4e Woensdag na Pascha, onze Heer – en ook wij navolgers – gaan op de helft van het feest tot Pinksteren op naar de Tempel en leren Hem kennen.

Hij zegt je: ‘Ik ben’,
het enige wat Hij zegt is: “Ik ben”; He tells you: “I am”, the only thing He says is “I am”.

    Doch toen het feest reeds op de helft was, ging Jezus op naar de tempel en leerde. De Joden dan verbaasden zich en zeiden: Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen?
Jezus antwoordde hun en zei:
       Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, Die Mij gezonden heeft; indien iemand Diens Wil doen wil, zal hij van deze leer weten, òf zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek.
➙       Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar Wie de eer zoekt van Zijn zender, Die is waar en er is geen onrecht in Hem.
Heeft Mozes u niet de wet gegeven?
En niemand van u doet de wet. Waartoe tracht gij Mij te doden?
       De schare antwoordde:
Gij zijt bezeten; wie tracht U te doden?
Jezus antwoordde en zei tot hen:
       Een werk heb Ik verricht en gij verwondert u allen.
    Daarom: Mozes heeft u de besnijdenis gegeven – niet, dat zij van Mozes komt maar van de vaderen – en gij besnijdt een mens op Sabbath. Als een mens op Sabbath de besnijdenis ontvangt, opdat de wet van Mozes niet verbroken zal worden, zijt gij dan op Mij vertoornd, omdat Ik op Sabbath een gehele mens gezond gemaakt heb?  Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel.
    Sommigen dan uit de Jeruzalemmers zeiden: Is deze het niet, die zij trachten te doden?
En zie, Hij spreekt vrijuit en zij zeggen Hem niets. Zouden waarlijk onze oversten hebben ingezien, dat deze de Christus is? Van deze echter weten wij, vanwaar Hij is, doch wanneer de Christus komt, weet niemand, vanwaar Hij is.
– Jezus dan riep, terwijl Hij in de Tempel [van het hart] leerde, en sprak: Mij kent gij en gij weet, vanwaar Ik ben; en Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar er is Éen Waarachtige, Die Mij gezonden heeft en Die gij niet kent. Ik ken Hem, want Ik kom van Hem en Hij heeft Mij gezonden.
    Zij trachtten Hem dan te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want Zijn Uur was nog niet gekomen.“ John.7: 14-30

Genezing door het gebed van Paulus, detail – Karel Dujardin [1622–1678] rijksmuseum

    Toen namen zij, de toestand overzien hebbende, de wijk naar de steden van Lykaonie, Lystra en Derbe en omgeving, en verkondigden daar een tijd lang het Evangelie [de Blijde Boodschap].
En er woonde te Lystra een man, die geen macht had over zijn voeten, verlamd van de schoot van zijn moeder af aan, die nooit had kunnen lopen.
    Deze man luisterde naar Paulus, wanneer hij sprak, en Paulus keek hem scherp aan en zag, dat hij Geloof had om genezing te vinden, en hij zei met luider stem: Ga recht op uw voeten staan! En hij sprong overeind en liep heen en weer.
    En toen de scharen zagen, wat Paulus gedaan had, verhieven zij hun stem en zeiden in het Lykaonisch: De goden zijn, in mensengedaante, tot ons neergedaald; en zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij het was, die het woord voerde. En de priester van Zeus-voor-de-stad bracht stieren en kransen aan bij het poortgebouw en wilde met de scharen offeren.
    Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus dat hoorden, scheurden zij hun mantels en sprongen naar voren onder de schare, uitroepende:
            Mannen, wat doet gij daar? Ook wij zijn maar zwakke mensen zoals gij en verkondigen u, dat gij u van dit ijdel bedrijf moet bekeren tot de levende God, die de hemel, de aarde, de zee en 
al wat erin is gemaakt heeft.
            Hij heeft ten tijde der geslachten, die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan, en toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken.
En hoewel zij zo spraken, konden zij ternauwernood de scharen weerhouden hun te offerenHand.14: 6-18

    De hemelen verhalen de heerlijkheid Gods, het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. Elke dag openbaart een woord aan de volgende dag; van nacht tot nacht wordt kennis verkondigd. Niet met gesproken woorden, er wordt geen klank vernomen. Toch klinkt over heel de aarde hun boodschap, tot aan de grenzen der wereld hun woorden. Hij heeft een tent gemaakt voor de zon, die als een bruidegom uit Zijn bruidsvertrek  treedt. Hij juicht als een reus om zijn baan te doorlopen; hij gaat op aan het einde des hemels. Zijn loop gaat op tot het einde; niemand kan zich verbergen voor zijn gloed.
De Wet des Heren is onbevlekt, en bekeert de zielen.
Het getuigenis des Heren is waar, en geeft wijsheid aan de kleinen.
De oordelen des Heren zijn recht, zij verblijden het hart.
Het gebod des Heren is stralend, het verlicht de ogen.
De vreze des Heren is rein, en blijft in de eeuwen der eeuwen.
De gerechtigheden des Heren zijn waar, gerechtvaardigd in zichzelf.
Begerenswaard boven goud en edelgesteente; zoeter dan honing en raat.
Uw dienaar onderhoudt dan ook Uw geboden, want dat schenkt grote vergelding.
Wie kent al zijn overtredingen ? Reinig mij van mijn verborgen kwaad, en behoed Uw dienaar voor vreemde zonde. 

Als die mij niet overheersen, dan ben ik onbevlekt; en word ik gereinigd van grote zonde.
Dan hebt Gij behagen in het woord van mijn mond: de gedachten van mijn hart liggen open voor Uw  ogen. Heer, Gij zijt mijn Helper, en mijn Verlosser
Psalm 18[19] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

stammen van Israël verzameld rond de Ark van het Verbond in de woestijn bij de berg Sinaï

      En vele natiën zullen optrekken en zeggen:
     Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God van Jaäcob
[Hebr.=‘ Hielenlichter’], opdat Hij ons zal leren aangaande Zijn wegen en opdat wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan en vanuit het Woord des Heren uit Jeruzalem. En Hij zal richten tussen vele volkeren en rechtspreken over machtige natiën tot in verre landen.
Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.
Want alle volkeren wandelen elk in de naam van hun god, maar wij zullen wandelen in de Naam van de Heer, onze God, voor altoos en immer.
Hoort toch wat de Heer zegt:
Sta op, treed als aanklager op ten aanhoren van de bergen, en laat de heuvelen uw stem vernemen.
Hoort, gij bergen, de aanklacht des Heren, ook gij, onwrikbare grondvesten der aarde. Want de Heer heeft een aanklacht tegen Zijn Volk, en met Israël [de Kerk] wil Hij een rechtsgeding aangaan.
Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan en waarmee heb Ik u vermoeid? Getuig tegen Mij!
Immers heb Ik u gevoerd uit het land Egypte en uit het slavenhuis heb Ik u verlost, en Ik zond voor u heen Mozes, Aäron en Mirjam. Mijn volk, gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraamde en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde. Van Sittim tot Gilgal, opdat gij het volle recht des Heren moogt erkennen.
Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en
wat de Heer van u vraagt:
niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en
ootmoedig te wandelen met uw God
Micha 4: 2-3,5; 6: 1-5, 8.

Wie ben je?

Gevangen, waar niemand aan denkt – Caught, nobody’s thinking of.

Jaäcob’s naam is hielenlichter; die naam wordt zijn levenspad. ‘Wie ben je?’, vraagt zijn blinde vader Isaäk. Ja, er zullen velen geroepenen [gedoopten] met ons optrekken, maar zijn zij niet allen verlamd, zoals de verlamde van afgelopen zondag? Zijn zij niet allen blind voor wat er werkelijk van hen verwacht wordt/ de Kerk is heel transparant, je zult verantwoordelijkheid dienen af te leggen
voor datgene wat je met je talenten hebt gedaan.
Wij zijn op de helft van onze vreugde van het Pascha
– verkeren nog in de waan van de Opstanding,
maar houden wij onszelf niet voor de gek?
Hebben wij slechts ‘luchtkastelen opgebouwd’ door
slechts enkele malen per jaar de diensten in Amersfoort of waar dan ook te bezoeken en voor de rest geen enkele verantwoordelijkheid te dragen voor
de voortgang van ons eigen Geloof en dat van onze kinderen?
Onze spelleiders, voorgangers houden het ons,
net als Mozes, Aäron en Mirjam voor:
God heeft u bekend gemaakt recht te doen:
1.].uw leven goed in te richten’, en
2.]. getrouwheid aan ‘het Woord lief te hebben en
3.]. deemoedig te ‘wandelen mèt uw God’ !!!

Hoe kun je het dan op alle fronten laten afweten ???,
hoe is dat in vredesnaam mogelijk ???
Zijn jullie dan horende doof ???
Zijn jullie ziende, blind ???

Zijn jullie van plan om nog iets te gaan ondernemen ???
Of vinden jullie het wel goed zo en laten jullie de hele boel gewoon afbranden ???
Ben jij navolger van Christus ???

in alle eenvoud je kruis dragen

Neem dan je Kruis op en volg Hem, opdat
je ‘werkelijk’ mag overleven.

Op de helft van het Feest wordt gebruikt voor een bezinning, een pas op de plaats.
Wordt hier dan met een beschuldigende vinger naar de ander gewezen?
Ja, de ervaring heeft mij geleerd dat ook ik dat doe, omdat
we nu eenmaal niet gewend zijn in de spiegel te kijken, die u en mij wordt voorhouden.
Wat de lezingen ons laten zien, dat –‘ook wij’– dit met ons meedragen, maar
dat willen we gewoon niet weten, niet zien, niet horen.
Blijkbaar zijn we met z’n allen niet helemaal eerlijk, niet transparant.
Hm. Nou ja. Vooruit.
Ik lieg ook wel eens. Om een ander te beschermen.
Of, minder nobel, om mijzelf te beschermen.

En hoe zit het hier, in ‘dìt’ verhaal?
Wijs ik ook met mijn vinger in de richting van anderen om Jaäcob vrij te pleiten?
Ik heb natuurlijk liever dat Jaäcob een Heilige is. Hij is tenslotte de stamvader van Israël, en het daarop volgende volk waarmee ik me door Jezus verbonden weet.
Zijn bedrog is echter een smet op Israëls blazoen, [lees echter òns blazoen].

Want uit Sion zal de Wet uitgaan en vanuit het Woord des Heren uit JeruzalemMicha 4: 2.
De profeet Micha, in mystieke harmonie met de profeet Isaiah:
    En vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God van Jaäcob, opdat Hij ons zal leren aangaande Zijn wegen en opdat wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en het Woord des Heren woord uit Jeruzalem. 
En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren“ Isaiah 2: 3,4

De Profeet Micha, voorziet met Isaiah een wereld-veranderend tijdperk waarin
velen van de naties en volkeren van de aarde naar het Huis van de Heer zullen komen om Zijn Wegen te leren, Zijn Oordeel te ontvangen en Vrede in Hem te vinden onder elkaar. Wat een mirakel zou zo’n mysterieus gebeurtenis zijn voor deze door de oorlog verwoeste planeet!
Maar ook voor de destructieve houding van onszelf op de weg des Heren.
           Overeenkomstig het boek Ruth  weigerden de Moabieten
[Hebr.= ‘van de Vader, maar van welke vader?]
ons brood en water in de woestijn en dus mogen ze niet met ons trouwen.
Mozes faalde om God te heiligen – Hij riep de dorstige mensen luidt toe,
zoals hij ‘met Kracht’ [‘Dynamis’] water nam van de rots – en
daarom mocht hij het Land niet binnengaan; hij sterft in Moab.
Moab is voedsel en water [wat rechtstreeks van de vader komt] dat
nooit en te nimmer wordt gegeven, een vriendelijk woord dat je niet hebt gezegd,
liefde die niet je een ander hebt onthouden, een pelgrim naar het Hemels Koninkrijk, die omgeven door de woestijn blijft verlangen naar zijn Vaderland.

Niettemin hebben we al een gedeeltelijke vervulling gezien van
de woorden van deze Profeet.
De profeet Micha was een tijdgenoot van Isaiah.
De woorden van beide mannen zijn ongeveer acht eeuwen
vóór de Incarnatie van de Zoon van God geschreven.
Op Isaiah’s soortgelijke boodschap, voegt Micha deze unieke voorspelling
van de geboorte des Heren toe:
       En u, O Bethlehem, Huis van Efrata, hoewel u het kleinst in aantal bent
       onder de duizenden van Juda, toch zal uit u naar mij toekomen
       de Ene om heerser van Israël te zijn
Micha 5: 1.

Inderdaad, Christus onze God is voortgekomen uit de eeuwigheid als “een Gouverneur van Naties, van het geïncarneerde Maagdelijke Maagd. . .
Wie zal Zijn Volk besturen, het nieuwe Israël. Laten we daarom tot Hem een ​​verheffing van onszelf brengen!
“ conf. Koninklijke uren van de geboorte.

Nu, terwijl we bij Mid-Pinksteren aankomen en mediteren over Micha’s woord,
maakt onze kennis van Christus Jezus onze Heer
onze lof zeker groter en zelfs vreugdevoller.

Christus is opgestaan ​​en onder ons!
Tegenwoordig zingen veel volkeren luidruchtig:
Kom, laten we naar de berg van de Heer gaan, naar
het huis van de God van Jaäcob
Micha 4: 2.
Ons begrip van Micha’s woorden wordt verlicht door de komst van Christus.
We weten dat Sion verwijst naar de Kerk van God, net
als de uitdrukking “het huis van de God van Jaäcob”.
Jeruzalem’ uit Micha 4: 2 heeft ook een dubbele aanduiding zoals
weerspiegeld in onze Paasliederen:
Verheug u en dans, O gij, nieuw Jeruzalem; want
de heerlijkheid des Heren is over U opgestaan.
Verheug je en verheug je nu, o Sion, en
gij, o reine, Theotokos,
verheug u over de Opstanding van uw Zoon
”.
Vandaag beoordeelt Christus Jezus mensen op elk continent over de gehele aarde.  Een nieuwe Wet, Die van de Blijde boodschap, wordt geopenbaard in en door de Kerk. Degenen die hongeren en dorsten naar Vrede en Waarheid, mogen “wandelen in de Naam van de Heer, onze God, in alle eeuwigheidMicha 4: 5,
ze worden [(her-)op-]gevoed -.
Zelfs sterke naties zijn berispt en ter ere van Hem gebracht in Zijn hoven.
Militante volkeren zijn genezen en opnieuw gevormd door de ‘Kracht van Zijn Waarheid’.

De woorden van Profeet Micha bevestigen de gelovigen dat
de Heilige Zuigeling in de kribbe ‘de eigenlijke Messias’ is
die naar voren komt om “Heerser van Israëlte zijn Micha 5: 1, want
Zijn voortgaan in Zijn schepping is op
de bestemde tijd voor haar om te barenMicha 5: 2.
Christus, de Eeuwige, vernedert Zichzelf immers om ons te redden.
Mensen onder het Oude Verbond wachtten al zo lang op Zijn komst, zoals
de Profeet aangeeft. Inderdaad, de Maagd baart dusdanig dat
het overblijfsel van hun broeders zal terugkeren naar de zonen van IsraëlMicha 5: 2.

De goede Herder, gaf Zich in Zijn Goddelijke goedheid over als zoenoffer, om verbintenis te leggen met de ‘gewone mens’

Nu, tweeduizend jaar later, is Christus nog steeds onze hoeder/herder,
Zijn kudde in de kracht van de Heer, en
zij zullen wonen in de Glorie van de Naam van de Heer, hun God, want
nu zullen zij tot de einden der aarde vergroot worden
Micha 5: 3.
Wees ervan overtuigd, dat nòch vijand nòch enige macht, valse religie of ideologie – zelfs niet de poorten van de hel! – de overhand zal hebben op Zijn Kerk Matth.16: 18.
          Tegen al deze Assyriërs’ zal de Heer zijn getrouwe herders ooit opgewekt om Gods vijanden te dwarsbomen Micha 5: 4.
De Kerk, het Lichaam van Christus, het ware overblijfsel van Jaäcob [Hebr.=‘de hielenlichter’] Micha 5: 6,7, blijft tot op de dag van vandaag met haar hand voor altijd en eeuwig
verheven in de Heer Micha 5: 8.

”     Dat God verrijze, en dat Zijn vijanden verstrooit worden.
Dat zij die Hem haten, mogen vluchten voor Zijn aangezicht.
Dat zij verdwijnen zoals rook verdwijnt; zoals was smelt voor het vuur.
Zo moge de zondaars ten verderve gaan voor het aanschijn van God.
Maar mogen de rechtvaardigen zich verheugen en juichen voor Gods aangezicht, buiten zichzelf van blijdschap.
Zingt voor God, zingt een Psalm voor Zijn Naam.
Baant een weg voor Hem die optrekt naar het Westen; Zijn naam is: Heer.
Juicht voor Zijn aanschijn, want zij worden in verwarring gebracht door
Zijn aangezicht.
Hij is de Vader der wezen, Hij is de Rechter der weduwen.
God is in Zijn heilige plaats, God doet eenzamen wonen in een huis.
Hij leidt de gevangen uit met kracht, evenals de verbitterden die wonen in het
graf. God, voor Uw volk uit zijt Gij getrokken, voortschrijdend door de woestijn.
Toen beefde de aarde, en de hemelen smolten voor het aangezicht van de God van de Sinaï, voor het aanschijn van de God van Israël.
God, Gij doet een milde regen vallen voor Uw erfdeel; toen zij zwak waren, hebt Gij hen gesterkt. Uw dieren kwamen bij hen wonen; God, dit hebt Gij in Uw goedheid gedaan voor de arme.
De Heer schenkt Zijn woord met grote Kracht aan de verkondigers der Blijde Boodschap. De koning der heerscharen van de geliefde, verdeelt de buit voor de schoonheid van het huis. Opdat gij moogt slapen temidden van Ww aandeel: 
duiven met zilveren vleugels en goudglanzende rug.
Daarom zal Hij die in de hemel woont, koningen vernietigen en hen maken als sneeuw op de Selmon.
Gods berg is een berg, vruchtbaar aan tarwe; waarom zijt ge vijandig, vruchtbare bergen? Dit is de berg waarop God het behaagt te wonen, want de Heer zal daar wonen tot het einde.
Ontelbaar zijn de wagens van God; duizenden die zich verblijden.
De Heer is onder hen op de Sinaï, in Zijn heiligdom.
Gij zijt ten hemel gestegen en hebt de gevangenschap gevangenen meegevoerd.
Gij hebt pand genomen onder de mensen; zelfs onder wie niet geloven dat Gij daar woont.
Gezegend zij God de Heer, gezegend zij de Heer van dag tot dag. De God van ons heil schenkt ons voorspoed.
Onze God is een verlossende God; door de Heer, ja door de Heer kunnen wij
ontkomen aan de dood.
God zal echter de koppen van Zijn vijanden verpletteren; het hoofd van hen die blijven rondgaan in hun misdaden.
De Heer sprak: Ik zal van de bergen terugvoeren, Ik zal terugvoeren uit de afgrond der zee. Zodat uw voet gedoopt wordt in bloed; de tong van uw honden in het bloed van Zijn vijanden.
Zo wordt Uw intocht gezien, o God, de intocht van God mijn Koning in het Heiligdom. Eerst komen de vorsten, dan de zangers, temidden der maagden met tamboerijnen.
Looft God in de Kerken, de Heer uit de bronnen van Israël.
Daar is Benjamin, de jongste, in extase; de vorsten van Juda, hun aanvoerders, de
vorsten van Zabulon en de vorsten van Neftali.
Gebeid [= ‘wacht het juiste moment af’], God, aan Uw Kracht; versterk, God, wat Gij met Kracht [‘Dynamis’] aan ons bewerkt hebt.
Omwille van Uw heilige Tempel in Jeruzalem zullen koningen U geschenken brengen. Bedwing de ondieren in het riet: de kudde stieren en de koeien der volken; dat zij hen niet benauwen die als zilver beproefd zijn: verstrooi de volkeren die oorlog willen. Uit Egypte zullen gezanten komen, Ethiopië zal zijn handen tot God uitstrekken.
Koninkrijken der aarde, zingt voor God; zingt een Psalm voor de Heer.
Zingt een Psalm voor God die oostwaarts opstijgt naar de hemel der hemelen; 
zie, Zijn stem weerklinkt met machtig geluid.
Geeft eer aan God: over Israël is Zijn grote luister en Zijn kracht reikt tot de wolken.
Wonderbaar is God in Zijn Heiligen: de God van Israël zal Macht en Sterkte geven aan Zijn volk. Gezegend zij onze God“.
Psalm 67[68] vert. ROK. ‘s-Gravenhage

Apolytikion
tn.8. 
  Geef op het midden van het Feest
aan mijn dorstige ziel het water der vroomheid te drinken, o Redder,
zoals U tot allen hebt geroepen:
‘Wie dorst heeft, komt tot Mij en drinke’
‘Bron des Levens’,
– Christus God –, eer aan U”.

Kondakion
tn.4. 
  Op de helft van het vijftigdagenfeest,
o Schepper en Meester van het Heelal,
Hebt U tot hen die bij U waren gezegd, Christus God:
‘ Komt en put het water der onsterflijkheid’
Daarom vallen wij voor U neer en roepen in Geloof:
Schenk ons Uw Ervaringen, want
U bent de Bron van ons Leven”.

    “ Jezus dan riep, terwijl Hij in de tempel leerde, en sprak:
‘ ….. Mij kent gij en gij weet, vanwaar Ik ben; en Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar er is een Waarachtige, die Mij gezonden heeft en die gij niet kent. Ik ken Hem, want Ik kom van Hem en Hij heeft Mij gezondenJohn.7: 29.

    Voortaan zal onze [Christelijke navolger’s -] naam niet Jaäcob [[Hebr.=‘ Hielenlichter’] zijn, maar Israël [Hebr.=’ God heeft de overhand’], zegt
de boodschapper God’s met wie wij maar blijven worstelen’.
Eind goed, al goed.
Israël [Hebr.=’ God heeft de overhand’] mag
met een schone lei opnieuw beginnen en
als Israël zal deze God ons aardbewoners vast niet teleurstellen.
Uw Martelaren hebt U vast doen staan in het Geloof, en hen sterk gemaakt door de Hoop en door het Kruis van Uw Liefde hebt U hen geestelijk gemaakt. Op die wijze konden zij de overwinning behalen op de tyrannie en hebben zij uiteindelijk van U de zegekrans ontvangen. 

4e Dinsdag na Pascha, Sta op, ik ben zelf ook een mens, ik mag niemand onheilig of onrein noemen – Om Sion zal ik niet zwijgen, en om Jeruzalem’s wil zal ik niet rusten – vreugde rond het feest van de Heilige Constantijn de Grote en zijn moeder Helena

 En daarna trok Jezus rond in Galilea; want Hij wilde Zich in Judea niet ophouden, omdat de Joden Hem trachtten te doden. Nu was het feest der Joden, Loofhutten, nabij.
Zijn broeders dan zeiden tot Hem: Ga van hier en 
reis naar Judea, opdat ook uw discipelen uw werken aanschouwen, die Gij doet.
Want niemand doet iets in het verborgen en tracht tegelijk zelf de aandacht te trekken. Indien Gij zulke dingen doet, maak, dat Gij bekend wordt aan de wereld. Want zelfs zijn [omringende] broeders geloofden niet in Hem.
       Jezus dan zeide tot hen:
Mijn tijd is nog niet gekomen, maar uw tijd is steeds bereid. U kan de wereld niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig, dat haar werken boos zijn. Gaat gij op naar het feest; Ik ga niet op naar dit feest, omdat mijn tijd nog niet vervuld is.
       En nadat Hij dit tot hen gezegd had, bleef hij in Galilea.
Maar toen zijn broeders opgegaan waren naar het feest, toen ging Hij zelf ook op, niet openlijk, maar als in het verborgen.
De Joden dan zochten Hem op het feest en zeiden: Waar is Hij?
En er was veel gemompel over Hem onder de scharen;
       sommigen zeiden: Hij is goed, anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt het Volk. 
Toch sprak niemand vrijuit [transparant] over Hem, uit vrees voor de JodenJohn.7 : 1-13.

      En Petrus ging naar beneden en zei tot de mannen:
Zie, ik ben het, die gij zoekt; wat is de reden van uw komst?
       En zij zeiden:
Cornelius, een hoofdman, een rechtvaardig man en vereerder van God, die goed bekend staat bij het gehele volk der Joden, heeft door een heilige engel een godsspraak ontvangen om u te zijnen huize te nodigen en te horen wat gij zeggen zult.
       Hij [Petrus] noodde hen binnen en ontving hen gastvrij.En de volgende dag stond hij op en vertrok met hen, en enige der broeders uit Joppe gingen met hem mee.
       En de volgende dag kwam hij te Caesarea aan.
       En Cornelius was hen wachtende terwijl hij zijn bloedverwanten en beste vrienden had bijeengeroepen.

Saint Corneille Centurion

       En toen het geschiedde, dat Petrus binnentrad, kwam Cornelius hem tegemoet, viel hem te voet en bewees hem hulde.
      Maar Petrus richtte hem op en zeide:
Sta op, ik ben zelf ook een mens.
       En terwijl hij zich met hem onderhield, kwam hij binnen en vond er velen bijeen; en hij sprak tot hen:
       Gij weet, hoe het een Jood verboden is zich te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood; doch mij heeft God doen zien, dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen.
Daarom ben ik ook zonder tegenspreken op uw uitnodiging gekomen. Ik zou nu wel willen weten, om welke reden gij mij uitgenodigd hebt.
En Cornelius zei:
Juist voor vier dagen, van dit ogenblik af gerekend, was ik op het negende uur thuis in gebed; en zie, een man stond voor mij in een blinkend kleed, en hij zeide: ‘ Cornelius, uw gebed is verhoord 
en aan uw aalmoezen is voor God gedacht geworden. Zend dan iemand naar Joppe en ontbied Simon, die bijgenaamd wordt Petrus; deze is als gast in het huis van Simon, een leerlooier, aan de zee.
Ik heb dan terstond iemand tot u gezonden en gij hebt er wel aan gedaan hier te komen. Wij zijn 
dan nu allen aanwezig voor het aangezicht Gods, om te horen al wat u door de Here opgedragen isHand.10: 21-33.

    Ja, Vader, want is het een welbehagen geweest voor U.
Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader en
niemand kent de Zoon dan de Vader, en
niemand kent de Vader dan de Zoon en
wie de Zoon het wil openbaren“.

➽ †      ” Komt [dan] tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en
gij zult [allen] rust vinden voor uw zielen;
want Mijn juk is zacht en Mijn last is lichtMatth.11: 26-30.

♨︎♨︎♨︎   “     Ik verblijd mij zeer in de Heer, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen van het Heil, met de mantel van de Gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit.
Want zoals de aarde haar gewas voortbrengt en een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal de Heer der Heerscharen Gerechtigheid en Lof doen uitspruiten voor het oog van alle volkeren.
Om Sion’s wil zal ik niet zwijgen en om Jeruzalem’s wil zal ik niet rusten, totdat Zijn Heil opgaat als een lichtglans en zijn verlossing als een brandende fakkel.
Volkeren zullen Uw Heil zien, alle koningen Uw Heerlijkheid en men zal U noemen met een nieuwe Naam, Die de mond des Heren zal bepalen; U zult [allen] een sierlijke kroon in de hand des Heren zijn, een koninklijke tulband in de hand van uw God.
Men zal u niet meer noemen:
      Verlatene, en men zal uw land niet meer noemen: Woestenij; maar u zult genoemd worden: Mijn Welgevallen, en uw land: Gehuwde. Want de Heer heeft een welgevallen aan u, en uw land wordt ten huwelijk genomen. Want zoals een jongeling een maagd huwt, zullen uw zonen u huwen, en zoals de Bruidegom zich over de bruid verblijdt, zal uw God Zich over u verblijden’
”.
Isaiah 61: 10- 62: 5

”     God wordt gekend in Judea, Zijn Naam is Groot in Israël.
Zijn verblijfplaats is Vrede, Zijn woning Sion. Dáár heeft Hij
de kracht gebroken van de boog, schild en zwaard: 
Hij maakt een eind aan de oorlog.
Wonderbaar doet Gij licht stralen over de eeuwige bergen; 
alle dwazen van hart maakt Gij bevreesd.
Zij sliepen hun slaap. alle mannen van rijkdom; 
zij vonden niets in hun handen.
Uw bestraffing, God van Jaäcob [Hebr.= ‘hielenlichter’], 
bracht alle ruiters en strijdwagens in slaap.
Gij zijt vreeswekkend, wie kan U weerstaan, wanneer Gij toornig wordt?
Uit de hemel deed Gij Uw oordeel klinken; de aarde beefde en zweeg, toen God ten oordeel opstond om alle zachtmoedigen van hart te verlossen.
Want ‘s mensen gedachte moeten U belijden; de rest van zijn geest zal feest voor U vieren.
Doet geloften aan de Heer Uw God en volbrengt ze; gij allen rondom, brengt Hem geschenken. Aan de Vreeswekkende, die vorsten hun geest ontneemt; aan Hem, die vreeswekkend is voor de koningen der aarde
Psalm 75[76] vert. ROK. ‘s-Gravenhage.

Laat mijn ziel zich buitengewoon verheugen in de Heer, want Hij kleedde mij met het kleed van de zaligheid en de tuniek van blijdschapIsaiah 61: 10.
Want de Heer heeft ons geroepen en wij hebben Zijn roepen beantwoord door Hem na te volgen en ons gedoopt te weten.
Dan wordt door de omstanders bij een doop de vraag gesteld:

Doopgelegenheid, toegewijd aan H. Lydia van Phillipi

‘  Maar waarom dopen jullie zo’n klein gespeend kind, welke nog nauwelijks aan de luier is ontgroeid? ‘.
In onze westerse wereld is het besef dat we als mensen bij elkaar horen heel ver weggezakt. Zelfs in gezinnen kan men langs elkaar heen leven, hoewel we als gezin en familie toch bij elkaar horen.
In het Midden-Oosten is dat besef nog heel sterk aanwezig.
Dit gemeenschap’s-denken vinden we ook terug in de Blijde Boodschap.
                     Zo blijkt in het Oude en Nieuwe Testament dat God Zijn Verbond sluit met een héél gezin, een gehele familie, een héél volk. Toen Abraham het verbondsteken van de besnijdenis kreeg, werd hij besneden met allen die in zijn “huis” waren, ook de zuigelingen vanaf 8 dagen oud, lezen we in Gen.17: 12,13, 23-27.
Deze handelwijze heeft de vroeg-Christelijke Kerk nu in de Orthodoxe Kerk bij de doop vastgehouden: eerst wordt de volwassene gedoopt en tegelijk ook z’n gehele huis, met name z’n kinderen, zij worden gezalfd met Myron, ontvangen de H. Communie en zelfs de kruinschering – zij zijn ‘volledig‘ Christen [in de dop] en genieten mee met al de Mysteriën; ‘God’s Welgevallen, in Zijn land: ‘Gehuwde’.

