4e Zondag van de Grote en Heilige Vasten – Zondag H. vader Johannes Climacos

Climacos [de ladder]

      En iemand uit de menigte antwoordde Hem: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stomme geest heeft. En waar hij hem aangrijpt, werpt hij hem op de grond; en hij heeft het schuim op de mond, en hij knerst met zijn tanden en verstijft. En ik heb uw discipelen gezegd, dat zij hem zouden uitdrijven, en zij hebben het niet gekund.
        En Christus antwoordde hun en zei: ‘O, ongelovig geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij. En zij brachten hem tot Hem.
En toen de geest Hem zag, deed hij hem terstond stuiptrekken en, 
op de grond gevallen, wentelde hij zich, al schuimende. En Hij vroeg zijn vader: ‘Hoelang is het al, dat dit hem overkomt?’. Deze zei: ‘Van zijn kindsheid af; en dikwijls heeft hij hem ook in het vuur en in het water gedreven om hem een ongeluk te doen krijgen. Maar als Gij iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons!’.
        Jezus zei tot hem: ‘Als Gij kunt! Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft’.
Terstond riep de vader van de knaap uit en zei: ‘Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!’.
        En toen Jezus zag, dat de menigte samenstroomde, bestrafte Hij de onreine geest en zei tot hem: ‘Gij, stomme en dove geest, Ik beveel u: ga van hem uit en kom niet meer in hem’. En hij ging uit onder geschreeuw en hevige stuiptrekkingen. En hij werd als een dode, zodat men algemeen zei, dat hij gestorven was. Doch Jezus vatte zijn hand, richtte hem op, en hij stond op. En toen Hij een huis was binnengegaan, vroegen zijn discipelen Hem, terwijl zij met Hem alleen waren: waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven? En Hij zei tot hen: ‘Dit geslacht kan door niets uitvaren, tenzij door gebed’.
En zij gingen vandaar weg en reisden door Galilea. 
En Hij wilde niet, dat iemand het te weten kwam. Want Hij onderwees zijn discipelen en zei tot hen: “De Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der mensen en zij zullen Hem ter dood brengen en drie dagen na zijn dood zal Hij opstaan’”. Marc.9: 17-31

Heilige Johannes Climacos, schrijver van het boek ‘de Ladder’.

      Want toen God aan Abraham zijn belofte deed, zwoer Hij, omdat Hij bij niemand hoger kon zweren, bij Zichzelf, zeggend: ‘Voorzeker zal Ik u zegenen en zekerlijk u vermeerderen’. En zo, door geduld te oefenen, heeft deze het beloofde verkregen. Want mensen zweren bij wie hoger is, en de eed dient hun tot bekrachtiging, als einde van alle tegenspraak. Daarom heeft God, toen Hij des te nadrukkelijker aan de erfgenamen der belofte het onveranderlijke van zijn raad wilde doen blijken, Zich onder ede verbonden, opdat door twee onveranderlijke dingen, waarbij het onmogelijk is, dat God liegen zou, wij, die [tot Hem de] toevlucht genomen hebben, een krachtige aansporing zouden hebben om de hoop te grijpen, die voor ons ligt. Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel, waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Melchisedek hogepriester geworden in eeuwigheid”. Hebr.6: 13-20

Mensen, die zich zwak en kwetsbaar weten,
zoeken hulp en ondersteuning bij elkaar en bij Christus.

Heb medelijden met mij Heer, Jezus Christus, Zoon van God hebt U alstublieft medelijden met mij, mijn ziel vertrouwt op U, mijn God”.
Christus onderwees zijn volgelingen in het gebed en maakte hen duidelijk dat je zonder gebed niets voor elkaar kunt krijgen. Het gaat er bij Christus om dat je datgene wat je presteert in Naam van de Vader doet. Onze Heer, Jezus Christus wordt met God op één lijn geplaatst.
Vader, Zoon en Heilige Geest zijn in God gelijkwaardig.  En Jezus heeft eveneens gezegd, dat de Vader is méér dan Hij, nadat Hij de verlamde genezen had en hem eveneens zijn zonden vergeven had. De Farizeeën vielen Hem hier op aan, want alleen God kan immers zonden vergeven. “    Hierom dan trachtten de Joden Hem des te meer te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar ook God zijn eigen Vader noemde en Zich dus met God gelijksteldeJohn.5: 18. De Vader gaat voorop, De Zoon kan niets doen uit Zichzelf, Hij moet het de Vader zien doen.              Ik zeg u, de Zoon kan niets doen van Zichzelf, of Hij moet het de Vader zien doen; want wat deze doet, dat doet ook de Zoon evenzoJohn.5: 19. De Zoon doet dan ook het Werk van de Vader; daarin zijn ze dus gelijk. De Vader werkt doden op, dat doet de Zoon ook, De Vader doet leven, dat doet de Zoon ook. De Vader heeft het oordeel aan de Zoon gegeven en ontvangt gelijke eer. Heel duidelijk komt dit aan God -gelijk -zijn tot uiting in:      Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in ZichzelfJohn.5: 26. Wij mensen hebben geen leven in onszelf, dat bestaat alleen bij God, Die het Leven geeft en in die zin verkondigt Paulus dat de Zoon Zich aan de Vader zal onderwerpen. “    Want alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat alles onderworpen is, is blijkbaar Hij uitgezonderd, die Hem alles onderworpen heeft. Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de 
Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen1Cor.15: 27,28.
Dit houdt geen onderdanigheid in, maar het betekent dat de Zoon in alle dingen, ook in het eindoordeel, eensgezind zal zijn met God de Vader. Zoals Christus oordeelt, zo oordeelt God. Juist in het oordeel blijkt de éénheid tussen de Vader en de Zoon.  Niet alleen als gezondene doet de Zoon de Wil van de Vader, ook als Rechter. Men dient de teksten over onderworpenheid en gehoorzaamheid van Christus niet uitspelen tegen zijn Goddelijkheid. Juist  in de onderworpenheid van de Zoon aanschouwen wij de volkomen representatie van God.
        Aan het eind van de jongste dag zal openbaar worden dat de Zoon en de Vader één zijn.
Maar staat er niet: ”     Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij heeft gezonden, heeft zelf Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen en spreken moet. En Ik weet, dat Zijn gebod eeuwig leven is. Wat Ik dan spreek, spreek Ik zo als de Vader Mij gezegd heeftJohn.12: 49,50. Ja zeker, maar dat is niet een gebod aan Jezus, maar aan Zijn volgelingen, namelijk het gebod om elkaar lief te hebben. Dat gebod om elkaar lief te hebben geeft Jezus door aan de discipelen: “Een nieuw gebod geef Ik u, dat ge elkaar liefhebtJohn.13: 34.
Bij Zijn Hemelvaart heeft Jezus een andere Trooster [of Voorspraak] beloofd John. 14: 16

      Na Zijn verheerlijking is Christus dan Zelf in de Hemel, maar op aarde is Zijn Geest de Trooster, of Voorspaak. Zoals de Zoon alles doorgeeft van de Vader, zo geeft de Geest alles door van Christus. Jezus spreekt niet uit Zichzelf, maar vanuit de Vader, zo spreekt de Geest niet uit Zichzelf, maar  vanuit Christus. “    doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigenJohn.16: 13
De Geest zal dus evenmin niet uit Zichzelf spreken, maar Hij zal Christus verheerlijken en Hij zal het nemen uit hetgeen Christus overeenkomstig de Vader heeft verkondigt. De relatie tussen de Geest en

De Goddelijke zegen, van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

Jezus is dus als de relatie tussen de Zoon en de Vader. De Zoon is de volledige aanwezigheid van de Vader en de Geest de volledige tegenwoordigheid van de Zoon en daarmee   evenzeer van de Vader. Gods Geest gaat uit van de Vader via de zoon! De oorspronkelijke Kerk formuleert dit zo; -het is de Heilige Geest die uitgaat van de Vader door de Zoon- Het keert zich dus het door de wetenschappers van Karel de Grote uitgedachte filioque [de Geest gaat uit van de Vader en van de Zoon]. In het filioque wordt de Geest gedacht zelfstandig uit te gaan van de Vader, buiten de Zoon om! Een door wetenschappers losgeslagen “wilde” Geest, die geen weet van het Werk van Christus?
De christologie wordt bondig weergegeven in:         Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in 
Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het aan God gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood van het Kruis. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle naam geschonken, opdat in de Naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn en alle tong zou belijden: “Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader!”. Phil.2: 5-11
Dit was oorspronkelijk een vroeg-christelijke hymne:
Christus was in de gestalte van God, maar Hij heeft de gestalte van een mens aangenomen”. In een tijdspanne van nauwelijks 15 jaar is de kern van het Christologisch dogma – dat Christus en God en mens is -, geformuleerd. 
De indruk die Jezus op de mensen heeft gemaakt, moet overweldigend groot zijn geweest. We zingen daarom voorafgaand aan de deelname aan de Heilige Communie:
    Een is heilig, een is Heer: Jezus Christus; tot Heerlijkheid van God de Vader.   Amen”. 
Jezus Christus is Heer! In Christus hebben wij met God te maken!

Christus onderwees ons Zijn volgelingen in het gebed en over de manier waarop wij bidden heeft Hij naast ‘het onze Vader’ geen regels gegeven, wel weten we dat Hij Zich regelmatig in eenzaamheid terugtrok en tot de Vader bad, met Zijn Vader in gesprek was. Over bidden zijn ook geen ‘regels’ te geven; de een bidt nu eenmaal anders dan de ander. Ieder gebruikt zijn eigen taal, zijn/haar eigen woorden. Sommige mensen bidden graag vroeg in de morgen en de mensen, die wij als avond-mensen aanduiden/typeren kunnen zich beter ’s avonds laat concentreren. Je geloofs-beleving en je manier van bidden worden mede bepaald door: je achtergrond; je persoonlijk karakter en de situatie waarin jij je momenteel bevindt.
Het is afhankelijk van hoe je hebt leren bidden; hoe je bent opgegroeid; welke beeld je van God hebt meegekregen. Ga je vertrouwelijk met God om, of met ontzag – dit kan van grote invloed zijn op hoe u nu bidt en hoe je momenteel je Geloof beleeft.
Wat het persoonlijk karakter aangaat wordt het gebed beïnvloed door het feit of je extravert of introvert bent; een gevoels- of een verstandsmens; nuchter, levend in het hier en nu of gericht op de mogelijkheden; ben je gestructureerd en beslist of open en flexibel.

Onderweg, allen vertrekken we van hier naar daar en dat is goed, want het kan niet anders

⁌ Wat je huidige situatie aangaat zijn er ook nogal wat verschillen; een moeder/ vader met kleine kinderen bevindt zich in een geheel andere situatie dan ouderen, die vrijgesteld zijn en meer de tijd aan zichzelf hebben. Ook kan het gebed bepaald worden door datgene wat je onlangs hebt meegemaakt: verdriet, zorgen of juist de vreugde van het moment. Ook maakt het uit waar je jezelf bevindt; in de beslotenheid van een auto op de snelweg of de drukte van een overvolle trein. Het kan best wel moeilijk zijn om in verschillende omstandigheden tot gebed te komen. Wanneer het je voor de wind gaat kun je uit vreugde vol dankbaarheid zijn in plaats van je door de zorgen van de dag te laten beheersen. Soms is het nodig jezelf met de nodige inzet tot gebed te dwingen; bv. door de auto eventjes te parkeren; een ogenblik rust te nemen – dit is niet alleen voor God, maar ook voor jezelf.
⁌ 
De relatie tussen karakter en geloofsbeleving is voor veel mensen nieuw. De ervaring leert dat openlijk bespreken van dit onderwerp ontzettend verhelderend kan zijn. Het werkt tevens ontspannend, omdat de nadruk ligt op een manier van bidden die bij jou past en het besef dat het toegestaan is het op je eigen manier te doen. Mensen mogen hierin onderling verschillen, er zijn mensen, die lezingen van monniken onderweg in hun auto beluisteren, teneinde tot verdieping van hun geloofsleven te komen. Net zo goed als je verschillen ontdekt in je relaties met anderen herken je jouw persoonlijke relatie met God. Het kan ook helpen om de ander meer te aanvaarden in zijn/ haar manier van geloven.
⁌ 
Bidden is een weg, die jij gaat en de manier waarop jij je weg gaat blijft persoonlijk en vraagt om creativiteit. Christus maakt ons in de lezing van vandaag duidelijk, dat wij niets to stand kunnen brengen wanneer we dit niet in gebed doen. Wij zijn christenen, volgelingen van Christus en kunnen door ons – in gebed- ten opzichte van God ondergeschikt op te stellen, al datgene wat wij doen in Zijn handen leggen. Inderdaad kunnen wij niets uitvaren/klaarspelen zonder Gods zegen; en er is niets op tegen als ook maar iemand te weten komt, hoe jij jouw leven als Christen invult. Christus vervolgt met Zijn volgelingen Zijn weg en verkondigt dat Hij zal worden overgeleverd en Zijn Kruis zal gaan dragen. Hij roept ook ons op Hem te volgen, door Zijn Blijde Boodschap te volgen ons Kruis op te nemen door onszelf in Liefde en medemenselijkheid aan de wereld op te offeren en ons leven in Zijn handen te leggen.
We zijn immers door onze doop in Christus’ dood met Hem begraven teneinde, zoals Hij door de Macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden. conf Rom.6: 4.

bidden en vasten zijn niet populair.

Vasten gaat samen met bidden; bidden is al niet populair – het in onze tijd houden aan het vasten in geestelijke zin is al helemaal moeilijk. Het is nu eenmaal zo dat je mensen gemakkelijker warm laat lopen voor een feestje, waarbij lekker eten geserveerd wordt; dat is ook bij orthodoxen niet vreemd. Op de uitnodiging van een hooggeplaatste gaan we massaal in – of daar geestelijke lering uit getrokken wordt dien je maar af te wachten.  “Er zijn er veel die wel met Hem aan tafel willen zitten, maar er zijn er weinig die samen met Hem willen vasten. Iedereen wil wel blij zijn samen met Jezus; weinig mensen willen moeilijkheden doorstaan voor Hem” uit: “in Navolging van Christus“.
Misschien kent u ook het volgende verhaal:
Rabbi Levi Jitschak komt op een vastendag bij een rijk man die als vrek bekend staat en heel bescheiden leeft. Maar uitgerekend op de vastendag treft de rabbi hem aan achter een gebraden haan! De vrek verdedigt zich: ‘Rabbi, u weet dat ik het hele jaar door alleen maar droog brood eet, omdat ik altijd zoveel plezier beleef aan het besparen van geld. Als ik nu ook op deze vastendag niet zou eten, dan zou ik daaraan veel genoegen beleven. Maar dat gaat duidelijk in tegen de bedoeling van het gebod tot vasten. Daarom heb ik de gewoonte het er op vastendagen flink van te nemen!’ Waarop rabbi Levi met een glimlach vraagt: ‘Als dat zo is, waarom neemt u dan niet ook nog een goed glas wijn?’ De rijke man antwoordt: ‘Maar rabbi, moet ik mijzelf dan gaan martelen? Als ik ook nog een glas wijn neem, dan zit ik binnen de kortste keren aan de grond’“.

iedere trede van de trap omhoog en beetje méér heilig[=heel]

➥ Vasten houdt in dat je jezelf van iets onthoudt. Niet als doel op zich, maar met een hoger doel: je wilt tijd inruimen om de Heer te ontmoeten, om wat meer geestelijk voer te lezen, om stil te zijn, om te bidden. Door iets te laten staan zet je een streep onder je gebeden; je laat zien dat het je ernst is. Je onthoudt je van iets waardoor je leeg wordt en je van iets nieuws vervuld kunt raken.
Je onthoudt je ergens van; in het geval van de vrek: zichzelf onthouden van overmatige zuinigheid. Zal dit in ons geval anders zijn? Vasten is nooit een doel op zichzelf; het is het aanpassen van je levensstijl. Vasten doe je om een hoger doel: om intensiever dan anders op zoek te gaan naar God; om intensiever dan anders te bidden. In een periode van vasten is het tevens mogelijk dat je dusdanig met jezelf geconfronteerd wordt, dat je het roer radicaal zult moeten omgooien er wordt je immers een spiegel voorgehouden. Door onoplettendheid
in de snelheid waaraan het leven aan ons voorbij trekt, kunnen beslissingen noodzakelijk zijn om de verantwoordelijkheden, die jij op je weg krijgt, anders te gaan invullen.Je dient je oude mens af te leggen, maar je kunt iets niet afleggen waarvan je eerst niet erkend hebt dat het er is; je dient je er mee te verbinden. De manier waarop we steeds proberen de oude weg af te leggen, is door weg te maken wat er is. Ik kom m’n oude natuur tegen en ik wil niet dat die er is. Dus ga ik me een periode erg op God richten en ga er bij weg. God heeft echter geen manier van uitsluiten, maar een manier van insluiten; God slaat Zijn armen om ons heen met alles wat er is.; ook om mijn oude mens heen. God houdt van je en wil dat je de verantwoordelijkheden, die je draagt -gezond en wel- kunt voort-zetten en daartoe ga je samen met Hem op pad, wat de mensen er ook van zullen vinden. Op deze wijze kan een periode van vasten als vernieuwend en leven- scheppend worden ervaren. God is immers tolerant, pluraal en divers en laat zich niet binden aan kleinmenslijkheden.

Apolytikion     tn 8
De stroom van uw tranen heeft de onvruchtbare woestijn doen bloeien,
en door uw zuchten uit de diepte
heeft uw arbeid honderdvoudig vrucht gedragen.
Zo zijt gij, onze heilige Vader Johannes, een ster geworden,
die heel de wereld verlicht door Uw wonderen.
Bid tot Christus onze God, om onze zielen te redden“.

Kondakion     tn4
Op de bergtop van onthouding
heeft de Heer U geplaatst
als de waarachtige ster die niet tot dwaling verleidt,
en die straalt tot aan de einden der aarde,
wegwijzer, Vader Johannes“.

Orthodoxie & de confrontatie met onszelf [1]

Heer, ik ben tot U gevlucht: leer mij Uw wil te doen, want Gij zijt mijn God. Want bij U is de bron van het leven, en in Uw licht zien wij het licht; strek Uw Barmhartigheid uit over Wie U kennen”.  uit: Grote Doxologie, Horologion vert. ROK, ’s-Gravenhage blz. 176

Vrouw giet myronolie over de voeten van Christus

        Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water voor mijn voeten hebt gij Mij niet gegeven maar zij heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haren afgedroogd. Een kus hebt gij Mij niet gegeven, maar zij heeft, van dat Ik binnengekomen ben, niet opgehouden mijn voeten te kussen. Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft met mirre mijn voeten gezalfd. Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde”. Luc.7: 44-47
De grote Onschuldige trekt niet alleen de onschuld aan, maar óók de schuld verdwijnt. De schuld verdwijnt voor de verblindende Glans, het Licht van De Goddelijke reinheid van onze Heer en Verlosser. Met dat Licht-stralend beeld vergelijkt de zondares haar door zeven duivelen aan zonde geketende ziel; ze houdt het niet meer uit. Zij ligt aan de voeten van Christus en herwint haar verloren onschuld door een Liefde, Die haar alles vergeeft.

