26e Zondag na Pinksteren – de rijke hooggeplaatste en het oog van de naald

      En een hooggeplaatst man vroeg Hem en zei:
       ‘Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?
Jezus zei tot hem:
    Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.
Gij kent de geboden: Gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, eer uw vader en moeder.
Hij zei:
        Dat alles heb ik van jongs af in acht genomen.
Toen Jezus dat hoorde, zeide Hij tot hem:
        Nog een ding komt gij te kort: verkoop alles wat gij bezit, en verdeel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in de hemelen, en kom hier, volg Mij.
        Toen hij dat hoorde, werd hij diep bedroefd, want hij was zeer rijk.
En Jezus zag hem aan en zei:
        Hoe moeilijk kunnen zij, die geld hebben, in het Koninkrijk Gods ingaan. Want het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog ener naald, dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat.
En die dit hoorden, zeiden tot Hem:
Maar wie kan dan behouden worden?
Hij zeide tot hen:
        Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God’

Luc.18: 18-27.

Thans zijt gij licht in de Heer; wandelt als kinderen van het licht,
⁌  want de vrucht des lichts bestaat in louter goedheid en gerechtigheid en waarheid en
⁌  toetst wat de Heer welbehaaglijk is.
En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmaskert ze veeleer, want het is zelfs schandelijk om te noemen, wat heimelijk door hen wordt verricht; maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is licht.
Daarom heet het:

‘Heer en Meester, heb medelijden met mij’.

Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.
Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen, u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad.
Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de wil des Heren is.
En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is, maar wordt vervuld met de Geest, en spreekt onder elkander in Psalmen, Lofzangen en geestelijke Liederen, en
zingt en jubelt de Heer van harte

Eph.5: 8b-19

Heilige leven,
☛ van Genade op Genade
☛ met beide benen op de grond,
☛ mag je elke dag examen doen en
☛ vervuld worden met de Heilige Geest.
      En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is, maar
wordt vervuld met de Geest en spreekt onder elkaar in Psalmen,
Lofzangen en geestelijke liederen en zingt en jubelt de Heer
van harte“,
dankt te allen tijde‘ in de Naam van onze Heer Jezus Christus God, de Vader, voor alles, 
en weest ‘onderdanig onder elkaar‘ in de vreze van ChristusEph.5: 18-21.

               Wanneer je goed kijkt bemerk je dat het de Heilige Geest is, Die ervoor zorgt dat mensen de roep van Christus beantwoorden en tòt Hem komen.
Tòt Christus, in Wie verlossing van de schuld en de aloude vloek is en
in Wie vernieuwing van het leven is.
Het is Heilige Geest zorgt ervoor dat ik mijn eigen ellende
– dusdanig onder ogen krijg – dat ik tot Christus leer vluchten.
En dat ik ‘in’ Christus zodanig inzicht krijg dat ik ‘tot’ Christus, als
de Zoon van God durf te vluchten.
En zodra iemand dàn tot Christus komt:
dàn  wordt de Heilige Geest in zijn hart geopenbaard.
dàn woont Hij in in de mens.
Alleen, eerst dàn kunnen er nog veel verzoekingen opdagen,
veel twijfel, maar ook veel lauwheid, want
de tegenstrever krijgt er lucht van, die is daarop getraind.
Maar ‘vervuld worden met de Heilige Geest’ wil zeggen:
dàn vult de Geest geheel en al mijn hart.
Niet als een bodempje water in het glas, maar Hij vult geheel het glas, van onder tot boven, ja tot . over de randen toe.
Zodat het hart van de mens volstroomt vanuit de Hemelen, want de Heilige Geest is de eersteling van de Hemelse Zaligheid.
De Heilige Geest is de eersteling van de volle oogst der Heerlijkheid van God.
De Heilige Geest brengt dus iets teweeg van de Hemel in het menselijk hart:
Zoals een van onze geestelijk voorgangers het mij duidde:
De Hemel was al in het menselijk hart neergedaald voordat het menselijk hart de Hemelen ontwaarde”, het was bij de schepping [in de genen] mee ingebakken
En we hoorden al eens eerder wàt er vervolgens in je hart opborrelt, vanuit de geestelijke Bron:
  Hemelse vreugde; Vreugde in de God van het heil; Verwondering over de Vader, Die de mens Lief heeft en heeft uitverkoren”.

Uit zo’n grote duizelingwekkende diepte heeft God de mens verheven, opgenomen en verkozen. Waarom mij persoonlijk, waarom ben ik, tot Uw kind geworden, als een rechtgeaarde Vader, Die Zich verwondert over de  komst van de eengeboren Zoon, Die ons mensen tot zo’n dure prijs heeft gekocht.
De Zoon van God, Die heeft liefgehad tot in de dood, de God-verlatenheid, het Groot en Heilig Kruis. Hoeveel heeft U, als God over de goden niet voor mij, als mens onder de mensen overgehad?
Verwondering over de Heilige Geest, Die zó vol Kracht en Geduld mij heeft getrokken en niet opgaf en er niet de brui aan gaf toen ik zo hardnekkig tegenwerkte en Hem weg wilde hebben, maar doorzette en inwon.
Hoeveel verzet heeft God niet willen doorbreken en verdragen, waardoor er in de Hemelse Gewesten Vreugde kwam over de zondaar, die zich bekeert, in het vooruitzicht op een eeuwigdurend heil.
En behalve Hemelse Vreugde geeft de vervulling met de Heilige Geest ook hemelse Liefde.

De Hemel is de Liefde van God tot de mens en Jezus Christus tot de degenen, die de eeuwige zaligheid genieten;
Liefde van welbehagen tot in eeuwigheid.
Liefde van het ‘Ik voor u’ van de Zoon;
Liefde uit de oorsprong van de eeuwigheid,
Liefde tot elke prijs en
Liefde tot in de dood.
En de liefde van de mens tot God, het intense verlangen bij Hem te zijn.
Liefde spontaan en diepgeworteld, Die Zich richt op het Lam, de Vader en de Geest.
Verlangen naar Hem; Verlangen naar de wederkomst:
de Geest en de bruid zeggen: “Kom, Heer Jezus, kom en haast U”.
Behalve Vreugde en Liefde is de Hemel Heiligheid; waarachtige dienst aan God, volkomen en in ruime mate.
Geen smet van leven zonder God/zonde, nog meer, geen zweem van eigen eer, eerzucht, zondige begeerte en lauwheid, Heiligheid wordt een menselijk verlangen.
Hoe heiliger hoe liever. hoe méér tijd en hoe dìchter bij de Heer hoe liever.
Zonder te vragen: hoe vèr kan ik hierbij gaan, maar hoe dicht kan ik bij God blijven.
Ook bij het zien en luisteren naar zonde gruwt ons hart hiervan:
Heer, er is geen heilige meer, de Waarheid wordt zeldzaam onder de volkeren!”.
Uw Liefdedienst heeft mij nog nooit pijn gedaan, mij verdrietig gemaakt.
En we haten het doen van de schenders van God’s Thora, God’s Wet en verafschuwen die smet, te beginnen met mijzelf.
Ontzettend gevoelig voor God’s eer; de Vervulling met de Heilige Geest.
Dàt heeft dus te maken met de beleving van de staat van geluk, de zaligheid, het Heil. Met een kwetsbare, tere omgang met de Heer, ‘Die Heilig is, Die Sterk is en On-Sterfelijk”, intens, innig en vol verlangen uitroepend: “Heer, ontferm U!”.
Vervulling met de Heilige Geest dat straalt ervan af; dat straalt wat uit.
En dat kan ook verzet oproepen en weerstand, want dàn moet ook ikzelf aan het werk, maar in elk geval: dàt glanst en schittert.
Zou dàt niet rijk zijn, naar je kinderen of kleinkinderen toe, wanneer je hen als vader, en moeder, als opa of oma binnenleidt en zij zich vergapen aan de Schoonheid van de Kerk, tijdens een Goddelijke Liturgie?, als leidinggevende of catecheet, naar kinderen en jongeren toe?
Wanneer je, als lid van een Christelijke Gemeenschap, naar je collega’s toe, je omgeving, je familie toe hen rondleidt in jouw Gemeenschap?, waar je trots op kunt zijn en waar je jezelf gedragen weet?
En voor jezelf, om van twijfel, lauwheid in al je benepenheid verlost te zijn en bóven de wereld verheven te zijn?
Is dat het niet waard om te horen naar die roep:
  Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen;
want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth. 11: 28-30.
Dàt is vervuld worden met de Heilige Geest, het levend geloof bouwt op het Woord, maar verlangt naar ervaring en vervulling – allebei en in deze volgorde; dàt is heel wezenlijk.
Dood Geloof meent te geloven en gered te zijn, Vrede met God te hebben en zegt:
wat wil ik nog meer?; “God’s Genade is mij immers genoeg”
Laat het dàt zijn en niet dat andere: ‘dronken van de wijn‘.
Dat noemt Paulus juist in deze brief wel juist omdat dàt in Ephese [Hebr.= “toegestaan”] algemeen gebruik was. In Ephese werd de God van de wijn vereerd: ‘Bacchus’; en vier keer per jaar waren er de Bacchusfeesten, waar overvloedig het product van Bacchus werd gebruikt: de wijn.
Dàn krijg je ook een bepaalde beleving, een goed gevoel, maar wèl van heel andere orde, want dronken van wijn daarin is overdaad.
En “overdaad schaadt”, letterlijk leidt het tot Heil-loos-heid,
Niet‘ tot volkomenheid de staat van geluk, de zaligheid, van het heil, maar zònder heil.
Dáár wáár de Heilige Geest vol van maakt, dàt verstikt de wijn.
Omgang met God, Vreugde, Liefde, Heiligheid, wie dronken is van de wijn, die
is dáár totaal onbekwaam en onverschillig voor [geworden].
Trouwens, dat kan ook door andere dingen gebeuren: als je in wat voor muziek dan ook òpgaat, als je helemaal blind staart naar een voetbalwedstrijd: ‘overdaad schaadt’, is heilloos. De omgang met God wordt erdoor verstikt en verstrooid.
Je kunt het ook merken: want je praat alleen nog maar daarover. Je wordt nogal loslippig, maar niet over de dingen van onze Heer en Zaligmaker.
Wat kunnen dat voor dingen zijn die heilloos voor je zijn: die je verlangen naar God uitdoven, je vreugde in God wegnemen, je open doen staan voor de wereld, je afsluiten voor de eeuwige dingen.
Doe dat niet!
Want wat slecht is voor de omgang met God: probeer het uit je leven te bannen; ik weet het je komt er haast niet om heen in dit tranendal, deze wereld.
Ten diepste is het óf – óf: een christenleven dat niet vervuld is met de Heilige Geest wordt hoe langer hoe meer ingenomen door dingen die heilloos zijn.
Voor de één is dat wijn [of sterker spul en andere stimulerende, geest verruimende middelen], bij een ander sport, een derde werk, een vierde z’n [m’n] computergebruik òf weer wat anders;
de tegenstrever is wat dàt aangaat zeer vindingrijk, maar je leven wordt hoe dan ook èrgens mee vervuld. Is het niet met de Geest dan door aardse dingen, steeds meer en meer.
En steeds lauwer, steeds gezapiger, steeds onverschilliger, steeds geruster ook al heb je geen zekerheid, geen vastheid, geen uitzicht, toch wel kalm en gerust.

De gaven van de Heilige Geest, mosaïc by Arie van de Meer

Wat niet tot goed kan leiden, het levert alleen maar slechte resultaten op,
het is slecht, verderfelijk, kortom heilloos-heid.
Daarom nog een keer:
Wordt vervuld met de Heilige Geest!”.
Daarom begint iedere Orthodoxe dienst aan God, van morgengebed tot avondgebed met de aanroep:
Hemelse Koning, Trooster Geest der Waarheid,
Gij Die overal tegenwoordig zijt en alles vervult,
Schatkamer van het goede, en Schenker van het Leven,
kom en verblijf in ons, reinig ons van alle smet,
en red onze zielen, o Algoede
”.
Wordt aldus vervuld met de Heilige Geest.
Laten we daar eens goed naar kijken, want dat is een merkwaardige uitdrukking.
Indien je deze uitdrukking taalkundig ontleed is het een wonderlijke combinatie.
Het is een imperatief, een gebiedende wijs, een bevel met andere woorden.
Maar dan zou het logisch zijn als er stond: vult uzelf met de Heilige Geest.
En dàt staat er niet, het is een passieve vorm, een lijdende vorm.
Wordt vervuld, dat betekent: een ànder moet dat doen.
Het woordje worden geeft aan: iemand anders doet het.
Ik word vastgehouden door iemand anders, ik word gedragen door iemand anders. Ik word gefeliciteerd door iemand anders.
Dus het is een bevel aan mij gericht wat een ander doen moet!
Mij wordt iets bevolen wat een ander voor mij doen moet. Vreemd!
Dat betekent dus allereerst: ik vul mezelf niet met God’s Geest.
Vul jezelf met God’s Geest is onmogelijk.
Een mens beschikt niet over de Heilige Geest en kan de Geest niet naar zich toehalen. Een mens kan zichzelf niet vullen met de Geest van God.
Het kan zijn dat een mens veel denkt te weten van de Heilige Geest en van al wat Hij doet, daar met Pinksteren over gehoord heeft en dat goed opgenomen heeft.
Het kan zijn dat een mens daardoor vurig is gaan verlangen naar de vervulling met de Heilige Geest. Vurig verlangen, en dàn nòg of juist dàn merkt de mens:
Ik kan het mezelf dit niet geven. Ik ben machteloos. Ik sta verlamd en hulpeloos.
Hoe graag ik ook zou verlangen, ik maak mezelf niet vervuld‘.

Dat is die wonderlijke spanning in het Genadeleven, Die God soms
zo die laat’ voelen opdat . . . . . ja opdat . . . En toch staat er een bevel; “Hèt wordt vervuld”.
Dat wil me klem zetten, uiteindelijk, vroeg of laat kùn je niet anders en
zal je als mens [uiteindelijk] dienen toe te geven.
Dat je er als mens niet gelaten onder bent en je erin zult schikken,
nu, ja, je kunt dàt als mens niet uit jezelf, dat is nou eenmaal zo.
Nee, het wil me met sterke nadruk zovèr brengen,
vooruit voeren, drijven naar Wie het wel kan.
Het brengt mij als mens door de Heilige Geest, vroeg of laat
in positie ten opzichte onze Heer Jezus Christus, de Énige God-mens:
Ik dien als mens vervuld te worden met de Goddelijke Geest, maar ik kan me niet vullen, Heer en Verlosser, Jezus Christus vult U mij dan!
Want het is de Geest van Christus, de Zoon van God, onze Verlosser, Die de  Heilige Geest voor ons heeft verworven.
Hij heeft de wet vervuld, de gehoorzaamheid volbracht, de vloek gedragen.
Hij heeft de Geest verworven; Hij mag Hem uitdelen van de Vader.
Daarom kan Hij uitgedeeld worden!
Daarom kan Hij geschonken worden.
Wordt vervuld, Dàt is Wat hier wordt geopenbaard,
ten opzicht van de inwoners van Ephese [‘toegestaan’],
Die Zich aan mensen, die zich vergrijpen aan alles wat God verboden heeft, heeft geopenbaard, Die alles overstijgt.
Tot mensen de Heilige Geest àl hadden, met de Geest gedoopt, verzegeld waren.
Maar die vervulling is telkens opnieuw nodig, dat geeft de werkwoordsvorm ook aan. Wordt telkens weer vervuld, want dat hart van ons, is als een glas, neen een vergiet. Vandaag volgegoten en morgen weer leeg en dient steeds weer vervuld worden.
Vervuld met de Heilige Geest is geen aparte klasse christenen.
Zo van : dàt was ik eerst niet, nú wel, en och ja, mijn man, die moeder van mij, die is toch maar iemand, die zich voortdurend zorgen maakt over zijn/haar zielenheil, een tobber.
Vandaag vervuld, ben ik morgen ook weer leeg.
Dàn geldt opnieuw, steeds maar weer: word vervuld.
De meest vervulde christen is degene die het meest voor  Christus op de knieën ligt en smeekt:
“Heer, Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U, over mij arme, zondaar”,
teneinde toch maar weer vervuld te worden met Zijn Heilige Geest.
En eens, ja, ééns behoeft dat voor ons mensen niet meer: dàn is het eeuwig vol, vervuld, voor eens en voor altijd.

Vervuld met de Heilige Geest.
Dat is de bron zou je kunnen zeggen.
En uit die bron ontspringen 3 rivieren.
Zoals min of meer uit één bron of brongebied drie rivieren voorkomen: zoals de Waal, de Rijn en de IJssel:
  en spreekt onder elkaar in
Psalmen, Lofzangen en geestelijke liederen en
zingt en jubelt de Heer
van harte,
dankt te allen tijde in de Naam van onze Heer Jezus Christus God, de Vader,
voor alles en weest onderdanig onder elkaar in de vreze van Christus”
Eph.5: 19-21.
Het is
– De niet aflatende rivier/Bron van het spreken, zingen en psalmen;
– De niet aflatende rivier/Bron van het dankende.
– De niet aflatende rivier/Bron van het nederige, het onderdanig zijn.

1.]. het spreken, zingen en psalmen
Allereerst sprekende, hetgeen betekent dat je je mond open doet,
dat je vervuld met de Heilige Geest onder elkaar gaat spreken met
Psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.
Die drie soorten tref je ook in het Psalmboek aan.
Boven sommige Psalmen staat: een Psalm zoals 3, 6, 8, 15, 73.
Boven andere staat: een lofzang, zoals 111, 112, 117,118.
Boven andere: een lied, zoals 92, 98, 108.
En in het Psalmboek vind je die Vreugde, die Liefde, die Heiligheid terug.

Het vloeit voort, welt op uit de vervulling met de Heilige Geest.
Dat kan ook niet anders: dat je na de tijd van de kerkdienst, op een gemeenschap’s-avond, een [Hoog-]feestdag het hebt over:
– ‘Ik vond dat dit wat te schèrp was, ik vond dat dàt wat méér gezegd had moeten worden’-.
Of dat je het hebt over:
– ‘het duurde niet zo lang vanmorgen en het was wel wat warm eigenlijk in de kerk, en die had zeker een nieuw kostuum aan’.
En op een verjaardag gaat het al helemaal nooit over onze Heer en Verlosser en
na het drinken van een ‘versnapering in de vorm van wijn’ kom je niet aan zingen toe, maar dien je wel degelijk op je woorden te passen; en zingen onder elkaar, daar kom je ook niet toe.
Hoe is waterstand in de rivier in uw leven?
Laag misschien? Bijna drooggevallen?
Wat een indruk moeten je kinderen wel niet krijgen of je ouders, wat een indruk krijgen niet- en ongelovigen, heidenen hiervan. Als die naar een voetbalwedstrijd gaan hebben ze het soms over hoe geweldig het was. Maar dàt hoor je die plichtgetrouwe kerkgangers nooit zeggen, net of het alleen maar hun ‘plicht‘ is en meer niet. De rivier, de Bron in uw leven staat bijna droog en wordt vervuld met de Heilige Geest!
Kijk, je kan een paar emmertjes erin gooien, maar dat haalt niet veel uit.
Echt anders wordt het als de bron gaat stromen en overlopen.
Je kan jezelf wat voornemen en nou ga ik, en nou zal ik; dat haalt niet veel uit en het is nog vervuild water ook.
Werkelijk anders wordt als Christus Zijn Geest laat stromen.
Dan stroomt het spreken en zingen;
Eén ding staat er echter nog bij:
psalmen zingend tot de Heer in uw hart.
Dat betekent niet: met gevoel, want gevoel zit in de nieren van de Blijde Boodschap. Je hart is je denkvermogen, het in jezelf overwegen – klopt het wat ik verkondig, òf ben ik vanuit m’n eigen stokpaardje aan het verkondigen.
Dus: dat je wéét wat je zingt, je doordenkt wat je verkondigt; elk woord wordt gewogen, beproeft en mag ervaren worden.
Wat zing ik? Dus niet zomaar mijn gevoel en of het goed in het gehoor ligt.
Zingen vanuit het hart van de mens is doordrongen zijn van wat je zegt, onder elkaar bespreekt en afgewogen verkondigt wordt.
Niemand zoekt als David van nature naar vergeving, maar vecht ertegen, dat is de hoogmoed, die is ingebakken.