Dezelfde procedure komen we ook tegen in Hand.16:14,15. waar staat dat Lydia,
een weduwe of alleenstaande vrouw, nadat zij tot Geloof gekomen was gedoopt werd “en haar huis“, d.w.z. haar [eventuele] kinderen en alle slaven en slavinnen en hùn kinderen, die van haar huis [gezin, bedrijf] deel uit maakten.
Datzelfde lezen we van de gevangenbewaarder te Philippi Hand.16: 30-34.
Hij werd terstond gedoopt en al de zijnen . . . . . en verheugde zich dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was“.
Het is wat flauw wanneer tegenstanders van de kinderdoop opmerken dat we hier toch niet van kleine kinderen lezen. Want het “huis” van Abraham omvatte wel degelijk de kleintjes! Dat was in hetzelfde oude ‘oosten’ niet anders bij Lydia als de bewaardster van de stamgeest.

Het is zelfs zo dat Paulus er vanzelfsprekend van uit gaat dat met de hoofdpersoon tegelijk ook zijn “huis” gedoopt wordt.
In 1Cor.1: 16 zegt hij dat hij het huis van Stephanos gedoopt heeft, maar
in 1Cor.1: 14 zegt hij “alleen Crispus” gedoopt te hebben.
Later blijkt uit Hand.18: 8 dat Crispus, de overste van de synagoge tot Geloof kwam met zijn gehele huis! De vraag of van dat gehele “huis” ook iedereen persoonlijk geloofde, de kinderen incluis, is niet van doorslaggevend belang, ze werden ‘allen’ gedoopt en God zorgde met zijn roepen – de catechese met name aan de kinderen – dat het Geloof van jong’s-af-aan aangroeide tot volwassenheid.

Wees daarom vele malen méér verheugd, want door dit Joods, Vroeg-Christelijk gebruik, wordt vandaag het feest gevierd van de Apostel-gelijke Constantijn de Grote [274-337] en zijn moeder Helena. Flavia Julia Helena [Augusta], Helena van Constantinopel oftewel de Heilige Helena [255–329] was de moeder van de Romeinse keizer Constantijn de Grote.
Aan haar wordt de ontdekking van diverse belangrijke relieken toegeschreven, waaronder die van het Groot en Heilig Kruis.
Ze wordt samen met haar zoon binnen het Orthodoxe Kerken als een belangrijke figuur aan het keizerlijk hof in hoge mate vereerd
☦️  als heilige omdat zij de roemrijke vrouw is die de roep des Heren beantwoordde en zich met heel haar huis [= heel haar hof en byzantijnse Rijk] liet dopen en daarmee een eind maakte aan de tot dan toe heersende woede en vervolging van de toenmalige wereld ten opzichte van het Christendom.

Bovenstaande passage uit Isaiah drukt dan ook de grote vreugde en opluchting van de Kerk uit en een overvloedige dankbaarheid aan God voor de toetreding van de door God gekroonde soeverein, Constantijn, aan de keizerlijke troon.
Na drie eeuwen van vervolging en repressie was een heldere lente voor God’s navolgers – Zijn nieuwe Verbond’s-Volk aangebroken.
De Heer werkte door het genereuze hart van Constantijn om de christelijke gelovigen te vereren die zo lang hadden geleefd onder de dreiging van marteling en dood.
       Inderdaad, “de Heer der Heerscharen heeft Gerechtigheid en Lof doen uitspruiten voor het oog van alle volkerenIsaiah 61: 11 en
vervolgens begon de Kerk te leven binnen het uitgestrekte Byzantijns Romeinse Rijk en verspreidde zich over de gehele wereld. 

God maakt Zijn rol duidelijk in het volgende vers, door Zichzelf uit te spreken:
Om Sion zal ik niet zwijgen, en om Jeruzalems wil zal ik niet rusten, totdat Mijn gerechtigheid voortgaat als licht, en Mijn heil brandt als een lampIsaiah 62: 1.
De Heer geeft hier aan de Kerk de aanhankelijke namen van Sion en Jeruzalem,
die ooit alleen van toepassing waren op specifieke plaatsen in het Heilige Land.
     En Hij trad zeker op namens de kerk via de Romeinse generaal Constantijn.
     Op een kritiek moment in de carrière van Constantine stond hij voor een uitdager die de macht      
     had over de keizerlijke stad Rome. Constantijn ontving een visioen waarin God hem opdroeg
     het Kruis van Christus op zijn schild te plaatsen en op die van zijn legionairs. De strijd die
     volgde, sloeg volledig in zijn voordeel en hij nam de controle over de hoofdstad van het
     imperium.

Hagia-Sophia, Architectuur

Constantine koos echter niet om zijn hoofdstad in het oude Rome te vestigen, hij verplaatste de keizerlijke residentie naar Byzantion, dat hij zelf Nova Roma [het Nieuwe Rome] noemde, maar later vernoemd werd naar hem het ‘Constantinopel’.
Hier stichtte hij een nieuw keizerlijk centrum vrij van heidense tempels – een puur christelijke hoofdstad.
Volkeren zullen Uw Heil zien, alle koningen Uw Heerlijkheid en men zal U noemen met een nieuwe Naam, Die de mond des Heren zal bepalen; U zult [allen] een sierlijke kroon in de hand des Heren zijn, een koninklijke tulband in de hand van uw God” Isaiah 62: 2,3.
Men spreekt van de “Constantinische Wende“: van een groep verschillende, kleine, vervolgde, pacifistische in het Romeinse Rijk verspreide christelijke kerkjes naar een geïnstitutionaliseerde Rijkskerk onder één [uiteindelijk verdeeld] gezag.
Eén rijk, één keizer, één godsdienst.
Was dienen in een leger en oorlog’s-strijd eerst ‘absoluut niet christelijk‘, nu werd het steeds meer een edele zaak, ook voor een christen; daar bloeide vervolgens gedurende duizenden jaren een christelijke beschaving uit op.

Heilige Helena

Hoewel niet altijd even perfect, werd de nieuwe maatschappij op koers gezet door Constantijn, die op zijn beurt sterk werd beïnvloed door zijn vrome moeder, Helena.
Ongetwijfeld was het ‘haar door Genade opgewekte hart‘ dat hem ertoe bracht de beschermer van de Kerk te worden, en zij wordt deze dag samen met hem herinnerd.
Geboren uit nederige afkomst in 255 na Christus in Bithynia, huwde Helen met keizer Constantius Chlorus en droeg hem een ​​zoon, Constantijn, in 274.
Haar man verliet haar in 292 om de stiefdochter van keizer Maximianus te trouwen met het oog op politiek voordeel, maar toen Constantijn keizer werd in 306 haar positie werd hersteld.
Ze verliet een blijvende nalatenschap aan de kerk door heilige plaatsen op de Olijfberg en in Bethlehem te zoeken, het Heilig Kruis, het Graf van Christus en
de Grot van de Geboorte op te sporen toen ze een hoge leeftijd had.
Iconen, die de kruisverheffing verheft [feest 14 September], schilderen haar meestal af vanwege haar toegewijde inspanningen.

Deze twee heiligen een nieuwe dag voor de Kerk ingeluid, brachten een grote [weliswaar wereldse] verandering teweeg, waarop de Kerk groeide tot de ‘eenheid in verscheidenheid‘, in baren’s-nood, wachtend op de wederkomst, die ze heden ten dage is.
Maar vandaag doet dat er niet toe, we zijn immers broeders en zusters in Christus en is er slechts “ één Heilig, één Heer, Jezus Christus, to Heerlijkheid van God, de Vaderuit: Goddelijke Liturgie van Johannes Chrysostomos

Met de olie van blijdschap, hebt U, o Christus,
op een wonderbaarlijke wijze uw communicanten gezalfd,
Constantijn en Helena, die, alle bedrog en leugen hatend,
naar Uw Schoonheid hunkerden; en
U hebt Uw beloofde Koninkrijk der hemelen
vrijelijk toegestaan ​​aan hen die op
uw eigen manier eerst op aarde hadden geregeerd
in goddelijke vroomheid en ware religie opgenomen,
o al-Heilig Woord van God”.

Op deze dag heeft de heilige Constantijn en de gezegende Helena, zijn moeder,
het Kruishout geopenbaard 
het hoogste van alle eerbewijzen.
Voor de onwaardigen is het een teken tot schande; maar
trouwe heersers hebben het als een wapen verheven,
dat hun tegenstanders overwint.
Omwille van ons wordt getoond als
een grote strijdbanier

– uit de Metten
ter gelegenheid van de heiligen Constantijn en Helena.

Onze zielen verblijden zich in de Heer en juichen in onze bevrijdende God,
Christus is opgestaan” – “Hij is waarlijk opgestaan” en
🌈🌈🌈
Hij heeft ons het eeuwige Leven geschonken“.
➙♥︎➙    Wij aanbidden Zijn Verrijzenis [tot] op de derde dag.

 

4e Maandag van Pascha, wie is waardig de Heer in Waarheid te naderen?

    Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.
Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij.
       Dit is het Brood, dat uit de Hemelen neergedaald is;
niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn;
       wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.
Dit zei Hij, lerende in de synagoge te Kapernaüm [Hebr.
’dorp van rust’, daar waar Hij eveneens Z’n 1e uitleg uit Isaiah gaf].
Vele dan van Zijn discipelen hoorden dit en zeiden:
       Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren?
Jezus nu wist bij Zichzelf, dat Zijn discipelen hierover morden, en Hij zei tot hen:
       Geeft u dit aanstoot?

Wat als je God maar een vraag mocht stellen?

Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was? De Geest is het, Die Levend maakt, het vlees doet geen nut; de Woorden, Die Ik tot u gesproken heb, zijn Geest en zijn Leven. Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven.
Want Jezus wist van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou.
En Hij zei:
       Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij.
Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mee.

De Kerk is beslist geen sprookje

Jezus zei dan tot de twaalven:
       Gij wilt toch ook niet weggaan?
Simon Petrus antwoordde Hem:
Heer, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt Woorden van eeuwig Leven;  en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige God’s
John.6: 56-69.

    En er was te Caesarea iemand, genaamd Cornelius, een hoofdman van de zogenaamde Italiaanse afdeling, een godvruchtig mens, een vereerder van God met zijn gehele huis, die vele aalmoezen aan het volk gaf en geregeld tot God bad.
     Hij zag in een gezicht, omstreeks het negende uur van de dag, duidelijk een engel Gods bij zich binnenkomen en tot hem zeggen: Cornelius!
     Hij staarde hem aan en werd zeer bevreesd en zei: Wat is er, heer!
En de engel zei tot hem:
Uw gebeden en uw aalmoezen zijn voor God in gedachtenis gekomen. En nu, zend mannen naar Joppe en nodig een zekere Simon uit, die bijgenaamd wordt Petrus: deze is de gast van een Simon, een leerlooier, wiens huis bij de zee ligt.
     Zodra de engel, die tot hem sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisslaven en een godvruchtige soldaat uit degenen, die voortdurend bij hem waren; en nadat hij hun alles uitgelegd had, zond hij hen naar Joppe.
     De volgende dag, terwijl dezen onderweg waren en de stad naderden, ging Petrus omstreeks het zesde uur op het dak, om zijn gebed te verrichten.
     En hij werd hongerig en verlangde te eten, en terwijl men iets gereed maakte, geraakte hij in zinsverrukking, en hij zag de hemel geopend en een voorwerp neerdalen in de vorm van een groot laken, dat aan de vier hoeken neergelaten werd op de aarde; hierin bevonden zich allerlei vier-voetige en kruipende dieren der aarde en allerlei vogelen des Hemels. En er kwam een stem tot hem:
    Sta op, Petrus, slacht en eet!’.
Maar Petrus zei:
    Geenszins, Heer, want ik heb nog nooit iets gegeten, dat onheilig of onrein was’.
En nogmaals ten tweeden male, kwam een stem tot hem:
    Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig houden’.
En dit geschiedde tot driemaal toe, en terstond werd het voorwerp weer opgenomen in de HemelenHand.10: 1-16.

Wat is Wijsheid?
Er zijn oneindig veel van die momenten in ons leven waarop we niet helemaal zeker weten wat we nu moeten doen,
het is het een of het andere.
En toch weten we donders goed wat wij hebben te doen; we ervaren als het ware de morele verplichting om in te grijpen en weten wat ons vervolgens te wachten staat.
Datgene wat we in de ogen van de wereld zouden dienen te omzeilen,
het opnemen van ons Kruis, brengt ons aan het twijfelen.

Indien het niet in strijd is met God’s Geboden, zou
het totaal geen probleem behoeven te zijn, maar
om in bepaalde situaties je nek uit te steken,
dàt is nog wel eens eventjes iets anders.
Veelal staat juist datgene wat een kruis oplevert
vèr verheven boven alles wat de wereld ons biedt.
Indien je alleen maar rekening behoort te houden met de reacties van je directe omgeving, de jouw omgeven wereld, die jou veelal ‘voor dwaas’ verslijten, zou je jezelf heerlijk kunnen wentelen in de schoot van persoonlijk belang en behoef je alleen maar een kosten- baten analyse te maken.
Maar veelal is het zo wanneer God een beroep op je doet
dat je dit soort afwegingen dient te vermijden,
ja zelfs dient af te wijzen.
Onze Heer en Verlosser, de God van Israël [de Kerk] zal Zijn Woord aan Zijn dienaren -‘wáár’-  maken, dat is al sinds mensenheugenis bekend en daarom richt een nederig mens zich in gebed alleen maar tot Hem, want van Wie dient ons Heil anders te komen dan van Degene, Die ons gemaakt/gevestigd heeft.
Dit is hetgeen in bovenstaande lezingen aan ons duidelijk wordt gemaakt
Ook koning Salomon, die nèt als zijn vader koning David echt niet zo’n lieverdje was besefte dit in al zijn Wijsheid, waarom het wijs-zijn immers bekend staat:      Zou God dan waarlijk op aarde wonen?
Zie, de Hemel, zelfs de Hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit [gebeds-]huis, [deze tempel] dat ik gebouwd heb. Wend U dan tot het gebed van uw knecht en tot zijn smeking, Heer, mijn God en hoor naar het geroep en het gebed dat uw knecht heden voor uw aangezicht bidt [uitstort], zodat Uw ogen nacht en dag geopend zijn over dit [gebeds-] huis, de plaats waarvan U [Persoonlijk] gezegd hebt: Mijn naam zal aldaar zijn, zodat U hoort naar het gebed dat 
uw knecht op dezer plaats tot U zal opzenden1Koningen 8: 26-29.

Je vraagt je dan in deze tijd onmiddellijk af, hoe het mogelijk is dat zo veel gebed’s-huizen aan projectontwikkelaars van de wereld verkwanseld worden en
dat er verkondigd wordt, dat de Kerk verdwijnt.
Heeft de mens het in deze tijdsperiode dan zo met zichzelf getroffen dat ze slechts op eigen mogelijkheden blind vaart?
    De Heer nu heeft het Woord, dat Hij gesproken had, gestand gedaan, en ik ben opgetreden in de plaats van mijn vader David, en heb mij gezet op de troon van Israël [de Kerk], zoals de Heer gesproken heeft, en ik heb dit huis voor de Naam van de Heer, de God van Israël [de Kerk], gebouwd, en er een plaats bereid voor de Ark, waarin het Verbond des Heren berust, dat Hij met onze vaderen gesloten heeft, toen Hij hen uit het land Egypte had geleid.
Daarop ging Salomo voor het altaar des Heren staan ten aanschouwen van de gehele gemeente van Israël [de Kerk], breidde zijn handen uit naar de Hemel.
>    Nu dan, Heer, God van Israël [de Kerk], houd jegens uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt:
‘ nimmer zal u voor Mijn aangezicht een manmens ontbreken, die
op de troon van Israël [de Kerk], zitten zal, indien
slechts uw zonen [en dochteren] hun weg in acht nemen en voor
Mijn aangezicht wandelen zoals U voor mijn aangezicht gewandeld hebt’.
      Nu dan, God van Israël [de Kerk], laat toch het Woord bewaarheid worden, dat
U tot uw knecht, mijn vader David, gesproken hebt.
Zou God dan waarlijk op aarde wonen?
Zie, de Hemel, zelfs de Hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel
te min dit [gebeds-]huis dat ik gebouwd heb.
Wend U dan tot het gebed van Uw knecht en tot zijn smeking,
Heer, mijn God, en hoor naar het geroep en het gebed dat
uw knecht heden voor Uw aangezicht bidt”
1Kon.8: 20-22,25-28.
In 959 v.Chr., tijdens het bewind van Koning Salomo, bereikte de dynastie van
het huis van David haar hoogtepunt met de bouw van de eerste permanente Tempel.  Aan het einde van Solomon’s twintig jaar durende bouwprogramma werden er grote ceremonies gehouden om het nieuwe [gebeds-]huis aan de Heer op te dragen.
       De belangrijkste ritus bestond in het teken van de Ark van het Verbond.
Een uitgebreide optocht bracht de ark naar Jeruzalem en naar de berg Sion, waar het werd geplaatst in de meest heilige en heilige wijk van de tempel, vergezeld van het offeren van talloze offers van alle aanwezigen 1Kon.5: 1-8: 9.
Als reactie daarop vulde God de Tempel met een Majestueuze wolk van Zijn Glorie, zodat de priesters “daar niet konden staan om dienst te doen, want de Heerlijkheid des Heren had het huis des Heren vervuld1Kon.8: 11.
Koning Salomo leidde toen de natie in een inwijdingsgebed, waarvan bovenstaande lezing de inleiding vormt.  Herinnerend aan veel van onze orthodoxe gebeden bevat  deze aanroep zeven elementen die elke basale smeking waardig acht om God’s zegen en hulp te verwachten.

1.]. De eerste van Salomo’s smekingen verheerlijkt de
Heer God van Israël [de Kerk, want] er is geen God als U in de hemel boven of op de aarde beneden1Kon.8: 21.
Het is vergelijkbaar met het adres dat wij tijdens de Goddelijke Liturgie tot de Heer, onze God uitspreken/opzenden, waarbij wij Hem benoemen als dè ‘onuitsprekelijke, onvoorstelbare, onzichtbare, onbegrijpelijke, altijd bestaande en eeuwige deZelfde‘.
2.]. Vervolgens spreekt de koning van Israël [de Kerk] over God’s trouw aan hen “die Uw Verbond en Uw Genade zal bewaren” met het koninklijke huis, door God beloofd en vervuld met Zijn handen 1Kon.8: 21. Deze passage lijkt veel op onze liturgische erkenning dat God ons heeft voorzien van Zijn “Koninkrijk, Dat zal komen“.
3.]. Ten derde herinnert Salomo details aan Gods beloften aan Zijn ‘dienaar David, mijn vader’ die nu ‘vervuld’ zijn . . . zoals 1Kon.8: 22. De vorm lijkt veel op de woorden van herinnering in de Goddelijke Liturgie, wanneer we God’s reddende daden herinneren in “het Kruis, het Graf, [en] de Opstanding op de derde dag”.
4.]. Omdat hij de wreedheid van zijn verzoek erkent, stelt koning Solomon de vraag:
“Maar zal God inderdaad wonen bij mensen op aarde?” 1Kon.8: 25.
Hij komt nu oog in oog met het Goddelijke Mysterie, Waarmee de Heilige Geest namens ons handelt om “dit brood tot het kostbare Lichaam te maken“. . .
Christus.
5.]. Salomo verwijst vervolgens opnieuw naar God’s Trouw, en erkent dat God:
– ”de smeking van Uw dienaar zal horen” – 1Kon.8: 28, zelfs als we erkennen dat Hij ons en -“de gehele mensheid”- zal helpen.
6.]. Het belang van het danken van God voor alles wat Hij getrouw biedt, is
het zesde punt dat Koning Salomo maakt.
We zijn vooral dankbaar voor Gods Belofte om de tempels, de [gebeds-]huizen te zegenen, die  we aan Hem hebben opgedragen:  “Mijn Naam zal dáár zijn”, om het gebed  van [Zijn] dienaar dag en nacht in deze plaats te horen bidden ‘1Kon.8: 27.
Op dezelfde manier bidden wij Orthodoxe Christenen om onze huizen van aanbidding “en voor degenen die met geloof, eerbied en vrees voor God samenkomen”.
7.]. En ten slotte erkent Salomo nederig dat God
de smeekbede van Uw dienaar en van Uw Israël [Uw Kerk] zal horen wanneer zij naar deze plaats komen om te bidden. U zult het horen in Uw woonplaats in de Hemel, en U zult Genadig zijn1Kon.8: 28.
En hoe sluiten we vervolgens de Goddelijke Liturgie af?
Is het niet door vrijelijk te erkennen dat God zegent
“degenen die Hem zegenen en  de heilig-maker zijn van degenen die
hun vertrouwen stellen in Hem” en die “de Volheid van [Zijn] Kerk” bewaren?


Hoe zal ik, de meest onwaardige, uw heilige plaats durven binnengaan, want
mijn kleding zal mij aanklagen en ik zal worden uitgeworpen.
Reinig, Heer mijn ziel en red mij, U liefhebber van de mensheid!
– Kairon-gebed van de priester en diaken

    Daar zag ik, en zie, een grote menigte mensen, die niemand tellen kon,
uit alle volk en stammen en natiën en talen stonden voor de troon en voor het Lam,
bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen.
>     Wie zijn dezen, die bekleed zijn met de witte gewaden, en vanwaar zijn zij gekomen? 
En ik sprak tot hem [een van de oudsten]: ‘Mijn heer, U weet het’.
En hij
[een van de oudsten] zei tot mij: Dezen zijn het, Die komen uit de grote verdrukking; en zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het Bloed van het Lam.
Dááròm zijn zij voor de troon van God en zij vereren Hem dag en nacht in Zijn Tempel; en Hij, Die op de troon gezeten is, zal Zijn tent over hen uitspreiden. Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten, ook zal de zon niet op hen vallen, noch enige hitte, want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar de waterbronnen van het Leven; en God zal alle tranen van hun ogen afwissenOpenb.7:9, 13b-17.

Verantwoordelijkheid dragen
        Nu brengt Godsvrucht inderdaad grote winst, [indien zij gepaard gaat] met tevredenheid.
     Want wij hebben niets op de wereld meegebracht; wij kunnen er ook niets uit meenemen.
Indien wij echter onderhoud en onderdak hebben, dan moet ons dat genoeg zijn.
     Maar wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang.
     Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door daarnaar te haken zijn sommigen van het Geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.
Gij daarentegen, o mens Gods, ontvlucht deze dingen, doch jaag naar gerechtigheid, godsvrucht, 
Geloof, Liefde, volharding en zachtzinnigheid. Strijd de goede strijd van het Geloof, grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt en de goede Belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen.
Ik beveel voor God, die alle leven wekt, en voor Christus Jezus, die de goede belijdenis voor Pontius Pilatus betuigd heeft, dat gij dit gebod onbevlekt en onberispelijk handhaaft tot de verschijning van onze Heer Jezus Christus, welke te zijner tijd de zalige en enige Heerser zal doen aanschouwen, de Koning der koningen en de Heer der Heerscharen, die alleen onsterfelijk-heid heeft en een ontoegankelijk Licht bewoont, die geen van de mensen gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen.
Hun, die rijk zijn in de tegenwoordige wereld, moet gij bevelen niet hooghartig te zijn, en hun 
hoop gevestigd te houden niet op onzekere rijkdom, doch op God, die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft, om wèl te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig en mededeelzaam [transparantie], waardoor zij zich een vaste grondslag voor de toekomst verzekeren om het ware leven te grijpen1Tim.6: 6-19.

In feite wordt hier hetzelfde opgedragen als aan al de inwoners van Ephese, waar Timotheüs als spelleider, bestuurder werd aangesteld:
      Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons met allerlei geestelijke zegen in de Hemelse gewesten gezegend heeft in Christus.
     Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren voor de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht.
     In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de Heerlijkheid van Zijn Genadegaven, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de GeliefdeEph.1: 3-6.
Paulus heeft zijn leerling [geestelijk kind] Timotheüs naar de Heer geleid.
1Cor.4: 17; 1Tim.1:  2; 2Tim.1: 2.
Hij deed dat in Timotheüs’ geboortestad van Lystra Handelingen 16: 1, waar
Timotheüs een Goddelijke erfenis had opgebouwd 2Tim.1: 5 en
de Schrift van zijn jeugd had doorzocht/gekend 2Tim.3: 15.
     Geheel getalenteerd was Timotheüs reeds met de Blijde Boodschap bekend
Rom.16: 21; 2Tim.4: 5, alsmede van de Profetieën 1Tim.1: 18; 5: 22 en 2Tim.1: 6.
Zijn gelijkgestemde houding met Paulus maakte Timotheüs een onmisbare ambassadeur voor het gehele Middelandse Zee gebied 2Tim. 2: 3;3: 14;Phil.2: 20;1Cor.4: 17; 16: 10; 1Tim.1:  2; 2Tim.1: 2; 1Thess.3: 1-2 en verleende dit hem tevens het Kruis en de lauweren van de vervolging om Christus’ Wil 2Tim.1: 8; Hebr.13: 23.
Toch had Timotheüs de vaste leiding van z’n mentor nodig, vooral in zijn nieuwe rol als voorganger van de kerkgemeenschap te Epheze [Hebr.=‘toegestaan’].
Daarop komen de brieven aan Timotheüs ons zeer indringend tegemoet en
nodigen ons uit tot een Joods-Christelijke levenshouding.
Bovenstaande lezing bevat in de eerste plaats twee verhandelingen over rijkdom, die zich aan niets stoort en zich ten tweede heel direct [transparant] uit door een persoonlijk boodschap aan het adres van Timotheüs.
Vervolgens wordt er een heel nadrukkelijk beroep gedaan om je als navolger van Christus te houden aan het gebod, maar in de tekst is niet aangegeven welk gebod in zicht is:
          Ik beveel voor God, die alle leven wekt, en
voor Christus Jezus, die de goede belijdenis voor Pontius Pilatus betuigd heeft,
[τηρῆσαί σε τὴν ἐντολήν] dat  jullie dit gebod onbevlekt en onberispelijk handhaaft tot  de verschijning [wederkomst] van onze Heer Jezus Christus.

Dat gij bewaart & beheer voert.
Paulus zet bovenstaande nu uiteen, hetgeen hij met zon ernstig geestelijke opdracht als [τηρῆσαί σε τὴν ἐντολήν ] aan Timotheüs heeft opgelegd.

Het is niet waarschijnlijk dat hij zijn vermaning tot degene, die verantwoordelijkheid op zich had genomen, slechts vermaande om een eventuele egocentrisch optreden de kop in te drukken 1Tim.6: 11, belofte maakt schuld.
We kijken eerder naar zijn aanmoediging tot de goede strijd van het christelijke leven, en de gedurfde belijdenis van de Heer.
We kunnen zeggen dat hierin alles wat timotheüs als verantwoordelijkheid op zich heeft genomen, als het belangrijkste gebod dient te worden omarmd en dat daar voor Timotheüs consequenties aan verbonden zijn.

Over de gehele linie wordt dit door arbeiders in God’s tuin, zoals ede Kerk wel wordt genoemd als een algemeen aanvaard christelijk morele Wet wordt beschouwd.

Paulus spoort Timotheüs aan om deze Wet als leidraad aan te houden, opdat hij niet bevlekt, z’n handen niet zal branden, en daardoor open staat voor verwijten, zoals dit eveneens de valse leraren overkomt.
En als aanvulling komt daar nog bovenop dat – dit dient te worden volgehouden tot het einde der tijden en dat is voor ons menselijk bestaan tot de dood er op volgt; eerst dan zal er een lauwerkrans op volgen, tot die tijd is het niet anders dan kruisdrager oftewel lijden.
De dagtaak van de navolger van Christus en zeker die van een leidinggevende onder hen is in de eerste plaats een kwestie van trouw te blijven aan de eigen principes.
Dat neem niet weg dat er essentieel autoriteit wordt verleend aan datgene wat de Handelingen van de Apostel als voorbeelden aangeeft.
Christus zei niet voor niets tot hen: “     Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult Mijn Getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aardeHand.1: 7,8.

PASCHA, het nieuwe begin
De oorsprong van de maaltijd des Heren ligt in de Pascha-maaltijd van het Oude,
het eerste Verbond; men at toen overal in Israël een lam met ongezuurd brood.
Pascha was de feestdag waarop ieder de Verlossing uit Egypte herdacht Ex.13: 3, Deut.16: 3.
Het was zoals wij dat in de wereld kennen- hun bevrijdingsdag, maar dan geestelijk.
En toen onze Heer en Verlosser voor het laatst met Zijn leerlingen  de bevrijding ‘van toen’ herdacht, begon Hij over een nieuwe bevrijding, de waarachtige vrijmaking door Hem, door Zijn bovenmenselijke bevrijding’s-daad.
• Allereerst maar iets over de bevrijding van toen; In Egypte was Israël tot slavernij gebracht en toen God het hulpgeroep van Zijn volk hoorde, beloofde Hij het te brengen naar een beter land.
Na tien vreselijke plagen liet farao de Israëlieten eindelijk gaan Ex. 7-12.
Vlak vóór de uittocht, de Exodus moest in ieder huis een lam geslacht worden,
het bloed ervan aan de deurposten gestreken worden en
dit lam gegeten worden met ongezuurd brood Ex.12.
Daarna kon de reis beginnen naar het Beloofde Land.
Natuurlijk moest die dag niet vergeten worden.
Blijf dit gedenken“, zei Mozes Ex.13:3, 5, 8-10.
En als één van uw kinderen later vraagt:
Waarom doen wij dit?”, zeg dan:
Omdat de Heer ons met krachtige hand bevrijd heeft
uit de slavernij van Egypte
Ex.13: 14 en
dit doen de Joden tot op de dag van vandaag nog steeds.