 

Christus komt Zijn Belofte altijd na – al gaat er een geruime tijd overheen, Hij zal mensen en geestelijke schepsels gebruiken om jouw levensweg te voltooien

Paulus had het ook niet gemakkelijk en zei:      Wat doet het ertoe? In elk geval, hetzij met een nevenoogmerk, hetzij in oprechtheid, wordt Christus verkondigd; en daar verblijd ik mij in, en zal ik mij ook [blijven] verblijden. Want ik weet, dat dit mij tot behoud zal strekken door uw gebed en de Geestelijke Bijstand van Jezus Christus, naar mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nu Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. Want het leven is mij Christus en het sterven gewin”. Phil.1: 18-21
Paulus is een mens die zijn bestaan volledig laat kleuren door zijn Opgestane Heer. Heel kort en direct zegt hij: ‘Voor mij is leven: Christus!’
       Daarin klinken woorden van Jezus Zelf door. Zegt Christus niet: ‘Ik ben het Leven’. Dat is iets om diep tot je door te laten dringen. Want regelmatig zoeken we het leven ergens anders: in onze gezondheid, in ons werk, in onze relaties, in onze hobby’s; maar dan missen we ons doel. Waarachtig leven ontstaat waar Christus je leven is, je Heer en Meester is. En sterven is dan inderdaad: nog méér Liefde van Christus te ontvangen, zelfs al heb je het idee er af-en-toe aan onderdoor te gaan.
En Christus Zelf zegt hierover in alle menselijke eenvoud: “     Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren”. Matth.11: 27

Wanneer wij iets van God verwachten – vergeving, rust, kracht, liefde, zin, inzicht, wijsheid, hoop en wat je ook maar bedenken kunt – dan is dat alleen via onze Heer en Verlosser Jezus Christus te bereiken. Dat is de Waarheid die ligt opgeslagen in die eenvoudige woorden dat alles door de Vader is toevertrouwd aan zijn Zoon. Ook het kennen van de Vader loopt via de Zoon: Jezus zal de Vader openbaren aan wie Hij wil, aan wie Hij roept om Hem te kennen. Ik hoop dat dat echt tot je doordringt: alles van God vinden we in Jezus. Zoek daarom Jezus, en vind de Vader, de God die alles geeft wat je nodig hebt.
Want God heeft ons gemaakt tot wat wij nu zijn: in Christus Jezus zijn wij geroepen om ons kruis op te nemen en de weg te gaan van de goede daden die God mogelijk heeft gemaakt. “      Want door Genade zijt jullie behouden, door het Geloof, en dat niet uit uzelf: het is een [Genade]gave van God; niet uit werken, opdat niemand zal roemen. Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen”. Eph.2: 8-10

Wanneer ik dan tegenkom ‘goede daden’ te doen, weet ik bij voorbaat dat dat inspanning zal kosten – anders is het een minachtende te lage beloning voor datgene wat God mij geschonken heeft. Maar heb nu niet het idee dat je op eigen kracht ‘goede daden’ kunt verrichten. Je bent immers in verbondenheid met Christus geworden tot wie je geworden bent – je bent op de wereld gezet om op Hem te gelijken en in Zijn voetsporen je weg te vervolgen. En de goede daden liggen allang voor mij klaar; Christus zegt niet voor niets “ de armen/behoeftigen zijn altijd met Mij”. En daarom liggen die goede daden voor het opscheppen! God heeft ze al gemaakt, het enige wat ik behoef te doen is attent/oplettend te zijn : in verbondenheid met Christus te blijven en vol verwachting uitkijken naar wat God nu weer gaat doen. Goede daden zijn geen opgaven, maar openen mogelijkheden, rechtstreeks vanuit de Hemel. “Hij die in oprechtheid zijn weg gaat, kan vol vertrouwen z’n weg vervolgen, maar degene, die wie zijn wegen verdraait bekend zal doorzien wordenSpr.10: 9

De apostel Paulus blijkt door de Heilige Geest [door Openbaring] in staat te zijn geweest inzicht te verkrijgen in het Mysterie van Christus [Eph.3: 3-5]. Inzicht in de Blijde Boodschap verkrijgen wij door de Persoon van Jezus Christus, onze God als Heer en Meester van ons leven te aanvaarden.
Laten we de Opgestane Heer volgen door met de Kerk [Zijn Lichaam] onze weg te vervolgen; laten wij Hem onze smeekbede horen wanneer wij Hem uit de diepte van ons hart aanroepen als onze heer en Meester, van Wie wij redding verwachten. Het leven is immers een “pelgrimstocht“, omdat het niet stil staat; wij worden als kinderen -langs God- door de tijd gedragen.
Onze Heer en Meester van ons leven houdt Zich namelijk tijdens deze tijdelijke reis onophoudelijk met ons bezig en ziet toe op de manier ‘waarop’ we zijn tijd invullen. Door Zijn Genadegave, hopen we oprecht Zijn weg te gaan; we worstelen niet ontvankelijk te zijn voor bederf, het onbehoorlijk gedrag. Dat is waar onze Heer en Zaligmaker op let.
Om niet ontvankelijk te zijn voor de valkuilen van de tegenstrever, dienen we ons te richten op Christus, welke in ons hart [in onze Tempel] verblijft en ons roept.  Hij brengt ons leven tot één geheel, thuis, op het werk, in de Kerk, en in al de ontmoetingen met onze naasten. Een waarachtig christen, is een-op-een met zichzelf vanwege zijn relatie met Christus, onze God.
Mensen, die zich met Christus verbonden weten, zijn in alles wat zij in hun leven doen en laten – ook de pijn, die zij verdragen; de vernedering, die zij incasseren, de afwijzing van mensen, alsmede het verlies en de dood – met Christus verbonden en aanvaarden dit alles steeds in dezelfde gemoedstoestand – als zijnde vanzelfsprekend van boven.

De tweede helft van vers 9 van spreuken 10 loopt parallel met het eerste deel, maar dan andersom. Letterlijk, betekent dit dat als onze weg de verkeerde kant op gaat, dit vroeg of laat wel bekend zal worden; niet alleen voor de anderen, maar ook voor onszelf. We hebben niet veel contact met iemand nodig om te onderscheiden of hij/zij een goddelijke integriteit bezit. Ons innerlijk leven, onze verhouding tot onszelf en God, manifesteert zich onvermijdelijk ten opzichte van anderen. Dit geldt zowel voor degenen die de weg van Christus bewandelen, als voor degenen die zich van Hem hebben afgekeerd. En het rare is dat terwijl iedereen in de omgeving van de gevallene dit opmerkt, zwijgt en terwijl de gevallene z’n weg voortzet wordt hem/haar  vroeg-of-laat – de ogen geopend.
We kunnen wel smeken een evenbeeld van wijsheid te worden, zoals in het boek spreuken wordt aangegeven. Maar Wijsheid wordt ons veelal door ondervinding gegeven en vindt z’n grondslag in de Heilige Geest .Onze Heer en Verlosser zegt namelijk voorafgaand aan Zijn Hemelvaart:
        Doch Ik zeg u de Waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden. En als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel; van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; van gerechtigheid, omdat Ik heenga tot de Vader en gij Mij niet langer ziet; van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is”.
John.16: 7-11
De Geest van Christus openbaart Christus voor ons!

Christus aan het Kruis, Albert Servaes, 1923, [houtskool op papier, Museum voor Religieuze Kunst]

Wanneer we in de lezingen door de vastenweek volgen, zien we hoe het opgaan in de van God gegeven teksten elk facet van het dagelijks leven beïnvloedt. Bijvoorbeeld, wanneer een kind volwassen wordt en samen met God oploopt, dan verheugen z’n ouders zich daarover. Hetzelfde kan niet gezegd worden van godvrezende ouders die een kind zien, die afwijkt van de waarheid [conf. Spr.8: 1]. Diepe pijn bedroeft het hart van elke ouder die vaststelt dat zijn of haar kinderen afdwalen; zo niet dat mankeert er eveneens iets aan hen. Het doet er verder ook niet toe of iemand rijkdom, status of invloed heeft weten te bereiken; aardse schatten [alleen] zullen ons echt geen voldoening schenken [conf. Spr.8: 2]Een rechtvaardige zet zich in de relatie met God centraal te stellen; beschouwt zichzelf als geestelijk dood en aanvaardt de vreugde, die God Hem in zijn leven schenkt.
In menselijke aangelegenheden kun je God als het ware beschouwen als de onzichtbare en belangrijkste acteur, Die degenen voedt, die Hem liefhebben en het beleid van degenen, die dat niet doen omver zal doen werpen [conf. Spr.8: 6-7]. Een persoon, die zich ècht en waarachtig inzet, zal uiteindelijk tot bloei komen, en neemt Gods aanwijzingen aan [conf. Spr.8: 8-9].
Hij heeft de neiging zich onophoudelijk dusdanig in te zetten, dat anderen zich kunnen verbeteren en voordeel kunnen trekken van zijn inspanningen [conf. Spr.8: 4].

Hieromonnik Seraphim ontvangt Epigonation 19 mrt. 2017

Persoonlijke relaties zijn gezegend voor degenen die ‘integer’ zijn [conf. Spr.8: 10-12]. Degenen, die zich door hun daden openbaren zijn rechtstreeks, op de man af en zonder bedrog: zij zetten zich ongebonden/ zonder aanzien des persoons in om anderen te verbeteren en hun woord en geschrift is eenvoudig [conf. Spr.8: 13-21].
Zij laten je niet vallen wanneer je je eigen weg gaat, je niet meer met hen verbonden weet en hen niet langer terwille kunt of wil zijn; een ieder gaat zijns weegs en je bidt en hoopt dat de ander er het beste van maakt.
    Hoor, Israël [Kerk]: de Heer is onze God; de Heer is één!  Jullie zullen de Heer, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. Wat ik jullie heden gebied, zal in uw hart zijn, jullie zullen het je kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer jullie thuis zitten, wanneer jullie onderweg zijn, wanneer jullie gaan slapen en wanneer jullie opstaanDeut 6: 4-7.
Bidt daarom tot God om ons onze zonden te vergeven indien wij hiervan afwijken, in oprechtheid en vertrouwen op Hem het herstel van onze Genadegave en Zijn Wil in alle omstandigheden te volbrengen.
En God vindt jou dan, zoals jij bent ‘goed’, met een agenda overvol verantwoordelijkheden gevuld. Al zal dat laatste even wennen voor de anderen, die anders van jou verwacht hebben, maar daar gaat het helemaal niet om.
God laat jou invulling geven aan de dingen, die Hij je laat ontmoeten en als je dat goed doet, zul je ook bij Hem goed ontmoeten.

Orthodoxie & de confrontatie met onszelf [2]

Rembrandt Harmenszn van Rhijn, zelfportret

Rembrandt Harmenszn van Rhijn [1606-1669] verbeeldde als geen ander de recente geest van de Gouden Eeuw. Hij schilderde dan wel niet de snelle ontwikkeling van de stad Amsterdam, maar hij liet wel zien dat het innerlijk leven het fundament was van de nieuwe tijd – die tot in onze tijd wordt voortgezet. Rembrandt’s grootsheid geeft blijk van een verheven menselijke geest. Amsterdam was in die tijd al -net als nu- een van de meest vrijzinnige steden ter wereld. Rembrandts roem als kunstenaar had te maken met technische virtuositeit en een inventieve, theatrale benadering. Hij was een meesterlijke realist. Maar wat zijn tijdgenoten echt raakte en zelfs versteld deed staan, was dat hij degenen die hij schilderde binnenstebuiten leek te keren. Hij schilderde ze niet gewoon zoals ze eruit zagen, hij schilderde hen zoals ze waren.

Oude man [1651] – Rembrandt Harmenszn van Rhijn

Al de mensen, die hij geschilderd heeft, zijn al eeuwen dood en begraven en geen van allen hebben ze in de geschiedenis een blijvende indruk achtergelaten en toch bestaan ze. Ze leven voort op schildersdoek in het Rijksmuseum, het Metropolitan Museum in New York, Buckingham Palace in Londen en de Hermitage in St. Petersburg. Al die mensen die je aankijken wanneer je in een van die musea staat, hebben een verleden en een heden. Het was de tijd van de opkomst van het individu, met een zelfbewustzijn, de vrijheid om te handelen en het zich ontplooien; of het nu om geld verdienen ging, boven de mensheid uit te stijgen door een carrière na te streven en daarmee beroemd te worden of in de eenvoud van de eenvoudige werkman, de huisvrouw, waar de Liefde van afstraalt. Het lijkt ons onmogelijk voor de schilder -zijn of haar identiteit te veranderen- maar Rembrandt geeft ze weer zoals ze zijn.

Evangelist Mattheüs met engel, 1661

Er bestaat zoiets als een innerlijke rechtvaardigheid, die boven die van de wereld uitgaat. wanneer  iemand die innerlijke wet niet in acht neemt, is het omdat hij op dat ogenblik in een roes verkeert: zijn ogen en oren zijn gesloten, zodat hij in werkelijkheid de levenswet niet kent. Maar die roes houdt niet aan; er zal immers een dag komen, dat ogen en oren opengaan en het is jammer, wanneer dit pas in een laat stadium of zelfs te laat plaats vindt. Het is immers beter dat ogen en oren geopend worden wanneer je tegoeden hebt opgebouwd,, want het zal heel moeilijk zijn, wanneer dat pas plaatsvindt wanneer je al je tegoed verspeeld hebt, platzak bent.
Sommige mensen zijn we verplicht te ontzien, anderen zijn we respect verschuldigd, weer anderen verdraagzaamheid; de een dienen we te gehoorzamen, de anderen bij te staan en weer anderen te vergeven. Op de één of andere wijze zijn we bij ieder contact, ieder verband wel iets verschuldigd en vóór we aan een nieuwe onderneming beginnen dienen we te weten, dat we onze schulden uit het verleden te hebben afbetaald. We dienen er zeker van zijn, dat we dit ten volle hebben gedaan, zodat er niets meer te vergoeden is achtergebleven. Ook is het nodig dat we er ons er rekenschap van geven vóór we onze overgang naar het Hemelrijk gaan ondernemen, dat we onze plichten hebben vervuld; onze plicht tegenover God en onze naasten. Hij, die zijn plicht tegenover de mensen om hem heen als Heilig beschouwt, doet zijn plicht eveneens tegenover God.
    De weg des Heren is een beschutting voor de oprechten, maar onheil voor de bedrijvers van ongerechtigheid. De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet wankelen, maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen. De mond van de rechtvaardige brengt wijsheid voort, maar de valse tong wordt verdelgd. De lippen van de rechtvaardige weten wat welgevallig is, maar de mond der goddelozen is enkel valsheid ”. Spr.10: 29-32

Weergave van Christus door Rembrandt Harmenszn van Rhijn

Het boek spreuken laat ons kennismaken met een reeks van tegenstellingen, die de diversiteit van de mens in hun doen en laten laat zien; het is als het ware zoals de schrijver, de schilder [als Rembrandt] in zijn gedragingen volgt; de rechtvaardigen ten opzichte van de goddelozen, nederigheid versus arrogantie; onschuld tegenover wangedrag, onderscheidingsvermogen tegenover gebrek aan inzicht. We worden door deze parallellen geleid, de toestand van ons eigen hart en ziel te overwegen – het verborgen, innerlijke leven van ieder mens. Christus, onze Heer en Meester zegt: “      Hoe kunt gij, die slecht zijt, iets goeds zeggen? Want uit de overvloed des harten spreekt de mond. Een goed mens brengt uit zijn goede schat goede dingen voort, en een slecht mens uit zijn boze schat boze dingen. Maar Ik zeg u: Van elk ijdel woord, dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag van het Oordeel, want naar uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en naar uw woorden zult gij veroordeeld worden”. Matth. 12: 34-37

Jacobus [de oudere] van Zebedeus door Rembrandt Harmensz. van Rhijn, 1661

En de broeder des Heren verdiept de kwestie verder met een bittere waarheid weten we maar al te goed: “      Zo is ook de tong een klein lid en voert toch een hoge toon. Zie, hoe weinig vuur een groot bos in brand steekt. Ook de tong is een vuur, zij is de wereld der ongerechtigheid; de tong neemt haar plaats in onder onze leden, als iets, dat het gehele lichaam bezoedelt en het rad der geboorte in vlam zet, terwijl zij zelf in vlam gezet wordt door de hel. Want alle soorten van wilde dieren en vogels, van kruipende dieren en zeedieren worden bedwongen en zijn bedwongen door de menselijke natuur, maar de tong kan geen mens bedwingen. Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn. Met haar loven wij de Heer en Vader en met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Gods geschapen zijn: uit dezelfde mond komt zegening en vervloeking voort. Dit moet, mijn broeders, niet zo zijn. Doet soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen?”. Jac.3: 5-11
Jacobus [de Heilige bedienaar, James] is juist in zijn beoordeling van onze neiging om God het ene moment te zegenen en vervloeken we onze buurman de volgende. Amper ben ik aan het huilen over het kwaad of ik verhef mijn stem in toewijding aan de Heer, terwijl ik mezelf het volgende ogenblik minachtend snauwen naar anderen aantref. “Want ik erken mijn ongerechtigheid, mijn zonde staat bestendig voor mij”. Psalm 50: 4
Wie zal ons verlossen van de verraderlijke vijand, die ons  binnenste belaagt? Wat zal ons verlangen vervullen om te worden als “ in deze generatie rechtvaardig te worden bevonden voor God’s aangezicht?conf. Gen.7: 1

Oppervlakkig bezien lijkt het erop dat we gewoon onze keuze dienen te maken om rechtvaardig te handelen – om alleen maar goede dingen te spreken. Wanneer we onze uitspraak en daden trachten te controleren en er altijd voor kiezen om te zegenen, zullen we daar zeker enige genade en wijsheid uit ons hart uit doen voortkomen. Maar ofschoon dit is niet zo moeilijk lijkt, vinden er toch maar dat het ons met het onmogelijke opzadelt! Hoewel we onderkennen dat er wellicht enkele voordelen aan deze directe en rationele benadering valt te onttrekken, vervallen we in onze jarenlange dagelijkse gewoonten en missen ondanks onze beste bedoelingen de controle over onszelf. Het boek spreuken houdt ons geduldig de tragische afloop voor ogen: “De valse tong wordt volkomen verdelgt/vernietigtSpr.10: 32 en ” de trouwelozen [goddelozen] worden door hun begeerlijkheid gevangen”. Spr.11: 6  Bedrog is een gruwel voor God Spr.11: 1, en “de wetteloze
goddeloze komt door zijn goddeloosheid ten val
Spr.11: 5 Sterker nog, we kunnen onmogelijk ontsnappen aan de gevolgen, die voortvloeien uit onze boze daden en woorden.

