8e Zondag na Pinksteren – de wonderbare Broodvermenigvuldiging

      En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote menigte en Hij werd met ontferming over hen bewogen en genas hun zieken.
       Bij het vallen van de avond kwamen de discipelen tot Hem en zeiden:
‘ De plaats [hier] is eenzaam en de tijd is reeds verstreken; zend dan de menigte weg, dan kunnen zij naar de dorpen gaan om spijzen voor zich te kopen. 
Maar Jezus zei tot hen:
      Zij behoeven niet weg te gaan, geeft gij hun te eten.
Zij zeiden tot Hem:
‘ Wij hebben hier niets dan vijf broden en twee vissen.
Hij zei:
      Brengt Mij die hier’.
En Hij beval de scharen, dat zij in het gras zouden gaan zitten, nam de vijf broden en de twee vissen, en Hij zag op naar de Hemel, sprak de zegen uit, brak de broden en gaf ze aan zijn discipelen en de discipelen gaven ze aan de scharen.
En zij aten allen en werden verzadigd en zij raapten het overschot der brokken op, twaalf manden vol. Zij, die gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend.
En terstond dwong Hij de discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, totdat Hij de scharen zou hebben weggezondenMatth.14: 14-22.

      Doch ik vermaan u, broeders, bij de Naam van onze Here Jezus Christus: weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn; weest vast aaneengesloten, een van zin en een van gevoelen.
       Mij is namelijk omtrent u, mijn broeders, medegedeeld door de [huisgenoten] van Chloe [Hebr. jonge scheut], dat er twisten onder u zijn.
       Ik bedoel dit, dat ieder uwer zijn leus heeft: Ik ben van Paulus [klein, bescheiden]! En ik van Apollos [Hebr. gegeven door Apollo]! En ik van Kefas [Hebr. rotsblok]! En ik van Christus!
       Is Christus gedeeld?
      Is Paulus dan voor u gekruisigd,
òf zijt gij in de naam van Paulus gedoopt?
Ik ben dankbaar, dat ik niemand uwer gedoopt heb dan Crispus [Hebr. gekruld] en Gaius [Hebr. Heer]; zodat niemand kan zeggen, dat gij in mijn naam gedoopt zijt.
Ook heb ik nog het gezin van Stefanas [Hebr. gekroond] gedoopt; verder weet ik niet, dat ik nog iemand gedoopt heb.
       Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen, en dat niet met Wijsheid van woorden, om niet het Kruis van Christus tot een holle klank te maken1Cor.1: 10-17.

  De Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zij heeft haar zeven pilaren uitgehouwen,
Zij heeft haar slachtvee geslacht, haar wijn gemengd, ook heeft zij haar tafel bereid.
Zij heeft haar dienstmaagden uitgezonden,
zij roept boven op de hoogten van de stad: ‘
Wie onverstandig is, zal zich hierheen keren’;
tot de verstandeloze zegt zij: ‘
Komt, eet van mijn brood en drinkt van de wijn, die ik gemengd heb; laat varen het onverstand, dan zult je leven en betreed je de weg van het verstand’
Spr.9: 1-6.

Conversion of Apostle Pavlos

Paulus heeft hier beslist niet voor ogen om zich met deze woorden geringschattend over de navolging van Christus en de daarop volgende doop uit te laten, alsof die niet van belang zouden zijn. Integendeel, we weten maar al te goed hoe hij de bewuste navolging van Christus op zijn werkelijke waarde weet te schatten.
Bovenstaand wil hij ons openbaren waar zijn roeping ligt: in het verkondigen van de Blijde Boodschap aan de hand van de leer van Christus.
Tegelijk zegt hij hierbij iets uiterst belangrijks over tot het hoe en wat van die verkondiging – zeker ook voor onze tijd – terwijl wat hij zegt onthullend is ten aanzien van de gemeenschap te Corinthe en zo als het ware een ‘verborgen’ aansporen tot beter gedrag inhoudt, welke eveneens tot ons is gericht.

Paulus spreekt hier namelijk de mensen aan voor wie ‘Wijsheid’ vanuit de wereldse filosofie een tweede natuur geworden is, en dan met name de vrucht van het denken – zo belangrijk is geworden. Het van oorsprong Griekse denken staat in haar essentie haaks op het Joodse, maar zeker ook op het Nieuw-Testamentisch denken en beleven.
Een Wijsheid die in het Licht van God dan ook zonder meer en zonder verdere toelichting dwaasheid heet, terwijl omgekeerd Gods wijsheid in het werelds denken als een dwaasheid wordt beschouwd.
Als een en ander ergens expliciet naar voren komt dan is dit wel bij het Kruis –
neem je kruis op en volg Mij’ zegt Christus immers.
Wij behoeven ons eigen kruis niet te maken, ofschoon het ongeloof een voortreffelijk timmerman is in het vervaardigen van Kruisen; ook wordt het ons niet veroorloofd ons eigen kruis te kiezen, hoewel de eigen wil zo vaak ‘Heer en Meester’ van het eigen leven tracht te blijven.
Maar een kruis wordt voor ons geregeld en aangereikt door de Goddelijke Liefde.
Blijmoedig dienen wij het aan te nemen; wij dienen ons kruis op te nemen als het kenmerk van onze keuze, en niet er voor blijven staan om het ongevraagd te regelen.
Deze ontmoeting gebiedt u allen als Jezus uw schouder te buigen onder Zijn zachte juk. Wees dan niet weerspannig, verzet je er niet tegen, trap er niet op door zelfverheerlijking; val er niet onder neer in wanhoop; ontloop het ook niet in angst en vrees, maar neem het op als een waar volgeling van onze Heer Jezus Christus.
Onze Heer en Meester was een kruisdrager, Hij gaat ons voor op de weg van de smart; je zou je absoluut geen betere gids kunnen begeren!
En daar Hij een Kruis draagt, welk een edeler last zou jij dan nog weten te begeren? De weg van het Kruis is immers de veilige weg; vrees niet de met doornen overwoekerde paden te betreden; het menselijk kruis is immers niet met fluwelen paden geplaveid, het is zwaar en voor onwillige schouders kneuzend; maar het is geen ijzeren kruis, al schildert uw vrees het met een ijzerkleur; het is slechts een houten kruis, en gij kunt het dragen; want de Man der Smarten heeft het getorst.
En neem van mij aan, God zal z’n kinderen niet overbelasten – Hij zorgt dat je over de mogelijkheden/middelen beschikt om de weg te volbrengen.
Neem derhalve je kruis op en door de Kracht van Gods Geest zult je het weldra zo beminnen, dat je, net als Mozes, de smaadheid van Christus niet zou willen ruilen voor de schatten van Egypte.
Bedenk dat Christus hèt Kruis gedragen heeft en hèt Zijn zoete geur zal geven; bedenk dat er eertijds de Kroon van het leven op zal volgen.
Wij volgelingen van Christus dragen ons kruis met geestdrift, in vuur en vlam als in het boek Daniël.
Schijnbaar liepen de Corinthiërs het risico het kruis te veel te benaderen en te verkondigen vanuit de ‘eigen wijsheid’ in plaats vanuit de wijsheid van God.
Wat zij schijnbaar niet beseften was, dat het kruis op die manier tot een holle klank werd gemaakt. Dat wil feitelijk zeggen, van haar kracht beroofd.
Juist het kruis blijkt volgens Paulus het hart van de Blijde Boodschap van Christus en dus van Zijn Leer.

En wanneer iemand in elk opzicht van zijn bestaan heeft ervaren wat de Kracht van het Kruis is, dan is het Paulus wel geweest. Het heeft hem gegrepen en juist daardoor heeft hij de waarde aan inhoud ervan begrepen.
Hij weet als niemand anders wàt de Kracht wel niet is van de Verkondiging van de Leer van Christus, met als fundament het opnemen van je persoonlijk kruis.
Het persoonlijk kruis confronteert je namelijk met jezelf, het ontmaskert en onthult de verborgen zielenroerselen in het leven.
Het toont je de werkelijke verhouding tot God: ‘Waarom vervolg je Mij?’.
Het raakt je tot in het diepst van je wezen: ‘Adam waar ben je?’.
Wanneer dàt je overkomt, overvalt, kun je jezelf niet redden, je eigen ‘Ikje’ handhaven.
Dàn wordt eerst duidelijk wàt onze Heer en Verlosser verkondigd heeft, namelijk
dàt alleen in het totaal verliezen van jezelf ‘het vinden van het Leven’ ligt.
Hoe staat dit vandaag de dag dwars op het ‘werelds’ denken,
een denken dat als in de tijd van toen, de tijd van de Grieken,
gedreven wordt door de drang tot ‘zelfverwerkelijking’ en ‘zelfhandhaving’.
Paulus laat ons de menselijke onvolkomenheid zien in de confrontatie met
de gekruisigde, maar opgestane Jezus Christus, onze Heer.
Dan vallen de oogkleppen af en hoor je wat werkelijk de bedoeling is.

 

Op de berg van God, de Horeb, sprak God op een steeds zachtere toon en Eliah kwam naar een grot waar hij zijn toevlucht nam. Toen zei de Heer tegen hem: “Ga naar buiten en sta op de berg voor het aangezicht van de Heer“.                       On the mountain of God, the Horeb, God spoke in an ever-softer tone and Eliah came to a cave where he took refuge. Then the Lord said to him: “Go out and stand on the mountain before the face of the Lord ….“. 

Onze Heer Jezus Christus sprak in eenvoudige verhalen, dat wist iedereen.
Daarom luisterde men graag naar Zijn Leer, Zijn parabels en levenslessen; iedereen verstond Hem, het was heel anders dan de woorden van de Schriftgeleerden, die hen slechts de Wet voorschreven.
Maar vandaag vertelt onbegrijpelijke dingen en gaat niet eens in op de vraag van de omstanders: ‘Hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten geven?
Jezus gaat onverstoorbaar verder en lijkt de zaken op de spits te drijven.
Dat staat allemaal te lezen in de beschrijving van bovenstaand gebeuren door Johannes de Theoloog, een lange uiteenzetting die volgt op de wonderbare broodvermenigvuldiging.
      Ik ben het levende Brood, dat uit de Hemel neergedaald is.
Indien iemand van dit Brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, voor het Leven van de wereld.
De Joden dan streden onderling en zeiden: ‘Hoe kan Deze ons Zijn Vlees te eten geven?’.
Jezus dan zei tot hen:
‘ Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn Bloed drinkt, hebt gij geen Leven in uzelf. Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, heeft eeuwig Leven en Ik zal hem opwekken op de jongste dag. Want Mijn Vlees is ware spijs en Mijn Bloed is ware 
drank. Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hemJohn.6: 51-58.

Voor ons is dit ook niet altijd eenvoudig te begrijpen, het betreft namelijk een Mysterie [een wonderbare uiting van de Heilige Geest]; in feite gaat het hier over de eucharistie.
Het Brood is het Lichaam van onze Heer en de wijn Zijn Bloed.
De vraag ligt nu voor de hand: hoe kan dat nu?
Dat is een ernstige vraag. Ze heeft aanleiding gegeven tot grote theologische debatten en meters dikke boeken. Maar ze is in zekere zin ook misleidend alsof het om bovennatuurlijke scheikunde zou gaan.
We komen echter veel dichter bij de kern met de vraag:
“ Hoe kan iemand [God’s kind] in de Liefde zó vèr gaan, dat hij of zij zichzelf te eten geeft? Dat de persoon in kwestie wordt zoals het brood dat wij nodig hebben om te leven?”.

Jezus stelt Zijn omstanders voor een keuze.
Wat eten jullie eigenlijk? Waarvan leven jullie? En voedt dàt óók ècht?
Neemt dàt je honger weg, of blijf je tòch altijd maar weer met een lege maag zitten? Mensen hebben altijd al geweten dat ‘niet alles’ eetbaar en voedzaam is.
Goed en gezond voedsel, daar maken we ons al jaren stèrk voor; maar voedsel is nog zó véél méér dan dàtgene wat door de maag gaat.
De uitdagende woorden van onze Heer Jezus Christus gaan over àlles waarvan een mens leeft. Waarvan leef je in je gevoelsleven, in je contacten?
Met wie ga je om en waarom, en hoe?
Zijn dat contacten die anderen doen leven en waarin je andere tot leven brengt?
En geestelijk: voedt je jezelf met kennis en inzicht?
Met dingen die het weten waard zijn, òf met flauwe kost die je overal kunt krijgen?

Laatste avondmaal, Coptische icoon.

Eigenlijk spreekt Jezus vandaag ook maar eenvoudige taal. Alles wat Hij hier zegt is een commentaar op het Mysterie van het brood, op de wonderbare brood-vermenigvuldiging. Mensen worden pas door het Woord van God verzadigd geraakt, nadat het eerst door Christus’ handen is gegaan.
Wat Jezus vandaag eigenlijk zegt is:
laat dàt wàt jij belangrijk vindt, waarvan jij leeft, eerst door Mijn handen gaan‘.
Ik zal je duidelijk maken wàt voedzaam voor je is en wàt niet.
En, van wàt ik je dàn geef, zul je pas ècht in staat zijn te Leven.
Vervolgens is het aan ons om er een nieuwe Hemel en aarde mee op te bouwen.

Maar hoe doe je dat? En hoe geef je die bezieling door?
Maar hoe houd je de Geestdrift zo door het jaar levend en vurig?
Van oudsher komen christenen daarom bijeen op de dag des Heren, de zondag, omdat ze beseffen dat niets zo snel verwatert als ‘Geestelijke bezieling’.
Ze komen bijeen om te horen hoe Hij ons is voorgegaan, wat Hem heeft bezield.
Dat samenkomen is een ritme dat wij nodig hebben om elkaar te kunnen voeden en bezielde mensen te blijven.
Je hoort wel eens zeggen: ‘maar, thuis kun je toch ook bidden’, daarvoor behoef ìk ècht niet naar een Kerkgemeenschap te gaan, dit past dan uitstekend in onze ‘ìk-cultuur’ en zo werkt het niet bij God.
Maar we weten nog wèl hoe snel Geloof, z’n oude energie en vuur verliest; de Kracht van ons geloof is gelegen in de Gemeenschap, Die we samen vormen; de ‘Communio’, als overtuiging dat de verschijningsvormen van de Vrede onder de volkeren slechts blijft bestaan, zolang er gecommuniceerd wordt.
Vanuit de inspiratie, die we elkaar bieden, kun je zelf dankzij God’s Kracht ‘sterker’ in het leven staan en worden als mens bij alles wat je overkomt.
Natuurlijk kun je die inspiratie ook elders vinden, in de natuur, bij een concert of op een feest bij vrienden – maar Goddelijke Inspiratie bereik je dankzij God en bij God.
    Tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan.
Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest. Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet opnieuw geboren worden. De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren isJohn.3: 5-8. Onze Heer en Verlosser zegt dit in gesprek met een Joods leider, een man van naam, Nicodemus [Hebr. overwinnaar].

 

Christus & Nicodemos, durch Friedrich Hermann Carl von Uhde [ca.1886]

In dàt gesprek naar een Joodse leidsman, die eveneens net als ons blijft zoeken –  gaat het over de vraag: ‘Hoe werkt God nu in je leven?
In dat bekend geworden gesprek doet Jezus een heel radicale uitspraak:
Ik verzeker je: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het Koninkrijk van God zien en binnengaan“.
En even later werkt onze Heer dat nog verder uit, en Hij zegt dan:
Je hebt een natuurlijke geboorte, dat is de geboorte uit de schoot van je moeder. Maar er is ook een tweede geboorte, een wedergeboorte, een geboorte uit de Geest”. Een nieuw begin, doordat de Heilige Geest in je leven aan het werk is. 
Die Heilige Geest, Die maakt dàt je van binnenuit tòt een ander mens wordt en daarbij bovendien totaal vernieuwd wordt.
Wanneer Christus zegt: ‘De wind waait waarheen hij wil...’, dan kun je ook vertalen: ‘De Geest waait waarheen Hij wil…
Alleen al omdat Hij ons zegt:
“… je hoort Zijn geluid, maar je weet niet waar Deze [‘Geest’] vandaan komt en waar Hij heen gaat…”; alleen daarom is het wel heel duidelijk dat Hij die vergelijking trekt met de wind.
En Hij zegt er dan nog bij:
Zo is het ook met iedereen die uit de Geest geboren is, uit de Heilige Geest“.
Zo’n geboorte gaat – door levenspijn heen – en dàt kun je onmogelijk ontlopen.
Ná Zijn Opstanding verschijnt onze Heer ‘in de bovenkamer’ weer aan Zijn leerlingen, zij zijn daar gezamenlijk in gebed en dan staat er:
Vrede zij U”, zoals in de Goddelijke Liturgie
’Η ειρήνη είναι επάνω σου’ – ‘
السلام عليكم’ – ‘Мир всем’.
Hij blaast over ons allen [Zijn adem wordt tot wind], en Hij zegt:
Ontvang de Heilige Geest”.
Wind, adem, Geest, dat is het Mysterie van de Heilige Geest,
dat is eigenlijk de Levensadem, Die van God uitgaat.
En als God, Die Adem in ons leven blaast, dan komen wij tot Léven, tot nieuw Leven, tot een nieuwe geboorte en dàt vindt plaats in de gemeenschap met Christelijke mensen.