♨︎ ♨︎ ♨︎  Maar nu het nieuwe begin:.
We weten, dat het lam dat in die Joodse tijd geslacht moest worden,
wijst op ons pascha-lam:
    Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons paaslam is geslacht: Christus1Cor.5: 7.
Het moest toen gaaf, mannelijk en volgroeid zijn, een
zuiver beeld van ons Paas-Lam Ex.12: 5, John.1: 29, vgl.1Petr.1: 18-19.
Maar waar wijst “Egypte” op?
Egypte symboliseert het ziel’s-vleselijke in ons, dat God vijandig gezind is.
Zoals farao zich opstelde tegenover de God van Mozes, zo
gaat het [menselijk] begeren van het vlees in tegen de Geest.
Ze staan lijnrecht tegenover elkaar:
    Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en
dat van de Geest tegen het vlees – want deze staan
tegenover elkander – zodat gij niet doet wat gij maar wenst
Gal.5: 17.
Waar het bij de uittocht uit Egypte om gaat, zegt God heel nadrukkelijk:
Laat Mijn Zoon gaan, om Mij te dienen“.
Het gaat dus niet om redding en verlossing van “slavernij” alleen, maar
om als zoon, als geestelijk volwassene, de Heer te gaan dienen.
God roept Zijn Zoon uit “Egypte” vgl. Matth.2: 15, Openb.11: 8.

📜 ➙   Willen wij van “farao’s slavenjuk” in “Egypte” verlost worden om de Wil van de Vader te doen en alleen Hem te dienen?
Dan dienen wij als God’s dienaren in navolging van Christus nu het “bloed” van  ons Pascha-lam aan te wenden en Zijn “vlees” te eten met “ongezuurd brood“.

Het Paaslam
Er werd dus een lam geslacht Ex.12: 6.
Wat voor offer was dat? Want er waren tal van offers:
☦️ brandoffers wijzen op Jezus’ vrijwillige opoffering Lev. 1,
☦️ spijsoffers op Zijn wijze van leven Lev. 2.
☦️ Er zijn dankoffers en vredeoffers, allemaal offers die
voor God een liefelijke reuk waren Lev.1: 9, 2: 2, 3: 5.
☦️ Daarnaast zijn er ook zond-offers en schuld-offers Lev.4 & 5.

Men denkt vaak, dat het Paas-lam een zondoffer was, omdat
er staat, dat Christus het Lam God’s is, dat de zonden van de wereld wegneemt John.1: 29, Hebr.9: 26, Rom.3: 25. Maar bij het Pascha gaat het helemaal niet om vergeving van zonden, maar om verlossing uit “Egypte”.
☦️ Zondoffers werden gebracht in de tabernakel, en later in de tempel.

☦️ Maar het bloed van het paas-lam streek ieder aan z’n eigen deur.
☦️ Men at het lam in zijn eigen huis, opdat men zou worden bevrijd en de eerstgeborene zou leven Ex.12: 7.
Het gaat hier om de weg van ‘zoon’s, dochter’s-schap, het kind worden van de Vader.
De eerste, die door de Vader volledig uit “Egypte” werd geroepen was  Jezus van Nazareth:
    Hij stond op en hij nam in de nacht het kind en zijn moeder en week uit naar Egypte, en daar bleef hij tot de dood van Herodes, opdat vervuld zou worden hetgeen de Heee door de profeet 
gesproken heeft, toen hij zeide: ‘Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen’Matth.2: 14,15.
Deze Jezus van Nazareth kreeg Macht over al het vleselijk-zielse van het mens-zijn:
    opdat uw Zoon U zal verheerlijken, gelijk
U Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om
aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken
John.17: 1c,2.
Hij baande de weg en is nu de Weg:
Jezus zei tot hem:
‘ Ik ben de weg en de Waarheid en het Leven;
niemand komt tot de Vader dan door Mij’
John.14: 6.
Nu verlost Hij iedereen, die “Zijn vlees eet” en “Zijn bloed drinkt” van
elke vorm van “Egyptische“[‘wereldse’] slavernij, om  de Vader te  kunnen dienen in geest en in waarheid Ex.4: 22-23, vgl.Op.14: 1-5, Rom.7: 24.
Ongezuurde broden of matzes zijn verbonden met Pesach; Ongezuurd brood is brood van meel en water,  het werd in allerijl tot deeg tezamen geworpen, gekneed en gebakken..
Met het Pascha begon tevens het feest van het ongezuurde brood Ex.12: 17.
Onze Heer en Verlosser zegt nadrukkelijk, dat Zijn volgelingen voor
dát brood zó moesten bidden:
Vader, geef ons heden ons dagelijks broodMatth.6: 11.
In het Grieks staat επιούσιος [epiousios] brood,
epi (=op), ousios (=komend).
Hij zegt niet, dat wij moeten bidden om brood van de bakker, maar
om het brood dat ons van boven gegeven wordt, in ons hart.
Onze Verlosser zegt: “Dat brood ben IkJohn.6: 50-51.
Over de betekenis van gezuurd of ongezuurd is Paulus duidelijk:
“Ook ons Pascha-lam is geslacht: Christus.
Laten wij feest vieren, niet met oud zuurdeeg,
of met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, πονηρια [Gr. poneria = sluwe, laagheid], maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid” 1Cor.5: 6-8.
Oud zuurdeeg is aard’s- op de wereld gerichte aan God gerichte dienstvaardigheid,  dat slechts waarde toekent aan oudtestamentische rites;
gericht op eigen macht, eer en glorie.
En dat hoort absoluut ‘niet’ in het Nieuwe Verbond, in
de verbintenis, die wij door de Heilige Geest met Christus aangaan.
Zo iets is laag, ‘niet uit God’, zegt Paulus:
    Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar Geloof, door/uit [belangenloze] Liefde werkende. Jullie liepen goed.
Wie is u in de weg gekomen, dat jullie aan de Waarheid niet meer gehoorzaamt?
Die overreding kwam niet van Hem, Die u roept.
Een weinig zuurdeeg maakt het gehele deeg zuur !!!Gal.5: 6-9.
Daarmee wordt heel duidelijk gezegd, dat als er ook maar een korreltje eigenbelang [de eerste willen zijn] in het spel is, dat al je inzet en goede bedoelingen in het zuur opgelost zijn.
Zo is ook het zuurdeeg van Sadduceeën en van de Farizeeën Luc.12: 1.
Hun zuurdesem was hun huichelarij Matth.23: 3.

In alle haast bakten de Israëlieten dus [en dus ook de Kerk] ongezuurd brood en
namen dat mee op reis [op onze Pelgrimstocht] Ex.12:8, 15, 34.
Ze mochten het dus niet eerst laten gisten met oud zuurdeeg.
Kijk, dàt is nu precies, wat iedere návolger van Christus in z’n oren dient te knopen, zich ter harte zou dienen te nemen en dan heb ik het niet alleen over het voetvolk, maar over de heren spelleiders en toezichthouders, bestuurders:
meteen op reis gaan en nieuw eten.
Doe het oude zuurdeeg [het trotse eigenbelang] weg:
    En jullie zijn opgeblazen in plaats van je veeleer te bedroeven, en
dus de bedrijver van die daad uit uw midden te verwijderen?
Want mijnerzijds heb ik, hoewel lichamelijk niet, maar
naar de geest wel aanwezig, reeds, als aanwezig, vonnis geveld over
hem, die op zulk een wijze zo iets heeft begaan.

Wanneer wij vergaderd zijn, jullie en mijn geest met

de Kracht van Jezus Christus, onze Heer, leveren wij
in de naam van de Heer die mens aan de satan over tot
verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden zal worden
in de dag des Heren. 
Uw roem deugt niet. Weten jullie dan niet, dat
een weinig zuurdeeg het gehele deeg zuur maakt?
          Doet het oude zuurdeeg weg, opdat jullie een vers deeg mogen zijn;
jullie zijn immers ongezuurd .
‘Want ook ons Paaslam is geslacht: Christus’
1Cor.5: 2-7.
Verlossing van Egypte komt alleen indien we elke
minder hoog dan normale interpretatie en gewoonte
achter weg laten en voortaan alleen het ongezuurde brood van
reinheid en waarheid eten.
Iedere dag opnieuw geeft God ons nieuw [dagelijks] brood,
als brood uit de hemel:
    Ik ben het Levende Brood, Dat uit de hemel neer is gedaald.
Indien iemand van Dìt Brood eet, hij zal in eeuwigheid leven;
en het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn Vlees, voor het Leven der wereld“
John.6: 51.
God bepaalde dus toen, dat men het lam moest eten met ongezuurd brood.
En nu zegt onze Heer en Zaligmaker:
Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, heeft
eeuwig Leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.
Want Mijn Vlees is ware spijs en Mijn Bloed is ware drankJohn.6: 54-55.
Wat zal het leven dàn een feest worden, zelfs in de Kerk!
Eerst dàn ervaren we Opwekking, Opstanding,
waarachtig leven in Geest en Waarheid.

  Uw Barmhartigheden, Heer, wil ik zingen in eeuwigheid, en van geslacht tot geslacht Uw Waarheid verkondigen. U hebt immers gezegd: ‘Mijn barmhartigheid is opgebouwd voor eeuwig; en in de Hemel is Uw waarheid gevestigd’.
Ik heb een Verbond gesloten met mijn uitverkorenen; Ik heb een eed gezworen aan David, Mijn dienaar.
Tot in eeuwigheid zal Ik uw zaad bevestigen; van geslacht tot geslacht zal Ik uw troon opbouwen.
De hemelen belijden Uw Mysteriën [Wonderen], o Heer, en Uw waarachtigheid in de Kerk der heiligen.
Want wie in de wolken kan vergeleken worden met de Heer?
Wie is aan de Heer gelijk onder de zonen van God?
God is verheerlijkt in de raad der heiligen: groot en ontzagwekkend boven allen die rond Hem staan.
Heer, God der krachten, wie is aan U gelijk? Gij zijt Machtig, Heer, en Uw Waarheid omgeeft U.
U heerst over het geweld der zee; U brengt de branding van haar golven tot rust.
U vernedert de hoogmoedige als een dodelijk gewonde; Uw machtige arm heeft Uw vijanden verstrooid.
Aan U zijn de hemelen, en van U is de aarde: de wereld en haar volheid hebt Gij gegrondvest.
Het noorden en de zee hebt Gij geschapen; Thabor en Hermon juichen om Uw naam.
Uw arm is vol macht, Uw hand is krachtig: hoogverheven is Uw rechterhand.
Rechtvaardigheid en oordeel zijn de fundamenten van Uw troon; Barmhartigheid en Waarheid gaan uit voor Uw aangezicht.
Zalig is het volk dat [dit] weet te [be-]juichen; Heer, zij zullen wandelen in het Licht van Uw aanschijn.
Gij zijt immers de roem van Hun sterkte, en in Uw welgevallen verheffen wij onze hoorn.
Want bij de Heer is bescherming, bij de Heilige van Israël, onze Koning.
In die tijd hebt Gij in een visioen tot Uw kinderen gesproken en gezegd: Ik schenk hulp aan de machtige, en verhef de uitverkorene van Mijn Volk.
Ik heb David gevonden als Mijn dienaar; Ik heb hem gezalfd met Mijn heilige olie.
Mijn hand zal hem werkelijk steunen, Mijn arm zal hem kracht schenken.
Geen vijand zal iets tegen hem vermogen; de zoon der ongerechtigheid zal hem niet kunnen schaden.
Zijn vijanden zal ik voor zijn aangezicht neerslaan; die hem haten, zal Ik op de vlucht drijven.
Mijn waarheid en Mijn barmhartigheid zullen met hen zijn; in Mijn naam verheft hij zijn hoorn.
Zijn hand zal ik leggen op de zee; zijn rechterhand overmeestert grote rivieren.
Hij zal tot Mij roepen: Gij zijt mijn Vader; Gij zijt mijn God, de Beschermer van mijn heil.
Ik maak hem tot Mijn eerstgeborene, verheven boven de koningen der aarde.
Tot in eeuwigheid zal Ik hem Mijn barmhartigheid schenken: Mijn Verbond met hem is getrouw.
Tot in de eeuwen der eeuwen zal Ik zijn Zaad doen duren; zijn troon als de dagen des hemels.
Maar als Zijn zonen/dochters Mijn Wet verlaten, als zij niet wandelen naar Mijn oordelen.
Dan zal Ik hun wetteloosheid met roede bezoeken, hun zonden met geselslagen.
Maar Mijn barmhartigheid zal ik hen niet onttrekken, Ik zal geen onrecht doen aan Mijn   Waarachtigheid.
Ik zal Mijn Verbond niet schenden, Wat over Mijn lippen gekomen is, zal niet krachteloos worden.
Eens en voor immer heb Ik dit bij Mijn heiligheid gezworen. Zou ik dan liegen tegen David?
En gelijk de maan die gevestigd is voor eeuwig, als een trouwe getuige aan de hemel.
Jullie echter hebben hem verstoten en versmaad; Jullie hebben Uw Gezalfde [Christus] verworpen. Jullie hebben het Verbond met Uw dienaar verbroken; Jullie hebben Zijn heiligdom laten schenden tot op de grond. Jullie hebben al Zijn omheiningen verwoest, Zijn versterkingen hebben Jullie neergehaald. Alle voorbijgangers hebben Hem [het Lichaam van Christus] geplunderd; Hij is een smaad geworden voor zijn buren. Jullie hebben de rechterhand van zijn verdrukkers verhoogd; al Zijn vijanden hebben Jullie verblijd. De hulp van Zijn zwaard hebben Jullie terug doen wijken; Jullie hebben Hem niet bijgestaan in de oorlog.
Zijn reinigingsoffer hebben Jullie versmaad, zijn troon ter aarde geworpen.
Jullie hebben de dagen van Zijn tijd verkort; met schaamte hebben Jullie Hem overdekt.
Hoelang nog, Heer, zult Gij U geheel en al afwenden; hoelang zal Uw toorn nog branden als vuur?
Gedenk wat Mijn wezen is: Jullie hebben alle mensenkinderen toch vergankelijk geschapen?
Welke mens kan leven zonder de dood te aanschouwen? Wie kan zijn ziel ontrukken aan de macht van de hades?
Waar zijn toch Uw aloude ontfermingen, Heer, die U aan David hebt gezworen in Uw Waarheid?
Gedenk, Heer, de smaad die zovele volkeren Uw dienaren hebben aangedaan, die ik in mijn boezem verkrop. Waarmee Uw vijanden ons hebben bespot, o Heer; waarmee zij bespot hebben het losgeld van Uw gezalfde. Gezegend zij de Heer in eeuwigheid. Zo zij het. Amen”. Psalm 88[89] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Apostichen Metten, 4e Maandag na Pascha
tn.3a.    Met hun eigen ogen hadden zij de Kracht gezien van
Uw Tekenen en Mysteriën [wonderen], maar
door nijd waren zij te zeer verzwakt, ofschoon zij zo sterk waren in het slechte, en
daardoor wilden zij niet geloven, dat
U de Zoon van God en Meester van alle dingen zijt, terwijl
U toch de Verlamde had genezen met een enkel woord
”.

    Uw Barmhartigheden, Heer, wil ik zingen in eeuwigheid, en
van geslacht tot geslacht Uw Waarheid verkondigen
”.

tn.3a.    De Schriftgeleerden, die slechts uiterlijk de Sabbath hielden,
werden heftig verontwaardigd, toe de Verlamde op een Sabbath genezen werd; en in hun juridische verwaandheid riepen zij uit:
het is niet geoorloofd om op de Sabbath te genezen, want
dat ontheiligt de dag des Heren”.

    U hebt immers gezegd: ‘Mijn barmhartigheid is opgebouwd voor eeuwig; en
in de Hemel is Uw Waarheid gevestigd’
”.

tn.3a.    Zij, die zich de behoeders noemden van de Sabbath, wilden niet inzien, dat U de Heer en Meester van de Sabbath zijt.
Zij morden over de genezing van de Verlamde, omdat
deze op de Sabbath geschiedde.
Het is niet goed, zo zeiden zij, om uw bed op de Sabbath te dragen.

    Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN.”

tn.5.      Jezus ging op naar Jerusalem, naar de vijver die bij de Joden van Bethesda heet en  vijf hallen bezit, waarin de zieken gelegen zijn.
Want op verschillende tijden, daalde daarin af een Engel van God, om het water in beweging te brengen en het Kracht te verlenen voor hen, die in Geloof daartoe naderden
De Heer ziet hem, die reeds zolang moest wachten en vraagt:
“ Wilt u gezond worden?” De zieke antwoordt Hem”
“ Heer, ik heb geen mens, die mij, als het water beweegt, in de vijver helpt.
Heel mijn leven heb ik weggeworpen aan artsen, maar
ik was niet waardig om Barmhartigheid te vinden”
Toen sprak tot hem de Arts van ziel en lichaam”
“Neem uw bed op en loop, en verkondig tot aan de grenzen der aarde
Mijn Macht en Mijn grote Barmhartigheid”.

4e Zondag van Pascha – Zondag van de Verlamde mens

    Onze Heer en Verlosser ging op naar Jeruzalem. Nu is er te Jeruzalem bij de Schaapspoort een bad, dat in het Hebreeuws de bijnaam Bethesda [Hebr.=’huis van barmhartigheid’] draagt, met vijf zuilengangen. Daarin lag een menigte zieken, blinden, verlamden en verschrompelden, die wachtten op de beweging van het water.
       Want van tijd tot tijd daalde een engel des Heren neer in het bad; dan bewoog het water; wie er dan het eerst in kwam na de beweging van het water werd gezond, wat voor ziekte hij ook had.
       En daar was een man, die reeds achtendertig jaar lang ziek geweest was.
Hem zag Jezus liggen en daar Hij wist, dat hij daar reeds lange tijd was, zei Hij tot hem:
       Wilt gij gezond worden?
De zieke antwoordde Hem:
       Heer, ik heb geen mens om mij, zodra er beweging komt in het water, in het bad te werpen; en terwijl ik onderweg ben, daalt een ander voor mij af.
Jezus zei tot hem:
       Sta op, neem uw matras op en wandel.
En terstond werd de man gezond en nam zijn matras op en ging zijns weegs.
       Nu was het Sabbath op die dag.
De Joden dan zeiden tot de genezene:
       Het is Sabbath en dan moogt gij uw matras niet dragen.
Doch hij antwoordde hun:
       Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft tot mij gezegd: Neem uw matras op en ga uws weegs.
Zij vroegen hem:
       Wie is de mens, die tot u gezegd heeft: Neem op en ga uws weegs?
En de genezene wist niet, wie het was; want Jezus was ontweken, omdat er een [grote] menigte op die plaats was.
Daarna vond Jezus hem in de tempel en zei tot hem:
       Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet iets ergers zal overkomen.
De man ging heen en zei tot de Joden, dat het Jezus was, die hem gezond gemaakt hadJohn.5: 1b-15.

    En het geschiedde, toen Petrus overal rondreisde, dat hij ook bij de heiligen kwam, die te Lydda woonden.
Daar vond hij een man, genaamd Eneas, een verlamde, die reeds acht jaren bedlegerig was geweest.
      En Petrus zei tot hem: ‘  Eneas, Jezus Christus geneest u; sta op en maak zelf uw bed op. En hij stond onmiddellijk op.
En alle bewoners van Lydda en Saron zagen hem en bekeerden zich tot de Heer.
>>  En er was te Joppe een discipelin, genaamd Tabitha, hetgeen, vertaald, betekent Dorkas. Deze was overvloedig in goede werken en aalmoezen, die zij gaf.
       En het geschiedde in die dagen, dat zij ziek werd en stierf; en na haar gewassen te hebben, legde men haar in een bovenzaal.
       En daar Lydda dicht bij Joppe lag, zonden de discipelen, toen zij hoorden, dat Petrus daar was, twee mannen tot hem met het verzoek: Kom zonder dralen tot ons.
       En Petrus stond op en ging met hen mee.
Toen hij daar aangekomen was, bracht men hem naar de bovenzaal en al de weduwen kwamen bij hem staan, en lieten hem onder tranen al de lijfrokken en mantels zien, die Dorkas, toen zij nog bij hen was, gemaakt had.
       Maar Petrus zond hen allen naar buiten en knielde neer en bad. En hij wendde zich tot het lichaam en zei:
       Tabitha, sta op! En zij opende haar ogen en zag Petrus en ging overeind zitten, en hij gaf haar de hand en richtte haar op; toen riep hij de heiligen en de weduwen en stelde haar levend voor hen. En het werd bekend door geheel Joppe en velen kwamen tot Geloof in de Heer
Hand.9: 32-42.

Onze Heer is God,
🌈 Die boven alle schepselen, boven de geschapen natuur, boven alle dingen verheven is en
🌈 Die aanbeden dient te worden in goede en minder goede momenten.
🌈 Hij is als al-Heilige, als al-Sterke en Onsterflijke, Onveranderlijk in staat onze gebeden te verhoren, dat is wat bovenstaande lezingen ons duidelijk proberen te maken.
🌈 God is in staat ‘een Verlamdete doen lopen, zelfs al is dit op een Sabbath, of zoals Tabitha, ons doen opstaan uit de doden; en ons weer levend voor onze omgeving te laten voortgaan, wanneer alle hoop op herstel is opgegeven.
🌈 Hij vraagt eenvoudig:
Wil jij gezond worden?”, “Geloof je dat?” . . . . .   werkelijk, en
het volgende moment staat heel jou omgeving verbazingwekkend toe te kijken.
🌈 Hij is in staat om ons te redden met Zijn Macht; maar is ook een God, Die
heel dicht bij Zijn Volk verblijft, in Wiens midden Hij wilde wonen in
Zijn “Heerlijke heilige Tempel [het hart]“, en aldus Zijn Vaderlijke Liefde manifesteert.
🌈 Hij zal ons eveneens behorend tot een weerbarstig Volk de overgrote Volheid van Zijn Liefde onthullen door Zijn Zoon onder ons te zenden om op elke wijze, die zich maar voordoet, ons leven op aarde te delen, behalve in de zonde.
Onze toestand wordt immers gekenmerkt door beproevingen, onderdrukking, eenzaamheid en de dood die we aan den lijve hebben te ondervinden.
🌈 Een liefde die Hij, als onze Vader, volledig aan ons heeft geopenbaard door Zijn Zoon Jezus Christus: “Het Woord dat is vlees geworden en Het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn Heerlijkheid aanschouwd, een Heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van Genade en WaarheidJohn.1: 14.
🌈 God, onze Vader richt de Verlamde mens weer op, opdat wij Hem de Lof en eer kunnen doen toekomen, wat ons ook persoonlijk nog te wachten staat, Hij weet wàt goed voor ons en in alle ontwikkelingen is.

Monnik Daniël, Servische kluizenaar Athos

    Red mij, God, want de wateren zijn binnen gedrongen in mijn ziel.
Ik zink weg in diep slijk, er is geen grond onder mijn voeten. Ik ben geraakt in de diepte der zee, de stormvloed heeft mij overstroomd.
Ik ben uitgeput door het roepen, mijn keel is hees, mijn ogen begeven het, terwijl ik toch vertrouw op mijn God.
Talrijker dan de haren op mijn hoofd zijn zij die mij haten zonder reden; mijn vijanden hebben de overhand, die mij ten onrechte vervolgen.
Hoewel ik niets geroofd had, moest ik toch vergoeding geven.
God, Gij kent mijn dwaasheid; mijn overtredingen zijn voor U niet verborgen.
Heer, laat hen die U verbeiden niet over mij beschaamd staan, Heer der heerscharen.
Laat hen die U zoeken, God van Israël; niet omwille van mij te schande worden.
Want om U word ik versmaad, schaamrood overdekt mijn gezicht.
Ik ben een vreemdeling voor mijn broeders, een onbekende voor de zonen van mijn moeder.
Want de ijver voor uw Huis heeft mij verteerd; de versmading van hen die U smaden is op mij  gevallen.
Toen ik mijn ziel door vasten vernederde, werd het mij tot smaad; toen ik mij hulde in een boetekleed, gebruikten zij mij als spreekwoord.
Die in
de [Schaap’s]poort [bij de Bron] zitten belasteren mij; de wijndrinkers zingen een spotlied over mij.
Maar ik richt mijn gebed tot  U, Heer; nu is het tijd om genadig te zijn.
God, verhoor mij in de volheid van Uw Barmhartigheid, in de Waarheid van Uw Verlossing.
Red mij uit het slijk, opdat ik er niet in zal wegzinken; bevrijd mij van hen die mij haten, uit de diepte der wateren. Laat de stormvloed mij niet overstromen. noch de afgrond mij verzwelgen; laat de kuil zich niet boven mij sluiten.
Verhoor mij Heer, want Uw Barmhartigheid is goed [tov]; zie op mij neer volgens de menigte van Uw Ontfermingen. Wend Uw aangezicht niet af van Uw dienaar, verhoor mij haastig wanneer ik gekweld word. Kom tot mijn ziel om haar te verlossen, bevrijd mij van mijn vijanden.
Gij kent immers mijn smaad en mijn schande, hoe het schaamrood mij overdekt. Voor Uw ogen zijn allen die mij kwellen: mijn ziel verwacht smaad en ellende.
Ik wacht op een Medelijdende, maar er is er geen; op een Trooster, maar ik heb niemand gevonden. Voor spijs gaven zij mij gal; in mijn dorst drenkten zij mij met azijn.
Hun [offer-]tafel wordt hun tot strik, tot vergelding en struikelblok.
Hun ogen worden verduisterd, zodat zij niet meer zien; hun rug is voor altijd gekromd.
Want Gij giet Uw toorn over hen uit, Uw grimmige woede zal hen grijpen.
Hun woonstee veranderd in verlatenheid, er is niemand meer om te wonen in hun tenten.
Want hen die Gij geslagen had, hebben zij vervolgd; en aan de pijn van hun wonden hebben zij nog toegevoegd.
Daarom voegt Gij zonde bij hun zonden; zij zullen niet ingaan in Uw gerechtigheid.
Zij worden gewist uit het Boek der levenden, en niet ingeschreven met de rechtvaardigen.
Ik ben ellendig en vol pijn; God, laat Uw heil mij opnemen.
Dan zal ik de naam van God loven met een lied; ik zal Hem verheffen met lofzang.
Dat zal God meer behagen dan een jong kalf met horens en hoeven.
Mogen de armen het zien en zich verheugen: zoekt God, dan zal uw ziel gezocht worden.
Want de Heer heeft de arme verhoord; Hij heeft Zijn gevangenen niet gering geacht.
Dat hemel en aarde Hem loven, de zee en alles wat zich daarin beweegt.
Want God zal Sion verlossen, de steden van Judea zullen weer opgebouwd worden.
Men zal daar wonen en ze ontvangen als erfdeel.
Het zaad van Uw dienaren zal ze bezitten; wie Uw Naam liefhebben, zullen daarin wonen
”.
Psalm 68[69] vert. ROK. ’s-Gravenhage

Hymne van de drie jongelingen in de vuuroven:
      Gezegend zijt Gij Heer, God onzer vaderen, Uw Naam zij geprezen en verheerlijkt in de eeuwen der eeuwigheid.
Want Gij zijt Rechtvaardig in alles, wat Gij aan ons gedaan hebt; en al uw werken zijn Waarachtig, en Uw wegen zijn Recht, en al Uw oordelen zijn Waarheid.
Gij hebt waarachtige oordelen geoefend in al wat Gij over ons gebracht hebt, en over Jeruzalem, de heilige stad van onze vaderen, want Gij hebt in Waarheid en Gericht deze dingen over ons gebracht, omwille van onze zonden.
Overmits wij gezondigd en goddeloosheid begaan hebben, toen wij van U afgeweken zijn, en ons in alles hebben bezondigd.
En wij hebben Uw Geboden niet werkelijk gehoord, noch gehouden; en hebben niet gedaan gelijk Gij ons geboden hadt, opdat het ons wèl zou gaan.
En al wat Gij over ons gebracht hebt, en al wat Gij ons hebt [aan-]gedaan, dat hebt Gij in een Waarachtig Gericht gedaan; en hebt ons overgegeven in de handen van goddeloze vijanden, en van de allergrootste vijandige afvalligen, en aan een onrechtvaardige koning, die wel de
meest boze en verachtelijke is van de gehele wereld.
En nu durven wij onze mond niet open te doen, wij zijn een schande en spot geworden voor Uw knechten en voor allen die U dienen.
Doch geef ons niet over ten einde toe omwille van Uw Naam, en verstoot Uw Verbond [met ons] niet. En neem Uw Barmhartigheid niet van ons weg, omwille van Abraham, die door u geliefd is, en om Isaäc omwille van U knecht, en omwille van Israël Uw geheiligd Volk;
Tot welke U gesproken hebt, dat U hun zaad zult vermenigvuldigen gelijk de sterren aan de  Hemelen, en gelijk het zand dat aan de oever van de zee ligt.
Want, Heer, wij zijn minder geworden dan al de heidenen, en wij zijn heden vernederd op de gehele aarde, omwille van onze zonden. En wij hebben tot op dit ogenblik, noch vorst noch profeet, noch spelleider, noch voorganger, noch brandoffer, noch slachtoffer, noch spijsoffer, noch reukoffer; noch plaats om van onze vruchten voor u te offeren, en Genade te vinden.
Maar neem ons aan, in een verbroken hart en in een vernederde geest; gelijk als in het brandoffer van rammen en stieren, en in vele duizend vette schapen, zo mag heden onze offerande voor U zijn, en dat dit volmaakt bij u al overkomen, want zij zullen niet beschaamd worden, die op U het Vertrouwen hebben gesteld betrouwen.
En nu, wij volgen u van ganse harte na, en vrezen U, en zoeken Uw aangezicht.
Daarom laat ons niet beschaamd worden, maar doe met ons naar Uw Goedertierenheid [met veel medeleven], en naar de menigte van Uw Barmhartigheid.
En verlos ons hieruit naar Uw Mysteriën, wonderdaden en geef Heer, Uw Naam eer.
En laat beschaamd worden allen die uw knechten kwaad aandoen, en laat hen te schande worden voor alle macht, en laat hun sterkte gebroken worden.
En doe hen alstublieft gewaarworden, dat Gij de Heer zijt, de enige God, Die Heerlijk is op de gehele aarde.
                                                      De dienaren nu van de koning, die hen in de oven geworpen hadden, lieten niet af van de oven te doen branden met zwavel, en pek, en werk, en rijs.
En de vlam verbreidde zich boven uit de oven negenenveertig ellen hoog.
En ging voort, en verbrandde de Chaldeeën, Die zij zich rondom de oven bevonden.
➽          En de engel des Heren daalde neer bij Azaria en zijn gezellen in de oven;
En stootte de vlam van het vuur uit de oven, en maakte het middelste van de ovens alsof een windje van de dauw suisde, en het vuur raakte hen geheel niet, en deed hun geen verdriet, noch enige bekommering aan.
🌈         Toen zongen de drie als uit één mond, en
loofden en prezen God in de oven, zeggende:
⁌ Geloofd zijt Gij, Heer, gij God van onze vaderen, Die geprezen dient te worden en hoog geroemd dient te zijn in de eeuwigheid.
⁌ Geloofd zij Uw Heerlijke Naam Die Heilig is en hoog te prijzen en te roemen in de eeuwigheid.
⁌ Geloofd zijt Gij in de Tempel van Uw Heilige Heerlijkheid, en hoog geprezen en hoog verheerlijkt zijt Gij in de eeuwigheid.
⁌ Geloofd zijt Gij Die daar zit op de Cherubijnen en ziet de diepten aan, en hoog geprezen en hoog geroemd zijt Gij in alle eeuwen der eeuwigheid.
⁌ Geloofd zijt Gij, op de Troon der Heerlijkheid van uw Koninkrijk, en hoog geprezen en hoog verheerlijkt zijt gij in alle eeuwen der eeuwigheid.
⁌ Geloofd zijt Gij in de vastigheid des Hemels en hoog geprezen en verheerlijkt in der eeuwigheid.
➙   Alle gij werken des Heren looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
➙   Gij engelen des Heren looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
➙   Gij hemelen looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
➙   Alle wateren, die boven de hemel zijt, looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Looft de Heer al de legerkrachten des Heren, prijst Hem en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid..
 Looft de Heer gij zon en gij maan, prijst hem en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid..
 Looft de Here gij gesternten des hemels, prijst Hem en roemt hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Al gij regen en dauw looft de Here, prijst hem en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij winden alle looft de Here, prijst hem en looft Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij vuur en hitte looft de Here, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Koude en hitte looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Dauw en rijm looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij nachten en dagen looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Licht en duisternis looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Vorst en koude looft de Here, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 IJs en sneeuw looft de Here, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Bliksem en wolken looft de Here, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 De aarde love de Heer, zij zal Hem prijzen en zal Hem roemen in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij bergen en heuvelen looft de Here, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Alles wat in de aarde opgroeit love de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij fonteinen looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij zeeën en rivieren looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij walvissen, en al wat zich roert in de wateren, looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Alle gij vogelen des hemels looft de Heer, prijst en roemt hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Alle gij wilde gedierten en vee looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij kinderen der mensen looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Israël [en geheel Uw Kerk], looft de Heer; prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij spelleiders, priesters, voorgangers des Heren looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij knechten en slaven des Heren looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij geesten en zielen der rechtvaardigen looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij heilige en deemoedige van harte looft allen de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Ananias, Azaria, Misaël looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid, want Hij heeft ons getrokken uit de hel en heeft ons verlost uit de hand van de dood, en Hij heeft ons behouden uit het midden van de brandende vlam van die ontzettend hete ovens, en heeft ons behouden uit het midden van het helse vuur.
♨︎♨︎♨︎ Dankt de Heer want Hij heeft de mensen lief en is vriendelijk, want Zijn Barmhartigheid duurt in de eeuwen der eeuwigheid.
✥ ✥ Gij allen die de Heer vrezen looft de God der goden, prijst Hem en dankt Hem, want Zijn Barmhartigheid duurt in alle eeuwen der eeuwigheidDaniël 3: 26-88.