Ontmoeting in Emmaüs, ‘het hart’ van Rembrandt Harmenszn van Rhijn

Een andere belemmering, die ons in de weg staat en ons beperkt in onze directe pogingen om goed te doen: we kunnen -voor een periode- nog zo ijverig, nauw-gezet en rechtvaardig zijn, maar vervolgens ontpoppen we ons tot huichelaars. Eigenlijk ontstaan er twee problemen ​​wanneer we resoluut en voor -eens en altijd- vaststellen goed te gaan doen.
1.]. Ten eerste hebben we de neiging om te vertrouwen op onze eigen wil, waardoor God geen deel krijgt aan onze inspanningen, behalve dan om ons te belonen wanneer we datgene doen of zeggen wat goed is; zoals de Tollenaar en de Farizeeër
2.].Ten tweede, kunnen we het wel proberen en in onszelf -in de diepte en verborgenheid van het hart- afstand nemen van de zonde, maar onze hoogmoed [trots] en slechtheid is achter een rechtvaardige façade verborgen. Helaas, de gelijkenis van de tollenaar en de Farizeeën laat ons het eigenbelang zien waaraan geen mens valt te ontkomen, want er blijft er maar Éen in alle tijden en over de gehele wereld, Die hieraan is ontkomen en dat is onze Heer en Verlosser, Jezus Christus! conf. Luc.18: 10-14

Moeten we dan wanhopen? In geen geval! De Servische Heilige Nikolai [Velimirovich] van Ochrid en Zicha [1880-1956] schrijft dat “ Dat de Goddelijke Liefde tot ons is gekomen om het hart van de mens te verlichten, Hij datgene bezat waar het ons aan ontbreekt . . . . . Wijsheid en Macht;  Zuiverheid en Mededogen; Gerechtigheid, Moed en uithoudingsvermogen; Hij doorzag alles en behield in Zichzelf de rust, vreugde en elke goedheid”;
Gods Liefde een niet aflatende bron om Genade te verkrijgen en de lippen te zuiveren; om ons aan Zijn Wijsheid te goed te doen”.
Deze grote heilige van onze tijd vervolgt: “De gehele geschiedenis van de Kerk bevestigt dit. Door de verlichting van Christus’ Liefde, hebben dwazen zich ontwikkeld tot wiizen, zijn lafaards verworden tot martelaren, zijn verstrooiden heiligen geworden, vrekken – weldoeners, koningen en rijke mensen slaven van Christus, wolven lammeren en lammeren tot leeuwen”.
– Geschreven aan het meer van Ohrid 1921-1922

    Neen, als gij werkelijk uw handel en wandel wilt verbeteren, wanneer gij werkelijk onder elkander recht doet, vreemdeling, wees en weduwe niet verdrukt, geen onschuldig bloed vergiet op deze plaats en andere goden -u tot onheil- niet achternaloopt, dan wil Ik u op deze plaats, in het land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb, laten wonen van eeuw tot eeuw. Zie, gij stelt – zonder elk voordeel- uw vertrouwen op bedrieglijke woorden. Daarentegen, stelen jullie, slaat elkander dood, verbreekt uw huwelijk, pleegt meineed, ontsteekt offers voor de Baäl en loopt andere goden achterna, die gij niet gekend hebt. En dan komt gij voor mijn aangezicht staan in dit huis, waarover mijn Naam is uitgeroepen, en zegt: Wij zijn goed verzorgt voor de toekomst! terwijl jullie uiteindelijk al deze gruwelen bedrijven?”.
Jer.7: 5-10

Landschap met de Barmhartige Samaritaan, Rembrandt Harmenszn. van Rhijn

Wie is Het die door alle sterren en hemellichamen op mij alle schepselen op aarde neerkijkt? Bedek je ogen, sterren en wezens; kijk niet neer op mijn naaktheid. Het kwelt me al jammerlijk​​genoeg met mijn eigen ogen. Wat is er voor U om te zien? Een boom in leven, die is teruggebracht tot een doorn op de weg, dat zichzelf en anderen slechts prikt. Wat anders, behalve een hemelse vlam, die is ondergedompeld in de modder, een vlam die geen licht meer geeft, noch uitgaat?  Akkerlieden, zijn het niet uw ploegen [in plaats van geweren] die van waarde zijn, of is het de Heer die de tijd beheerst. Zangers, betreft het uw zang die van waarde is, of is het de Heer, Die naar u luistert. Slapenden, is het jullie slapen, die niet jullie doet opbloeien of is het de Heer, Die jullie toch maar weer doet opstaan en wekt. Zijn het niet de overvloedige bronnen van water, die zich rond het meer bevinden, niet belangrijker dan het meer zelf?
       Wat is alle menselijke tijd, slecht een golf die de brandende zand aan de kust bevochtigt en zich vervolgens bij het meer betreurt, omdat het als druppel is opgedroogd?
O sterren en wezens, kijk niet naar mij met je ogen, maar richt ze op de Heer. Hij alleen ziet, kijk alleen naar Hem en je zult jezelf in je vaderhuis, bij je oorsprong thuis voelen. Wat zie je mens, wanneer je naar me kijkt? Een foto van uw verbanning? Een spiegel van je vluchtige vergankelijkheid?
O Heer, mijn mooie [bruids-]sluier, die met gouden serafijnen is geborduurd, is als een sluier over het gezicht van een weduwe over mijn gezicht geplooid en is doordrenkt van mijn tranen, waarin het verdriet van al Uw schepselen hoorbaar bruist.
       O Heer, mijn Schoonheid, kom en bezoek mij, want ik schaam me voor mijn naaktheid -opdat de vele dorstige blikken die op mij terug vallen-  vanwege het [vader-]huis waar zij naar verlangen”.
H. Nicolai [Velimirovich] uit “gebeden aan het meer”.

Orthodoxie & geestelijke ontwikkeling [1]

kloostertoren Athos

De kunst van het inrichten van een religieus leven vindt z’n fundament in het leggen van de menselijke relatie met het Goddelijke, de Goddelijke Wijsheid of de Heilige Geest. Het woord religie is ontleend aan het latijnse woord religare [religere = vastklampen, versmelten]   of het Griekse [θρώσκω (throsko) = opstijgen], het geeft in ieder geval het relationele karakter weer van de religie; tussen God en de mens.  Andere karakter-eigenschappen, welke met religie verbonden zijn, betreffen de bovennatuurlijke relatie met het natuurlijke, het ware, het schone en goede; de intuïtieve relatie tussen het stoffelijke en het geestelijke; het fysiek [lichamelijke] en het psychisch [geestelijk] vermogen, het persoonlijk en sociaal maatschappelijk gedrag.

Voor de grondslag van de religie zijn twee voorwaarden vereist: het goddelijke en de [klein-]menselijke. Waar bij religie absoluut sprake van dient te zijn – blijkt uit het feit dat de mens zich vrijwillige overgeeft en zich laat beïnvloeden door een positieve omgang met het Goddelijke en uit zijn/haar godsdienstig gevoeligheid [sensibiliteit] het beste tracht te halen; waar het dus om draait is dat de mens zich in een gemeenschap thuis voelt en zich ongedwongen kan voortbewegen op zijn/haar geestelijke weg.
Onderontwikkeling op het gebied van religie is het gevolg van interne factoren zoals slecht bestuur, traditionele voorkeuren en cultuur. Ontwikkeling volgt automatisch op de ontmanteling van deze traditionele structuren en het volgt een bepaald schematisch model. Ook religie is onderhevig aan evolutie, hetgeen blijkt uit de Joods- christelijke cultuur waarin wij leven, welke door de Goddelijke Wijsheid, de Heilige Geest geleid wordt.
Hoewel Christus als de God-menselijke leermeester reeds aan Zijn eerste volgelingen, de apostelen heeft voorgehouden dat er bij God geen onderscheid des persoons bestaat en ieder voor God een gelijke positie inneemt; wordt de onderontwikkeling van een overgroot gedeelte van Zijn Lichaam [de kerk] veroorzaakt door ongelijke macht’s-verhoudingen. Onderontwikkeling is een gevolg van het verkrijgen/verlenen van bepaalde gunsten, [religieuze] onderdrukking en een gesloten basisopstelling;

Ontwikkeling vraagt namelijk om een open gesprek op basis van gelijk-waardigheid. Tevens kan de [na de 2e wereldoorlog] snelle demografische groei een rol hebben gespeeld, waarbij de nadruk meer op economische dan op sociaal-religieuze ontwikkeling kwam te liggen. De bestaande religieuze instituties werden -met name in het westen- in de loop van de laatste decennia steeds minder serieus genomen. De politieke ontwikkeling volgde dit proces door een steeds verdere afstand te scheppen tussen kerk en staat. In het onderwijs werd gepropageerd dat waar het om God gaat, er slechts wordt weg-gekeken; hetgeen tot gevolg had dat men tot de ontdekking kwam data men bij ervaren eenzaamheid en kwetsbaarheid niet meer in contact kwam met zichzelf. Het resultaat was een overwaardering van de psychische opvang door de inzet van Psychiatrie en therapeutische kunstgrepen. De hedendaagse mens vindt geen rust meer, niet voor zichzelf, niet voor z’n relaties; niet af en toe en beschouwt dit niet meer als basis van een levenshouding.

Bergrede, juiste relatie met Christus

Daar waar Onze Heer en Verlosser ons uitnodigt aan Zijn voeten te komen zitten en daar tot rust te komen; te leren van de pedagogie, waar onze voorouders op steunden; wordt radicaal afwijzend gereageerd op alles wat maar enigszins met religie te maken heeft. Waar we wel gecharmeerd door raken is datgene wat verafgelegen vreemde culturen ons zouden kunnen aanbieden; onze eigen religieuze evolutie wordt daarmee afgebroken. Indien ik bang ben en eenzaamheid ervaar bestaat er niet meer het lijntje waarmee wij van huis uit gewend waren met het Hogere verbonden te zijn; deze verbondenheid was naast God met onze naasten – hetgeen evenwicht tot gevolg had. De insluitende manier waarbij God zegt, schuil maar bij Mij, mét je angsten, mét je eenzaamheid wordt systematisch om zeep geholpen. Hier viert de vrije markt hoogtij en overheerst er een globalisering met zo min mogelijk beperkingen tot economische groei waardoor massaconsumptie natuur en leefomgeving verontreinigt en ongelijkheid hoogtij viert.

‘Wat is dan de Blijde Boodschap?’

Daar waar ik me met mijzelf mag verbinden en aan God toevertrouwen, behoef ik niet meer hard te werken om een beter [rijker] mens te worden. Wanneer ik mijzelf door God, als liefhebbende Vader laat liefhebben, stel ik me onder Zijn hoede en word ik haarzelf zachter, rustiger en opener van; dan word ik als vanzelf een schoner mens. Wanneer ik weer een tijdje -in de wereld- aan het dolen ben geweest en vervreemd ben geraakt van God, dan komt er een moment dat ik heimwee krijg. Ik mag aandacht hebben voor mijzelf, ik mag met mezelf omgaan zoals God met mij omgaat. En om  frank en vrij te worden, dien ik genadig en liefdevol met mijzelf om te gaan; ik behoef niet hemel en aarde te bewegen om hogerop te klimmen, want God komt naar mij toe. Hij zit op de rand van mijn gevoelsleven [hart] en wacht geduldig, klopt tot ik aan Hem toe ben.
Het is Zijn Genadegave, die mij in beweging brengt; die mij tot het bewustzijn brengt, die mij doet beseffen; het is tijd dat ik zelf op zoek ga naar bezinning en rust. Ja, ik dien de oude mens af te leggen, maar je kunt iets niet afleggen waarvan je niet hebt onderkent dat het er is.
Vroeg of laat confronteert God ons met onszelf – worden wij verzocht, beproefd en wat voor woorden we er niet meer over bedacht hebben; we knallen tegen onszelf op en bemerken dat er iets dient te gebeuren en dan gaan we zoeken.

De Blijde Boodschap is van oudsher en dat is het bijzondere dat ons geleerd wordt; dat God eigenlijk op zoek is naar ons. Omdat God op zoek is naar ons, heeft Hij ons allen een basisverlangen meegegeven, om op zoek te gaan naar Hem. Want als jouw Schepper, houdt Hij van je en trekt je tot Hemzelf. God is op zoek naar jou en wil intens graag dat je Hem leert kennen. Daarom spreekt Hij tot je hart, om Hem te zoeken. Het is alsof God tot je zegt: “Zoek Mij, Ik wil dat je Mij vind!”. Dat is de Pedagogie van onze Heer en Verlosser in zijn gelijkenis van de Verloren Zoon.
      Zoekt de Heer, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze dient zijn weg te verlaten en de ongerechtige mens zijn gedachten en hij dient zich tot de Heer te bekeren, dan zal Hij Zich over hem ontfermen; en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.
Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten. Want zoals de regen en de sneeuw van de hemel  neerdaalt en daarheen niet weerkeert, maar bevochtigt deze eerst de aarde en maakt haar vruchtbaar en doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de zaaier en brood aan de eter.
Evenzo zal Mijn Woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend. Want in Vreugde zult gij uittrekken en in Vrede geleid worden; de bergen en de heuvelen zullen voor u uitbreken in gejuich en alle bomen van het veld zullen in de handen klappen. Voor een doornstruik zal een cypres opschieten, voor een distel zal een mirt opschieten, en het zal de Heer zijn tot een Naam, tot een eeuwig teken dat niet uitgeroeid zal worden”.
Isaiah 55: 6-13

       God Zelf vernedert Zich, wordt mens en wekt Zijn Volk op om Hem te zoeken.  Wat vreemd, toch? Dat ‘zoeken’ dient toch eigenlijk vanzelfsprekend zijn. Hìj is toch onze Schepper? U bent als zijnde goed bevonden uit Zijn hand voortgekomen. Jullie konden Hem dienen; je leefde uit Hem, door Hem, met Hem en tot eer van Hem. Hij heeft ons geschapen om eeuwig voor Hem te leven. Daarop heeft Hij gewoon recht.  Maar het vreselijke gevolg van de diepe hoogmoedige val in het paradijs is de oorzaak dat wij Hem niet langer zoeken. Wij mensen hebben het zelf over ons afgeroepen en zoeken onszelf in plaats van God. Wij zijn gewend geraakt de eer naar onszelf toe te trekken tegenover God en zijn slechts uit op eigen eer en roem. Heel bewust hebben wij de band met onze Schepper doorgesneden.
Wij hebben Hem de nek en rug toegekeerd om vanuit onszelf nooit meer terug te keren. 
Dit is een zeer aangrijpende gedachte!
De diepte van onze geestelijke dood en ons verloren zijn is hierin getekend. Toch heeft God als een eeuwig wonder van Zijn welbehagen, van eeuwigheid een weg van heil uitgedacht en heeft  daardoor ons, die dood waren door de zonde van dood weer tot het Leven terug geroepen.
       God is met de mens een Verbond aangegaan; Hij, Die van eeuwigheid de getrouwe en onveranderlijke Heer van het Verbond is. Die God, Die Mozes is verschenen in de brandende braambos als de “Ik zal zijn, Die Ik zijn zal”. Hij Zelf laat Zich in met diep gevallen kinderen van Adam. Uit en van zichzelf waren wij nooit in staat geweest Hem te gaan zoeken; daartegenover stelt Hij Zijn zoeken tot ons eeuwig behoud; dit gaat van Hem uit. Dit is de eeuwige, eenzijdige Goddelijke Liefde tot de zondaar. Daarom zingen wij als Gods gemeenschap: “in Uw Licht, zullen wij het licht aanschouwen”.
       God zoekt ons, terwijl wij Hem mijden; Hij zit op de rand van ons hart en klopt.
      Heer, Gij zijt mijn God, U zal ik verheffen, uw Naam loven, want Gij hebt wonderen gedaan, raadsbesluiten uit een ver verleden in waarheid en trouw volvoerd. Want Gij hebt de stad tot een steenhoop gemaakt, de versterkte veste tot een bouwval, de burcht van de vreemden tot wat geen stad meer is; in eeuwigheid zal deze niet herbouwd worden. Daarom zal een sterke natie U eren, de veste van gewelddadige volken zal U vrezen; want Gij zijt voor de geringe een Sterkte geweest, een sterkte voor de arme toen hij benauwd was, een schuilplaats tegen de stortbui, een schaduw tegen de hitte. Want het briesen van geweldenaars is als een stortbui tegen een muur, als hitte in een dorre streek. Het rumoer van vreemden onderdrukt Gij; als hitte door de schaduw van een wolk wordt het gezang van de geweldenaars gedempt.
En de Heer der heerscharen zal op deze berg voor alle volken een feestmaal van vette spijzen aanrichten, een feestmaal van belegen wijnen: rijk aan merg, vette spijzen, van gezuiverde, belegen wijnen. En Hij zal op deze berg de sluier vernietigen, die alle natiën omsluiert, en de bedekking, waarmee alle volken bedekt zijn. Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen, en de 
Heer der Heerscharen zal de tranen van alle aangezichten afwissen en de smaad van zijn volk zal Hij van de gehele aarde verwijderen, want de Heer heeft het gesproken. En men zal te dien dage zeggen: Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen; dit is de Heer, op Wie wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft. Want de hand des Heren zal op deze berg rusten, maar Moab zal op zijn plaats neer gestampt worden, zoals stro neer gestampt wordt in het water van een mestkuil. Spreidt het zijn handen daarin uit, zoals een zwemmer ze uitspreidt om te zwemmen, dan zal Hij zijn hoogmoed vernederen ondanks zijn listige handgrepen. Ja, de ontoegankelijke versterking van uw muren zal Hij neerwerpen, vernederen, op de grond doen neerstorten tot in het stof”.
Isaiah 25: 1-12
Christus zit op de rand van ons hart en klopt en het is vreemd wanneer je Zijn aandringen niet beantwoordt, in het geheel niet naar Hem vraagt. Besef echter de ernst van Zijn Woord, het is geen mensenwoord, hetgeen je ongestoord terzijde kunt leggen. Het betreft een Goddelijk scheppend Woord, waarvan je het gewicht dient te onderkennen. Daarom blijft Christus aanhouden en opent de mogelijkheid antwoord te verkrijgen op duizend en een vragen, hetgeen je nog eens versteld zal doen staan. Zou jij Zijn aandringen dan niet beantwoorden en Zijn aanwijzingen in de wind slaan. Buig daarom voor Gods Woord en val ook jij voor Zijn voeten neer. Zoek de Heer waar Hij te vinden is, roep Hem aan en Hij zal je nabij komen; smeek Hem om Genade en de werking van Zijn Heilige Geest. Opdat je Hem leert zoeken met al de kracht, die je bezit. Want degene die Hem vindt, ontmoet het ware Leven en verkrijgt een welgevallen in de Heer. “     Hoort naar de vermaning, dan wordt gij wijs, slaat haar niet in de wind. Welzalig de mens die naar Mij luistert, dag aan dag wacht houdende aan Mijn deuren, bewakende de posten van Mijn poorten. Want wie Mij vindt, heeft het Leven gevonden, hij heeft van de Heer welgevallen verkregen. Maar wie Mij mist, doet zijn leven geweld aan; allen die Mij haten, hebben de dood lief”.
Spr.8: 34-36

Orthodoxie & Geestelijke ontwikkeling [2]

Wie van ons mensen gaat er mee op weg om eerherstel te zoeken; is er dan niemand die dit mist? Iets zoeken is nog wat anders dan iets kwijt zijn. Ik kan mijn beurs met honderd euro kwijt zijn, zonder dat ik het weet. Dan ga ik die ook niet zoeken. Maar als ik in een winkel iets wil betalen en mijn portemonnee niet vind, dan schrik ik. Dan ga ik net als de weduwe terugdenken: Waar ben ik het laatst geweest? Waar kan ik mijn bezit [penninkske] zijn verloren? Of heeft iemand die misschien uit mijn zak gehaald?
Over dat zoeken vanuit een levend, door Gods Geest opgewekt gemis, gaat het hier. Herken je dit; herken je het in je hart en nieren [(νεφρὸς), als plaats van je verlangens/gevoelens] leven? Is de Levende God werkelijkheid voor je; ben je God kwijtgeraakt door dezelfde hoogmoedige diepe val in het paradijs? Mijn zonden veroorzaken scheiding, het heeft iets stuk gemaakt; het heeft me vervreemd van de levende God. De verhouding met Hem is gebroken, door mijn eigen schuld; dat wordt nu met groot verdriet ervaren.  Dat is de droefheid die Gods Geest bewerkt in het hart; het houdt je bezig. Je staat er mee op en je gaat er mee naar bed; het maakt je onrustig. En diep in je ziel ervaar je een hunkering en een verlangen naar de Heer, om Hem opnieuw te kennen en lief te hebben.
Je gaat je weg na en zoekt in datgene wat plaats vond, het blijkt een rusteloos zoeken, net zo lang totdat je Hem weer gevonden hebt en belijdt Hem je schuld, waarop onherroepelijk weer vergeving volgt.

