelleider genoemd te worden en bij de doop hebben we  ‘allemaal’ de priesterlijke kruinschering ontvangen, opdat ook wijzelf het voortouw mogen nemen !!! als evenbeeld aan God zijn geschapen.
Christus gaat ons eveneens als eenvoudig ‘spelleider’ vóór op de pelgrimstocht van het leven, zoals het gebed tot heil en zegen voor de naasten [de anderen] tot God teneinde tot goddelijke zuiverheid, bescherming en waarheid te komen.   
De woorden en de vragen, die onze Heer en Verlosser stelt aan Zijn Vader voor ieder van ons, tonen hoe uniek Zijn Blijde Boodschap is en hoe Christus God’s volledig Beeld en gelijkenis aan ons voorhoudt.
Dit is precies wat Jezus ons in alles wat hij deed wilde laten zien;
met betrekking tot Zijn volgelingen is Zijn gebed daarom een dankgebed.
Maar omdat we nog steeds in de wereld leven lopen wij [door de tegenstrever] gevaar en met het oog op onze pelgrimstocht betreft het ook een voorbede, dat
God ons zal beschermen zoals onze weg een aanvang nam door ons antwoord op de roep van de persoon van Jezus van Nazareth.

Dit gebed is derhalve  een gebed van onze Heer en Meester van ons leven uit dankbaarheid en vertrouwen, en in elk woord is het een gebed van vertrouwen.
Vader” – zo begint het gebed – alles wat Jezus aan ons heeft toevertrouwd en als erfenis heeft overgedragen wordt in dit gebed tot de Vader ten behoeve van Zijn kinderen uitgedrukt.
Temidden van deze wereld – die als een woestenij wordt ervaren – willen we ons veilig en zeker voelen onder de vaderlijke [moederlijke] vleugels van de Allerhoogste, onszelf in ons kleine bestaan verenigd weten als deelnemer aan God’s Heerlijkheid;
we willen onszelf ontdekken als iets dat bijdraagt aan de grootsheid van God.
Daarom wanneer wij in de ons omgevende vertrouwelijke ruimte bidden,
kunnen we alleen maar met geheel ons hart verlangen dat we deelgenoot mogen zijn in dit eeuwige gebed met de Heer, de Troon in de Hemelse gewesten en dat onze Vader ons net als de verloren zoon ons tegemoet komt en innig omarmt.
Laten wij dan bidden, dat ieder van degenen om ons heen – in onze wereld – mag de roep mag erkennen en absolute kennis mag verkrijgen:
Wie de man van Nazareth is – uit de stad waar niets goeds uit voort kon komen
– en wat Hij wel niet allemaal voor ons mensen betekent.
Het omvat een erkenning dat ons leven voor God iets is wat waarachtig is en dat welbewust in ons bestaan:
‘het plan van God wordt verenigd’.
Voor ieder van ons is Christus’ Woord gericht – hetgeen verkondigd wordt in de Blijde Boodschap tot de verlamde mens, die totaal hulpeloos en eenzaam bij het bad van Bethsaida [“Huis der Barmhartigheid”, ontzorgen]  doorbracht: na tientallen jaren van verlatenheid werd hij/zij zich bewust van de ogen van Christus, die op hem/haar gericht waren en de hartelijke begroeting, dat
hij/zij zelf een neem eigen krachtig standpunt diende in te nemen en zelf eigen stappen in het leven diende te maken, zodat hij/zij zijn/haar brancard op de sabbath naar zijn/haar huis kon dragen conf. John.5: 1-18.
Mogen we bidden dat de genezende handen van onze Heer ook onze ogen mogen aanraken en open zullen gaan staan voor het Licht:
      De mens, die Jezus genoemd wordt, maakte slijk, streek het op mijn ogen en zei tot mij: Ga heen naar Siloam en was u. Ik ging dan heen en toen ik mij gewassen had, werd ik ziende. En zij zeiden tot hem/haar: Waar is Hij? Hij zei: Ik weet het niet.
Zij brachten hem/haar, die vroeger blind geweest was, naar de Farizeeën.
Nu was het sabbat op de dag, dat Jezus het slijk maakte en zijn/haar de ogen opende.
Opnieuw vroegen hem/haar ook de Farizeeën, hoe hij/zij ziende was geworden. En hij/zij  zei tot hen: ‘Hij legde slijk op mijn ogen, ik waste mij en nu kan ik zien’
Sommige dan van de Farizeeën zeiden: ‘Deze mens komt niet van God, want Hij houdt de sabbath niet’. Anderen zeiden: ‘Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen? En er was verdeeldheid onder hen’. Zij dan zeiden nog eens tot de blinde. Wat zegt gij van Hem, daar Hij uw ogen geopend heeft? En hij/zij zei: ‘Hij is een Profeet’
“ John.9: 11-17.

Inderdaad, ons gehele leven kan uit de duisternis van de dood te voorschijn komen in de eeuwige glorie van de dag – zoals bij de opwekking van Lazaros [John.11: 28-54].
Hierbij zullen wij onszelf en onze naasten als zonnetjes ervaren en kan gelden wat onze Heer en Verlosser ons heeft vóór geleefd als Zijn levensopdracht en Zijn werk: dat HijZelf ons voedsel, ons brood is:
      Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren
en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten
“ John.6: 35.
Maar ons hele leven zal nèt zoals onze Meester gericht dienen te zijn op God, Die wij als realiteit èn -het uiteindelijk weten- èn -als enige herkennen-, waar
wij als kinderen van God ècht uit bestaan.

Synaxarion Grote en Heilige Maandag

Jozef [Hebr.= “Hij zal mogen  toevoegen“, maar ook “God heeft me van mijn schande verlost” en dat allemaal in de woestijn van Egypte; Joseph [Hebr. = “He may add“, but also “God has redeemed me from my shame” and all of that in the desert of Egypt.

Op de Heilige en grote Maandag gedenken wij de zalige, schone Jozef, en de door de Heer vervloekte, verdorde vijgenboom.
Christus heeft de Synagoge doen zien als de vijgenboom, die
geen geestelijke vruchten draagt en daardoor aan dorheid wordt prijsgegeven.
Laat ons daarom die [op de wereld gerichte] hartstochten ontvluchten.
Door de gebeden van de schone Jozef,
Christus onze God, ontferm U over ons.

8e Irmos Metten van deze maandag
tn. 7.   Het onvermoeibaar vlammende vuur,
dat zo rijkelijk van brandstof werd voorzien,
week verschrokken terug voor het lichaam der reine jongelingen, dat even onbevlekt was als hun ziel.
De allesverterende vlammen werden krachteloos.
Maar des te luider klonk de eeuwig durende Hymne:
Al Zijn Werken, zegent de Heer, en verheft Hem in alle eeuwigheid
”.

  Eer aan U, onze God, eer aan U

Toen de Verlosser opging naar Zijn Lijden, zei Hij tot Zijn vrienden:
     ‘Allen zullen u als Mijn vrienden erkennen, indien u Mijn Geboden onderhoudt.
Hebt Vrede met elkander en met allen; weest nederig gezind, en u zult verheven worden.
Erkent Mij als Heer en bezingt Mij in alle eeuwen’.

  Eer aan U, onze God, eer aan U’

  Laat bij u de macht over uw medemensen van tegengestelde aard zijn als gewoon is in de wereld.
Want een eigenmachtige gezindheid past niet bij de Mijnen, doch is eigen aan tyrannen.
Wie dus onder u de eerste [onder gelijken] wil zijn, dient de laatste te zijn van al de anderen.
Maar erkent Mij als Heer en verheft Mij in alle eeuwen.

Zingen, zegenen en aanbidden wij onze Heer en Meester, Hem lovend en verheffend in alle eeuwen.

tn. 7.    Het onvermoeibaar vlammende vuur,
dat zo rijkelijk van brandstof werd voorzien,
week verschrokken terug voor het lichaam der reine jongelingen, dat
even onbevlekt was als hun ziel.
De allesverterende vlammen werden krachteloos.
Maar des te luider klonk de eeuwig durende Hymne:
‘Al Zijn Werken, zegent de Heer, en verheft Hem in alle eeuwigheid’
”.

Palmzondag – Zondag van de intocht van onze Heer en Verlosser in Jeruzalem

Intocht in Jerusalem

    Jezus dan kwam zes dagen voor het Pascha te Bethanië, waar Lazarus was, die Jezus uit de doden had opgewekt.
Zij richtten daar dan een maaltijd voor Hem aan en Martha bediende, en Lazarus was een van hen, die met Hem aan tafel waren.

De vrouw giet Myron olie over de voeten van Christus; The woman pours Myron oil over the feet of Christ.

Maria dan nam een pond echte, kostbare nardus-Myron en zij zalfde de voeten van Jezus en droogde zijn voeten af met haar haren; en de geur van de Myron verspreidde zich door het gehele huis.
Maar Judas Iskariot, een van zijn discipelen, die Hem verraden zou, zei: ‘ Waarom is deze Myron niet voor driehonderd schellingen verkocht en aan de armen gegeven?’. Maar dit zei hij niet, omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was en als beheerder [en toezichthouder] van de kas de inkomsten wegnam.
Jezus dan zei:
‘ Laat haar begaan en het bewaren voor de dag mijner begrafenis; want de armen hebt gij altijd bij u, maar Mij hebt gij niet altijd.
            De grote menigte uit de Joden dan kwam te weten, dat Hij daar was, en zij kwamen niet alleen om Jezus, maar ook opdat zij Lazarus zouden zien, die Hij uit de doden had opgewekt.
            En de overpriesters beraadslaagden om ook Lazarus te doden, daar vele van de Joden ter wille van hem kwamen en in Jezus geloofden.
            De volgende dag, toen de grote menigte, die voor het feest gekomen was, hoorde, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, namen zij palmtakken, gingen uit Hem tegemoet, en riepen:
            ‘ Hosanna, gezegend Hij, die komt in de Naam des Heren!’ en:
            ‘ De koning van Israël [de Kerk]!
En Jezus vond een jonge ezel en Hij ging erop zitten, gelijk geschreven is:
            ‘ Wees niet bevreesd, dochter van Sion, zie, uw Koning komt, gezeten op het veulen van een ezel’.
Dit begrepen zijn discipelen aanvankelijk niet, maar toen Jezus verheerlijkt was, toen herinnerden zij zich, dat dit met het oog op Hem geschreven was en dat zij dit met Hem gedaan hadden.
            De schare dan, die bij Hem was geweest, toen Hij Lazarus uit het graf geroepen en hem uit de doden opgewekt had, getuigde daarvan.
Daarom ging de schare Hem ook tegemoet, omdat zij gehoord hadden, dat Hij dit teken gedaan hadJohn.12: 1-18.

“Verblijdt u in de Heer te allen tijde!” – “Rejoice in the Lord at all times!”

    ‘Verblijdt u in de Heer te allen tijde!’ Wederom zal ik zeggen: ‘Verblijdt u!’.
Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Heer is nabij.
Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking
met dankzegging bekend worden bij God.
       En de ‘Vrede van God’, Die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus.
Voorts, broeders,
       ‘ al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein,
         al wat beminnelijk, al wat welluidend is,
         al wat deugd heet en lof verdient,
bedenkt dat;
wat u geleerd en overgeleverd is,
wat gij van mij gehoord en gezien hebt,
breng dàt in toepassing en
de ‘
God van de Vrede’ zal [altijd] met u zijnPhil.4: 4-9.

Afgelopen donderdag hebben we in het 6e uur de lezing van Isaiah gelezen waarin ons aangegeven is dat : “  God’s uitverkorenen . . . .
die Hem dienen zal Hij met
een andere naam [‘Christenen’, voor het eerst in Antiochië] noemen,
zodat wie zich in den lande zegent, zich zal zegenen in de God der Waarheid en
wie in den lande zweert zal zweren bij de God der Waarheid; want
de vroegere benauwdheden zijn vergeten, ja, zijn verborgen voor God’s ogenIsaiah 65: 15-16.
             Door alles in praktijk te brengen van hetgeen in de Pedagogie van de Heer [en die door Paulus is verwoord] geleerd is zal de ‘God van Vrede’ altijd met ons/jou zijn.

Een groot hedendaagse Heilige Nicolai van Zicha,

Николай Велимирович

– de Servische toezichthouder Nicolai Velimirovic – beschrijft een liturgie van het groot en Heilig Pascha, welke hij de stad Jerusalem bijwoonde:
Toen de Patriarch van Jerusalem het: “Christus is ‘opgestaan’ [in België, ‘verrezen’]” zong, viel er een zware last van mijn schouders, welke tot in mijn ziel werd waargenomen.
Wij waren allen verheugd en blij als kinderen, want wij voelden ons ook alsof wij met Christus uit de dood waren opgestaan.
En na de nachtelijke Liturgie, toen de ‘nieuwe’ dag aanbrak begonnen we
⁌  alles te beschouwen – in het ‘Licht’ van Christus’ Opstanding
⁌  alles leek anders van wat het de dag daarvoor geweest was.
⁌  Alles om ons heen leek beter, had een betere uitdrukking,
⁌  werd verheerlijkt door de glorieuze dag des Heren.
♨︎♨︎♨︎                Door de Kracht van onze Heilige God, de sterke, de onsterfelijke,
bleek in het vuur van de Heilige Geest alle gelovigen  te zijn gezegend in dezelfde realiteit van de Goddelijke Liturgie.
                De Goddelijke Liturgie, die wij eigenlijk iedere zondag [de dag des Heren] opnieuw beleven had op die dag een werkelijke herschepping van de mens tot gevolg
⁌  iedereen was in z’n ‘hum’, in de zevende hemel.

Ons welzijn en welbevinden wordt door onze Heer en Zaligmaker en op de mond van de brief van Paulus voorzegt en ook de oude Profeet Isaiah was hierdoor geraakt.
                               Want zie, Ik schep ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’; aan wat vroeger was, zal niet gedacht worden, het zal niemand in de zin komen.
Maar jullie zullen je verblijden en juichen voor eeuwig over hetgeen Ik [God] schep, want zie, Ik [de Boetseerder] schep Jeruzalem tot jubel en Zijn Volk tot blijdschap.
En Ik zal juichen over Jeruzalem en Mij verblijden over Mijn Volk
[de Kerk].
En daarin zal niet meer gehoord worden het geluid van geween of van geschreeuw.
Daar zal niet langer een zuigeling zijn, die slechts weinige dagen leeft, noch een grijsaard, die zijn dagen niet voleindigt, want de jongeling zal als honderdjarige sterven, zelfs de zondaar zal eerst als honderdjarige door de vloek getroffen worden.
Zij zullen huizen bouwen en die bewonen, wijngaarden planten en de vrucht daarvan eten;
Zij zullen niet bouwen, opdat een ander er zal wonen; zij zullen niet planten, opdat een ander het zal eten, want als de levensduur der bomen zal de leeftijd van Mijn Volk zijn en van het werk van hun handen zullen Mijn uitverkorenen genieten
Isaiah 65: 17-22.

                     Het glorieuze en stralende leven waarover deze Profeet, Paulus en de Kerk spreekt, daagt ons uit om [als – in de laatste der -] dagen, die ons te wachten staan, te omhelzen.
De ‘heldere droefheid’ van de grote en heilige vasten ligt achter ons.
We zijn geïnspireerd om de Grote en Heilige Week binnen te gaan, zodat we ons aanstaande zondag kunnen aansluiten bij al die gelovigen, die uitroepen: “Christus is ‘opgestaan’ [in België, ‘verrezen’]”
                   Deze bijzondere Profetie van Isaiah beschrijft de onverdiende erfenis die God daarop heeft voorbereid van het Nieuwe Verbond – “Mijn mensen die Mij zochtenIsaiah 65: 10. Het weerklinkt in de woorden van vandaag:    de ‘Vrede van God’, Die alle verstand te boven gaat,
zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus”.
                   Het verkent tegelijkertijd de bitterzoete maar gemiste kansen van het oude Volk van God en de huidige niet-gelovige wereld  en
– herinnert ons navolgers van Christus aan de erfenis die we hebben ontvangen.
                  We zijn gezegend om “buitengewoon verheugd te zijn” als dienstknechten van de Heer en Zijn “uitverkorenen“.
De profeet Isaiah begon de jubelzang met een door de Heilige Geest geïnspireerd Woord: “Zoals men, wanneer er nog sap in een druiventros gevonden wordt, zegt: ‘Vernietig hem niet’, want er ligt een zegen in; zó zal God doen ter wille van Zijn knechten, dat Hij niet alles ten onder zal laten gaanIsaiah 65: 8.
                  Dat geeft de kerkelijke burger moed in een periode dat – het ene na het andere – kerkgebouw onder de slopershamer verdwijnt om de investeerders te dienen.
                  En vervolgens komt Isaiah met een voorspelling van de komst van onze Heer en Verlosser:
En Ik zal uit Jaäcob nakomelingschap doen voortkomen en uit Juda een erfgenaam voor Mijn bergen; Mijn uitverkorenen zullen ze bezitten en Mijn knechten zullen daar wonenIsaiah 65: 9.

De Voorvaderen van het 1e Verbond;
τους προπάτορες του 1ου Συμφώνου;
أجداد العهد الأول

                 De Heilige voor-Vaderen begrijpen dat Christus ‘het zaad van de druif’ is Welke uit de Nieuwe Wijnstok is ontsproten, want Hij werd geboren uit het oude Volk van God, dat wil zeggen, van de oude wijnstok.
                Deze oude Profetie is juist en waarachtig, hoe kan dit in de huidige omstandigheden nog ontkend worden:
                God heeft inderdaad “het zaad van Jaäcob en het zaad van Juda” voortgebracht Isaiah 65: 9, want onze Heer en Verlosser was een fysieke afstammeling van Jaäcob en Juda.

De ongeschonden Lage Landen

                Ondanks alle tegenslagen, die wij in onze tijd ontmoeten, de complete kaalslag onder de gelovigen in de Lage Landen, beschrijft de aloude Profeet met levendige metaforen de bloei van de Kerk en degenen die God ‘Mijn‘ noemt als ‘Zijn dienaren, Zijn navolgers in Christus’.
Deze Profeet verweeft deze beelden met voorspellingen van verslechterende omstandigheden voor allen die God afwijzen – het aloude profetisch beeld dat de huidige geschiedenis bevestigt.
                Laten we alles wat rond ons gebeurt gewoon laten begaan. 
De Heer heeft de tijden en de jaren onder Zijn Macht geplaatst en Hij beschikt hierover.
Alleen God Zelf is het Die weet of de dag van vandaag ons zal toekomt onder de levenden of onder de doden.
☛   

Sommigen zijn gestorven aan de vooravond van hun huwelijk; en op hun beurt zijn anderen afgedaald in het graf aan de vooravond van hun kroning met een koninklijke diadeem.
⁌  Ofwel, ik wordt morgen gekroond met een koninklijke diadeem!
⁌  Ofwel, ik ga morgen naar een geweldig feest!
⁌  Ofwel, morgen komt er een grote winst naar me toe!
Laat niemand derhalve spreken over het geluk dat hem/haar morgen zal toevallen.
Zie, deze nacht zou uw ziel uw lichaam kunnen achterlaten en zul je jezelf mogen door zwarte demonen omgeven weten.
En zelfs vannacht, kan een mens afgescheiden worden van zijn familie en vrienden, van rijkdom en eer, van zon, maan en de sterren en zich bevinden in een volledig onbekende  omgeving, op een ongeziene plaats met een onverwacht oordeel.
        In plaats van op te scheppen over de dag van morgen, zou het beter zijn om tot God te bidden: – “ Geef ons vandaag ons dagelijks brood” -.
Misschien is de dag van vandaag onze laatste dag hier op aarde.
Daarom is het beter om deze dag in berouw te betonen voor al de dagen die wij hier op aarde verkwanseld hebben, dan vroom te fantaseren over over de dag die misschien niet voor ons zal opdagen.
Tevergeefs fantaseren over de dag van morgen kan ons geen goed doen, maar onder gebed en vasten berouw tonen en tranen met tuiten huilen over datgene wat wij misdaan hebben, zou ons voor het eeuwige vuur kunnen behoeden.
“ O rechtvaardige Heer,
verbrand die krankzinnige ijdelheid,
die ons belaagt, want aan
U komt toe de Glorie en de dank toe in eeuwigheid” AMEN.
              uit: ‘de proloog van Ochrid’

De Heiliging van de tijd

tijd tot een besluit

Het gehele jaar rond, viert en gedenkt de Christelijke Kerk Gods heilsdaden in Jezus Christus, door middel van een aantal feesten, periodes en gedenkdagen.
Zoals we in de natuur een onderscheid zien in de tijd van het jaar, in de wisseling van de seizoenen, in de maanstanden en in dag en nacht, zo wil de mens ook onderscheid maken en betekenis geven aan verschillende dagen en perioden.
In ons persoonlijk leven kennen we gedenkdagen van geboorte, huwelijk, wijding, overlijden en andere mijlpalen. Ook een burgerlijke staat kent haar nationale gedenkdagen.
Zo hebben alle religieuze gemeenschappen hun eigen jaarkalenders; cycli van speciale periodes en religieuze feestdagen komen en kwamen in alle oude culturen voor.
Op deze manier wordt de tijd gemarkeerd en geheiligd.
Het zijn kosmische wetmatigheden die het ritme van de tijd bepalen.
Het jaar en zijn vier seizoenen worden veroorzaakt door de elliptische baan die de aarde om de zon gaat, waardoor elk half jaar een ander deel van de aarde dichter bij de zon staat.
De seizoenen van het jaar wisselen met de twee zonnewendes in december en juni en de twee ‘overgangen‘ [wanneer de dag en nacht even lang zijn], in maart en september.
De maand is gebaseerd op het tijdsbestek waarbinnen de maan haar baan om de aarde beschrijft. Dag en nacht zorgen voor de afwisseling van licht en donker met hun eigen symboliek. Maar ook oude culturele gebruiken hebben een grote invloed.
De week en de zevende dag als rustdag hebben mogelijk hun wortels in het zeer oude Mesopotamische gebruik van de ‘boze dagen’, dagen die deelbaar zijn door zeven, waarop men niet werkte en offers bracht.

Tijd is geen neutraal gegeven.
Voor de gelovige is de tijd een geschenk en tegelijk een opdracht:
afkomstig van God en gericht op zijn/haar toekomst.
Een uitdrukking daarvan is de mondiaal gebruikte jaartelling
waarbij de eeuwen geteld worden tot of vanaf de geboorte van Christus. 

De christelijke liturgie kent, in navolging van het Jodendom, de heiliging van de tijd. Door gebeden, diensten, vastendagen en feesten wordt de tijd met God verbonden. Door de gedachtenis van de ‘grote daden van God’, zoals de bevrijding uit Egypte en het sterven en de opstanding/het verrijzen van onze Heer en Verlosser, krijgen bepaalde dagen een eigen betekenis.
Het kerkelijk jaar is niet puur een cirkel, zodat je elk jaar in eenzelfde kring zou rondgaan.
Het christendom, in navolging van het Jodendom, gelooft in de geschiedenis van God met de mensen, die een begin heeft en op weg is naar de voleinding.
De menselijke gemeenschap gaat een weg door de geschiedenis die men kan vergelijken met een spiraal, steeds hoger op weg naar het Rijk Gods.
Geen enkel jaar van de Heer is gelijk aan het vorige of aan een ander: de tijd kleurt elk liturgisch jaar weer anders in.
De [Goddelijke] liturgie helpt om die weg van de geschiedenis en die weg die Gods volk gaat zin en kleur te geven door die te verbinden met het verhaal van de Blijde Boodschap.

Het Paas-Mysterie

Mysterie van Pascha betekent dat er altijd hoop is

Het kerkelijk jaar bestaat niet uit een aantal ‘losse’ gedenkdagen, maar is een organisch gegroeid geheel dat ‘zijn hart’ heeft in ‘het lijden en de Verrijzenis van Christus’.
De zelf-over-gave van onze Heer en Verlosser in Zijn kruisdood en Zijn Opstanding en Verheerlijking door de Vader worden sinds mensenheugenis  aangeduid met het begrip ‘Paas-Mysterie’.
Door Zijn lijden en sterven heeft onze Heer en Verlosser – ‘het Volk van God’ – binnengevoerd in de Genade-gemeenschap met God de Vader:
door Hem en in [Hem] Zijn Heilige Geest zijn de gelovigen ‘God’s kinderen’ en ‘leden van het Lichaam van Christus’ [de Kerk] geworden.
Dit Paasmysterie van Christus is een gebeurtenis uit het verleden die in de liturgische feesten en Mysteriën [RK, Sacramenten] steeds opnieuw aanwezig en werkzaam is.
In de ‘Goddelijke Liturgie’, in ‘het Hemels Koninkrijk’ wordt
het werk van onze verlossing voltrokken,
zo wordt het ver-Woord in een liturgisch gebed.
Christus’ lijden, zijn sterven en verrijzen zijn ‘voor ons, Christenen, ‘na’-volgers van Christus’,
zijn blijvend aanwezig in de liturgische vieringen, de cyclus van de feesten.
In de hoogtepunten van de Eucharistische vieringen en de Goede Week-vieringen,
– Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Pascha
– herkennen we de thematiek van de doorgang:
  van ‘- eenzaamheid -’ naar ‘saamhorigheid’,
  van ‘- egoïsme -’ naar ‘dienstbare liefde’,
  van ‘- angst -’ naar ‘vertrouwen’,
  van ‘- sterven -’ naar ‘Leven’.

Het liturgisch jaar is niet alleen opgezet als een chronologisch volgen van
het leven van onze Heer en Verlosser.
Het is ontstaan en gegroeid uit het Paas-Mysterie, uit
de ontmoeting met “dè Levende Christus”, welke onze lippen heeft aangeraakt en ons bevrijd heeft van onze ongerechtigheden.

De Liturgie van Palmzondag verkondigt de betekenis van God’s overwinning  als zege van Zijn Koninkrijk. Onze Heer en Verlosser aanvaardt de plechtige intocht in de Heilige stad als enig zichtbaar overwinningsteken in Zijn leven op aarde. Tot op die dag heeft Hij stelselmatig alle pogingen om Hem te verheerlijken afgewezen.
Maar zes dagen voor het Pascha aanvaardt Hij niet alleen deze verheerlijking, Hij provoceert en arrangeert het Hoogst Persoonlijk.
Hij maakte hiermee aan het gewone volk duidelijk, dat Christus als ‘de Messias’ , waar zo lang op is gewacht, wordt erkend en dat Hij al is het voor een enkele keer toegewuifd wilde worden, als de Koning en de Verlosser van Israël [de Kerk].
De Evangelies onderstrepen alle messiaanse trekken: de Psalmen, het Hosanna, het toejuichen als Heer, als mens, de Zoon van David en de Koning van Israël [de Kerk]. De geschiedenis van Israël nadert zijn einde; dat is de betekenis van dit schouwspel. Het doel van de gehele Historische opbouw was immers om het Koninkrijk van God, de komst van de Messias, aan te kondigen en voor te bereiden.
En is het vervuld, want de Koning rijdt Zijn Heilige Stad binnen en
in Hem zijn nu alle Profetieën, alle verwachtingen in vervulling gegaan.