2.]. De Bron van het dankende.
      dankt te allen tijde in de Naam van onze Heer 
Jezus Christus God, de Vader, voor alles“ Eph.5: 20.
Uit de bron van vervulling met de Geest vloeit voort, welt op: dankende te allen tijd over alle dingen God en de Vader.
Dàt is nogal niet wat: danken te allen tijd – altijd: wàt er ook gebeurt.
Noem het allemaal maar op: gezonde dagen, zieke dagen,
in dagen van trouw en van rouw,
in dagen van succes en van zakken en ontslag.
Te allen tijde, danken, dáár zit zelfs het woord voor ‘vreugde’ in.
  Verblijdt u in de Heer te allen tijde!
Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u!
Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Heer is nabij.
Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen
door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God.
En de Vrede van God, Die alle verstand te boven gaat,
zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus
Phil.4: 4-7 en
    Ik wil de Heer zegenen ten allen tijde, altijd moge Zijn lof in mijn mond verblijven. 
In de Heer verheft zich mijn ziel, dat de zachtmoedigen het horen en zich verheugen.
Verheerlijkt de Heer met mij, laat ons tezamen Zijn naam verheffen.
Ik zocht de Heer en Hij heeft mij verhoord, Hij heeft mij bevrijd uit al mijn beproevingen.
Nadert tot Hem en wordt verlicht: uw gezicht zal niet beschaamd worden.
Deze arme heeft geroepen en de Heer heeft hem verhoord; Hij heeft hem verlost uit al zijn kwellingen.
De Engel des Heren legert zich rond die Hem vrezen, om hen te bevrijden“.
Psalm 33[34]: 1-7.
Met ‘vallen en opstaan’ is het de grondhouding van het christenleven en dat over alle dingen, in alle omstandigheden, dus met het oog op alles wat er gebeurt.
Want, want God namelijk de liefdevolle Vader:
Hij heeft mij verkoren uit zovelen in Zijn Verbond, Zijn Overeenstemming.
Hij heeft als Liefdevolle Vader uit nameloze diepten mij verkoren van eeuwigheid.
Hij heeft Zijn Zoon gezonden en voor mij laten sterven.
Hij zal daarom alle dingen doen medewerken ten goede.
Hij betoont in alle dingen Zijn vaderlijke zorg aan mij en
Hij leidt mij in Zijn voorzienigheid van uitkomst tot uitkomst.
➻ ✥ ➻ Is te allen tijd Toevlucht en Schuilplaats voor Zijn bange, zwakke kind.
Daarom: “ Hem dankende te allen tijde”, de grondhouding van het menselijk leven. Dat is de goudende diskos [RK = de pateen] die onder alles ligt.

Indien iemand mij van nu af nog iets ‘uit Liefde’ voor mijn verjaardag geeft, hetgeen me niet zo aanstaat, maar het ligt op een gouden diskos, wat zal ik dan nog mopperen?
Wat zal ik klagen dat wat erop ligt niet zo veel waarde lijkt te hebben?
            Alles ligt op die gouden diskos [met de stukjes brood van de proforen] van Zijn Vaderlijke verkiezing, aanneming, verzorging.
Als je dàt niet ziet, ja dàn krijg je het Volk Israël [de Kerk] in de woestijn.
Indien ze niet meer zagen waar ze wel niet van verlost waren en waar ze heengingen, dàn gingen ze mopperen, murmureren, klagen, werden ze jaloers, opstandig, verbitterd.
Dankende te allen tijd God van de Vader in de Naam van onze Heer Jezus Christus en Zijn Heilige Geest, eer aan de Heilige Drieëenheid.
In God’s Naam. In God’s opdracht, in God’s  Heiligheid, in God’s Kracht:
Hij hing aan het kruis: ontkleed, gepijnigd zonder pijnstillers, verlaten van mensen en God, onder de vloek.
Zou ik in Zijn Naam niet danken? Danken dat ‘ik‘ daar niet hang, dat ik het zoveel beter heb, dat ik toegang tot de Vader heb?
Hoe is waterstand in de Bron van dankbaarheid in ons leven? Laag misschien? Bijna drooggevallen? Wat een indruk moeten je kinderen wel niet krijgen of je ouders, wat een indruk krijgen onkerkelijken ervan.
Zo weinig dankbaar, zo vaak morren en klagen, opstandig verbitterd.
Die Bron staat bijna droog. Wordt vervuld met de Heilige Geest!
Kijk, je kunt er een paar emmertjes erin gooien, maar dat haalt niet veel uit.
Echt anders wordt het als de Bron gaat stromen en overlopen.
Je kunt jezelf nogal wat voornemen en nou ga ik, en nu zal ik; dàt haalt niet veel uit en het is nog vervuild water ook.
Echt anders wordt als Christus Zijn Geest laat stromen, onze harten vervuld.
– uit bij ‘Heer, ik roep:’ Hoogfeest van Pinksteren:
    Komt, volkeren, om de Drie-persoonlijke Godheid te aanbidden:
De Vader en de zoon en de Heilige Geest.
Want buiten alle tijd brengt de Vader voort de mede-eeuwige en meetronende Zoon, en de Heilige Geest is in de Vader en wordt verheerlijkt met de Zoon.
Één Macht, één Wezen, één Godheid: wij allen aanbidden en zeggen:
Heilig zijt Gij, God Die door de Zoon alles geschapen hebt, tezamen met de energie van de Heilige Geest.
Heilig is de Sterke, door Wie wij de Vader mogen kennen en door Wie de Heilige Geest in de wereld gekomen is.
Heilige is de Onsterfelijke, de Geest, de Trooster, Die uitgaat van de Vader en Die rust in de Zoon.
Heilige Drieëenheid, eer aan U
”.

3.]. Bron van het nederige, het onderdanig zijn.
Elkaar onderdanig zijnde in de vreze God’s.
en weest onderdanig onder elkaar in de vreze van ChristusEph.5: 21.
Dit vers is de kapstok voor het gedeelte tot en met 6: 9 van  de brief van Paulus aan de inwoners van Ephese [Hebr.= “toegestaan”].
Want dat wordt op hierna uitgewerkt:
⁌  in vrouwen weest aan uw eigen mannen onderdanig, Eph. 5: 22.
⁌  in kinderen zijt uw ouders gehoorzaam, Eph.6: 1.
⁌  in dienstknechten [Gr.= δοῦλος, slaaf] weest uw heren gehoorzaam, Eph.6: 5.
Dàt heeft te maken met een woord, nederigheid, onderdanigheid,
dat betekent: dat ieder zijn toegewezen plaats inneemt en zich aan de regels van het spel houdt. Denk aan een orkest met verschillende instrumenten; dàn heeft elk instrument zijn eigen partij en dàn klinkt het mooi.
Maar als alle instrumenten de dwarsfluit partij gaan spelen en ieder er eigen regels op nahoudt dan is het geen gehoor.
Maar als ieder zich houdt aan zijn eigen rol, dan is het een mooie Symphonie.
Zó heeft God mensen een plaats beschikt, ingedeeld in het leven.
Je bent man, je bent vrouw; je bent vader of moeder, je bent kind van deze vader en moeder; dáár kies je niet zelf voor, dàt is voor je beschikt door de Heer.
En de Heilige Geest leert je juist om je in-te-voegen en te houden aan de plaats en de regels waartoe je aangesteld bent.
De Heilige Geest leert je juist om je in die structuur in te voegen.
In datgene wat de Vader heeft beschikt.
En dan geldt bij de vrouw: weest uw man onderdanig [hoe vervelend dat in onze tijdgeest ook klinkt]; dan geldt heel ouderwets voor kinderen: wees je ouders gehoorzaam.
Dat betekent dus: man, wees dusdanig man dat je vrouw dàt doen kan.
Wees als man echt hoofd van je vrouw, ‘Wijs, liefdevol, gericht op haar welzijn‘,
dat uw vrouw Christus in u ziet en opmerkt. Zodat het heerlijk en goed voor haar is om te volgen. Ouders, wees als ouders zó ouders dat het goed voor je kind als het je gehoorzaamt.
Wees vader naar Gods beeld. Troost als moeder zoals God troosten kan.
Vervul de taak die bij je positie hoort, dat uw kind of uw omgeving de hemelse Vader in u opmerkt en proeft.
En dàn óók: vrouwen, weest onderdanig. Gericht op Gods eer, zolang het kan.
     Zolang het niet tegen God ingaat en je welzijn verwoest, wees onderdanig.
     Zolang het mogelijk is. Kinderen, wees gehoorzaam, zolang het kan.
     Zolang het niet tegen God ingaat en je welzijn verwoest, wees gehoorzaam.
Ook als je man zo makkelijk niet is of doet, ook als je ouders niet zo makkelijk zijn of doen.
Zoek naar de uiterste grenzen, in gerichtheid op God, van onderdanigheid en gehoorzaamheid zó lang als mogelijk is.
Hoe is waterstand in de Bron van onderdanigheid in uw leven?
Laag misschien? Bijna drooggevallen?
Wat een indruk moeten je kinderen wel niet krijgen of je ouders, wat een indruk krijgen onkerkelijken ervan; zo weinig als Christus, als God de Vader,
zo weinig zoekend naar onderdanigheid en gehoorzaamheid.
De Bron staat bijna droog; wordt vervuld met de Heilige Geest!
Kijk, je kan een paar emmertjes erin gooien, maar dat haalt niet veel uit.
Echt anders wordt het als de bron gaat stromen en overlopen.
Je kunt jezelf wat voornemen en nou ga ik, en nou zal ik.
Dat haalt niet veel uit en is nog vervuild water ook.
Pas ècht anders wordt als Christus Zijn Geest laat stromen, de harten van mensen vervuld.

Heer Jezus Christus, onze Verlosser, vervul de mensheid toch met Uw Geest.
Mijn hart, gezin, mijn gemeenschap, die zo dacht ik het meest bij mij past, die kerkgemeenschap. Dan stroomt de nederigheid, de onderdanigheid.
Heer Jezus, geef ons uw Geest, opdat Uw Lichaam van de Heilige Kerk leven zal!
En die rivieren, die uit die Bron voortkomen, zullen stromen naar de zee.
De zee van het Hemels Koninkrijk, van de eeuwige Heerlijkheid.
Daar is het eeuwig zingen, eeuwig danken en eeuwig op mijn plaats zijn, zoals
de Heer en Verlosser het heeft bedoeld.
En het leven door en met de Heer, onze Verlosser,
kent iets van die voortstuwing van het bloed in het Lichaam van Christus,
naar het eeuwig Hemels Koninkrijk, daarheen, voor eeuwig.
Amen.

    En een aanzienlijk, hooggeplaatst man vroeg Hem en zei:
       ‘Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?’.
Jezus zei tot hem:
    Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.
Gij kent de geboden: Gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult geen vals getuigenis geven, eer uw vader en moeder’.
aanzienlijk, hooggeplaatst man zei:
        ‘Dat alles heb ik van jongs af in acht genomen’.
Toen Jezus dat hoorde, zeide Hij tot hem:
        ‘Nog een ding komt gij te kort: verkoop alles wat gij bezit, en verdeel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in de hemelen, en kom hier, volg Mij’

Luc. 18: 18-22.

Apolytikion     tn.1
“   Terwijl de steen door de Joden verzegeld was
en de soldaten Uw alleruiterst Lichaam bewaakten,
zijt Gij na drie dagen opgestaan, o Verlosser,
om aan de wereld Leven te schenken.
Daarom riepen de Hemelse Machten U Toe, o Levenschenker:
Ere zij Uw Opstanding, o Christus.
Ere zij Uw Koninkrijk:
Ere zij Uw Voorzienigheid o enige Menslievende
”.

Kondakion     tn.1
“   Als God zijt Gij opgestaan uit het graf in Heerlijkheid
en de wereld hebt Gij mede opgewekt.
De mensennatuur bezingt U als God
en de dood is teniet gedaan.
adam jubelt o Meester
en Eva, uit haar noemen bevrijd, verheugt  zich en roept uit:
Gij zijt het, o Christus,
Die aan allen de Opstanding schenkt
”.

Theotokion     tn.1
“   Toen Gabriël tot U o Maagd het ‘verheug u’ sprak,
nam de Schepper van het heelal ‘in U‘ het vlees aan.
Toen werd gij ‘de Heilige Ark’, waarover David sprak,
meer omvattend dan de Hemelen.
Eer zij Hem, Die in U woning nam,
Eer aan Hem, die uit u tevoorschijn trad.
Eer aan Hem, Die ons ‘door uw baren‘ heeft bevrijd
”.

Orthodoxie & door vallen en opstaan.

een ‘reizende apostel‘; a ‘traveling apostle‘; ένας «μετακινούμενος απόστολος»; “رسول السفر”.

    Paulus, een apostel van Christus Jezus naar de Opdracht van God, onze Heiland, en van Christus Jezus, onze hoop,
aan Timotheüs [Hebr.=’God vererend’], mijn waar kind in het geloof:
Genade, Barmhartigheid en Vrede zij u van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Heer.
Doe, zoals ik u bij mijn reis naar Macedonië [Hebr.= ‘uitgestrekt land’] aangeraden heb: blijf nog te Efeze [Hebr.= ‘toegestaan’], om sommigen te bevelen geen andere leer te brengen, noch zich bezig te houden met fabels en eindeloze geslacht’s-registers, die veeleer moeilijkheden ten gevolge hebben dan door God gegeven leiding in het Geloof.
       En het doel van [alle] vermaning is Liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd Geloof. Door dit spoor te verlaten zijn sommigen vervallen tot ijdel gepraat; zij willen leraars der wet zijn, zonder ook maar te beseffen wat zij zeggen of waarover zij zo stellig spreken
1Tim.1: 1-7.
Julian [New Style] calendar, Orth Fellowship Saint John the Baptist, verkrijgbaar £4.00 ofsjbcalendar@gmail.com 

De mens is kwetsbaar en de gevolgen van een val kunnen grote invloed hebben op de kwaliteit van leven.
Een val uit de Genade van God kan leiden tot ernstig geestelijk letsel en tot een negatief gevolg leiden in de voortgang op de geestelijke weg, niet alleen voor jezelf maar ook voor je omgeving.
Daarom roept de Kerk de navolgers van Christus enkele perioden van het jaar, voorafgaand aan de hoogfeesten òp tot inkeer.
Met name in die periode zoeken de navolgers hun toevlucht tot het Mysterie, welke onze Heer ter genezing heeft voorgesteld. Alleen in oprechte, diepe genegenheid tot de Verlosser, die zij navolgen, ervaren zij zich als compleet verbonden met de Christelijke gemeenschap.

Het doel van vasten en berouw is een ommekeer in de wijze waarop men
op de weg van het leven, een verkeerde afslag heeft genomen.
In alles wat de mens – zonder goddelijke inspiratie – onderneemt schuilt het gevaar, dat hij/zij door de verleidingen van het kwaad worden overvallen.
Op zich is dit niet verwonderlijk, juist daarin ben je als mens onvolkomen – wil je echter zonder schaamte het hoogfeest vieren, dan zijn daar de voorwaarde aan verbonden je te ontdoen van onvolkomenheden opdat je jouw Heer en Verlosser zonder schaamte kunt naderen.

bekering door vasten en gebed; repentance by fasting and prayer; μετάνοια με νηστεία και προσευχή; التوبة بالصيام والصلاة.

Over het algemeen wordt er voorafgaande aan de communie, de ontmoeting met de Heer, vanaf de avond voorafgaand niets genuttigd – men onthoudt zich van voedsel. Het instellen van een periode van vasten is dus een heel goede reden willen wij ons met hart en ziel tot God richten. Indien we dit naar eer en geweten doen verkrijgen onschatbare vergoedingen voor de moeite en inzet, die het ons kost.
Staan we metterdaad nog op het juiste nederig niveau ten opzichte van de Heilige, Sterke en Onsterfelijke God? Durven wij ‘Onze Vader’ als kind nog onbekommerd te naderen en klinkt de kinderlijke stem nog door in ons hart?
Òf is onze Hemelse Vader en het Hemels koninkrijk vèr van ons verwijderd geraakt? We behoeven niet te veronderstellen dat de verwijdering onoverbrugbaar is, want God heeft de mens lief in een land, waar wij de juiste weg zijn kwijt geraakt. 

✥✥✥   Afgelopen week, de 15e is met het feest van Philippus de vasten als voorbereiding tot Kerst begonnen. Gedurende die periode van vasten houden orthodoxe christenen zich bezig met een aantal grotere geestelijke oefening dan de alledaagse, terwijl zij toevlucht te nemen tot de Mysteriën [RK. Sacramenten] , die daartoe beschikbaar zijn. De belangrijkste daaronder is de ontmoeting met de Heer tijdens de maaltijd des Heren, het hoogste wat een mens maar kan bereiken.

          Na een gedegen voorbereiding behoef je jezelf niet bezorgd te maken dat je vurige kolen op je hoofd stapelt, waarmee bedoeld wordt dat je iets verkeerds of slechts hebt gedaan en wordt gestraft.
        Wie is zij, die daar ‘opklimt’ uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? Onder de appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft u uw moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft.
Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des Heren. Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachtenHooglied 8: 5-7.
        Het blijkt als bij Elia [Hebr.= ‘mijn God is Heer’] dat God juist heel vriendelijk voor hem is, hij wordt weer op weg gestuurd naar de woestijn van Damaskus [Hebr.= ‘de zakkenwever zwijgt’] en zalft daar Hazaël [Hebr.= ‘een die God ziet’] als koning over Syrië [Hebr.= ‘verheven’].
De profeet Elia werd met de dood bedreigd door Izebel [Hebr.= ‘Baäl prijst òf echtgenoot van Baäl, van onkuis’], die al enkele honderden collega’s van Elia had laten ombrengen. Ontmoedigd trok Elia zich terug. Onder een jeneverboom viel hij in slaap, in de hoop nooit meer te ontwaken. Maar een engel [een boodschapper van God] wekte hem en gaf hem te eten, zie 1kon.19: 1-15.

NB. De jeneverboom is een struik, die zelden opgroeit tot een boom en heeft puntige stekende bladeinden, zodat iemand daar niet gemakkelijk onder zal rusten. De Jeneverschaduw zoals Virgilius opmerkt, bezwaart de geest en indien iemand daar lang onder slaapt wordt hij daardoor, als door teveel wijn, bedwelmd.
         “  Maar een van de serafijnen vloog naar mij toe met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar genomen had; hij raakte mijn mond daarmee aan en zei:          Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt; nu is uw ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoendIsiaiah 6: 6,7.

Het is dus verwonderlijk dat ‘niet méér’ mensen de Mysteriën van de Kerk naderen, welke immers een gewijde handeling in het Christendom betreft, waardoor God kòmt . . . tòt de mens.
In die zin staat een Mysterie tegenover het gebed en het offer, waarin de mens nadert tot God. Verschillende Mysteriën markeren een belangrijk moment in het leven van de volgelingen van Christus. Het Latijnse begrip is afgeleid van het woord ‘sacramentum’, hetgeen [geloof’s-]geheim betekent.
De Christelijke Kerk definieert een Mysterie als een directe handeling van onze Heer en Verlosser Jezus Christus, die teruggaat op het Woord en het aardse leven van Jezus Christus. De Mysteriën zijn, volgens de Christelijke kerkleer, ‘persoonlijk‘ ingesteld door onze Heer en Zaligmaker.
Het ontvangen van deze Mysteriën is zowel ‘recht als plicht‘ van de gedoopte volgelingen van Christus. Een Mysterie wordt steeds toegediend ‘in en door‘ de Kerk, daarom vindt de toediening altijd plaats in Liturgische vorm. Men ontvangt de heilzame werking, waardoor men wordt opgenomen in het Mysterie-volle leven van het Lichaam van Christus, de Kerk.