Deze prachtige Hymne in de vorm van een litanie laat ons nadenken over
het Pascha/de Verrijzenis van onze Heer en verlosser,
het hoogtepunt van het Goddelijk plan met de kosmos en haar geschiedenis.
Het wordt gevonden in het boek Daniël, in het gedeelte dat alleen in het Grieks
tot ons is gekomen, verwoord door moedige geloofsgetuigen, die niet wilden buigen ter aanbidding van het standbeeld van de koning en de voorkeur gaven aan een tragisch vooruitzicht van dood, het Martelaarschap in de vurige oven.
Alle dingen, die de mens kent zijn echter door God geschapen en in Hem is
zowel het begin als het einde, de Alpha en de Omega van de menselijke geschiedenis, dus gaan zij volop in verzet en tegenstand in tegen de wereldse machthebber, die hen God wil doen afzweren en hen dreigt te vermurwen.

    Zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om eenieder te vergelden, naar dat zijn werk is.
Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, het begin en het eindeOpenb.22: 12,13.

De Schepping van Zijn hand krijgt z’n volledige betekenis vanaf het moment, zoals  Johannes de Theoloog het zich herinnert in de Proloog van de weergave van zijn Evangelie:
Alle dingen zijn door het Woord geworden en
zonder dit is geen enkel ding geworden, dat geworden is
John.1: 3.
De Geschiedenis van de Zaligheid staat als het hoogst verheven moment in ons midden met de Opstanding van Christus, het open staan van het menselijk leven tot de Genadegave van de Heilige Geest en de aanneming als zonen en dochters van de Vader, in afwachting van de terugkeer van het Goddelijke Bruidegom, Die de wereld teruggeeft aan God de Vader:
    Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.
Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst; daarna het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle Heerschappij, alle Macht en Kracht [in de wereld] onttroond zal hebben“ 1Cor.15: 22-24.
Vandaag zetten wij de volgende tekst van deze hymne op de voor-grond [in de spotlights]:
      Gezegend zijt Gij, allen en alle werken des Heren, wat u nu gaat doen
ten behoeve van de Heer,  zing een Hymne voor de Heer en
verhef Hem bovenmate tot in de eeuwen der eeuwigheid”
Daniël 3: 57.

♨︎          Nicholas Cabasilas leert dat de heiligen, zoals zij de Heer verheerlijken,
God nooit genoeg zullen kunnen prijzen; zij vinden hun eigen dankzegging niet voldoende . . . [want] zij verlangen dat mensen en engelen zich met hen verenigen in het prijzen van God, zodat hun schuld van dankbaarheid aan Hem een ​​beetje meer waardig verrekend kan worden, vanwege de toename van het aantal van degenen die Hem prijzen”.
Nicholas Cabasilas voegt er nog aan toe dat
de heilige zonen van Azaria, die door de Genade van God de vlammen van de vurige oven overwonnen, getuigen van dezelfde Waarheid:
“Het was passend dat zij God moesten danken, vanwege
hun wonderbaarlijke en onverwachte opvang in de nood; maar
zij beschouwden hun eigen lof en toejuiching niet als voldoende
– zij riepen de engelen en elk ras van de mens op,
de hemelen, de zon, de sterren, de aarde, de bergen en levenloze wezens –
kortom de gehele schepping op om te hulp te komen

Commentaar op de Goddelijke Liturgie, blz. 107.

Laten we daarom de Waarheid omarmen dat wij als navolgers van Christus gezegend zijn om ons bij de drie jongemannen aan te sluiten om God te eren de
altijd bestaande en eeuwig dezelfde, Gij en Uw eniggeboren Zoon en Uw Heilige Geest. . . Die heeft ons van niet-bestaan ​​naar het zijn gebracht Metten, Canon van Pinksteren.
Inderdaad, zoals de apostel Paulus ons eveneens aanspoort:
Verblijdt u te allen tijde, bidt zonder ophouden, dankt onder alles, want
dàt is de Wil van God in Christus Jezus ten opzichte van u.
Dooft de Geest niet uit, veracht de profetieën niet, maar
toetst alles en behoudt het goede
1Thess.5: 16-21.

          Op dezelfde wijze waarschuwt Johannes Chrysostomos ons om geen achteloze toeschouwers te blijven en niet aandachtig te zijn in de Goddelijke Liturgie, noch in enig ander aspect van dit huidige leven.
Alle stemmen die opgang vinden in de Kerk
– engelen, aartsengelen, priesters en hun assistenten de diakens, mannen, vrouwen en kinderen  – zijn bedoeld en worden opgeroepen om zich te verenigen in Lof aan God.

De tekst van de ‘Hymne van de drie jongelingen‘ is op
natuurlijk wijze onder verdeeld in drie delen.
Eerst is er een lofoffer, een verheffing van God, Die
alleen al de eer, de eer en aanbidding waardig is Daniël 3: 52-56.
Deze passage herinnert ons eraan dat God onophoudelijk voortgaat 
om alle dingen te doen totdat Hij ons terug naar de Hemelen gebracht zal hebben en  ons Zijn Koninkrijk zal overgeven dat nog zal komenuit de Goddelijke Liturgie van Johannes Chrysostomos.
Dit gedeelte van de Hymne voegt onze lof toe aan die van het hemelse tabernakel waar de Heer zit “op de cherubijnenDaniël 3: 55, de “Troon van [Zijn] Hemels KoninkrijkDaniël 3: 54.
Het volgende en langere gedeelte van het gebed Daniël 3: 57–82 roept
de gehele schepping op om zich aan te sluiten bij de lof aan God.
Is dit mogelijk voor elk schepsel, zelfs de sterren van de hemel,
de regen en dauw, wind, vuur en hitte?
We leren van deze verzen dat de hele gecreëerde orde van de Schepping actief betrokken is bij God’s lof en de wijze waarop Hij alles bestuurt [- ‘bestiert’ – oud Nederlands].
Gecreëerde dingen zijn niet, zoals hedendaagse materialisten suggereren, louter en alleen een kwestie om gemanipuleerd te worden ten behoeve van onze nukken [behoeften]; deze medeschepselen verheerlijken altijd God’s Mysteriën [wonderen].
♨︎            Volgens de Heilige Hippolytus van Rome, “toonde de drie jongelingen in de oven. . . [geschapen wezens] ons aan om
allen, zoals wij als dienaren van God behoren te zijn
” Ante-Nicene Fathers 5, blz. 191.
Mogen wij dàn eveneens ook alle schepselen, de natuur en materie benaderen met het eerbetoon als aan de mede-aanbidders van God.
♨︎            òf zoals de archimandriet Pachoom [van Neerven, 1935-2007] van
het Elias klooster te Sint Hubert, Brabant het uitdrukte: “ Ja, zelfs in de geur van de mestvaalt, ontmoet je de aanbidding tot God”.

In de afsluitende verzen richten de drie jongemannen zich tot de Kerk:
Zegen de Heer, o Israël, en zing een hymne voor HemDaniël 3: 83.
Lof is niet alleen voorbehouden aan onze naar voren geschoven geestelijkheid Daniël 3: 84, maar vóór alles en allen die verkondigen ‘dienstknechten van de Heer te zijn Daniël 3: 85, de ‘geesten en zielen van de rechtvaardigenDaniël 3: 86.
Inderdaad, we zijn allemaal geroepen om “de Heer te danken, want Hij is goed, [en heeft de mensen lief]” Daniël 3: 89.
Inderdaad, zoals we in de Goddelijke Liturgie zingen,
het is Waarlijk en Recht om Vader, Zoon en Heilige Geest te aanbidden:
de Drieëenheid, één in Wezen
[Essentie], en onverdeeld”.
Laten we voor altijd onze harten en stemmen verheffen tot de Heer
want Zijn Genadegave duurt voor altijd” Daniël 3: 90.

    Het Woord is vlees geworden en Het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn Heerlijkheid aanschouwd, een Heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van Genade en Waarheid. Immers uit Zijn Volheid hebben wij allen ontvangen zelfs Genade op Genade; want de wet is door Mozes gegeven, de Genade en de Waarheid zijn door Jezus Christus gekomenJohn 1: 14, 16-17.

”   Wij verheffen U, wij zegenen U, wij aanbidden U,
wij verheerlijken U en, wij danken U voor Uw grote Heerlijkheid,
O Heer Koning, Hemelse God
  Grote doxologie.

Apolytikion
tn.3. 
  Dat Hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen,
want de Heer heeft de Kracht van Zijn arm getoond.
Door Zijn dood is de dood vertreden, en
werd Hij de Eerstgeborene uit de doden.
Hij heeft ons verlost uit de diepten van de hel, en
aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion
tn.3. 
  Door vele zonen en tegennatuurlijke daden
is mijn ziel geheel en al verlamd, o Heer.
Maar – ‘doe’- haar weer
‘Opstaan’ door Uw Goddelijke Tegenwoordigheid,
zoals Gij eens de Verlamde hebt opgericht,
opdat ik, gered tot U mag roepen:
Barmhartige Christus, ere zij Uw Kracht
”.

Kondakion [2]
tn.3.    Heden zijt Gij, Barmhartige, opgestaan uit het graf, en
hebt ons verlost uit de poorten van de dood.
heden jubelt Adam en Eva verheugt zich; en
de Profeten en Patriarchen bezingen zonder einde
de Goddelijke Macht van Uw Heerschappij
”.

Theotokion
tn.3.
    Gij zijt de Middelaarster geweest bij de Verlossing van ons geslacht,
daarom prijzen wij u, o Moeder God’s en Maagd,
Want in het vlees dat Hij aannam uit uw schoot,
heeft uw Zoon, onze God, het lijden van het Kruis ondergaan.
En heeft Hij ons uit het verderf verlost als de Menslievende
”.

Woensdag in de 3e week na Pascha – de Getuigenis van de Vader en de Zoon is van oudsher in de H. Geest, de Waarheid

    Jezus zei tot hen [tot ons]: Ik ben het Brood van het Leven; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.       Maar Ik heb u gezegd, dat gij niet gelooft, ook al hebt gij Mij gezien.
Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.
Want Ik ben van de Hemelen nedergedaald, niet om Mijn wil te doen, maar de Wil van Hem, Die Mij gezonden heeft.
       En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren zal laten gaan, maar het zal opwekken ten jongsten dage“ John.6: 35-39.

Handoplegging van de Apostelen

    En toen Simon zag, dat door de handoplegging van de Apostelen de Geest werd gegeven, bood hij hun geld aan, en zei:
      Geef ook mij deze macht, opdat, als ik iemand de handen opleg, hij de Heilige Geest zal  ontvangen.
Maar Petrus zei tot hem:
      Uw geld zal met u ten verderve leiden, daar gij gemeend hebt de Gave van God voor geld te kunnen verwerven.
Gij hebt part noch deel aan deze zaak, want uw hart is niet recht voor God.
Bekeer u van deze uw boosheid en bid de Heer, opdat deze toeleg van uw hart aan u vergeven zal      worden; want ik zie, dat gij gekomen zijt tot een gal van bitterheid en een warrig net van on-gerechtigheid.
Doch Simon antwoordde en zei:
      Bidt gij voor mij tot de Heer, dat mij niets zal mogen overkomen van hetgeen gij gezegd hebt.
Toen zij dan het Woord des Heren betuigd en gesproken hadden, keerden zij terug naar Jeruzalem en verkondigden het Evangelie [de Blijde Boodschap] aan vele dorpen van de SamaritanenHand.8: 18-39.

Terugkomen tot God
Kom nog een keer terug tot God.
Kom door persoonlijk gebed terug tot God.
Maar wat bid je dan?
       Stort je hart uit voor God en zeg tegen Hem:
O Heer, ik wil U. Ik wil bij U terug komen.
Red me alsjeblieft uit mijn vervallen staat en
leidt me opnieuw terug naar U.
Zonder U ben ik niets.
Toen ik U kwijtraakte, verloor ik m’n leven.
Ik verloor mijn geluk en vreugde.
Mijn leven werd zonder betekenis of enige interesse

Stort je gehele hebben en houden voor God uit en zeg:
Ik wil bij U terug komen, o Heer, maar
m’n vijanden zijn sterker dan ik ben
” Psalm 38: 9.
Velen zijn er die tot mij zeggen:
Er is geen hulp voor hem in/bij zijn God
” Psalm 3: 2.
Keer terug naar God en zeg:
Heer, U draagt mij.
En breng me a.u.b.
nog een keer terug tot U

Zeg hem:
Ik verloor mijn kracht toen ik ver
van U verwijderd geraakte.
Geef me wat van Uw Kracht.
Geef me alsjeblieft Uw Goddelijke hulp
om mij op Uw weg terug te helpen

Pope Shenouda III 1923-2012,
Pope of Alexandria and the Patriarch of All Africa on
the Holy Apostolic See of Saint Mark
the Evangelist of the Coptic Orthodox Church of Alexandria.

      Maar zij waren weerspannig en bedroefden zijn heilige Geest; daarom veranderde Hij voor hen in een vijand. Hij zelf streed tegen hen. Maar Hij dacht aan de dagen van ouds, aan Mozes, aan zijn volk.
        Waar is Hij, die de herders zijner kudde voerde uit de wateren? Waar is Hij, die zijn heilige Geest in hun binnenste gaf?
  Die zijn luisterrijke arm aan de rechterhand van Mozes deed gaan;
  Die voor hen de wateren kliefde om Zich een eeuwige naam te maken;
  Die hen deed gaan door de waterdiepten?
Evenmin als een paard in de woestijn struikelden zij; als aan het vee, dat afdaalt in de vallei, gaf de Geest des Heren hun rust. Zo hebt Gij uw volk geleid om U een luisterrijke Naam te maken.
>>   Och, dat U de Hemelen zou doen scheuren, dat U zou nederdalen, dat voor Uw aangezicht de bergen wankelden, zoals vuur rijshout in vlam zet, zoals vuur water doet overkoken; om uw tegenstanders Uw Naam te doen kennen, zodat de volkeren voor Uw aangezicht sidderen,
       Daar U geduchte daden verricht, die wij niet verwachtten; dat U  nederdaalde, zodat de bergen voor uw aangezicht wankelden!
      Ja, van oudsher heeft men het niet gehoord noch vernomen, geen oog heeft gezien een God buiten U, die optreedt ten behoeve van wie op Hem wacht.
      U komt hem tegemoet, Die met Vreugde Gerechtigheid doet, hun die op uw wegen aan U denken.

Profeet Isaiah, van de hand van grootmeester schilder, Raphaël-It

      Zie, U bent toornig geweest, omdat wij zondigden; in die toestand verkeerden wij lange tijd, en zouden wij dan verlost worden?Isaiah 63: 10-64: 5.

Laat het goed tot ons doordringen, de woorden die Isaiah zo’n 750-700 v.Chr. reeds verkondigde;
wie zijn wij mensen van deze tijd dat wij onze hoop en geloof slechts op aardse zaken richten;
je mag er – ook in deze tijd van overtuigd zijn – dat
je in deze Kerk, het Lichaam van Christus je toekomst kunt verwezenlijken.
Toen herinnerde hij zich de dagen vanouds,
Hij die de herder van Zijn schapen uit het land grootbracht.
Waar is Hij, Die Zijn Heilige Geest in hen plaatste?

                 In deze verzen giet de Profeet Isaiah een serie brandende vragen over ons uit, die de Grote Profeet diep verontrusten;
                het zijn vragen, die ook onze spelleiders en toezichthouders verontrusten;
ja, zij lijden eraan en dragen het Kruis wat hen -door God- is opgelegd.
                Tegelijkertijd presenteert Isaiah ons een Vreugdevolle en
Profetisch icoon van de Opstanding.
                 Hij kan niet anders, want David en Salomon
waren hem reeds voor met de woorden;
                Wat kunnen we tevens leren van David’s en Salomo’s
prestaties en hun persoonlijke zwakheden die ons zullen adviseren
voorspoedig en succesvol te zijn in ons leven:
      Ik hef mijn ogen tot U, Die in de Hemelen woont.
Zie, zoals de ogen van dienaars, op de handen van hun meesters.
Zoals de ogen van de dienaressen, op de handen van haar meesteres.
Zo zien onze ogen naar de Heer onze God, totdat Hij zich over ons ontfermt.
Ontferm U over ons, Heer, ontferm U over ons: wij zijn overladen met verachting, onze ziel is er geheel en al van vervuld.
Wij zijn de hoon van de rijkaards, de verachting van de hoogmoedigen.
>>     Als de Heer niet met ons geweest was; Israël ontken het niet !
Als de Heer niet met ons geweest was, toen de mensen tegen ons opstonden.
Dan hadden zij ons zeker verslonden, toen hun razernij tegen ons woedde.
Dan zou het water ons stellig hebben verzwolgen, want onze ziel is door een stroom gegaan. Onze ziel is immers getrokken door bodemloze wateren.
Gezegend zij de Heer, Die ons niet heeft overgeleverd als een prooi voor hun tanden.
Onze ziel is als een vogel ontsnapt uit het net van de vogelaar.
Het net werd verscheurd, en wij zijn bevrijd.
Onze hulp is in de naam van de heer: de Maker van Hemel en aarde
Psalm122,123 [123,124] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

    Opdat gij de weg der goeden bewandelt en de paden der rechtvaardigen bewaart.
Want de oprechten zullen het land bewonen en de vromen zullen daarin overblijven, aar de goddelozen zullen uit het land worden uitgeroeid en de trouwelozen zullen eruit worden weggerukt” Spreuken 2: 20-22.
Deze Grote Profeet lijdt, draagt Zijn Kruis en vraagt ​​God hoe Hij,
Die “Mozes leidde met Zijn rechterhand, de arm van Zijn GlorieIsaiah 63: 12,
Zijn uitverkoren volk zo in de diepte kon laten vallen.
Waar zijn Uw ijver en Uw kracht; waar is
de veelheid van Uw genade en Uw mededogen,
om geduldig met ons te zijn?
Isaiah 63: 15.
Hij vervolgt:
Waarom hebt u ons op een dwaalspoor gebracht, o Heer,
van Uw pad en onze harten verhard om niet bang voor U te zijn?
Isaiah 63: 17.
Hoewel Isaiah in de openingsverzen twijfelt aan de vraag
hoe God Zijn volk in God’s Naam kan verlaten,
onthoudt hij zich niet van het smeken van de Heer om
omwille van Uw stammen, omwille van de stammen van Uw erfdeel,
terug te keren, dat wij een klein deel van jouw heilige berg
Isaiah 63: 17-18.
Alsof hij de Heer aan dit feit wil herinneren,
vermeldt de Profeet dat God volledig in staat is om
te handelen zoals Hij vanouds deed.
Mocht God ervoor kiezen om
de Hemelen te openen, dan zal de beving de bergen vóór u grijpenIsaiah 63: 20.
Uiteindelijk geeft Isaiah toe dat,  ja, ook hij [is ook maar een mens]:
We hebben gezondigd; daarom dwaalden wij af “Isaiah 64: 4,
maar vervolgens hij roept uit:
” Van oudsher hebben wij U niet gehoord, noch
hebben onze ogen enige God gezien dan U en
Uw werken die U zult doen voor hen die wachten op Uw Genade.
Want Genade zal een ontmoeting hebben met
degenen die gerechtigheid doen
Isaiah 64: 3,4.

De Heilige Kerkvaders merken op dat de vragen die in het hart van Isaiah branden volledig werden beantwoord door de komst van Christus.
            Luister bijvoorbeeld naar Theodoret van Cyrus:
De profetische tekst. . . maakt melding van de gebeurtenis die de overtocht van de zee was: heeft voorzien dat [het oude Israël] de Goddelijke zorgzaamheid zou worden onthouden. . . volgens de voorspelling “dat God” [Zijn] wijngaard zou verlatenIsaiah 5: 6.
            Toch beweert Theodoret dat de gestelde vragen de gelovigen in Christus ertoe moeten brengen zich te realiseren dat
Net zoals de mensen, die door Farao en de Egyptenaren achtervolgd werden,
onder leiding van Mozes door de zee zijn gegaan, en dat dit dezelfde manier is, wanneer de duivel en de demonen, die oorlog voeren,
Christus, onze Meester, de poorten des doods heeft doen vernietigen,
Hij overwon hen hoogst Persoonlijk en leidt nu de menselijke aard naar de Vrijheid
”.
Vandaar dat, zo vervolgt Theodoret:
de goddelijke apostel deze woorden toepast op Christus: ‘De God nu van de Vrede, Die onze Heer Jezus, de grote herder der schapen door het bloed van een eeuwig Verbond heeft terug-gebracht uit de dodenHebr.13: 20.
Isaiah spoort ons als Profeet en spelleider aan om te bemerken dat Mozes zelf de dienaar en het type was, en nu is de Heer en Verlosser, de Zoon van God gekomen als  “de waarachtige” Herder Die Zijn Leven gaf voor de schapen”.
Vestig je aandacht tevens op de vragen, die Isaiah namens de gelovigen stelt en die worden beantwoord indien we erkennen dat ze een verbaal weergegeven icoon van de Opstanding des Heren vormen:
Hij overmeesterde het water door Zijn aanwezigheidIsaiah 63: 12 komt overeen met het graf en de dood. Christus Jezus, de ware Herder is opgestaan ​​uit de dood.
Isaiah vraagt: “Waar is Hij die Zijn Heilige Geest in hen stak?Isaiah 63: 11.
Wij antwoorden: “Christus is in ons midden; Hij is en Hij zal zijn”, want
Hij doopt de Zijnen met water en de Heilige Geest.  Aan de zee: “Hij bracht hen door de diepte als een paard door de woestijn, maar ze werden niet moeIsaiah 63: 13.

Het Pinkstervuur ​​van “de Geest daalde neer van de Heer” om ons te leiden Isaiah 63: 14. Dus, de Heer leidt Zijn Volk, Zijn Lichaam nog steeds, en
maakt voor zichzelf “een Glorierijke NaamIsaiah 63: 14.
Als God-geïncarneerde openbaart Hij Zijn ijver en Kracht Isaiah 63: 15.
Hij toont ons de “veelheid van [Zijn] Genade en [Zijn] Mededogen, door
geduldig met ons te zijn
Isaiah 63: 15.
  Dat God zal verrijzen en dat Zijn vijanden worden verstrooid [dat U ze uit elkaar doet gaan].
Dat zij die Hem haten, mogen vluchten voor Zijn aangezicht.
Dat zij verdwijnen zoals rook verdwijnt; zoals [bijen-]was smelt voor het vuur.
Zó moge de zondaars ten verderfenis [de ondergang tegemoet] gaan voor het aanschijn van God.
Maar dat de rechtvaardigen zich mogen verheugen en mogen juichen voor Gods aangezicht,  buiten zichzelf van blijdschap
conf. Psalm 67[68]: 1-5, de basis van onze Paas-stichier.

Vooral in het alledaagse leren we leven en liefde tot God en elkaar.
Wat we zó graag willen leren en wat je ieder mens gunt,
is zien hoe prachtig het gewone en alledaagse is.
Onze alledaagse levens met idem alledaagse overwinningen en nederlagen
zijn nèt zó waardevol als het grootse overwinningen en nederlagen.
Het is juist dáár dàt wij de Liefde, Vrede en Vreugde leren kennen en laten groeien.
En het nèt zo goed dáár, dat God Zijn Blijde Boodschap met ons deelt.

Apostichen 3e Woensdag
tn.2.    Hoe kan de Verlosser opgenomen zijn onder de doden?
zo riepen de Myron-draagsters, de vrouwelijke navolgers van Christus;
en zij klaagden wenend: is de Heerlijke Zon nog steeds onder de aarde of
is Hij opgegaan, zoals Hij voorzegd heeft? En terwijl zij zo klaagden
riep de Engel uit het graf tot hen, met waarlijk Goddelijke Vreugde:
Christus is opgestaan; haast u om aan allen te verkondigen
Zijn Goddelijke Opstanding uit het graf
”.

      Nabij is Zijn Heil voor wie Hem vrezen: Zijn Heerlijkheid woont op onze aarde

tn.2.    Nadat zij gereed waren met het bereiden van de Heilige Myron,
terwijl het nog donker was op de eerste dag van de week,
kwamen de Myron-draagsters bij Uw graf, o Christus,
voor de balseming van Uw onbevlekt en Goddelijk Lichaam.
Maar toen zij dat de Boodschap hoorden van Uw Opstanding,
haastten zij zich om de tijding [het bericht] te brengen aan Uw Ingewijden, dat
U hun ten antwoord had gegeven vanuit het graf,
en in Uw groot medelijden had geroepen: ‘Verheug u’
”.

    Waarheid ontspringt aan de aarde, en Gerechtigheid ziet neer uit de Hemelen”.

tn.2.    Toen God, de Allerhoogste, in de aarde begraven was als een gestorvene,
haastten Zijn vrouwelijke navolgers zich daarheen om Hem met gewijde kruiden te balsemen.
Maar toen zagen zij in het graf een onbekende Jongeling zitten in een stralend gewaad, en
zijn verschijning was als een bliksemschicht, zodat zij van verwondering ontstelden.
Zó vernamen zij de Opstanding van het Goddelijk Woord uit het graf op de derde dag; en zij brachten die tijding [dat bericht] aan de Apostelen”.

    Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen”.

tn.5.    U, Die Uzelf met Licht bekleed als met een gewaad,
werd door Joseph en Nicodemos afgenomen van het Hout.
Toen hij U zó zag: dood, naakt en onbegraven, hief hij in
zijn medelijden klagend een treurlied aan:
Wee mij, zoetste Jesus, de zon die U zojuist aan het Kruis hangen zag,
bekleedde zich met duisternis.
De aarde beefde van vrees en de voorhang van de Tempel scheurde.
En hij, die nu zie hoe U vrijwillig voor mij gestorven zijt, hoe kan ik U dienen?
Hoe kan ij U begraven? Hoe kan ik U wikkelen in het lijnwaad?
Met wat voor handen kan ik Uw zuiverst Lichaam aanraken?
Wat kan ik U toezingen op Uw laatste weg, Barmhartige?
Ik prijs Uw Lijden;
Ik belijd Uw begrafenis,
maar ook Uw Opstanding en roep:
Heer, eer aan U
”.

bij: ‘Heer ik roep . . .’ Vespers 3e Woendag
tn.2.    Toen zij de woorden van de vreugde hadden vernomen,
uit de mond van de Engelen in het graf van het Woord,
werden de vrouwen met grote ijver vervuild.
Niet langer behoefden zij de Myron te dragen, maar
nu kregen zij het ambt van Boodschapster, om
de Opstanding bekend te maken vanuit de verborgenheid van de onderwereld, van
Hem Die om ons Zich had gehuld in het mensenkleed;
en zij verkondigden dit aan Zijn Ingewijden”.

tn.2.  Reeds voor de morgen aanbrak,
kwamen de Myron-draagsters bevreesd bij het graf, om
voor Christus, de Leven-schenker de Myron te bereiden, want
onder de doden bevond Zich Hij Die de hades doodt.
Doch daar stond een Goddelijke Engel en riep tot haar:
Wat zoekt gij onder de doden de Leven-brenger, Die Levend is?
Gaat heen en verkondigt Zijn Opstanding”

tn.2.    Het Woord, Dat op de Cherubijnen troont, hebt u als
een andere zegewagen op uw schouders gedragen, zalige Joseph en Nicodemos.
Hij, Die Mensgeworden en gedood was,
heeft ons, die dood waren, weer Levend gemaakt.
Verheugt u dan, heilige Myron-draagsters,
nu jullie Zijn Opstanding ziet, al hebben jullie allen
eerst Zijn dood moeten bewenen”.

    Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN”.

tn.1.    Magdalena en de ander Maria kwamen bij het graf om de Heer te zoeken;
daar zagen zij de bliksem-stralende Engel, die op de steen zat en tot haar zei:
‘Wat zoeken jullie de Levende onder de doden?
Hij is opgestaan zoals Hij gezegd heeft;
Jullie zullen Hem vinden in Galilea.
Laat ook ons tot Hem roepen:
Gij zijt uit de doden opgestaan,
Heer, eer aan U”.


    De hemelen verhalen de heerlijkheid Gods, het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. Elke dag openbaart een woord aan de volgende dag; van nacht tot nacht wordt kennis verkondigd.
Niet met gesproken woorden, er wordt geen klank vernomen. Toch klinkt over heel de aarde hun boodschap, tot aan de grenzen der wereld hun woorden.
Hij heeft een tent gemaakt voor de zon, die als een bruidegom uit zijn bruidsvertrek treedt.
Hij juicht als een reus om zijn baan te doorlopen; hij gaat op aan het einde des hemels.
Zijn loop gaat op tot het einde; niemand kan zich verbergen voor zijn gloed.
De Wet des Heren is onbevlekt, en bekeert de zielen.
Het getuigenis des Heren is waar, en geeft wijsheid aan de kleinen.
De oordelen des Heren zijn recht, zij verblijden het hart.
Het gebod des Heren is stralend, het verlicht de ogen.
De vreze des Heren is rein, en blijft in de eeuwen der eeuwen.
De gerechtigheden des Heren zijn waar, gerechtvaardigd in zichzelf.
Begerenswaard boven goud en edelgesteente; zoeter dan honing en raat.
Uw dienaar onderhoudt dan ook Uw geboden, want dat schenkt grote vergelding.
Wie kent al zijn overtredingen ? Reinig mij van mijn verborgen kwaad, en behoed Uw dienaar voor vreemde zonde. Als die mij niet overheersen, dan ben ik onbevlekt; en word ik gereinigd van grote zonde.
Dan hebt Gij behagen in het woord van mijn mond: de gedachten van mijn hart liggen open voor Uw ogen. Heer, Gij zijt mijn Helper, en mijn Verlosser
Psalm 18[19] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Apostichen Vespers 3e Woendag
tn.2.    Uw Opstanding, Christus Verlosser, heeft de gehele wereld verlicht, en
U heeft Uw eigen schepsel tot U teruggeroepen:
Al-Machtige Heer, eer aan U”.

    Over heel de aarde klinkt hun Boodschap: tot aan de grenzen der wereld hun woorden”.

tn.2.    Christus, U hebt groot gemaakt de naam van Uw Apostelen in deze wereld, want zij hebben ons geleerd Uw onzegbare Mysterie2n uit de Hemelen.
Zelfs hun schaduw schonk ons genezing; zij waren vissers, maar deden grote wonderen;
zij waren Joden maar verkondigden over de gehele wereld de Godsleer van de Genade.
Schenk door hen ook aan ons, Barmhartige, de grote Genade”.

    Wonderbaar is God in Zijn heiligen: de God van Israël [de Kerk]“.

tn.2.    Groot is de Heerlijkheid die u verworven heeft, door uw Geloof, jullie Heiligen!
Want in tijden hebben jullie niet slechts de vijand overwonnen, maar
ook ná uw dood verjagen jullie de boze geesten, schenken jullie kracht aan de zwakken, en genezen jullie onze zielen en lichamen.
Bidt tot de Heer dat onze zielen mogen worden gered”.

sta op wereld, aanschouw uw Heil

    Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen”.

tn.2.    Onder tranen brachten de Vrouwen
de Myron naar Uw graf, maar
daar werd hun mond vervuld van Vreugde,
zodat zij riepen:
De Heer is opgestaan ’ – ”.

Dinsdag in de 3e week na Pascha – Brood uit de Hemelen als spijs tot eeuwig Leven is beslist geen ‘abracadabra’

    Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt.
       De schare, de menigte mensen om Hem heen zeiden dan tot Hem:
‘ Wat moeten wij doen, opdat wij de werken van God mogen [uit]werken?
Jezus antwoordde en zei tot hen:
– ‘ Dit is het werk van God, dat jullie geloven in Hem, Die Hij gezonden heeft’.
Zij zeiden dan tot Hem:
– ‘ Wat voor teken doet U dan, opdat wij mogen zien en U geloven?
Wat voor werk doet U?
Onze [voor-]Vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven is: ‘Brood uit de Hemelen gaf Hij [de Heer] hun te eten’.
Jezus zei dan tot hen:
– ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u,
niet Mozes heeft u het brood uit de Hemelen gegeven, maar
Mijn Vader geeft u het ware brood uit de Hemelen; want
dàt is het Brood God’s, dat uit de Hemelen nederdaalt en
aan de wereld het Leven geeft’
John.6: 27-33.

    En Philippus [Hebr.= ‘liefhebber van paarden’] daalde af naar de stad van Samaria [Hebr.= ‘wacht’-berg, voogdijschap] en predikte hun de Christus.
En toen de scharen Philippus hoorden en tekenen zagen, die hij deed, hielden zij zich eenparig aan hetgeen door hem gezegd werd.
Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen deze onder luid geroep uit en vele verlamden en kreupelen werden genezen; en er kwam grote blijdschap in die stad.

Simon de Tovenaar

      En een man, met name Simon, was reeds voor deze tijd in de stad bezig met toverij, waardoor hij het volk van Samaria verbijsterde, en hij beweerde van zichzelf, dat hij iets groots was; en allen, van klein tot groot, hielden zich aan hem en zeiden: ‘ Deze is wat genoemd wordt de grote kracht van God. En zij hielden zich aan hem, omdat hij reeds lange tijd hen door toverijen verbijsterd had.
      Toen zij echter Geloof schonken aan Philippus, die het Evangelie/de Blijde Boodschap van het Koninkrijk van God en van de Naam van Jezus Christus predikte, lieten zij zich dopen, zowel mannen als vrouwen. En ook Simon zelf kwam tot geloof, en na gedoopt te zijn, bleef hij bij voortduring bij Philippus, verbijsterd door die tekenen en grote krachten, die hij zag geschieden.
      Toen nu de Apostelen te Jeruzalem hoorden, dat Samaria het Woord van God had aanvaard, zonden zij tot hen Petrus en Johannes, die, daar aangekomen, voor hen baden, dat zij de Heilige Geest mochten ontvangen. Want deze was nog over niemand van hen gekomen, maar zij waren alleen gedoopt in de Naam van de Heer Jezus. Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen de Heilige GeestHand. 8: 5-17.

‘Hocus pocus, Pilatus pas’
We kennen deze abracadabra als taal van goochelaars, maar het komt voort uit de oude Latijnse liturgie: in de Rooms Katholieke Kerk sprak de voorganger, de priester en spelleider, de woorden in het Latijn: ‘hoc est corpus meum’ [Lat.= ‘dit is Mijn Lichaam’] en daarna sprak hij vaak de woorden: ‘Ponto Pilato passus sepultus est’ [Lat. = ‘onder Pontius Pilatus leed Hij en werd Hij begraven].
De meeste gelovigen waren toentertijd ongeletterd en hebben dit wellicht ervaren als een geheimzinnige reeks onbegrijpelijke rituelen en toverspreuken. De meeste gelovigen in de Middeleeuwen spraken immers geen Latijn.
Datzelfde kom je heden ten dage nog tegen bij de voorganger, de priester en spelleider, in de Rooms Katholieke Kerk, die de moderne dooprite volgt; er wordt een doopdienst voltrokken door een scheutje water over het hoofd van de dopeling, de Myronzalving is daarbij geheel losgemaakt van deze bediening, alsmede de ontmoeting met de Heer in het ontvangen van de Heilige Communie.
Dáár wáár de doop van de oorspronkelijke Kerk één geheel was van onderdompeling, Myronzalving, kruinschering en de ontmoeting van de dopeling met de Heer en Zaligmaker is dit onder westerse [waarschijnlijk verstandelijke invloed] van elkaar gescheiden. De eerste communie vindt plaats vanaf schoolgroep 3 of 4 en de Myronzalving op 12 jarige leeftijd en wordt slechts door een toezichthouder, veelal een [hulp-]bisschop uitgevoerd.

Pontius Pilatus

Pilatus als een hoogste functionaris/politicus, die voor zijn eigen hachje kiest, vandaar kwam het middeleeuwse volk op ‘Pilatus pas [Fr. ‘pas’=‘niet’]. Hij speelt het politieke spel mee; op een gegeven moment [waarschijnlijk onder invloed van zijn echtgenote] draait hij zich om en komt tot de conclusie dat onze Christus onschuldig is. Maar ‘dàn’, ja dàn is het al te laat en besluit hij om z’n gericht af te schuiven op het volk:
Hij legt de beslissing via een keuze ten opzichte van een groot misdadiger/delinquent aan het volk voor.  Hij zal wel het idee hebben dat een goed bestuurder een vriend van het volk is, maar erg rechtvaardig is het niet en wanneer het helemaal verkeerd afloopt wast hij vervolgens z’n handen in onschuld. Deze volksdevotie en het gebruik van ‘Hoci-Poci’ flitst telkenmale door mij heen wanneer ik bovenstaande lezing van het boek Handelingen onder ogen krijg. De menselijke samenleving laat onrecht geschieden kijkt de andere kant op, maar er is ook een bovenmenselijke kant: “Jezus antwoordde Pilatus: “‘Jullie  zouden geen macht tegen Mij hebben, 
indien het u niet van boven gegeven zou zijn: daarom heeft degene, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde’” John.19: 11.

Verandering van inzicht
Waar het er echter in bovenstaande lezingen om draait de verandering in de manier waarop je naar de dingen in het leven kijkt om te buigen en ‘dàt’ vinden wij opnieuw in de geschriften van de Voorvaderen.
      Op zekere dag begaf de Profeet Elisha [Hebr.=‘ mijn God is redding/rijkdom] zich naar Sunem [Hebr.= ‘dubbele rustplaats’].

Holy Prophet Elisha

Daar woonde een welgestelde vrouw, die bij hem aandrong, dat hij zou blijven eten. En zo vaak hij op zijn doorreis daar kwam, ging hij erheen om [daar] te eten. En zij zei tot haar man:‘ Zie toch, ik weet, dat het een heilige man van God is, die altijd bij ons aankomt. Laat ons dan nu een kleine gemetselde bovenkamer maken, en daar voor hem een bed, een tafel, een stoel en een kandelaar plaatsen, opdat hij, wanneer hij bij ons komt, daar zijn intrek kan nemen.
Op zekere dag kwam hij daar; hij nam zijn intrek in de bovenkamer en legde zich daar te ruste.
Vervolgens zei hij tot zijn knecht Gechazi: ‘Roep deze Sunamitische [Hebr.= vrouw uit de gelukkige, vredige rustplaats] .
Toen hij haar geroepen had, bleef zij voor hem staan. En hij zei tot Gechazi: ‘Zeg tot haar: zie, gij hebt u voor ons al deze moeite getroost; wat kan er nu voor u gedaan worden? Is er iets waarover ik voor u tot de koning of tot de legeroverste kan spreken?’.
Maar zij antwoordde: Ik woon te midden van mijn familie.
En Elisha zei: ‘ Maar wat kan er dan voor haar gedaan worden?. Gechazi zei: ‘ Zij heeft helaas geen zoon, en haar man is oud’. Daarop zei hij: ‘Roep haar’. En hij riep haar en zij kwam in de ingang staan.
        Toen zei hij: ‘ Op deze zelfde tijd over een jaar zult gij een zoon omhelzen’. Maar zij zei: ‘Och neen, mijn heer, gij man van God spiegel uw dienstmaagd niets voor’.
        En de vrouw werd zwanger en baarde een zoon op dezelfde tijd een jaar later, zoals Elisa tot haar gesproken had.
        Toen de knaap groot geworden was, ging hij op zekere dag naar zijn vader, bij de maaiers. En hij zei tot zijn vader: ‘Mijn hoofd, mijn hoofd!’.
Toen zei deze tot een knecht: Draag hem naar zijn moeder. Hij droeg hem weg en bracht hem naar zijn moeder; en hij zat op haar knieën tot aan de middag; toen stierf hij. Zij ging naar boven, legde hem op het bed van de man God’s en sloot de toegang tot hem af.
        Daarop ging zij naar buiten, riep haar man en zei: Zend mij een van de knechten met een ezelin; ik wil mij naar de man God’s spoeden en dan terugkomen.
        En hij vroeg: Waarom wilt gij vandaag naar hem toegaan? Het is immers geen nieuwe maan of Sabbath. Maar zij antwoordde: ‘Wees maar gerust’.
       Toen zij de ezelin gezadeld had, zei zij tot haar knecht: ‘Drijf ze steeds aan en laat mij zonder ophouden doorrijden, behalve wanneer ik het u zeg’.
       Zo ging zij op weg en kwam bij de man God’s op de berg Karmel. Zodra de man Gods haar op enige afstand zag, zei hij tot zijn knecht Gechazi: ‘Zie, daar is de Sunamitische. Snel haar dadelijk tegemoet en zeg tot haar: Is het wel met u, met uw man en met het kind?’. En zij zei: ‘Alles wel’.
        Toen zij echter bij de man Gods op de berg gekomen was, greep zij zijn voeten; Gechazi trad nader om haar terug te stoten, maar de man God’s zei:
            Laat af van haar, want haar ziel is bitter bedroefd, doch de Heer heeft het voor mij verborgen gehouden en het mij niet meegedeeld’. Toen zeide zij:
            Heb ik soms mijn heer om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd: Gij moet mij niet misleiden?’.
Hij zei tot Gechazi: ‘Omgord uw lendenen, neem mijn staf in uw hand en ga op weg. Wanneer gij iemand ontmoet, groet hem niet, en wanneer iemand u groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het gelaat van de knaap’.
Maar de moeder van de knaap zei:
Zo waar de Heer leeft en gijzelf leeft, ik ga niet bij u vandaan. Toen stond hij op en volgde haar.
Gechazi nu was voor hen uitgegaan en had de staf op het gelaat van de knaap gelegd; maar er kwam geen geluid en geen levensteken; toen keerde hij terug hem tegemoet en berichtte hem:       ‘ De jongen is niet ontwaakt’.
Daarna kwam Elisha het huis binnen en zie, daar lag de jongen dood op zijn bed.
       Toen Elisha binnengegaan was, sloot hij de deur achter hen beiden en bad tot de Heer.
Daarna ging hij bovenop de knaap liggen; hij legde zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handen op diens handen, en boog zich zo over hem heen. Daarop werd het lichaam van de knaap warm.
       Daarna keerde hij terug en ging eenmaal het huis op en neer; dan ging hij naar boven en boog zich over hem heen. Toen niesde de jongen zevenmaal en opende zijn ogen.
En hij riep Gechazi en zei: ‘ Roep deze Sunamitische’. En toen deze haar geroepen had, kwam zij tot hem, en hij zeide: ‘Neem uw zoon op’.
Zij trad binnen, wierp zich aan zijn voeten en boog zich ter aarde neer. Daarop nam zij haar zoon en ging heen2Kon.4: 8- 37.

Het gaat vooral om de zinsnede: “ Toen zei de Sunamitische [Hebr.= vrouw uit de gelukkige, vredige rustplaats]: Heb ik soms mijn heer om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd: Gij moet mij niet misleiden?
‘Wanneer het dierbare kind van de Sunammitische vrouw plotseling sterft, haast zijn moeder zich naar de profeet Elisha en ‘neemt [hem] bij de voeten vast2Kon.4: 27.
Dit oude gebruik van het omklemmen/omsluiten van de voeten duidt zowel onderwerping aan hogere autoriteit, als ook een dringende petitie/verzoek. Het is de moeite waard om dit nader te bestuderen.
Abigail, de vrouw van de arrogante Nabal, wierp zich voor de voeten van
David en smeekte om het leven van haar man 1Kon.25: 23-31.
Koningin Esther viel aan de voeten van haar echtgenoot, koning Ahasveros, om
de genocide van haar volk te voorkomen Ester 8: 3-8.
Op dezelfde manier smeekte een slaaf verhaal voor een kleine schuld van de zeer vertrouwde dienaar van hun gemeenschappelijke meester Matth.18: 26.
De profeet Isaiah, vooruitblikkend naar de Messias, vertelt het Volk van God dat “koningen uw pleegvaders zullen zijn, en hun koninginnen uw moeders die borstvoeding geven. Zij zullen zich voor u buigen met hun gezichten naar de aarde en het stof van uw voeten likken“. “ Dàn zul je weten dat Ik de Heer benIsaiah 49: 23.

Echter, de overgrote meerderheid van gevallen van dit gedrag, welke
is vastgelegd in de Blijde Boodschap, concentreert zich op de persoon van onze Heer Jezus Christus.
– De lammen, blinden en verminkten worden aan Zijn voeten gelegd Matth.15: 30;

Myrondraagsters

– De Myron-dragende vrouwen grepen [omklemmen] Zijn voeten buiten het lege graf Matth.28: 9.
– We zien hetzelfde gedrag van Jaïrus, een Overste van de synagoge Marc.5: 22,
– Bij de de Syro-Phoenicische vrouw Marc.7: 25,
– Bij de bevrijde demonen Luc.8: 35 en
– Bij Maria van Bethanië John.11: 32.
Nog verbazing-wekkender, hetgeen uit de reactie van Zijn volgeling Petrus ons wordt duidelijk gemaakt, is de omkering van de rol door onze Heer en Verlosser wanneer Hij persoonlijk de voeten van zijn discipel wast John.13: 5-11.

In het verslag van vandaag over de Sunammitische vrouw zien we haar
twee keer vallen aan de voeten van de profeet Elisha:
1.].    Toen zij echter bij de man God’s op de berg gekomen was, greep zij zijn voeten; Gechazi trad naderbij om haar terug te stoten, maar de man God’s zei:
    Laat af van haar, want haar ziel is bitter bedroefd, doch de Heer heeft het voor mij verborgen gehouden en het mij niet meegedeeld2Kon.4: 27;
2.].    Zij trad binnen, wierp zich aan zijn voeten en boog zich ter aarde neder. Daarop nam zij haar zoon en ging heen2Kon.4: 37.
De eerste keer dat ze zijn voeten omklemt, komt na de dood van de zoon die ze had ontvangen, door de genade van God, door tussenkomst van de profeet.
Ze berispt Elisa, “Heb ik mijn heer om een ​​zoon gevraagd? Heb ik je niet gezegd me niet te bedriegen?2Kon.4: 28.
In deze eerste omgang is het element van de petitie dominant, hoewel het niet het enige kenmerk is van de actie van de vrouw.
Met de tweede omklemming toont ze echter een prachtige uitstorting van
dankbaarheid aan God en Zijn heilige Profeet.

Monnik Daniël, Serbian kluizenaar Athos

Dankbaarheid is natuurlijk het dominante kenmerk van enkele van de nieuwtestamentische verslagen van hen die aan de voeten van de Heer Jezus vallen
– in het bijzonder de zondige vrouw Luc.7: 37-38,
– de melaatse die gereinigd is Luc.17: 15-16, en
– de Myron-dragende vrouwen Matth.28: 9.
In al deze gevallen nemen we de rijke mate van dankbaarheid waar die tot uiting komt nadat een visioen van God, eerder verloren gegaan, hersteld is.
De melaatse keert bijvoorbeeld terug om de Heer en Verlosser te danken voor Zijn Mystieke [Wonderbaarlijke] genezing.
Nadat hij ontdekt had dat God hem niet overgaf aan het verspillen van melaatsheid, valt hij voor Jezus ‘voeten in de erkenning dat zorgzaamheid een centraal kenmerk van Gods natuur is.
Vreugde is ontbrand in zijn hart; laat de andere negen hun gang gaan, maar
hij is verplicht om God te danken op de manier die voor hem openstaat.

Laten we ten slotte eens kijken wat er gebeurde voor de Myron-dragende vrouwen. Wanneer ze een stralende engel tegenkomen, die een steen heeft weggerold van het graf en de militaire wachters als dode mannen worden geslagen, dienen de vrouwen de Hoop, Die ze in Christus hadden gesteld, te heroverwegen.
Ze hadden in de Al-Macht van hun Heer en Verlosser Geloofd, maar toen zagen zij Hem sterven aan het Kruis.
Nu staat Hij voor hen in het vlees en hun visie is volledig hersteld Matth.28: 9 !!!

    Heer, Gij hebt Uw land gezegend, Gij hebt de gevangenen van Jaäcob teruggevoerd. Gij hebt de ongerechtigheden van Uw volk vergeven, en al hun zonden bedekt.
Gij hebt heel Uw gramschap volkomen gestild; U afgewend van Uw wrekende toorn.
Bekeer ons, God van ons Heil: keer Uw toorn van ons af.
Blijf niet eeuwig op ons vertoornd; wilt Gij Uw gramschap doen duren van geslacht tot geslacht? God, keer U tot ons, om ons te doen leven; dan zal Uw volk zich verblijden in U. Toon ons, Heer, Uw Barmhartigheid, en schenk ons Uw Heil.
Ik wil horen wat de Heer God in mij spreekt, want Hij spreekt vrede tot Zijn volk.
Evenals tot Zijn gewijden, die hun hart tot Hem hebben bekeerd.
Ja, nabij is Zijn heil voor wie Hem vrezen: Zijn heerlijkheid woont op onze aarde.
Barmhartigheid en Waarheid hebben elkander ontmoet: Gerechtigheid en Vrede kussen elkaar.
Waarheid ontspringt aan de aarde, en Gerechtigheid ziet neer uit de Hemelen.
Want de Heer schenkt welwillendheid, opdat de aarde haar vruchten zal geven.
Gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht uitgaan, om op de weg Zijn schreden te richten“ Psalm 84[85] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

    Kom, laat ons aanbidden en neervallen voor Christus.  Red ons, o Zoon van God, die uit de dood is opgestaan, die tot U zingen, Alleluia!”
Hymne bij de kleine intocht –

”    Nu wij Christus Opstanding aanschouwd hebben, laat ons aanbidden de Heilige Heer Jezus, Die geheel zonder zonde is. Uw Kruis vereren wij, o Christus, en Uw heilige Opstanding bezingen en verheerlijken wij.
Komt alle Gelovigen: laat ons aanbidden de heilige Opstanding van Christus; want zie, door het Kruis kwam er Vreugde over heel de wereld.
altijd de Heer zegenend, bezingen wij Zijn Opstanding. Want Hij heeft aan het Kruis geleden, en door Zijn dood de Dood vernietigd.
Word verlicht, word verlicht, nieuw Jerusalem, want de Heerlijkheid des Heren is over u opgegaan.
Dans nu en juich, Sion; en gij, heilige Moeder Gods, verheug u in de Opstanding van Uw Kind” uit: de Paas-Stichier.

Apostichen uit Metten 3e Dinsdag
tn.2.    Het licht van de drievoudige Zon straalt heden schitterend over de aarde om de nacht der hartstochten te verdrijven.
Het is Christus’ Heerlijke Opstanding, Die over de gelovigen waakt.
De apostelen dansen van vreugde en liefde; Joseph en Nicodemus jubelen.
De blijde viering van de heilige Myron-draagsters bekranst hen die haar roemen in Geloof, en
die de Goddelijke Opstanding verheerlijken”.

     “ God, keer U tot ons, om ons te doen leven; dan zal Uw volk zich verblijden in U’.

tn.2. 
  De Zoon, Die zetelt aan de rechterhand van de Vader, hebt u,
Joseph en Nicodemus, op uw schouders gedragen.
De onuitputtelijke geestelijke Myron hebt u met aardse Myron gezalfd.
De Opstanding van de wereld hebt u in een graf gelegd.
Hem Die in Licht gekleed gaat hebt u achter een grafsteen verborgen.
Daarom bezingen wij het lichtbrekend Lijden en de Opstanding”.

     “ Toon ons, Heer, Uw Barmhartigheid, en schenk ons Uw Heil”.

tn.2.    De scharen der Engelen sidderen en zij zien hoe u,
Joseph en Nicodemus, de gestorven Christus begraaft.
Daarom noemt heel de wereld u gezegend; wij gelovigen staan verwonderd;
wij eren met  goddelijke hymnen de geheiligde Opstanding;
wij prijzen tezamen met de Myron-draagsters; en
roepen zonder ophouden:
smeekt met hen dat wij gered mogen worden uit alle toorn en nood”.

     “ Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN”.

tn.1.  “ Bevreesd haastten de vrouwen zich naar het graf
om het Lichaam met specerijen te balsemen.
toen zij U niet vonden, verwonderden zij zich
omdat zij niet wisten van Uw Verrijzenis.
Maar een Engel kwam bij hen en zei:
Christus is opgestaan,
om ons de grote Genade te schenken”.

uit: Vespers 3e Dinsdag
bij: Heer, ik roep . . . . .    
tn.2.    Hoe juichen de vrouwelijke leerlingen van Christus,
bij de woorden van de Engel:
Daardoor geloven zij dat Hij is opgestaan, Die Zich uit Liefde tot ons had doen tellen onder de doden.
Eerst hadden zij als Myron-draagsters bij het graf gestaan,
om voor Hem hun klaaglied te zingen,
maar nu is de drukkende steen afgewenteld van hun hart,
omdat zij zagen hoe de grafsteen ontwijfelbaar afgewenteld was”.

tn.2.    Dansend door niet te stelpen goddelijke vreugde
kwamen de Vrouwen bij de heilige Leerlingen:
zij waren de Myron-draagsters van Christus,
die het gebod van de door God gezonden Engel uitvoerden.
Zij waren niet meer bevreesd om zijn lichtstralend gewaad, en
roepen tot de Apostelen:
‘de onderwereld is van zijn macht beroofd door
de het heelal verlossende Opstanding van de Heerser, Die
omwille van ons gestorven is”.

tn.2.    Uit de bron der tranen brachten de heilige Vrouwen
een stroom van klaagliederen.
Maar nu zijn het woorden vol vreugde, die
zij boodschapten aan de getuigen van de Genade,
want zij verkondigen hun dat het Woord van God is opgestaan, en
hoe de Blijdschap opstaat uit het Graf.
Zij hadden immers de stem gehoord, die een einde maakte aan hun droefheid,
toen die het ‘Verheug u’ sprak”.

     “nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN”.

tn.6.  De  Myron-draagsters kwamen bij Uw graf.
zij zagen de zegels maar niet Uw Lichaam, en
wenend spraken zij: ‘Wie heeft gestolen onze Hoop”
wie heeft weggenomen een naakt, gebalsemd Lichaam?
De enige troost van Zijn Moeder?
Hoe kon Hij sterven, Die zelfs doden deed leven?
Hoe kon Hij begraven worden Die de hades heeft leeggeroofd?
   Maar sta op, Verlosser, in Uw eigen Kracht, zoals
U dat voor de derde dag voorzegd hebt, en
verlos onze zielen”.

    Ik hef mijn ogen tot U, Die in de hemelen woont.
Zie, zoals de ogen van dienaars, op de handen van hun meesters.
Zoals de ogen van de dienaressen, op de handen van haar meesteres.
Zo zien onze ogen naar de Heer onze God, totdat Hij zich over ons ontfermt.
Ontferm U over ons, Heer, ontferm U over ons: wij zijn overladen met
verachting, onze ziel is er geheel en al van vervuld.
Wij zijn de hoon van de rijkaards, de verachting van de hoogmoedigen
Psalm 112[123] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Apostichen 3e Dinsdag
tn.2.    Verlos mij, Christus Verlosser,
door de Kracht van Uw Kruis, zoals
U Petros uit de zee hebt gered: en
ontferm U over mij
”.

       Ik hef mijn ogen tot U, Die in de Hemelen woont’.

tn.2.    Met de Aartsengelen willen wij Christus’ Opstanding bezingen.
Hij is de Bevrijder en Verlosser van onze zielen:
Hij zal weerkomen met vreeswekkende Heerlijkheid, en
met geweldige Kracht zal Hij de door Hem geschapen wereld oordelen
”.
       ontferm U over ons, o Heer, ontferm U over ons”.

tn.2.    De koren der Martelaren hebben de tiran weerstaan,
terwijl zij zeiden: wij dienen de soldaten van de Koning der Krachten;
en zelfs als jullie ons vernietigen door foltering en vuur,
dan verloochenen wij nog niet de Kracht van de Heilige Drieëenheid
”.

Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN
”.

tn.6.  Joseph vroeg om het Lichaam van Jezus, en
hij begroef Het in zijn eigen graf.
Want U moest uit het graf tevoorschijn treden als uit een bruidsvertrek:
U hebt de macht van de dood vernietigd en
de poort weer geopend voor de mensen:
Heer, eer aan U
”.

Maandag in de 3e week na Pascha – Hoop ontstaat slechts door het Geloof

Genezing vanuit de Synagoge, fresco benedictijnenklooster, Lambach, Österreich, 1080

    En er was te Kapernaüm [Hebr.= ‘dorp van rust’] een hoveling, wiens zoon ziek was. Toen deze hoorde, dat Jezus uit Judea [Hebr.= jehoed (Aramees) het gebied van de stam voor wie de Heer God is] naar Galilea [Hebr.= ’kring’, ‘bron’] gekomen was, ging hij tot Hem en verzocht Hem te komen en zijn zoon te genezen; want deze lag op sterven.
       Jezus zei dan tot hem:
– ‘ Indien u lieden geen tekenen en wonderen ziet, zult ge niet geloven’.
De hoveling zei tot Hem: – ‘ Heer, kom af [van uw zetel], eer mijn kind sterft.
       Jezus zeide tot hem:
– ‘ Ga heen, uw zoon leeft!’
De man geloofde het Woord, dat Jezus tot hem sprak, en ging heen.
En reeds terwijl hij afdaalde, kwamen zijn dienaren hem tegemoet en zeiden, dat zijn kind leefde.
Hij vroeg hun naar het uur, waarop de beterschap was ingetreden;
zij zeiden tot hem:
– ‘ Gisteren op het zevende uur werd hij vrij van koorts.
De vader dan bemerkte, dat het dat uur was, waarop Jezus tot hem gezegd had Uw zoon leeft, en hij werd zelf gelovig en zijn gehele huis.
En dit deed Jezus weder als tweede teken, toen Hij uit Judea naar Galilea gekomen was“ John.4: 46b-54.

    En Stephanos [Hebr.= ‘gekroond’], vol van Genade en Kracht [van God], deed wonderen en grote tekenen onder het Volk.  Doch er stonden sommigen op van hen, die waren van de zogenaamde synagoge der Libertijnen [Hebr.= ‘iemand die van slavernij bevrijd is, een vrij-gelatene, of de zoon van een vrijgelatene’], van de Cyreneeers [Hebr.= ‘het oppergezag van de  teugel’] en van de Alexandrijnen [Hebr.=‘verdediger’] en van de Joden uit Cilicie en Asia en dezen redetwistten met Stephanos, en zij waren niet bij machte de Wijsheid en de Geest, waardoor hij sprak, te weerstaan.
       Toen schoven zij mannen naar voren, die zeiden: Wij hebben hem lasterlijke woorden tegen Mozes en God horen spreken. En zij brachten zowel het volk als de oudsten en de schriftgeleerden in opschudding; en op hem aandringende, sleepten zij hem mede en leidden hem voor de Raad, en voerden valse getuigen aan, die zeiden:
    Deze mens spreekt onophoudelijk lasterlijke woorden tegen deze heilige plaats en de wet, want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazoreeër, deze plaats zal afbreken en 
de zeden veranderen, die Mozes ons heeft overgeleverd.
       En allen, die in de Raad zitting hadden, zagen, toen zij hem aanstaarden, zijn gelaat als het gelaat van een engel.
En de hogepriester zei: Is dat zo?
En hij [Stephanos] zei:
            ‘Gij, mannen broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid is verschenen aan
            onze vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran ging wonen,
            en Hij zei tot hem: ‘Verlaat uw land en uw bloedverwanten en kom herwaarts naar het land,
            dat Ik u wijzen zal. Toen vertrok hij uit het land der Chaldeeën en vestigde zich in Haran.
            En nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem vandaar over naar dit land, waar gij nu
            woont; en Hij gaf hem geen erfdeel daarin, zelfs niet een voet, maar Hij beloofde het hem
            en zijn nakomelingschap tot een bezitting te geven, ofschoon hij geen kinderen had”.
          > >     Maar [eerst] Salomo [Hebr.=‘vol vrede’] bouwde Hem een huis. 
             De Allerhoogste echter woont niet in wat men met handen maakt, zoals de Profeet zegt:
             De hemel is Mij ten troon, en de aarde een voetbank voor mijn voeten. Wat voor huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heer, òf wat is de plaats van Mijn rust?
             Heeft niet mijn hand dit alles gemaakt?
             Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de Heilige Geest; gelijk uw [voor-]Vaderen, zo ook gij.
             Wie van de Profeten hebben uw vaderen niet vervolgd?
             Zelfs hebben zij hen gedood, die geprofeteerd hebben van de komst van de Rechtvaardige, van Wie jullie nu verraders en moordenaars geworden zijt, jullie, die de Wet ontvangen hebt op beschikking van engelen, doch haar niet hebt gehouden’.
                          Toen zij dit hoorden, sneed het hun door het hart en zij knersten de tanden tegen hem. Maar hij, vol van de heilige Geest, sloeg de ogen ten hemel en zag de Heerlijkheid God’s en Jezus, staande ter rechterhand Gods, en hij zei:
             Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand God’s’.
Maar zij begonnen luidkeels te schreeuwen, stopte hun oren toe en stormden als een man op hem 
los; en zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem.
En de getuigen legden hun mantels af aan de voeten van een jonge man, Saulus genaamd.
En zij stenigden Stephanos, die de Heer aanriep, zeggend:
            Heer Jezus, ontvang mijn geest.
En op de knieen vallende, riep hij met luider stem:
            Heer, reken hun deze zonde niet toe!
En met deze woorden ontsliep hij
Hand.6: 8-7: 5- 47-60.

            Heer mijn God, op U vertrouw ik: red mij van allen die mij vervolgen en bevrijd mij. Opdat hij mijn ziel niet wegrukt als een leeuw, terwijl er niemand is die mij vrijkoopt of die mij redt.
            Heer mijn God, als ik zoiets gedaan heb; als er onrecht is in mijn handen. Als ik hen die mij kwaad deden met kwaad heb vergolden, dan moge ik met recht ten prooi vallen aan mijn vijanden. Terecht is de vijand dan uit op mijn ziel, om mij te achtervolgen en te verslaan.Dan moge hij mijn leven vertrappen op aarde, en mijn eer neerhalen in het stof.
Sta op, o Heer, in Uw toorn; rijs op in het gebied van Uw vijanden.
Ontwaak, Heer mij God, want Gij hebt het gericht bevolen; dan omringt U de bijeenkomst der volkeren.
Heer, oordeel mij naar mijn gerechtigheid: doe met mij volgens mijn onschuld.
Maak een einde aan de boosheid van de zondaars en leid de gerechte: God, Die hart en nieren doorgrondt.
Mijn rechtvaardige hulp komt van God, Die de oprechten van hart verlost.
God is een rechtvaardige Rechter, Sterk en Grootmoedig: niet elke dag voltrekt Hij Zijn toorn.
Maar zo gij u niet bekeert, dan scherpt Hij Zijn zwaard; dàn spant Hij Zijn boog en legt aan. Een dodelijk wapen houdt Hij daarop gereed; Zijn pijlen maakt Hij tot vlammende schichten. Hij die van onrecht bevrucht is, ontvangt boosheid en baart misdaad. Hij heeft een valkuil gegraven en toegedekt, maar hij valt zelf in de put die hij groef. Zijn hoofd valt terug op zijn hoofd: op zijn eigen hoofd komt zijn onrecht neer.
Ik wil de Heer belijden om Zijn Rechtvaardigheid, en de Psalm zingen voor de Naam van de Heer,   de AllerhoogstePsalm 7 vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Geloven in God betekent vertrouwen hebben in Degene, Die ons het eeuwige leven geeft, onze toekomst veilig stelt, om in Geloof de vervulling van ‘Zijn beloften’ af te wachten.
Een dergelijk Geloof houdt stand, wat er je ook gebeuren mag, niets staat een dergelijk Geloof in de weg.
Hoop komt voort vanuit een rotsvast Geloof, zoals een plantje uit het zaad opgroeit en de bron van Leven zoekt, om zich te verheffen en te vermeerderen.
Wij geloven dat God ‘goed en medelijdend’ is, dat Hij van ons houdt als een liefdevolle Vader en daarom alle goeds voor ons wil, ons ware geluk verlangt.
Hij is er altijd en overal, helemaal compleet en weet beter dan wij zelf wat
nuttig is en ons ten goede komt.
God is Almachtig, Hij kan ons op elk moment geven wat Hij maar wil, en aan datgene beantwoorden, ten uitvoer brengen, wat Hij ons ook heeft beloofd.
Hij is Heilig en Rechtvaardig, daarom zijn ‘al Zijn Woorden’ waar.
Zijn beloften zijn onweerlegbaar en onveranderlijk.

De engel Gabriël wordt vanuit de Hemelen met de Blijde Boodschap naar de Moeder Gods gezonden om haar te verkondigen dat zij zwanger zou worden en
de Verlosser van de wereld zou baren.

Het grootste bewijs van Zijn liefde voor de mens, is het feit dat Hij in Zijn overweldigende Genadegaven Zijn Zoon, volledig God, volledig mens deed worden en Hem voor ons aan de wereld overleverde om een schandelijk dood te ondergaan.
            God vernederde Zich tot de mens om ons te verlossen.
Vanaf dat ogenblik heeft Hij ons Geloof in onze Schepper oneindige Genade geschonken door ons onze ongerechtigheden kwijt te schelden en
Zijn Wijsheid, Almacht en Heiligheid te openbaren.
Vanaf dàt ogenblik zijn wij in staat ons leven voort te zetten zonder angst, zonder moeite in handen te nemen, en ons als een kind in Zijn armen beschut te weten, evenals Zijn Lichaam de Kerk ons vaste ankers biedt. Daarom is de mens welzalig,
“die God hem in van eeuw tot eeuw laat wonen op de plaats, in het land dat Hij aan onze
[voor-]Vaderen gegeven heeftJeremia 7: 7 en
  Zie, de mens vertrouwt op Zijn God, als z’n Helper en toevluchtPsalm 1: 1.
   Sta op, o Heer, in Uw toorn; rijs op in het gebied van Uw vijanden.
   Ontwaak, Heer mijn God, want U hebt het gericht bevolen;
   dàn omringt U de bijeenkomst der Volkeren
Psalm 7: 7,8.
conf. H. Johannes van Kronstadt.

”     Heer, Gij hebt Uw land gezegend, Gij hebt de gevangenen van Jaäcob teruggevoerd. Gij hebt de ongerechtigheden van Uw Volk vergeven, en al hun zonden bedekt. Gij hebt heel Uw gramschap volkomen gestild; U afgewend van Uw wrekende toorn.
Bekeer ons, God van ons heil: keer Uw toorn van ons af.
Blijf niet eeuwig op ons vertoornd; wilt Gij Uw gramschap doen duren van geslacht tot geslacht?
God, keer U tot ons, om ons te doen leven; dan zal Uw volk zich verblijden in U.
Toon ons, Heer, Uw barmhartigheid, en schenk ons Uw Heil.
Ik wil horen wat de Heer God in mij spreekt, want Hij spreekt Vrede tot Zijn Volk.
Evenals tot Zijn gewijden, die hun hart tot Hem hebben bekeerd. Ja, nabij is Zijn heil voor wie Hem vrezen: Zijn Heerlijkheid woont op onze aarde.
Barmhartigheid en waarheid hebben elkander ontmoet: Gerechtigheid en Vrede kussen elkaar. Waarheid ontspringt aan de aarde, en Gerechtigheid ziet neer uit de Hemelen. Want de Heer schenkt welwillendheid, opdat de aarde haar vruchten zal geven. Gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht uitgaan, om op de weg Zijn schreden te richten” Psalm 84[84] vert. ROK, ‘s-Gravenhage.

      De Geest van de Heer der Heerscharen is op mij [Profeet Isaiah], omdat de Heer mij gezalfd heeft;  Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen,
– om te verbinden de gebrokenen van hart,
– om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en
voor gebondenen opening der gevangenis;
– om uit te roepen een jaar van het welbehagen des Heren en
een dag der wrake van onze God;
– om alle treurenden te troosten,
– om over de treurenden van Sion te beschikken, 
dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest.
      En men zal hen noemen: Terebinten der gerechtigheid, een planting des Heren, tot Zijn Verheerlijking.
      Zij zullen de overoude puinhopen herbouwen, het verwoeste uit vroeger tijd doen herrijzen en de steden vernieuwen, die in puin liggen, die verwoest hebben gelegen van geslacht op geslacht.
      Vreemden zullen gereed staan om voor u de kudden te weiden, vreemdelingen zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn; maar
      gij zult priesters des Heren heten, dienaars van onze God genoemd worden;
      gij zult het vermogen der volken genieten en u op hun Heerlijkheid beroemen.
      In plaats van uw schande gewordt u dubbele vergoeding en in plaats van smaad zullen zij jubelen over hun deel; zo zullen zij dan in hun land dubbele vergoeding verkrijgen, blijvende vreugde zal hun geworden.
Want Ik, de Heer, heb het Recht lief.
Ik haat onrechtmatige roof,
Ik zal hun stipt hun loon geven en
een eeuwig verbond met hen sluiten.
En hun nageslacht zal onder de volken vermaard zijn en  hun nakomelingschap te midden der natiën; allen die hen zien, zullen erkennen, dat zij het nageslacht zijn, dat de Heer [hen] gezegend heeftIsaiah 61: 1-9.

Nogmaals en nogmaals:
De Geest van de Heer der Heerscharen is op Mij, waardoor Hij Mij zalfde.
Hij stuurde Mij om de Blijde Boodschap te verkondigen aan de armen,
om de gebroken mensen te genezen, om vrijheid te prediken aan de gevangenen en
om aan de blinde het zicht terug te doen krijgen . . .
”, zo spreekt de Profeet Isaiah tot ons.

Onze Heer en Meester als de “Leraar” van Kapernaüm [Hebr.= ‘dorp van rust’], by Guercino


🌈🎓🌈🎓🌈🎓            Wanneer onze ‘Heer en Verlosser’ als onze Pedagoog, deze passage van Isaiah in de Synagoge in Nazareth, Zijn oorspronkelijke woonplaats, voorhoudt, dàn doet Hij daarmee voor ons
zeven boekjes over open, zoals 📜📜📜📜📜📜📜wij
dat in de Nederlandse taal uitdrukken, òf om het anders uit de drukken:
Hij doet zeven ramen open, zodat 🔲🔲🔲🔲🔲🔲🔲
God’s Geest ♨︎ ♨︎ ♨︎ daar in Zijn plaatselijke Synagoge, luid en duidelijk kan rond waaien.
Hij opent zeven ramen voor degenen, die zich werkelijk inzetten om
datgene te zien wat er gezien dient te worden.
♨︎ ♨︎ ♨︎     Laten we daarom ons gesteund weten door de Heilige Geest, en daarop, Isaiah’s Profetie eens nauwkeurig raadplegen om nu eens
werkelijk te ontwaren, te zien wàt Christus, onze Verlosser hier in Zijn thuis-Synagoge onthult.

1.]. De woorden van deze passage zijn tweevoudig Profetisch.
Ze worden aan de Profeet Isaiah gegeven, omdat deze woorden betrekking hebben op
de komst van Christus – en dan, in de dagen van hun vervulling, worden
ze door de Heer onze Verlosser, de Zoon van God Zelf toegepast op hen die
Hij door alle tijden heen roept.
Dìt is wàt Christus ons door het eerste venster overduidelijk onthult.

2.]. Door het tweede venster te openen onthult onze Verlosser, de opgestane Christus, Die de dood vertreedt, vertrapt ​​door de dood, de troost voor “allen die treuren” Isaiah 61: 2:
de Genadegave van “hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest.”, welke transformeert ons in “Terebinten
[= de terpentijnboom; Hebr. elah, meervouw elim; Gri.: terébinthos] der Gerechtigheid, een planting van de Heer, tot Zijn VerheerlijkingIsaiah 61: 3. Zijn Lichaam, welke de Kerk vormt is gezegend om zelfs de dood te zien in het Licht van Zijn Glorie.
Met name de Terebint, de terpentijnboom werd zeer gewaardeerd vanwege de hars of terpentijn, die uit de bast vloeit.

3.]. Het derde venster Isaiah 61: 4 dat Christus opent, geeft ons een impuls omde woestijnsteden te vernieuwendie onze zonden hebben vernietigd. Daar is,alles stof, alles is as, alles zijn schaduwenMaar kom, laten we het hardop uitroepen, ja, schreeuwen “tot de onsterfelijke Koning” [Orthodoxe Begrafenisdienst], “Die de vernieuwing openbaart van wat al generaties lang verspild is” Isaiah 61: 4 indien wij in alle oprechtheid de Leven-schenker volgen, Die ons kan herstellen.

4.]. Door het vierde venster Isaiah 61: 5 onthult onze herrezen Heer ons ‘door Zijn verrezen Lichaam ons de nieuwe familieband, de Kerk’.
Onder ons bevinden zich velen, die niet van ons eigen bloed, taal of cultuur behoren. Ze komen voort uit elk ras, elke clan en elke samenleving ter wereld, maar we beschouwen ze niet langer als buitenlanders en buitenaardse wezens.
Zij zijn onze nieuwe familie, die naast ons is komen samenwerken
teneinde onze harten, zielen en levens te vernieuwen
ter ere van God als onze bloed-eigen broeders en zusters.

5.]. Vervolgens wijst Christus door het vijfde venster om te laten zien dat we Zijn samenkomst zijn, Zijn Kerk, “ allen priesters van de Heer en de dienaren van God” in Hem Isaiah 61: 6.
Als Zijn “koninklijke priesterschap” 1Petr. 2: 9, Openb.5:10 en hebben we daardoor alle reden Hem te prijzen die ons uit de duisternis roept.

6.]. Kijk nu door het zesde venster – wat onthult onze Heer?
Het “land” waarvan wij werden uitgesloten, wordt voor ons “voor de tweede maal geopend en zo zullen zij dan in hun land dubbele vergoeding verkrijgen, blijvende vreugde zal hun gewordenIsaiah 61: 7.
Ons wordt het Paradijs, het Hemels Koninkrijk als onze erfenis aangeboden
indien we ‘het woord van de goede moordenaar aan het Kruis uitspreken:
gedenk mij, o Heer in Uw Koninkrijk” Luc.23: 43 en
Christus onze God ook werkelijk – waar hartig ons in
Zijn Koninkrijk zal opnemen.

7.]. Tenslotte, neemt de opgestane Heer ons mee naar het zevende venster nadat Hij zijn glorieuze vooruitzicht door de eerste zes vensters aan ons heeft geopenbaard;  in de laatste verzen van deze passage openbaart Christus, onze God,  “de Heer, die de gerechtigheid liefheeft en de rooftochten der vergrijpen haat“,
-hier en nu- dat Hij de Macht heeft ons de buit te geven van hen die ons beroven
– om “hun arbeid aan de rechtvaardigen en. . . maak een eeuwig Verbond
met Zijn Lichaam, de Kerk Isaiah 61: 8.

Ons wordt de mogelijkheid aangeboden.
Doe het ‘graag of helemaal niet’ zoals wij dat in Nederland uitdrukken;
het staat jou persoonlijk vrij om de keuze te maken;
wat zullen we ‘in God’s Naam’ doen?
– Zullen we “onder de heidenen [de volkeren en naties van de wereld] bekend worden” zodat “iedereen die [ons] ziet zal weten dat dit het zaad is dat door God is gezegendIsaiah 61: 9 ???
– Onze Heer stelt deze visie vandaag de dag en ieder dag, die God ons geeft voor.

“Christus is verrezen/opgestaan”

Wanneer het Volk van God, Hem Christus, de Zoon van God, als Zijn Kerk dient, worden degenen die Genadegaven van God ontvangen inderdaad tot het ‘zó alom gezegend zaad.
Gedurende meer dan tweeduizend jaar heeft de ‘Verrezen Heer’ ons deze Waarheid keer op keer getoond. Nu is het aan ons, zijn wij aan de beurt, om daar antwoord op te geven en dit zal alleen plaats vinden als we ons open stellen en alleen maar willen.

En om het nog duidelijker te zeggen:
maak jezelf niets wijs, want er is absoluut geen Opstanding mogelijk zonder het Kruis de gaan dragen, want:
– “ Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U.  Alle dingen zijn Mij [Christus] overgegeven door Mijn Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren.
Komt daarom tot Mij
[Christus], allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben 
zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is lichtMatth.11: 26-30.
– De wijding tot het Mystieke [sacramentele] priesterschap is de kruinschering bij de doop en dit betekent een uitbreiding van de fundamentele deelname aan offeren en getuigen die al door het doopsel gegeven is. Ofschoon het ambtelijk priesterschap [de spelleider] een nieuwe functie toevoegt aan de vermogens die men in het doopsel [als deelnemer aan het spel van het Verbond] ontvangen heeft en zó dus inhoudelijk iets meer is dan het doopsel, hij gaat vóór in de Liturgische diensten en is het daar tegelijkertijd wezenlijk mee verbonden.
Het algemeen priesterschap van de gelovigen en het ambtelijk of hiërarchisch priesterschap zijn weliswaar uiteraard en niet alleen naar rangorde van elkaar verschillend, doch zij zijn op elkaar aangewezen en verantwoording verschuldigd, het ene zowel als het andere heeft op zijn bijzondere wijze deel aan Christus’ priesterschap.
– “     En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om één heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die aan God welgevallig zijn door Jezus Christus. Daarom staat er in een schriftwoord: Zie, Ik leg in 
Sion een uitverkoren en kostbare hoeksteen, en wie op hem zijn Geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. U dan, die gelooft, geldt dit kostbare, maar voor de ongelovigen geldt: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen en een steen des aanstoots en een rots van de ergernis, voor hen, die zich daaraan, in hun ongehoorzaamheid aan het Woord, stoten, waartoe zij ook bestemd zijn. Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een Koninklijk priesterschap, een heilige natie, een Volk [ aan God] ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht1Petr.2: 4-9.

Crucifixion & Anastasis of Christ, Rabbula Gospels Early Christian, Florence, It.

    Christus vervulde de Vrouwen met Vreugde:
‘Boodschapt het aan de Apostelen’,

[Zijn Volgelingen, waar dan ook ter wereld].
Dit is de DAG van de OPSTANDING !!!
Laat ons lichtstralend worden door de Plechtigheid
[van onze dienst aan God, de Goddelijke Liturgie], en
laat ons elkander omarmen.
Laat ons zeggen: ‘Broeders, Zusters’,
  
ook tot degenen, die ons haten.
Laten wij alles vergeven omwille van de Opstanding, en zó roepen:
‘Christus, verrezen uit de doden:
door Zijn dood betreed Hij de dood, en
schenkt weer het Leven aan hen in het graf’
”.
Paasstichier

3e Zondag van Pascha – zondag van de Myrondraagsters, met Joseph van Arimathea & Nicodemos, allen het toonbeeld van de waarachtig volgzame mens.

Joseph of Arimathea and Nicodemus, Coptic icon

    Jozef van Arimathea, een aanzienlijk lid van de Raad, die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte; en hij waagde het naar Pilatus te gaan en het lichaam van Jezus te vragen.
       En het bevreemdde Pilatus, dat Hij reeds gestorven zou zijn, en hij ontbood de hoofdman en vroeg hem, of Hij reeds lang gestorven was. En toen hij het van de hoofdman vernomen had, schonk hij het lichaam aan Jozef.
       En deze kocht linnen en legde Hem in een graf, dat in een rots uitgehouwen was, en hij wentelde een steen voor de ingang van het graf.

myrondraagsters, μυροφόρες,
العربات الجرارة مايرون

       Maria van Magdala en Maria, de moeder van Joses, zagen, waar Hij was neergelegd.
       En toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van 
Magdala en Maria [de moeder van Jaäcobus, en Salome specerijen om Hem te gaan zalven.
       En zeer vroeg op de eerste dag der week gingen zij naar het graf, toen de zon opging.
       En zij zeiden tot elkander: Wie zal ons de steen afwentelen van de ingang van het graf?
       En toen zij opzagen, aanschouwden zij, dat de steen afgewenteld was; want hij was zeer groot.
       En toen zij in het graf gegaan waren, zagen zij een jongeling zitten aan de rechterzijde, bekleed met een wit gewaad, en ont-steltenis beving haar.
Hij zei tot haar:
       ‘ Weest niet ontsteld. Jezus zoekt gij, de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie de plaats, waar zij Hem gelegd hadden. Maar gaat heen, zegt zijn discipelen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; dáár zult gij Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft’.
       En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar bevangen.
       En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd
Marc.15: 43-16: 8.

Grumble, Growl, Murmur, Mutter, Grouch, Grouse, it’s like wall-paper in our Holy Temple

    En toen in die dagen de discipelen talrijker werden, ontstond er gemor bij de Grieks sprekenden tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen bij de dagelijkse verzorging verwaarloosd werden.
      En de twaalven riepen de menigte der discipelen bijeen en zeiden: Het bevredigt niet, dat wij met veronachtzaming van het woord Gods de tafels bedienen. Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen onder u, die goed bekend staan, vol van Geest en wijsheid, opdat wij hen voor deze taak aanstellen; maar wij zullen ons houden aan het gebed en de bediening van het Woord.
      En dit voorstel vond bijval bij de gehele menigte, en zij kozen Stefanos, een man vol van geloof en Heilige Geest, Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaus, een Joden-genoot uit Antiochie; hen stelden zij voor de apostelen, die, na gebeden te hebben, hun de handen oplegdenHand.6: 1-7.

Iedere zondag is de achtste dag: en
Is het het Pascha des Heren
In het oorspronkelijke Grieks heeft
dit vers slechts drie woorden:
Παςχα  εςτι  Κύριο [Gr.= ‘Ik heb U gebeden, Heer’].
Het werkwoord esti [is] staat tussen Pascha [Pascha] en Kyrio [Heer].
Hoewel Pascha vaak wordt vertaald als Pascha, is  het expliciet de verwijzing naar  de Opstanding van Christus en
heel herkenbaar voor orthodoxe christenen:
Heden [ten dage] wordt ons een heilig Pascha geopenbaard:
Pascha nieuw en heilig, Pascha mystieke Offer,
Pascha bovenal verheven waardig Offer, Pascha,
waar Christus ons verzoent, de Verlosser is ; Pascha, offer zonder smet,
Pascha der gelovigen; Pascha dat ons het Paradijs weer openstelt; dat
ons allen weer heiligt

1e Paasstichier.

      En de leerlingen, de volgelingen van Christus, gingen heen en kwamen in de stad en vonden het, zoals Hij hun gezegd had en
zij maakten het Pascha gereed . . .
             Want de Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens, door wie de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed, als hij niet geboren was.
En terwijl zij aten, nam Hij een brood, sprak de zegen uit, brak het, gaf het hun en zeide: Neemt, dit is Mijn Lichaam.
En Hij nam een Beker, sprak de dankzegging uit, en gaf hun die en zij dronken allen daaruit.
         En Hij zei tot hen: ‘ Dit is het Bloed van Mijn Verbond, Dat voor velen vergoten wordt.
       Voorwaar, Ik zeg u, Ik zal voorzeker niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar nieuw zal drinken, in het Koninkrijk van GodMarc.14: 16, 21-25.

De door de Heer op de proef gesteld – en tòch volgzame mens

Abraham in the Good Message,    a search for God & the promised land; Ο Αβραάμ στο καλό μήνυμα, μια αναζήτηση για τον Θεό και την υποσχεμένη γη; إبراهيم في الرسالة الطيبة ، بحث عن الله والأرض الموعودة

Hierna gebeurde het, dat God Abraham op de proef stelde.
       Hij zei tot hem: Abraham, en deze zei [daarop, onvoorwaardelijk]: ‘Hier ben ik’.
En God zei: ‘   Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Isaäc [Hebr.= ‘hij lacht’], en ga naar het land Moria [Hebr.= ‘ door de Heer uitgekozen’], en offer hem [uw zoon] daar tot een brandoffer op een der bergen die ‘Ik’ u noemen zal.
       Toen stond Abraham des morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn knechten met zich, benevens zijn zoon Isaäc; hij kloofde hout voor het brandoffer, begaf zich op weg en ging naar de plaats, die God hem genoemd had.
       Toen Abraham op de derde dag zijn ogen opsloeg, zag hij die plaats in de verte. En Abraham zei tot z’n knechten: ‘ Blijft gij hier met de ezel, terwijl ik en de jongen daarginds heengaan; wanneer we hebben aangebeden, zullen wij tot u terugkeren’.
       Toen nam Abraham het hout voor het brandoffer, legde het op zijn zoon Isaak en nam vuur en een mes met zich mee. Zo gingen die beiden tezamen.
       Toen sprak Isaak tot zijn vader Abraham en zei:
  Mijn vader’, en deze zei: ‘Hier ben ik, mijn zoon’.
En hij zei:
  Hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam ten brandoffer?
En Abraham zei:
  God zal Zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon’.
Zo gingen die beiden tezamen.
       Toen zij aan de plaats die God hem genoemd had, gekomen waren, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout, bond zijn zoon Isaäc en legde hem op het altaar boven op het hout.
       Daarop strekte Abraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten.
Maar de Engel des Heren riep tot hem van de Hemel en zei:
      Abraham, Abraham!’ En hij zei:
       Hier ben ik’.
En Hij [de engel] zei:
  Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij
godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden.
       Toen sloeg Abraham zijn ogen op en daar zag hij een ram achter zich, met zijn horens verward in het struikgewas. En Abraham ging en nam de ram en offerde hem ten brandoffer in plaats van zijn zoon.
       En Abraham noemde die plaats:
De Heer zal erin voorzien; waarom nog heden gezegd wordt: ‘ Op de berg des Heren zal erin voorzien worden’.
       Toen riep de Engel des Heren ten tweeden male van de Hemel tot Abraham en zei:
  Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord des Heren: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt, zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des Hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit nemen. En met uw nageslacht zullen alle volkeren der aarde gezegend worden, omdat u naar Mijn stem gehoord hebtGen.22: 1-18.

