2e Pinksterdag – dag van de Heilige Geest

Komt alle Volkeren,
om de Goddelijke Drie-persoonlijke Godheid te aanbidden:
de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Want buiten alle tijd brengt de Vader voort de mede-eeuwige en meer-tronende Zoon,
en de Heilige Geest is in de Vader en wordt verHeerlijkt met de Zoon.
Éen Macht, één Wezen, éen Godheid:
wij allen aanbidden en zeggen:
Heilig bent U, God, Die door de Zoon alles geschapen heeft,
tezamen met de energie van de Heilige Geest.
Heilig is de Sterke, door Wie wij de Vader mogen kennen en
door Wie de Heilige Geest in de wereld gekomen is.
Heilige is de Onsterfelijke, de Geest, de Trooster,
Die uitgaat van de Vader en Die rust in de Zoon.
Heilige Drie-eenheid, ere zij U

      Ziet toe, dat gij niet een dezer kleinen veracht.
Want Ik zeg u, dat hun engelen in de Hemelen voortdurend het Aangezicht zien van Mijn Vader, Die in de Hemelen is.
[Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te behouden].
Wat dunkt u? Indien een mens in het bezit is gekomen van honderd schapen en een ervan raakt verdwaald, zal hij dan niet de negenennegentig op de bergen laten en heengaan om het dwalende te zoeken? En gebeurt het, dat hij het vindt, voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich over dat ene meer verblijdt dan over de negenennegentig, die niet verdwaald waren.
        Zo bestaat bij uw Vader, Die in de Hemelen is, de Wil niet, dat een van deze kleinen verloren gaat.
        Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen.
        Indien hij naar u luistert, hebt gij uw broeder gewonnen.
        Indien hij niet luistert, neem dan nog een of twee met u mede, opdat op de verklaring 
van twee getuigen of van drie elke zaak vaststa.
        Indien hij naar hen niet luistert, zeg het dan aan de Gemeente.
        Indien hij naar de Gemeente niet luistert, dan zij hij u als de heiden en de tollenaar.
Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de Hemel,
en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel.
Wederom, voorwaar Ik zeg u, dat, als twee van u op de aarde iets eenparig zullen begeren, het hun zal ten deel vallen van mijn Vader, Die in de Hemelen is.
Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun middenMatth.18: 10-20.

      Thans zijt gij licht in de Heer; wandelt als kinderen van het Licht,
– want de vrucht des lichts bestaat in louter goedheid en gerechtigheid en waarheid -, en  toetst wat an de Heer wel-behaaglijk is.
En neemt geen deel aan de onvruchtbare werken van de duisternis, maar ontmaskert ze veeleer, want het is zelfs schandelijk om te noemen, wat heimelijk door hen wordt verricht; maar als dat alles door het Licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is licht.
Daarom heet het: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden en Christus zal over u lichten.
Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen, u de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad.
Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de wil des Heren is.
En bedrinkt u niet aan wijn, waarin bandeloosheid is, maar wordt vervuld met de Geest en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen en zingt en bejubelt de Heer van harteEph.5.: 8b-19.

De weg die wij Gelovigen gaan heeft een goede basis, wij trekken door de woestijn van het leven, maar weten ons gedragen door een betrouwbare leidsman, de goede Herder.
De beeldspraak van kudde en herder vindt zijn oorsprong in de herinnering aan de woestijntocht, toen de Heer Zijn volk uit Egypte door de Woestijn heen heeft geleid naar het land van belofte: als een Goddelijke Herder Zijn kudde.
“ De Mysteriën [wonderen] die Hij gedaan heeft ten aanschouwen van onze voor-vaderen, in het land van Egypte, in de vlakte van Tanis.
De vlakte van Tanis = de gehele vlakte van de Jordaan, die van de doop, de gehele vlakte waar de Jordaan doorheen liep van de zee van Galilea tot Zoar [= onbeduidend of onbelangrijk] toe, zodat de dode zee er onder begrepen werd. Voornamelijk denken we aan de vlakte, waar Sodom en Gomorra, Adama en Seboïm, hun ondergang tegemoet gingen.
Eer de Heer Sodom en Gomorra verdorven had was de vlakte van de Jordaan als de hof des Heren en als het land van Egypte te weten àls òf dáár jullie komen van/te Zoar.

      Abram bleef wonen in het land Canaan en Lot vestigde zich in de steden van de Streek, en sloeg zijn tenten op tot bij Sodom. De mannen van Sodom nu waren zeer slecht en zondig tegen-over de HeerGen.13: 12,13.
Het lijkt onbeduidend, maar wij leven in de vlakte van Tanis en worden geleid naar het land van de Belofte – het staat er reeds vanaf den Beginne, je dient het alleen maar te lezen en te zien, te horen.
En de mensen van Sodom waren boos en grote zondaars tegen alles wat
God hen maar geboden had
– alle mensen zijn van nature boos en zondaars, daar is niemand van uitgezonderd, zelfs niet één, zo zegt David:
Allen zijn afgedwaald, zij zijn omkoopbaar: er is niemand, die het goede doet, zelfs niet één, Hun keel is een open graf, hun tong pleegt bedrog; addervergif zijn hun lippen. Hun mond is vol verwensing en bitterheid; hun voeten zijn vlug om bloed te vergieten. Hun wegen zijn verderf en ongeluk, maar de weg van Vrede kennen zij niet; de vreze voor God staat hun niet voor ogenPsalm 13: 4-7, vert. ROK ’s-Gravenhage.

Nadat wij de roep van de Herder beantwoord hebben en ons hebben laten dopen trekken wij weliswaar door de woestijn van het leven, maar weten ons gedragen door een betrouwbare leidsman, de goede Herder; wij wandelt als kinderen van het Licht
    Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de Kracht en de komst van onze Heer Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn Majesteit.
     Want Hij [Christus, onze Leidsman] heeft van God, de Vader, eer en Heerlijkheid 
ontvangen, toen zulk een stem van de Hoogwaardige Heerlijkheid [uit de Hemelen] tot Hem kwam: ‘Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Wie Ik Mijn Welbehagen heb. En deze stem hebben ook wij uit de Hemel horen komen, toen wij met Hem op de Heilige Berg [Thabor] waren.
        En wij achten het profetische woord [daarom] des te vaster, en gij doet wel er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten. Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie van de Schrift [de Blijde Boodschap] een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil vaneen mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken2Petr.1: 16-21.

De Kerk roept ons via haar eerst-geroepenen op:
    Zijn Goddelijke Kracht immers heeft ons met alles, wat tot leven en Godsvrucht strekt, begiftigd door de Kennis van Hem, Die ons geroepen heeft door Zijn Heerlijkheid en Macht; 
door Deze zijn wij met kostbare en zeer grote Beloften begiftigd, opdat jullie [mensen] daardoor deel zouden hebben aan de Goddelijke Natuur, ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst.
       Maar schraagt om deze reden met betoon van alle ijver door uw Geloof de deugd, door de deugd de kennis, door de kennis de zelfbeheersing, door de zelfbeheersing de volharding, door de volharding de godsvrucht, door de godsvrucht de broederliefde en door de broederliefde de Liefde [jegens allen].
Want als deze dingen bij u aanwezig zijn en overvloedig worden, laten zij u niet zonder werk of vrucht voor de kennis van onze Heer Jezus Christus
[uw aller Herder]”  2Petr.1: 3-8.

Luistert, gij zonen van Abraham, Isaäc en Jaäcob, luistert naar Israël [de Kerk];
de 12 stammen van Israël – gelijk de 12 apostelen van de Kerk:
        Ruben [= zie een zoon] , mijn eerstgeborene zijt gij, mijn sterkte en de eersteling van mijn  Kracht, de voornaamste in Hoogheid, de voornaamste in vermogen. Gij, die opbruist als water, gij zult de voornaamste niet zijn, omdat gij het bed van uw vader beklommen hebt; toen hebt gij het ontwijd. Hij heeft mijn leger-stede beklommen.
        Simeon [= luisterend, gehoord] en Levi [= verbonden] zijn broeders; hun gereedschappen zijn werktuigen van geweld. Mijn ziel zal geen deel hebben aan hun [wereldse] beraadslaging, mijn geest zal zich niet aan-sluiten bij hun vergadering, want in hun toorn hebben zij mannen [de mensheid] gedood en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden. Vervloekt zij hun toorn, want die is hevig, en hun grimmigheid, want die is hard. Ik zal hen verdelen onder Jaäcob [= hielenlichter] en verstrooien onder Israël [= God heeft de overhand, God zegeviert].
     Juda [= geprezen, hij zal geprezen worden], u zullen uw broeders loven, uw hand zal zijn op de nek van uw vijanden, voor u zullen de zonen van uw vaderen zich neerbuigen. Een leeuwenwelp is Juda; na de roof zijt gij omhoog geklommen, mijn zoon; hij kromt zich, legt zich neer als een leeuw of als een leeuwin; wie durft hem opjagen? De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heerser’s-staf tussen zijn voeten, totdat Silo [= plaats van rust bij de eigenaar] komt en hem zullen de volken gehoorzaam zijn. Hij zal zijn ezel aan de wijnstok binden en het jong 
van zijn ezelin aan de wingerd; hij zal zijn kleed in wijn wassen en in druivenbloed zijn gewaad.
Hij zal donkerder van ogen zijn dan wijn en witter van tanden dan melk.
        Zebulon [= verheven, bewoning] zal wonen aan het strand der wijde zee, ja, hij zal wonen aan het strand bij de schepen, en zijn zijde zal naar Sidon [= de jacht, het jagen naar] gekeerd zijn.
        Issakar [= er bestaat beloning] is een bonkige ezel, die tussen de stallingen ligt; Als hij ziet, dat de rust goed is, en dat het land liefelijk is, buigt hij zijn schouder om te torsen en leent zich tot slaafse herendienst.
        Dan [= rechter] zal zijn volk richten als een der stammen van Israël. Moge Dan een slang op de weg zijn, een hoornslang op het pad, die in de hielen van het paard bijt, zodat zijn berijder achterover valt. Op uw Heil wacht ik, o Heer.
        Gad [= een binnenvaller of troep of fortuin], een bende zal hem belagen, maar hij zal hun hielen belagen.
        Aser [= gezegend, gelukkig], zijn spijze zal vet zijn, en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.
        Naftali [= worstelend, wordteling] is een losgelaten hinde; hij laat schone woorden horen.
        Jozef [= de Heer heeft toegevoegd, laat hem toevoegen] Een jonge vruchtboom is Jozef, een jonge vruchtboom aan een bron; zijn takken stijgen boven de muur uit; De boogschutters hebben hem getergd, beschoten en vijandig bejegend, maar zijn boog bleef stevig en zijn sterke handen bleven lenig, door de handen van de Machtige van Jaäcob, daar de Steenrots van Israel [de Kerk] Zijn herder is; Door de God uws vaders, die u zal helpen, en de Almachtige, die u zal zegenen met zegeningen uit de Hemelen van boven, met zegeningen van de watervloed, die beneden ligt, met zegeningen van de borsten en de moederschoot.  De zegeningen van uw vader gaan de zegeningen van mijn voorvaderen te boven, reikende tot het kostelijkste der eeuwige heuvelen; zij zullen komen op het hoofd van Jozef, op de schedel van de uitverkorene onder zijn broeders.
         Benjamin [ de jongste, zoon van de rechterhand of zoon van geluk] is een verscheurende wolf; in de morgen verslindt hij zijn prooi en tegen de avond verdeelt hij de buit.
Dit zijn al de stammen van Israël, twaalf in getal; en dit is wat hun vader over hen gesproken heeft, toen hij hen zegende; ieder zegende hij met een eigen zegen” Gen.49: 6- 28.

God, onze Vader trof alle eerstgeborenen in Egypte,  de eerst-verwekten in de tenten van Cham [= verhit, heet]; maar Zijn uitverkoren Volk liet Hij als schapen uitgaan, ging hun kudde voor door de woestijn;  veilig leidde Hij hen – niets te vrezen! – had de zee niet hun vijand bedekt?
Wanneer onze Heer en Verlosser, Jezus Christus Zichzelf de Goede Herder noemt, dan dienen wij dit beeld voor ogen te houden, niet zozeer met op de achtergrond Zijn weldoende rondgaan door dorpen en steden, als wel Zijn Pascha, ons Geloof van Pascha, de verlossing uit de dood, uit de slavernij van het uitzichtloze door de dodende zee heen, opgestaan tot eeuwig Leven.
Aan het einde van de woestijntocht verneemt Mozes dat hij gaat sterven.
Vervolgens bidt/smeekt hij tot zijn God,
“Heer, ontferm U” dat deze voor Israël [de Kerk] Iemand zou aanstellen, ‘Die hen uitleidt en thuisbrengt’, toen sprak Mozes tot de Heer:
        De Heer, de God der geesten van alle levende schepselen, laat Hem over de vergadering een man aanstellen , Die voor hun aangezicht uitgaat en Die voor hun aangezicht ingaat, en Die hen doet uittrekken en hen weer terugbrengt, opdat de vergadering des Heren niet zij als schapen die geen herder hebben” Num.27: 15-17.
De Gemeenschap van God, het uitverkoren Volk des Heren zou ‘een kudde zonder herder’ worden.
En de God van onze Vaderen stelde vervolgens Iemand aan, Die redding brengt [= Joshua].
“Jezus” is het Griekse woord voor de Hebreeuwse naam Joshua, die oorspronkelijk luidde Hoshea [= redding] :
      Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun [= nageslacht], Jozua “ Num.13: 8,16, die Hij uitzond om het Beloofde Land te verkennen.

Wanneer onze Heer en Verlosser over Zichzelf getuigt dat Hij de Goede Herder is,
voegt Hij er expliciet aan toe: ‘dit is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen’.  Dit betekent dan voor Hem: ‘een Koningschap, een Koninkrijk op de wijze van David, met als de twee criteria van zijn leiderschap: oprechtheid enerzijds, met omzichtige hand anderzijds.
Oprechtheid, de waarheid, desnoods de harde waarheid; maar ‘niet’ de harde hand, ‘wel’ de hartelijke hand, de hand van het hart.

De profeten van de ballingschap, in het bijzonder Jesaja, zien de terugkeer uit Babylonië als een nieuwe woestijntocht naar het land van de belofte.
      Zie, hier is uw God! Zie, de Heer der Heerscharen zal komen met Kracht en Zijn arm zal Heerschappij oefenen; zie, Zijn loon is bij Hem en Zijn vergelding gaat voor Hem uit.
       Hij zal als een herder Zijn kudde weiden, in Zijn arm de lammeren vergaderen en ze in Zijn Schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden.
       Wie mat de wateren met Zijn holle hand, bepaalde de omvang der Hemelen met een span, vatte met een maat het stof der aarde, woog de bergen met een waag en de heuvelen met een weegschaal?
Wie bestuurde de Geest des Heren en onderrichtte Hem als zijn raadsman?
Wie raadpleegde Hij, dat deze Hem inzicht zou geven, het rechte pad zou leren, kennis bijbrengen en de weg van het verstand doen kennen?
Zie, volkern zijn geacht als een druppel aan een emmer en als een stofje aan een weegschaal;
zie, 
eilanden zijn als fijn stof, dat uitgestrooid wordt; de Libanon [= witheid] is niet toereikend als brandhout, en zijn wild gedierte niet ten brandoffer.
Alle volkeren zijn als niets voor Hem, zij worden 
door Hem beschouwd als nietig en ijdel. Met wie dan wilt gij God vergelijken en welke vergelijking op Hem toepassen?Isaiah 40: 10-18.
Als Jezus zich de Goede Herder noemt, dan is het ons Geloof dat in Hem de geschiedenis van de mensheid, onze geschiedenis, telkens opnieuw een keer zal nemen: van ballingschap naar terugkomst thuis, van vallen naar opstaan, van zonde naar verzoenende vergeving.
Maar, zo stellen daarna dezelfde profeten vast – hun woordvoerder is nu in de eerste plaats Ezechiël – de herders [de spelleiders] van Israël [de Kerk] ‘weiden zichzelf‘.
Hun schapen buiten ze uit en die raken verstrooid over de gehele aarde, de kudde wordt geplunderd en valt ten prooi aan de wilde dieren.
Dan zegt de Heer onze God, via Zijn Geest bij monde van Zijn profeet:
⁌ Ik zal zelf omzien naar mijn schapen en ervoor zorgen…
⁌ Ik zal zelf mijn schapen weiden en ze een rustplaats wijzen…
⁌ Ik zal over hen één herder aanstellen die hen weiden zal: mijn dienaar David.
Die zal ze weiden, die zal hun herder zijn…
⁌ Ik, Jahwe, zal hun God zijn en mijn dienaar David hun vorst…
Zo luidt de godsspraak van Jahwe de Heer:
– Jullie zijn toch Mijn schapen, de schapen die Ik weid;
– jullie zijn Mijn mensen en Ik ben jullie God.
En Jezus zegt: Ik ben de Goede Herder,  de nieuwe, de door Jahwe beloofde,
de enige, de waarachtige.
Dat wil zeggen: “Uw Barmhartigheid volgt mij van nabij, alle dagen van mijn leven” Psalm 22: 8; oftewel dat Ik garant sta voor Leven, doorheen lijden en dood. Zijn Volk laat Hij als schapen uitgaan, Hij gaat Zijn kudde voor door de woestijn. Hij staat er garant voor om hen in Oprechtheid en Hartelijkheid voor te gaan
    Heer, wie mag wonen in Uw tent, wie mag verblijven op Uw Heilige Berg?
Hij die wandelt zonder vlek en de werken der Gerechtigheid doet.
Die waarheid spreekt in zijn hart, die geen bedrog pleegt met zijn tong.
Die geen bedrog pleegt tegen zijn naaste, noch kwaad wil horen over hen die hem nastaan.
Wie kwaad doen, zijn in zijn ogen gering; maar wie de Heer vrezen, eert hij.
Als hij zweert voor zijn naaste, houdt hij zijn woord; hij geeft zijn geld zonder rente.
Hij aanvaardt geen geschenken tegen schuldelozen.
Wie zo doet staat onwankelbaar tot in  eeuwigheidPsalm 14, vert ROK ’s-Gravenhage.

De wereldse mens zal opmerken:
dat is prachtige Bijbelse poëzie; het mag dan voortreffelijke Theologie zijn;
maar wat heeft het concreet te betekenen in deze moderne tijd van
computer en hightech waarin wij leven?
✓ Is er een concreter, completer, moderner, universeler levensprogramma denkbaar dan  dat van de oude psalmen, profeten en parabels?
✓ Dat wij in de Geest van God, in de voetsporen van de verrezen Heer, Die ons tot Leven wekt,  voor elkaar garant staan voor geluk en genade;
✓ dat wij voor elkaar garant staan voor leven ondanks lijden en dood, sterker dan lijden en dood;
✓ dat wij ervoor garant staan met elkaar om te gaan in oprechtheid en met zachte hand, rechtlijnig en zachtzinnig;
✓ dat wij ervoor garant staan telkens weer te kiezen voor verzoening en
elkaar nieuwe kansen te gunnen, voor elkaar mensen van ontferming en vrede te zijn;
✓ dat wij ons daarom met Gelovige zekerheid geborgen weten
in Gods vaderhart en in de liefde van de Goede Herder.

Ondanks datgene wat de wereld ons voorhoudt
blijven wij Gelovigen in de Geest van God, met
onze Heer aankloppen en zeggen met Hem:
    Kom tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven; neem mijn juk op je en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en je zult rust vinden voor je ziel; want mijn juk is zacht en mijn last is licht” Matth.11: 28-30.
Onze Heer en Zaligmaker, de Zoon van God is er namelijk van overtuigd dat
er mensen zijn die heel goed weten,
dat het heel anders dient te gaan in hun leven.
Misschien herken jij dat ook, een aanhoudende onrust, een leegte die door niks in deze wereld gevuld kan worden, een verlangen naar God misschien zelfs zonder dat je dat onder woorden kunt brengen.
Je hebt spijt van je hardheid, en je ziet je eigen arrogantie en egoïsme.
Je ervaart dat je onrein bent vanwege je eigen gedachten en fantasieën die
maar blijven opkomen en weer gaan zonder dat je er grip op krijgt.
Daardoor voel je je schuldig.
Hoe andere mensen jou beoordelen, of ze jouw strijd zien of niet, en
of je christen bent of niet, dat verandert niets aan het feit dat
je zelf heel goed beseft dat het toch niet goed met je gaat.
Je weet dat er krachten in je leven zijn die sterker zijn dan jezelf en
die jou in je gedachten bij God vandaan trekken naar dingen die
niet goed voor je zijn en waardoor je in een spiraal van
ellende terecht kunt komen.
Zou je dat nog langer negeren dan
zou je niet eerlijk meer zijn ten opzichte van jezelf.

Komt alle Volkeren,
om de Goddelijke Drie-persoonlijke Godheid te aanbidden:
de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Want buiten alle tijd brengt de Vader voort de mede-eeuwige en meer-tronende Zoon, en de Heilige Geest is in de Vader en wordt verHeerlijkt met de Zoon.
Éen Macht, één Wezen, éen Godheid: wij allen aanbidden en zeggen:
– ‘ Heilig bent U, God, Die door de Zoon alles geschapen heeft,
tezamen met de energie van de Heilige Geest.
– ‘ Heilig is de Sterke, door Wie wij de Vader mogen kennen en
door Wie de Heilige Geest in de wereld gekomen is.
– ‘ Heilige is de Onsterfelijke, de Geest, de Trooster,
Die uitgaat van de Vader en Die rust in de Zoon.
Heilige Drie-eenheid, ere zij U

Bezingen wij de Een-wezenlijke Drie-heid:
de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, want
zo is het ons verkondigd door
alle Profeten, de Apostelen en de Martelaren

uit: Pentecostarion, blz.466 ROK ’s-Gravenhage.

Zondag van Pinksteren – Πεντηκοστή, de Nederdaling van de Heilige Geest

Met Pinksteren vieren wij de Kerk.
Christus, de Zoon van God, die geleden heeft en aan het kruis is gestorven, is met Pasen verrezen uit de doden. Daarna verschijnt Hij nog aan de leerlingen en met Hemelvaart vieren we dat Hij definitief terug gaat naar God de Vader in de hemel en zetelt aan Zijn rechterhand.
Voordat Jezus wegging heeft Hij beloofd de gelovigen niet alleen te laten. De ons toegezegde Heilige Geest wordt ons gegeven om met God verbonden te blijven.
Maar ook om, geholpen door de ingevingen van die Heilige Geest, het Evangelie van Christus te kunnen verkondigen.

Wij, geschapen uit het slijk der aarde, zijn als mensen niet in staat op eigen kracht de volle leer van Jezus’ Blijde Boodschap [= Evangelie] te verkondigen;
de Heilige Geest helpt ons daarbij.
Op de dag van Pinksteren [ook wel Pentecoste, dat is “de vijftigste dag” na Pasen] gaan de Apostelen voor het eerst na Pasen verkondigend naar buiten en spreken in allerlei talen de mensen toe.
Pas nu zijn zij in staat overtuigend en duidelijk te spreken vàn en óver de Blijde Boodschap, de Pedagogie, het Geloof wat Christus hen heeft geleerd en voorgeleefd.
En met wàt voor een overtuiging! Velen bekeren zich, laten zich dopen en worden aldus eveneens   getuigen van Christus.

Veel mensen in Nederland weten alleen dat Pinksteren een extra dag vrij betekend – Het liedje ‘Op een mooie Pinksterdag’ spreekt iedereen dan ook aan.
Echter er zit een veel grotere betekenis achter Pinksteren dan alleen maar dat extra dagje vrij.
De geschiedenis van Pinksteren gaat namelijk ver terug in de tijd.
Christenen zien Pinksteren als een neerdaling van de Heilige Geest over de apostelen, met het feest Pinksteren herdenken de Kerk deze heilige gebeurtenis.
Het woord Pinksteren is ontstaan uit het Griekse woord Πεντηκοστή [Pentekosté], wat vijftig betekend.
Dit refereert aan de dag wanneer Pinksteren wordt gevierd, dit is namelijk de vijftigste dag.
Christenen herdenken de vijftigste dag dus als de neerdaling van de Heilige Geest op de apostelen, terwijl het Jodendom het ziet als het Wekenfeest.
Pinksteren is namelijk ontstaan uit het joodse Wekenfeest, die ook wel Sjavoeot genoemd wordt.
Vroeger was Pinksteren alleen een dankfeest voor het binnenhalen van een goede oogst en pas in de tweede eeuw na Christus kreeg Pinksteren een nieuwe betekenis. Toen kreeg Pinksteren als betekenis om het Nieuwe Verbond tussen God en het Nieuwe Israël [de Kerk] te herdenken.
Met Pinksteren viert de Kerk formeel haar ontstaan.
Onze Kerk bestaat dus vanaf Pinksteren in het jaar 33 en viert in 2033 haar 2000 jarig bestaan.
De Christelijke Kerk ziet Pinksteren als een neerdaling van de Heilige Geest over de apostelen, met het feest Pinksteren herdenken wij deze heilige gebeurtenis.