NB. Uitsluiting van gelovigen van het ontvangen van de Mysteriën is alleen mogelijk als gevolg van excommunicatie, staat van publieke zonde [in bepaalde gevallen] en ketterij.
Niet-Orthodoxen mogen niet worden toegelaten tot de Orthodoxe Mysteriën, hetgeen niet bedoeld is als afwijzing, maar om binnen de Orthodoxie het Orthodoxe Geloof zuiver te bewaren.
De laatste tijd is hieromtrent nogal wat te doen geweest, aangezien hoofdtoezichthouders hier ‘onterecht‘ een strijdmiddel voor onderlinge strijd van maken.

”       Wij weten [heus wel], dat de wet goed is, indien iemand haar ‘wettig‘ toepast, wel wetend, dat de wet niet gesteld is voor de rechtvaardige, maar voor wettelozen en tuchtelozen, voor goddelozen en zondaars, voor onverlaten en onheiligen, voor vadermoorders en moedermoorders en doodslagers,  hoereerders, knapen-schenders, ziel-verkopers, leugenaars, meinedigen, en ‘al wat verder ingaat tegen de gezonde leer‘,  in overeenstemming met het Evangelie der Heerlijkheid van de zalige God, dat mij is toevertrouwd.
        Ik [Paulus] breng dank aan Hem, die mij kracht gegeven heeft, Christus Jezus, onze Here, dat Hij mij getrouw geacht heeft, daar Hij mij in de bediening gesteld heeft, hoewel ik vroeger een godslasteraar en een vervolger en een geweldenaar was Maar mij is ontferming bewezen, omdat ik het in mijn onwetendheid, uit ongeloof, gedaan heb en zeer overvloedig is de Genade van onze Heer geweest, met het Geloof en de Liefde in Christus Jezus 1Tim.1: 8-14.

Heb je de plank wel erg mis geslagen dan is er het Mysterie van de Verzoening, middels het Mysterie van de boete en verzoening, een van de zeven Mysteriën van de Kerk. In Mysterie van de Biecht kan een gevolmachtigd spelleider, priester, in Christus’ Naam zonden vergeven. Deze priesterlijke functie wordt wel biechtvader genoemd.
De biecht is gebaseerd op de woorden die onze Heer heeft gericht tot zijn Apostelen op de dag van Zijn verrijzenis: “    Hij blies op hen en zei tot hen:
  Ontvangt de Heilige Geest. Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; 
wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend’“ John.20: 22-23.
Doordat een vastenperiode een periode van verdieping [lezing] en verdieping [ zelfonderzoek] is zullen vele gedoopten zich ook in deze periode overgeven, teneinde  kwijtschelding van ongerechtigheden te  verkrijgen.
➻      Na de begroeting maakt de spelleider/priester bekend dat ‘ook hij‘ maar een mens is van vlees en bloed is met ongerechtigheden, dat hetgeen hem gezegd wordt ‘tot Christus‘ gezegd wordt en veelal zal de priester de bekentenis aanhoren terwijl hij het gebed van het hart bidt, daarmee aangevend dat het slechts onze Heer is, Die onder de indruk is van de deemoed van de biechteling. Het Mysterie wordt in de Orthodoxe Kerken bij voorkeur voltrokken voor de Christus icoon van de iconostase.

De priester is als instrument gehouden tot een streng biecht-geheim. Dit betekent, dat niet alleen een rechtstreekse schending, maar ook de onrechtstreekse schending van het biechtgeheim door de priester door de Kerk bestraft kan worden. Een spelleider/priester kan wèl proberen om, indien iemand een zware misdaad opbiecht, deze persoon te overreden daarmee naar buiten te treden en de juridische gevolgen van zijn daad te accepteren; een besluit daartoe moet echter van de zondaar zèlf uitgaan.
De spelleider/priester, biechtvader zal de biechteling vervolgens onder zijn epitrachilion, het symbool van zijn priesterschap leiden en totale kwijtschelding en schuld uitspreken.

De aan het vlees gebonden stoffelijke mens ziet in dat z’n/haar Christelijke gebondenheid, door het lichaam en bloed van Christus, het offer aan het Kruis, geleid heeft tot deze vergeving en beseft dat z’n innerlijke ziel en geest behoefte heeft aan vergeving. Een priester zal hier derhalve nooit meer op eigen initiatief op terugkomen, niet persoonlijk, maar ook niet op andere wijze door daar in gesprek of preek een nadere verklaring aan te verbinden.
Op deze wijze wordt zowel in de Kerk als in het dagelijks leven in de wereld respect getoond aan dit Mysterie. De spelleider, de gemeenschapspriester toont zich aldus een spiritueel bevlogen beoefenaar.
Hij zal u te woord staan als en uw vragen beantwoorden alsof God Z’n kind antwoord geeft. Waarom zijn onze levens zo onrein geworden, zo vol van hartstochten en verworden to zondaars? Omdat veel van onze verwondingen en pijnen diep in ons geestelijk bewustzijn verborgen liggen, met tot gevolg dat die pijn ons voortdurend irritatie opwekt, waardoor zij telkenmale onbewust te voorschijn treden en is het niet mogelijk om wie dan ook daar een medicijn voor te geven.

indien een mens valt, opstaat en gered wordt” wordt onderkent dat eenieder een zondaar is, voortdurend valt en wordt met behulp van de Genadegaven van de Heilige Geest, stapje voor stapje, aangeleerd hoe de mens zich kan verheffen, door nauwlettend te blijven, Deze Wijsheid te verkrijgen.
De Wijsheid ontstaat hierin doordat de val ons tegen de borst stuit onder toeziend oog van een Barmhartige Vader, Die toeziet op de ontwikkeling van het goddelijk kind.
Na een oprecht berouw, welke wordt uitgedrukt in de woorden van de Profeet en Koning David, zal de vergeving van zonden over ons leven lichten, het dusdanig verlichten dat het ons geestelijke verlichting schenkt.
      Spelleiders zijn dus als in de Apostolische lijn, gezanten van Christus, alsof God door hun mond u vermaande; in naam van Christus vragen zij u: laat u met God verzoenen. Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden Gerechtigheid van God in Hem” conf. 2Cor.5: 20-21.
Alleen op grond van ons Geloof worden geestelijke bergen verplaatst – de hoogten, diepten en het gewicht van onze zonden.
Daarom, zeggen we wel eens wanneer wij als Christenen door berouw en belijdenis zijn vrijgesteld van de last van de zonden:
Eer en dank aan God, want de gehele belasting is mij van de schouders genomen”.

November 21e – Tempelgang van de Alheilige Moeder Gods

      Terwijl zij op reis waren, kwam Hij in een zeker dorp. En een vrouw, Martha [Hebr.= ‘zij was opstandig’] geheten, ontving de Heer in haar huis. En deze vrouw had een zuster, genaamd Maria [Hebr.= ‘hun opstand’], die, aan de voeten des Heren gezeten naar Zijn Woord luisterde.
Martha echter werd in beslag genomen door het vele bedienen.
En zij ging bij Hem staan en zei:
Heer, trekt Gij het U niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg haar dan, dat zij mij komt helpen.
        Maar de Heer antwoordde en zei tot haar:
Martha, Martha, gij maakt u bezorgd en druk over vele dingen, maar weinige zijn nodig of slechts een; want Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen.
        En het geschiedde, toen Hij deze dingen sprak, dat een vrouw uit de schare haar stem verhief en tot Hem zei: ‘Zalig de schoot, die U heeft gedragen, en de borsten, die Gij hebt gezogen.
        Maar Hij zei:
Zeker, zalig, die het woord Gods horen en het bewaren
Luc.10:38-42; 11: 27,28.

      Nu had ook wel het eerste [Verbond] bepalingen voor de eredienst en een heiligdom voor deze wereld. Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kandelaar en de tafel met de toonbroden stonden; deze werd het heilige genoemd; en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het Heilige der Heiligen, met een gouden reukoffer-altaar en de ark van het Verbond, rondom met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden kruik met het manna, de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen van het Verbond [met de Thora]; daarboven waren de cherubijnen der Heerlijkheid, die het verzoendeksel overschaduwen; hierover kunnen wij nu niet in bijzonderheden treden.
Dit was dan aldus ingericht, en de priesters kwamen bij het vervullen van hun diensten voortdurend in de voorste tent, maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het volk in onwetendheid bedrevenHebr.9: 1-7.

Mozes en de brandende braambos

Het begin van alle kennis is ontzag voor de Heer.
Immers:
    Hoor, mijn kind, de tucht van uw vader en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet; want zij zijn een lieflijke krans voor uw hoofd, een keten voor uw halsSpr.1: 8,9.

De wereld bereidt zich voor op de Komst des Heren en terwijl zij te hoop liepen maakten zij  zich opstandig druk over de knecht van de Heilige, is die zwart of wit. “Maar dit geslacht is een boos geslacht. Het begeert een teken, maar het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona” [Hebr.= ‘duif’] Luc.11: 29.
Uit lijfsbehoud volgt een mensenkind blindelings de aanwijzingen van de Vader.
De aanleiding voor het feest van vandaag is het kleine meisje Mirjam [Hebr.= ‘hun opstand’], dat als gevolg van de Gelofte tot de Heer van haar ouders naar de Tempel werd gebracht om daar dienstbaar te zijn.
Het is een apocrief verhaal en vermeld staat dat zij als 3-jarig meisje zelfstandig de 15 treden opliep, die haar naar het Heiligdom leidde.
Dit kind volgde in gehoorzaamheid aan de aloude Traditie de aanwijzingen van haar ouders en besteeg de 15 treden naar het Heiligdom.
Om dit te begrijpen dien je kennis te hebben van hetgeen de Profeten hebben voorzegd;
Profeten hebben in die toekomst gezien en wonderlijke dingen voorzegd.
In onze huidige vertalingen wordt nogal wat weg-vertaald en slechts de Statenvertaling bevat nog in het opschrift van de Psalmen 119[120] t/m 133 [134] de Hebreeuwse titel laten staan:
שיר הממלוטח [Shir Hammaaloth, Hebr.= ‘Lied van deugden’],
de Orthodox Study Bible ‘An ode of ascents’ [‘een ode van opstijgingen’].
Dit betekent zo iets als: ‘het lied van de treden’ – het zijn pelgrim’s liederen, gradualen, welke op hoogfeesten voorafgaand aan ‘het Woord’, de lezing van de Blijde Boodschap werden gezongen.
Zo wordt Psalm 131[132] als Messiaanse Psalm, voorafgaand aan  de Geboorte van onze Heer gebruikt, want vers 11 van deze Psalm laat zien dat “God, de Zoon, mens werd in haar schoot”: “ Vrucht van uw [David’s] lichaam zal ik plaatsen op uw troon, als uw zonen Mijn Verbond onderhouden” vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Het liturgisch samenkomen

Antiocheens Orthodoxe samenkomst  in Amersfoort

De oudtestamentische aspecten van de eredienst blijven gelden in het Nieuwe Verbond, zeker zolang de tempel nog staat [tot de verwoesting in het jaar 70], maar er komen steeds meer nieuwe accenten.
De nadruk op de Éne God wordt gehandhaafd, waarbij ook blijkt dat deze God Zich geopenbaard heeft in Jezus Christus. “God’s Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoondJohn.1: 14. Jeruzalem blijft het centrum van de dienst aan de ene God, ook als mensen uit andere volkeren tot Geloof in Onze Heer en Verlosser, Jezus Christus kom [Rom.15: 27; 2Cor.8: 4].

Geloof draagt je door het leven; الإيمان يحمل لك الحياة; Faith carries you through life.

Toch kan God op ‘alle’ plaatsen gediend worden, omdat Hij daar woont [1Cor.3: 16; 2Cor.6: 16; Eph.2:21; 1Cor.3: 16,17; 6: 19].
Het betekent dat de navolgers van Christus hun lichamen behoren over te geven als een offer, dienstbaar behoren te zijn aan God en de naasten, omdat dit God welgevallig is:
  ”      Jij zult nauwgezet de geboden van de Heer, jouw God, onderhouden en de getuigenissen en de inzettingen, die Hij jou opgelegd heeft; Jij zult doen wat recht en goed is in de ogen des Heren, opdat het jou wel ga en jij het goede land, dat de Here aan jouw vaderen onder ede beloofd heeft, binnengaat en in bezit neemt, door al jouw vijanden voor u uit te jagen, zoals de Heer heeft gesprokenDeut.6: 17-19.
  “      Laat je niet overwinnen door het kwaad, maar overwin het kwaad door het goedeRom.12: 21.
De gelovigen vormen het Lichaam van Christus, een Koninkrijk van priesters:
      Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk [aan God] ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar Licht: u, eens niet Zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen1Petr.2: 9,10.
De gemeenschap van navolgers van Christus op aarde en de gelovigen afzonderlijk worden een Tempel van de Heilige Geest genoemd omdat God daar woont.
In de gemeenschap zijn toezichthouders, spelleiders – apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het Lichaam van Christusconf. Eph.4: 11-12.
De Christelijke Gemeenschap viert in het Mysterie van de Doop en de deelname aan de Goddelijke Liturgie/ het avondmaal, de verbondenheid met Christus, als Zoon van de levende God. Met oude en nieuwe liederen, waartoe ook de Psalmen behoren, zingt men de lof aan God:
– “  En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zei: ‘Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden’. Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader. En na de lofzang gezongen te hebben vertrokken zij naar de Olijfberg.
Toen zei
[onze Heer en Verlosser] Jezus tot hen:
  Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden. Doch nadat Ik zal zijn opgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galilea
[Hebr.= ‘kring’]“ Math.26: 27-32.
– “  en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt de Heer van harte,  dankt te allen tijde in de Naam van onze Heer Jezus Christus God, de Vader, voor alles, en weest elkander onderdanig in de vreze van ChristusEph.5: 19-21.
Het gaat hier met name om de tijd van de wederkomst van Christus, waarin ‘alle’ profetieën vervuld zullen worden. Over die tijd heeft onze Heer en Verlosser Jezus Christus Zelf eveneens herhaaldelijk gesproken toen Hij nog op aarde was.

Opgang naar de Geboorte des Heren

Christus, Geboorte in het vlees

In een tijdperk waarin zoveel mensen van goede wil, met edelmoedigheid, toewijding en ijver de Vrede zoeken waar de mensheid levensbehoefte aan heeft, is het onontbeerlijk dat de Christelijke Gemeenschap terugkeert naar het Woord van God, naar de Bron van het leven en naar de Traditie, Die dat Woord verklaart en actualiseert, teneinde in deze oude en nieuwe schatten, Die God ons heeft toevertrouwd, woorden van onderricht en aansporing te putten, aangepast aan de actuele omstandigheden.
De Vaders van de Kerk, van Oost en West, of ze nu in het Grieks, Latijn, Russisch Syrisch of Coptisch schrijven, zijn voor ons op de eerste plaats getuigen van het Geloof, dat in Jezus Christus telkenmale wordt vernieuwd door de Heilige Geest, Zij getuigen van de Kerk, het Lichaam van Christus in haar verrezen Heer, uitdeler van God voor het Heil van de mensen:
      Toen het dan avond was op die eerste dag van de week en ter plaatse, waar de discipelen [volgelingen] zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zei tot hen:
  Vrede zij u!’ En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Heer zagen.
Jezus dan zei nogmaals tot hen: ‘Vrede zij u!’ Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u
John.20: 19-23.
Het Mysterie van het Heil, sinds alle eeuwigheid door de welwillendheid van de Vader besloten, door de Zoon in de Kracht van de Heilige Geest verwezenlijkt, is geheimenisvol aan het werk in de menselijke geschiedenis en zichtbaar aan het werk in de Kerk. Onvermoeibaar en dienstbaar herinneren de Vaders er aan, in het spoor van de heilige Johannes en Paulus,
dat de Vrede op aarde de vrucht is van Vrede tussen God en de mensen, die door de gekruisigde Christus werd hersteld;
dat deze Vrede een aspect is van Liefde en eenheid die in de Kerk moeten heersen, opdat de wereld zal geloven, dat deze Vrede de gehele schepping [Engelen en mensen, de mensen onderling, de mens in zichzelf, de mens en de natuur, bezield en niet bezield] tot verzoening brengt:
      Gij zult een kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe.
En plotseling was er bij de engel een grote Hemelse legermacht, die God loofde, zeggend: ’ Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen van het welbehagen
Luc.2: 12-14.

Het begin van alle kennis is ontzag voor de Heer.

De alheilige wereldomvattende Kerk, ‘een Mysterie’ – icoon

    De gemeenschap in Christus dan door geheel Judea
[Hebr.= ‘het gebied van de stam van Degene, Die geprezen zal worden’], Galilea [Hebr.= ‘kring’] en Samaria [Hebr.= ‘ wachtberg, voogdijschap’]
had Vrede; zij werd opgebouwd en wandelde in de vreze des Heren, en
zij nam in aantal toe door de bijstand van de Heilige Geest
Hand.9: 31.
      Dient de Heer in vreze, juicht Hem toe met ontzagPsalm 2: 11.
God voegt in Zijn Wijsheid via de profeet David de twee elementen vreze en ontzag samen die onverenigbaar lijken en vraagt ons vervolgens te vertrouwen op Zijn Wijsheid.
Voor ons werelds, vleselijke denken slaat dàt nergens op en dat blijkt wel wanneer beide elementen in de Kerk gaan ontbreken, de gevolgen van de massale uittocht zie je – als gevolg van de onderlinge ‘broederstrijd’ – voor ogen.
Maar de ‘vreze des Heren’ èn ‘de troost van de Heilige Geest’ ná het toejuichen uit ontzag kunnen samengaan – indien je maar wilt !!!
      Mijn kinderen, indien jullie Mijn woorden aannemen en mijn geboden bij u bewaren, Zodat uw oor de Wijsheid opmerkt en gij uw hart neigt tot de Verstandigheid,
Ja, indien gij tot het inzicht roept en tot de Verstandigheid uw stem verheft; indien gij haar zoekt als zilver en naar haar speurt als naar verborgen schatten.
Dan zult gij de Vreze des Heren verstaan en de kennis van God vinden
Spr.2: 1-5.
      Weest [dàn] heilig, want Ik ben heilig. En indien gij Hem als Vader aanroept, Die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandelt dan in vreze de tijd van uw vreemdelingschap, wetende, dat gij niet met vergankelijke dingen, zilver of goud [winstbejag en macht’s uitoefening] zijt vrijgekocht van uw ijdele wandel, die [u] van de vaderen overgeleverd is, maar met het kostbare bloed van Christus, als van een on-berispelijk en vlekkeloos lam1Petr.1: 15-19.
De bron van de vijandschap is de zonde [gebaseerd op de hoogmoed] welke de vijandschap tussen de mensen onder elkaar en God en de mensen deed ontstaan.
De Liefde van de prins van de Vrede om te spreken met de Profeet volgt op:
      Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn Schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, VredevorstIsaiah 9: 5.
De Liefde van de prins van de onderlinge Vrede heeft de vijandschap omgebouwd tot Vrede. In de mate waarin de navolger van Christus, door het Doopsel als Mysterie zich bekleed heeft met Christus, een verandering tet heiliging heeft ondergaan, is hij óók geroepen ‘zelf’ als mens vrede te worden [zie tevens H. Gregorius van Nyssa in zijn “over de Volmaaktheid”].
Laten wij dan deze ‘in de hitte van de strijd opgelopen’ vijandschap niet in leven houden, maar door onze nederigheid te beoefenen laten zien, dat ze dood is; uit angst dat we ze, nu ze gelukkig en tot ons heil door God gedood werd, niet zelf en tot onze schade weer tot leven zouden wekken en onze ziel te gronde richten door onderlinge toorn en wrok.
Het is hard werken voor Martha, maar Maria heeft aan de voeten van haar Heer het goede deel uitgekozen en dat zal van haar voorzeker niet worden weggenomen!

Apolytikion     tn.4.
  Heden is het begin van ons welbehagen: de voorbereidende Verkondiging van de Verlossing van de mensen.
De Maagd komt in de Tempel van God
en verkondigt reeds aan allen de Christus.
Tot haar willen ook wij met de Engel roepen:
verheug U, Vervulling van het Heilsplan van de Schepper
”.