De waarachtig gehoorzame Mens:
Nog een keer, die ontzettend belangrijke Belofte van God aan de mensheid:
Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord des Heren: omdat u ‘dìt’ gedaan hebt
en uw zoon,
‘uw enige’, Mij niet onthouden hebt . . . . .
Zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht ‘zeer talrijk’ maken, als
de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en
uw nageslacht zal
‘de poort van zijn vijanden’ in bezit nemen”
Gen. 22: 16,17.
De heilige Johannes Chrysostomus [Guldenmond] vestigt de aandacht op
de woorden van de Heer in deze verzen, waarvan de betekenis
gemakkelijk over het hoofd wordt gezien:
” Overweeg, vraag ik u allen, de liefderijke Goedheid van de Heer:
‘ om uwentwil heeft u uw geliefde zoon niet gespaard . . . . .
‘ en toch neemt hij hem ‘levend’ van ons weg . . . . .
Zie je, wat een grote intentie dit betreft,
de Patriarch van de mensheid ‘bevlekte’ Zijn rechterhand ‘in bloed’,
liet de dood van Zijn enig Geliefde Zoon toe en stak Zijn zwaard in
de keel van het kind en consumeerde het offer”
uit: Homily over Genesis.

de diepte van de gehoorzaamheid aan God

Abraham & Isaäc                                                  – supercoloring for children

De handeling werd niet uitgevoerd, en toch reageert God op het aanbieden van Isaäc alsof het werkelijk gebeurde.
Wat is de bedoeling hiervan?
Het is duidelijk dat Abraham waarachtige gehoorzaamheid aan God toont.

Er dient een fundamentele Waarheid uit dit gegeven te worden getrokken,
willen we überhaupt,  de diepte van het Mysterie van Gehoorzaamheid aan
God, kunnen en willen waarderen’.

Wat maakt Abraham tot waarachtig gehoorzaam aan God zonder enige tegenspraak?
        De Heilige Silouan van de berg Athos [1866, Rusland -1938, Athos] wijst
ons op de sleutel:
De gehoorzame mens heeft zich overgegeven aan Gods wil”.
uit: H. Silouan de Athonite, blz. 420, vastgelegd door Archimandriet Sophroni Sacharov.
        De heilige Johannes Climacos [579, Syrië tot: 649, Sinaïberg, Egypte]
voegt hier nog een tweede punt aan toe:
Gehoorzaamheid is het absoluut afstand doen van ons eigen leven,
hetgeen overduidelijk uitgedrukt wordt door ons menselijk doen en laten
”.
uit: de ‘Ladder of Divine Ascent’.

We kwamen dit gegeven al eerder tegen:
God sprak en Abraham handelde zoals God het hem heeft voorgeschreven.
Een bereidheid om ‘onmiddellijk’, zonder tegenspraak op God te reageren en juist ‘dìt’ markeert het karakter van Abraham zijn gehele aardse leven lang.
Helemaal aan het begin vinden we dit verslag:
    Nu zei de Heer tot Abram:
‘ Ga weg uit uw land,  van uw bloedverwanten en
van uw vaders huis naar een land dat ik u zal laten zien . . .
Toen vertrok Abram zoals de Heer tot hem had gezegd’
Genesis 12: 1, 4.

Je zou kunnen betogen dat God Zich al heel vroeg aan Abraham openbaart, maar
zorgvuldig lezen toont aan dat Abraham God gehoorzaamt
♨︎ ♨︎ ♨︎ nog voordat de Heer Zich openlijk laat zien.
Let op de volgende reeks van gebeurtenissen:
1.]. God zendt hem weg uit zijn eigen land; hij komt
naar de plaats van Sichem [Hebr.= ‘rug of schouder, Vrede’]” Genesis 12: 6.
Daar “bouwde hij een altaar [Lat. = een tafel uit hout of steen waar rituele handelingen,
waaronder een offer opdragen worden verricht] voor de Heer, die hem verscheen” Genesis 12: 7.
Herinnert u zich het gebed tot God de Heilige Geest nog, waarin wij 
verkondigen dat Deze Heilige Geest”
overal aanwezig is en alle dingen vervult?
Precies!
2.]. De waarlijk gehoorzame mens leeft een antwoord gevend of bevattend op
de aanwezigheid van God, zowel gezien of ongezien.
Abraham heeft geen openlijke zichtbare verschijning van God nodig.
Hij hoort God en hij gehoorzaamt – niet alleen in het begin, bij
het horen van Gods eerste gebod, maar telkens weer opnieuw,
nogmaals en nogmaals.
Hij gehoorzaamt zelfs wanneer een vreemd goddelijk gebod komt,
in tegenstelling tot alle redelijke verwachtingen, betreffende zijn bloedeigen zoon.

Wat redt ons voor waanideeën en weerhoudt ons ervan om
te reageren op andere stemmen, hetzij binnenin of om ons heen, dat
wij gelovigen ons voorstellen dat we compleet van God zijn, aan God toebehoren? De Kerk biedt ons spelleiders, voorgangers en priesters als onze gidsen. Luister opnieuw naar de Heilige Johannes Climacos:
Wanneer motieven van nederigheid en waarachtig verlangen naar redding ons ertoe aanzetten ons te buigen en onszelf aan een ander in de Heer toe te vertrouwen . . . zouden we eerst onze leidsman dienen te ondervragen en te onderzoeken, en zelfs zogezegd, om niet de stuurman op zee voor
een piloot
ins blauwe hineinte verwarren, een zieke voor een dokter
uit: de ‘Ladder of Divine Ascent’.

klein geloof in Amsterdam – Orthodoxie in de Jordaan, vrouwen-altaar

Onze geestelijken zijn mensen en blijven uiteraard even feilbaar als wijzelf, maar
God vestigt ze binnen de Kerk om ons te leiden in het horen van ‘Zijn stem
– vrij van welke menselijke verwarring of inmenging dan ook.
– In tegenstelling tot Abraham hebben we ook een Moeder in de Apostolische Kerk en in de Heilige Traditie, die de Blijde Boodschap, de pedagogie van de Heer èn de daarmee samenhangende beproefde leringen van de Heilige Vaders omvatten.
God geeft ons deze gaven zodat we, net als Abraham, kunnen reizen op
de wereldzee met grote gevaren – deze gevallen wereld – met ons hart
voortdurend open voor de stem van de Heer.
Indien we op een of andere manier twijfels koesteren,  dienen wij ons te wenden tot onze spelleiders, voorgangers, priesters om God te bij te staan aan Hem gehoorzaam te zijn.
Ook ‘zij streven ernaar om openlijk voor God te leven’ en
onder het gezag van toezichthouders, hun superieuren er het beste van te maken. Je mag daarop blind varen dat zij net als de Heer, naar beste weten datgene doen wat de mens ten goede komt – is dat niet het geval dan zullen zij daar te Zijner tijd dubbel en dwars verantwoording over dienen af te leggen.
We hebben dus goede redenen om te vertrouwen op het Woord dat
God via hen tot ons spreekt.
Maar eerst en vooral vereist God onze bereidheid om “op te staan”,
te vertrekken en naar de plaats te gaan wáár Hij spreekt:
  Toen stond Abraham des morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, en
nam twee van zijn knechten met zich, benevens zijn zoon Isaäc;
hij kloofde hout voor het brandoffer, begaf zich op weg en
ging naar de plaats, die God hem genoemd had
Genesis 22: 3.

    Heer, schenk gehoor aan mijn woorden; geef acht op mijn geroep.
Luister naar de stem van mijn smeken, mijn Koning en mijn God.
Tot U, Heer, richt ik mijn bede; in de ochtend hoort Gij mijn stem.
In de vroege morgen sta ik voor U, en Gij ziet op mij neer. Gij zijt geen God die onrecht wilt; geen boosdoener

kan bij U wonen. Wetsovertreders houden geen stand voor Uw ogen,
Gij haat allen die onrecht bedrijven. Gij vernietigt allen die leugen spreken;
de Heer verafschuwt mensen van bloed en bedrog.
Maar door de overvloed van Uw barmhartigheid, mag ik binnentreden in Uw huis. Ik zal neervallen voor Uw heilige Tempel, in vreze voor U.
Heer, leid mij in Uw rechtvaardigheid wegens mijn vijanden; maak mijn weg recht voor Uw aanschijn. Want in hun mond is geen waarheid: hun hart is lichtzinnig. Een open graf is hun keel. zij plegen bedrog met hun tong.
Oordeel hen, God, doe hen vallen in hun plannen. Verstoot hen om hun talrijke misdaden, want zij hebben U getergd, o Heer.
Maar schenk vreugde aan allen die op U hopen: zij zullen juichen in eeuwigheid, want Gij woont onder hen. Op U roemen allen die Uw naam liefhebben, want Gij zegent de gerechten.
Heer, met een schild van welbehagen hebt Gij ons omringd“
Psalm 5, vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Om precies déze reden beschrijft de apostel Paulus onze Heer en Verlosser,
de Zoon van God als “Middelaar” van het Nieuwe Verbond:. .
    Jullie zijn allen genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het Hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de Hemelen, en
tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding 
bereikt hebben, en tot Jezus, de Middelaar van een Nieuw Verbond, en tot het bloed der besprenging [= als wijze van dopen], dat krachtiger spreekt dan Abel.
       Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, niet afwijst. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn godsspraak op aarde deed horen, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem, Die uit de Hemelen [spreekt]“ Hebr.12: 22-25.

De Apostelen die na Zijn Opstanding uit de doden, de verrezen Heer aanraken,
zijn eerst getuige geweest van Zijn kruisiging en daarna Zijn Triomf over de dood, bemerken het Bloed, Dat door de Heer is vergoten als
de vervulling van de profetische belofte van de Profeet Jeremia:
    Zie, de dagen komen, luidt het Woord des Heren, dat Ik met het huis van Israel en het huis van Juda een Nieuw Verbond sluiten zal. Niet zoals het Verbond, Dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden:
Mijn Verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik Heer over hen ben, luidt het woord des Heren

Jeremia 31: 31,32.

Apostel Paulus onderwijst                        Christus‘ Blijde Boodschap

En de Apostel Paulus past dit na de Opstanding van Christus als volgt aan:
⁌ “     Want indien dat eerste [Verbond] onberispelijk zou zijn geweest, zou er geen plaats gezocht zijn voor een tweede. Want Hij berispt hen, als Hij zegt: ‘ Zie, er komen dagen, spreekt de Heer, dat Ik voor het huis van Israël en het huis Juda een Nieuw Verbond tot stand zal brengen, niet zoals het Verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan Mijn Verbonden Ik heb Mij
niet meer om hen bekommerd, spreekt de HeerHebr.8: 8,9. en vervolgens:
    Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons paaslam is geslacht: Christus. Laten wij derhalve feest vieren, niet met oud zuurdeeg, noch met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid1Cor.5: 7,8, oftewel
Christus, ons Pascha, werd voor ons opgeofferd. Laten we daarom het feest vieren “.
Johannes de Voorloper identificeert onze Heer en Verlosser als “het Lam van God dat de zonde van de wereld wegneemtJohn.1: 29.
Hij is een “smetteloos” Pascha-offer zie Exodus 12: 5, want
niet één van Zijn gebeente is gebrokenzie John.19: 36 en Exodus 12: 10.
Zo worden -‘ook wij‘- een toonbeeld voor de wereld om ons heen van de tot op het bot waarachtig gehoorzamen mens, die navolgers is van Christus, de Zoon van God, onze Verlosser.

Apostichen Zondag van de Myron-dra[a]g[ste]rs
tn.2.    Uw Opstanding, Christus verlosser, heeft de gehele wereld verlicht; en
U hebt Uw eigen schepsel tot U teruggeroepen.
Almachtig Heer, eer aan U
”.

De Heer is Koning, met luister getooid: de Heer heeft Zich bekleed met Echt en Zich omgord”.

tn.2.    Gij zijt de Moeder van God, Allerhoogste, en
daardoor de Vreugde der bedroefden, de beschermster van allen wie onrecht lijden’;
de voedster der hongerigen, de troost der verdrevenen, de staf der blinden,
het bezoek der zieken, de toevlucht en bijstand van wie moeten lijden, en de hulp van wezen.   

” Haast u, alreine Maagd, zo smeken wij u, dat
uw dienaren mogen worden gered
”.

Luister dochter, zie en neig uw oor: vergeet uw volk en het huis van uw vader”.

tn.2.    Zonder mij door schaamte te laten weerhouden,
heb ik teugelloos elke ongerechtigheid en zonde begaan, en
de zwaarste veroordeling over mijzelf afgeroepen.
Maar schenk mij, Maagd, gelegenheid tot bekering, opdat
ik in het Oordeel niet verloren ga.
Want ik zie u als mijn voorspraak;
ik roep tot u als mijn Verdedigster;
laat mij niet hulpeloos, o Bruid van God
”.

Zij zullen de gunst van uw aangezicht zoeken”.

tn.2.    Er is voor ons geen andere toevlucht voor
het aanschijn van onze Schepper en Heer, dan
u alleen, de Bruid van God.
Verwerp ons niet, wees onze vurige hulp;
laat ons niet verloren gaan.
Haast u ook, o Moeder Gods,
kom ons te hulp in onze kwelling, en
bewaar ons tegen alle gevaar en nood
”.

‘ Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN”.

tn.2.    De Myrondraagsters brachten in de vroege morgen
specerijen naar het Graf van de Heer.
Daar vonden zij, boven verwachting, de steen reeds afgewenteld, waarover
zij met elkander hadden gesproken.
En nu zeiden zij tot elkaar:
waar is de wacht van Pilatus? Waar zijn alle voorgenomen zorgen?
De stralende Engel onderrichtte de onwetenden en verkondigde haar:
wat zoeken jullie met zoveel klagen Hem Die Levend is?
Christus, onze God, is uit de doden opgestaan als de Al-Machtige;
Hij schenkt ons allen onbederflijkheid en Leven,
verlichting en de grote Genade”.

Woensdag na Thomas Zondag, Eerbetoon, Doxologie van Christus aan de Vader en van het Oude & Nieuwe Verbond aan onze God, de enig menslievende

Eerbetoon, Doxologie van Christus aan Zijn Vader
    Maar Christus antwoordde hun:
Mijn Vader werkt tot nu toe en ik werk ook. Hierom dan trachtten de Joden des te meer Hem 
te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God Zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God gelijkstelde.
Jezus dan antwoordde en zei tot hen:
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de Zoon kan niets doen van Zichzelf, of Hij moet het de Vader zien doen; want wat Deze doet, dat doet ook de Zoon evenzo.
       Want de Vader heeft de Zoon lief en toont Hem al wat Hij zelf doet, en Hij zal Hem grotere werken tonen dan deze, opdat gij u verwondert.
       Want gelijk de Vader de doden opwekt en doet leven, zo doet ook de Zoon leven, wie Hij wil.
       Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven, opdat allen de Zoon eren gelijk zij de Vader eren.
       Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet, die Hem gezonden heeft.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie Mijn Woord hoort en Hem gelooft, Die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het levenJohn.5: 17-24.

Eerbetoon, Doxologie van de Apostelen aan zowel de Vader als de Zoon van God
    Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en bemerkt hadden, dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen uit het volk waren, verwonderden zij zich, en zij herkenden hen, dat zij met Jezus geweest waren; en daar zij de genezene bij hen zagen staan, konden zij er niets tegen inbrengen.
       En na hun geboden te hebben buiten de raadzaal te gaan, overlegden zij met elkander, en zij zeiden: Wat moeten wij met deze mensen beginnen? Want dat er een kennelijk wonderteken door hen verricht is, is duidelijk aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen; maar om te voorkomen, dat het nog meer onder het Volk verbreid wordt, laat ons hun dreigend gebieden tot niemand meer te spreken op gezag van deze Naam.
       En toen zij hen binnengeroepen hadden, bevalen zij hun in het geheel niet meer te spreken over òf te leren op gezag van de Naam van Jezus.
       Maar Petrus en Johannes antwoordden en zeiden tot hen:
                        Beslist zelf, of het recht is voor God, meer aan u dan aan God gehoor te geven;  want wij kunnen niet nalaten te spreken van wat wij gezien en gehoord hebben.
       Maar zij dreigden nog meer, doch lieten hen vrij, daar zij geen vorm konden vinden om hen te straffen – en wel om het volk; want allen verheerlijkten God om hetgeen er geschied was; want de mens, aan wie dit teken der genezing verricht was, was boven de veertig jaarHand.4: 13-22.

Eerbetoon, Doxologie van David aan God
    De Hemelen verhalen de heerlijkheid Gods, het uitspansel verkondigt het werk Zijner handen.
Elke dag openbaart een woord aan de volgende dag; van nacht tot nacht wordt kennis verkondigd. Niet met gesproken woorden, er wordt geen klank vernomen.
Toch klinkt over heel de aarde hun boodschap, tot aan de grenzen der wereld hun woorden.
Hij heeft een tent gemaakt voor de zon, die als een bruidegom uit zijn bruidsvertrek treedt. Hij juicht als een reus om zijn baan te doorlopen; hij gaat op aan het einde des hemels.
Zijn loop gaat op tot het einde; niemand kan zich verbergen voor zijn gloed.
De Wet des Heren is onbevlekt, en bekeert de zielen.
Het getuigenis des Heren is waar, en geeft wijsheid aan de kleinen.
De oordelen des Heren zijn recht, zij verblijden het hart.
Het gebod des Heren is stralend, het verlicht de ogen.
De vreze des Heren is rein, en blijft in de eeuwen der eeuwen.
De gerechtigheden des Heren zijn waar, gerechtvaardigd in zichzelf.
Begerenswaard boven goud en edelgesteente; zoeter dan honing en raat.
Uw dienaar onderhoudt dan ook Uw geboden, want dat schenkt grote vergelding.
Wie kent al zijn overtredingen ? Reinig mij van mijn verborgen kwaad, en behoed Uw dienaar voor vreemde zonde. Als die mij niet overheersen, dan ben ik onbevlekt; en word ik gereinigd van grote zonde.
Dan hebt Gij behagen in het woord van mijn mond: de gedachten van mijn hart liggen open voor Uw ogen.
Heer, Gij zijt mijn Helper, en mijn VerlosserPsalm 18[19], vert. ROK.’s-Gravenhage

 

Mozes ontmoet de Heer in het brandende braambos – miniature

    Toen zag Israël [de Kerk], welk een Machtige daad de Heer tegen Egypte gedaan had; en het [Kerk-]Volk vreesde de Heer en zij geloofden in de Heer en in Mozes, Zijn knecht.
       Toen zong Mozes met de Israeliëten [de Kerk] de Heer dit lied en zij zeiden:
  Het lied en eerbetoon, Doxologie, van Mozes aan de menslievende:
Ik wil de Heer zingen, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte 
Hij in de zee.
De Heer is Mijn Kracht en mijn Psalm, Hij is mij tot Heil geweest. Hij is mijn God, Hem verheerlijk ik, de God van mijn vader, Hem prijs ik.
De Heer is een Krijgsheld; Heer is Zijn Naam.
De wagens van Farao en zijn legermacht wierp Hij in de zee; de keur van zijn wagenhelden werd in de Schelfzee gedompeld. Watervloeden overdekten hen; in de diepte zonken zij als een steen.
Uw rechterhand, Heer, Heerlijk door Kracht, uw rechterhand, Heer, verpletterde de vijand.
In uw grote Majesteit vernietigde Gij wie tegen U opstonden; Gij liet uw toorn-gloed los, hij verteerde hen als stoppels. Door de adem van uw neus werden de wateren opgestuwd; als een dam stonden de stromen; de watervloeden stolden in het hart der zee.
De vijand zei: Ik achtervolg, haal in, deel de buit; ik koel mijn lust aan hen, trek mijn zwaard; mijn hand roeit hen uit. Gij bliest met uw adem, de zee overdekte hen; als lood zonken zij in geweldige wateren.
Wie is als Gij, onder de goden, Heer, wie is als Gij, Heerlijk in Heiligheid vreselijk in roemrijke daden, Wonderbaar in Uw doen?
Gij strekte Uw rechterhand uit; de aarde verzwolg hen.
Gij leidde in Uw Goedertierenheid het Volk dat Gij verlost hebt;
Gij leidde het door Uw Kracht naar Uw Heilige Woonstede.
Volkeren hoorden het, zij sidderden; beving greep de bewoners van Filistea aan. Toen verschrikten Edoms stamhoofden, huivering greep Moabs machtigen aan; alle bewoners van Kanaän sidderden. Ontzetting en schrik overviel hen, door Uw geweldige arm verstarden zij als een steen, terwijl Vw Volk, Heer, doortrok, Uw Volk, dat Gij U hebt verworven, doortrok.
Gij brengt hen en plant hen op de berg die Uw erfdeel is; de plaats die Gij, Heer, tot Uw Woning gemaakt hebt; het Heiligdom, Heer, door Uw hand gesticht.
De Heer regeert voor altijd en eeuwig.
Toen Farao’s paarden met zijn wagens en en ruiters in de zee gekomen waren, deed de Heer de wateren der zee over hen terugvloeien, maar de Israëlieten gingen op het droge midden door de zeeExodus 14: 31-15: 19 

Dit lied van Mozes is pure, onbegrensde lofprijzing en aanbidding aan God.
De Profeet, zowel als ziener leggen het vreugdevolle lied vast van degenen die de afgelopen tijdsperiode verlost zijn uit de slavernij van de tegenstrever, van de dood – de kinderen van Israël [de Kerk].
Door Zijn eigen hand slingert God paard en ruiter de zee in ter verdediging van Zijn uitverkoren Volk, Die Hij heeft geleid naar een nieuwe bestemming in een nieuwe en Heilige Woning van Zijn keuze.

Da ist Eine Rose entsprungen aus einem Wurzelstamm

❖ Eerbetoon, Doxologie van de Moeder God’s, de Theotokos, de God-barende:
”     Mijn ziel verheft de Heer, en gejuicht heeft mijn geest in God, mijn
Redder. Want Hij heeft neergezien op de geringheid van Zijn dienstmaagd, want zie, van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen. Want de Machtige heeft grote dingen aan mij gedaan en heilig is Zijn Naam” .

Eerbetoon, Doxologie van de Orthodoxe Kerk aan de Menslievende
    Eer aan God in den Hoge en Vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.
Wij bezingen U, wij zegenen U, wij aanbidden U, wij verheerlijken U, wij danken U om Uw grote Heerlijkheid.
Heer, Hemelse Koning, God, Vader, Al-beheerser; Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus, en Heilige Geest;
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader, Die wegneemt de zonde van de wereld, ontferm U over ons.
Die wegneemt de zonden van de wereld, aanvaard onze bede;
Die zetelt aan de rechterhand van de Vader, ontferm U over ons.
Want Gij alleen zijt heilig, Gij alleen zijt Heer, Jezus Christus, tot heerlijkheid van God de Vader. Amen.
Elke avond zal ik U zegenen en Uw Naam loven tot in eeuwigheid en in de eeuwen der eeuwen. Heer, Gij zijt ons een toevlucht geworden van geslacht tot geslacht.
Ik zei: Heer, ontferm U over mij, genees mijn ziel, want tegen U heb ik gezondigd.
Heer, tot U ben ik gevlucht: leer mij Uw wil te doen, want Gij zijt mijn God.
Want bij U is de bron van het leven en in Uw licht zullen wij het Licht zien.
Strek Uw barmhartigheid uit over wie U kennen.
Acht ons waardig, Heer, dat wij deze nacht zonder zonden doorbrengen.
Gezegend zijt Gij, Heer God van onze vaderen, en geloofd en verheerlijkt is Uw Naam tot in de eeuwen. Amen.
Moge, Heer, Uw barmhartigheid over ons komen, zoals wij op U gehoopt hebben.
Gezegend zijt Gij, Heer, leer mij Uw voorschriften.
Gezegend zijt Gij, Meester, geef mij inzicht in Uw voorschriften.
Gezegend zijt Gij, Heilige, verlicht mij door Uw voorschriften.
Heer, Uw ontferming is in eeuwigheid, veronachtzaam de werken van Uw handen niet.
U komt toe lof, U komt toe de hymne,
U komt toe de heerlijkheid:
Vader, Zoon en Heilige Geest,
nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. AMEN
”.

De Grote Doxologie van de Orthodoxe Kerk heeft veel gemeen met het Lied van Mozes, zij volgt daarbij in de eerste plaats Christus, maar ook Zijn type van het Oude Testament en David, zowel als de Apostelen en de Theotokos. Allen zijn spontane uitbarstingen van vreugde van dankbare harten.
Het Lied van Mozes diende het oude Israël op een manier die vergelijkbaar is met die waarin de Grote Doxologie de Kerk vandaag dient.
Alle lof wordt aan God gegeven en Zijn uitverkoren daden worden verkondigd.
Er worden beloften gedaan aan God als Heer, smeekbeden worden aangeboden voor zijn voortdurende hulp tegen vijanden.
Het essentiële verschil tussen de twee liederen ligt in de mate van God’s Zelfopenbaring, Die de waterscheiding is die de Oude en Nieuwe Verbonden scheidt.

‘Practice your presence on earth’.

Maar vergeet ook niet het geheel van de voor ons geschapen natuur en met name in de ochtend God’s lof – ieder morgen hoor je de lofzang van de vogels, zie je de natuur om je heen schitteren.
Het is maar dat je het ziet en hoort en niet voor niets luid de orthodoxe Kerk met haar klokken bij deze natuurlijke lofzang aan door bij de  afsluitende Hymne van de Metten luidt te weerklinken en kondigt dit het gegeven aan dat wij dankzij het Beloofde Land, het Koninkrijk God’s ervaren.
Het is tevens een appèl aan de wereld zorg te dragen voor de Schepping en deze niet te laten aftakelen, hoewel je ook hier de naderende wederkomst des Heren in kunt ontwaren.

Het Lied van Mozes schenkt glorie aan God door het uitstorten van ongeremde lofprijzing voor wonderen Exodus 15: 11, een roeping Exodus 15: 13, verlossing Exodus 15: 13 en een toekomstig Heiligdom.
Maar die Glorie is altijd verbonden met roem – de glorie van deze wereld.
Hij wordt vergeleken met de goden van de naties, die niet zoals de Heer zijn Exodus 15: 11.
Zijn faam brengt de volken van Moab, Edom, Philistia en Kanaän tot schrik Exodus 15: 14-15.
Daarentegen verbindt de Grote Doxologie van de Kerk deze Glorie met Licht:
Glorie voor U Die ons het Licht heeft getoond
Zijn woorden drukken het Mysterie van het Nieuwe Verbond uit zoals
beschreven door de heilige Makarios van Egypte als
de Gloed van Hemels Licht in de visie en Kracht van de Geest “.
Mozes neemt de Glorie van God wáár in krachtige daden zoals
het instorten van vijanden in de zee Exodus 15: 4,
het verzamelen van de wateren Exodus 15: 8 en
het leiden van Zijn Volk “in Kracht” [Gr.= ‘Dynamis’] Exodus 15: 13.

 

Het heilige Licht
ΑΓΙΟ ΦΩΣ
النور الإلهي

De Doxologie leert, in de geest van de heilige vaders, dat
we ‘in God’s Licht hèt Licht zullen zien‘.
Het verschil tussen de twee liederen weerspiegelt de beperkingen van het eerste Verbond, zelfs als het verwijst naar de grenzeloze mogelijkheden van het christelijke Mysterie.

De Grote Doxologie roemt God omdat Hij de zonde van de wereld wegneemt, Ontferming met ons heeft en liefdevol onze gebeden ontvangt.
De wonderen van het Nieuwe Verbond weerspiegelen de Goddelijke Genade, waarmee God zielen geneest van hen die tegen Hem gezondigd hebben, Hij heeft de mensen ondanks alles lief.
We zijn geroepen om onze Hoop op God te vestigen.
Onze verlossing is van de zonde, een zegen die onuitsprekelijk is bereikt door
het Lam van God dat de zonden van de hele wereld wegneemt.
De Evangelie-vreugde is de waarachtige Belofte van God dat
Hij de Bron van leven en onze toevlucht zal zijn van generatie op generatie.

Mozes beveelt het Volk van Israël [en als Type de Kerk] om
zich bij hem te voegen in een Belofte aan God, om
altijd voor de Heer te zingen zie Exodus 15: 1,
geleid te worden als Zijn volk Exodus 15: 3, en
de Heer te worden op de berg te planten
het Heiligdom, Heer, door God’s hand gesticht Exodus 15: 18.
Wanneer we de Grote Doxologie op onze lippen nemen,
beloven we tevens aan God dat we ons zullen onderwerpen aan
Zijn leer, Zijn wil doen, genezing van Hem zoeken en
Hem kennen als onze Heilige, Sterke en On-Sterfelijke God,
Wiens Naam voor eeuwig wordt geprezen en verheerlijkt .

het Mysterie van de Doop

Help ons om de vurige geest
zuiver en onbezoedeld te bewaren
tot de dag van de ontmoeting,
de Wederkomst met Christus!“, uit: het Doopgebed.

Lofpsalmen Metten – 2e woensdag na Pascha
tn.1. “  U Die op het Kruis was vastgehecht, waardoor U ons het Leven schenkt, willen wij steeds weer [opnieuw] als
onze Verlosser en Meester

tn.1.    U hebt de onderwereld leeggeroofd en
de mens weer doen opstaan door Uw Opstanding;
schenk ons nu ook, o Christus om
U met een rein hart te prijzen en te verheerlijken
”.

tn.1.    Geen kwelling noch verdrukking, geen uithongering, vervolging of geseling,
niet de verscheurende woede van de wilde dieren, geen zwaard noch
brandend vuur waren in staat om u van God af te scheiden, roemrijke Martelaren; maar
zij versterkten juist uw liefde tot Hem, en zo hebben jullie gestreden alsof
het niet jullie eigen lichaam ws wat zó lijden moest.
Nu zijn jullie waardige geworden om het loon van de kwellingen te ontvangen en
zijn jullie bewoners geworden van het koninkrijk der Hemelen.
En omdat jullie vrijmoedigheid [geen verlegenheid meer] verworven hebben bij
God, Die de Minnaar van de Mensen is, bidt tot Hem om
Vrede voor de wereld en voor onze zielen om
de Grote Genade
[gaven]”.