Weet je waarom je de weg naar Hem terug zoekt?; omdat God het is Die je zoekt; Gods Geest maakt je tot een zoekende; net zolang tot je in Hem de oorspronkelijke rust heb teruggevonden. Daarom zegt God bij monde van Isaiah: 
      Te raadplegen was Ik voor hen die naar Mij niet vroegen, te vinden voor hen die Mij niet zochten; Ik zeide tot een volk dat Mijn Naam niet aanriep: ‘Hier ben Ik, hier ben Ik‘. 
De ganse dag breidde Ik mijn armen uit naar een opstandig Volk, dat volgens eigen overleggingen wandelde op een weg, die niet goed is; een volk, dat Mij bestendig openlijk krenkt door te offeren in de hoven en offers te ontsteken op de tichelstenen; die in de graven zitten en op verborgen plaatsen overnachten; die vlees van zwijnen eten en in wier vaatwerk verfoeilijk voedsel is; Die zeggen: ‘Blijf daar, nader mij niet, want ik ben voor u ongenaakbaar. Dezen zijn een rook in mijn neus, een vuur dat de ganse dag brandt’. Zie, het staat voor Mij geschreven, Ik zal niet zwijgen, voordat Ik het vergolden heb; ja, Ik zal hun de vergelding in de schoot werpen. Voor jullie ongerechtigheden en de ongerechtigheden van jullie vaderen tezamen, zegt de Heer; omdat zij offers hebben ontstoken op de bergen, en op de heuvels Mij hebben gehoond, daarom zal Ik hun allereerst het loon in hun schoot toemeten.
Zo zegt de Heer: Zoals men, wanneer er nog sap in een druiventros gevonden wordt, zegt: Verderf hem niet, want er ligt een zegen in; zo zal Ik doen ter wille van Mijn dienaren/knechten, dat Ik niet alles zal verderven”. Isaiah 65:1-8
Dit zoeken is Vrucht van de eenzijdige Genadegaven, slechts het werk van God; het is het resultaat, ja, de Vrucht van Zijn zoeken. Door de Kracht van Zijn Liefde worden wij als de bruid uit het Hooglied tot Hem getrokken: “Ik zocht des nachts op mijn leger Hem Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide: Ik zal nu opstaan en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. De wachters die in de stad omgingen, vonden mij; ik zeide: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft? Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene die mij gebaard heeft”.  Hooglied 3:1-4

MP3 : “Ας προσευχή μου να οριστεί πριν Εσείς, ως θυμίαμα” – ” Laat mijn gebed opstijgen, als wierook voor Uw Aangezicht“, Psalm 140[141]

monnikenkoor Athos

Hier ontmoet je zulke zoekers; zijn we dan zo timide/verlegen om Gods Genadegaven, Zijn liefde en gezegende feestelijke grote intocht? Nee, dan kun je niet langer lijdelijk toezien; je wordt heilig actief; je gaat ijverig op zoek in je hart. Je gaat niet alleen zoeken, maar ook jubelt het ook uit, je stemt in overeenstemming met de dichter:        Heer, ik roep tot U: verhoor mij; verhoor de stem van mijn smeking. Wanneer ik tot U roep, verhoor mij, o Heer. Laat mijn gebed opstijgen, als wierook voor Uw Aangezicht. De opheffing mijner handen zij een avondoffer; verhoor mij, o Heer.  Stel, Heer, een wacht aan mijn mond: maak een gesloten deur van mijn lippen. Neig mijn hart niet tot slechte woorden, om met uitvluchten mijn zonden te verontschuldigen. Tezamen met mensen die goddeloosheid bedrijven; ik wil geen deel hebben aan hun lusten. Laat de rechtvaardige mij tuchtigen met erbarmen, dan zal hij mij van schuld overtuigen. Maar sta niet toe, dat mijn hoofd gezalfd wordt door olie van zondaars; mijn gebed verzet zich tegen hun lusten. Wanneer hun rechters vanaf de rots geworpen worden, zullen zij weten dat mijn woorden God aangenaam zijn. Want als aardkluiten over het land, zo zijn hun beenderen verstrooid bij het graf. Heer, op u zijn mijn ogen gericht; Heer, op U vertrouw ik: ontneem mij het leven niet. Bewaar mij voor de strik die zij tegen mij spannen, voor de struikelblokken der boosdoeners. Laat de zondaars in hun eigen net vallen; al ben ik alleen, toch ga ik Uw weg”. Psalm 140[141] vert ROK ’s-Gravenhage

Het ware zoeken gaat samen met roepen, smeken, dat doe je vanuit de nood; dat gaat gepaard met tranen. Je loopt tegen de troon van Gods Genade aan, als een waterstroom. Het is als bij een jong kind dat z’n moeder kwijt is; het schreeuwt om vader/moeder, in angst en paniek. Het kind in je is niet tot bedaren te brengen; eerst moet vader/moeder weer bij je zijn. Begrijp je het nu; hoor je jezelf – zie je het vóór je gebeuren?
Wat komt er van het zoeken terecht; waar zijn degenen, die de Heer aanroepen?

-de rijke en de arme lazaros-

Vindt dit niet plaats vanuit de grootste nood, opdat we onze diepe verlorenheid aanvaard willen worden? Of weten we nog steeds niet uit welke nood en dood we verlost dienen te worden. Daarom vindt dit aanroepen vanuit de diepten van ons ellendige hart tot God, tot onze Vader, Die alleen Heil[iging] kan en wil zenden. God roept ons vanuit de hemelen toe: Zoekt de Heer terwijl Hij [nog] te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is, straks is het misschien te laat en kan dat niet meer. Straks blijft ons alleen de arme Lazaros over, die wij kunnen aanroepen om onze dorst te lessen en onze nazaten te waarschuwen voor de goede weg in te slaan. Dit zoeken van de Heer en het Hem aanroepen wordt eveneens gekenmerkt door ons verlaten voelen op de goddeloze weg. De goddeloze heeft Gods weg verlaten en de ongerechtige mens zijn gedachten; en hij dient zich tot de Heer te bekeren.  Wij bevinden ons allemaal op zo’n weg, want we zijn allemaal zondaars, niemand uitgezonderd. Diep ingrijpend is dat ons aller levensweg een doodlopende weg is. Nodig is dat je daaraan wordt herinnerd, opdat je het ontdekt. En wanneer dat gebeurt is, komt je er achter: “mijn weg is een weg zonder God [= zonde], zonder hoop en zonder Jezus Christus geweest. De rust wordt u ontnomen, het wordt tijd je van de wereld te distantiëren; je terug te trekken in je stille hoek – in de stilte van je hart en je gaat God zoeken, Die op de rand van je hart wacht. Hij wacht op je op de rand van de bron, zoals bij de Samaritaanse. Je roept Hem aan bij dag en bij nacht, want je verlangt ernaar met de zonde, met het leven zonder God te breken. Het zou immers je dood betekenen, daarom verlaat je jouw goddeloze, heilloze weg.

Waarom? Omdat je zonden scheiding veroorzaken tussen God en je ziel; jouw zonden beledigen God’s Almacht, Zijn grenzeloze Liefde voor jou als Zijn kind. Het is jouw verlangen om Hem lief te hebben; omdat Hij de mensen lief heeft, is Hij het ontzagwekkend waard.
Het vervult je met diepe smart dat daar niets van terechtkomt; hoewel je telkens weer opnieuw probeert om de zonden met wortel en tak uit te roeien, kom je er achter dat het van jouw kant hopeloos is; zelfs je gedachten getuigen tegen je. Ze veroordelen u tot in het diepste van je bestaan toe. Alles wat je als vanzelfsprekend beschouwt, zelfs je gedachtewereld, is één en al ongerechtigheid. Daarmee hang je er maar verloren bij, maar gá je ook verloren?
En op dat ogenblik  begrijp je de Psalmist, David, de man naar Gods hart:
Schep in mij een rein hart, o God, en vernieuw in m’n binnenste een reine geest
Psalm 50[51]: 12.  
De goddeloze verlaat zijn weg, en de ongerechtige mens zijn gedachten; en hij bekeert zich tot de Heer, Die “ in welwillendheid aan Sion; de muren van Jerusalem weer opgebouwd laat worden”. Daar ontmoet je de waarachtige bekering; dat is een inkeren tot jezelf, een afkeren van de zonden en een terugkeer tot de Heer. Van nature sta je met de rug naar God toe; je bewandelt een weg steeds verder bij God vandaan. Maar als Gods Geest uw hart vernieuwt, dan wordt u omgekeerd. Hij draait je honderdtachtig graden om en jij hervindt daarmee je oorspronkelijke staat en komt daarmee weer met je gezicht naar God toe te staan. je bent omgekeerd.
        Dan zal Ik [de Heer, onze God] de volken andere, reine lippen geven, opdat zij allen de Naam des Heren aanroepen; opdat zij Hem dienen met eenparige schouder. 
Van gene zijde van de rivieren van Ethiopië zullen Mijn aanbidders, Mijn verstrooiden, Mijn offer brengen. Te dien dage zult jullie je u niet behoeven te schamen over al de daden waarmee je tegen Mij hebt overtreden, want dan zal Ik uit uw midden uw hoogmoedig juichenden verwijderen. En voortaan zult gij niet meer overmoedig zijn op mijn heilige berg. En Ik zal in uw midden overlaten een ellendig en gering volk, en wie schuilen bij de Naam des Heren. Het overblijfsel van Israël [de Kerk] zal geen onrecht doen noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden, want zij zullen weiden en neerliggen, zonder dat iemand hen verschrikt.
       Jubel, dochter van Sion; juich, Israël [Kerk]; verheug u en wees vrolijk van ganser harte, dochter van Jeruzalem!  De Heer heeft uw gerichten weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd. De Koning van Israel [de Kerk], de Heer, is in uw midden; gij zult geen kwaad meer vrezen. Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, Sion, laten uw handen niet slap worden. De Heer, uw God, is in uw midden, een Held, Die verlost. Hij zal Zich over jullie met vreugde verblijden; Hij zal zwijgen in Zijn Liefde; Hij zal over jullie juichen met gejubel. Wie bedroefd zijn, ver van de feestvergadering, zal Ik samenbrengen; zij behoren toch bij jullie. Als een last drukt de smaad op hen”. Sefanja 3: 9-18
Christus is in ons midden, Hij is en zal zijn!”.

3e Zondag van de Grote en Heilige Vasten – Zondag Kruisverering

Het Groot en Heilig Kruis

        ‘Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden; en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken’. En dit zei Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou.  De schare dan antwoordde Hem: ‘Wij hebben uit de Wet gehoord, dat de Christus tot in eeuwigheid blijft; hoe kunt Gij dan zeggen, dat de Zoon van de mensen verhoogd moet worden?
Wie is deze Zoon 
des mensen?’.
Jezus dan zei tot hen: ‘Nog een korte tijd is het licht onder u. Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet zal overvallen; en wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. Gelooft in het licht zolang gij het licht hebt, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn.Dit sprak Jezus en Hij ging heen en verborg Zich voor hen. En hoewel Hij zovele tekenen voor hun ogen gedaan had, geloofden zij niet in Hem, 
opdat het woord van de profeet Jesaja vervuld werd, dat Hij sprak: Heer, wie heeft geloofd, wat Hij van ons hoorde? En aan wie is de arm des Heren geopenbaard?’. Hierom konden zij niet geloven, omdat Isaiah elders gezegd heeft: ‘Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, dat zij niet met hun ogen zien, met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen zal genezen’”.
John 12: 31-40

halskruisje – Orthodox, detail

Vandaag neemt de Orthodoxe Kerk al een voorschot op het Groot en Heilig Kruis van de Grote & Heilige Week. De schepping verheugt zich; het Kruis voert ons weg vanuit het “door God verlaten achten”, het is de basis van de Hoop van de christelijke samenleving, de verkondiging van de Apostelen, de Verlossing van de Kosmos, het fundament van de Kerk en de Bron voor degenen die dorst hebben . . .  “In grote genegenheid tot ons mensen is Jezus Christus, de Zoon van God tot het laatste lijden geleidt: Hij is ter vonnis bij Pilatus gebracht; van het zesde uur tot het negende uur heeft Hij de beschimpingen ondergaan; de pijn van de nagels verdragen  en heeft Zijn dood Zijn lijdensweg volbracht. Op het twaalfde uur is Hij van het Kruis afgenomen: en wordt ons als een slapende leeuw getoond . . .
Tijdens het proces heeft deze Wijsheid van het Woord niets gezegd. Zijn vijanden verachten en kruisigen Hem . . . Degenen aan wie Hij gisteren Zijn Lichaam als voeding heeft aangeboden, kunnen het niet aanzien Hem te zien sterven. Petrus, de eerste onder de apostelen, vluchtte als eerste. Ook Andréas, zijn broeder ging er vandoor en Johannes, die Hem terzijde stond, kon niet voorkomen dat een soldaat hem in de zijde met zijn speer doorboorde. De Twaalf volgelingen zijn gevlucht; ze brachten geen woord voor of tegen Hem uit, terwijl Hij voor hen voor hen Zijn Leven opofferde. Ook Lazarus is er niet, die Hij weer tot het Leven heeft teruggeroepen. De blindgeborene liet geen traan voor Hem, Die zijn ogen voor het licht geopend had en de kreupele, die door Hem genezen -van z’n ongemakken- z’n weg vervolgde, liep niet met Hem op.  Slechts ’n rover, welke aan Zijn zijde gekruisigd was, heeft Hem daar beleden en noemde Hem hun koning”.
O, jij mens, die je als dief in de nacht van het leven, op jouw manier je gevoelens weergaf, vroege bloem van de boom van het Kruis, eerste vrucht hout Golgotha …!
De Heer regeert: de schepping verheugt zich.
Het Groot en heilig Kruis toont ons de Overwinning en
alle volkeren, stammen, talen en mensen komen om Christus te aanbidden . . .
Het Kruis geeft een stelt hier aan de orde, zodat het universum kan inhaken,
dit Kruis verdrijft de duisternis en brengt de volkeren bijeen . . .
in één Kerk, in één Geloof, in één Doop in samenbrengende Liefde.
Het staat in het centrum van de wereld, hier in het Hemels Jeruzalem, op Golgotha
”.
conf. Een slapende leeuw – van de Heilige  Ephraïm de Syriër [306-373]

Griekse icoon Kruisiging van Christus

Christus’ lijdensweg
Gij echter hebt Hem verstoten en versmaad. Gij hebt Uw Gezalfde verworpen; Gij hebt het Verbond met Uw dienaar verbroken; Gij hebt zijn Heiligdom laten schenden tot op de grond. Gij hebt al Zijn omheiningen verwoest, Zijn versterkingen hebt Gij neergehaald. Alle voorbijgangers hebben Hem geplunderd, Hij is een smaad geworden voor Zijn naasten. Gij hebt de rechterhand van Zijn verdrukkers verhoogd, al Zijn vijanden hebt Gij over Hem verblijd. De hulp van zijn zwaard hebt Gij terug doen wijken. Gij hebt Hem niet bijgestaan in de oorlog. Zijn reinigingsoffer hebt Gij versmaad en Zijn troon ter aarde geworpen. Gij hebt de dagen van Zijn [levens]tijd verkort en met schaamte hebt Gij Hem overdekt”.
Psalm 88[89]: 39-46 conf. vert. ROK ’s-Gravenhage

Hier zien we dat Christus tot op het bot heeft moeten lijden overeenkomstig de Wil van Zijn Vader, zo wordt het ook door de Profeet Zacharias openlijk verklaard. Het was inderdaad door de Wil van God, de Vader, dat Zijn Zoon, Jezus Christus Zijn Lijden heeft moeten ondergaan.