Kondakion      tn.4.
De alreine Tempel van de Verlosser,
   het kostelijke Bruidsvertrek,
   de geheiligde Schatkamer van God’s Heerlijkheid,
wordt binnengeleid in het Huis des Heren.
Zij brengt daar de Genade van God’s Heilige Geest,
terwijl de engelen zingen:
‘ Zie dáár is de Hemelse woontent’
”.

25e Zondag na Pinksteren – de rijke dwaas

          En Hij sprak tot hen een gelijkenis en zei:
Het land van een rijk man had veel opgebracht.
             En hij overlegde bij zichzelf en zei:
    Wat moet ik doen, want ik heb geen ruimte om mijn vruchten te bergen.
             En hij zei [bij zichzelf]:
‘Dit zal ik doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen en ik zal daarin al het 
koren en al mijn goederen bergen.
             En ik zal tot mijn ziel zeggen:
‘ Ziel, gij hebt vele goederen liggen, opgetast voor vele jaren, houd rust, eet, drink en wees vrolijk.
Maar God zei tot hem:
‘ Jij dwaas, in deze eigen nacht wordt uw ziel van u afgeëist en wat gij gereedgemaakt hebt, voor wie zal het zijn? Zo vergaat het hem, die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God
“.
Luc.12: 16-21.

      Als gevangene in de Heer, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmee jullie geroepen zijn, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in liefde te verdragen, en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band van de Vrede één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene Hoop van uw roeping,
één Heer, één Geloof, één Doop, één God en Vader van allen, Die is boven allen en door allen en in allen. Maar aan een ieder onzer afzonderlijk is de Genade[gave] gegeven, naar de mate, waarin Christus haar schenkt
Eph.4: 1-7.

Iemand uit de menigte zei tot Hem:

tijd tot een besluit

Meester, zeg tot mijn broeder, dat hij de erfenis met mij dient te delen’.
     Christus zei tot deze mens, die Hem als Rechter benaderde:
Mens, wie heeft Mij tot Rechter of Scheidsman over u aangesteld?
Hij zeide tot de menigte: ‘Ziet toe, dat gij u wacht voor alle hebzucht, want
ook als iemand overvloed heeft, behoort zijn leven niet tot zijn bezit
’.
Onze Heer en Verlosser vermaant ons dat wij dienen toe te zien,
te wachten voor de hebzucht.
  Zij, die rijk zijn in de tegenwoordige wereld, moet gij bevelen niet hooghartig te zijn, en hun Hoop gevestigd te houden niet op onzekere rijkdom, doch op God, Die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft,  om wel te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig en mededeelzaam,  waardoor zij zich een vaste grondslag voor de toekomst verzekeren om het ware leven te grijpen“ 1Tim.6: 17-19.

God stelt dat degene, die geroepen is om
financiële onafhankelijkheid te kunnen opbouwen, hetgeen inhoudt dat je minder uitgeeft dan je verdient;
– dat je oog voor de minderbedeelden dient te hebben,
– dat je daarmee je Hoop gevestigd blijft houden op God.
Nu kan juist dàt nogal genuanceerd worden;
– je kunt namelijk 500 duizend dollar verdienen en tegelijkertijd, 500 duizend dollar uitgeven, waarop je geen cent meer te makken hebben en
– en je kunt rijk zijn door [slechts] 100 duizend dollar te verdienen en 40 duizend dollar uit te geven en zo’n 1 miljoen dollar op de bank achter de hand hebben.
Betrokkenheid bij het Geloof in Christus, als Heer en Meester van ons allen, maakt in zo’n geval de  problemen eerder groter dan kleiner, want is rechtschapen en hoe communiceer je je activiteiten naar de buitenwereld.
Zeer regelmatig kun je oprechte navolgers van Christus ontmoetten, die een graad van bewusteloosheid aan de dag leggen waar je stil van wordt, en
dàn hebben we het over die kleine groep rijken, die
85 % van het kapitaal van de wereld in handen hebben.

Wanneer je de Hoop op God gericht houdt zul je rijk zijn in goede werken, vrijgevig en wat veelal ontbreekt is mededeelzaam zijn.
Natuurlijk zijn er verschillende maatstaven aan de hand waarvan je bepaalt wie ‘rijk’ is, maar in de meeste situaties komt het er op neer dat er sprake is van een specifiek inkomen, of een sociale klasse.
Financiële onafhankelijkheid draait niet om hoeveel geld je hebt, maar waar je het aan uitgeeft. Reining zelf is het vleesgeworden verschil tussen ‘rijk zijn’ en ‘rijk doen’. Veelal gaat het om mensen, die een half miljoen verdienen,
waarvan de kinderen op privéscholen zitten, 
die tweede huizen bezitten en er een dure levensstijl op nahouden.
Je hoort maar al te vaak zeggen:
Het gekke met geld is dat je altijd maar denkt meer nodig te hebben
– zelfs wanneer je genoeg hebt, lijkt het nog onvoldoende
“.
De kloof tussen rijk en arm wordt groter dan gedacht en vervolgens worden we met duizelingwekkende cijfers om de oren geslagen.
Vorige maand nog kwam Oxfam Novib met een onderzoek naar buiten
waaruit blijkt dat de wereldwijde rijkdom met
10 biljoen dollar is toegenomen tot 281 biljoen dollar.
Slechts 1 procent van de wereldbevolking is
verantwoordelijk voor maar liefst 82 procent van die groei.
Met andere woorden: ‘de rijken worden alsmaar rijker’.
Veel mensen denken dat het om een hoog inkomen gaat, maar
dat is slechts een tijdelijke stroom die je niet kunt doorgeven
aan een volgende generatie.

Bij rijk en arm gaat het om bezit, om dingen die wèl doorgegeven kunnen worden. Ons leven in het rijke westen gelijkt op een diepe greppel, die met de regen wordt gevuld om onbegaanbaar te worden, terwijl het op andere plaatsen bij andere weer dusdanig wordt uit-gedroogd dat er totaal geen water meer door stroomt. Door onze manier van leven is het hele klimaat van slag, is er sprake van teveel regen en teveel droge en hete periodes.
          De wijze kerkvaders prijzen een leven dat
eruit ziet als een klein voortkabbelend stroompje, dat
altijd maar door stroomt en nooit opdroogt.
De stroom van het leven wordt door haar roep [van haar Heer en Meester] eerst benaderd, ten tweede, is het aangenaam en nuttig voor alle voorbijgangers, want
het levende water is altijd te drinken en kabbelt stil en het rolt voort, zodat de mens nooit zal vervagen.
        Wie de neiging heeft om het geestelijk leven serieus te nemen, dient er niet in de eerste plaats voor te zorgen dat alles en iedereen zich voortbeweegt  overeenkomstig de wil en het oordeel van God, maar dient zich vooral te beschermen tegen dubbelhartigheid.
        Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van de Heer zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen.
Laat de geringe broeder roemen in zijn hoogheid, maar de rijke in zijn geringheid, want als een bloem in het gras zal hij vergaan.
           Want de zon komt op met haar hitte en doet het gras verdorren, en zijn bloem valt af en de schoonheid van haar uiterlijk verdwijnt; zo zal ook de rijke met zijn ondernemingen verwelkenJac.1: 7-11.

          Iedereen huivert bij het aanschouwen van de beelden, die ons in het nieuws voorbijtrekken, niet alleen oorlogen geven ons een afkeer van angst, de omvang van de verwoesting, aan droogte, aan overstromingen, aardver-schuivingen, aardbevingen zet zich op ons netvlies vast en daalt neer in ons hart; het lijkt of de rijken zich slechts veilig willen stellen voor wat komen gaat.
Maar David liet ons al weten dat:
      De mens z’n dagen als gras zijn; als een veldbloem is zijn bloei. Want wind waait erover en hij/zij is er niet meer; zelf s zijn plaats is niet meer te vinden”.
Maar de Barmhartigheid des Heren is van eeuwigheid, en duurt tot in eeuwigheid over wie Hem vrezen. God’s Gerechtigheid blijft over het geslacht van hun kinderen, die Zijn Geboren onderhouden, Die het Verbond met hem indachtig zijn om dàt ten uitvoer te brengen, Conf. Psalm 102[103] uit Metten van elke dag.
En “ Zalig de mens,
– die niet gaat naar de raad van goddelozen.
– die niet stil houdt op de weg van zondaars,  noch plaatsneemt in de zitting van wie een ‘pest’ zijn.
Maar die vreugde vindt in de Wet des Heren:
– die Zijn Wet overweegt bij dag en bij nacht.
Hij/zij staat als een boom, aan stromend water geplant; die te zijner tijd vrucht draagt. Zijn/haar loof valt niet af en al wat hij/zij doet zal voorspoedig gelukkenPsalm1: 1-5.

Wie zijn wij om grenzen aan God te stellen?‘.
Iedereen heeft weleens te maken met tegenslag.
Wanneer wij mensen dit aan onze oerdriften overlaten, is
de standaard reactie ‘vluchten, vechten of bevriezen‘.
Dat lijkt logisch, maar het is een primaire reactie en
uiteindelijk een harde rem op onze ontwikkeling.
Terwijl tegenslag juist een ultieme mogelijkheid is om héél ‘veel‘ te leren!
Een teleurstelling bij tegenslag heeft altijd een oorzaak.
Soms is dat een denkstijl of geesteshouding die bepaalt hoe je naar jezelf en je kwaliteiten en vaardigheden kijkt, soms is het gedrag.
Wanneer jij jouw tegenslag leert begrijpen, kun je iets veranderen; je kunt bijvoorbeeld iets anders doen of iets anders verwachten.
Tegenslag kan een belangrijke les voor ons mensen zijn, probeer er daarom uit te halen wat erin zit!
Wanneer een mens òf de mensheid niet adequaat omgaat met onze tegenslagen,
zal de uitdaging op je pad blijven komen. Je stoot je dan regelmatig aan dezelfde steen, totdat wij iets zijn gaan leren.
Christus is de belichaming van God’s Barmhartigheid. Barmhartigheid behelst, evenals deernis, mededogen, medelijden, medelijden en ontferming, een gevoel voor het lijden van iemand anders, voor ons mensen dus, want God heeft de mensen lief.
Die ervaring kennen we allen, vanuit het feit dat het ons ingebakken is bij de schepping. Maar er is ook verschil. Deernis, medelijden en mededogen zijn meer passief, lijdend; barmhartigheid, ontferming en medelijden zijn meer actief, bedrijvend.
Barmhartigheid is meer dan een gevoel voor het lijden van iemand anders, is meer dan medelijden en dit is wat wij vorige week in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan, in Christus Zelf tegenkomen.
Wij hebben geen zeggenschap over ons leven, laat staan over dat van anderen,
het enige wat ons vanuit het mede lijden tot anderen overblijft is dat wij mede delen in de nood van anderen.
Alleen ‘daarom‘ al heeft het geen pas onze overmaat aan goederen te laten liggen,
het voor vele jaren, via weet ik wat voor mogelijkheden voor jezelf en je nageslacht veilig te stellen opgetast voor vele jaren en te berusten in al datgene wat om je heen plaats vindt,  rust te houden, overmatig te eten, te drinken en vrolijk te zijn. 
De mens ontvangt geen onsterfelijkheid, de eeuwigheid is alleen aan god voorbehouden:
          Maar ik weet: mijn Losser leeft en ten laatste zal Hij op het stof optreden.
Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, Die ik zelf mij ten goede aanschouwen zal, Die mijn eigen ogen zullen zien en niet een vreemde; mijn nieren in mijn binnenste versmachten van verlangenJob.19: 25-27.

Apolytikion     tn.8.
  Uit den Hoge zijt Gij neergedaald, o Barmhartige,
en zijt drie dagen in het graf gebleven,
om ons van het lijden te bevrijden.
Gij zijt ons Leven en onze Verrijzenis;
Heer, eer aan U
”.

Kondakion     tn.8.
  Nadat Gij zijt opgestaan uit het graf,
hebt Gij de doden opgewekt,
en Adam weer doen opstaan.
De einden der wereld jubelen
over Uw ontwaken uit de doden,
O Albarmhartige

Theotokion     tn.8.
  Om ons zijt Gij uit de Maagd geboren,
en hebt Gij het Kruis ondergaan, o Goede.
Door Uw dood hebt Gij de dood overwonnen
en ons als God de Opstanding getoond.
Veracht het werk van Uw handen niet;
toon ons Uw mensenliefde, o Barmhartige.
Verhoor haar die U gebaard heeft:
de Moeder Gods, die voor ons bidt
en verlos Verlosser het wanhopige Volk
”.

November 14e – Heilige Apostel Philippus, van onder de vijgenboom.

Geloof draagt je door het leven; الإيمان يحمل لك الحياة; Faith carries you through life.

      Hij leidde Simon tot Jezus.
Jezus zag hem aan en zei:
Gij zijt Simon [Hebr.=’ 
rotsblok of steen‘], de zoon van Johannes, gij zult heten Kephas [Hebr.= ‘rotsblok’], wat vertaald wordt met Petrus [Hebr.= ‘een rotsblok‘].
De volgende dag wilde Hij naar Galilea [Hebr.= ‘kring‘] vertrekken en Hij vond Philippus [Hebr.= ‘ liefhebber van paarden’]
En Jezus zei tot hem: ‘Volg Mij’.
Philippus nu was uit Betsaïda
[Hebr.= ‘huis van vis‘], de stad van Andreas [Hebr.= ‘mannelijk’] en Petrus. 
Philippus vond Nathanael [Hebr.= ‘gave van God‘] en zei tot hem:
‘Wij hebben Hem gevonden, van Wie Mozes in de Wet 
geschreven heeft en de Profeten, Jezus, de zoon van Jozeph, uit Nazareth’ [Hebr.= ‘de bewaakte, afgezonderde‘ – (‘kluizenaar’ red.?)].
       En Nathanael zei tot hem:
Kan uit Nazareth iets goeds komen?
Philippus zei tot hem:
‘Kom en zie’.
Jezus zag Nathanael tot Zich komen en zei van hem:
‘Zie, waarlijk een Israëliet, in wie geen 
bedrog is!’.
Nathanael zei tot Hem:
‘Vanwaar kent Gij mij?’.
Jezus antwoordde en zei tot hem:
‘Eer Philippus u riep, zag Ik u onder de vijgenboom’.
Nathanael antwoordde Hem:
‘Rabbi, Gij zijt de Zoon van God, Gij zijt de Koning van Israel!’.
Jezus antwoordde en zei tot hem:
‘Omdat Ik tot u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgenboom’
John.1: 43-51.

      Want het schijnt mij toe, dat God ons, apostelen,
de laatste plaats heeft aangewezen als ten dode gedoemden, want wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, voor engelen en mensen.
       Wij zijn dwaas om Christus’ wil, maar gij zijt verstandig in Christus; wij zijn zwak, maar gij zijt sterk; gij zijt in aanzien, maar wij zijn niet in ere.
       Tot op dit ogenblik verduren wij honger, dorst, naaktheid, vuistslagen en een zwervend leven; wij verrichten zware handenarbeid; worden wij gescholden, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij verdragen; worden wij gelasterd, wij blijven vriendelijk; wij zijn als het uitvaagsel der wereld geworden, als aller voetveeg, tot op dit ogenblik toe.
       Dit schrijf ik niet om u beschaamd te maken, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen. Want al hadt gij duizenden opvoeders in Christus, gij hebt niet vele vaders.
Immers, ik heb u in Christus Jezus door het Evangelie verwekt.
Ik vermaan u dus: volgt mijn voorbeeld“.
1Cor.4: 9-16.

In de tijd slaat onze Heer en Verlosser Zijn ogen ten Hemel en bidt.

In sommige geestelijk bewogen kringen wordt iedere zondagmorgen de perikoop van het Hoog-Priesterlijk gebed uit Johannes gelezen in de wetenschap dat dit gebed tot de vader met onze Heer het enige is wat ons overblijft.
Wij leven in een tijd waarbij de gelovige z’n christelijk Geloof ervaart als datgene wat lijkt op een vloeistof of gas hetgeen zich fluïderend gedraagt en de gemeenschap in z’n omgeving kiest, waar hij/zij zich het meest toe aangetrokken voelt.
Was het tot nog toe zo – ik bezoek de Christelijke gemeenschap van mijn ouders – zo hoort het misschien, maar dit wettisch kader is bij de meeste gelovigen omgeslagen tot een zelfstandig gerichte keuze tot die gemeenschap waar men zich het meest tot z’n/haar recht voelt komen.
Fluïdisatie ontstaat door van onderaf in een gas of vloeistof [door de Heilige Geest] tegen de korreltjes aangeblazen wordt of dat er een stroming ontstaat tussen koud en warm. De individuele deelnemers gaan dan zweven, stuiteren en bewegen. Bij voldoende hoge gassnelheid ontstaan er zelfs bellen, die ongelimiteerd gaan vliegen; de vaste korreltjes lijken dan op een ‘kokende’ vloeistof, als door vuur aangedreven.
Wat ik hiermee wil aantonen is dat al de reuring [= drukte levendigheid, bedrijvigheid] van de machtigen der aarde de Heilige Geest toch niet van baan kunnen doen veranderen.
De mens wikt, maar God beschikt‘, dus laten we dus als Petrus terugkeren naar het gebed van onze Heer en Verlosser:
        Dien elkaar, als goede beheerders van Gods veelsoortige genade, met de gaven ‘zoals ieder die heeft ontvangen’. Indien iemand spreekt, dienen het God’s woorden te zijn; als iemand een ander een dienst bewijst, ‘dient het te zijn uit de Kracht, Die God hem geeft. Zó wordt God in alles verheerlijkt door Jezus Christus, aan Wie de Heerlijkheid en de Macht is tot in alle eeuwigheid, Amen 1Petr.4: 10,11.

Maar terug naar onze Heer en Verlosser, want Johannes laat de Gelovige van vandaag zien hoe bijzonder hij/zij gezegend is. Hoe uniek die zegen is, die de individuele gelovige heeft ontvangen. Onze Heer Jezus Christus bidt.
Ik weet niet of u ooit een ander die aan het bidden was heel enthousiast hebt benaderd.
Je komt binnen en staat ineens in een ruimte waar gebeden wordt, zó privé, zó intiem, dat je eigenlijk het idee hebt: dient dit wel in de Blijde Boodschap openbaar te worden gemaakt, dienen wij dit wel te weten? En dat maakt het dubbel moeilijk, want natuurlijk schitteren de machtigen der kerk in hun zondagse kleren, maar is dàt nu de kern van de zaak?
Waar het om draait is de directe relatie van de mens met God de Vader en dàt is wat onze Heer en Verlosser ons hier laat zien:
Hij openbaart als de God-mens, de Goddelijke Naam en het bijbehorende Hemels Koninkrijk aan de mensen, die de Vader Hem uit de wereld gegeven heeftconf. John.17: 6.