Alle feesten geven ook na het Pascha een aspect van
die ontmoeting weer; de verschijningsverhalen uit de Evangeliën,
⁌  bijvoorbeeld het verhaal van de Emmaüsgangers, Maria van Magdala met de tuinman, Thomas, met zijn hand in de zijde van de Heer, de Myrondraagsters, de Zondag van de Verlamde, Mid-Pinksteren, de Samaritaanse, de Blindgeborene, Hemelvaart en Pinksteren – zijn een weerspiegeling van onze Liturgische ervaring:
⁌  in de Hymnen, de gebeden [veelal gecomponeerd door Kerkvaders] en
⁌  in het luisteren naar het Woord, de Blijde Boodschap,
⁌  in het breken en delen van het Brood, in de ontmoeting met en
⁌  de aanraking van ‘het Vlees en Bloed’ van onze Heer
➥✥➥ is Christus aanwezig.
Elk liturgisch moment van het jaar is een God’s- ontmoeting in het heden,
gebaseerd op de gedachtenis van het verleden en
gericht op het komende Heil:
God’ Hemelse Koninkrijk, de voltooiing van het Heil.
Al de Christelijke gelovigen staan stil bij een aspect van het Mysterie van Christus, met het oog op verdere vervulling van Zijn Beloften.
                     Wij wensen iedereen een heilzame en
gezegende komende Grote en Heilige Week toe en
een Zalig Pasen met onze aloude uitroep:
Christus is ‘opgestaan’ [in België, ‘verrezen’]”.
waarop geantwoord wordt:
Hij is waarlijk ‘opgestaan’ [in België, ‘verrezen’]”.

Troparion
tn.4. 
  Met U mede-begraven in de Doop
hebt Gij ons door Uw Opstanding
het eeuwige Leven geschonken,
en wij zingen U toe, Christus, onze God,
en wij roepen:
‘Hosanna in den Hoge.
Gezegend Hij, Die komt in de Naam des Heren
”.

Het Orthodoxe Paasfeest – het Liturgisch gebeuren en uitleg van de diensten vormen tezamen een geheel.

God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou wordenJohn.3: 17.
Zijn Zoon, onze Heer en Zaligmaker heeft ons immers gezegd: 
Je hebt niets -‘meer òf minder’- nodig dan Mijn Genadegaven, want
jouw kracht wordt eerst zichtbaar in jouw zwakheid
2Cor.12: 9.

        De volgorde van het Christelijk Paasfeest is voor ons Orthodoxen vastgelegd in het Pascha-boek, de weergave van de liturgische diensten welke van de ochtend van Witte donderdag tot en met de diensten van de Paasnacht, welke vaak tot in de kleine uurtjes kunnen voortduren.
        Pascha is het allerhoogste Feest dat naast het Hoogfeest van
Kerst, de geboorte in het vlees van onze Heer en Verlosser en
Pinksteren de geboorte van de Kerk, het Lichaam van de Heer, welke in die op
Christus berichtte [Christo-centrische] Orthodoxe Kerk groots worden gevierd.
        Wij belijden vanaf onze doop/aanname in de Orthodoxe Broeder- zusterschap dat wij Christus belijden als onze Koning en God. We vergeten maar al te vaak dat God’s Koninkrijk reeds gekomen is en dat wij dóór de doop mede-burgers geworden zijn en dat wij beloofd hebben onze trouw aan ‘dìt Koninkrijk‘ bóven àlles te stellen.
        Wij dienen ons derhalve ten alle tijde te herinneren dat Christus Zich [op Palmzondag] maar voor een paar uur werkelijk als Koning in onze belevingswereld op aarde heeft kunnen manifesteren – de mens verschilt ‘tè veel‘ van het Goddelijke en staat God naar ‘hèt Leven‘ . . . . .

doodsengel by Nicolas Aselt

        Pascha is de voortzetting van het in Oude Testament bekende Pesach feest, hetgeen letterlijk [over-] springen betekent, denk daarbij aan een jong lammetje dat langs trekt, daarbij wordt gedacht aan ‘de engel van de dood’ die voorbij ging zie: Ex.12: 13.
        Wij bouwen hier op aarde aan het Hemels Koninkrijk van Vrede en Gerechtigheid en als zodanig heeft onze Heer en Verlosser de zondelast van deze wereld weggenomen en leidt Hij ons – zowel hier op aarde als in het ‘hier-na-maals’ naar de Hemelse Vrede.

        De vier Evangelisten hebben elk op hun eigen bijzondere wijze, met hart, ziel,  vanuit verstandelijke menselijke vermogens de geschiedenis verhaald van het leven van Christus.
Het leven van onze Heer en Zaligmaker is , in zinnen, woorden en leestekens verweven met het Oude Testament, met de Thora van Mozes, de boeken van de Profeten en de Psalmen.
Dit geldt eveneens voor de Orthodoxe hymnen, die in de verschillende [land’s-]talen worden gezongen, in alle talen op dezelfde dag, dezelfde teksten, die helaas niet door iedereen worden begrepen.

Litie Palmzondag:
tn.1    De Al-Heilige Geest ,
Die ook de navolgers
[vanuit het hart] leerde in vreemde talen te spreken,
heeft de onschuldige kinderen der Hebreeën aangedreven te roepen:
Hosanna in den hoge, gezegend Hij Die komt, de Koning van Israël
[de Kerk]”.

        De teksten van het Evangelie hebben dezelfde achtergrond als die van de Joodse Leer en zijn soms letterlijk, via rechtstreekse citaten, nog vaker door subtiele verwijzingen,  die in eerste instantie alleen bestemd lijken voor oren die zeer vertrouwd zijn met de Joods- Christelijke Literatuur.
        Op een enkeling in sommige van de Christus-belijdende Joodse gemeenschappen na,  beschouwt iedere Jood ‘Christus’ slechts als een Profeet, terwijl de Christelijk Leer vasthoudt aan hetgeen Christus Zelf verkondigd heeft, namelijk dat
        Hij “de Zoon van God” is en als ‘geheel God’ en ‘geheel mens’ voor
ons is nedergedaald uit de maagd Maria, de Theotokos en onder ons heeft gewoond.
        Dit is heel lang door maar al te veel Christelijke Bijbeluitleggers niet begrepen, maar een goed luisteraar heeft maar een half woord nodig, want
Christus, Zelf was  afkomstig uit de boom van Jesse en
legt o.a. aan de Emmaüsgangers uit dat,
        Zijn Missie voortkomt uit/aan de hand van de Psalmen en de Profeten.
Het is nog maar sinds enkele decennia dat – her en der in leerhuizen – en
op enkele theologische leerstoelen vanuit dit inzicht opnieuw naar al die merkwaardige en unieke teksten wordt gekeken.

Het Mysterie van de Drie-eenheid

        Voor ons Christenen is God – ‘in de hoedanigheid van de Heilige Drieëenheid’ –
onafgebroken ‘scheppend’ aanwezig in de wereld en vormt Hij nog steeds
– via de Heilige Geest – de leidraad van het evoluerend proces van het Geloof.

Litie Palmzondag:
tn.2.    Ere zij U, o Christus, Die in den hoge op God’s troon gezeteld zijt, en nu opgewacht wordt door Uw kostbaar Kruis.
Daarom verheugt zich de dochter Sion en juichen de volkeren der aarde; de kinderen dragen twijgen; de Leerlingen spreiden hun kleding uit.
Heel de wereld heeft geleerd tot U te roepen:
Gezegend zijt Gij, Verlosser, ontferm U over ons“.

Het Joodse volk is in haar oude verwachting blijven hangen en wacht nog steeds op de ‘Messias’ en verwachten dus dat Hij nog steeds moet komen aan het einde der tijden, terwijl de navolgers van Christus spreken over hetzelfde moment als
de wederkomst van de “Zoon van God”.
In Christus blijft immers niets hetzelfde, want alles is vervuld,
getranscendeerd, en heeft een nieuwe betekenis gekregen.
          Alles wat onze Heer en Verlosser, Jezus Christus doet en zegt,
zegt en doet hij al het ware reeds vanuit de plek waar Hij thuis hoort:
in de schoot van de Vader’; Zijn en onze vader.
Het lijkt wel of de harde werkelijkheid: de ‘honger’-lijders,
zij die wenen en zij die dorsten naar gerechtigheid al overwonnen is;
alsof het nog slechts een korte tijd zal duren tot
het Koninkrijk van God definitief zal aanbreken.

        De Kerkvaders hebben de Vasten dikwijls vergeleken met de tocht door de woestijn van het uitverkoren Volk, veertig jaar/dagen lang.
Uit de Blijde Boodschap weten we, dat God, om Zijn Volk voor wanhoop te bewaren, alsmede om Zijn uiteindelijke doel kenbaar te maken, vele Mysteriën/Wonderen heeft verricht zolang de tocht duurde;
. . . . . overeenkomstig daarmee spreken de Kerkvaders op soortgelijke wijze over de veertig dagen van de Vasten.
        Algemeen wordt aangenomen dat in de tweede eeuw de Kerk slechts een hele korte vastentijd kende voor de jaarlijkse viering van Pascha en deze werd tevens niet op alle plaatsen op dezelfde manier gehouden.
Zoals we deze nu kennen is de Grote en Heilige Vasten de vrucht van een lange en uitermate complexe historische ontwikkeling, waarvan nog niet alle aspecten zijn bestudeerd.
        Wel is duidelijk dat de Vasten voor de mens het terugvinden is van zijn – ‘bij de doop’ – ingezegende Geloof, het is tevens het terugvinden van het Leven, van
de Goddelijke bedoeling ervan, van de sacrale diepte van het Geloof.

       Hoewel het uiteindelijk doel van de Vasten het Pascha is, het beloofde land van het Hemels Koninkrijk, is er aan het einde van elke week van de Vasten een bepaalde ‘onderbreking’ – een vooruitlopen op die bestemming.
        Het zijn twee “Eucharistische” dagen – zaterdag en zondag – die voor de geestelijke tocht die de Vasten is, een bijzonder betekenis hebben.
Als de Sabbat in z’n diepste geestelijke realiteit de aanwezigheid is van het  Goddelijke ‘Zéér Goede’ in de structuur van deze wereld, dan is het ook ‘deze wereld’ die in Christus in een ‘nieuw Licht’ is gezet en door Hem tot iets ‘nieuws’ is gemaakt.
        Christus schenkt de mens het Koninkrijk van God dat “niet van deze wereld is”.
En hierin wordt het essentiële “breekpunt” bereikt, dat voor de navolger van Christus alle dingen nieuw maakt;
        het ‘goed-zijn‘ van de wereld en van alles wat de wereld bevat, verwijst nu naar hun laatste vervulling in God, naar het Koninkrijk dat gaat komen en dat Zich in al haar Heerlijkheid eerst ten volle zal manifesteren nádàt ‘deze wereld’ door Hem beeindigd is.
Bovendien heeft deze wereld door het verwerpen van Christus, als de “Zoon van God” zichzelf bekend tot de macht van de “Prins van deze wereld” en is:
        Wij weten, dat wij uit God zijn en de gehele wereld in het boze ligt. Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Dit is de waarachtige God en het eeuwige leven1John.5: 19.20.

        De Sabbath, de 7e dag van de voltooing van de Schepping, de dag van “deze wereld” werd -‘in Christus’- de dag van de verwachting, de dag vóór de dag des Heren.

‘open’ baring; ‘open’ birth

        De transformatie van de Sabbath vond plaats op de Grote en Heilige Sabbath, toen Christus, nadat ‘al Zijn Werken vervuld waren‘ in het graf rustte.
        De dag daarna, “ de eerste dag ná de Sabbath” de 8e dag, straalde
het Leven op uit het levenschenkende graf en tot de Myron-dragende vrouwen werd gezegd: “Verheugt U !!!”.
De leerlingen “ konden het van blijdschap niet geloven en verwonderden zich”.
De twee, die onderweg waren en Christus ontmoetten in Emmaüs -‘Lucas en Cleophas’- kregen persoonlijk van de verrezen Heer, die zij vanwege zijn verrezen staat [hun ogen waren bevangen], zodat zij Hem niet herkenden, hetgeen eerst aan hen duidelijk werd bij het breken van het Brood.
Zij haastten zich vervolgens om deze ontmoeting aan de Apostelen te melden en zeiden tegen elkaar: “     Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?“.
         Met de Opstanding/Verrijzenis nam de eerste dag van de nieuwe schepping een aanvang.
Aan de nieuwe dag neemt de Kerk, [het Lichaam van Christus] deel op zondag en ze begint een nieuw leven op zondag. Toch leeft ze en beweegt ze zich in de tijd van “deze wereld”, die in haar Mystieke/Wonderbare diepte Sabbath is geworden, want volgens Paulus:
“  Indien u dàn met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand van God. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
Want u bent allen gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God.
Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in Heerlijkheid
Col. 1-4.

We hebben de voorbereidingsperiode achter ons gelaten en komen nu tot het moment dat we het punt bereiken waarop we ons hebben voorbereid en doen wat we doen.
Het Evangelie van Johannes neemt ten opzichte van de andere drie, die
meer op elkaar lijken, een bijzondere positie in.
Het is later geschreven, vanuit een ‘grotere afstand tot het leven’ [= ‘helicoptervieuw’] welke de Evangeliën immers beschrijven; de gehele Blijde Boodschap is een afspiegeling van ‘ons eigen leven‘.
Het lijkt alsof Johannes heel dat gebeuren vanuit de hoogte, van bovenaf aanschouwt.
Niet voor niets wordt hij in de Kerkelijke Traditie vereenzelvigd met de adelaar en zijn hoge vlucht. Alles wat onze Heer en Verlosser doet en zegt, zegt en doet Hij al het ware reeds vanuit de plek waar  Hij – ‘als geheel God en toch geheel mens‘ – thuis hoort:
in de schoot van de Vader’;
Zijn’ en ‘onze Vader, Die in de Hemelen zijt . . .

Nôtre Dame

Het lijkt wel of de harde werkelijkheid hier wordt geopenbaard, nèt zoals juist – dit jaar – in deze heilige periode – nota bene -:
het boegbeeld van de Theotokos, de ‘Nôtre Dame’ in het hart van Europa in brand staat.
                Zij die hongeren en dorstten naar Gerechtigheid, worden in de weergave van Johannes aangeduid alsof alles al overwonnen is; alsof het nog slechts een korte tijd zal duren tot het Hemels Koninkrijk, de Heerschappij van God definitief zal aanbreken.
               Wij Orthodoxen zijn op de hoogte van een Moeder God’s Icoon, die wanneer deze van de Heilige berg verdwijnt, de asceten in hun achterhoofd de mededeling meegeeft dat ook zij daar dienen te verdwijnen, het einde der tijden is dan op handen.
               Ook onze Heer en Zaligmaker wordt bij Johannes niet getoond met  ‘bloed, zweet en tranen’ en zondet het ‘God, mijn God, waarom mij verlaten’.
Het drama, zoals dit verwoord is bij de andere drie Evangelisten is gericht op ons zwaarmoedige gedragen lijden in plaats van het Hemel-juichend ‘Alleluja’, de overwinning op de zonde.
Daar behoef je je rijkelui’s portemonnee niet voor te trekken, dat beleven wij in de stilte van ons hart, onze tempel. 

Bij Johannes wordt heel bedeesd aangegeven:
Zie het Lam van God, Dat de zondelast de wereld uit-d[r]aagt” om aan te geven “  Heer ik ben niet waardig, dat U komt onder mijn dak, maar spreek slechts één enkel Woord en ik zal gezond worden”.
       Daarmee belijden wij dat wij wanneer wij God naderen ons bewust zijn van:
    Heer, ik Geloof en belijd dat Gij de Christus zijt, de Zoon van de Levende God; in de wereld gekomen om zondaar, onder wie ik de eerste ben, te verlossen . . . . .”.
            Net als veel schrijvers is Johannes zich er diep van bewust dat het niet alleen om het schrijven van een drama gaat, maar om het bespelen van de menselijke ego als instrument van de Goddelijke Voorzienigheid;
– in werkelijkheid onderkent de mens dat er een groot verschil bestaat tussen
lezen en beleven van de Blijde Boodschap en het werkelijk in de praktijk toepassen:
            Het is onmogelijk te realiseren zonder de Goddelijke Genadegaven vanuit den Hoge”.
Zij beseffen maar al te goed dat het als navolger van Christus gaat om hetgeen Paulus stelt:
    Indien ik hetgeen ik afgebroken heb, weer opbouw,
bewijs ik daardoor, dat ik zelf een
overtreder ben.
Want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te leven.
Mèt Christus ben ik gekruisigd, en tòch leef ik,
[dat is] niet meer ‘mijn’ ik [ego], maar Christus leeft in mij.
En voor zover ik nu
[nog] in het vlees leef
leef ik door het Geloof in ‘ de Zoon van God’,
Die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.
Ik ontneem aan de Genade God’s haar kracht niet; want
indien er gerechtigheid door de wet is,
dan is Christus tevergeefs gestorven
Gal.2: 18-21.
            Maar weet wel om met de H. Augustinus te spreken
De spijs wordt ons gegeven voor de geest, teneinde
het beest in ons tot andere daden aan te zetten
”.
            Veel artiesten zouden geweldig zijn in het schrijven van hymnes, maar
ze kunnen in het geheel niet zingen of instrumenten bespelen en
indien ze dat al doen valt de betekenis weg omdat
ze minder bekwaam zijn dan anderen, die andere talenten bezitten.
            Zo bezitten wij gezamenlijk als en in ‘het Lichaam van Christus
de volheid, waarnaar wij zó hevig naar verlangen.
            Liturgisch gezien zoals voor-af-gaand is beschreven
is Lazarus-zaterdag het voorfeest van Palmzondag;
beide feesten hebben immers een gemeenschappelijk thema:
Triomf en Overwinning.
De zaterdag toont ons de Vijand, dat is de dood;
            Palm-zondag verkondigt de betekenis van de Overwinning als
de zege van het Hemels Koninkrijk.
            Het is als het aanvaarden door de wereld van haar ‘énige Koning‘,
Jezus Christus, dè ‘énige Heer’, tot “Heerlijkheid van God, de Vader“.
“     Het uur is gekomen, [en het is – ‘ hier en nu’ – dat de Zoon des mensen verheerlijkt moet worden.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft,
blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.
       Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar
wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwigen leven.
       Indien iemand Mij wil dienen, dient hij Mij na te volgen Mij, en waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn. Indien iemand Mij dienen wil, de Vader zal hem erenJohn.12: 23-28.
“     Je Leven liefhebben heeft tot gevolg dat je verloren gaat, maar
wie zijn leven haat in deze wereld, zal  het bewaren ten eeuwigen leven” John.12: 25.

➥✥➥ In de logica van de wereld is dit onaanvaardbaar:
Sommige naasten, die zich hier te lande vermaken aan de wereldse geneugten, lopen rond met het idee dat naarmate het aantal Christenen door vergrijzing en
vertrek uit dit leven afneemt ook de Kerk zal verdwijnen.
            Niets is minder waar de Kerk gelooft dat doordat deze martelaren, die om Christus wil hun leven hebben voltooid, de Kerk, ‘het Lichaam van Christus’, juist doen opbloeien.
Diegenen, die stierven in de getuigenis aan de Levende God, werden juist aan de Kerk en haar getuigenis in de wereld toegevoegd, omdat zij door hun bloed van de Vader, Die in de Hemelen verblijft getuigen.

Jan Hus, spiezer chronik 1485

            Zó heerst ook onder sommige toezichthouders het idee dat zij wanneer zij individuen of groepen van individuen letterlijk of figuurlijk – ‘ in de kerkelijke ban doen ‘ – ; zij de Kerk behoeden voor afglijden.
Niets is minder waar, degenen, die in de getuigenis aan de Éne, de Heilige en ondeelbare Drieëenheid het leven achter zich lieten, zijn allen een getuigenis voor hun nazaten.
Het enige wat een magistraat in dit soort situaties tot taak heeft is dat hij die functie slechts op zich heeft genomen om het Geloof in ‘Christus als zoon van God, de Vader, in de Heilige Geest’ te versterken in geval van zwakte of twijfel.
Het lijkt normaal te zijn geworden dat een bisschop en z’n spelleider in de eerste plaats de opponent – ‘verwijdert/opzij schuift/dood’ – om God’s kuddeke te beschermen – een gemeenschap gedijt èchter alleen door het lijden en sterven van de toezichthouder/de spelleider, want God leidt Zijn Kerk slechts op ‘Zijn’ manier, met behulp van Martelaren.

De “wolk van getuigen” zoals een schrijver dit omschrijft, is het fundament van het Koninkrijk der Hemelen; slechts ‘zij’ moedigen ons uit den hoge aan om hen te blijven volgen.
Dat is de reden waarom de Orthodoxe Kerk het gelovige Volk voorhoudt naast de Blijde Boodschap, de levens van de Heiligen te bestuderen.
Zij zijn ‘de Groten’ onder ons en ons het meest nabij, die ons “de Grote Liefde van Christus”, onze Heer tot bewijs voorhouden.
Het uiteindelijke doel is inzicht te verkrijgen in wat de mens zelf zou kunnen doen om het eeuwig Leven te bereiken; dit blijft ten alle tijde een inzicht in een streven naar; aangezien een mens slechts door Genadegaven in staat wordt gesteld daarin een bepaalde positie te bereiken.
            Ieder mens krijgt evenveel Genadegaven en mogelijkheden aangeboden,
ieder mens is voor God gelijk en zal door praktische beoefening van de door gebed en vasten [ascese] verkregen inzichten een bepaald niveau bereiken.
            Eenmaal zo’n bepaald niveau bereikt heeft dit de volgende strijd tot gevolg en dat is de dientengevolge toegenomen aanvallen van de tegenstrever blijven te weerstaan.
            Ook hierin geldt het gezegde in de Taal der Lage Landen, welke mij door een cenobiet levend asceet bevestigd werd: “ Hoe groter de geest, hoe groter het beest”, duidend op het feit dat er met zo’n persoon maar moeilijk ‘samen’ te leven is. Het christelijk koningschap ontleent z’n grandeur niet aan bij voortduring een grotere kroon opzetten, dan goed voor je is, of een vergulde metershoge staf en een een troon, die boven alles uitstijgt. Daarom wordt ons ook door de Blijde Boodschap voorgehouden, dat het voldoende is zijn/haar persoonlijk leven in deze wereld te haten en alleen al dit gegeven zal diegene bewaren ten eeuwigen leven.
            Het streven daar-naar-toe is reeds een martelaarschap en in alle eenvoud voor ons gelovigen weggelegd en daarbij dienen we ons voor te  houden dat slechts God ons hart kent en uiteindelijk zal oordelen.

De Liturgie van de Palmzondag vangt aan met de Grote Vespers, waarin uit de lezingen van het boek der Schepping [Gen.49:1,2- 8-12], het boek Zefanja oproept ons te verheugen en dit luidkeels te verkondigen, terwijl de Profetie van Zacharia overduidelijke is:
    Jubel luid, u dochter van Sion; juich, u dochter van Jeruzalem!
Zie, uw koning komt tot u,
Hij is Rechtvaardig en als Verlosser zegevierend,
Hij is nederig en rijdt op een ezelshengst,
een jong van een ezelin [= een lastdier]
”.
Uit de mond van kinderen en zuigelingen
         hebt Gij U lof bereid.
        Heer, onze Heer en Verlosser,
        hoe wonderbaar is Uw Naam
        over heel de aarde

”   De Verlosser komt heden bij de stad Jerusalem,
zo vervult Hij de Blijde Boodschap. want
allen nemen Palmtakken in hun handen en
breidden hun klederen uit onder Zijn voeten, 
daar zij weten dat Hij in Waarheid onze God is,
tot Wie de Cherubijnen onophoudelijk roepen:
gezegend bent U Zie zo rijk aan Barmhartigheid bent;
ontferm U over ons“.

Lazarus zaterdag, feestdag voorafgaand aan Palmzondag, welke als een belofte van de gemeenschappelijke Opstanding wordt beschouwd

    Er was iemand ziek, Lazarus [Hebr.= ‘ God helpt hem’] van Bethanië [Hebr.= ‘huis van dadels of huis van ellende’], het dorp van Maria [Hebr.= ‘ hun opstand’, inspiratiebron van de Blijde Boodschap] en haar zuster Martha [Hebr.= ‘ zij was opstandig’].
Maria was het, die de Heer gezalfd had met Myron en Zijn voeten met haar haren had afgedroogd. En haar broeder Lazarus was ziek.
De zusters dan zonden Hem [de Heer en Meester van hun Leven] bericht:
  Heer, zie, die Gij liefhebt, is ziek’.
Toen Jezus het hoorde, zei Hij: ‘ Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt zal worden.
Jezus nu had Martha en haar zuster [Maria] en [Zijn vriend en volgeling] Lazarus lief. Toen Hij dan hoorde, dat hij ziek was, bleef Hij daarop nog twee dagen ter plaatse, waar Hij was;
daarna echter zei Hij tot zijn discipelen:
Laten wij weer naar Judea
[Hebr.= ‘ jehoed (Aramees) het gebied van de 
stam van Juda (Hebr.=‘ het gebied waar de Heer geprezen zal worden’)] gaan.
De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi [Hebr.=‘ eerwaarde, titel voor een leraar], onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat U weer daarheen? [oftewel, hoe haalt U het in Uw hoofd].
Jezus antwoordde: ‘ Gaan er geen twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het Licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het Licht niet in hem is’.
Zo sprak Hij [tot hen en ons] en daarna zei Hij tot hen:
‘ Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar
Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken’.
De discipelen zeiden dan tot Hem: Heer, als hij slaapt, zal hij herstellen.
Doch Jezus had het bedoeld van zijn dood; zij echter meenden, dat
Hij het van de rust van de slaap bedoelde.
Toen zeide Jezus ronduit tot hen:
Lazarus is gestorven, en het verblijdt Mij om u, dat Ik daar niet geweest ben,  opdat gij tot Geloof komt; maar laten wij tot hem gaan’.
            Thomas [Hebr.= ‘tweeling’] dan, genaamd Didymus [Gr.= Δίδυμος, d.i. ‘Tweeling(broer’)], zei tot zijn medediscipelen: ‘ Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’.
Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag.
Bethanië [Hebr.= ‘huis van dadels of huis van ellende’] nu was dichtbij Jeruzalem [Hebr.= ‘maak dubbel vrede’, vrede lerend’] gelegen, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën [lett. 2,8 km.;  3×5= 15, heeft in zich 5, het getal van de Genade en 3 het getal van Goddelijke volmaaktheid].
Vele uit de Joden waren tot Martha en Maria gekomen om haar te troosten over haar broeder.
Toen nu Martha hoorde, dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, doch Maria bleef in huis zitten.
Martha dan zei tot Jezus: ‘Heer, indien gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn. Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert’.
Jezus zeide tot haar: ‘Uw broeder zal Opstaan’.
Martha zei tot Hem: ‘Ik weet, dat hij zal Opstaan/Verrijzen bij de Opstanding ten jongsten dage.
Jezus zeide tot haar:
Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, 
en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven’; gelooft gij dat?
Zij zei tot Hem:
  Ja, Heer, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de 
wereld komen zou’. [deze formulering wordt ook in de Orthodoxe doop gebruikt]
En na deze woorden ging zij heen en riep haar zuster Maria in stilte en zei:
‘ Daar is de Meester en Hij roept u’.
En toen zij dat hoorde, stond zij ijlings op en ging tot Hem;
Jezus echter was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats, waar Martha Hem ontmoet had.
            De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende, dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
        Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zeide tot Hem: Heer, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn.
Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar meegekomen waren, zag wenen, werd Hij verbolgen in de geest en diep ontroerd, en Hij zei:
Waar hebt gij hem gelegd?
Zij zeiden tot Hem:
‘Heer, kom en zie’.
Jezus weende.
De Joden dan zeiden: ‘Zie, hoe lief Hij hem had!’.
Maar sommigen van hen zeiden:
‘ Had Hij, die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf?’.
Jezus dan, wederom bij Zichzelf verbolgen, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan.
Jezus zei: ‘  Neemt de steen weg!
Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem:
  Heer, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag.
Jezus zei tot haar:
‘ Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?’.
Zij namen dan de steen weg. En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zei:
   
Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de menigte, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt’.
En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luide stem:
‘ Lazarus, kom naar buiten!’.
De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden.
Jezus zeide tot hen: 
Maakt hem los en laat hem heengaan’.
Vele der Joden dan, die tot Maria gekomen waren en aanschouwd hadden wat Hij gedaan had, geloofden in HemJohn.11: 1-45.