 

Pentecost, 14th cnt

De Heilige Geest is de Derde Persoon van de Ene God, naast de Vader en de Zoon, zo geloven wij. Het is een Gods-Mysterie, een Gods-wonder, maar het is een werkelijkheid, het is reëel, wanneer je je als volgeling van Christus voor Hem openstelt, de Heilige Schrift [hardop] leest en dit op je in laat werken.
Bijvoorbeeld het moment waarop Jezus, de Zoon, gedoopt wordt met de Heilige Geest.
De Heilige Geest wordt vaak afgebeeld als Vurige tongen, omdat de leerlingen vol vuur waren van de Boodschap, die ze gingen verkondigen en de liefdesboodschap, die ze in alle talen de mensen konden doorgeven.
Ook als duif wordt de Geest voorgesteld, omdat de duif voor reinheid en zachtmoedigheid staat, maar bovenal voor Hemelse inspiratie, vrede en de ziel.
De Heilige Geest is inderdaad de bezieling voor de Kerk om ook in onze tijden de boodschap van God onder de mensen te brengen.

Om het belang van dit Hoogfeest aan te geven kent dit feest ook een “Tweede Pinksterdag”, zoals dat ook met Kerstmis en Pasen is.
Dit noemen wij de Traditie van de Kerk, ondanks datgene wat sommige humanistische partijen hiervan vinden, maar een Hoogfeest wordt dusdanig gevierd dat wij er maar niet genoeg van kunnen krijgen om een dergelijk feest in één dag vieren. De 2e Pinksterdag wordt namelijk gevierd als de dag van de Heilige Geest en het is ontzettend jammer dat bepaalde groeperingen dit willen omzetten naar nog maar weer een ‘Maria-feest‘, zij werken daarmee zelf de afbraak van de Traditie in de hand.

De Heilige Geest moet onze zwakheid te hulp komen en daarom vragen wij steeds om de bijzondere Genadegaven: we  vragen om de heilige Geest te mogen ontvangen, zodat onze geest van zelfzucht wordt bekeerd, omgekeerd, bekeerd tot een geest van nederigheid.

In de avond van de eerste dag van de week“.
De Christelijke Zondag. Geruisloos heeft de Joodse Sabbat plaats gemaakt voor de Christelijke Zondag. Geen revolutie, maar een haast naadloze overgang.
Of beter: de ontreddering van deze revolutie heeft onze Heer Zelf opgevangen.
Want om helemaal opnieuw te kunnen beginnen was het nodig, dat het oude werd losgelaten.
Dat loslaten heeft Christus gedaan: Zijn milieu, Zijn geboortegrond, Zijn verwanten, Zijn goede Naam, de trouw van Zijn leerlingen, Zijn gezondheid, Zijn moeder, Zijn leven, kortom alles wat onze Heer, Jezus Christus, bond aan de Joodse grond, aan de Joodse wet, aan het Oude Verbond, Hij werd eruit ontworteld.
Aan al het oude afgestorven is Jezus voor ons de nieuwe innerlijke Tempel geworden en is Zijn Gloriedag onze zondag, de dag des Heren geworden, de dag van onze Heer.

Toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen…“.
Het verheerlijkte Lichaam van onze Heer is niet meer gebonden aan de begrenzingen van tijd en ruimte. Maar ook daarvoor heeft Hij de prijs betaald.
Eerst heeft Hij zich tot het uiterste toe gebonden aan de begrenzingen van het menselijke bestaan en heeft Hij elke overschrijding van die grenzen als een bekoring afgewezen. Vanaf  Zijn Geboorte in een grot tot en met de mensonwaardige executie op het Kruis is Jezus trouw gebleven aan de voorwaarden van het gewone menselijke bestaan.
Door Zich vrijwillig te binden aan de begrensdheid door tijd en plaats heeft Jezus alle plaatsen en alle tijden overstegen en is Hij de mens voor allen geworden om nu te kunnen zijn overal waar mensen zijn.
Wil ons leven een betekenis hebben die uitgaat bóven de nauwe grenzen van onze menselijke situatie, dàn behoeven wij ons niet aan de greep van onze menselijke oorsprongssituatie te onttrekken, ons te ontwortelen, maar dàn moeten wij juist ten einde toe eraan trouw blijven.

“Hij ging in hun midden staan en zei: Vrede zij u“.
Dat is het aanschouwelijk beeld van de kerk: Jezus in het midden, zijn Vrede schenkend.
Niet de vrede zoals de wereld die geeftJohn.14: 27.
Niet de vrede van deze wereld, want dat is een vrede die gebonden blijft aan vredige omstandigheden.
Het is een Vrede “die alle begrip te boven gaat” [Phil. 4: 7], een Vrede in omstandigheden waarbij mensen zich afvragen hoe iemand daarbij nog de Vrede kan bewaren. Met die Vrede heeft Christus de wereld overwonnen:
Dit heb Ik u gezegd, opdat jullie de vrede zouden bezitten in Mij. Weliswaar leeft gij in de wereld in verdrukking, maar hebt goede moed: Ik heb de wereld overwonnenJoh.16: 33.

Na dit gezegd te hebben, toonde
Hij hun Zijn handen en Zijn zijde
“.
De tekenen dus van zijn nederlaag.
De Vrede van Christus is dus de Vrede waarmee de nederlaag wordt verdragen.
Christus heeft het kwaad overwonnen door zich er niet kwaad over te maken en het actief te bestrijden, maar door het met een zacht en vredig gemoed te dragen.
Deze nederigheid schept eenheid onder de mensen: Vrede.
Hoogmoed schept verdeeldheid.
Als we tegen elkaar opbieden, onszelf voortdurend in een concurrentiepositie plaatsen tegenover anderen: nog sneller, nog rijker, nog meer Macht, nog meer luxe, nog meer comfort, anderen de ogen uitsteken, ontstaat er verdeeldheid en geweld. Anderen willen niet onderdoen, zij doen zichzelf en anderen geweld aan om hetzelfde inkomen te krijgen. Daardoor komen anderen weer te kort: kinderen, zieken, minderbedeelden, zwakker begaafden.
Er is geen tijd meer voor hen. Van louter voortvarendheid loopt men ook zichzelf voorbij en teert men in op de zwakkere, maar zoveel kostbaardere krachten in zichzelf:
inkeer, gebed, stilte, tijd nemen voor zichzelf en voor elkaar, spel, contemplatie,
allerlei niet-nuttige bezigheden, lezen, genieten van de natuur, poëzie, muziek enz.
Christus en de Kerk zijn ervoor om voor díe zachte krachten een lans te breken.

Nogmaals zei Jezus tot hen: Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u“. De apostelen en wij worden opgenomen in Jezus’ eigen Goddelijke  Vredeszending. Een innerlijke Vrede dus, een Vrede van het hart, maar niet een Vrede die inwendig blijft.
De Vrede van Christus bepaalt vanuit onze kern heel ons wezen en van daaruit al onze contacten.
Nu dien ik mijn contacten na te gaan of ik er de Vrede die Christus in mijn hart legt, dieper in kan laten doorsijpelen. Met name bij de personen met wie ik het minder goed kan vinden en over de onderwerpen die gevoelig liggen en die ik steeds maar weer uit de weg ga.

Na deze woorden blies Hij over hen en zei: Ontvangt de heilige Geest“.
De heilige Geest, dat is Jezus zelf in zijn eenheid met de Vader.
Het is de Persoon, die zoals in de Geloofsbelijdenis staat, “die voortkomt van de Vader”.
Wanneer we Jezus over de Vader horen spreken en we ervaren bij zo’n woord van Jezus over de Vader een beweging van genegenheid voor de Vader, een opwelling van liefde voor Hem, dan hebben wij op zo’n moment contact met de heilige Geest, dan worden wij ons bewust hoe we zijn opgenomen in de liefdesstroom tussen de Zoon en de Vader.
Soms denken mensen: God is zo ver weg, zo hoog – hoog in de hemel.
Of Jezus, Die is zo lang geleden, al bijna twee duizend jaar.
Dan mogen we bedenken: de Heilige Geest, dat is Jezus en de Vader levend en vlak bij, de kracht en het licht van God in het eigen hart.
Precies wat er in het evangelie staat: “En wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden; ook Ik zal hem beminnen en Ik zal Mij aan hem openbarenJohn.14: 21.
Luisteren naar wat de woorden van Jezus in je doen en laten, dat is “Geestelijk Leven“.
Geestelijk of pneumatisch leven, het leven in de heilige Geest.

Pinksteren: « de Hemel komt vandaag naar de aarde »; Pentecost: «Heaven is coming to earth today»; Πεντηκοστή: «Ουρανός ημίν γέγονε σήμερον η γη»

Onderaan de Pinkster-icoon ziet men een keizerlijk personage, die de tijdelijke wereld voorstelt.
Deze allegorische figuur ziet men op de icoon vanaf de XIVe eeuw.
Zij benadrukt de kosmische dimensie van Pinksteren. Byzantium, het nieuwe Rome, was uitverkoren als hoofdstad door de Romeinse keizer Constantijn, die haar herdoopte met de naam Constantinopel. Constantijn was de eerste keizer die zich bekeerde tot het christendom.
Het Romeinse Rijk dat Christelijk geworden was werd nadien vanwege de uitvoerende macht in tweeën verdeeld.  Constantinopel werd de hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk – Rome van het West-Romeinse Rijk.

Deze keizer op de icoon houdt in een gebaar van dankzegging aan God een linnen doek vast met de twaalf schriftrollen van de apostolische verkondiging.
Dit soort linnen doek ziet men ook in de antieke kunst bij de afbeelding van de allegorieën van de seizoenen van de aarde; het doek bevat dan meestal vruchten en verbeeldt de overvloed van de vruchten van de aarde. Men kan dit linnen doek ook zien als een bootje. Het schip is vaak gebruikt om de Kerk voor te stellen.
De H. Clemens [3e eeuw] zegt: “Het lichaam van de Kerk is als een groot schip dat in een grote storm mensen van verschillende herkomst vervoert, die in het Koninkrijk Gods willen wonen. Beschouw God derhalve als de kapitein van dit schip, Christus als de stuurman, de bisschop als de man op de uitkijkpost, de priesters als de bemanningsleden, de gemeenschap van broeders als de passagiers, de wereld als de onpeilbare diepte van de dood...”

De apostelen waren eenvoudige vissers en werden geroepen om in zee te gaan aan boord van het schip dat de Kerk is, om vissers van mensen te worden.
Alle volkeren moeten de Blijde Boodschap horen: dat de gave [de genade] van de Heilige Geest voor iedereen is.

Troparion           tn8
Gij zijt gezegend, o Christus, onze God,
Die met Uw Wijsheid de Vissers hebt vervuld,
door hen te vervullen met Uw Heilige Geest.
Door hen hebt Gij heel de wereld buitgemaakt;
Minnaar der mensen, ere zij U
“.

Kontakion          tn8
Toen de Allerhoogste nederdaalde,
verwarde Hij de talen en scheidde de volkeren.
Toen Hij echter de Vuurtongen uitdeelde
riep Hij allen tot eenheid.
Laat ons daarom eenstemmig de Heilige Geest
verheerlijken
“.

Gij allen die in Christus zijt gedoopt,
gij hebt u bekleed met Christus

hymne tijdens de Goddelijke Liturgie [“in de plaats van Heilige God . . .”]

Psalmen op basis van Waarheid samengesteld – Psalm 6 – de Heer heeft het maar moeilijk met ons mensen.

Laten we verder spreken over Christus, over het hoe, en wat en waartoe, dan
zal het Licht in ons blijven branden . . .
en krijgt de nacht ons niet te pakken . . .
’.
Emmaüsganger

Heer, berisp mij niet in Uw toorn; kastijd mij niet in Uw gramschap.
Ontferm U mijner, Heer, want ik ben zwak;
genees mij, Heer, want mijn gebeente is ontsteld.
Mijn ziel is uiterst beangst: hoe lang nog wacht Gij, o Heer ?
Wend U tot mij, Heer, bevrijd mijn ziel: red mij, omwille van Uw erbarmen.
Want in de dood is er niemand die U gedenkt: wie kan U belijden in de hades ?
Ik ben afgetobd door zuchten, elke nacht schrei ik mijn bed nat:
ik besproei mijn rustplaats met tranen.
Mijn oog is dof van verdriet; ik ben oud geworden onder al mijn vijanden.
Gaat weg van mij, gij allen die boosheid bedrijft, want
de Heer verhoort de stem van mijn droefheid.
De Heer verhoort mijn smeking, de Heer aanvaardt mijn gebed.
Dat al mijn vijanden te schande worden en in verwarring gebracht;
laat hen spoedig terugwijken en beschaamd staan”.
Psalm 6, vert. ROK ’s-Gravenhage.

Augustinus van Hippo: ‘de juiste weg is de weg naar God’

Heer, maak ook mij gezond?“, zegt Augustinus bisschop van Hippo,
ter wille van Uw standvastige Liefde”.
Augustinus weet dat het niet z’n eigen verdiensten zijn, dat hij wordt genezen: voor hem zondigt hij en overschrijdt hij een bepaald bevel, waaraan
gewoon een veroordeling verschuldigd zou zijn.
Genees mij daarom”, zegt hij, “niet om mijnentwil, maar ter wille van Uw niet onder druk van de omstandigheden bezwijkende, niet aflatende Liefde tot de mens”.

Het is voor sommige mensen moeilijk te geloven dat het niet kennen van Christus’ Liefde ernstige gevolgen zou kunnen hebben.
De moderne manier van denken leidt ertoe dat mensen niet geloven dat “iemand werkelijk wordt veroordeeld, dus hoe kan God Zijn schepping dan veroordelen?”.
Velen verwachten dat uiteindelijk ‘niemand’ door God wordt vervloekt en
iedereen een tweede kans krijgt.  Maar dan hebben we toch echt zelf een ‘eigen’ Geloofsbelijdenis gecreëerd.

Paulus, ‘Apostel der heidenen’.

De apostel Paulus zegt hierover het volgende:
      Maar ik vrees, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, uw gedachten van de eenvoudige en loutere toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden.
       Want indien de eerste de beste een ‘andere’ Jezus predikt, die wij niet gepredikt hebben, of gij een andere geest ontvangt, die gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel2Cor.11: 3-4; en
    En gij, broeders, wordt niet moede te doen wat goed is.
Als iemand niet luistert naar wat wij door onze brief zeggen, tekent hem en gaat niet met hem om, opdat hij beschaamd zal worden; houdt hem echter niet voor een vijand, maar
wijst hem terecht als een broeder.
En Hij, de Heer van de Vrede, geve u de Vrede, voortdurend, in elk opzicht. De Heer zij met u allen
2Thess.3: 14.
God heeft het goede voor ogen met ons mensen.
Aan de andere kant worden hen die de Heer liefhebben bijzondere dingen beloofd. Maar het is en blijft zoals het geschreven staat:
Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in
geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie Hem liefheeft
1Cor.2: 9.
De Apostel waarschuwt mensen, die onderdeel uitmaken van de Kerk en
doen àlsòf ze volgelingen van Christus zijn, maar  niet van Hem houden en God niet serieus nemen. Zij zijn al vervloekt en veroordeeld.
Dit moet ons waarschuwen.
Laten we niet doen alsof we zijn gered door alleen naar de kerk te gaan.
Dan zijn we het onkruid tussen het tarwe:
de akker is de wereld; het goede zaad, dat
zijn de kinderen van het Koninkrijk
Matth.13: 38.
Dus laten we er iets aan doen voordat het te laat is.
Het is een hartenkreet van onze Heer en Verlosser.

☦️  Waarom heeft onze Heer en God het zo moeilijk met ons mensen?

Misschien heeft God ons het Mysterie van lijden, sterven en Opstanding wel bekend gemaakt, omdat Hij ons, hoogmoedige en trotse mensen, wil laten beseffen dat we zelf niet veel in te brengen hebben, zodat we onze hulp van de Heer verwachten.
God’s Wil is, dat we Hem leren vertrouwen; Hij heeft ons immers beloofd in voor- én tegenspoed Kracht te geven.

Van het begin van de Schepping is de mens zich bewust geweest dat het beter zou zijn onze Heer en God het niet moeilijk te maken door Hem in Z’n Vertrouwen tot de mensen te schaden.   

Mozes verbrijzelt de tafelen der wet – Rembrandt 1659, Berlijn [Dtslnd].

Toen greep ik [Mozes] de twee tafelen,
wierp ze met beide handen weg en verbrijzelde ze voor uw ogen.
Daarop wierp ik [Mozes] mij voor de Heer neer, zoals de eerste maal, veertig dagen en veertig nachten [brood at ik niet en water dronk ik niet], vanwege heel s’mensen zondig bedrijf: dat gij deedt wat kwaad is in de ogen des Heren en Hem krenkte.
Want ik vreesde de toorn en de grimmigheid, waarmee de Heer tegen ten opzichte van de mens toornig geworden was, zodat Hij u wilde verdelgen.
Maar ook ditmaal hoorde de Heer naar mij.
Ook op Aäron was de Heer zozeer vertoornd, dat Hij hem wilde verdelgen;
daarom bad ik
[Mozes] toen ook voor Aäron. Maar het voorwerp van s’mensen zonde, het kalf dat jullie gemaakt hadden, nam ik, verbrandde het met vuur, vergruizelde het en vermaalde het grondig, totdat het tot stof gestoten was; en het stof wierp ik in de beek, die van de berg afvloeitDeut.9: 17-21.
        Opdat zij God zouden vertrouwen en de werken Gods niet vergeten, maar Zijn geboden zouden onderhouden.
Om niet te worden als hun Vaderen, een boos en weerspannig geslacht.
Een geslacht dat zijn hart niet richtte; welks geest geen Geloof schonk aan God.
De zonen van Efraïm die de bogen bedienen, keerden zich af op de dag van de oorlog.
Zij onderhielden God’s Verbond niet; zij wilden niet wandelen volgens Zijn Wet.
Zij vergaten Zijn weldaden, Zijn wonderdaden die Hij hun had getoond.
De wonderen die Hij gedaan had ten aanschouwe van hun Vaderen, in het land van Egypte, in de vlakte van Tanis.
Hij kliefde de zee en voerde er hen doorheen; Hij deed het water rechtop staan als  een wijnzak.
Hij geleide hen door een wolk overdag, heel de nacht door een lichtend vuur.
Hij spleet de rots in de woestijn, en drenkte hen als aan grote wateren.
Hij deed water stromen uit de rots, als rivieren deed Hij water vloeien.
Maar niettemin bleven zij zondigen tegen Hem; zij verbitterden de Allerhoogste in waterloos land.
Zij stelden God op de proef in hun hart, door spijs te vragen volgens hun lust.
Zij spraken God tegen en zeiden: Kan God soms een tafel aanrichten in de woestijn?”. Psalm 77[78]: 9-22

David beschouwt al het leven in Gods handen [zijn wereldbeeld is Theologisch, niet op de wereld gericht].
Hoe zag David zijn zonde [2Sam. 11] van moord en overspel, lees maar:
  Ontferm U over mij, God, in Uw grote Goedheid; . . . tegen U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uw ogen
Psalm 51: 1, 4.
Het zich houden aan de geboden en gedragsregels naar de Wil van God, waar  David over spreekt zijn niet in positieve zin te beschrijven:
      Ik weet, o Heer, dat het niet aan de mens staat z’n eigen weg te kiezen,
noch aan een mens  om te gaan en zijn schreden te richten.
Tuchtig mij, Heer, doch naar recht; niet in uw toorn, opdat Gij mij niet te gering maakt. Stort uw gramschap uit over de volken die U niet kennen, over de geslachten die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jaäcob verslonden,
ja, verslonden 
en verteerd, en zij hebben zijn motiverende Kracht tot een woestenij gemaaktJer.10: 23-25 en
      Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame Vrucht, Die bestaat in Gerechtigheid.
Heft [mens] dan de slappe handen op en strekt de knikkende knieën en maakt een recht spoor met uw voeten, opdat hetgeen kreupel is niet uit het lid zal geraken, doch veeleer zal genezen.
Jaagt naar Vrede met allen en naar de Heiliging, zonder Welke geen mens de Heer zal zien“. Hebr.12: 11-14
Om in Gerechtigheid te leven en dit uit Genadegaven te ontvangen;
gewend  te geraken aan orde en tucht, goed in staat om zich overeenkomstig de Wil van God te handhaven.
Hier bidt David dat hij niet tot de orde wordt geroepen in de woede van de Heer, dat hij geen straf zal ervaren die geen Vrucht draagt.
Het is moeilijk om getroffen te worden door iemand die boos is en alleen op
een straffende manier geslagen te worden zonder constructief resultaat
” aldus de Augustijner middeleeuwse monnik Maarten Luther.

Wat gebeurt er met degenen die discipline negeren?

Schepping, by Chagall

Zodat jullie in het laatst zouden kermen, wanneer jullie vlees en jullie lijf en leden [in het graf] verteerd zijn, En jullie zouden zeggen: ‘Hoe heb ik de tucht kunnen haten en heeft mijn hart de vermaning kunnen versmaden; waarom heb ik niet geluisterd naar de stem van mijn leermeesters, heb ik mijn oor niet geneigd naar hen die mij onderrichtten! Bijna was ik in alle kwaad geraakt; te midden van de gemeenschap en de vergadering der mensen’Spr.5: 11-14.

Wat leren we over iemand van z’n reactie op een herkansing?
      Wie een spotter terechtwijst, haalt schande over zich, wie een goddeloze tuchtigt, zijn eigen 
schandvlek.
Bestraf de spotter niet, opdat hij u niet zal haten, bestraf de wijze, dan zal hij u liefhebben.
Geef aan de wijze en hij zal nog wijzer worden; onderwijs de rechtvaardige en hij zal aan inzicht winnen.
De vreze des Heren is het begin van de wijsheid en het kennen van de Hoog-Heilige is verstand.
      Want door Mij worden uw dagen vermeerderd, worden jaren van leven u toegevoegd.
      Indien jullie wijs zijn, zijn jullie wijs tot jullie eigen welzijn, als jullie spotten, zullen jullie dat alleen dragenSpr.9: 7-12.

vers 3. Is jouw ziel is ook erg in de problemen?
Wat deed onze Heer toen zijn ziel in moeilijkheden verkeerde?
Hij zei: “     Nu is Mijn Ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure [deze moeilijke periode] !
Maar hiertoe ben Ik [in juist deze ure, periode] gekomen.
en onze Heer vervolgt:
Vader, verheerlijk Uw Naam! Toen kwam een stem uit de hemel:
‘Ik heb Hem [en de mensen met Hem] verheerlijkt, en
Ik zal Hem [en de mensen met Hem] nogmaals verheerlijken!John.12: 27.

En hoe dienen wij mensen te reageren op ons eigen lijden?
      Want dit is Genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt.
Want mag dat roem heten, als gij slagen moet verduren, omdat gij kwaad doet Maar als gij goed doet en dan lijden moet verduren, dat is Genade bij God.
Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u [mensen] een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in Zijn voetstappen zoudt treden; Die geen zonde gedaan heeft en in Wiens mond geen bedrog is gevonden; Die, als Hij gescholden werd, niet terug heeft gescholden en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt; Die Zelf onze zonden in Zijn Lichaam op het Hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de Gerechtigheid zouden Leven; en door Zijn striemen zijt gij genezen.
Want gij waart dwalende als schapen, maar thans hebt gij u bekeerd tot de herder en hoeder van uw zielen1Petr.2: 21-25.

Hoe kan het dan van nut zijn als God niet onmiddellijk ingrijpt en ons lijden niet onmiddellijk verwijdert?
      Want indien ik [Paulus] wil roemen, zal ik niet onverstandig zijn, want ik zal de Waarheid zeggen; maar ik onthoud mij ervan, opdat men mij niet meer zal toekennen dan wat men van mij ziet en hoort en ook om het buitengewone van de openbaringen.
Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel van de satan, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen.
Driemaal heb ik de Heer hierover gebeden, dat Hij van mij zou aflaten.
En Hij heeft tot mij gezegd: ‘Mijn Genade is u genoeg, want de Kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de Kracht van Christus over mij zal komen2Cor. 12: 6-9.