      En Christus bidt niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Hem geloven, opdat zij allen een zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld zal geloven, dat Gij Mij gezonden hebt. En de Heerlijkheid, die God Hem als Zijn Zoon gegeven heeft, heeft Hij ons gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Zij [als Drieën] één zijn:
Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld zal erkennen, dat Gij [Vader] Mij gezonden hebt en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebtconf. John.20-23

            Het is dus een goede gewoonte om de dag des Heren met dit Hoog-priesterlijk gebed te beginnen, want het zet ons met beide benen op de grond en geeft aan dat al de drijvende krachten achter verdeeldheid en nationalisme in de Kerk ‘fake news’, nep nieuws is wat de Blijde Boodschap, de Pedagogie van onze Heer en Verlosser gewoon kapot maakt, bederft.
De vervloeking van de onvruchtbare vijgenboom door onze Heer en Verlosser als overgang naar het nieuwe Verbond geeft een veroordeling aan van datgene wat geweest is, datgene wat achterhaald is en daarom wordt aan het begin van de periode van vasten tot het Kerstfeest
het leven en de roeping van Philippus naar voren gehaald.
            Wij Christenen gaan ons voorbereiden op de komst des Heren in het vlees, het feest van Zijn Geboorte en dàt betekent dat we alles wat verdeeldheid zaait overwonnen dient te worden.
            En indien we ‘schoon schip’ willen maken, de bezem door de Kerk willen halen, het aloude kwaad willen verdrijven dan dienen we overeenkomstig Zijn Gebod voor te bereiden.
Gebed ondersteund door vasten is dé sleutel voor bevrijding – vasten is niet een opgelegd wed- strijdje -‘niet-eten’-, maar sommige [duivelse] geesten verdwijnen alleen maar door bidden en vasten.
Is het ‘bidden en vasten’ wel precies wat velen van ons denken? En komt men niet van problemen af door gehoorzaamheid aan het ‘goede’ alleen en weerstand tegen het ‘kwaad’, zodat de duivel van ons wegvlucht?
Onze Heer en Verlosser bidt om onze redding en hulp in de toestand van de wereld en de mens, maar hij bidt niet dat de mensen van Hem weggenomen worden. Integendeel, Hij bidt voor allen, die vermoeid en belast zijn; Hij richt zich tot mensen die moe zijn van het leven onder het juk van hun eigen zonde. Die verdriet hebben, niet in de eerste plaats over de zonden van anderen, maar over zichzelf. De machtigen zijn óók maar mensen, die heel goed weten dat het heel anders dient te gaan in het leven van de Kerk, het Lichaam verzwakt door al die bloed’s-broeder-strijd, kijk maar naar Job [Hebr.= ‘het roepen van ‘wee’ of ik zal roepen‘], die Godvrezend is.
God staat ‘het kwaad, de satan toe ook hem te gronde te richten. Job verliest in al z’n menselijk onvermogen, zijn hele hebben en houden, tot hij naakt is over al z’n [kerkelijke] ledematen; ‘De mens wikt, maar God beschikt‘.

Hoe andere geledingen de situatie beoordelen, of de strijd van jouw/onze  gemeenschap zien? 
Wanneer het gaat over onderlinge strijd in een christenleven, dan verwijst dit bijna altijd naar een innerlijke strijd, die ontstaat wanneer zondige gedachten de individuele gemeenschap verzoeken tot het kwaad; Gods Geest en het vlees staan tegenover elkaar.
Iedereen beseft heel goed dat het ‘niet goed‘ met de Kerk gaat.
We weten dat er krachten in het menselijk leven zijn die sterker zijn dan wijzelf en die ons in  gedachten bij God vandaan trekken naar dingen die niet goed voor ons zijn en waardoor we met z’n allen in een spiraal van ellende terecht kunnen komen.
Zouden we dàt negeren dan zouden we  niet meer eerlijk zijn.
Maar we willen als navolgers van Christus toch eerlijk zijn tot op het bot!?!,
lees dan meer:
pdf:  Christus is onder ons, Hij is en zal zijn’

De vijgenboom welke in de landen van het midden-Oosten twee maal per jaar vrucht draagt en is daarom zeer geliefd. Vijgen kunnen zowel vers als gedroogd en in vijgenkoeken gegeten worden. De lobbige bladeren zijn zo groot dat Adam en Eva ze gebruikten als kleding.
De uitdrukking ‘zitten onder de vijgenboom betekent dat er Vrede en veiligheid in het land heerst:
‘      Te dien dage, luidt het woord van de Heer der heerscharen, zult gij elkander nodigen onder de wijnstok en onder de vijgenboomZach.3: 10.
                  Onze Heer vervloekte een vijgenboom, omdat deze symbool stond, voor de diensten en werken in de Tempel zonder op God gericht te zijn. Maar er wordt in de Blijde Boodschap nog meer op mistoestanden gewezen in vergelijking tot de vijgenboom:
– ‘God waarschuwt het prachtige Samaria, dat het ooit haar schoonheid zal verliezen, zoals een uitgebloeide boom’, Isaiah 28: 4 .
– ‘God maakt Zijn Volk duidelijk dat ze lang geleden ’net zo bijzonder’ voor Hem waren als de eerste vijg aan de vijgenboom’, Hosea 9: 10.
– ‘De Assyriërs worden vergeleken met een vijgenboom. Vijanden kunnen de steden zó gemakkelijk veroveren, alsof ze vijgen willen eten. Je behoeft alleen maar aan de boom te schudden en de rijpe vruchten vallen eruit’, Nahum 3: 12 .
– ‘Onze Heer weet dat het einde zal komen als je alle dingen waarover Hij sprak ziet gebeuren, Net zoals je weet dat de zomer er aan komt, wanneer je de balderen aan de takken van de vijgenboom ziet komen’, Matth.24: 32.
– ‘Johannes de Theoloog ziet in zijn droom een zware aardbeving als het lam, het zesde zegel verbreekt. De sterren vallen op de aarde, zoals vijgen die door de storm uit de boom worden geschud’
– er dus sprake is van grote verwerping van het verkregen Christelijk Geloof, Openb.6: 13.
De waarheid  van het – “Christus is onder ons, Hij is en zal zijn” – is niet naakt in de wereld gekomen, maar gekleed in symbolen en beelden. Anders zouden wij haar niet kunnen bevatten.
De wijsheid en de schoonheid van Christus is niet geboren uit de wil van de mens, maar uit de wil van God tot meerdere eer en glorie van Zijn macht en
wat de mens er na het edict van Milaan [313] van gemaakt heeft
neigt alleen op die gronden al naar misleiding.
                        De Heiligen houden ons een zuiver oog in combinatie met een zuiver hart voor. Indien het hart niet zuiver is, kan het oog ook niet zuiver zijn.
Hoe gaan wij met elkaar om?  Waarom doen wij de dingen, die we doen?
Is het om onszelf te verheffen of bij anderen in een goed blaadje te komen? Om geprezen te worden? Nee toch? Het dient plaats te vinden om er God mee te dienen en daarmee Zijn Naam de verheerlijken. Alles dient voort te komen uit het zuivere geweten, het oprechte hart.
                        Pas dus op”, zegt de Heer, “dat u uw gerechtigheid niet doet voor het oog van de mensen om door hen te worden gezien!” Matth.6: 1.
Dat wil dus zeggen: pas op, dat je niet zo leeft, dat je wilt dat de mensen je zien.
Dat je geluk als ’t ware dáárvàn afhangt!
Toch rijst hier ook een probleem.
Want heeft Jezus niet eerder gezegd:
Laat zo uw licht schijnen, opdat zij uw goede werken zien”?
Toch is dit niet met elkaar in tegenspraak.
Want Jezus zegt niet, dat het “goed doen voor het oog van de mensen” fout is, maar
dat wij het doen om door hen te worden gezien”.
Goede werken dienen gedaan te worden om er “uw Vader in de hemel mee te verheerlijken” en absoluut niet uit hoogmoed, de eigen roem na te jagen, carrière te maken in het geestelijke.
Heeft Paulus niet gezegd:
Tracht ik thans mensen te winnen, of God?
Of zoek ik mensen te behagen?
[m.a.w. door voetjevrijen in de gunst van de mensen trachten te komen].
Indien ik nog mensen trachtte te behagen, zou ik geen dienstknecht van 
Christus zijn?Gal 1: 10.
Maar ergens anders heeft hij gezegd:
Zorg dat u bij allen met alles in de gunst staat.
Ook ik tracht bij allen met alles in de gunst te staan”, teneinde de wereld te laten zien dat slechts God de eer toekomt.
Hij kan zo spreken, omdat hij zo graag de gunst van mensen wil winnen
om de harten van die mensen te bekeren tot Liefde voor God.
Hij weet, dat, als de mensen een hekel aan je hebben, zij jou ook niet in het Geloof zullen volgen.
Maar indien ze jou sympathiek vinden, zullen ze ook graag naar je luisteren en
kun ‘jij’ ze tot God brengen.
Zó kan de apostel ergens anders, wanneer hij een geldinzameling gehouden heeft
voor de armen in Jeruzalem, zeggen:
Niet dat het mij om uw giften te doen is, het is mij er om te doen dat
het tegoed op uw [eigen] rekening wordt bijgeschreven”.
Ook onze Heer en Verlosser spreekt over schijnheiligheid en wit-gepleisterde graven.
Wanneer u dan een aalmoes geeft, loop er dan niet mee te koop zoals
de schijnheiligen dat doen in de synagogen en op straat, om
door de mensen geprezen te worden
Matth.6: 2.
Het komt bij de schijnheiligen niet uit het hart, maar zij doen het voor zichzelf,
om gezien en geprezen te worden.
Zulke mensen zijn eigenlijk toneelspelers; zij willen schijnen te zijn, wat zij eigenlijk niet [willen] zijn.
Zij bespelen en bedriegen de mensen, om door hen geprezen te worden en
daarmee succes te oogsten!
Maar zulke mensen ontvangen geen loon van God, Die de harten van mensen doorgrondt, maar zij krijgen straf voor hun bedrog.
Zij hebben hun loon al van de mensen ontvangen”, zegt Onze Heer.

Zo is het ook met het bidden. Het dient in het verborgene te gebeuren!
Wanneer u bidt”, zegt Christus, onze Heer:
wees dan niet als de schijnheiligen; zij staan graag in de synagogen en op de hoeken van de straten te bidden, om op te vallen bij de mensenMatth.6: 5.
Ook hier is het niet verkeerd op te vallen bij de mensen, maar het is verkeerd uw gebeden te verrichten met de bedoeling om op te vallen bij de mensen.
En het is overbodig steeds maar weer hetzelfde te zeggen, omdat
men voortaan maar één regel hoeft te onthouden;
Maar als u bidt, ga dan in uw binnenkamer” Matth.6: 6.
Wat is die binnenkamer anders dan het hart?
Doe dan de deur dicht en bid tot uw Vader in het verborgene”.
De binnenkamer dient gesloten te worden, anders dringt de buitenwereld naar binnen en wordt het opnieuw een jamboel, een chaos.
En uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u lonen”.

Hoe moeten we dan bidden?
Gebruik bij het bidden geen omhaal van woorden zoals
de heidenen, want die menen dat ze vanwege hun talrijke woorden
verhoord zullen worden
” Matth.6: 7.
Bidden is geen schouwspel! Dat is ook helemaal niet nodig, want
uw Vader weet wat u nodig hebt, voordat u het Hem vraagt”.
Geen overvloed van woorden, maar daden!
Een toegewijd hart, een aandachtige geest,
een zuivere Liefde en oprechte genegenheid, dat
wil God van ons hebben.
Waarom is dan nog een gebed nodig?
Omdat het ons hart zuivert, verheldert en verruimt.
Het gebed is nodig, omdat
wij God zo gauw vergeten in ons leven.
Bij het gebed keert het hart zich tot de Heer, Die
altijd voor ons klaar staat en bereid is om te geven.
Maar wij dienen wèl open te staan voor wat Hij
ons genadig doet toekomen!
En daarom dienen wij te bidden.

The Baptism of the Eunuch, Rembrandt
1626, museum Catharijneconvent, Utrecht

In de Handelingen der Apostelen is bijna geheel hoofdstuk 8 aan de Apostel Philippus gewijd. Eerst zijn succesvolle prediking in Samaria [ja de onder de Samaritanen, die met de nek werden aangekeken] nadat de Apostelen uit Jerusalem werden verdreven [Petrus werd de 1e hoofd-toezichthouder van Antiochië].
De overwinning op de occulte tovenaar Simon, die later de wijding’s-gave voor geld dacht te kunnen kopen [daarmee aanzien trachtte op te bouwen] en vervolgens het gesprek met de kamerling uit Ethiopië, die zich ter plaatse liet dopen, terwijl Philippus naar Azote [מצליף סיעה, Hebr. = een ‘politieke‘ groep ranselen] werd gevoerd.
Uit alles blijkt de wonderlijke overtuiging’s-kracht waarover hij door de Heilige Geest mocht beschikken.
Hij trok persoonlijk als een gloedvolle stormwind door de toen bekende wereld, samen met zijn zuster Mariamne [van Lycaonië] en de Apostel Bartholomeus [=  Natanaël]. Er zijn getuigenissen over Philippus in Galilea, Griekenland, Arabië en zelfs Ethiopië. Tijdens de vervolging van Dometiaan werd hij te Hiërapolis gekruisigd, op zijn verzoek met het hoofd omlaag, omdat hij zich niet waardig achtte om rechtop, zoals Christus, aan het kruis te sterven.
Is er geen grotere heilige aan het begin van de Kerst-vasten, die vandaag begint, ook wel de Philippus-vasten genoemd, daarom:
Allen, incl. andersdenkenden, die met ons mee vasten,
een goede voorbereiding op Kerst toegewenst“,
de redactie www.lucascleophas.nl

H. Philippus

Apolytikion     tn.3.
”    Heel de wereld verheugt zich heden met Ethiöpië,
door uw zegepraal verlicht, God-sprekende Philippos.
Want gij hebt aan allen het Geloof in Christus geleerd, zoals gij zelf de weg van het Evangelie tot volmaaktheid bracht.
Daarom heffen wij onze handen met Vertrouwen tot God. Bid tot Hem om ons te schenken, de Grote Genadegave“.

Kondakion        tn.8.
”    Uw Leerling en vriend die U tot in de kruisdood is gevolgd, heeft U als God aan de wereld verkondigd.
Behoed daarom Uw Kerk tegen de listen van de vijand
door de gebeden van de door God ‘in vuur en vlam gezette’ Apostel Philippos“.

November 11e – Heilige Maximos, dwaas om Christus’ Wil

– Heilige Maximos, dwaas om Christus’ Wil –

“Iemand uit de menigte zei tot Hem:
Meester, zeg tot mijn broeder, dat hij de erfenis met mij dient te delen’.
     Christus zei tot deze mens, die Hem als Rechter benaderde:
Mens, wie heeft Mij tot Rechter of Scheidsman over u aangesteld?
Hij zei tot de menigte:
‘Ziet toe, dat gij u wacht voor alle hebzucht, want
ook als iemand overvloed heeft,
behoort zijn leven niet tot zijn bezit
’” 
Luc.12: 16.

Vereer de Heer met uw rijkdom
en met de eerstelingen van al uw inkomsten, want
het is beter een weinig in de vreze des Heren te hebben,
dan een grote schat en onrust daarbij

Spreuken 3: 9; 15: 16.

De droom van God
De droom van God bestaat erin de gehele wereld, zoals
ze elke moment van de dag is,
tot nieuwheid, eenheid en vergeestelijking te brengen.
Daartoe dient elke beslissing van de vrije mens bij te dragen.
En de mens is des te vrijer in de mate dat
deze meer in harmonie handelt met God’s plan.
Iedere egoïstische handeling van de mens die
hem deze betrokkenheid op de gehele werkelijkheid doet vergeten,
– brengt disharmonie en kwaad voort,
– schept een afstand van ontrouw tussen zijn
gerealiseerde subjectieve doel en
het begindoel dat
de mens van Hem
gekregen heeft.
Alleen door trouw aan de droom van God . . .
geeft de mens vorm aan zijn ziel doorheen zijn aardse dagen en
op tegelijkertijd doet hij hiermee een oproep tot voltooiing van de wereld,
hetgeen in de laatste dagen gerealiseerd zal worden.

Dat is waar het om gaat – in  de ervaringsdimensie van het Christendom -,
heeft de Kerk herhaaldelijk moeten reageren op praktijken en theorieën die
op verschillende wijze op zoek waren naar het extreme,
of allerlei bewegingen van pseudo-Mystieke aard.
        De vrees voor misbruiken en overdrijvingen verklaart dat
het Leergezag meer  en meer het objectieve aspect van
de dienst aan God gaat beklemtonen,
zowel op vlak van de Pedagogie van Christus en de Apostelen
als van de Mysteriën [RK. Sacramenten].
Deze gereserveerde, en al te voorzichtige houding van de Kerk
t.a.v. de religieuze ervaring geeft voeding aan de langzaam gegroeide overtuiging
zowel bij de clerus als bij de leken, dat uitstraling, de bijzondere gave om anderen te inspireren en te leiden buitengewone en zeldzame goddelijke genadegeschenken zijn, die men enkel aantreft
in de levens van heiligen en Mystici.
Een reactie vanuit theologische hoek kon dan ook moeilijk uitblijven.
Hier en daar werd geopperd dat de vrees voor misbruiken ‘niet’ mag leiden tot
het minimaliseren van de betekenis en de rol van
de ervaring van de dienst aan God in het waarachtige christendom.
Bekende uitspraak hieromtrent is:
het charismatische behoort even noodzakelijk en permanent tot
de essentie van de Kerk als het Hiërarchische ambt en de Mysteriën
[RK Sacramenten” Karl Rahner, theoloog.
Deze uitspraak is over de gehele linie in het westen met grote instemming werd aanvaard en is gebaseerd op de uitspraak van Paulus:
      Verblijdt u te allen tijde, bidt zonder ophouden, dankt onder alles, want
dat is de Wil van God in Christus Jezus ten opzichte van u”.
– “Dooft de Geest niet uit, veracht de profetieën niet, maar toetst alles en behoudt het goede. Onthoudt u van alle soort van kwaad”.
De dwaas om Christus’ Wil merkt hier op:
“Alleen de Schepper kent mij en weet wie ik ben”!

”       En Hij, de God van de Vrede, heilige u
geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam
moge bij de komst van onze Heer Jezus Christus
blijken in allen delen onberispelijk bewaard te blijven.
Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen
1Thess.5: 16-24.
Wordt het Lichaam op de een of andere wijze gemanipuleerd,
dan zal Christus dit op de een of andere manier
duidelijk maken door Zijn Toorn over diegenen, die dit veroorzaken, uit te spreken.

Saint,                    fool of Christ,        in the desert of Amsterdam

Het is in Christelijke Gemeenschappen gewoonte om
de levens van de heiligen te lezen.
Vandaag is dat de Heilige Maximos, een van de typische gestalten uit het Moskou van de 15e eeuw.
Net als de gemeenschap van Amsterdam is hij op het palet van het Christelijk wereldtoneel als een lichaam, zonder kleren, zonder enige beschutting tegen koude of hitte en
beweegt zich in alle vrijheid rond, terwijl zij met kernachtige spreuken het volk opwekt tot geduld in hun ongelukkig leven.
Zij is als een zelfstandig lichaam, waarbij de ledematen elkaar onderling in evenwicht houden en naar het Koninkrijk der Hemelen verlangen; zij richten zich tot hun Heer en Meester en smeken ontferming af, doen boete en wat al niet meer om het Goddelijk vooruitzicht te beërven.
Tegelijkertijd beoordeelt zij de wereld met haar rijkdom vanwege hun hartvochtigheid en omdat zij hun rijkdom hebben opgebouwd op het ongeluk van de armen.

Maar een dergelijk bestaan kan in het machtspel op het schaakbord van de wereldkerk niet onopgemerkt blijven – er werd vanuit de macht geduldig afgewacht tot zich een gelegenheid zou voordoen.
Bij het overlijden van een groot mens, een werklijk geestelijk leider, dient zich een politiek dier in schaap’s-kleren aan, die de Russische belangen in plaats van die van de individuele gemeenschap ‘voorop’ stelt. Het is datgene waar in de afgelopen publicaties al melding van is gemaakt.
Zodra de prins van Moskou de stem van de gemeenschap hoorde, herkende hij
de Nederlandse vrijheid van deze Christelijke Gemeenschap, dit kerkvolk, wat een werkelijke familie rond Christus vormt.
Hij werd vanuit Moskou met een politieke agenda gestuurd
– om de herder’s-honden, de spelleiders naar de ‘Russische stal’ te leiden, weer
onder de Russische invloedssfeer terug te brengen.
                        Zodra de parochie in de stad van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie [VOC] nu – na een periode van aftasten – de toon van de stem van de nieuwe toezichthouder herkent, onderkent zij het aloude machtssysteem, die hen onder vreemde voorwendselen wordt toegeschoven en hen tracht te onderdrukken, in te palmen.
De gemeenschap herkent het masker waarmee de prins van Moskou naar de Lage Landen is gezonden, de verborgen agenda was immers jaren lang op de achtergrond geraakt.
In ieder verzoeking, die de Heer ons doet toekomen is het buigen of barsten, maar: ”     De Geest, Die heiligt, mag niet worden gedoofd,
alles dient opnieuw getoetst te worden en
het goede dient te worden behouden“.
Indien hierbij alle soort van kwaad vermeden wordt,
zal onze Heer en Verlosser, de God van de Vrede ‘ook dit keer
de gemeenschap van Amsterdam geheel en al heiligen
naar ziel en naar het bedreigde lichaam en onze Heer Jezus Christus
bij Zijn wederkomst geconfronteerd worden met een gemeenschap,
waarin allen delen onberispelijk bewaard zijn gebleven.

    Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen !”.

Troparion     n.5.
U hebt gestreefd naar de hoogste schoonheid en
daarvoor de bedekking van het lichaam
evenals de genieting zonder waarde geacht.
De volstrekte armoe hebt gij liefgehad boven alle wereldse rijkdommen,
en zo bent u als een van de engelen door het leven gegaan,
totdat u in hun gezelschap ontslapen zijt, heilige Maximos:
bid alstublieft met hen voor deze gemeenschap tot Christus God
”.

Orthodoxie & Christus, onze God is het, die Wijsheid geleidt en de Wijzen richt op hun weg.

 Christus,                                        de enige Hogepriester

      Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld; en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in Waarheid.
        En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven,  opdat zij allen een zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld zal geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.
En de Heerlijkheid, Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn:
‘ Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld zal erkennen, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt
John.17: 18-23.

Christus tronend op de tronende Theotokos & de synaxis van de hemelse machten

 

      Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de Hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis.
        Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden.
Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven verslonden zal worden.
        God is het, die ons juist daartoe bereid heeft en Die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft.
        Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Heer in den vreemde zijn
– want wij wandelen in Geloof, niet in aanschouwen – maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Heer onze intrek te nemen.
        Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn.
        Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder zal wegdragen wat hij in zijn lichaam verricht heeft2Cor.5: 1-10a.

Vervolgend:
Ik wil u verhalen en niet God’s Mysteriën voor u verbergen, want Hij is het, Die Wijsheid geleidt en de Wijzen richt op hun weg: in Zijn hand is alle Wijsheid en kennis en kundigheid.
Een verleidelijke vluchtweg naar opzij maar weet ons ook daar te vinden waar mensen er op gaan vertrouwen [zich willoos overgeven] dat macht of machtsverwerving bij het behartigen van ‘Christelijk belangen’ ons uit de crisis zou kunnen helpen; het blijkt dat ook deze vluchtweg een dwaalweg is.

De vroeg-christelijke kerk is al rond 300 een instituut geworden met vele geestelijken.
De kerk was in de steden zeker even groot geworden als de grootste broederschappen, vanwege het in stand gehouden ‘verdeel en heers’-systeem  werden er ook toen al veel armen onderhouden.
De hoofd- en bij-toezichthouders [bisschoppen, de prelaten] van de Kerk stegen in aanzien en toezichthouders, welke gekozen werd uit de monnikenstand [celibatair, hetgeen hen boven de gemeenschap stelde]; zij werden – ‘nèt zo’ – prestigieus als de uit de wereldse traditie afkomstige notabelen.
                  Vanaf het moment -na het edict van Milaan [313] welke iedereen de vrijheid van godsdienst gaf, groeide het aantal navolgers van Christus snel.
Ten tijde van keizer Theodosius [347-395] werd het christendom in 380 feitelijk de godsdienst van heel het oostelijk gedeelte van het Romeinse, dus het Byzantijnse Rijk [vanaf Clovis en ‘Charlemagne’ werd dit in het Westen geëvenaard].
1.]. De keizer schonk de Kerk openbare gebouwen, in grote steden volgens een rijksontwerp, de basiliek. Deze was afgeleid van de audiëntiezaal van de keizer, maar in plaats van de rechtersstoel van de keizer stond in de basiliek de rechterszetel van God.
2.]. De geestelijkheid werd vrijgesteld van belasting en kreeg voedsel toegewezen, welke het vervolgens alle armen diende te doen toekomen.
3.]. De hoofd- en bij-toezichthouders [bisschoppen] van de Kerk, welke toezicht hielden op de ware geloofsverkondiging door de spelleiders [de priesters] kregen toegang tot de gouverneurs van de provincie en de vooraanstaanden [de wereldse elite] om te pleiten voor de armen en de onderdrukten, maar bleven in werkelijkheid ondergeschikt aan de wereldse machten.
De kerk in de vierde eeuw gaf daarmee aan het volk de indruk belangwekkend te zijn, maar bleef voor de wereld van de macht van die tijd [Lat. ‘saeculum’ =eeuw] een randverschijnsel, d.w.z. een stroming die ijvert voor overgang van wereldse staat en maatschappij naar een hemelse staat en maatschappij – en dienden dienovereenkomstig buiten de wereldse werkelijkheid te staan.

Het is al eerder aangegeven, maar in de navolging van Christus, ook binnen de Orthodoxie, zitten modificerende – ‘nuance’ verschillen [zet maar 10 òf 500 Orthodoxen op een rij], welke de oorspronkelijke Apostolische Leer, toch een nadere vorm geven / geen gelovig mens, geen spelleider, geen toezichthouder is immers hetzelfde en het is maar goed ook, anders heeft onze Heer, Verlosser en God straks niets meer te oordelen.
Op deze wijze blijven er maar weinig gelovigen over, die werkelijk de leer van Paulus, tot in z’n ‘uiterste’ waarheden – kunnen onderschrijven.
De charisma, de genadegaven van de Heilige Geest, de geloofswaarheden, die de Geloofsleer onderbouwen, zijn met de doop over de geroepen navolgers van Christus uitgestort.
          Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn:
⇏⇏⇏ ontucht, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke, waarvoor ik u waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.
♥︎ Maar de Vrucht van de Heilige Geest is:
liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing
Gal.5: 20-22.
Wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met z’n hartstochten en begeerten gekruisigd en degene, die tot in uiterste hieraan voldoet mag ‘de eerste steen‘ werpen.
Zo zijn er – óók binnen de [Oosterse] Orthodoxie – mensen, die:
1.]. met beide benen op de grond zijn blijven staan; best bereid zijn ‘goede dingen’ voor anderen te doen; niet de persoonlijke geloofsovertuiging bezitten, die andere overtuigingen buiten sluit.
2.]. niet zoveel vaststaande overtuigingen bezitten en zeker niet bereid zijn daar strijd voor te gaan leveren.
3.]. daarentegen wel vaststaande overtuigingen bezitten, bereid voor het Geloof te strijden/te sterven, dwars tegen de eigentijdse overtuigingen, die het menselijke vreselijk overschatten, een strijd tussen no. 1 en 2, de rekkelijken en de preciezen.
4.]. ook heb je eigentijdse ‘poldermodellen’,  zij bezitten ‘eigen theorieën over het ‘hoe en waarom’ van on- en aangepastheid, al dienen hun argumenten, net als al het andere, met een flinke korrel zout worden genomen’.
5.]. daartegenover opnieuw, degenen, die overtuigd zijn van de bestemming van de mens, de rol van God in hun leven en de manier waarop zij hun Geloof vorm dienen te geven.
  De verrassende conclusie kan nu echter – ‘na zoveel eeuwen ‘godsdienststrijd’ – getrokken worden;
dat in de navolging van Christus,
óók binnen de andere Bloedgroepen van het Christendom, dezelfde nuanceverschillen bestaan en er dus eigenlijk uiteindelijk ‘helemaal geen verschil van beleving’ overblijft, nadat je de verschillende onderstromingen waarneemt.
We dopen, hebben een avondmaal, en van de anderen overgenomen vastenperiode, biecht, het kruisbeeld, zwarte kleding [soms zelfs nog met boortje], kerst- en paas- nachtelijke vieringen en iconen.
In feite bestaat er binnen de Christelijke poot van de wereldraad van kerken al een oecumenische mate van eenheid.
            Waar draait het ‘dàn ?’ uiteindelijk nog om en dàn komen we terug bij het vroeg-Christelijk Geloof en zijn wij – er gewoon door de verleiding van de tegenstrever – ingestonken en hebben ons eeuwenlang bezig gehouden met ons over te geven aan de hoogmoed en hebben ons in alle:
liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing” ten opzichte van elkaar gewoon aan de verderfelijke “HOOGMOED” overgegeven.
Of wordt dit heden ten dage nog beschouwd als ‘vloeken in de Kerk’?
Sterker nog – in werkelijkheid worden binnen de verschillende bloedgroepen bestanddelen van de anderen en de oorspronkelijk christenen gebezigd, we zijn helemaal niet zo verdeeld, we zitten alleen maar vast in structuren, die wij in onze onnozelheid ‘van de wereld hebben afgekeken’.
Vanaf het edict van Milaan [313] welke iedereen de vrijheid van godsdienst gaf, is er een ‘geestelijke handicap’ ontstaan, zijn we ‘door de wereldse invloed’ gehersenspoeld, doordat we rangen en standen hebben laten ontstaan.
Er zijn ontwikkelingen,
– jà, we praten weer met elkaar en wisselen allerlei vriendelijke en beleefde ontmoetingen uit, maar
– van een doorbraak is geen sprake – blijf vooral zitten waar je zit – maar over een werkelijke assimilatie [volledige aanpassing] door onze posities op te geven kan geen sprake zijn.

Nu, dàt is hetgeen, waar onze christelijke bevolking en met name degenen, die de Kerk, de rug hebben toegekeerd, op zit te wachten,
de Kerk is voor de navolgers van Christus, ‘in Christus gebeiteld’, op Christus gefundeerd en niet op de een of andere prelaat.
‘“ Van het Koninkrijk van God” kan geen utopie gemaakt worden’, aldus D. Bonhoeffer vanuit z’n gevangenschap. We kunnen niet strijden voor het “Koninkrijk van der Hemelen”, wij kunnen het ook niet bouwen.
Dat is, zegt Bonhoeffer, ‘Schlechterdings unmöglich’ [D.= ’Erger nog onmogelijk’].
Wat de gemeenschap, die Christus navolgt, heeft te doen, is :’-bidden-‘ om “het Hemels Koninkrijk”.
Wij bidden in het onze Vader: “Gij Zelf, o God, de Vader dient Uw Rijk te geven”, wij kunnen het niet, wij zijn als mensen niet in staat over onze kleinmenselijke ‘hoogmoed’ heen te komen. God Zelf dient het Koninkrijk der Hemelen te doen komen.
    Hij is de Hemelse Koning, Trooster, Geest der Waarheid,
Die overal tegenwoordig is en alles vervult, Schatkamer van alle heil
[verlossing, welzijn] en schenker van het Leven”.
Hij dient ons te omkleden, wij dienen “overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden” – te verlossen, Hij dient Zich over ons te ontfermen.
Dat is het oorspronkelijke en pure gebed van het hart, zoals de inleiding’s-gebeden uiteindelijk in het “Onze Vader” eindigt en er alleen nog maar 12 x het “Heer, ontferm U” volgt, waarna  wij Vader, Zoon en Heilige Geest als eenheid toebidden:
Komt, laten wij aanbidden, onze Koning en God,
  Komt, laten wij aanbidden en neervallen voor Christus, onze Koning en God.
  Komt, laten wij aanbidden en neervallen voor Christus Zelf, onze Koning en       God” en
Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.     Amen”.
De Gemeenschap van gezamenlijk navolgers van Christus neemt afstand van de utopie [het droombeeld, waarin alles ideaal is’] en keert in tot het waarachtig Geloof.  Zo zal zij ongetwijfeld de utopie anders terug ontvangen, maar de Gemeenschap in Christus neemt afstand van de wereld, zij doet afstand van de wereld.
De Gemeenschap in Christus zegt in navolging: “Uw Koninkrijk, God, onze Vader“, mag komen van Uwentwege en van Uwentwege alleen,
het Hemels Koninkrijk, o God, is totaal anders,
onvergelijk-baar met alles, wat wij mensen er van gemaakt hebben.
Het Koninkrijk, waar Vrede, Vrijheid en Recht voorgoed zijn veiliggesteld en waar God, deze God van het Verbond met de mensen, alles in allen, ons voor ogen mag staan, wij mogen er niet naar grijpen. wij mogen het Hemels Koninkrijk niet drijven, een bepaalde richting opjagen; het Koninkrijk der Hemelen jaagt ons in een bepaalde [waarchtige] richting. God is God.

De kern van de Blijde Boodschap, de Pedagogie van onze Heer en Verlosser, is het Koninkrijk der Hemelen, wat wij verwachten, het is nabij, het breekt binnen. Onze Heer en Verlosser roept niet alleen omdat Hij in Zijn Vader gelooft, maar Hij is Zelf dàt Koninkrijk der Hemelen in Persoon.
Onze bekering, ons om-keren, is tot dàt komen van God’s Rijk geen voorwaarde
[alsof het door bekeerde mensen zou dienen te worden verwerkelijkt], maar zij is er de consequentie, het onvermijdelijk gevolg van.
Indien het wáár is, dat zo’n Koninkrijk der Hemelen – een voor ons bestemd Rijk is -, dan wordt het hoog tijd eens anders te gaan denken, doen en leven.
Dat betekent dat we heel gewoon:
allemaal, van hoog tot laag, van prelaat tot beminde gelovige,
heel simpel: weer oud en vertrouwd ‘leerlingen’ worden,
horende horen, ziende ziend en Hem navolgen op Zijn weg,
want Christus is het Koninkrijk der Hemelen.

Zonder enige illusie evenwel of we nu gewijd zijn òf niet, òf er
nu een 3x “Axios, Axios, Axios” geklonken heeft;
ja, zonder illusie over ons ‘eigen’ lot, dat
wij in onze Heer en Verlosser voor ogen hebben.
Onze Heer en Verlosser werd gerechtelijk vermoord, omdat religie en politiek in het gebruikelijk menselijke monsterverbond, de menselijke gekte, de geestelijke gestoordheid, hoewel schijnbaar onschuldig, uiteindelijk tòch heel gevaarlijk vonden.
        De Wijsheid heeft Zich een Huis gebouwd,  zeven zuilen heeft Zij Zich gehouwen,
Haar vee heeft Ze geslacht, Haar wijn gemengd, Haar tafel gereed gemaakt.
Nu zendt ze Haar bedienden uit,  op de hoogste punten der stad dienen ze te roepen: ‘Wie onervaren is dient hierheen te komen en wie geen inzicht heeft, laat hem/haar tot bezinning komen: ‘Kom en eet van Mijn Brood, drinkt van de Wijn, Die Ik [God] gemengd heb. Laat uw onnozelheid varen en u zult leven, bewandel de weg van de Wijsheid!’” Spr.9: 1-6.
Het Christendom is geen pakketje van normen en waarden.
En indien dàt zo was, dan zouden véél méér mensen Christen worden en er geen vervolging meer zijn.
Johannes duwt ons met de neus op dit feit:
In het hart van het Christelijk Geloof staat slechts één Persoon‘.
Die persoon is Jezus, en zijn Naam [Hebr.=
יֵשׁוּעַ, Jesua] betekent: De Heer brengt uitzicht en redding, maakt ons rechtschapen, betrouwbaar en vormgevend [Hebr.= ג׳סכר, Gosher, Jeser].

Indien we de Persoon van onze Heer en Verlosser losmaken van Zijn woorden en er een Blijde  Boodschap uit afleiden, die we verkopen onder de noemer van ‘normen en waarden’, dan hebben we misschien wèliswaar iets moois, maar
dan hebben we geen Christendom meer.
Zoals was het in de periode van de Evangelist Johannes,
zo is het ook in onze tijd:
het Christelijk Geloof staat of valt met
de aanvaarding van de Persoon van onze God,
onze Heer Jezus Christus, Die wij
als Beeld en in gelijkenis trachten te volgen
’.

Apostelen van de 70, Heiligen Erastus, Olympus, Rhodion, Sosipater, Quartus and Tertius [Menologion of Basil II]
November 10e: Apostelen uit de 70;
Erastos van Corinthe, Olympos, Rhodion, Sosipatros, Quartos en Tertios.

Kondakion     tn.2.
Stralend door Goddelijk Licht
hebben jullie de netten van de geleerden verscheurd.
Jullie zijn waarachtige vissers van mensen geweest, die de volkeren tot de Meester hebt gebracht doordat jullie hen geleerd hebben de Heilige Drieëenheid te vereren,
roemrijke Apostelen van Christus
”.

Orthodoxie & Christus, vermanend in de Geest en de gemeenschap van God

Christus Pantocrator tronend met de 4 Evangelisten

          Terzelfder tijd kwamen enigen tot Hem met het bericht over de Galileeërs [Hebr.= ‘uit eigen kring’] wier bloed Pilatus [Hebr.= ‘gewapend met een speer’] met hun offers vermengd had.
En Christus antwoordde en zei tot hen:
            Meent gij, dat deze Galileeërs [Hebr.= ‘uit eigen kring’] groter zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat zij dit lot hebben ondergaan?
Neen, zeg Ik u, maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen. meent gij, dat die achttien, op wie de toren bij Siloam viel en die erdoor gedood werden, schuldiger waren dan alle andere mensen, die in Jeruzalem wonen?

Neen, zeg Ik u, maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen.

            En Hij sprak deze gelijkenis:

Iemand bezat een vijgenboom, die in zijn wijngaard was geplant, en hij kwam om vrucht daaraan te zoeken en vond er geen.
En hij zei tot de wijngaardenier:
            ‘ Zie, het is nu al drie jaar, dat ik vrucht aan deze vijgenboom kom zoeken en ik vind ze niet. Hak hem om! Waarom zou hij de grond nutteloos beslaan?’.
Hij antwoordde en zei tot hem:
            ‘ Heer, laat hem nog dit jaar staan, ik zal er eerst nog eens omheen graven en er mest bij brengen en indien hij in het komende jaar vrucht draagt, [dan is het goed,] maar anders, dan moet gij hem omhakken’
”. Luc.13: 1-9.

   ‘Zit niet te slapen‘, alsof het nacht is !

          Vermaant elkander dus met deze woorden.
  Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt:
immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zo komt, als een dief in de nacht’.
Terwijl zij zeggen:
‘het is [alles] vrede en rust, overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ontkomen’.
            Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou:
‘ want gij zijt allemaal kinderen van het Licht lichts en kinderen van de dag. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn. Want die slapen, slapen ’s-nachts en die zich bedrinken, zijn ’s-nachts dronken, maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van Geloof en Liefde en met de helm van de Hoop van/op de  zaligheid; want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Heer Jezus Christus, die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven. Vermaant daarom elkander en bouwt elkander op, gelijk gij dit ook doet’1Thess.4: 18-5: 10[11].

Vermaant elkander‘ wil zeggen elkaar aansporen om je beter te gedragen, teneinde elkaar op te bouwen in de zin van: “Hou nu eindelijke eens op jezelf en elkander te beklemmen en onveranderbaar te blijven“.
God’s vermanende Geest zweeft over de wateren, zoals de profeet het ervaart:
        Hun vleugels waren naar boven uitgespreid; ieder had er twee die met elkander verbonden waren; en twee bedekten hun lichaam. En zij gingen ieder recht voor zich uit; waarheen de geest wilde gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om als zij gingenEzech.1: 11-12.
Het staat er niet met zoveel woorden bij, dat het de Geest van God was die deze wezens aandreef. Maar wanneer deze profeet hen heen en weer ziet flitsen binnen die stormwolk, merkt hij op dat zij dat zeer gecoördineerd doen. Hun vleugels die elkaar aantippen, raken elkaar nooit kwijt, waar zij ook heengaan.
⁌ Kennelijk is er iets wat hen gezamenlijk aandrijft.
⁌ Kennelijk is er Iemand, Die hen bezielt . . . . .
Wie zou dat anders zijn dan Gods Eigen Geest, de Geest van onze Heer en Zaligmaker, Jezus Christus? In een visioen ziet de profeet van Openbaringen later een gedaante zittend op een wezen met vier gezichten: dat van een mens, van een os, een leeuw en van een adelaar.