Dat is wat Jezus ook al benadrukt:
Als die Geest aan het werk is, dan gebéúrt er wat.
Liturgie [λειτουργία] is oorspronkelijk elke rechtstreekse dienstverlening
van de burger aan z’n staat, aan het Hemels Koninkrijk.
De vroeg-Christelijke Kerk was vanaf het begin een liturgisch Kerk, omdat
de Joden gewend waren aan vaste vormen in de Eredienst.
Het Nieuwe Testament verhaalt allerlei voorbeelden van liturgische praktijken,
van traditionele Joods praktijken [zoals dat Petrus en Johannes naar de Tempel gaan, omdat het het uur van het gebed was] tot Christelijke liturgische eredienst, waarbij ervan uitgegaan kan worden dat de vroege Christenen samenkwamen en Eredienst hielden volgens de Joodse Traditie en daar hun eigen accenten aan gaven, zoals de duiding van het breken van het -onder aanroeping van de Heilige Geest- geHeilige Brood en het drinken van de -op dezelfde wijze geHeiligde Wijn, welke als “Lichaam en Bloed van Christus’ de Maaltijd des Heren voor de gedoopte Christen vormde.
De navolging van Christus begon de vroeg-Christelijke Kerk niet met een schone lei, evenmin zoals onze Heer, dat deed. Ze baden als Joden en hielden hun eredienst als Joden. De eerste Christenen waren Joden die Jezus Christus erkenden als de beloofde Messias en de eredienst die ze hielden volgde de gebruikelijke Joodse vormen.
Daarom zien we in het Nieuwe Testament dat de eerste Christenen hun Joodse religieuze praktijken voortzetten, terwijl ze ook op Jezus Christus gerichte praktische invulling ontwikkelden, vanuit de woorden van onze Heer en Verlosser Jezus Christus gezegd heeft:”   Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis. Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor u vergoten wordt” Luc.22: 19-20.
Het nieuw geduide maaltijd-ritueel dat ingesteld is bij het Laatste Avondmaal met Zijn Apostelen werd in de vroege Kerk aanvankelijk afzonderlijk gevierd.
Deze continuiteit [van Tempel naar Synagoge] naar de vroege Christelijke Kerk maakte het mogelijk dat de Christelijke Kerk aan het eind van de eerste eeuw reeds een ‘hoog’ ontwikkelde liturgische vorm had.
De Orthodoxe Kerken praktiseren de continuïteit zelfs in de vorm van een soort
onveranderlijkheid. De Orthodoxe Kerk wordt ook wel getypeerd als “vast-besloten om trouw te blijven aan het verleden, vasthouden aan het Mysterie van de levende continuïteit van de vroeg-Christelijke Kerk“.
Deze toewijding om de Blijde Boodschap te beschermen en om het Woord en de lof van/aan God in stand te houden komen voort uit de overtuiging dat het Geloof aan Christenen gegeven werd door Jezus Christus.
Indien Christenen “Apostolisch” willen zijn, dan dienen zij tot dezelfde Kerk te behoren, Die onze Heer en Verlosser, Jezus Christus stichtte, Die in de eerste eeuw tot stand kwam.
John Meyendorf, een bekend Orthodox Theoloog, haalde in z’n boek ‘Woman and the Priesthood’ aan, dat “alle Christenen op een bepaalde manier tijdgenoten van Jezus Christus dienen te worden…“. Dat dìt in de een-en-twintigste eeuw niet langer een absolute norm is, in de Apostolische eerste eeuw was het dàt voorzeker wèl.
  Komt, eet dan van Mijn Brood en drinkt van de Wijn, Die Ik gemengd heb;
laat varen het onverstand, dan zul je leven en betreed je de weg van de Wijsheid, het nuchtere verstand”.
  
Zoals het was in de tijd van Johannes, de Theoloog, zo is het ook in onze tijd:
Het Geloof staat of valt met de aanvaarding van de persoon van onze Heer Jezus Christus, Die ons heeft verlost.
Dàt aanvaarden van Jezus Christus, als Zoon van de Levende God, Hèm toelaten in je leven, Hem ontmoeten en vooral: Hem ‘eten en drinken’ – dat is vèrre van vanzelfsprekend.
Want ‘eten en drinken’ duidt op toetreden tot aan een persoonlijke intimiteit en op gemeenschap mèt Hèm, die jou bemint als z’n eigen broeder, zuster.

Apolytikion     tn.7.
  Door Uw Kruis zijt Gij de Overwinnaar van de dood
en hebt Gij het Paradijs geopend voor de Rover.
De droefheid der Myron-draagsters hebt Gij veranderd in vreugde,
en Gij hebt haar gezonden tot de Apostelen om te verkondigen,
dat Gij waart verrezen, o Christus onze God,
om aan de wereld grote Genade te schenken
”.


Kondakion     tn.7.
  Niet langer houdt de onderwereld de gestorvenen vast,
want Christus is er afgedaald,
en heeft diens kracht vernietigd.
De hades is geboeid;
de Profeten jubelen en roepen:
de Verlosser is aan de gelovigen verschenen.
verheft u in het Geloof, ter Opstanding
“.

Theotokion     tn.7.
  Gij zijt de schatkamer van onze Opstanding, o Albezongene.
Voer daarom hen die op U vertrouwen,
vanuit de poel en de afgrond omhoog.
Want Gij hebt ons,
die aan de zonden schuldig waren, verlost,
doordat gij de Verlossing gebaard hebt.
Voor deze Geboorte waart Gij Maagd,
en in die Geboorte waart Gij Maagd
en zijt na deze Geboorte Maagd gebleven
”.

Juli, de 20e – de Heilige Profeet Eliah, de ‘Tisbiet’

    En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken en de Heer zal hem oprichten.
En wanneer hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden.
      Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkaar, opdat jullie genezing ontvangen. Het gebed van een Rechtvaardige vermag veel, doordat er Kracht aan verleend wordt.
      Eliah was slechts een mens zoals wij en hij bad een gebed, dat het niet regenen zou, en het regende niet op het land, drie jaar en zes maanden lang en hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen en de aarde deed haar vrucht uitspruiten. 
Mijn broeders, indien bij u iemand van de Waarheid afdwaalt, en een ander brengt hem tot 
inkeer, weet dan, dat, wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, diens ziel van de dood zal behouden en tal van zonden bedekkenJac. 5: 15-20.

De Profeet Eliah [Hebr: אֵלִיָּהוּ, ’elijjāhû of verkort אֵלִיָּה, ’elijjāh, “[Mijn] God is  Heer (JHWH)”; Oudgrieks: Ἠλείας, Èleias; Arabisch: إلياس, Ilyās] was volgens de traditie van de Hebreeuwse Bijbel een van de belangrijke profeten.
Hij was afkomstig uit Tisbe in de streek Gilead en had daarom de bijnaam “de Tisbiet”. Eliah is jongensnaam afgeleid van Eli – als meisjesnaam komt het tereug in Elisabeth: Hebreeuws: ‘De Heer [‘Jahweh’] is [mijn] God’.

Het optreden van deze belangrijke profeet wordt geplaatst in de periode van de koningen Achab [870-851 v.Chr.] en Achazja [851-850 v.Chr.], waarbij de Israëlieten afvallig werden en ook goden als Baäl en Ašerah waren gaan aanbidden.
De Profeet Eliah ging naar koning Achab en kondigde een grote droogte aan.
Toen niemand zich bekeerde, verborg hij zich bij de beek Cherith, waar hij elke ochtend en avond door raven werd gevoed. Bekend is het verhaal van zijn ontmoeting met de weduwe van Sarfat. Hij zou daarbij twee Mysteriën [wonderen] hebben verricht:
1.]. het meel in de pot raakte niet op, de kruik met olie raakte niet leeg.
2.]. hij zou het gestorven zoontje van zijn gastvrouw weer tot leven hebben gewekt.
Op de berg Karmel kwam het tot een beslissende ontmoeting met priesters van de Kanaänitische god Baäl, waarbij God op Elia’s gebed vuur uit de hemel zou hebben laten neerkomen terwijl daarvoor de offers van de priesters van Baäl zonder vuur waren gebleven. Op bevel van Elia werden deze Baäl-priesters vervolgens door toekijkende Israëlieten gedood.
Hierna moest Eliah vluchten omdat koningin Izebel, de vrouw van koning Achab, dreigde hem te laten ombrengen.
Aangekomen bij de berg Horeb in de Sinaïwoestijn zou hij een diepgaand zielsgesprek met God hebben gehad, waarin hij opdracht kreeg om een opvolger [Elisha] te zalven.
Omdat koning Achab op onrechtmatige wijze de wijngaard van Naboth zou hebben verkregen, waarbij deze laatste werd gestenigd, moest Elia van God Achab en diens vrouw Izebel hun dood aanzeggen; hun sterven vond niet lang daarna plaats.

De Joden verwachten op grond van een voorspelling de terugkomst van Elijjāhû Maleachi 3:1, voorafgaand aan de komst van de Messias.
Men zet daarom nog steeds bij de besnijden van pasgeboren joodse jongetjes op de achtste dag [= isbriet mila] de deur open en een stoel voor hem klaar.
Door de besnijdenis wordt een man [net als onze Doop] opgenomen in het Verbond dat God gesloten heeft met aartsvader Abaraham;
net zoals een kind opgenomen wordt in het het navolgeling zijn van Christus. Weigert een onbesneden man zich te laten besnijden, dan kan hij ook niet worden opgeroepen voor de Thoralezing;
kan hij volgens sommige rabbinale geleerden niet deelnemen aan een Pesach-seder en wordt hij ook in verschillende andere zaken als een niet-jood beschouwd.
Over deze profeet Eliah wordt beschreven hoe hij door een vurige wagen naar de hemel werd gebracht 2Kon.2: 11; z’n leerling in het profeten-vak Elisha was hier getuige van.  Vanwege de verwachting dat deze profeet weer naar de aarde zal worden gezonden plegen de joden daarom tijdens de sederavond eveneens een extra bord op tafel te zetten en de deur open te laten voor het geval dat Elia op dat moment bij hen terugkomt.
Het is daarom in streng-christelijke gezinnen wel gebruik geweest, een extra plaats bij de hoofdmaaltijd voor Christus te dekken – om Hem in hun nabijheid te weten.

In de weergave van de Gedaanteverandering van onze Heer en Verlosser, Jezus Christus wordt  de Transfiguratie geopenbaard waarbij onze Heer Zich aan de uitgelezen Apostelen Petrus, Jaäcobus en Johannes op de berg Tabor i
n Zijn volle Heerlijkheid openbaart.
Christus wordt daarbij omschreven als het Goddelijk Licht en
wordt vanuit een wolk toegesproken door God:
Dit is mijn eniggeboren Zoon, Die ik Liefheb”; hierbij
werd Jezus door Elijjāhû [Eliah] en Moshje [Mozes] geflankeerd.
Mozes en Eliah waren twee personen in het Oude Testament die
⁌ De Wet en de profeten verbeeldden;
⁌ Beiden zouden volgens de Traditie niet gestorven zijn [de aartsengel Michaël  zou met de duivel om het lichaam van Mozes hebben gevochten [, zie Henoch];
⁌ Beiden zouden -als leiders van hun Volk- een ontmoeting met God op de berg Sinaï hebben gehad;
⁌ Beiden worden bij de Komst van de Messias terug verwacht .

Eliah heeft geen geschriften nagelaten, zoals de andere profeten, maar de weinige woorden die van hem zijn overgeleverd, zijn geladen met macht en daadkracht. Daardoor had hij een grote invloed op zijn volk, dat hij uit de Baälsdienst weer tot God wist terug te brengen.
Het is juist veelzeggend dat hij naast Mozes bij Christus’ Verschijnen op de Thaborberg naar voren treedt. Zijn taak is echter nog niet afgelopen: Christus noemt Johannes de Doper de Eliah, die komen moest. En in de visioenen van Johannes de Theoloog in zijn Openbaringen speelt Eliah een rol in de eindtijd van de wereld. 

Apolytikion     tn.4.
  U was een Engel in het vlees, het uitgangspunt van de profeten
en de tweede Voorloper van Christus’ komst, roemrijke Eliah.
U hebt uit de Hoogte uw geest gezonden op Elisha,
u verjaagt ziekten en reinigt melaatsen;
en doet zo ook genezing opwellen voor allen, die U vereren
”.

Kondakion     tn.2.
Profeet en Schouwer van God’s Machtige Daden, vermaarde Eliah,
die door uw woord de regenwolken gevangen hield,
bidt voor ons tot de Enige, Die de mensen liefheeft
”.

7e Zondag na Pinksteren – genezing van de blinden en de doofstomme

‘Dat Vrede mag stromen als wind door de bomen’;
‘ That Peace may flow as wind through the trees’;
‘Ότι η Ειρήνη μπορεί να ρεύσει όπως ο άνεμος μέσα από τα δέντρα’;
‘أن السلام قد يتدفق كالرياح عبر الأشجار’.

      En terwijl Jezus vandaar verder ging, volgden Hem twee blinden, al roepende en zeggende: Heb medelijden met ons, Zoon van David!
En toen Hij het huis was binnengegaan, kwamen de blinden tot Hem, en Jezus zei tot hen:
‘Gelooft gij, dat Ik dit doen kan?’. Zij zeiden tot Hem: ‘Ja, Heer’.
Toen raakte Hij hun ogen aan en zeide:
‘U geschiede naar uw Geloof’.
En hun ogen gingen open. En Jezus verbood hun ten strengste en zeide: Ziet toe, niemand mag dit weten!
Maar zij gingen heen en maakten Hem in die gehele streek bekend.
       Terwijl zij heengingen, zie, men bracht een doofstomme bezetene bij Hem.
En nadat de boze geest was uitgedreven, sprak de doofstomme.
En de scharen verbaasden zich en zeiden: ‘Zo iets is nog nooit in Israël voorgekomen!’.
Maar de Farizeeën zeiden: ‘Door de overste der boze geesten drijft Hij de geesten uit’.
        En Jezus ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun Synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaalMatth.9: 27-35.

Hoe wonderlijk zijn de wegen die U met ons gaat

      Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden der zwakken verdragen en niet onszelf behagen.
Ieder van ons dient zijn naaste trachten te behagen, ten goede, tot opbouwing, want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar, gelijk geschreven staat:
       ‘ De smaadwoorden van hen, die U smaden, kwamen op Mij neer’.
Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting van de Schriften de Hoop zouden vasthouden.
       De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar [het voorbeeld van] Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit een mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus moogt verheerlijken.
Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid GodsRom.15: 1-7.

Opnieuw worden we opgeroepen eensgezind te zijn en te volharden  – niet onszelf te behagen.
Het gaat hier over oordelen in verband met Wetmatigheden, volgens een bepaald systeem, dewelke wij onderling met elkaar afgesproken hebben.
Eten of niet eten en het al dan niet houden van bepaalde dagen en dat soort aangelegenheden.
Paulus begint met: “Maar ‘wij’, die sterk zijn …”.

Zou hij dit ironisch bedoeld hebben? Wij vinden immers onszelf immers altijd sterk, ‘wij’ weten hoe het moet, wij zijn beslist niet de zwakke in de menselijke samenleving.
Hoe het ook zij – wij hebben het met onszelf getroffen; ‘wij’, die sterk zijn,
behoren de zwakheden van de niet-sterken te dragen en ‘niet’ onszelf te behagen.
In de gehele Blijde Boodschap komen wij dit principe tegen.
Niet ‘ik’ moet centraal staan, maar ‘mijn naaste’.
Christus geeft het in de verwoording van Mattheüs ten opzichte van ons [farizeeërs] als volgt weer: “   Gij zult de Heer, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de gehele Wet en de ProfetenMatth.22: 37-40.
Het liefhebben van God en het liefhebben van de naaste staan dus gelijk.
Betekent dat nu dat ik mijn naaste in de watten moet leggen?
Nee, dit gaat nog veel en veel verder, dit behagen of liefhebben van onze naaste heeft een doel.
In de watten leggen doe je om uiteindelijk ‘zelf’ aardig gevonden te worden, maar dat is in ‘dit geval’ niet belangrijk: “Laat ieder van ons de naaste behagen ten goede, tot opbouwing”;

letterlijk staat hier de eis, tot in het goede.
Net zoals we gelezen hebben in:
    Maar wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten [tot in] het goede“  Rom.8: 28. Wanneer we deze tekst vervolgen dan lezen we en zien we dat dàt goede ‘Christus’ is. En ook hier in bovenstaande is dàt ‘goede’, dat Goddelijke – Christus.
Dàt is de opbouwing, die hier genoemd wordt.
Het is de bedoeling dat óók bij de zwakken Christus openbaar komt.
En natuurlijk gaat God ook dáár voor zorgen.