Abraham ontvangt bezoek, by Chagall

vers 5. Eenmaal dood zal er geen mens meer aan ons denken, wie zal ons dan gedenken in de hades?
Gedenken is volgens de Blijde Boodschap veel méér dan een puur mentale activiteit.
      Toen gedacht God Noach en al het wild gedierte en al het vee, dat met hem in de ark was, en God deed een wind over de aarde strijken, zodat de 
wateren daalden. De kolken der waterdiepte en de sluizen van de hemelen werden toegesloten en de regen uit de hemelen hield op en de wateren vloeiden gestadig van de aarde wegGen.8: 1-3.
      En God hoorde de klacht van het Volk en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, Isaäk en Jaäcob. Zo zag God de Israelieten [de Kerk] aan en God had bemoeienis met hen.
       Mozes nu was gewoon de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan, te hoeden. Eens, toen hij de kudde naar de overkant van de woestijn geleid had, kwam hij bij de berg Gods, Horeb.
Daar verscheen hem de Engel des Heren als een vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek toe, en zie, de braamstruik stond in brand, maar werd niet verteerd.

Mozes & de braamstruik, Marc Chagall

       Mozes nu dacht: Laat ik toch dat wondere verschijnsel gaan bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt.
Toen de Heer zag, dat hij het ging bezien, riep God hem uit de braamstruik toe: ‘Mozes, Mozes!’
En hij antwoordde: ‘Hier ben ik’.
Daarop zei Hij: ‘Kom niet dichterbij: doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grond’.
Voorts zei Hij: ‘Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaäc en de God 
van Jaäcob. Toen verborg Mozes zijn gelaat, want hij vreesde God te aanschouwen.
En de Heer zei: ‘Ik heb terdege gezien de ellende van Mijn Volk, dat in Egypte is, en hun gejammer over hun drijvers gehoord, ja, Ik ken hun smarten. Daarom ben Ik neergedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te redden en uit dit land te voeren naar een goed en wijd land, een land vloeiende van melk en honig, naar de woonplaats van de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.
En nu, zie, het gejammer der Israëlieten is tot Mij doorgedrongen; ook heb Ik gezien, hoezeer de Egyptenaren hen verdrukken. Nu dan, ga, Ik zend u tot Farao, om Mijn Volk, de Israëlieten, uit Egypte te leiden’Ex.2: 24-3: 10.

    Zij worden gebracht met Vreugde en gejubel, zij worden geleid in de Tempel [van het hart] van de KoningPsalm 44[45]: 17.
Gedenken en eeuwige gedachtenis is
eveneens verbonden met
het handelend optreden tijdens het Laatste Avondmaal in de bovenzaal en datgene wat wij iedere Goddelijke Liturgie, Eucharistie verkondigen:
      Hetgeen de Heer Jezus in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd heeft voorgedaan, een brood nam, de dankzegging uitsprak, het brak en zei: ‘Dit is Mijn Lichaam voor u, doet dit tot Mijn Gedachtenis’. Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zei: ‘Deze beker is het Nieuwe Verbond in Mijn Bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot Mijn Gedachtenis1Cor. 11: 24-25.
Welke handelingen verrichten wij in de Heer?
      Want zo dikwijls wij dit Brood eten en de Beker drinken, verkondigen wij de dood des Heren, totdat Hij [weer terug] komt1Cor.11: 26
En wat zal er vervolgens volgens onze Heer plaatsvinden?

God’s Uitverkorene, by Marc Chagall

      Want dit is het Bloed van mijn Verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze Vrucht van de Wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn VaderMatth.26: 28,29.
Dit is een opmerkelijk vers, dat de heiligen meer de Godslastering van God vrezen dan de hel … David bidt om een eeuwig niet om een gedenken te vermijden, omdat daar een hel op volgt, het ontbreekt de mens dan aan lof van de Heer.
Het ontbreken van God is het ontbreken van Zijn Liefde, hetgeen zo koud is dat het ervaren wordt als vuur:
      En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in het boek des levens, werd hij geworpen in de poel van het vuurOpenb.20: 15, het verschrikkelijkste aspect van de hel is dat het verstoken is van de lof van de Heer.

vers 6-7 afgetobd door zuchten, ouderdom? het ingrijpen van God is vereist
Deze verzen geven aan dat de Psalmist om zichzelf te helpen -zijn de capaciteit mist, zijn krachten  te boven gaat.
Welke hoop blijft er voor ons over als wij onszelf niet langer kunnen helpen?
Ik heb mijn ogen geheven naar de bergen: vanwaar zal mijn hulp komen? Mijn hulp komt van de Heer, de Schepper van Hemel en aardePsalm120[121] :1,2.
        God echter, die Rijk is aan Erbarmen, heeft, om Zijn grote Liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door Genade zijt gij behouden – en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de Hemelse Gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende Rijkdom van Zijn Genade te tonen naar [Zij) Goedertierenheid over ons in Christus Jezus.
Want door Genade zijt gij behouden, door het Geloof en dat niet uit uzelf: het is een Gave van God;  niet uit werken, opdat niemand zal roemenEph.2: 4-9.

Dit verzochten eveneens de Emmaüsgangers, Die met Hem opliepen en Christus herkenden aan het breken van het Brood.
      En zij drongen sterk bij Hem aan en zeiden:
‘Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is reeds gedaald’. En Hij ging binnen om bij hen te blijven en het geschiedde, toen Hij met hen aanlag, dat Hij het brood nam, de zegen uitsprak, het brak en hun toereikte
Luc.24: 29,30.
Wanneer andere hulpverleners falen en het het gemak van een gerieflijk leventje verdwijnt, komt de Goddelijke hulp voor de hulpelozen en blijf Christus, de Zoon van God bij ons.

Hoe karakteriseert deze tekst, die tot Christelijke Hymne is omgezet dit leven?
  Hoe werkt dat in de Blijde Boodschap,
hoe stellen wij de nacht van het leven voor?
      En zijn discipelen vroegen Hem en zeiden: Meester, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat de mens blind geboren is?
       Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders, maar de werken Gods moesten in de mens openbaar worden.
       Wij [mensen] dienen de werken te doen van Degene, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht, waarin niemand werken kan. Zolang Ik, de Heer in de wereld ben, ben Ik het Licht van de wereldJohn.9: 2-5.
  En wat zegt de Blijde Boodschap over de duisternis?
      Laat niemand u misleiden met drogredenen, want door zulke dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid, doet dan niet met hen mee !
Want jullie waren vroeger duisternis, maar thans zijn jullie licht in de Heer; wandelt als kinderen van het Licht, – want de Vrucht van het Licht bestaat in louter Goedheid en Gerechtigheid en Waarheid en toetst wat de Heer wel-behaaglijk isEph.6: 6-10.
  En wat wordt er gezegd over de nacht van het leven en de duisternis?
      Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou: want gij zijt allen kinderen van het Licht en kinderen van de dag.
Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, 
doch wakker en nuchter zijn.
       Want die slapen, slapen des nachts en die zich bedrinken, zijn ’s-nachts dronken, maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van Geloof en Liefde en met de helm van de Hoop op de Zaligheid; want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van Zaligheid door onze Heer, Jezus Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven1Thess.5: 4-10.

vers 7.mijn oog is dof van verdriet
Een helder oog is een indicatie van Sterkte en Goede Gezondheid;
Een helder [in-] zicht bewaren tot in lengte van jaren
      Mozes was honderd twintig jaar oud, toen hij stierf; zijn oog was niet verduisterd en zijn Kracht was niet geweken“ Deut.34: 7.

vers 8-10. Vrede behouden temidden van beroering van de wereld
In deze laatste verzen vindt een verschuiving plaats.
Hoewel zijn externe omstandigheden niet zijn veranderd, beschouwt David zijn gebed als  
goed, als beantwoord.
Ditzelfde vindt plaats in Psalm 21[22]: 21, waar de klaagzang overgaat in lof.
En zie de Profetie over Christus:
      Zie, Mijn Knecht zal voorspoedig zijn, Hij zal verhoogd, ja, ten hoogste verheven zijn.
Zoals velen zich over U ontzet hebben [zozeer misvormd, niet meer menselijk was Zijn Verschijning en niet meer als die van de mensenkinderen Zijn Gestalte]
Zo zal Hij vele volkeren doen opspringen, om Hem zullen koningen verstommen, want wat hun niet verteld was, zien zij, en wat zij niet gehoord hadden, vernemen zij.

De Gekruisigde,  by Chagall – omgeven door een aureool dat eindeloze cirkels trekt om hem heen, brengt meer dan zijn hoofd, een nieuwe orde: een groene zon en een blauwe maan – een uitdrukking van het hoogst Goddelijke bewustzijn [zon] heeft genomen over de kleur van de aarde en de hele schepping, en de primitieve scheppende kracht die zich een weg baant door de boom des levens naar de hoogten van de hemel [maan].

       Wie gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm des Heren geopenbaard?
Want als een loot schoot Hij op voor Zijn aangezicht en als een wortel uit dorre aarde; Hij had gestalte noch luister, dat wij Hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij Hem zouden hebben begeerd. Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als Iemand, voor Wie men het gelaat verbergt; Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.
           Nochtans, onze ziekten heeft Hij op Zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden Hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte.
       Maar om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de Vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de Heer heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen neerkomenIsaiah. 52: 13-53: 6.
ondanks het feit dat het nog niet zal plaatsvinden beschrijft deze Profeet de kruisiging, die meer dan 700 jaar later vanaf die tijd.

  Er is een constante spanning tussen het “hier en nu” en het “nog niet” in het Christelijke leven. Hoewel we dat al [hier en nu] zijn geweest – gedoopt in Christus’ overwinning op de dood en het eeuwige leven
      Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de Majesteit van de Vader,
zo ook wij in nieuwheid van het Leven zouden wandelen.
Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan Zijn dood, zullen wij het ook zijn [met hetgeen gelijk is] aan Zijn opstanding; dit weten wij immers, dat onze oude mens mee-gekruisigd 
is, opdat aan het lichaam van de zonde z’n kracht ontnomen zou worden en wij niet langer slaven  van de zonde zouden zijn; want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zondeRom.6: 3-7.
  Derhalve zijn wij als Christenen deelgenoot geworden aan een Leven dat al is begonnen en nooit zal eindigen:
      Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen.
Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, Die ons heeft liefgehad. Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de Liefde van God, Welke is in Christus Jezus, onze HeerRom.8: 36-39.
  we wachten desondanks op het finale besef van de overwinning van Christus in de Opstanding: 
      En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het Woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: ‘ De dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw 
prikkel?’. De prikkel van de dood is de zonde en de kracht van de zonde is de Wet.
Maar aan God zij de dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus“  1Cor.15: 54-57.

vers 7-8, 10.Hoe kunnen de goddelozen toch bijdragen aan
het volbrengen van God’s doeleinden?“.
        Te dien dage zal de Heer met een scheermes, aan de overzijde van de Rivier gehuurd, met de koning van Assur, het hoofdhaar en het haar der benen afscheren, ja, ook de baard zal Hij wegnemenIsaiah 7: 20;
        Want zo zegt de Heer: Zie, Ik maak u tot een schrik voor uzelf en voor al uw vrienden; zij zullen door het zwaard van hun vijanden vallen, dat uw ogen het zien, en geheel Juda zal Ik overgeven in de macht van de koning van Babel; hij zal hen wegvoeren naar Babel, hen slaan met het zwaard; heel het bezit van deze stad, al haar have en al haar waardevol bezit, met al de schatten der koningen van Juda, zal Ik geven in de macht van hun vijanden, die ze zullen buitmaken en meenemen en brengen naar BabelJeremia 20: 4,5.

vers 8.Gij allen die boosheid bedrijft
Hoe kijken de “werkers van het kwaad” tegen zichzelf aan?
En op welke manier slaat onze Heer acht op hen?
      Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heer der Heerscharen, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd en in Uw Naam boze geesten uitgedreven en in Uw Naam vele Krachten gedaan?
       En dan zal Ik hun openlijk zeggen: ‘Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers van de wetteloosheidMatth.7: 22-23.

vers 9.De Heer verhoort mijn smeking, de Heer aanvaardt mijn gebed
Wanneer heeft God nog meer het gejammer gehoord heeft van Zijn kind, die in ellende verkeerde en heeft Hij daarop gehandeld om hen bij te staan, hen te hulp te komen?
      Toen kwam de dochter van Farao om in de Nijl te baden, en intussen wandelden haar dienaressen langs de Nijl; zij zag het kistje in het riet en zond haar slavin om het te halen.
       Toen zij het open deed, zag zij het kind, en zie, het jongetje [Mozes] schreide, zodat zij medelijden met hem kreeg en zei: ‘Dit is een Hebreeuws kind’.
       Toen zei zijn zuster tot de dochter van Farao: ‘Zal ik voor u uit de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan roepen, om het kind voor u te zogen?’.
       En de dochter van Farao zeide tot haar: ‘Ja’.
Toen ging het meisje de moeder van het kind roepen. En de dochter van Farao zei tot deze: ‘Neem dit kind mee en zoog het voor mij, dan zal ik u het u toekomende loon geven’.  Daarop nam de vrouw het kind mee en zoogde het
Ex.2: 5-9.

vers 10.Dat al mijn vijanden te schande worden en in verwarring worden gebracht“.
Bovenstaand [in vers 3]  waren we al tegengekomen dat de ziel van David door zijn ongerechtigheden “uiterst beangst”  is geworden en in verwarring gebracht als gevolg van zijn vijanden – z’n eigen zonde.
Laten mijn vijanden, mijn zonden spoedig terugwijken en laat de duivel, die mij ertoe aanzet beschaamd staan; met ander woorden een totale ommekeer:
        En Maria zei:
Mijn ziel maakt groot de Heer en mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn 
Heiland, omdat Hij heeft omgezien naar de lage staat van Zijn dienstmaagd.
Want zie, van nu aan zullen mij zalig prijzen alle geslachten, omdat grote dingen aan mij gedaan heeft de Machtige. En heilig is Zijn Naam en Zijn Barmhartigheid van geslacht tot geslacht voor  degenen die Hem vrezen.
• Hij heeft een Krachtig werk gedaan door Zijn arm en
• Hij heeft hoogmoedigen in de overlegging van hun harten verstrooid;
• Hij heeft machtigen van de troon gestort en eenvoudigen verhoogd,
• Hij heeft hongerigen met goederen vervuld en rijken heeft Hij ledig weggezonden.
• Hij heeft Zich Israël, Zijn knecht [Zijn Volk, de Kerk] aangetrokken, om te gedenken aan Barmhartigheid,
gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen
voor Abraham en zijn nageslacht in eeuwigheidLuc.1: 46-55.

Orthodoxie & als schapen onder de wolven

Sodom & Gomorra, by Pieter Schoubroeck

      Voorwaar, Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn in de dag van het oordeel dan voor die stad.
Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven.
Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren aan de gerechtshoven en zij zullen u geselen in hun synagogen; gij zult ook geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen en voor de volkeren.
        Wanneer zij u overleveren, maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet; want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest van uw Vader, Die in u spreektMatth.10:15-20.

      Mocht ik nog wegblijven, dan weet je, hoe men zich behoort te gedragen in het huis van God, dat is de Gemeenschap van de levende God, een pijler en fundament van de Waarheid. En buiten elke twijfel, Groot is het Mysterie van de godsvrucht: Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Geest, is verschenen aan de Engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in Heerlijkheid1Tim.3: 15,16.

Saint Ignatios Antiochan – Osios Loukas monastery chapel [Gr.]

Verdubbel daarom uw inspanningen om het Rijk de Hemelen te bereiken; Kijk goed naar de tijd waarin je leeft. Verwacht slechts onze Heer en Verlosser Jezus Christus die boven alle tijden leeft,  eeuwig en onzichtbaar, maar Die Zich aan ons heeft geopenbaard.
Hij, Die onaantastbaar is en Die niet kan accepteren dat ook maar iemand verloren raakt;  Hij heeft de hartstochtelijke Liefde tot de mens ervaren en heeft ingestemd met alle lijden.
Ik wijs jullie op de Genadegaven waarmee jullie zelf bekleed zijn, verdubbel je ijver en moedig alle medebroeders en zusters aan om gered te worden.
        Toon je daarmee rechtvaardig als gevolg van jullie waardigheid en wees altijd zowel in het vlees en de geest waakzaam; blijf streven naar éénheid, omdat in Christus iets anders er niet meer toe doet.
        Heb geduld met al jouw broeders en zusters, aanvaard ze zoals zij zijn, zoals onze Heer een Verlosser ook met u geduld heeft. Verdraag het, zoals je al doet, met liefde, in Christus” conf. Heilige Ignatios van Antiochië.

recht door zee = ‘natuurgetrouw’; straight through the sea = ‘true to nature’.

Waardig Recht door zee zijn, op je woord te vertrouwen:
De term “φρονίμοϊ” [Gr. phronimoi = wijs], het woord dat onze Heer ten opzichte van de slang gebruikte, is
Wijs; doordrongen van de Heilige Geest, God-gegeven inzicht.
Het betekent in positieve betekenis: inzichtelijk, verstandig, praktisch slim in de regulatie van ons menselijk leven
      Een ieder nu, die deze Mijn Woorden hoort en ze doet, zal gelijken op een verstandig mens, die zijn/haar huis bouwde op de rotsMatth.7: 24;
      Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duivenMatth.10: 16;
      Wie is dan de trouwe en verstandige slaaf [δούλος, doulos, soms vertaald met knecht] , die de heer over zijn dienstvolk gesteld heeft om hun op tijd hun voedsel te geven?Matth.24: 45;
      En vijf van haar waren dwaas en vijf waren wijs,  doch de wijze namen olie in haar kruiken, met haar lampen –  en de dwaze zeiden tot de wijze: ‘Geeft ons van uw olie, want onze lampen gaan uit’“ Matth.25: 2,4 + 8f;
      En de Heer zei: ‘Wie is dan de trouwe, de verstandige rentmeester, die de Heer over Zijn bedienden zal stellen om hun op tijd hun deel te geven?“ Luc.12: 42;
      En de Heer prees de onrechtvaardige rentmeester, dat hij met overleg gehandeld had, want de kinderen van deze wereld gaan ten aanzien van hun geslacht met veel meer overleg te werk dan de kinderen van het Licht“ Luc.16: 8;
      Ik spreek immers tot verstandige mensen; beoordeelt dan zelf, wat ik zeg“ 1Cor.10: 15.

Iemand wantrouwen; twijfel oproepend; gewetensbezwaar veroorzakend.
In ieder geval is er het woord “δόλος” [Gr. dolos = bedrog, fraude, sluwheid, leugenachtigheid, boosaardigheid] zoals in;
• “      zij beraamden een plan om Jezus door list in handen te krijgen en te dodenMatth 26: 4;
• “      diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, boosheid, list, onmatigheid, een boos oog, godslastering, overmoed, onverstandMarc.7: 22 en
• “      Nu was het na twee dagen Pascha en het feest van de ongezuurde broden. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem door list in handen zouden krijgen en dodenMarc.14: 1;
• “      En Nathanaël zei tot hem: ‘Kan uit Nazareth iets goeds komen?’. Filippus zei tot hem: ‘Kom en zie’John.1: 47;
• “      Zoon van de duivel, vol van allerlei list en streken, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden de rechte wegen des Heren te verdraaien?Hand.13: 10;
• “      vervuld van allerlei onrechtvaardigheid, boosheid, hebzucht en slechtheid, vol nijd, moord, twist, list en kwaadaardigheidRom.1: 29;
• “      Het zij zo; tot overlast ben ik u niet geweest, ik ben nu eenmaal sluw, met list heb ik u gevangen2Cor.12: 16;
• “      Want ons vermanen komt niet voort uit dwaling, noch uit onzuivere bedoeling het gaat ook niet met list gepaard1Thess.2: 3;
• “       Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, die in de verstrooiing zijn in 
Pontus, Galatie, Kappadocie, Asia en Bitynie, die door Hem gelooft in God, die Hem opgewekt heeft uit de doden en Hem heerlijkheid gegeven heeft, zodat uw geloof tevens hoop is op God1Petr.2:1,22; alsmede
• “      Want: wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, zijn tong van het kwade te weerhouden en zijn lippen van bedrog te spreken1Petr.3: 10.

Op eigen wijze ‘wijs’ zijn
Maar in negatieve zin betekent wanneer er gesproken wordt van “φρονίμοϊ” [Gr. phronimoi = wijs] echter anders: het alleen verstandig wijs, intelligent, slim, maar ‘niet’ waarachtig, ‘niet’ echt:
– “      Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding is over Israël [de Kerk] gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat en aldus zal geheel Israël [de Kerk] behouden wordenRom.11: 25;
– “      Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige. Weest niet eigenwijsRom.12: 16;
– “      Gij hebt immers gaarne geduld met onverstandigen, omdat gij zo verstandig zijt2Cor 11: 19.

NB. De uitspraak van Paulus, “      Wij zijn dwaas om Christus’ wil, maar gij zijt verstandig in Christus; wij zijn zwak, maar gij zijt sterk; gij zijt in aanzien, maar wij zijn niet in ere1Cor.4: 10
behoort waarschijnlijk tot deze groep, hoewel een beslissing in die richting niet buiten gevaar kan worden gemaakt.

Lijden om Christus wil [dwaas om Christus]
‘Lijden’ is een heel groot woord.
De uitdrukking ‘lijden’ wil echter bij christenen iets zeggen over het feit dat je van alles over je heen krijgt, omdat je Christus wilt volgen. Het is namelijk helemaal niet zo gemakkelijk in navolging van Christus te leven. Je wordt uitgelachen, bespot en in uiterste gevallen vervolgd en gedood.
Nu zal het lichamelijk doden in een omgeving van vrijheid van Godsdienst niet zo gauw voorkomen, maar iemand geestelijk niet serieus nemen, respect onthouden – in een zwaar belaade hoek zetten – komt maar al te vaak voor – zelfs zo sterk dat je het discriminatie kunt noemen.

Treed je dus in de voetsporen van Christus dan zul je ongenuanceerde opmerkingen tegenkomen; of irritatie, welke een vroom gesprek bij anderen kan oproepen. In hun ogen heb je dat over jezelf afgeroepen en hebben zij het grootste gelijk van de wereld.
Maar het kàn zijn dat jij vanwege het feit dat je in God gelooft tot andere keuzes komt dan jouw omgeving; ja zelfs in de hoogste regionen van de Kerk komt dit voor en dat weerstand tegen bepaalde beslissingen niet geaccepteerd worden.
In plaats dat je met respect behandeld wordt – wordt je door de gemeenschap niet langer geaccepteerd, zwaar bekritiseerd – je kunt zelfs het gevoel krijgen er niet meer bij te horen. Zodra je ‘anders’ bent, je kritisch bent, je onafhankelijk van de massa opstelt, dien jij je te verantwoorden, want jij verstoort het zogenoemde groepsgevoel.
Jij wordt in jou overtuigde ‘navolging van Christus’ op de proef gesteld.
De vraag is dan: blijf je trouw aan je eigen mening of laat je jezelf leiden
door het schaapachtig angstig groepsgevoel.

In een brief aan Diognetus schreef Mathetus in de 2e eeuw na Christus:
Christenen vallen niet op door hun nationaliteit, taal of gewoontes. Ze wonen niet in afgescheiden steden, spreken geen dialect en volgen geen grillige groteske gewoontes. Ze volgen gewoon de gewoontes van de steden en de streek waar ze toevallig wonen.
En toch is er iets buitengewoons aan hun leven. Ze wonen in hun land alsof ze er tijdelijk zijn, als vreemdelingen. Zij vervullen hun rol als burgers, maar ze hebben als vanzelfsprekend dezelfde beperkingen als vreemdelingen.
Ieder land kan hun vaderland zijn, maar waar ze ook zijn: het is vreemd land voor hen.
Net als anderen trouwen ze en krijgen ze kinderen, maar ze leggen ze niet te vondeling – ze delen hun maaltijden, maar niet hun vrouwen. Ze laten zich niet door het lichamelijke beheersen; ze leven hun leven op aarde als burgers in de Hemel.
Ze gehoorzamen de wetten, maar op een niveau dat ieder wet overstijgt. Ze leven in armoede, maar verrijken velen. Ze zegenen wanneer ze uitgescholden worden en reageren hoffelijk op beledigingen. Als ze gestraft worden, verheugen ze zich, alsof ze nieuw leven ontvangen”.