En daar wordt je blij van, ‘zoals bij de Cherubijnenhymne‘, want wezens met vier gezichten zijn wel héél anders dan wij, hun bizarre vreemdheid schept afstand. Maar indien zij worden aangedreven door God’s Geest, dan passen zij in de wereld, die God geschapen heeft, net als wij – ook al begrijpen ‘wíj’ er geen snars van.

Terzelfder tijd kwamen enigen tot Hem met het bericht over de bewoners ‘uit eigen kring’] wier bloed Pilatus [Hebr.= ‘gewapend met een speer’] met hun offers vermengd had”.
1.]. Pilatus speelt een belangrijke rol in het tijdens verhaal van Christus, dus ook in het lijden van de navolgers van Christus: “hij is overtuigd van de onschuld van Jezus en wast zijn handen symbolisch in een bakje water”.
Hij was politicus naar Romeins recht uit de eerste eeuw na Chr.; hij stamde uit het oude geslacht van de Pontii en behoorde tot ‘het establishment‘, de stand van de equites [hij was ten slotte geridderd]. Pilatus was van 26-36 na Chr. de 5e praefectus civitatum van Judea [de praefectus Iudaeae], onder het gezag van het Romeinse Rijk ten tijde van Keizer Tiberius; zoiets als de huidige ondertoezichthouders.
Hij was, na Annius Rufus, de opvolger van Valerius Gratus.
Pilatus wordt in het Nieuwe Testament en de Apostolische geloofsbelijdenis genoemd als degene die Jezus van Nazareth liet kruisigen.
Philo van Alexandrië beschrijft hem als een harde, onbuigzame man.
Volgens de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus [Ant. 18:3] kwetste hij de Joden diep door na verplaatsing van het Romeinse garnizoen van Caesarea naar Jeruzalem heimelijk midden in de nacht.
2.]. En dan volgt het volgende:
            Meent gij, dat deze Joden [‘uit eigen kring’] groter zondaars waren dan alle andere verbondsgenoten [‘uit eigen kring’], omdat zij dit lot hebben ondergaan? Neen, zeg Ik u, maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen. meent gij, dat die achttien, op wie de toren bij Siloam viel en die erdoor gedood werden, schuldiger waren dan alle andere mensen, die in Jeruzalem wonen?”.
3.]. En dan volgt als waarschuwing een van de toenmalige Israëlische rampen, de val van een toren in het Jeruzalem uit de oudheid, waarschijnlijk gelegen in de buurt van de Vijver van Siloam [van tijd tot tijd daalde daar een engel des Heren af, die het water in beweging bracht], waarbij 18 mensen om het leven kwamen.
Deze perikoop begint met “Terzelfder tijd kwamen enigen tot Hem”, met gevolg dat je jezelf afvraagt, wat ging hieraan vooraf? Nu, lees zelf:
4.].       Wanneer gij een wolk ziet opkomen in het westen, zegt gij dadelijk: Er komt regen, en het gebeurt. En wanneer gij de zuidenwind ziet waaien, zegt gij: Er zal hitte komen, en het gebeurt.

       ‘ Huichelaars, het aanzien van aarde en hemel weet gij te onderkennen, waarom onderkent gij deze tijd niet?
En waarom ook oordeelt gij niet uit uzelf wat recht is?
Want, als gij met uw tegenpartij naar de overheid gaat, geef u dan onderweg moeite om van hem af te komen; anders zal hij u voor de rechter sleuren en de rechter zal u de gerechtsdienaar overgeven en de gerechtsdienaar zal u in de gevangenis werpen. Ik zeg u, gij zult daar voorzeker niet uitkomen, 
voordat gij ook de laatste duit betaald hebt
Luc.12: 54-59.
Met andere woorden wij zijn geen kinderen meer en ook al snappen wij er geen snars van ‘gedreven door het vuur van de H. Geest’ dienen wij elkaar aan te spreken op mistoestanden, zeker wanneer het de gewoonte geworden is, om de handen in onschuld te wassen.
5.]. En vervolgens volgt de parabel van de vijgenboom, die -nog één jaar- in de gelegenheid gesteld wordt vrucht te dragen. In God’s tijdsrekening kan een jaar lang of kort duren, maar vroeg of laat zal er een oordeel volgen, ook al kan dat vernietigend klinken.

Een mens wordt niet langer beheerst door ‘de wil tot Macht‘, ‘door de Drift tot zelfbehoud‘, maar wordt beheerst ‘door God’s ontferming‘.
Het willen -ook het willen van de Kerk- ontstaat uit welbehagen.
Het menselijk willen los daarvan is heteronoom: het is macht, het zelfbehoud die ons dan bepalen en niet de vrijheid van God’s eudokia [ook wel Jevdokia ±1180, de dochter van de Byzantijnse keizer].
Niets is redelozer en redelozer dan onze machtswil, die ons uiteindelijk individueel en collectief het leven kost. Wij, christenen, staan hier voor een wonderlijke [zij het slechts schijnbare] paradox [tegenstrijdigheid].
Indien God’s welbehagen de oorsprong van het hart is en vanuit dat hart de uitgangen des levens zijn, wordt onze wil gevormd door de grote Ander en dàt betekent tegelijk dat onze wil wordt gevormd door ieder ander die je aanziet met het gelaat van God.
Zo worden we ‘vrij’ gemaakt van de heteronomie waarin de autonoom zich wanende mens altijd weer terugvalt en gesteld wordt in de autonomie die zich ‘door de ander’ [in zijn nood] laat gezeggen. De vrijheid wordt je door de ander gegeven, indien je hem/haar toestaat je de Liefde te leren.

Zó vinden wij hier een antwoord op de merkwaardige problematiek van de autonomie in onze cultuur, die verworden is tot zucht naar machtsuitbreiding [ja, ook in de Kerk], tot wereldverovering en zelfontplooiing, waardoor vrijheid wordt verstaan als ruimte om onze eigen begeerten te vervullen.
Zó zijn wij knecht geworden van onze eigen vrijheid, want deze ruimtelijke  opvatting van vrijheid leidt onvermijdelijk tot een principieel conflict van vrijheden.

Triptych – Transfiguratie

                 Indien wij ons laten gezeggen door God in de ander en de ander in God hervinden wij onze vrijheid: ‘de Wil van God, Die moge geschieden, maakt ons vrij’. Wij worden daardoor aangedaan, bekleed, met een vrijheid, die véél verder reikt dan de actieradius van onze burgerlijke aansprakelijkheid en tevens vèrder dan die van onze ethische verantwoordelijkheid: “we zijn geworden tot mensen, die borg staan voor de Waarheid“.
We staan in de ‘lichtkring’, het Thabor-licht van de meest vrije Mens ooit geboren: onze Heer en Verlosser, Jezus Christus.

Voor één ding behoede ons God, dat de Kerk, ‘díe’ goddelijke macht gaat uitoefenen, daarbij is het ‘woeden van de heidenen’ gering. Want als de kerk in de wereld macht gaat uitoefenen, beneem zij de wereld zich op haar eigen ‘Blijde Boodschap’: zij vervalst de Macht van God.
De zin en betekenis van de Bergrede, waartoe het ‘Onze Vader’ behoort, is ‘de gemeenschap in Christuste leren, dat God in Zijn Volmaaktheid alleen maar kan worden nagevolgd.
Deelnemend in God’s beweging leert de gemeenschap van Christus: de andere wang toe te keren, vriendelijk te zijn tegen de tegenpartij, te vergeven en opnieuw te beginnen, vijandschap door Liefde overwinnen, het eigen woord gestand doen, ‘niet bezorgd te zijn‘ voor zichzelf, ‘volmaakt te zijn’ in het voetspoor van God in Christus.
Dit dankbaar volgen echter kan en mag nooit een plaatsvervangend uitoefenen worden. Dáármee blijkt altijd weer de oerzonde van de [door mensen gestalte gegeven, het instituut] kerk, de religieuze leugen, die de profetie verduistert.
Ook in de ethiek van de macht, laat de christelijke gemeenschap God God zijn, wanneer zij slechts doet wat ‘haar‘ is opgedragen en dat begint bij het indammen van de toegemeten macht.
En dat betekent dat de Heerlijkheid [of de Glorie, ook in de zin van de zegepraal] ‘de werking‘ is van God.
De Christelijke gemeenschap belijdt Doxologisch, dat ‘de Triomf en de H[eer]‘ is aan de machten en de tronen [ook niet aan de altaren] maar aan God.
Hierbij gaat het niet om de glorificatie van de kerk: haar dient alle triomfalisme vreemd te zijn; de Glorie is alleen aan deze geheel andere God.
De Glorie is ook gekwalificeerd door Wie God in Christus is: het is de Glorie van Zijn Verbond, Zijn verkiezende vriendschap, Zijn toewending en onweer-staanbare Liefde.
God heeft Zijn eer in Zijn menswording gesteld en wel Zijn menswording tot in de uiterste consequentie van lijden en dood.
Het is God’s Eer een mensgeworden God te zijn en Zijn Eer ligt niet in Zijn God als goden en zelfs niet in Zijn God zijn groter dan de goden, want ook dit staat in dienst van de bevrijding van mensen. Mozes en God spreken als vrienden, dat is God’s Glorie.
God’s Doxa verlicht de tijden, toch is het geen doña [δονάτος, je maar overgeven, (‘slapen‘)], die verblindt, fascineert of doet beven.
Zij ligt immers in de diepte, bij de vernederden en die slapen niet, vanwege het lijden.
God’s Licht schijnt in de duisternis, God’s Glorie verslindt ons niet, slorpt ons niet op, maar zet ons met beide voeten op de grond, bevrijdt ons en verruimt ons blikveld.
God’s zon schijnt ons niet in het gezicht, maar is de ‘Zon der Gerechtigheid’, ‘Bron van Licht‘ en verlichting.
God maakt Zichzelf niet groot, door ons een kopje kleiner te maken; Hij is Groot in het grootmaken van mensen. Hij is de Grote God, Die Zichzelf klein maakt: Hij wil door ons doen en laten grootgemaakt worden.
Heel anders dan zouden wij verwachten is juist God’s Glorie een mededeelbare eigenschap. Onze toekomst is het deel te hebben aan de Glorie van God; God glorieert niet zonder de mens.
Mens en wereld zijn tot Die Heerlijkheid bestemd.
Voor wie dáár oog voor krijgt, verbleekt alle heerlijkheid die de wereld [ook de individuele bloedgroepen in de kerk] in zichzelf denkt te hebben, meent te bezitten.
De gemeenschap van Christus is niet overbluffend door pracht en praal, zij heeft ‘weet‘ van een andere Glorie.
Deze Glorie is een zegepraal van zo’n hoog gehalte, dat wij haar alleen ‘van God‘ kunnen verwachten, want in de triomf zal God Zijn Eigen scheppin dienen te overtreffen.
En dat niet alleen: Hij zal ook een hele grote omweg dienen te maken, die de [kerkelijke] geschiedenis is gegaan. Ook dàt is nog te weinig: Hij zal alle tranen moeten afwissen en vertroosting moeten brengen over de bedroefde levens.
En zelfs dat is niet genoeg: alle zonde en boosheid dien voorgoed verzwolgen te worden in de uiteindelijke overwinning.
De Christelijke gemeenschap schaamt zich niet op God’s Gericht, op Zijn uiteindelijk Oordeel:  de honden, de dieven en moordenaars, de leugenaars, de uitbuiters en de geweldenaars zullen buiten staan, tenzij zij zich hebben bekeerd, want:
Van U is de Glorie, de Macht en de Heerlijkheid, als het begin, nu en voor altijd en in de eeuwen der eeuwen, Amen”.

 

– ‘unlocked‘ –

Ik wil u verhalen en niet God’s Mysteriën voor u verbergen, want Hij is het, die Wijsheid geleidt en de Wijzen richt op hun weg: in Zijn hand is alle Wijsheid en kennis en kundigheid. Een verleidelijke vluchtweg naar opzij weet ons ook daar te vinden waar mensen er op gaan vertrouwen [zich willoos overgeven] dat macht of machtsverwerving bij het behartigen van ‘Christelijk belangen‘ ons uit de crisis zou kunnen helpen; het blijkt dat ook deze vluchtweg een dwaalweg is.

Troparion     tn.4.
Aanvoerders der Hemelse Heerscharen,
wij, onwaardigen bidden tot u:
beschermt ons door uw gebeden onder de beschutting van de vleugelen
van uw onstoffelijke Heerlijkheid en behoedt ons
die voor u neervallen en dringend roepen:
redt ons uit alle gevaar, want u bent 
de Aanvoerders van de Krachten uit den Hoge“.

wordt nog vervolgd

November 11e, De Heilige Martinus, de Barmhartige, bisschop van Tours, beschermheilige van Utrecht.

Heilige Martinius van Tours, bisschop & Belijder.

      Zalig zijn jullie, wanneer men jullie smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van jullie spreekt om Mijnentwil.
Verblijdt jullie en verheugt jullie, want je loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten voor jou vervolgd.
        Jullie [geroepen mensen] zijn het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden.
         Jullie [geroepen mensen] zijn het licht van de wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn.
Laat [dan] zó jullie licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de Hemelen is, verheerlijkenMatth.5: 11-16.

      Aan eenieder wordt de Openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen. Want:
– aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest;
– aan de een Geloof door dezelfde Geest en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest;
– aan de een werking van krachten, aan de ander profetie;
– aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer 
een ander vertolking van tongen.
Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil” 1Cor.12: 7-11.

    Wanneer de Gerechte geprezen wordt, verheugt zich het volk; want
onsterfelijk is zijn gedachtenis, daar hij erkend wordt door God en de mensen en
zijn ziel behaagd heeft aan de Heer.
Bemint daarom de Wijsheid, jullie [‘geroepen’] mensen, verlangt naar haar en jullie zullen onderricht worden.
Want het begin van de Wijsheid is de Liefde en het onderhouden van de Wet [de Thora].
Eert de Wijsheid, opdat jullie jezelf mogen beheersen in eeuwigheid

uit: Wijsheid van Salomon.

In de winter van het jaar 354 gaat een Romeins soldaat, Martinus, als officier de versterkte poort van de stad Amiens [Frankrijk] binnen.
In de poort van de stad ontmoet hij daar een bedelaar, die zit te rillen van de kou.
Martinus, goed en warm gekleed in zijn soldaten-uniform, is hevig ontroerd door de aanblik van deze ellende.
Hij was een door de Heilige Geest begenadigde catechumeen, die niet kon wachten tot hij voldoende te weten zou komen over de nieuwe religie, die uit het oosten afkomstig was en zich onder de welwillende bescherming van keizer Constantijn [272-337] over Europa begon te verspreiden.
Martinus had regelmatig wat geld van zijn loon onder z’n personeel verdeeld, aangezien hij zijn dienaren als gelijkwaardig beschouwde.
Die dag scheurde hij, als reactie op de ontmoeting met de kou-lijdende bedelaar, zijn mantel met z’n zwaard in twee stukken en gaf de helft van zijn mantel aan de bedelaar opdat deze zich kon warmen.
Dit gebaar zal velen tot vèr ná hem aanzetten zich het lot van de armen aan te trekken.
Dit was geheel tegen de heidense gewoonten in, de armen hadden gewoon pech, die
dienden zelf maar door veelal zwaar en dodelijk werk aan hun trekken zien te komen.
               Je kunt het vergelijken met datgene wat er momenteel plaatsvindt:
– duizenden door de crisis in Venezuela wonende mensen – trekken door Mexico, om van aldaar mee te delen met de Rijkdom van het noord-Amerikaans continent.
De rijken zouden zich dienen te schamen, dat ze zulke grote bevolkingsgroepen
geen helpende hand hebben toegestoken.
         De Heilige Martinus overkomt na z’n barmhartige actie daarop volgende nacht het volgende:
Hij ontmoet in een droom Christus Zelf, die bekleed is met de helft van zijn mantel, die hij de dag daarvoor aan de bedelaar had geschonken.
Dit visioen heeft er toe bijgedragen dat hij die dag onmiddellijk een geestelijk leidsman, een spelleider, heeft aangeschoten met het verzoek hem te dopen.

‘Heilige Martinus’, patroonheilige van de stad Utrecht – gevelsteen in Utrecht

“ –Het delen van zijn mantel– ”, een eenvoudiger gebaar kun je toch niet bedenken onder de minder buitengewone dingen, die Martinus van die dag af aan in zijn leven als volgeling van Christus heeft ondervonden. We zullen daarom trachten als een rode draad zijn leven in Christus te gaan volgen.

Het Romeinse keizerrijk                                      [27 v. Chr. t/m 284 na Chr.]
Als toekomstig ruiter en vechter in de keizerlijke garde werd Martinus in de Hongaarse provincie Pannonia {nu: Szombathely] geboren uit een heidense familie, naar men aanneemt in het jaar 316, maar anderen spreken van 336. Sulpicius Severus is hierover niet duidelijk, waarschijnlijk omdat hij zich schaamt  dat zijn beschrijving van deze held, Christen zoals hij was, al meer dan twintig jaar onder de wapenen was, merkt Bruno Judic hierover op.

Romeins legioen onderweg

Dus reduceert deze als hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Tours en de voorzitter van de Europese cultureel Centrum de Heilige Martinus van Tours, in deze z’n leven als de Heilige Martinus de lengte van z’n leven met twintig jaar . . . De groten der aarde van alle tijden zullen echter in zijn visie aan onze ogen voorbij trekken, maar het staat vast dat Martinus, in tegenstelling tot veel heiligen uit het begin van het Christendom, een historisch figuur van vlees en bloed is geweest.
Door de fijngevoelige geschriften van Heilige Sulpice Sévère afkomstig uit Bordeaux, werd deze volgeling van Christus in de late 4e eeuw een beroemdheid en kunnen we kennis nemen en begrip krijgen over datgene wat Martinus zoal in z’n leven heeft gedaan.
Toezichthouder en opvolger als bisschop van de Heilige Martinus Gregorius van Tours [538-594] bevestigt echter zijn geboortejaar als 316 AD, zodat ook dat verschil van inzicht wordt opgelost.
Zoals het in die tijd gebruikelijk was volgde Martinus in de voetsporen van zijn vader en werd hij net als hem router in de keizerlijke garde, die hem naar Gallië deed komen.
Enige tijd na het wonderbaarlijke voorval in Amiens, geeft Martinus er in Worms, aan de linkeroever van de Rijn, de voorkeur aan het leger, die de barbaren bestreed, de rug toe te keren.
Hij begeeft zich op weg naar Poitiers en bezoekt daar de beroemde bisschop Hilary, die hem met vreugde in de armen sluit.