Christus was niet op Zichzelf gericht, Hij had alleen oog voor God.
Hij heeft zichzelf niet behaagd: “De schandelijke beledigingen van hen, die U smaden, zijn op mij gevallen”. Alle beledigingen ten opzichte van God zijn op Christus neergekomen en Hij verdedigde Zichzelf nooit!

Dat wat Paulus hier schrijft is eigenlijk niets nieuws, hetgeen blijkt uit:

Want alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat
‘wij’ door de volharding en door de vertroosting van de Blijde Boodschap
slechts de Hoop zouden hebben.

De gehele Blijde Boodschap en dus ook het Oude Testament is niet ‘zomaar’ een boek.
Je kunt het lezen als een geschiedenis, als een historische opsomming,
alles wat beschreven wordt is ook ‘inderdaad’ op die manier gebeurt, maar
niet alles is opgeschreven.
Johannes de Theoloog schrijft immers aan het slot van zijn verwoording van
zijn versie van het Evangelie in het allerlaatste vers:

Er zijn nog vele andere dingen die Jezus heeft gedaan, waarvan
ik denk dat als zij één voor één werden geschreven, zelfs
de gehele wereld de geschreven boeken niet zou kunnen bevatten
”.

Maar de dingen die Johannes wel beschreven heeft over Jezus hebben een doel:
Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus,
de Zoon van God en opdat gij, gelovende, het Leven hebt in Zijn Naam
John.20: 31.

En eerst dàn openbaarde Jezus Zich ‘opnieuw’ aan de discipelen bij de zee van Tiberias [Hebr. van de Tiber (als riviergod)] en Hij openbaarde Zich aldus:
  De Apostelen vertrokken met Petrus en gingen scheep, en in die nacht vingen zij niets. 
Toen het reeds morgen werd, stond Jezus aan de oever; de discipelen wisten echter niet, dat het Jezus was. Jezus zei tot hen: ‘Kinderen, hebt gij ook enige toespijs?’.
Zij antwoordden Hem: Neen. Hij nu zei tot hen:
‘Werpt uw net uit aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden’.
Zij wierpen het
[net] uit en konden het niet meer trekken
vanwege de menigte van de vissen
John.21: 3-6.
Paulus zegt dàt de Blijde Boodschap in Z’n geheel ‘voor òns’ geschreven is,
voor de gelovigen die in de handelingen periode en ook daarna
de brief aan de Romeinen zouden lezen.
In de Heilige Geschriften kunnen we immers Volharding en Vertroosting vinden.
En daardóór is er Hoop, de wereld eindigt niet in ellende.
Nee, het gehele Oude Testament en óók de Evangeliën spreken van de komst van de Messias. Inderdaad ‘dìt’ is in de eerste plaats een boodschap voor Israël [de Kerk], dus óók voor de heidenen.
Op vele plaatsen staat dat God de wereld en de mensen ‘Lief heeft’ en
Zijn Zoon heeft gezonden om haar te redden.
Er is hoop, er is een toekomst en genezing voor alle mensen.

De wens van Paulus is dan ook;
  De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar [het voorbeeld van] Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit een mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus moogt verheerlijkenRom.15: 5,6.
Let op, Paulus geeft geen opdracht. Hij zegt niet: “Je moet eens gezind zijn”.
Nee, hij gaat, zoals wel vaker, terug naar de Bron.
Hij vraagt God om die eensgezindheid te geven. Wat denk je zou God zo’n gebed verhoren?
Christenen hebben heel verschillende gedachten wat betreft de eenheid.
Sommigen gooien alle kerken op één hoop en gaan voor de oecumene of de wereldraad van kerken. Anderen zijn het daar helemaal niet mee eens en vormen een eenheid van kerken die het er niet mee eens zijn. Weer anderen vinden dat je alleen maar één kunt zijn als je allemaal dezelfde visie hebt.
Zij vormen een eenheid en noemen zichzelf ‘Dè Christelijke Gemeenschap”,
met uitsluiting van alle andere gelovigen.
Dat is duidelijk ‘niet’ de eenheid die hier beschreven wordt.
Neen, de eenheid, hier genoemd, komt tot uiting in de verheerlijking van
de God en Vader van onze Heer Jezus Christus.
Niet ‘de mens’ maar ‘God‘ staat centraal en daarom staat er:
Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid GodsRom.15: 7.
Wij mensen zijn toch ’niet méér’ dàn Christus, zoals Hij ons heeft aangenomen, zonder aanzien des persoons, zonder voorwaarden te stellen; eerst dàn kunnen wij ook onze naasten aanvaarden. Overigens staat ook hier weer het woordje eis.
    Christus is ter wille van de Waarachtigheid van God een dienaar van hen, die besneden zijn  geweest, om de Beloften, aan de [Voor-]vaderen gedaan, te bevestigen en dat de heidenen God ter wille van Zijn ontferming gaan verheerlijken, gelijk geschreven staat: ‘Daarom zal ik U loven onder de heidenen en Uw Naam met snarenspel prijzen’Rom.15: 8.
Want, het geeft de reden aan!
Die eenheid waar Paulus het in de voorgaande verzen over heeft, vindt zijn oorsprong ‘in’ Christus. Hij is een dienstknecht in de zin van διάκονος [=dienaar] van de besnijdenis geworden. Zelf zegt onze Heer en Verlosser daarover:
      Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël [de Kerk]” Matth.15: 24.

Christus bevestigt daarmee de Beloften aan de vaderen, hetgeen Hij de Emmaüsgangers eveneens voorhield.
Het gehele Oude Testament staat bol van de Beloften van God aan Israël en de Kerk; te beginnen bij Abraham, Isaäc en Jaäcob en daarna de Profeten.
En wàt God belooft heeft, zal ook inderdaad gebeuren!
Maar ook al is Christus gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël, toch gaat Zijn werk verder in Zijn Lichaam, de Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk.
Nu is het de taak van Israël en van ons om God te belijden onder de Volkeren.
Niet nieuws hoor, David zei dit al:
      De Heer leeft. Geprezen zij mijn Rots, en verhoogd zij de God van mijn heil,
de God, die mij wraak heeft verleend, die volkeren aan mij onderworpen heeft en mij van mijn vijanden heeft bevrijd.
U hebt mij verhoogd boven hen die tegen mij opstonden,
U hebt mij gered van de geweldenaar.
Daarom loof ik U, o Heer, onder de volken en wil ik Uw Naam psalmzingen2Sam.22: 47-50
en tevens in:
    Daarom zal ik U belijden onder de volken Heer; ik wil psalmzingen voor Uw Naam“ Psalm 17[18]: 50 vert. R.O.K. ’s-Gravenhage.
En Mozes zingt Mozes aan het einde van zijn leven:
      Jubelt, gij natiën, om Zijn Volk, want Hij wreekt het bloed van Zijn knechten, Hij oefent wraak aan Zijn tegenstanders en verzoent Zijn land, Zijn VolkDeut.32: 43.
En verder is er nog een Psalm gewijd aan de Volkeren:
      Looft de Heer, alle naties; bezingt Hem, alle Volkeren.
Want Zijn Barmhartigheid is machtig over ons
En de Waarheid des Heren blijft tot in eeuwigheidPsalm 117[118].
Alles in aanmerking genomen haalt Paulus ook nog aan:
Er zal zijn de wortel van Isaï en
Hij die opstaat om over de volken te heersen;
op Hem zullen de volken hopenRom.15: 12.

Paulus geeft overweldigend bewijs voor het feit dat het werk van Christus
niet beperkt tot het volk ven Israël, en hij had rustig nog even door kunnen gaan.
God heeft nooit bedoeld dat het Heil bij de grenzen van Israël zou stoppen.
Hij heeft Zijn zoon gezonden tot Heil van Israël en alle volkeren.
Dit was Israël vergeten, ze waren hoogmoedig geworden en
voelden zich ver boven de volkeren verheven;
de heidenen dat waren ‘goi’, gajes, daar ging je niet mee om.
Maar Paulus roept juist op tot eenheid, waarom?
Omdat God eenheid heeft gegeven.
De gelovigen uit Israël dienen de Gelovigen uit de volkeren als gelijken te zien.
  Samen één, opdat…:
u allen eendrachtig uit een mond de God en Vader van
onze Heer Jezus Christus moogt verheerlijken
Rom.15: 6.
En hierop volgt het tweede gebed van Paulus:
    De God nu van de Hoop moge u met louter vreugde en vrede in uw Geloof vervullen,
om overvloedig te zijn in de Hoop, door de Kracht van de Heilige Geest
Rom.15: 13.
Eerst lezen we over de God van de volharding [vers 5] en hier over de God van de Hoop.
Het gaat niet om ‘onze’ volharding, het is ‘Zijn’ Goddelijke Volharding en
niet ‘onze’ hoop, maar ‘Zijn’ Hoop.
Wij behoeven dan ook in het geheel niet ‘zelf’ te zorgen voor eenheid, het is de eenheid ‘van God’.
En het gaat ook niet om ‘onze’ blijdschap en vrede, maar ‘Zijn’ Blijdschap en Vrede mag ‘ons’ vervullen.

Apolytikion     tn.6.
“ De scharen der Engelen stonden aan Uw graf en de wachters lagen als dood.
Bij het graf stond Maria Magdalena zoekend het alleruiterst Lichaam van haar Heer.
Gij hebt de hel overwonnen, zonder erdoor te worden aangetast.
Gij hebt de Maagd ontmoet, Levenschenkende, Die uit de dood zijt opgestaan.
Heer, ere zij U
”.


Kondakion     tn.6.
“ Met Uw levenschenkende Hand,
wekt Gij alle doden op uit het duistere dal,
O Levenschenkende, Christus onze God,
Die aan het mensengeslacht de Opstanding gegeven hebt.
Gij zijt waarlijk onze Heiland, onze Verrijzenis,
ons Leven en de God van het heelal
”.

Theotokion      tn.6.
  Gij hebt Uw Moeder de gezegende genoemd
en zijt vrijwillig tot het lijden gekomen.
Gij zijt opgestraald aan het Kruis, 
om Adam te zoeken,
terwijl Gij tot de Engelen sprak:
Verheugt u met Mij,
want Ik heb de drachme teruggevonden die verloren was.
Gij, Die alles in Wijsheid hebt ingericht,
Heer, eer aan U
”.

Orthodoxie & de Kerk is op haar best als lokale gemeenschapskerk

‘Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijn wij’                                   – ‘ We are God’s co-workers; God’s field, God’s building is us’
-‘ نحن زملاء الله. حقل الله ، بناء الله لنا’

De waarden, normen en structuren van de traditionele monastieke samenleving zijn heel sterk  doorgedrongen in orthodoxe manier van leven.
Nu gaat het dus in de Orthodoxie niet om steeds maar weer opnieuw nieuwe monastieke gemeenschappen te gaan opstarten, maar om het gegeven dat de plaatselijke kerk nauw verbonden is met het leven in de kloosters.
De geheel Liturgische opbouw binnen de Orthodoxie is namelijk gebaseerd op de monastieke gebedsregels; niet dat deze ook door de doorsnee gelovige in het dagelijks leven wordt toegepast, maar men heeft er weet van en vertrouwt erop dat de broeders en zusters in de kloosters, de aloude gebedsregel handhaven, daartoe hebben zij zich ten slotte uit de wereld teruggetrokken.
Vanuit kerkgemeenschappen zijn regelmatig groepjes leden, die een korte of langere tijd in een van de landelijke of internationale kloosters doorbrengen.

Monnikenwerk, I.M. Karakallou, Athos [Gr.]
Monastiek hetgeen afkomstig is van het leven van een eenzaam levend mens  [Gr: μοναχός] is de vroeg-christelijke praktijk van terugtrekking uit de wereld om zichzelf volledig en intens te wijden aan het leven van de Blijde Boodschap, de pedagogie welke op zoek gaat naar eenheid met Jezus Christus. De blik en het verkrijgen van de scherpte van het monnikendom is gericht op Theosis , het proces van perfectie waarnaar elke christen streeft.
Dit ideaal komt daar tot uiting waar de zaken, die God aangaan, boven alle andere dingen worden gesteld, hetgeen bijvoorbeeld te lezen is in de Philokalia,  een boek met Monastieke geschriften. Met andere woorden, een monnik, moniaal en in hun kielzog de christen, die in het nastreven van het Goddelijke een Verbond is aangegaan – heeft op zich genomen niet alleen de geboden van de Kerk te volgen, maar ook de raadgevingen [waaronder aandacht voor de  eenvoud, armoede, kuisheid, stabiliteit en gehoorzaamheid aan God].
De woorden van Jezus die de hoeksteen zijn van dit ideaal, zijn:
“Wees zo volmaakt als jouw Hemelse Vader volmaakt is”.

Dat er best veel mensen zijn dit dit nastreven blijkt uit het feit dat het in onze overbelaste samenleving alleen maar aan te bevelen is, dàt de mens -‘bij tijd en wijle’- gewoon eens helemaal tot bezinning en tot rust komt door een klooster te bezoeken. Dat zou in ieders leven een rechtmatige keuzemogelijkheid dienen te zijn – het geeft namelijk een kleur aan het leven met levensvragen. Veel mensen begeven zich hiermee bewust op het pad van ontwikkeling en verdieping.
Deze ontwikkeling -van buiten naar binnen-, de ontdekking dat het hart het centrum is van het tot jezelf komen is voor velen van onze tijd een enorme sprong.
Je zou dit alles als een normaal menselijk ontwikkelings- proces kunnen zien, welke zo oud is als de mensheid, te beginnen met voorvader Abraham, die zich geroepen voelde zijn land te verlaten.

”     Ga uit uw land en uit uw maagschap [verwantschap, waar je aan gewend bent] en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; Ik zal u tot een groot volk maken en u zegenen en uw naam groot maken en gij zult [alles] tot een zegen zijn.
Ik zal zegenen wie u zegenen en wie u vervloekt zal Ik vervloeken en met u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
Toen ging Abram [=Hebr. verheven vader], zoals de Heer tot hem gesproken had en Lot [z’n echtegenote, =Hebr. sluier of bedekking] ging met hem en Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran [Hebr. het bergland] trokGen.12: 1-4.
De zoektocht is het gevolg van het kloppen van Christus, welke ons oproept naar een manier van leven, waarop wij volgeling van Hem [Christen] worden en uiteindelijk Gemeenschap’s-lid worden en deelnemer aan Zijn Kerk [Zijn Lichaam] worden, Die teruggaat naar de Kern en Zich daarom ook door het monastieke leven laat inspireren.
Het daagt ons uit -‘de wereld achter ons te laten‘- en met het weinige dat overblijft ‘waarachtig‘ de noodzakelijke zoektocht naar ~het Hemels Koninkrijk~ te vervolgen.
Wat is dan inderdaad nog van waarde en wat is vanaf nu niet langer belangrijk? Waar kunnen we -‘niet genoeg’- aandacht aan besteden?
Wat dient -‘als eerste’- aangepakt te worden en wat is slechts bijzaak?
Waar beginnen we, waar laten wij ons door leiden, volgens welk patroon, iedere dag, ieder week, of  -‘zonder meer’- maar meteen het diepe in te gaan?
Tot welke basisgemeenschap kunnen we ons aansluiten en wáár ~kom ik zelf~ als persoon het meest tot m’n recht?

Toen onze Heer Jezus Christus, onze Verlosser in de wereld verscheen, geloofden bijna alle volkeren dat de boze geesten sterk waren en de goede geesten maar zwak.
De kwade machten domineerden de wereld en daarom noemde Christus hen heer en meesters van de wereld, heersers van dit aards bestaan.
Geen wonder dat zelfs de spelleiders, de geestelijk leiders van de Joden alle Goddelijke Kracht van Christus toeschreven aan de duivel en gevallen engelen.
De goede geesten, de engelen, zijn oneindig veel sterker dan boze geesten, die in werkelijkheid geen enkele autoriteit bezitten om ook maar iets te doen wanneer De Almachtige God het niet toestaat.
Wanneer de alom-dragende van het goede, de Heer Jezus Christus, voor hen verschijnt, roepen zij van angst uit “      Wat hebt U met ons te maken, Zoon van God? Bent U hier gekomen om ons voor de tijd te pijnigen?“.
Niemand is zo bang als degene die anderen overheerst en aanvalt en martelt.
De slechte geest martelt al honderdduizenden jaren de mens en heeft in de loop der tijd voldoening gevonden in deze wrede manier van pijn doen; het enige wat hen drijft is de ondergang van de mens.
Maar wanneer zij Christus ontmoeten, slaat hen de doodsangst om het hart voor hun grootste Rechter. Ze zijn bereid zich in zwijnen of andere afschuwelijke wezens te laten verdrijven, zodat Christus hen niet uit deze wereld zou kunnen verbannen.
➥ Maar Christus was niet van plan dit te doen, deze wereld zit immers vol met verschillende soorten van op elkaar inwerkende krachten. Het is een slagveld waar de mens volledig bewust en vrij zal dienen te kiezen:
– òf ze zullen de overwinnende Christus volgen,
– òf ze zullen meegaan met de onreine en verslagen geesten.