Indien je dus waarachtig, met volle overtuiging “Christus” wilt navolgen, dan kan het best nog wel eens heel moeilijk worden – en zo niet, dan dien je toch eens af te gaan vragen of je wel vól-wáárdig aan dàt Christelijk leven deel neemt.
Lach je mee, als er iemand wordt uitgelachen?
Ben je nieuwsgierig als er geroddeld wordt?
Of durf je er iets van te zeggen omdat je weet dat het niet klopt?
Je loopt het risico voor -‘heilig boontje’- te worden versleten,
niet serieus te worden genomen, ontwijkend te worden benaderd,
te worden uitgelachen.

Dat doet pijn – schelden doet geen pijn?
Zeker wel, het kan zelfs zó èrg worden dat je eronder gaat lijden – er kotsmisselijk en ziek van wordt.
Genegeerd worden, niet serieus, respectloos behandeld te worden is dodelijk en
dat komt in de beste gemeenschappen voor – het wordt alleen doodgezwegen.
Dat is wat de Blijde Boodschap bij zoiets noemt als “lijden om de Gerechtigheid”, – ‘lijden omdat je Christen bent’. In dat ‘anders’-zijn kun je een getuige zijn, ook in de manier waarop je omgaat met reacties die in het geheel niet Christelijk genoemd kunnen worden.
Dit alles zal je misschien heel ongeloofwaardig overkomen toch gaat het bij God om bemoediging. Ondanks alle ellende, die je op je weg mee zult maken, mag je  weten dat God jou steunt -al valt de gehele wereld voor je in duigen- Hij heeft namelijk de touwtjes in handen, ook al lijkt het niet altijd zo te zijn.
      Wanneer zij u overleveren, maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal 
u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet; want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest van uw Vader, Die in u spreekt.
Een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind, en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen.
En gij zult door allen gehaat worden omwille van Mijn Naam; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.
Wanneer men u vervolgt in deze stad, vlucht naar de andere; want voorwaar, Ik zeg u, gij zult niet alle steden van Israël [de Kerk] zijn rondgekomen, voordat de Zoon des mensen komt. Een discipel staat niet boven Zijn MeesterMatth.10: 19-23.

Het is goed om de hartstochtelijke liefde tot God en de mensen te ervaren; het beste voor ons is de liefde te kennen van het Beste wat er bestaat, dus van God.

Maar indien we die liefde primair kenden alsof wij minnaars waren en God de beminde, alsof wij zochten en Hij gevonden werd, alsof Zijn Eigenschappen eerder het antwoord waren op onze behoeften in plaats van andersom, dan zouden we de liefde kennen in een vorm die de ware werkelijkheid ‘geen recht’ doet.

Want wij mensen zijn ‘niet meer dan’ schepselen, onze rol blijft –ten alle aardse tijden– die van lijdend voorwerp tegenover onderwerp, van mannelijk tegenover vrouwelijk, van spiegel tegenover het Licht, echo tegenover het Woord.
Onze hoogste activiteit is het antwoord geven, niet het initiatief nemen.
Indien we Gods Liefde werkelijk ervaren en niet in een vorm van een illusie, ervaren we die als overgave aan Zijn eis, onderwerping aan Zijn Wil. Het op tegengestelde manier ervaren is als het ware een overtreding van de spelregels van het Leven.

        Ik wil natuurlijk niet ontkennen dat we in zekere zin mogen spreken van het zoeken van de mens naar God, en over God, Die de Liefde van de mens ontvangt;
maar uiteindelijk kan het zoeken van de mens naar God alleen maar een ‘verschijningsvorm’ zijn van Gods zoeken naar de mens.
Want alles komt van God, alleen al onze capaciteit om lief te hebben is Zijn Genadegave aan ons en onze vrijheid is slechts de vrijheid om beter of slechter te reageren op Gods Liefde.
Daarom is niets zo duidelijk als dat heidens godsgeloof iets heel anders is dan Christendom, als de gedachte dat God, Zelf niet bewegend, het heelal beweegt zoals de Beminde haar Minnaar.

Volgens het Christelijk Geloof geldt juist:

Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden1John.4: 10

Op het verzoendeksel van de verbondsark [het altaar] in het Heilige der heiligen waren twee beelden van cherubijnen, die met hun vleugels het verzoendeksel overschaduwden;
ze waren één geheel met het verzoendeksel, alles uit één klomp goud vervaardigd.
Hun aangezichten waren tegenover elkaar en zagen naar het verzoendeksel [het antimention]. 

    De cherubs zullen twee vleugels uitgespreid houden naar boven, met hun vleugels het verzoendeksel bedekkende en hun aangezicht naar elkander gericht; naar het verzoendeksel zullen de aangezichten van de cherubs gericht zijn. Gij zult het verzoendeksel bovenop de ark leggen en in de ark zult gij de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.

En Ik zal daar met u samenkomen en van het verzoendeksel af, tussen de beide cherubs op de ark van de getuigenis, over alles met u spreken wat Ik u voor de Israëlieten [het KerkVolk] gebieden zalEx.25: 20-22.

De cherubijnen op het verzoendeksel zijn ‘de Cherubijnen van de Heerlijkheid’; tussen de cherubijnen op de ‘troon der Genade‘ [het verzoendeksel, [het antimention]] woont God; daarom staat aan weerszijden op een Orthodox altaar nog steeds twee Tiara met afbeeldingen van de cherubijnen, naast het Groot en Heilig Kruis.

Profeet Ezechiël

In de visioenen van Ezechiël komen Cherubijnen voor in verband met de wielen van Gods troonwagen. Ze vertegenwoordigen de Heerlijkheid en de gang van Gods Rechtvaardige Regeringswegen met Israël [de Kerk].
Ze worden “levende wezens” temidden van vuur, genoemd, met de gezichten van een mensengedaante [rede], van een leeuw [sterkte], van een os [volharding] en van een adelaar [vlugheid]: “      En ik zag en zie, een stormwind kwam uit het noorden, een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven door een glans; daarbinnen, midden in het vuur, was wat er uitzag als blinkend metaal. En in het midden daarvan was wat geleek op vier wezens; en dit was hun voorkomen: zij hadden de gedaante van een mens, Ieder had vier aangezichten en ieder van hen vier vleugelsEzechiël 1: 4-6. De verdere beschrijving van de Cherubijnen en de vurige kolen worden door deze profeet in zijn hoofdstuk 10 genoemd.
Maar het verhaal van onze Orthodoxe eredienst gaat verder:
      Toen hief de Geest mij op en bracht mij naar de Oostpoort van het huis des Heren, die op het oosten uitziet. En zie, bij de ingang van de poort waren vijfentwintig mannen; onder hen zag ik 
Jaazanja [‘de Heer hoort’], de zoon van Azzur [‘Hij, Die te hulp komt’], en Pelatja [‘de Heer bevrijdt’], de zoon van Benaja [‘de Heer heeft gebouwd òf heeft herbouwd’], de vorsten van het Volk. Hij zei tot mij: ‘Mensenkind, dit zijn de mannen die ongerechtigheid uitdenken en slechte raad geven in deze stad; ie zeggen: het komt nooit aan de orde huizen te herbouwen, dit is de pot en wij zijn het vlees. Daarom, profeteer tegen hen, profeteer, mensenkind!’. Toen viel de Geest des Heren op mij [de Profeet Ezechiël, ‘God maakt sterk’] en Hij zei tot mij: ‘Spreek: zo zegt de Heer: aldus hebt gij gesproken, huis van Israël [de Kerk] en wat in uw geest opkomt, is Mij bekend’Ezechiël 11: 1-5.
En wanneer we verder lezen wordt bekend:

Profetie Ezechiël, mozaïek in Osios David – Thessaloniki, 5e eeuw

      Daarom spreek: zo zegt de Heer der Heerscharen: ‘Hoewel Ik hen weggedreven heb onder de volkeren en in de landen heb verstrooid, zodat Ik hun slechts weinig ten heiligdom geweest ben in de landen waar zij gekomen zijn,
       Daarom spreek: zo zegt Heer der Heerscharen: Ik zal u vergaderen uit de volkeren en u bijeenbrengen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, en Ik zal u het land Israël [de Kerk] geven; zij zullen daar komen en daaruit verwijderen al zijn afschuwelijkheden en al zijn gruwelen;
Ik zal hun een hart geven en een nieuwe geest in hun binnenste en Ik zal het hart van steen uit hun lichaam verwijderen en hun een hart van vlees geven, opdat zij naar Mijn inzettingen zullen wandelen en naarstig Mijn verordeningen onderhouden; zij zullen Mij tot een volk en Ik zal hun tot een God zijn.
Maar de wandel van hen die hun hart verpand hebben aan hun afschuwelijkheden en gruwelen, zal Ik op hun hoofd doen neerkomen, luidt het woord van Heer der HeerscharenEzechiël 11: 16-21.
Wie van ons durft nu nog te verkondigen dat “Hierin de liefde Gods is, dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden”.
Ik ben toch goed zoals ik ben? Mankeert er soms iets aan mij?”.
Wij kunnen op onze klompen aanvoelen dat de werkelijkheid genuanceerder is

Illuminated Letter E, Ezekiel’s First Vision

dan de wereld ons doet voorkomen. We hebben gehoord hoe Ezechiël in Naam van God het gesprek aangaat met de Volksgenoten van zijn tijd.
Zij zaten in ballingschap ver van hun geboortegrond [hun oorsprong], weg van huis [kerkgemeenschap] en haard [warmte], van tempel [kerkgebouw] en eredienst voelt de mensheid zich ontheemd en van God verlaten.
Ze stellen zich de herkenbare en menselijke vraag: “Waarom? Waarom wij?
Hoe kan het dat wij in deze ellende terecht zijn gekomen?”

Op zo’n moment wordt al gauw gezegd: “Het ligt niet aan ons, maar aan onze ouders, die deden de dingen verkeerd, die leefden niet volgens de regels van de Eeuwige, zíj hebben niet geluisterd naar de profeten en hun leven veranderd.
Zij aten onrijpe druiven…en nu zitten wij hier en dragen de gevolgen van hun wangedrag”.

Het is ook wel makkelijk jezelf te verschuilen achter je ouders, òf achter onze opvoeding, òf onze omgeving. Zo doende behoeven we zelf geen verantwoordelijkheid meer te dragen voor ons gedrag, ècht stil te staan bij ons èigen handelen.
Dan ligt ‘hèt’ aan de ander, aan die en die omstandigheden, die slechte jeugd, die verkeerde vrienden, dat hij of zij zo geworden is, dat wij zo geworden zijn.
Tegen deze houding van het afschuiven van verantwoordelijkheden, van het verschuilen achter allerlei vaak oneigenlijke argumenten, daar gaat een profeet, ook in onze tijd, tegenaan, rebelleert hij.
In Naam van God benadrukt een profeet, ook in onze tijd, dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn eigen handelen.

Wij mensen zijn de klei in God’s handen; We humans are the clay in God’s hands.

Hij zegt: ‘mensheid, jullie zijn weliswaar in deze situatie terechtgekomen, maar ga niet zitten jammeren over mogelijke oorzaken en maak geen verwijten richting je ouders…
Kom tot je oorspronkelijke zelf, zoals God je gevormd heeft; herstel je en herneem jezelf” en “maak wat van jullie leven!“.
Bovendien wordt benadrukt dat iedereen verantwoordelijk is voor z’n eigen daden, z’n eigen handelen. De schuld mag ook niet op God geschoven worden.
Want, zó horen we, het is God Die de enige Rechtvaardige is!
Veranderen… dàt is makkelijker gezegd dàn gedaan.
Want veranderingen gaan niet van vandaag op morgen.
We zouden wel willen dat er overal Vrede zou zijn, mensen op één lijn zitten, de natuur zich herstelt… dat als we morgen wakker worden, die onenigheid bijgelegd is, we nieuwe, betere mensen zijn.
Maar, zo gaat dat niet. Veranderen kost tijd, inspanning, tegenslag, terugvallen, doorzettingsvermogen, soms weer opnieuw beginnen.
Veranderen is een leerproces. Het leven als permanent leerproces.
En in de werking van dit Goddelijk leerproces zullen wij de Heilige Geest, de Heilige Strekte en onsterfelijkheid van God herkennen.
Op Grote Verzoendag, het Joodse Jom Kipoer [
יוֹם כִּפּוּר], wordt ook nu nog herdacht dat een mens – alleen de hogepriester! – het Heilige der heiligen mag binnengaan om verzoenend bloed op de kappórèt, het ‘verzoendeksel’, te sprenkelen.
Jezelf met God verzoenen is niet meer aan tijd gebonden, dit kan elk moment van de dag dat je hiertoe door Gods Genadegaven toe geroepen wordt. Vanaf Pasen,  Pinksteren en Kerst, de geboorte van de Kerk mag dat iedere dag.

Statements of our Lord

Iedere avond begint bij het ondergaan van de zon -de vespers- de tijd van het aanbreken van een nieuw begin. De eerste twee pelgrimsfeesten, Pesach en Sjawoeot, hebben hun christelijke tegenhanger gekregen in de vorm van Pasen en Pinksteren. Het Pasen vindt zijn voltooiing, zijn voleindiging met Pinksteren, waarbij de Heilige Geest neerdaalt op het Lichaam van Christus, de Kerk; anders geformuleerd, het is de geboortedag van de Kerk en dit wordt feestelijk gevierd.
In sommige Orthodoxe gemeenschappen is het gebruik geworden te gaan picknicken ergens in een park van de stad – de inkeer, vernieuwing en verzoening is voltooid en we mogen onder de hoede van de Heilige Geest onze weg vervolgen. De gewone mensen van de Kerk weten zich geïnspireerde om oude riten te vernieuwen, te zuiveren en te transformeren in feesten, die de geschiedenis van de Kerk markeren en tegelijk geladen zijn met een indringende ethische en spirituele betekenis.
Het appelleert aan het besef hoe wij geworteld zijn in de natuur, hoe wij overgeleverd zijn aan de grillen van het lot, onderworpen aan de voorzienigheid van Heer onze God.
Het geeft een indringend bewustzijn aan hoe dicht wij toch nog staan bij de oerelementen, een bewustzijn dat in onze luxueuze woonomgeving, temidden van onze moderne voorzieningen, maar àl te ‘verduisterd‘ is; hoe wij als schapen leven temidden van de wolven. 

Orthodoxie & de -in het hart bewaarde- vrees voor God.

Een drievoudig snoer in een huwelijk wordt niet spoedig verbroken” Pred.4: 12b

      Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus.
         Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren voor de grondlegging van de wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht.
         In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn Wil,  tot lof van de Heerlijkheid van Zijn Genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.
En in Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn Genadegaven, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand, door ons het geheimenis van Zijn Wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de Hemelen en op de aarde is onder een hoofd, dat is Christus, samen te vatten;
        in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, Die in alles werkt naar de raad van Zijn Wil, opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn Heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd.
        In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het Evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen jij gelovig werd, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte, Die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof van Zijner HeerlijkheidEph.1: 1-14.

Doopvont in de vroeg-christelijke Kerk

De angst voor God is de geboorte van het Geloof en een vereiste voor spirituele vooruitgang. Indien de vreze Gods zich in het hart vestigt, zoals de goede herder [hoeder], regelt Hij alles.

Maar zijn we dan bang voor God?
Voor de ongelovige is de vrees voor God de angst voor het oordeel van God en de eeuwige dood, die bestaat uit een eeuwige afzondering van God;
      Ik zal u tonen, wie gij vrezen moet. Vreest Hem, Die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen. Voorwaar, Ik zeg u, vreest Hem! Worden niet vijf mussen verkocht voor twee duiten en niet een van die is vergeten voor GodLuc.12: 5;
      De Heer zal Zijn Volk oordelen. Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God!  
Herinnert u de dagen van weleer, toen gij, na verlicht te zijn, zo menigmaal lijden doorworsteld hebt, hetzij zelf een schouwspel van smaad en verdrukking, hetzij deelnemende aan het lot van hen, die in zulk een toestand verkeerden. Want gij hebt met de gevangenen mede geleden en de roof van uw bezit blijmoedig aanvaard, want gij wist, dat gijzelf een beter en blijvend bezit hebtHebr.10: 30b-34.

Voor de gelovige is de vrees voor God iets heel anders !!!
De vrees van de gelovige is een ontzag voor God.
Een goede beschrijving hiervan komt eveneens van Paulus tot de Hebreeën:
Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar Hemels Koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehaaglijke wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuurHebr.12: 28,29.
Deze eerbied en ontzag is precies wat de vrees voor God betekent voor ons Christenen. Dit is de motiverende factor voor onze overgave aan de Schepper van het Universum.
Wanneer dat zo is, laat ons onze Heer dan dankbaar wezen, Die dit aan ons heeft doen toekomen en laat Hem als een kostbare schat bewaard worden.
Maar indien we het niet gezien hebben of hebben willen inzien, laten we dan doen wat we kunnen om het te krijgen, wetende dat ons gebrek aan zorg te wijten is aan onze onvoorzichtigheid en verwaarlozing.

Uit Gods angst is geboren berouw, verbrijzeling, rouw om de zonden.
Ieder mens mag wensen dat dit gevoel, de voorloper van redding, nooit van het hart afwijkt!

Om de angst voor God in ons te behouden, dienen we de herinnering aan de dood en het oordeel ononderbroken te bewaren, verenigd met het bewustzijn van de tegenwoordigheid van de Heer: God is altijd in onze nabijheid en in ons nog steeds, alles waarnemen, zien, horen en kennen, en onze meest verborgen geheimenissen.

Het Mysterie van de Drie-eenheid

Wanneer dit offer aan de Drie-ëne God, de herinnering aan de dood, een gevoel van Goddelijke aanwezigheid -in ons Geloof, als een stempel wordt gevestigd, dan wordt het gebed spontaan uit het hart opgeheven, dan wordt de Hoop op redding bevestigd, als een voorschot op de erfenis, die ons te wachten staat.
Onze erfenis bestaat niet uit een fraaie villa of een dikke bankrekening. Onze erfenis bestaat uit een plaats in het Hemels Koninkrijk, de nieuwe Hemel en de nieuwe aarde waar wij ons als een kind zo blij geborgen mogen weten.
Daar is alle zonde vergeven en leven we in volkomen toewijding aan onze Heer.
Dat is ons grootste verlangen wanneer we weer eens zijn vastgelopen in onze eigenzinnige onvolkomenheid. Zelfs in een onvolkomen leven kan Christus nog zoveel moois bewerken, daar kun je versteld van staan.

Kom, Heilige Geest,
vervul de harten van uw gelovigen en
ontsteek in hen het vuur van Uw Liefde.
Heer zend Uw Geest uit en
alles zal herschapen worden
”.

God Gij hebt de harten van al de Gelovigen door
de verlichting van de Heilige Geest onderwezen:
geef dat wij door die Heilige Geest
de ware Wijsheid mogen blijven bezitten en
ons door Christus, onze Heer en Meester,
altijd over Zijn Troost mogen verblijden.

Onze vrees voor God betekent dat we een dusdanig ontzag voor Hem hebben,
dat dit een enorme invloed heeft op de manier waarop we ons leven leiden.
De vrees voor God bestaat uit het respecteren van Hem,
het onderwerpen aan Zijn tuchtiging en
het vol ontzag aanbidden van Hem, als
Heer en Meester van ons leven.
De acceptatie van de God als Heer en Meester is 
geen fase in de ontwikkeling tot onafhankelijkheid; 
het bouwt voort op de in Christus verkregen vrijheid.
Het impliceert een levenslange groei en ontwikkeling, 
om vanaf de doop de mens vrij te maken van z’n beperkingen
, teneinde tot een hoger niveau van vrijheid in gebondenheid te komen. 
Met het perspectief van een tweeledige benadering van 
het verwerven van vrijheid die als gevolg van die emancipatie is verkregen, 
kunnen we de volledige betekenis van het accepteren de vrees voor God beter waarderen. Alleen een waarlijk vrij volk, niet alleen fysiek maar 
tevens spiritueel bevrijd van haar ondergeschikt zijn, 
kan een Goddelijk Verbond tegemoet treden en 
de Vreze God’s als leidraad aanvaarden.

7e Zondag na Pascha – de Kerkvaders van het Eerste Oecumenisch Concilie [Nicea, 325 na Chr.].

      Dit sprak Jezus en Hij hief zijn ogen ten hemel en zei: Vader het uur is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U zal verheerlijken, gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken. Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt. Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt. En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.

Ο Χριστός αγαπά τον δικαστή; Christus liefdevolle Rechter; Christ loving Judge.

Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben Uw Woord bewaard. Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in Waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.
        Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U en al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne en Ik ben in hen verheerlijkt.
En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U.
Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij.
Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd. Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle mijn blijdschap in zichzelf mogen hebbenJohn 17: 1-13.

    Want Paulus had zich voorgenomen Ephese voorbij te varen om geen tijd in Asia te verliezen, want hij haastte zich om, zo mogelijk, op de Pinksterdag te Jeruzalem te zijn.
       Maar hij zond iemand van Milete naar Ephese en ontbood de oudsten der gemeente; en toen zij bij hem gekomen waren, zei hij tot hen:
       Gij weet, hoe ik van de eerste dag aan, dat ik in Asia voet aan wal zette, al die tijd onder u verkeerd heb.          . . . . .  Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft.
Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen die de kudde niet zullen sparen; en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken. Waakt dan en herinnert u, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet heb opgehouden ieder afzonderlijk onder tranen terecht te wijzen.
En nu, ik draag u op aan de Heer en het Woord van Zijn Genade, aan Hem, die bij machte is te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden. Ik heb niemands zilver of goud of kleding begeerd; zelf weet gij, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen, die bij mij waren, hebben voorzien. Ik heb u in alles getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en zich de woorden van de Heer Jezus herinneren, die Zelf gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen. En toen hij dit gezegd had, boog hij de knieën en heeft hij met hen allen gebedenHand.20: 16-18,28 36.

Al datgene wat we hier in onze wereld doen, is slechts als een voorloper of
als een nabeeld van
➻ deze op zichzelf staande, eeuwige wereld, ontdaan van alle vergankelijkheid,
➻ deze hemelen – zó vèr verwijderd van alle lijden.
Wat ons vanuit dit wereldbeeld tot ons is gekomen in het christendom, heeft zeker de vroomheid van het oosten in de vorm van de Orthodoxe Kerk diepgaander bewaard dan de Latijnse ritus van het westen en wanneer
deze diensten slechts gekopieerd worden, blijken ze nog een slecht aftreksel.
Wanneer de Blijde Boodschap in de Byzantijnse kerken wordt geopend, wordt het Woord van God gevierd, als een geur van wierook en als een avondoffer dat oprijst uit de harten van mensen en terugkeert naar de Hemelen, wanneer het als het eeuwige Woord, neergedaalde God in onze tijd.
Men behoeft, zoals we gewend zijn, het offer van Christus niet te gedenken als een afdaling op een lang pad door de woestijn naar het beloofde land, integendeel, men viert de gemeenschap van het Goddelijke onder de mensen, alsof de Hemelen slechts van korte duur zouden zijn en wilde Christus Zelf al naar de aarde terugkomen en we zouden met z’n allen -hier en nu- al delen in de eeuwige muziek van geluk en gelukzaligheid in de intuïtie, het vermogen om ook maar een beetje te ontdekken van God, want God omvatten en uitbeelden kan niemand, dan Christus als Zijn Zoon alleen.

De Orthodoxe Kerk doet het in haar erediensten voorkomen dat Godsdienst,
Religie uiteindelijk goed voor ons is en dat wij als mensen God en onze medemensen daaruit alleen maar dankbaarheid voor kunnen voortbrengen.  Wanneer de Kerk in staat is ons naar het Hemels Koninkrijk te voeren, realiseren wij ons als nietige wezens wat de werkelijke Waarheid is en wordt duidelijk wie we zijn en wat onze roeping is.
De roeping van de mens is mens te zijn!” – “Misschien is niets geheel waarachtig, en zelfs dàt niet!”.