Zoals al eerder vermeld – kunnen de christenen zich vanaf het bewind van keizer Constantijn de Grote vrij in de wereld bewegen, echter in Gallië ontstaan er slechts 30 bisdommen en blijven de heidense traditionele geloofsovertuigingen de boventoon voeren. Daarnaast speelt ook de invloed van een zekere Arius, als geestelijk leider uit de derde eeuw en door de Kerk veroordeeld als ketter, een grote rol. Arius trachtte in tegenstelling tot de leer van de Apostolische Kerk z’n volgelingen duidelijk te maken dat zij Christus als Zoon van God niet dienden te erkennen en dat Christus slechts mens was en beslist niet de goddelijke natuur van Zijn Vader in de Hemelen bezat.
Al spoedig daarop doorkruis Martinus als prediker door Europa en probeert tevens zijn ouders, die nu in IIIyria [Croatië] verblijf hielden en botst overal om zich heen op tegen de aanhangers van Arius. Na een verblijf in Italië, waar hij het leven van een asceet ervaart, zoals de woestijnvaders van Egypte dit beoefenden, keert hij terug naar Poitiers.
        Met toestemming van toezichthouder Hilary, die tevens zijn mentor werd, laat hij in de omgeving van Ligugé, in jaar 360 AD, het eerste klooster van Gallië het levenslicht zien. Dit klooster heeft hij naar alle waarschijnlijkheid gebouwd  op de ruïnes van een Gallo-Romeins heiligdom, gewijd aan de de Keltische zonnegod ‘Lugh’. Deze heidense god is jong, sterk en meester in tal van kunsten; hij wordt tevens vereerd als de vader van de ambachten en de handel.
Je dient je hierbij een voorstelling te maken van het feit dat Martinus hier met een aantal metgezellen zich 10 jaar lang gedragen heeft als een woestijnvader en zelf een kluis bewoonde, aldus broeder Anthony Frederik, historicus en monnik te Ligugé [een gemeente in de regio Vienne in de regio Nouvelle-Aquitaine in het westen van Frankrijk]. Het ligt aan het riviertje  de Clain, op 8 kilometer van ten zuiden van Poitiers. Ieder van de monniken woonde in een aparte cel, die alleen verlaten werd voor de maaltijd en het gezamenlijk gebed.
Martinus bouwt zich als gevolg van een genezing van een van zijn volgelingen en en bediende en reputatie op. Dit is ongetwijfeld de reden waarom de inwoners van Tours hem in 371 – ondanks zijn ruige en niet al te frisse uiterlijk, als hun bisschop aanwijzen. In die tijd werd, mede onder invloed van keizerlijke allures, reeds de voorkeur gegeven aan kandidaten uit aristocratische families. Door de invloed en draagkracht meende men in tegenstelling tot datgene wat Christus Zelf verkondigd heeft, daarmee zekerheid voor de Kerk te bewerkstelligen. Het was dus min of meer een schandaal om een figuur als die vagebond Martinus als toezichthouder/bisschop aan te stellen. Broeder Antoine-Frédéric laat ons weten dat Martinus de aanstelling weliswaar accepteerde, maar zoals zo vaak tijdens zijn lange leven, werd hij verscheurd tussen zijn dorst naar ascese en de noodzaak het volk te evangeliseren.
Zo vluchtte Martinus naar de woning en verblijfplaats van zijn bisschop om zich vervolgens opnieuw te vestigen in een door hem gevestigde hermitage aan de andere kant van de Loire, te Marmoutier.

Heilige Martinus van Tours,  ‘wonderdoener‘.

“ . . . . . Martin bezette aldaar een houten cel”, zo zegt Sulpice Sévèrus, “en een groot aantal van zijn medebroeders werd in de omgeving op dezelfde manier ondergebracht. Maar de meesten van hen zochten een schuilplaats in een door hen zelf uitgehakte/ uitgegraven holte in de bergen, die hen tot schuilplaats diende“. Onophoudelijk trekt de toezichthouder/bisschop Martinus door geheel Gallië rond en wordt door de Heer begenadigd, wonderen te laten plaatsvinden.
Hij geneest een lepralijder in Parijs, een verlamde jongeling in het huidige Duitse Trier, zijn Spaanse leerling de Heilige Paulinus van Nola [22 Juni], in de stad Wenen [Oostenrijk] drijft hij demonen uit, verlost hen uit de macht van de tegenstrever [de duivel] en haalt heilige eikenbomen omver of weerstaat het weer door een hagelstorm te beteugelen . . . .

Zijn groeiende uitstraling en energieke voorkomen zijn een bewijs dat hij zowel religieus als in de politieke omgang z’n mannetje stond, als bisschop van Tours bezocht hij diverse malen het keizerlijk hof, dat zich in Trier bevond en had daar een onderhoud met Valentinianus I [364-375] en vervolgens met keizer Maxime [383-388].

Verlies van vermogen om iets tot stand te brengen
Met verve en met grote inzet bestreedt hij de Ariaanse ideeën, verdedigde hij tevergeefs de Spaanse bisschop Priscillian en z’n volgelingen, die ter dood waren veroordeeld vanwege vermeende ketterij. Martinis was daarbij naar alle waarschijnlijkheid gevoelig voor het feit dat Priscillian een vorm van ascese predikte, die de zijn nabij kwam, zo concludeert broeder Antoine-Frédéric. Toch keurde Martinus de gnostische ideeën van bisschop Priscillian en z’n volgelingen niet goed. Het is eerder door een gevoel van Genade dat hij om de Spaanse rechter om clementie  heeft gevraagd.
Na deze mislukking blijft Martinus weg van de bisschop’s synodes [vergaderingen van plaatselijke bisschoppen].
Aan de hand van datgene wat historicus ‘Sulpice Severus’ ons laat weten bemerk je dat Martinus het niet langer met anderen eens is. Hij heeft metgezellen/discipelen om hem heen, die door de Heilige Geest in vuur en vlam staan, maar hij heeft daarnaast veel vijanden [niet-vrienden, zoals men dat in dàt soort kringen uitdrukt].
Het beste bewijs daarvoor is dat zijn opvolger op de toezichthouder’s-zetel, een zekere Brice, welke door de historicus Sulpicius Severus verguisd wordt, weigerde op het graf van Martinus een ‘Martyrium’ te laten bouwen, een soort gedachtenis kapel, waarbij zowel martelaren als heiligen – ‘een eeuwige gedachtenis’ werd toebedacht. Het volk verwacht immers ook na de dood van een heilige, steun, toeverlaat en genezing als gevolg van zijn/haar gebeden tot onze Heer en Verlosser.
En toch, zou zowel in Candes, waar Martinus tijdens een pastoraal bezoek stierf, als te Poitevins en Tourangeaux, zijn stoffelijk overschot worden betwist, want zo’n bekende heilige in je midden betekent niet anders dan ‘geld’ in het laatje en dat schijnt nog steeds bij Moeder de Heilige Roomse Kerk de boventoon te voeren. Kijk maar wat het stoffelijk overschot van de grote toestroom van vroegere gelovigen ook nu de Kerk niet oplevert aan de verkoop van onroerend goed. Niemand, die inzicht heeft waar dit grote geld, aan besteed wordt.
           Maar het gevecht om het verkrijgen van het stoffelijk overschot, geeft ieder geval weer dat voor ten minste een deel van de beminde gelovigen van de streek ‘Martinus’ als Heilige beschouwd werd.

            Tot die periode waren voorbeeldige christenen in de ogen van het volk ‘de martelaren van het Geloof, zo laat Bruno Judic ons weten. Het enige verschil met voorheen is dat ze niet langer door de mens worden vervolgt, echter wel staande zijn gebleven voor de aanvallen van de duivel.
Sulpice Severus blijft ervan overtuigd dat de Heilige Martinus een richtsnoer is van Geloof, voorbeeld van zachtmoedigheid en leraar der onthouding, want zo heeft onze Heer in Waarheid hem aan Zijn kudde getoond. Hij willen ons overtuigen dat Martinus een leven geleid heeft dat nèt zo heilig is als het leven van de martelaren – ook al stierf onze heilige Martinus – op vredige wijze in Candes, na een vruchtbaar en voorbeeldig leven.
Dit is de reden waarom hij in z’n geschriften zo veelvuldig aandringt op de ascetische nauwgezetheid en de mirakelen van de heilige Martinus.
Dankzij zijn geschriften zal de nagedachtenis aan onze toezichthouder/bisschop van Tours voor altijd behouden blijven.
Ondanks de tegenwerking van de opvolger op de toezichthouder’s troon, de bruut Brice – die de postume populariteit in toom wenste te houden, bouwde een van z’n latere opvolgers, Perpetuus in 460 een grote basiliek op het graf van de Heilige Martinus.

Het Frankische Rijk, beginnend bij Clovis I

Daarop volgend maakte de Frankische koning Clovis [466-511] in het jaar 507, de grote vertegenwoordiger van de strijd tegen het Arianisme, onze Heilige Martinus tot de beschermer van zijn dynastie.
De Frankische koning Clovis (ca. 466-511), ook wel bekend als Clovis I, was de eerste Frankische vorst die zich tot het christendom bekeerde.
Clovis werd geboren omstreeks het jaar 466 als zoon van Childerik I en Basina.
Toen hij vijftien jaar was, in 481, volgde Clovis zijn vader op als koning.
Kort tevoren, in 476, was de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus afgezet, waarmee een einde kwam aan het West-Romeinse Rijk.
De weg naar machtsuitbreiding lag hierdoor open voor de Franken.
            In 486 behaalde Clovis een belangrijke overwinning op Syagrius [ca.430-486], de laatste Romeinse generaal, die zich nog in Gallië bevond en die
– aldus geschiedschrijver Gregorius van Tours [ca.534-594] in diens werk Historia Francorum – in opdracht van Clovis met een messteek de dood vond.
            Hij staat vaak in de schaduw van de latere vorst Karel de Grote, maar het is de vraag of dat terecht is.
In 507 verplaatste Clovis het machtscentrum van Doornik naar Parijs, nadat hij de Visigoten verslagen had. Op 27 november 511 overleed hij in Parijs.
Bij zijn overlijden hadden de Franken zeggenschap over bijna de volledige provincie Gallië, dat voortaan Frankrijk heette: ‘het rijk van de Franken‘.
              Tot zover deze geschiedkundige samenvatting van het leven van de grote Europeesche Heilige Martinus van Tours, welke gememoreerd wordt, om duidelijk te maken, hoe deze Heilige ook in de Lage Landen ondanks zijn nederigheid het verhevene dusdanig heeft gewonnen, dat hij hier alom geëerd wordt.

Apolytikion     tn.4.
Als richtsnoer van het Geloof en voorbeeld van zachtmoedigheid,
leraarden onthouding, zo heeft de waarheid uwer daden u aan uw kudde getoond.
Door nederigheid hebt gij het verhevene gewonnen, door armoede de rijkdom.
Vader en aartsbisschop Martinus, bidt tot Christus god, onze zielen te redden
”.

Kondakion     tn.3.
In Tours zijt gij verschenen als bedienaar van de Mysterie2n God’s, o Heilige,
want het de Blijde Boodschap van Christus vervullend,
hebt ge uw leven voor de kudde gegeven en onschuldigen van de dood gered;
daarom zijt ge geheiligd als een groot leraar in de Genade van God
”.

24e Zondag na Pinksteren – de Barmhartige Samaritaan: wie is je naaste en met wie ga jij een verbintenis/verbond aan?

      En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken en zei:
            Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?
En Christus zei tot hem:
            Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij?
Hij antwoordde en zei:
            Gij zult de Heer, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf.
En Hij zei tot hem:
            Gij hebt juist geantwoord; doe dat en gij zult leven.
Maar hij wilde zich rechtvaardigen en zei tot Jezus:
            En wie is mijn naaste?
Daarop hernam Jezus en zei:

” Zie de mens”.

            Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem niet alleen uitschudden, maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem halfdood lieten liggen. Bij geval daalde een priester af langs die weg; en deze zag hem, doch ging aan de overzijde voorbij.  Evenzo ging ook een Leviet langs die plaats, en hij zag hem en ging aan de overzijde voorbij.
            Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam in zijn nabijheid, en toen hij hem zag, werd hij met ontferming bewogen. En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn op; en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en ver zorgde hem. En de volgende dag stelde hij de waard twee schellingen ter hand en zei: ‘Verzorg hem en mocht gij meer kosten hebben, dan zal ik ze u ver goeden, op mijn terugreis.
            Wie van deze drie dunkt u, dat de naaste geweest is van de man, die in handen der rovers was gevallen?
Hij zei:        Die hem barmhartigheid bewezen heeft.
En Jezus zei tot hem:
Ga heen, doe gij evenzo
Luc.10: 25-37.

Onderweg

          Want Onze Heer en Verlosser is onze Vrede, Die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in Zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, Vrede makende, de twee tot een nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot een lichaam verbonden, weer met God te verzoenen door het Kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft.
            En bij Zijn komst heeft Hij Vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren; want door Hem hebben wij beiden in een Geest de toegang tot de Vader.
            Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is.
            In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Heer, in Wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede van God in de GeestEph.2: 14-22.

Zoals u van Christus gewend bent houdt Hij u een spiegel voor, de Blijde Boodschap, Die Hij verkondigt is de Waarheid en wordt ook vandaag heel helder door de Heilige Lucas weergegeven.
              “ . . . . . Een mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers”!
Voor een goed verstaander, een volgeling van Christus, is dit heel helder:
deze mens ging de verkeerde kant op,
Christus gaat op naar het eeuwige Jerusalem, ons aller bestemming, deze mens juist niet.
Deze mens ging de verkeerde kant op met een groot vermogen op zak – anders was hij niet door rovers overvallen en was hij niet halfdood aan de kant van de weg achtergelaten.
De tegenstrever, de duivel vond het de moeite waard hem onder uit te halen en totaal verbouwereerd achter te laten. Deze mens ging aan de doorwaadbare plaats voorbij, teneinde aan de overkant – z’n redding naderbij te komen. Nee, hij deed het verkeerd, in z’n handelsgeest dacht hij slim te zijn en wierp zich een dam op, waarbij het water hem aan de lippen steeg en loopt hij het gevaar z’n leven te verliezen. Misschien was hij daartoe door verkeerde vrienden geadviseerd, zoals zo dikwijls in ons leven voorkomt.
En wat zien we voor onze ogen gebeuren iedereen laat hem begaan, niemand doet iets, laat staan wordt er een mond open gedaan. De gehele geestelijkheid gaat aan hem, al stervende voorbij, laat hem links liggen,  een priester, een Leviet [uit de “stand der hogepriesters“] alles wat met de directe zorg is belast van het geestelijk leven gaat aan het slachtoffer voorbij.

“Wie is mijn naaste?” by Vincent van Gogh 1890

En dan komt er een Samaritaan, je zou het niet verwachten, maar juist die Samaritaan heeft de juiste inborst, doet datgene wat Christus van hem verwacht – is Christen – is van Antiochië [is pertinent tegen datgene wat de wereld doet] en komt dit slachtoffer te hulp.
De wereld speelt het arrogant beleefde [zoals het ‘heurt’] spelletje mee, gaat overal glimlachend aan voorbij, doet de mond niet open en laat datgene wat het slachtoffer overkomt gewoon gebeuren, hoe ‘on-christelijk‘ het ook mag zijn.
Maar zijn we dan -óók ìn de Kerk- geen “vreemdelingen en bijwoners” meer voor elkaar,
  mogen we elkaar niet eens meer de Waarheid te zeggen;
  wordt er massaal gedaan of het de gewoonste zaak van de wereld is dat iemand zichzelf bezeerd;
  laten we hetgeen heeft plaatsgevonden gewoon gebeuren en wachten we maar af hoe dit verder zal aflopen?
        Onze Heer en Verlosser is onze Vrede, Die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in Zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, Vrede makende, de twee tot een nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot een lichaam verbonden, weer met God te verzoenen door het Kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft”.
Hij maakt ons tot
        medeburgers der heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is.            In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Heer, in Wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede van God in de Geest“.

In de heiliging van de Naam door God Zelf, gaat het niet meer om onze goden, zelfs niet om onze enige eigen opge-bouwde God, maar om God boven alle goden, van Wie wij alleen kennis kunnen hebben als ‘Hij’ ons doet delen in Z’n eigen Genadegave tot zelfkennis. Dat deze God Zich in onze godenwereld ophoudt, is niet omdat Hij daar thuishoort.
Dàn verschijnt deze God alleen om met de goden af te rekenen en op die manier  Zijn Naam te heiligen. Deze God wìl niet pèrsé God zijn: Hij is geen object, waarvoor de mens, religieus, kan knielen of waarna deze, atheïstisch genoeg, de rug kan toekeren. Hij is héél on-religieuze God, een God die mens met de mensen wil zijn, die niet gediend wil worden, maar wil dienen.
Wanneer God Zijn Naam heiligt is het -‘over en uit’- met de godsdienst van ons mensen, dan staan wij verwonderd en dankbaar vanwege datgene wat vaststaat als de mensendienst van God.
Deze God, Die Zichzelf heiligt, is in de tedere kwetsbaarheid van Zijn Liefde zó Machtig, dat je ‘nooit en nèver‘ meer van Hem afkomt – van ‘binnen en van buiten‘ blijft het knagen. Hij omringt ons van ‘achteren en van voren‘, irritant onontkoombaar als een minnaar.
We zouden maar al te graag van Hem af willen, Hem de mond snoeren, want de injectie van de Hoop is pijnlijk, zij immuniseert niet, maar sensibiliseert, maakt de mens gevoelig.
Wij zijn heidenen en geven het op, we kiezen liever voor het ‘Sein zum Tode’, maar deze God laat ons niet gaan omwille van Zijn Heilige Naam.

  • Wanneer de Christelijke ‘Gemeenschap’ bidt erkent zij de Naam van God in de wereld ‘niet’ te hebben ‘hoog’-gehouden en mede schuldig te zijn aan de ontheiliging.
  • Zij erkent ook, dat zij, ‘hoogst’-kennelijk, daartoe niet in staat is en daarop bidt zij, dat God ‘Zelf’ Zijn Naam moge heiligen [opdat de Christelijke ‘Gemeenschap’ opnieuw geboren mag worden en deelkrijt aan God’s Heilige Geest].
  • Die onbekwaamheid houdt echter geen verontschuldiging en zeker geen alibi in:
    de Christelijke ‘Gemeenschap’ is [en zij ‘weet’ het] wèl dégelijk geroepen om God’s Naam in de wereld Heilig te houden!!!

Hoe kan dat nog? Hoe geeft God haar/ons daartoe nog een kans?
Het antwoordt op die vraag is
bij nader toezien’- niet moeilijk maar eenvoudig.
De kans, die ons gegeven wordt is:
dat de Christelijke ‘Gemeenschap’ ertoe geroepen is de Naam van God, Die Hijzelf heiligt, in Waarheid te erkennen en te laten gelden, voor zichzelf en Hem hoog te houden in de wereld.
wanneer de Christelijke ‘Gemeenschap’ dit beseft, bevindt zij zich niet langer in het veilige midden. Zij wordt in beweging gezet, zij wordt meegenomen in de beweging van God, de beweging van God’s Zichzelf radicaliserend hernemen, de beweging van God’s Barmhartigheid.
Dat is wat ons vandaag in deze Blijde Boodschap wordt voorgehouden.
de Christelijke ‘Gemeenschap’ immers erkent dankbaar de Heilige Naam van deze ‘gansch bijzondere‘ God, Die geen God wil heten, maar bondgenoot tegen ons lot, partner in het pijnlijk proces van de menswording.
God’s Naam, als in Christus door Hemzelf geheiligd erkennen, betekent in beweging te worden gezet.
de Christelijke ‘Gemeenschap’ breekt altijd weer op uit de ‘ban-kring’ der machten en maakt zich op om van de openbaring der verborgenheid in Christus op te trekken naar de onthulling van de Naam van het eschaton [de Openbaring van verborgen dingen door God], waarin deze God alles zal zijn in allen.
Christelijk leven, als heiliging van ‘God’s door Hemzelf geheiligde Naam’ is niet evenwichtig in het warme midden verkeren, maar aanstalten maken, openbreken en je op Zijn weg begeven.
            Heer, Jezus Christus, Zoon van de levende God, heb medelijden met mij, arme zondaar”.

Apolytikion     tn.7.
  Door Uw Kruis zijt Gij de Overwinnaar van de dood
en hebt Gij het Paradijs geopend voor de Rover.
De droefheid der Myrondraagsters hebt Gij
veranderd in vreugde, en Gij hebt haar gezonden tot de Apostelen om te verkondigen,
dat Gij waart verrezen, o Christus onze God,
om aan de wereld grote Genade te schenken
”.

Kondakion     tn.7.
  Niet langer houdt de onderwereld de gestorvenen vast,
want Christus is er afgedaald en heeft dienst kracht vernietigd.
De hades is geboeid; de Profeten jubelen en roepen:
de Verlosser is aan de gelovigen verschenen.
verheft u in het Geloof, ter Opstanding
“.

Theotokion     tn.7.
Gij zijt de schatkamer van onze Opstanding, o Albezongene.
Voer daarom hen die op U vertrouwen,
vanuit de poel en de afgrond omhoog.
Want Gij hebt ons, die aan de zonden schuldig waren, verlost,
doordat gij de Verlossing gebaard hebt.
Voor deze Geboorte waart Gij Maagd, en in die Geboorte waart Gij Maagd
en zijt na deze Geboorte Maagd gebleven
”.