Garisson Church by Kevin Connor

    Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen,
dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehaaglijke wijze met
eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur [zie uitleg bij Zondag Maria van Egypte].
Laat de broederlijke liefde blijven.
Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen,
zonder het te weten, engelen geherbergd.
Denkt aan de gevangenen, alsof gij met hen gevangen waart;
aan hen, die mishandeld worden, als
[mensen], die ook zelf een lichaam hebt.
Het huwelijk [sex] zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld, want
hoereerders en echtbrekers zal God oordelen.
Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn,
weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd:
Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten.
Dááròm kunnen wij met vertrouwen zeggen:
De Heer is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?
Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord God’s tot u hebben gesproken;
let op het einde van hun wandel en volgt hun [aan de dag gelegd,
waarachtig in Christus gepraktiseerd] Geloof na. 
Jezus Christus is [immers] gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheidHebr.12: 28 – 13: 8.

  Op U, Heer, vertrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.
Red mij en bevrijd mij in Uw rechtvaardigheid; neig Uw oor tot mij, haast U mij te bevrijden.
Wees voor mij een beschermende God, een toevluchtsoord om mij te redden.
Want Gij zijt mijn sterkte en mijn toevlucht; om Uw naam zult Gij mij leiden en voeden.
Gij bevrijdt mij uit de strik, die zij heimelijk hadden gespannen.
Heer, Gij zijt mijn Beschermer: in Uw handen beveel ik mijn geest.
Gij hebt mij verlost, Heer God der waarheid; Gij haat allen die aan ijdelheid hechten.
Op de Heer stel ik mijn vertrouwen; ik juich en verheug mij over Uw barmhartigheid.
Want Gij ziet neer op mijn vernedering, Gij verlost mijn ziel uit de verdrukking.
Gij hebt mij niet opgesloten in de hand van de vijand, mijn voeten hebt Gij in de vrije ruimte gesteld.
Heer, wees mij genadig, want ik word gekweld; mijn oog is ontsteld door verdriet, mijn ziel en mijn hart zwak en ziek.
Want in smart gaat mijn leven voorbij, mijn jaren vergaan in zuchten.
Mijn kracht is door ellende in zwakheid veranderd, mijn beenderen zijn ontsteld.
Niet slechts al mijn vijanden versmaden mij, maar mijn buren [naasten] nog meer:
ik ben een schrik voor mijn bekenden.
Die mij zien vluchten van mij weg, als een dode ben ik weggewist uit hun hart.
Ik ben als een gebroken vat, ik hoor hoe velen kwaad tegen mij beramen.
Toen zij tegen mij bijeenkwamen, besloten zij om mij het leven te ontnemen.
Maar ik vertrouw op U, o Heer, en zeg: Gij zijt mijn God, in Uw handen ligt mijn lot.
Bevrijd mij uit de hand van de vijand, van hen die mij achtervolgen.
Doe Uw aanschijn lichten over Uw dienaar, red mij in Uw barmhartigheid.
Heer, laat mij niet beschaamd staan omdat ik U heb aangeroepen,
maar laat de goddeloze te schande worden en afdalen in de hades.
Doe bedrieglijke lippen verstommen, die kwaad spreken tegen de gerechte met trots en hoon.
Heer, hoe groot is de overvloed van Uw Goedheid, die Gij verborgen hebt voor wie U vrezen.
Die Gij bewijst aan hen die op U vertrouwen, voor het oog van de zonen der mensen.
Gij verbergt hen in het verborgene van Uw aangezicht voor het oproer der mensen.
Gij beschut hen in een tent voor de tegenspraak van hun tong.
Gezegend zij de Heer, want wonderbaar was Zijn barmhartigheid in de versterkte stad.
In mijn verbijstering had ik gezegd: ik ben verworpen uit Uw ogen.
Maar daarom hebt Gij de stem van mijn smeking verhoord, toen ik tot U had geroepen.
Bemint de Heer, al Zijn ingewijden, want de Heer zoekt de waarheid.
Hij zal allen die hoogmoedig handelen overvloedig vergelden.
Wees een mens [man en vrouw], sterk uw hart, gij allen die vertrouwt op de Heer“.
Psalm 30[31] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

    De mensen nu namen dan de steen van het graf van Lazarus weg.
En onze Heer en Verlosser, de Zoon van God, sloeg de ogen opwaarts en zei
[in gebed]:
Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt.
Zelf wist Ik,
[was ik ervan overtuigd] dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de menigte mensen, die rondom Mij staat [Mijn Vrienden en Volgelingen], heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebtJohn.11: 41,42.

Wij zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.
De ziel van de mens betekent daarbij
het geestelijk beginsel in de mens,
welke bij het heengaan naar het hogere, het buitenaardse,
afscheid neemt van het lichaam.
De ziel wordt beschouwd als het diepste wezen van
de mens en het meest waardevolle in hem/haar.

Geen mens keerde ooit terug uit de dood en slechts in de grote en heilige week, welke dit weekend een aanvang neemt worden we geconfronteerd met de Opstanding uit de doden.
Onze Heer en Verlosser is voor ons het Lichtend voorbeeld en vandaag wordt ons voorgehouden dat Zijn beste vriend Lazarus [Hebr.= ‘God helpt hem’] eveneens uit de doden wordt opgewekt.
Toch lieten beiden niet veel los over ‘de overzijde’.
En wie er het Oude of Nieuwe Testament op naslaat, treft
allesbehalve een uitgewerkt of eenduidig beeld aan van het hiernamaals.
We treffen wel een groot aantal beeldspraken, metaforen en parabels aan.
Denk aan de ‘Profetische visioenen’ van Daniël en Ezechiël, opgetekend
in de gelijknamige boeken, of herkenbaar
aan de hartenkreten van de psalmist om
zijn lichaam en ziel niet aan de dood prijs te geven [o.a Psalm 31].
Onze Heer en Verlosser spreekt over het naderend Hemels Koninkrijk van
Zijn Hemelse Vader eveneens in beelden en gelijkenissen:
  een naderende oogsttijdMarc.4: 29;
  de dood die komt als een dief in de nachtMatth.24: 43;
  het omhakken van onvruchtbare bomenLuc.13: 9;
  een plaats van geween en tandengeknarsMatth.8: 12 en
  het scheiden van schapen en bokkenMatth.25: 31-46.
            Wat in de geschiedenis van vandaag duidelijk wordt is
dat onze Heer en Verlosser Zijn beste vrienden
  en wie anders zijn dat die ‘Zijn navolgelingen zijn
door God worden geholpen’ tot in de dood aan toe!
Dit is een van de essentiële hoogtepunten van ons Christelijk Geloof :

Wij geloven in één God de Vader,
de Al-Machtige Vader [‘de Albeheerser’],
Schepper van Hemel en aarde,
van al het zichtbare en onzichtbare, En in één Heer, Jezus Christus,
geboren uit de Vader vóór alle eeuwen.
Licht uit Licht, ware God uit de ware God,
geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader en door Wie alles geworden is . . . . .
Die om ons, mensen, en om onze Verlossing,
uit de hemel is neergedaald; en vlees heeft aangenomen door de Heilige Geest en de Maagd Maria, en mens geworden is.
Die voor ons onder Pontius Pilatus gekruisigd is, geleden heeft en begraven is,
Die opgestaan is op de derde dag, volgens de Schriften [de Blijde Boodschap];
Die opgevaren is naar de hemelen en zetelt aan de rechterhand van de Vader.
Die zal wederkomen in Heerlijkheid, 
om levenden en doden te oordelen, en
aan Wiens Rijk geen einde zal zijn.
En in de Heilige Geest, Heer en Levend-maker, Die uitgaat van de Vader, en
aanbeden en verheerlijkt wordt tezamen met de Vader en de Zoon;
Die door de Profeten gesproken heeft.
En in één Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk.
Wij belijden één doop tot vergeving van zonden.
Wij verwachten de Opstanding van de doden en
het leven van de toekomstige Eeuwigheid. AMEN

Onze Heer en Verlosser zal ieder van Zijn Volgelingen,
Zijn vrienden, die bij Hem horen, ‘nèt zoals Lazarus  opwekken.
Terwijl de dood ons niet zal scheiden van God,
zal Hij op een voor de Vader zekere dag
terugkomen en ieder van ons uit onze graven roepen.
Zijn overwinning op de dood bij het lege graf en
Zijn overwinning op de dood voor Lazarus,
herinnert ons eraan dat de dood op zijn ergst
niet meer is dan een rustgevende slaap.
Hij zal ons uit die slaap roepen en
ons in Heerlijkheid en Triomf bij Zich brengen.
Wij zullen Zijn “wekroep”:
– ‘ Lazarus [Hebr.= ‘ God helpt hem‘], kom naar buiten!’ –
horen en Opstaan/Verrijzen,
want de dood kan ons niet opeisen.
Wij zijn in de doop met Christus gestorven, zodat
de zonde en de dood
ons niet langer zal kunnen claimen.
Wij wachten nog op de
volledige verwerkelijking van Zijn Opstanding
in onze levens, maar
wij zijn er van overtuigd dat
Die gaat komen.

Theophany, Transfiguration & Opstanding van Lazaros, Sinaï-icon

  Allen verwachten van u, dat Gij hun voedsel geeft te rechter tijd.
Gij geeft het hun, en zij zamelen in; Gij opent Uw hand, en
allen worden met het goede verzadigd.
Maar als Gij Uw aangezicht afwendt, dan worden zij verbijsterd,
Gij neemt hun adem weg, en zij bezwijken: zij keren terug tot hun stof.
Gij zendt Uw Geest uit, en zij worden herschapen:
  Gij maakt nieuw het aanschijn der aarde’.
‘ Hoe groot zijn Uw werken o Heer’:
‘ Gij hebt alles moet wijsheid gemaakt’

uit Psalm 103 [104]: vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Apolytikion metten
tn1.
    Als een belofte van de gemeenschappelijke Opstanding
hebt Gij voor Uw Lijden Lazaros uit de doden opgewekt, Christus God.
Laat ons daarom, evenals de kinderen, de symbolen dragen van de zegepraal,
en tot u roepen, Overwinnaar van de dood:
Hasanna in den hoge;
gezegend Hij, Die komt in de Naam des Heren
’.  [herh.]

Kathismazang metten
tn.1.
    Gij had medelijden met de tranen van Martha en Maria
en Gij liet de steen van het graf afwentelen, Christus God;
Gij hebt de dode geroepen en doen Opstaan/Verrijzen,
opdat wij zouden geloven aan de Opstanding der wereld.
Ere zij Uw Heerschappij, Verlosser,
ere zij de Volheid van Uw Macht, Leven-schenker;
ere zij U, Die door Uw Woord alles tot het Zijn heft gebracht
”.

Kathismazang metten
tn.8.    Gij, Die als Schepper, alles tevoren weet,
hebt aan Uw Leerlingen [en ons] voorzegd:
Onze vriend Lazarus is heden ontslapen.
Gij hebt geweend en tot de Vader gebeden, en
hebt hem die gij liefhad geroepen.
Toen werd Lazarus uit de hades opgewekt; en daarom roepen wij tot U:
Aanvaard Christus God, de lof die wij wagen U aan te bieden en
verleen ons allen Uw Heerlijkheid
”.

Kondakion metten
tn.2.    Christus, de Waarheid, de Vreugde van allen en
het Licht en de Opstanding van de wereld,
is in Zijn Godheid verschenen op aarde.
Hij is het Voorbeeld van onze Opstanding/Verrijzenis en
schenkt aan allen God’s vergiffenis”.

Ikos metten
tn.2.    De Schepper van alles heeft tevoren Zijn Leerlingen gezegd:
Broeders en bekenden [navolgers], onze vriend is ontslapen.
Daaruit zien wij dat Gij alles weet, Gij Die immers alles geschapen heeft;
laat ons dan op weg gaan om
deze bijzondere begrafenis te zien, en het treuren van Maria.
En bij het graf van Lazarus zal Ik [Christus] een wonder verrichten als
voorspel van de Kruisiging, Die aan allen God’s Vergiffenis schenkt”.

God wist onze zonde – met wortel en al – God is niet zoals de mens bij wie de herinnering [onder invloed van de tegenstrever] maar blijft steken.
Daarom wordt de boeteling geheel opnieuw – als bij de doop – gezuiverd,
elke smet is uitgeroeid en is de herboren dopeling witter dan de meest smetteloze sneeuw.
We zijn allen zondaars, niemand uitgezonderd, we zijn het allemaal. 

Door de vergiffenis worden wij zondaars nieuwe schepselen, vervuld van de Geest en vol vreugde.
Een nieuw begin vangt voor ons aan: een nieuw hart, een nieuwe geest, een nieuw leven.
Wij, vergeven zondaars, die deze van God verkregen Genadegave hebben aanvaard, kunnen zelfs aan anderen leren niet meer te zondigen.
Maar zult u daarop zeggen, ‘ik ben zwak, ik val, sta op en val opnieuw’.
Ook al val je opnieuw, ‘ sta dan opnieuw op en zet je ‘in’ enige volgende val te voorkomen. Wanneer een peuter valt, wat doe jij dan als ouder?
Steekt hem/haar de hand toe en help hem/haar overeind.
Zo doet onze Vader, Die in de Hemelen zijt eveneens.

Als je uit zwakheid in zonde valt, steek je hand uit:
jouw Heer en Verlosser zal ze grijpen en je helpen opstaan.
Dat is de waardigheid van Gods vergiffenis!
De waardigheid die de vergeving door God ons schenkt, bestaat hierin
ons waarachtig te helpen, ons op de been te brengen, want
Hij heeft man en vrouw geschapen om rechtop te staan.
De vergiffenis van God is wat wij allen nodig hebben en
dit is nu de Groot’s-heid van Zijn Barmhartigheid.
Een Genadegave die elke vergeven zondaar geroepen is te
delen met iedere broeder en zuster die wij ontmoeten,
we zitten immers allen in hetzelfde schuitje.
Allen die de Heer aan onze zijde heeft geplaatst,
gezinsleden, vrienden, collega’s, parochianen…
allen hebben zoals wij, grote behoefte in de nood aan
God’s Barmhartigheid.
Vergiffenis krijgen is mooi, maar indien je keer op keer vergiffenis
wilt verkrijgen – schenk dan op jouw beurt vergeving en
dat toon je door voor elkaar te bidden
– het gebed stapelt immers ‘brandende kolen‘.
Want veelal zal het door verschillende oorzaken niet mogelijk zijn
tot een onderling ‘gedegen en grondig‘ gesprek te komen;
ego’s kunnen veelal nogal verschillen.

 

Woensdag na de Zondag van Maria van Egypte, voorafgaand aan Lazaros Zaterdag/Palmzondag

de thuisreis, de terugreis naar het Vaderland; the journey home, the return journey to the Fatherland; το ταξίδι στο σπίτι, το ταξίδι επιστροφής στην Πατρίδα; رحلة المنزل ، رحلة العودة إلى الوطن.

    Roep luidkeels, houd [u] niet in, verhef uw stem als een bazuin en maak Mijn volk zijn overtreding bekend en het huis van Jaäcob zijn zonden.
Wel zoeken zij Mij dag aan dag en hebben zij een welgevallen aan de kennis van Mijn wegen, als een Volk dat Gerechtigheid doet en het recht van Zijn God niet veronachtzaamt.
Zij vragen Mij rechtvaardige verordeningen, zij hebben er een welgevallen aan tot God te naderen.
– Waarom vasten wij, als Gij er toch niet op let:
⁌   Waarom verootmoedigen wij ons, als Gij er toch geen acht op slaat?
Zie, op uw vastendag doet gij zaken en drijft gij al uw arbeiders aan.
Zie, tot twist en tot strijd vast gij en om te slaan met snode vuist; gij vast heden niet om uw stem in den hoge te doen horen.
Zou dit het vasten zijn, dat Ik verkies, een dag, waarop de mens zichzelf verootmoedigt: dat hij 
zijn hoofd laat hangen als een bies [oeverplant] en zich rouwgewaad en as tot een leger [bed] spreidt?
            Noemen jullie dat een vasten, dat een dag die de Heer welgevallig is?
Is dit niet het vasten dat Ik verkies:
⁌   de boeien der goddeloosheid los te maken,
⁌   de banden van het juk te ontbinden,
⁌   verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken?
Is het niet:
⁌   dat gij voor de hongerige uw brood breekt en
⁌   arme zwervelingen in uw huis brengt,
⁌   ja, als gij een naakte ziet, dat gij hem bekleedt en
⁌   u niet onttrekt aan uw eigen vlees en bloed?
              Dan zal uw licht doorbreken als de dageraad en uw wond zich spoedig sluiten uw heil zal voor u uit gaan, de Heerlijkheid des Heren zal uw achterhoede zijn.
             Als jullie dàn roepen, zal de Heer antwoorden;
            als jullie om hulp roepen, zal Hij zeggen: Hier ben Ik.
⁌   Wanneer gij uit uw midden het juk wegdoet, het wijzen met de vinger en het spreken van boosheid nalaat,
⁌   Wanneer gij de hongerige schenkt wat gij zelf begeert en de verdrukten verzadigt, dan zal in de duisternis uw licht opgaan en uw donkerheid zal zijn als de middag.
            En de Heer zal u voortdurend leiden, u in dorre streken verzadigen en uw gebeente krachtig maken; dan zult gij zijn als een besproeide hof en als een bron, waarvan het water niet teleursteltIsaiah 58: 1-11.

bij ‘Heer ik roep [Vespers van 6e woensdag]:
tn.5.    Rijk ben ik aan hartstochten, ik draag het bedrieglijk gewaad der huichelarij; ik verheug mij in de slechtheid der onmatigheid en toon onmetelijke harteloosheid:
want ik veracht mijn ziel die neergeworpen ligt voor de poort der boete, die hongert naar het goede en lijdt door mijn onachtzaamheid.
Maar Gij Heer, maak mij tot een Lazarus, door arm te zijn aan zonden,
opdat mij niet, wanneer ik daarom bid, de druppel aan de vinger geweigerd moet worden, om mijn tong te verkwikken in het onuitblusbare vuur.
Doch laat mij wonen in de schoot van Vader Abraham,
want Gij zit de menslievende
”.    [herh.]

tn.5   Met niet te breken liefde hebt gij Christus nooit verloochend, heilige Martelaren: door zoveel mishandelingen en noteringen te ondergaan
hebt gij de hoogmoed der tirannen ter aarde geworpen.
Gij hebt het Geloof onwrikbaar en ongeschonden bewaard,
en zijt daarom overgegaan naar het Koninkrijk der Hemelen.
Gij hebt vrijmoedigheid verworven bij God,
smeek tot Hem om Vrede voor de wereld en
voor onze zielen om de grote Genade
”.

Van Jozef
tn.5.   Lichamelijk was U nog over de Jordaan, maar U riep tot Uw metgezellen:
Reeds is Mijn vriend Lazaros gestorven en hij wordt nu in het graf gelegd.
Ik verheug Mij, Mijn vrienden omwille van u, opdat jullie mogen weten dat Ik alles weet, daar Ik als God overal tegenwoordig ben, zonder begrenzing in ruimte of tijd,
ook al ben Ik een zichtbare Mens.
Komt, laat ons tot hem gaan, om hem weer tot leven te brengen, 
opdat de Dood bemerkt dat hij verslagen is, in het vooruitzicht van zijn totale vernietiging die Ik zeker tot stand zal brengen:
want Ik ben gekomen om aan de wereld grote Genade te schenken
“.

tn.5.   Gelovigen, volgen wij Martha en Maria na en zenden wij voorsprekers tot de Heer: door God ingegeven heilige werken, opdat Hij onze ziel komt opwekken,
die als een dode ellendig neerligt in het graf der zorgeloosheid,
gevoelloos, zonder vreze God’s, en beroofd van alle levenskracht.
Laat ons daarom tot Hem roepen:
Heer, Die Uw vriend Lazaros uit de dood hebt opgewekt,
door de Kracht van Uw hulp, breng ook ons allen tot leven, Medelijdende,
Die ons de grote Genade schenkt
“.

tn.5.   Twee dagen is Lazaros nu in het graf, hij ziet hen die
in alle tijden gestorven zijn en aanschouwt schrikwekkende beelden:
een ontelbare menigte, gevangen in de boeien van de Hades;
daarom wenen zijn zusters bittere tranen, wanneer zij het graf aanschouwen.
Doch daar komt Gij Christus om Zijn eigen vriend tot Leven te brengen,
zodat allen eenstemmig uitroepen:
Gezegend zijt Gij, Verlosser, ontferm U over ons
“.

  Ik heb Hem lief, want de Heer verhoort de stem van mijn smeking.
Hij heeft Zijn oor naar mij geneigd: in al mijn dagen wil ik Hem aanroepen.
Stervensweeën omringen mij, aan helse gevaren was ik ten prooi; ik vond kwelling en smart.
Maar ik heb de naam des Heren aangeroepen: o Heer, bevrijd mijn ziel.
Barmhartig en rechtvaardig is de Heer; onze God is genadig.
De Heer behoedt wat zwak is; ik was vernederd, maar Hij heeft mij gered.
Keer terug, mijn ziel, tot Uw rust, want de heer heeft u welgedaan.
Hij heeft mijn ziel ontrukt aan de dood; mijn ogen van tranen, mijn voeten van struikelen.
Ik wil de Heer welgevallig zijn, in het land der levenden
Psalm 114[115] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Prokimen
tn.4. Ik wil de Heer welgevallig zijn in het licht der levenden”.

  Ik heb Hem lief, want de Heer verhoort de stem van mijn smeking;
Hij heeft Zijn door naar mij geneigd, in al mijn dagen wil ik Hem aanroepen
”.

  Ik heb de Naam des Heren aangeroepen: o Heer, bevrijd mijn ziel.
Barmhartig en Rechtvaardig is de Heer, onze God is Genadig
”.

  De Heer behoudt wat zwak is, ik was vernederd maar Hij heeft mij gered;
keer terug mijn ziel, tot uw rust, want de Heer heeft u welgedaan
”.

    Ik Geloof, ook al heb ik gesproken, toen ik ten uiterste was vernederd.
In mijn verbijstering had ik gezegd: elke mens is een leugenaar.

Strekdam, die de sterkte versterkt; Stretchdam, which strengthens the strength

    Toen Jozef het huis binnengekomen was, brachten zij het geschenk dat zij bij zich hadden, bij hem binnen en zij bogen zich voor hem ter aarde. Daarop vroeg hij hen naar hun welstand en zei:   Is het wèl met uw oude vader, over wie gij gesproken hebt? Leeft hij nog?’.
En zij zeiden: Het is wel met uw knecht, onze vader; hij leeft nog.
Daarop knielden zij en bogen zich neer.
       Toen hij zijn ogen opsloeg, zag hij zijn broeder Benjamin, de zoon van zijn moeder, en zei: ‘ Is dit uw jongste broeder, over wie gij tot mij gesproken hebt?’.
En hij zei: ‘     God zij u genadig, mijn zoon’.
       Toen haastte Jozef zich weg, want zijn hart ging in ontroering uit naar zijn broeder, en hij zocht gelegenheid om te wenen; hij trad een kamer binnen en weende daar.
       Daarna wies hij zijn gelaat en trad naar buiten, bedwong zichzelf en zei: ‘Dient het maal op’.
>>   Toen kon Jozef zich niet langer bedwingen voor allen die bij hem stonden, en hij riep:  ‘     Laat allen van mij weggaan’. En daar stond niemand bij hem, toen Jozef zich aan zijn broeders bekend maakte.
Daarop brak hij uit in luid geween, zodat de Egyptenaren en Farao’s huis het hoorden.
      En Jozef zei tot zijn broeders:
‘ Ik ben Jozef; leeft mijn vader nog?’.
Doch zijn broeders konden hem niet antwoorden, want zij deinsden van schrik voor hem terug.

Josef [Hebr. = ‘de Heer heeft toegevoegd’]
         Toen zeide Jozef tot zijn broeders:
‘ Komt toch naderbij’. Daarop naderden zij.
En hij zei: ‘ Ik ben uw broeder Jozef, die gij naar Egypte verkocht hebt. Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden.
         Want reeds twee jaren is er hongersnood geweest in dit land en er komen nog vijf jaren, waarin niet geploegd of geoogst zal worden.
Daarom heeft God mij voor u uit gezonden om u een voortbestaan te verzekeren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden.
Dus zijt gij het niet, die mij hierheen gezonden hebt, maar God; Hij heeft mij gesteld tot Farao’s vader en tot heer over geheel zijn huis en tot heerser in het gehele land Egypte.
Trekt haastig naar mijn vader en zegt tot hem: Zo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij gesteld tot heer over geheel Egypte, komt tot mij, draal niet.
Gij zult in het land Gosen wonen en gij zult dicht bij mij zijn, gij en uw kinderen en uw kindskinderen, uw kleinvee en uw runderen en al wat gij hebt.
En ik zal daar voor u zorgen, want er zal nog vijf jaar hongersnood zijn, opdat gij niet verarmt, gij, noch uw huis, noch iemand van de uwen.
En zie, uw eigen ogen en die van mijn broeder Benjamin zien, dat het mijn mond is, die tot u spreekt.
Vertelt dan aan mijn vader al de heerlijkheid die ik in Egypte bezit, en alles wat gij gezien hebt, en brengt mijn vader haastig hierheen’.
        Toen viel hij zijn broeder Benjamin om de hals en weende, en Benjamin weende aan zijn hals.
En hij kuste al zijn broeders hartelijk en weende, hen omhelzende. Daarna eerst spraken zijn broeders met hem.
Toen het gerucht in Farao’s huis vernomen werd, dat Jozefs broeders waren gekomen, was dit Farao en zijn dienaren aangenaamGen.43: 26-31;45: 1-16.

 

Profeet David, zoon van Jesse, bidt . . . . .