Eduard Douwes Dekker, beter bekend als Multatuli
[hetgeen betekent: ‘ik heb veel (leed) gedragen’],
is een van de grootste Nederlandse schrijvers aller tijden. Zijn boek Max Havelaar, of de koffie-veilingen van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, waarin hij de misstanden in Oost-Indië veroordeelt behoort niet alleen tot de wereldliteratuur, maar bracht een ommekeer in het denken over de Nederlandse kolonie teweeg. 

onze roeping en wie we als mens zijn
En daarom sluit de dienst van de Orthodoxe Kerk zo goed op ons bestaan: om te weten dat God tegelijkertijd betekent om te weten waar we aan toe zijn, en vertrouwend op God kunnen we dit allemaal aan elkaar doorgeven,
➻➻➻ iedereen is op deze manier door de liefde tot en van de medemens naast hem “priesterlijk” wanneer de mens iets van de schoonheid van God waarachtig zichtbaar laat worden in z’n leven, opent hij/zij een venster naar de ander,
hetgeen hem/haar ook het zicht op het Hemels Koninkrijk geeft.
En dat is het einde van bovenstaand gebed van Christus:
dat God, de Vader, ons kan behouden zoals we reeds in vertrouwen en
in liefde tot Hem en de medemens zijn geworden.
Net zoals onze Heer en Meester één is met Zijn Vader,
zo mogen wij ook één zijn met elkaar in Hem
tot het einde van alle dagen, voor eeuwig.
      de Heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij een zijn, gelijk Wij een zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot een, opdat de wereld zal erkennen, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt. Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om Mijn Heerlijkheid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad voor de grondlegging van de wereld.
Rechtvaardige Vader, de wereld kent U niet, maar Ik ken U, en dezen weten, dat Gij Mij gezonden hebt; en Ik heb hun uw naam bekend gemaakt en Ik zal hem bekend maken, opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij in Ik in hen
John.17: 22-26.
En op die manier kan het zó maar gebeuren dat droogstoppels, de prototypes van
inhalige, fantasieloze mensen, die zichzelf -óh zó- godsvruchtig vinden,  
geen enkel oog meer hebben voor hun medemens.

H. Christophoros; Άγιος Χριστόφορος.

De roeping van de mens is mèns te zijn!‘ is Multatuli’s motto en een van de vele aforismen uit de zevendelige reeks Ideeën die hij publiceert.
In navolging van Benedictus [of Baruch] de Spinoza, geboren uit Portugees- Joodse ouders gelooft hij dat de mens overeenkomstig de wetten van de natuur dient te gaan leven, die inherent goed is.
Indien de mensen elkaar echter regels willen gaan opleggen gaat het absoluut mis en  ontbreekt het ethisch principe ‘respect’ voor elkaar het inzicht in de werkelijkheid en het geluk van de mens zijn hetzelfde; vooral religie kan zich dusdanig vervormen, dat het een bron wordt van het kwaad, kijk maar naar al de onrust, die momenteel om ons heen de mens en zijn bestaan vernietigt.

De Blijde Boodschap van de hand van Johannes, de Theoloog, kent, zoals herhaaldelijk al is opgemerkt, geen scheiding tussen deze wereld en de andere wereld, tussen een tijd waarlangs wij ons voortbewegen en een eeuwige ‘tijd‘ die aanbreekt ná de dood; volgens de Theoloog Johannes bestaat er maar één realiteit waarin alles samensmelt; want er bestaat niet langer de angst meer die ons om het hart slaat en ons verlamt;
➻ er is geen geweld en dwang als gevolg van schuld, waarin we ons leven en
waarin we elkaars bestaan beklagen, hoogmoed zal meer en meer ontbreken;
➻ er bestaat niet langer de afgrond van wanhoop, waarbij wij ons met
alle kracht van de wereld aan de rand van het leven blijven vasthouden, alsof
er alleen in dit korte leven heil en zegen voor ons en de naasten overblijft en
er niets anders in het verschiet ligt.
Johannes de Theoloog verkondigt ons dat onze Heer en Verlosser ons met Zijn Blijde Boodschap vertrouwen heeft gegeven:
waarmee wij in staat zijn op een dusdanige manier van het leven te genieten,
dat de dood ons weliswaar te wachten staat, maar dat het geen schaduw meer geworpen wordt op het Licht van God, Dewelke onze zielen verkwikt.

Dááròm worden bovenstaande woorden van het Hoog-priesterlijk gebed
vandaag bij de herinnering aan de Kerkvaders voor ogen gesteld, 
want onze Heer en Zaligmaker is niet alléén maar een gebed tot de Allerhoogste,
maar geeft ons tevens een overzicht wàt Christus’ Blijde Boodschap
voor ons mensen  in ons leven kan betekenen en
daarbij staat de mens boven de christelijke organisatie,
oftewel datgene wat wij mensen er in onze hoogmoed van gemaakt hebben.

Paulus wil aan Ephese voorgaan om géén tijd in Asia te verliezen, want
hij -‘de pionier van het christendom onder de heidenen’-  had haast.
Hij wilde zo de omstandigheden het hem toelieten
op de Pinksterdag te Jeruzalem te zijn.

Het is een feit dat we onszelf kunnen openen en sluiten voor
het werk van de Heilige Geest – de Kracht van God. De heilige Geest wil ons inzicht geven in de geheimenissen en ons het praktisch leven vanuit Gods Kracht en Wijsheid binnen het Lichaam van Christus, de Christengemeente doen toekomen.
Maar we kunnen bij de vervulling met de Heilige Geest ook nog op
een andere manier denken, het vervuld zijn met de Heilige Geest
heeft tevens alles te maken met beheerst worden door de Heilige Geest.
        En dááròm wil Paulus geen tijd in Asia verliezen.
Hij wil naar Jeruzalem toe omdat àldáár de Heilige Geest is neergedaald.
Het gaat erom vernieuwd te worden in de geest en gezindheid
van ons denken door de Heilige Geest.
        Het gaat erom te leven uit wat de Doop in Christus uitbeeldt:
Om uit ‘de nieuwe mens, Jezus Christus’, Die het beeld van God is,
te leven in rechtvaardigheid en heiligheid.

1.]. Rechtvaardig kan een zondig mens alleen zijn door het Geloof in onze Heer, Jezus Christus. Zo komt de zondaar in de rechte verhouding tot God te staan, doordat de Heer Jezus de straf van de mens gedragen heeft en hij de gerechtigheid van Jezus Christus ontvangt.
Zo voldoen wij volkomen aan wàt God van ons vraagt in Zijn Woord en Wet.
Zonder Geloof en zonder bekering is er geen vergeving van zonden en
wacht het eeuwige oordeel, ook al zijn we gedoopt.
2.]. Heiligheid betekent dat ons leven toegewijd wordt aan de Heer en Zijn dienstwerk. Het is het nieuwe leven met Christus door de Geest.
Steeds gaat het er om te leven vanuit datgene wàt Christus heeft gedaan.
Concreet betekent dat een vervulling van
de heilige liefdeswet die Christus heeft vervuld.
De leugen kan niet blijven bestaan, boosheid die bestaat uit wraak en haat dient te worden omgesmolten in liefde voor vijanden en het goede nastreven voor elkaar. Stelen kan niet meer bestaan vanwege het hebzuchtig en zelfzuchtig leven, hetgeen zich tegen Christus verzet.
Liever trouw zijn door met eigen handen te werken en aldus ook te delen met anderen die minder hebben.
Het gaat er om elke vorm van zonde te haten en te ontvluchten.
Anders bieden we ruimte aan de verleidingen van de duivel en bedroeven we de Heilige Geest.
Wie van Christus is, heeft zich met Hem bekleed en als zodanig
behoort die mens Hem toe, die als een zegel op Zijn hart geprint.
Het gaat erom dat het leven met en door Christus
steeds ons nieuwe bestaan wordt.
We worden niet op onszelf teruggeworpen, maar om te leven vanuit de Doop:
Opnieuw geboren zijn door Bekering en Geloof
➻  het is de vernieuwing van ons hele leven door de Heilige Geest.
Hier is het ten dele, straks volmaakt wanneer Zijn Koninkrijk definitief komt.
Laten we onderzoeken of wij werkelijk kinderen van God zijn en
laten wij ons hele leven toewijden aan Hem Die ons is voorgegaan.

Daarom vermaant Paulus ons allen en wijst degenen, die
zich niet ordentelijk gedragen terecht en beurt hij de kleinmoedigen op:
       Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid,
  bekleed met het pantser der gerechtigheid,
de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het Evangelie van de Vrede;
neemt bij dit alles het schild van het Geloof ter hand, waarmee gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven;
en neemt de helm van het Heil aan en het zwaard van de {Heilige] Geest,
dat is het Woord van God.
  En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij
elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende
met  alle volharding en smeking voor alle Heiligen;
ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond
het Woord geschonken zal worden,
om vrijmoedig het geheimenis van het Evangelie bekend te maken,
waarvoor ik een gezant ben in ketenen.
Dàn zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals
ik behoor te spreken
Eph.6: 14-20.

En Hij, de God van de Vrede, zal u geheel en al heiligen en
geheel uw geest, ziel en lichaam zal bij
de [weder]komst van onze Heer Jezus Christus mogen blijken
in allen dele onberispelijk bewaard te blijven.
Die u aanroept, is getrouw;
Hij zal het ook doen.

Apolytikion     tn.6.
    Boven alles zijt Gij verheerlijkt, Christus onze God,
Die onze Vaders op aarde als sterren bevestigd hebt.
Door hen hebt Gij ons tot het ware Geloof gebracht.
Barmhartige Heer, eer aan U
”.

Kondakion     tn.8.
    De Verkondiging van de Apostelen, evenals de dogma’s van de Vaderen,
bewaren de Kerk in eenheid van Geloof.
Zij draagt het bruiloftskleed van de Waarheid,
geweven door de Theologie vanuit den Hoge,
om het grote Geloofs-Mysterie recht te prediken en te verheerlijken
”.

Orthodoxie & de Kerkvaders

Ο προφήτης Ιωνάς ρίχτηκε στη θάλασσα, Κατακόμπε Χ. Πέτρος και Μαρκελινός, Ρώμη, 3ος, 4ος αιώνας; Prophet Jonah thrown into the sea, Catacombe H. Petros and Marcellinos, Rome, 3rd, 4th century; Profeet Jonah in de zee gegooid, Catacombe H. Petros en Marcellinos, Rome, 3e,4e eeuw.

De vroeg-christelijke kerk heeft een groot aantal mensen gekend, die
een belangrijke rol hebben gespeeld bij de verdediging en verdieping van het christelijke Geloof. Dit bestond onder andere uit de verdediging van het Christelijke Geloof tegen ketterse stromingen binnen de kerk en/of het heidense geloof daarbuiten.
De verdieping van het eigen Geloof gebeurde door Homilieën en geschreven studies van de Blijde Boodschap, etc..
De term Kerkvader heeft zijn oorsprong in het feit dat toezichthouders, welke in de Apostolische opvolging stonden in de vroege kerk werden gezien als leraren van de gelovigen. Zij waren het die de hen toegewezen gemeenschap dienden in te wijden in het Geloof.
Zij werden daarom vaak aangeduid met Vader.
Sommige toezichthouders overstegen in hun taak
de grenzen van hun eigen toegewezen gemeenschap, zodat
ze waarachtige Vaders van de Kerk genoemd ‘konden’ worden.
De term werd overigens later niet meer exclusief voor toezichthouders gebruikt, maar werd overgeheveld naar hun herdershonden,
de spelleiders in de gemeenschappen.

Op dit moment bevat de
geaccepteerde lijst van kerkvaders meer dan 300 personen.
Als criteria voor een toekenning van de titel kerkvader aan een bepaalde persoon gelden:
• Hij dient in de Orthodoxe Geloofstraditie te staan.
• Hij dient al vanaf het begin Kerkelijke goedkeuring te genieten.
• Hij diende veelal ook een langdurige monastiek en diepgaande levenservaring
te hebben opgedaan, hetgeen een diep-menselijk contact met de Heer veronderstelt.
• Hij dient daardoor een Heilige levenswandel te hebben geleid.
• Hij dient tot de periode van de Christelijke Oudheid of
daarvan afgeleid te behoren.
Dat deze kenmerken niet altijd even strak worden gehanteerd blijkt wel uit het feit dat Origenes en Tertullianus ook over het algemeen tot de kerkvaders worden gerekend. De eerste is èchter in 553 als ketter veroordeeld, terwijl
de laatste zich op latere leeftijd bij de als ketters beschouwde stroming van de Montanisten [extatische en starre prediking rond Montanus †195] heeft aangesloten.

Het Grieks voor ‘vader’ is: ‘πατέρα’, splits je dat woord in ‘πα τέρα’ dan is de betekenis ‘helemaal opnieuw’. Het Grieks-Nederlands woordenboek vertaalt ‘‘πατέρα’’ met: vader, stamvader, voorvader; schepper, stichter, oorzaak ook vertaalt  met o.a.: de verwekker of mannelijke voorouder
de bewerker en overdrager van iets [iemand die anderen met zijn eigen geest heeft doordrongen, die hun gedachten in beweging brengt en regeert];
            ’πατέρα’ wordt in de vertaling NBG51 nog steeds vertaald door ‘vader’.

van de steigers af?; van de hoge werkplek afdalen; from the scaffolding?; descend from the high workplace; από το ικρίωμα? κατεβαίνουν από τον υψηλό χώρο εργασίας.

Nu luidt een Nederlands spreekwoord:
als het huis afgebouwd is, dan breekt men de steigers af’,
hetgeen gehanteerd wordt, wanneer ‘het doel bereikt is, vergeet men de helpers’.
In die zin kan het woord vader misschien geaccepteerd worden, maar
over het algemeen mag duidelijk zijn dat een Goeroe en Goeroegedrag in de Orthodoxie ‘niet’ geaccepteerd wordt;
de mens dient namelijk in vrijheid z’n christelijk leven te kunnen beleven en
niet de roede of gram van een of andere ‘vader’ op z’n nek te halen, wanneer
men zich tot een andere ‘minder‘ overheersende gemeenschap wendt.
Jezus daagt een religieus spelleider uit om ‘wakker’ te worden en
te begrijpen dat de ‘Waarheid’, Christus Zelf recht tegenover hem staat.
Wanneer deze mens Jezus ‘goed‘ noemt dan dient deze persoon een begin te maken te begrijpen dat  onze Heer en Verlosser, Jezus Christus ‘God’ is en
geen religieus spel speelt, maar tot oprecht en vrij Geloof dient te komen.
Jezus ontkent niet dat Hij God is; Hij bevestigt dat Hij als Zoon, God is en
dat de mens deze erkenning waarachtig dient te onderkenen en ook werkelijk nodig heeft.  

Eeuwige vragen’ zijn niet simpelweg religieuze speculatie, maar
de fundamentele vragen van de menselijke ziel.
En ‘alleen God’ kan antwoord geven op diep menselijke vragen.
Wanneer een spelleider er op staat ‘met ‘Vader’ of ‘Monseigneur’ aangesproken
‘wenst’ te worden, mag je dàt voor mij -stilletjes- beschouwen als ziekmakende hoogmoedigheid.
Wie kan dàn nog gered worden?’ vroeg Petrus en
Hij kreeg van de Zoon van God, de Verlosser het antwoord:
      Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God”.
Toen zei Petrus:
Maar wij hebben alles wat we bezaten achtergelaten om u te volgen’.
Jezus zei tegen hen:
Ik verzeker jullie: iedereen die huis of vrouw, broers of zusters, ouders of kinderen heeft achtergelaten omwille van het Koninkrijk van God, zal reeds in deze tijd het veelvoudige ontvangen en in de tijd die komt het eeuwige levenLuc.18: 28-30 en
maak je geen zorgen wanneer je aan het volgende gevolg geeft:
Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader en wat gij ook vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen, opdat
de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden.
Indien gij Mij iets vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen.
Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren.
En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der Waarheid,
Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet;
maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijnJohn.14: 12-17.

En zo lang je jezelf in de eerste plaats blijft toeleggen ‘toegerust te worden
met de Heilige Geest en dáár aanhoudend om blijft bidden
zal Christus overheersen in onze levens.
Gelukkig mogen veel van onze jongeren en ouderen weten dat
Christus voor hun zonden gestorven is en uit de doden is Opgestaan;
ze mogen zich daarin ook verblijden.
Maar hoeveel mensen weten nog dat hun eigen ik-gerichte leven,
hun oude Adam’s-natuur met Christus gekruisigd is?
Hoeveel gelovigen -ook spelleiders- leven uit de Waarheid,
dat hun oude eigengereide leven gekruisigd is
[dus: als een verleden tijd en een voldongen feit]?
De weg van het Kruis, het gekruisigde leven,
is een voortdurend leven uit het vaste feit:
Niet meer ik, maar Christus”.
Wat een bevrijding is deze ontdekking.
men behoeft en kan niets meer van zichzelf verwachten, maar
mag uit de volheid van Christus leven.
Wanneer we déze Waarheid gaan verstaan, dan
wordt de wááràchtige Christelijke Vrijheid in ons leven openbaar.
Leven vóór en úit Christus in een Heilig, zonde-overwinnend leven.
Alles, maar dàn ook alles slechts van Christus verwachten!; van Christus
ontvangen via de Heilige Geest van God de Vader.
En dit leven is beschikbaar voor iedereen, die Christus werkelijk volgt,
hetgeen zich werkelijk uitstrekt naar een Heilig en toegewijd leven.

Heer, Gij zijt mijn toevlucht en mijn vreugde
in de
beproeving die mij omgeeft;
bevrijd mij van hen die mij hebben omsingeld.
Hij zal mij begrip geven,
mij de weg leren die ik
 moet gaan;
‘k zal mijn ogen op U richten

conf. Psalm 31[32]: 7,8, vert. ROK ‘s-Gravenhage.

Hemelvaart – onderzoek over religieus besef

      En terwijl zij hierover spraken, stond Hij zelf in hun midden; en zij werden ontzet en verschrikt en meenden een geest te aanschouwen.
Doch Hij zei tot hen: Waarom zijt gij ontsteld en waarom komen er overwegingen op in uw hart? Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zelf ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb.
En bij dit woord toonde Hij hun zijn handen en voeten. En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden en zich verwonderden, zei Hij tot hen: Hebt gij hier iets te eten?
Zij reikten Hem een stuk van een gebakken vis toe. En Hij nam het en at het voor hun ogen.
Hij zei tot hen:
    Dit zijn Mijn woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was, dat alles wat over Mij geschreven staat in de Wet van Mozes en de Profeten en de Psalmen moet vervuld worden.
Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen.
En Hij zei tot hen:
‘       Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest lijden en ten derden dage opstaan uit de doden, en dat in zijn naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving der zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem. Gij zijt getuigen van deze dingen. En zie, Ik doe de Belofte van Mijn Vaders op u komen. Maar gij moet in de stad blijven, totdat gij bekleed wordt met kracht uit den hoge’.
En Hij leidde hen naar buiten tot bij Bethanië en Hij hief de handen omhoog en zegende hen.
En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde.
En zij keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap en zij waren voortdurend in de tempel, lovende God
Luc.24: 36-53.

      Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Teophilos, over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren, tot de dag dat Hij werd opgenomen, nadat Hij aan de apostelen, die Hij had uitgekozen, door de heilige Geest zijn bevelen had gegeven; aan wie Hij Zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft.
En terwijl Hij met hen aanzat, gebood Hij hun Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, die gij [zei Hij] van Mij gehoord hebt.
Want Johannes doopte met water, maar gij zult met de heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze.
Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden:
‘Heer, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israel?
Hij zei tot hen: ‘Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en
Samaria en tot het uiterste der aarde.
En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.
En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij heenvoer, zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen, die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze weer-komen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen.
Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, genaamd de Olijfberg, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis daarvandaan
Hand.1: 1-12.

Christus icoon,
vormt in ons:
de Engel der stilte . . .!‘.

 

Er is een groep volgelingen van Christus die nu definitief buiten de boot lijkt te vallen; je ziet het verval in de Christelijk leer dag aan dag voor je ogen groter worden.
Uit een zeer recent onderzoek komt wat religie aangaat naar voren dat Geloof en eredienst, met een woord Godsdienst veel aandacht krijgt, vooral omdat het zich laat aanzien dat minder mensen zich heden ten dage identificeren als Christenen en zichzelf meer beschouwen als dat zij weliswaar iets met de een of andere religie hebben, doch dat zij de banden niet al te strak aanhalen.
Misschien is op z’n minst een deel van de reden voor deze geringe belangstelling dat mensen in het bestaande aanbod van kerkgenootschappen niet erg veel aangetroffen hebben wat het leven tot aan de dood in de Kerk, met alledaagse dingen waarmee ze vertrouwd zijn de moeite waard zou zijn geweest.
Hun ervaring weerspiegelt het falen van het overgrote deel van het huidig Christendom, waarin de Blijde Boodschap in onze cultuur belichaamd wordt met integriteit welke we deze dagen vieren met Hemelvaart.
Wij worden als mens immers uitgenodigd persoonlijk deel te nemen aan de vervulling van onze menselijkheid in de Opgestane en ten Hemel-gevaren Verlosser.
Veertig dagen na het Pascha is onze Heer en Meester ten Hemel opgevaren.
In Hem zijn menselijkheid en Goddelijkheid verenigd in één persoon; Hij is vanaf dit ogenblik in de Hemelen aanwezig als de God-Mens.
Bij Zijn Hemelvaart blijkt dat de Zoon al van vóór schepping deelt in de eenheid en Heerlijkheid die Hij had met de Vader en de Heilige Geest, dus al van vóór de schepping van de wereld.
En Hij verenigt ons, Zijn Volgelingen, in die Heerlijkheid met Hem; Hemelvaart is derhalve een briljante icoon van onze redding, want het maakt duidelijk dat onze Heer ons in al onze dimensies van ons bestaan heeft verhoogd, niet alleen uit het graf, niet alleen uit de Hades, maar in het eeuwige leven van de Heilige Drie-eenheid.
In de ten Hemel opgevaren Christus, zijn wij waarachtig uitgegroeid tot de deelnemers aan God, nemen wij door de Genadegaven deel aan de goddelijke natuur, zelfs al leven we en ademen we in een wereld die zo vaak Degene terzijde schuift, Die de mens in het bestaan gesproken heeft: “God ‘sprak’ en het ‘was’ en Hij ‘zag’ dat het goed wasGen.1:1; 2: 4a.

Hemelvaart herinnert ons eraan dat de Orthodoxe religie zich verheft tot Geloof Welke Heiligheid en Versmelting tracht te bereiken met de Heer in het leven zoals wij dit hier op aarde kennen.

Het punt is dat ons lichaam of elke dimensie van de aardse werkelijkheid niet aan de wereld kàn ontsnappen, maar om èlk aspect van ons leven aan Christus áán te bieden teneinde dat wij dankzij Die Goddelijke Zegen al het Hemelse leven op aarde mogen ervaren, zelfs in een wereld die God meer en meer als irrelevant [niet van belang voor het leven] ervaart.
Christus steeg met Zijn Verheerlijkt Lichaam op naar de Hemelen, en wij “verwachten de Opstanding van de doden en het Leven van de wereld die nog komen gaat” als de ultieme vervulling van Zijn waarachtig goede schepping.
Hemelvaart herinnert ons er tevens aan dat Jezus Christus, onze Heer niet alleen een groot leraar of voorbeeld is, òf zelfs maar als een engel of mindere god kan worden beschouwd.

‘De geschiedenis, dat zijn wij zelf’;          ‘History, that’s us’.

Toen de Kerkvaders van het eerste Oecumenische Concilie [op initiatief van keizer Constantijn I in Nicea in 325 na.Chr.] hebben verkondigd dat ‘Jezus Christus Licht van het Licht, waarachtig God uit waarachtig God, en één in wezen met de Vader, de eniggeboren Zoon van God is; de Enige Die als waarachtig Goddelijk en eeuwig is kunnen opstijgen naar de Hemelen en ons tot het Goddelijke brengt, het eeuwige Leven van de Heilige Drie-eenheid.
Dááròm heeft het Concilie van Nicaea de dwaalleer van Arius afgewezen, die het idee propageerde dat de Zoon van God niet volledig Goddelijk was afgewezen.
Dat is de reden waarom de Orthodoxe Kerk altijd heeft verklaard het niet eens te zijn met degenen die volledige Goddelijkheid van onze Heer en Zijn volledige menselijkheid trachten te ontkennen.
De Enige en Waarachtige, Die God en mens in het leven hier op aarde werkelijk kan samenbrengen tot het bovennatuurlijke Leven van God is Christus, onze  Verlosser.
Misschien dat sommige mensen vandaag de dag vinden dat het Christendom irrelevant is voor hun leven, komt omdat ze nog nooit ‘serieus’ in aanraking zijn gekomen met de Orthodoxe ervaring van Jezus Christus.
Velen in onze westerse cultuur lijken te denken dat onze Heer en Verlosser – weinig meer van doen heeft, dan een goede leraar en voorbeeld [zoals sommige grote voorbeelden van onze tijd] en verkondigen dat Christus niet veel verschilt van die van de seculiere en andere religieuze figuren.
Zij beweren dat wij heus geen uitzonderlijk bijzonder talent behoeven te hebben om erachter te komen dat het mogelijk is om een aardig persoon en een goede burger te zijn, zonder dat je christelijke of religieus betrokken bent.
Net als Arius, hebben velen door de eeuwen heen Christus met hun eigen voorstelling vergeleken als ‘een voorbeeldige mens‘ volgens welke standaard ze Hem in hun tijd en plaats zouden kunnen ervaren.
Terwijl dit soort idolen voor een aantal culturele of politieke agenda’s van nut zouden kunnen zijn, zullen dit soort interpretaties snel verdwijnen wanneer de  mensen er achter komen dat ook zij hun wereldse eind hebben dienen te bereiken en schijnen zij heel goed ‘zonder‘ een nogal religieuze kers op de taart begrijpen wat werkelijk in het eeuwig leven voor hen van belang is. In het beste geval levert deze houding een fastfoodrestaurant Geloof op dat niet lang zal duren en de meeste mensen zullen het niet serieus nemen.