Voorzegd door de Profeten:
1.]. de profeet Zacharia
Zwaard, waak op tegen mijn herder, tegen de man die mijn metgezel is, luidt het woord van de Heer der heerscharen; sla die herder, zodat de schapen verstrooid worden; en Ik zal mijn hand keren tegen de kleinen”. Zach.13: 7   Dit is wat er plaats vond toen Christus door de Joden gevangen werd genomen, want alle leerlingen verlieten Hem, uit vrees soms met Hem te moeten sterven [Matth.26: 56]. Want zelfs zij hadden nog geen vast geloof in Hem; dat kwam pas toen zij Hem na Zijn Opstanding in de afgesloten zaal van het laatste avondmaal -opgestaan uit de doden- voor zich zagen verschijnen.
2.]. De profeet Hosea
In het boek der twaalf Profeten staat ook nog te lezen :” Zij brachten Hem geboeid naar de koning, als geschenk” [Hos.10: 6 – Septuagint]. Pontius Pilatus, de procurator van Judea, koesterde in die tijd vijandschap tegen Herodes, de koning der Joden. Maar toen Christus geboeid voor Hem werd gebracht, zond Pilatus Hem naar Herodes ter ondervraging, om zo beter zijn eigen houding t.o.v van Christus te kunnen bepalen; en hij gebruikte dus de zaak van Christus als gelegenheid om zich met de koning te verzoenen [Luc.23: 7,12].
3.]. De profeet Jeremia
In Jeremia staat nog een voorzegging van Zijn dood en nederdaling ter helle/in de hades: ‘En de Heer, de Heilige van Israel, gedacht zijn doden, zij die reeds sliepen in de schoot der aarde; en Hij daalde tot hen af om hun Heil te prediken en om hen te redden.[deze tekst is niet terug te vinden in huidige officiële manuscripten, wel in Evangelium Nicodemi en de Geloofsbelijdenis]. Hier verklaart hij de reden van Zijn dood : het nederdalen in de onderwereld om de gestorvenen te redden.
4.] de profeet Isaiah
Voorzeggingen over de Kruisiging: “  De ganse dag breidde Ik mijn armen uit naar een opstandig volk, dat volgens eigen overleggingen wandelde op een weg, die niet goed is’[Isaiah 65:2] Het is een duidelijke toespeling op het Kruis.
5.]. de profeet David
David geeft het nog nauwgezetter weer: “ Een menigte dieren staan om mij heen: zware stieren omsingelen mij een bende boosdoeners houdt Mij omsingeld: zij hebben Mijn handen en voeten doorboord, al Mijn beenderen hebben zij geteld”.
En ook :
“Mijn hart is geworden als vloeibare was in het midden van Mijn borst; al Mijn beenderen zijn ontwricht”.
Psalm 21[22]:15, 17
Dit is een niet te ontkennen profetie over de kruisiging van Christus!
6.]. de profeet Mozes
Deze zegt hetzelfde tegen zijn volk: “   Gij zult uw Leven zien hangen voor uw ogen; ge zult sidderen dag en nacht, en van uw leven niet zeker zijn” [Deut.28: 66].
7.] de profeet David (opnieuw)
‘Zij bekijken Mij en staren Mij aan, zij hebben Mijn klederen onder elkander verdeeld, en over Mijn lijfrok het lot geworpen”
Psalm 21[22]:18
Zo ging het inderdaad bij Zijn kruisiging. Naar gewoonte scheurden de soldaten zijn kleren uit elkaar, om de stukken te verdelen, zoals we lezen: “  Nadat de soldaten Jezus hadden gekruisigd, namen ze Zijn kleren en verdeelden die in vieren, voor elke soldaat een deel, en daarbij nog de lijfrok. Dit kleed was zonder naad, uit één stuk geweven, van boven tot onder. Ze zeiden dus tot elkander : Laat ons die niet verscheuren maar er om loten wie de eigenaar wordt. Zo werd de Schrift vervuld die zegt : zij hebben Mijn klederen onder elkander verdeeld, en over Mijn lijfrok het lot geworpen”. John.19: 23, 24
8.]. de profeet Zacharia [opnieuw]
Nu over de voorzegging van het verraad: ” Toen wogen zij mijn loon af: dertig zilverstukken. Maar de Heer zei tot mij: Werp dat de pottenbakker toe; een heerlijke prijs waarop Ik hunnerzijds geschat ben! En ik heb de dertig zilverstukken genomen en die in het huis des Heren de pottenbakker toegeworpen“. Zach.11: 13
De prijs [dertig zilverlingen] waarop de kinderen van Israël Christus hadden geschat en zij gaven die later uit voor de bloedakker, de akker van de pottenbakker. Want Judas, één van Christus’leerlingen, die door Hem was terechtgewezen, bemerkte dat de Joden Hem wilde doden; en hij beloofde hun om Hem voor dertig zilverlingen te verraden.
En lees nu dan: “  Toen Judas, die Hem verraden had, zag dat Jezus veroordeeld was, kreeg hij wroeging en bracht de dertig zilverlingen terug aan de opperpriesters, zeggend : Ik heb gezondigd want ik heb onschuldig bloed verraden. Maar zij gaven ten antwoord : Wat kan ons dat schelen, dat is uw zaak. Toen smeet hij de geldstukken over de tempelvloer, vluchtte weg en hing zich op. De opperpriesters raapten de geldstukken op en zeiden : we mogen dit niet in de offerkist doen want het is bloedgeld. En zij besloten om er het land van de pottenbakker mee te kopen, als begraafplaats voor vreemdelingen“. Matth.27: 3-8
9]. de profeet David (opnieuw)
Toen Hij, nadat men Hem aan het Kruis genageld had, om drinken vroeg,
gaf men Hem azijn met gal te drinken” Matth.27: 34,48
En juist dit had de profeet David uitgesproken:
Voor spijs gaven ze Mij gal, in Mijn dorst drenkten zij Mij met azijn”.
Psalm.68: 22
10.]. David voorzegt eveneens dat de Christus, nadat Hij uit de doden is opgestaan ook ten hemel zou opvaren: “ Ontelbaar zijn de wagens van God, duizenden die zich verblijden. De Heer is onder hen, op de Sinaï, in Zijn heiligdom. Hij is ten hemel gestegen en heeft de gevangenschap gevangen meegevoerd; Hij heeft gaven geschonken aan de mensen”.
Psalm 67[68]: 18-20
⁌ De profeet spreekt over gevangen gevangenschap, want Christus heeft de heerschappij van de opstandige Engelen vernietigd.
⁌ Ook de plaats van de Hemelvaart geeft hij aan door te zeggen :
vanuit Sion is de Heer opgestegen”. Want na Zijn opstanding uit de doden bracht Hij Zijn leerlingen op de Olijfberg bij Jeruzalem, en sprak met hen over de dingen van het Koninkrijk Gods. En zij zagen hoe Hij opsteeg naar de hemel, en hoe de hemelen zich openden om Hem te ontvangen [Hand.1, 2-10].
⁌ David zegt tevens: “    Opent, o Vorsten uw poorten; verheft u, eeuwige poorten, opdat inga de Koning der heerlijkheid”. Die eeuwige poorten zijn natuurlijk de Hemel, onzichtbaar was het Woord toen Het na de Opstanding van daaruit was neergedaald, niet waarneembaar voor de schepselen. Maar nu was het Woord vlees geworden en stijgt voor het oog van de Moeder Gods en de Apostelen zichtbaar weer op naar de Hemel. En toen zij Hem zagen, riepen de Machten, de lagere Engelen, tot hen die op het firmament waren: “Open uw poorten, o Vorsten; ga wijd open eeuwige poorten, opdat inga de Koning der Glorie”. En toen dezen in verwondering vroegen: “Wie is die Koning der Heerlijkheid?” bejubelden zij die Hem gezien hadden voor de tweede maal : “De Heer die sterk is en machtig, Hij is de Koning der heerlijkheid”.
Psalm 23 [24]: 8-10
⁌ David voorzegt bovendien dat Christus na Zijn Opstanding zetelt aan de rechterhand van de Vader tot de door de Vader voor het Oordeel bestemde tijd, wanneer alle vijanden Hem onderworpen worden.
Vijanden zijn dan allen die zich verzet hebben: engelen, aartsengelen, machten en tronen, die de Waarheid hebben afgewezen. De profeet David zegt hierover : ”De Heer zegt tot Mijn Heer : ‘zit neer aan Mijn rechterhand, opdat ik Uw vijanden tot een steun onder uw voeten zal maken”‘.
Psalm 109[110]: 1,2
David zegt eveneens dat Hij daarheen opsteeg, vanwaar Hij was neergedaald:
    Hij gaat op aan het einde van de Hemelen, Zijn loop gaat tot het andere einde”.
Daarna spreekt hij over het door Hem te voltrekken oordeel :
Niemand kan zich verbergen voor Zijn gloed”.
Psalm 18[19]: 7,8

Kruis op kerk bij zonsondergang

Deze profetische uitspraken en het feit dat de profeten eveneens hun leven vaak met de dood moesten bekopen voert ons weg vanuit een wereld, die anderen “door God verlaten achten”. Het wijst ons christenen de weg die wij dienen te gaan door ons kruis op ons te nemen en Christus in Zijn doen en laten te volgen.
Jezus laat hier zien dat overbodige bezorgdheid niets helpt. Je vindt dat je maar een [klein] mens bent; je kunt je daar heel druk over maken, maar daar word je toch echt niet groter van.
Opnieuw laat Jezus hier zien dat wij ook in dat opzicht afhankelijk zijn van God, de Schepper, Die ons heeft gemaakt zoals Hij vindt dat wij dienen te zijn:
God heeft ons naar Zijn beeld geschapen en Hij zag dat het zo goed is”.
Zou dat dit voor ons niet reden genoeg zijn om ons geen zorgen te maken over hetgeen ons allemaal nog te wachten staat?
Je Kruis dragen is het verschil maken met je omgeving; je naasten [je vijand] lief te hebben; en toch dienstbaar te blijven, zoals Christus dienstbaar was. Oordeel niet; stel je toch eens voor dat we zouden stoppen met oordelen; wees niet trots maar nederig en vergeef elkaar. Dit is namelijk het eigen kleine plekje wat nog over is waar wij zelf verschil kunnen maken.
Net als Christus ons inzetten om te  redden wat er te redden valt. Smaak geven aan het leven van anderen, door al zoutend, zout zijn te zijn en Zijn Licht te laten schijnen in de duisternis. Vol passie zijn voor mensen in je omgeving, die het moeilijk hebben en verloren dreigen te gaan. Bewogen zijn met de wereld; medelijden met het onrecht wat je in je omgeving ziet. Tegendraads en anders leven dan de wereld, maar blijven stralen, zoals Christus Licht straalde.

Onze Heer was zo anders dan de wereld om Hem heen en werd daarom niet geaccepteerd en uiteindelijk zoals zo vele profeten omgebracht. Hij was uit de gratie van de machthebbers gevallen, hield Zich niet langer aan hun lijn en diende daarom afgedankt te worden. Hij liet dit op Zich afkomen, met dit verschil, dat Hij als mensenzoon, geheel God en geheel mens – de mensen doorzag en Zich geheel vrijwillig voor ons opofferde. Machtigen en dwazen bleken sterker te zijn; Hij verloor zelfs Zijn broeders en vermeende vrienden, maar slechts voor even, toch niet helemaal. Toch beschouwde Hij het als Zijn Goddelijke plicht, raapte al Zijn menselijke moed bijeen en is de berg naar Jeruzalem opgegaan. Toen men Hem het lopen had ontnomen, Hij Zich niet langer kon bewegen, sprak Hij nog tot de goede rover:”  Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het Paradijs” en in Zijn menselijke onmacht tot Zijn Goddelijke Vader: “  Vader, in Uw handen beveel Ik mijn geest”. Deze zinloze slachting werd niet van Hem weggenomen; dit [bloed]offer heeft Hij volbracht om de mensheid te redden, die immers geheel verloren was. Nu is Hij als geestelijk Hoofd van deze wereld buiten geworpen; en toen Hij boven de aarde verhoogd werd, heeft Hij de mensheid tot Zijn Vader gebracht. Toen de hoofdman zag, wat er geschiedde, verheerlijkte hij God, zeggende: “Inderdaad, deze mens was rechtvaardig!”. En de gehele menigte, die voor dit schouwspel samengekomen waren, keerden terug toen zij aanschouwd hadden, wat er geschied was, en sloegen zich op de borst.

Apolytikion     tn1.
Heer, red Uw Volk en zegen Uw erfdeel;
en bescherm Uw Gemeenschap door Uw Kruis
”.
Kondakion      tn.7
Nu staat niet langer als wachter
het vlammend zwaard voor Edens poort.
Op die plaats nu, wat dit zo Heerlijk heeft gedoofd,
Het hout van het Kruis.
Verdwenen is de prikkel van de dood, de zege der hel.
Want Gijzelf, mijn Heiland, zijt gekomen
om tot de hadesbewoners te roepen:
Laat u terugvoeren in het Paradijs
”.

Orthodoxie & Leer mij Uw Wil te doen, want Gij zijt mijn God

‘Kruis’-pad, Athos, Gr.

“     Roept de Wijsheid niet en verheft de Verstandigheid niet haar stem? Boven op de hoogten aan de weg, daar, waar de paden samenkomen, is zij gaan staan. Aan de zijde van de poorten, aan de ingang van de stad, waar men de poortdeuren binnengaat, roept zij luid: ‘Tot u, mannen, roep ik en mijn stem gaat uit tot de mensenkinderen!     Jullie onverstandigen, leert schranderheid, gij dwazen, verstaat het met uw hart.
Hoort, want ik zal verheven dingen spreken en mijn lippen openen tot wat recht is. Want waarheid spreekt mijn gehemelte, een gruwel voor mijn lippen is de goddeloosheid. Al de woorden van mijn mond zijn in gerechtigheid gesproken; niets daarin is verdraaid en verkeerd. Zij alle zijn voor de verstandige juist, betrouwbaar voor wie kennis gevonden hebben.
     Neemt mijn vermaning aan en niet zilver, en kennis boven uitgelezen goud. Want wijsheid is beter dan koralen, al wat men zou kunnen begeren, kan haar niet evenaren.
     Ik, de Wijsheid, woon bij de schranderheid en ik verkrijg kennis door overleggingen. De vreze des Heren is het kwade te haten; hoogmoed en trots en boze wandel en een mond vol draaierijen haat ik. Slechts van Mij zijn raad en overleg, ik ben het inzicht; van Mij is de kracht. Door Mij regeren de koningen en verordenen de machthebbers recht. Door Mij heersen de vorsten en de edelen, al de rechters der aarde.
     Ik heb lief wie mij liefhebben, wie mij ijverig zoeken, zullen mij vinden. 
Rijkdom en eer zijn bij Mij, duurzaam Goed en Gerechtigheid. Mijn vrucht is meer waard dan goud, ja dan gelouterd goud, mijn opbrengst meer dan uitgelezen zilver.
     Ik wandel op het pad van de Gerechtigheid, midden op de wegen van het Recht, om hen die mij liefhebben, bezit te doen beërven; hun schatkamers zal ik vullen”. Spreuken 8: 1-21

    De Heer der heerscharen, Hem zult gij heilig achten en Hij moet het voorwerp van uw vrees en Hij moet het voorwerp van uw schrik zijn. Dan zal Hij tot een heiligdom zijn, en tot een steen, waaraan men zich stoot, en tot een rotsblok, waarover men struikelt, voor de beide huizen van Israël, tot een klapnet en tot een valstrik voor de inwoners van Jeruzalem. En velen onder hen zullen struikelen en vallen, verpletterd, gestrikt en gevangen worden. Bind de getuigenis toe, verzegel de wet onder Mijn leerlingen. En ik zal wachten op de Heer, Die Zijn Aangezicht verbergt voor het huis van Jacob, ja, op Hem zal ik hopen.
     Zie, ik en de kinderen die mij de Heer gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot zinnebeelden onder Israël [de Kerk] vanwege de Heer der heerscharen, die op de berg Sion woont.
     En wanneer men tot u zegt: Vraagt de geesten van doden en de waarzeggende geesten, die daar piepen en mompelen. Zal een [Kerk-]volk niet Zijn God vragen? Zal men voor de levenden de doden [vragen]? Tot de Wet en tot de Getuigenis! Voor wie niet spreekt naar dit Woord, is er geen dageraad. Dan trekt men rond, gedrukt en hongerig, en wanneer men hongert, zal men in woede uitbarsten en zijn koning en zijn God vervloeken, en men zal de blik omhoog richten. En men zal naar de aarde schouwen, en zie, benauwdheid en duisternis, beangstigende donkerheid, en in duisternis is men verstoten.
     Doch er zal geen donkerheid wezen voor het land dat in benauwdheid was. Zoals Hij in het verleden smaad bracht over het land van Zebulon en over het land van Naftali, zo brengt Hij in de toekomst eer over de weg der zee, de overzijde van de Jordaan, de landstreek der heidenen.
     Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot Licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een Licht. Gij hebt het Volk [de Kerk] vermenigvuldigd, Zijn vreugde groot gemaakt; het verheugt zich voor Uw Aangezicht als met de vreugde bij de oogst, zoals men juicht bij het verdelen van de buit.
     Want het juk dat het drukte, en de stang op zijn schouder, de roede van zijn drijver, hebt Gij verbroken als op Midjan’s-dag. Want elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel, in bloed gewenteld, zal verbrand worden, een prooi van het vuur.
     Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij Het sticht en grondvest met Recht en Gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Heer der Heerscharen zal dit doen. De Heer heeft een Woord gezonden in Jacob en 
het is gevallen in Israël”Isaiah 8: 13-9: 7

Athos – I.M. Chilandar, oude gang

In de Metten horen we in de kloosters, de smeekbede welke vroeg in de ochtend al is te horen: “Heer, verhoor mijn gebed Heer, verhoor mijn gebed, luister naar mijn smeking in Uw waarachtigheid. Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar. Immers, niemand der levenden, kan zich rechtvaardigen voor Uw aangezicht. De vijand heeft mijn ziel vervolgd; mijn leven vernederd tot op de grond. Hij doet mij neerzitten in het duister, evenals de doden van eeuwigheid. Nu is mijn geest in mij beangst; mijn hart is bevreesd in mijn binnenste. Maar ik herinner mij de dagen vanaf den beginne; ik overweeg al Uw werken. Ik denk aan de daden Uwer handen; Ik strek mijn handen naar U uit. Mijn ziel dorst naar U, als een land zonder water; verhoor mij spoedig, Heer, mijn geest versmacht. Wend Uw aangezicht niet van mij af, anders wordt ik gelijk aan wie afdalen in het graf. Doe mij in de ochtend Uw barmhartigheid horen, want op U heb ik mijn vertrouwen gesteld. Heer, doe mij de weg kennen die ik moet gaan, want tot U heb ik mijn ziel verheven. Bevrijd mij van mijn vijanden, heer, want tot U heb ik mijn toevlucht genomen. Leer mij Uw wil te doen, want Gij zijt mijn God. Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land; Heer, doe mij leven, omwille van Uw Naam. Gij voert mijn ziel uit de verdrukking, in Uw rechtvaardig­heid; Gij verstrooit mijn vijanden, in Uw barmhartigheid. Gij verdelgt allen, die mijn ziel verdrukken: ik ben immers uw dienaar. Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar; Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land”. Psalm 142[143]