  Wat kan ik de heer teruggeven, voor alles wat Hij mij geschonken heeft /
Ik zal de Kelk des Heils nemen, en de Naam des heren aanroepen.
ik zal de Heer mijn geloften inlossen, ten aanschouwen van heel Zijn volk.
Kostbaar voor het aanschijn des heren is het sterven van Zijn gewijden.
O Heer, ik ben immers Uw dienstknecht, de zoon van uw dienstmaagd:
Gij hebt mijn boeien verbroken.
U wil ik een lofoffer opdragen; ik wil de naam des Heren aanroepen.
Ik zal de Heer mijn geloften inlossen, ten aanschouwen van Zijn volk.
In de voorhoven van het Huis des Heren; in Uw midden, Jeruzalem
Psalm 115 [116] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Prokimen
tn.4.   Ik zal de Heer mijn geloften inlossen ten aanschouwen van heel Zijn Volk”

“Ik Geloof, ook al heb ik gesproken torn ik ten uiterste was vernederd:
in mijn verbijstering had ik gezegd: elke mens is een leugenaar”

“Wat kan ik de Heer teruggeven voor alles wat Hij mij geschonken heeft?
Ik zal de Kerk des Heils nemen en de Naam des Heren aanroepen”.

“Kostbaar voor het aanschijn des Heren is het sterven van Zijn Gewijden.
O Heer, ik ben immers Uw dienst-knecht[-maagd];
Gij hebt mij de boeien verbroken”.

De Heer verhoort de stem van de aanhoudende nederige verzoeken van iedere mens, daarom kunnen wij Orthodoxe gelovigen niet ophouden te roepen:
    Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm u over ons zondaars” [ = het Jezusgebed].
Wij beseffen maar al te goed dat wij onze knopen niet behoeven te tellen of zoals dat bij geliefden gebruikelijk is, de bloemblaadjes van het madeliefje te verwijderen en te zeggen: “ Hij houdt wèl van mij; Hij houdt niet van mij”.
Onze Heer heeft immers gezegd dat “Hij Zich met de engelen verheugt over elke zondaar, die zich bekeert”.
Je kunt echter soms nog zulke mooie plannen hebben, maar als de tegenstrever een spaak in jouw wiel probeert te steken, dien je jouw strategie aan te passen en dat is hetgeen wij de afgelopen periode getracht hebben te doen.
Isaiah houdt ons vandaag het volgende voor:
  Indien je God lief hebt . . . . . zoek je Hem elke dag en probeer je Zijn wegen na te volgen. Want wanneer een God’s-Volk gerechtigheid heeft gedaan en het oordeel van hun God niet terzijde hebben gesteld, vragen zij Hem vervolgens om een rechtvaardig oordeel en verlangen zij er naar God zoveel mogelijk nabij te komen”.
Nu ons vasten, welke haar einde nadert, is een belangrijke vorm van vroomheid, toewijding en spirituele groei.
Toen onze Heer en Verlosser Zich onder ons mensen begon te manifesteren was de praktijk van vasten reeds alom bekend.
Bovenstaande lezing van Isaiah laat ons weten dat de Pedagogie, die onze Heer ons hieromtrent oplegt; al eeuwenlang door de Profeten aan het Volk van het Eerste Verbond werd voorgehouden.
Onze Heer en Verlosser benadrukt dit fenomeen eveneens:
⁌        En wanneer gij vast, toont dan niet, zoals de huichelaars, een somber gelaat; want zij maken hun aangezicht ontoonbaar, om zich aan de mensen te vertonen, wanneer zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. Maar gij, zalf uw hoofd, als gij vast, en was uw 
gelaat, om u niet bij uw vasten aan de mensen te vertonen, maar aan uw Vader, die in het verborgene is; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergeldenMatth.6: 16-18;
⁌        Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem en vroegen: Waarom vasten wij en de Farizeeën wel, maar uw discipelen niet?
Jezus zei tot hen: ‘ Kunnen soms bruiloftsgasten treuren, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is, en dan zullen zij vasten.
En niemand zet een niet-gekrompen lap op een oud kledingstuk; want de ingezette lap scheurt iets af van het kledingstuk en de scheur wordt erger. Ook doet men jonge wijn niet in oude zakken; anders barsten de zakken en de wijn loopt weg en de zakken gaan verloren; maar men doet jonge wijn in nieuwe zakken en beide blijven samen behoudenMatth.9: 14-17;
⁌        Zijn discipelen vroegen Hem, wat de bedoeling van deze gelijkenis [ van het zaad in de aarde] was. En Hij zei:
  Aan u allen is het gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk Gods te kennen, maar aan de anderen [worden zij gepredikt] in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien en horende niet begrijpen.
Dit is de gelijkenis: Het zaad is het woord Gods.
Die langs de weg, zijn zij, die het gehoord hebben; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven en behouden worden.
Die op de rotsbodem, zijn zij, die het woord, zodra zij het horen, met blijdschap ontvangen; en dezen hebben geen wortel, zij geloven voor een tijd en in een tijd van beproeving worden zij afvalligLuc.18: 9-14.
Wij verkondigen niet voor niets in onze Geloofsbelijdenis over “ de Heilige Geest, Die door de Profeten gesproken heeft !!!”.
God heeft in de persoon van de Heilige Geest, Die uitgaat van de Vader dit essentiële reeds lang van tevoren gedefinieerd.
Deze profetieën vertegenwoordigen zowel de Heilige Traditie als de geschiedenis.
Wanneer we het harmonieus samengaan van het Woord des Heren in de leringen van Isaiah en Christus volgen, mogen we dat doen.
Gebruik daarom deze passage als een door God gegeven meetlat om ons vasten te evalueren.

Geloof heeft de hoop als basis
We denken na over deze zinnebeelden van wijsheid om ons bij te staan het vasten maar snel achter ons te laten – voordat wij er überhaupt aan zijn begonnen.
Het is nog niet te laat om de bakens te verzetten en de goede richting aan te gaan houden.
De goede moordenaar vond immers het Hemels Koninkrijk op het laatste ogenblik terwijl hij naast de Heer aan een aangrenzend kruis werd gekruisigd.
Laat God je hart raken! Lees bovenstaande verzen van Salomon en Isaiah – overweeg ze en stel jezelf vragen teneinde jouw ommekeer te bewerkstelligen, teneinde je op die weg te ondersteunen en je naar het Groot en Heilg Pascha te begeleiden.
Zijn het mijn eigen normen, die ik voorop stel of die van God?
– Neem hierbij de zaligsprekingen van de bergrede [Matth.5: 3-12] tot leidraad. Wat is de wezenlijke bedoeling en wat is niet zo belangrijk.

  • God’s geboden [Ex.20: 1-17] zijn het er slechts 10 of onnoemlijk meer zoals uit de Thora [Hebr.= ‘God’s onderwijs, pedagogie’] blijkt.
    – De leringen van de Apostelen [Rom.12, Eph. 4-6; 1Petr. 2-4 en de Jaäcobus-brief].
  • Onze Heer en Verlosser is, net als Zijn Vader, een rechtvaardige God, die er van uit gaat dat leven, werkelijk Geloof inhoudt, welke uitgaat van het gebod van de Liefde tot God en de naaste.
    Beperk ik m’n dagelijks voedsel en vermeerder ik m’n gebeden als uitdaging of als middel om werkelijk te bouwen aan mijn relatie en gehoorzaamheid aan God? Dient mijn vasten slechts mijn ego, m’n eigen doelen en behoefte tot afvallen? Verlang ik nog wel naar God’s Genade-gaven, wanneer ik als mens onnoemlijk tekort schiet.

Kom ik dichter bij God en vind ik vrede in m’n hart [mijn tempel/mijn kerkje]?Ben ik in staat volgende week woensdag het Mysterie van de Ziekenzalving te ontvangen
⁌   de olie der Vreugde en de Liefde” – alvorens met de Heer op te gaan in lijden, sterven en Opstanding/Verrijzenis?
Kan ik de heilige discipline opbrengen deze laatste week nog waakzaam te blijven, met Hem onder ogen te zien van datgene wat ons met Hem te wachten staat – of zijn we dermate vermoeid dat óók òns net als zijn Apostelen de slaap overvalt?
Al knopen tellend zal het bij – ‘het ene gewaad, met de keppel [plaats van de erehoed] op’ – niet meevallen ten opzichte van de priester onder de arbeiders in de wijngaard. Zij, die een zwarte – ‘overall’ [=‘werkkleding] – dragen, waarvan slechts de banden over de schouder [die de broek ophouden] aangeven dat er een juk wordt gedragen. Heb je werkelijk de handen wel eens uit de mouwen gestoken of een schort omgedaan om in de keuken bij de afwas òf bij het bereiden van de maaltijd te assisteren? Heb je een voedsel- of kledingbank wel eens van binnen bekeken? Het liefdesleven bij God bestaat immers niet alleen door de ogen op te slaan aan de vier zijden van het offeraltaar?
De zalvingen op het hoofd en al de zintuigen zijn een uiting van hetgeen zich ‘innerlijk‘ afspeelt en is te vergelijken met de H. Geest, Die neerdaalt bij de geesteszalving van Christus na Diens doop in de Jordaan [Theophanie]. Het is vervolgens de stem van de Vader, Die weerklinkt met de woorden: “ Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, in Wie Ik Mijn wel-behagen heb”.
Dezelfde woorden klonken bij de ontmoeting van onze Heer en Verlosser op de berg Thabor, toen Deze Zich met Mozes en Elia onderhieldt. Zeggen wij met de Apostel tot Christus: “Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als Gij wilt zal ik hier drie tenten opslaan, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia”.

wolk en een Mysterie zo mooi; cloud and a Mystery so beautiful

De Apostel, de ‘ná’-volger was nog niet uitgesproken of een lichtende wolk overschaduwde hen en uit de wolk klonk een stem: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn welbehagen heb gesteld; luistert naar Hem”.
En op het horen van deze woorden, werpen wij ons eveneens ter aarde neer en worden aangegrepen door een grote vrees voor het Mysterie van het Leven.
Maar onze Heer en Verlosser is ons nabij en laat ons weten: “Staat allen op en weest niet bang”.
        Ook bij het Mysterie van de ziekenzalving bevinden wij ons in de tijd van God, Die geen tijd kent en in de eeuwen der eeuwen verblijft; ook bij het ontvangen van dit Mysterie geldt dat de Orthodoxie geen praktijk van ‘Eucharistische gastvrijheid’ kent – ook hier wordt voor de naderen tot dit Mysterie verlangt dat er eenheid is van Geloof – en dat ook dit Mysterie niet het middel tot eenheid is.
De manier waarop wij met onszelf communiceren, is bepalend voor de kwaliteit van het contact met onze Heer en Verlosser; het vraagt om nauwkeurigheid, specifiek positief bekrachtigende invloed – dit legt de grondslag voor onze relatie met onze omgeving. Op die wijze wordt van dag tot dag, van moment tot moment, onze droom tot beeld van God te zijn, bewaarheid en zullen op die manier Zijn Pedagogie in de wereld verkondigen. Het Christelijk leven is namelijk een aaneen-schakeling van momenten, die staan te wachten tot we ze gaan onderzoeken en de juiste afweging maken.

    Wie zijn mond en zijn tong [z’n pen] bewaakt, bewaart zichzelf voor benauwdheden. Een overmoedige en vermetele heet spotter, hij, die handelt in mateloze overmoed.
De begeerte van de luiaard brengt hem ten dode, want zijn handen weigeren te werken.
De begerigheid begeert de ganse dag, maar de rechtvaardige geeft en houdt niet terug.
Het offer der goddelozen is een gruwel, hoeveel te meer, als hij het met boze bedoeling brengt.
Een leugenachtig getuige zal omkomen, maar een mens die luistert, zal zegevierend spreken.
De goddeloze zet een onbeschaamd gezicht, maar de oprechte, hij geeft vastheid aan zijn wandel.
Er is geen wijsheid en geen verstand, geen raad is er tegenover de Heer.
Het paard wordt opgetuigd tegen de dag van de strijd, maar de zege is van de Heer.
Een goede naam is verkieslijker dan veel rijkdom, gunst is beter dan zilver en goud.
Rijken en armen ontmoeten elkander; hun aller Maker is de Heer.
De schrandere ziet het onheil en bergt zich, maar de onverstandigen gaan hun gang en moeten boeten.
Het loon van onderworpenheid [vreze des Heren] is rijkdom, eer en leven“ Spreuken 21: 23-22: 4.

  Barmhartig en Rechtvaardig is de Heer.
Ik heb Hem
[en mijn naasten] lief, daarop verhoort de Heer
de stem van mijn smeking
”.

Dinsdag na de Zondag van Maria van Egypte, voorafgaand aan Lazaros Zaterdag/Palmzondag

    Belijdt de Heer, want Hij is goed, want eeuwig duurt Zijn Barmhartigheid.

Christus op het meer van Galilea, by Eugène Delacroix

Getuigt dit, gij die bevrijd zijt door de Heer; die Hij bevrijd heeft uit de hand van uw vijand.
Want Hij heeft hen bijeengebracht uit alle streken: vanuit het oosten, het zuiden, het noorden en de zee.
Sommigen verdwaalden in de woestijn, in waterloos land, en vonden geen weg naar een bewoonde plaats. 
Zij leden honger en dorst: hun ziel bezweek in hun binnenste.
Zij riepen tot de heer in hun beproeving, en Hij verloste hen uit de nood.
Hij leidde hen naar een goede weg, zodat zij aankwamen in een bewoonde streek.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen. Want Hij heeft de smachtende ziel verzadigd, en de hongerige met goederen vervuld.
Anderen waren gezeten in het duister, in de schaduw des doods, ellendig, in de boeien geslagen. Want zij hadden Gods woorden bitter gemaakt, de raad van de Allerhoogste geminacht. Toen werd hun hart door kwelling vernederd; zij werden zwak, en er was niemand die hielp.
Maar zij riepen tot de Heer in hun beproeving, en Hij verloste hen uit hun nood.
Hij voerde hen weg uit het duister van de schaduw des doods; Hij verbrak hun boeien. Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid, om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen.
Hij heeft immers de bronzen poorten verbrijzeld de ijzeren grendels verbroken.
Hij heeft hen opgeheven van de weg hunner boosheid, want om hun ongerechtigheden waren zij vernederd.
Hun ziel walgde van elke spijs, zij stonden reeds voor de poorten des doods.
Maar zij riepen tot de Heer in hun beproeving, en Hij verloste hen uit hun nood.
Hij zond Zijn woord uit om hen te genezen; Hij ontrukte hen aan hun ondergang.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen. Dat zij Hem opdragen een offer van lof; dat zij met blijdschap Zijn werken bejubelen.
In schepen kozen weer anderen zee, zij deden hun werk op de grote wateren.
Zij zagen de werken des Heren: Zijn wonderdaden in de geweldige diepte.
Hij sprak, en een stormwind stak op: de golven werden opgezweept.
Zij vlogen omhoog naar de hemel, en vielen omlaag in de diepte: hun ziel kromp ineen van ellende. Zij schudden en slingerden als waren zij dronken al hun bedrevenheid schoot tekort.
Toen riepen zij tot de Heer in hun beproeving, en hij ontrukte hen aan hun nood.
Want Hij gaf bevel aan de storm, en die werd tot kalmte; Hij deed de golven bedaren. Hoe verheugden zij zich over die rust, terwijl Hij hen voerde naar de verlangde haven.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen. Dat zij hem verheffen in de bijeenkomst van het Volk, hem loven in de zitting der oudsten.
Ook maakte Hij stromen tot een woestijn, waterlopen tot dorstig land. Vruchtbare grond tot een zoutmoeras, om de slechtheid van die daar woonden. Maar ook heeft Hij woestijn in plassen veranderd in de dorre grond stroomt nu water.
Daar deed Hij de hongerigen wonen; zij bouwden daar steden tot hun verblijf.
Zij zaaiden akkers en plantten wijngaarden; deze droegen rijkelijk vrucht.
Hij zegende hen, en zij vermenigvuldigden zich uitermate; ook hun vee maakte Hij talrijk.
Dan weer werd hun aantal gering, zij werden gekweld door verdrukking, ellende en smart. Verachting kwam neer op hun vorsten: Hij deed hen verdwalen in ongebaande streken.
Maar de arme hielp Hij uit zijn gebrek: Hij maakte zijn gezin tot een kudde.
Mogen de oprechten dit zien en zich verheugen; moge alle ongerechtigheid de mond worden gestopt.
Wie is wijs om dit alles te houden ? Wie wil de barmhartigheden van de Heer verstaan ?” Psalm 106[107] vert. ROK. ’s-Gravenhage

Prokimen [Vespers]
tn.7.    Wees verheven boven de Hemelen, o God;
overheen de aarde zij Uw Heerlijkheid”

Heiligt het menselijk doel de middelen, die hij/zij inzet?
    Gerechtigheid en recht doen, is de Heer welgevalliger dan offers. Trotsheid van ogen en opgeblazenheid van hart; de glans der goddelozen is zonde.
De plannen van de vlijtige strekken tot louter overvloed, maar al wie overijlt, komt slechts tot gebrek.
Schatten verwerven met bedrieglijke tong is een verwaaiende nevel, dodelijke valstrikken. De gewelddaad der goddelozen sleurt hen mee, want zij weigeren recht te doen. Kronkelend is de weg van de bedrieger, maar een eerlijk man is recht in zijn doen. Beter te wonen op een hoek van het dak dan met een twistzieke vrouw in een gemeenschappelijke woning. De begeerte van de goddeloze gaat uit naar het kwaad; zijn naaste draagt hij geen genegenheid toe.
Straft men de spotter, dan wordt de onverstandige wijs; onderricht men de wijze, hij zal kennis verwerven. De Rechtvaardige let op het huis van de goddeloze en stort de goddelozen in het verderf.
Wie zijn oor gesloten houdt voor het hulpgeroep van de geringe, zal, als hij zelf roept, geen antwoord ontvangen. Een heimelijke gave doet de toorn bedaren, een geschenk in de buidel hevige gramschap.
Recht doen is een vreugde voor de rechtvaardige, maar een verschrikking voor de bedrijvers van ongerechtigheid. Een mens die afdwaalt van de weg van het verstand, zal tot rust komen in de vergadering der schimmen.
Wie van vermaak houdt, zal gebrek lijden; wie olie en wijn liefheeft, wordt niet rijk.
De goddeloze is een losprijs voor de rechtvaardige, en de trouweloze komt in de plaats van de oprechten.
Het is beter te wonen in een woestijn dan met een twistzieke en gramstorige vrouw.
In de woning van de wijze is kostelijke voorraad en olie, maar een dwaas van een mens brengt het door.
Wie gerechtigheid en liefde najaagt, vindt Leven, Gerechtigheid en Eer
Spreuken 21: 3-21.

Kathisma [metten]
tn.6.    Weggeteerd door de ziekte der zonde
lig ik op het leger [bed] der wanhoop,
Geneesheer van zieken bezoek mij daarom in Uw Menslievendheid,
sta niet toe dat ik inslaap in de verschrikkelijke dood, opdat
ik U vurig mag toeroepen Menslievende”

U, Die alle Genade schenkt, ‘Heer ere zij U’”.     [herh.]

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen
”.

tn.6.    De Engelengroet van Gabriël aan de Maagd is het begin van onze Verlossing,
want bij het horen van het ‘Verheug u’ ontweek zij de begroeting niet,
zij twijfelde niet zoals Sara in de tent van Abraham,
maar antwoordde uit geheel haar hart:
Zie de Dienstmaagd des Heren, mij geschiedde naar uw woord
”.

tn.5.    Sinds gisteren is Lazaros ziek, zo meldden zijn zusters aan Christus;
Bethanië, bereid u met vreugde voor om
Uw Meester en Koning als Gast te ontvangen;
en roep met ons: ‘Heer ere zij U’
    [herh.]

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen
”.

tn.5.    Alheilige Moeder Gods, schutsmuur der Christenen,
bevrijd uw volk dat dringend tot U roepen:
  Sta ons bij in onze strijd tegen onze slechte en hoogmoedige gedachten,
opdat wij mogen roepen tot u:
Verheug u, die altijd Maagd zijt gebleven
”.

Het lied van Mozes bij de Rietzee

Lied van Mozes

2e Irmos
tn.6.    Ziet, ziet, Ik ben Uw God, Die in de woestijn manna deed regenen voor Mijn Volk, en water deed opwellen uit de rots, door de kracht van Mijn rechterhand

Christus, Die van nature boven alles rijk zijt, Gij zijt vrijwillig arme geworden, Gij, Die aan al wat leeft hun voedsel schenkt, hebt uit vrije wil honger geleden.
Verzadig mij, die honger naar Uw Genade, O Woord, en
maak mij deelgenoot van Uw Hemelse Dis”.

Maak mij Christus, zoals Lazarus tot iemand, die arm aan zonden is en
verstrooi de rijkdommen die ik ten onrechte heb vergaard
[geld en daaruit voortvloeiende macht vrijwillige heb aanvaard].
Doch maak mij rijk aan volmaakte liefde tot U, Medelijdende en
bevrijd mij van de angstwekkende straf der hel.

Het vasten heeft de Jongelingen van Babylon zo gehard
[door het vuur van de Heilige Geest]

Wordt niet moe hen na te volgen, mijn ziel,
dan zult ge het vuur der begeerten blussen
door de verkwikkende dauw van de Heiige Geest.

Theotokos of ‘The Akathist’ – Icon

Theotokion – Tot u, die onze Vreugde in uw schoot gedragen hebt, roepen wij, verheug u, Hoog-Begenadigde, Moeder God’s en Maagd.
Smeek tot God, Die u geboren hebt doen worden, dat wij die u steeds weer bezingen, verlost worden van gevaar en bederf.

2e Irmos
tn.5.    Ziet, ziet, dat Ik God ben, Die Mij met vlees heb bekleed in Mijn vrijwillig raadsbesluit,
om Adam, die door de slang in overtreding gevallen was uit de dwaling te redden
”.

Ziet, ziet, dat Ik God ben: Ik ben gebleven aan de overzijde van de Jordaan,
hoewel Ik gehoord had dat Lazarus zwaar ziek was;
Ik heb gezegd dat hij niet zou sterven, maar dat dit geschiedde tot Mijn Heerlijkheid.

De zusters van Lazarus zonden onder tranen bericht over Lazaros’ ziekte aan U, Die alles [al] weet.
Maar U blijft nog enige tijd daar, om het wonder groter te doen zijn, en
aan Uw Leerlingen [en ons] ontzagwekkende gebeurtenissen te doen zien.

Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,

Eenheid in Drie Personen, Die dezelfde Macht bezit;
Éen-wezenlijke Koninklijke Heerlijkheid,
Die Uw Heerschappij uitstrekt over heel de tijd [en ruimte]:
heel de menigte der Engelen verheerlijkt U, tezamen met het menselijk geslacht,
als de Vader en de Zoon en de Heilige Geest”.

Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen”.

Wie zou niet vol bewondering zien hoe de Schepper in u, Maagd,
de gevallen Adam herschept en in onzegbare eenwording uit u in het vlees geboren wordt omwille van onze Verlossing, zonder daarbij verandering te ondergaan?

Ere aan U, onze God, eer aan U”.

Maak u nu gereed, Bethanië, om vol vreugde de Koning van het Heelal te ontvangen.
Want Hij komt tot u om te laten zien hoe Lazaros terugkomt vanuit het bederf naar het Leven.

Hymne van de Drie Jongelingen

8e Irmos
tn.6.
    Temidden van de vlammengloed deed U dauw [de doop] neerdalen voor de Gerechten.
En Nehemia’s offer
hebt U door water ontstoken;
want Gij, o Christus
hebt alles alleen door Uw Wil geschapen:
U verheffen wij in alle eeuwigheid
”.

Wanneer ik denk aan de talloze overtredingen, dan word ik gewond in het diepst van mijn geweten: ik, ellendige. lijd pijn als door een schroeiende vlam.
Woord van God, ontferm U over mij in Uw Genade.

Zonder acht te slaan op de edele leven’s-wijze van Lazaros, heb ik die van de harteloze Rijke nagevolgd.
Barmhartige God, bekeer mij, opdat ik U mag ver-Heerlijken in alle eeuwen.

Zwaar benig aangetast door de ziekten van mijn ziel;
mij wacht de dood van de wanhoop.
Hoezeer heb ik Uw zorg nodig, Die hen weer Levend maakt, die roepen tot U.

theotokion Alheilige Maagd, behoud mij en kom mij te hulp in mijn ziekte;
want u hebt Hem Die de Barmhartigheid liefheeft gebaard.
Hem verheffen wij in alle eeuwen.

9e Irmos
tn.5. 
  Verheug u, Isaiah, want de Maagd heeft ontvangen in haar schoot en
Emmanuël de God-mens gebaard. Zijn Naam is: Opgang van het Licht,
Hem ver-Heerlijken wij en u o Maagd, bezingen wij”.

Bereid uw doodsgewaden voor, wijze Lazaros, want
u zult het leven verlaten en morgen sterven;
en zie naar het graf dat u zult bewonen.
Maar Christus zal u weer tot Leven brengen, wanneer
Hij u zal opwekken op de vierde dag.

Reidans van Vreugde, Bethanië, want Christus komt tot u om
aan u een groot en ontzagwekkend Mysterie [RK. Wonder] te verrichten:
Hij zal de dood  in boeien slaan en als God van het heelal
zal Hij Lazaros opwekken die gestorven is en zijn Schepper verheft.

“Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest”,

U bezing ik, in Wezen Éne, beginloze Drieheid,
Heilige en ongedeelde Eenheid, ‘Oorsprong van alle Leven’
U, de door niemand voorgebrachte Vader;
U, Woord en Zoon uit de Vader;
en U, Heilige Geest.
red ons, die u in hymnen bezingen.

“ Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen”.

Uw moederschap gaat het begrip taboven, Moeder God’s, want
zonder man hebt u ontvangen, maagdelijk hebt u gebaard, en
het Kind is God.
Hem verheffend, prijzen wij u zalig.

     Eer aan U, onze God, eer aan U.
Komt, laten wij ons voorbereiden om de Heer
tegemoet te gaan met de palmtakken van onze deugden.
Dan ontvangen wij Hem in onze ziel
als in de stad Jerusalem, terwijl
wij Hem aanbidden en bezingen.

Apolytikion van de Profetie
tn.5 “ De Maagd, die U gebaard heeft, hebt U ons geschonken als onoverwinnelijke muur:
ontruk door haar onze zielen aan de aanvallen die ons rondom bedreigen.

Prokimen uit Psalm 108
tn.8.    Help mij, Heer mijn God, en
red mij volgens Uw Barmhartigheid
”.

God blijf niet zwijgen bij mijn lofzang, want de mond van zondaar en bedrieger is wijd tegen mij geopend:
zij strijden tegen mij zonder reden.

Hij vervolgde armen en bedroefden en
[degenen] van wie het hart gebroken was bracht hij ter dood;
hij hield van vervloeking: deze zal over hemzelf komen;
hij wilde geen zegen: deze zal ver van hem blijven.

U Heer, doe met mij volgens Uw Naam, want
goedertieren is Uw Barmhartigheid; bevrijd mij, want
wat ik ben bedroefd en arm,
mijn hart is beangst in mijn binnenste.