In tegenstelling daarmee handhaaft het Orthodoxie het al-oude Geloof van de vroeg-Christelijk Kerk waarbij Jezus Christus, de God-mens, na z’n Kruisdood in Zijn Opstanding de dood heeft overwonnen, opgevaren is naar de Hemel, die voor ons beërft heeft en ons daarmee deelgenoot heeft gemaakt via de Goddelijke Genadegaven van de Heilige Geest aan het Leven van de Heilige Drie-eenheid.
We dienen nimmer te proberen om ons Geloof in onze Heiland te verheffen tot een werelds idool in een poging om Hem populair te maken, gemakkelijk te volgen, òf Hem volledig te laten opgaan in de harmonie van onze [westerse] cultuur.  Het zou ons dienen te verrassen dat wij ons leven door Hem mogen verheffen teneinde in onze verdorven wereld ‘door discipline‘ een leven van heiligheid op te bouwen, ‘door opofferingsgezindheid‘ en het uit de pas te lopen met de vele trends, die ons omringen.
Zou het niet vreemd zijn als wij net zo eenvoudig en uiteindelijk onbelangrijk en gewoon als aardig of goed-passend zouden aansluiten bij de sociale normen met de zegen van de gekruisigde, opgestane en opgevaren Heer?
Soms dienen we gewoon eens te kijken naar andere culturen, hetgeen ons helpt onze eigen situatie duidelijker te beoordelen.
Tot op de dag van vandaag geven veel christenen in het Midden-Oosten [zowel Orthodoxe als andere religies] hun leven als Martelaren voor hun Geloof in Jezus Christus; zij zitten als gewone burgers, zich van geen kwaad bewust, tussen de strijdende partijen en worden het slachtoffer van hun grillen. In die regio en in andere delen van de wereld, lijden onze broeders en zusters aan vervolging, misbruik en intimidatie van onderdrukkende regeringen en van vijandige extremistische groepen die hen en hun Geloof trachten te elimineren. Communisme en fascisme hebben in onze eigen geschiedenis van de 20e eeuw talloze Martelaren gemaakt. Hetzelfde tevens geldt voor de Armeense, Griekse en Assyrische genocide in de handen van de Turken die honderd jaar geleden begon.
Er zijn er maar heel weinig overgebleven, die in onze cultuur van de afgelopen eeuw niet erkennen dat vele miljoenen christenen zijn gestorven vanwege hun Geloof. Duizenden maken dit elk jaar nog steeds mee, ondanks alle herdenkingen van bevrijdingsfeesten, die her-en- der gevierd worden.
Net als de Martelaren van de vroeg-christelijke Kerk, gingen ze echt hun dood niet tegemoet uit loyaliteit aan een ‘louter menselijke‘ leraar of een voorbeeld van hoe je een morele of aangenaam persoon maar kunt tegenkomen.
Zij zijn dit voorzeker niet met open ogen tegemoet getreden omdat het-christen- zijn hen enige vorm van cultureel of wereldse voordeel zou hebben opgeleverd.
Nee, ze weigeren gewoon om een Heer af te vallen, Die zij [her-]kennen als God, Die de dood heeft overwonnen, opgevaren is naar de hemelen, en Die hen gesterkt heeft om te delen in Zijn eeuwige leven, zelfs als ze Hem letterlijk volgen door hun Kruis op zich te nemen. Ten alle tijde weigeren deze Martelaren Christus te verloochenen. 

Vergeet niet dat, in een kwestie van enkel dagen, de volgelingen in de bovenzaal vanwege hun broederschap tot Christus overgingen van de totale wanhoop en nederlaag bij Zijn kruisiging tot de verbazingwekkende Vreugde van het lege graf en de prachtige aanblik van Zijn Hemelvaart.
Dit waren grootse ervaringen, die hun leven totaal veranderd hebben, die hen de Kracht gaf alles op te geven en hun eigen leven op te offeren voor de Heer. Generaties van Martelaren hebben hun leven niet opgegeven voor zelfs ‘de beste docenten‘ en/of zij, die hen het goede voorbeeld hebben gegeven, maar de Kracht van de Opgestane en Opgevaren Zoon van God is in de Christelijke Kerk in het bijzonder in het getuigenis van de Martelaren aan deze dag verbonden gebleven, met hen die delen in een Overwinning die niet van deze wereld is.
De vroeg-christelijke leraar Tertullianus schreef dat “Het bloed van de martelaren  het zaad is van de Kerk”.
Het mag op de een of ander manier verrassend lijken, maar de volgelingen in de vroege geschiedenis van het Geloof werden getekend door het Getuigenis van degenen die hun leven gaven voor Christus.
Misschien voelden zij -meer dan heden ten dage – dat er ‘iets‘-anders was, iets bovennatuurlijks, iets nieuws, iets wàt echt de moeite van het leven en sterven waard was, want voor hen leidde dìt de Martelaren tot hun onmenselijk groot offer, dàt is wat zij blijkbaar wilden met hun eigen leven. En het mag je verwonderen, maar veel mensen doen dit vandaag de dag nog steeds. 

Hemelvaart, de Belofte van de H. Geest, SimeonArtschischez, miniatuur [1305]

Wanneer wij  het feest van Hemelvaart vieren, dienen wij te onderkennen dat wat we de wereld te bieden hebben – onze Getuigenis is, onze Doxologie [Credo] dat de gekruisigde, Opgestane en Opgevaren Heer ons het eeuwige Leven heeft geschonken, dat Hij deelt met Zijn Vader en de Heilige Geest.
Zijn Goddelijke Glorie schittert in het getuigenis van de Martelaren tot op de laatste dag en dient door ons te schijnen op een wijze, die zelfs de beste leraar, idool, of politieke activist te boven gaat en ons onmogelijk zou kunnen inspireren. We dienen met een enorme oprechtheid aan te tonen dat Christus de moeite waard is om voor te sterven in een cultuur en een wereld waar veel zaken tot god verheven worden.
We zullen dit doen door met Hem op te groeien tot een leven van briljante  Volheid, Heiligheid, zelfs wanneer wij in alle problemen met beide voeten op de grond blijven staan en ons door niets en niemand laten beïnvloeden. 

Hij roept ons op om te leven als levende iconen, gelijkend op onze Heer, op een wijze dat die anderen aangetrokken worden in de Vreugde, de Zaligheid, en de vervulling van komende Hemels Koninkrijk.
Christus stelt ons in staat om in deze wereld voort te leven als degenen die reeds geproefd hebben van Zijn Heil, er iets van te hebben meegekregen, door het zelf mee te maken.
Hij gebiedt ons om de Goddelijke Heerlijkheid waarin Hij ons tot deelnemers heeft gemaakt uit te stralen. Indien we dat doen, zullen wij getuigen van de Waarheid van de Hemelvaart, en zullen velen in onze cultuur voor de eerste keer in hun aandacht worden gevestigd op onze Heer, God en Heiland, Jezus Christus. En door Zijn genade, zullen zij zien dat Hij de Weg is, de Waarheid en het Leven.

Psalm 48[49], de rijke dwaas

    Hoort dit, alle volkeren;
luistert allen die de wereld bewoont.
Aardgeborenen en kinderen der mensen, iedereen, rijk en arm.
Mijn mond spreekt wijsheid,
de overweging van mijn hart verstand.
Ik zal mijn oor lenen aan een gelijkenis, mijn leerstuk uiteenzetten in een Psalm.
Waarom zou ik bevreesd zijn op de dag van onheil?

De ongerechtigheid die mijn hiel belaagt, omringt mij.
Zij vertrouwen op hun macht en beroemen zich op hun geweldige rijkdom.
Maar hun broeder kunnen zij niet vrijkopen: kan ooit een mens vrijgekocht worden?
Hij kan aan God immers geen genoegdoening geven; geen losprijs voor zijn ziel.
Al zou hij ook zwoegen in eeuwigheid en leven tot aan het einde.

Want zou hij het bederf niet aanschouwen, wanneer hij zelfs wijzen ziet sterven?Evenzo gaan dwaas en verstandloze ten gronde, en hun rijkdom wordt nagelaten aan vreemden.
Hun graven zijn hun tehuis voor eeuwig, daar wonen zij van geslacht tot geslacht; hun namen schrijft men op hun grafheuvels.

De mens die geëerd wordt, maar dit niet begrijpt, is te vergelijken met redeloos vee, en daaraan gelijk.
Hun eigen weg wordt hun tot struikelblok, terwijl hun mond die nog prijst.
Als schapen komen zij in de hades, de dood zal hun herder zijn.
De oprechten zullen over hen heersen in de morgenstond, hun hulp uit de tijd van heerlijkheid vergaat in de hades.
Wordt niet bevreesd wanneer een mens zich verrijkt en zijn huis in heerlijkheid toeneemt.

Want als hij sterft zal hij niets kunnen meenemen; evenmin zal zijn heerlijkheid met hem  afdalen.
Want zijn ziel wordt gezegend tijdens zijn leven en hij prijst u als gij haar goed doet.
Maar hij zal ingaan tot het geslacht van zijn  vaderen; tot in eeuwigheid zal hij het licht niet meer zien.
De mens die geëerd wordt, maar dit niet begrijpt, is te vergelijken met redeloos vee en daaraan gelijkPsalm 48[49] vert. ROK ’s-Gravenhage.

3e ant.
1.].Hoort dit alle volkeren, luistert allen die de wereld bewoont”.

Apolytikion     tn.4.  [refrein]
In Heerlijkheid zijt Gij opgestegen, o Christus onze God,
en hebt Uw Leerlingen verblijd door de Belofte van de Heilige Geest.
Want door Uw zegen leerden zij dat Gij de Zoon van God bent
en de Verlosser van de wereld
”.

2.].Mijn mond spreekt wijsheid en de overweging van mijn hart verstand”.

3.].God verlost Mijn ziel uit de macht van de hades wanneer Hij Mij opneemt”.

4.].Eer aan de Vader . . .

Kondakion     tn.8.
Nadat Gij de heilsorde had volbracht,
en het hemelse met het aardse verenigd had,
zijt Gij opgestegen in heerlijkheid, o Christus onze God,
zonder van ons heen te gaan zoadat er geen scheiding kwam.
En hun die Gij liefhebt, roept gij toe:
‘Ik ben met u en niemand tegen u
”.

Orthodoxie & zicht op religieus leiderschap

    En onze Heer Jezus Christus zei:
‘Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen en wie zien, blind worden’.
Dit hoorden sommigen uit de Farizeeën, die bij Hem waren, en
zij zeiden tot Hem: ‘Zijn wij soms ook blind?’.
       Jezus zei tot hen:
‘ Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zonde. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten.
Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen
volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen’.
       In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.
Jezus zei dan nogmaals:
‘ Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die voor Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.
De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.  Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen     maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht – en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen – want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte.
Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij,  gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen’John.9: 39-10: 15.

                   In religieuze en spirituele gemeenschappen neemt leiderschap vaak een specifieke vorm aan.
Religieuze leiders zoals Patriarchen staan namelijk –  ‘verschillend ’ van seculiere leiders zoals keizers – centraal in het verbinden van gelovigen, t.o.v. het transcendente en de buitenwereld.
In het Russisch wordt de term ‘maffia‘ gebruikt voor de ‘corrupte politieke elite‘, die altijd verbonden is/was met machthebbers; in de Sovjetperiode werden met ‘maffia‘ mensen aangeduid die verantwoordelijk waren voor bepaalde goederen of diensten, of degenen die hoge posities op de maatschappelijke ladder hadden [номенклатура , воры в законе – kort omschreven, dieven onder de wet].
Het goed functioneren van religieuze en spirituele gemeenschappen is grotendeels afhankelijk van dit leiderschap.
Religieus leiderschap en religieuze gemeenschappen staan in een tijd van de-ïndividualisatie, de-secularisatie en super-diversiteit sterk onder druk.
Onderzoek laat zien dat men in dit soort tijden van onzekerheid behoefte heeft aan charismatische leiders die richting en veiligheid kunnen verschaffen. Daarnaast zorgt een onzekere of aarzelende situatie er ook voor dat leiders meer mogelijkheden hebben om charismatisch [goeroe-]gedrag te gaan vertonen.
Dit wekt nieuwsgierigheid op wat betreft de ervaringen met charismatisch leiderschap in religieuze en spirituele geloofsgemeenschappen.
Alles is nu eenmaal geschapen, voordat het tot het bestaan kwam, zelfs de mens, als sluitstuk van de Schepping; komt voort uit Gods Liefde tot verlangen naar iets wat van verre [uit het hart] voortkomt; de wens Goed te doen en overwoekerd te worden door Goddelijk Licht, is ontstaan uit de onmetelijke schoonheid van het Goddelijk Licht.

Wanneer we bovenstaande woorden van de Blijde Boodschap van de hand van Johannes horen, lijken ze in eerste instantie te doen afnemen, ze zijn bijna weerzinwekkend, ze zijn al meer dan tweeduizend jaar voer voor handelaren, voor een schijntje te koop op de marktplaatsen van de theologie:
– Onze Heer Jezus Christus is ‘de ware Herder en degenen die in Hem geloven, vormen de kudde’, – die de relatie en de klasse beschrijft van de Christelijk leider en de ‘en masse’ Christus volgende gelovigen, inclusief alle vormen van mogelijk misbruik.
Een natie van “schapen” heeft leiderschap nodig.
Iedere gedragspsycholoog kan ons uitleggen waarom: ‘In tegenstelling tot de sluwe geiten, degenen die zich in de hoge bergen voortbewegen, ten opzichte van de schapen die zich in de dalen op uitgestrekte boomloze vlakten bevinden, waar slechts gras en mos groeit, althans zo lag het er ongeveer achtduizend jaar geleden bij voordat zij aan het menselijk leven gewend was geraakt, voordat zij zich in de wereld thuis begonnen te voelen. Het menselijk leven is afhankelijk van erkenning, respect van degene die dat aanlevert, deze ervaring begeleidt en beschermt’.
Meer dan het geblaat en het exploiteren van deze dieren kan zelfs in een noodgeval niet worden vertrouwd. Wanneer een dergelijk gedrag als een model van “gelovigen” wordt voorgesteld, mag  het tevens duidelijk worden waarom de [schaaps-]kudde gelovigen aan Christus een centrale uitgangspunt toekennen en Hem als het onmiskenbare centrale Hoofd van de Kerk dienen te herkennen, de Enige [God-]mens, op Wie je werkelijk je vertrouwen kunt stellen.
Hier wordt dus klip en klaar gesteld: “ Ja, Jezus Christus, de Zoon van God is de Herder, de behoeder van de Kerkgemeenschap”.
Christus maakt dit hier duidelijk aan ieder mens, die zich als herder, als spelleider, als toezichthouder in Zijn stal aanmeldt om er te komen werken!

Deze scène is tevens opgenomen in de sterk sentimentele weergave van het erfgoed van de Nazarener: een herder die vredig in de avondschemering bij zijn kudde doorbrengt; hij trekt met hen op, met allen, alsof er geen gevaar dreigt.
Vele van dit soort fresco’s en iconen zijn te vinden in de christelijke kerken in Israël, Jordanië, Libanon en Syrië als ingevoerd product uit het koloniaal verleden van het Christendom tot in de 21e eeuw aan toe. Een enkele blik op de bergen van Galilea of ​​Judea zou je andere dingen kunnen laten zien: ‘Hoe bewerkelijk het werk van een herder is en wat de werkelijkheid inhoudt‘.
Bij de weergave van Johannes is er zelfs sprake van een naderende dood, van een leven vol avontuur, van een verbintenis tot ‘alles of niets’, hetgeen een herder als ‘beroepsrisico’ dient in te calculeren en als heel natuurlijk daarop volgend, één opmerking:
Het betreft het uitgangspunt dat het gedrag van de spelleider en toezichthouder, als herder ten opzichte van de schapen afhankelijk is van hoe we tegen de relatie tussen God en de mens aankijken. Geloof en erkenning van de uitvoering daarvan wordt niet beschouwd als taak waarvan de vervulling charismatisch gelegitimeerde eisen stelt aan de mens zelf’.

Met name nieuwe religieuze splintergroeperingen kenmerken zich door een charismatisch leiderschap als een ‘levend voorbeeld’, van een profeet, een mysticus of plaatsvervanger van God. Charismatische leiders worden door hun volgelingen en ook door zichzelf [een soort zelfhypnose] beschouwd als ‘ontzettend’ bijzondere personen met wèl ‘héél bijzondere’ eigenschappen, een soort supermens, die van alle markten thuis is, òf zij doen het slechts voorkomen en spelen het spel, zoals dat van hen verwacht wordt.
Charismatische leiderschap onderscheidt zich in een ideaaltype in contrast met de twee andere vormen van leiderschapsautoriteit, gezag of macht: ‘legaal’ leiderschap en ‘traditioneel’ leiderschap.
       Bijzondere [Genade-]gaven om anderen te inspireren en te leiden is een bepaalde eigenschap van een individuele persoonlijkheid, dankzij welke hij/zij [de geit op de berg] zich onderscheidt van de gewone mens [het schaap in de steppe] en behandeld wordt als begiftigd met bovennatuurlijke, bovenmenselijke, of op z’n minst specifiek uitzonderlijke krachten of kwaliteiten.
Deze eigenschappen zijn dusdanig dat gewone mensen er absoluut geen toegang toe hebben, maar beschouwd worden als ‘van goddelijke oorsprong’ òf wat als voorbeeld kan dienen en het individu dat deze eigenschappen bezit wordt op grond hiervan als leiderschapsfiguur behandeld.
       Na nadrukkelijke bestudering van dit onderwerp is het algemeen min of meer gebruikelijk geworden, begrippen als charisma of charismatisch leiderschap nog uitsluitend op te vatten als omschrijvingen van innerlijke kwaliteiten van een persoon onafhankelijk van de omgeving.

Persoonlijke uitstraling
De charismatische autoriteit berust op “geloven” in de desbetreffende ‘profeet‘, op de “erkenning” die de charismatische ‘held’ zichzelf verwerft en toekent of ermee door de mand valt.
Niettemin ontleent het z’n autoriteit niet aan deze erkenning door degenen, die in de wereld regeren; Macht uitoefenen. Integendeel: Geloof en erkenning worden beschouwd als taken, waarvan de vervulling ‘charismatisch gelegitimeerde eisen’ stelt aan zichzelf [Maximilian C.E. (Max) Weber 1864–1920].
De vraag die daarop volgt is of charisma overdraagbaar is, kunnen de volgelingen worden vastgehouden wanneer de voorafgaande leider er niet meer is, wat gebeurt er als het charisma z’n glans gaat verliezen, minder interessant, minder de moeite waard wordt?
Dit is het vraagstuk van de institutionalisering van het charisma of, zoals Weber het noemt, de routinematig behouden van charisma. De charismatische leider heeft ideeën en idealen, die ook na zijn verscheiden, bewaard en uitgedragen dienen te worden; om de leider heen bevindt zich een groep van mensen, die economisch en sociaal van hem afhankelijk zijn geworden en er zijn volgelingen die het geloof en het vertrouwen in hun leidsman willen behouden, eventueel ook geritualiseerd.
De socioloog Weber gaat er van uit dat charismatisch leiderschap in zijn puurste vorm een zo onzeker, instabiel en vluchtig gegeven is, dat er in de praktijk bijna altijd reeds na een korte tijd een routinematig behouden van het charisma gaat optreden. De mensen rond de charismaticus en vaak ook de leider zelf, willen immers zekerheid en continuïteit; zij tolereren geen enkele tegenstand.

Krishnamurti is een typische voorbeeld van een charismatisch leider, die zich juist ‘tégen’ het routinematig behouden van z’n charisma in een georganiseerde vorm heeft verzet, de ‘antimeester’, zoals godsdienstige leermeesters dit noemen.

De tragiek van de charismatisch leider is dat hij naarmate hij méér succes heeft, meer en meer van z’n oorspronkelijke charisma verliest. Het is een opeenvolgend proces dat vrij gemakkelijk te herkennen is.
1.]. Iemand wordt een charismatisch leider, wanneer hij volgelingen krijgt die zijn charisma herkennen en erkennen. Hij is dan de leider [‘hoofdspelleider’ kon Weber in zijn tijd nog onbelast zeggen] en zijn volgelingen zijn ‘de jongelingen’.
2.]. In de tweede fase, wanneer het leiderschap in bredere kring erkend wordt, worden de volgelingen beschermers en bewakers. Zij gaan om de leider heen staan, onttrekken hem aan het directe contact met de meerderheid van de volgelingen. Om hem zijn charismatische werking niet te doen verliezen, tillen ze hem op, verheffen ze hem tot een zichtbaar, maar onbereikbaar idool.
3.]. In de derde fase zijn de beschermers en de bewakers van de charismatische leiders tot zijn beheerders geworden: het charisma wordt gemanipuleerd ten behoeve van de organisatie die zich om de leider heeft ontwikkeld. De charismatische leider is een marionet geworden van zijn omgeving.
4.]. In de vierde fase tenslotte zijn de beheerders geëvolueerd tot bestuurders en de charismatische leider is nog slechts een herinnering, die de legitimatie is voor de handelingen van de bestuurders. De marionet is dan een mascotte geworden: een symboolfiguur.