Deze Psalm schiet mij te binnen wanneer ik op deze vastendag de voorgeschreven lezingen van het boek spreuken en Isaiah onder ogen krijg. Misschien heb je weleens een de routeplanner van Google gebruikt waarmee -tot in detail- satellietbeelden van je bestemming kunt bekijken?  Zo kun je -in onze moderne tijd-  bepalen welke route het meest voor jou geschikt zal zijn. Hetzelfde principe geldt voor het nemen van belangrijke beslissingen. wanneer je indenkt/voor de geest haalt, welke zaken God vanuit Zijn Verheven Koninkrijk kan overzien. Eerst dan kunnen we ons een voorstelling maken, dat alleen het volgen van Zijn wegen – de beste route- voor onze pelgrimstocht kan zijn. Het stelt ons ook voor ogen welke weg we in deze vasten dienen te bewandelen om aan Zijn Wil te voldoen in staat de weg te bewandelen die hij goedkeurt.
Isaiah zegt dit ook met zoveel woorden, bijvoorbeeld:
    Want gij volk, dat op Sion, in Jeruzalem, woont, gij zult niet blijven wenen. Hij zal u zeker genadig zijn op uw luid geroep; zodra Hij dat hoort, zal Hij u antwoorden. De Heer heeft u wel brood der benauwdheid en water der verdrukking gegeven, maar uw leraren zullen zich niet meer verbergen, doch uw ogen zullen uw leraren zien; en wanneer gij rechts of wanneer gij links zoudt 
willen gaan, zullen uw oren achter u het Woord horen: Dit is de weg, wandelt daarop”. Isaiah 30: 19-21
Ook de Nieuw Testamentische Pedagoog Christus verkondigt ons hoe wij aan Gods Wil voldoen, wanneer wij Zijn weg maar blijven bewandelen:
    Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden. Wie Mijn geboden heeft en die bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal door Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelf aan hem openbaren”. 
John.14: 15, 21
    En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: indien wij Zijn geboden bewaren. Wie zegt: ik ken Hem en Zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet; maar wie Zijn woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn. Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zó te wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft”.1John.2: 3-6
Ook Petrus, als eerste onder de apostelen zegt:
    Want zó is het de Wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid misbruiken als dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer. Gij huisslaven, weest in alle vreze uw meesters onderdanig, niet alleen de goeden en vriendelijken, maar ook de verkeerden. Want dit is genade, indien iemand omdat hij met God rekening houdt leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt. Want mag dàt roem heten, als gij slagen moet verduren omdat gij kwaad doet? Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dàt is genade bij God”. 
1Petr.2: 13-20
Volgeling van Christus zijn is God dankbaar zijn dat Hij je een vrije wil heeft gegeven, maar deze vrije wil tevens aan Hem ondergeschikt te maken, op te offeren, terug te geven opdat jouw wil deel krijgt aan Zijn Wil, Die immers boven alles verheven is.  Jezus zegt niet voor niets: “      Mijn spijs is het de Wil te doen van Hem, Die Mij gezonden heeft” [John.4: 34]; “Hij, Die Mij gezonden heeft, is met Mij. Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hem behaagt” [John.8: 29].  “Ik ben immers uit de Hemel neergedaald niet om Mijn eigen wil te doen, maar de Wil van Hem, Die mij gezonden heeft. . . . . . Dit is de Wil van Mijn Vader; Dat ieder, die de Zoon ziet en in Hem gelooft eeuwig Leven zal bezitten”[John.12: 44-45]. “Wie Mij ziet, ziet de Vader”[John. 14: 9].
Gods Wil te doen wordt door Christus Zelf in Zijn Blijde Boodschap aangeduid als dat wij Zijn Pedagogie dienen te aanvaarden en daarnaar te leven.
Gods Wil te doen, dient ons dus een vreugde te zijn, door Zijn Wil te doen aanvaarden wij het Leven, hebben wij een richtlijn.  Indien wij het Leven in God aanvaarden worden wij als Zijn kinderen -‘op handen’- gedragen.

Exaltation of the Cross, Athos manuscript

Maar dan lopen we tegen onze eigen zwakheid op, onze zonden.
Zonde is immers al datgene wat we zonder God doen. En God ziet onze tekortkomingen, kent onze droefheid.
Wij proberen weliswaar -in de stilte van ons hart- te luisteren, naar Hem te leven in het werk dat Hij ons oplegt, dat wij handelen naar Zijn Voorschriften in de kommernis om anderen.
      Wij weten het, Uw Woord, Heer, laat zich niet in boeien slaan; Zijn Genadegaven overtreffen alle aardse/wereldse krachten. Gods Macht, doet alle macht verbleken. Zijn Genadegaven bestaat uit onze overgave [offergave]. Maar als mens besef ik zo kleinmenselijk te zijn en daarom dien ik te wachten tot de Heer Zich over mij ontfermt. Alleen God is het, Die ons die Genadegave geeft Zijn Wil te doen, ook al is het mij een vreugde.
Ook al is het mij een vreugde Zijn Wil te doen, het is veeleer Uw Vreugde, Die mij in staat in staat stelt die vreugde te ervaren. Uw Wil geschied op aarde zoals in de hemel, in mijn zijn en spreken, in mijn doen en laten, in mijn waken en slapen, in mijn denken en voelen, in mijn kijken en schrijven.
Daarom bidt de priester [in stilte] aan het begin van de Vespers [s’avonds, dus in de ochtend, want het werd avond en ochtend – de volgende dag] ‘de Lichtgebeden’, waarvan nr. 3:
Heer, onze God, gedenk ons, Uw zondige en nutteloze dienaren, nu wij Uw Heilige Naam aanroepen. Beschaam niet ons vertrouwen op Uw ontferming, maar schenk ons Genadig alles, wat wij U vragen voor ons heil [onze redding/verlossing]. Maak ons waardig U te beminnen uit geheel ons hart. En schenk ons de vrees om in alles Uw Wil te doen. Want Gij zijt een goede en menslievende God en tot U zenden wij onze lof: aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.     Amen.”.
Ondertussen zingt de Kerk:
Zegen de Heer, mijn ziel, Heer mijn God, Gij zijt onnoemlijk groot. Gij hebt Uzelf met Licht omgort als met een kleed. Heer, mijn God Gij doet bronnen ontspringen; in de dalen stromen wateren. Hooggeprezen zijt Gij, o Heer, mijn God, geprezen zijt Gij. Ja, hoe groot zijn Uw werken O heer; Gij hebt alles met Wisheid gemaakt. Ere zij U, mijn God, ere zij U: Gij hebt alles met Wijsheid gemaakt.” conf. Psalm 103[104
Het offer voor God dient buitengewoon goed te zijn als het vet van het brandoffer:
    Van alles wat u geschonken wordt, zult gij de gehele heffing voor de Heer brengen, van al het 
beste ervan, hetgeen daarvan geheiligd wordt. En gij zult tot hen zeggen: ‘Wanneer gij het beste daarvan als heffing brengt, zal dat voor de Levieten beschouwd worden als de opbrengst van de dorsvloer en van de perskuip; Gij zult het met uw gezin op elke plaats mogen eten, want het strekt u tot loon als vergoeding voor uw dienst aan de tent der samenkomst. Gij zult ten aanzien daarvan geen zonde op u laden, indien gij maar het beste daarvan als heffing brengt; zo zult gij de heilige gaven van de Israëlieten niet ontwijden, opdat gij niet sterft”. Num.18: 29-32
Wanneer wij de teksten van Gods Woord, die in onze diensten verwerkt zijn nauwkeurig bestuderen, komen we tot de conclusie dat hierin de bijzondere goedheden  van de gevoelens van het hart besproken worden, die tot uitdrukking kunnen komen in datgene wat men doet. En dat is in de standvastigheid van de energie van de menselijke wil ingesloten. Als God, Schepper is en ‘Heer en Meester is over ons leven’, dan heeft Hij het alleenrecht over de menselijke wil en is alles daarbuiten dwaas en onverstandig.

Orthodoxie & het resultaat van onderlinge beoordeling

Barmhartige Vader, Rembrandt Harmenszn van Rhijn

    Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is.
En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden.
En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden;
laat los en gij zult losgelaten worden.
Geeft en u zal gegeven worden:  een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven.
Want met de maat, waarmee gij meet, zal u eveneens gemeten worden.
     Hij sprak ook een gelijkenis tot hen: Kan een blinde een blinde geleiden?
Zullen zij niet beiden in een put vallen?
Een discipel staat niet boven zijn meester, maar  al wie volleerd is, zal zijn als zijn Meester”. Luc.6: 36-40

Heer, heb Genade; Christus, heb medelijden met ons-.
Deze met nadruk steeds maar weerklinkende woorden, in onze diensten worden al eeuwenlang  geuit en vormen een geheugensteuntje aan de onuitputtelijke Genade van God ten opzichte van ons mensen, God alleen beschikt namelijk over een onfeilbaar mededogen en een allesomvattende vergevingsgezindheid.
Wanneer ik dat in de Blijde Boodschap, het onderwijs van onze Heer besef;
werkelijk Zijn Volgeling [Christen] wil zijn, dan dien ik hetzelfde bij mijzelf te overwegen. Onderken ik daadwerkelijk de noodzaak tot vergeving en kan ik diezelfde vergeving ook aan mijn naaste laten zien?

Genezing, inclusief hun gaven, mogelijkheden en beperkingen. Daarom zul je in de omgang en communicatie met hen op zoek moeten gaan naar passende vormen!

De indicatie blind of slecht ziend wordt ook in onze tijd als hinderlijk ervaren, niet alleen voor de patiënt maar ook voor de omgeving – wordt dit echter in deze gelijkenis bedoeld?  Dienen we dit net als de andere gelijkenissen, die te maken hebben met lichamelijke beperkingen, in de diverse gelijkenissen niet opnieuw naar onszelf te kijken. Zal er iets aan uw situatie veranderen wanneer onze Heer zijn handen uitstrekt en als schepper van het heelal ‘de grote trukendoos opentrekt’ en ons allen van onze lichamelijke beperkingen geneest? Hij kan dit, daar behoeft u in het geheel niet aan te twijfelen en wat zou dat een werkloosheid tot gevolg hebben in diverse sectoren. Machtigen vallen van hun troon en hebben het nakijken; komen tot de ontdekking dat ze ook maar mensen zijn, net als ieder ander.
Neen, Christus heeft het hier over een geheel andere bewogenheid, hij heeft immers de mensen lief en is er op uit – ieder van ons met zichzelf te confronteren. Christus roept ons op tot een bezinningsmoment toont ons de blinde vlek van het moderne  mensbeeld – het begrip, blind, doof en verlamd staat bij Christus in een relatie van gelijkenis tot deze dingen. Wij brengen onszelf in onze gehele of gedeeltelijke loochening van Gods bestaan ten val door een nietig avontuur onszelf tot God te verheffen. Bij God is namelijk helemaal geen sprake van Macht, Wijsheid en Goedheid, neen ons menselijke christenreis is helemaal niet zo goed, we zijn niet wijs we zijn evenzo blind als wij  begeleiders van de blinden zijn.

Wij spreken het gebed “Heer, ontferm u” als het ware onbewust in een trance uit, zijn ons niet meer bewust van de werkelijke inhoud van dit gebed.  We ervaren in onze Hoogmoed niet meer dat wij ons wenden tot de Almachtige, Die over alles beschikt en oppervoogd is van de mensheid is. Wij vragen om het inzicht, onze geest te verhelderen, door de Heilige Geest, Die ons onszelf en ons doen en laten voor ogen stelt, als inval, om zo de uitzonderlijke toestand waarin we verkeren te begrijpen. Het gebed, “Heer, geef ons Uw Genadegaven; Christus heb medelijden met ons” onthult ons het Godsbeeld, God, Die een ‘al vervullende’ eenheid in drie personen is. God volbrengt alles, Hij maakt perfect, Hij is de Schepper van alles, van de Hemelen, de Hemel en de aarde.
God is een zelfstandig Wezen, staat op Zichzelf, wordt niet bewogen door iets anders; Hij is de onbewogen beweger, Hij bestaat ‘zonder stoffelijk Lichaam, of vorm of tijd.
Wat wij verwachten is een hoger op komen naar God, naar Zijn Wil en Welbehagen, naar Zijn Hemels Koninkrijk, waar wij “  in de Opstanding huwen met Hem, maar waar wij -als ons mensen- zelf niet huwen of ten huwelijk en worden genomen, maar zijn als de Engelen in de Hemelen”.
conf Matth.22-30
Dit omvat een moeilijk bereikbaar program, dat Christus Zich te verwezenlijken heeft gesteld: 
Van mensen, aan een lichaam gebonden, engelen van zuiverheid te maken en hen hiermee te vervolmaken. De hogere bovennatuurlijke Liefde tot God, Zijn Vader, te laten overheersen boven de zinnelijke en hartstochtelijke liefde voor de wereld en haar natuur. De laagstaande strevingen van het zinnelijke beheers-vermogen vervangen door betere idealen: de Wil van God volbrengen en daarmee Gods Welbehagen verdienen.
En om dit alles; Zich in in het reine en zoveel mogelijk ‘ongeschonden door het leven trekken’; onszelf te beheersen. Dit zwaarwichtig program, vooral in een tijd van verval – zoals onze weelderige omgeving:
  Hoor dan, Israël [Kerk], en onderhoud ze naarstig, opdat het u wel ga, en opdat gij zeer talrijk wordt, zoals de Heer, de God van uw vaderen, u heeft toegezegd, in een land, vloeiende van melk en honing;  Want de Heer, uw God, brengt u in een goed land, een land van beken, bronnen en wateren, die in de dalen en op de bergen ontspringen; Een land van tarwe en gerst, van wijnstokken, vijgenbomen en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen en honing; een land, waarin gij niet in armoede uw brood zult eten, waarin gij aan niets gebrek zult hebben; een land, waarvan de stenen ijzer zijn en uit welks bergen gij koper zult houwen. Gij zult eten en verzadigd worden en de Heer, uw God, prijzen om het goede land dat Hij u gaf”. 
Deut 6: 3; 8: 7-10 

Het zal voldoende duidelijk zijn dat onze innerlijke verbondenheid niet de natuur beschrijft, die God ons overduidelijk meegaf – dit zien, dit horen, dit voortgaan op de geestelijke weg – bevindt zich in het hart, welke slechts door de Heilige Geest in vuur en vlam gezet kan worden, zodat wij in staat zijn Gods wegen te bewandelen. Het betreft een theïstisch en op Christus gerichte gesteldheid, een christelijke basisopstelling, die slechts via regelmatig contact met de christelijke gemeenschap gehandhaafd kan worden. Het hart van het volk is bedwelmd, zijn lichaam verweekt, zijn onderscheidingsvermogen tussen het lichamelijk geoorloofde en het zondige verbodene; zijn gedachtengang wordt ondermijnt. Christus alleen met Zijn goddelijke scheppingsmacht kan hier de wereld van gedaante doen veranderen; daarom is regelmatige deelname aan de Mysteriën noodzakelijk. Zijn goddelijke Verschijning, Zijn meer dan engelachtige Zuiverheid in een menselijk Lichaam; Zijn onwrikbare gebondenheid aan de Wil van de Vader, Zijn Genadegaven, Zijn Verlossing, dat alles tezamen zal Zijn Blijde Boodschap, Zijn Pedagogie, Zijn Leer van het – Zich in in het reine, zoveel mogelijk ‘ongeschonden door het leven trekken’ te beheersen- met bovennatuurlijke Kracht aan de wereld opdringen. Het zal onder de zielen, die Hem oprecht aanhangen, een nieuw vuur ontsteken, dat allen in heilige geestdrift ontvlamt dor Zijn ideaal; de overgave aan de Wil van God en het Welbehagen van God te stellen boven het behagen in de eigen zinnelijke, op de wereld gerichte, wil.
Daar gaat Jezus in Zijn Leer van uit, om eerst de afzonderlijke zielen van Zijn reine Geest te vervullen; wat schuldig was, te redden. Dan is de eeuwenoude verbintenis van mensen onderling  -in het Huwelijk- terug te voeren naar de oorspronkelijke Wil van de Schepper [‘Theosis’]. Uiteindelijk komt God Zelf, via Zijn Zoon en Heilige Geest een tot dan toe onbekend wonderwerk creëren: onder de mensen van vlees en bloed een engelenstaat van ongerepte maagdelijkheid in te stellen.

Daar knielt dan een jongeman aan Zijn voeten en vraagt: “Wat moet ik doen om het eeuwig Leven te verkrijgen?”. En Jezus, de Heer en Meester van het Leven antwoordt: “Ge kent de geboden”, en hij noemt er enige op, waaronder ook het zwakke punt van de gevallen mens: ” Ge zult geen dingen met onzuiverheid bedoelingen doen”. En de jongeman kijkt de Meester trots -fier als een gieter [voor de Vlamingen]- in de ogen en verklaart: “Meester, dat heb in onderhouden vanaf mijn jeugd, Wat ontbreekt mij nog?”. En dan staat er dat zijn ‘Heer en Meester  de jongeman aankeek en van hem hield [conf. Marc.10:17-21].
Christus ontmoet een jongeman uit de wereld, met een reine ziel, onbedorven vanaf zijn jeugd. In die dagen van openbare zondigheid, ontrouwe echtgenoten en wat al niet meer zij, zoals in onze dagen, bestaan er nog jongeren, die oprecht geloven, die Gods Wil bovenaan stellen om Gods Welbehagen te verdienen. Het is niet ondenkbaar dat deze rijkeluiszoon dat deze jongeling niet de volle kracht van het leven gekend zou hebben, wanneer ook hij niet in aanraking geweest was met zijn gelijken, die toch zijn gelijken niet waren in hogere geestelijke idealen. Zo dient de hartstocht van de jeugd toch ook op deze ziel zijn afgestormd, om te bekoren en te verleiden en naar beneden te halen. Want zo is het nu eenmaal de werking van Gods Voorzienigheid, die door strijde de jeugd wil harden – door lastige fantasieën toe te laten, waar niet om gevraagd wordt en toch met kracht verworpen dienen te worden en die juist daardoor de wil om niet te zondigen sterker maken. Zijn wil om -de goddelijke wetten- nauwkeurig na te volgen maakte hem sterk, om zich boven alle zwakheid en -vernedering te vallen- te verheffen. Eenmaal ‘Gods Wil is Wet’ boven z’n eigen zinnelijke wil te stellen, jaagt de menselijke ziel voort naar het volledig Welbehagen van God en dit doet de ‘Heer en Meester’ van ons leven glimlachen.

Voor het leven gekruisigd, een monniksleven

Jezus houdt Zijn volgelingen voor: “     Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is. En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden;  laat los en gij zult losgelaten worden. Geeft en u zal gegeven worden” . Zo is de mens bedoeld vanaf het begin van de schepping af, zo dient de mens te zijn – rein vanaf z’n jeugd.
Onbezoedeld, ongekreukt, zuiver als een pasgeboren lam, omdat het hart van de mens, de liefde, de wil allereerst aan de Schepper toebehoort, niet aan het schepsel, niet aan zichzelf of een ander.
De mens mag in zijn onschuldige speelsheid genieten van de levendige natuur om hem heen; God laat hen zingen, dansen en springen en zich uitvieren in een wilde levensloop. De mens ademt met volle teugen de frisse geur in van het leven en God ziet met welgevallen op de mens neer en bemint ze, wanneer zij worden als kinderen. Kinderen zien nog geen kwaad, hebben aanvankelijk geen eigen wil, de tegenstrever heeft er nog geen vat op, omdat zij niet weten wat goed en kwaad is. Het Gods kind – en dat dienen zij te zijn ten opzichte van God, onze Vader, legt zich neer in het Welbehagen van God, in het volbrengen van Zijn Wil, wat die Wil ook van het kind vraagt.