Profeet Isaiah & de cherubijn – Προφήτης Ησαΐας & Χερουβείμ – إشعياء النبي والملاك

    Hij zegt dan: Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om
de stammen van Jaäcob weer op te richten en de bewaarden van Israël [de Kerk] terug te brengen;
Ik stel u tot een licht der volkeren, opdat Mijn Heil zal reiken tot het einde der aarde. 
Zo zegt de Heer, Verlosser van Israël [de kerk], zijn Heilige,
tot de diep verachte, de bij het volk verafschuwde, de knecht van heersers:
Koningen zullen dit zien en opstaan; vorsten, en zich neerbuigen,
ter wille van de Heer, Die getrouw is, de Heilige van Israël  [de Kerk], Die u [uit-]verkoren heeft.
Zo zegt de Heer:
    Ten tijde van het welbehagen heb Ik u verhoord, en
ten dage van het Heil heb Ik u geholpen;
Ik zal u behoeden en u stellen tot een verbond voor het volk om het land weer te herstellen, om verwoeste eigendommen weer tot een erfdeel te maken,
Om tot de gevangenen te zeggen: Gaat uit!
tot hen die in de duisternis zijn: Komt te voorschijn!
Aan de wegen zullen zij weiden, op alle kale heuvels zal hun weide zijn;
Zij zullen hongeren noch dorsten, woestijngloed noch zonnesteek zal hen treffen,
want hun Hij, Die Zich over hen Ontfermt,
zal hen leiden en hen voeren aan waterbronnen

Isaiah 49: 6-10.

Harp van David

    De Heer zegt tot mijn Heer: zit neer aan mijn rechterhand.
Opdat Ik uw vijanden make tot een steun onder uw voeten.
Een scepter van Kracht zal de Heer u zenden vanuit Sion: heer, temidden van uw vijanden.
Bij U is heerschappij op de dag van uw kracht, in de stralende luister van uw heiligen.
Uit de schoot heb ik U voortgebracht vóór de morgenster.
De Heer heeft gezworen, onveranderlijk: Gij zijt de priester in eeuwigheid, volgens de orde van Melchisedek.
De Heer is aan uw rechterhand; Hij verbrijzelt koningen op de dag van Zijn toorn.
Hij oordeelt de volkeren, maakt talrijk de gevallenen; de hoofden van velen verplettert Hij op de grond.
Uit een beek onderweg zal Hij drinken, en dan het hoofd verheffen
Psalm 109[110] vert. ROK. ’s-Gravenhage

    Ik wil U belijden, Heer, uit heel mijn hart; in de raad der gerechten, op hun bijeenkomst. Groot zijn de werken des Heren, uitgelezen naar al Zijn welbehagen.
Belijdenis en luister is Zijn werk, Zijn Gerechtigheid blijft in de eeuwen der eeuwen;
Hij houdt ze in gedachtenis door Zijn  wonderen [Genadige Mysteriën].
Barmhartig en medelijdend is de Heer, Hij schenkt voedsel aan wie Hem vrezen; Zijn Verbond zal hij eeuwig gedenken.
De kracht van zijn werken verkondigt Hij aan Zijn volk, door hun het erfdeel der heidenen te schenken.
De werken van Zijn handen zijn Waarheid en Recht; getrouw zijn al Zijn geboden.
Zij zijn opgericht tot in de eeuwen der eeuwen, om te doen naar waarheid en recht.
Hij heeft bevrijding gezonden aan Zijn volk, voor eeuwig Zijn Verbond gehouden:
Heilig en ontzagwekkend [Groot] is Zijn naam.
Het begin van de Wijsheid is de vreze des Heren: goed begrip hebben allen die er naar handelen.
Zijn lof moge blijven tot in de eeuwen der eeuwen
Psalm 110[111] vert. ROK. ’s-Gravenhage


Rechtvaardigheid bij God,
de bedrieger onderkent dat ook hijzelf bedrogen is
.

Jaäcob met de dochters van Laban – by Louis Gauffier

    Toen zeide de Heer tot Jaäcob:
    Keer terug naar het land uwer vaderen en naar uw maagschap, en Ik zal met u zijn’. 
Daarop liet Jaäcob Rachel en Lea roepen naar het veld, bij zijn kleinvee, en zei tot haar:
    Ik bemerk, dat het gezicht van uw vader jegens mij niet is als gisteren en eergisteren, maar de God van mijn vaderen is met mij geweest.
Ook weet u zelf, dat ik met al mijn kracht uw vader gediend heb.
Maar uw vader heeft mij bedrogen en mijn loon tienmaal veranderd, doch God heeft hem niet toegelaten mij te benadelen.
Wanneer hij zei:
de gespikkelde zullen uw loon zijn, dan wierp al het kleinvee gespikkelde jongen; en
wanneer hij zei:
de gestreepte zullen uw loon zijn, dan wierp al het kleinvee gestreepte jongen.
          Zó heeft God de kudde van uw vader weggenomen en mij gegeven.
Het gebeurde eens in de tijd, toen het kleinvee bronstig was, dat ik mijn ogen opsloeg en ik zag in de droom, en zie,
         de bokken die het kleinvee besprongen, waren gestreept, gespikkeld en gevlekt.
En de Engel Gods zei tot mij in de droom: ‘Jaäcob’. En ik zei: ‘Hier ben ik’.
En Hij zei:
Sla toch uw ogen op en zie toe: al de bokken die het kleinvee bespringen, zijn gestreept, gespikkeld en gevlekt, want Ik heb gezien alles wat Laban u aandoet.
Ik ben de God van Betel, waar gij een opgerichte steen gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte gedaan hebt; welnu, maak u reisvaardig,  ga uit dit land weg en keer naar het land uwer maagschap terug.
Toen antwoordden Rachel en Lea en zeiden tot hem:
          Hebben wij nog deel of erfenis in het huis van onze vader?
Zijn wij door hem niet als vreemden geacht, omdat hij ons verkocht heeft? Ook heeft hij ons geld geheel en al opgemaakt.
Doch al de rijkdom, die God van onze vader weggenomen heeft, die behoort ons en onze kinderen; nu dan, doe al wat God u gezegd heeftGen.31: 3-16.

terugkeer uit de tempel en hereniging met zijn ouders, ets Rembrandt

Indien wij doen wat ons gevraagd wordt – terug te keren naar onze oorspronkelijke schoonheid, het evenbeeld van God, terugkeren naar het land van onze voor-Vaderen, onze verwantschap aan het Rechtschapene, het Goddelijke weer oppakken, dan zal God, de Boetseerder/de Schepper met ons zijn. De ascetische Genadegave omvat alle genadegaven en is de basis van het Christendom.
De navolging van Christus blijkt onlogisch – het is ons door onze Heer en Verlosser, Jezus Christus overgeleverd, als Pedagogie/levenswijze meegegeven. Het is de meest on-logische weg, die je voor jezelf maar in het leven kunt bedenken en daarom is het het meest waarachtige Geloof. Alle andere religies zijn logisch, terwijl het onze boven de logica uitstijgt. Wij zijn het niet die dit feit beoordelen, maar wanneer wij het aanvaarden, dàn schenkt het ons de innerlijke zekerheid van hèt Leven. Daarom is het Christendom in alle tijden en in alle omstandigheden een dwaasheid gebleken in de ogen van de wijsheid van deze wereld. De ascetische gehoorzaamheid aan het Geloof, het vuur waarmee wij gedoopt zijn en de wijze waarop wij aan dit Geloof vast blijven houden, bepaalt ons toekomstige Leven.
Naarmate we het einde van de Grote en Heilige vastenperiode naderen – bepalen wij zelf of wij de koers, die Christus heeft voorgehouden, die Hij heeft uitgezet, vast blijven houden.
Christus is onder ons, Hij is en zal zijn”, al de dagen van ons leven: “   Zijn Heil zal reiken tot het einde der aarde“.
Hij reist Zelf met ons mee op de pelgrimstocht van het leven en
zal ons ook daarna niet ‘los’ laten, maar zal ons begeleiden naar/in
het eeuwige Leven – hoe dat blijft een Mysterie en het is aan God, hoe dat zal worden ingericht.
Gods plan omarmt de hele geschiedenis en biedt redding voor iedereen.
De verlossing zal niet beperkt blijven tot de oude stammen van Jaäcob,
zelfs niet tot het overblijfsel van het oude Israël [de Kerk]:
En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo
dient ook de Zoon des mensen verhoogd te worden, opdat
een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven zal hebben.
Want alzo Lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon
gegeven heeft, opdat eenieder, die in Hem gelooft,  niet verloren zal gaan, maar eeuwig Leven zal hebben
John 3: 14-16.
God wil dat alle mensen gered worden, redding is niet beperkt tot een uitgelezen publiek
    Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen[, niet voor de hotemetoten en degenen, die het zo goed met zichzelf getroffen hebben], opdat alle mensen [, de gehele mensheid] een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid.
Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, Die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis van de Waarheid komen. Want er is een God en ook een Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, Die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen; en daarvan wordt getuigd te juister tijd1Tim.1-6.
Om dieper inzicht te krijgen in de pelgrimstocht op aarde, ‘die we tenslotte met Hem maken’, dienen we de Blijde Boodschap ieder dag, die God ons geeft, aandachtig te bestuderen.
Het leven van Onze Heer en Verlosser Zelf,
Isaiah, de Profeten en de levens van Heiligen en Martelaren
onthullen ons een middel of een manier waarop
wij genezing kunnen verkrijgen en als
waarachtig mens vrucht kunnen dragen
tot lof en eer aan God.
Door de geschiedenis heen hebben vele heilige asceten zich
op een vroegtijdig tijd-stip vernederd.

Christus maakte hen koning in hun rijk/
het leven zonder de wereld, waar zij zelf voor gekozen hadden.
De minderwaardige, de verschoppeling is inderdaad
de Koning der koningen, die boven alle koningen is.

Toen Christus van de Vader kwam, kwam Hij voor iedereen.
De Evangeliën leggen Zijn afwijzing van de wereld nauwkeurig vast,
Zijn Lijden, sterven en Opstanding/ Verrijzenis, maar we treffen tevens het objectief bewijs aan in de tweeduizend jaar daaropvolgende geschiedenis van Zijn Lichaam [de Kerk].
    Wij Christenen zijn als navolgers van Christus het zout der wereld;
indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmee zal de wereld dan gezouten worden? 
Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden.
Wij Christenen, zijn in Christus,  het licht der wereld.
Een stad God’s, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven.
Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar
op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn.
Laat daarom Christenen uw licht zo schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de Hemelen is, verheerlijken” conf. Matth.5: 13-16.
God’s Kracht is meer dan voldoende om  een ​​ieder van ons in staat te stellen
deze vastenperiode goed af te sluiten.

Zelfverloochening:
    ‘Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet Mijn wegen’ [zo] luidt het Woord des Heren.
‘ Want zoals de Hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en Mijn gedachten dan uw gedachten’Isaiah 55: 8,9.
                Hetgeen het meeste schokt is het afleggen van elk logisch begrip van
omwille van het Geloof in het gebod en dat wij onszelf daaraan overleveren.
We zien dat de strijd erin bestaat het goddelijk leven en de goddelijke Wil te ontdekken en wij ontdekken telkenmale dat wij daartoe niet toereikend zijn in de gevallen staat waarin wij ons bevinden.
wordt in wezen datgene wat van buitenaf dwaasheid lijkt, door het Geloof voor ons tot Wijsheid en  de reden dat wij de Kracht van God ontvangen.
Wanneer wij onze eigen wilsverlangens achterlaten, onze eigen gedachten en verlangens, dan leggen wij kleine en onbruikbare zaken af, doch wat ons in ruil daarvoor geschonken wordt is oneindig groot.
             De moed van de [opper-]toezichthouders en hun aanhangers zou hen in deze dienen te verheffen. De moeilijkheden in het ascetisch leven zouden – ‘hier en nu’ – vooral vermeld en gedragen dienen te worden door de [opper-]toezichthouder en zijn trawanten daar waar zij door zalving het Mysterie van de monniks- en hegoumen’s-wijding voltrekken.
Ons gehele aardse leven hebben wij de afgelopen decennia niet anders mee-gemaakt dan regelmatig overvallen te worden door de nacht der zonde, duisternis en dichte mist.
Maar omdat Onze Heer en Verlosser, de redder der mensheid is, heeft Hij ons als een kind – de dageraad Zijn Blijde Boodschap – openbaar gemaakt.
conf. 5e Ode, Grote Canon van Andreas van Kreta.

              De Kerk is Het Lichaam van Christus en daarin is: slechts “ Één Heilig, één Heer, tot Heerlijkheid van God, de Vader” en
daar kan geen mens iets aan veranderen.
Bidt daarom onophoudelijk voor de toekomst van het instituut van de Kerk, opdat zij in alle nederigheid in overleg met de navolgers van Christus voor altijd vrucht mag dragen.
♨︎ ➥ ♨︎           “ De ladder” van de heilige Johannes Climacos bevat het volgende verhaal:
Over Isidore [Gr. Ισόδωρος =Geschenk van God]
Een zekere heerser uit Alexandrië ging naar dat ideale coenobium dat Johannes in zijn boek voorstelt, om daar het monastieke leven te gaan leiden.
Nadat hij een week lang in het Klooster had doorgebracht en de enkelgelijke leefwijze van de vaders had gezien, vroeg de hegoumen hem of hij monnik wilde worden.
Verwaand en hard, zoals rijken gewoonlijk zijn, antwoordde hij hem dat hij zich aan hem overleverde, zoals ijzer is overgeleverd aan het aanbeeld van de smid. De herder van het coenobium was tevreden met dit voorbeeld en gaf hem een ascese.
Hij maakte hem poortwachter van het klooster en vroeg hem om een diepe buiging te maken voor ieder die daar inging en uitging, en hem om hun gebeden te vragen en te zeggen dat hij epileptisch was. Deze mens was niet epileptisch.
Logisch gezien lijkt dit een monsterlijk gebod, maar hij aanvaardde dit.
Hij deed zijn hart geweld aan en in het begin was het alsof hij bloed vergoot.
Doch na het verstrijken van één of twee jaar geloofde hij niet alleen wat hij zei, maar verwierf een nog nederiger gedachte. Hij boeg zijn lichaam naar omlaag en zijn gedachte nog lager, en beschouwde zichzelf geheel onwaardig voor de omgang met de heilige vaders van het klooster.
uit: Arch. Zacharias [Zacharou],
het zegelbeeld van Christus in het hart van de mens
uitg. Orthodox Logos, Tilburg [NL] 
.

Maandag na de Zondag van Maria van Egypte, voorafgaand aan Lazaros Zaterdag/Palmzondag

God roept iedereen!

    Zo zegt de Heer, uw Verlosser, de Heilige van Israël [de Kerk]:
Ik ben de Heer, uw God, Die u leert, opdat het u wel zal gaan; Die u de weg doet betreden, die gij dient te gaan.
      Och, dat jullie naar mijn Geboden zouden luisteren; dan zou jullie Vrede zijn als een rivier en uw Gerechtigheid als de golven van de zee; dan zou jullie nageslacht zijn als het zand en jullie nakomelingschap als de korrels daarvan; hun naam zou niet uitgeroeid noch verdelgd worden voor Mijn Aangezicht.
      Trekt uit Babel[on], ontvlucht de Chaldeëen.
Verkondigt het met jubelgeklank, doet dit horen, verbreidt het tot aan het einde der aarde; zegt: de Heer heeft Zijn knecht Jaäcob verlost.
  Zij leden geen dorst, toen Hij hen door de woestijnen leidde;
  Hij deed voor hen water uit de rots stromen;
  Hij toch spleet de rots, zodat het water vloeide.
      De goddelozen, zegt de Heer, hebben geen vrede.

toezichthouder Egberti met z’n spelleiders, Stad’s bibliotheek Trier [Duitsland].

Hoort naar Mij, gij kustlanden [Lage Landen] en luistert, jullie natiën in de verte.
De Heer heeft mij geroepen van moeders lijf aan, van de schoot van
mijn moeder af aan heeft Hij mijn naam vermeld.
  En Hij maakte mijn mond als een scherp zwaard;
  in de schaduw van Zijn Hand verborg Hij mij.
  Hij maakte mij tot een puntige pijl, in Zijn pijlkoker stak Hij mij.
  En Hij zei tot mij: – Gij zijt mijn knecht, Israël, in wie Ik Mij zal verheerlijken -.
Doch ik zei: – Tevergeefs heb ik mij afgemat, voor niets en vruchteloos mijn kracht verbruikt -.
Evenwel, mijn recht is bij de Heer en mijn vergelding is bij Mijn God – Isaiah 48: 17- 49: 4.

Isaäc zegent Jaäcob Rijksmuseum

    Toen Isaäc oud geworden was, werden zijn ogen zo verzwakt, dat hij niet zien kon. Hij riep zijn oudste zoon Esau en zeide tot hem: Mijn zoon. En deze zei tot hem: Hier ben ik.
      En hij zei: Zie toch, ik ben oud geworden, ik weet de dag van mijn dood niet.
Nu dan, neem toch uw wapentuig, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit, het veld in en schiet voor mij een stuk wild; bereid mij dan een smakelijk gerecht, zoals ik het gaarne heb, en breng het mij, opdat ik zal eten; dan zal ik u zegenen, eer ik sterf.
      Rebekka had geluisterd, toen Isäac tot zijn zoon Esau sprak.
Nadat Esau het veld ingegaan was om een stuk wild te schieten en het [zijn] [vader] te brengen, zei Rebekka tot haar zoon Jaäcob: Zie, ik heb uw vader horen spreken tot uw broeder Esau:
Breng mij toch een stuk wild en bereid mij een smakelijk gerecht, opdat ik zal eten, en ik zal u voor mijn dood zegenen voor het aangezicht des Heren.
       Nu dan, mijn zoon, luister naar mij in wat ik u gebied. Ga naar de kudde, haal mij vandaar twee geitenbokjes, dan zal ik die tot een smakelijk gerecht voor uw vader bereiden, zoals hij het gaarne heeft. Breng dit dan aan uw vader om te eten, opdat hij u zal zegenen voor zijn dood.
Maar Jaäcob zei tot zijn moeder Rebekka: Zie, mijn broeder Esau is een ruig man, en ik ben een onbehaard man.
Misschien zal mijn vader mij betasten; dan zal ik in zijn ogen zijn als iemand, die de spot met hem drijft, en ik zal vloek over mij brengen en geen zegen.
Maar zijn moeder zei tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon; luister nu naar mij en ga ze mij halen.
– Toen ging hij ze halen en bracht ze aan zijn moeder, en zijn moeder bereidde een smakelijk 
gerecht, zoals zijn vader het gaarne had. Ook nam Rebekka de beste klederen van haar oudste zoon Esau, die bij haar in huis waren, en liet ze haar jongste zoon Jaäcob aantrekken. En de vellen der geitenbokjes trok zij over zijn handen en over zijn gladde hals.
– Toen stelde zij het smakelijk gerecht en het brood, dat zij bereid had, haar zoon Jaäcob ter hand.
       Daarop kwam hij bij zijn vader en zei:
Mijn vader. En deze zei: Hier ben ik; wie zijt gij, mijn zoon?
       En Jaäcob zei tot zijn vader:
Ik ben Esau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan zoals gij tot mij gesproken hebt. Richt u op, ga zitten en eet van mijn wildbraad, opdat gij mij moogt zegenen.
Daarop zeide Isaak tot zijn zoon: Wat hebt gij het spoedig gevonden, mijn zoon! En Jaäcob zei: Omdat de Heer, uw God, mij deed slagen.
– Toen zei Isaäc tot Jaäcob: Kom toch dichterbij, opdat ik u betaste, mijn zoon, of gij inderdaad 
mijn zoon Esau zijt of niet. Jaäcob dan kwam dichterbij tot zijn vader Isaäc, en deze betastte hem. En hij zeide: De stem is Jaäcob’s stem, maar de handen zijn Esaus handen. Doch hij herkende hem niet, omdat zijn handen behaard waren evenals de handen van zijn broeder Esau. En hij wilde hem zegenen en zei: Zijt gij inderdaad mijn zoon Esau zelf? En hij zei: Ja.
– Toen zei Isaäc: Zet het dicht bij mij, dan wil ik eten van het wildbraad van mijn zoon, opdat ik u zegene. Toen zette hij het dicht bij hem, en hij at; ook bracht hij hem wijn, en hij dronk.
– Daarna zei zijn vader Isaäc tot hem: Kom toch dichterbij en kus mij, mijn zoon.
En hij kwam dichterbij en kuste hem. Toen hij de geur van zijn klederen rook, zegende hij hem en zei: Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van het veld, dat de Here gezegend heeft.
              God zal u geven van de dauw van de hemelen en van de vette streken der aarde, en overvloed van koren en most. Volkeren zullen u dienen, en natiën zich voor jou neerwerpen; wees heerser over jouw broederen, en de zonen van jouw moeder zullen zich voor jou nederbuigen.
Wie jij vervloekt, zij vervloekt, en wie jij zegent, zij gezegend’.
– Toen Isaäc geëindigd had Jaäcob te zegenen en Jaäcob nog maar nauwelijks van zijn vader Isaäc naar buiten was gegaan, kwam zijn broeder Esau van de jacht.
Ook hij bereidde een smakelijk gerecht en bracht dat aan zijn vader. En hij zei tot zijn vader: ‘Mijn vader richte zich op en zal eten van het wildbraad van zijn zoon, opdat gij mij zegent’.
– En zijn vader Isaäc zei tot hem: Wie zijt gij? En hij zei: Ik ben uw eerstgeboren zoon Esau.
– Toen schrok Isaak geweldig en hij zei: Wie was het dan toch, die het wild geschoten en mij gebracht heeft? En ik heb van alles gegeten, eer jij tot mij  kwam en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend zijn.
Zodra Esau de woorden van zijn vader hoorde, gaf hij een luide en bittere schreeuw, en hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!
– Toen zeide deze: Uw broeder is met bedrog gekomen en heeft uw zegen weggenomen.
En hij zei: Noemt men hem niet terecht Jaäcob, omdat hij mij nu al tweemaal bedrogen heeft? Mijn eerstgeboorterecht heeft hij weggenomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen weggenomen. En hij zei: Hebt gij voor mij geen zegen overgehouden?
– Toen antwoordde Isaäc en zei tot Esau: ‘Zie, ik heb hem tot een heerser over jou gesteld, en al zijn broederen heb ik hem tot knechten gegeven, en van koren en most heb ik hem voorzien; wat kan ik dan voor jou doen, mijn zoon?’.
Daarop zei Esau tot zijn vader: Hebt gij slechts deze ene zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Esau verhief zijn stem en weende.
Toen antwoordde zijn vader Isaäc en zei tot hem:
Zie, ver van de vette streken der aarde zal jouw woonplaats zijn, en zonder dauw des hemels 
van boven. Maar van uw zwaard zult gij leven en jouw broeder zult jij dienen. En het zal geschieden, wanneer jij je krachtig inspant, dat jij zijn juk van jouw hals zult afrukken.
En Esau koesterde wrok tegen Jaäcob om de zegen, waarmee zijn vader hem gezegend had, en Esau zei bij zichzelf:
De dagen van de rouw over mijn vader zijn aanstaande; dan zal ik mijn broeder Jaäcob doden
Genesis 27: 1-41.

onderweg-naar-god, de-pelgrim

Ja, vandaag wordt nog eens nadrukkelijk datgene herhaald hetgeen gisteren over de navolger van Christus werd gezegd, opdat het in uw hart zal beklijven:
Een navolger van Christus is iemand die zoekt en telkenmale door de Heer wordt gezocht, iemand die luistert en naar wie geluisterd wordt.
Hij/Zij weerspiegelt zijn tijd en staat er toch buiten, een navolger van Christus is altijd alert en nooit onverschillig.
Hij/Zij is zowel boodschapper van God voor de mensen als de boodschapper van de mensen bij God.
In zijn/haar (half-)slaap/gebed verneemt hij/zij z’n/haar opdrachten, op het eerste gezicht maar een tragisch eenzaam figuur:
– Hij/Zij probeert de hoogste graad van zelfverwerkelijking te bereiken.
– Hij/Zij geeft zich totaal over aan God.
– Hij/Zij weet alles [door gebed] uit de Eerste Hand;
– Hij/Zij wordt daardoor God’s klankbord en daardoor heeft hij/zij de kenmerken:
– Hij/Zij treedt nimmer juichend van blijdschap op,
zelfs niet in zijn/haar triomf.
– Hij/Zij valt niet op ondanks z’n/haar krachtig uiterlijk en welluidende stem.
– Hij/Zij is fysiek sterk maakt daardoor indruk op z’n/haar omgeving.
– Hij/Zij komt op als een legende voor en wordt weer tot een legende.
– Hij/Zij is een tijdgenoot van iedereen komt onverwacht uit de hoek.
– Hij/Zij draagt eenvoudige kleding met ’n lederen een gordel om zijn lenden.
– Hij/Zij heeft weinig balast als bagage, soms een stok in de hand, soms lang haar,
soms geitenharen sokken en sandalen.
– Hij/Zij is werkloos [vrijgesteld], dakloos en daardoor veelal niet gehuwd, dan wel is hij/zij gehuwd als beeltenis van zijn/haar Verbond met God.
– Hij/Zij komt met weinig of niets rond.
– Hij/Zij is taai, stormachtig, meedogenloos, kortaangebonden, onbuigzaam,
hoewel hij/zij zeer vredelievend van aard is.
– Hij/Zij luistert heel goed naar iemand.
– Hij/Zij geeft met korte overduidelijk zinnen te kennen wat hij/zij bedoelt.
– Hij/Zij is de eenzaamste mens ter wereld, leeft met de onzichtbare God.
– Hij/Zij heeft een afkeer van zwakte en compromissen.
– Hij/Zij roept vrees en afschuw op.
De trotsen dienen naar zijn/haar mening te buigen; de nederigen zullen altijd worden bemoedigd. Hij/Zij strijdt tegen onrecht/ en Hij/zij verbindt zich met alle joods-, christelijke stromingen.
– Hij/Zij behoort slechts toe aan God.