De leermeester als algemeen ‘spelleider van de ziel’ is vandaag de dag de ‘religieus charismaticus’ bij uitstek: hij is geen plaatsvervanger zoals iemand die de Blijde Boodschap verkondigt, hij is eveneens geen profeet, die oude waarheden vernieuwt, maar hij ontpopt zich als mysticus, de ‘verlichte’, die z’n volgelingen kan helpen en bijstaan [als starets] zelf de toestand te bereiken, die  zijn bestaan uitmaakt.
De eerbiedwaardige persoon is geen geroepene, geen uitverkorene, maar een ‘verlichte’, een navolgbare [dat weinigen dat stadium van ‘verlicht’ zijn bereiken, is principieel niet van belang]. De leermeester wordt vereerd als voorbeeld en als methode; dat is heel sterk het geval bij geestelijk leidslieden uit India en het verre oosten. Bij velen van hen heeft dit aspect na het overlijden van de stichter reeds duidelijk aan betekenis ingeboet. Interessant is dat vele leermeesters hun eigen charisma ook als afgeleid of overgenomen zien worden. Hieruit blijkt meteen al hoe persoonlijke kwaliteiten ‘alleen’ al onvoldoende zijn voor de erkenning van het charismatisch leiderschap.
De intelligente, steeds wisselende en dagelijks optredende geestelijk leidsman is niet méér of minder dan een charismatisch – verwende, materialistische en intellectueel spelleider. Als eerbiedwaardig spelleider hebben beiden overigens wel ieder een eigen publiek en een eigen functie. Of iemand ‘waarachtig’ de kwaliteiten bezit, die hem door z’n eigen optreden en de reactie daarop van z’n omgeving worden toegeschreven is eigenlijk niet relevant.
Waar het om gaat is of de charismatisch spelleider ‘integer’ is: gelooft hij in z’n eigen charisma en in de opdracht die daarin besloten ligt of in ieder geval als daarin besloten liggend door hem wordt uitgedragen?
Een charismatisch leider kan immers een bedrieger zijn; daarmee is zijn charismatisch leiderschap geen bedrog, maar wèl het misbruik dat hij ervan maakt.
                         Een probleem dat hiermee samenhangt is de enscenering van het charismatisch leiderschap. Iedere charismatisch leider die succes heeft, komt in de situatie terecht dat hij zijn charismatische eigenschappen moet gaan ‘opvoeren’ , zowel in het spel wat gespeld wordt als de mate waarin het gemanifesteerd wordt.
Een steeds groter publiek met steeds grotere verwachtingen dienen in zijn charismatische eigenschappen te blijven geloven, ook buiten het persoonlijk contact om.
Dat vraagt op zijn beurt weer om enscenering van het charisma, om vertoon van bijzondere kwaliteiten en om vertoon van ‘de grote spelleider’.
Dit betekent tevens dat charisma als zodanig tot op grote hoogte tot een schijnvertoning op te voeren is. In zekere zin gaat het hier om een behendigheid, die aangeleerd wordt door het regelmatig [voor de spiegel] geoefend te hebben, het zogenaamde geroutineerd charisma.
De onzekerheid en het wantrouwen dat de enscenering oproept bij degenen die zich niet in de ban van de charismatische leider bevinden, klinken als verontwaardiging door in het commentaar op de levensstijl van de leiders van nieuwe religieuze bewegingen. De buitenwacht veronderstelt bij hen misbruik van het charisma ter verwerving van macht, vermogen en seksueel genot.
– ‘All the groups that we are talking about have living leaders who ware demonstrably wealthy’ [Clark, 1976].
– ‘Zwischen dem anspruchslosen Leben der Guru-Anhänger und dem luxuriösen Lebensstil ihres vollkommenen Meisters Maharaj Ji klafft ein tiefer Graben’ [Löffelmann, 1979],
– ‘Er worden boeken verkocht, waarvan Hubbard [oprichter van Scientology] de royalties opstrijkt: zijn inkomsten worden geschat op enkele miljoenen per jaar’ [Köllen, 1980, 180].
De dag- en weekbladjournalistiek is op dit punt nog veel onverbloemder. Voortdurend vindt men verwijzingen naar de wijze, waarop sekten en sekteleiders zich vergrijpen aan alles wat de burger zo angstig voor zich behoudt en zo gretig anderen ziet verliezen:
geld, bloed, zweet, tranen, eer’.
Geen goeroe zonder giro’, wordt in de pers regelmatig gezegd en hoewel de goeroe daarin dan juist niet van de gemiddelde Nederlander zou verschillen,
drukt deze korte en kernachtig stelling toch vooral een onverbloemd wantrouwen tegen de charismatische godsdienstige spelleider uit, met name wat betreft het inkomen van de toezichthouders.
Zeker ook wat betreft de erfopvolging; je leidt je opvolger als het ware op ten einde verzekerd te zijn van de voortzetting van het charismatisch – verwende, materialistische en intellectueel spel. De volgelingen worden als het ware ‘voor’-geprogrammeerd om ook de voortzetting op handen te dragen, te voeden en te versterken.

Christus geeft het verschil aan
Overeenkomstig deze inleiding sprak ook onze Heer, Jezus  Christus tot ons, maar wij gelovigen begrepen niet, wat het was, waarover Hij – in te tijd- tot ons sprak.
Jezus zei daarom dan nogmaals:
‘ Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die voor Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.
De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.  Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen     maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht – en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen – want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte’”.
De autoriteit van Christus berust enkel en alleen bij Christus en stelt hoge eisen aan degenen, die zich tot Zijn Blijde Boodschap geroepen voelen, zowel aan de geiten als aan de schapen.
Willen wij het Koninkrijk der Hemelen bereiken dan dienen wij ons alle ondergeschikt aan onze ‘Heer en Meester’ van ons leven op te stellen.
Daarom wordt in het vasten gebed gebeden: “Bewaar mij voor een geest van luiheid, moedeloosheid, heerszucht en ijdel gepraat. Maar schenk mij; Uw dienaar, een geest van ingetogenheid, nederigheid, geduld en liefde. Ja, Heer en Koning, doe mij m’n eigen fouten zien en niet mijn broeder veroordelen, want Gij zijt gezegend In de eeuwen der eeuwen. Amen”.
Een bitter voedingsmiddel was het die Adam in z’n hoogmoed uit het Paradijs verdreven heeft; hij weigerde om zich te onthouden [van z’n verheffing] volgens het gebod van z’n Heer en werd toen veroordeeld om de aarde, waaruit hij genomen was, met veel moeite te bewerken en z’n brood te eten in het zweet van z’n aanschijn. Vernedert u dan onder de Machtige hand van God, opdat Hij u zal verhogen te Zijner tijd.
Dit gaat geheel tegen de mentaliteit van de wereld van vandaag in, waarin je vooral bijgebracht  wordt om voor jezelf op te komen.
Waar spelleiders soms manipuleren en controleren, een machtspositie innemen.
Waar spelleiders zich monseigneur, vader, pastor of apostel laten noemen, profeet of doctor of welke titel dan ook. Ze lopen uiteraard graag in keurige pakken met stropdas, wonen in paleizen en berijden voertuigen, die menigeen van ons onmogelijk kan bekostigen.
                             Mensen kijken vaak naar de buitenkant, hoe mensen overkomen, hoe ze zich gedragen. Mensen zetten spelleiders en toezichthouders op een voetstuk, kijken tegen ze op.
                             Mensen zien aan wat voor ogen is, maar God ziet het hart aan!
      Gij zijt het, die voor rechtvaardig wilt doorgaan voor de mensen, maar God kent uw harten. Want wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor GodLuc.16: 15.
      Hij sprak tot de genodigden een gelijkenis, omdat Hij bemerkte, hoe zij de eerste plaatsen uitkozen, en zei tot hen: ‘Wanneer gij door iemand op een bruiloft genodigd zijt, ga dan niet op de eerste plaats aanliggen. Misschien is er iemand, voornamer dan gij, door hem genodigd; en dan zou hij, die u en hem genodigd heeft, komen en tot u zeggen: Maak plaats voor deze, en 
dan zoudt gij tot uw schande de laatste plaats moeten gaan innemen. Maar wanneer gij genodigd zijt, ga dan, als gij erheen gaat, op de laatste plaats aanliggen. Dan zal misschien hij, die u genodigd heeft, wanneer hij binnenkomt, tot u zeggen: ‘Vriend, kom meer naar voren. Dan zal dat u tot eer zijn tegenover allen, die met u aanliggen. Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden Luc.14: 7-11.
Onze Heer en Verlosser vernederde Zichzelf en
was z’n gehele leven een vriend voor de uitgestotene en de zwakke; stond naast hem in z’n eenvoudig leven. 

Religie uit balans
Vooral het type religie op basis van eenzijdige macht is herhaaldelijk ondersteund door theologische verwijzingen naar de mens als schapen onder de leiding van een meerdere [de geiten]. Mensen – onder hen stellen sommige kerkleden vandaag nog voor als echte “schapen“, kijken op ze neer als wezens die God totaal uit het zicht hebben verloren, omdat ze alleen maar om zichzelf heen draaien en zelfs hun “zonden” als deugden voor de hemel claimen.
Met zulke koppige existenties dient God op een strikte en beslissende manier van reageren aan de dag te leggen teneinde hun goddeloosheid te doorbreken.
God, komt altijd van buitenaf, komt onder zulke omstandigheden altijd van buiten; wanneer Hij komt, bedient Hij Zich van zelfverzekerdheid van de “zondaars” te verpletteren, Hij dient de mensen aan te spreken als ware Hij de officier van Justitie met de Wet in de hand met het doel de ondeugden en de zonden van mensen aan het daglicht bloot te stellen. Hij staat onmiddellijk klaar ​​om te straffen en de mens ter verdoemenis uit te stoten.
God verschijnt daar als de tegenstander van de mens en dat wil zeggen dat er een verbinding, een brug tussen dient te worden opgebouwd, die God Zelf heeft geschapen en de God die op de mens wacht.
Net zoals de mens op z’n God wacht, wordt deze onmiddellijk overvleugeld en
wordt deze onmiddellijk ondergesneeuwd door “zelfverlossing” te prediken: ‘God wordt op een afstand geplaatst en wordt onderwezen als zou de mens dienen te leven op een manier die God overbodig maakt’.
In feite, als het niet nodig is om de mens van z’n “schuld” te redden, dan bestaat er misschien helemaal geen god, dan is dit misschien gewoon een hersenschim, een bedenksel van de mens; en leidt zo’n opvatting dan niet automatisch tot pantheïsme of atheïsme? Dan is er helemaal geen God, alleen de mens en zijn ziel!

Godzijdank heeft de Blijde Boodschap van Johannes zich anders uitgedrukt dan hedendaagse theologen welke het om dogmatische redenen in tegenstellingen onder woorden brengen.
Het vierde Evangelie kiest een tussenweg, een rotsachtige, steile maar letterlijk besparende manier om valse alternatieven te vermijden.
Het is onmogelijk dat God en de mens één en dezelfde zijn, integendeel, het benadrukt, per zin, hoe noodzakelijk de mens God nodig heeft om te bestaan; maar omgekeerd ook: wat God de mens in de persoon van Jezus te zeggen heeft – dat is overduidelijk in het Evangelie van Johannes – het is geen verkondiging van een vreemdeling, van een overweldigende, van een aanklager, maar eerder van een zeer stille, vriendelijke en vriendschappelijke samenspraak.
In de inleiding tot de ‘pastorale rede’, vormt Johannes daaruit zijn antithese: er zijn altijd mensen in de geschiedenis van religie geweest die zijn uitgegaan van het verschil tussen God en de mens:
– hoe lager ze de mens benaderden, hoe groter werd hun macht, want
– hoe verder ze uit elkaar werden gedreven, bewoog God Zich als een wolk in de nabijheid van en behorend tot het volk,
– hoe meer ze Hem op een hoger niveau stelden – verhieven zij zichzelf daarmee boven al het aardse en werden zij als Zijn boodschappers herkend.
Allen die dàt op die wijze realiseren, zo verklaart onze Heer overeenkomstig de formulering van het Evangelie van Johannes, zijn in de schaapskooi gekomen alsof ze van een vreemd land zijn, alsof ze van buiten komen en wat ze bezeten en voor ogen hadden, kan gezien, opgevat worden als de uitwerking van hun aantrekkingskracht, hun optreden.

Dit vormt een duidelijk criterium om te testen wat religie ons waard is; uiteraard kan dit voor van alles worden misbruikt.
Dan komen er dieven, dan verschijnen degenen die de mens overvallen: ook zij houden zich bezig met de schapen, maar alleen met het doel ze af te slachten en te exploiteren, – καταστρέψτε [= te vernietigen], zegt het Griekse woord op zo’n moment. Je kunt religie zo ‘tegenkomen’ dat uiteindelijk geloofsvragen niets meer of minder zijn verworden, dan goedkope hulpmiddelen om macht, geld, invloed en posities te verwerven.
Dit alles is maar al te vaak gebeurd en dit zal aldus, in de Naam van God, in alle tijden doorgaan en, zoals je kunt zien, zelfs in de Naam van Jezus Christus, onze Heer, maar het precies hetzelfde als diefstal en dit stelen heeft niets mee te maken met datgene wat onze Nazarener daarmee voorhad.

De God-mens uit Nazareth
Wanneer de mens zich inzet om inzicht te verkrijgen in Wie de God-mens uit Nazareth wel niet voorstelt en overeenkomstig het Evangelie van Johannes Hem dient weer te geven, doet dat op  deze manier, want Christus spreekt heel intiem met de mensen, zoals een herder tot zijn schapen. 
Op een heel natuurlijke wijze blijkt de gelijkenis van de Goede Herder zich in te voegen en wordt ogenschijnlijk gerechtvaardigd door de historische verschijning van onze Heer, Jezus Christus, waarin Hij op dit punt Gods evenbeeld openbaart, zoals Hij verkondigt heeft, maar zich tegelijkertijd de verloren mens, de ‘zondaars’ tegemoet trad en Zich daarvoor inspande.
        Al de tollenaars nu en de zondaars plachten tot Hem te komen om naar Hem te horen.
En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: ‘Deze ontvangt zondaars en eet met hen’. En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zei:
        Wie van u, die honderd schapen heeft en er een van verliest, laat niet de negenennegentig in de wildernis achter en gaat het verlorene zoeken, totdat hij het vindt? En als hij het vindt, tilt hij het met blijdschap op z’n schouders en thuisgekomen, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tot hen: ‘Verblijdt u met mij, want ik heb m’n schaap gevonden, dat verloren was.
Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de Hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebbenLuc.15: 1-7;
Christus vervulde daarmee tevens de messiaanse visie van een herder,
zoals God Hem heeft aangegeven:
De Herder en z’n schapen

profetie Ezechiël, mozaïek in Osios David – Thessaloniki, 5e eeuw

      Het woord des Heren kwam tot mij:
‘ Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tot hen, tot die herders: zo zegt de Heer der Heerscharen:
‘ wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?
• Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar de schapen weidt gij niet;
• Zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij.
• Zij raken verstrooid, omdat er geen herder is, en worden tot voedsel voor al het gedierte van het veld; zo raken zij verstrooid.
• Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel; over de gehele aarde zijn mijn schapen verstrooid zonder dat er iemand is die naar hen vraagt of ze zoekt.
Daarom, gij herders, hoort het woord des Heren.  Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Heer der Heerscharen,
omdat mijn schapen tot een prooi geworden zijn,
omdat mijn schapen tot voedsel geworden zijn voor al het gedierte van het veld
doordat er geen herder is [want Mijn herders vragen niet naar Mijn schapen; de herders weiden zichzelf, maar Mijn schapen weiden zij niet]
Daarom, gij herders, hoort het woord des Heren. Zo zegt de Heer der Heerscharen:
  Zie, Ik zal die herders! Ik eis Mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapenweiden van hen. De herders zullen niet langer zichzelf weiden, Ik zal Mijn schapen uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel dienen.
Want zo zegt de Heer der Heerscharen:
Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar hen omzien;
Zoals een herder naar zijn kudde omziet, wanneer hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar Mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duisternis.
Ik zal ze midden uit de volkeren doen uittrekken, uit de landen bijeen-vergaderen en ze naar hun eigen land brengen;
Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de beekbeddingen en in alle bewoonde streken van het land.
In een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen zij zich legeren op een goede weideplaats en zullen zij in een vette weide grazen, op de bergen van Israël.
Ik Zelf zal Mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van de Heer der  Heerscharen;
De verlorene zal Ik zoeken en de afgedwaalde terughalen;
de gewonde zal Ik verbinden en
de zieke versterken,
maar de vette en krachtige zal Ik verdelgen.
Ik zal ze weiden zoals het behoort.
En gij, Mijn schapen, zo zegt de Heer der Heerscharen, zie, Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen de rammen en de bokken. Is het u niet genoeg, dat gij de beste weide afweidt en de rest van de weiden met uw hoeven vertreedt; dat gij het helderste water drinkt en wat overblijft met uw hoeven vertroebelt? Moeten mijn schapen dan afweiden wat uw hoeven hebben vertreden en drinken wat uw hoeven hebben vertroebeld?
Daarom, zo zegt de Heer der Heerscharen tegen hen:
Zie, Ik ga zelf rechtspreken tussen de vette en de magere schapen; omdat gij al wat zwak is, met flank en schouder wegdringt en met de horens stoot totdat gij ze naar buiten gedreven hebt, zal Ik mijn schapen verlossen, opdat zij niet langer tot een prooi zijn;
Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere. 
Dan zal Ik een herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: Mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn.
Ik, de Heer, zal hun tot een God zijn, en Mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden.
Ik, de Heer, heb het gesproken.
Ik zal met hen een Verbond van Vrede sluiten en het wild gedierte uit het land wegdoen, zodat zij veilig kunnen wonen in de steppe en slapen in de bossen.
Ik zal die, ja al wat rondom mijn heuvel ligt, tot een zegen stellen;
Ik zal de regen doen neerdalen op zijn tijd, zegen-brengende regens zullen het zijn;
Het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven en het land zijn opbrengst.
Veilig zullen zij in hun land leven. En zij zullen weten, dat Ik de Heer ben, 
wanneer Ik de stangen van hun juk verbreek en hen bevrijd uit de macht van wie hen knechten.
Dan zullen zij de volken niet langer tot een prooi zijn; het wild gedierte der aarde zal ze niet meer verslinden, maar zij zullen veilig wonen, zonder dat iemand hen opschrikt.
Ik zal voor hen een plantengroei doen opschieten, waarvan men overal spreekt, zodat niemand in het land meer door honger zal worden weggerukt en zij de smaad der volkeren niet langer te dragen hebben.
En zij zullen weten, dat Ik de Heer, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis van Israël, Mijn volk zijn, luidt het woord van de Heer der Heerscharen.
Gij toch zijt Mijn schapen, de schapen die Ik weid; gij zijt mensen en Ik ben uw God, luidt het woord van de Heer der HeerscharenEzech.34: 1-31.

Theologie wetenschap of persoonlijke ervaring
Maar zoals Paulus, dat in verwoord vermijdt Johannes in zijn weergave bijna al de traditionele zinnen van Jezus te citeren en op te nemen; Johannes geeft er de voorkeur aan zijn eigen interpretaties van gebeurtenissen over de persoon van de God-mens uit Nazareth en Zijn Blijde Boodschap in ‘eigen’ woorden om te zetten;
Paulus laat “zijn” Heer en Meester zeggen wat zich allemaal decennia later uit zal kristalliseren als “Theologie“.
Hoe belangrijker is het niet dat Johannes, als meest nabije apostel van de Heer, de betekenis van onze Heer bepaalt, in de speciale ‘Acte de présence’ van wat eenmaal aan de oevers van het meer van Galilea gezegd zou zijn; de doorslag-gevende factor voor hem is de wijze waarop onze Heer en Meester tot de mens spreekt, hij verwoord wat werkelijk bedoeld wordt.
Wie hem begrijpt, hoort in z’n hart een vertrouwd geluid zonder een enkele valse toon; over zaken, die sinds de prehistorie tijd reeds bekend zijn gemaakt, sommigen komen ons helemaal niet vreemd voor, omdat zij bij de Liefde van God voor de mens passen, maar als uit de eeuwigheid vernomen hun zegje doen en om die reden graag beantwoord willen worden vanuit het hart van de mens.
De taal van de ‘herder‘ als zijn ‘schaap‘, zoals belichaamd in de weergave van Johannes, is kennelijk niets meer dan een dialoog op basis van liefde.
En is ‘dìt’ de gehele religie zoals, die verstaan dient te worden, er is geen andere weergave mogelijk: de relatie tussen God en de mensen dient te worden gezien als de dialoog van Liefde, waarin het Goddelijke Woord niet als vijand, bedreigend of sinister wordt opgevat, maar als iets wat een bepaalde tendens vertoont, iets geheel gevoeligs, kwetsbaar.

Net zoals iemand liefde nodig heeft, zo heeft de mens eveneens behoefte aan deze taal van God, God is tenslotte de Liefde Zelf.
Waarachtig stilstaan en een verdieping op datgene wat Christus bedoeld heeft
dient minder beoefend te worden als een terugblik op het verleden, maar
als een bekroning van een leven dat goed geleefd is.
Begin derhalve met een nieuwe start, leeg en in tegenstelling tot een leven
waarin in het verleden verkeerde keuzes werden gemaakt en
de icoon werd gekwetst die niet kon worden hersteld.
Een goddelijke benadering van de problemen is de liefde zelf en
Christus verklaart ons als ontsnapt aan en technisch vrij van zonden.

Het getuigenis over ons werk in Christus [overeenkomstig Johannes].
      Toen kwam het Vernieuwingsfeest te Jeruzalem; het was winter.
En Jezus wandelde in de tempel, in de zuilengang van Salomo.
De Joden dan omringden Hem en zeiden tot Hem:
‘Hoelang houdt Gij onze ziel nog in spanning? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit’.
Jezus antwoordde hun:
        Ik heb het u gezegd en gij gelooft het niet;
         de werken, die Ik doe in de naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij; maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort.
         Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij en Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand roven. Wat Mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand van Mijn Vaders. Ik en de Vader zijn een’John.10: 22-30.
                            Oorspronkelijk was de Blijde Boodschap als een kabbelende beek, die zich verbreedde tot een steeds breder wordende rivier en uiteindelijk samen-smolt tot een grote stroming.
De boodschap van Jezus werd overgebracht naar een heel andere cultuur, de wereld van het Hellenisme en dáár in dezelfde bewoordingen [vertaald] en woorden werden geïnterpreteerd op een manier die vreemd is, soms zelfs in strijd met de oorsprong.
Het heeft geholpen vorm van de wolken te geven aan het water dat ooit op aarde stroomde en het door het land te laten drijven, door de eeuwen heen en de millennia to nu toe.
Maar niemand kan op de wolken leven. Het werk van iedereen, die het Evangelie van de hand van Johannes leest, dient uitvoerend te zijn – om de wolken te laten regenen, zodat ze de aarde hydrateren.
             Het dient daarom onze vraag te zijn wat de concepten, de woorden, de gedachten die in de mond van Jezus in het Evangelie van Johannes werden weergegeven, oorspronkelijk bedoeld waren – wat zij in die tijd in deze nieuwe, zo volledig heidense, hellenistische wereld zeiden – wat ze ons vandaag kunnen vertellen in weer een andere, ja, een totaal andere cultuur.
Niet voor niets verwijst ‘herder’ Franciscus de Duitse bisschoppen terug naar hun eigen Duitse overleg, teneinde nieuwe wegen te banen op basis van het Goddelijk-Liefdes-gebod. Iedere tijdspanne en iedere omgeving vraagt z’n eigen liefdevolle oplossingen. De mens is zèlf verantwoordelijk in de keuzes, die hij maakt en zal te Zijner tijd door Christus op basis van een liefdevolle benadering beoordeeld worden – God is geen aanklager, maar handelt in de context van wetten met betrekking tot het maatschappelijk middenveld – het belang van eerlijke getuigenissen in een rechtbank en een juiste behandeling van de medemens:
        In het zevende jaar zult gij het land braak laten liggen en het met rust laten, opdat de armen van uw volk eten, en wat zij overlaten zal het gedierte van het veld eten. Evenzo zult gij doen met uw wijngaard en met uw olijfbomenEx.23: 11. Neem in deze de tijd – inzake lastige beslissingen gas terug -; op die wijze zal de Wet der Liefde Z’n Goddelijk Scheppingswerk doen. Het heeft in de huidige omstandigheden de ondergang van de kerkgemeenschap tot gevolg wanneer er op basis van Macht ingegrepen wordt in bestaande structuren/processen; het uitwisselen van informatie op basis van liefdevol contact is daarbij een basisvoorwaarde. Je kunt het merendeel van je gemeenschappen niet opheffen, omdat je zelf door [financieel] wanbeleid, tekorten hebt opgebouwd – iedere gemeenschap vraagt een eigen aanpak en onderling overleg.
Het gezamenlijk gebruik van kerkruimte door verschillende bloedgroepen dient hierbij als een overlevingsstrategie overwogen te worden – jezelf terugtrekken op ‘eigen’ eilandjes is in deze niet uit te leggen aan de breed-georiënteerde samenleving. Kerkgebouwen kunnen gezamenlijk dienst doen ter ere van Christus, de Zoon van God, de zondagsrust wordt ‘gezamenlijk’ in acht genomen.
      Zes dagen zult gij uw werk doen, maar op de zevende dag zult gij [in uw gemeenschap rust nemen] rusten, opdat uw rund en uw ezel [lichaam en geest] kan uitrusten, en de zoon van uw slavin en de vreemdeling adem kan scheppen.
Ten aanzien van alles, wat Ik u bevolen heb, zult gij op uw hoede zijn; de naam van andere goden zult gij niet noemen, hij zal uit uw mond niet gehoord wordenEx.23: 12,13.