Wij zijn kinderen Gods en hebben reeds een leven achter ons, velen weten echter niet eens dat de Blijde Boodschap ons tevens beveelt juist wèl te  oordelen. Onze ‘Heer en Meester’, Jezus Christus beval: “oordeelt een rechtvaardig oordeel” [John.7: 24]. Hij zei immers eveneens tot een mens: “Gij hebt Recht geoordeeld” [Luc.7: 43). Aan anderen vroeg onze Heer: “En waarom oordeelt gij ook van uzelf niet, wat recht is?” [Luc.12: 57]. En de apostel Paulus schreef: “Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt [κρίνω= een menig hebben, oordelen] gij, hetgeen ik zeg” [1Cor.10: 15]. En opnieuw: “Doch de geestelijke [mens] onderscheidt [ανακρίνω= ondervragen, de tegenpartij beoordelen] wel alle dingen, maar hij zelf wordt door niemand onderscheiden” (1Cor 2: 15)1. Het is dus onze positieve christelijke plicht om te onderscheiden; dat is iets wat een volwassen, door de wol geverfd kind wordt opgedragen. En wanneer je het onderscheid hebt gemaakt wordt je gezegd, dat God temidden van de mens woont en in hen [in hun hart] Tempel maakt, Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn Volk zijn en na het onderscheid tussen goed en kwaad te hebben gemaakt krijg je de opdracht: “      Daarom gaat weg uit hun midden en scheidt u af, spreekt de Heer en houdt niet vast aan het onreine en Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot Vader zijnen gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heer, de Almachtige”. 2Cor.6: 14-18 “en heb een afkeer van dezen”. 2Tim.3: 5
En wij bevelen u, broeders, in de Naam van onze Heer Jezus Christus, dat gij u onttrekt van een iedere broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft”. 2Thess.3: 6
Het zou onmogelijk zijn deze dringende verzoeken in Gods Woord te gehoorzamen indien wij niet het recht hadden om te oordelen!  En onthou: niets is “goed” in Gods ogen wat niet waar is, wat niet gedaan wordt in Zijn Woord.
De mens wordt dus in z’n waarde gelaten, behoeft dus echt niet als makke schapen achter een gewijd mens aan te lopen; ook daarin wordt verwacht een kritische blik te hebben.
In plaats van een verbod tegen eerlijk oordelen is dit een ernstige waarschuwing tegen hypocriet oordelen. In feite beveelt het juist een oprecht oordeel aan. En zij die dit doen kunnen niet ontsnappen aan Gods oordeel over degenen die Zijn Woord verkrachten: “      een en ander is moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens de overige schriften”. 2Petr.3: 16
God wil dat Zijn kinderen zijn zoals de nobele Bereeërs; De gelovige Bereeërs werden geprezen wegens hun openhartig luisteren naar onderwijs dat zij nog nooit hadden gehoord. Ze kregen het  voor het eerst te horen. De Grieken/ de Atheners echter, niet de Bereeërs, maakten het onderwijs van Paulus tot een politiek en maakten hun standpunten over zowat elk onderwerp waarover zij hoorden. conf Hand.17: 18-21
De kracht van de Bereeërs echter was dat zij zich aan de Schriften hielden.
Wanneer zij met iets werden geconfronteerd luisterden ze aandachtig en wat deden zij daarna, zij onderzochten dus of deze dingen zo waren!
Indien zij iets gevonden hadden in Paulus zijn boodschap dat door de Schriften werd weerlegd, zouden zij het onmiddellijk hebben verworpen. En daarom werden zij ‘edel’ en ‘nobel’ genoemd.
Teveel gelovigen van vandaag de dag zijn meer als de Grieken/ de Atheners dan als de Bereeërs. De Atheners wilden eigenlijk niet eens een nieuwe leer, welke zij vernamen, bespreken – en wilden dit zelfs niet in het Licht  van Christus Blijde Boodschap overwegen. De meest verstandige koers voor ons christenen is dan ook – ook al beschikken we over weinig tijd en mogelijkheden, dingen die we ontmoeten te toetsen aan de Gods Leer, de Blijde Boodschap. Naarmate we dat doen is de kans groot dat we geestelijker sterker en tot een hogere ontwikkeling komen. Deze vastenperiode is een tijd waarin we geholpen worden ons voor te bereiden op Pasen, door te vasten, te geven aan mensen in nood en biddend na te denken over de richting ons leven bepaalt.
Jezus houdt ons voor “wees barmhartig, zoals jullie Vader barmhartig is“.
Aanvaard je God, jouw Vader in de Hemelen als barmhartig en ruimhartig, of als een Persoon, Die  erop uit is om jou te veroordelen?
Wat vind je van het beeld van “een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat in je schoot“? Hoe werkt dat en voel jij je tegenover God?

Hoe zit het met de woorden, “niet veroordelen, en u zult niet veroordeeld worden. Vergeef, en u zal worden vergeven “? Heb jij het idee dat wij mensen het als prettig ervaren om mensen om zich heen liever te veroordelen dan om hen te vergeven?
Waarom denk je dat juist dit zo veel voorkomt?
    Gij onverstandigen, leert schranderheid, gij dwazen, verstaat het met uw hart. Hoort, want ik zal verheven dingen spreken en mijn lippen openen tot wat recht is. Want waarheid spreekt mijn gehemelte, een gruwel voor mijn lippen is de goddeloosheid. Al de woorden van mijn mond zijn in gerechtigheid gesproken; niets daarin is verdraaid en verkeerd. Zij alle zijn voor de verstandige juist, betrouwbaar voor wie kennis gevonden hebben. Neemt mijn vermaning aan en niet zilver, en kennis boven uitgelezen goud. Want wijsheid is beter dan koralen, al wat men zou kunnen begeren, kan haar niet evenaren. Ik, de Wijsheid, woon bij de schranderheid en ik verkrijg kennis door overleggingen. De vreze des Heren is het kwade te haten; hoogmoed en trots en boze wandel en een mond vol draaierijen haat ik. Van Mij zijn raad en overleg, Ik ben het inzicht; van Mij 
is de Kracht”. Spr.8: 5-14
Het is tevens een oude wijsheid, die zegt “ Laat alles los en laat God Zijn werk doen”. We kunnen ons uiteraard vrijelijk aan God/anderen overgeven en dingen maar op hun beloop laten. Ik heb het idee dat dit niet de bedoeling is, maar ik kan wel èn vertrouwen op God èn de grotere en betekenisvolle patronen in het leven bestuderen en tot de ontdekking komen dat Gods Leven zich in ons christelijk leven heeft verweven.
Langzamerhand heb ik ontdekt dat de Blijde Boodschap en het verhaal van mijn leven met elkaar verweven zijn, als draden in die oude vriendschapsbanden die in het grote boek des levens beschreven staan bevestigt; draden, die zowel vreugde als lijden opleveren in felle discussies, confrontaties, die bijdragen aan het patroon van onze verhalen met God.

Orthodoxie & Het vasten voor het aanschijn des Heren

Zelfs mensen die nauwelijks iets over God en gebod weten maar al te goed en zijn zich ervan bewust dat wanneer zij de uitspraak ‘Farizeeër’ [Pilaarbijter] horen, dat zij moeilijkheden zullen tegenkomen. Je kunt er op wachten of je zult het woord schijnheilige of ‘hypocriet‘ tegenkomen.
Het is ook bekend dat dit soort mensen er stilletjes vandoor gaan en in nogal zelfgenoegzaamheid 
uit het zicht verdwijnen wanneer onze ‘Heer en Meester’ hen hierop aanspreekt en hen ziet wegduiken. Onze Heer en Verlosser, die de mens volledig doorziet, spreekt hen namelijk aan op het feit dat zij niet in praktijk brengen wat wij met de mond verkondigen. Sterker nog Hij maakt ze ergens uit voor ‘witgepleisterde graven’.

Maar wacht eens even; over wie heeft deze mensenredder het eigenlijk; over wie gaat hier in de Blijde Boodschap? Jezus heeft het hier helemaal niet alleen over mensen die een lange tijd geleden leefden; zelfs niet ‘alleen’ over religieuze beroepspredikers.
Zouden die scherpe woorden van onze Heer en Zaligmaker ook niet eens over jou en mij kunnen gaan? Van schriftgeleerden en de Farizeeën wordt gezegd dat zij anderen zware lasten opleggen en zelf de dans ontspringen. Wat voor beeld hebben wij wel niet van bepaalde mensen?
Het is een van de kenmerken van de val waar we allemaal inlopen, de hoogmoed, welke immers de moeder van de zonden is. Zou het dan niet zo kunnen zijn dat Jezus het over mij heeft?
Ben ik niet degene, die van anderen van alles verwacht en er zelf de kantjes afloopt. Ligt het aan mij, die graag aan anderen blijk geef mijn persoonlijke positie, mijzelf graag vooropstel?
Is het niet zo dat degene, die het grootste wil zijn, aller dienaar behoort te zijn?
Ben ik niet gewoon maar een omstander, uit de menigte, die de Pedagogie van de Heer aanhoor en vervolgens m’n eigen geliefde leventje zonder de anderen voortzet?
Ben ik zelf niet iemand, die ontzettend trots, arrogant of het best met mijzelf getroffen heeft, in plaats van degene die zich ervan bewust is dat ik zwakheden en tekortkomingen bezit?
Weet ik wel dat ik geen seconde langer zou kunnen doorbrengen als mij dit niet van boven gegeven is, niets zou klaarspelen zonder de hulp, de liefde en de Genadegaven van God?

In de vroegchristelijke Kerk, – en we komen dit met name tegen in de Paulus’ brieven, – was  de christelijke verwachting zo groot, dat de eerste christenen na Jezus Kruisdood en Verrijzenis, ervan overtuigd waren, dat Hij spoedig weer zou verschijnen en dat ze heel spoedig zouden deelnemen aan de verlossing, nieuwe leven, waar Hij al was binnengegaan.
Ze verwachtten de Parousie [Παρουσιε = aanwezigheid], zoals dat heette en zagen er naar uit.  Die was voor hen aanstaande. Het woord ‘Parousie’ heeft een heel eigen betekenis in het kerkelijk taalgebruik. Er wordt mee bedoeld: de terugkomst van de Heer in de zichtbaarheid van de wereld. Na zijn éérste komst in de onbeduidendheid en zwakheid van het kind, geboren in de stal van Bethlehem, opgegroeid in Nazareth en in Jerusalem gestorven, zal er een twééde komst zijn, als de tijden voltooid zijn, niet meer in onbeduidendheid en geringheid, maar in zijn nieuwe, majesteitelijke gestalte als Heer en Rechter.
We bidden het in de geloofsbelijdenis: ‘Hij zal wederkomen om te oordelen levenden en doden en aan zijn Koninkrijk komt geen einde’. ‘Denk er aan’, zegt de Blijde Boodschap: ‘weest waakzaam’, want de Mensenzoon komt op een uur, waarop ge het niet verwacht. Dat vooral wilden de eerste christenen kost wat het kost voorkomen: dat ze niet waakzaam aangetroffen zouden worden, niet voorbereid zouden zijn op dat uur van ontmoeting met hun Heer voor altijd!
Het woord Parousie heeft dus een heel specifieke, kerkelijke betekenis, maar het woord had ook een heel alledaagse betekenis in het Griekse taalgebruik van toen. Het betekende zoveel als: ‘ik kom er aan, ik ben in de buurt, ik kom je bezoeken’. De laatste zinnen van de Blijde Boodschap verwoorden dit heel sterk: “Maranatha”, bidt de apostel Johannes met zijn gemeente, ‘Kom Heer Jezus, kom!’
En het antwoord staat er meteen na: “Ja, ik kom!”, d.w.z. ik ben al in de buurt, ik kom jullie bezoeken. Weest gereed! Het is een heel troostende, geruststellende boodschap voor die eerste christenperiode, toen er vervolgingen waren en de christelijke gemeenschap volop bedreigd werd.

-‘Lieflijk Licht’-, Dewelke de duisternis doet vergeten

Wij worden in deze en al de volgende vastenperioden uitgenodigd om de wederkomst van Christus net zo dichtbij te beschouwen als toen in die begintijd van het christendom. Dat behoeft in het geheel niet vreeswekkend te zijn. Integendeel, het heeft juist iets heel vertrouwds zijn, net zoals we ieder jaar opnieuw het Paasfeest verwachten, waarop wij ons dienen voor te bereiden.
Wij dienen ervoor te zorgen, dat, wanneer de Heer komt, Hij ons vindt als kinderen van de dag, kinderen van het Licht! [‘Doe weg de werken van de duisternis’, hoorden we Paulus al waarschuwen: ‘bekleed u met de wapenen van het Licht’]. Het blijkt eveneens uit de lezingen van deze vastenperiode waarin de profeet Jesaja ons aanwijzingen geeft wat het inhoudt: -“Met het Licht gewapend te zijn”-. Dat zal gebeuren, wanneer wij mensen de gebruikelijk wapens, aangeduid met ‘zwaarden’ en ‘speren’ [nu zouden we zeggen: met tanks en vliegtuigbommen] om weten te smeden tot ploegijzers, tot sikkels. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander, niemand zal nog leren oorlog te voeren; maak er maar maatschappelijke dienstplicht van – zodat kinderen leren wat zorg voor anderen betekent. Huis van Jacob, laat ons wandelen in het Licht! Leven we met dit visioen voor ogen? Of zijn we zo lamgeslagen, dat het verlangen om vredesmensen te zijn geblust is. Dat we murw zijn geslagen als we zijn door de hardnekkigheid van allerlei vormen van geweldpleging, van tweedracht, na-ijver en afgunst, die we om ons heen zien?
Wie echter niet in liefde z’n hart geopend heeft voor de mens naast zich, niet barmhartig was voor een hulpbehoevende en hard bleef in zijn binnenste, wie God vergevende liefde hooghartig afwees, tot zo iemand wordt gezegd: “ga weg van Mij vervloekten in het eeuwige vuur!Matth.25: 41. De bekende Nederlandse [Rooms-Katholiek] theoloog ‘Edward Schillebeeckx’, schreef in zijn boek ‘Verhalen van een levende’: “Wanneer er zulke vervloekten zijn, dan hebben dezen zelf het aanbod om Gods ‘barmhartige liefde’ te praktiseren, moedwillig en definitief geweigerd.  Zij hebben zo zelf ‘niet-bestaan over de dood heen’ over zich afgeroepen; niemand anders heeft hen dit aangedaan“.

Het Hemels Koninkrijk heeft te maken met een levensstijl waarbij aan Gods Woord de juiste plaats wordt gegeven; dat is de basis van onze christelijke geloofstraditie en die manier van leven is dat we geen twee heren kunnen dienen, we zullen immers de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. “Gij kunt niet God dienen én de mammonMatth.6: 24Wij bezinnen ons in deze periode op onze eigen roeping, om er te zijn voor anderen, te dienen en te geven.
Wie Christus’ woorden hoort, kan niet halfzacht beweren dat ‘God Liefde is en geen rechter”  Onze Heer is hevig verontwaardigd over de hoogmoedige arrogantie van zijn Volk, wanneer deze zijn naaste uitbuit, behagen schept in ontucht en de vreemdeling vertrapt. Niet alleen afgoderij verafschuwt Hij; Hij heeft ook afschuw voor een volk dat ontrouw is aan de goddelijke wetten, maar meent dat zijn toekomst verzekerd is, omdat het nu eenmaal het uitverkoren volk is, de erfgenamen. Gods woord maakte zich al meester van de Profeten en legt hun dezelfde scheldwoorden in de mond:
Welnu, ik zal u vertellen wat ik met Mijn Wijngaard ga doen. Zijn omheining haal ik weg, zodat deze kaal wordt gevreten . . . Een wildernis maak Ik ervan . . . distels en doornen groeien er hoog op en de wolken verbied ik om hem met regen te besproeien . . . Het dodenrijk opent zijn keel . . . luister en tumult verzinken erin, hun gonzende leven en luidruchtige vreugdeIsaiah 5: 5-6, 14.
De toorn van de Heer kan even verschrikkelijk zijn als zijn Liefde voor de mensen sterk is. Naast woorden van tederheid spreekt ook Jezus in andere contexten vreeswekkende woorden. De vriendelijke brave zielen bedriegen de kleingelovigen aangaande Gods Liefde door te zwijgen over de spanning die deze liefde bezielt. Het goddelijke Verbond stelt de mens telkenmale op de proef; Gods heiligheid eist van de mens dat hij zijn leven en zijn houding tegenover anderen in overeenstemming brengt met het project van de Schepper. Het behoort tot de Goddelijke Zelf-Openbaring, want ook negatief geeft God te kennen Wie en Wat Hij is, wanneer Hij, doordat de wereld is zoals zij werkelijk is, de niet ‘echt’ bestaande verwachtingen van de mens diep teleurstelt.

Het heilige Licht
ΑΓΙΟ ΦΩΣ
النور الإلهي

Tot afsluiting het volgende ter overdenking:
Onze God is een levende God, die waarlijk God is.
Geen enkele abstractie van de een of andere wijsgeer, ligt ver buiten bereik van alles wat onze ogen kunnen zien of ons verstand kan begrijpen. Welke volmaaktheid wij ook aan God toeschrijven, wij zullen er altijd bij moeten zeggen dat ons begrip maar een flauw analogie is van de volmaaktheid, die in God is en dat God niet letterlijk is wat wij met onze beperkte woorden bedoelen. God, het eindeloos Licht, is zo ontzagwekkend in Zijn Klaarblijkelijkheid dat ons verstand Hem slechts als duisternis kan zien. “Het Licht in de Duisternis en de duisternis heeft het niet begrepenJohn.3: 19

“Wanneer iets wat gezien kan worden, God kan zijn of Hem voor ons kan voorstellen zoals Hij is, dan dienen we verder te gaan dan alles wat gezien kan worden en de duisternis betreden [ook onze eigen duisternis].
Omdat niets wat gehoord kan worden, God is, dienen we de stilte [van de dove] binnen te gaan, om Hem te vinden [ook onze eigen doofheid te onderzoeken]. Omdat God niet door onze kleinmenselijke verbeelding kan worden opgeroepen, is alles wat onze verbeelding ons over Hem zegt, in laatste instantie een leugen en daarom kunne wij God niet kennen zoals Hij is, tenzij wij verder gaan dan alles wat wij ons kunnen voorstellen en de duisternis betreden zonder de gelijkenis van iets wat geschapen is. En omdat God niet kan worden gezien of verbeeld, zijn visioenen van God, die de Heiligen hebben gehad en waarover wij lezen niet zozeer visioenen van Hem; want iets als mens zien is niet God zien.
Aan de andere kant voelt de mens – hetgeen wij intuïtie noemen – dat er Vrede is te vinden in het hart van deze duisternis. Wie zijn geest niet laat terneerslaan en verontrusten door dorheid, onmacht, maar zich [in deemoed] vredig door God laat leiden door de woestijn van het leven en geen andere steun of leiding verlangt dan die van het pure Geloof en Vertrouwen in God alleen, zal tot een diepe vredige vereniging met God worden gebracht. God antwoord op ons -uit de diepte- van ons smeken.
Wie niet vreest al zijn geestelijke vorderingen in Gods hand te leggen, gebed, deugd, verdienste, genade en alle gaven in bewaring te geven aan Hem van Wie ze alle voortkomen/ afkomstig zijn, zal spoedig worden geleid naar de vereniging met datgene wat wij God noemen”.
Thomas MertonSeeds of Contemplation [1949]

Orthodoxie & een slecht liefdesresultaat als gevolg van onze zonden

“En zij herkenden Hem . . . . .”