Christus kwam -als ‘Zoon van God‘- tòt mensen uit liefde vóór de mensen, want God is Liefde, teneinde de kracht van het goede ten opzichte van het kwade te tonen, en om het Geloof van mensen in het goede, òp God te bevestigen – Hij kwam alleen maar ten goede, als God, de Zoon.
Alles wat God heeft gedaan is goed, immers “en Hij zag dat het goed was” en dit gaat àlle menselijk geestelijke Waarheid te boven.
De gehele schepping is ontstaan om de mens te dienen, om hem te helpen en niet om hem pijn te doen.
Hoewel er zaken zijn, die de natuurlijke bevrediging van de mens, in de weg staan, maakt zèlfs dit werk dat het omwille van zijn ziel dusdanig gevormd is dat het hem uiteindelijk toch tot geluk brengt en verrijkt.
    Leid mij in Uw Waarheid en onderricht mij, want U bent God, mijn Verlosser, die ik heel de dag verwacht. Heer, gedenk uw ontferming en Uw Barmhartigheid, die immers van eeuwigheid zijn“ en “     Tot U, Heer, verhef ik mijn ziel; mijn God, ik vertrouw op U: laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid. Laat mijn vijand niet over mij spotten; allen immers die U verwachten zullen niet beschaamd staanPsalm 24[25]: 5,6 en 1,2.
Alles dat van God afkomstig is, is goed; de Bron van het Leven blijkt immers alleen ‘Leven’ te bevatten; bij God bestaat geen kwaad.
Hoe kan het dan kwaad van Hem zijn, dè Enige Bron van goedheid?
Veel onwetende en roekeloze mensen noemen ziekte boosaardig; maar ziekte kan niet slecht zijn. Sommige ziekten zijn het werk van goddelozen en anderen zijn de remedie voor het kwaad. Het kwaad is de boze geest, die op een krankzinnige of paranoïde [op] de mens be-[ en in-]werkt.
God verlangt ernaar ons innerlijke ervaringen te geven; wanneer we dit hebben leren herkennen, wordt ons gelijktijdig het inzicht gegeven en opent Hij de Blijde Boodschap voor ons vanuit die Openbaring.
Door onze ingebakken intuïtie aanvaarden we de feitelijke leiding van de Heilige Geest en kunnen wij de stem van God ervaren.
Ons leven in de Geest, onze relatie met God is dan ook een innerlijke, intuïtieve, geestelijke ervaring die plaatsvindt in ons hart.
      Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoorden wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben.
        Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods.
– Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods
Wij nu hebben niet de geest uit de wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is.
Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken.
– Doch een on-geestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is.
       Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld. Want wie kent de zin des Heren, dat hij Hem zou voorlichten?
Maar wij hebben de zin van Christus
“ 1Cor.2: 9-16.

Wij zijn op het hart van het Geloof te vinden – door voor Uw Kruis een diepe buiging te maken;                  We can be found in the heart of the Faith – by making a deep bow for Your Cross 

Waarheid leren we kennen met ons hart, door ervaring.
Wanneer ik een kind zeg, “het vuur is heet” is dit kennis, die ik overdraag.
Wanneer het kind zijn vingers vervolgens brandt, is de waarheid een ervaring geworden.
Wanneer een Christen God niet intuïtief kent maar slechts rationeel, geraakt zo iemand hiermee onder andere de mogelijkheden kwijt om Christelijk te functioneren; hij/zij verliest  in een van de 9 Genadegaven van de Heilige Geest.
De gaven van de Geest zijn bijzondere vermogens die door de Heilige Geest
aan Christenen zijn gegeven met het doel om het de Kerk, het lichaam van Christus op te bouwen. De gaven zijn de ‘charisma’ [Gr. χάρισμα], uitstraling:
      aan een ieder wordt de Openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen.
Want aan de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest;
aan de een Geloof door dezelfde Geest en aan de 
ander gaven van genezingen door die ene Geest; aan de een werking van krachten, aan de ander profetie; aan de een het onderscheiden van geesten, en aan de ander allerlei tongen, en aan weer een ander vertolking van tongen. Doch dit alles werkt een en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk de Goddelijke Geest het wil“. 1Cor. 12: 7-11.
De vruchten en Gaven van de Heilige Geest zijn de vindplaats van materiaal voor studie van de H. Schrift, studie van het Geloof, catechese op school of gemeenschap, het persoonlijke Geloof, studie thuis en in de  kerkgemeenschap, maar ook het officiële [Orthodoxe] Godsdienstonderwijs [voor Nederland in Gent (B.)], elke de zingeving en persoonlijke kennis vergroten.
Eerbied en respect voor God doet ons verstaan dat ‘alles‘ Genadegave is en
dat onze ware Sterkte alleen in de navolging van Christus bestaat en in het aanvoelen dat de Vader Zijn Goedheid en Barmhartigheid over ons kan uitstorten.
Het openen van het hart met het gevolg dat de Goedheid en Barmhartigheid van God tot ons komen.
Dat bewerkt de Heilige Geest door middel van de Genadegave van ontzag voor God: Hij opent de harten zodat de vergiffenis, de Barmhartigheid, de Goedheid en de Liefkozingen van de Vader ons bereiken, want wij zijn kinderen van Hem, Die oneindig bemind worden.
Wanneer we doordrongen zijn van ontzag voor God, zijn we geneigd de Heer met nederigheid, volgzaamheid en gehoorzaamheid te volgen.
Niet als gevolg van een houding van onderwerping, passief, zelfs klagend, maar
met kinderlijke verbazing en de bijbehorende vreugde waarmee wij ons door de Vader, gedragen, geholpen en bemind weten.
Ontzag voor God maakt van ons geen angstige Christenen die het opgeven, maar
het wekt ons tot moedig en krachtig volhouden!
Het is een Genadegave die ons – tegen wat voor stroom ook in- tot overtuigde en enthousiaste Christenen maakt, niet door angst aan de Heer onderworpen, maar ontroerd en gewonnen door Zijn Goddelijke Liefde!
Door Gods Liefde overmannen zijn, door de Liefde van God, de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, de Drie-éne God  Die ons intens, met geheel Zijn hart, bemint.
De Vrede Christus wordt versterkt wanneer we niet vergeten dat  wij, alle mensen, dezelfde Vader hebben en als broeders en zusters in Christus samenleven.

Heer redt Uw Volk en zegen Uw erfdeel en
bescherm Uw
Geloofs-gemeenschap door Uw Kruis
.

Orthodoxie & het zomerseizoen

In onze door het klimaat veranderende zomers zullen we allemaal intensiever worden blootgesteld aan de zon. Daarom is het belangrijk vooral van elf uur ‘s ochtends tot vier uur’ s middags aandacht te schenken aan onze gezondheid; ons overdag beschermend in te smeren met daartoe bestemde middelen. Ziekten zoals huidkanker komen vaker voor en kunnen leiden tot grote teleurstellingen.

Maar ook ziektes van de ziel steken in de zomer de kop op. De vele uren van vermaak en spirituele ontspanning creëren de juiste voorwaarden voor het ontmoeten van indringende passie.
De wijze van het hedendaags najagen van plezier is voor zowel jong als oud behoorlijk gevaarlijk.
Wanneer je de gehele nacht in een bar of op het strand vertier zoekt, eet, drinkt, danst en de randen opzoekt van wat allemaal wel niet mogelijk is, verstoort dit telkenmale de normale orde en veroorzaakt het zeker niet – de verleiding tot zonde – te vermijden.
Wanneer je het vermaak in kleine kring zoekt en aldaar probeert gezelligheid te kweken, zul je voorzeker ontsnappen aan àl dàtgéne wàt àls ongehoord en beschamend wordt beschouwd.
Hetzelfde vindt plaats met de ziel, indien we de kleine verzoekingen over het hoofd zien en geen aandacht besteden aan de grenzen van ons bestaan, dan is het onmogelijk te ontkomen aan de grote verleidingen welke de spirituele dood tot gevolg hebben.
Door ons positief in te stellen verkrijgen we een verruiming van ons bewustzijn, want gedachten en een eenvoudige omgang zijn levend en hebben een vibrerende invloed; ze verlenen je een intense aantrekkingskracht.
Het is een feit dat positieve daden en gedachten ook positieve gevolgen hebben, en negatief doen en laten uiteraard negatieve gevolgen, die ons vervolgens veel last kunnen bezorgen. Positieve daden en gedachten vanuit een groot zelfvertrouwen kunnen wonderen verrichten.
Alle succesvolle mensen leefden en dachten positief . . . . . en hadden daarom zovéél succes!

Geluk is een kopje koffie en een goed boek

De zomer biedt ons de gelegenheid tot onszelf te komen, door je bijvoorbeeld met een goed boek de rust op te zoeken.
Er zijn ik weet niet hoeveel boeken, die ons de gelegenheid bieden op een positieve wijze kennis te nemen van een rechtschapen leven. Er zijn romans, welke een voorbeeld vormen voor een eerlijk en fatsoenlijke manier van omgang met elkaar, Dostojevski en vele andere schrijvers, die onze aandacht opeisen zonder dat dit onze ziel schade toebrengt.
Het lezen van goede boeken, vooral de historische overleveringen, helpt ons de deugd van zelfkennis te verwerven.
Maar het belangrijkste van alles is dat we de gelegenheid  niet missen om effectiever met onze geliefden om te gaan. Wanneer we ons ontspannen, wanneer we met het gehele gezin samen een prachtige plek opzoeken, kunnen we ons hart openen en verschillende zaken bespreken die onze interesse oproepen. Het is een grote fout om vakanties met andere vrienden of familieleden door te brengen en de unieke kans te verliezen die we het hele jaar door hebben om bij onze geliefden te verblijven. De moderne manier van vermaak in deze wereld ondergaat een grote crisis. De vraag doet zich voor of wij ons met name in onze vrije tijd nog wel inzetten om de saamhorigheid met onze directe omgeving, ons gezin, familie en kennissenkring te stimuleren. Wij raken verdwaald in een egocentrisch – niets ontziend labyrint, waarbij we in de chaos van de wereld verdwaald raken van onze oorspronkelijke bron. 

Het is een goed idee om op vakantie te gaan en plaatsen op te zoeken, die ons cultureel een geestelijk besef verruimen. Godzijdank biedt ons land ons volop mogelijkheden hiertoe en het is beslist niet zo dat alleen kerken en kloosters ons geestelijk kunnen stimuleren.
Tot kan het verruimend werken -in den vreemde- een kerk en klooster op te zoeken, zij vertegenwoordigen een grote schat aan mogelijkheden tot bezinning.
Wanneer we ze bezoeken en hun achtergrond leren kennen, wordt ons Geloof versterkt.
Geloof genereert Hoop en Liefde tot God en onze naaste.

Alles wat we hebben genoemd, zal ons helpen onze accu  voor de winter op te laden. Indien we alleen maar drinken, eten en vrolijk zijn in ons zoeken naar vermaak, dan kan het niet anders of we worden mentaal weer moe en zullen gekweld terugkeren naar ons basisonderkomen.

Civis Mundi, de mens wordt vergeten – Frits Behrendt

Laten we tevens aan denken dat er medemensen rondlopen, die in het geheel geen financiële middelen bezitten en niet in staat zijn op vakantie te gaan.
Enerzijds de zieken en gehandicapten, anderzijds zij die gewoon niet over de financiële middelen beschikken.
Aan hen kunnen we het gezegde “ zoals het vogeltje thuis zingt, zingt het het beste” toetsen.
Dit spreekwoord verklaart ons en diegenen die géén uitbundige vakantie [kunnen] voeren, dat zij uiteindelijk toch  maar ‘geestelijk ontspannen‘ deze periode doorkomen.

Een goede zomer,
de redactie.

6e Zondag na Pinksteren – wij zijn verlamd door onze ongerechtigheden, maar houd moed, onze zonden worden vergeven

  En in een schip gegaan zijnde, stak Hij over en Hij kwam in Zijn Eigen stad.
En zie, men bracht een verlamde, op een bed liggende, tot Hem. 
En daar Jezus hun Geloof zag, zei Hij tot de verlamde:
‘Houd moed, mijn kind, uw zonden worden vergeven’.
     En zie, sommige van de schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: ‘Deze lastert God’. En daar Jezus hun overleggingen kende, zei Hij:
‘Waarom overlegt gij kwaad in uw hart? Want wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? Maar, opdat gij weten moogt, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven’
– toen zei Hij tot de verlamde: ‘Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis’.
En hij stond op en ging naar huis.
Toen de scharen dit zagen, vreesden zij en zij verheerlijkten God, die zulk een macht aan de mensen gegeven hadMatth.9: 1-8.

De Genadegaven van de Heilige Geest, mosaïc by Arie van de Meer

Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de Genade, Die ons gegeven is:
– Profetie, naar gelang van ons Geloof;
– wie dient, in het dienen;
– wie onderwijst, in het onderwijzen;
– wie vermaant, in het vermanen;
– wie mededeelt, in eenvoud;
– wie leiding geeft in ijver;
– wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid.
De liefde zij ongeveinsd.
Weest afkerig van het kwade, gehecht aan het goede.
Weest in broederliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld,
in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Heer.
Weest blijde in de hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed,
bijdragend in de noden der heiligen, legt u toe op de gastvrijheid.
Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt nietRom.12: 6-14.

    Want, gelijk wij in een lichaam vele leden hebben en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, zo zijn wij, hoewel velen, een lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander . . . . .
Weest blijde met de blijden, weent met de wenenden.
Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige.
Weest niet eigenwijs.
Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen.
Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt Vrede met alle mensen.
Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heer.
Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen.
Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goedeRom12: 4-5,15-21.

Met het Licht en ongeveinsde Liefde op weg
Houd moed, kinderen van God, jullie zonden worden vergeven.
Heb je het idee gekregen dat God mens is geworden en dat Hij alleen maar gekomen is voor de mensen die zichzelf de beste van de Kerk vinden?
Hij is gekomen voor mensen die zichzelf niet meer zien zitten, teneinde
hen hoop en vreugde te geven.
Want zo zegt de Hoge en Verhevene,
Die in eeuwigheid troont en Wiens Naam de Heilige is:
In den hoge en in het heilige woon Ik en
bij de verbrijzelde en nederige van geest, om
de geest van de nederigen en het hart van de verbrijzelden te doen opleven.
Want Ik zal niet altijd met u van mening verschillen nòch voor eeuwig kwaad [woedend] zijn, anders zou de
[Goddelijke] Geest voor Mijn aangezicht bezwijken, terwijl  Ik toch Zelf de Levensadem heb gegevenIsaiah 57: 15,16.
Onze Heer, Jezus Christus is niet gekomen om te veroordelen,
zo zegt Hij meerdere malen, in Zijn Blijde Boodschap;
Hij is gekomen om ons te verlossen, te redden.

God is jou persoonlijke Verlosser, Hij is niet tégen je; Hij ‘is’, Die is om de mensheid te helpen.
God geeft jou en mij Zijn Goddelijke Liefde. Van vóór je geboren werd, was Hij al je God Die je slechts liefhad, méér dan je ooit kunt beseffen.
Hij heeft jou geroepen om Hem te leren kennen;
Hij heeft je tot Zich getrokken om Hem te vinden.
En Hij wil je tonen dat Hij er is om jou door Zijn Leer te verlossen !!!
Om je te bevrijden van je schuld – Hij is niet jouw vijand; Hij is je broeder.
Onze Heer ging naar de zondaars en at met hen.
Hij liet zien en Hij laat ook nu aan jou zien dat Hij bij jou wil zijn.

Daar staat wat tegenover, dat Christus verwachtingen heeft ten opzichte van ons;
dat wij Hem in al Zijn doen en laten volgen;
met andere woorden dat ons leven één Goddelijke Liturgie dient te zijn.
     God verandert mensen, ook al word je er misschien wat onrustig van,
omdat je denkt: er is nog zo weinig aan verandering te zien in mijn leven?
     Ervaar daarom dankbaarheid voor wat God in je leven allemaal al heeft gedaan?
òf ervaar je verzet: ‘alles is toch goed, wanneer ik maar niet behoef te veranderen, ik heb het immers ontzettend goed met mezelf getroffen.
    Paulus leert ons in navolging van Christus: dat God ons mensen een metamorfose laat ondergaan.

Wanneer je jouw vertrouwen gaat stellen op God, kan het niet anders of dingen veranderen.
Er gaat bij ons misschien nog genoeg mis, maar God leert ons bijvoorbeeld
Liefde, Vrede en Vergeving; wat ‘hard’ is in ons dat begint Hij ‘zacht’ te maken.
God verandert mensen:
1.]. Door je niet aan te passen aan de tijdgeest;
2.]. Door de vernieuwing van je gezindheid;
3.]. Al doende leer je in de praktijk wat God’s Wil is.