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN

tn.8.    Toen de Leerlingen de deuren hadden gesloten van
de bovenzaal waar zij samen verbleven,
verscheen de Verlosser in hun bijeenkomst; en
terwijl Hij in hun midden stond sprak Hij tot Thomas:
‘zie en betast de wonden van de nagelen;
strek uw aanduidt en leg die in Mijn zijde, en
wees niet langer ongelovig, maar
verkondig in Geloof Mijn Opstanding uit de doden
”.

Apostichen
tn.2.
    Hoe groot is het Mysterie [wonder] en heoe onbegrijpelijk!
Hoe was het mogelijk dat het gras niet verbrand werd toen
de Apostel zijn hand mocht leggen in
het vuur van Christus Godheid
”.

  Over heel de aarde klinkt hun Boodschap: tot aan de grenzen van de wereld hun woorden”.

tn.2.   Laten ook wij onze handen heiligen door
ons te onthouden van onze hartstochten, dàn
mogen ook wij met Thomas aanraken
de heilige zijde van de Meester
”.

de Hemelen verhalen de Heerlijkheid van God: het uitspansel het werk van Zijn handen”.

tn.2.    Vernieuw mijn ziel, de zinnen van uw geest, en
richt ze op het schouwen van wat Goddelijk is, want
dat is waarnaar Christus verlangt:
dat wij geheel en al geheiligd zouden zijn
”.

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN

tn.2.  “  Leer mij, heilige Moeder Gods [de Theotokos, de God-barende], dat
de rijkdommen van deze wereld slechts waardeloze bladeren zijn, en
dat ik alleen door deugden geestelijke vruchten kan dragen
”.

uit de Vespers bij Heer ik roep . . .
tn.2.  “  Het feest dat wij vieren is het Pascha:
het Mystieke Pascha; het door God geschonken Pascha;
het verlossende Pascha; het Pascha dat ons tot het onsterfelijke Leven voert;
het Pascha dat alle droefheid uit ons midden verjaagt;

het Pascha dat aan de Leerlingen [Zijn navolgers] de vreugdevolle Genade schenkt.
daarom riep Thomas uit: ‘Gij zijt mijn Heer en mijn God, Die
het rijk van de onderwereld hebt leeggeroofd
”.

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN
”.

 

Thomaszondag [Αντίπασχα]

tn.4.    Hoe wonderbaar is dit Mysterie!!!
Ongeloof is veranderd in gloeiend Geloof!
Want nadat Thomas gezegd had:
‘tenzij ik het zelf zie, zal ik niet geloven’, mocht
hij aanraken de zijde en toen kreeg hij inzicht over
de vleesgeworden Zoon van God:
hij erkende dat Die geleden had in het vlees, en
tegelijk verkondigde hij Hem als de God, Die is opgestaan, en
hij riep uit met Heerlijke stem:
‘Mijn Heer en mijn God’
”.

  Christus is opgestaan” – “  Hij is waarlijk Opgestaan” [3x] en Hij heeft ons het Leven geschonken, wij aanbidden Zijn Verrijzenis op de derde dag.

Dinsdag na Thomas Zondag, ‘Uw huis, Heer, past heiliging tot in lengte van dagen’.

Rusten aan het hart van de Vader‘ [russ. icoon]; ‘ Rest at the heart of the Father‘ russian icon.

    Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat eenieder, die in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.
       Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld zal veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zal worden.
       Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; Wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God.
       Dit is het oordeel, dat het Licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het Licht, want hun werken waren boos.
       Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het Licht, en gaat niet tot het Licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen;
       maar wie de Waarheid doet, gaat tot het Licht, opdat van zijn werken mag blijken dat zij in God verricht zijnJohn.3: 16-21.

    En terwijl zij tot het volk spraken, overvielen hen de priesters, de hoofdman van de tempel en de Sadduceeen, zeer verontwaardigd, omdat zij het Volk leerden en in Jezus de Opstanding uit de doden verkondigden; en zij sloegen de handen aan hen en stelden hen in bewaring tot de volgende dag, want het was reeds avond.
       Maar velen van hen, die het woord gehoord hadden, werden gelovig, en het getal der mannen werd ongeveer vijfduizend.
       En het geschiedde tegen de volgende dag, dat hun oversten en hun oudsten en hun schriftgeleerden bijeenkwamen te Jeruzalem, en Annas, de hogepriester, en Kajafas, Johannes, Alexander en allen, die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden; en toen zij hen hadden laten voorkomen, wilden zij van hen weten:
       Door welke kracht of door welke Naam hebt gij dit gedaan?
Toen zei Petrus, vervuld met de Heilige Geest, tot hen:
       ‘ Oversten van het volk en oudsten, indien wij thans in verhoor genomen worden ter 
zake van een weldaad aan een zieke, waardoor hij gezond geworden is, dan moet aan u allen en het ganse volk van Israël bekend zijn, dat door de Naam van Jezus Christus, de Nazoreeër, Die jullie gekruisigd hebben, maar Die God heeft opgewekt uit de doden, dat door Die Naam deze hier gezond voor u staat’Hand.4: 1-10.

 

‘ Zoek God met andere ogen ‘ – ‘ Seek God with different eyes ‘.

  De hemelen verhalen de Heerlijkheid van God, het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. Elke dag openbaart een woord aan de volgende dag; van nacht tot nacht wordt kennis verkondigd. Niet met gesproken woorden, er wordt geen klank vernomen. Toch klinkt over heel de aarde hun boodschap, tot aan de grenzen der wereld hun woorden.
Hij heeft een tent gemaakt voor de zon, die als een bruidegom uit zijn bruidsvertrek treedt. Hij juicht als een reus om zijn baan te doorlopen; hij gaat op aan het einde des hemels. Zijn loop gaat op tot het einde; niemand kan zich verbergen voor zijn gloed.
De Wet des Heren is onbevlekt, en bekeert de zielen. Het getuigenis des Heren is waar, en geeft wijsheid aan de kleinen. De oordelen des Heren zijn recht, zij verblijden het hart. Het gebod des Heren is stralend, het verlicht de ogen.
De vreze des Heren is rein, en blijft in de eeuwen der eeuwen.
De gerechtigheden des Heren zijn waar, gerechtvaardigd in zichzelf.
Begerenswaard boven goud en edelgesteente; zoeter dan honing en raat.
Uw dienaar onderhoudt dan ook Uw geboden, want dat schenkt grote vergelding.
Wie kent al zijn overtredingen ? Reinig mij van mijn verborgen kwaad, en behoed Uw dienaar voor vreemde zonde. Als die mij niet overheersen, dan ben ik onbevlekt; en word ik gereinigd van grote zonde.
Dan hebt Gij behagen in het woord van mijn mond: de gedachten van mijn hart liggen open voor Uw ogen. Heer, Gij zijt mijn Helper, en mijn Verlosser”.
Psalm 18[19] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

verleden – heden – toekomst

De Apostelen, Leerlingen van de pedagogie van de Heer, navolgers, die later Christenen werden genoemd, staan gisteren, heden en vandaag voor het oude gerecht. Het aloude gerecht van het Verbondsvolk welke dagelijks zegt:
  Hoor, Israël [Kerk, Verbondsvolk]: de Heer is onze God; de Heer is een! Jullie zullen de Heer, jullie God, liefhebben met geheel je hart en met geheel jullie ziel en met geheel jullie kracht. Wat ik jullie heden gebied, zal in jullie hart zijn, Jullie zult het jullie kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer jullie in je huis zitten, wanneer jullie onderweg zijn, wanneer jullie neerliggen en wanneer jullie opstaanDeut.6: 4-14.
De grote navolger van Christus, Paulus, die als voormalig Farizeeër doorspekt is van de leer van het Sanredrin, de rechtbank met hun oversten en oudsten vult dit voor hen nog aan:
  De Heer, onze Heer Jezus Christus, de Zoon van God is gisteren en heden dezelfde en tot 
in eeuwigheid. Laat u niet meeslepen door allerlei vreemde leringen; want het is goed, dat het hart zijn vastheid vindt in Genade en niet in spijzen [het jezelf tegoed doen]: wie het hierin zochten, hebben er geen baat bij gevondenHebr.13: 8,9.

Genezing, inclusief hun gaven, mogelijkheden en beperkingen. Daarom zul je in de omgang en communicatie met hen op zoek moeten gaan naar passende vormen!

En die Bobo’s, deze belangrijke Bolle Bonzen van het Volk stellen de navolgers van Christus de vraag: Door welke Kracht of door welke Naam hebt gij dit gedaan?.
Zij weten niet wat zij vragen, want zij vragen naar de hen al sinds eeuwen bekende bovenstaande weg welke Mozes hen al heeft voorgehouden !!!
De Apostelen geven hen derhalve het eenvoudige antwoord: “ In Naam van de Zoon van God, de Enige, Die de Vader heeft gekend en van Hem getuigd heeft, en die jullie hebben omgebracht, maar Die is opgestaan uit de doden . . .
God de Vader heeft Hem opgewekt uit de doden, waardoor wij hier door Zijn Naam voor jullie staan
”.
Ook de Profeten hebben hiervan getuigd en de laatste onder hen zei: “   Voorwaar, Ik, de Heer, ben niet veranderd, en jullie kinderen van Jaäcob, zijt niet verteerd [hebben Hem niet aangenomen]. Van de dagen van jullie vaderen af zijn jullie afgeweken van de  inzettingen van de Heer en hebt ze niet onderhouden. Keert daarom tot de Heer, jullie God terug, dan zal Hij ook werkelijk tot jullie terugkeren, zegt de Heer der heerscharen. En dan zeggen jullie: In welk opzicht dienen wij terug te keren?conf. Maleachi 3: 6,7.

Opinies van mensen kunnen veranderen. Mensen kunnen wèl zeggen dat God niet meer geneest, maar dat verandert ‘niets’ áán wàt Onze Heer en Verlosser over Zichzelf zegt: “ Hij verandert niet, Hij is en blijft Dezelfde. En indien Hij in Zijn tijd onder ons genas, geneest Hij ook vandaag”.
Dit is wat de Apostelen vervuld met de Heilige Geest, tot de rechtbank van de wereld zeggen:
        Oversten van het volk en oudsten, indien wij thans in verhoor genomen worden ter 
zake van een weldaad aan een zieke, waardoor hij gezond geworden is, dan moet aan u allen en het ganse volk van Israël bekend zijn, dat door de Naam van Jezus Christus, de Nazoreeër, Die jullie gekruisigd hebben, maar Die God heeft opgewekt uit de doden, dat door Die Naam deze hier gezond voor u staatHand.4: 9,10.
Ook de Moeder God’s zei dit gisteren tegen de dienaren aan het Hemels gastmaal, die de watervaten vulden:
doet al datgene, wat Christus, de Zoon van God u zegt ” en
tot op de dag van vandaag zijn er velen, die Christus, de Zoon van God op Zijn Woord volgen, nadat zij door Hem geroepen zijn:
    Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal jullie rust geven; neemt Mijn juk [Mijn Kruis] op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en jullie zullen rust 
vinden voor jullie zielen; want God’s juk is zacht en Zijn last is lichtMatth.11: 28-30.

Afstand tussen mensen onderling
Wij toehoorders van vandaag horen de Pedagogie van Christus uit de mond van Zijn navolgers, de Christenen. Wat horen zij anders dan dat zij de Heer Uw God dient lief te hebben en uw naasten als u zelf.
     Er is echter in de westerse samenleving veel onvrede over de afstand tussen de mensen onderling.
Wij zijn terecht gekomen in een informatiesamenleving welke niet te vergelijken is met de communicatie tussen de mens van voorheen. Vergelijk dit met de overgang die wij hebben gemaakt van de zelfvoorzienende landelijke samenleving naar het tijdperk van de industriële wereldomvattende handelssamenleving. We zijn in enkele decennia verzeild geraakt in de informatiesamenleving, waarin diegenen die kennis en informatie hebben ook de alle macht in handen krijgen. Robotisering beïnvloed kansen op het werk. Grote commerciële bedrijven beschikken over zò véél van onze privégegevens en dat kan je als deelnemer aan deze samenleving erg onzeker maken, vooral als de beschikbare informatie van overheden of bedrijven onbetrouwbaar lijkt te zijn of wordt betwist. Maak je hier echter niet druk over, vertrouw op God.
        Zo’n grote overgang naar een nieuwe manier van samenleven gaat zelden gepaard zonder maatschappelijke wrijving, onderling wantrouwen en conflict. De vraag is hoe wij, christenen, daar mee omgaan. Of we ons hiervan bewust zijn, zodat we er rekening mee kunnen houden.

Ons alledaagse leven met haar kleine ontmoetingen
Kijken naar iemand in je omgeving gaat vaak gepaard met (voor)oordelen, aannames en overtuigingen.     
       Terwijl iemand werkelijk naar iemand omkijken verbonden is met acceptatie en respect. Kijken gebeurt meestal alleen naar de buitenkant.
We letten vaak op de uiterlijke kenmerken en baseren daar ons oordeel op. Mensen die alleen kijken naar de buitenkant kunnen keihard zijn in hun oordeel en daardoor een ander veel pijn doen.
       Iemand die echter eenvoudig blijft door nederigheid te betrachten wordt door meer mensen dan wij zouden denken als ‘vreemd, afwijkend’ gezien. Er worden grappen over gemaakt en de persoon in kwestie wordt vaak niet serieus genomen. Dat iemand pijn wordt gedaan door op deze manier naar hem te kijken en zó te behandelen, daar heeft niemand enige boodschap aan. Terwijl dat lichaam ‘alleen maar’ de buitenkant is.
       Want in dat van God gekregen lichaam zit een mens, net zoals u en ik. Iemand die gewoon gelukkig wil zijn, wil werken, vrienden hebben, een gezin. Net zoals u en ik. Die mens voelt vreugde en verdriet, net zoals jij en ik. Die is ook te kwetsen, net zoals jij en ik. Maar wordt dat gezien? Nemen we ècht de moeite om in de ander de werkelijke persoon te zien?
       Hoe kunnen wij vandaag de dag -‘in God’s Naam’-, ’in Christus’ als mens onze identiteit behouden of überhaupt vinden en ons daardoor ook nòg dùrven te ópenen voor de ander?
Hoe kunnen wij zó in ontmoeting met de ander als beeld van God een ontvanger zijn en er voor open staan om door de ander iets te leren over God als de Ander?
      
Weten wat je dankzij Genade als Christen gelooft
Wat van ons als navolger van Christus gevraagd wordt is om in ‘ontmoeting’ te gaan met je naasten.  Je naaste ‘zien’ las Christus, is je naaste als Christus ‘ontmoeten’, elkaar dusdanig als mens te respecteren en te accepteren dat iemand die er anders uitziet ook een gewoon mens is met normale behoeften en noden. Neem dus de moeite om ook die lastige naaste te accepteren, dat deze is zoals hij/zij is. En ga met hem/haar in gesprek, want we weten niet waardoor hij of zij geworden is  zoals hij of zij nu is en dat geldt voor heel veel mensen, die je dagelijks ontmoet.
Zie elkaar, leef met elkaar, praat met elkaar in plaats van over elkaar, zie de mens zoals deze is. Zo zien wij en horen we als Christus onze medemens, de ander, de naaste en weten we wie zich buitengesloten voelt.
Leef je dus in een bepaalde samenleving en wil je absoluut deelnemen aan die Joods-Christelijke samenleving, dan dien je ook de taal te spreken en daardoor te verstaan, aan te kunnen voelen wat er in je omgeving omgaat.

Door welke kracht doen wij daadwerkelijk wat wij geloven?
Aan de Apostelen werd de vraag gesteld:
Door welke kracht of door welke Naam hebben jullie dit gedaan?
In deze tijd zijn er heel veel mensen dakloos. Door allerlei omstandigheden zijn ze op straat terecht gekomen. Hoe wordt er naar deze mensen gekeken?
Het zijn veelal slechts de hulpverleners die over het algemeen ook de mens achter tragedies zien. Maar daartegenover staan maar al te veel anderen klaar om met het vingertje te wijzen: ‘eigen schuld, dikke bult’, òf ‘eigen Volk eerst’. Ook zij spreken door hun egoïstische houding niet de taal van hun omgeving; zij zijn van hun roots vervreemd: Zij stellen: ‘hadden ze maar niet dit òf hadden ze maar zó’ òf ‘dàt juist niet moeten doen’ en ook wij hebben ‘rechten??’ en zij dienen ons maar niet al te veel ‘in de weg’ te zitten.
En dit gebeurt er allemaal om ons heen, terwijl men het verhaal van de persoon in kwestie niet kent. Men ziet veelal alleen de verslaafde en de dakloze, die misschien problemen gaat geven. Maar werkelijk de mens zien, zijn/haar eenzaamheid, zijn/haar schaamte, kennen doet men niet.
Indien we iemand werkelijk als Christus willen zien, willen weten wie die mens is achter zijn of haar uiterlijk, dan zullen we de moeite moeten nemen om verder te kijken en niet direct te oordelen.
In de ogen van God zijn alle mensen gelijk, God kijkt niet naar rangen en standen, naar jouw kleur, zowel die van jouw aannames als die van je huid.
God is een ruimdenkende ‘Scheppende”, een bezorgde, “een menslievende God“, Die maakt dat er iets positiefs tussen de mensen onderling plaatsvindt.
    Toen Farao het Volk [van de wereld] had laten gaan, leidde God hen niet op de weg naar het land der Filistijnen [Hebr.= ‘land van tijdelijke bewoners’ – in het woordgebruik van Nederland: ‘naar de verdoemenis‘], hoewel deze de naaste was; want God zei:
Het Volk [van de wereld] mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren. Dááròm liet God het volk zwenken, de woestijnweg op naar de Schelfzee. Ten strijde toegerust trokken de Israeliëten [de Kerk, met het Woord] op uit het land EgypteExodus 13: 17,18.
Deze verzen van Exodus vertellen de bevrijding van het oude volk van God door een Mysterie, een wonderbaarlijke passage door de Rode Zee en de bijbehorende vernietiging van het achtervolgende leger van Farao.
De doorvoer van Israël [de Kerk] vertegenwoordigt een vrijlating van de slavernij in vrijheid, van bondgenootschap van het bondgenootschap tot etnische identiteit.
Het markeerde en markeert nog steeds de opkomst van het Volk van God op het toneel van de geschiedenis – en het begin van een woestijnstrijd om de vrijheid te realiseren die God hen had gegeven.
Voor ons Christenen is het een voorafschaduwing van onze dooppassage naar het leven in Christus met al zijn worstelingen, nederlagen en overwinningen.

De hoofd-boodschap van dit gedeelte van Exodus kan in de slotwoorden van het ‘Onze Vader’ worden samengevat: “God verlost ons als Vader van de boze”.
Dit is het gebed dat onze Heer ons geleerd en voorgeleefd heeft:
God’s kinderen zowel van Israël als van Zijn Kerk, zijn Zijn Lichaam, steken een onbegaanbaar obstakel over, de Rode Zee die grenst aan Egypte. Ze gaan de Sinaï-woestijn binnen om hun veertigjarige/levenslange strijd te beginnen om de vrijheid te verwezenlijken die God hun heeft geschonken.
De Heilige Vaders van de Kerk merken op dat deze bevrijding aan de Rode Zee typerend is voor onze bevrijding in het leven in Christus, want God bevrijdt altijd in de aanwezigheid van waar Geloof in de Heer Jezus uit de diepte, uit de wateren opborrelt.

Zoals de heilige Gregorius van Nyssa zegt:
De mensen zelf, zijn door door de Rode Zee te trekken,
begonnen aan de verkondiging van de Blijde Boodschap, het
goede nieuws van de redding door het [doop-]water.
De mensen gingen over, en de Egyptische koning met zijn gastheer
werd verzwolgen, en door deze acties werd hierdoor
het doop-Mysterie [Sacrament] voorspeld.
Want zelfs nu, wanneer een van de mensen in
het water van de wedergeboorte herboren wordt, op de vlucht voor Egypte,
voor de last van de zonde, wordt deze bevrijd en gered
”.
De uiteindelijke overwinnaar, de kampioen namens Zijn volk is God ‘Zelf;
Hij  is een scheppende, een boetserende God, heeft de mens lief en kan er
maar geen genoeg van krijgen, want Hij heeft hen een
Koninkrijk, een nieuwe Hemel en een nieuwe aarde, voor ogen gesteld.
Ook wij die door de wateren naar nieuw leven gaan, ons met Christus, Zijn Zoon hebben bekleed, doen er goed aan diep in dit Exodus-verslag te gaan spitten om te ontdekken wat er in die twee woorden zit, zegt God: “ Ik ben” – Ik ben nu gisteren, heden en morgen dezelfde: ik plaats ook jullie in deze wereld en verwacht van jullie hetzelfde gedrag.

Indien we aandachtig lezen, valt ons de eenvoudige aanpak van de acties van Mozes en Zijn Volk op, het trekt onze aandacht ook die van de Farao en zijn strijdkrachten op.
Maar bovenal vormen de daden van God herhaaldelijk de basis van de heldengeschiedenis en geven ze verlossing aan die horde weggelopen slaven:
God leidde hen’ – “ De Heer ging voor hen uit, overdag in een wolkkolom om hen te leiden op de weg, en ’s-nachts in een vuurkolom [als een kaarsvlam] om hun voor te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaanExodus 13: 21.
God zei hen om “hun tenten op te slaan, te gaan kamperen in het dorp tussen Migdol [de toren van Babel] en de zee, tegenover Baäl Zephon [de heer van het noorden]. . . door de zeeExodus 14: 2.
Bovendien onthult God van tevoren dat Hij “Farao’s hart zal verharden en dat hij hen zal vervolgen; en ik zal verheerlijkt worden in Farao en in heel zijn legerExodus 7: 4.
Op het kritieke moment in de zich ontvouwende gebeurtenissen grijpt God in en “schudt de Egyptenaren van Zich af in het midden van de zeeExodus 14: 27.

schematische weergave van onze doop in Christus; schematic representation of our baptism in Christ; تمثيل تخطيطي لمعموديتنا في المسيح.

Het is juist deze Heer, onze God en Vader, Die ons leidt naar de wateren van de doop, want Hij roept ons op:
Wast u, wordt rein; en doet het kwaad weg uit uw zielen” en “vanuit den Hoge schenkt Hij​​ de wedergeboorte door het water en de Geestuit: de gebeden bij de doop, Sacramentarion ROK. ’s-Gravenhage [blz.34].
Evenzo, geeft God ons de opdracht “om te leven [te wandelen] volgens al Zijn geboden, om ze ongeschonden te bewaren, en het Bruiloftskleed onbevlekt te houden; en daardoor deel te krijgen aan de zaligheid der Heiligen in Zijn Koninkrijk”, gebed over de catechumeen,
Sacramentarion ROK. ’s-Gravenhage [blz.25].
Wanneer een mens die dingen doet, zal hij/zij het leven in hen vinden, zoals het oude Israël dit in het Beloofde land verkreeg.
En God onthult alles “de eeuwige goede dingen” die de onze zullen zijn indien we onszelf maar als kinderen van het Licht zullen gedragen.
De grootste zegeningen van het leven in Christus komen wanneer we op God vertrouwen, getrouw de woestijn doortrekken en de beproevingen en bijbehorende strijd ondergaan, onze dood door het kruis op ons nemen en

met Christus de Opstanding uit de dood vieren – onze doorgang door het wasbekken van wedergeboorte naar het zoon/dochter-schap in de bron van het leven.
Christus onze God is waarachtig en grijpt, als altijd’ Genadig in, om  “ons allen tot overwinnaars te maken, zelfs tot het einde, door de onvergankelijke overwinningskrans te overhandigen” gebed bij de Myronzalving,
Sacramentarion ROK. ’s-Gravenhage [blz.43].

In opdracht van onze Heer, by order of our Lord.

Net zoals toen: “ Mozes zijn hand uit strekte over de zee en tegen het aanbreken van de morgen vloeide de zee terug in haar bedding, terwijl de Egyptenaren haar tegemoet vluchtten; zo dreef de Heer de Egyptenaren midden in de zee. De wateren vloeiden terug en bedekten de wagens en de ruiters van de gehele legermacht van Farao, die hen in de zee achterna getrokken waren; er bleef van hen niet een over.
Maar de Israëlieten [zoals de navolgers van Christus, van Zijn Kerk] gingen op het droge midden door de zee en de wateren waren hun rechts en links als een muur.  Zó verloste de Heer op die dag de Israëlieten [zoals de navolgers van Christus, van Zijn Kerk] uit de macht der Egyptenaren. En Israël [en de Kerk] zag de Egyptenaren dood op de oever der zee liggen. Toen zag Israël [en de Kerk], welk een machtige daad de Heer tegen Egypte gedaan had; en het God’s-volk vreesde de Heer en zij geloofden in de Heer en in Mozes [Christus, de Zoon van God], Zijn knecht [Zoon] Exodus 14: 27-31.

Zoals velen van u die in Christus zijn gedoopt, zich hebben bekleed met Christus.
Alleluja!:

Dopeling

    De wet is dus immers maar een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit Geloof gerechtvaardigd zouden worden.
Nu echter het Geloof gekomen is, zijn wij niet langer meer onder de tuchtmeester.
Want gij zijt allen zonen van God, door het Geloof, in Christus Jezus.
Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed.
Hierbij is niet langer meer sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van 
Abraham, en naar de Belofte erfgenamen [van het Hemels Koninkrijk]“ Gal 3: 24-29.


Lofpsalmen 2e dinsdag
tn.1.    Gij hebt het Kruis op U genomen, en
de dood te niet gedaan, doordat
Gij zijt opgestaan uit de doden.
Maak ook ons leven vreedzaam, Heer, want
Gij alleen zijt de Almachtige
”.

tn.1.    Verwerp mij niet, Verlosser, wanneer ik tot U kom, al
heb ik U door mijn zonden veronachtzaamd.
Wek mijn verstand tot Berouw en
maak mij een aanvaardbare werker in Uw Wijngaard:
schenk mij de beloning van het elfde uur, en
de grote Genade
”.

tn.1.    De strijders van de grote Koning boden weerstand aan
de redeneringen van de Tirannen, en
zij verdroegen vol moed de verschrikkelijke kwellingen.
Zo hebben zij het bedrog volkomen vertreden, en
zijn waardig geworden om de overwinningskrans te ontvangen.
Zij vragen aan de Verlosser Vrede en de grote Genade
”.

“  Eer aan de Vader en aan de Zoon en an de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN
”.

tn.2.  “  Hoewel de deuren waren gesloten, stond Jezus temidden van Zijn Leerlingen.
Hij nam hun angst weg en schonk hun de Vrede, en
zei tot Thomas: ‘Waarom gelooft gij niet in Mij, dat Ik uit de doden ben opgestaan?
Kom hier met uw hand en leg die in Mijn zijde en overtuig u.
Dan schenkt uw ongeloof aan allen het bewijs van Mijn Lijden en Mijn Opstanding, en
leert hun om met u te roepen: ‘mijn Heer en mijn God, eer aan U”
”.

Apostichen
tn.2. Zingt onophoudelijk, gelovigen, tezamen met de Engelen, voor
Christus Die op de derde dag uit het Graf is opgestaan, en
Die de wereld met Zich uit de dood verheven heeft
”.

  Over heel de aarde klinkt hun Boodschap: tot aan de grenzen van de wereld hun woorden”.

tn.2.    Nadat Thomas Uw zijde had aangeraakt kwam hij tot het Geloof, Barmhartige; en
daardoor erkennen ook wij U als Heer en als God
”.

  De Hemelen verhalen de Heerlijkheid van God: het uitspansel verkondigt het werk van Zijn Handen”.

tn.2.    Gij schenkt Vrede aan Uw Volk, Verlosser, doordat
Gij uit het Graf zijt opgestaan, en
de wereld hebt vrijgemaakt uit de macht van de hades,
Als de Almachtige
”.

  Eer aan de Vader en aan de Zoon en an de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN
”.

tn.2.    Ofschoon de deuren waren gesloten kwam Christus bij Zijn Leerlingen, doch
Thomas was door Gods Voorzienigheid niet bij hen, en
hij sprak: ‘ ik zal niet geloven tenzij ik zelf de Meester zal aanschouwen, en
de doorboorde zijde zal zien, waaruit het Bloed en het Water voor de Doop gevloeid heeft;
ik geloof niet tenzij ik de wonde zie, welke de dodelijke wonde van de mens genezen heeft;
ik geloof niet, tenzij ik zie, dat Hij niet slechts een geest is, maar
dat Hij ook vlees en beenderen heeft.
Heer, , Die de dood vetreden hebt, en Die Thomas volledig hebt overtuigd:
wij eren U
”.

De Heer is Koning, met luister getooid: de Heer heeft zich bekleed met Macht en Zich omgord.
Want Hij heeft heel de wereld gegrondvest: zij staat onwankelbaar.
Vanaf het begin staat Uw Troon gevestigd: Gij zijt van alle eeuwigheid.
Stromen verhieven, Heer, stromen verhieven hun stem; stromen zweepten hun golven op met geweldig gedonder van water.
Wonderbaar zijn de hoge golven der zee; wonderbaar is de Heer in de hoge.
Uw getuigenissen zijn uiterst geloofwaardig: Uw huis, Heer, past heiliging tot in lengte van dagenPsalm 92[93] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

“Christus is verrezen/opgestaan”

  God is Dezelfde, vanaf de moederschoot totdat u oud en grijs bent, zorgt Hij voor uIsaiah 46: 4. Hij blijft in u wonen en Zijn genezing blijft voor u beschikbaar.
Onze Heer en Verlosser heeft voor eens en altijd het offer voor uw genezing en herstel gebracht. Het is niet omdat u eenmaal uw genezing ontvangen hebt, dat God u geen tweede keer wil genezen. Zijn genezende kracht blijft in u, tot in lengte van dagen. U kunt er steeds aanspraak op maken.
  Wat geweest is, dat zal er zijn, en wat gedaan is, dat zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zonPrediker 1: 9.
Laat toe dat de genezende Kracht van God door u heen stroomt en uw lichaam, alsmede die van uw omgeving gezond maakt en houdt tot in lengte van jaren.
Christus is Opgestaan” – “Hij is waarlijk opgestaan