Wie is Jezus van Nazareth?
Het begint allemaal als een historische herinnering, leidend tot de tweedeling die in het midden van alle controverse stond tussen de vroege Kerk en het jodendom in de eerste eeuw na Christus. Wie was Jezus van het Nazareth?
           Was Hij, zoals de vroegchristelijke Kerk beweerde, de Messias, of niet?
Voordat we een stuk van ten minste de omstandigheden aan de hand van het verleden op deze vraag duidelijk kunnen maken, dienen we te beginnen met de opmerking dat de historische Jezus de suggestie dat hij slechts de Messias was bruusk heeft verworpen.
      En Hij vroeg hun: ‘Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?’
Petrus antwoordde en zei: ‘Gij zijt de Christus’. En Hij verbood hun nadrukkelijk met iemand hierover te spreken [en dan gebeurt het juist toch]. En Hij begon hen te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en de overpriesters en de schriftgeleerden en gedood worden en na drie dagen opstaan.
       Hij sprak dit woord vrijuit. En Petrus nam Hem terzijde en begon Hem te bestraffen.
Doch Hij keerde Zich om en, ziende naar zijn discipelen, bestrafte Hij Petrus en zei:
‘ Ga weg, achter Mij, satan; gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die van de mensen’
Marc.8: 29-33.
Het verhaal in Marcus onthult dat de titel “Jezus, is de Christus” tijdens Zijn leven ondenkbaar was en niet eerder de overhand kreeg dan na Zijn dood.
Misschien is het echt zo gedragen, zoals sommige commentatoren denken dat men Jezus is bekend als “Koning” in strijd om de titel, die op Golgotha ​​aan Hem werd gegund aan het Groot en Heilig Kruis.
De Romeinse procurator stelt vervolgens als een schuldig vonnis dat de gekruisigde “de koning van de Joden” is; Dit is een Romeinse naam die een Jood nooit zou gebruiken.
Koning van Israël – dat zou Joods zijn; “Koning der Joden” – dat is de uitgesproken uitdrukking vanuit het Romeinse gezichtspunt van iemand die Macht en Royalty wil veroveren, maar die het niet kan winnen.
Hij wordt daarom zowel gestraft voor rebellie als voor machteloosheid. Het ene is de reden, de andere is het gevolg van Zijn arrogantie.   Macht komt immers alleen aan Rome toe en die strijdt woed nog steeds voort.
Dat Jezus veroordeeld werd onder deze term: “Koning der Joden” – is een van de weinige vaststaande historische feiten! – iedereen die zich in z’n leven als volgeling achter Hem heeft geschaard, veroorzaakt dit geestelijke pijn: was deze macabere titel, de beoogde politieke bekleding toch niet helemaal goed?
Jezus, als ‘Christus Koning’ [een roomse uitdrukking] – Christus heeft dit persoonlijk nimmer willen zijn; maar aan de andere kant: wie zijn hier degenen die zichzelf in het verhaal voor koningen uitgeven? Voelt de ene bloedgroep van Christenen zich niet verheven boven de andere en heeft de ander ongelijk?

  • Het is onmogelijk om dit te herkennen en het is zelfs na Golgotha nog onmogelijker dan ooit tevoren. Als iets het menselijk leven zou kunnen bepalen, zodat het de troost van de levenden zou dienen, zodat het zou kunnen bijdragen aan de humanisering ervan, dan was en is het de Blijde Boodschap van de Jezus van Nazareth. Maar dienen we niet tegen alle vervorming in nog meer te benadrukken: ‘Hij is de Koning der koningen, de enige waarachtige Koning?’.
    Dient men Hem dan niet met de liefdevolle ogen van God te zien, met hetzelfde zelfvertrouwen waarmee hij God als Zijn vader tot mens wilde brengen? Vrij spoedig al groeit, op basis van de Palestijnse gemeenschap, het Geloof dat de Jezus uit de plaats Nazareth, waar niets goed uit kon voortkomen, toen hij stierf, “verheven” werd tot God, dat wil zeggen, tot koning gemaakt, zoals in het oude Egypte aan degene, die gestorven was een plaats werd toegekend aan de rechterhand van de zon, als heerser in de Hemelen anders gezegd over de hemelen.
  • Zij geloofden vurig, er werd vanaf dat moment gehoopt en gebeden, dat Jezus van Nazareth Zijn macht, Zijn Koning der koninklijke Waardigheid, zou tonen bij de val van deze ‘wereld’.
    Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was. Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben. Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de Liefde1Cor.13: 11-13.
    Hiervan is/was een ding zeker: het einde zou heel spoedig komen, en de tijdspanne tot die tijd zou alleen tot de laatste ademhaling duren, want dan hield de tijd voor het individu op te bestaan en sta je meteen in de goddelijke eeuwigheid.
    Het is/was koortsachtig aan het anticiperen op deze tijd; maar dan werd die komst van het einde der tijden werd uitgesteld en uitgerekt tot het werkelijk zal plaatsvinden.
    Er zijn al een aantal passages in de weergave van Marcus waaruit blijkt dat – men steeds maar is doorgegaan – om van Jezus van Nazareth, de door God aan-gewezen Messias, aan te geven dat Deze Zoon van God op de laatste dag de Koning der Koningen zou zijn.
    Het was voor degenen die waarachtig in Hem geloofde ondenkbaar dat Christus slechts in de Hemel zit af te wachten, om het zo uit te drukken, als de keizer Barbarossa in Kyffhäuser, om het geluid van de laatste bazuin af te wachten.
    Degenen die in Hem geloofden, zagen Hem al aan de Macht, en zelfs hier op aarde was Hij niet, zoals de mensen Hem aanschouwden.
    Boven alles begint de Grieks, Hellenistiche cultuur, die volledig vreemd is aan de God-mens uit Nazareth hier parten te spelen en dit als vraag op te nemen.
    Degenen die door Zijn Blijde Boodschap worden bewogen – aangeraakt, zien reeds in de op aarde verblijvende Jezus, de Koning, de Messias, de Heer der Heerscharen en niet alleen in het verborgene, maar als Degene, Die Zich heeft geopenbaard en in het bijzonder in door Zijn werken.
  • Dit is de wenk, die het Evangelie van Johannes ons geeft:

    Reddende Christus, Mysterie en Goddelijke Liturgie’; ‘Saving Christ, Mystery and Divine Liturgy’

    Je kunt je over de persoon van Jezus van Nazareth tussen Joden blijven verwonderen, het blijft een Mysterie – wat overblijft is dat we nu kunnen vaststellen, zoals Griekse christenen vaststellen: een debat aan te gaan vanuit de verdeelde mens, maar er blijft een argument op de achtergrond van het Evangelie van Johannes overeind, waarover men vanuit dit perspectief in staat is te ontkennen: “Dat dit de “Mysteriën” – de wonderen zijn die Jezus als God-mens op aarde heeft verricht“.
    Reeds Marcus bereidt zich alvast een beeld in de weergave van Mattheüs voor; en men vraagt zich af: ‘Wat zijn deze daden waarin Jezus zichzelf als Koning de koningen zou moeten bewijzen, dus het zijn alle genezingen, die Hij als God-mens vooral voor de verdrukten, de zwakken en de zieken werkte’.
    De weergave van de Blijde Boodschap van Johannes kan niet genoeg krijgen om de genezing van de blinde mens aan Jeruzalem’s poort aan te halen als een “bewijs” dat Jezus waarachtig  van God kwam.
    maar Ik behoef het getuigenis van een mens niet, doch Ik zeg dit, opdat gij behouden wordt. Hij was de brandende en schijnende Lamp en gij hebt u een tijdlang in zijn Licht willen verheugen. Maar Ik heb een getuigenis, gewichtiger dan dat van Johannes [de Doper]; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen, juist die werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft. En de Vader, die Mij gezonden heeft, Die heeft van Mij getuigenis gegeven. Gij hebt nooit Zijn Stem gehoord of Zijn Gedaante gezien en Zijn Woord hebt gij niet blijvend in u, want Die Hij gezonden heeft, gelooft gij niet. 
    Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen en toch wilt gij niet tot Mij komen om [eeuwig] Leven te hebben.
    Eer van mensen behoef Ik niet, maar Ik ken u: gij hebt de Liefde Gods niet in uzelf. Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en gij neemt Mij niet aan; indien een ander komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen.
    Hoe kunt gij tot geloof komen, gij, die eer van elkander behoeft en de Eer, Die van de enige God komt, niet zoekt? John.5: 34-44.

  • Pinksteren is in aantocht
    Over heel de aarde klinkt hun Boodschap tot aan de grenzen van de wereld hun woorden. De Hemelen verhalen de Heerlijkheid van God, het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. De Wet [van de Liefde] is onbevlekt en bekeert de zielen; het gebod des Heren is stralend en verlicht de ogen”.
    Prijslied:
    Koningin verheug U, die de Heerlijkheid van de maagdelijkheid verenigt met het Moederschap. Want in Uw schoot droeg U het Woord, de Zoon van God, als een sterveling, Die de zwakheid van onze natuur, doordat Hij als God heeft willen lijden, genezen heeft. Nu zetelt Hij op de Troon van Zijn Vader.
    Nu zendt Hij ons de Genade[-gaven] van Zijn Heilige Geest
    ”.

6e Zondag na Pascha – de Zondag van de Blindgeborene

de blindgeborene; ο Τυφλός;                          the man who was blind born.

      En voorbijgaande zag Hij een mens, die sedert zijn geboorte blind was.
En zijn discipelen vroegen Hem en zeiden: Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is?
Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders, maar de werken Gods moesten in hem openbaar worden. Wij moeten werken de werken doen van Degene, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht, waarin niemand werken kan. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld.
        Na dit gezegd te hebben, spuwde Hij op de grond en maakte slijk van dit speeksel en Hij legde hem het slijk op de ogen en zeide tot hem:
        ‘Ga heen, was u in het badwater Siloam, hetgeen vertaald wordt door: uitgezonden.
Hij dan ging heen, wies zich en kwam ziende terug.
De buren dan en zij, die hem vroeger als bedelaar gekend hadden, zeiden: Is hij dat niet, die zat te bedelen?
Sommigen zeiden: Hij is het; anderen zeiden: Neen, maar hij gelijkt op hem.
Hij zei [zelf]: Ik ben het.
Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn dan uw ogen geopend?
Hij antwoordde: De mens, die Jezus genoemd wordt, maakte slijk, streek het op mijn ogen en zei tot mij: ‘Ga heen naar Siloam en was u. Ik ging dan heen en toen ik mij gewassen had, werd ik ziende’.
En zij zeiden tot hem: ‘Waar is Hij? Hij zeide: Ik weet het niet’.
Zij brachten hem, die vroeger blind geweest was, naar de Farizeeën.
Nu was het Sabbath op de dag, dat Jezus het slijk maakte en zijn ogen opende.
Opnieuw vroegen hem ook de Farizeeën, hoe hij ziende was geworden.
En hij zei tot hen: ‘Hij legde slijk op mijn ogen, ik waste mij, en nu kan ik zien’.
Sommige dan van de Farizeeën zeiden: Deze mens komt niet van God, want Hij houdt de Sabbath niet.
Anderen zeiden: Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen? En er was verdeeldheid onder hen. Zij dan zeiden nog eens tot de blinde. Wat zegt gij van Hem, daar Hij uw ogen geopend heeft? En hij zei: Hij is een profeet.
De Joden dan geloofden niet van hem, dat hij blind geweest en ziende geworden was, totdat zij de ouders geroepen hadden van hem, die ziende was geworden en zij vroegen hun en zeiden:
‘Is dit uw zoon, van wie gij zegt, dat hij blind geboren is? Hoe kan hij dan nu zien?’.
Zijn ouders antwoordden en zeiden: ‘Wij weten, dat dit onze zoon is, en dat hij blind geboren is; maar hoe hij nu zien kan, weten wij niet, en wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet; vraagt het hemzelf, hij heeft zijn leeftijd, hij zal voor zichzelf spreken’.   Dit zeiden zijn ouders, omdat zij bang waren voor de Joden, want de Joden waren reeds overeengekomen, dat, indien iemand mocht belijden, dat Hij de Christus was, hij uit de synagoge zou worden gebannen.
Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn leeftijd, vraagt het hemzelf.
Zij riepen dan ten tweeden male de man, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef aan God de eer; wij weten, dat deze mens een zondaar is.
Hij dan antwoordde: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; een ding weet ik, dat ik, die blind was, nu zien kan.
Zij dan zeiden tot hem: Wat heeft Hij aan u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?
Hij antwoordde hun: ‘Ik heb het u al gezegd, en gij hebt er niet naar gehoord; waarom wilt gij het opnieuw horen? Wilt gij soms ook discipelen van Hem worden?’.
En zij scholden hem uit en zeiden: ‘Gij zijt een discipel van Hem, maar wij zijn discipelen van Mozes; wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van deze weten wij niet, vanwaar Hij komt’. De man antwoordde en zei tot hen:
‘ Hierin is toch iets wonderlijks, dat gij niet weet, vanwaar Hij komt, maar mijn ogen heeft Hij geopend. Wij weten, dat God naar zondaars niet hoort, maar is iemand godvruchtig, en doet hij zijn wil, die verhoort Hij. Van eeuwigheid is het niet gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene geopend heeft. Als deze niet van God was gekomen, Hij had niets kunnen doen’.
Zij antwoordden en zeiden tot hem: ‘Gij zijt geheel in zonden geboren en wilt gij ons leren?’. En zij wierpen hem uit.
Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en Hij zei, toen Hij hem aantrof: ‘Gelooft gij in de Zoon des mensen?’.
Hij antwoordde en zei: ‘En wie is Hij, Heer, dat ik in Hem moge geloven?’.
Jezus zei tot hem: ‘Gij hebt Hem niet slechts gezien, maar die met u spreekt, die is het’.
Hij zei: ‘Ik geloof, Heer en hij wierp zich voor Hem neer’John.9: 1-38.

      En het geschiedde, toen wij naar de gebedsplaats gingen, dat een zekere slavin, die een waarzeggende geest had, ons tegenkwam, welke aan haar eigenaars met waarzeggen veel voordeel aanbracht. Deze liep Paulus en ons achterna, luid roepende:
      Deze mensen zijn dienstknechten van de allerhoogste God, die u de weg tot behoudenis boodschappen’.
En dit deed zij vele dagen lang. Maar toen dit Paulus verdroot, wendde hij zich tot de geest en 
zei: ‘Ik gelast u in de Naam van Jezus Christus van haar uit te gaan’. En hij ging uit op datzelfde uur.
Toen nu haar eigenaars zagen, dat hun kans op voordeel verdwenen was, grepen zij Paulus en Silas en sleurden hen naar de markt voor de overheid en toen zij hen bij de hoofdlieden gebracht hadden, zeiden zij: ‘  Deze mensen brengen onze stad in rep en roer, daar zij Joden zijn en zij verkondigen zeden, die wij als Romeinen niet mogen aanvaarden of volgen’.
Ook de menigte schoolde tegen hen samen en de hoofdlieden scheurden hun de kleren van het lijf en lieten hen met de roede geselen; en na hun vele slagen gegeven te hebben, wierpen zij hen in de gevangenis met bevel aan de bewaarder hen zorgvuldig te bewaken.
Daar deze zulk een bevel ontvangen had, zette hij hen in de binnenste kerker en sloot hun voeten zorgvuldig in het blok.
Maar omstreeks middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gods lof, en de gevangenen luisterden naar hen.
Doch plotseling kwam er een zware aardbeving, zodat de grondvesten der gevangenis schudden; en terstond gingen alle deuren open en de boeien van allen raakten los.
En de bewaarder, uit zijn slaap opgeschrikt, zag de deuren der gevangenis openstaan, trok zijn zwaard en was op het punt zelfmoord te plegen, in de waan, dat de gevangenen ontsnapt waren.
Maar Paulus riep met luider stem: ‘Doe uzelf geen kwaad, want wij zijn allen hier!’.
En hij liet licht brengen, sprong naar binnen en wierp zich, bevende over al zijn leden, voor Paulus en Silas neer. En hij leidde hen naar buiten en zei: “ Heren, wat moet ik doen om behouden te worden?’.
En zij zeiden: ‘Stel uw vertrouwen op de Heer Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis’.
En zij spraken het Woord van God tot hem in tegenwoordigheid van allen, die in zijn huis waren. En in datzelfde uur van de nacht nam hij hen mee om hun striemen af te wassen, en hij liet zichzelf en al de zijnen terstond dopen; en hij bracht hen naar boven in zijn huis en richtte een tafel aan, en hij verheugde zich, dat hij met zijn gehele huis tot het geloof in God gekomen wasHand.16: 16-34.

Een deel van bovenstaande genezing van de blindgeborene lijkt erg op een soortgelijk verhaal in de weergave van hetgeen Marcus [8: 22-26] van de mond van Petrus vernomen heeft.
Maar voor Johannes, die tenslotte Theoloog is, wordt de genezing van een mens niet gewoon als een gebeurtenis opgevat, die ooit gebeurd zou zijn.
Het verhalen, alsof het een geschiedenis is betekent voor Johannes de Theoloog een vernietiging van het Woord, er worden valse verwachtingen gewekt.
Het gaat de Theoloog Johannes ook niet om een philosofische verhandeling, hetgeen een kentheorie een beschrijving van een kennisleer, een probleem dusdanig beschrijven en tot een oplossing komen door een philosofische theorie uit te werken. Het gaat hier niet om een theorie, de interpretatie van een leer om eindelijk eens het verschil duidelijk te maken tussen de mensheid van deze wereld en het individuele licht, de verduidelijking, die kenbaar gemaakt wordt wat waarheid is in de juiste leer.

Daar draait het niet om -het is geen kennis in de zin van een intellectueel proces-, het draait hier om de absolute verlorenheid, de totale vervreemding van de werkelijkheid waarin de mens zich bevindt. De bevroren toestand van de menselijke vanwege het ontbreken van inzicht over het verkrijgen van een lichtere en warmere wereld.
Sommige theologen beginnen hun theorieën pas in twijfel te trekken wanneer zij in aanraking komen met eigen of andermans lijden en de hemel-schreiende tragedie van grote groepen mensen, zoals momenteel in de oorlogshaarden op deze planeet.

Wat houd blindheid nu eigenlijk in – neem van mij aan het draait hier niet om het dragen van een centimeters dikke bril, die zwaar op de neus wordt gedrukt. Het draait om een ander blindheid, zoals een nachtblindheid, je kunt uitstekend zien, maar om de een of andere reden, ben je niet in staat alles helder waar te nemen, je bezit gewoon het onderscheiding’s-vermogen niet.

Zoals bijvoorbeeld de christelijke kerken bijna tweeduizend jaar na de Blijde Boodschap, de Liefdesleer van Christus op het beslissende moment van de Holocaust een blinde koers bewandelde : ‘Wat gebeurde er vlak voor hun ogen – ze konden het zien, maar ze wilden de achtergronden van de bedoelingen niet zien, met betrekking tot de vrome aanhangers van hun instelling waren ze blind; geen mond opende zich, er weerklonk geen jammerklacht‘.
Ja, achteraf worden excuses verzonnen en personen Heilig verklaard, die zich wel tegen de macht van de duisternis verzetten- maar toen het gevaarlijk was en het systeem gevaar liep werd elk gebaar van bewust verzet omzeild en vermeden.
Maar ook nu nog in onze tijd wordt vanuit de weelde van het westen, de wapenhandel – ook in de lage Landen – in stand gehouden; technisch vernuft ingezet om nieuwe vernietiging te ont-wikkelen, als ons economisch systeem maar overeind blijft.
De honger en ellende zou al lang de wereld uit geweest zijn indien we het kapitaal en de inzet welke in kennis van kernfusie is gestoken niet voor oorlogsmiddelen en ruimtevaart, maar voor liefdevolle ontwikkeling hadden ingezet.
De vraag rijst wat ons eigenlijk verhindert te zien wat we als christenen behoren te zien. De mogelijkheden en het antwoord welke Johannes de Theoloog op dit centrale probleem oppert, verschilt wat de hoofdzaken aangaat van de discussies die gehouden worden door de platonische kennisleer, hoe we tot de ware kennis kunnen komen.
De eenvoudigste achtergrond voor menselijke blindheid uit de woorden van Johannes is om je ogen eenvoudig te sluiten òf de andere kant op te kijken vanwege de angst die je benauwd wanneer je alles nauwlettend zou volgen en tot de conclusie komt dat je zelf een groot risico zou lopen. Stel je voor dat de gehele economie van het westen in elkaar zou storten wanneer wij ons menslievend en vredelievend zouden opstellen ten opzichte van onze verre naasten.
Het is beter om weg te kijken, het is beter om je hoofd letterlijk in het zand te steken, het is beter om het fijne zand van het slaapmannetje in de ogen te laten strooien,  het is beter om na afloop te kunnen zeggen: Dat hebben we niet geweten, we waren ons van geen kwaad bewust.
Daarom is het belangrijk om de angst op te lossen -in de ervaring van elk individueel mens- en de mens aan te moedigen om dat ook waarachtig te geloven. Een mens lijdt immers het meest door het lijden dat hij vreest, wat zit een mens toch raar in elkaar. [het rijmpje gaat nog verder en is compleet:

Een mens lijdt immers
het meest door ‘t lijden dat hij vreest, 
Doch dat nooit op komt dagen. 
Zo heeft hij meer te dragen,
dan God te dragen geeft
”.

Het is een zeer oneerlijke manier van verwoorden, al helemaal naar degenen, die gebukt gaan als gevolg van onze welvaart, de ontwikkelingslanden, om maar te zeggen: ‘God geeft eenieder lijden te dragen en Hij geeft jou dìt lijden te dragen‘. Erger blijkt het te zijn wanneer onze ontwikkelingshulp gebaseerd is op de winst van onze eigen ondernemingen. Dat is kortzichtig, doet af aan de natuurlijke werkelijkheid, de goddelijke wetten, bewegingen, etc, en is slechts een invulling die wij geven aan het lijden dat wij zien. wij kunnen, als mensen, kunnen God namelijk heel eenvoudig voor de voeten lopen.

Wanneer iemand heeft begrepen wat er in werkelijkheid in de wereld plaats-vindt, kan men hardop zeggen: “Wij willen [massaal, met de gehele mensheid] niet langer dergelijke dingen gebeuren, plaatsvinden”.
Er is veel wat we beter niet onder ogen kunnen krijgen, wanneer je alles zou doorzien zou je jezelf dood schrikken.
En tòch zolang wij adem hebben, de Heilige Geest ons bewust maakt,
wij met onze ziel kunnen zien, niet langer tot de blindgeborenen behoren;
dient geen door de staat gemandateerde opening geboden worden tot
datgene wat niet door de beugel kan en zou dit onmiddellijk dienen te veranderen.
Je kunt derhalve de toekomst niet vormgeven, wanneer je doet voorkomen
alsof je van het verleden hebt geleerd.

En wat doet de tegenpartij, die blijft wegkijken en de Waarheid blijft ontkennen?
de tegenpartij maakt gebruik van de onenigheid en zegt alsof het de gewoonste zaak van de wereld is:
    Deze mens komt niet van God, want Hij houdt zich niet aan onze regels”; òf
zij schelden je voor naïef uit en verklaren: “God heeft tot die en die mens gesproken, maar van deze mens weten wij niet, vanwaar Hij komt”; òf
wanneer ze je als bedelaar gekend hebben, vernederend: “ Is hij dat niet, die zat te bedelen?”; òf ze maken je omgeving bang en brengen/houden de omgeving in de veronderstelling dat  ze mee-uitgestoten zullen worden; òf
als ons systeem maar overeind blijft, dan zul je beslist geen honger,  ziekte en ellende verwachten, wij zorgen wel dat het goed verloopt. En aldus worden mensen blind/dom gehouden – wordt er nog even [tot de volgende crisis] verdiend en worden rijken steeds rijker en armen steeds armer.
De grootste opgave, die men dient op te lossen is het  probleem dat  steeds maar weer blijft liggen; als iemand niet vooraf rekening houdt met een naderend probleem,  dan dient het probleem maar daadwerkelijk in volle omvang te ontstaan en dan als nog te worden opgelost oftewel na mij de zondvloed [=als ik er niet meer ben].
Maar een succesvolle spelleider en dat kun je van Christus, van God toch wel zeggen, Die weet hoe het probleem ècht dient te worden opgelost, zodat de kans dat het zich nogmaals voordoet zeer gering wordt.
En mocht het zich desondanks toch weer voordoen, dan is er sprake van een wezenlijk ander aspect van het probleem wat voorheen niet zichtbaar was en ook dat is bij God zeker niet het geval.

Apolytikion     tn.5.
  Komt laat ons bezingen en aanbidden
het met de Vader en de Geest mede-eeuwige Woord,
Dat om ons te verlossen uit de Maagd geboren is.
Want hij heeft het op Zich genomen
Zijn Lichaam aan het Kruis te laten slaan en de dood te verduren,
om door Zijn roemrijke Opstanding de doden op te wekken
”.

Kondakion     tn.5.
    Ik ben blind aan de ogen van mijn ziel,
maar ik kom tot U, Christus,
zoals de blindgeborene,
en vol berouw roep ik tot U:
Gij zijt het helder-stralende Licht
voor allen die in het duister zijn
”.