1.]. Door je niet aan te passen aan de tijdgeest
Elk seizoen worden wij er door de wereld weer opnieuw toe opgeroepen ons aan te passen –
de reclame roept ons op

specialized-Turbo e-bike

– zomergroenten te gebruiken;
– onze dorst met de meest uiteenlopende drankjes te ledigen;
– weer nieuwe seizoenskleding aan te schaffen;
– voorop te lopen door de meest luxe fiets, auto of ander vervoermiddel;
– ons uiterlijk bóven de ander te verheffen; het houdt allemaal niet op, er zijn oneindig veel mogelijkheden,
welk materiaal/stof, welk model, welke kleuren.
En nu is de vraag: Ga jij daar in mee?

  • Wanneer je een huis vòl hebt met spullen, je kasten uitpuilen met allerlei zaken, die je niet meer gebruikt – waar je anderen een groot plezier mee zou kunnen doen.
  • ‘Al die spullen’ zijn nog goed en je doet er niets mee – leg je die weg en wil jij
    koste wat het kost met de nieuwste mode mee?
  • Misschien bekijk jij wel eens reclamefolders van supermarkten.
    Wat eet jij thuis? Eten jullie datgene wat de supermarkt voor jullie heeft uitgezocht deze week of trek je een èigen lijn in wat je koopt? Sla je ook wel eens aanbiedingen over? Niet om iets duurders te kopen, maar omdat je helemaal geen behoefte hebt aan wat je aangeboden wordt?
  • En, het is nu niet het seizoen, maar als het Kerst is, moet jij dan per se gourmetten met half Nederland mee, of eet je dan ook wel eens, zeg maar, boerenkool met worst?
  • Wie bepaalt wat jij doet? Bepaalt de omgeving, de modegril dat? Het aanbod dat door anderen gestuurd wordt? Ben je een slaaf van je omgevingsfactoren?… Of dien je de Heer?
  • Laat je jouw ‘doen en laten‘ door Hem bepalen?…
    Dat is de vraag die Paulus ons voorhoudt.
    In hoeverre maken wij ons afhankelijk van de tijd en de wereld waarin wij leven?

Mensen leven vaak enorm als kuddedieren.
Niet alleen in rages en hypes kwa kinderspeelgoed; maar ook in gadgets voor volwassenen. Ook in dure dingen.

Maar de apostel Paulus zegt: “Conformeer je niet aan het schema van deze eeuw”.
Pas je niet steeds aan, aan het tijdperk waarin jij leeft.
Ook niet aan de tijd waarin je ouders en voorouders leefden;
maak jezelf niet tot slaaf van trends in de tijd.
Wàt Paulus hier zegt is een bekend thema in de Blijde Boodschap!
  Tegen Abraham zei God al:
Ik wil jouw God zijn. Ga uit jouw land en familie met hun goden en zekerheden,
naar het land dat Ik jou wijs
”.
  Toen God Zijn Volk Israël [de Kerk] uit Egypte leidde en naar het Beloofde Land bracht, zei God: “Ik ben jullie God. Wanneer je straks in het land woont, ga je dan niet mengen met die volken en hun dienst aan de afgoden daar. Leef niet volgens hun patronen”.
  Het geldt ook in de Kerk wanneer dáár dingen scheef gaan.
De Joodse leiders leren het Volk mooie dingen, maar ze handelen er zelf niet naar. Dan zegt onze Heer en Verlosser tegen God’s Volk:
Pas je niet bij hen aan. Doe hen in hun gedrag niet na”.

Indien wij ons wèl aanpassen aan onze tijd met z’n eigen leven’s stijl dan gebeurt dit:
     
dan bepalen de trend, de mode en de hypes van vroeger of vandaag wat wij denken, willen en doen.
     
dan laten we de tijdsgeest de baas over ons zijn.
We onderwerpen ons niet aan God en wat God wil, maar aan wat gedurende een bepaalde tijd ‘in’ is.
Buiten de Kerk of in de kerkgemeenschap, waartoe wij behoren; we gedragen ons als een kameleon en bekennen niet ‘echt’ de Christelijke kleur.

Indien we op die manier leven, dat blijkt dat uiteindelijk niet goed voor ons te zijn.
Dat ligt hieraan:
de tijd waarin wij mensen leven is doortrokken van een houding die tégen God ingaat. Dàt was zo toen Paulus zijn brief aan de gemeente van Rome schreef en dàt is nog steeds zo.
Je van God verwijderen door je eigen weg te gaan dat zit ons mensen in onze genen sinds de opstand van de mens tégen God.
Vanàf dàt moment vinden wij naar onze aard ‘alles‘ goed…, indien er maar geen plek is voor het Goddelijke en Christelijke.
Paulus heeft dáár -‘in navolging van Christus’- herhaald over geschreven.

Indien we vanuit dié houding denken en leven, dàn verwijderen we ons steeds verder van God. Dàn kunnen Christus en Zijn [monastieke] levenswijze geen vaste grond krijgen in ons leven, geen fundament vinden.
Dáárom is het belangrijk dat we onderkennen wáár wij vastzitten aan de wereld, aan de trends en verlokkingen van onze tijd.
Wáár we ons dáár door laten overmeesteren in plaats onze God als Heer en Meester van ons leven te erkennen.
En het is dáárom belangrijk dat we met de wereld breken en ons weer op God richten en op wat Hij wil.

2.]. Door de vernieuwing van je gezindheid
Tegenover je ergens aan te conformeren of aan te passen
plaatst de Apostel de metamorphose oftewel van binnen uit veranderd worden.
De verandering waarover Paulus het heeft daarin zit het woord metamorphose.
Een metamorphose is een gedaanteverandering.
Eerst is er bijvoorbeeld een rups, die wordt een pop of cocon en dan opeens komt er een vlinder tevoorschijn. En je denkt: Wat mooi, komt die prachtige vlinder dáár uit voort?
De Blijde Boodschap gebruikt dat woord voor verandering als metamorphose
op nog twee andere plekken.

Transfiguratie μεταμόρφωση

  Misschien herken je bovenstaande wel in het feest dat we de 6e Augustus gaan vieren:  De Verheerlijking van onze Heer en Verlosser op de berg Thabor.
Onze Heer is daar met Petrus, Johannes en Jaäcobus; voor hun ogen verandert Hij van Gedaante, Zijn gezicht straalt als de zon en Zijn kleren worden wit als Licht. De Goddelijke Majesteit manifesteert Zich hier, wordt openbaar gemaakt.
  Paulus maakt ook gebruik van dat woord veranderen als in een metamorphose.
Hij onderwijst: “ En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de Heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde Beeld van Heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Heer, Die Geest is2Cor.3: 18.
Hoe méér wij Christus navolgen, hoe meer we Hem ontvangen door de heilige Geest, des te meer zullen we door Hem uitstralen. Hij gaat afstralen van je gezicht, datgene wat je zegt, je doen en je laten en anderen valt dat op.

Make-over

– Misschien heb je wel eens gehoord van een make-over, het op-pimpen. Dat kan gaan over een woning, keuken of een tuin die compleet opnieuw wordt gerenoveerd en wordt her-ingericht.
Maar vaak gaat het over het uiterlijk van mensen, in gezicht, haar en kleding. Vaak van vrouwen.
Meesteressen willen graag een ander uiterlijk, ze krijgen een behandeling en zij komen met een heel ander uiterlijk tevoorschijn. Dat is alleen maar een verandering van de buitenkant. De verandering waar Paulus het over heeft begint aan de binnenkant.
Paulus leert: “Word veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid”.
Je gezindheid dat is iets dat binnen in je zit; het is je ‘mind’; je manier van denken, maar het woord dat Paulus gebruikt daar hoort
eveneens je ervaring bij en de wil waarmee je besluiten neemt.
Eerst dient alles in jou wat je brengt tot de daadwerkelijke keuzes die je maakt te worden vernieuwd. Eerst dàn ben je in staat waarachtig hernieuwd, herboren naar buiten te komen.

Het is goed om te beseffen dat dat pàs ècht de grote verwachte verandering teweeg brengt. Paulus heeft in het voorgaande geschreven hoe diep de mens gevallen is toen hij zich van God verwijderde, bij Hem vandaan liep. Maar dat God ons blijft roepen, teneinde ons naar Zijn oorspronkelijke Beeld en Gelijkenis terug te voeren – op de weg van Geloof en de navolging van Jezus Christus, onze Heer.
Hoe meer je beseft hoe diep ingrijpend de aantasting was, des te meer besef je hoe diep ingrijpend het herstelwerk van God in ons is; het is geen make-over van de buitenkant alleen. Het zou je nog méér dienen te treffen, dan de wonderlijke metamorphose van de rups die een vlinder wordt.
Het is een Transfiguratie, een transformatie die God vanuit ons diepste innerlijk in beweging zet. Paulus heeft eerder al geschreven dat God dit herstelwerk in ons doet door Zijn Woord en de Heilige Geest.

– Voordat we naar praktijkvoorbeelden gaan wil ik één ding samen met jullie helder krijgen. Dat gaat over die Metamorphose. Ben jij niet méér dan die vlinder of ben je méér dan die cocon – of als de volgels en de mussen . . . . .
Wanneer je hier bij stil staat: Soms stralen Christenen in hun leven als die vlinder, bijvoorbeeld in de Paasnacht, maar wij kunnen ook heel erg in onszelf of onze gemeenschap opgesloten zijn en maar heel weinig van onze Heer en Verlosser in de wereld uitstralen.
Misschien herken je dáár iets van uit jouw omgeving.

☦️ Wat we, óók als gemeenschap dienen te voorkómen is dat we alleen maar in die cocon blijven zitten, omdat we denken: het wordt toch nooit wat met ons, wanneer wij ons naar buiten manifesteren.
☦️ Wat we tevens dienen te voorkómen is dat als we in ons leven momenten of fasen hebben waarin we ‘niet’ zo schitteren, we onszelf de vleugels uittrekken en veroordelen – bij de pakken gaan neerzitten.

God heeft een reddingsplan.
Hij wil een machtige metamorphose in ons en door ons tot stand brengen. Van binnen uit naar buiten toe. Hij doet dat door ons – in Jezus Christus – plaats te laten innemen in onze omgeving.
Indien je waarachtig met Hem bekleed bent, aan Hem verbonden bent dan ben je een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, een nieuwe schepping en dat mag gezien worden, opdat ook anderen die weg kunnen gaan.

En tegelijkertijd:
Wàt we ook zíjn dat dienen we met z’n allen – door vallen en opstaan – steeds verder te laten groeien, laten vervolmaken.
God verandert mensen, God verandert onze gemeenschap in Christus.
Mensen kunnen terugvallen. Mensen kunnen tegenvallen; óók opnieuw geboren christenen, zèlfs gewijde prelaten.
Maar wat zij doen is dit: zij gaan elke keer terug naar de barmhartigheden van God.
Weet je nog hoe de Apostel dit hoofdstuk begon?
      Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de Barmhartigheden van God, dat jullie je  lichamen stelt tot een Levend, Heilig en aan God welgevallig Offer: dit is uw redelijke eredienst [de Goddelijke Liturgie]. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de Wil van God is, het Goede, Welgevallige en datgeen wat volkomen isRom.12: 1,2.
Ons Christelijk houvast ligt niet in hóe slècht we wel niet zijn, of hòe goed we zijn. Oók niet in hoe veranderd we zijn. Maar ons Christelijk houvast ligt in de ontelbare onverdiende gunsten van God voor de ander in Christus Jezus, onze Heer.

een gekruisigde Christus’, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid

  Indien we dàn met Paulus naar de feitelijke toepassing gaan kijken dan dienen we ons niet zo maar zorgeloos op weg te begeven en zonder opletten te gaan handelen.
Wij kunnen ons persoonlijk gaan gedragen alsof God met ons géén diepe levensverandering voor ogen heeft.
Nee, God wil ook ons leven helemaal op z’n kop zetten – of je nu een bepaalde wijding hebt ondergaan of niet – wij dienen een metamorphose, een transfiguratie, verandering te ondergaan, terug te keren naar Zijn Beeld en Zijn Gelijkenis.  Dáárvoor zijn wij door Christus geroepen en hebben ons in een Christelijke Gemeenschap verenigd – komen we in de kerkgemeenschap.
Indien je alleen maar naar de kerk komt voor onderlinge [nationaal-gebonden] contacten en informatie, dan kom je naar de Kerk met een verkeerde houding.
God wil ons Grieken, Roemenen, Russen, Serviërs, Syriërs èn Nederlanders niet informeren, maar God wil ons persoonlijk leven omvormen, transformeren – ons een metamorphose laten ondergaan. Dáárvoor heeft Christus, ons ter Verlossing geroepen !!!

⁌ Aan de andere kant worden we ook niet moedeloos vanwege alles waar we nog tekort in schieten. Kijk dan naar het Mysterie [het wonder] van de Verlamde.
Paulus leert ons niet dat wij onszelf dienen te transformeren, maar dat wij een metamorphose dienen te ondergaan, dat ‘Christus‘ ons zal transformeren.
Gericht op de geroepene – heel persoonlijk: Jij dient jezelf niet te veranderen, maar je wórdt veranderd !!! …
Stop dan alle pogingen om van jezelf een beter mens te maken dan je al bent en die doet wat God wil. Al je tekortkomingen en gebreken waar jij telkens weer tegen aan loopt:
Erken dat jij dàt niet kunt veranderen, maar vraag Gód dat in jou te doen… door Jezus en zijn Geest !“.
Blijf dat onvermoeibaar aan God vragen, ‘Hij’ gáát met je aan het werk;
‘Hij’ zal je steeds méér laten worden wie je bent.

⁌ En als je daarbij tekort schiet en kopje onder gaat, struikelt.
Ook daarbij behoef je niet de Hoop op te geven.
Gods Woord leert ons eerlijk te laten kijken naar onze onvolkomenheden en vergeving te vragen. De Geest leert ons dat door het Woord van God, door de pedagogie van onze Heer, Jezus Christus, Die ons zal verlossen en heeft vrijgekocht van alle afkeuring, smet.

Zo geeft God ons een persoonlijke plaats in Zijn ruimte, in Zijn Hemels Koninkrijk; in de ruimte van Zijn Barmhartigheid.
In een levenslang proces van vergeving en vernieuwing en al dat schone wat Hij in ons gelegd heeft toen Hij ons schiep, en gezekerd heeft in Jezus Christus, dàt zal Hij tevoorschijn roepen.
Nu nog stukje bij beetje, steeds iets meer en straks helemaal af, een nieuwe  Hemel en een nieuwe aarde, het Hemels Koninkrijk.

3.]. Al doende leer je in de praktijk wat God’s Wil is.
De omvorming, de verandering, metamorphose of transformatie van binnenuit werkt door naar buiten toe. Hoe weet je of de mens doet waarvoor hij gemaakt is?
Echt niet uit mooie woorden – een preek met prachtige theorieën, maar uit  door het te doen.
    Want dit Gebod, dat ik u heden opleg, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg. 
Het is niet in de Hemel, zodat gij zoudt moeten zeggen: ‘Wie zal opstijgen ten Hemel, het voor ons halen en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?’.
En het is niet aan de overkant van de zee, zodat gij zoudt moeten zeggen: ‘Wie zal oversteken naar de overkant van de zee, hèt voor ons halen, en hèt ons doen horen opdat wij hèt vol-brengen?
Maar dit woord is zéér dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te volbrengen.
Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwade:
‘Doordat ik u heden gebied de Heer, uw God, lief te hebben door in zijn wegen te wandelen en zijn geboden, inzettingen en verordeningen te onderhouden, opdat gij leeft en talrijk wordt en de Heer, uw God, u zegene in het land, dat gij in bezit gaat nemenDeut.30: 11-16.
Je denken, je ervaren [voelen] en je wil zullen vernieuwd worden.
Dàn kun je onderscheiden wat God wil en het in de praktijk testen.
Dat woord testen in de praktijk gebruikt Paulus: de Kerk is de tuin, de proefperiode van de Heilige Geest. Wij zijn de proefpersónen die door ons praktische leven mogen laten zien Wie God wel niet is.
Wij Christenen mogen het als een eer beschouwen dat wij God’s Wil in de praktijk mogen brengen! Met alle vallen en opstaan, maar toch echt proefondervindelijk praktiseren.
Door die praktijkervaring leren we dat het ècht klopt:
Onze God is een waarachtige God, Hij is goed en Hij heeft de mensen lief.
Wàt God wil dat is het goede, het welgevallige en het volledig mens zijn, naar hart en nieren. Goed, aangenaam, gaaf; dàt blijkt voor onszelf en voor de mensen om ons heen.

In het vervolg van zijn brief geeft Paulus daar praktische voorbeelden bij.
De verandering die God in ons werkt die werkt door in al onze relaties:
– in relatie tot onszelf:
    Want krachtens de Genade, Die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het Geloof, Dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeldRom.12: 3.
– in de relatie tot de [kerk-]gemeente:
    Want, gelijk wij in een lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, zo zijn wij, hoewel velen, een Lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander.
Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de Genade, die ons gegeven is: Profetie, naar gelang van ons Geloof; wie dient, in het dienen; wie onderwijst, in het onderwijzen; wie vermaant, in het vermanen; wie mededeelt, in eenvoud; wie leiding geeft in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheidRom.12: 4-8.
Samen vormen we één Lichaam, we krijgen gaven om elkaar te ondersteunen en op te bouwen. Wij hebben elkaar nodig! God maakt dat wij dàt ook willen, dàt we samen één gemeente vormen, dàt we elkaar aanvullen en dienen met de mogelijkheden die we hebben gekregen.
De gemeenschap is oefenplaats voor de nieuwe gezindheid die God ons geeft, teneinde er vervolgens mee naar buiten te treden.