      Daarom doet het dodenrijk zijn keel wijd open en spert het zijn muil op, mateloos, zodat daarin verzinkt de luister van dit volk, zijn menigte, zijn gedruis en al wat daarin dartel is. Dan wordt de mens verlaagd en vernederd, ook worden de ogen van de hoogmoedigen vernederd.
       Maar de Heer der heerscharen wordt verhoogd door Recht en de Heilige God wordt geheiligd door Gerechtigheid. Dan zullen de schapen grazen als op hun eigen weide, en vreemdelingen zullen in de puinhopen der weldoorvoeden zoeken wat van hun gading is.
      Wee hun die de ongerechtigheid tot zich trekken met koorden van valsheid en de zonde als met een wagentouw; die zeggen: Hij dient Zich te haasten, Hij dient snel te zijn in het volvoeren van het werk, opdat wij het zullen aanschouwen; het Raadsbesluit van de Heilige van Israël zal naderen en komen, opdat wij het leren kennen.
     Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad; die duisternis voorstellen als licht en licht als duisternis; die bitter doen doorgaan voor zoet en zoet voor bitter.
     Wee hun die in eigen oog wijs zijn en in eigen oordeel verstandig.
     Wee hun die helden zijn in het drinken van wijn en dapperen in het mengen van bedwelmende drank; die voor een geschenk [uit eigenbelang] de schuldige vrijspreken en de rechtvaardige zijn gerechtigheid ontnemen. Daarom zal, zoals een vuurtong stoppelen verteert en brandend stro ineenzinkt, hun wortel als molm worden en hun bloesem als stof opstuiven, omdat zij de Wet van de Heer der Heerscharen verworpen en het Woord van het Heilige Israël [de Kerk] hebben versmaad. Daarom is de toorn des Heren tegen Zijn volk ontbrand en heeft Hij zijn hand daartegen uitgestrekt en slaat Hij het, zodat de bergen beven en de lijken midden op de straten liggen als vuilnis. Ondanks dit alles keert zijn toorn zich niet af en blijft zijn hand uitgestrekt”.
Isaiah 5: 15-25

      De Heer der Heerscharen heeft mij als een leerling leren spreken om met het Woord de vermoeiden te kunnen ondersteunen. Hij wekt elke morgen, Hij wekt mij het oor, opdat ik hore zoals leerlingen doen. De Heer heeft mij het oor geopend en ik ben niet weerspannig geweest, ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug heb ik gegeven aan wie sloegen, en mijn wangen aan wie mij de baard uittrokken; mijn gelaat heb ik niet verborgen voor smadelijk speeksel. Maar de Heer helpt mij, daarom werd ik niet te schande; daarom maakte ik mijn gelaat als een keisteen, want ik wist, dat ik niet beschaamd zou worden.
       Hij is nabij, die mij recht verschaft; wie wil met mij een rechtsgeding voeren? Laten wij samen naar voren treden. Wie zal mijn tegenpartij in het gericht zijn? Hij nadere tot mij.
       Zie, de Heer helpt mij, wie zal mij dan schuldig verklaren? Zie, zij allen vergaan als een kleed, de mot zal ze verteren. Wie onder u vreest de Here, wie hoort naar de stem van zijn dienaar?Wanneer hij in diepe duisternis wandelt, van licht beroofd, dient hij op de Naam des Heren te vertrouwen en slechts op zijn God te steunen”. Isaiah 50: 4-10

      Drink dan water uit uw eigen regenbak en welwater uit uw eigen bronput. Moeten uw bronnen op straat overstromen, [uw] waterbeken op de pleinen?  Zij moeten voor u alleen zijn, niet voor vreemden nevens u. Uw bron zij gezegend, verheug u over de vrouw van uw jeugd: Een liefelijke hinde, een bekoorlijke ree; laat haar boezem u te allen tijde vreugdedronken maken, wees bestendig verrukt over haar liefkozingen. Waarom zoudt gij dan, mijn zoon, afdwalen naar een vreemde, de boezem van een onbekende omarmen?
      Want voor de ogen des Heren liggen ieders wegen open, Hij weegt al zijn gangen. Zijn ongerechtigheden vangen de goddeloze, in de strikken zijner zonde raakt hij vast. Hij sterft, omdat tucht hem ontbreekt, door zijn grote dwaasheid verdwaalt hij. Mijn zoon, indien gij borg zijt geworden voor uw naaste, voor een vreemde uw handslag hebt gegeven; als gij verstrikt zijt door de woorden van uw mond, gevangen zijt door de woorden van uw mond;  Doe dan toch dit, mijn zoon, en red u, want gij zijt in de greep van uw naaste gekomen: ga, klamp uw naaste aan en bestorm hem; gun uw ogen geen slaap en uw oogleden geen sluimering; red u als een gazelle van de vangst, als een vogel uit de hand van de vogelaar. Ga tot de mier, gij luiaard, zie haar wegen en word wijs: hoewel zij geen aanvoerder heeft, noch leidsman, noch heerser, bereidt zij in de zomer haar brood, verzamelt zij in de oogst haar spijs”. Spr. 5: 15-6: 8

Ja, onze Heer en Zaligmaker hoort de stem van onze smeking, maar tegelijkertijd ziet Hij de marginalisering [onze onvolkomenheden, waarbij minderheden minder belangrijk of invloedrijk worden], de hongersnood in de wereld, het analfabetisme, het dom houden van de massa en veel van dergelijke tragedies die stiekem in ons wezen zijn binnengeslopen, welke het gevolg zijn van onze zonde. Slechts God alleen kan ons getrouwe liefde en houvast geven, in alle tederheid ook alomvattende vergeving. In bovenstaande Oudtestamentische lezingen horen we hoe we standvastig kunnen zijn in het Geloof en van de manieren waarop God ons in welke strijd dan ook terzijde staat. Je zult tevens de woorden van onze Heer Jezus Christus tegenkomen over hoe je jouw naasten de andere wang dient toe te keren wanneer je met tegenstand wordt opgezadeld. Vooral in de komende week dienen we gezamenlijk op te komen voor ons Geloof, ook al is het niet altijd gemakkelijk voor een visie op te komen, die ondergeschikt is aan de meerderheid. Misschien zul je jezelf eenzaam voelen, geïsoleerd, of misschien blij omdat je -nu eens- een keer voor je Geloof kunt opkomen en je ronduit je mening in het openbaar kunt uitbrengen. Herinner je bij deze daad aan de Blijde Boodschap van de Heer en hoor de echo van Isaiah, die bij de uitdagingen, die hij tegenkwam steeds opnieuw inzag dat hij door de Heer werd geholpen.
Omdat de Heer mij bijstaat . . . zal ik in datgene wat ik doe, niet beschaamd worden‘. Wanneer je de gevolgen ziet van je stemgedrag zal je achteraf voor altijd met Isaiah kunnen vaststellen: “Het is de Heer, mijn God, Die mij helpt?”.

– kijk op de wereld –

Het is het resultaat van de zonde van alles en iedereen om ons heen, die maar voor zichzelf bijeen vergaard/verzameld en zich verenigt teneinde nòg méér winst voor zichzelf binnen te halen.
Het is ook de zonde van degenen die niets bezitten, omdat zij de strijd niet zijn aangegaan om hun lot te verbeteren, die slechts met onverschilligheid en luiheid worstelen om hun situatie de tegenovergestelde richting te doen opgaan.
Maar hun onvermogen ligt vaak ook niet aan hen, omdat ze gebonden zijn aan specifieke en onsmakelijke regimes, die het hen onmogelijk maken, ja, hen zelfs niet in staat stellen -om het even welke- vooruitgang te boeken. Het is dus een combinatie van de zonde van beide partijen.  Ik zou daaraan willen toevoegen: het is een zonde onrechtvaardig onderdrukkende autoritaire regimes in stand te houden die niet aan de voorwaarden voor de voortgang van haar burgers voldoen, maar zichzelf eerder verrijken dan te doen waar zij door God de eerste viool mogen spelen.

Sinds mensenheugenis is de mens gelovig geweest, bleven zij -ten alle tijde- op zoek naar het hogere, -naar God-, zij vonden hun weg naar hun hogere, innerlijkste gevoelens / naar de Heilige Geest zoals wij christenen dat noemen – via hermetische [alchemie] kunstgrepen, zowel als joodse, gnostische godsdiensten en uiteindelijk het christendom en de islam.
Het meest verbazingwekkende over dit zoeken naar God is de steeds toenemende omvang, aangezien het volgende steeds aan het voorgaande werd toegevoegd – ook daarin zijn wij mensen geëvolueerd en hebben nooit enige vorm van Geloof in God afgewezen.
We gebruiken immers nog steeds oude gewoonten en rituelen uit respect voor elkaars gedachten en overwegingen. Wij doen dit niet alleen uit respect en acceptatie van de ander, maar uit eerbied voor elkanders sterke neiging tot vervolmaking/ vergoddelijking [“Theosis’].
Laten we daarmee de positieve bevindingen van elkaar overnemen en onszelf de ruimte geven/gunnen van elkaar te leren, in plaats van ons te richten op extremisten.

Eigenschappen van de Kerkvaders  – ιδιότητες των Πατέρων της Εκκλησίας
– خصائص آباء الكنيسة

Al van oudsher hebben filosofen, kerkvaders en heiligen en grote wetenschappers elkaar opgezocht – het was niet voor niets dat ook de woestijnvaders door hen bezocht werden. Zelfs het ‘Egyptisch dodenboek’ werd alom bestudeerd, omdat de mens eveneens het idee had dat de dood slechts een poort zou zijn naar een ander leven, een ander Licht; en zelfs in slechte tijden bewaarden zij hun gevoel voor humor, het is immers ‘de manier’ van leven betreft, die het leven aanzienlijk gemakkelijker maakt. Hedendaagse moslims genieten eveneens van het luisteren naar de Heilige Koran alsmede bestuderen zij met liefde de teksten en muziek uit vroegere tijden; het eerste is van belang voor hun ziel, terwijl het tweede ook hen goed doet. Ook in hun cultuur komen grote schrijvers voor, die bekend zijn geworden door hun gevoelens te uiten; ook zij bidden/baden tot God en bewaarden op deze wijze een rein geweten.
Het is onze onvolkomenheid, onze inhaligheid, ons koloniaal verleden, die hen tot op heden ongeletterd en dom hebben gehouden; vinden wij het dan nog verwonderlijk, dat nu zij door droogte en honger gedreven op onze weelde afkomen? Vinden wij het dan nog steeds verwonderlijk dat onontwikkelde jongeren -in onze voorsteden- in opstand komen en zich uit onvrede met hun omstandigheden in machteloosheid proberen uiting te geven van het feit dat zij achtergesteld/onderdrukt worden? Wij, ook al hebben wij het misschien ook niet breed, zijn door ons stemgedrag veroorzakers van de hoogmoed van anderen; los van het feit of wij ons links, rechts of in het midden bevinden.
Wij dienen ons af te vragen, wat wij persoonlijk hebben gedaan om het tij te keren – onze manier van leven vervuilt de aarde, waardoor klimaatverandering ontstaat en in midden Afrika momenteel talloze mensen -zelfs de kleinsten onder hen- van honger en dorst omkomen.

      Voorwaar, Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn in de dag van het oordeel dan voor die stad. Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven. Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u over- leveren aan de gerechtshoven en zij zullen u geselen in hun synagogen; gij zult ook geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen en voor de volkeren”.
Matth.10: 15-18                

een “Ster” zal opbloeien
uit de Joodse gemeenschap

Ik geloof dat we weliswaar kunnen zeggen dat de jongeren vandaag de dag opstandig/revolutionair zijn. Ik stel daarbij vast dat de democratie in onze omgeving zich in dezelfde omstandigheden bevindt als een lam tussen een troep rondzwervende wolven, deze wolven hebben géén inzicht in de werkelijke psychologie van de volkeren, sommige hebben het idee dat ze ons land kunnen regeren door

compromissen af te sluiten en hier & daar wat te regelen en belastingen en boetes op te leggen, ja zelfs met een geldsom een eventuele straf weten te ontlopen. Dictators, die hun volk hebben ontwricht, sluizen miljarden naar een land waar ze toch niet te grijpen zijn.

Over dit soort wolven wil ik in deze verkiezingsstrijd de nadruk leggen, want het overgrote deel zijn slechts goed georganiseerd omdat zij overvloedig gefinancierd worden door rijke buitenstaanders, die de vooruitgang alleen maar willen stagneren, teneinde er zelf beter van te worden.
Zij misleiden eenvoudige en naïeve mensen door slechts in te gaan op de angsten, die onder de bevolking leven en daar voor zichzelf goed garen mee te spinnen. Zij beheersen de vooruitgang en maken slim gebruik van universiteiten; niet om onze jeugd zich optimaal te laten ontwikkelen, zodat zij zich van hun vrijheden en ontwikkelingsmogelijkheden bewust zijn. Zij sluiten ons af voor persoonlijke ontwikkeling, door op cultuur, gezondheidszorg en herstel van eigen falen weg te bezuinigen en maken de kloof tussen rijk en arm alleen maar groter.
Hebben wij nu ècht nog het idee dat je het gevecht met de elite wint door middel van verkiezingen; dat er werkelijk een verandering op gang wordt gebracht? Ik durf er m’n hand voor in het vuur te steken dat wij -deze strijd om persoonlijk ontwikkeling alleen maar zullen verliezen- wanneer wij ervan blijven uitgaan, dat de wereld verandert omdat u toevallig op uw favoriet hebt gestemd. Wij bevinden ons in het ondermaanse namelijk in ballingschap – de echte mentaliteit tot verandering bevindt zich in Goddelijke Inspiratie welke bij steeds meer mensen begint te ontbreken.

    Zalig de onbevlekte op z’n levensweg, die wandelt in de Wet van onze Heer.
Zalig die Zijn getuigenissen overwegen, die Hem zoeken met geheel hun hart.
Want zij die ongerechtigheid doen, wandelen niet op Zijn wegen.
Gij gebied immers Uw geboden strikt te onderhouden. Mogen mijn wegen gericht zijn op het onderhouden van Uw Gerechtigheden. Dan zal ik niet beschaamd staan, als ik mijn ogen gericht houd op al Uw Geboden. Ik wil U belijden in oprechtheid van het hart, door de oordelen van Uw gerechtigheid te leren. Uw gerechtigheden wil ik onderhouden: geef mij niet prijs tot aan het einde”. cf. Psalm 118[119]: 1-8

miniatuur Chrysophoros, ‘Christus als Pedagoog op z’n rug’.
– μικρογραφία Chrystophoros, «Ο Χριστός ως παιδαγωγός στην πλάτη του»
– مصغرة Chrystophoros، “المسيح هو مرب على ظهره”

Wat mij pijn doet is dat de hand van de Allerhoogste steeds meer wordt ontkent, terwijl wij om ons heen Zijn Macht en oordelen kunnen onderscheiden. Daarom zeg ik God, heeft aan de wereld het Licht der kennis geschonken. Want de wijzen, die de sterren vereerden, hebben door een ster geleerd, Hem te aanbidden als de Zon der gerechtigheid en Hem te erkennen als de Opgang [‘het Succes’] uit den hoge.
Wie is zo groot als onze God? Gij zijt de God die wonderen doet, Gij hebt onder de volken van oudsher Uw Macht doen kennen. Dat de rechterhand van de Allerhoogsten onze wereld mag veranderen”.
Koning Salomo vroeg als Zijn knecht aan Onze Heer: “Geef mij een opmerkzaam hart, opdat ik uw volk zal richten, door te onderscheiden tussen goed en kwaad, want wie zou in staat zijn dit uw talrijk volk een bepaalde richting doen opgaan?”. En God antwoordde hem:
    Omdat gij dit gevraagd hebt en voor u geen lang leven hebt gevraagd,  geen rijkdom, en ook niet gevraagd hebt het leven van uw vijanden, maar  voor u inzicht hebt gevraagd om een rechtszaak te kunnen horen, zie dan, Ik doe naar uw woord;
zie, Ik geef u een wijs en verstandig hart, zodat uws gelijke voor u niet geweest is, noch na u zal opstaan
”. 1Kon.3: 9, 11-12
      En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand en een begrip, zo
wijd als het zand aan de oever van de zee, zodat de Wijsheid van Salomo groter was dan die 
van allen uit het Oosten, en dan al de Wijsheid van Egypte. Ja, hij was wijzer dan alle mensen, dan de Ezrachiet Etan en Heman en Kalkol en Darda, de zonen van Machol, zodat hij naam had onder al de volkeren rondom.
Hij sprak immers drieduizend spreuken, en liederen van hem waren er duizend vijf.
Hij sprak over de bomen, van de ceder op de Libanon af tot de hysop toe, die aan de muur uitschiet; hij sprak ook over het vee, het gevogelte, het kruipend gedierte en de vissen.
En uit alle volkeren kwamen er om de Wijsheid van Salomo te horen, van al de koningen der aarde, die van zijn Wijsheid [door Gods Geest geschonken] hadden gehoord”. 1Kon.4: 29-34

Bij de doop wordt ‘ons’ christenen het Levende Water -hetgeen de Heilige Geest symboliseert – Welke ons na Christus’ dood aan het kruis en Zijn Opstanding is beloofd, ter ver-Heerlijking gegeven.

Waarom leid je een christelijk leven?
Omdat het christelijk leven een zegen voor de wereld kan zijn:
✥ Gezegend is de mens die ernaar streeft om z’n leven overeenkomstig de richtlijnen van de Blijde Boodschap in te richten, teneinde op Christus te gelijken.
✥ Gezegend is de mens die ernaar streeft zijn gebedsleven te richten op het gebed van het hart, zodat het gebed voortdurend doorloopt.
✥ Gezegend is de mens die het Licht van Christus laat schijnen in de duisternis, opdat hij zichzelf precies zal zien zoals hij is.
✥ Gezegend is de mens die zichzelf bekritiseert,  opdat hij vergeving zal ontvangen.
✥ Gezegend is de mens, die wanneer hij valt, dit onderkent, weer opstaat, omdat het hem/haar inspanning kost, de Genadegave, die hem/haar daartoe aanzet sterker mag worden.
✥ Gezegend is de mens die met zijn broeders/zusters in eenheid leeft, omdat hem/haar het Hemels Koninkrijk als grote beloning gegeven zal worden.
✥ Gezegend is de mens die de vrede van de Heilige Geest verworven heeft, hetgeen hem/haar tot een rustige haven maakt voor de mensen om hem heen.