Basilica van Constantijn de Grote, Trier [Duitsland]
En volgend op het mooie relaas van de Profeet Isaiah worden we opnieuw geconfronteerd met Kerkelijk historische intriges; de strijd om wie wel niet de eerst zal zijn – wie ontvangt God’s zegen en zie opnieuw wordt de zegen door list ontvangen.
Je hebt immers de eeuwen door haantjes de voorste voortgebracht, die macht en invloed najagen, ja zelfs het hoogste – de zegen van ‘God de Vader‘ – gebruiken om maar persoonlijke winst en roem te behalen.
“ . . . Bij ons in huis [de Kerk] doen wij het niet op die manier
– jullie weten dat het er in de wereld anders aan toe gaat, dáár kom je toezichthouders tegen en regenten der volkeren aan wie zij door de eeuwen heen onderhorig zijn geweest, die gezamenlijk optrokken en gezamenlijk heerschappij over anderen voeren en degenen die boven de navolgers van Christus gesteld zijn oefenen nog steeds macht over hen uit.
Maar . . . . . als het aan Mij [Christus] ligt, en
Ik neem aan dat dàt nagevolgd wordt,
zal degene die groot wil zijn,
groot zijn in het dienen en
zich van al wat in de wereld gebruikelijk is distantiëren
’.
    Maar laat ons dit alles terzijde stellen, wij navolgers weten de Waarheid aan onze zijde en de uitdrukking ‘iets op je kerfstok hebben’ gebruiken we nog steeds om aan te geven dat een bepaald persoon verkeerde dingen heeft gedaan.
De uitdrukking is afkomstig uit de vroegere herberg, waar echte kerfstokken werden gebruikt.
Wie veel op zijn kerfstok had, diende dè grote Dienstverlener, de herbergier nog heel wat terug betalen, dus ònze tijd zal het wel duren.
En zo zou het eveneens gebeuren bij aartsvader Jaäcob, maar  daarover later, uiteindelijk zou ook deze ondanks z’n slinkse wegen worden verlost en zou
opgenomen worden in de kring der Heiligen.

rotsen zee wolken duisternis

De getrouwen lijden geen dorst, wanneer de Heer en Verlosser hen door de woestijnen heen leidt; Hij doet voor hen water uit de rots stromen; Hij toch splijt de rots, zodat het water zal vloeien.
      De goddelozen, zegt de Heer, hebben geen vrede“.
We gaan nu met z’n allen de laatste week van de Grote en Heilige Vasten in.
Degenen die ijverig hebben gewerkt, kunnen de knopen van hun strijd tegen het kwaad tellen, hun lichamelijke en spirituele verworvenheden op een rijtje zetten
en God danken voor de hen verleende Genadegaven.
Maar wees er niet verlegen om wanneer je het Vasten niet in alle perfectie hebt kunnen volbrengen, onze Heer en Verlosser is geen krentenweger, Die kijkt naar het hart. Hij kijkt niet naar uiterlijkheden, maar kent als geen ander de goede bedoelingen en de strijd die je voert.
Onze Heer en Verlosser riep ons op tot de hoogste hoogten en heeft begrip voor het feit dat je het weer niet hebt gehaald. 
Je bent echter nog in de gelegenheid de draad weer op te pakken, kijk vooruit en laat het verleden rusten
– het einde van de grote en Heilige Vasten is nabij –
verman jezelf en geef nog een aardige eindspurt; gebruik de resterende tijd om  mogelijk onvermogen te maskeren.
Ter aanmoediging geeft de Heer ons bovenstaande lezing van Isaiah teneinde onze ijver te versterken en onze vastberadenheid te vernieuwen. 
God leidde de Vaders van het Oude Verbond, zelfs Jaäcob, die in het geniep Esau’s zegening verwierf. Onze Verlosser laat ons nu zien hoe we verder kunnen; Hij zet opnieuw de koers voor ons uit, aan Hem komt immers het richtsnoer toe.
Indien het er in de voorafgaande periode aan innige vrede, gerechtigheid en
vruchtbare voordelen van de strijd ontbrak,  herinnert onze genadige Heer 
ons nu aan de wonderbare zegeningen die voortvloeien uit het onderhouden van Zijn geboden. Hij richt Zich notabene rechtstreeks tot ons in de Lage Landen:
    De Heer heeft mij geroepen van moeders lijf aan, van  de schoot van mijn moeder af aan heeft Hij mijn naam vermeld.
En Hij maakte mijn mond als een scherp zwaard; in de schaduw van Zijn Hand verborg Hij mij.
Hij maakte mij tot een puntige pijl, in Zijn pijlkoker stak Hij mij.
En Hij zei tot mij:  Gij zijt mijn knecht, Israël [Kerk],
in wie Ik Mij zal verheerlijken“.

Prophet Isaiah, fresco – 15th cnt, Church of the Holy Cross, Paleochorio, Cyprus

Vanaf Isaiah 41 wordt er over de ‘knecht’ van de Heer gesproken.
Oorspronkelijk was het boek Isaiah één aaneensluitend geheel; de onder-verdeling is door de georganiseerde kerkelijke gebruikers aangebracht, die toezichthouders hadden behoefte aan structuur.
    Maar gij, Israël, mijn knecht, Jaäcob, die Ik uitverkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham, gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht, Ik heb u uitverkoren en u niet versmaadIsaiah 41: 8,9.
In het vervolg op bovenstaande wordt de term gebruikt voor Isaiah in eigen  persoon, het is overduidelijk dat hier met ‘de knecht van de Heer’ Isaiah i.p.v. Israël wordt bedoeld.
      Maar nu zegt de Heer der Heerscharen, de Eeuwige, Die mij van de moederschoot 
aan vormde tot Zijn knecht, om Jaäcob tot Hem terug te brengen en om Israël [het Volk] tot Hem vergaderd te doen worden [en ik werd geëerd in de ogen des Heren en mijn God was mijn sterkte].
Hij zegt dan: ‘     Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jaäcob weer op te richten en de bewaarden van Israël [de Kerk] terug te brengen; Ik stel u tot een licht van de volkeren, opdat Mijn heil zal reiken tot het einde van de aarde’Isaiah 49: 5,6.
Isiaiah noemt zich hier ‘een knecht van de Heer’ die de taak heeft het volk Israël [de Kerk] weer tot de oorspronkelijke weg, de weg van God [de Geboden]  terug te brengen.
Vervolgens kan het  naast de betekenis van het volk Israël ook de Heer Zelf, als de Zoon van God,  [de door Isaiah verwachte Messias] betekenen. Maar dan zeker niet alleen als de Zoon van God, maar tevens voor als de navolgers van Christus als onderdeel van het volk Israël [de Kerk].
De taak van de Christus wordt immers tot eer en heil van God – in het hier en nu – verwezenlijkt door ons, hoewel wij zondaars zijn trekken wij nu de kar tot Heerlijkheid van God de Vader.
    Zie, Mijn knecht, die Ik ondersteun; Mijn uitverkorene, in Wie Ik een wel-behagen heb.  Ik heb Mijn Geest op hem gelegd:
Hij zal de volkeren het recht openbaren. Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. Het geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal Hij niet uitdoven; naar Waarheid zal Hij het recht openbaren. 
Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot Hij op aarde het recht zal hebben gebracht; en op Zijn wetsonderricht zullen de kustlanden [de Lage Landen] wachtenIsaiah 42: 1-4.
Gaat het hier in de persoon van Isaiah niet om de Messias, Die hij verwacht en heeft hij het eveneens niet over degenen, die Christus zullen navolgen, de Christenen.

Weg door de woestijn

Vanaf de tocht door de woestijn welke het God’s Volk uit de slavernij in Egypte heeft geleid, verzekerd God ons dat Hij ons individueel zal begeleiden;
indien wij Christus navolgen in God’s geboden verlaat Hij ons niet ondanks onze ongerechtigheden;
God weet dat wij mensen zijn en Hij begeleid ons als een liefdevolle Vader.
Hij spoort ons aan om het Babylon van onze passies te ontvluchten – om de genotzucht van de wereld uit de weg te gaan door de Verlossing in de Verlosser, Zijn Zoon te omhelzen en volgens de voorschriften ervan te leven Isaiah 48: 20-21.
En Hij waarschuwt ons dat de goddelozen het leven niet zullen beërven Isaiah 48: 22.
De Almachtige God, de Heer der Heerscharen, de Eeuwige spoort ons verder aan,
Zijn volk van het Nieuwe Verbond, acht te slaan op onze Verlosser,
De Gekozen Dienaar van God, Degene die voortkwam uit de schoot van de Maagd, belichaamt in Zichzelf het gehele ware Israël [de Kerk].
Hoewel Zijn Passie tevergeefs een arbeid lijkt, herinnert Christus ons eraan dat
de beloning van God bij Hem is, de Opgestane, de Verrezene Isaiah 49: 1-4.
Merk op dat God ons ertoe aanzet om ons te herinneren dat onze inspanningen,
als Zijn pelgrims, een door God geplande Pedagogische aanwijzing zijn:
”       Ik ben jouw God, die jou heeft laten zien hoe je de weg kunt vinden waarin je moet lopen” Isaiah 48: 17.
Indien we ons aan het vasten houden en worstelen vanuit ons onvermogen en berouw tonen zullen we het Hemels Koninkrijk [God’s heilige onderkomen, Zijn Huis] binnengaan “in Geloof, eerbied en vrees voor God”.
Onze “Vrede [zal] zijn als een rivier en [onze] Gerechtigheid als een golf van de zee “ Isaiah 48: 18.
God verlangt dat ons vasten ons vruchtbaar maakt als gevolg van rechtschapen gedachten en daden, zodat “[ons] zaad ook als het zand zou zijn  Isaiah 48: 19.
En het zal God aangenaam zijn en leven’s-vervullende resultaten opleveren
voor degenen die de strijd aangaan en alles in het werk stellen om waarachtig getrouw te zijn.

Amsterdam, knieling bij uitdragen vooraf-gewijde-gaven

Schenk daarom aandacht en wees je bewust van de Vrede, Die vanuit je hart vloeit wanneer je tijdens de vasten een van de vele diensten bijwoont.
Probeer als het enigszins kan deel te nemen aan de aangeboden dienst van de voor-af-gewijde gaven en ontmoet in een verduisterde Kerk heel intiem het Lichaam en het Bloed van onze Heer en Verlosser.
Wees je bewust van de reiniging die vasten en het gebed je hart vervult.
Wees je bewust van de kleine stukjes vooruitgang [op de ladder van Climacos] en de momenten van goedgunstigheid welke deze periode van het jaar ons toch maar gegeven wordt.
Wees je ten diepste bewust van de uitroep van de heilige Johannes Chrysostomos:
Laat niemand rouwen dat hij/zij steeds maar weer opnieuw is gevallen;
want de vergeving komt voort uit het graf en de Opgestane Heer​​“ [preek van Pasen].
God beveelt ons “Trekt uit Babel[on], ontvlucht de ChaldeeënIsaiah 48: 20.
Broeders, zusters, die met ons Christus navolgen, die overtuigd zijn dat wij Christus navolgen, Die is Opgestaan/Verrezen, want “de Heer heeft Zijn dienaar Jaäcob bevrijdIsaiah 48: 20.
Christus is onder ons, Hij is en zal zijn”, Hij is aanwezig en leidt ons door de woestijn Isaiah 48: 21.
  Leg de oude mens af en bekleed je met de nieuwe mens; alleen de goddelozen die zich van Christus afkeren, hun eigen hooghartige weg gaan zal het ontbreken van de Vreugde hun verraad kenbaar maken Isaiah 48: 22.
  Christus Zelf spreekt ons vervolgens persoonlijk aan:
Luister naar mij. . . . Hij riep jou mij bij je naam vanaf jouw geboorte uit de moederschoot” 
Isaiah 49: 1.
  En Hij maakte “Mijn mond [mijn pen] als een scherp zwaardIsaiah 49: 2.
Als een lijdend mens, vervulde de Heer en Verlosser de taak van het oude Israël [de Kerk].
  Daarom zegt God tot Hem:
Gij, Mijn Zoon, bent Mijn dienaar, o Israël [Kerk],  in Wie ik zal worden verheerlijktIsaiah 49: 3.

       Christus is inderdaad Opgestaan/Verrezen!
”          Belijdt de Heer, want Hij is goed, want eeuwig duurt Zijn Barmhartigheid.
Getuigt dit, gij die bevrijd zijt door de Heer; die Hij bevrijd heeft uit de hand van uw vijand.
Want Hij heeft hen bijeengebracht uit alle streken: vanuit het oosten, het zuiden,

Petrus [lopend over het water] wordt gered, Codex Egberti – fol. 27v

het noorden en de zee. Sommigen verdwaalden in de woestijn, in waterloos land, en vonden geen weg naar een bewoonde plaats.
Zij leden honger en dorst: hun ziel bezweek in hun binnenste.
Zij riepen tot de heer in hun beproeving, en Hij verloste hen uit de nood.
Hij leidde hen naar een goede weg, zodat zij aankwamen in een bewoonde streek.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen.
Want Hij heeft de smachtende ziel verzadigd, en de hongerige met goederen vervuld.
Anderen waren gezeten in het duister, in de schaduw des doods, ellendig, in de boeien geslagen.
Want zij hadden God’s woorden bitter gemaakt, de raad van de Allerhoogste geminacht.
Toen werd hun hart door kwelling vernederd; zij werden zwak, en er was niemand die hielp.

Christus geeft voedsel aan de Volkeren, Codex Egberti – Fol047

Maar zij riepen tot de Heer in hun beproeving, en Hij verloste hen uit hun nood. Hij voerde hen weg uit het duister van de schaduw des doods; Hij verbrak hun boeien.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid, om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen. Hij heeft immers de bronzen poorten verbrijzeld de ijzeren grendels verbroken.
Hij heeft hen opgeheven van de weg hunner boosheid, want om hun ongerechtigheden waren zij vernederd.
Hun ziel walgde van elke spijs, zij stonden reeds voor de poorten des doods.
Maar zij riepen tot de Heer in hun beproeving, en Hij verloste hen uit hun nood.

Genezing van de Blindgeborene bij Jericho, Codex Egberti – Fol 031

Hij zond Zijn woord uit om hen te genezen; Hij ontrukte hen aan hun ondergang.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen.
Dat zij Hem opdragen een offer van lof; dat zij met blijdschap Zijn werken bejubelen.
In schepen kozen weer anderen zee, zij deden hun werk op de grote wateren.
Zij zagen de werken des heren: Zijn wonderdaden in de geweldige diepte.
Hij sprak, en een stormwind stak op: de golven werden opgezweept.
Zij vlogen omhoog naar de hemel, en vielen omlaag in de diepte:  hun ziel kromp ineen van ellende.

de doop, bekleed worden met Christus

Zij schudden en slingerden als waren zij dronken al hun bedrevenheid schoot tekort. Toen riepen zij tot de Heer in hun beproeving, en hij ontrukte hen aan hun nood. Want Hij gaf bevel aan de storm, en die werd tot kalmte; Hij deed de golven bedaren. Hoe verheugden zij zich over die rust, terwijl Hij hen voerde naar de verlangde haven.
Dat zij de Heer belijden om Zijn barmhartigheid om Zijn wonderen voor de kinderen der mensen.
Dat zij hem verheffen in de bijeenkomst van het volk, hem loven in de zitting der oudsten.
Ook maakte Hij stromen tot een woestijn, waterlopen tot dorstig land.
Vruchtbare grond tot een zoutmoeras, om de slechtheid van die daar woonden. Maar ook heeft Hij woestijn in plassen veranderd in de dorre grond stroomt nu water.
Daar deed Hij de hongerigen wonen; zij bouwden daar steden tot hun verblijf.
Zij zaaiden akkers en plantten wijngaarden; deze droegen rijkelijk vrucht.
Hij zegende hen, en zij vermenigvuldigden zich uitermate; ook hun vee maakte Hij talrijk.
Dan weer werd hun aantal gering, zij werden gekweld door verdrukking, ellende en smart.
Verachting kwam neer op hun vorsten: Hij deed hen verdwalen in ongebaande streken.
Maar de arme hielp Hij uit zijn gebrek: Hij maakte zijn gezin tot een kudde.
Mogen de oprechten dit zien en zich verheugen; moge alle ongerechtigheid de mond worden gestopt.
Wie is wijs om dit alles te houden ? Wie wil de barmhartigheden van de Heer verstaan ? Psalm 106 [107] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

slot Vespers 6e maandag
Gezegend zij de Heer, God van Israël van eeuwigheid tot in de eeuwen der eeuwen.
Wees verheven boven de Hemelen, o God; over heel de aarde zij Uw Heerlijkheid

Mijn hart is bereid, o God, mijn hart is bereid:
ik wil zingen en psalmodiëren in Uw Heerlijkheid.
Ontwaak mijn lofzang, ontwaak psalter en harp;
ik wil opstaan in de vroege morgen
”.

Ik wil U belijden onder de volkeren, aan allen, die mij omgeven, Heer,
en psalmzingen voor U onder de heidenen; want groot boven de Hemelen is Uw Barmhartigheid, tot aan de wolken reikt Uw Waarheid”.
Opdat Uw geliefden bevrijd mogen worden:
schenk redding door Uw rechterhand en verhoor mij:
God heeft gesproken in Zijn Heiligdom:
ik zal mij verheffen
”.

Salomo & Boek Spreuken

    Wie het gebod bewaart, bewaart zijn leven; maar wie niet let op zijn wandel, zal sterven. Wie zich over de arme ontfermt, leent aan de Heer; Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
Kastijd uw zoon, wanneer er nog hoop is, maar laat u niet verleiden hem te doden.
Een doldriftige moet boeten, want als gij helpen wilt, maakt gij het erger.
Luister naar raad en neem vermaning aan, opdat gij ten slotte wijs wordt.
Vele zijn de overleggingen in het hart des mensen, maar de raad des Heren, die zal bestaan. Het aantrekkelijke van de mens is zijn welwillendheid; beter is een arme dan een leugenachtig mens.
De vreze des Heren is ten leven; men overnacht verzadigd, door het kwaad niet bezocht.
Al heeft de luiaard zijn hand in de schotel gestoken, hij brengt ze niet eens aan de mond.
Slaat gij de spotter, dan wordt de onverstandige schrander, tuchtigt gij de verstandige, hij put er kennis uitSpreuken 19: 16-25.

bij de Apostichen:
tn.4.    Bevrijd ons, Verlosser, van de ziel-beschadigende hebzucht,
en maak ons tot metgezel van de arme Lazaros in de schoort van Abraham.
Want Gij Die rijk zijt in barmhartigheid, zijt vrijwillig arm geworden voor ons.
Gij hebt ons vanuit het bederf omhoog gevoerd tot de onvergankelijkheid,
als medelijdende en menslievende God
    [herh.]

tn.4.   Gij Die het dulden der Heilige Martelaren aanvaard hebt,
neem ook onze hymnen aan, Menslievende,
en schenk ons omwille van hun gebeden
de grote Barmhartigheid
”.

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.     Amen
”.

tn.4.   Verlos ons uit onze noden, Moeder van Christus, onze God,
die de Schepper van de kosmos bewaard hebt,
opdat wij altijd roepen tot u:
verheug u, Beschermster van onze zielen
”.

5e Zondag van de Grote en Heilige Vasten – gedachtenis van de H. Maria van Egypte.

Maria van Egypte, by Dr. Stéphane René

    En wederom nam Hij [onze Heer en Verlosser] de twaalven terzijde en begon tot hen te spreken over hetgeen over Hem zou komen:
           Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en de schriftgeleerden en zij zullen Hem ter dood veroordelen. En zij zullen Hem overleveren aan de heidenen, en zij zullen Hem bespotten en Hem bespuwen en Hem geselen en doden, en na drie dagen zal Hij opstaan.
            En Jaäcobus en Johannes, de twee zonen van Zebedeus, kwamen tot Hem en zeiden tot Hem: Meester, wij wilden wel dat Gij ons deedt, wat wij U zullen vragen.
Hij zei tot hen:
‘Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?”.
Zij zeiden tot Hem:
‘ Geef ons, dat wij de een aan uw rechterzijde en de andere aan uw linkerzijde mogen zitten in uw Heerlijkheid.
Doch Jezus zei tot hen:
‘ Gij weet niet, wat gij vraagt. Kunt gij de beker drinken, die Ik drink, of met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt word?
Zij zeiden tot Hem:
‘ Wij kunnen het’.
Jezus zei tot hen:
‘ De beker, die Ik drink, zult gij drinken en met de doop, waarmede Ik gedoopt word, zult gij 
gedoopt worden, maar het zitten aan mijn rechterzijde of linkerzijde, staat niet aan Mij te geven, maar het is voor hen, voor wie het bereid is.
                     En toen de tien dit hoorden, begonnen zij het Jaäcobus en Johannes kwalijk te nemen.
En Jezus riep hen tot Zich en zei tot hen:
                     Gij weet, dat zij, die regeerders der volken heten, heerschappij over hen voeren, en hun rijksgroten oefenen macht over hen. Zo is het echter onder u niet.
                     Maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn.
Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar on te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velenMarc.10: 32b-45.

Christus tronend, de Theotokos en Johannes de Doper by Ann Chapin

    Maar Christus, opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping, en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.
Want als [reeds] het bloed van bokken en stieren en de besprenging met de as der vaars hen, die verontreinigd zijn, heiligt, zodat zij naar het vlees gereinigd worden,  hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?Hebr.9: 11-14.

  Staat recht, let op,
kom dan zo vaak als in je mogelijkheden ligt tezamen om God te danken om Hem
Zijn lof te doen toekomen.
Want wanneer je elkaar regelmatig op dezelfde plaats ontmoet, worden de machten van de tegenstrever/de satan vernietigd, want de vernietiging waar deze onderkruiper naar streeft
wordt voorkomen door de eenheid van jullie gezamenlijk Geloof
”.
Heilige Ignatius van Antiochië

Heilige Zosimas [haar biechtvader] en de heilige Maria van Egypte

De zondag van de gedachtenis van de Heilige Maria confronteert ons met een verhaal/legende welke ons is overgeleverd door Patriarch Sophronius, die het uit de tweede hand heeft, hij vernam deze ‘leven’s-legende, welke gestoeld is op datgene wat de Heilige Zosimas, een biechtvader heeft beleefd, heeft ervaren:
– het is dus in het geheel niet zeker dat de H. Maria van Egypte werkelijk heeft bestaan maar dat deze Heilige gebaseerd is op het leven van de Heilige Maria van Magdala bij wie door de Heer ‘Zelf‘ 12 duivelen zijn uitgedreven; dit levensverhaal heb ik reeds eerder gepubliceerd, daarom vandaag een thema, welke hier zeer nauw mee samenhangt, ‘de Goddelijke Liturgie‘.

Onze Heer zei tegen zijn volgelingen “ga” en dat is exact wat zij de eeuwen door hebben gedaan, ‘de Blijde Boodschap’ overbrengen naar iedereen, die het maar horen wil.

            Christus is in het Evangelie van vandaag onderweg, opgaande naar Jeruzalem en zoals gebruikelijk ging de Heer hen vooruit.
Hij nam het voortouw en zij waren verbaasd en zij, die volgden, waren bevreesd: “    Wat hing hen nu weer boven het hoofd”, want zij gingen het onheil tegemoet, immers de Farizeeërs en Sadduceeërs hadden geen beste plannen met Hem, zij bedreigden hem en dat wisten Christus’ volgelingen maar al te goed.
          Waar Christus vervolgens over spreekt – ondanks het feit dat hij de twee baantjes-jagers op hun plaats zet met de mededeling:
. . . Bij ons in huis [de Kerk] doen wij het niet op die manier – jullie weten dat het er in de wereld anders aan toe gaat, dáár kom je toezichthouders, regenten der volkeren tegen, die heerschappij over anderen voeren en degenen die boven hen gesteld zijn oefenen macht over hen uit.
Maar . . . . . als het aan Mij [Christus] ligt, en Ik neem aan dat dàt nagevolgd wordt, zal degene die groot wil zijn, groot zijn in het dienen en zich van al wat in de wereld gebruikelijk is distantiëren
”.
                 Nu we weten allemaal wat daaruit voortgekomen is, de Kerk is als de wereld geworden en de een is baas over de ander baas, dus ruzie en onenigheid in de Kerk alom.
Maar lòs daarvan gaat onze Heer vèrder met dàtgene wat Hij zich voorgenomen had: “    Hij had immers de twaalf wederom terzijde genomen en had hen willen verkondigen begon tot hen te spreken over hetgeen Hem de komende periode zou overkomen”.

                 En vervolgens onthult onze Heer de geschiedenis, die wij allen kennen uit de gebeurtenissen van de grote en Heilige week.
Onze Heer was als Zoon van God op de hoogte dat Hij nu Hij zou opgaan naar Jeruzalem Hij daar zou gaan lijden en sterven; we kennen dit allemaal want wij beleven dit ieder zondag of door-de-weekse- dagen wanneer er een Goddelijke Liturgie is.
Maar ook de Profeten hebben het een en ander reeds jaren daarvoor voorzegd – en onze Heer, wist dat uiteraard – als mens en joods pedagoog/leraar kende Hij de Schrift van kaft tot kaft.

Het laatste oordeel, koorbank Bolsward

“     Die dag [de Dag des Oordeel’s]  zal zeker komen, brandend als een oven.
Wie hoogmoedig zijn of wie zich goddeloos gedragen, zullen slechts stoppels zijn die door de hitte van de dag worden verschroeid – zegt de Heer der Heerscharen. Geen wortel of tak zal er van hen overblijven.
Maar voor jullie die ontzag voor Mijn Naam hebben zal de zon stralend opgaan, de zon die Gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt. Huppelend als kalveren die op stal hebben gestaan zullen jullie naar buiten komen. Dan vertrappen jullie de wettelozen; op die dag die Ik heb voorbereid, zullen zij niet meer zijn dan stof onder jullie voeten, zegt de Heer der Heerscharen.
Houd je aan het onderricht van Mozes, mijn dienaar, aan wie Ik op de berg Horeb regels en wetten heb gegeven, die gelden voor geheel Israël [de Kerk].
Voordat de dag des Heren aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur ik Elia, en hij zal ervoor zorgen dat ouders zich verzoenen met hun kinderen en kinderen zich verzoenen met hun ouders. Anders zou ik het land volledig moeten vernietigenMaleachi 3: 19-24.

Het Oude zoals het Nieuwe testament eindigt met de dag des Oordeel’s.
In profetische geschriften zoals Maleachi, wordt het oordeel afgeschilderd als een dag van goddelijke verbranding tegen “allen die goddeloos handelen”: Die dag
    zal zeker komen, brandend als een oven. Wie hoogmoedig zijn of wie zich goddeloos gedragen, zullen slechts stoppels zijn die door de hitte van de dag worden verschroeid – zegt de Heer der Heerscharen. Geen wortel of tak zal er van hen overblijvenMaleachi 3: 19.
            Toch wordt het ook beschreven als een dag van “genezing” en rechtvaardiging voor de rechtvaardigen, voor hen die de naam van de Heer vrezen:
      Maar voor jullie die ontzag voor Mijn Naam hebben zal de zon stralend opgaan, de zon die Gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt. Huppelend als kalveren die op stal hebben gestaan zullen jullie naar buiten komen“ Maleachi 3: 20.
Vandaar dat Maleachi elke generatie aanspoort om te leven in overeenstemming met de Wet van de Heer, zoals eerst aan Mozes gegeven:
      Houd je aan het onderricht van Mozes, mijn dienaar, aan wie Ik op de berg Horeb regels en wetten heb gegeven, die gelden voor geheel Israël [de Kerk]“.
        We dienen uit ontzag voor God’s Naam bij voortduring in al ons doen en laten de Blijde Boodschap te raadplegen, ons doen en laten te toetsen aan de Pedagogie van de Heer, Maleachi 3: 19,20, willen we enige vooruitgang boeken op onze geestelijke weg.

Elia, de Voorloper

               Dàn zal degene die ontzag hebben voor God’s Naam [-het Jezusgebed-] de zon iedere dag stralend zien opgaan, de Zon, Die Gerechtigheid en genezing onder haar vleugels [Psalm 90(91)] voortbrengt.
        Maleachi houdt zijn Volk [en ons] voor dat de Profeet Elia de laatste dag zal aankondigen, komende om het hart van ‘
de Vader naar zijn zoon’ te keren en het hart van ‘een mens naar zijn naasteMaleachi 3: 23. Dat is de reden dat het Joodse volk op de sederavond nog altijd een stoel open laat om Elia te verwelkomen.