– God verandert mensen, dàt blijkt in de relatie tot elkaar en tot de mensen om ons heen:
    De Liefde zij ongeveinsd. Weest afkerig van het kwaad, gehecht aan het goede.
Weest in broederliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld, in ijver on-verdroten, vurig van geest, dient de Heer.
Weest blij in de Hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed, bijdragend in de noden der heiligen, legt u toe op de gastvrijheid.
Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt niet. Weest blij met degenen, die blij zijn, weent met degenen, die  wenen. Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige. Weest niet eigenwijs.
Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen. Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, Vrede met alle mensen. Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: ‘Mij’ komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heer. Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwaad door het goedeRom.12: 9-21.
Het nieuwe leven dat God geeft bruist op vanuit de Liefde van God en bewijst zich in liefde naar elkaar en naar buiten. Die liefde bestaat in oprechtheid, onderscheidingsvermogen, innigheid, respect [hoogachting], enthousiasme, standvastigheid, vrijgevigheid, gastvrijheid, goedheid, sympathie, eensgezindheid en nederigheid…

Jezus Christus, Hij is gisteren en vandaag en tot in eeuwigheid

Je ziet Christus, onze Verlosser voor je ogen opdoemen.

Zó wil God ons leven veranderen, nu al met een waarachtig begin. Niet meer aangepast aan deze tijd en waar wij mensen allemaal maar achter aan rennen, maar Hij verandert ons naar Wie onze Heer en Verlosser is.
Hij komt je tegemoet, jij mag Hem ontvangen en vervolgens komt Hij door ons heen naar buiten. Onze woorden zijn eigenlijk Zijn woorden, onze blik is eigenlijk Zijn blik.
Ons luisterend oor is eigenlijk Zijn luisterend oor.
Onze arm om de schouder van de ander is Zijn arm om de schouder.
Onze waarachtig menselijk voorkomen is Christus!
Hij straalt van je gezicht af, maar dat komt omdat Hij woont in je hart en
je van binnenuit verandert door Zijn Heilige Geest!

Apolytikion     tn.5.
Komt laat ons bezingen en aanbidden
het met de Vader en de Geest mede-eeuwige Woord,
Dat om ons te verlossen uit de Maagd geboren is.
Want Hij heeft het op Zich genomen
Zijn Lichaam aan het Kruis te laten slaan en de dood te verduren,
Om door Zijn Roemrijke Opstanding
de doden op te wekken
”.


Kondakion     tn. 5.
“ Ter helle zijt Gij neergedaald, mijn Heiland,
en in Uw Almacht hebt Gij de ijzeren poorten gebroken.
Al Schepper hebt Gij de gestorvenen opgewekt;
de prikkel des doods vernietigd,
en Adam van de vloek bevrijd, o Menslievende.
Daarom roepen wij U allen toe: Heer, red ons
”.


Theotokion     tn.5.
  Gij zijt in waarheid de cherubijnentroon,
want in U heeft het Woord woning genomen Alreine
en is in het vlees uit U voortgekomen.
Om ons heeft Hij het kruis ondergaan en
heeft Hij als God de Opstanding geschonken
Om onze natuur te verheerlijken.
Vraag voor ons om vergeving van zonden
”.

Orthodoxie & volharding in het Geloof

      Welzalig de mens die wijsheid vindt, de mens die verstandigheid verkrijgt; want wat dit oplevert, is beter dan de opbrengst van zilver,  wat dit oplevert, is beter dan goud.
Dit is kostbaarder dan koralen, al wat gij kunt begeren, kan haar niet evenaren.
Lengte van dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer”
Spr. 3: 13-16.

We leven momenteel in een samenleving waar de mens z’n fundamentele houvast verloren is – de mens leeft ontdaan van aloude waarden en weet niet meer wat het is om een menswaardig bestaan te leiden. De oude waarden en rollen, die in de vroegere agrarische en patriarchale samenleving steun boden om zich aan vast te houden, lijken in onze geïndustrialiseerde samenleving nu bijna onmogelijk.
De persoonlijke binding, welke zich als van nature tussen ouders en kinderen van nare aanwezig was, is een zeldzame ervaring geworden.
Alsof dit voor de geestelijk gezinde niet moeilijk genoeg te dragen is wordt men overspoeld door vreemde en soms afwijkende opvattingen over seksualiteit en rolmodellen. We leven in een cultuur van toenemende ‘unisex’, perversie en immoraliteit – op het werk, thuis en soms zelfs in de kerkgemeenschap.
De “emancipatiebeweging” beginnend bij de vrouwen was een begrijpelijke reactie op onverantwoordelijke, hardhandige, arrogante en ongevoelige mannen; maar in plaats van het geweten en de moraliteit van mannen naar het traditionele opvoedende en morele niveau van vrouwen te brengen, had dit tot gevolg dat vrouwen naar het meer dierlijke niveau van het gedrag van mannen werden gebracht, terwijl dit tegelijkertijd de “mannelijke mythe” verbrijzelde zonder daarvoor in de plaats te stellen wat het is om een fatsoenlijk mens te zijn – of, in onze situatie, wat het is om een [orthodox] christelijke menswaardig bestaan te leiden.

Een buitengewoon relevant model voor de [orthodox] christelijke mens van vandaag is de profeet Job in het Oude Testament. Inderdaad, wordt ons hier een mens “naar Gods eigen hart” voor ogen gesteld. Zijn leven getuigt van bepaalde menselijke eigenschappen waaraan de [orthodox] christelijke mens zichzelf vandaag kan toetsen – een logische opeenvolging van punten, die spirituele groei opleveren als gevolg van een niet aflatende strijd, die met geen pen te beschrijven is.
Indien je nog ogen hebt om te zoeken naar wat het mensen om je heen ontbreekt en nog een hart bezit om te aanvaarden wat nog beter kan – ervaar je dingen waar anderen in hun haast van deze wereld aan voorbij lopen.
We horen het regelmatig om ons heen – vrienden, kennissen, die geconfronteerd worden met ongeneeslijke ziekte – die een strijd op leven en dood hebben te voeren. Wij zijn in onze tijd vergeten dat het liefdevol volharden tot het einde – de overwinning van problemen inhoudt.
Maar we zien en horen dit niet meer – weten er niet meer mee om te gaan – worden opgeslokt door nietszeggende afleiding’s-manoeuvres welke onze consumptie-maatschappij ons voorhoudt. 
We denken hierbij in de eerste plaats aan de profeet Job – in de betekenis van het gegeven, dat hij door de kwellingen van het leven een rechtszaak aanging tegen het Geloof, daarom ziet de orthodoxe Kerk hem als profeet van ‘het lijdende wezen’. We zijn in onze tijd vergeten dat hij – als ‘lijdend wezen’ volhardde tot aan het einde en de overwinning over zijn problemen behaalde.
We realiseren ons nog zelden dat hij om deze overwinning te behalen bepaalde eigenschappen van karakter en ziel nodig had – de kwaliteiten van een waarachtig,  op God ingesteld mens.
Hij begon zich niet pas tot God te wenden toen hem het water aan de lippen stond:
      O, zo ik was als in vroegere maanden, als in de dagen, toen God mij behoedde; toen Hij Zijn lamp [de zon] boven mijn hoofd deed schijnen, ik in de duisternis wandelde bij Zijn Licht; zoals ik was in de bloeitijd van mijn leven, toen God’s vertrouwelijke omgang in mijn tent toefde; toen de Almachtige nog met mij was, en mijn kinderen rondom mij waren; toen mijn schreden zich baadden in room en de rots in mijn nabijheid oliebeken uitgoot.
Wanneer ik uitging naar de stadspoort, mijn zetel deed plaatsen op het plein, dan verborgen knapen zich, als zij mij zagen, hoogbejaarden verhieven zich en bleven staan; vorsten staakten hun gesprek en legden de hand op hun mond; de stem van de edelen verstomde en hun tong kleefde aan hun gehemelte; wanneer een oor mij hoorde, prees het mij gelukkig en wanneer een oog mij zag, gaf het goede getuigenis van mij
Job 29: 2-11.
De profeet Job was een mens, die God en God’s liefdevolle zorg voor hem niet vergat, hoe vreselijk de huidige kwelling zich ook voordeed: “God was altijd met mij en de vriendschap van God beschermde mijn huis”.
De [orthodox] christelijke navolger van Christus streeft ernaar God en zijn zegeningen nooit te vergeten, hetzij in het verleden of in het heden en hij geeft ditzelfde voorbeeld aan z’n vrouw en kinderen door, met name in tijden van beproeving. Deze profeet hield van zijn kinderen en miste hen heel erg toen hij in ballingschap was; hij beschouwde hen niet als een irritante inbreuk op zijn eigen ‘levensstijl‘.
Hij stond vroeg op om te bidden en offers voor hen te brengen, om hen te zuiveren voor het geval zij hadden gezondigd.
De [orthodox] christelijke navolger van Christus bidt vurig voor zijn kinderen – zowel om wijsheid – de optimale begeleiding van hen, als om de Goddelijke zegen en Genadegaven over hen.
Dit is ook een model voor een spelleider in de christelijke gemeenschap, die nu eenmaal veel [‘spirituele’] kinderen heeft, maar ook de medechristenen bidden als lekenpriesters voor hun naasten.
De profeet Job was rechtvaardig, zowel voor z’n kinderen als voor degenen met wie hij buiten zijn familie verantwoordelijkheid opbracht.
Op dezelfde wijze is een [orthodox] christelijke navolger van Christus tot voorbeeld van rechtvaardigheid en onpartijdigheid ten opzichte van z’n eigen kinderen, waardoor Gerechtigheid met Genadegaven op een hoger plan wordt gebracht:
Want ik redde de ellendige die om hulp riep, de wees en hem die geen helper had; de zegenwens van wie dreigde onder te gaan, kwam op mij en het hart der weduwe [de gescheiden vrouw] deed ik jubelen; met gerechtigheid bekleedde ik mij, en mijn recht  bekleedde mij als mantel en hoofddoek; tot ogen was ik voor de blinde, en tot voeten voor de kreupele; een vader was ik voor de armen, en het rechtsgeding van mij onbekenden, onderzocht ik; ik verbrijzelde het gebit van de verkeerde en rukte de prooi uit zijn tandenJob.29: 12-17.
Job, de profeet erkent de behoefte van kinderen aan een veilig huiselijk gevoel en stabiliteit in hun leven te hebben. Hij was God’s-zoeker en streefde wijsheid na:
  de Heer geeft en de Heer neemt; gezegend zij de naam des Heren”.
De [orthodox] christelijke navolger van Christus streeft er ook naar om sereen te rusten in Gods voorzienigheid, zijn toewijding aan het [orthodox] Geloof levendig te houden en dit voor zijn gezin te modelleren op basis van zijn persoonlijke krachtige inbreng.
Wanneer je door de Pedagogie van de Heer geroepen bent, zijn aanwijzingen volgt zullen ook de Psalmen een rode draad [de kern] van je leven worden:
Juich voor de Heer, gehele aarde, zing een Psalm voor Zijn Naam,   breng lof aan Zijn heerlijkheid.
Zeg tot God: ‘Hoe ontzagwekkend zijn Uw werken; de volheid van Uw kracht doet Uw vijanden huichelen voor U’.
Dat heel de aarde U zal aanbidden en voor U zal zingen; dat zij de Psalmen zullen zingen voor Uw Naam, o Allerhoogste.
Komt en ziet de werken van God: hoe vreeswekkend Hij is in Zijn besluiten over de kinderen der mensen.
Hij veranderde de zee in droge grond, opdat zij te voet zouden trekken door de stroom.
Daar worden wij verblijd door Hem, Die door Zijn kracht heerst in eeuwigheid.
Zijn ogen zien neer op de volkeren, laten de opstandigen niet zichzelf verheffen.
Zegent, volken, onze God; laat horen de stem van Zijn lof.
Hij heeft mijn ziel in leven gehouden, Hij heeft mijn voeten niet prijs gegeven aan de branding.
God, Gij hebt ons op de proef gesteld, Gij hebt ons als zilver gekeurd in het vuur.
Gij hebt ons in een strik gevoerd, Gij hebt kwellingen op onze rug geladen, Gij hebt de mensen boven ons hoofd gesteld.
Wij zijn gegaan door water en vuur, maar Gij hebt ons daaruit gevoerd en verkwikt.
Ik wil opgaan naar Uw Huis met brandoffers, om U de geloften te volbrengen die mijn lippen hadden [toe]gezegd.
Die mijn mond had gesproken, toen ik in nood verkeerde.
Vette brandoffers draag ik U op, met wierook en rammen; ik offer U runderen en bokken.
Komt en hoort, gij allen die God vreest: ik zal U verhalen wat Hij aan mijn ziel heeft gedaan.
Met mijn mond heb ik tot Hem geroepen; ik heb Hem verheven met mijn tong.
Als er onrecht was te zien in mijn hart, dan zou de Heer mij niet hebben verhoord.
Juist daarom heeft God mij verhoord; Hij heeft geluisterd naar de stem van mijn smeking.
Gezegend zij God, Die mijn gebed niet afwijst en Zijn barmhartigheid niet van mij doet wijken
Psalm 65[66] vert. ROK ’s-Gravenhage

Waar haalt de profeet z’n motivatie vandaan? :
Ik dacht: Tegelijk met mijn nest zal ik de geest geven en mijn dagen vermeerderen als de feniks. Mijn wortel was voor het water toegankelijk, en de dauw overnachtte op mijn takken. Mijn eer was altijd nieuw bij mij, en mijn boog verjongde zich in mijn handJob.29: 18-20.
Vanwege al deze geestelijke kenmerken is de [orthodox] christelijke mens van vandaag in staat om verschrikkelijk lijden en ellende te verdragen, waardoor de Heer het laatste deel van het leven ons nog meer zal zegenen dan hij de eerste jaren gezegend had.
Hier wordt dus een waarachtig voorbeeld getoond voor de mens van deze tijd, die vaak geneigd zijn om zich terug te trekken in passieve zelfgerichtheid in het aangezicht van moeilijkheden en verleidingen, die te bereid blijkt te zijn [en door de maatschappij aangemoedigd wordt om dit te doen] om alles maar te laten vallen, echtgenote, en kinderen bij de minst of geringste bevlieging of moeilijkheid alleen te laten gaan.
Hier wordt ons een heelheid en vastberadenheid van een heilige voor ogen gesteld, die in de hedendaagse mens waarachtige menselijkheid kan inspireren in plaats van een nep-menselijkheid.
Een Heilige is die volmaakte mens, die blijft zoeken naar het beeld van God en tracht zijn wijsheid bij God op te doen:
  De Heer heeft gegeven, en de Heer heeft genomen; gezegend zij de naam des Heren”. De [orthodox] christelijke navolger van Christus blijft er naar streven om sereen te rusten in de Goddelijke voorzienigheid, zijn toewijding aan het orthodoxe geloof levendig te houden en dit voor zijn gezin te modelleren op basis van persoonlijk krachtdadig optreden.
      Als de rechtvaardigen juichen, is de Heerlijkheid groot, maar als de goddelozen aan de Macht komen, verbergen zich de mensen.
Wie z’n overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming.
Welzalig de mens die gedurig vreest, maar wie zijn hart verhardt, valt in het onheilSpr. 28:12-14.
Gezegend hij/zij, die komt in de Naam des Heren!

Juli de 1e – Heiligen Cosmas & Damianos, de onbaatzuchtigen

        En Hij riep zijn twaalf discipelen tot Zich en gaf hun macht over onreine geesten om die uit te drijven en om alle ziekte en alle kwaal te genezen.
Deze twaalf [Apostelen] heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggend:
    Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen;
     begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis van Israël [de Kerk]’.
Gaat en predikt en zegt:
‘Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.
Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit.
Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet’Matth10: 1, 5-8.

      Gij nu zijt het Lichaam van Christus en ieder voor Zijn deel leden.
En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, verder krachten, daarna gaven van genezing, [bekwaamheid] om te helpen, om te besturen, en verscheidenheid van tongen.
Zijn zij soms allen apostelen? Allen profeten? Allen leraars? Allen krachten?
Hebben soms allen gaven van genezing? Spreken soms allen in tongen? Vertolken zij soms allen?
Streeft dan naar de hoogste gaven. En ik wijs u een weg, die nog veel verder omhoog voert.
        Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en van de engelen sprak, maar had de Liefde niet, ik ware schallend koper of een rinkelende cimbaal.
        Al ware het, dat ik profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al het Geloof had, zodat ik bergen verzette, maar ik had de Liefde niet, ik ware niets.
        Al ware het, dat ik al wat ik heb tot spijs uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam gaf om te worden verbrand, maar had de Liefde niet, het baatte mij niets.
De Liefde is lankmoedig, de Liefde is goedertieren,
zij is niet afgunstig, de Liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen,
zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet,
zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwaad niet toe.
Zij is niet blijde over ongerechtigheid, maar zij is blij met de Waarheid.
Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij.
De Liefde vergaat nimmermeer1Cor.12: 27-13: 8a.

Cosmas en Damianus [Gr: Κοσμάς και Δαμιανός] waren volgens de christelijke overlevering tweelingbroers, geboren in de tweede helft van de 2e eeuw in Syrië.
Over hun leven is niets -‘met zekerheid’- bekend; zij zouden allebei geneesheren zijn geweest, die kosteloos hun geneeskundige diensten aanboden.
Kosteloos je diensten aanbieden wil in de Orthodoxe Kerk zeggen dat je onbaatzuchtig bent en daarom heten deze beide geneesheren ook Agioi Anárgyroi, hetgeen wil zeggen de Heilige Onbaatzuchtigen. Dankzij hun levenswijze hebben vele ongelovigen zich tot het christendom bekeerd.

Tijdens de christenvervolging onder keizer Diocletianus behoorden zij tot de eerste slachtoffers. Zij werden door de stadhouder Lycias gearresteerd en ondervraagd.
Nadat zij over hun christelijke geloof hadden getuigd, werden zij in 303 onthoofd.
Boven hun graf in Cyrrhus in het huidige Syrië is een kerk gebouwd.

Cyrrhus [Gr: Κύρρος Kyrrhos] was en stad ontstaan in het oude Syrië en
is gesticht door Seleucus Nicator, een van de generaals van Alexander de Grote.
Deze stad ligt ongeveer 70 km ten noorden van Aleppo en was de hoofdstad van het uitgestrekte district Cyrrhestica , tussen de vlakte van Antiochië en  Commagene .  Cyrrhus werd al in een vroeg-christelijke periode een bisdom, van Hierapolis Bambyce , hoofdstad en grootstedelijke zee van de Romeinse provincie Euphratensis. Onder Justinianus werd het een autocefaal kerkelijke metropool, die rechtstreeks aan de Patriarch van Antiochië viel, maar zonder diocesane bisschop.
In een prachtige basiliek stonden de relikwieën van de heiligen Cosmas en Damianos, die rond 283 in die streek het martelaarschap hadden ondergaan en waarvan de lichamen naar de stad waren vervoerd, vandaar ook ‘Hagioupolis’.
Er waren in die periode veel heilige personen in die omstreken, vooral kluizenaars, waaronder de heiligen Acepsimas , Zeumatius, Zebinas, Polychronius, Maron [de patroonheilige van de Maronitische kerk], Eusebius, Thalassius, Maris en tevens Jacobus, de wonderdoener.
Bisschop Theodoret wijdde een heel werk aan de illustratie van hun deugden en mirakelen.
Deze bisschop van Cyrrhus [423-458] was een productief schrijver, bekend om zijn rol in de geschiedenis van het Nestorianisme, het Eutychianisme en het Marcionisme.
Hij verhaalt ons dat zijn kleine bisdom [ongeveer veertig vierkante kilometer] 800 kerken hebben bevat, wat een zeer dichte christelijke bevolking veronderstelt. 
In 476 hield een bisschop met de naam Ioannes een synode tegen
Peter Fullo welke van 471-488 de patriarch  van Antiochië was en niet-Chalcedonisch. Sergius I van Cyrrhus een Nestoriaan werd in de late 5e eeuw afgezet door de Byzantijnse keizer Justin I, opgevolgd rond 518 werd opgevolgd door Sergius II van Cyrrhus, een Jacobiet.
In de Latijnse kerk wordt het bisdom als een voormalig diocees gezien, dat niet langer functioneert, ook wel een “dood bisdom” genoemd.

Horen, wie horen wil

Onbaatzuchtigheid of Altruïsme is een persoonlijke waarde en drijfveer. Inzicht in je persoonlijke waarden is belangrijk om vast te stellen wat u het belangrijkste vindt in uw leven.
Waarden hebben te maken met zaken waarvoor u staat en waarvoor u gaat. Het zijn dus ook diepergaande motivaties; persoonlijke waarden worden dan wel  drijfveren genoemd. Het betreft een levensvisie waarbij men mensen wil helpen zonder het eigenbelang voorop te stellen; het belang van de medemens heeft de overhand, prevaleert. Het is dus een gericht zijn op het welzijn van de ander, waarbij men bereid is zichzelf beleefd aan de kant te zetten.
Wanneer onbaatzuchtig handelen als tegenhanger van egoïsme wordt omschreven in de zin van betrokken zijn op anderen, kunnen we ons daar prima in vinden. Zodra het echter wordt uitgelegd als voorbijgaan aan eigenbelang of zelfs als morele zelfopoffering, dan haken de mens veelal af.  Hulp bieden aan anderen te koste van jezelf, zou weinig continuïteit in het vooruitzicht stellen.
Bovendien zijn we er in onze westerse cultuur mee opgegroeid dat ieder mens een belang heeft, weliswaar niet altijd een commercieel of financieel belang, maar toch zal iemand niet iets doen zonder eigen belang op het oog te hebben.
Onbaatzuchtig betekent dus dat er geen financieel gewin is. Mensen geven hun tijd, kennis of geld weg ten  behoeve van de medemens. Onbaatzuchtig is nog wat anders dan belangeloos. Want er is altijd sprake van een belang. Ook  altruïsten vervullen hun behoeften wanneer ze iets doen of iets nalaten. Ze halen bijvoorbeeld hun persoonlijke waardering uit hun daden en uit hun handelen. Of ze kunnen hun behoefte aan waardering halen uit het dienstbaar zijn voor de medemens.

De onbaatzuchtige artsen gingen zo op in hun navolging van Christus, dat zij hun geneeskundig handelen beoefenden uit Christelijke naastenliefde. Omdat zij zich zo volkomen overgaven aan deze taak en de zorg voor zieken, schonk God hun vaak mystieke [wonderbaarlijke] genezingen, waar hun kennis tekort schoot.
Zonder enig onderscheid te maken behandelden zij rijken en armen, stadgenoten en vreemdelingen, zonder ooit enige vergoeding te vragen. Hun medelijdende liefde strekte zich uit over elk lijdend schepsel en de mensen kwamen ook met hun zieke dieren bij hen om genezing te vinden. Hun roem, in Goddelijke medeleven, steeg steeds hoger en van heinde en verre kwamen de zieken hen opzoeken.

Troparion     tn.8.
Heilige barmhartige wonderdoeners,
zie neer op onze zwakheden.
Om niet hebt u ontvangen,
schenk daarom ook om niet aan ons,
door uw gebeden tot Christus onze God,
worden onze zielen gered
”.

Kondakion     tn.2
  U hebt de gave van genezingen ontvangen
om gezondheid te schenken aan de zieken,
wonderbare artsen Cosmas en Damianos.
Door uw tussenkomst verslaat u de hoogmoedige vijand
en geneest u de wereld door uw Mysteriën
”.

Orthodoxie & Christelijke verkondiging tegen elke tegenstreven in

Geloof

Teneinde je medeburgers tot Christus te brengen roept Christus ons op om Zijnentwil ‘uit te gaan’ en de medemens te redden.
Daartoe dienen we in de eerste plaats Christus Zelf te gaan zoeken en in ons leven op te nemen.
We dienen daarbij allereerst eerlijk ten opzichte van onszelf te zijn en geheel ons leven aan God aan te bieden.
Daartoe dienen wij ons onafgebroken tot God richten en met onszelf af te spreken en ons in te zetten al datgene wat wij aan goede eigenschappen kunnen opbrengen in Gods dienst te stellen.
Voor zoiets heb je durf nodig – want onze misleidde medemens – zal zich in z’n onschuld verzetten. de tegenstrever zal al het mogelijke doen je aan de schandpaal te nagelen.
Dit zal pijn doen en dat hebben wij te verdragen, teneinde hen op het rechte pas terug te voeren. De zieken zullen om zich heen slaan en ons vervloeken en bespotten, dit dienen wij als trouw aan de aangenomen beginselen te accepteren en niet onder hun beledigingen gebukt te gaan, maar het gewoon te accepteren als noodzakelijk om hen in hun ongezond bestaan te schande te maken.

Christus geneesheer door Zijn Woord, door Christine Hales

De zieke mensheid zal het dokter’s tenue besmetten, maar de geneesheer geeft z’n behandeling niet op. In alle oprechtheid probeer je zoveel mogelijk aan te tonen dat het lichaam en de ziel verzorging nodig hebben – we zien immers dat veel zielen onder ons verloren gaan en verderf uitzaaien en anderen in hun val meeslepen. De samenleving is bedorven en tast ieder, die zich hier niet van bewust is, aan tot op het bot.
Weest vriendelijk en barmhartig jegens elkander, elkaar vergevend, zoals God in Christus jou vergeving geschonken heeftEph.4: 32.
Paulus gedroeg zich misschien niet zo, maar hij zei: “Is hij geduldig en ben ik niet mezelf? Wie is er schandalig en geeft mij niet de schuld?”.
Wij dienen elkaar dus te vergeven omdat God ons vergeeft.
Dat is een bekende gedachte. Wij hebben een belangrijke reden om elkaar te vergeven! Vervolgens dienen wij elkaar te vergeven zoals God ons vergeeft.
God heeft ons in Christus het voorbeeld gegeven van vergeven.
Dat is een iets minder bekende gedachte.
Hoe dienen wij dan te vergeven?
Ons wordt gevraagd precies zo te vergeven, zoals God dat doet.
Wij behoeven, bij wijze van spreken, niet soepeler en niet strenger te zijn dan Hij, indien  wij over vergeven tussen mensen nadenken.
Als wij het ‘omdat’ van vergeven vergeten, kunnen wij te vrijblijvend over vergeven gaan spreken. Als wij het ‘zoals’ vergeten, zouden wij wel eens te wettisch kunnen worden.

Zodat de aanvaarde vlam in je opbloeit, wanneer je een broeder verloren ziet gaan, zelfs wanneer deze je kleineert, je nadrukkelijk verklaart je aan te pakken, te bedreigen met vijandschap en niets anders beweert wanneer je alles dapper dient te doorstaan, teneinde zijn redding te verdienen.
Indien hij je vijand wordt, zal God je vriend worden en op die dag zal de Heer je belonen met grote goederen. Wij geloven immers dat God barmhartig is.
Zegen, mijn ziel, de Heer; al wat in mij is, zegen Zijn Heilige Naam. Zegen, mijn ziel, de Heer; vergeet toch al Zijn vergeldingen niet. Hij vergeeft al uw zonden; hij geneest al uw kwalenPsalm 103: 1-3.
Op een andere plaats zegt de psalmdichter dat God goed is en graag vergeeft hen die zijn Naam aanroepen: “Gij, Heer, zijt immers goed en zachtmoedig en rijk aan Barmhartigheid voor eenieder, die U aanroeptPsalm 86: 5.
Nehemia noemt God ondanks alles: “ Het Volk weigerde te horen en gedachten de wonderen niet die Gij onder hen gedaan hadt, en verhardden hun nek en stelden in hun weerspannigheid een hoofd aan, om terug te keren tot hun slavernij. – Maar Gij zijt een God van Vergeving, Genadig en Barmhartig, Lankmoedig en groot van Goedertierenheid, 
en hebt hen niet verlatenNehemia 9: 17.
Daniël zegt: “  Bij de Heer, onze God, is Barmhartigheid en Vergeving, hoewel wij tegen Hem weerspannig zijn geweest, niet geluisterd hebben naar de stem van de Heer, onze God en niet gewandeld hebben naar de wetten die Hij ons gegeven heeft door de dienst van zijn knechten, de ProfetenDaniël 9: 9.
  En in Hem hebben wij de Verlossing door Zijn Bloed, de Vergeving van de over-tredingen, naar de Rijkdom van Zijn Genade, Welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle Wijsheid en Verstand, door ons het Geheimenis van Zijn Wil te doen kennen, in  over-eenstemming met het Welbehagen, Dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de Hemelen en op de aarde is onder een 
hoofd, dat is Christus, samen te vatten, in Hem, in Wie wij ook het Erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het Voornemen van Hem, Die in alles werkt naar de raad van Zijn Wil,  opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn Heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwdEph.1: 7-12.

Deze vergevende Liefde van God verbaast en verwondert ons.
Tòch mogen wij dit gelovig aanvaarden. Dit Geloof in God heeft consequenties.
God wil mij m’n zonden vergeven, wanneer ik de toevlucht tot Hem neem.
God wil ook de zonden vergeven van de misdadiger die mijn leven kapot gemaakt heeft, als hij berouw heeft.
Dan ben ook ‘ìk’ geroepen hem z’n zonden te vergeven.
Indien ik dat niet doe, ben ik ongehoorzaam en
heb Ik tevens absoluut niets begrepen van de Grootheid van
de Genadegave van en in Christus.

In de stad Phillipi ]sprak Paulus met Lydia [Hebr. ‘moeite’, een purperverkoopster uit Thyatira (Hebr. “geur van droefenis)]. Omdat er veel Romeinse soldaten in de stad Phillipi rondliepen deed Lydia met haar purperen mantels goede zaken.
De Romeinen zijn trots op hun Romeinse burgerrecht [politheuma]. Maar Paulus heeft het niet over een stad of een staat op aarde [geen Europese Unie] en Paulus heeft het niet over geld [of de Euro], maar over een Ouranopolis [een Hemelse Stad]. Dáár gaan mensen op een bijzondere manier met elkaar om. Mensen staan er met beide benen op de grond, maar het ene been is net even anders dan het andere been [Een been in de Hemel en het andere been op de aarde].

  Indien er dan enig beroep [op u gedaan mag worden] in Christus, indien er enige bemoediging is van de Liefde, indien er enige gemeenschap is des geestes, indien er enige ontferming en barmhartigheid is maakt [dan] mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, één in Liefdebetoon, één van ziel, één in streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid dient de een de ander meer uitnemend te achten dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder dient ook op dat van anderen te letten. Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, Die, in de Gestalte van God zijnde, het aan God gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood aan het KruisPhil.2: 1-8.

      Israël [de Kerk] wordt door de Heer verlost met een eeuwige Verlossing; gij zult noch beschaamd staan noch te schande worden in alle eeuwigheid.
       Want zo zegt de Heer, die de Hemelen geschapen heeft [Hij is God] Die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd [verwarde massa] heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd: Ik ben de Heer en er is geen ander.
Ik heb niet in het verborgene gesproken noch ergens in het land der duisternis;
Ik heb tot het nakroost van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij tevergeefs.
Ik, de Heer, spreek wat recht is, verkondig wat rechtmatig is.
        Vergadert u en komt, nadert tezamen, gij die uit de volkeren ontkomen zijt. Zij hebben geen begrip, die hun houten beeld dragen en bidden tot een god die niet verlossen kan.
        Verkondigt en voert gronden aan. Ja, laten zij tezamen beraadslagen. Wie heeft dit vanouds doen horen, het van overlang verkondigd?
Ben Ik het niet, de Heer?
En er is geen God behalve Ik, een Rechtvaardige, Verlossende God is er buiten Mij niet.
        Wendt u tot Mij en laat u verlossen, alle einden van de aarde, want Ik ben God en niemand meer.
        Want Ik heb gezworen bij Mij Zelf, Waarheid is uit Mijn mond uitgegaan, een Woord dat niet zal worden herroepen: dat voor Mij elke knie zich zal buigen, dat bij Mij elke tong zal zweren.  Alleen bij de Heer, zal men van Mij zeggen, is Gerechtigheid en Sterkte,
tot Hem zal men komen; maar beschaamd zullen staan allen die tegen Hem in woede ontstoken zijn;
In de Heer wordt het gehele nakroost van Israël [de Kerk] gerechtvaardigd en zal het zich beroemenIsaiah 45: 17-23.

                                                                                     conf. H. Johannes Chrysostomos

5e Zondag na Pinksteren – de onderlinge verhouding met andersdenkenden

      Nadat Hij aan de overkant in het land der Gadarenen was gekomen, kwamen Hem twee bezetenen uit de grafsteden tegemoet, zeer gevaarlijke, zodat
‘niemand’ langs die weg kon voorbijgaan.
       En zie, zij schreeuwden, zeggende:
‘Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen om ons voor de tijd te pijnigen?’.
       Nu werd er ver van hen een grote kudde zwijnen gehoed.
De boze geesten smeekten Hem en zeiden: ‘Indien Gij ons uitdrijft, laat ons dan in de kudde zwijnen varen’.
En Hij zei tot hen: ‘Gaat heen!’
Zij voeren uit en gingen in de zwijnen; en zie, de gehele kudde stormde langs
de helling de zee in en zij kwamen om in het water.
       En de hoeders namen de vlucht en kwamen in de stad en berichtten alles, ook van de bezetenen. En zie, de gehele stad liep uit, Jezus tegemoet, en toen zij Hem zagen, drongen zij er bij Hem op aan hun gebied te verlaten.
       En in een schip gegaan zijnde, stak Hij over en Hij kwam in zijn eigen stadMatth.8: 28-9: 1.