                            Teneinde de boodschap van het geestelijk ‘vuur en verbranding’ van Maleachi op ‘deze laatste grote dag’ te begrijpen, wenden we ons tot de waarschuwing van Paulus:

Apostel Paulus, als een asceet in de gevangenis, Rembrandt, Harmenszoon van Rijn ca. 1627

Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, [onze Heer en Verlosser, de middelaar van een nieuw Verbond] niet afwijst. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die Zijn God’s-spraak op aarde deed horen, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem, Die uit de hemelen [spreekt]. Toen heeft Zijn stem de aarde doen wankelen, doch thans heeft Hij een Belofte gegeven, zeggend: ‘Nog eenmaal zal Ik niet slechts de aarde, maar ook de Hemelen doen beven.
       Dit: nog eenmaal, doelt op een verandering der wankele dingen als van iets, dat slechts geschapen is, opdat zal blijven, wat niet wankel is. Laten wij derhalve, omdat wij een on-wankelbaar Koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehaaglijke wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuurHebr.12: 25- 29.

Wat betekent het om te zeggen dat “God een verterend vuur is?”.
       Waarom wuift Maleachi onze harten met beelden van een grote brandende wind terwijl de Heer menselijke wezens vernietigt die naar Zijn eigen beeld zijn gemaakt – in vlammen doet opgaan?
       In Rooms- katholieke kringen wordt met Pinksteren gezongen:
  Geest, Die Vuur en Liefde zijt, Geest die leeft van eeuwigheid,
voortkomt van de Zoon en Vader
[Philioque],
leid, o Heer, ons altijd nader
door uw Liefde, door Uw Licht,
tot Uw heilig aangezicht
”.
       Daarmee wordt verkondigt dat iedereen Die van God houdt, dit herkent.
God is liefde, dus God is vuur.
En vuur verteert allen die niet zelf vuur zijn en maakt helder en glanzend allen die zelf vuur zijn“.
       Degenen die God helder en stralend maakt, hebben, zoals de
heilige Johannes van Climacos van de berg Sinaï zegt:
       een ziel die ‘verlangt en broedt tot de Heer
        met het vuur van liefde
” uit de Ladder stap 30.
Toch vernietigt God de zonde.
In het gebed tijdens de Goddelijke Liturgie voorafgaand aan  de Orthodoxe ontmoeting met onze Heer en Verlosser vraagt  de Byzantijnse hagiograaf
Συμεών Μεταφραστής [Simeon Metaphrastes (de vertaler)] Zijn Schepper:

Maria van Egypte en de beker van het Heil

       Zie, ik nader tot de Goddelijke gaven [Communie].
Verschroei mij niet, mijn Schepper door deze gemeenschap.
Gij zijt immers een vuur, dat de onwaardigen verteert.
Maar reinig mij van alle smet.
        Huiver, sterveling, bij het aanschouwen van het Goddelijk Bloed.
Het is een vuur, dat de onwaardigen verbrandt.
Maar het Goddelijk Lichaam maakt ook mij tot God[-dragend], en is mijn voedsel.
Het neemt mijn geest op in God, en
voedt wonderbaar mijn verstand
”.

       Dit bovenstaande dient tot op het bot te worden ervaren en daarom kent de Orthodoxie niet, hoewel het ook ons pijn doet, zoals andere christelijke kerken een praktijk van “eucharistische gastvrijheid” – wordt in de Russische traditie stelselmatig het Mysterie van de Biecht afgenomen, voorafgaand aan het communiceren. Daarom ontvangt een kind, dat zo juist gedoopt is als volwaardig lid en navolger van Christus, het Lichaam en Bloed van Christus.
       In dit gebed klinkt de aloude roep door:
      Hoor, Israël, de Heer, onze God, de Heer is een, en
gij zult de Heer, uw God, liefhebben 
uit geheel uw hart en
uit geheel uw ziel en uit 
geheel uw verstand en uit geheel uw krachtMarc.12: 30.
Wij Orthodoxen smeken op onze blote knieën, net als het Joodse Volk en de Heilige Simeon, dat onze Heer en Heiland ons reinigt.
We zijn absoluut overtuigd dat de “Zon der gerechtigheid” is Opgestaan en dat wij beschutting vinden onder zijn vleugelen
– beschutting betekent dat wij als vanzelfsprekend genezing/ reiniging van onze zonden verkrijgen – ​​”met genezing onder zijn vleugelsMaleachi 3: 30.

Iedereen die [bij de doop] gezalfd is “tot genezing van lichaam en ziel” door “het horen van het Geloof“, heeft zich met “Christus bekleed”, heeft Christus aangedaan – is navolger van Christus geworden.
Wanneer deze zijn kledingstuk van onvergankelijkheid zuiver en ongeschonden heeft bewaard, dankzij de Goddelijk ontvangen Genadegaven – kàn niet anders dan – dankbaar zijn voor de overvloed aan Liefde, Die hij/zij uit de hoge mag ontvangen.
De vier Evangeliën staan vol met verslagen over de genezingen die door onze Heer en Verlosser tot stand zijn gebracht. Talloze gelovigen zijn teruggebracht tot hun juiste gedachten en in hun harten gevestigd door Zijn Genadige aanraking.

De grote dag van de Heer zal worden aangekondigd door de terugkeer van Elia de profeet: “die vóór zijn verwekking geheiligd was. . . engel van lichaam en vurige intelligentie. Die Hemelse ascetische mens en voorloper van de wederkomst van Christus.
“Johannes de Doper waarschuwt zijn generatie in de geest en kracht van Elia” Luc.1:17 dat de Messias komt om te leggen Zijn bijl “aan de wortel van de bomen“, want “elke boom die geen goede vrucht draagt, wordt omgehakt en in het vuur gegooid Matth.3: 10.
Christus vergelijkt op zijn beurt Johannes de Doper met Elia:
Maar ik zeg u dat Elia ook is gekomen, en
zij deden met hem wat zij wilden,
zoals van hem geschreven is
Marc. 9:13.
Laten we daarom de morele wetten gedenken die door God zijn gegeven door zijn dienaar Mozes.
De verordeningen die Hij op Horeb bevolen heeft zijn voor heel Israël [Kerk]
– de mensen van het Oude en het Nieuwe Verbond.

Navolger van Christus

Navolger van Christus en welbevinden

Een navolger van Christus is iemand die zoekt en telkenmale door de Heer wordt gezocht, iemand die luistert en naar wie geluisterd wordt.
Hij/Zij weerspiegelt zijn tijd en staat er toch buiten, een navolger van Christus is altijd alert en nooit onverschillig.
Hij/Zij is zowel boodschapper van God voor de mensen als
de boodschapper van de mensen bij God.
In zijn/haar (half-)slaap/gebed verneemt hij/zij z’n/haar opdrachten, op het eerste gezicht maar een tragisch eenzaam figuur:
Hij/Zij probeert de hoogste graad van zelfverwerkelijking te bereiken.
Hij/Zij geeft zich totaal over aan God.
Hij/Zij weet alles [door gebed] uit de Eerste Hand;
Hij/Zij wordt daardoor God’s klankbord e
n daardoor heeft hij/zij de kenmerken:
Hij/Zij treedt nimmer juichend van blijdschap op,
zelfs niet in zijn/haar triomf.
Hij/Zij valt niet op ondanks z’n/haar krachtig uiterlijk en welluidende stem.
Hij/Zij is fysiek sterk maakt daardoor indruk op z’n/haar omgeving.
Hij/Zij komt op als een legende voor en wordt weer tot een legende.
Hij/Zij is een tijdgenoot van iedereen komt onverwacht uit de hoek.
Hij/Zij draagt eenvoudige kleding met ’n lederen een gordel om zijn lenden.
Hij/Zij heeft weinig balast als bagage, soms een stok in de hand, soms lang haar,
soms geitenharen sokken en sandalen.
Hij/Zij is werkloos, dakloos en daardoor veelal niet gehuwd, danwel is hij/zij gehuwd als beeltenis van zijn/haar Verbond met God.
Hij/Zij komt met weinig of niets rond.
Hij/Zij is taai, stormachtig, meedogenloos, kortaangebonden, onbuigzaam,
hoewel hij/zij zeer vredelievend van aard is.
Hij/Zij luistert heel goed naar iemand.
Hij/Zij geeft met korte overduidelijk zinnen te kennen wat hij/zij bedoelt.
Hij/Zij is de eenzaamste mens ter wereld, leeft met de onzichtbare God.
Hij/Zij heeft een afkeer van zwakte en compromissen.
Hij/Zij roept vrees en afschuw op.
De trotsen dienen naar zijn/haar mening te buigen; de nederigen zullen altijd worden bemoedigd.
Hij/Zij strijdt tegen onrecht/ en Hij/zij verbindt zich met alle joods-, christelijke stromingen.
Hij/Zij behoort slechts toe aan God.

4e ode van het Triodion van Josef, metten 5e donderdag:
  In onthouding hebben de door Christus verlichte Apostelen samengeleefd.
Door hun Goddelijke Voorspraak maken zij ons vasten licht
”.

  Het door God geïnspireerde koor der navolgers van Christus
deed het lied van de Verlossing weerklinken als een 12-snarige harp en
verbrak daardoor de toverzangen van den boze
”.

  Door de stormvloeden van de Heilige Geest hebt U, o Heer en Meester van ons leven,
al wat onder de zon is beproefd.
Daardoor hebt Gij de dorheid van het veelgodendom verdreven
”.

Theotokion
  Schenk mij nederigheid, Alreine en
red mij uit mijn hoogmoedig leven:
gij hebt immers Hem gebaard, Die
de vernederde natuur
weer heeft verheven

Triodion van Theodorus
  Eerbiedwaardige Apostelen, smeek tot de Schepper van de kosmos
dat Hij Zich ontfermt over ons, die u bezingen
”.

  Als arbeiders van Christus, gij heilige navolgers van Christus, hebben jullie
heel de akker der wereld bewerkt door jullie onderricht en
daarin het Goddelijk Woord geplant.
Voortdurend brengen jullie Hem de vruchten en zijt daardoor zelf wijngaard geworden
voor Hem die jullie zo zeer beminnen;
en de wijn van de Heilige Geest hebben jullie doen vloeien voor heel de wereld
”.

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest”.

  Beginloze, Uzelf gelijkende, Heilige Almachtige Drieëenheid:
Vader, Woord en Heilige Geest; God, Licht en Leven:
behoed Uw kuddeke
”.

  Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.   Amen“.

Akathist Hymn tot de Theotokos

  Verheug u, Vlammen-troon;
verheug u, licht-dragende Kandelaar;
verheug u, berg van heiliging;
gij zijt de ark van het Leven,
de Heilige tent van het Leven
”.

Woensdag ná Zondag van Johannes Climacos – vooràfgaand aan Zondag van H. Maria van Egypte

God respects our freedom and does not force us to love or follow Him

    Wie heeft dit bewerkt en tot stand gebracht?
Hij, Die de geslachten van de aanvang af heeft geroepen;
Ik, de Heer, Die de eerste ben, en bij de laatsten ben Ik dezelfde.
De kustlanden [de Lage Landen?] zagen het en werden bevreesd; de einden der aarde sidderden, zij naderden en kwamen nabij; de een hielp de ander en zei tot zijn makker: ‘Houd moed!’.
De werkman bemoedigt de goudsmid; wie met de hamer plet, bemoedigt degene die op het aambeeld slaat, en hij zegt van het soldeersel: ‘Het is goed’. Daarop bevestigt hij het met spijkers, opdat het niet wankele.
       Maar gij, Israël, Mijn knecht, Jaäcob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham,
Gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zei:
‘ Gij zijt mijn knecht, Ik heb u verkoren en u niet versmaad; vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand. Zie, allen die tegen u in woede ontstoken zijn, staan beschaamd en worden te schande; de mannen die u bestrijden, worden als niets en komen om; gij zult hen zoeken, maar niet vinden, de mannen die u bestoken; zij worden als niets, ja vernietigd, de mannen die tegen u oorlog voeren.
       Want Ik, de Heer, uw God, grijp uw rechterhand vast; die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u.
Vrees niet, gij wormpje Jaäcob, gij volkje Israël! Ik ben het, Die u help, luidt het Woord des Heren, en uw Verlosser is de Heilige van Israël.  Zie, Ik stel u tot een scherpe, nieuwe dors-slede met dubbele sneden; gij zult bergen dorsen en verbrijzelen, en heuvelen zult gij tot kaf maken“ Isaiah 41: 4-14.

Abram een met God rondtrekkende nomade by Francesco Bassano

    Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de Heer aan Abram en zei tot hem:
      Ik ben God, de Almachtige, wandel voor Mijn aangezicht, en wees onberispelijk; Ik zal Mijn Verbond tussen Mij en u stellen, en u uitermate talrijk maken.
  Toen wierp Abram zich op zijn aangezicht en God sprak tot hem:
      Wat Mij aangaat, zie, Mijn Verbond is met u, en gij zult de vader van een menigte volken worden; en gij zult niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal zijn Abraham, omdat Ik u tot een vader van een menigte volken gesteld heb. Ik zal u uitermate vruchtbaar maken en u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. Ik zal Mijn Verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig Verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn. Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft het ganse land Canaän, tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn.
Voorts zei God tot Abraham:
‘En wat u aangaat, gij zult Mijn Verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten
“ Gen.17: 1-9.

    Een wijs zoon verheugt de vader, maar een dwaas van een mens veracht zijn moeder.
Dwaasheid is vreugde voor de verstandeloze, maar een mens van verstand houdt de rechte weg.
Plannen ‘mislukken’ bij gebrek aan overleg, maar door de veelheid van raadgevers komt iets tot stand.
Iemand heeft vreugde, als hij een gepast antwoord geeft, en hoe goed is een woord op zijn tijd!
Het pad des levens gaat voor de verstandige opwaarts, opdat hij ontwijke het dodenrijk beneden.
Het huis der hoogmoedigen breekt de Heer [systematisch] af, maar Hij maakt de grenspaal der weduwe vast.
De plannen van de boze zijn de Heer een gruwel, maar liefelijke woorden zijn rein.
Wie hunkert naar onrechtmatige winst, vernielt zijn eigen huis [kerk]; maar wie geschenken haat, zal leven.
Het hart van de rechtvaardige overweegt, wat hij zal antwoorden, maar de mond der goddelozen stort boosheden uit.
Ver is de Heer van de goddelozen, maar het gebed der rechtvaardigen hoort Hij.
Vriendelijk stralende ogen verheugen het hart; een goede tijding verkwikt het gebeente.
Het oor, dat luistert naar de terechtwijzing die ten leven is, zal vertoeven te midden der wijzen.
Wie de tucht in de wind slaat, veracht zijn leven; maar wie naar terechtwijzing luistert, verkrijgt verstand.
De vreze des Heren voedt op tot wijsheid, en deemoed gaat vooraf aan de eer.
De mens heeft overleggingen des harten, maar het antwoord der tong is van de Heer.
Al iemands wegen zijn rein in zijn ogen, maar de Heer toetst de geesten.
Beveel de Heer uw werken, dan zullen uw voornemens gelukken.
De Heer heeft alles gemaakt voor zijn doel, ja, zelfs de goddeloze voor de dag des kwaads.
Iedere hooghartige is de Heer een gruwel; voorwaar, hij blijft niet ongestraft.
Door liefde en trouw wordt de ongerechtigheid verzoend, door de vreze des Heren wijkt men van het kwaad.
Als iemands wegen de Heer behagen, doet Hij zelfs diens vijanden vrede met hem maken.
Beter een weinig met gerechtigheid, dan grote inkomsten met onrecht.
Het hart des mensen overdenkt zijn weg, maar de Heer bestiert [bestuurt] zijn gang“ Spreuken 15: 20;16: 9.

    Rechtvaardigen juicht in de Heer; de Gerechten past lofzang.
Belijdt den Heer op de harp, zingt een Psalm voor Hem op de tiensnaar.
Zingt voor Hem een nieuw lied, zingt goed het overwinningslied.
Want recht is het Woord des Heren, al Zijn werken zijn trouw.
De Heer bemint goedertierenheid en recht; de barmhartigheid des Heren vervult de aarde.
Door het Woord des Heren staan de hemelen vast; door de adem van Zijn mond al hun krachten. Als in een wijnzak verzamelt Hij het water der zee, in Zijn schatkamers bergt Hij de afgrond. Dat heel de aarde de Heer zal vrezen, dat voor Hem beven alle bewoners der wereld.
Want Hij sprak, en alles ontstond; Hij gebood, en het heelal werd geschapen.
De Heer verijdelt de plannen der heidenen, Hij verwerpt de gedachten der volkeren en de   voornemens der vorsten.
Maar het plan des Heren blijft in eeuwigheid; de gedachten van Zijn hart houden stand van
geslacht tot geslacht.
Zalig het Volk, wiens God de Heer Zelf is: het Volk dat Hij zich tot erfdeel verkiest.
De Heer ziet neer uit de hemel, Hij aanschouwt alle zonen der mensen.
Uit Zijn eeuwige woonplaats ziet Hij neer over allen die de aarde bewonen.
Hij vormt ieders hart afzonderlijk; Hij begrijpt al hun werken.
Een koning wordt niet gered door veel troepen, een reus niet door zijn overvloedige kracht. Onbetrouwbaar ten behoud is een paard, zelfs al zijn kracht brengt geen zekere redding.
Zie de ogen des Heren lichten over hen die Hem vrezen, die vertrouwen op Zijn Genade[-gaven]. Om hun ziel aan de dood te ontrukken, om hen te voeden ten tijde van gebrek. Onze ziel verbeidt de Heer, want Hij is onze Helper en Beschermer.
Want in Hem verheugt zich ons hart, wij vertrouwen op Zijn heilige Naam.
Heer, Uw Barmhartigheid zal over ons komen, zoals wij vertrouwen op U
Psalm32[33] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

 

‘Komt allen tot Mij en Ik zal u rust geven’

Heeft God wel een uitverkoren Volk?
Het antwoord op deze vraag kunnen we alleen maar vinden in de Blijde Boodschap, de Heilige Schrift welke de Goddelijke Pedagogie heeft vastgelegd.
Wanneer je dit onderwerp bestudeert in het licht van de Blijde Boodschap, welke door God geïnspireerde mensen is geschreven dan zal je ontdekken dat het misschien in tegenspraak is met wat je hebt tot nog toe hebt geleerd.
Of je nu Nederlander bent Griek, Rus, Roemeen, Serviër of Syriër, die allemaal op de een of ander manier wel behoorlijk nationalistisch geïndoctrineerd zijn – kijk maar bij voetbalwedstrijden en de Olympische spelen.
Wat betekent de uitdrukking “uitverkoren” eigenlijk?
Velen denken dan onmiddellijk aan Israël en klopt dit wèl helemaal, want ook de Israëliërs laten van zich spreken, al is het alleen maar ten opzichte van de Palestijnen. De Blijde Boodschap is heel wat genuanceerder, Die zegt;
    Wanneer de Heer, uw God, u in het land gebracht zal hebben, dat gij in bezit gaat nemen, en Hij voor u uit vele volken verdreven zal hebben, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de C
anaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten, en de Jebusieten, zeven volken, talrijker en machtiger dan gij, en de Heer, uw God, hen aan u overgeleverd zal hebben, zodat gij hen [geestelijk of in werkelijkheid onderdrukt] verslaat, dan zult gij hen volkomen met de ban slaan [ja, zij zullen in de ban vallen en ook jullie God aanbidden]; gij zult met hen geen Verbond sluiten [geen enkel compromis, geen gepolder] en hun [hierin] geen Genade verlenen.
Gij zult u ook met hen niet verzwageren
[familieverbanden met hen aangaan]; uw dochters zult gij aan hun zonen niet geven, noch hun dochters nemen voor uw zonen; want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, zodat zij andere goden zouden dienen, en de toorn des Heren tegen u zou ontbranden en Hij u weldra zou verdelgen.
Maar aldus zult gij met hen doen: hun altaren [datgene wat zij als god, als idolen hebben] zult gij afbreken, hun gewijde stenen verbrijzelen, hun gewijde palen  omhouwen en hun gesneden beelden met vuur verbranden.
Want gij zijt een Volk, dat [slechts] de Heer, uw God, heilig is; u heeft de Heer, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn [God is dus dè God boven àl de wereldse goden]. Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de Heer Zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volkenDeut 7: 1-7.

  • Voor alle Volkeren der aarde, for all the People of the World

        “Want gij zijt een volk, dat de Heer, uw God, Heilig is; ú heeft de Heer, uw God, uit alle volkeren op de aardbodem uitverkoren om Zijn Eigen Volk te zijn”                  – tegen wie was dit gesproken?

  •     Hoor dan, Israël [Kerk], en onderhoud ze [al Zijn inzettingen en geboden] naarstig, opdat het u wèl ga, en opdat gij zeer talrijk wordt, zoals de Heer, de God van uw vaderen, u heeft toegezegd, in een land, vloeiende van melk en honig. Hoor, Israël: de Heer is onze God; de Heer is één!Deut.6: 3,4.
    Het laat dus zien dat God als de Énige God van Hemel en aarde gezien dient te worden en dat dit is uitgesproken tegen Israël [de Kerk]. In die tijd bestond Israël uit een volk dat met Mozes uit Egypte [uit de woestijn kwam], uit de ellende, toen zij “  vermoeid en belast waren, en God hen slechts rust kon komen verlenen
    Ja, ook zij dienden als God’s Volk “Zijn juk op zich te nemen en van God te leren van Mij, want alleen Hij is en zal Zachtmoedig en Nederig zijn van hart en op die wijze zullen zij rust vinden voor hun zielenMatth.11: 27,28.
    Daarom heeft God hen uitverkoren om voor Hem een eigen Volk te zijn uit al de volkeren, die op de aarde wonen.
    Wanneer je dit weet valt het begrip in de tekst van Isaiah op z’n plaats – zelfs voor ‘ Benjamin Netanyahu’ de president van het huidige Israël en al z’n voorgangers; het is ook hier het oude liedje – het is de schuld van de hang naar Macht, naar het kapitaal.
          O Jaäcob, O Israël [nog] weinig [van over] in getal, Ik zal je helpen, en Ik zal u verlossen, o Israël” zo zegt God. Tijdens een intense vervolging van de nieuw gevormde kerken in Klein-Azië, schreef ook de apostel Petrus dit om zijn belegerde gemeenten aan te moedigen en herinnerde hen eraan dat
    zij uitverkorenen waren, van het nieuwe Verbond in Christus, de Zoon van God”.

    Wilde stier op de Ishtar poort van Babylon

    Dit wordt nog eens dunnetjes herhaald in de bisschoppelijke dienst, wanneer de toezichthouder uit roept:
    Heer, ontferm U, over uw Gemeenschap, Die Gij vanaf den beginne hebt gegrondvest
    oftewel: ” Heer, red a.u.b. Uw Gemeenschap uit de mùil van de léeuw, bescherm ons tegen de horens van de wilde stier
    [De wilde stier (Hebr.= תְּאוֹ) wordt ook wel met “wilde os“, of in oudere vertalingen met “eenhoorn” vertaald. Tegenwoordig gaat men ervan uit dat het om de uitgestorven oeros (Bos primigenius) gaat],
    Wie heeft de eenhoorn zijn vrijheid gegeven, wie heeft hem van zijn banden bevrijd?Job 39: 9-13.
    Want Christus Zelf geeft ons heden ten dage het antwoord op deze dringende oproep:
    ➥➥➥ ” Hij heeft de Almacht van de Vader gekregen om eeuwig leven te schenken”. Dit is -hier en nù- “ het eeuwige leven, dat zij [de volkeren] U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt”.
    En wat dàt aangaat komen zowel wij als christenen met de Joodse bevolking en al de arabische volkeren op één lijn uit, want ook zij hebben in oorsprong in ‘Die Éne God’. Wanneer je de Blijde Boodschap bestudeert kom je uiteindelijk bij de Waarheid uit en laat je jezelf niet meer voor het een of het andere karretje spannen.
        Gij, zaad van Abraham, Zijn dienaren; zonen van Jaäcob, Zijn uitverkorenen”      Hij voerde Zijn Volk uit met gejubel, Zijn uitverkorenen met blijdschapPsalm 104[105]: 6,43 vert. ROK. ’s-Gravenhage.

God roept iedereen, niemand uitgezonderd

Net als in de dagen van Isaiah en Petrus, zijn we met die andere volkeren -nòg stééds- het Volk van God, we laten ons alleen door “de horens van de wilde stier”, de machtigen der aarde, ophitsen. Zij spinnen goed garen bij de chaos, die zij zelf met hun [wapen-]handel en mooie praatjes in stand houden.
Merk op dat de Profetieën van Isaiah dezelfde essentiële boodschap dragen als de brief van de heilige Petrus. God geeft deze geïnspireerde geschriften om Zijn Volk aan te moedigen. Beide mannen schreven terwijl vijanden tegen hen streden.
Beiden verzekerden God’s Volk dat ‘zij’ de uitverkorenen van God waren en dat de Heer hen zou verlossen van elke aanval.

Christus en de twaalf Apostelen

De mensen moesten en moeten niet bang zijn maar eerder op Hem vertrouwen.
Wij putten hier ook moed uit in onze strijd van deze vastentijd, want we zijn ook leden van de uitverkorenen mensen van God.
Laten we luisteren naar de boodschap van de profeet Isaiah.
Andere mensen kunnen afhankelijk zijn van allianties, maar wij behoeven dat in het geheel niet te doen, want:
– God is met ons – “.
Vijanden van de Kerk en van de mensheid tellen uiteindelijk voor niets, want God Zelf verlost 
ons.

Isaiah wist dat de naties aan de oostelijke Middellandse Zee ontregeld werden door opeenvolgende invasiegolven en veroveringen. Ze vreesden de grote rijken die ten oosten van Mesopotamië lagen, tussen de Tigris en de Eufraat rivieren, zie Isaiah 41: 5. Als een profeet stelt Isaiah de vraag van de Heer aan Zijn uitverkoren Volk in het land Juda en aan ons:
    Wie heeft deze invasies ‘
bewerkt en uitgevoerd’, en deze rijken
vanaf het begin van de geschiedenis in het leven geroepen?Isaiah 41: 1-4.
En op deze vraag geeft Isaiah het antwoord van God Zelf:
Ik, God, ben de eerste en in de toekomst ben IkIsaiah 41: 4.

Onze Heer en Verlosser, Die een weg door de zee maakte, een pad door machtige wateren.

Isaiah onderzoekt de manier waarop de mensen van  de kustgebieden reageren op deze bedreigingen en vondsten:
Een ieder die voor zijn buurman oordeelt, dat hij zijn broer zou kunnen helpenIsaiah 41: 6. Met andere woorden, ze vertrouwden daar op allianties en een beroep op afgoden om hen te redden.
Ambachtslieden en hun toezichthouders maakten er immers afgoden en tempels [kerken] van:
ze zijn vastgemaakt met spijkers. Ze regelden ze en ze zullen niet worden verplaatst” Isaiah 41: 6.
Met andere woorden, ze vertrouwden op ‘hun eigen inspanningen’ om het Volk te redden.
De ware bron van moed voor God’s Volk is echter in elke omstandigheid de Heer en Verlosser, Die ons persoonlijk heeft uitgekozen als erfgenamen van Zijn belofte aan Abraham Isaiah 41: 8.
Wat ons ook overkomt, we dienen altijd te luisteren naar het gegeven Woord,
de Blijde Boodschap, net zoals die overleden priester van afgelopen zaterdag
– altijd en immer een bijbeltje bij de hand had om in welke situatie dan ook
alles wat je tegen komt te toetsen aan het Woord van God.
Wij mensen zijn ‘niet’ degenen die onze zaken regelen Isaiah 41: 9, want God zegt ons:
Ik zal helpen en beveilig je” tegen Isaiah 41: 10, lees daar maar.
Voel jij je zwak en verlaten? Ben jij vermoeid en belast? . . . . . Hij verzekert je dat
al je tegenstanders beschaamd en te schande gemaakt zullen wordenIsaiah 41: 10
Loop dus niet gebukt en gebogen, kruip niet in het rond op zoek naar hulp,
maar bid in alle omstandigheden tot de Heer onze God en luister naar Hem die zegt: “
zij zullen allen worden als niets, alsof ze niet bestondenIsaiah 41: 11.
Allerlei dagelijkse gebeurtenissen kunnen ons tot waanzin brengen en dreigen ons te overweldigen, maar – ‘God is met ons’ – .
Wij, uitverkorenen hebben “één God, Die Heilig is, tot Heerlijkheid van God de Vader“, Die ons door alles heen kan dragen in dit leven, zelfs de dood.
Onze ergste vijanden zijn onze eigen angsten en de influisteringen van de boze die ons ertoe aanzet om te sidderen en te beven, om ons heilige Geloof in God op te geven en om alles als een aantrekkelijke oplossing aan te nemen – behalve God.
De Heer, onze God en Verlosser belooft ‘Zijn uitverkoren Volk‘ dat de machten van
uw tegenstanders beschaamd zullen worden en onteerd” door onze Heer en Verlosser Zelf Isaiah 41: 11.
Laat al die hoogwaardigheidsbekleders dus maar begaan, de tijd zal het leren.
Aanslagen op Gods volk – in de vorm van ziekte, het ‘systeem’, de ‘stijgende prijzen‘, ‘het verlies van dierbaren‘, ‘armoede‘, ‘kommer en kwel‘ – “zullen zijn alsof ze niet bestondenIsaiah 41: 12.
De waarachtige strijd om jouw Trouw en behoudt van het Geloof speelt zich af in je hart. “God houdt jouw rechterhand vast en zegt tegen jou: ‘Vrees niet’Isaiah 41: 13.
Luister en Geloof terwijl Hij verklaart:
O Jaäcob, Israël weinig in aantal, ik zal u helpen en ik zal u verlossen
tegen Isaiah 41: 14, lees maar.
Weet wèl, dat hèt doel van jouw uitverkiezing de dienstbaarheid aan God is en
wanneer de dienstbaarheid haar betekenis verliest en dus faalt . . . . . dàn kan de Kerk wel inpakken en de deuren sluiten.

“     Doch het zal geschieden, wanneer de Heer zijn gehele werk op de berg Sion en in Jeruzalem voleindigd heeft, dat
Ik de vrucht der hooghartigheid van de koning van Assur bezoeken zal en
de trots van zijn hovaardige ogen, omdat hij gedacht heeft:
‘     Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; daarom wis ik de grenzen der volken uit, plunder hun voorraden en stoot als een stier de inwoners neer. Ja, mijn hand greep naar het vermogen der volkeren als naar een vogelnest, en zoals men verlaten eieren opraapt, raapte ik de ganse aarde weg, en er was niet een die een vleugel verroerde, de snavel opendeed of piepte’
Isaiah 10: 12-14 [uit de lezing van vorige week woensdag]

Apolytikion
tn.1.
    Heer, red Uw Volk en zegen Uw erfdeel;
en bescherm Uw Gemeenschap door Uw Kruis
”.

Dinsdag na Zondag van Johannes Climacos – voorafgaand aan Zondag van H. Maria van Egypte

    Met wie dan wilt gij God vergelijken en welke vergelijking op Hem toepassen?
Een vakman giet het beeld en een goudsmid overdekt het met goud en smeedt er zilveren ketenen voor.
Wie te arm is voor een wij-geschenk, kiest een stuk hout dat niet verrot; hij zoekt zich een kundige vakman om een beeld op te richten, dat niet wankelt.
Weet gij het niet? Hebt gij het niet gehoord? Is het u van de aanvang niet verkondigd? Hebt gij geen begrip van de grondvesten der aarde?
Hij troont boven het rond der aarde, en haar bewoners zijn als sprinkhanen; Hij breidt de hemel uit als een doek en spant hem uit als een tent waarin men woont.
Hij geeft de machthebbers over ter vernietiging,
Hij maakt de regeerders der aarde tot ijdelheid;
– nauwelijks zijn zij geplant, nauwelijks gezaaid,
– nauwelijks wortelt hun stek in de aarde, òf
Hij 
blaast reeds op hen, zodat zij verdorren, en een storm neemt ze op als stoppels.
Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem zou gelijk zijn? zegt de Heilige.
Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Hij, die het heer daarvan in groten getale uitleidt en elk daarvan bij name roept door de Grootheid van Zijn Sterkte en omdat Hij geweldig van Kracht is; er blijft niet een achter.
Waarom zegt gij, o Jaäcob, en spreekt, o Israël [ Kerk]:
mijn weg is voor de Heer verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij?
Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord?
Een eeuwig God is de Heer, Schepper van de einden der aarde.
Hij wordt noch moede noch mat, zijn verstand is niet te doorgronden.
Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte.
Jongelingen worden moede en mat, zelfs jonge mannen struikelen, maar wie de Heer verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet matIsaiah 40: 18-31.

Abram een met God rondtrekkende nomade door Francesco Bassano

    Hierna kwam het Woord des Heren tot Abram in een gezicht:
‘ Vrees niet, Abram Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn’.
En Abram zei:
‘Heer der Heerscharen, wat zult Gij mij geven, daar ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn 
huis, dat zal deze Damascener Eliezer zijn.
En Abram zei:
‘ Zie, mij hebt Gij geen nakroost gegeven, en nu moet een onderhorige mijn erfgenaam zijn.
       En zie, het Woord des Heren kwam tot hem:
‘Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar uw lijfelijke zoon, die zal uw erfgenaam zijn.
     Toen leidde Hij hem naar buiten, en zei:
‘Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn.
En Abram geloofde in de Heer, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid.
En Hij zei tot hem:
‘ Ik ben de Heer, Die u uit Ur der Chaldeeën heb geleid om u dit land in bezit te geven.
En Abram zei:
‘ Heer der Heerscharen, waaraan zal ik weten, dat ik het bezitten zal?
En Hij zei tot hem:
‘ Haal mij een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif.
Abram haalde die alle voor Hem, deelde ze middendoor en legde de stukken tegenover elkander, maar het gevogelte deelde hij niet.
Toen de roofvogels op de dode dieren neerstreken, joeg Abram ze weg.
Toen de zon op het punt stond onder te gaan, viel een diepe slaap op Abram. En zie, hem overviel een angstwekkende, dikke duisternis.
En Hij [de Heer] zei tot Abram:
‘ Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar. Doch ook het volk, dat zij zullen dienen, zal Ik richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken. 
Maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan; gij zult in hoge ouderdom begraven wordenGenesis 15: 1-15.

doorzien worden, door de mand vallen‘ – uit ‘De Spreekwoorden’ van Pieter Bruegel 1559, ‘met de billen bloot’.

    De lippen der wijzen strooien kennis uit, maar het hart der dwazen is niet recht.
Het offer der goddelozen is de Here een gruwel, maar aan het gebed der oprechten heeft Hij welgevallen.
De weg van de goddeloze is de Heer een gruwel, maar wie gerechtigheid najaagt, heeft Hij lief.
Gestrenge tuchtiging treft hem die het rechte pad verlaat; wie terechtwijzing haat, zal sterven.
Dodenrijk en verderf liggen open voor de Heer, hoeveel te meer de harten der mensenkinderen!
De spotter houdt er niet van, dat men hem terechtwijst; tot de wijzen zal hij niet gaan.
Een blij hart maakt het aangezicht vrolijk, maar door harte-leed wordt de geest verslagen.
Het hart van de verstandige zoekt kennis, maar de mond der zotten houdt zich met dwaasheid bezig.
Al de dagen van de ellendige zijn boos, maar voor de blijmoedige is het altijd feest.
Beter is een weinig in de vreze des Heren, dan een grote schat en [een hoop] onrust daarbij.
Beter een schotel groente, waar liefde heerst, dan een gemeste os en haat daarbij.
Een opvliegend mens verwekt twist, maar een lankmoedige doet de strijd bedaren.
De weg van de luiaard is als een doornhaag, maar het pad der oprechten is welgebaand“  Spreuken 15: 7-19.

Niet toeschietelijk zijn, terughoudend gedrag
Want waarom zegt u, o Jaäcob, en spreekt, o Israël, zeggende:
‘Mijn weg is verborgen voor God, en mijn God nam mijn oordeel weg en vertrok? ‘
Isaiah 40: 27.
Met deze vraag daagt de profeet Isaiah zowel het oude en nieuwe Volk van het Verbond uit, die klagen dat God zich niet met hun problemen bezig houdt.
Ze concluderen dat God onverschillig staat tegenover Zijn kinderen, Hij verwaarloost ze bij wijze van spreken!
Maar kunnen de gebeurtenissen van Zijn volk voor God verborgen blijven?
De bewering van het Volk onthult hun ‘niet-verbonden-zijn‘, de afstand, die gegroeid is, tussen de Schepper en Zijn schepsel.
Voor degenen die op deze manier over God spreken, komt boven water dat God in feite niet bestaat, dat God dood is. Ze verwachten niets van Hem, horen zijn roep niet en verwachte in het geheel niets van Hem – gaan Hem het liefst uit de weg.

Het is daarom hoogst noodzakelijk ‘de leer van de universele Kerk’ in zichtbare aanwezigheid door daden om te zetten, m.a.w. het concrete leven van de parochies en Christengemeenschappen onder de aandacht te brengen van het grote publiek.
De vraag wordt gesteld òf men wel bereid is ervaring op te doen de Kerkelijke realiteit dusdanig voor het voetlicht te krijgen dat er sprake is van het feit dat Christenen tot Één Lichaam behoren, het Lichaam van Christus en
dat wij allen -‘hoewel verdeeld‘- een eenheid vormen als navolgers van Christus?
Eén Lichaam dat alles wat God verlangd heeft ons te geven, zowel in de Genade-gaven, Die wij zowel ontvangen als delen?
Eén Lichaam dat zijn zwakste, armste en kleinste leden met name kent en er tevens zorg voor draagt? Òf verschuilen wij ons achter een ‘Universele Liefde’, Die Zich slechts inzet voor een wereld vèr weg, maar vergeten is dat Lazarus aan onze eigen gesloten deur zit te verkommeren?
Zijn wij als Christelijke gemeenschap als ‘heer des huizes’ in het purper en linnen gekleed
⁌   en wordt iedere dag, die God ons geeft, als een feest in ons midden ervaren?
Om te ontvangen wat God ons geeft en het ten volle vrucht te laten dragen, dient men de grenzen van de zichtbare Kerk in twee richtingen te overschrijden.
1.]. Enerzijds, door ons in gebed te verenigen met de Kerk in de Hemel.,
2.]. Anderzijds door ons werkelijk tot op het bot te verenigen met de Kerk om ons heen, onze naasten.
1.]. Wanneer de Kerk op aarde bidt, komt een gemeenschap van wederzijdse dienstbaarheid en welzijn tot stand tot in God’s aanwezigheid. Met de heiligen die hun volheid in God gevonden hebben, maken wij deel uit van deze gemeenschap waarin -iedere onverschilligheid ten opzichte van de naasten-
door de van God verkregen Lliefde overwonnen is.
De Kerk van de Hemel is niet triomferend omdat zij het leed van de wereld de rug heeft toegekeerd en Zich op haar eentje verblijdt.
In tegendeel, de heiligen kunnen reeds -hier en nu- aanschouwen en genieten vanwege het feit dat zij door de dood en Opstanding/Verrijzenis van haar Heer en Verlosser, onverschilligheid, verharding van het hart en de daaruit voortvloeiende afstand en haat definitief hebben overwonnen.
Zolang deze overwinning van de liefde de gehele [Christelijke] wereld niet doordringt, gaan de heiligen echt nog niet met ons, pelgrims, op weg.
Vertrouw er derhalve niet op werkloos in het Koninkrijk des Heren rond te lopen en verlang er slechts naar jezelf onophoudelijk voor de Kerk en de haar toegewezen zielen in te zetten.
Ook ‘wij’ hebben deel aan de verdiensten en vreugde van de heiligen en
degenen die in onze strijd met ons optrekken en verlangen naar Vrede en verzoening. Het geluk en de Vreugde, die zij genieten, ervaren ze door de overwinning welke de opgestane/verrezen Heer via Zijn Kracht ons doet toekomen om de vele vormen van onverschilligheid en verstening van de harten te overstijgen.
2.]. Anderzijds is elke Christengemeenschap geroepen de drempel te over-schrijden, die haar in relatie brengt met de samenleving die haar omringt,
met de armen dichtbij en zij die veraf zijn.
De Kerk is van nature in doen en laten werkzaam in  de verkondiging van het Woord en niet op zichzelf gericht, maar is tot alle Volkeren uitgezonden.
Zie toch hoe deze ‘niet’ tot één enkele religieuze orde behorende weergave
past in de situatie van de Kerk van deze tijd.
Ja we hebben onze mond vol van Oecumene, maar beseffen tot op het bot, dat geen van de prelaten ooit z’n functie zal neerleggen ten behoeve van het hogere doel, geen enkele bloedgroep wil buigen/onderdoen voor de ander, het is immers je broodwinning.
Ik hoor zelfs verkondigen dat we lang kunnen wachten en dat eerst bij de wederkomst door ingrijpen van onze Heer en Verlosser sprake zal zijn van verbroedering tot één heilige Katholieke en Apostolische Kerk.
Ook vele christelijke mensen -van hoog tot laag- nemen beslissingen en handelen daarbij zonder inmenging of verwijzing naar God. Vind je het dan verwonderlijk dat beweerd wordt dat God niet meetbaar noch tastbaar aanwezig is, dat God dood is?
Isaiah berispt zijn toehoorders, waaronder ons, vandaag met deze feiten, met dit soort pessimisme. Indien de mensheid in navolging van Christus, met recht Zijn Naam zou willen dragen, zoals de voorvader Jaäcob zijn naam Israël ontving, na het gevecht met de engel ? – Ja, dan zou de wereld nog eens staan te kijken, waar die Christenen wel niet toe un staat zijn.
Dan zou blijken dat de Christenen hun Blijde Boodschap werkelijk door een verkondigend voorbeeld zouden verkondigen.

Waarom zijn wij Christenen zo negatief, waarom zo pessimistisch wanneer het gaat om de opdracht die wij allen hebben meegekregen: Gaat en verkondig de Pedagogie des Heren, de Blijde Boodschap onder alle volkeren – doopt hen vervolgens en doe hen leven in God’s Naam?

⁌   De naam Christen zou een eretitel dienen te zijn in de hedendaagse samenleving – maar wij hebben ons werk laten versloffen – wij weten niet meer wat wij doen;
”   de Waarheid wordt zeldzaam onder de mensen“.
⁌   Wij houden ons bezig met belangrijk zaken als onderlinge invloed’s-uitbreiding, politiek gewin, richten stichtingen op, zodat de overheid geïmponeerd wordt door ‘ons’ [lees Orthodoxen]
⁌   dat wij daarop -door diezelfde overheid- ingepakt en [fiscaal] bestolen worden laten we maar even buiten beschouwing. Wij worden gedwongen ons privé- leven door belastingaftrek te grabbel te gooien, alles en iedereen dient geregistreerd te worden.
⁌   
Wie heeft de Macht in de Kerk, aan Wie hebben wij verantwoording af te leggen; ja, geef aan de keizer, wat aan de keizer toebehoort zult u zeggen, maar ondertussen worden wij ‘Christelijke’  kerkgemeenschappen mondiaal aan banden gelegd.
✥≈✥ Isaiah nodigt ons vandaag uit, die door deze woorden ontmoedigd worden, om de Heer te vergelijken met die goden die gevormd zijn door menselijke handwerkslieden.  Sommige van deze idolen werden opgemaakt van goud, zilver of “hout dat niet zal rottenIsaiah 40: 18-20, zodat ze eeuwenlang zouden kunnen blijven bestaan. Dit blijkt wel uit de kerkgebouwen, die wij momenteel aan de hoogste bieder aan ontwikkelingsmaatschappijen verkwanselen.
In de eerste drie verzen van de huidige lezing, richt Isaiah zich op afgoderij – in het opgaan in de dingen om ons heen, terwijl wij onze hoofdopdracht terzijde schuiven.
Is God voor ons verworden “tot een idoolIsaiah 40: 18,19, waar we een leuk baantje aan overhouden?
Is Hij niet “dè Heer van de mens en Heerser over alle natiënIsaiah 40: 21-24?
Is Hij het niet die de wereld onophoudelijk “vormt en bestuurt” 
bij de schepping die Hij heeft gevormd en bestuurd Isaiah 40: 25-26?.
God heeft Zich niet teruggetrokken; wij hebben ons laten beetnemen door het pluche; in plaats dat wij onze toezichthouders duidelijk maken dat ‘wij‘, het gewone God’s-volk waarachtig wachten op het moment dat “Hij zal worden vernieuwdIsaiah 40: 31. Wij dienen als Kerk onze Christelijke Naam te hernieuwen, door ieder van ons persoonlijk het gevecht met de engel aan te gaan. Wij dienen ons te distantiëren van al dat gedoe en geneuzel op ‘hoog?’- niveau, wij het gewone gelovige godsvolk wenden ons tot de Heer en roepen:
        Heer ontferm U, redt ons alstublieft – het is hoog tijd om ons te redden”.

Nog langer investeren van onze primaire levensenergie in ge-engageerde gecreëerde dingen is waanzin! Het is datgene wat onze Heer en Verlosser keer op keer herhaalt:
        Want wat zal het een mens baten
indien hij/zij de hele wereld wint, en
zijn eigen ziel verliest?Marc.8: 36.
Vervolgens berispt Isaiah zijn pessimistische landgenoten met de woorden:
Kent u de grondslagen van de aarde? “ – de Kosmos? Isaiah 40: 21.
God Zelf “bezit hetgeen zich rond de cirkel van de aarde bevindtIsaiah 40: 22.
Hij maakt de heersers tot wie Hij zich richt tot regel om ‘als niets’ te zijnIsaiah 40: 23; ” wanneer Hij op hen blaast, zullen zij verdorren en de wervelwind zal hen wegnemen zoals stoppelsIsaiah 40: 24.
Isaiah geeft ons een inkijkje van ‘God’s kijk’ op toezichthouders, met name de hoog-dravend optredende, hoog-tronende leidinggevenden: “ze duren slechts een seizoen” [Hoogmoed komt immers vóór de val].
Daarentegen vestigt hij als grote Profeet onze aandacht op ‘God’s werk als Schepper’:
”     Heft uw ogen naar omhoog en ziet: Wie heeft dit alles geschapen?
Hij, die het heer daarvan in groten getale uitleidt en
elk daarvan bij name roept door ‘de Grootheid van Zijn Sterkte’ en
omdat Hij [als God] geweldig van Kracht is’;
er blijft niet een achter [niets ontsnapt aan Zijn kennisgeving]” Isaiah 40: 26.
Hij heeft daartoe geen slaafse volgelingen, vazallen nodig, geen klokkenluiders, die Hem verwittigen wanneer er iets mis dreigt te gaan:
Hij weet alles bij voorbaat – Hij ziet de ontwikkelingen van de wereldgerichte Kerk en wacht Zijn tijd wel af.

Zie hoe Isaiah 40: 27, geciteerd in de openingszin, de sleutel is tot deze gehele profetie. Zodra de uitdaging is vastgesteld vat Isaiah vervolgens in zijn laatste verzen datgene samen wat hij zijn lezers heeft voorgehouden teneinde dit punt nogmaals in overweging te nemen.

tijd tot een besluit

Weet gij het nu [nog niet], hebt gij het niet gehoord? Een eeuwig God is de Heer, de Schepper van de einden der aarde: “ Een eeuwig God is de Heer, Schepper van de einden der aardeIsaiah 40: 28.
De Eeuwige vervlakt niet, valt niet ‘in zwijm’ [flauw] als een mens; eerder geeft Hij kracht aan degenen, die zwak zijn, niet in staat zich [met de tongriem of via WWW-geschrift] de zwakkeren te verdedigen Isaiah 40: 28..
Zijn begrip maakt geen gebruik van menselijke middelen Isaiah 40: 28;
het beste wat overblijft is dat we “op God wachten“, want eerst dàn zullen de machtelozen  vermeerderd worden en zij: “zullen rennen, en niet moe zijn. . . lopen en geen honger hebben Isaiah 40: 31.

Het menselijk ras vervalt in pessimisme – hetzij in de tijd van Isaiah, hetzij als in onze tijd – wanneer de mens niet langer in staat is te wachten op God.
Mogen we opgeven ons aan de wereldse constateringen van onze aardgebonden, waarnemingen en vaststellingen bevrijd weten en ons alleen nog maar richten op de Heer onze God, Die Hemel en aarde gemaakt heeft.
Heer, Gij hebt Uw land gezegend,
Gij hebt de gevangenen van Jaäcob teruggevoerd.
Gij hebt de ongerechtigheden van Uw volk vergeven, en al hun zonden bedekt.
Gij hebt heel Uw gramschap volkomen gestild;
U afgewend van Uw wrekende toorn.
Bekeer ons, God van ons heil: keer Uw toorn van ons af.
Blijf niet eeuwig op ons vertoornd;
wilt Gij Uw gramschap doen duren van geslacht tot geslacht?
God, keer U tot ons, om ons te doen leven;
dan zal Uw volk zich verblijden in U.
Toon ons, Heer, Uw barmhartigheid, en schenk ons Uw Heil.
Ik wil horen wat de Heer God in mij spreekt,
want Hij spreekt vrede tot Zijn volk.
Evenals tot Zijn gewijden, die hun hart tot Hem hebben bekeerd.
Ja, nabij is Zijn Heil voor wie Hem vrezen: Zijn heerlijkheid woont op onze aarde.
Barmhartigheid en Waarheid hebben elkander ontmoet:
Gerechtigheid en Vrede kussen elkaar.
Waarheid ontspringt aan de aarde, en gerechtigheid ziet neer uit de hemel.
Want de Heer schenkt welwillendheid, opdat de aarde haar vruchten zal geven.
Gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht uitgaan,
om op de weg Zijn schreden te richten
Psalm 84 [85] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Christus geeft ons absoluut ‘geen‘ tijdelijke gewaarwording – een gerichtheid, die boven het dagelijks leven uitgaat – Christus probeert ons ‘een nieuwe werkelijkheid‘ – bij te brengen en dat vindt alleen plaats wanneer je met beide benen op de grond staat.
Christus geeft ons geen spirituele confrontatie, noch doet Hij ons een manier toe-komen, die ons leven plotsklaps beter/en zonder gebreken zal maken.
Een eenvoudig gelovige vrouw vertelde me eens dat  spiritualiteit “lijkt op een Hemelvaart, alleen om die reden ging zij naar haar kerk”.

ΙΣ ΧΣ ζωοδοτισChristus, de levende

Christus is weliswaar gelieerd aan spiritualiteit
– maar Hij huldigt een ‘nieuwe’ werkelijkheid en  die is voor ieder mens verschillend – het zou anders erg eentonig worden.
Indien iedereen deze realiteit oppakt en dit als voorhoede gebruikt van zijn ‘eigen’ zaken, is datgene wat hij/zij gelooft een zich verheffen boven de ander, het is als het opdoen van viezigheid welke ‘in eigen ogen’ de werkelijkheid omzeilt, die aan allen eenzelfde leven belooft
– dat wil zeggen ‘globalisering’ [de activiteit wordt eenduidig over de wereld verspreid, ieder mens gelooft hetzelfde].
Het is als de vraag, die de mens aan God  wordt gesteld:  “Heb ik u gevraagd, Maker, van mijn leem om mij te vormen tot mens?
Heb ik u gevraagd mij vanuit de duisternis te promoten?
” [Paradise Lost . 1667. Boek X, 743-45].
Het zijn vragen, die Adam [en Eva] aan God stelt na het verlies van het Paradijs in Milton’s Paradise Lost.
Opmerkelijk genoeg roepen deze regels tevens verschillen op tussen de twee verhalen van Adam over de schepping van Adam:
– in Genesis 2 wordt Adam gevormd uit het stof van de aarde [klei/leem] en door wordt de Pottenbakker verteld om de tuin te dienen;
– in Genesis 1 wordt hem verteld de aarde te domineren. 

In de ‘nieuwe’ werkelijkheid kunnen niet zeggen dat we van Christus zijn en aan de andere kant in ons eigen ‘kennen en kunnen’ geloven. 
Christus wordt geopenbaard wanneer Hij ons voorlegt “hé, kinderen van God, Wie zeg jij dat Ik ben?”.

Prokimen in de 5e toon.
Lezer: ”   Gij Heer, bewaar ons tegen dit geslacht tot in alle eeuwigheid
Volk herhaalt.
Lezer: “Red mij, Heer, er is geen Heilige meer” . . . . .  “de Waarheid wordt zeldzaam  onder de Volkeren
Volk: ”   Gij Heer, bewaar ons tegen dit geslacht tot in alle eeuwigheid
Lezer: ” Gij Heer, bewaar ons tegen dit geslacht“;
Volk: ”   tot in alle eeuwigheid !!!“.

Apolytikion
tn.5.
  “   Komt laat ons bezingen en aanbidden
het met de Vader en de Geest mede-eeuwige Woord,
Dat om ons te verlossen uit de Maagd geboren is.
Want Hij heeft het op Zich genomen
Zijn Lichaam aan het Kruis te laten slaan en de dood te verduren,
Om door Zijn Roemrijke Opstanding
de doden op te wekken
”.

Kondakion
tn. 5. 
“   Ter helle zijt Gij neergedaald, mijn Heiland,
en in Uw Almacht hebt Gij de ijzeren poorten gebroken.
Als Schepper hebt Gij de gestorvenen opgewekt;
de prikkel des doods vernietigd en
Adam van de vloek bevrijd, o Menslievende.
Daarom roepen wij U allen toe: Heer, red ons
”.

Theotokos en de profeten;
Θεοτόκος και οι προφήτες;
ثيوتوكوس والأنبياء.

Theotokion
tn.5. 
  Gij zijt in Waarheid de Cherubijnentroon,
want in u heeft het Woord woning genomen Alreine
en is in het vlees uit u voortgekomen.
Om ons heeft Hij het kruis ondergaan en
heeft Hij als God de Opstanding geschonken
Om onze natuur te verheerlijken.
Vraag
[Hem] voor ons om vergeving van zonden”.