      Broeders, de begeerte van mijn hart en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit. Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand. Want onbekend met God’s Gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen.
        Want Christus is het einde van de Wet, tot Gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.
        Want Mozes schrijft: ‘  De mens, die de Gerechtigheid naar de Wet doet, zal daardoor leven’.
        Maar de gerechtigheid uit het Geloof spreekt aldus:
  Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen; òf: ‘Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen’.
Maar wat zegt zij?
Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het Woord – het Geloof, dat wij prediken. 
Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden; want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenisRom.10: 1-10.

    Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de Gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zal worden, tot alle goed werk volkomen toegerust2Tim3: 16,17.
De goddelozen worden tot leven gewekt in een afzonderlijke Opstanding – de Opstanding van veroordeling. Onze Heer en Verlosser heeft immers gezegd:
”     Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven. Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf.
En Hij heeft Hèm Macht gegeven om Gericht te houden, omdat Hij de Zoon des mensen is.
Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de Opstanding ten Leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de Opstanding ten oordeelJohn.5: 28,29.

“  Wij hebben de Messias gevonden, Die de Christus is”.
De enige Christus, Die van nature God is, heeft zich vernederd en is mens geworden. Hij toonde Andreas, de eerstgeroepene en alle andere Apostelen de Bron van het Mysterie en de Grootsheid van God’s Genadegaven.
En met die verzamelde Geroepenen [wij dus], bezoekt Christus het land der Gadarenen, hetgeen ten oosten van Galilea lag met de inwoners van het stadje Gerasa.
Het Griekse woord Garasenen, de bevolking  in de Brontekst is gerasènoon, van gergasènos, lett. naderende vreemdeling, zoals:
Het is een vreemdeling zeker, die verdwaald is zeker, ik zal hem gauw eens vragen naar zijn naam”.
Lucas verhaalt van de bevrijding van slechts één bezeten man; de bevreesde volksmassa van die streek vroeg daarop aan de enige Christus, Die van nature God is of Hij van hen ‘wilde weggaan‘.
Maar zijn we niet allemaal ‘zondaars’ en ‘bezeten‘ door de drang af te wijken van de Goddelijke weg? Een zondaar is immers iemand, die zich door zijn zonde en dat is alles wat buiten/zonder God’s-besef wordt gedaan, laat gebeuren.

Wie zich daarop als Christen terugtrekt omdat hij zich niet wil begeven in de ‘boze buitenwereld’ doet geen recht aan de Christelijke Opdracht, welke de Zoon van God ons ná de Zaligsprekingen meegaf:
  Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmee zal het gezouten worden?Matth.5: 13.
  Gij zijt het Licht van de wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn. Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de Hemelen is, verHeerlijkenMatth.5: 14-16.

Onze Christelijke strijd om vooruitgang.
Er bestaan veel obstakels voor het geestelijk leven.
Twee van de belangrijkste zijn: nieuwsgierigheid en eigenliefde.
1.]. De eerste is waarachtig tumor van de ziel.
Hij legt je op dat je alles behoort te weten, wat je ook hoort of ziet.
Het wordt slechts verwijderd door in vrede het gebed tot God te beoefenen en de studie van de blijde Boodschap op te pakken.
2.]. De eigenliefde is een zieke, buitensporige en wanordelijke liefde voor onszelf en blijft zich slechts vasthouden aan zondige genoegens, die  de Genadegaven God’s van binnenuit om zeep helpen.
Door deze belangrijkste obstakels te overwinnen, verbeteren we geleidelijk aan de kwaliteit van ons geestelijk leven, dat wil zeggen, onze relatie met Christus, onze Heer en Verlosser.

Wanneer wij als Christenen wegkwijnen -‘in zelfbeklag’- deugen wij nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt [òf overtroeft] te worden. Leven als een vreemdeling op deze wereld is iets anders dan jezelf terugtrekken in eigen kring en dat gebeurt zo dikwijls als wij ons afzetten ten opzichte van de ander.
Toen Israël in ballingschap ging riep de Heer het Volk dan ook op om “ De Vrede voor de stad te zoeken waarheen Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot de Heer, want in haar Vrede zal uw vrede gelegen zijnJer. 29: 7.
Door óók in Babylon ‘midden’ in het leven te staan  kon het Joodse Volk tot zegen zijn voor de omgeving, zonder op te gaan in de cultuur van Babylon, bleef men zich aldoor bewust van de eigen identiteit.

Bestuderen we het verleden -òf het nu om de sociale òf om de schoolstrijd gaat- dan zien we een voortdurende worsteling tussen Kerk en staat:
– in Christus tijd;
– in de periode van de Apostelen;
– in de opkomst van het instituut van de Kerk;
– ook in hoogtijdagen van het Rijke Christelijke leven is er telkenmale sprake van tweestrijd.

Het Nieuwe Testament leert ons dat deze twee zaken [Kerk en staat] los van elkaar staan. Juist omdàt we vreemdelingen op aarde zijn, is het niet ònze taak om maatschappelijke structuren te veranderen òf een christelijke staat te vestigen. God roept ons òp te verkondigen, teneinde slechts ‘het verlorene in de wereld te zoeken’ aan de hand van de Blijde Boodschap, zodat mensen worden gewezen op het Leven in Jezus Christus.
En of je je in een christelijk, mohammedaans, fascistisch, communistisch of seculier land bevindt, het maakt niet uit. Die Opdracht staat overal centraal en zal ten alle tijde om samenwerking met je medechristenen en om overleg en inzet vragen.

Wàt heeft de onderlinge verhouding met onze medeburgers
tot ons christenen te zeggen?
Wie in Christus is, is een burger van het Koninkrijk der Hemelen.
Dat betekent ‘niet’ de wereld ontvluchten, je op je eilandje [in jouw specifieke Geloof’s-gemeenschap terug te trekken], maar in diezelfde wereld doen wàt God van jou vraagt.
Hij roept ons òp om de Vrede voor de wereld te zoeken.
Wat betekent dit concreet?
Dat begint àl met mensen, die je ontmoet en hen vriendelijk gedag te zeggen.
En daarbij vraag je jezelf voortdurend af òf je wàt voor anderen zal kunnen betekenen; God brengt vanzelf behoeftige mensen op je weg.
De één geeft zijn Hemels burgerschap handen en voeten door tafels af te ruimen en af-te-wassen, leiding te nemen in een onderneming; een ander doet dat bijvoorbeeld door het voortouw te nemen bij een protest.

Vreemdelingen in een land verlangen immers
naar het komende Koninkrijk van God !
Wat houdt dit in?
Dat is een besef, de innerlijke overtuiging, dat we hier zelf op aarde geen koninkrijk kunnen vestigen, dat àlles zich in God’s hand bevindt en wij ooit door God naar Huis [– de Hemel – ] worden geroepen wanneer ons werk er hier òp zit.
Regelmatig mogen we daarbij met blijdschap denken aan ‘thuis’, waar alles volmaakt zal zijn.

Na het óverlijden van een geliefde wordt de Hemel pas voor velen nòg concreter dan voorheen gemaakt. De Hemel wordt op dat soort momenten veel persoonlijker en komt dichterbij “Onze Geliefden vieren daar feest”, maar dit verlangen kan uitmonden in vluchtgedrag.
We komen gesprekken tegen met mensen, die menen dat het leven hier op aarde ‘maar zinloos’ is geworden; zij willen in hun onmacht eveneens naar de Hemel en vermijden ieder vorm van lijden en zijn er aan toe zèlf uit te maken, wanneer de tijd er òp zit. Tijdens dit soort gesprekken wordt duidelijk dat er mensen rondlopen, die hun werk – hun levensopdracht – een stuk minder ‘goed’  vervullen.
Het overlijden van een Geliefde kan mensen frustreren en dàt blijkt geen goede motivatie om naar de Hemel te verlangen. Als burger van het Hemels Koninkrijk is er sprake van een gezonde balans: het is goed om hier te zijn èn ‘nog beter’ om ooit bij God te verblijven.
Dat betekent dat wij onze opdracht van de Zaligsprekingen serieus nemen en de handen onafgebroken uit de mouwen steken om het anderen naar de zin te maken.
Een van de meest belangrijke hoofdstukken in de Blijde Boodschap eisen nu onze aandacht op;  dit te meer omdat de Openbaring van de verborgenheden van het Koninkrijk der Hemelen, Die de Heer ons gegeven heeft, veelal verkeerd begrepen en uitgelegd worden.
1.]. De gelijkenis van de Zaaier, Matth. 13:1-23;
2.]. Het onkruid op de akker, Matth.13: 24-30;
3.]. De gelijkenis van het mosterdzaad, Matth.13:31-32;
4.]. De gelijkenis aan het zuurdeeg, Matth.13: 33-43; 
Inleiding op de schat in de akker en de ene schone parel
5.]. De schat in de akker, Matth.13:44;
6.]. De éne parel van grote waarde, Matth.13: 45-46;
7.]. De gelijkenis van het visnet, Matth.13: 47-58.

Wat ons dient òp te vallen is dat Christus ons zegt:
Omdat het u gegeven is de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te verstaan, maar hun [buitenstaanders] is het niet gegevenMatth.13: 11 en
dat er geschreven staat:
Al deze dingen sprak Jezus tot de scharen in gelijkenissen en zonder gelijkenis sprak Hij niet, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door de profeet”, zeggende: “Ik zal Mijn mond opendoen in Gelijkenissen; Ik zal dingen uitspreken die van de grondlegging der wereld af verborgen zijn geweestMatth.13: 34,35.
Deze verzen opgetekend door Mattheus zeggen ons wàt de Heer ons allemaal onderwijst, bekend maakt, namelijk “de verborgenheden van het Koninkrijk der Hemelen” – “zaken uitspreken die van de grondlegging der wereld af verborgen zijn geweest”, een Mysterie zijn en op bepaalde punten ook zal blijven [vbld. geen mens kent God en datgene wàt wij van God kennen is ons slechts door Zijn Zoon  in de Heilige Geest geopenbaard].

De Pharao gaf [aartsvader] Joseph de naam ‘Zafnath Paäneah’ en gaf hem Asnath, de dochter van Potipherah, een priester uit On, tot vrouwGen.41: 45.
De naam ‘Zafnath Paäneah’, welke naam volgens Rabbijnse uitlegging betekent: “Onthuller of Ontdekker van Verborgenheden”.
Het is deze Joseph, de Hebreeuwse slaaf, door zijn medebroeders verworpen, de meest volmaakte typologie in het Oude Verbond van onze Heer Jezus Christus.
Ná zijn verwerping werd Joseph, dè Onthuller van de Verborgenheden en dat door de Geest van Wijsheid, van God Zelf.
Christus is voor ons eveneens verschenen als dè Verworpene.
Nadat het aanbod van het Koninkrijk en Hij Zelf als Koning eveneens verworpen is, wordt Hij, als dè ‘Zoon van God’, de Onthuller van de Verborgenheden en
laat Hij zien wat er plaats zal vinden na de verwerping door Israël [de Kerk].

En op die dag ging Jezus uit het huis en zette Zich bij de zeeMatth.13: 1.
Het huis verlaten betekent dat Hij Zich scheidde van de verbinding met Zijn Volk, zoals we aan ‘t einde van het twaalfde hoofdstuk van Mattheus kunnen zien.
De zee is het type van de Volkeren; plaats nemen bij de zee wijst er op, dat Zijn getuigenis de Verborgenheden, Die geopenbaard worden, voor wijder kring bestemd zijn, betrekking hebben op al de Volkeren, niet alleen toen, maar ook in het hier en nu . . . . .
En vele scharen verzamelden zich tot Hem zodat Hij in een schip ging en Zich neerzette; en de ganse schare stond op de oever”.
  Ik schep de Vrucht der lippen: Vrede, Vrede voor hem die verre, en voor hem die nabij is, zegt de Heer; en Ik zal hem genezen. Maar de goddelozen zijn als de zee, zo opgezweept, dat zij niet tot rust kan komen, en wier wateren slijk en modder op-woelen. De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen VredeIsaiah 57: 1
9-21.
Hij scheidt Zich af van de mensen, terwijl Hij Zich ten behoeve van de Verkondiging van de Blijde Boodschap midden tussen de schare beweegt.
Wat Hij zegt, spreekt Hij in Gelijkenissen en zonder Gelijkenissen sprak Hij niet.
    Welzalig zijt gij, Israël [de Kerk]; Wie is aan u gelijk? Een Volk, verlost door de Heer, Die het Schild van uw hulp en het Zwaard van Uw Hoogheid is. Daarom zullen uw vijanden veinzen u hulde te brengen, en Gij zult op hun hoogten tredenDeut 33: 29.
Onze Heer en Verlosser zegt ons telkenmale: “Het Koninkrijk der Hemelen is gelijk geworden”.
Wat bedoelt Hij met deze uitdrukking?
Dat het niet meer het Koninkrijk der Hemelen is, zoals in het Oude Verbond voorzegd, beloofd en aangeboden aan Israël, is bewezen.
Het aanbod was gedaan en verworpen.
De prediking van Hem en Zijn boodschappers die Hij uitzond, is:
☦️  Het Koninkrijk der Hemelen is nabij gekomen. Bekeert uMatth.4: 17.
☦️En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het EvangelieMarc.1: 15.
☦️Ik zeg u lieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in de Hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet nodig hebbenLuc.15: 7.
☦️  Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden van de verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des HerenHand.3: 19.
☦️Die zal weten, dat degene, die een zondaar van de dwaling van zijn weg bekeert, een ziel van de dood zal behouden en een menigte van zonden zal bedekkenJac.5: 20.
☦️  Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal snel bij u komen en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeertOpenb.2: 5.

De negenvoudige Zegen uit de Zaligsprekingen, Die voorzien is onder de Genade -“de Vrucht van de Heilige Geest”. Men zal dàn zien dat àl wat geëist wordt onder de Wet van het Koninkrijk, als voorwaarde tot Zegen, onder de Genade ‘Goddelijk voorzien’ is.
Alle Zegeningen in het Koninkrijk bij elkaar zijn niet vergelijkbaar met  de overvloedige “Vrucht van de Heilige Geest”: “Liefde, Blijdschap, Vrede, lankmoedigheid [in staat om veel te verdragen, wanneer men boos wordt], Goedertierenheid, Goedheid, Geloof, Zachtmoedigheid en MatigheidGal. 5: 22-23.

”    Wij hebben de Messias gevonden, Die de Christus is”,
De enige Christus, Die van nature God is, heeft zich vernederd en is mens geworden.  Hij toonde Andreas en alle andere apostelen de bron van het Mysterie en de grootsheid van God’s Genadegaven.
Tracht na dit inzicht uw omgeving te overtuigen, dat het ‘goed’ is God te dienen, dat dit niet alleen ‘ons’ ten hoogste goed doet, maar dat het eveneens dè waarachtige bevordering van ziel en zaligheid is.
Je kunt dit zeggen en met voorbeelden onderbouwen, dat men alleen bij zulk een levenswijze vergenoegd, blij en vrolijk z’n dagen kan doorbrengen,
ja zelfs wèl tevreden en getroost kan zijn in bedroefde perioden en dingen die de mens zoal kan meemaken, laat dit vooral uit uw eigen voorbeeld blijken.
Niets schrikt een ander méér af ‘van de dienst tot God‘, dan het ongegrond vooroordeel, dat vanzelfsprekend lastig en vervelend is.
Dit vooroordeel dien je de ander trachten te ontnemen, wanneer je bemerkt dat het reeds bij hen heeft postgevat òf nagaan hoe je dit kunt voorkomen, opdat het niet aan kracht toeneemt.
Spreekt vervolgens eerst dàn opzettelijk met de ander over het belang van de dienstbaarheid in de Naam des Heren; doet dit evenwel met beleid.
Op het ene moment is dit meer geschikt dat op het andere
– soms doen er zich echter ongedwongen zeer gepaste aanleidingen voor –
laat die niet voorbijgaan – doch wanneer deze zich voordoen – doe het dan kort en doeltreffend met een gevoel en een ernst welke stof geeft tot nadenken.

Apolytikion     tn.4
  Nadat zij de Blijde Boodschap van de Opstanding
en van de Bevrijding van de veroordeling van de Stamhouders
uit de mond van de Engel gehoord hadden,
riepen de Myrondraagsters jubelend tot de Apostelen:
Vernietigd is de dood, Christus de Heer is opgestaan,
en heeft aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.4
  Mijn Heiland en Verlosser
heeft als barmhartige God de aardgeborenen opgewekt,
uit de ketenen van het graf.
Hij heeft de poorten van de hel verbrijzeld
en is als Gebieder na drie dagen verrezen
”.

Theotokion     tn.4
  Het van eeuwigheid verborgen en aan de Engelen onbekende Mysterie,
is door U aan de aardbewoners openbaar geworden, Moeder Gods:
in onvermengde eenheid is God vlees geworden
en heeft Hij om ons het Kruis op Zich genomen.
Daardoor heeft Hij de Eerst-geschapene weer opgewekt
en onze zielen uit de dood verlost
”.